ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 343

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
29 december 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

558

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

29.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/2446 VAN DE COMMISSIE

van 28 juli 2015

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 290,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name de artikelen 2, 7, 10, 24, 31, 36, 40, 62, 65, 75, 88, 99, 106, 115, 122, 126, 131, 142, 151, 156, 160, 164, 168, 175, 180, 183, 186, 196, 206, 212, 216, 221, 224, 231, 235, 253 en 265,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In samenhang met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt bij Verordening (EU) nr. 952/2013 (het wetboek) aan de Commissie de bevoegdheid gedelegeerd om een aantal niet-essentiële onderdelen van het wetboek overeenkomstig artikel 290 VWEU aan te vullen. Het komt dus aan de Commissie toe nieuwe bevoegdheden uit te oefenen in de context na het Verdrag van Lissabon, zodat het wetboek een duidelijke en correcte toepassing kan vinden.

(2)

Tijdens haar voorbereidende werkzaamheden heeft de Commissie passend overleg gepleegd, onder meer op deskundigenniveau en met de relevante stakeholders, die actief hebben bijgedragen aan de opstelling van deze verordening.

(3)

Het wetboek stimuleert het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën, zoals voorgeschreven bij Beschikking nr. 70/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad (2); dit is niet alleen essentieel voor de vergemakkelijking van de handel maar ook voor de effectiviteit van de douanecontroles, en vermindert zo de kosten voor het bedrijfsleven en de risico’s voor de maatschappij. Daarom moeten voor alle uitwisselingen van inlichtingen tussen de douaneautoriteiten onderling en tussen de marktdeelnemers en de douaneautoriteiten en voor de opslag van deze inlichtingen met behulp van elektronischegegevensverwerkingstechnieken specificaties worden vastgesteld voor de informatiesystemen waarmee douane-informatie wordt opgeslagen en verwerkt, en moeten de werkingssfeer en het doel van de op te zetten elektronische systemen worden vastgesteld in overeenstemming met de Commissie en de lidstaten. Er moet ook nadere informatie worden verstrekt voor de specifieke systemen voor de afhandeling van douaneformaliteiten of -procedures en voor de systemen waarbij de geharmoniseerde EU-interface fungeert als een component van het systeem die de bedrijven een rechtstreekse en geharmoniseerde EU-toegang biedt in de vorm van een dienst die in het elektronische douanesysteem geïntegreerd is.

(4)

De op elektronische systemen gebaseerde procedures die zijn vastgelegd in Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (3) en al worden toegepast op het gebied van invoer, uitvoer en douanevervoer, hebben hun efficiëntie bewezen. Daarom moet worden gewaarborgd dat die regels verder toepassing vinden.

(5)

Om het gebruik van elektronischegegevensverwerkingstechnieken te vergemakkelijken en te harmoniseren, moeten gemeenschappelijke gegevensvereisten worden vastgesteld voor elk van de gebieden waarop die gegevensverwerkingstechnieken zullen worden toegepast. De gemeenschappelijke gegevensvereisten dienen in overeenstemming te zijn met de geldende nationale en EU-gegevensbeschermingsbepalingen.

(6)

Om gelijke concurrentievoorwaarden te garanderen tussen postaanbieders en andere marktdeelnemers, moet een uniform kader worden vastgesteld voor de douaneafhandeling van brievenpost en postzendingen zodat gebruik kan worden gemaakt van elektronische systemen. Om het handelsverkeer te vergemakkelijken maar tegelijkertijd ook fraude te voorkomen en de rechten van de consument te beschermen, moeten passende en werkbare regels worden vastgesteld voor de aangifte van poststukken bij de douane, die naar behoren rekening houden met de verplichting van postaanbieders om een universele postdienst te verlenen overeenkomstig de Akten van de Wereldpostunie.

(7)

Om marktdeelnemers en douaneautoriteiten extra flexibiliteit te bieden, moet het gebruik van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken kunnen worden toegestaan in situaties waarin ook het risico op fraude beperkt is. Deze situaties moeten met name omvatten: de mededeling van de douaneschuld; de uitwisseling van informatie met betrekking tot de voorwaarden voor de vrijstelling van invoerrechten; kennisgeving door de douaneautoriteiten op dezelfde wijze als de aangever, wanneer deze een aangifte heeft ingediend met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken; overlegging van het masterreferentienummer (MRN) voor douanevervoer op een andere wijze dan op een begeleidingsdocument voor douanevervoer; de mogelijkheid om achteraf een uitvoeraangifte in te dienen en de goederen aan te brengen bij het douanekantoor van uitgang alsook bewijs over te leggen dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, of de uitwisseling en de opslag van informatie voor een aanvraag en een beschikking inzake een bindende oorsprongsinlichting.

(8)

In situaties waarin het gebruik van elektronischegegevensverwerkingstechnieken buitensporige inspanningen zou vereisen van de marktdeelnemers, dient het gebruik van andere middelen te worden toegestaan om deze inspanningen te verminderen, met name waar het erom gaat het bewijs te leveren van de douanestatus van Uniegoederen voor commerciële zendingen van geringe waarde of een mondelinge uitvoeraangifte te doen ook voor commerciële goederen mits de waarde daarvan de statistische drempel niet overschrijdt. Hetzelfde geldt voor andere reizigers dan marktdeelnemers in situaties waarin zij een verzoek om het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen doen, of voor vissersvaartuigen tot een bepaalde lengte. Gelet ook op verplichtingen uit hoofde van internationale overeenkomsten die papieren procedures voorschrijven, zou het in strijd zijn met die overeenkomsten om het gebruik van elektronischegegevensverwerkingstechnieken verplicht te stellen.

(9)

Met het oog op een unieke identificatie van marktdeelnemers moet worden verduidelijkt dat iedere marktdeelnemer zich slechts één keer moet registreren aan de hand van een welomschreven gegevensset. De registratie van niet in de Europese Unie gevestigde marktdeelnemers en van andere personen dan marktdeelnemers maakt het mogelijk dat elektronische systemen die een EORI-nummer vereisen om ondubbelzinnig naar een marktdeelnemer te verwijzen, goed functioneren. Gegevens mogen niet langer dan nodig worden bewaard en daarom moet worden voorzien in regels om een EORI-nummer ongeldig te verklaren.

(10)

De termijn voor de uitoefening van het recht om te worden gehoord door een persoon die een aanvraag doet voor een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving (aanvrager), moet voldoende zijn om de aanvrager in staat te stellen zijn standpunt voor te bereiden en in te dienen bij de douaneautoriteiten. Deze termijn moet niettemin worden beperkt wanneer de beschikking betrekking heeft op de resultaten van de controle van goederen die niet correct bij de douane zijn aangegeven.

(11)

Om een evenwicht te vinden tussen een doeltreffend optreden van de douaneautoriteiten en de eerbiediging van het recht om te worden gehoord, dient te worden voorzien in bepaalde uitzonderingen op het recht om te worden gehoord.

(12)

Om de douaneautoriteiten in staat te stellen op zo efficiënt mogelijke wijze beschikkingen te geven die in de hele Unie geldig zijn, moeten uniforme en duidelijke voorwaarden voor zowel de douanediensten als de aanvrager worden vastgesteld. Deze voorwaarden moeten met name betrekking hebben op de aanvaarding van een aanvraag voor een beschikking, waarbij niet alleen naar nieuwe aanvragen wordt gekeken maar ook rekening wordt gehouden met eerdere nietig verklaarde of ingetrokken beschikkingen, aangezien slechts aanvragen zouden mogen worden aanvaard die de douaneautoriteiten de nodige elementen verstrekken om het verzoek te analyseren.

(13)

Wanneer de douaneautoriteiten om aanvullende informatie vragen om hun beschikking te kunnen geven, dient de beschikkingstermijn te worden verlengd zodat alle door de aanvrager verstrekte informatie naar behoren kan worden onderzocht.

(14)

In bepaalde gevallen moet een beschikking van kracht worden op een andere datum dan die waarop de aanvrager deze ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen, namelijk wanneer de aanvrager heeft verzocht dat de beschikking op een andere datum van kracht wordt of wanneer zij pas van kracht wordt nadat de aanvrager bepaalde formaliteiten heeft vervuld. Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moeten deze gevallen nauwkeurig worden vastgelegd.

(15)

Om dezelfde redenen moeten ook de gevallen waarin een douaneautoriteit de verplichting heeft om een beschikking te herzien en, in voorkomend geval, te schorsen, nauwkeurig worden vastgelegd.

(16)

Om in de nodige flexibiliteit te voorzien en bedrijfscontroles te vergemakkelijken, moet een aanvullend criterium worden vastgesteld voor de gevallen waarin de bevoegde douaneautoriteit niet kan worden bepaald volgens artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek.

(17)

Om de handel te vergemakkelijken, is het wenselijk te bepalen dat aanvragen voor beschikkingen inzake bindende inlichtingen ook kunnen worden ingediend in de lidstaat waar de inlichtingen zullen worden gebruikt.

(18)

Om te vermijden dat onjuiste of niet-uniforme beschikkingen inzake bindende inlichtingen worden gegeven, dient te worden bepaald dat specifieke termijnen moeten gelden om dergelijke beschikkingen te geven wanneer de normale termijn niet kan worden nageleefd.

(19)

Hoewel de vereenvoudigingen voor een geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) doelmatigheidshalve dienen te worden vastgesteld in het kader van de specifieke bepalingen betreffende douanevereenvoudigingen, moeten de faciliteiten voor AEO’s worden getoetst aan de veiligheidsrisico’s die aan een specifiek proces verbonden zijn. Aangezien de risico’s zijn afgedekt wanneer een geautoriseerde marktdeelnemer voor veiligheid zoals bedoeld in artikel 38, lid 2, onder b), van het wetboek (AEOS) een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer indient voor goederen die het douanegebied van de Unie verlaten, dient de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden op die aangifte te worden gebaseerd en mogen geen aanvullende gegevens betreffende veiligheid worden verlangd. Gelet op de criteria voor de toekenning van de status moet aan de AEO een gunstige behandeling worden verleend bij controles tenzij de controles in het gedrang komen of zij vereist zijn op basis van een specifiek dreigingsniveau of krachtens andere Uniewetgeving.

(20)

Bij Besluit 94/800/EG (4) heeft de Raad zijn goedkeuring gegeven aan de overeenkomst betreffende de oorsprongsregels (WTO-GATT 1994), die is gehecht aan de op 15 april 1994 te Marrakesh ondertekende slotakte. In de overeenkomst betreffende de oorsprongsregels is bepaald dat specifieke regels inzake oorsprongsbepaling voor een aantal productsectoren in de eerste plaats gebaseerd moeten zijn op het land waar het productieproces tot een verandering van tariefindeling heeft geleid. Alleen wanneer het niet mogelijk is om aan de hand van dat criterium het land van de laatste ingrijpende be- of verwerking te bepalen, kunnen andere criteria worden gebruikt, zoals het criterium van de toegevoegde waarde of de vaststelling van een specifiek verwerkingsproces. Aangezien de Unie partij is bij die overeenkomst, is het passend om in de douanewetgeving van de Unie bepalingen vast te stellen die aansluiten bij de in die overeenkomst neergelegde beginselen om te bepalen in welk land goederen hun laatste ingrijpende be- of verwerking hebben ondergaan.

(21)

Om te voorkomen dat de oorsprong van ingevoerde goederen wordt gemanipuleerd met als doel handelspolitieke maatregelen te omzeilen, moet de laatste ingrijpende be- of verwerking in een aantal gevallen worden aangemerkt als niet economisch verantwoord.

(22)

Er moeten oorsprongsregels worden vastgesteld die van toepassing zijn in samenhang met de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en met cumulatie in het kader van het stelsel van algemene preferenties (SAP) van de Unie en van de eenzijdig door de Unie aangenomen preferentiële tariefmaatregelen ten gunste van bepaalde landen of gebieden, om ervoor te zorgen dat deze preferenties alleen worden verleend voor producten die werkelijk van oorsprong zijn uit SAP-begunstigde landen respectievelijk uit die landen of gebieden, en aldus ten goede komen van de begunstigden die zij tot doel hebben.

(23)

Om onevenredige administratieve kosten te voorkomen en tegelijkertijd de bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, moet er, in de context van vereenvoudiging en facilitering, op worden toegezien dat er passende voorwaarden worden verbonden aan de toestemming om specifieke bedragen die betrekking hebben op de douanewaarde, vast te stellen op basis van specifieke criteria.

(24)

Er moeten berekeningsmethoden worden vastgesteld om het bedrag aan invoerrechten te bepalen dat moet worden geheven op veredelingsproducten die in het kader van actieve veredeling zijn verkregen, en voor gevallen waarin een douaneschuld is ontstaan voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van passieve veredeling en waarbij een specifiek invoerrecht geldt.

(25)

Er mag geen zekerheid worden verlangd voor goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst, wanneer dit economisch niet verantwoord is.

(26)

De meest gebruikte vormen van zekerheidstelling om de betaling van een douaneschuld te garanderen, zijn de storting van contant geld of het equivalent daarvan en borgstelling; de marktdeelnemers moeten de douaneautoriteiten evenwel een andere vorm van zekerheid kunnen stellen op voorwaarde dat deze een gelijkwaardige waarborg biedt dat het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat overeenkomt met de douaneschuld en andere heffingen, zal worden betaald. Het is derhalve noodzakelijk deze andere vormen van zekerheidstelling en specifieke regels met betrekking tot het gebruik ervan vast te stellen.

(27)

Teneinde te voorzien in een adequate bescherming van de financiële belangen van de Unie en van de lidstaten en in gelijke concurrentievoorwaarden voor de marktdeelnemers, mogen marktdeelnemers alleen in aanmerking komen voor een vermindering van het bedrag van de doorlopende zekerheid of voor ontheffing van zekerheidstelling indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen die hun betrouwbaarheid aantonen.

(28)

Omwille van de rechtszekerheid dienen de regels van het wetboek betreffende de vrijgave van de zekerheid te worden aangevuld wanneer goederen onder de regeling Uniedouanevervoer zijn geplaatst en wanneer gebruik wordt gemaakt van een CPD- of ATA-carnet.

(29)

De mededeling van de douaneschuld is onder bepaalde omstandigheden niet gerechtvaardigd wanneer het gaat om een bedrag van minder dan 10 EUR. In deze gevallen moeten de douaneautoriteiten derhalve worden vrijgesteld van de verplichting tot mededeling van de douaneschuld.

(30)

Om invorderingsprocedures te vermijden wanneer de invoer- of uitvoerrechten waarschijnlijk zullen worden kwijtgescholden, dient te worden voorzien in een schorsing van de termijn voor de betaling van het bedrag aan rechten totdat de beschikking is gegeven. Om de financiële belangen van de Unie en de lidstaten te beschermen, moet er een zekerheid worden geëist om in aanmerking te komen voor een dergelijke schorsing, tenzij dit ernstige economische of sociale moeilijkheden zou veroorzaken. Hetzelfde moet gelden wanneer de douaneschuld is ontstaan door niet-naleving, op voorwaarde dat de betrokkene geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten.

(31)

Om eenvormige voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het wetboek te waarborgen en duidelijkheid te verschaffen over de nadere regels op basis waarvan de bepalingen van het wetboek in de praktijk moeten worden gebracht, met inbegrip van de te volgen specificaties en procedures, dienen voorschriften en verduidelijkingen te worden opgenomen met betrekking tot de voorwaarden voor een aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding, de mededeling van een beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding, de formaliteiten en de termijn om op terugbetaling of kwijtschelding te beschikken. Er moeten algemene bepalingen van toepassing zijn wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten een beschikking moeten geven, maar het is passend om een bijzondere procedure vast te stellen voor de gevallen waarin de Commissie een besluit moet nemen. Bij deze verordening wordt de procedure geregeld voor het door de Commissie te nemen besluit betreffende terugbetaling of kwijtschelding, met name wat betreft de toezending van het dossier aan de Commissie, de mededeling van het besluit en de toepassing van het recht om te worden gehoord, rekening houdende met het belang dat de Unie erbij heeft dat de douanebepalingen worden nageleefd, en met de belangen van marktdeelnemers die te goeder trouw handelen.

(32)

Wanneer de douaneschuld tenietgaat ingevolge situaties waarbij sprake is van verzuim zonder werkelijke gevolgen voor het juiste functioneren van de douaneregeling in kwestie, moet het met name gaan om de niet-nakoming van bepaalde verplichtingen mits de niet-nakoming achteraf kan worden gecorrigeerd.

(33)

De ervaring die is opgedaan met het elektronische systeem voor summiere aangiften bij binnenbrengen, en de vereisten op het gebied van douane die voortvloeien uit het EU-actieplan inzake beveiliging van luchtvracht (5), hebben duidelijk gemaakt dat de gegevenskwaliteit van dergelijke aangiften moet worden verbeterd, met name door de werkelijke partijen in de toeleveringsketen te verplichten goederentransacties en -bewegingen te motiveren. Aangezien contractuele afspraken de vervoerder beletten alle benodigde gegevens te verstrekken, moeten deze gevallen worden omschreven en de personen die deze gegevens bezitten en moeten verstrekken, worden bepaald.

(34)

Om de veiligheidsgerelateerde risicoanalyse voor het luchtvervoer en, in het geval van in containers vervoerde goederen, voor het zeevervoer nog doeltreffender te maken, dienen de vereiste gegevens te worden ingediend vóór het laden van het vaartuig of luchtvaartuig, in tegenstelling tot het overige goederenvervoer, waar er ook doeltreffend een risicoanalyse kan worden verricht wanneer de gegevens worden ingediend vóór de aankomst van de goederen in het douanegebied van de Unie. Om dezelfde reden is het gerechtvaardigd om de algemene ontheffing van de verplichting tot indiening van een summiere aangifte bij binnenbrengen voor goederen die worden vervoerd krachtens de Akten van de Wereldpostunie, te vervangen door een ontheffing voor brievenpost en om de ontheffing op basis van de waarde van de goederen te schrappen omdat de waarde geen criterium kan zijn voor de beoordeling van veiligheidsrisico’s.

(35)

Om het goederenverkeer vlot te laten verlopen, is het passend bepaalde douaneformaliteiten en -controles toe te passen op de handel in Uniegoederen tussen delen van het douanegebied van de Unie waar de bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (6) of Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (7) gelden, en de rest van het douanegebied van de Unie, of op de handel tussen delen van dat gebied waar deze bepalingen niet gelden.

(36)

Het aanbrengen van goederen bij aankomst in het douanegebied van de Unie en de tijdelijke opslag van goederen moeten in de regel plaatsvinden in de kantoren van het bevoegde douanekantoor of in de ruimte voor tijdelijke opslag die uitsluitend wordt beheerd door de houder van een door de douaneautoriteiten afgegeven vergunning. Om marktdeelnemers en douaneautoriteiten extra flexibiliteit te bieden, is het evenwel passend te voorzien in de mogelijkheid tot goedkeuring van een andere plaats dan het bevoegde douanekantoor om goederen aan te brengen of een andere plaats dan een ruimte voor tijdelijke opslag om goederen tijdelijk op te slaan.

(37)

Om marktdeelnemers meer duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de douanebehandeling van goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen, moeten er voorschriften worden vastgesteld voor situaties waarin het vermoeden van de douanestatus van Uniegoederen niet van toepassing is. Voorts moeten er voorschriften worden vastgesteld voor situaties waarin goederen hun douanestatus als Uniegoederen behouden wanneer zij het douanegebied van de Unie tijdelijk verlaten en opnieuw binnenkomen, zodat zowel de bedrijven als de douanediensten deze goederen bij hun terugkeer efficiënt kunnen afhandelen. Er moeten voorwaarden worden vastgesteld voor het toestaan van faciliteiten bij de opstelling van het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen om de administratieve lasten voor de marktdeelnemers te verlagen.

(38)

Om de juiste toepassing van de vrijstelling van invoerrechten te vergemakkelijken, is het passend te bepalen in welke gevallen goederen worden geacht te zijn teruggekeerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd, alsook in welke specifieke gevallen van terugkerende goederen die in aanmerking kwamen voor maatregelen op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ook vrijstelling van invoerrechten wordt verleend.

(39)

Wanneer regelmatig gebruik wordt gemaakt van een vereenvoudigde aangifte om goederen onder een douaneregeling te plaatsen, moet de vergunninghouder voldoen aan passende voorwaarden en criteria, die vergelijkbaar zijn met die welke van toepassing zijn op AEO’s, om het adequate gebruik van die aangiften te garanderen. De voorwaarden en criteria moeten in verhouding staan tot de voordelen van het regelmatige gebruik van vereenvoudigde aangiften. Voorts moeten er geharmoniseerde regels worden vastgesteld met betrekking tot de termijnen voor het indienen van een aanvullende aangifte en eventuele bewijsstukken die ontbraken op het moment waarop de vereenvoudigde aangifte is gedaan.

(40)

Teneinde een evenwicht te vinden tussen faciliteiten en controles, moeten passende voorwaarden worden vastgesteld, die verschillen van die welke van toepassing zijn op bijzondere regelingen, voor het gebruik van de vereenvoudigde aangifte en de inschrijving in de administratie van de aangever als een vereenvoudigde procedure om goederen onder een douaneregeling te plaatsen.

(41)

Gezien de vereisten inzake het toezicht op de uitgang van goederen mag inschrijving in de administratie van de aangever met het oog op uitvoer of wederuitvoer slechts mogelijk zijn wanneer de douaneautoriteiten hun taken kunnen uitoefenen zonder douaneaangifte op transactiebasis, en slechts in specifieke gevallen.

(42)

Wanneer een bedrag aan invoerrechten mogelijkerwijs niet verschuldigd zal zijn als gevolg van een verzoek om gebruik te mogen maken van een tariefcontingent, mag de vrijgave van de goederen niet afhankelijk zijn van het stellen van een zekerheid indien er geen redenen zijn om aan te nemen dat het tariefcontingent zeer binnenkort zal zijn uitgeput.

(43)

Om te voorzien in extra flexibiliteit voor marktdeelnemers en douaneautoriteiten, moet aan erkende bananenwegers worden toegestaan weegcertificaten voor bananen op te stellen die zullen dienen als bewijsstuk voor de verificatie van de douaneaangifte voor het vrije verkeer.

(44)

In bepaalde situaties is het passend dat er geen douaneschuld ontstaat en er geen invoerrechten verschuldigd worden door de vergunninghouder. In dergelijke gevallen moet het derhalve mogelijk zijn om de termijn voor de aanzuivering van een bijzondere regeling te verlengen.

(45)

Om het juiste evenwicht te vinden tussen minimale administratieve lasten voor zowel de douanediensten als de marktdeelnemers enerzijds en het waarborgen van de juiste toepassing van de procedures voor douanevervoer en het voorkomen van misbruik anderzijds, moeten betrouwbare marktdeelnemers op basis van geharmoniseerde criteria in zo ruim mogelijke mate gebruik kunnen maken van vereenvoudigingen voor het douanevervoer. De vereisten om toegang te krijgen tot deze vereenvoudigingen, moeten daarom in overeenstemming worden gebracht met de voorwaarden en criteria die gelden voor marktdeelnemers die de AEO-status willen verkrijgen.

(46)

Om mogelijke frauduleuze activiteiten te voorkomen in bepaalde gevallen van douanevervoer in samenhang met uitvoer, moeten er regels worden vastgesteld voor specifieke gevallen waarin goederen met de douanestatus van Uniegoederen onder de regeling extern douanevervoer worden geplaatst.

(47)

De Unie is partij bij de overeenkomst inzake tijdelijke invoer (8), met inbegrip van alle latere wijzigingen daarvan (overeenkomst van Istanbul). Daarom moeten de in deze verordening vastgestelde vereisten ter zake van specifieke bestemming onder de regeling tijdelijke invoer, op grond waarvan niet-Uniegoederen tijdelijk kunnen worden gebruikt in het douanegebied van de Unie met volledige of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, in overeenstemming zijn met die overeenkomst.

(48)

De douaneprocedures betreffende douane-entrepots, vrije zones, bijzondere bestemming, en actieve en passieve veredeling dienen te worden vereenvoudigd en gerationaliseerd zodat het voor bedrijven interessanter wordt om gebruik te maken van bijzondere regelingen. Daarom moeten de verschillende regelingen voor actieve veredeling volgens het terugbetalingssysteem en het schorsingssysteem, en de behandeling onder douanetoezicht worden samengebracht in één enkele regeling actieve veredeling.

(49)

De rechtszekerheid en de gelijke behandeling van marktdeelnemers vereisen dat wordt aangegeven in welke gevallen de economische voorwaarden voor actieve en passieve veredeling dienen te worden onderzocht.

(50)

Om bedrijven meer flexibiliteit te bieden bij het gebruik van equivalente goederen, moet het mogelijk zijn om equivalente goederen te gebruiken in het kader van de regeling passieve veredeling.

(51)

Om de administratieve kosten te beperken, moet worden voorzien in een langere geldigheidsduur van vergunningen voor specifieke bestemming en veredeling dan die welke wordt toegepast op grond van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

(52)

Er moet niet alleen voor actieve veredeling een aanzuiveringsafrekening worden geëist, maar ook voor bijzondere bestemming, teneinde de invordering van invoerrechten te vergemakkelijken en aldus de financiële belangen van de Unie te vrijwaren.

(53)

Het is passend om duidelijk te bepalen in welke gevallen goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst, mogen worden vervoerd, zodat geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de regeling extern Uniedouanevervoer, hetgeen twee extra douaneaangiften zou vereisen.

(54)

Om ervoor te zorgen dat de risicoanalyse zo doeltreffend mogelijk en zo min mogelijk verstorend kan worden verricht, dient de aangifte vóór vertrek te worden ingediend binnen termijnen die rekening houden met de bijzondere situatie van de vervoerswijze in kwestie. Voor het zeevervoer, in het geval van in containers vervoerde goederen, dienen de vereiste gegevens reeds te worden ingediend binnen een termijn voorafgaand aan het laden van het vaartuig, terwijl in de overige gevallen van het goederenvervoer de risicoanalyse ook doeltreffend kan worden verricht wanneer de gegevens worden ingediend binnen een termijn die afhankelijk is van het vertrek van de goederen uit het douanegebied van de Unie. Er moet ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek worden verleend wanneer op grond van het soort goederen, de vervoersvoorwaarden of de specifieke situatie van de goederen kan worden geoordeeld dat er geen gegevens in verband met veiligheidsrisico’s moeten worden geëist zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de verplichtingen in verband met de aangifte tot uitvoer of wederuitvoer.

(55)

Om de douaneautoriteiten extra flexibiliteit te bieden bij de aanpak van bepaalde onregelmatigheden in het kader van de regeling uitvoer, moet het mogelijk zijn dat de douaneaangifte op initiatief van de douane ongeldig wordt gemaakt.

(56)

Om de wettige belangen van de marktdeelnemers te vrijwaren en de blijvende geldigheid te garanderen van beschikkingen en vergunningen die door de douaneautoriteiten zijn gegeven respectievelijk verleend op basis van de bepalingen van het wetboek en op basis van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (9) en Verordening (EEG) nr. 2454/93, dienen overgangsbepalingen te worden vastgesteld om die beschikkingen en vergunningen te kunnen aanpassen aan de nieuwe wettelijke voorschriften.

(57)

Om de lidstaten voldoende tijd te bieden om douaneverzegelingen en verzegelingen van een bijzonder model die worden gebruikt voor de identificatie van goederen onder een regeling douanevervoer, in overeenstemming te brengen met de nieuwe, in deze verordening vastgestelde vereisten, dient te worden voorzien in een overgangsperiode gedurende welke de lidstaten gebruik kunnen blijven maken van verzegelingen die voldoen aan de technische specificaties van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

(58)

De algemene voorschriften tot aanvulling van het wetboek zijn nauw met elkaar verbonden en kunnen niet van elkaar worden gescheiden vanwege hun onderlinge materiële verwevenheid, terwijl ze ook horizontale regels bevatten die van toepassing zijn op verschillende douaneregelingen. Omwille van de juridische samenhang is het daarom passend ze in één verordening onder te brengen.

(59)

De bepalingen van deze verordening moeten toepassing vinden vanaf 1 mei 2016 zodat het wetboek onverkort kan worden toegepast,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

Toepassingsgebied van de douanewetgeving, missie van de douane en definities

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

landbouwpolitieke maatregel: de bepalingen betreffende invoer- en uitvoerverrichtingen ten aanzien van producten die onder bijlage 71-02, punten 1, 2 en 3, vallen;

2.

ATA-carnet: een internationaal douanedocument voor tijdelijke invoer, afgegeven in het kader van de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul;

3.

ATA-overeenkomst: de douaneovereenkomst inzake het carnet ATA voor de tijdelijke invoer van goederen, gedaan te Brussel op 6 december 1961;

4.

overeenkomst van Istanbul: de overeenkomst inzake tijdelijke invoer, gedaan te Istanbul op 26 juni 1990;

5.

bagage: alle goederen die op enigerlei wijze worden vervoerd in samenhang met een reis van een natuurlijke persoon;

6.

wetboek: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie;

7.

EU-luchthaven: een luchthaven in het douanegebied van de Unie;

8.

EU-haven: een zeehaven in het douanegebied van de Unie;

9.

overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer: de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer (10);

10.

land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer: elk ander land dan een lidstaat van de Unie dat partij is bij de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer;

11.

derde land: een land of gebied buiten het douanegebied van de Unie;

12.

CPD-carnet: een internationaal douanedocument voor de tijdelijke invoer van vervoermiddelen, afgegeven in overeenstemming met de overeenkomst van Istanbul;

13.

douanekantoor van vertrek: het douanekantoor waar de douaneaangifte tot plaatsing van goederen onder een regeling douanevervoer wordt aanvaard;

14.

douanekantoor van bestemming: het douanekantoor waar de onder een regeling douanevervoer geplaatste goederen worden aangebracht om de regeling te beëindigen;

15.

douanekantoor van eerste binnenkomst: het douanekantoor dat bevoegd is voor het douanetoezicht op de plaats waar het vervoermiddel waarmee de goederen worden vervoerd, aankomt in het douanegebied van de Unie vanuit een gebied buiten dat douanegebied;

16.

douanekantoor van uitvoer: het douanekantoor waar de aangifte tot uitvoer of de aangifte tot wederuitvoer wordt ingediend voor goederen die het douanegebied van de Unie verlaten;

17.

douanekantoor van plaatsing: het douanekantoor dat is vermeld in de vergunning voor een bijzondere regeling zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek, en dat gemachtigd is om goederen voor een bijzondere regeling vrij te geven;

18.

registratie- en identificatienummer van marktdeelnemer (Economic Operators Registration and Identification number of EORI-nummer): een identificatienummer dat uniek is in het douanegebied van de Unie en door een douaneautoriteit aan een marktdeelnemer of een andere persoon wordt toegekend om hem voor douanedoeleinden te registreren;

19.

exporteur:

a)

de in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die, op het tijdstip waarop de aangifte wordt aanvaard, het contract heeft met de geadresseerde in het derde land en de macht heeft om te beslissen dat de goederen naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht,

b)

de particulier die de uit te voeren goederen bij zich draagt wanneer deze goederen deel uitmaken van zijn persoonlijke bagage,

c)

in andere gevallen, de in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die de macht heeft om te beslissen dat de goederen naar een bestemming buiten het douanegebied van de Unie zullen worden gebracht;

20.

algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen: de beginselen waarvoor in een land op een bepaald tijdstip een algemene consensus of ruime gezaghebbende steun bestaat ten aanzien van welke economische middelen en verplichtingen als activa en passiva moeten worden geboekt, welke wijzigingen in de activa en passiva dienen te worden geregistreerd, hoe de activa en passiva en de wijzigingen daarvan moeten worden gemeten, welke gegevens openbaar moeten worden gemaakt en hoe deze openbaarmaking dient te geschieden, alsmede welke financiële staten moeten worden opgemaakt;

21.

goederen zonder handelskarakter:

a)

goederen die deel uitmaken van een door een particulier aan een particulier gerichte zending, wanneer de zending:

i)

een incidenteel karakter draagt,

ii)

goederen bevat die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de geadresseerde dan wel voor gebruik door leden van zijn gezin, mits uit de aard of de hoeveelheid van de goederen geen commerciële bijbedoelingen blijken,

iii)

zonder enige vorm van betaling door de afzender aan de geadresseerde wordt gezonden;

b)

goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, waarbij sprake is van:

i)

een incidenteel karakter, en

ii)

uitsluitend goederen die bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de reiziger dan wel voor gebruik door leden van zijn gezin, of goederen bestemd om als geschenk te worden aangeboden, mits uit de aard en de hoeveelheid van de goederen blijkt dat zij niet om commerciële redenen worden in- of uitgevoerd;

22.

masterreferentienummer (MRN): het door de bevoegde douaneautoriteit toegekende registratienummer aan aangiften of kennisgevingen zoals bedoeld in artikel 5, punten 9 tot en met 14, van het wetboek, aan TIR-operaties of aan bewijzen van de douanestatus van Uniegoederen;

23.

aanzuiveringstermijn: de termijn waarbinnen goederen die onder een bijzondere regeling zijn geplaatst, met uitzondering van douanevervoer, of veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling moeten worden geplaatst, moeten worden vernietigd, uit het douanegebied van de Unie moeten worden gebracht of de voorgeschreven bijzondere bestemming moeten krijgen. In het geval van passieve veredeling is de aanzuiveringstermijn de termijn waarbinnen tijdelijk uitgevoerde goederen in de vorm van veredelingsproducten opnieuw in het douanegebied van de Unie kunnen worden ingevoerd en in het vrije verkeer worden gebracht, teneinde in aanmerking te kunnen komen voor volledige of gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten;

24.

goederen in postzendingen: andere goederen dan brievenpost, die deel uitmaken van een postpakket of collo en door of onder de verantwoordelijkheid van een postaanbieder worden vervoerd overeenkomstig de bepalingen van het Wereldpostverdrag, dat op 10 juli 1984 onder auspiciën van de Verenigde Naties tot stand is gekomen;

25.

postaanbieder: een exploitant die is gevestigd in en aangewezen door een lidstaat om de onder het Wereldpostverdrag vallende internationale diensten te verlenen;

26.

brievenpost: brieven, briefkaarten, braillestukken en van invoer- of uitvoerrechten vrijgesteld drukwerk;

27.

passieve veredeling IM/EX: de invoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten in het kader van de regeling passieve veredeling voorafgaand aan de uitvoer van de goederen die zij vervangen zoals bedoeld in artikel 223, lid 2, onder d), van het wetboek;

28.

passieve veredeling EX/IM: de uitvoer van Uniegoederen in het kader van de regeling passieve veredeling voorafgaand aan de invoer van veredelingsproducten;

29.

actieve veredeling EX/IM: de uitvoer van uit equivalente goederen verkregen veredelingsproducten in het kader van de regeling actieve veredeling voorafgaand aan de invoer van de goederen die zij vervangen zoals bedoeld in artikel 223, lid 2, onder c), van het wetboek;

30.

actieve veredeling IM/EX: de invoer van niet-Uniegoederen in het kader van de regeling actieve veredeling voorafgaand aan de uitvoer van veredelingsproducten;

31.

particulier: natuurlijke persoon die geen als zodanig handelende belastingplichtige is zoals omschreven in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad;

32.

publiek douane-entrepot type I: een publiek douane-entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 1, van het wetboek, berusten bij de houder van de vergunning en de houder van de regeling;

33.

publiek douane-entrepot type II: een publiek douane-entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 2, van het wetboek, berusten bij de houder van de regeling;

34.

enkel vervoersdocument: in de context van douanestatus, een in een lidstaat afgegeven vervoersdocument voor het vervoer van de goederen vanaf de plaats van vertrek in het douanegebied van de Unie tot de plaats van bestemming in dat gebied onder verantwoordelijkheid van de vervoerder die het document heeft afgegeven;

35.

gebied met een bijzonder fiscaal regime: een deel van het douanegebied van de Unie waar de bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde of van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG niet van toepassing zijn;

36.

controlekantoor:

a)

in geval van tijdelijke opslag zoals bedoeld in titel IV van het wetboek of in geval van andere bijzondere regelingen dan douanevervoer zoals bedoeld in titel VII van het wetboek, het in de vergunning vermelde douanekantoor dat toeziet op de tijdelijke opslag van de goederen of de bijzondere regeling in kwestie;

b)

in geval van een vereenvoudigde douaneaangifte zoals bedoeld in artikel 166 van het wetboek, gecentraliseerde vrijmaking zoals bedoeld in artikel 179 van het wetboek of inschrijving in de administratie zoals bedoeld in artikel 182 van het wetboek, het in de vergunning vermelde douanekantoor dat toeziet op de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling in kwestie;

37.

TIR-overeenkomst: de douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR, gedaan te Genève op 14 november 1975;

38.

TIR-operatie: de overbrenging van goederen binnen het douanegebied van de Unie overeenkomstig de TIR-overeenkomst;

39.

overlading: het omladen van producten en goederen die zich aan boord van het ene vervoermiddel bevinden, op of in een ander vervoermiddel;

40.

reiziger: een natuurlijke persoon die:

a)

het douanegebied van de Unie tijdelijk binnenkomt en daar niet zijn gewone verblijfplaats heeft, of

b)

terugkeert naar het douanegebied van de Unie, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, na tijdelijk buiten dat gebied te hebben verbleven, of

c)

het douanegebied van de Unie, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, tijdelijk verlaat, of

d)

het douanegebied van de Unie, waar hij niet zijn gewone verblijfplaats heeft, na een tijdelijk verblijf verlaat;

41.

resten en afval:

a)

goederen of producten die zijn ingedeeld als resten en afval in overeenstemming met de gecombineerde nomenclatuur, of

b)

in de context van bijzondere bestemming of actieve veredeling, goederen of producten die bij een veredelingshandeling zijn ontstaan, geen of slechts geringe economische waarde hebben en niet kunnen worden gebruikt zonder verdere verwerking;

42.

laadbord: een constructie op de vloer waarvan een bepaalde hoeveelheid goederen kan worden bijeengeplaatst teneinde als een eenheid te worden behandeld met het oog op het vervoer, het laden en lossen of het opstapelen met behulp van mechanische werktuigen. Deze constructie bestaat uit ofwel twee door verbindingsstukken aan elkaar bevestigde vloeren ofwel een op poten rustende vloer; de totale hoogte is zo gering mogelijk, doch voldoende voor het vervoer en voor het laden en lossen met vorkheftrucks of hefwagens; een laadbord kan al dan niet zijn voorzien van een bovenbouw;

43.

EU-fabrieksschip: een vaartuig dat in een tot het douanegebied van de Unie behorend deel van het grondgebied van een lidstaat is geregistreerd, de vlag van een lidstaat voert en geen zeevisserijproducten vangt maar wel aan boord verwerkt;

44.

EU-vissersvaartuig: een vaartuig dat in een tot het douanegebied van de Unie behorend deel van het grondgebied van een lidstaat is geregistreerd, de vlag van een lidstaat voert, en zeevisserijproducten vangt en eventueel ook aan boord verwerkt;

45.

lijndienst: een dienst waarbij goederen per schip worden vervoerd uitsluitend tussen EU-havens en het schip van of naar geen enkele plaats buiten het douanegebied van de Unie of in een vrije zone in een EU-haven vaart of een dergelijke plaats aandoet.

HOOFDSTUK 2

Rechten en plichten van personen in het kader van de douanewetgeving

Afdeling 1

Informatieverstrekking

Onderafdeling 1

Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor de uitwisseling en de opslag van informatie

Artikel 2

Gemeenschappelijke gegevensvereisten

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

1.   Voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aanvragen en beschikkingen vereist is, gelden de in bijlage A vastgestelde gemeenschappelijke gegevensvereisten.

2.   Voor de uitwisseling en de opslag van informatie die voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van douanestatus vereist is, gelden de in bijlage B vastgestelde gemeenschappelijke gegevensvereisten.

Onderafdeling 2

Registratie van personen bij de douaneautoriteiten

Artikel 3

Gegevens in het EORI-bestand

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

Bij de registratie van een persoon verzamelen en bewaren de douaneautoriteiten de in bijlage 12-01 vastgestelde gegevens betreffende die persoon. Deze gegevens vormen het EORI-bestand.

Artikel 4

Indiening van gegevens voor EORI-registratie

(Artikel 6, lid 4, van het wetboek)

De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat personen de voor de EORI-registratie vereiste gegevens indienen met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 5

Niet in het douanegebied van de Unie gevestigde marktdeelnemers

(Artikel 22, lid 2, en artikel 9, lid 2, van het wetboek)

1.   Een marktdeelnemer die niet in het douanegebied van de Unie gevestigd is, dient zich te registreren voordat hij:

a)

in het douanegebied van de Unie een andere dan een van de volgende douaneaangiften indient:

i)

een douaneaangifte overeenkomstig de artikelen 135 tot en met 144;

ii)

een douaneaangifte om goederen onder de regeling tijdelijke invoer te plaatsen of een aangifte tot wederuitvoer om deze regeling aan te zuiveren;

iii)

een douaneaangifte in het kader van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer (11), ingediend door een marktdeelnemer die is gevestigd in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer;

iv)

een douaneaangifte in het kader van de regeling Uniedouanevervoer, ingediend door een marktdeelnemer die is gevestigd in Andorra of San Marino;

b)

een summiere aangifte bij uitgaan of bij binnenbrengen indient in het douanegebied van de Unie;

c)

een aangifte tot tijdelijke opslag indient in het douanegebied van de Unie;

d)

optreedt als een vervoerder met het oog op vervoer over zee, over de binnenwateren of door de lucht;

e)

optreedt als een vervoerder die is aangesloten op het douanesysteem en een van de kennisgevingen wenst te ontvangen waarin de douanewetgeving voorziet in verband met de indiening of de wijziging van de summiere aangifte bij binnenbrengen.

2.   Niettegenstaande lid 1, onder a), ii), dienen marktdeelnemers die niet in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn, zich bij de douaneautoriteiten te registreren voordat zij een douaneaangifte indienen om goederen onder de regeling tijdelijke invoer te plaatsen dan wel een aangifte tot wederuitvoer indienen om deze regeling aan te zuiveren, wanneer registratie vereist is om gebruik te maken van het gemeenschappelijke systeem voor het beheer van zekerheden.

3.   Niettegenstaande lid 1, onder a), iii), dienen marktdeelnemers die gevestigd zijn in een land dat deelneemt aan het gemeenschappelijk douanevervoer, zich bij de douaneautoriteiten te registreren voordat zij een douaneaangifte indienen in het kader van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, wanneer die aangifte wordt ingediend in plaats van een summiere aangifte bij binnenbrengen of wordt gebruikt als een aangifte vóór vertrek.

4.   Niettegenstaande lid 1, onder a), iv), dienen marktdeelnemers die in Andorra of San Marino gevestigd zijn, zich bij de douaneautoriteiten te registreren voordat zij een douaneaangifte indienen in het kader van de regeling Uniedouanevervoer, wanneer die aangifte wordt ingediend in plaats van een summiere aangifte bij binnenbrengen of wordt gebruikt als een aangifte vóór vertrek.

5.   In afwijking van lid 1, onder d), dient een marktdeelnemer die optreedt als een vervoerder met het oog op vervoer over zee, over de binnenwateren of door de lucht, zich niet bij de douaneautoriteiten te registreren wanneer hem een uniek derdeland-identificatienummer is toegekend in het kader van een door de Unie erkend partnerschapsprogramma met het bedrijfsleven van een derde land.

6.   Wanneer registratie vereist is overeenkomstig dit artikel, dient dit te gebeuren bij de douaneautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de plaats waar de marktdeelnemer een aangifte indient of een beschikking aanvraagt.

Artikel 6

Andere personen dan marktdeelnemers

(Artikel 9, lid 3, van het wetboek)

1.   Andere personen dan marktdeelnemers dienen zich te registreren bij de douaneautoriteiten wanneer een van de volgende voorwaarden is vervuld:

a)

deze registratie is vereist krachtens de wetgeving van een lidstaat;

b)

de persoon verricht handelingen waarvoor een EORI-nummer moet worden verstrekt overeenkomstig bijlage A of bijlage B.

2.   In afwijking van lid 1 is registratie niet vereist wanneer een andere persoon dan een marktdeelnemer slechts incidenteel een douaneaangifte indient en de douaneautoriteiten zulks gerechtvaardigd achten.

Artikel 7

Ongeldigverklaring van een EORI-nummer

(Artikel 9, lid 4, van het wetboek)

1.   De douaneautoriteiten verklaren een EORI-nummer ongeldig in elk van de volgende gevallen:

a)

op verzoek van de geregistreerde persoon;

b)

wanneer de douaneautoriteit er kennis van heeft dat de geregistreerde persoon de activiteiten waarvoor de registratie vereist was, heeft gestaakt.

2.   De douaneautoriteit registreert de datum van ongeldigverklaring van het EORI-nummer en deelt deze mee aan de geregistreerde persoon.

Afdeling 2

Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving

Onderafdeling 1

Het recht om te worden gehoord

Artikel 8

Termijn voor het recht om te worden gehoord

(Artikel 22, lid 6, van het wetboek)

1.   De termijn waarbinnen de aanvrager zijn standpunt kenbaar kan maken voordat een voor hem ongunstige beschikking wordt gegeven, bedraagt 30 dagen.

2.   Niettegenstaande lid 1 kunnen de douaneautoriteiten, wanneer de beschikking betrekking heeft op de resultaten van de controle van goederen waarvoor geen summiere aangifte, aangifte tot tijdelijke opslag, aangifte tot wederuitvoer of douaneaangifte is ingediend, eisen dat de betrokkene zijn standpunt kenbaar maakt binnen 24 uur.

Artikel 9

Wijze van mededeling van de gronden

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Wanneer de in artikel 22, lid 6, eerste alinea, van het wetboek bedoelde mededeling wordt gedaan als onderdeel van het verificatie- of controleproces, kan zij worden verricht met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Wanneer voor de indiening van de aanvraag of de mededeling van de beschikking andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken zijn gebruikt, kan de mededeling met behulp van dezelfde middelen worden gedaan.

Artikel 10

Uitzonderingen op het recht om te worden gehoord

(Artikel 22, lid 6, tweede alinea, van het wetboek)

De specifieke gevallen waarin de aanvrager niet in de gelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, zijn de volgende:

a)

wanneer de aanvraag voor een beschikking niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 11;

b)

wanneer de douaneautoriteiten de persoon die de summiere aangifte bij binnenbrengen heeft ingediend, meedelen dat de goederen niet mogen worden geladen in het geval van containervervoer over zee en van luchtverkeer;

c)

wanneer de beschikking betrekking heeft op een mededeling van een besluit van de Commissie aan de aanvrager zoals bedoeld in artikel 116, lid 3, van het wetboek;

d)

wanneer een EORI-nummer ongeldig moet worden verklaard.

Onderafdeling 2

Algemene regels betreffende beschikkingen naar aanleiding van aanvragen

Artikel 11

Voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag

(Artikel 22, lid 2, van het wetboek)

1.   Een aanvraag voor een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving wordt aanvaard mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, geregistreerd overeenkomstig artikel 9 van het wetboek;

b)

de aanvrager is, indien vereist krachtens de regeling waarop de aanvraag ziet, gevestigd in het douanegebied van de Unie;

c)

de aanvraag is ingediend bij een douaneautoriteit die is aangewezen voor het in ontvangst nemen van aanvragen in de lidstaat van de bevoegde douaneautoriteit zoals bedoeld in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek;

d)

de aanvraag ziet niet op een beschikking met hetzelfde oogmerk als een vorige, tot dezelfde aanvrager gerichte beschikking, die gedurende het jaar voorafgaand aan de aanvraag nietig is verklaard of ingetrokken op grond van het feit dat de aanvrager niet heeft voldaan aan een krachtens die beschikking opgelegde verplichting.

2.   In afwijking van lid 1, onder d), bedraagt de daarin genoemde termijn drie jaar wanneer de vorige beschikking nietig is verklaard overeenkomstig artikel 27, lid 1, van het wetboek of wanneer de aanvraag een overeenkomstig artikel 38 van het wetboek ingediende aanvraag voor de status van geautoriseerde marktdeelnemer betreft.

Artikel 12

Beschikkingsbevoegde douaneautoriteit

(Artikel 22, lid 1, van het wetboek)

Wanneer het niet mogelijk is de bevoegde douaneautoriteit te bepalen overeenkomstig artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de administratie en de documentatie van de aanvrager aan de hand waarvan de douaneautoriteit een beschikking kan geven (hoofdboekhouding voor douanedoeleinden), zich bevinden of waar deze toegankelijk zijn.

Artikel 13

Verlenging van de beschikkingstermijn

(Artikel 22, lid 3, van het wetboek)

1.   Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, na aanvaarding van de aanvraag, het nodig acht de aanvrager aanvullende informatie te vragen om haar beschikking te kunnen geven, stelt zij een termijn vast van ten hoogste 30 dagen waarbinnen de aanvrager die informatie moet verstrekken. De in artikel 22, lid 3, van het wetboek vastgestelde beschikkingstermijn wordt met dezelfde duur verlengd. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging van de beschikkingstermijn.

2.   Wanneer artikel 8, lid 1, toepassing vindt, wordt de in artikel 22, lid 3, van het wetboek vastgestelde beschikkingstermijn met 30 dagen verlengd. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging.

3.   Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de termijn om een andere douaneautoriteit te raadplegen, heeft verlengd, wordt de beschikkingstermijn met dezelfde duur verlengd als de raadplegingstermijn. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging van de beschikkingstermijn.

4.   Wanneer er ernstige vermoedens van een inbreuk op de douanewetgeving bestaan en de douaneautoriteiten op deze gronden een onderzoek verrichten, wordt de beschikkingstermijn verlengd met de tijd die nodig is om dat onderzoek te voltooien. Deze verlenging mag niet meer dan negen maanden bedragen. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging, tenzij dit het onderzoek in het gedrang zou brengen.

Artikel 14

Datum van vankrachtwording

(Artikel 22, leden 4 en 5, van het wetboek)

In de volgende gevallen wordt de beschikking van kracht op een andere datum dan die waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht deze te hebben ontvangen:

a)

wanneer de beschikking gunstig is voor de aanvrager en de aanvrager heeft verzocht om een andere datum waarop deze van kracht wordt, wordt de beschikking van kracht op de door de aanvrager gevraagde datum, mits deze later is dan de datum waarop de aanvrager de beschikking ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen;

b)

wanneer een eerdere beschikking met een beperkte geldigheidsduur is gegeven en de huidige beschikking er alleen toe strekt die geldigheidsduur te verlengen, wordt de beschikking van kracht vanaf de dag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige beschikking;

c)

wanneer de beschikking pas van kracht wordt nadat de aanvrager bepaalde formaliteiten heeft vervuld, wordt de beschikking van kracht op de datum waarop de aanvrager de mededeling van de bevoegde douaneautoriteit waarin wordt verklaard dat de formaliteiten naar behoren zijn vervuld, ontvangt of wordt geacht te hebben ontvangen.

Artikel 15

Herziening van een beschikking

(Artikel 23, lid 4, onder a), van het wetboek)

1.   De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit gaat over tot herziening van een beschikking in de volgende gevallen:

a)

in geval van wijzigingen in de desbetreffende Uniewetgeving die gevolgen hebben voor de beschikking;

b)

indien noodzakelijk naar aanleiding van het uitgeoefende toezicht;

c)

indien noodzakelijk naar aanleiding van informatie verstrekt door de houder van de beschikking overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het wetboek, of door andere autoriteiten.

2.   De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit deelt het resultaat van de herziening mee aan de houder van de beschikking.

Artikel 16

Schorsing van een beschikking

(Artikel 23, lid 4, onder b), van het wetboek)

1.   De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit gaat over tot schorsing van de beschikking in plaats van nietigverklaring, intrekking of wijziging overeenkomstig artikel 23, lid 3, en de artikelen 27 of 28 van het wetboek wanneer:

a)

die douaneautoriteit van oordeel is dat er voldoende redenen zijn om de beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen, maar zij nog niet over alle nodige elementen voor die nietigverklaring, intrekking of wijziging beschikt;

b)

die douaneautoriteit van oordeel is dat de voorwaarden voor de beschikking niet zijn vervuld of dat de houder van de beschikking de verplichtingen uit hoofde van die beschikking niet nakomt, en het passend is dat de houder van de beschikking de tijd krijgt om maatregelen te treffen ter waarborging van de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen;

c)

de houder van de beschikking om de schorsing verzoekt omdat hij tijdelijk niet in staat is aan de voorwaarden voor de beschikking te voldoen of de verplichtingen uit hoofde van die beschikking na te komen.

2.   In de in lid 1, onder b) en c), bedoelde gevallen stelt de houder van de beschikking de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit in kennis van de maatregelen die hij zal nemen om te waarborgen dat de voorwaarden of de verplichtingen zullen worden nageleefd, en van de tijd die hij nodig heeft om deze maatregelen te nemen.

Artikel 17

Duur van de schorsing van een beschikking

(Artikel 23, lid 4, onder b), van het wetboek)

1.   In de in artikel 16, lid 1, onder a), bedoelde gevallen komt de door de bevoegde douaneautoriteit bepaalde duur van de schorsing overeen met de termijn die die douaneautoriteit nodig heeft om vast te stellen of aan de voorwaarden voor nietigverklaring, intrekking of wijziging is voldaan. Die termijn kan niet meer dan 30 dagen bedragen.

Wanneer de douaneautoriteit van oordeel is dat de houder van de beschikking mogelijkerwijs niet voldoet aan de criteria van artikel 39, onder a), van het wetboek, wordt de beschikking evenwel geschorst totdat is vastgesteld of er ernstige of herhaalde overtredingen zijn begaan door een van de volgende personen:

a)

de houder van de beschikking;

b)

de persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat houder is van de desbetreffende beschikking, of die zeggenschap heeft over de leiding ervan;

c)

de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken in het bedrijf dat houder is van de desbetreffende beschikking.

2.   In de in artikel 16, lid 1, onder b) en c), bedoelde gevallen komt de door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit bepaalde duur van de schorsing overeen met de door de houder van de beschikking meegedeelde termijn overeenkomstig artikel 16, lid 2. De duur van de schorsing kan in voorkomend geval verder worden verlengd op verzoek van de houder van de beschikking.

De duur van de schorsing kan verder worden verlengd met de tijd die de bevoegde douaneautoriteit nodig heeft om na te gaan of deze maatregelen de naleving van de voorwaarden of van de verplichtingen waarborgen. Deze verlenging mag niet meer dan 30 dagen bedragen.

3.   Wanneer de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, na de schorsing van een beschikking, voornemens is die beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen overeenkomstig artikel 23, lid 3, of de artikelen 27 of 28 van het wetboek, wordt de duur van de schorsing zoals bepaald overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel in voorkomend geval verlengd totdat de beschikking tot nietigverklaring, intrekking of wijziging van kracht wordt.

Artikel 18

Einde van de schorsing

(Artikel 23, lid 4, onder b), van het wetboek)

1.   Een schorsing van een beschikking eindigt bij het verstrijken van de duur van de schorsing, tenzij vóór het verstrijken van die duur zich een van de volgende situaties voordoet:

a)

de schorsing wordt herroepen omdat er, in de gevallen zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, onder a), geen redenen zijn om de beschikking nietig te verklaren, in te trekken of te wijzigen overeenkomstig artikel 23, lid 3, en de artikelen 27 of 28 van het wetboek, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van herroeping;

b)

de schorsing wordt herroepen omdat, in de gevallen zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, onder b) en c), de houder van de beschikking, ten genoegen van de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, de nodige maatregelen heeft genomen om de naleving van de voorwaarden voor de beschikking of van de verplichtingen uit hoofde van die beschikking te waarborgen, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van herroeping;

c)

de geschorste beschikking wordt nietig verklaard, ingetrokken of gewijzigd, in welk geval de schorsing eindigt op de datum van nietigverklaring, intrekking of wijziging.

2.   De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit stelt de houder van de beschikking in kennis van het einde van de schorsing.

Onderafdeling 3

Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen

Artikel 19

Aanvraag voor een beschikking betreffende een bindende inlichting

(Artikel 22, lid 1, derde alinea, en artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

1.   In afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek wordt een aanvraag voor een beschikking betreffende een bindende inlichting tezamen met eventuele begeleidende of ondersteunende documenten ingediend bij de bevoegde douaneautoriteit in de lidstaat waar de aanvrager gevestigd is, of bij de bevoegde douaneautoriteit in de lidstaat waar gebruik zal worden gemaakt van de inlichting.

2.   Door de indiening van een aanvraag voor een beschikking betreffende een bindende inlichting wordt de aanvrager geacht ermee in te stemmen dat alle gegevens in verband met de beschikking, daaronder begrepen foto’s, afbeeldingen en brochures, met uitzondering van vertrouwelijke informatie, openbaar worden gemaakt via de internetsite van de Commissie. Bij de openbaarmaking van gegevens wordt het recht op bescherming van persoonsgegevens in acht genomen.

3.   Wanneer er geen elektronisch systeem bestaat om een aanvraag voor een beschikking inzake een bindende oorsprongsinlichting (BOI) in te dienen, kunnen de lidstaten toestaan dat een dergelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 20

Termijnen

(Artikel 22, lid 3, van het wetboek)

1.   Wanneer de Commissie de douaneautoriteiten ervan in kennis stelt dat er in overeenstemming met artikel 34, lid 10, onder a), van het wetboek een schorsing geldt ten aanzien van het afgeven van BTI- en BOI-beschikkingen, wordt de in artikel 22, lid 3, eerste alinea, van het wetboek bedoelde beschikkingstermijn verder verlengd totdat de Commissie de douaneautoriteiten ervan in kennis stelt dat de correctheid en uniformiteit van de tariefindeling of oorsprongsbepaling gegarandeerd is.

De in lid 1 verlengde termijn mag niet meer dan tien maanden bedragen, maar in uitzonderlijke omstandigheden kan nog een extra verlenging van ten hoogste vijf maanden worden toegepast.

2.   De in artikel 22, lid 3, tweede alinea, van het wetboek bedoelde termijn kan meer dan 30 dagen bedragen wanneer het niet mogelijk is om binnen die termijn een analyse te voltooien die de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit nodig acht om haar beschikking te kunnen nemen.

Artikel 21

Mededeling van BOI-beschikkingen

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Wanneer een aanvraag voor een BOI-beschikking is ingediend met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken, kunnen de douaneautoriteiten de aanvrager in kennis stellen van de BOI-beschikking met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 22

Beperking van de toepassing van de regels betreffende herziening en schorsing

(Artikel 23, lid 4, van het wetboek)

De artikelen 15 tot en met 18 betreffende de herziening en de schorsing van beschikkingen zijn niet van toepassing op beschikkingen inzake bindende inlichtingen.

Afdeling 3

Geautoriseerde marktdeelnemer

Onderafdeling 1

Voordelen van de status van geautoriseerde marktdeelnemer

Artikel 23

Faciliteiten met betrekking tot aangiften vóór vertrek

(Artikel 38, lid 2, onder b), van het wetboek)

1.   Wanneer een marktdeelnemer aan wie een vergunning voor veiligheid is verleend zoals bedoeld in artikel 38, lid 2, onder b), van het wetboek (AEOS), voor eigen rekening een aangifte vóór vertrek indient in de vorm van een douaneaangifte of een aangifte tot wederuitvoer, zijn geen andere dan de in die aangiften vermelde gegevens vereist.

2.   Wanneer een AEOS voor rekening van een andere persoon die ook een AEOS is, een aangifte vóór vertrek indient in de vorm van een douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer, zijn geen andere dan de in die aangiften vermelde gegevens vereist.

Artikel 24

Gunstigere behandeling met betrekking tot risicobeoordeling en controle

(Artikel 38, lid 6, van het wetboek)

1.   Een geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) wordt aan minder fysieke en op documenten gebaseerde controles onderworpen dan andere marktdeelnemers.

2.   Wanneer een AEOS een summiere aangifte bij binnenbrengen of, in de gevallen zoals bedoeld in artikel 130 van het wetboek, een douaneaangifte of een aangifte tot tijdelijke opslag heeft ingediend of wanneer een AEOS een kennisgeving heeft ingediend en toegang heeft verleend tot de gegevens van zijn summiere aangifte bij binnenbrengen in zijn computersysteem zoals bedoeld in artikel 127, lid 8, van het wetboek, stelt het douanekantoor van eerste binnenkomst zoals bedoeld in artikel 127, lid 3, eerste alinea, van het wetboek, de AEOS ervan in kennis wanneer de zending is geselecteerd voor fysieke controle. Deze kennisgeving wordt gedaan vóór de aankomst van de goederen in het douanegebied van de Unie.

Deze kennisgeving wordt ook beschikbaar gesteld aan de vervoerder indien deze verschillend is van de in de eerste alinea bedoelde AEOS, op voorwaarde dat de vervoerder een AEOS is en hij aangesloten is op de elektronische systemen voor de in de eerste alinea bedoelde aangiften.

Deze kennisgeving wordt niet gedaan wanneer dit afbreuk kan doen aan de te verrichten controles of de resultaten daarvan.

3.   Wanneer een AEO een aangifte tot tijdelijke opslag of een douaneaangifte indient overeenkomstig artikel 171 van het wetboek, stelt het douanekantoor dat bevoegd is om deze aangifte tot tijdelijke opslag of deze douaneaangifte te ontvangen, de AEO ervan in kennis wanneer de zending is geselecteerd voor douanecontrole. Deze kennisgeving wordt gedaan vóór de aanbrenging van de goederen bij de douane.

Deze kennisgeving wordt niet gedaan wanneer dit afbreuk kan doen aan de te verrichten controles of de resultaten daarvan.

4.   Wanneer door een AEO aangegeven zendingen zijn geselecteerd voor een fysieke of op documenten gebaseerde controle, wordt deze controle met voorrang verricht.

Op verzoek van een AEO kan de controle op een andere plaats worden verricht dan de plaats waar de goederen bij de douane moeten worden aangebracht.

5.   De in de leden 2 en 3 bedoelde kennisgevingen hebben geen betrekking op de douanecontroles waartoe wordt beslist op basis van de aangifte tot tijdelijke opslag of de douaneaangifte na de aanbrenging van de goederen.

Artikel 25

Uitzondering op gunstige behandeling

(Artikel 38, lid 6, van het wetboek)

De in artikel 24 bedoelde gunstigere behandeling is niet van toepassing op douanecontroles naar aanleiding van specifieke verhoogde dreigingsniveaus of controleverplichtingen uit hoofde van andere Uniewetgeving.

De douaneautoriteiten verrichten evenwel met voorrang de vereiste afhandelingstaken, formaliteiten en controles voor zendingen die door een AEOS zijn aangegeven.

Onderafdeling 2

Aanvraag voor de status van geautoriseerde marktdeelnemer

Artikel 26

Voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag voor de AEO-status

(Artikel 22, lid 2, van het wetboek)

1.   Om de AEO-status aan te vragen, moeten niet alleen de voorwaarden voor de aanvaarding van een aanvraag zoals bedoeld in artikel 11, lid 1, zijn vervuld, maar moet de aanvrager ook een vragenlijst voor zelfbeoordeling indienen, die door de douaneautoriteiten ter beschikking wordt gesteld, tezamen met zijn aanvraag.

2.   Een marktdeelnemer dient één enkele aanvraag voor de AEO-status in voor al zijn vaste inrichtingen in het douanegebied van de Unie.

Artikel 27

Bevoegde douaneautoriteit

(Artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek)

Wanneer de bevoegde douaneautoriteit niet kan worden bepaald overeenkomstig artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek of artikel 12 van deze verordening, wordt de aanvraag ingediend bij de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de aanvrager een vaste inrichting heeft en waar de informatie over zijn algemene logistieke beheersactiviteiten in de Unie wordt bewaard of toegankelijk is zoals aangegeven in de aanvraag.

Artikel 28

Beschikkingstermijn

(Artikel 22, lid 3, van het wetboek)

1.   De in artikel 22, lid 3, eerste alinea, van het wetboek bedoelde beschikkingstermijn kan worden verlengd met ten hoogste 60 dagen.

2.   Wanneer er een strafrechtelijke procedure loopt waardoor het onzeker is of de aanvrager aan de in artikel 39, onder a), van het wetboek genoemde voorwaarden voldoet, wordt de beschikkingstermijn verlengd met de tijd die nodig is om die procedure te voltooien.

Artikel 29

Datum van vankrachtwording van de AEO-vergunning

(Artikel 22, lid 4, van het wetboek)

In afwijking van artikel 22, lid 4, van het wetboek wordt de vergunning waarbij de AEO-status wordt verleend („AEO-vergunning”), van kracht op de vijfde dag nadat de beschikking is gegeven.

Artikel 30

Rechtsgevolgen van een schorsing

(Artikel 23, lid 4, onder b), van het wetboek)

1.   Wanneer een AEO-vergunning wordt geschorst wegens de niet-naleving van in artikel 39 van het wetboek genoemde criteria, wordt iedere andere beschikking ten aanzien van die AEO die gebaseerd is op de AEO-vergunning in het algemeen dan wel op een van de specifieke criteria die tot de schorsing van de AEO-vergunning hebben geleid, door de douaneautoriteit die de beschikking in kwestie heeft gegeven, geschorst.

2.   De schorsing van een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving ten aanzien van een AEO leidt niet tot een automatische schorsing van de AEO-vergunning.

3.   Wanneer een beschikking ten aanzien van een persoon die zowel een AEOS is als een marktdeelnemer aan wie een vergunning voor douanevereenvoudigingen is verleend zoals bedoeld in artikel 38, lid 2, onder a), van het wetboek (AEOC), wordt geschorst overeenkomstig artikel 16, lid 1, wegens niet-naleving van de voorwaarden van artikel 39, onder d), van het wetboek, wordt de AEOC-vergunning van deze persoon geschorst maar blijft zijn AEOS-vergunning geldig.

Wanneer een beschikking ten aanzien van een persoon die zowel een AEOS als een AEOC is, wordt geschorst overeenkomstig artikel 16, lid 1, wegens niet-naleving van de voorwaarden van artikel 39, onder e), van het wetboek, wordt de AEOS-vergunning van deze persoon geschorst maar blijft zijn AEOC-vergunning geldig.

TITEL II

FACTOREN DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN DE TOEPASSING VAN IN- OF UITVOERRECHTEN EN ANDERE MAATREGELEN WAARAAN HET GOEDERENVERKEER IS ONDERWORPEN

HOOFDSTUK 1

Oorsprong van goederen

Afdeling 1

Niet-preferentiële oorsprong

Artikel 31

Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen

(Artikel 60, lid 1, van het wetboek)

De volgende goederen worden geacht geheel en al in één enkel land of gebied te zijn verkregen:

a)

in dat land of gebied gewonnen minerale producten;

b)

aldaar geoogste producten van het plantenrijk;

c)

aldaar geboren en gehouden levende dieren;

d)

producten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;

e)

producten van de aldaar bedreven jacht en visserij;

f)

producten van de zeevisserij en andere producten gewonnen door in dat land of gebied geregistreerde schepen die de vlag van dat land of gebied voeren, uit de zee buiten de territoriale wateren van enig land;

g)

goederen die aan boord van fabrieksschepen zijn verkregen of vervaardigd uit de onder f) bedoelde producten van oorsprong uit dat land of gebied, mits deze schepen in dat land of gebied zijn geregistreerd en de vlag ervan voeren;

h)

producten gewonnen uit de buiten de territoriale wateren gelegen zeebodem of de ondergrond ervan, mits dat land of gebied exclusieve rechten heeft op de exploitatie van deze zeebodem of de ondergrond ervan;

i)

resten en afval afkomstig van fabricagehandelingen en artikelen die niet meer in gebruik zijn, mits zij daar zijn verzameld en slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

j)

goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met i) bedoelde producten zijn vervaardigd.

Artikel 32

Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is

(Artikel 60, lid 2, van het wetboek)

Goederen die zijn opgenomen in bijlage 22-01, worden geacht hun laatste ingrijpende be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar aan de in die bijlage genoemde regels is voldaan of dat door die regels wordt aangewezen.

Artikel 33

Niet economisch verantwoorde be- of verwerking

(Artikel 60, lid 2, van het wetboek)

Een be- of verwerking die in een ander land of gebied plaatsvindt, wordt als niet economisch verantwoord aangemerkt wanneer op basis van de beschikbare feiten wordt vastgesteld dat die be- of verwerking tot doel had de toepassing van de in artikel 59 van het wetboek bedoelde maatregelen te vermijden.

In het geval van goederen die onder bijlage 22-01 vallen, gelden de residuele regels voor het hoofdstuk dat betrekking heeft op die goederen.

In het geval van goederen die niet onder bijlage 22-01 vallen, worden zij, wanneer de laatste be- of verwerking als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt, geacht hun laatste ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is, zoals bepaald op basis van de waarde van de materialen.

Artikel 34

Minimale handelingen

(Artikel 60, lid 2, van het wetboek)

De volgende handelingen worden niet beschouwd als ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerkingen om de oorsprong te verlenen:

a)

handelingen die dienen om producten tijdens het vervoer en de opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitleggen, drogen, verwijderen van beschadigde delen en soortgelijke handelingen) of handelingen die de verzending of het vervoer vergemakkelijken;

b)

eenvoudige handelingen die bestaan in het stofvrij maken, zeven, sorteren, rangschikken, samenvoegen, wassen, snijden;

c)

veranderen van verpakking, splitsen en samenvoegen van colli, eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;

d)

opmaken van goederen in stellen of assortimenten of voor de verkoop aanbieden;

e)

aanbrengen van merken, etiketten of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

f)

eenvoudig samenvoegen van delen van producten tot een volledig product;

g)

demontage of gebruiksverandering;

h)

een combinatie van twee of meer van de onder a) tot en met g) genoemde handelingen.

Artikel 35

Toebehoren, reserveonderdelen of gereedschappen

(Artikel 60 van het wetboek)

1.   Toebehoren, reserveonderdelen of gereedschappen die worden geleverd samen met in de afdelingen XVI, XVII en XVIII van de gecombineerde nomenclatuur opgenomen goederen en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan, worden geacht dezelfde oorsprong te hebben als die goederen.

2.   Essentiële reserveonderdelen bestemd voor in de afdelingen XVI, XVII en XVIII van de gecombineerde nomenclatuur opgenomen goederen die voordien in het vrije verkeer in de Unie zijn gebracht, worden geacht dezelfde oorsprong te hebben als die goederen indien het inbouwen van de essentiële reserveonderdelen tijdens de productiefase de oorsprong ervan niet zou hebben gewijzigd.

3.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder essentiële reserveonderdelen verstaan onderdelen:

a)

zonder welke het materieel, de machines, de apparaten of de voertuigen die in het vrije verkeer zijn gebracht of voordien werden uitgevoerd, niet goed kunnen functioneren, en

b)

die kenmerkend zijn voor die goederen, en

c)

die bestemd zijn voor het normale onderhoud ervan en voor de vervanging van beschadigde of onbruikbaar geworden onderdelen van dezelfde soort.

Artikel 36

Neutrale elementen en verpakking

(Artikel 60 van het wetboek)

1.   Om te bepalen of goederen van oorsprong uit een land of gebied zijn, wordt geen rekening gehouden met de oorsprong van de volgende elementen:

a)

energie en brandstof;

b)

fabrieksuitrusting;

c)

machines en werktuigen;

d)

materialen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en waarvan het ook niet de bedoeling is dat zij daarin voorkomen.

2.   Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (12), verpakkingsmiddelen voor de vaststelling van de indeling worden aangemerkt als een deel van het product, worden zij buiten beschouwing gelaten voor de vaststelling van de oorsprong, behalve wanneer de regel in bijlage 22-01 voor de betrokken goederen gebaseerd is op een percentage van de meerwaarde.

Afdeling 2

Preferentiële oorsprong

Artikel 37

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

1.

begunstigd land: een in de lijst in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad (13) opgenomen land dat in aanmerking komt voor het stelsel van algemene preferenties (SAP);

2.

vervaardiging: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage;

3.

materiaal: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;

4.

product: het product dat wordt vervaardigd, zelfs indien dit bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;

5.

goederen: zowel materialen als producten;

6.

bilaterale cumulatie: een systeem op grond waarvan producten van oorsprong uit de Unie kunnen worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een begunstigd land wanneer zij in dat begunstigde land verder worden bewerkt of in een product opgenomen;

7.

cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland: een systeem op grond waarvan producten van oorsprong uit Noorwegen, Turkije of Zwitserland kunnen worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een begunstigd land wanneer zij in dat begunstigde land verder worden bewerkt of in een product opgenomen en in de Unie worden ingevoerd;

8.

regionale cumulatie: een systeem op grond waarvan producten die overeenkomstig deze afdeling van oorsprong zijn uit een land dat lid is van een regionale groep, worden beschouwd als van oorsprong uit een ander land van dezelfde regionale groep (of een land van een andere regionale groep wanneer cumulatie tussen groepen mogelijk is) wanneer zij aldaar verder worden bewerkt of in een aldaar vervaardigd product opgenomen;

9.

uitgebreide cumulatie: een systeem dat van toepassing is na inwilliging door de Commissie van een daartoe strekkend verzoek van een begunstigd land, op grond waarvan bepaalde materialen, van oorsprong uit een land waarmee de Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT), worden beschouwd als materialen van oorsprong uit het betrokken begunstigde land wanneer zij in dat land verder worden bewerkt of in een in dat land vervaardigd product worden opgenomen;

10.

onderling vervangbare materialen: materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysieke kenmerken en waartussen geen onderscheid mogelijk is zodra zij in het eindproduct zijn opgenomen;

11.

regionale groep: een groep landen waartussen regionale cumulatie van toepassing is;

12.

douanewaarde: de waarde zoals bepaald volgens de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel van 1994 (WTO-overeenkomst inzake douanewaarde);

13.

waarde van de materialen: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in het land van productie is betaald; wanneer de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong moet worden vastgesteld, is dit punt van overeenkomstige toepassing;

14.

prijs af fabriek: de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen en alle andere aan de vervaardiging verbonden kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd.

Wanneer de werkelijk betaalde prijs niet alle kosten omvat die verbonden zijn aan de vervaardiging van het product in het land van productie, is de prijs af fabriek de som van al die kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd.

Wanneer de laatste be- of verwerking aan een fabrikant is uitbesteed, kan de in de eerste alinea gebruikte term „fabrikant” verwijzen naar het bedrijf dat de be- of verwerking heeft uitbesteed;

15.

maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen: de maximale hoeveelheid niet van oorsprong zijnde materialen die is toegestaan om een vervaardiging te beschouwen als een toereikende be- of verwerking om de oorsprong te verlenen. Deze hoeveelheid kan worden uitgedrukt in procenten van de prijs af fabriek van het product of in procenten van het nettogewicht van de gebruikte materialen van een bepaalde groep hoofdstukken, een hoofdstuk, post of onderverdeling;

16.

nettogewicht: het gewicht van de goederen zelf zonder verpakkingsmateriaal en verpakkingsrecipiënten van welke soort dan ook;

17.

hoofdstukken, posten en onderverdelingen: de hoofdstukken, posten en onderverdelingen (vier- of zescijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerde systeem vormt met de wijzigingen ingevolge de aanbeveling van de Internationale Douaneraad van 26 juni 2004;

18.

ingedeeld: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post of onderverdeling van het geharmoniseerde systeem;

19.

zending: producten die ofwel

a)

gelijktijdig van één exporteur naar één geadresseerde worden gezonden, of

b)

vergezeld gaan van één enkel vervoersdocument vanaf de verzending bij de exporteur tot de aankomst bij de geadresseerde of, in afwezigheid van een dergelijk document, van één enkele factuur;

20.

exporteur: een persoon die goederen naar de Unie of naar een begunstigd land uitvoert en die de oorsprong van de goederen kan aantonen, ongeacht of hij de fabrikant ervan is of niet en ongeacht of hij zelf de uitvoerformaliteiten verricht of niet;

21.

geregistreerde exporteur:

a)

een exporteur die in een begunstigd land is gevestigd en bij de bevoegde autoriteiten van dat begunstigde land staat geregistreerd voor de uitvoer van producten in het kader van het stelsel, zowel naar de Unie als naar een ander begunstigd land waarmee regionale cumulatie mogelijk is, of

b)

een exporteur die in een lidstaat is gevestigd en bij de douaneautoriteiten van die lidstaat staat geregistreerd voor de uitvoer van producten van oorsprong uit de Unie die in het begunstigde land in het kader van bilaterale cumulatie als materialen zullen worden gebruikt, of

c)

een wederverzender van goederen die in een lidstaat is gevestigd en bij de douaneautoriteiten van die lidstaat staat geregistreerd in verband met het opstellen van vervangende attesten van oorsprong om producten van oorsprong opnieuw te verzenden naar elders in het douanegebied van de Unie of, in voorkomend geval, naar Noorwegen, Turkije of Zwitserland (een geregistreerde wederverzender);

22.

attest van oorsprong: een door de exporteur of de wederverzender van de goederen opgestelde verklaring dat de producten waarop het attest betrekking heeft, aan de oorsprongsregels van het stelsel voldoen.

Onderafdeling 1

Afgifte of opstelling van bewijzen van oorsprong

Artikel 38

Wijze van aanvraag voor en afgifte van het inlichtingenblad INF 4

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

1.   De aanvraag voor het inlichtingenblad INF 4 kan met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden gedaan en dient te voldoen aan de in bijlage 22-02 vermelde gegevensvereisten.

2.   Het inlichtingenblad INF 4 dient te voldoen aan de in bijlage 22-02 vermelde gegevensvereisten.

Artikel 39

Wijze van aanvraag voor en afgifte van een vergunning toegelaten exporteur

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

De aanvraag voor de status van toegelaten exporteur met het oog op het opstellen van bewijzen van preferentiële oorsprong kan worden ingediend en de vergunning toegelaten exporteur kan worden afgegeven met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 40

Wijze van aanvraag tot registratie als geregistreerde exporteur

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Aanvragen om geregistreerde exporteur te worden, kunnen met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden ingediend.

Onderafdeling 2

Definitie van het begrip „producten van oorsprong”van toepassing in het kader van het SAP van de Unie

Artikel 41

Algemene beginselen

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

De volgende producten worden geacht van oorsprong te zijn uit een begunstigd land:

a)

geheel en al in dat land verkregen producten in de zin van artikel 44;

b)

in dat land verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 45.

Artikel 42

Territorialiteitsbeginsel

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Aan de in deze onderafdeling beschreven voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprong moet in het betrokken begunstigde land zijn voldaan.

2.   Het begrip „begunstigd land” strekt zich uit tot en kan niet verder reiken dan de grenzen van de territoriale zee van dat land in de zin van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Verdrag van Montego Bay van 10 december 1982).

3.   Indien producten van oorsprong uit een begunstigd land naar een ander land zijn uitgevoerd en vervolgens terugkeren, worden zij als niet van oorsprong beschouwd tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de teruggekeerde producten zijn dezelfde als de eerder uitgevoerde producten, en

b)

zij hebben tijdens de periode dat ze in dat land waren of waren uitgevoerd geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om ze in goede staat te bewaren.

Artikel 43

Geen behandeling

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   De producten die voor het vrije verkeer in de Unie worden aangegeven, moeten dezelfde producten zijn als die welke zijn uitgevoerd uit het begunstigde land waaruit zij geacht worden van oorsprong te zijn. Zij mogen op geen enkele wijze gewijzigd zijn en ook geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om ze in goede staat te bewaren, of dan de toevoeging of het aanbrengen van merken, etiketten, verzegelingen of andere documentatie om te garanderen dat is voldaan aan in de Unie toepasselijke specifieke binnenlandse vereisten, voordat zij voor het vrije verkeer worden aangegeven.

2.   De producten die worden ingevoerd in een begunstigd land met het oog op cumulatie op grond van de artikelen 53, 54, 55 en 56, moeten dezelfde producten zijn als die welke zijn uitgevoerd uit het land waaruit zij geacht worden van oorsprong te zijn. Zij mogen op geen enkele wijze gewijzigd zijn en ook geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om ze in goede staat te bewaren, voordat zij voor de betrokken douaneregeling in het land van invoer worden aangegeven.

3.   De producten kunnen worden opgeslagen op voorwaarde dat zij in het land of de landen van doorvoer onder douanetoezicht blijven.

4.   De zendingen kunnen door de exporteur of onder zijn verantwoordelijkheid worden gesplitst, op voorwaarde dat de betrokken goederen in het land of de landen van doorvoer onder douanetoezicht blijven.

5.   Aan de leden 1 tot en met 4 wordt geacht te zijn voldaan, tenzij de douaneautoriteiten redenen hebben om het tegendeel aan te nemen; in dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten de aangever verzoeken te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet, welk bewijs op enigerlei wijze kan worden geleverd, onder meer aan de hand van vervoersovereenkomsten zoals cognossementen of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummers van colli of ander bewijsmateriaal betreffende de goederen zelf.

Artikel 44

Geheel en al verkregen producten

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   De volgende producten worden geacht geheel en al in een begunstigd land te zijn verkregen:

a)

uit de zeebodem of de ondergrond ervan gewonnen minerale producten;

b)

aldaar gekweekte of geoogste producten van het plantenrijk;

c)

aldaar geboren en gehouden levende dieren;

d)

producten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;

e)

producten afkomstig van aldaar geboren en gehouden geslachte dieren;

f)

producten van de aldaar bedreven jacht en visserij;

g)

producten van de aquacultuur wanneer de vis, schaal- en weekdieren aldaar zijn geboren en gekweekt;

h)

producten van de zeevisserij en andere buiten een territoriale zee door zijn schepen uit de zee gewonnen producten;

i)

uitsluitend uit de onder h) bedoelde producten aan boord van zijn fabrieksschepen vervaardigde producten;

j)

aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

k)

resten en afval afkomstig van aldaar verrichte fabricagehandelingen;

l)

producten gewonnen uit de buiten een territoriale zee gelegen zeebodem of de ondergrond ervan, mits het begunstigde land exclusieve rechten heeft op de exploitatie van deze zeebodem of de ondergrond ervan;

m)

goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met l) bedoelde producten zijn vervaardigd.

2.   De termen „zijn schepen” en „zijn fabrieksschepen” in lid 1, onder h) en i), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen die aan elk van de volgende vereisten voldoen:

a)

zij zijn in het begunstigde land of in een lidstaat geregistreerd;

b)

zij voeren de vlag van het begunstigde land of van een lidstaat;

c)

zij voldoen aan een van de volgende voorwaarden:

i)

zij behoren voor ten minste 50 % toe aan onderdanen van het begunstigde land of van de lidstaten, of

ii)

zij behoren toe aan vennootschappen:

die hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteiten in het begunstigde land of in de lidstaten hebben, en

die voor ten minste 50 % toebehoren aan het begunstigde land of de lidstaten, of aan openbare lichamen of onderdanen van het begunstigde land of van de lidstaten.

3.   Aan elk van de voorwaarden van lid 2 kan in lidstaten of in verschillende begunstigde landen worden voldaan, voor zover alle betrokken begunstigde landen in aanmerking komen voor regionale cumulatie overeenkomstig artikel 55, leden 1 en 5. In dat geval worden de producten geacht de oorsprong te hebben van het begunstigde land waarvan het schip of fabrieksschip de vlag voert overeenkomstig lid 2, onder b).

De eerste alinea is uitsluitend van toepassing indien aan de voorwaarden in artikel 55, lid 2, onder a), c) en d), is voldaan.

Artikel 45

Toereikende be- of verwerking

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Onverminderd de artikelen 47 en 48 worden producten die niet geheel en al zijn verkregen in het betrokken begunstigde land in de zin van artikel 44, geacht aldaar van oorsprong te zijn, indien zij voldoen aan de in bijlage 22-03 genoemde voorwaarden.

2.   Indien een product dat overeenkomstig lid 1 de oorsprong van een land heeft verkregen, in dat land verder wordt be- of verwerkt en gebruikt als materiaal bij de vervaardiging van een ander product, wordt geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

Artikel 46

Gemiddelden

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Voor elk product wordt bepaald of aan de eisen van artikel 45, lid 1, is voldaan.

Wanneer de relevante regel evenwel gebaseerd is op een maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen, kan voor de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen overeenkomstig lid 2 een gemiddelde worden berekend om rekening te houden met schommelingen in kosten en wisselkoersen.

2.   In het in lid 1, tweede alinea, bedoelde geval worden een gemiddelde prijs van het product af fabriek en een gemiddelde waarde van de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen berekend respectievelijk op basis van de som van de prijzen af fabriek van de gehele verkoop van dat product in het voorgaande boekjaar en de som van de waarde van alle niet van oorsprong zijnde materialen die gebruikt zijn bij de vervaardiging van het product in het voorgaande boekjaar, zoals gedefinieerd in het land van uitvoer of, wanneer cijfers voor een geheel boekjaar ontbreken, een kortere periode die echter niet minder dan drie maanden kan zijn.

3.   Exporteurs die gekozen hebben voor een berekening op basis van gemiddelden, moeten deze methode consistent toepassen in het jaar volgende op het referentieboekjaar dan wel, indien van toepassing, in het jaar volgende op de kortere periode die als referentieperiode is gebruikt. Zij mogen ophouden deze methode toe te passen wanneer zij vaststellen dat in een bepaald boekjaar, of in een bepaalde kortere representatieve periode van niet minder dan drie maanden, de schommelingen in de kosten of wisselkoersen die de toepassing van die methode rechtvaardigden, hebben opgehouden.

4.   De in lid 2 bedoelde gemiddelden worden gebruikt als respectievelijk de prijs af fabriek en de waarde van niet van oorsprong zijnde materialen, om vast te stellen of voldaan is aan de voorwaarde van de maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen.

Artikel 47

Ontoereikende be- of verwerking

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Onverminderd lid 3 worden de volgende behandelingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 45 wordt voldaan:

a)

behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;

b)

splitsen en samenvoegen van colli;

c)

wassen, schoonmaken; stofvrij maken, verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;

d)

strijken of persen van textiel en artikelen van textiel;

e)

eenvoudig schilderen en polijsten;

f)

ontvliezen of doppen en geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst; polijsten en glanzen van granen en rijst;

g)

kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;

h)

pellen, ontpitten en schillen van noten, vruchten en groenten;

i)

aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;

j)

zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen);

k)

eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;

l)

aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m)

eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten; mengen van suiker met enige stof;

n)

eenvoudig toevoegen van water of verdunnen, drogen of denatureren van producten;

o)

eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten;

p)

slachten van dieren;

q)

twee of meer van de onder a) tot en met p) genoemde handelingen tezamen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden nodig zijn noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, apparaten of gereedschappen.

3.   Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan, ontoereikend zijn in de zin van lid 1, worden alle behandelingen die dit product in een begunstigd land heeft ondergaan, tezamen genomen.

Artikel 48

Algemene tolerantie

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   In afwijking van artikel 45 en behoudens de leden 2 en 3 van dit artikel mogen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de in de lijst in bijlage 22-03 opgenomen voorwaarden bij de vervaardiging van een bepaald product niet mogen worden gebruikt, toch worden gebruikt, mits de totale waarde of het totale nettogewicht niet hoger is dan:

a)

15 % van het gewicht van het product voor producten die onder de hoofdstukken 2 en 4 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem vallen, met uitzondering van verwerkte visserijproducten van hoofdstuk 16;

b)

15 % van de prijs af fabriek van het product voor andere producten, behalve voor producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerde systeem vallen, waarvoor de afwijkingen gelden die in de aantekeningen 6 en 7 van deel I van bijlage 22-03 vermeld zijn.

2.   Lid 1 staat niet toe dat de percentages voor de maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen zoals vastgesteld in de regels in de lijst in bijlage 22-03, worden overschreden.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op producten die geheel en al zijn verkregen in een begunstigd land in de zin van artikel 44. Onverminderd artikel 47 en artikel 49, lid 2, is de in die leden vastgestelde afwijking toch van toepassing op de som van alle materialen die bij de vervaardiging van een product worden gebruikt en waarvoor de regel in de lijst in bijlage 22-03 vereist dat die materialen geheel en al zijn verkregen.

Artikel 49

Determinerende eenheid

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling is het product dat bij de bepaling van de indeling volgens het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

2.   Wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem worden ingedeeld, moet elk product voor de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling afzonderlijk worden genomen.

3.   Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 50

Toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs af fabriek zijn begrepen, worden geacht één geheel te vormen met het materieel respectievelijk de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 51

Stellen en assortimenten

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 b) voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn.

Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt toch als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn, niet hoger is dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment.

Artikel 52

Neutrale elementen

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Om te bepalen of een product een product van oorsprong is, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

a)

energie en brandstof;

b)

fabrieksuitrusting;

c)

machines en werktuigen;

d)

goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en waarvan het ook niet de bedoeling is dat zij daarin voorkomen.

Onderafdeling 3

Regels voor de cumulatie en voor het beheer van voorradenvan toepassing in het kader van het SAP van de Unie

Artikel 53

Bilaterale cumulatie

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Door bilaterale cumulatie kunnen producten van oorsprong uit de Unie worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een begunstigd land wanneer zij in een in dat land vervaardigd product worden opgenomen, mits de aldaar uitgevoerde be- of verwerkingen meer inhouden dan de in artikel 47, lid 1, beschreven behandelingen.

De artikelen 41 tot en met 52 en de bepalingen betreffende de controle achteraf van bewijzen van oorsprong zijn van overeenkomstige toepassing op uitvoer uit de Unie naar een begunstigd land met het oog op bilaterale cumulatie.

Artikel 54

Cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Door cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland kunnen producten van oorsprong uit deze landen worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een begunstigd land, mits de aldaar uitgevoerde be- of verwerkingen meer inhouden dan de in artikel 47, lid 1, beschreven behandelingen.

2.   De cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland is niet van toepassing op producten die onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem vallen.

Artikel 55

Regionale cumulatie

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Regionale cumulatie is van toepassing op de volgende vier afzonderlijke regionale groepen:

a)

Groep I: Brunei, Cambodja, Filipijnen, Indonesië, Laos, Maleisië, Myanmar/Birma, Thailand en Vietnam;

b)

Groep II: Bolivia, Colombia, Costa Rica, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua, Panama, Peru en Venezuela;

c)

Groep III: Bangladesh, Bhutan, India, Maldiven, Nepal, Pakistan en Sri Lanka;

d)

Groep IV: Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay.

2.   Regionale cumulatie tussen landen van dezelfde groep kan uitsluitend worden toegepast indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de bij de cumulatie betrokken landen zijn, op het moment van de uitvoer van het product naar de Unie, begunstigde landen waarvoor de preferentiële regeling niet tijdelijk is ingetrokken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 978/2012;

b)

de in onderafdeling 2 opgenomen oorsprongsregels zijn van toepassing op de regionale cumulatie tussen de landen van een regionale groep;

c)

de landen van de regionale groep hebben zich ertoe verbonden:

i)

aan deze onderafdeling te voldoen of ervoor te zorgen dat daaraan wordt voldaan, en

ii)

de nodige administratieve samenwerking te verlenen om de juiste toepassing van deze onderafdeling te waarborgen, zowel met de Unie als tussen hen onderling;

d)

het secretariaat van de betrokken regionale groep of een ander bevoegd gemeenschappelijk orgaan dat alle leden van die groep vertegenwoordigt, heeft de Commissie de onder c) bedoelde verbintenissen toegezonden.

Voor de toepassing van punt b) geldt dat wanneer de determinerende behandeling volgens deel II van bijlage 22-03 niet dezelfde is voor alle bij de cumulatie betrokken landen, de oorsprong van producten die van het ene naar het andere land van de regionale groep worden uitgevoerd met het oog op regionale cumulatie, wordt bepaald op basis van de regel die van toepassing zou zijn indien de producten naar de Unie werden uitgevoerd.

Indien landen in een regionale groep reeds vóór 1 januari 2011 aan de in de eerste alinea, onder c) en d), gestelde eisen voldeden, is geen nieuwe verbintenis vereist.

3.   De in bijlage 22-04 vermelde materialen zijn uitgesloten van de in lid 2 bedoelde regionale cumulatie wanneer:

a)

de tariefpreferentie die in de Unie van toepassing is, niet dezelfde is voor alle bij de cumulatie betrokken landen, en

b)

de betrokken materialen door cumulatie voor een gunstiger tariefbehandeling in aanmerking zouden komen dan bij rechtstreekse uitvoer naar de Unie.

4.   Regionale cumulatie tussen begunstigde landen van dezelfde regionale groep is slechts toegestaan wanneer de be- of verwerkingen in het begunstigde land waar de materialen verder worden verwerkt of in een product opgenomen, meer inhouden dan de in artikel 47, lid 1, beschreven behandelingen en, in het geval van textielproducten, ook meer dan de in bijlage 22-05 beschreven behandelingen.

Wanneer niet aan de in de eerste alinea vastgestelde voorwaarde wordt voldaan en de materialen een of meer van de in artikel 47, lid 1, onder b) tot en met q), beschreven behandelingen hebben ondergaan, moet als land van oorsprong op het bewijs van oorsprong dat wordt afgegeven of opgesteld voor de uitvoer van de producten naar de Unie, het land van de regionale groep worden vermeld met het grootste aandeel in de gebruikte materialen van oorsprong uit landen van de regionale groep, gemeten naar de waarde van die materialen.

Wanneer de producten zonder verdere be- of verwerking worden uitgevoerd of uitsluitend in artikel 47, lid 1, onder a), beschreven behandelingen hebben ondergaan, moet als land van oorsprong op het bewijs van oorsprong dat wordt afgegeven of opgesteld voor de uitvoer van de producten naar de Unie, het begunstigde land worden vermeld dat voorkomt op de bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld in het begunstigde land waar de producten werden vervaardigd.

5.   Op verzoek van de autoriteiten van een begunstigd land uit groep I of groep III kan de Commissie regionale cumulatie tussen landen van deze groepen toestaan, mits te harer genoegen is aangetoond dat aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

aan de voorwaarden van lid 2, onder a) en b), is voldaan, en

b)

de bij een dergelijke regionale cumulatie betrokken landen hebben zich ertoe verbonden en hebben de Commissie gezamenlijk in kennis gesteld van hun verbintenis om:

i)

aan deze onderafdeling, onderafdeling 2 en alle andere bepalingen betreffende de toepassing van de oorsprongsregels te voldoen of ervoor te zorgen dat daaraan wordt voldaan, en

ii)

de nodige administratieve samenwerking te verlenen om de juiste toepassing van deze onderafdeling en onderafdeling 2 te waarborgen, zowel met de Unie als tussen hen onderling.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek dient bewijsmateriaal te bevatten dat aan de voorwaarden van die alinea is voldaan. Dit wordt de Commissie toegezonden. De Commissie neemt een besluit over het verzoek, rekening houdende met alle voor de cumulatie relevant geachte gegevens, waaronder de bij de cumulatie te gebruiken materialen.

6.   Door regionale cumulatie tussen begunstigde landen van groep I of groep III, wanneer deze is toegestaan, kunnen materialen van oorsprong uit een land van de ene regionale groep worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een land van de andere regionale groep wanneer zij in een aldaar verkregen product worden opgenomen, mits de be- of verwerkingen in laatstgenoemd begunstigd land meer inhouden dan de in artikel 47, lid 1, beschreven behandelingen en, in het geval van textielproducten, ook meer dan de in bijlage 22-05 beschreven behandelingen.

Wanneer niet aan de in de eerste alinea vastgestelde voorwaarde wordt voldaan en de materialen een of meer van de in artikel 47, lid 1, onder b) tot en met q), beschreven behandelingen hebben ondergaan, moet als land van oorsprong op het bewijs van oorsprong voor de uitvoer van de producten naar de Unie, het bij de cumulatie betrokken land worden vermeld met het grootste aandeel in de gebruikte materialen van oorsprong uit bij de cumulatie betrokken landen, gemeten naar de waarde van die materialen.

Wanneer de producten zonder verdere be- of verwerking worden uitgevoerd of uitsluitend in artikel 47, lid 1, onder a), beschreven behandelingen hebben ondergaan, moet als land van oorsprong op het bewijs van oorsprong dat wordt afgegeven of opgesteld voor de uitvoer van de producten naar de Unie, het begunstigde land worden vermeld dat voorkomt op de bewijzen van oorsprong die zijn afgegeven of opgesteld in het begunstigde land waar de producten werden vervaardigd.

7.   De Commissie zal in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-reeks) de datum bekendmaken waarop de cumulatie tussen landen van groep I en groep III overeenkomstig lid 5 van kracht wordt, de bij die cumulatie betrokken landen en, in voorkomend geval, de lijst van materialen waarop die cumulatie van toepassing is.

8.   De artikelen 41 tot en met 52, de bepalingen betreffende de afgifte of de opstelling van bewijzen van oorsprong en de bepalingen betreffende de controle achteraf van bewijzen van oorsprong zijn van overeenkomstige toepassing op uitvoer uit het ene begunstigde land naar een ander met het oog op regionale cumulatie.

Artikel 56

Uitgebreide cumulatie

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Op verzoek van de autoriteiten van een begunstigd land kan de Commissie uitgebreide cumulatie toestaan tussen een begunstigd land en een land waarmee de Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft gesloten overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT), mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de bij de cumulatie betrokken landen hebben zich ertoe verbonden om aan deze onderafdeling, onderafdeling 2 en alle andere bepalingen betreffende de toepassing van de oorsprongsregels te voldoen of ervoor te zorgen dat daaraan wordt voldaan, en de nodige administratieve samenwerking te verlenen om de juiste toepassing van deze onderafdeling en onderafdeling 2 te waarborgen, zowel met de Unie als tussen hen onderling;

b)

het betrokken begunstigde land heeft de Commissie de onder a) bedoelde verbintenis toegezonden.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek dient een lijst te bevatten van bij de cumulatie betrokken materialen en bewijsmateriaal dat aan de in de eerste alinea, onder a) en b), vastgestelde voorwaarden is voldaan. Dit wordt de Commissie toegezonden. Indien de lijst van betrokken materialen wordt gewijzigd, dient een ander verzoek te worden ingediend.

Materialen die onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerde systeem vallen, zijn van de uitgebreide cumulatie uitgesloten.

2.   In gevallen van de in lid 1 bedoelde uitgebreide cumulatie worden de oorsprong van de gebruikte materialen en het toepasselijke documentaire bewijs van oorsprong bepaald overeenkomstig de regels die in de betrokken vrijhandelsovereenkomst zijn vastgesteld. De oorsprong van de naar de Unie uit te voeren producten wordt bepaald overeenkomstig de in onderafdeling 2 vastgestelde oorsprongsregels.

Materialen van oorsprong uit een land waarmee de Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft en die in een begunstigd land worden gebruikt bij de vervaardiging van naar de Unie uit te voeren producten, behoeven geen toereikende be- of verwerkingen te hebben ondergaan om de verkregen producten de status van oorsprong te verlenen, mits de be- of verwerkingen in het betrokken begunstigde land meer inhouden dan de in artikel 47, lid 1, beschreven behandelingen.

3.   De Commissie zal in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-reeks) de datum bekendmaken waarop de uitgebreide cumulatie van kracht wordt, de bij die cumulatie betrokken landen en de lijst van materialen waarop die cumulatie van toepassing is.

Artikel 57

Toepassing van bilaterale cumulatie of cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland in combinatie met regionale cumulatie

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Wanneer bilaterale cumulatie of cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland wordt gecombineerd met regionale cumulatie, verwerft het verkregen product de oorsprong van een van de landen van de betrokken regionale groep overeenkomstig de eerste en tweede alinea van artikel 55, lid 4, of, in voorkomend geval, de eerste en tweede alinea van artikel 55, lid 6.

Artikel 58

Gescheiden boekhouding van voorraden van EU-exporteurs

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Indien zowel van oorsprong als niet van oorsprong zijnde onderling vervangbare materialen worden gebruikt bij de be- of verwerking van een product, kunnen de douaneautoriteiten van de lidstaten, op schriftelijk verzoek van in het douanegebied van de Unie gevestigde marktdeelnemers, vergunning verlenen voor het beheer van die materialen in de Unie met behulp van een gescheiden boekhouding met het oog op de latere uitvoer ervan naar een begunstigd land in het kader van bilaterale cumulatie, zonder dat die materialen apart worden opgeslagen.

2.   De douaneautoriteiten van de lidstaten kunnen het verlenen van de in lid 1 bedoelde vergunning afhankelijk stellen van alle door hen passend geachte voorwaarden.

Er wordt slechts vergunning verleend indien door het gebruik van de in lid 1 bedoelde methode steeds kan worden vastgesteld dat de hoeveelheid verkregen producten die als van oorsprong uit de Unie kunnen worden beschouwd dezelfde is als de hoeveelheid die zou zijn verkregen bij een fysieke scheiding van de voorraden.

Indien vergunning wordt verleend, wordt de methode van de gescheiden boekhouding toegepast en de toepassing van die methode geregistreerd overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen die in de Unie van toepassing zijn.

3.   De gebruiker van de in lid 1 bedoelde methode stelt oorsprongsbewijzen op voor de hoeveelheid producten die als van oorsprong uit de Unie kunnen worden beschouwd, of vraagt om de afgifte van zulke oorsprongsbewijzen zolang het systeem van geregistreerde exporteurs nog niet van toepassing is. De gebruiker geeft op verzoek van de douaneautoriteiten van de lidstaten een verklaring af over de wijze waarop de hoeveelheden zijn beheerd.

4.   De douaneautoriteiten van de lidstaten houden toezicht op het gebruik dat van de in lid 1 bedoelde vergunning wordt gemaakt.

Zij kunnen de vergunning in de volgende gevallen intrekken:

a)

de houder maakt op enigerlei wijze oneigenlijk gebruik van de vergunning, of

b)

de houder voldoet niet aan een van de andere voorwaarden die in deze onderafdeling, onderafdeling 2 en alle andere bepalingen betreffende de toepassing van de oorsprongsregels zijn vastgesteld.

Onderafdeling 4

Definitie van het begrip „producten van oorsprong” van toepassing in het kader van de regels van oorsprong met het oog op de toepassing van eenzijdig door de Unie aangenomen preferentiële tariefmaatregelen ten gunste van bepaalde landen of gebieden

Artikel 59

Algemene eisen

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Voor de toepassing van de bepalingen van eenzijdig door de Unie aangenomen preferentiële tariefmaatregelen ten gunste van bepaalde landen, groepen van landen of gebieden (hierna “begunstigd land of gebied” genoemd), met uitzondering van die welke in onderafdeling 2 van deze afdeling zijn bedoeld en de met de Unie geassocieerde landen en gebieden overzee, worden als producten van oorsprong uit een begunstigd land of gebied beschouwd:

a)

geheel en al in dat begunstigde land of gebied verkregen producten in de zin van artikel 60;

b)

in dat begunstigde land of gebied verkregen producten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde producten zijn gebruikt, mits deze producten een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan in de zin van artikel 61.

2.   Voor de toepassing van deze onderafdeling worden producten van oorsprong uit de Unie in de zin van lid 3 van dit artikel die in een begunstigd land of gebied een be- of verwerking hebben ondergaan die meer inhoudt dan de in artikel 62 beschreven behandelingen, beschouwd als van oorsprong uit dat begunstigde land of gebied.

3.   Lid 1 is van overeenkomstige toepassing voor de vaststelling van de oorsprong van in de Unie verkregen producten.

Artikel 60

Geheel en al verkregen producten

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   De volgende producten worden geacht geheel en al in een begunstigd land of gebied of in de Unie te zijn verkregen:

a)

uit de zeebodem of de ondergrond ervan gewonnen minerale producten;

b)

aldaar geoogste producten van het plantenrijk;

c)

aldaar geboren en gehouden levende dieren;

d)

producten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;

e)

producten afkomstig van aldaar geboren en gehouden geslachte dieren;

f)

producten van de aldaar bedreven jacht en visserij;

g)

producten van de zeevisserij en andere buiten de territoriale wateren door hun schepen uit de zee gewonnen producten;

h)

uitsluitend uit de onder g) bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigde producten;

i)

aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

j)

resten en afval afkomstig van aldaar verrichte fabricagehandelingen;

k)

producten gewonnen uit de buiten de territoriale wateren gelegen zeebodem of de ondergrond ervan, mits het begunstigde land of gebied of een lidstaat exclusieve rechten heeft op de exploitatie van deze zeebodem of de ondergrond ervan;

l)

goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met k) bedoelde producten zijn vervaardigd.

2.   De termen “hun schepen” en “hun fabrieksschepen” in lid 1, onder g) en h), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij zijn in het begunstigde land of gebied of in een lidstaat geregistreerd of ingeschreven;

b)

zij voeren de vlag van een begunstigd land of gebied of van een lidstaat;

c)

zij behoren voor ten minste 50 % toe aan onderdanen van het begunstigde land of gebied of van lidstaten of aan een vennootschap die haar hoofdkantoor in dat begunstigde land of gebied of in een van de lidstaten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdaan zijn van dat begunstigde land of gebied of van de lidstaten, en waarvan bovendien, in het geval van vennootschappen, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan dat begunstigde land of gebied of aan de lidstaten, of aan openbare lichamen of onderdanen van dat begunstigde land of gebied of van de lidstaten;

d)

de kapitein en de officieren van de schepen en fabrieksschepen zijn allen onderdanen van het begunstigde land of gebied of van de lidstaten;

e)

ten minste 75 % van de bemanning bestaat uit onderdanen van het begunstigde land of gebied of van de lidstaten.

3.   Onder begunstigd land of gebied en Unie worden ook de territoriale wateren van dat begunstigde land of gebied of van de lidstaten verstaan.

4.   Schepen die opereren op volle zee, met inbegrip van fabrieksschepen waarop de gevangen vis wordt be- of verwerkt, worden geacht deel uit te maken van het grondgebied van het begunstigde land of gebied of van de lidstaat waartoe zij behoren, mits zij aan de voorwaarden van lid 2 voldoen.

Artikel 61

Toereikende be- of verwerking

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Voor de toepassing van artikel 59 worden producten die niet geheel en al in een begunstigd land of gebied of in de Unie zijn verkregen, geacht een toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage 22-11 is voldaan.

Deze voorwaarden geven voor alle onder deze onderafdeling vallende producten aan welke be- of verwerkingen niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging worden gebruikt, moeten ondergaan, en zij zijn uitsluitend op deze materialen van toepassing.

Indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de in de lijst vervatte voorwaarden voldoet, als materiaal wordt gebruikt bij de vervaardiging van een ander product, zijn de voorwaarden die gelden voor het product waarin het wordt opgenomen, er niet op van toepassing en wordt er geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

Artikel 62

Ontoereikende be- of verwerking

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Onverminderd lid 2 worden de volgende behandelingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 61 wordt voldaan:

a)

behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;

b)

splitsen en samenvoegen van colli;

c)

wassen, schoonmaken; stofvrij maken, verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;

d)

strijken of persen van textiel en artikelen van textiel;

e)

eenvoudig schilderen en polijsten;

f)

ontvliezen of doppen, geheel of gedeeltelijk vermalen, polijsten of glanzen van granen of rijst;

g)

kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; geheel of gedeeltelijk vermalen van suiker;

h)

pellen, ontpitten en schillen van noten, vruchten en groenten;

i)

aanscherpen, eenvoudig vermalen of versnijden;

j)

zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen);

k)

eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;

l)

aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m)

eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten; mengen van suiker met enige stof;

n)

eenvoudig toevoegen van water of verdunnen, drogen of denatureren van producten;

o)

eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel en het uit elkaar nemen van producten;

p)

slachten van dieren;

q)

twee of meer van de onder a) tot en met p) genoemde handelingen tezamen.

2.   Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1, worden alle behandelingen die dit product in een begunstigd land of gebied of in de Unie heeft ondergaan samen in aanmerking genomen.

Artikel 63

Determinerende eenheid

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling is het product dat bij de bepaling van de indeling volgens de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

a)

wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder één enkele post van het geharmoniseerde systeem wordt ingedeeld, het geheel de determinerende eenheid vormt;

b)

wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem worden ingedeeld, elk product voor de toepassing van de bepalingen van deze onderafdeling afzonderlijk moet worden genomen.

2.   Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 64

Algemene tolerantie

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   In afwijking van artikel 61 mogen niet van oorsprong zijnde materialen bij de vervaardiging van een bepaald product worden gebruikt, mits de totale waarde ervan niet hoger is dan 10 % van de prijs af fabriek van het product.

Wanneer in de lijst een of meer percentages zijn gegeven voor de maximumwaarde van niet van oorsprong zijnde materialen, mag de toepassing van de eerste alinea niet tot een overschrijding van deze percentages leiden.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerde systeem vallen.

Artikel 65

Toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Toebehoren, reserveonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden verzonden en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel respectievelijk de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 66

Stellen en assortimenten

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt toch als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn, niet hoger is dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment.

Artikel 67

Neutrale elementen

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Om te bepalen of een product een product van oorsprong is, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van de bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

a)

energie en brandstof;

b)

fabrieksuitrusting;

c)

machines en werktuigen;

d)

goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en waarvan het ook niet de bedoeling is dat zij daarin voorkomen.

Onderafdeling 5

Territorialiteitsvereisten van toepassing in het kader van de regels van oorsprong met het oog op de toepassing van eenzijdig door de Unie aangenomen preferentiële tariefmaatregelen ten gunste van bepaalde landen of gebieden

Artikel 68

Territorialiteitsbeginsel

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

Aan de in onderafdeling 4 en in deze onderafdeling beschreven voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprong moet ononderbroken zijn voldaan in het begunstigde land of gebied of in de Unie.

Indien producten van oorsprong uit een begunstigd land of gebied of uit de Unie naar een ander land zijn uitgevoerd en vervolgens terugkeren, worden zij als niet van oorsprong beschouwd tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de teruggekeerde producten zijn dezelfde als de eerder uitgevoerde producten, en

b)

zij hebben tijdens de periode dat ze in dat land waren of waren uitgevoerd geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om ze in goede staat te bewaren.

Artikel 69

Rechtstreeks vervoer

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   Als rechtstreeks vervoer van het begunstigde land of gebied naar de Unie of van de Unie naar het begunstigde land of gebied wordt beschouwd:

a)

het vervoer van producten dat niet over het grondgebied van enig ander land loopt;

b)

het vervoer van producten die één enkele zending vormen, over het grondgebied van andere landen dan over dat van het begunstigde land of gebied of van de Unie, eventueel met overlading of tijdelijke opslag in deze landen, voor zover de producten in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren;

c)

het vervoer van producten per pijpleiding, zonder onderbreking, over een ander grondgebied dan dat van het begunstigde land of gebied van uitvoer of van de Unie.

2.   Het bewijs dat aan de in lid 1, onder b), bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende stukken aan de bevoegde douaneautoriteiten:

a)

een enkel vervoersdocument dat het vervoer dekt van het land van uitvoer door het land van doorvoer;

b)

een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat:

i)

met een nauwkeurige omschrijving van de producten;

ii)

met de data waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de gebruikte schepen of andere vervoermiddelen, en

iii)

met een verklaring over de voorwaarden waarop de producten in het land van doorvoer verbleven;

c)

of bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 70

Tentoonstellingen

(Artikel 64, lid 3, van het wetboek)

1.   De in artikel 59 bedoelde tariefpreferenties zijn van toepassing op producten van oorsprong die vanuit een begunstigd land of gebied naar een tentoonstelling zijn verzonden in een ander land en die na de tentoonstelling zijn verkocht voor invoer in de Unie, mits zij voldoen aan de voorwaarden van onderafdeling 4 en deze onderafdeling om te worden aangemerkt als van oorsprong uit dat begunstigde land of gebied en ten genoegen van de bevoegde douaneautoriteiten van de Unie wordt aangetoond dat:

a)

een exporteur de producten rechtstreeks vanuit het begunstigde land of gebied naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze daar heeft tentoongesteld;

b)

die exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze afgestaan aan een persoon in de Unie;

c)

de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan, naar de Unie zijn verzonden;

d)

de producten, vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.

2.   Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt op de normale wijze bij de douaneautoriteiten van de Unie ingediend. Op dit certificaat moeten de naam en het adres van de tentoonstelling zijn vermeld. Indien nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden verlangd ten aanzien van de aard van de producten en de voorwaarden waarop zij waren tentoongesteld.

3.   Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.

HOOFDSTUK 2

Douanewaarde van goederen

Artikel 71

Vereenvoudiging

(Artikel 73 van het wetboek)

1.   De in artikel 73 van het wetboek bedoelde toestemming kan worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aanvraag voor de in artikel 166 van het wetboek bedoelde regeling brengt, in de gegeven omstandigheden, onevenredige administratieve kosten met zich mee;

b)

de vastgestelde douanewaarde zal niet sterk afwijken van de waarde die wordt vastgesteld indien die toestemming niet was verleend.

2.   De toestemming wordt verleend op voorwaarde dat de aanvrager aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

hij voldoet aan het in artikel 39, onder a), van het wetboek vastgestelde criterium;

b)

hij voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de lidstaat waar de boekhouding wordt gevoerd en die bedrijfscontroles zal vergemakkelijken; de boekhouding voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

c)

hij beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden opgespoord.

TITEL III

DOUANESCHULD EN ZEKERHEIDSTELLING

HOOFDSTUK 1

Ontstaan van de douaneschuld

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen voor douaneschuld bij invoer en bij uitvoer

Onderafdeling 1

Regels voor de berekening van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

Artikel 72

Berekening van het bedrag aan invoerrechten voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van actieve veredeling

(Artikel 86, lid 3, van het wetboek)

1.   Met het oog op de vaststelling van het op veredelingsproducten te heffen bedrag aan invoerrechten overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het wetboek, wordt de hoeveelheid onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen die geacht wordt aanwezig te zijn in de veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, bepaald overeenkomstig de leden 2 tot en met 6.

2.   De in de leden 3 en 4 vastgestelde methode van de hoeveelheidssleutel wordt toegepast in de volgende gevallen:

a)

wanneer bij de veredeling slechts één soort veredelingsproduct ontstaat;

b)

wanneer bij de veredeling verschillende soorten veredelingsproducten ontstaan en alle samenstellende delen van de onder de regeling geplaatste goederen in elk van die veredelingsproducten terug te vinden zijn.

3.   In het in lid 2, onder a), bedoelde geval wordt de hoeveelheid onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen die geacht wordt aanwezig te zijn in de veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, bepaald door op de totale hoeveelheid van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen het percentage toe te passen dat de veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, vertegenwoordigen in de totale hoeveelheid van de veredelingsproducten die bij de veredeling zijn voortgebracht.

4.   In het in lid 2, onder b), bedoelde geval wordt de hoeveelheid onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen die geacht wordt aanwezig te zijn in de veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, bepaald door op de totale hoeveelheid van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen een percentage toe te passen dat wordt berekend door vermenigvuldiging van de volgende factoren:

a)

het percentage dat de veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, vertegenwoordigen in de totale hoeveelheid van de veredelingsproducten van dezelfde soort die bij de veredeling zijn voortgebracht;

b)

het percentage dat de totale hoeveelheid van de veredelingsproducten van dezelfde soort, ongeacht of er al dan niet een douaneschuld is ontstaan, vertegenwoordigt in de totale hoeveelheid van alle veredelingsproducten die bij de veredeling zijn voortgebracht.

5.   Bij de toepassing van de methode van de hoeveelheidssleutel wordt geen rekening gehouden met de hoeveelheid onder de regeling geplaatste goederen die tijdens de veredeling vernietigd is of verloren is gegaan, met name door verdamping, opdroging, sublimatie of weglekking.

6.   In andere dan de in lid 2 bedoelde gevallen wordt de methode van de waardesleutel toegepast in overeenstemming met de tweede, derde en vierde alinea.

De hoeveelheid onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen die geacht wordt aanwezig te zijn in veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, wordt bepaald door op de totale hoeveelheid van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen een percentage toe te passen dat wordt berekend door vermenigvuldiging van de volgende factoren:

a)

het percentage dat de veredelingsproducten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, vertegenwoordigen in de totale waarde van de veredelingsproducten van dezelfde soort die bij de veredeling zijn voortgebracht;

b)

het percentage dat de totale waarde van de veredelingsproducten van dezelfde soort, ongeacht of er al dan niet een douaneschuld is ontstaan, vertegenwoordigt in de totale waarde van alle veredelingsproducten die bij de veredeling zijn voortgebracht.

Voor de toepassing van de methode van de waardesleutel wordt de waarde van de veredelingsproducten bepaald op basis van actuele prijzen af fabriek in het douanegebied van de Unie of, wanneer dergelijke affabriekprijzen niet kunnen worden vastgesteld, de actuele verkoopprijzen in het douanegebied van de Unie voor identieke of soortgelijke producten. Prijzen tussen partijen die kennelijk met elkaar verbonden zijn of een compensatieregeling met elkaar hebben getroffen, mogen niet worden gebruikt om de waarde van de veredelingsproducten vast te stellen, tenzij wordt vastgesteld dat de prijzen niet worden beïnvloed door de onderlinge verhouding.

Wanneer de waarde van de veredelingsproducten niet overeenkomstig de derde alinea kan worden vastgesteld, wordt zij op een andere redelijke wijze vastgesteld.

Artikel 73

Toepassing van de bepalingen betreffende de regeling bijzondere bestemming op veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van actieve veredeling

(Artikel 86, lid 3, van het wetboek)

1.   Wanneer met het oog op de toepassing van artikel 86, lid 3, van het wetboek het bedrag aan invoerrechten wordt bepaald dat overeenstemt met de douaneschuld voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, komen de onder die regeling geplaatste goederen op grond van hun specifieke bestemming in aanmerking voor een vrijstelling of een verlaging van het recht die op die goederen zou zijn toegepast indien zij onder de regeling bijzondere bestemming waren geplaatst overeenkomstig artikel 254 van het wetboek.

2.   Lid 1 is van toepassing wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er kon vergunning zijn verleend om de goederen onder de regeling bijzondere bestemming te plaatsen, en

b)

aan de voorwaarden voor de vrijstelling of de verlaging van het recht op grond van de specifieke bestemming van die goederen zou zijn voldaan op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling.

Artikel 74

Toepassing van de preferentiële tariefbehandeling op goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst

(Artikel 86, lid 3, van het wetboek)

Wanneer met het oog op de toepassing van artikel 86, lid 3, van het wetboek de ingevoerde goederen, op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling, voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een preferentiële tariefbehandeling in het kader van een tariefcontingent of -plafond, komen deze goederen in aanmerking voor iedere preferentiële tariefbehandeling die wordt verleend voor identieke goederen op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer.

Artikel 75

Specifieke invoerrechten voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling passieve veredeling of voor vervangende producten

(Artikel 86, lid 5, van het wetboek)

Wanneer een specifiek invoerrecht moet worden toegepast op veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling passieve veredeling of op vervangende producten, wordt het bedrag hiervan berekend op basis van de douanewaarde van de veredelingsproducten op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer, verminderd met de statistische waarde van de overeenkomstige tijdelijk uitgevoerde goederen op het tijdstip waarop deze onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst, vermenigvuldigd met het toepasselijke invoerrecht voor de veredelingsproducten of de vervangende producten, gedeeld door de douanewaarde van de veredelingsproducten of de vervangende producten.

Artikel 76

Uitzondering voor de berekening van het bedrag aan invoerrechten voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van actieve veredeling

(Artikel 86, lid 3, en artikel 86, lid 4, van het wetboek)

Artikel 86, lid 3, van het wetboek is van toepassing zonder een daartoe strekkend verzoek van de aangever wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, worden door de betrokken vergunninghouder rechtstreeks of onrechtstreeks ingevoerd binnen een termijn van één jaar na de wederuitvoer ervan;

b)

de goederen zouden, op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte tot plaatsing van de goederen onder de regeling actieve veredeling, onderworpen zijn geweest aan een handelspolitieke of landbouwpolitieke maatregel, een antidumping- of compenserend recht, of een vrijwarings- of vergeldingsmaatregel indien zij op dat tijdstip in het vrije verkeer waren gebracht;

c)

de economische voorwaarden hoefden niet te worden onderzocht overeenkomstig artikel 166.

Onderafdeling 2

Termijn voor de vaststelling van de plaats waar de douaneschuld ontstaat

Artikel 77

Termijn voor de vaststelling van de plaats waar de douaneschuld ontstaat bij Uniedouanevervoer

(Artikel 87, lid 2, van het wetboek)

Voor onder de regeling Uniedouanevervoer geplaatste goederen is de in artikel 87, lid 2, van het wetboek bedoelde termijn een van de volgende:

a)

zeven maanden vanaf de uiterste datum waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming hadden moeten zijn aangebracht, tenzij vóór het verstrijken van deze termijn een verzoek om overdracht van de invordering van de douaneschuld werd toegezonden aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor de plaats waar zich, volgens de gegevens die zijn verkregen door de douaneautoriteit van de lidstaat van vertrek, de feiten hebben voorgedaan die aanleiding geven tot het ontstaan van de douaneschuld, in welk geval deze termijn met maximaal één maand wordt verlengd;

b)

één maand na het verstrijken van de termijn waarbinnen de houder van de regeling antwoord moet geven op een verzoek om de voor de aanzuivering van de regeling noodzakelijke gegevens, wanneer de douaneautoriteit van de lidstaat van vertrek niet in kennis is gesteld van de aankomst van de goederen en de houder van de regeling geen of onvoldoende gegevens heeft verstrekt.

Artikel 78

Termijn voor de vaststelling van de plaats waar de douaneschuld ontstaat bij douanevervoer overeenkomstig de TIR-overeenkomst

(Artikel 87, lid 2, van het wetboek)

Voor goederen die onder de regeling douanevervoer zijn geplaatst overeenkomstig de douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst), met inbegrip van alle latere wijzigingen, is de in artikel 87, lid 2, van het wetboek bedoelde termijn zeven maanden vanaf de uiterste datum waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming of uitgang hadden moeten zijn aangebracht.

Artikel 79

Termijn voor de vaststelling van de plaats waar de douaneschuld ontstaat bij douanevervoer overeenkomstig de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul

(Artikel 87, lid 2, van het wetboek)

Voor goederen die onder de regeling douanevervoer zijn geplaatst overeenkomstig de op 6 december 1961 te Brussel gesloten douaneovereenkomst inzake het carnet ATA voor de tijdelijke invoer van goederen (ATA-overeenkomst), met inbegrip van alle latere wijzigingen, dan wel de overeenkomst inzake tijdelijke invoer (overeenkomst van Istanbul), met inbegrip van alle latere wijzigingen, is de in artikel 87, lid 2, van het wetboek bedoelde termijn zeven maanden vanaf de datum waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming hadden moeten zijn aangebracht.

Artikel 80

Termijn voor de vaststelling van de plaats waar de douaneschuld ontstaat in andere gevallen dan douanevervoer

(Artikel 87, lid 2, van het wetboek)

Voor goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst of voor goederen in tijdelijke opslag is de in artikel 87, lid 2, van het wetboek bedoelde termijn zeven maanden na het verstrijken van een van de volgende termijnen:

a)

de voorgeschreven termijn voor de aanzuivering van de bijzondere regeling;

b)

de voorgeschreven termijn voor de beëindiging van het douanetoezicht op goederen met een bijzondere bestemming;

c)

de voorgeschreven termijn voor de beëindiging van de tijdelijke opslag;

d)

de voorgeschreven termijn voor de beëindiging van de overbrenging van goederen onder de regeling douane-entrepot tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie, in geval dat de regeling niet was aangezuiverd.

HOOFDSTUK 2

Zekerheidstelling voor een mogelijke of bestaande douaneschuld

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 81

Gevallen waarin geen zekerheid wordt geëist voor goederen onder de regeling tijdelijke invoer

(Artikel 89, lid 8, onder c), van het wetboek)

In de volgende gevallen wordt geen zekerheid geëist voor het plaatsen van goederen onder de regeling tijdelijke invoer:

a)

wanneer de douaneaangifte mondeling of door een andere handeling zoals bedoeld in artikel 141 kan worden gedaan;

b)

in het geval van materiaal dat wordt gebruikt in het internationale verkeer door luchtvaart-, scheepvaart- of spoorwegmaatschappijen of aanbieders van postdiensten, mits dit materiaal van merktekens is voorzien;

c)

in het geval van leeg ingevoerde verpakkingsmiddelen, mits deze van onuitwisbare en niet-verwijderbare merktekens zijn voorzien;

d)

wanneer de vorige houder van de vergunning voor tijdelijke invoer de goederen heeft aangegeven voor de regeling tijdelijke invoer overeenkomstig artikel 136 of 139 en deze goederen vervolgens met hetzelfde oogmerk onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst.

Artikel 82

Zekerheidstelling in de vorm van een verbintenis van een borg

(Artikel 94, artikel 22, lid 4, en artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

1.   Wanneer de zekerheid wordt gesteld in de vorm van een verbintenis van een borg en in meer dan één lidstaat kan worden gebruikt, kiest de borg woonplaats of stelt hij een gemachtigde aan in elke lidstaat waar de zekerheid kan worden gebruikt.

2.   De intrekking van de goedkeuring van de borg of van de verbintenis van de borg wordt van kracht op de zestiende dag na de datum waarop de beschikking tot intrekking door de borg is ontvangen of wordt geacht te zijn ontvangen.

3.   De opzegging van de verbintenis door de borg wordt van kracht op de zestiende dag na de datum waarop de opzegging door de borg is meegedeeld aan het douanekantoor waar de zekerheid was gesteld.

4.   Wanneer zekerheid wordt gesteld voor een enkele transactie (zekerheid per aangifte) met bewijs van zekerheidstelling, kan dit worden gedaan met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 83

Andere vormen van zekerheidstelling dan de storting van contant geld of borgstelling

(Artikel 92, lid 1, onder c), van het wetboek)

1.   Andere vormen van zekerheidstelling dan de storting van contant geld of borgstelling zijn als volgt:

a)

het vestigen van hypotheek, van een „Grundschuld”, van pandrecht op het vruchtgebruik (antichrese) of van een ander recht dat wordt gelijkgesteld met een op een onroerend goed gevestigd recht;

b)

de overdracht van schuldvorderingen, vestigen van een pandrecht met of zonder houderschap van goederen, waardepapieren of schuldvorderingen of een spaarboekje of inschrijving in het grootboek van de openbare staatsschuld;

c)

het bij overeenkomst aangaan van een passieve hoofdelijke verbintenis door een daartoe door de douaneautoriteiten toegelaten derde of de overdracht van een wissel waarvan de betaling door die derde wordt gewaarborgd;

d)

een storting van contant geld of een daarmee gelijkgestelde vorm van betaling in een andere valuta dan de euro of de valuta van de lidstaat waar de zekerheid wordt geëist;

e)

deelneming, door middel van betaling van een bijdrage, aan een door de douaneautoriteiten beheerd algemeen stelsel van zekerheidstelling.

2.   De in lid 1 bedoelde vormen van zekerheidstelling worden niet aanvaard voor het plaatsen van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer.

3.   De lidstaten aanvaarden de in lid 1 bedoelde vormen van zekerheidstelling voor zover deze vormen van zekerheidstelling worden aanvaard krachtens het nationale recht.

Afdeling 2

Doorlopende zekerheid en ontheffing van zekerheidstelling

Artikel 84

Vermindering van het bedrag van de doorlopende zekerheid en ontheffing van zekerheidstelling

(Artikel 95, lid 2, van het wetboek)

1.   Er wordt vergunning verleend voor het gebruik van een doorlopende zekerheid voor een bedrag dat is verminderd tot 50 % van het referentiebedrag, wanneer de aanvrager aantoont dat hij aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de aanvrager voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de lidstaat waar de boekhouding wordt gevoerd, en die de douane in staat stelt bedrijfscontroles te verrichten en voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

b)

de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee fouten kunnen worden voorkomen, opgespoord en rechtgezet en onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden voorkomen en opgespoord;

c)

de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

d)

gedurende de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft de aanvrager voldaan aan zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de betaling van douanerechten en alle andere rechten, belastingen of heffingen die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven;

e)

de aanvrager toont aan de hand van de administratie en de gegevens die beschikbaar zijn voor de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen en zijn verbintenissen na te komen met betrekking tot het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten, daaronder begrepen dat zijn nettoactiva niet negatief zijn, tenzij deze kunnen worden gedekt;

f)

de aanvrager kan aantonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, voor het deel van het referentiebedrag dat niet door de zekerheid gedekt is.

2.   Er wordt vergunning verleend voor het gebruik van een doorlopende zekerheid voor een bedrag dat is verminderd tot 30 % van het referentiebedrag, wanneer de aanvrager aantoont dat hij aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de aanvrager voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de lidstaat waar de boekhouding wordt gevoerd, en die de douane in staat stelt bedrijfscontroles te verrichten en voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

b)

de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee fouten kunnen worden voorkomen, opgespoord en rechtgezet en onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden voorkomen en opgespoord;

c)

de aanvrager draagt er zorg voor dat relevante werknemers de opdracht hebben om de douaneautoriteiten kennis te geven van eventuele nalevingsproblemen en stelt procedures voor de kennisgeving van dergelijke problemen aan de douaneautoriteiten vast;

d)

de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

e)

gedurende de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft de aanvrager voldaan aan zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de betaling van douanerechten en alle andere rechten, belastingen of heffingen die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven;

f)

de aanvrager toont aan de hand van de administratie en de gegevens die beschikbaar zijn voor de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen en zijn verbintenissen na te komen met betrekking tot het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten, daaronder begrepen dat zijn nettoactiva niet negatief zijn, tenzij deze kunnen worden gedekt;

g)

de aanvrager kan aantonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, voor het deel van het referentiebedrag dat niet door de zekerheid gedekt is.

3.   Er wordt ontheffing van zekerheidstelling verleend wanneer de aanvrager aantoont dat hij aan de volgende vereisten voldoet:

a)

de aanvrager voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de lidstaat waar de boekhouding wordt gevoerd, en die de douane in staat stelt bedrijfscontroles te verrichten en voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

b)

de aanvrager verleent de douane fysieke toegang tot zijn boekhoudsystemen en, in voorkomend geval, zijn handels- en vervoersadministratie;

c)

de aanvrager beschikt over een logistiek systeem dat een onderscheid maakt tussen Unie- en niet-Uniegoederen en, in voorkomend geval, aangeeft waar zij zich bevinden;

d)

de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee fouten kunnen worden voorkomen, opgespoord en rechtgezet en onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden voorkomen en opgespoord;

e)

de aanvrager beschikt, indien van toepassing, over toereikende procedures voor het omgaan met certificaten en vergunningen die hem zijn verleend in overeenstemming met handelspolitieke maatregelen of maatregelen in verband met de handel in landbouwproducten;

f)

de aanvrager beschikt over toereikende procedures om zijn administratie en gegevens te archiveren en zich te beschermen tegen gegevensverlies;

g)

de aanvrager draagt er zorg voor dat relevante werknemers de opdracht hebben om de douaneautoriteiten kennis te geven van eventuele nalevingsproblemen en stelt procedures voor de kennisgeving van dergelijke problemen aan de douaneautoriteiten vast;

h)

de aanvrager beschikt over passende veiligheidsmaatregelen om het binnendringen van onbevoegden in zijn computersysteem te voorkomen en zijn documentatie te beschermen;

i)

de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

j)

gedurende de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft de aanvrager voldaan aan zijn financiële verplichtingen met betrekking tot de betaling van douanerechten en alle andere rechten, belastingen of heffingen die op of in verband met de invoer of uitvoer van goederen worden geheven;

k)

de aanvrager toont aan de hand van de administratie en de gegevens die beschikbaar zijn voor de afgelopen drie jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen en zijn verbintenissen na te komen met betrekking tot het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten, daaronder begrepen dat zijn nettoactiva niet negatief zijn, tenzij deze kunnen worden gedekt;

l)

de aanvrager kan aantonen dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om aan zijn verplichtingen te voldoen, voor het deel van het referentiebedrag dat niet door de zekerheid gedekt is.

4.   Wanneer de aanvrager minder dan drie jaar gevestigd is, wordt de in lid 1, onder d), lid 2, onder e), en lid 3, onder j), bedoelde vereiste gecontroleerd aan de hand van de beschikbare administratie en gegevens.

Afdeling 3

Bepalingen betreffende het Uniedouanevervoer en de regeling in het kader van de overeenkomst van Istanbul en de ATA-overeenkomst

Artikel 85

Ontslag van borgverplichtingen in het kader van de regeling Uniedouanevervoer

(Artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 98 van het wetboek)

1.   Wanneer de regeling Uniedouanevervoer niet is aangezuiverd, stellen de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek de borg binnen negen maanden na de datum waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming hadden moeten worden aangebracht, in kennis van de niet-aanzuivering van de regeling.

2.   Wanneer de regeling Uniedouanevervoer niet is aangezuiverd, stellen de overeenkomstig artikel 87 van het wetboek bepaalde douaneautoriteiten de borg binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de aangifte voor douanevervoer, ervan in kennis dat hij verplicht is of kan worden de schuld waarvoor hij in verband met het betrokken Uniedouanevervoer aansprakelijk is, te betalen.

3.   De borg is van zijn verplichtingen ontslagen wanneer een van de in de leden 1 en 2 genoemde kennisgevingen hem niet binnen de voorgeschreven termijnen is gedaan.

4.   Wanneer een van de twee kennisgevingen is verzonden, wordt de borg van de invordering van de douaneschuld of van de aanzuivering van de regeling in kennis gesteld.

5.   De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor de in lid 1 bedoelde kennisgeving zijn vastgesteld in bijlage 32-04.

De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor de in lid 2 bedoelde kennisgeving zijn vastgesteld in bijlage 32-05.

6.   Overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek kunnen de in de leden 1 en 2 bedoelde kennisgevingen worden verzonden met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 86

Betalingsvordering jegens een aansprakelijke organisatie in verband met goederen onder dekking van een ATA-carnet en kennisgeving van de niet-aanzuivering van een CPD-carnet aan een aansprakelijke organisatie in het kader van de regeling van de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul

(Artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 98 van het wetboek)

1.   In het geval van niet-naleving van een van de verplichtingen uit hoofde van een ATA-carnet of CPD-carnet regulariseren de douaneautoriteiten de documenten voor tijdelijke invoer (betalingsvordering jegens een aansprakelijke organisatie respectievelijk kennisgeving van niet-aanzuivering) overeenkomstig de artikelen 9, 10 en 11 van bijlage A bij de overeenkomst van Istanbul of, indien van toepassing, overeenkomstig de artikelen 7, 8 en 9 van de ATA-overeenkomst.

2.   Het bedrag aan invoerrechten en heffingen dat voortvloeit uit de betalingsvordering jegens een aansprakelijke organisatie, wordt berekend met behulp van een standaard vaststellingsformulier.

3.   De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor de in lid 1 bedoelde betalingsvordering jegens een aansprakelijke organisatie zijn vastgesteld in bijlage 33-01.

4.   De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor de in lid 1 bedoelde kennisgeving van niet-aanzuivering van een CPD-carnet zijn vastgesteld in bijlage 33-02.

5.   Overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek kunnen de betalingsvordering jegens een aansprakelijke organisatie en de kennisgeving van niet-aanzuivering van een CPD-carnet aan de desbetreffende aansprakelijke organisatie worden toegezonden met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

HOOFDSTUK 3

Invordering en betaling van rechten en terugbetaling en kwijtschelding van het bedrag aan invoer- en uitvoerrechten

Afdeling 1

Vaststelling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, mededeling van de douaneschuld en boeking

Onderafdeling 1

Mededeling van de douaneschuld en betalingsvordering jegens de aansprakelijke organisatie

Artikel 87

Wijze van mededeling van de douaneschuld

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

De mededeling van de douaneschuld overeenkomstig artikel 102 van het wetboek kan worden gedaan met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 88

Vrijstelling van mededeling van de douaneschuld

(Artikel 102, lid 1, onder d), van het wetboek)

1.   De douaneautoriteiten kunnen afzien van de mededeling van een douaneschuld die is ontstaan door niet-naleving op grond van artikel 79 of 82 van het wetboek wanneer het desbetreffende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten minder is dan 10 EUR.

2.   Wanneer het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten van de aanvankelijk meegedeelde douaneschuld lager is dan het uiteindelijk verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, kunnen de douaneautoriteiten afzien van de mededeling van de douaneschuld ten belope van het verschil tussen die bedragen op voorwaarde dat dit minder is dan 10 EUR.

3.   De in de leden 1 en 2 genoemde beperking tot 10 EUR is van toepassing op elke invorderingshandeling.

Afdeling 2

Betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten

Artikel 89

Schorsing van de betalingstermijn in geval van een aanvraag tot kwijtschelding

(Artikel 108, lid 3, onder a), van het wetboek)

1.   De douaneautoriteiten schorsen de termijn voor de betaling van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten totdat zij op de aanvraag tot kwijtschelding hebben beschikt, mits aan de voorwaarden is voldaan:

a)

bij een aanvraag tot kwijtschelding op grond van de artikelen 118, 119 of 120 van het wetboek: als het waarschijnlijk is dat aan de voorwaarden van het desbetreffende artikel is voldaan;

b)

bij een aanvraag tot kwijtschelding op grond van artikel 117 van het wetboek: als het waarschijnlijk is dat aan de voorwaarden van artikel 117 en artikel 45, lid 2, van het wetboek is voldaan.

2.   Wanneer de goederen waarvoor een aanvraag tot kwijtschelding wordt ingediend, zich niet meer onder douanetoezicht bevinden op het moment van de aanvraag, dient zekerheid te worden gesteld.

3.   In afwijking van lid 2 verlangen de douaneautoriteiten geen zekerheid als is vastgesteld dat dit de schuldenaar in ernstige economische of sociale moeilijkheden zou brengen.

Artikel 90

Schorsing van de betalingstermijn in het geval van goederen die zullen worden verbeurdverklaard, vernietigd of aan de staat afgestaan

(Artikel 108, lid 3, onder b), van het wetboek)

De douaneautoriteiten schorsen de termijn voor de betaling van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wanneer de goederen zich nog onder douanetoezicht bevinden en zij zullen worden verbeurdverklaard, vernietigd of aan de staat afgestaan en de douaneautoriteiten het waarschijnlijk achten dat aan de voorwaarden voor verbeurdverklaring, vernietiging of afstand zal worden voldaan, totdat de uiteindelijke beslissing over de verbeurdverklaring, vernietiging of afstand is genomen.

Artikel 91

Schorsing van de betalingstermijn in het geval van een douaneschuld door niet-naleving

(Artikel 108, lid 3, onder c), van het wetboek)

1.   De douaneautoriteiten schorsen de termijn voor de betaling, door de in artikel 79, lid 3, onder a), van het wetboek bedoelde persoon, van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wanneer deze schuld is ontstaan door niet-naleving zoals bedoeld in artikel 79 van het wetboek, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er is ten minste één andere schuldenaar geïdentificeerd overeenkomstig artikel 79, lid 3, onder b) of c), van het wetboek;

b)

het desbetreffende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten is meegedeeld aan de onder a) bedoelde schuldenaar overeenkomstig artikel 102 van het wetboek;

c)

de in artikel 79, lid 3, onder a), van het wetboek bedoelde persoon wordt niet beschouwd als een schuldenaar overeenkomstig artikel 79, lid 3, onder b) of c), van het wetboek en er kan hem geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid worden verweten.

2.   De schorsing wordt slechts toegestaan indien de persoon in kwestie een zekerheid stelt voor het desbetreffende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten, behalve in een van de volgende gevallen:

a)

er is al een zekerheid gesteld voor het volledige desbetreffende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en de borg is niet ontslagen van zijn verplichtingen;

b)

er is vastgesteld, op grond van een gedocumenteerde beoordeling, dat het verlangen van een zekerheid de schuldenaar in ernstige economische of sociale moeilijkheden zou brengen.

3.   De termijn van de schorsing is beperkt tot één jaar. De douaneautoriteiten kunnen deze termijn evenwel verlengen indien daarvoor gegronde redenen bestaan.

Afdeling 3

Terugbetaling en kwijtschelding

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen en procedure

Artikel 92

Aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding

(Artikel 6, lid 3, onder a), artikel 22, lid 1, en artikel 103 van het wetboek)

1.   In afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek wordt de aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten zoals bedoeld in artikel 116 van het wetboek ingediend bij de bevoegde douaneautoriteit van de lidstaat waar de douaneschuld is meegedeeld.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvraag kan met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden gedaan in overeenstemming met de bepalingen van de betrokken lidstaat.

Artikel 93

Aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden

(Artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor het verzoek om aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden, zijn vastgesteld in bijlage 33-06.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek om aanvullende informatie kan met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden gedaan.

Artikel 94

Wijze van mededeling van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

De beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten kan aan de betrokkene worden meegedeeld met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 95

Gemeenschappelijke gegevensvereisten in verband met formaliteiten wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor het antwoord op het verzoek om informatie ter vervulling van formaliteiten wanneer de aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding betrekking heeft op goederen die zich in een andere lidstaat bevinden dan die waar de douaneschuld is meegedeeld, zijn vastgesteld in bijlage 33-07.

Artikel 96

Wijze van toezenden van informatie voor het vervullen van formaliteiten wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Het in artikel 95 bedoelde antwoord kan met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden toegezonden.

Artikel 97

Verlenging van de termijn voor het vaststellen van een beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding

(Artikel 22, lid 3, van het wetboek)

Wanneer artikel 116, lid 3, eerste alinea, van het wetboek of artikel 116, lid 3, tweede alinea, onder b), van het wetboek van toepassing is, wordt de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding geschorst totdat de betrokken lidstaat de kennisgeving van het besluit van de Commissie heeft ontvangen dan wel de kennisgeving van de Commissie dat zij het dossier om de in artikel 98, lid 6, genoemde redenen terugzendt.

Wanneer artikel 116, lid 3, tweede alinea, onder b), van het wetboek van toepassing is, wordt de termijn voor het vaststellen van de beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding geschorst totdat de betrokken lidstaat de kennisgeving van het besluit van de Commissie over de feitelijk en juridisch vergelijkbare zaak heeft ontvangen.

Onderafdeling 2

Door de Commissie te nemen besluiten

Artikel 98

Voorlegging van het dossier aan de Commissie met het oog op een besluit

(Artikel 116, lid 3, van het wetboek)

1.   De lidstaat stelt de betrokkene vooraf in kennis van zijn voornemen om het dossier aan de Commissie voor te leggen en geeft de betrokkene 30 dagen om een verklaring te ondertekenen dat hij kennis heeft genomen van het dossier en daaraan niets heeft toe te voegen of waarin hij alle aanvullende elementen vermeldt die naar zijn mening in het dossier moeten worden opgenomen. Als de betrokkene deze verklaring niet binnen de 30 dagen verstrekt, wordt hij geacht kennis te hebben genomen van het dossier en er niets aan toe te voegen te hebben.

2.   Wanneer een lidstaat in de in artikel 116, lid 3, van het wetboek bedoelde gevallen een dossier aan de Commissie voorlegt met het oog op een besluit, bevat het dossier ten minste het volgende:

a)

een samenvatting van de zaak;

b)

omstandige informatie waaruit blijkt dat aan de in artikel 119 of artikel 120 van het wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan;

c)

de in lid 1 bedoelde verklaring of een verklaring van de lidstaat waarin wordt bevestigd dat de betrokkene wordt geacht kennis te hebben genomen van het dossier en er niets aan toe te voegen te hebben.

3.   De Commissie bevestigt de ontvangst van het dossier aan de betrokken lidstaat zodra zij dit ontvangen heeft.

4.   De Commissie stelt alle lidstaten een afschrift van de in lid 2, onder a), bedoelde samenvatting van de zaak ter beschikking binnen vijftien dagen na de datum waarop zij het dossier ontvangen heeft.

5.   Wanneer de door de lidstaat voorgelegde informatie voor de Commissie ontoereikend is om een besluit te nemen, kan zij de lidstaat om aanvullende informatie verzoeken.

6.   De Commissie zendt het dossier aan de lidstaat terug en de zaak wordt geacht nooit aan haar te zijn voorgelegd in elk van de volgende gevallen:

a)

het dossier is duidelijk onvolledig aangezien het geen enkel element bevat dat een onderzoek door de Commissie rechtvaardigt;

b)

het dossier had op grond van artikel 116, lid 3, tweede alinea, van het wetboek niet mogen worden voorgelegd aan de Commissie;

c)

de lidstaat heeft de Commissie nieuwe informatie verstrekt die de feitelijke inhoud of de juridische beoordeling van de zaak ingrijpend kan wijzigen, terwijl de Commissie zich nog op het dossier beraadt.

Artikel 99

Recht van de betrokkene om te worden gehoord

(Artikel 116, lid 3, van het wetboek)

1.   Wanneer de Commissie voornemens is een ongunstig besluit te nemen in de in artikel 116, lid 3, van het wetboek bedoelde gevallen, deelt zij haar bezwaren schriftelijk mee aan de betrokkene, tezamen met een verwijzing naar alle documenten en informatie waarop haar bezwaren berusten. De Commissie stelt de betrokkene in kennis van zijn recht op toegang tot het dossier.

2.   De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van haar voornemen en van de in lid 1 bedoelde mededeling.

3.   De betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt schriftelijk aan de Commissie kenbaar te maken binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum waarop hij de in lid 1 bedoelde mededeling heeft ontvangen.

Artikel 100

Termijnen

(Artikel 116, lid 3, van het wetboek)

1.   De Commissie besluit of het al dan niet gerechtvaardigd is tot terugbetaling of kwijtschelding over te gaan binnen negen maanden na de datum waarop zij het in artikel 98, lid 1, bedoelde dossier heeft ontvangen.

2.   Wanneer de Commissie het noodzakelijk heeft geacht de lidstaat om aanvullende informatie te verzoeken zoals bedoeld in artikel 98, lid 5, wordt de in lid 1 bedoelde termijn verlengd met een even lange periode als de tijd die is verstreken tussen de datum waarop de Commissie het verzoek om aanvullende informatie heeft verzonden en de datum waarop zij deze informatie heeft ontvangen. De Commissie stelt de betrokkene in kennis van de verlenging.

3.   Wanneer de Commissie onderzoek verricht om haar besluit te kunnen nemen, wordt de in lid 1 bedoelde termijn verlengd met de tijd die nodig is om dit onderzoek te voltooien. Deze verlenging mag niet meer dan negen maanden bedragen. De Commissie stelt de lidstaat en de betrokkene in kennis van de datums waarop een onderzoek wordt geopend en wordt beëindigd.

4.   Wanneer de Commissie voornemens is een ongunstig besluit te nemen zoals bedoeld in artikel 99, lid 1, wordt de in lid 1 genoemde termijn met 30 dagen verlengd.

Artikel 101

Mededeling van het besluit

(Artikel 116, lid 3, van het wetboek)

1.   De Commissie deelt de betrokken lidstaat haar besluit zo spoedig mogelijk mee en in ieder geval binnen 30 dagen na het verstrijken van de in artikel 100, lid 1, genoemde termijn.

2.   De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit geeft een beschikking op basis van het overeenkomstig lid 1 meegedeelde besluit van de Commissie.

De lidstaat waartoe de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit behoort, stelt de Commissie in kennis van deze beschikking door toezending van een afschrift ervan.

3.   Wanneer het besluit in de in artikel 116, lid 3, van het wetboek bedoelde gevallen gunstig is voor de betrokkene, kan de Commissie de voorwaarden vaststellen waaronder de douaneautoriteiten in feitelijk en juridisch vergelijkbare gevallen tot kwijtschelding of terugbetaling van rechten moeten overgaan.

Artikel 102

Gevolgen van het uitblijven of het niet-meedelen van een besluit

(Artikel 116, lid 3, van het wetboek)

Als de Commissie geen besluit neemt binnen de in artikel 100 vastgestelde termijn of geen besluit meedeelt aan de lidstaat in kwestie binnen de in artikel 101, lid 1, vastgestelde termijn, geeft de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit een voor de betrokkene gunstige beschikking.

HOOFDSTUK 4

Tenietgaan van een douaneschuld

Artikel 103

Verzuim zonder werkelijke gevolgen voor het juiste functioneren van een douaneregeling

(Artikel 124, lid 1, onder h), i), van het wetboek)

De volgende situaties worden beschouwd als een verzuim zonder werkelijke gevolgen voor het juiste functioneren van de douaneregeling:

a)

een termijn wordt overschreden met een periode die niet langer is dan de termijnverlenging die zou zijn toegekend indien deze verlenging was aangevraagd;

b)

er is een douaneschuld ontstaan voor goederen onder een bijzondere regeling of in tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 79, lid 1, onder a) of c), van het wetboek en deze goederen zijn vervolgens in het vrije verkeer gebracht;

c)

het douanetoezicht is naderhand hersteld voor goederen die formeel geen deel uitmaken van een regeling douanevervoer, maar die zich eerder in tijdelijke opslag bevonden of onder een bijzondere regeling waren geplaatst samen met goederen die formeel onder die regeling douanevervoer zijn geplaatst;

d)

er is, ten aanzien van goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer of vrije zone zijn geplaatst of goederen in tijdelijke opslag, een vergissing begaan met betrekking tot de gegevens in de douaneaangifte om de regeling aan te zuiveren of de tijdelijke opslag te beëindigen, maar die vergissing heeft geen gevolgen voor de aanzuivering van de regeling of de beëindiging van de tijdelijke opslag;

e)

er is een douaneschuld ontstaan overeenkomstig artikel 79, lid 1, onder a) of b), van het wetboek, maar de betrokken persoon stelt de bevoegde douaneautoriteiten in kennis van de niet-naleving voordat ofwel de douaneschuld is meegedeeld ofwel de douaneautoriteiten die persoon ervan in kennis hebben gesteld dat zij voornemens zijn een controle uit te voeren.

TITEL IV

HET BINNENBRENGEN VAN GOEDEREN IN HET DOUANEGEBIED VAN DE UNIE

HOOFDSTUK 1

Summiere aangifte bij binnenbrengen

Artikel 104

Ontheffing van de verplichting tot indiening van een summiere aangifte bij binnenbrengen

(Artikel 127, lid 2, onder b), van het wetboek)

1.   Voor de volgende goederen wordt afgezien van de verplichting om een summiere aangifte bij binnenbrengen in te dienen:

a)

elektrische energie;

b)

goederen die via een pijpleiding binnenkomen;

c)

brievenpost;

d)

roerende goederen en voorwerpen zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (14), mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;

e)

goederen waarvoor een mondelinge douaneaangifte mag worden gedaan overeenkomstig artikel 135 en artikel 136, lid 1, mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;

f)

goederen zoals bedoeld in artikel 138, onder b) tot en met d), of artikel 139, lid 1, die worden geacht te zijn aangegeven overeenkomstig artikel 141, mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;

g)

goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;

h)

goederen die worden vervoerd onder dekking van formulier 302 krachtens het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

i)

wapens en militaire uitrusting die door de met de militaire verdediging van een lidstaat belaste autoriteiten het douanegebied van de Unie worden binnengebracht in het kader van een militair vervoer of een uitsluitend voor de militaire autoriteiten bestemd vervoer;

j)

de volgende goederen die het douanegebied van de Unie rechtstreeks worden binnengebracht vanaf offshore installaties die door een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon worden geëxploiteerd:

i)

goederen die bij de bouw, het herstellen, het onderhoud of de verbouwing van deze offshore installaties daarin zijn opgenomen;

ii)

goederen die voor de uitrusting van de offshore installaties zijn gebruikt;

iii)

provisie die op de offshore installaties wordt gebruikt of verbruikt;

iv)

ongevaarlijke afvalproducten van de genoemde offshore installaties;

k)

goederen die in aanmerking komen voor vrijstelling op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen van 18 april 1961, het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963, andere consulaire verdragen of het Verdrag van New York inzake bijzondere missies van 16 december 1969;

l)

de volgende goederen aan boord van schepen en luchtvaartuigen:

i)

goederen die zijn geleverd om als onderdeel of toebehoren in die schepen en luchtvaartuigen te worden gemonteerd;

ii)

goederen voor de werking van de motoren, machines en andere uitrusting van die schepen of luchtvaartuigen;

iii)

voor consumptie of verkoop aan boord bestemde levensmiddelen en andere artikelen;

m)

goederen die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht vanuit Ceuta en Melilla, Gibraltar, Helgoland, de Republiek San Marino, Vaticaanstad, de gemeenten Livigno en Campione d’Italia of de Italiaanse wateren van het meer van Lugano vanaf de oever tot aan de politieke grens van de zone tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio;

n)

producten van de zeevisserij en andere door EU-vissersvaartuigen uit de zee gewonnen producten buiten het douanegebied van de Unie;

o)

vaartuigen, en de daarmee vervoerde goederen, die de territoriale wateren van een lidstaat binnenkomen, uitsluitend met het doel om provisie in te slaan zonder dat verbinding wordt gemaakt met een van de havenfaciliteiten;

p)

goederen onder dekking van een ATA- of CPD-carnet, mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd.

2.   Tot 31 december 2020 moet geen summiere aangifte bij binnenbrengen worden ingediend voor goederen in postzendingen waarvan het gewicht niet meer dan 250 g bedraagt.

Wanneer goederen in postzendingen waarvan het gewicht meer dan 250 g bedraagt, het douanegebied van de Unie worden binnengebracht zonder dat zij door een summiere aangifte bij binnenbrengen gedekt zijn, worden geen sancties opgelegd. Bij het aanbrengen van de goederen wordt een risicoanalyse verricht, indien mogelijk op basis van de aangifte voor tijdelijke opslag of de douaneaangifte voor die goederen.

Uiterlijk 31 december 2020 evalueert de Commissie de situatie van goederen in postzendingen overeenkomstig dit lid om eventueel noodzakelijke wijzigingen aan te brengen rekening houdende met het gebruik van elektronische middelen door postaanbieders ter dekking van het vervoer van goederen.

Artikel 105

Termijnen voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen voor vervoer over zee

(Artikel 127, leden 3 en 7, van het wetboek)

Wanneer de goederen over zee het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, wordt de summiere aangifte bij binnenbrengen binnen de volgende termijnen ingediend:

a)

voor in containers vervoerde goederen, tenzij het bepaalde onder c) of d) van toepassing is: uiterlijk 24 uur voordat zij in het vaartuig worden geladen waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen worden binnengebracht;

b)

voor stort-/stukgoederen, tenzij het bepaalde onder c) of d) van toepassing is: uiterlijk vier uur voor de aankomst van het vaartuig in de eerste haven van binnenkomst in het douanegebied van de Unie;

c)

uiterlijk twee uur voor de aankomst van het vaartuig in de eerste haven van binnenkomst in het douanegebied van de Unie in geval van goederen komende uit:

i)

Groenland;

ii)

de Faeröer;

iii)

IJsland;

iv)

havens aan de Oostzee, Noordzee, Zwarte Zee en Middellandse Zee;

v)

alle havens van Marokko;

d)

voor ander dan onder c) bedoeld vervoer tussen een gebied buiten het douanegebied van de Unie en de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira of de Canarische Eilanden, wanneer de reistijd minder dan 24 uur bedraagt: uiterlijk twee uur voor de aankomst in de eerste haven van binnenkomst in het douanegebied van de Unie.

Artikel 106

Termijnen voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen voor vervoer door de lucht

(Artikel 127, leden 3 en 7, van het wetboek)

1.   Wanneer de goederen door de lucht het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, wordt de summiere aangifte bij binnenbrengen zo spoedig mogelijk ingediend.

De minimale gegevensset voor de summiere aangifte bij binnenbrengen wordt verstrekt uiterlijk voordat de goederen in het vliegtuig worden geladen waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen worden binnengebracht.

2.   Wanneer binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn alleen de minimale gegevensset voor de summiere aangifte bij binnenbrengen is verstrekt, worden de andere gegevens verstrekt binnen de volgende termijnen:

a)

bij vluchten met een reistijd van minder dan vier uur: uiterlijk op het werkelijke vertrekuur van het luchtvaartuig;

b)

bij andere vluchten: uiterlijk vier uur voor de aankomst van het luchtvaartuig op de eerste luchthaven in het douanegebied van de Unie.

Artikel 107

Termijnen voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen voor vervoer per spoor

(Artikel 127, leden 3 en 7, van het wetboek)

Wanneer de goederen per spoor het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, wordt de summiere aangifte bij binnenbrengen binnen de volgende termijnen ingediend:

a)

wanneer de treinreis vanaf het laatste rangeerstation, gelegen in een derde land, naar het douanekantoor van eerste binnenkomst minder dan twee uur bedraagt: uiterlijk één uur voor de aankomst van de goederen op de plaats waarvoor dat douanekantoor bevoegd is;

b)

in alle andere gevallen: uiterlijk twee uur voor de aankomst van de goederen op de plaats waarvoor het douanekantoor van eerste binnenkomst bevoegd is.

Artikel 108

Termijnen voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen voor vervoer over de weg

(Artikel 127, leden 3 en 7, van het wetboek)

Wanneer de goederen over de weg het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, wordt de summiere aangifte bij binnenbrengen ingediend uiterlijk één uur voor de aankomst van de goederen op de plaats waarvoor het douanekantoor van eerste binnenkomst bevoegd is.

Artikel 109

Termijnen voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen voor vervoer over de binnenwateren

(Artikel 127, leden 3 en 7, van het wetboek)

Wanneer de goederen over de binnenwateren het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, wordt de summiere aangifte bij binnenbrengen ingediend uiterlijk twee uur voor de aankomst van de goederen op de plaats waarvoor het douanekantoor van eerste binnenkomst bevoegd is.

Artikel 110

Termijnen voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen voor gecombineerd vervoer

(Artikel 127, leden 3 en 7, van het wetboek)

Wanneer de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht op een vervoermiddel dat zelf wordt vervoerd op een actief vervoermiddel, is de termijn voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen de termijn die geldt voor het actieve vervoermiddel.

Artikel 111

Termijnen voor de indiening van de summiere aangifte bij binnenbrengen in geval van overmacht

(Artikel 127, leden 3 en 7, van het wetboek)

De in de artikelen 105 tot en met 109 genoemde termijnen zijn niet van toepassing in geval van overmacht.

Artikel 112

Verstrekking van de gegevens van de summiere aangifte bij binnenbrengen door andere personen in specifieke gevallen van vervoer over zee of over de binnenwateren

(Artikel 127, lid 6, van het wetboek)

1.   Wanneer, in het geval van vervoer over zee of over de binnenwateren, voor dezelfde goederen door een of meer andere personen dan de vervoerder een of meer aanvullende vervoersovereenkomsten zijn gesloten die worden gedekt door een of meer cognossementen, en de persoon die het cognossement afgeeft, de vereiste gegevens voor de summiere aangifte bij binnenbrengen niet meedeelt aan zijn contractuele partner die een cognossement afgeeft aan hem of aan zijn contractuele partner met wie hij een overeenkomst voor het delen van laadruimte heeft gesloten, verstrekt de persoon die de vereiste gegevens niet meedeelt, deze gegevens aan het douanekantoor van eerste binnenkomst overeenkomstig artikel 127, lid 6, van het wetboek.

Indien de geadresseerde die is vermeld op het cognossement dat geen onderliggende cognossementen heeft, de voor de summiere aangifte bij binnenbrengen vereiste gegevens niet meedeelt aan de persoon die dit cognossement afgeeft, verstrekt hij deze gegevens aan het douanekantoor van eerste binnenkomst.

2.   Elke persoon die de in artikel 127, lid 5, van het wetboek bedoelde gegevens indient, is verantwoordelijk voor de door hem ingediende gegevens overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder a) en b), van het wetboek.

Artikel 113

Verstrekking van de gegevens van de summiere aangifte bij binnenbrengen door andere personen in specifieke gevallen van vervoer door de lucht

(Artikel 127, lid 6, van het wetboek)

1.   Wanneer, in het geval van vervoer door de lucht, voor dezelfde goederen door een of meer andere personen dan de vervoerder een of meer aanvullende vervoersovereenkomsten zijn gesloten die worden gedekt door een of meer luchtvrachtbrieven, en de persoon die de luchtvrachtbrief afgeeft, de vereiste gegevens voor de summiere aangifte bij binnenbrengen niet meedeelt aan zijn contractuele partner die een luchtvrachtbrief afgeeft aan hem of aan zijn contractuele partner met wie hij een overeenkomst voor het delen van laadruimte heeft gesloten, verstrekt de persoon die de vereiste gegevens niet meedeelt, deze gegevens aan het douanekantoor van eerste binnenkomst overeenkomstig artikel 127, lid 6, van het wetboek.

2.   Wanneer, in het geval van vervoer door de lucht, goederen worden vervoerd krachtens de Akten van de Wereldpostunie en de postaanbieder de vereiste gegevens voor de summiere aangifte bij binnenbrengen niet meedeelt aan de vervoerder, verstrekt de postaanbieder deze gegevens aan het douanekantoor van eerste binnenkomst overeenkomstig artikel 127, lid 6, van het wetboek.

3.   Elke persoon die de in artikel 127, lid 5, van het wetboek bedoelde gegevens indient, is verantwoordelijk voor de door hem ingediende gegevens overeenkomstig artikel 15, lid 2, onder a) en b), van het wetboek.

HOOFDSTUK 2

Aankomst van goederen

Artikel 114

Handelsverkeer met gebieden met een bijzonder fiscaal regime

(Artikel 1, lid 3, van het wetboek)

De lidstaten passen dit hoofdstuk en de artikelen 133 tot en met 152 van het wetboek toe op goederen in het handelsverkeer tussen een gebied met een bijzonder fiscaal regime en een ander deel van het douanegebied van de Unie dat geen gebied met een bijzonder fiscaal regime is.

Artikel 115

Goedkeuring van een plaats voor het aanbrengen van goederen bij de douane en tijdelijke opslag

(Artikel 139, lid 1, en artikel 147, lid 1, van het wetboek)

1.   Voor het aanbrengen van goederen kan een andere plaats dan het bevoegde douanekantoor worden goedgekeurd wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 148, leden 2 en 3, van het wetboek en in artikel 117 zijn vervuld;

b)

de goederen worden op de dag nadat zij zijn aangebracht, aangegeven voor een douaneregeling tenzij de douaneautoriteiten een onderzoek van de goederen eisen overeenkomstig artikel 140, lid 2, van het wetboek.

Wanneer voor de plaats al een vergunning voor het beheer van een ruimte voor tijdelijke opslag is verleend, is die goedkeuring niet vereist.

2.   Voor de tijdelijke opslag van goederen kan een andere plaats dan een ruimte voor tijdelijke opslag worden goedgekeurd wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 148, leden 2 en 3, van het wetboek en in artikel 117 zijn vervuld;

b)

de goederen worden op de dag nadat zij zijn aangebracht, aangegeven voor een douaneregeling tenzij de douaneautoriteiten een onderzoek van de goederen eisen overeenkomstig artikel 140, lid 2, van het wetboek.

Artikel 116

Administratie

(Artikel 148, lid 4, van het wetboek)

1.   De in artikel 148, lid 4, van het wetboek bedoelde administratie bevat de volgende informatie en gegevens:

a)

een verwijzing naar de desbetreffende aangifte tot tijdelijke opslag van de opgeslagen goederen en een verwijzing naar de overeenkomstige beëindiging van de tijdelijke opslag;

b)

de datum en gegevens ter identificatie van de douanedocumenten betreffende de opgeslagen goederen en alle andere documenten die betrekking hebben op de tijdelijke opslag van de goederen;

c)

bijzonderheden, nummers, aantal en soort van de colli, de hoeveelheid en de gebruikelijke handelsomschrijving of technische beschrijving van de goederen en, eventueel, de op de containers aangebrachte merktekens aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd;

d)

plaats van de goederen en gegevens over iedere overbrenging;

e)

douanestatus van de goederen;

f)

informatie over de in artikel 147, lid 2, van het wetboek bedoelde behandelingen;

g)

wat betreft de overbrenging van tijdelijk opgeslagen goederen tussen ruimten voor tijdelijke opslag die in verschillende lidstaten zijn gelegen, de gegevens over de aankomst van de goederen in de tijdelijke opslagruimte van bestemming.

Wanneer de administratie geen deel uitmaakt van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden, dient zij te verwijzen naar de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden.

2.   De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat sommige van de in lid 1 bedoelde gegevens niet moeten worden verstrekt wanneer dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht en de controle van de goederen. Deze ontheffing is evenwel niet van toepassing in het geval van overbrenging van goederen tussen ruimten voor tijdelijke opslag.

Artikel 117

Detailhandel

(Artikel 148, lid 1, van het wetboek)

Op de volgende voorwaarden wordt een vergunning voor het beheer van ruimten voor tijdelijke opslag zoals bedoeld in artikel 148 van het wetboek verleend:

a)

de ruimte voor tijdelijke opslag wordt niet gebruikt voor detailhandel;

b)

wanneer de opgeslagen goederen een gevaar vormen, andere goederen kunnen bederven of om andere redenen bijzondere voorzieningen vereisen, wordt de ruimte voor tijdelijke opslag speciaal voor de opslag van die goederen ingericht;

c)

de ruimte voor tijdelijke opslag wordt uitsluitend beheerd door de vergunninghouder.

Artikel 118

Andere gevallen van overbrenging van tijdelijk opgeslagen goederen

(Artikel 148, lid 5, onder c), van het wetboek)

Overeenkomstig artikel 148, lid 5, onder c), van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten toestemming geven voor de overbrenging van tijdelijk opgeslagen goederen tussen verschillende ruimten voor tijdelijke opslag waarvoor verschillende vergunningen voor het beheer van ruimten voor tijdelijke opslag zijn afgegeven, op voorwaarde dat de houders van deze vergunningen AEOC zijn.

TITEL V

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DOUANESTATUS, PLAATSING VAN GOEDEREN ONDER EEN DOUANEREGELING, VERIFICATIE, VRIJGAVE EN VERWIJDERING VAN GOEDEREN

HOOFDSTUK 1

Douanestatus van goederen

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 119

Vermoeden van douanestatus

(Artikel 153, lid 1, en artikel 155, lid 2, van het wetboek)

1.   Het vermoeden dat goederen de douanestatus van Uniegoederen hebben, is niet van toepassing op:

a)

in het douanegebied van de Unie gebrachte goederen die onder douanetoezicht staan om hun douanestatus te bepalen;

b)

goederen in tijdelijke opslag;

c)

goederen die onder een van de bijzondere regelingen zijn geplaatst, met uitzondering van de regelingen intern douanevervoer, passieve veredeling en bijzondere bestemming;

d)

producten van de zeevisserij, gevangen door een EU-vissersvaartuig buiten het douanegebied van de Unie in andere wateren dan de territoriale wateren van een derde land, die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht zoals bepaald in artikel 129;

e)

goederen verkregen uit de onder d) bedoelde producten aan boord van dat vaartuig of een EU-fabrieksschip, bij de vervaardiging waarvan andere producten met de douanestatus van Uniegoederen mogen zijn gebruikt, die het douanegebied van de Unie worden binnengebracht zoals bepaald in artikel 129;

f)

producten van de zeevisserij en andere producten, gewonnen of gevangen binnen het douanegebied van de Unie door schepen die de vlag van een derde land voeren.

2.   In de volgende gevallen mogen Uniegoederen, zonder dat zij aan een douaneregeling onderworpen zijn, worden vervoerd van de ene plaats naar een andere binnen het douanegebied van de Unie en tijdelijk daarbuiten zonder dat hun douanestatus wijzigt:

a)

wanneer de goederen worden vervoerd door de lucht en zijn geladen of overgeladen op een EU-luchthaven om naar een andere EU-luchthaven te worden verzonden, voor zover dit vervoer geschiedt onder dekking van één enkel in een lidstaat afgegeven vervoersdocument;

b)

wanneer de goederen worden vervoerd over zee en tussen EU-havens worden verscheept met een lijndienst waarvoor overeenkomstig artikel 120 vergunning is verleend;

c)

wanneer de goederen worden vervoerd per spoor en via een derde land dat partij is bij de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, zijn verzonden onder dekking van één enkel in een lidstaat afgegeven vervoersdocument, en in een dergelijke mogelijkheid is voorzien in een internationale overeenkomst.

3.   In de volgende gevallen mogen Uniegoederen, zonder dat zij aan een douaneregeling onderworpen zijn, worden vervoerd van de ene plaats naar een andere binnen het douanegebied van de Unie en tijdelijk daarbuiten zonder dat hun douanestatus wijzigt, mits hun douanestatus van Uniegoederen wordt aangetoond:

a)

goederen die van de ene plaats naar een andere binnen het douanegebied van de Unie zijn overgebracht en dat gebied over zee of door de lucht tijdelijk verlaten;

b)

goederen die van de ene plaats naar een andere binnen het douanegebied van de Unie zijn overgebracht via een grondgebied buiten het douanegebied van de Unie zonder dat zij zijn overgeladen, en die zijn vervoerd onder dekking van één enkel in een lidstaat afgegeven vervoersdocument;

c)

goederen die van de ene plaats naar een andere binnen het douanegebied van de Unie zijn overgebracht via een grondgebied buiten het douanegebied van de Unie en die zijn overgeladen buiten het douanegebied van de Unie op een ander dan het oorspronkelijke vervoermiddel, waarbij een nieuw vervoersdocument is afgegeven voor het vervoer vanaf het grondgebied buiten het douanegebied van de Unie, mits het nieuwe document vergezeld gaat van een kopie van het originele enkele vervoersdocument;

d)

in een lidstaat ingeschreven gemotoriseerde wegvoertuigen die het douanegebied van de Unie tijdelijk hebben verlaten en daarna opnieuw zijn binnengekomen;

e)

verpakkingsmiddelen, laadborden en ander soortgelijk materieel, met uitzondering van containers, die toebehoren aan een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon, die worden gebruikt voor het vervoer van goederen die het douanegebied van de Unie tijdelijk hebben verlaten en opnieuw zijn binnengekomen;

f)

goederen in de bagage van een passagier die niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd en tijdelijk het douanegebied van de Unie hebben verlaten en opnieuw zijn binnengekomen.

Afdeling 2

Lijndienst voor douanedoeleinden

Artikel 120

Vergunning voor het onderhouden van een lijndienst

(Artikel 155, lid 2, van het wetboek)

1.   De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit kan een scheepvaartmaatschappij vergunning verlenen voor het onderhouden van een lijndienst, op grond waarvan zij Uniegoederen van de ene plaats naar een andere binnen het douanegebied van de Unie en tijdelijk daarbuiten mag vervoeren zonder dat hun douanestatus van Uniegoederen wijzigt.

2.   Deze vergunning wordt slechts verleend wanneer:

a)

de scheepvaartmaatschappij in het douanegebied van de Unie gevestigd is;

b)

zij aan de in artikel 39, onder a), van het wetboek genoemde criteria voldoet;

c)

zij zich ertoe verbindt de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de in artikel 121, lid 1, bedoelde gegevens te verstrekken nadat de vergunning is afgegeven, en

d)

zij zich ertoe verbindt op de route van de lijndienst geen havens in een gebied buiten het douanegebied van de Unie noch vrije zones in een EU-haven aan te doen, en geen goederen op zee over te laden.

3.   Scheepvaartmaatschappijen waaraan vergunning is verleend overeenkomstig dit artikel, onderhouden de daarin beschreven lijndienst.

De lijndienst wordt onderhouden met de vaartuigen die voor dat doel zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 121.

Artikel 121

Registratie van vaartuigen en havens

(Artikel 22, lid 4, en artikel 155, lid 2, van het wetboek)

1.   De scheepvaartmaatschappij waaraan vergunning is verleend voor het onderhouden van een lijndienst met het oog op de toepassing van artikel 119, lid 2, onder b), registreert de vaartuigen die zij voor die dienst wil gebruiken en de havens die zij daarbij wil aandoen, door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de volgende gegevens te verstrekken:

a)

de namen van de vaartuigen die de lijndienst onderhouden;

b)

de haven waar het vaartuig met de lijndienst aanvangt;

c)

de havens die worden aangedaan.

2.   De in lid 1 bedoelde registratie wordt van kracht op de eerste werkdag na die van de registratie door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit.

3.   De scheepvaartmaatschappij waaraan vergunning is verleend voor het onderhouden van een lijndienst met het oog op de toepassing van artikel 119, lid 2, onder b), stelt de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit in kennis van iedere wijziging in de onder a), b) en c) van lid 1 bedoelde gegevens en van de datum en het tijdstip waarop die wijziging van kracht wordt.

Artikel 122

Onvoorziene omstandigheden tijdens het vervoer in het kader van een lijndienst

(Artikel 153, lid 1, en artikel 155, lid 2, van het wetboek)

Wanneer een vaartuig dat geregistreerd is voor een lijndienst met het oog op de toepassing van artikel 119, lid 2, onder b), als gevolg van onvoorziene omstandigheden goederen op zee overlaadt dan wel een haven buiten het douanegebied van de Unie, een haven die geen deel uitmaakt van de lijndienst of een vrije zone in een EU-haven aandoet of daar goederen lost of laadt, verandert de douanestatus van deze goederen niet, tenzij zij op deze plaatsen zijn geladen of gelost.

Wanneer de douaneautoriteiten reden hebben om eraan te twijfelen dat de goederen aan deze voorwaarden voldoen, moet de douanestatus van deze goederen worden bewezen.

Afdeling 3

Bewijs van de douanestatus van Uniegoederen

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 123

Geldigheidsduur van een T2L, T2LF of een douanemanifest

(Artikel 22, lid 5, van het wetboek)

Het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen in de vorm van een T2L, T2LF of een douanemanifest is geldig gedurende 90 dagen vanaf de datum van registratie dan wel, wanneer er overeenkomstig artikel 128 geen verplichting tot registratie van het douanemanifest is, vanaf de datum waarop dit is opgesteld. Op verzoek van de betrokkene en om gerechtvaardigde redenen kan het douanekantoor de geldigheidsduur van het bewijs op een langere termijn vaststellen.

Artikel 124

Wijze van mededeling van het MRN van een T2L, T2LF of een douanemanifest

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Het MRN van een T2L, T2LF of een douanemanifest kan met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden verstrekt, als volgt:

a)

een streepjescode;

b)

een document waarin de status is geregistreerd;

c)

andere middelen zoals toegestaan door de ontvangende douaneautoriteit.

Onderafdeling 2

Bewijzen verstrekt met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken

Artikel 125

Bewijs van de douanestatus van Uniegoederen voor reizigers die geen marktdeelnemer zijn

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Een reiziger die geen marktdeelnemer is, kan op papier om een bewijs van de douanestatus van Uniegoederen verzoeken.

Artikel 126

Bewijs van de douanestatus van Uniegoederen door overlegging van een factuur of vervoersdocument

(Artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

1.   Het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen waarvan de waarde niet meer dan 15 000 EUR bedraagt, kan worden verstrekt met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken, als volgt:

a)

een factuur die betrekking heeft op de goederen;

b)

een vervoersdocument dat betrekking heeft op de goederen.

2.   Op de factuur of het vervoersdocument zoals bedoeld in lid 1 worden ten minste de naam en het volledige adres van de afzender dan wel, indien er geen afzender is, van de betrokkene vermeld alsook het bevoegde douanekantoor, het aantal, de aard, de merken en de nummers van de colli, een omschrijving van de goederen, de brutomassa van de goederen (in kg), de waarde van de goederen en, in voorkomend geval, de nummers van de containers.

De afzender dan wel, indien er geen afzender is, de betrokkene geeft de douanestatus van de Uniegoederen op de factuur of het vervoersdocument aan door vermelding van de code „T2L” of „T2LF”, naargelang het geval, en zijn handtekening.

Artikel 127

Bewijs van de douanestatus van Uniegoederen op een TIR- of ATA-carnet of een formulier 302

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Wanneer Uniegoederen worden vervoerd overeenkomstig de TIR-overeenkomst, de ATA-overeenkomst, de overeenkomst van Istanbul of het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, kan het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen worden verstrekt met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Onderafdeling 3

Bewijs van de douanestatus van Uniegoederen afgegeven door een toegelaten afgever

Artikel 128

Facilitering voor de afgifte van een bewijs door een toegelaten afgever

(Artikel 153, lid 2, van het wetboek)

1.   Aan iedere in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die aan de criteria van artikel 39, onder a) en b), van het wetboek voldoet, kan vergunning worden verleend voor de afgifte van:

a)

het T2L of T2LF zonder dat hij om visering hoeft te vragen;

b)

het douanemanifest zonder dat hij om visering en registratie van het bewijs door het bevoegde douanekantoor hoeft te vragen.

2.   De in lid 1 bedoelde vergunning wordt afgegeven door het bevoegde douanekantoor op verzoek van de betrokkene.

Onderafdeling 4

Bijzondere bepalingen betreffende producten van de zeevisserij en uit deze producten verkregen goederen

Artikel 129

Douanestatus van producten van de zeevisserij en uit deze producten verkregen goederen

(Artikel 153, lid 2, van het wetboek)

Om te bewijzen dat de in artikel 119, lid 1, onder d) en e), genoemde producten en goederen de douanestatus van Uniegoederen hebben, dient te worden vastgesteld dat deze goederen rechtstreeks zijn vervoerd naar het douanegebied van de Unie op een van de volgende wijzen:

a)

door het EU-vissersvaartuig dat de producten heeft gevangen en, indien van toepassing, heeft verwerkt;

b)

door een EU-vissersvaartuig na overlading van de producten uit het onder a) bedoelde vaartuig;

c)

door het EU-fabrieksschip dat de producten heeft verwerkt na overlading uit het onder a) bedoelde vaartuig;

d)

door elk ander vaartuig na overlading van de genoemde producten en goederen uit de onder a), b) of c) bedoelde vaartuigen, zonder dat zij enige verdere behandeling hebben ondergaan;

e)

door een ander vervoermiddel onder dekking van een enkel vervoersdocument dat is opgesteld in het niet tot het douanegebied van de Unie behorende land of gebied waar de producten of goederen uit de onder a), b), c) of d) bedoelde vaartuigen zijn aangeland.

Artikel 130

Bewijs van de douanestatus van producten van de zeevisserij en uit deze producten verkregen goederen

(Artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

1.   Ten bewijze van de douanestatus in overeenstemming met artikel 129 dienen het visserijlogboek, de aangifte van aanlanding, de aangifte van overlading en de gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen, naargelang het geval, zoals vereist overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (15), de volgende gegevens te bevatten:

a)

de plaats waar de producten van de zeevisserij zijn gevangen, op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de producten of goederen de douanestatus van Uniegoederen hebben overeenkomstig artikel 129;

b)

de producten van de zeevisserij (naam en soort) en hun brutomassa (kg);

c)

het soort goederen dat uit de onder b) bedoelde producten van de zeevisserij is verkregen, op zodanige wijze beschreven dat zij kunnen worden ingedeeld in de gecombineerde nomenclatuur, en hun brutomassa (kg).

2.   In geval van overlading van in artikel 119, lid 1, onder d) en e), bedoelde producten en goederen op een EU-vissersvaartuig of een EU-fabrieksschip (ontvangend vaartuig), dienen het visserijlogboek of de aangifte van overlading van het EU-vissersvaartuig of het EU-fabrieksschip waaruit de producten en goederen zijn overgeladen, behalve de in lid 1 genoemde gegevens, de naam, de vlaggenstaat, het registratienummer en de volledige naam van de kapitein van het ontvangende vaartuig waarop de producten en goederen zijn overgeladen, te bevatten.

Het visserijlogboek of de aangifte van overlading van het ontvangende vaartuig dient, behalve de in lid 1, onder b) en c), genoemde gegevens, de naam, de vlaggenstaat, het registratienummer en de volledige naam van de kapitein van het EU-vissersvaartuig of het EU-fabrieksschip waaruit de producten of goederen zijn overgeladen, te bevatten.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 aanvaarden de douaneautoriteiten een visserijlogboek, aangifte van aanlanding of aangifte van overlading op papier voor vaartuigen met een totale lengte van 10 m of meer, maar niet meer dan 15 m.

Artikel 131

Overlading

(Artikel 6, lid 3, van het wetboek)

1.   In geval van overlading van in artikel 119, lid 1, onder d) en e), bedoelde producten en goederen op andere ontvangende vaartuigen dan EU-vissersvaartuigen of EU-fabrieksschepen, dient het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen te worden geleverd door middel van een afdruk van de aangifte van overlading van het ontvangende vaartuig, tezamen met een afdruk van het visserijlogboek, de aangifte van overlading en de gegevens van het volgsysteem voor vaartuigen, naargelang het geval, van het EU-vissersvaartuig of het EU-fabrieksschip waaruit de producten of goederen zijn overgeladen.

2.   In geval van meerdere overladingen dient ook een afdruk van alle aangiften van overlading te worden overgelegd.

Artikel 132

Bewijs van de douanestatus van Uniegoederen voor producten van de zeevisserij en andere producten, gewonnen of gevangen binnen het douanegebied van de Unie door schepen die de vlag van een derde land voeren

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Voor producten van de zeevisserij en andere producten, gewonnen of gevangen binnen het douanegebied van de Unie door schepen die de vlag van een derde land voeren, kan het bewijs van de douanestatus van Uniegoederen worden aangetoond met behulp van een afdruk van het visserijlogboek.

Artikel 133

Producten en goederen overgeladen en vervoerd via een land of gebied dat geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

Wanneer de in artikel 119, lid 1, onder d) en e), bedoelde producten en goederen worden overgeladen en vervoerd via een land of gebied dat geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie, dient een afdruk van het visserijlogboek van het EU-vissersvaartuig of het EU-fabrieksschip te worden overgelegd, tezamen met een afdruk van de aangifte van overlading, indien van toepassing, met daarop de volgende informatie:

a)

een visering van de douaneautoriteit van het derde land;

b)

de datum van aankomst in en vertrek uit het derde land van de producten en goederen;

c)

de gebruikte vervoermiddelen voor de wederverzending naar het douanegebied van de Unie;

d)

het adres van de onder a) bedoelde douaneautoriteit.

HOOFDSTUK 2

Plaatsing van goederen onder een douaneregeling

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 134

Douaneaangiften in het handelsverkeer met gebieden met een bijzonder fiscaal regime

(Artikel 1, lid 3, van het wetboek)

1.   De volgende bepalingen zijn van toepassing op de in artikel 1, lid 3, van het wetboek bedoelde handel in Uniegoederen:

a)

de hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel V van het wetboek;

b)

de hoofdstukken 2 en 3 van titel VIII van het wetboek;

c)

de hoofdstukken 2, 3 van titel V van deze verordening;

d)

de hoofdstukken 2 en 3 van titel VIII van deze verordening.

2.   Eenieder kan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de in lid 1 bedoelde bepalingen voldoen door een factuur of vervoersdocument over te leggen in de volgende gevallen:

a)

wanneer goederen worden verzonden van het gebied met een bijzonder fiscaal regime naar een ander deel van het douanegebied van de Unie dat geen gebied met een bijzonder fiscaal regime is, binnen dezelfde lidstaat;

b)

wanneer goederen het gebied met een bijzonder fiscaal regime worden binnengebracht vanuit een ander deel van het douanegebied van de Unie dat geen gebied met een bijzonder fiscaal regime is, binnen dezelfde lidstaat;

c)

wanneer goederen worden verzonden van een ander deel van het douanegebied van de Unie dat geen gebied met een bijzonder fiscaal regime is, naar het gebied met een bijzonder fiscaal regime binnen dezelfde lidstaat;

d)

wanneer goederen een ander deel van het douanegebied van de Unie dat geen gebied met een bijzonder fiscaal regime is, worden binnengebracht vanuit het gebied met een bijzonder fiscaal regime binnen dezelfde lidstaat.

Artikel 135

Mondelinge aangifte voor het in het vrije verkeer brengen

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

1.   Voor de volgende goederen kan de douaneaangifte voor het vrije verkeer mondeling worden gedaan:

a)

goederen zonder handelskarakter;

b)

goederen met een handelskarakter die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, mits de waarde ervan niet meer dan 1 000 EUR bedraagt of de nettomassa ervan niet hoger is dan 1 000 kg;

c)

producten verkregen door EU-landbouwers op in een derde land gelegen landerijen en producten van de visserij, visteelt en jacht, die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 35 tot en met 38 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

d)

zaaigoed, meststoffen en producten voor de behandeling van bodem en gewassen, ingevoerd door landbouwproducenten in derde landen om te worden gebruikt op aan deze landen grenzende landerijen, die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 39 en 40 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.

2.   Voor de in artikel 136, lid 1, bedoelde goederen kan de douaneaangifte voor het vrije verkeer mondeling worden gedaan, op voorwaarde dat de goederen in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten als terugkerende goederen.

Artikel 136

Mondelinge aangifte voor tijdelijke invoer en wederuitvoer

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

1.   Voor de volgende goederen kan de douaneaangifte voor tijdelijke invoer mondeling worden gedaan:

a)

laadborden, containers en vervoermiddelen, en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van die laadborden, containers en vervoermiddelen, zoals bedoeld in de artikelen 208 tot en met 213;

b)

persoonlijke bezittingen en goederen voor sportdoeleinden zoals bedoeld in artikel 219;

c)

welzijnsgoederen voor zeelieden, gebruikt aan boord van een schip in de internationale zeevaart zoals bedoeld in artikel 220, onder a);

d)

medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal zoals bedoeld in artikel 222;

e)

dieren zoals bedoeld in artikel 223, op voorwaarde dat zij zijn bestemd voor het weiden of verweiden of voor werk als trek-, rij- of lastdier;

f)

materiaal zoals bedoeld in artikel 224, onder a);

g)

door een arts benodigde instrumenten en apparaten voor het verlenen van zorg aan een zieke in afwachting van een orgaantransplantatie, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 226, lid 1;

h)

materiaal voor hulpverlening bij rampen dat wordt gebruikt bij maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van rampen of dergelijke situaties in het douanegebied van de Unie;

i)

draagbare muziekinstrumenten die tijdelijk worden ingevoerd door reizigers en die bestemd zijn om te worden gebruikt als beroepsuitrusting;

j)

verpakkingsmiddelen die gevuld worden ingevoerd en bestemd zijn om leeg of gevuld te worden wederuitgevoerd, voorzien van onuitwisbare en niet-verwijderbare merktekens ter identificatie van een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;

k)

radio- en televisieproductie- en -uitzendingsapparatuur alsook speciaal voor radio- en televisieproductie en -uitzending ingerichte voertuigen en de apparatuur daarvan, ingevoerd door openbare of particuliere organisaties die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd zijn en erkend zijn door de douaneautoriteiten die de tijdelijke invoer van deze apparatuur en voertuigen hebben toegestaan;

l)

andere goederen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan.

2.   Bij de aanzuivering van een regeling tijdelijke invoer voor de in lid 1 bedoelde goederen kan de aangifte tot wederuitvoer mondeling worden gedaan.

Artikel 137

Mondelinge aangifte voor uitvoer

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

1.   Voor de volgende goederen kan de douaneaangifte tot uitvoer mondeling worden gedaan:

a)

goederen zonder handelskarakter;

b)

goederen met een handelskarakter, mits de waarde ervan niet meer dan 1 000 EUR bedraagt of de nettomassa ervan niet hoger is dan 1 000 kg;

c)

in het douanegebied van de Unie geregistreerde vervoermiddelen die bestemd zijn om te worden wederingevoerd, alsook de reserveonderdelen, het toebehoren en de uitrusting van deze vervoermiddelen;

d)

landbouwdieren (huisdieren) die worden uitgevoerd bij de overbrenging van een landbouwbedrijf uit de Unie naar een derde land en die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens artikel 115 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

e)

producten verkregen door landbouwproducenten op in de Unie gelegen landerijen, die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 116, 117 en 118 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

f)

zaaigoed uitgevoerd door landbouwproducenten om te worden gebruikt op in derde landen gelegen landerijen, dat in aanmerking komt voor vrijstelling van rechten krachtens de artikelen 119 en 120 van Verordening (EG) nr. 1186/2009;

g)

foerage en voedermiddelen voor dieren tijdens de uitvoer, die in aanmerking komen voor de vrijstelling van rechten krachtens artikel 121 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.

2.   Voor de in artikel 136, lid 1, bedoelde goederen kan de douaneaangifte tot uitvoer mondeling worden gedaan, wanneer deze goederen bestemd zijn om te worden wederingevoerd.

Artikel 138

Goederen die worden geacht te zijn aangegeven voor het vrije verkeer overeenkomstig artikel 141

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

De volgende goederen worden geacht te zijn aangegeven voor het vrije verkeer overeenkomstig artikel 141 wanneer er geen aangifte op andere wijze is gedaan:

a)

goederen zonder handelskarakter in de persoonlijke bagage van reizigers, die in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten krachtens artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1186/2009 dan wel als terugkerende goederen;

b)

goederen zoals bedoeld in artikel 135, lid 1, onder c) en d);

c)

vervoermiddelen die in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten als terugkerende goederen overeenkomstig artikel 203 van het wetboek;

d)

draagbare muziekinstrumenten die worden wederingevoerd door reizigers en die in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten als terugkerende goederen overeenkomstig artikel 203 van het wetboek;

e)

brievenpost;

f)

goederen in een postzending, die in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten krachtens de artikelen 23 tot en met 27 van Verordening (EG) nr. 1186/2009.

Artikel 139

Goederen die worden geacht te zijn aangegeven voor tijdelijke invoer en wederuitvoer overeenkomstig artikel 141

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

1.   De in artikel 136, lid 1, onder e) tot en met j), bedoelde goederen worden geacht te zijn aangegeven voor tijdelijke invoer overeenkomstig artikel 141 wanneer er geen aangifte op andere wijze is gedaan.

2.   De in artikel 136, lid 1, onder e) tot en met j), bedoelde goederen worden geacht te zijn aangegeven voor wederuitvoer overeenkomstig artikel 141, waarbij de regeling tijdelijke invoer wordt aangezuiverd, wanneer er geen aangifte op andere wijze is gedaan.

Artikel 140

Goederen die worden geacht te zijn aangegeven voor uitvoer overeenkomstig artikel 141

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

1.   De volgende goederen worden geacht te zijn aangegeven voor uitvoer overeenkomstig artikel 141 wanneer er geen aangifte op andere wijze is gedaan:

a)

de in artikel 137 bedoelde goederen;

b)

draagbare muziekinstrumenten van reizigers.

2.   Goederen verzonden naar Helgoland worden geacht te zijn aangegeven voor uitvoer overeenkomstig artikel 141.

Artikel 141

Handelingen die worden geacht een douaneaangifte te vormen

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

1.   Voor goederen zoals bedoeld in artikel 138, onder a) tot en met d), artikel 139 en artikel 140, lid 1, wordt elk van de volgende handelingen geacht een douaneaangifte te vormen:

a)

het passeren van het groene kanaal of het kanaal „niets aan te geven” bij een douanekantoor waar een dubbel controlekanaal aanwezig is;

b)

het passeren van een douanekantoor waar geen dubbel controlekanaal aanwezig is;

c)

het aanbrengen van een schijf voor douaneaangifte of een zelfklevend vignet „Niets aan te geven” op de voorruit van personenwagens wanneer nationale bepalingen in deze mogelijkheid voorzien.

2.   Door binnenkomst in het douanegebied van de Unie wordt brievenpost geacht voor het vrije verkeer te zijn aangegeven.

Door uitgang uit het douanegebied van de Unie wordt brievenpost geacht voor uitvoer of wederuitvoer te zijn aangegeven.

3.   Door aanbrenging bij de douane overeenkomstig artikel 139 van het wetboek worden goederen in een postzending, die in aanmerking komen voor vrijstelling van invoerrechten krachtens de artikelen 23 tot en met 27 van Verordening (EG) nr. 1186/2009, geacht te zijn aangegeven voor het vrije verkeer, mits de vereiste gegevens door de douaneautoriteiten zijn aanvaard.

4.   Door uitgang uit het douanegebied van de Unie worden goederen in een postzending, waarvan de waarde niet meer dan 1 000 EUR bedraagt en waarvoor geen uitvoerrechten verschuldigd zijn, geacht te zijn aangegeven voor uitvoer.

Artikel 142

Goederen die niet mondeling of overeenkomstig artikel 141 kunnen worden aangegeven

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

De artikelen 135 tot en met 140 zijn niet van toepassing op de volgende goederen:

a)

goederen waarvoor formaliteiten zijn vervuld met het oog op de toekenning van restituties of financiële voordelen bij uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

b)

goederen waarvoor een aanvraag tot terugbetaling van rechten of andere heffingen is gedaan;

c)

goederen die zijn onderworpen aan een verbod of beperking;

d)

goederen die zijn onderworpen aan een andere bijzondere formaliteit krachtens Uniewetgeving die de douaneautoriteiten moeten toepassen.

Artikel 143

Papieren douaneaangiften

(Artikel 158, lid 2, van het wetboek)

Reizigers kunnen een papieren douaneaangifte indienen voor door hen vervoerde goederen.

Artikel 144

Douaneaangifte voor goederen in postzendingen

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

Een postaanbieder kan voor goederen in een postzending een douaneaangifte voor het vrije verkeer met de beperkte gegevensset zoals bedoeld in bijlage B indienen, wanneer deze goederen aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

de waarde ervan is niet hoger dan 1 000 EUR;

b)

er is geen aanvraag tot terugbetaling of kwijtschelding voor deze goederen gedaan;

c)

zij zijn niet onderworpen aan verboden en beperkingen.

Afdeling 2

Vereenvoudigde douaneaangiften

Artikel 145

Voorwaarden voor toestemming voor regelmatig gebruik van vereenvoudigde douaneaangiften

(Artikel 166, lid 2, van het wetboek)

1.   Er wordt toestemming verleend om regelmatig goederen onder een douaneregeling te plaatsen met gebruikmaking van een vereenvoudigde aangifte in overeenstemming met artikel 166, lid 2, van het wetboek, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aanvrager voldoet aan het in artikel 39, onder a), van het wetboek vastgestelde criterium;

b)

de aanvrager beschikt, indien van toepassing, over toereikende procedures voor het omgaan met certificaten en vergunningen die hem zijn verleend in overeenstemming met handelspolitieke maatregelen of maatregelen in verband met de handel in landbouwproducten;

c)

de aanvrager draagt er zorg voor dat relevante werknemers de opdracht hebben om de douaneautoriteiten kennis te geven van eventuele nalevingsproblemen en stelt procedures voor de kennisgeving van dergelijke problemen aan de douaneautoriteiten vast;

d)

de aanvrager beschikt, indien van toepassing, over toereikende procedures voor het omgaan met invoer- en uitvoercertificaten in verband met verboden en beperkingen, waaronder maatregelen om een onderscheid te maken tussen goederen die zijn onderworpen aan verboden of beperkingen en andere goederen, en maatregelen om de naleving van deze verboden en beperkingen te waarborgen.

2.   AEOC’s worden geacht aan de onder b), c) en d) van lid 1 bedoelde voorwaarden te voldoen, voor zover hun administratie passend is met het oog op de plaatsing van goederen onder een douaneregeling op basis van een vereenvoudigde aangifte.

Artikel 146

Aanvullende aangifte

(Artikel 167, lid 1, van het wetboek)

1.   Wanneer de douaneautoriteiten het verschuldigde bedrag aan invoer- of uitvoerrechten overeenkomstig artikel 105, lid 1, eerste alinea, van het wetboek dienen te boeken, wordt de aanvullende aangifte zoals bedoeld in artikel 167, lid 1, eerste alinea, van het wetboek uiterlijk tien dagen na de vrijgave van de goederen ingediend.

2.   Wanneer een boeking geschiedt in overeenstemming met artikel 105, lid 1, tweede alinea, van het wetboek en de aanvullende aangifte een algemeen, periodiek of samenvattend karakter heeft, beloopt het tijdvak waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft, maximaal één kalendermaand.

3.   De termijn voor de indiening van de in lid 2 bedoelde aanvullende aangifte wordt vastgesteld door de douaneautoriteiten. Zij bedraagt niet meer dan tien dagen te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft.

Artikel 147

Termijn waarbinnen de aangever in het geval van een aanvullende aangifte in het bezit van de bewijsstukken moet zijn

(Artikel 167, lid 1, van het wetboek)

1.   De bewijsstukken die ontbraken bij de indiening van de vereenvoudigde aangifte, dienen in het bezit van de aangever te zijn binnen de termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte in overeenstemming met artikel 146, leden 1 of 3.

2.   De douaneautoriteiten kunnen in naar behoren gerechtvaardigde gevallen een langere dan de in lid 1 bedoelde termijn toestaan voor het beschikbaar stellen van de bewijsstukken. Deze termijn mag niet meer bedragen dan 120 dagen te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen.

3.   Wanneer het bewijsstuk de douanewaarde betreft, kunnen de douaneautoriteiten in naar behoren gerechtvaardigde gevallen een langere dan de in de leden 1 of 2 bedoelde termijn vaststellen met inachtneming van de in artikel 103, lid 1, van het wetboek genoemde verjaringstermijn.

Afdeling 3

Op alle douaneaangiften toepasselijke bepalingen

Artikel 148

Ongeldigmaking van een douaneaangifte na de vrijgave van de goederen

(Artikel 174, lid 2, van het wetboek)

1.   Wanneer wordt vastgesteld dat goederen bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling waarbij een douaneschuld bij invoer is ontstaan in plaats van voor een andere douaneregeling, wordt de douaneaangifte ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, op een met redenen omkleed verzoek van de aangever, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het verzoek wordt ingediend binnen 90 dagen na de datum van aanvaarding van de aangifte;

b)

de goederen zijn niet gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met de douaneregeling waaronder zij zouden zijn aangegeven als de vergissing niet was gebeurd;

c)

op het moment van de onjuiste aangifte was voldaan aan de voorwaarden om de goederen onder de douaneregeling te plaatsen waarvoor zij zouden zijn aangegeven als de vergissing niet was gebeurd;

d)

er is een douaneaangifte ingediend voor de douaneregeling waaronder de goederen zouden zijn aangegeven als de vergissing niet was gebeurd.

2.   Wanneer wordt vastgesteld dat de goederen bij vergissing zijn aangegeven in de plaats van andere goederen voor een douaneregeling waarbij een douaneschuld bij invoer is ontstaan, wordt de douaneaangifte ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, op een met redenen omkleed verzoek van de aangever, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het verzoek wordt ingediend binnen 90 dagen na de datum van aanvaarding van de aangifte;

b)

de bij vergissing aangegeven goederen zijn niet gebruikt op een andere wijze dan is toegestaan in hun oorspronkelijke staat en zij zijn opnieuw in hun oorspronkelijke staat gebracht;

c)

hetzelfde douanekantoor is bevoegd voor de bij vergissing aangegeven goederen en de goederen die de aangever had willen aangeven;

d)

de goederen worden aangegeven voor dezelfde douaneregeling als de bij vergissing aangegeven goederen.

3.   Wanneer goederen die zijn verkocht in het kader van een overeenkomst op afstand zoals omschreven in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (16), in het vrije verkeer zijn gebracht en worden teruggezonden, wordt de douaneaangifte ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, op een met redenen omkleed verzoek van de aangever, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het verzoek wordt ingediend binnen 90 dagen na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte;

b)

de goederen zijn uitgevoerd om te worden teruggezonden naar het adres van de oorspronkelijke leverancier of naar een ander door die leverancier opgegeven adres.

4.   Behalve in de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde gevallen wordt de douaneaangifte ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven, op een met redenen omkleed verzoek van de aangever, in elk van de volgende gevallen:

a)

wanneer goederen zijn vrijgegeven voor uitvoer, wederuitvoer of passieve veredeling en het douanegebied van de Unie niet hebben verlaten;

b)

wanneer Uniegoederen bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling die van toepassing is op niet-Uniegoederen, en hun douanestatus van Uniegoederen nadien is aangetoond door middel van een T2L, T2LF of een douanemanifest;

c)

wanneer goederen bij vergissing zijn aangegeven op meer dan één douaneaangifte;

d)

wanneer een vergunning met terugwerkende kracht is verleend overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het wetboek;

e)

wanneer Uniegoederen onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst overeenkomstig artikel 237, lid 2, van het wetboek en niet langer onder die regeling kunnen blijven overeenkomstig artikel 237, lid 2, van het douanewetboek.

5.   Een douaneaangifte voor goederen die aan uitvoerrechten zijn onderworpen, waarvoor een aanvraag tot terugbetaling van de invoerrechten is gedaan, waarvoor restituties of andere bedragen bij uitvoer worden toegekend of waarop een andere bijzondere maatregel bij uitvoer van toepassing is, kan alleen ongeldig worden gemaakt in overeenstemming met lid 4, onder a), indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aangever levert het douanekantoor van uitvoer of, in geval van passieve veredeling, het douanekantoor van plaatsing het bewijs dat de goederen het douanegebied van de Unie niet hebben verlaten;

b)

de aangever zendt, wanneer de douaneaangifte op papier is gedaan, alle exemplaren van de douaneaangifte alsook alle andere documenten die hem bij de aanvaarding van de aangifte zijn verstrekt, terug aan het douanekantoor van uitvoer of, in geval van passieve veredeling, het douanekantoor van plaatsing;

c)

de aangever levert het douanekantoor van uitvoer het bewijs dat de restituties en andere bedragen of financiële voordelen die bij de uitvoer van de betrokken goederen zijn toegekend, zijn terugbetaald of dat de bevoegde autoriteiten de nodige maatregelen hebben getroffen om te garanderen dat deze niet worden uitbetaald;

d)

de aangever voldoet aan alle andere verplichtingen die op hem rusten in verband met de goederen;

e)

afboekingen op een uitvoercertificaat dat bij de douaneaangifte is overgelegd, worden geannuleerd.

Afdeling 4

Overige vereenvoudigingen

Artikel 149

Voorwaarden voor het verlenen van vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking

(Artikel 179, lid 1, van het wetboek)

1.   Er wordt slechts vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking overeenkomstig artikel 179 van het wetboek verleend als de desbetreffende aanvraag betrekking heeft op een van de volgende regelingen:

a)

in het vrije verkeer brengen;

b)

douane-entrepot;

c)

tijdelijke invoer;

d)

bijzondere bestemming;

e)

actieve veredeling;

f)

passieve veredeling;

g)

uitvoer;

h)

wederuitvoer.

2.   Wanneer de douaneaangifte gebeurt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, kan vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking worden verleend onder de in artikel 150 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 150

Voorwaarden voor het verlenen van vergunning voor inschrijving in de administratie van de aangever

(Artikel 182, lid 1, van het wetboek)

1.   Er wordt vergunning verleend voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever als de aanvrager aantoont dat hij aan de in artikel 39, onder a), b) en d), van het wetboek vastgestelde criteria voldoet.

2.   Er wordt slechts vergunning verleend voor het indienen van een douaneaangifte in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever overeenkomstig artikel 182, lid 1, van het wetboek als de aanvraag betrekking heeft op een van de volgende regelingen:

a)

in het vrije verkeer brengen;

b)

douane-entrepot;

c)

tijdelijke invoer;

d)

bijzondere bestemming;

e)

actieve veredeling;

f)

passieve veredeling;

g)

uitvoer en wederuitvoer.

3.   Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op het in het vrije verkeer brengen, wordt de vergunning niet verleend voor:

a)

gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van goederen die vrijgesteld zijn van de btw overeenkomstig artikel 138 van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG;

b)

wederinvoer met gelijktijdige aangifte voor het vrije verkeer en tot verbruik van goederen die vrijgesteld zijn van de btw overeenkomstig artikel 138 van Richtlijn 2006/112/EG en waarvoor, indien van toepassing, de accijns is geschorst overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2008/118/EG.

4.   Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, wordt slechts vergunning verleend indien aan beide van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

er wordt afgezien van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek overeenkomstig artikel 263, lid 2, van het wetboek;

b)

het douanekantoor van uitvoer is ook het douanekantoor van uitgang of het douanekantoor van uitvoer en het douanekantoor van uitgang hebben een regeling getroffen om ervoor te zorgen dat de goederen bij uitgang aan douanetoezicht onderworpen zijn.

5.   Wanneer de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op uitvoer en wederuitvoer, is de uitvoer van accijnsgoederen niet toegestaan tenzij artikel 30 van Richtlijn 2008/118/EG van toepassing is.

6.   Er wordt geen vergunning verleend voor inschrijving in de administratie van de aangever wanneer de aanvraag betrekking heeft op een regeling waarvoor een gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling tussen de douaneautoriteiten vereist is overeenkomstig artikel 181, tenzij de douaneautoriteiten overeenkomen om andere middelen voor de elektronische uitwisseling van inlichtingen te gebruiken.

Artikel 151

Voorwaarden voor het verlenen van vergunning voor beoordeling door de marktdeelnemer zelf

(Artikel 185, lid 1, van het wetboek)

Wanneer een in artikel 185, lid 2, van het wetboek bedoelde aanvrager houder is van een vergunning tot inschrijving in de administratie van de aangever, wordt de marktdeelnemer vergunning verleend om zelf een beoordeling te verrichten op voorwaarde dat de desbetreffende aanvraag betrekking heeft op de in artikel 150, lid 2, bedoelde douaneregelingen of op wederuitvoer.

Artikel 152

Douaneformaliteiten en -controles in het kader van beoordeling door de marktdeelnemer zelf

(Artikel 185, lid 1, van het wetboek)

Aan houders van een vergunning om zelf een beoordeling te verrichten, kan vergunning worden verleend om, onder douanetoezicht, controle uit te oefenen op de naleving van verboden en beperkingen zoals in de vergunning nader is bepaald.

HOOFDSTUK 3

Vrijgave van goederen

Artikel 153

Vrijgave niet afhankelijk van zekerheidstelling

(Artikel 195, lid 2, van het wetboek)

Wanneer een tariefcontingent, waarvoor een aanvraag is ingediend vóór de vrijgave van de goederen, geacht wordt niet kritiek te zijn, wordt de vrijgave niet afhankelijk gemaakt van zekerheidstelling voor deze goederen.

Artikel 154

Kennisgeving van de vrijgave van de goederen

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

1.   Wanneer de aangifte voor een douaneregeling of tot wederuitvoer met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken wordt ingediend, kunnen de douaneautoriteiten gebruikmaken van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken om de aangever kennis te geven van de vrijgave van de goederen.

2.   Wanneer goederen zich vóór de vrijgave in tijdelijke opslag bevonden en de douaneautoriteiten de vrijgave van de goederen aan de houder van de vergunning voor het beheer van de desbetreffende ruimte voor tijdelijke opslag moeten meedelen, kan deze informatie worden verstrekt met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

TITEL VI

IN HET VRIJE VERKEER BRENGEN EN VRIJSTELLING VAN INVOERRECHTEN

HOOFDSTUK 1

In het vrije verkeer brengen

Artikel 155

Vergunning voor het opstellen van weegcertificaten voor bananen

(Artikel 163, lid 3, van het wetboek)

De douaneautoriteiten verlenen vergunning voor het opstellen van certificaten voor standaard douaneaangiften ter staving van het wegen van verse bananen van GN-code 0803 90 10 die aan invoerrechten onderworpen zijn („weegcertificaat voor bananen”) als de aanvrager van die vergunning aan alle volgende voorwaarden voldoet:

a)

hij voldoet aan het in artikel 39, onder a), van het wetboek genoemde criterium;

b)

hij is betrokken bij de invoer, het vervoer, de opslag of de behandeling van verse bananen van GN-code 0803 90 10 die aan invoerrechten onderworpen zijn;

c)

hij biedt de nodige waarborgen voor de juiste uitvoering van de weging;

d)

hij beschikt over een adequate weeginstallatie;

e)

hij voert een administratie aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de nodige controles kunnen verrichten.

Artikel 156

Termijn

(Artikel 22, lid 3, van het wetboek)

Een beschikking op een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 155 wordt onverwijld en uiterlijk 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag gegeven.

Artikel 157

Wijze van mededeling van het weegcertificaat voor bananen

(Artikel 6, lid 2, en artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Weegcertificaten voor bananen kunnen worden opgesteld en ingediend met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

HOOFDSTUK 2

Vrijstelling van invoerrechten

Afdeling 1

Terugkerende goederen

Artikel 158

Goederen die worden geacht te zijn teruggekeerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd

(Artikel 203, lid 5, van het wetboek)

1.   Goederen worden geacht te zijn teruggekeerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd wanneer zij na uitvoer uit het douanegebied van de Unie slechts behandelingen hebben ondergaan die hun presentatie wijzigen of die noodzakelijk waren om ze te herstellen, te reviseren of in goede staat te bewaren.

2.   Goederen worden geacht te zijn teruggekeerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd wanneer zij na uitvoer uit het douanegebied van de Unie andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke hun presentatie wijzigen of noodzakelijk waren om ze te herstellen, te reviseren of in goede staat te bewaren, waarbij evenwel na aanvang van die behandeling is gebleken dat deze ongeschikt is voor het beoogde gebruik van de goederen.

3.   Wanneer de in de leden 1 en 2 bedoelde goederen behandelingen hebben ondergaan die aanleiding zouden hebben gegeven tot de heffing van invoerrechten indien zij onder de regeling passieve veredeling waren geplaatst, worden deze goederen slechts geacht te zijn teruggekeerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd als de behandeling, daaronder begrepen het inbouwen van reserveonderdelen, niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is om de goederen opnieuw te kunnen gebruiken op dezelfde wijze als op het tijdstip van uitvoer uit het douanegebied van de Unie.

Artikel 159

Goederen die bij uitvoer in aanmerking kwamen voor maatregelen op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

(Artikel 204 van het wetboek)

1.   Aan terugkerende goederen die bij uitvoer in aanmerking kwamen voor maatregelen op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, wordt vrijstelling van invoerrechten verleend mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

de krachtens die maatregelen betaalde restituties of andere bedragen zijn terugbetaald, de bevoegde autoriteiten hebben de nodige stappen ondernomen om te voorkomen dat betalingen voor de goederen in kwestie krachtens die maatregelen worden verricht, of de andere toegekende financiële voordelen zijn tenietgedaan;

b)

de goederen bevonden zich in een van de volgende situaties:

i)

zij konden niet op de markt worden gebracht in het land waarnaar zij waren verzonden;

ii)

zij zijn teruggezonden door de geadresseerde omdat ze gebreken vertoonden of niet beantwoordden aan de bepalingen van het contract;

iii)

zij zijn wederingevoerd in het douanegebied van de Unie omdat ze door omstandigheden buiten de macht van de exporteur niet voor het beoogde doel konden worden gebruikt;

c)

de goederen worden aangegeven voor het vrije verkeer in het douanegebied van de Unie binnen twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de douaneformaliteiten voor de uitvoer ervan zijn vervuld dan wel later indien de douaneautoriteiten van de lidstaat van wederinvoer daarvoor toestemming hebben verleend in naar behoren gemotiveerde omstandigheden.

2.   De in lid 1, onder b), iii), bedoelde omstandigheden zijn de volgende:

a)

goederen die naar het douanegebied van de Unie terugkeren als gevolg van vóór de aflevering aan de geadresseerde opgelopen schade, hetzij aan de goederen zelf, hetzij aan het vervoermiddel waarin of waarop zij zijn geladen;

b)

goederen die aanvankelijk zijn uitgevoerd om in het kader van een jaarbeurs of soortgelijk evenement te worden verbruikt of verkocht, maar daar niet verbruikt of verkocht zijn;

c)

goederen die niet aan de geadresseerde konden worden afgeleverd vanwege het feit dat deze fysiek of juridisch niet in staat was de overeenkomst na te komen die aan de uitvoer van de goederen ten grondslag lag;

d)

goederen die als gevolg van natuurlijke, politieke of sociale gebeurtenissen niet aan de geadresseerde konden worden afgeleverd dan wel bij de geadresseerde zijn aangekomen na het verstrijken van de contractuele leveringstermijn;

e)

groenten en fruit, waarop de desbetreffende marktordening van toepassing is, die als geconsigneerde goederen zijn uitgevoerd maar niet op de markt van het land van bestemming zijn verkocht.

Artikel 160

Wijze van mededeling van het inlichtingenblad INF 3

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Een document waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling van invoerrechten is voldaan („inlichtingenblad INF 3”), kan worden ingediend met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

TITEL VII

BIJZONDERE REGELINGEN

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Afdeling 1

Aanvraag van een vergunning

Artikel 161

Buiten het douanegebied van de Unie gevestigde aanvrager

(Artikel 211, lid 3, onder a), van het wetboek)

In afwijking van artikel 211, lid 3, onder a), van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten in incidentele gevallen, wanneer zij zulks gerechtvaardigd achten, een vergunning voor de regeling bijzondere bestemming of de regeling actieve veredeling verlenen aan personen die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.

Artikel 162

Plaats waar de buiten het douanegebied van de Unie gevestigde aanvrager zijn aanvraag moet indienen

(Artikel 22, lid 1, van het wetboek)

1.   Wanneer de aanvrager van een vergunning voor de regeling bijzondere bestemming buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is, is de bevoegde douaneautoriteit, in afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek, de autoriteit van de plaats waar de goederen het eerst zullen worden gebruikt.

2.   Wanneer de aanvrager van een vergunning voor de regeling actieve veredeling buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is, is de bevoegde douaneautoriteit, in afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek, de autoriteit van de plaats waar de goederen het eerst zullen worden verwerkt.

Artikel 163

Aanvraag van een vergunning op basis van een douaneaangifte

(Artikel 6, leden 1 en 2, artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 211, lid 1, van het wetboek)

1.   In de volgende gevallen wordt een douaneaangifte, mits zij wordt aangevuld met aanvullende gegevenselementen zoals vastgesteld in bijlage A, beschouwd als een aanvraag voor een vergunning:

a)

wanneer goederen onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst, tenzij de douaneautoriteiten een formele aanvraag eisen in gevallen die onder artikel 236, onder b), vallen;

b)

wanneer goederen onder de regeling bijzondere bestemming worden geplaatst en de aanvrager voornemens is de goederen integraal de voorgeschreven bijzondere bestemming te geven;

c)

wanneer andere dan de in bijlage 71-02 opgenomen goederen onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst;

d)

wanneer andere dan de in bijlage 71-02 opgenomen goederen onder de regeling passieve veredeling worden geplaatst;

e)

wanneer een vergunning voor de regeling passieve veredeling is verleend en vervangende producten in het vrije verkeer worden gebracht met gebruikmaking van het systeem uitwisselingsverkeer, waarvoor die vergunning niet geldt;

f)

wanneer veredelingsproducten in het vrije verkeer worden gebracht na passieve veredeling en de veredeling betrekking had op goederen zonder handelskarakter.

2.   Lid 1 is in geen van de volgende gevallen van toepassing:

a)

vereenvoudigde aangifte;

b)

gecentraliseerde vrijmaking;

c)

inschrijving in de administratie van de aangever;

d)

wanneer een andere vergunning dan voor tijdelijke invoer waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, wordt aangevraagd;

e)

wanneer een aanvraag wordt gedaan voor het gebruik van equivalente goederen overeenkomstig artikel 223 van het wetboek;

f)

wanneer de bevoegde douaneautoriteit de aangever meedeelt dat de economische voorwaarden moeten worden onderzocht overeenkomstig artikel 211, lid 6, van het wetboek;

g)

wanneer artikel 167, lid 1, onder f), van toepassing is;

h)

wanneer een vergunning met terugwerkende kracht overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het wetboek wordt aangevraagd, behalve in gevallen zoals bedoeld in lid 1, onder e) of f), van dit artikel.

3.   Wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat er een groot risico bestaat dat een van de in de douanewetgeving vastgestelde verplichtingen niet wordt nageleefd als vervoermiddelen of reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van vervoermiddelen onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst, mag de in lid 1 bedoelde douaneaangifte niet mondeling of in overeenstemming met artikel 141 worden gedaan. In dat geval stellen de douaneautoriteiten de aangever daarvan onmiddellijk in kennis na het aanbrengen van goederen bij de douane.

4.   De in lid 1 genoemde verplichting om aanvullende gegevenselementen te verstrekken, is niet van toepassing in gevallen waarbij een van de volgende soorten aangiften wordt gedaan:

a)

douaneaangiften voor het vrije verkeer die mondeling worden gedaan overeenkomstig artikel 135;

b)

douaneaangiften voor tijdelijke invoer of aangiften tot wederuitvoer die mondeling worden gedaan overeenkomstig artikel 136;

c)

douaneaangiften voor tijdelijke invoer of aangiften tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 139 die worden geacht te zijn gedaan overeenkomstig artikel 141.

5.   ATA- en CPD-carnets worden beschouwd als een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer wanneer zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

het carnet is afgegeven in een overeenkomstsluitende partij bij de ATA-overeenkomst of de overeenkomst van Istanbul en is goedgekeurd en gegarandeerd door een organisatie die is aangesloten bij een waarborgketen zoals omschreven in artikel 1, onder d), van bijlage A bij de overeenkomst van Istanbul;

b)

het carnet heeft betrekking op goederen en toepassingen die worden gedekt door de overeenkomst op grond waarvan het is afgegeven;

c)

het carnet is gewaarmerkt door de douaneautoriteiten;

d)

het carnet is geldig in het hele douanegebied van de Unie.

Artikel 164

Aanvraag tot vernieuwing of wijziging van een vergunning

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat een aanvraag tot vernieuwing of wijziging van een in artikel 211, lid 1, van het wetboek bedoelde vergunning in schriftelijke vorm wordt ingediend.

Artikel 165

Document ter staving van een mondelinge douaneaangifte voor tijdelijke invoer

(Artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 211, lid 1, van het wetboek)

Wanneer een mondelinge douaneaangifte wordt beschouwd als een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer overeenkomstig artikel 163, legt de aangever een document ter staving over zoals bepaald in bijlage 71-01.

Afdeling 2

Beschikking op de aanvraag

Artikel 166

Onderzoek naar de economische voorwaarden

(Artikel 211, leden 3 en 4, van het wetboek)

1.   De voorwaarde van artikel 211, lid 4, onder b), van het wetboek is niet van toepassing op vergunningen voor actieve veredeling, behalve in de volgende gevallen:

a)

wanneer het bedrag aan invoerrechten wordt berekend overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het wetboek, er bewijs voorhanden is dat de wezenlijke belangen van EU-producenten waarschijnlijk zullen worden geschaad en het geval niet onder artikel 167, lid 1, onder a) tot en met f), valt;

b)

wanneer het bedrag aan invoerrechten wordt berekend overeenkomstig artikel 85 van het wetboek, de goederen die bestemd zijn om onder de regeling actieve veredeling te worden geplaatst, onderworpen zouden zijn aan een landbouwpolitieke of handelspolitieke maatregel, een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer, en het geval niet onder artikel 167, lid 1, onder h), i), m), p), of s) valt;

c)

wanneer het bedrag aan invoerrechten wordt berekend overeenkomstig artikel 85 van het wetboek, de goederen die bestemd zijn om onder de regeling actieve veredeling te worden geplaatst, niet onderworpen zouden zijn aan een landbouwpolitieke of handelspolitieke maatregel, een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer, er bewijs voorhanden is dat de wezenlijke belangen van EU-producenten waarschijnlijk zullen worden geschaad, en het geval niet onder artikel 167, lid 1, onder g) tot en met s), valt.

2.   De voorwaarde van artikel 211, lid 4, onder b), van het wetboek is niet van toepassing op vergunningen voor passieve veredeling, behalve wanneer er bewijs voorhanden is dat de wezenlijke belangen van EU-producenten van in bijlage 71-02 opgenomen goederen waarschijnlijk zullen worden geschaad en de goederen niet bestemd zijn om te worden hersteld.

Artikel 167

Gevallen waarin wordt geacht te zijn voldaan aan de economische voorwaarden voor actieve veredeling

(Artikel 211, lid 5, van het wetboek)

1.   Aan de economische voorwaarden voor actieve veredeling wordt geacht te zijn voldaan wanneer de aanvraag betrekking heeft op een van de volgende handelingen:

a)

verwerking van niet in bijlage 71-02 opgenomen goederen;

b)

herstellingen;

c)

verwerking van direct of indirect ter beschikking van de vergunninghouder gestelde goederen, volgens de aanwijzingen en voor rekening van een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon, doorgaans alleen tegen betaling van de kosten van de verwerking;

d)

verwerking van harde tarwe tot deegwaren;

e)

plaatsing van goederen onder de regeling actieve veredeling binnen de grenzen van de hoeveelheid die is vastgesteld op basis van een balans overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad (17);

f)

verwerking van in bijlage 71-02 opgenomen goederen in een van de volgende situaties:

i)

onbeschikbaarheid van in de Unie geproduceerde goederen met dezelfde achtcijferige GN-code en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken als de goederen die bedoeld zijn om te worden ingevoerd met het oog op de voorgenomen handelingen;

ii)

prijsverschillen tussen in de Unie geproduceerde goederen en de goederen die bedoeld zijn om te worden ingevoerd, wanneer er geen vergelijkbare goederen kunnen worden gebruikt omdat de beoogde commerciële handelingen door de prijs daarvan niet economisch levensvatbaar zouden zijn;

iii)

contractuele verplichtingen wanneer vergelijkbare goederen niet voldoen aan de contractuele vereisten van de koper van de veredelingsproducten in het derde land of wanneer de veredelingsproducten, krachtens het contract, moeten worden verkregen uit de goederen die bedoeld zijn om onder de regeling actieve veredeling te worden geplaatst, om aan voorschriften betreffende de bescherming van industriële of commerciële eigendomsrechten te voldoen;

iv)

de totale waarde van onder de regeling actieve veredeling te plaatsen goederen per aanvrager en kalenderjaar voor iedere achtcijferige GN-code is niet hoger dan 150 000 EUR;

g)

verwerking van goederen om deze in overeenstemming te brengen met technische vereisten zodat ze in het vrije verkeer kunnen worden gebracht;

h)

verwerking van goederen zonder handelskarakter;

i)

verwerking van goederen verkregen in het kader van een eerdere vergunning, die is afgegeven na onderzoek van de economische voorwaarden;

j)

verwerking van vaste en vloeibare fracties van palmolie, kokosolie, vloeibare fracties van kokosolie, palmpittenolie, vloeibare fracties van palmpittenolie, babassunotenolie of ricinusolie (castorolie) tot producten die niet bestemd zijn voor de voedingssector;

k)

verwerking tot producten die bestemd zijn om te worden ingebouwd in of gebruikt voor burgerluchtvaartuigen waarvoor een luchtwaardigheidscertificaat is afgegeven;

l)

verwerking tot producten die in aanmerking komen voor de autonome schorsing van invoerrechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting overeenkomstig Verordening (EG) nr. 150/2003 van de Raad (18);

m)

verwerking van goederen tot stalen en monsters;

n)

verwerking van alle soorten elektronische componenten, onderdelen, voorgemonteerde delen of andere materialen in informatietechnologieproducten;

o)

verwerking van goederen die onder de GN-codes 2707 of 2710 vallen, tot producten die onder de GN-codes 2707, 2710 of 2902 vallen;

p)

verwerking tot resten en afvallen, vernietiging, terugwinning van delen of bestanddelen;

q)

denaturering;

r)

de in artikel 220 van het wetboek bedoelde gebruikelijke behandelingen;

s)

de totale waarde van onder de regeling actieve veredeling te plaatsen goederen per aanvrager en kalenderjaar voor iedere achtcijferige GN-code is niet hoger dan 150 000 EUR voor goederen die onder bijlage 71-02 vallen en niet hoger dan 300 000 EUR voor andere goederen, behalve wanneer de goederen die bestemd zijn om onder de regeling actieve veredeling te worden geplaatst, onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.

2.   De in lid 1, onder f), i), bedoelde onbeschikbaarheid omvat de volgende gevallen:

a)

er worden helemaal geen vergelijkbare goederen geproduceerd in het douanegebied van de Unie;

b)

dergelijke goederen worden niet in toereikende hoeveelheden geproduceerd om de voorgenomen handelingen te verrichten;

c)

de aanvrager kan niet tijdig over vergelijkbare Uniegoederen beschikken om de beoogde commerciële handelingen te verrichten, hoewel er ruim op tijd een aanvraag was ingediend.

Artikel 168

Berekening van het bedrag aan invoerrechten in bepaalde gevallen van actieve veredeling

(Artikel 86, lid 4, van het wetboek)

1.   Wanneer de economische voorwaarden niet hoeven te worden onderzocht en de goederen die bestemd zijn om onder de regeling actieve veredeling te worden geplaatst, onderworpen zouden zijn aan een landbouwpolitieke of handelspolitieke maatregel, een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer, wordt het bedrag aan invoerrechten berekend overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het wetboek.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer de economische voorwaarden worden geacht te zijn vervuld in de in artikel 167, lid 1, onder h), i), m), p) of s), beschreven gevallen.

2.   Wanneer de veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, rechtstreeks of onrechtstreeks indirect door de vergunninghouder worden ingevoerd en binnen één jaar na de wederuitvoer ervan in het vrije verkeer worden gebracht, wordt het bedrag aan invoerrechten bepaald overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het wetboek.

Artikel 169

Vergunning voor het gebruik van equivalente goederen

(Artikel 223, leden 1 en 2, en artikel 223, lid 3, onder c), van het wetboek)

1.   Voor de verlening van een vergunning overeenkomstig artikel 223, lid 2, van het wetboek is het niet van belang of het systematisch gebruik van equivalente goederen betreft of niet.

2.   Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen zoals bedoeld in artikel 223, lid 1, eerste alinea, van het wetboek wanneer de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.

3.   Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen zoals bedoeld in artikel 223, lid 1, tweede alinea, van het wetboek wanneer de niet-Uniegoederen die worden verwerkt in plaats van de onder de regeling passieve veredeling geplaatste Uniegoederen, onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.

4.   Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen onder de regeling douane-entrepot wanneer de onder de regeling douane-entrepot geplaatste niet-Uniegoederen in bijlage 71-02 opgenomen goederen zijn.

5.   Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen voor goederen of producten die genetisch zijn gewijzigd of elementen bevatten die een genetische wijziging hebben ondergaan.

6.   In afwijking van artikel 223, lid 1, derde alinea, van het wetboek worden als equivalente goederen voor de regeling actieve veredeling aangemerkt:

a)

goederen die zich in een verder gevorderd fabricagestadium bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen wanneer het voornaamste deel van de veredeling van deze equivalente goederen in het bedrijf van de vergunninghouder of namens hem in een ander bedrijf wordt verricht;

b)

in geval van herstelling, nieuwe goederen in plaats van gebruikte goederen of goederen die zich in een betere staat bevinden dan de onder de regeling actieve veredeling geplaatste niet-Uniegoederen;

c)

goederen met vergelijkbare technische kenmerken als de goederen die zij vervangen, mits zij onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld zijn en dezelfde handelskwaliteit hebben.

7.   In afwijking van artikel 223, lid 1, derde alinea, van het wetboek zijn op de in bijlage 71-04 bedoelde goederen de in die bijlage vastgestelde bijzondere bepalingen van toepassing.

8.   Bij tijdelijke invoer is het gebruik van equivalente goederen slechts toegestaan wanneer de vergunning voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten is verleend overeenkomstig de artikelen 208 tot en met 211.

Artikel 170

Veredelingsproducten of onder de regeling actieve veredeling IM/EX geplaatste goederen

(Artikel 211, lid 1, van het wetboek)

1.   In de vergunning voor actieve veredeling IM/EX wordt op verzoek van de aanvrager bepaald dat veredelingsproducten of onder die regeling actieve veredeling IM/EX geplaatste goederen die niet zijn aangegeven voor een volgende douaneregeling of zijn wederuitgevoerd bij het verstrijken van de aanzuiveringstermijn, worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht op de datum van het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.

2.   Lid 1 is niet van toepassing voor zover de producten of goederen onderworpen zijn aan verboden of beperkingen.

Artikel 171

Termijn voor de beschikking op een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek

(Artikel 22, lid 3, van het wetboek)

1.   Wanneer een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek slechts betrekking heeft op één lidstaat, wordt in afwijking van artikel 22, lid 3, eerste alinea, van het wetboek onverwijld op die aanvraag beschikt, en uiterlijk binnen 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag.

Wanneer een aanvraag voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek slechts betrekking heeft op één lidstaat, wordt in afwijking van artikel 22, lid 3, eerste alinea, van het wetboek onverwijld op die aanvraag beschikt, en uiterlijk binnen 60 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag.

2.   Wanneer de economische voorwaarden moeten worden onderzocht overeenkomstig artikel 211, lid 6, van het wetboek, wordt de in de eerste alinea van lid 1 van dit artikel genoemde termijn verlengd tot één jaar na de datum waarop het dossier aan de Commissie is doorgezonden.

De douaneautoriteiten delen de aanvrager, of de vergunninghouder, mee dat er een onderzoek naar de economische voorwaarden moet worden verricht en, indien de vergunning nog niet is afgegeven, dat de termijn overeenkomstig de eerste alinea wordt verlengd.

Artikel 172

Terugwerkende kracht

(Artikel 22, lid 4, van het wetboek)

1.   Wanneer de douaneautoriteiten met terugwerkende kracht een vergunning verlenen overeenkomstig artikel 211, lid 2, van het wetboek, wordt de vergunning ten vroegste van kracht op de datum van aanvaarding van de aanvraag.

2.   In buitengewone omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat een in lid 1 bedoelde vergunning ten vroegste van kracht wordt één jaar, en in het geval van onder bijlage 71-02 vallende goederen drie maanden, vóór de datum van aanvaarding van de aanvraag.

3.   Als een aanvraag betrekking heeft op een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen, kan een vergunning met terugwerkende kracht worden verleend vanaf de datum waarop de oorspronkelijke vergunning is verstreken.

Wanneer in verband met een vernieuwing van een vergunning voor dezelfde soort activiteiten en goederen een onderzoek naar de economische voorwaarden moet worden verricht overeenkomstig artikel 211, lid 6, van het wetboek, wordt een vergunning met terugwerkende kracht ten vroegste van kracht op de datum waarop de conclusie inzake de economische voorwaarden is getrokken.

Artikel 173

Geldigheid van een vergunning

(Artikel 22, lid 5, van het wetboek)

1.   Wanneer een vergunning wordt verleend overeenkomstig artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek, mag de geldigheidsduur van de vergunning niet meer bedragen dan vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning van kracht wordt.

2.   De in lid 1 bedoelde geldigheidsduur mag niet meer bedragen dan drie jaar wanneer de vergunning betrekking heeft op in bijlage 71-02 bedoelde goederen.

Artikel 174

Termijn voor de aanzuivering van een bijzondere regeling

(Artikel 215, lid 4, van het wetboek)

1.   Op verzoek van de houder van de regeling kan de aanzuiveringstermijn die is bepaald in een overeenkomstig artikel 211, lid 1, van het wetboek verleende vergunning, door de douaneautoriteiten worden verlengd, zelfs nadat de oorspronkelijk vastgestelde termijn is verstreken.

2.   Wanneer de aanzuiveringstermijn op een specifieke datum verstrijkt voor alle goederen die in een bepaalde periode onder de regeling zijn geplaatst, kunnen de douaneautoriteiten in de vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek bepalen dat de aanzuiveringstermijn automatisch wordt verlengd voor alle goederen die op die datum nog onder de regeling staan. De douaneautoriteiten kunnen besluiten om de automatische termijnverlenging voor alle of sommige van de onder de regeling geplaatste goederen te beëindigen.

Artikel 175

Aanzuiveringsafrekening

(Artikel 6, lid 2, artikel 6, lid 3, onder a), en artikel 211, lid 1, van het wetboek)

1.   In vergunningen voor het gebruik van de regeling actieve veredeling IM/EX, actieve veredeling EX/IM zonder gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling zoals bedoeld in artikel 176 of bijzondere bestemming wordt bepaald dat de vergunninghouder de aanzuiveringsafrekening moet voorleggen aan het controlekantoor binnen 30 dagen na het verstrijken van de aanzuiveringstermijn.

Het controlekantoor kan evenwel ontheffing verlenen van de verplichting om de aanzuiveringsafrekening voor te leggen wanneer het dat overbodig acht.

2.   Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de in lid 1 genoemde termijn tot 60 dagen verlengen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten de termijn verlengen zelfs wanneer deze verstreken is.

3.   De aanzuiveringsafrekening bevat de in bijlage 71-06 genoemde inlichtingen, tenzij het controlekantoor anderszins heeft bepaald.

4.   Wanneer veredelingsproducten of onder de regeling actieve veredeling IM/EX geplaatste goederen worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht overeenkomstig artikel 170, lid 1, wordt dit feit vermeld in de aanzuiveringsafrekening.

5.   Wanneer in de vergunning voor actieve veredeling IM/EX is bepaald dat veredelingsproducten of onder die regeling geplaatste goederen worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht op de datum waarop de aanzuiveringstermijn verstrijkt, legt de vergunninghouder de aanzuiveringsafrekening voor aan het controlekantoor zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.

6.   De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de aanzuiveringsafrekening wordt voorgelegd met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

Artikel 176

Gestandaardiseerde inlichtingenuitwisseling en verplichtingen van de vergunninghouder met betrekking tot het gebruik van een veredelingsregeling

(Artikel 211, lid 1, van het wetboek)

1.   In vergunningen voor het gebruik van de regeling actieve veredeling EX/IM of passieve veredeling EX/IM waarbij één of meer dan een lidstaat betrokken is, en vergunningen voor het gebruik van de regeling actieve veredeling IM/EX of passieve veredeling IM/EX waarbij meer dan een lidstaat betrokken is, worden de volgende verplichtingen opgenomen:

a)

er wordt gebruikgemaakt van de gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen (INF) zoals bedoeld in artikel 181, tenzij de douaneautoriteiten een andere wijze van elektronische inlichtingenuitwisseling overeenkomen;

b)

de vergunninghouder verstrekt het controlekantoor de gegevens zoals bedoeld in deel A van bijlage 71-05;

c)

bij de indiening van de volgende aangiften of kennisgevingen wordt verwezen naar het desbetreffende INF-nummer:

i)

douaneaangifte voor actieve veredeling;

ii)

uitvoeraangifte voor actieve veredeling EX/IM of passieve veredeling;

iii)

douaneaangiften voor het vrije verkeer na passieve veredeling;

iv)

douaneaangiften voor de aanzuivering van de veredelingsregeling;

v)

aangiften tot wederuitvoer of kennisgevingen van wederuitvoer.

2.   In vergunningen voor het gebruik van de regeling actieve veredeling IM/EX waarbij slechts één lidstaat betrokken is, wordt bepaald dat, op verzoek van het controlekantoor, de vergunninghouder dat douanekantoor voldoende informatie verstrekt over de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen, zodat het controlekantoor het bedrag aan invoerrechten kan berekenen overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het wetboek.

Artikel 177

Opslag van Uniegoederen met niet-Uniegoederen in een opslagruimte

(Artikel 211, lid 1, van het wetboek)

Wanneer Uniegoederen samen met niet-Uniegoederen worden opgeslagen in een opslagruimte onder de regeling douane-entrepot en het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om te allen tijde elk soort goederen te identificeren, wordt in de vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek bepaald dat een gescheiden boekhouding wordt gevoerd voor elk soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen.

Afdeling 3

Overige bepalingen

Artikel 178

Administratie

(Artikel 211, lid 1, en artikel 214, lid 1, van het wetboek)

1.   De in artikel 214, lid 1, van het wetboek bedoelde administratie bevat het volgende:

a)

in voorkomend geval, de verwijzing naar de vergunning die vereist is om de goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen;

b)

het MRN of, waar dit niet bestaat, een ander nummer of een andere code ter identificatie van de douaneaangiften waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst en, wanneer de aanzuivering van de regeling is gebeurd overeenkomstig artikel 215, lid 1, van het wetboek, informatie over de wijze waarop dat is gebeurd;

c)

gegevens aan de hand waarvan andere douanedocumenten dan douaneaangiften ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd, evenals alle andere documenten die van belang zijn voor het plaatsen van goederen onder een bijzondere regeling en alle andere documenten die van belang zijn voor de aanzuivering van de desbetreffende regeling;

d)

bijzonderheden over merktekens, nummers, aantal en soort van de colli, de hoeveelheid en de gebruikelijke handelsomschrijving of technische beschrijving van de goederen en, eventueel, de op de containers aangebrachte merktekens aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd;

e)

plaats van de goederen en informatie over iedere overbrenging;

f)

douanestatus van de goederen;

g)

gegevens over gebruikelijke behandelingen en, in voorkomend geval, de nieuwe tariefindeling die uit deze gebruikelijke behandelingen voortvloeit;

h)

gegevens over tijdelijke invoer of bijzondere bestemming;

i)

gegevens over de regelingen voor actieve of passieve veredeling, met inbegrip van informatie over het soort veredeling;

j)

wanneer artikel 86, lid 1, van het wetboek van toepassing is, de kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen;

k)

het opbrengstpercentage of eventueel de wijze om dit te berekenen;

l)

gegevens aan de hand waarvan het douanetoezicht en controles op het gebruik van equivalente goederen kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 223 van het wetboek;

m)

wanneer een gescheiden boekhouding moet worden gevoerd, informatie over het soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen;

n)

in de gevallen van tijdelijke invoer zoals bedoeld in artikel 238, de krachtens dat artikel vereiste gegevens;

o)

in de gevallen van actieve veredeling zoals bedoeld in artikel 241, de krachtens dat artikel vereiste gegevens;

p)

in voorkomend geval, de gegevens van een eventuele overdracht van rechten en plichten overeenkomstig artikel 218 van het wetboek;

q)

wanneer de administratie geen deel uitmaakt van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden, een verwijzing naar die hoofdboekhouding voor douanedoeleinden;

r)

aanvullende informatie voor bijzondere gevallen, op verzoek van de douaneautoriteiten om gerechtvaardigde redenen.

2.   In het geval van vrije zones bevat de administratie, behalve de in lid 1 bedoelde informatie, het volgende:

a)

gegevens ter identificatie van de vervoersdocumenten voor de goederen die de vrije zones binnenkomen of verlaten;

b)

gegevens over het gebruik of verbruik van goederen die, indien zij in het vrije verkeer werden gebracht of tijdelijk werden ingevoerd, niet aan de toepassing van invoerrechten of aan maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouw- of handelsbeleid overeenkomstig artikel 247, lid 2, van het wetboek zouden zijn onderworpen.

3.   De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat sommige van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens niet moeten worden verstrekt wanneer dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht en de controle op het gebruik van een bijzondere regeling.

4.   In het geval van tijdelijke invoer wordt slechts een administratie bijgehouden als de douaneautoriteiten dat vereisen.

Artikel 179

Overbrenging van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie

(Artikel 219 van het wetboek)

1.   Goederen die onder de regeling actieve veredeling, tijdelijke invoer of bijzondere bestemming zijn geplaatst, kunnen tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere dan de in artikel 178, lid 1, onder e), bedoelde douaneformaliteiten.

2.   Goederen die onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst, kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht van het douanekantoor van plaatsing naar het douanekantoor van uitgang.

3.   Goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere dan de in artikel 178, lid 1, onder e), bedoelde douaneformaliteiten, als volgt:

a)

tussen verschillende opslagruimten die zijn aangewezen in dezelfde vergunning;

b)

van het douanekantoor van plaatsing naar de opslagruimte, of

c)

van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang of ieder ander douanekantoor vermeld in de in artikel 211, lid 1, van het wetboek bedoelde vergunning voor een bijzondere regeling, dat gemachtigd is om goederen vrij te geven voor een volgende douaneregeling of de aangifte tot wederuitvoer in ontvangst te nemen met het oog op de aanzuivering van de bijzondere regeling.

Een overbrenging onder de regeling douane-entrepot eindigt binnen 30 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.

Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 30 dagen verlengen.

4.   Wanneer goederen onder een regeling douane-entrepot worden overgebracht van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang, bevat de in artikel 214, lid 1, van het wetboek bedoelde administratie informatie over de uitgang van de goederen binnen 100 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.

Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 100 dagen verlengen.

Artikel 180

Gebruikelijke behandelingen

(Artikel 220 van het wetboek)

De in artikel 220 van het wetboek bedoelde gebruikelijke behandelingen zijn die welke in bijlage 71-03 zijn vastgesteld.

Artikel 181

Gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

1.   Het controlekantoor stelt de relevante gegevenselementen die in deel A van bijlage 71-05 zijn genoemd, ter beschikking in het elektronische systeem dat is opgezet overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het wetboek met het oog op de gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen (INF) voor:

a)

actieve veredeling EX/IM of passieve veredeling EX/IM waarbij één of meer dan een lidstaat betrokken is;

b)

actieve veredeling IM/EX of passieve veredeling IM/EX waarbij meer dan een lidstaat betrokken is.

2.   Wanneer de in artikel 101, lid 1, van het wetboek bedoelde bevoegde douaneautoriteit om een gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen tussen douaneautoriteiten heeft verzocht met betrekking tot goederen die onder de regeling actieve veredeling IM/EX zijn geplaatst waarbij slechts één lidstaat betrokken is, stelt het controlekantoor de desbetreffende gegevenselementen die in deel B van bijlage 71-05 zijn genoemd, ter beschikking in het elektronische systeem dat is opgezet overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het wetboek met het oog op de INF.

3.   Wanneer een douaneaangifte of aangifte tot wederuitvoer of kennisgeving van wederuitvoer naar een INF verwijst, stellen de bevoegde douaneautoriteiten de specifieke gegevenselementen die in deel A van bijlage 71-05 zijn genoemd, ter beschikking in het elektronische systeem dat is opgezet overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het wetboek met het oog op de INF.

4.   De douaneautoriteiten verstrekken de vergunninghouder, op diens verzoek, bijgewerkte informatie over de INF.

Artikel 182

Douanestatus van dieren geboren uit dieren die onder een bijzondere regeling zijn geplaatst

(Artikel 153, lid 3, van het wetboek)

Wanneer de totale waarde van dieren die zijn geboren in het douanegebied van de Unie uit dieren waarvoor één douaneaangifte is gedaan en die onder de regeling opslag, de regeling tijdelijke invoer of de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, hoger is dan 100 EUR, worden deze dieren aangemerkt als niet-Uniegoederen en onder dezelfde regeling geplaatst als de dieren waaruit zij zijn geboren.

Artikel 183

Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte

(Artikel 167, lid 2, onder b), van het wetboek)

Er wordt ontheffing van de verplichting tot indiening van een aanvullende aangifte verleend voor goederen waarvoor een bijzondere regeling, met uitzondering van douanevervoer, is aangezuiverd door plaatsing van deze goederen onder een volgende bijzondere regeling, met uitzondering van douanevervoer, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de houder van de vergunning voor de eerste en de volgende bijzondere regeling is dezelfde persoon;

b)

de douaneaangifte voor de eerste bijzondere regeling werd ingediend op de standaardwijze, of de aangever heeft voor de eerste bijzondere regeling een aanvullende aangifte ingediend overeenkomstig artikel 167, lid 1, eerste alinea, van het wetboek;

c)

de eerste bijzondere regeling is aangezuiverd door plaatsing van de goederen onder een volgende bijzondere regeling, met uitzondering van bijzondere bestemming of actieve veredeling, in aansluiting op de indiening van een douaneaangifte in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever.

HOOFDSTUK 2

Douanevervoer

Afdeling 1

Extern en intern douanevervoer

Artikel 184

Wijze van mededeling van het MRN van een douanevervoer en van het MRN van een TIR-operatie aan de douaneautoriteiten

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Het MRN van een aangifte voor douanevervoer of van een TIR-operatie kan aan de douaneautoriteiten worden verstrekt met behulp van andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken, als volgt:

a)

een streepjescode;

b)

een begeleidingsdocument voor douanevervoer;

c)

een begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid;

d)

in geval van een TIR-operatie, een TIR-carnet;

e)

andere middelen zoals toegestaan door de ontvangende douaneautoriteit.

Artikel 185

Begeleidingsdocument voor douanevervoer en begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

De gemeenschappelijke gegevensvereisten voor het begeleidingsdocument voor douanevervoer en, indien nodig, de lijst van artikelen alsook voor het begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid en de lijst van artikelen douanevervoer/veiligheid zijn vastgesteld in bijlage B-02.

Artikel 186

Aanvragen voor de status van toegelaten geadresseerde voor TIR-operaties

(Artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek)

In het geval van TIR-operaties worden aanvragen voor de status van toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 230 van het wetboek ingediend bij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit in de lidstaat waar de TIR-operaties van de aanvrager normaal zullen worden beëindigd.

Artikel 187

Vergunningen voor de status van toegelaten geadresseerde voor TIR-operaties

(Artikel 230 van het wetboek)

1.   De status van toegelaten geadresseerde zoals vastgesteld in artikel 230 van het wetboek wordt verleend aan aanvragers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de aanvrager is gevestigd in het douanegebied van de Unie;

b)

de aanvrager verklaart dat hij regelmatig goederen zal ontvangen in het kader van een TIR-operatie;

c)

de aanvrager voldoet aan de in artikel 39, onder a), b) en d), van het wetboek vastgestelde criteria.

2.   De vergunningen worden slechts verleend op voorwaarde dat de douaneautoriteit van oordeel is dat zij in staat zal zijn om toezicht te houden op de TIR-operaties en controles te verrichten zonder dat zij daarvoor administratieve maatregelen moet nemen die niet in verhouding staan tot de behoeften van de betrokkene.

3.   De vergunning voor de status van toegelaten geadresseerde geldt voor TIR-operaties die normaal zullen worden beëindigd in de lidstaat waar de vergunning is verleend, op de in de vergunning vermelde plaats of plaatsen in die lidstaat.

Afdeling 2

Extern en intern Uniedouanevervoer

Artikel 188

Gebieden met een bijzonder fiscaal regime

(Artikel 1, lid 3, van het wetboek)

1.   Wanneer Uniegoederen worden overgebracht van een gebied met een bijzonder fiscaal regime naar een ander deel van het douanegebied van de Unie dat geen gebied met een bijzonder fiscaal regime is, en het vervoer eindigt op een plaats buiten de lidstaat waar de goederen dat deel van het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen, dient de overbrenging van die Uniegoederen te gebeuren onder de regeling intern Uniedouanevervoer zoals bedoeld in artikel 227 van het wetboek.

2.   In andere dan de onder lid 1 vallende situaties kan de regeling intern Uniedouanevervoer worden gebruikt voor Uniegoederen die worden overgebracht tussen een gebied met een bijzonder fiscaal regime en een ander deel van het douanegebied van de Unie.

Artikel 189

Toepassing van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer in specifieke gevallen

(Artikel 226, lid 2, van het wetboek)

Wanneer Uniegoederen worden uitgevoerd naar een derde land dat partij is bij de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, of wanneer Uniegoederen worden uitgevoerd via een of meer dergelijke landen en de bepalingen van de overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van toepassing zijn, worden de goederen onder de regeling extern Uniedouanevervoer geplaatst zoals bedoeld in artikel 226, lid 2, van het wetboek, in de volgende gevallen:

a)

voor de Uniegoederen zijn douaneformaliteiten bij uitvoer vervuld met het oog op de toekenning van uitvoerrestituties in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

b)

de Uniegoederen zijn afkomstig uit interventievoorraden, onderworpen aan maatregelen ter controle van het gebruik of de bestemming ervan en er zijn douaneformaliteiten bij uitvoer voor verricht in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

c)

de Uniegoederen komen in aanmerking voor de terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten mits zij onder de regeling extern douanevervoer zijn geplaatst overeenkomstig artikel 118, lid 4, van het wetboek.

Artikel 190

Ontvangstbevestiging door het douanekantoor van bestemming

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Een ontvangstbewijs met de door het douanekantoor van bestemming vereiste informatie, geviseerd door dat kantoor op verzoek van de persoon die de goederen aanbrengt, bevat de in bijlage 72-03 bedoelde gegevens.

Artikel 191

Algemene bepalingen betreffende vergunningen voor vereenvoudigingen

(Artikel 233, lid 4, van het wetboek)

1.   Vergunningen zoals bedoeld in artikel 233, lid 4, van het wetboek worden verleend aan aanvragers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de aanvrager is gevestigd in het douanegebied van de Unie;

b)

de aanvrager verklaart dat hij regelmatig gebruik zal maken van de regeling Uniedouanevervoer;

c)

de aanvrager voldoet aan de in artikel 39, onder a), b) en d), van het wetboek vastgestelde criteria.

2.   De vergunningen worden slechts verleend op voorwaarde dat de douaneautoriteit van oordeel is dat zij in staat zal zijn om toezicht te houden op de regeling Uniedouanevervoer en controles te verrichten zonder dat zij daarvoor administratieve maatregelen moet nemen die niet in verhouding staan tot de behoeften van de betrokkene.

Artikel 192

Aanvragen voor de status van toegelaten afzender voor het plaatsen van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer

(Artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek)

Met het oog op de plaatsing van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer worden aanvragen voor de status van toegelaten afzender zoals bedoeld in artikel 233, lid 4, onder a), van het wetboek ingediend bij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit in de lidstaat waar het Uniedouanevervoer van de aanvrager normaal zal aanvangen.

Artikel 193

Vergunningen voor de status van toegelaten afzender voor het plaatsen van goederen onder de regeling Uniedouanevervoer

(Artikel 233, lid 4, van het wetboek)

De status van toegelaten afzender zoals bedoeld in artikel 233, lid 4, onder a), van het wetboek wordt slechts verleend aan aanvragers die overeenkomstig artikel 89, lid 5, van het wetboek een doorlopende zekerheid mogen stellen of overeenkomstig artikel 95, lid 2, van het wetboek ontheffing van zekerheidstelling hebben gekregen.

Artikel 194

Aanvragen voor de status van toegelaten geadresseerde voor het ontvangen van goederen die zijn vervoerd onder de regeling Uniedouanevervoer

(Artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek)

Met het oog op de ontvangst van goederen die zijn vervoerd onder de regeling Uniedouanevervoer, worden aanvragen voor de status van toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 233, lid 4, onder b), van het wetboek ingediend bij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit in de lidstaat waar het Uniedouanevervoer van de aanvrager normaal zal worden beëindigd.

Artikel 195

Vergunningen voor de status van toegelaten geadresseerde voor het ontvangen van goederen die zijn vervoerd onder de regeling Uniedouanevervoer

(Artikel 233, lid 4, van het wetboek)

De status van toegelaten geadresseerde zoals bedoeld in artikel 233, lid 4, onder b), van het wetboek wordt slechts verleend aan aanvragers die verklaren dat zij regelmatig goederen zullen ontvangen die onder een regeling Uniedouanevervoer zijn geplaatst.

Artikel 196

Ontvangstbevestiging door een toegelaten geadresseerde

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Een ontvangstbewijs met de vereiste informatie, afgegeven door de toegelaten geadresseerde aan de vervoerder bij de aflevering van de goederen, bevat de in bijlage 72-03 bedoelde gegevens.

Artikel 197

Vergunning voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model

(Artikel 233, lid 4, van het wetboek)

1.   Overeenkomstig artikel 233, lid 4, onder c), van het wetboek wordt vergunning verleend voor het gebruik van een verzegeling van een bijzonder model voor vervoermiddelen, containers of verpakkingsmiddelen in het kader van de regeling Uniedouanevervoer, wanneer de douaneautoriteiten de in de aanvraag voor de vergunning beschreven verzegeling hebben goedgekeurd.

2.   De douaneautoriteit aanvaardt in het kader van de vergunning de door de douaneautoriteiten van een andere lidstaat goedgekeurde verzegeling van een bijzonder model, tenzij zij over informatie beschikt dat de verzegeling in kwestie niet geschikt is voor douanedoeleinden.

Artikel 198

Vergunning voor het gebruik van een aangifte voor douanevervoer met beperkte gegevensvereisten

(Artikel 233, lid 4, onder d), van het wetboek)

Overeenkomstig artikel 233, lid 4, onder d), van het wetboek wordt vergunning verleend voor het gebruik van een douaneaangifte met beperkte gegevensvereisten om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen voor:

a)

het vervoer van goederen per spoor;

b)

het vervoer van goederen door de lucht en over zee wanneer geen gebruik wordt gemaakt van een elektronisch vervoersdocument als aangifte voor douanevervoer.

Artikel 199

Vergunning voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als aangifte voor douanevervoer voor vervoer door de lucht

(Artikel 233, lid 4, onder e), van het wetboek)

Voor vervoer door de lucht wordt overeenkomstig artikel 233, lid 4, onder e), van het wetboek slechts vergunning verleend voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als aangifte voor douanevervoer om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen als:

a)

de aanvrager een beduidend aantal vluchten tussen EU-luchthavens uitvoert;

b)

de aanvrager aantoont dat hij zal kunnen garanderen dat de gegevens van het elektronische vervoersdocument beschikbaar zijn in het douanekantoor van vertrek op de luchthaven van vertrek en in het douanekantoor van bestemming op de luchthaven van bestemming en dat deze gegevens dezelfde zijn in het douanekantoor van vertrek en het douanekantoor van bestemming.

Artikel 200

Vergunning voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als aangifte voor douanevervoer voor vervoer over zee

(Artikel 233, lid 4, onder e), van het wetboek)

Voor vervoer over zee wordt overeenkomstig artikel 233, lid 4, onder e), van het wetboek slechts vergunning verleend voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als aangifte voor douanevervoer om goederen onder de regeling Uniedouanevervoer te plaatsen als:

a)

de aanvrager een beduidend aantal vaarten tussen EU-havens verricht;

b)

de aanvrager aantoont dat hij zal kunnen garanderen dat de gegevens van het elektronische vervoersdocument beschikbaar zijn in het douanekantoor van vertrek in de haven van vertrek en in het douanekantoor van bestemming in de haven van bestemming en dat deze gegevens dezelfde zijn in het douanekantoor van vertrek en het douanekantoor van bestemming.

HOOFDSTUK 3

Douane-entrepot

Artikel 201

Detailhandel

(Artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek)

Er wordt vergunning verleend voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen op voorwaarde dat de opslagruimte niet wordt gebruikt voor de detailhandel, tenzij goederen in het klein worden verkocht in een van de volgende situaties:

a)

met vrijstelling van invoerrechten aan reizigers naar of van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie;

b)

met vrijstelling van invoerrechten aan leden van internationale organisaties;

c)

met vrijstelling van invoerrechten aan NAVO-strijdkrachten;

d)

met vrijstelling van invoerrechten in het kader van diplomatieke of consulaire overeenkomsten;

e)

op afstand, daaronder begrepen via het internet.

Artikel 202

Speciaal ingerichte opslagruimten

(Artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek)

Wanneer goederen een gevaar vormen, andere goederen kunnen bederven of om andere redenen bijzondere voorzieningen vereisen, kan in een vergunning voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen worden bepaald dat de goederen uitsluitend mogen worden opgeslagen in speciaal daarvoor ingerichte opslagruimten.

Artikel 203

Soort opslagruimten

(Artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek)

In een vergunning voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen wordt vermeld welke van de volgende soorten douane-entrepots moet worden gebruikt voor elke vergunning:

a)

publiek douane-entrepot type I;

b)

publiek douane-entrepot type II;

c)

particulier douane-entrepot.

HOOFDSTUK 4

Specifieke bestemming

Afdeling 1

Tijdelijke invoer

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 204

Algemene bepalingen

(Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek)

Tenzij anderszins bepaald, wordt vergunning verleend voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer op voorwaarde dat de onder de regeling geplaatste goederen in dezelfde staat blijven.

Herstellingen en onderhoud, met inbegrip van revisie en afstelling, en maatregelen om de goederen in goede staat te bewaren of om ervoor te zorgen dat zij aan de technische eisen voor gebruik onder de regeling voldoen, zijn echter toegestaan.

Artikel 205

Plaats voor het indienen van een aanvraag

(Artikel 22, lid 1, van het wetboek)

1.   In afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek wordt een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer ingediend bij de douaneautoriteit die bevoegd is voor de plaats waar de goederen het eerst zullen worden gebruikt.

2.   In afwijking van artikel 22, lid 1, derde alinea, van het wetboek wordt een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer, wanneer deze wordt gedaan door middel van een mondelinge douaneaangifte overeenkomstig artikel 136, een handeling overeenkomstig artikel 139 of een ATA- of CPD-carnet overeenkomstig artikel 163, ingediend op de plaats waar de goederen worden aangebracht en voor tijdelijke invoer worden aangegeven.

Artikel 206

Tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten

(Artikel 211, lid 1, en artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

1.   Er wordt vergunning verleend voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten voor goederen die niet voldoen aan alle relevante voorschriften voor volledige vrijstelling van invoerrechten van de artikelen 209 tot en met 216 en de artikelen 219 tot en met 236.

2.   Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten voor verbruiksgoederen.

3.   Er wordt vergunning verleend voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten op voorwaarde dat het verschuldigde bedrag aan invoerrechten overeenkomstig artikel 252, lid 1, tweede alinea, van het wetboek wordt betaald nadat de regeling is aangezuiverd.

Onderafdeling 2

Vervoermiddelen, laadborden en containers met inbegrip van hun toebehoren en uitrusting

Artikel 207

Algemene bepalingen

(Artikel 211, lid 3, van het wetboek)

Er kan volledige vrijstelling van invoerrechten worden verleend voor goederen zoals bedoeld in de artikelen 208 tot en met 211 en artikel 213 ook wanneer de aanvrager en de houder van de regeling in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.

Artikel 208

Laadborden

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor laadborden.

Artikel 209

Reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van laadborden

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van laadborden wanneer deze tijdelijk worden ingevoerd om afzonderlijk of als onderdeel van laadborden te worden wederuitgevoerd.

Artikel 210

Containers

(Artikel 18, lid 2, en artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

1.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor containers die op een daartoe geschikte en goed zichtbare plaats, op duurzame wijze, van alle volgende gegevens zijn voorzien:

a)

de aanduiding van de eigenaar of exploitant, met zijn naam voluit geschreven dan wel afgekort met behulp van een genoegzaam bekend identificatiesysteem. Symbolen zoals emblemen en vlaggen mogen niet worden gebruikt;

b)

de identificatiekenmerken en -nummers die de eigenaar of exploitant aan de container heeft toegekend;

c)

het tarragewicht van de container, met inbegrip van de gehele vaste uitrusting.

Bij vrachtcontainers bestemd voor het zeevervoer of iedere andere container waarop een ISO-standaardcode is vermeld (dat wil zeggen vier hoofdletters met als laatste een U), dienen de aanduiding van de eigenaar of de voornaamste exploitant alsook het serienummer en het controlecijfer van de container in overeenstemming te zijn met de internationale norm ISO 6346 en de bijlagen daarbij.

2.   Wanneer de aanvraag voor een vergunning wordt gedaan overeenkomstig artikel 163, lid 1, staan de containers onder toezicht van een persoon die in het douanegebied van de Unie gevestigd is of van een persoon die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is maar in het douanegebied van de Unie vertegenwoordigd is.

Die persoon moet de douaneautoriteiten op verzoek nadere informatie verstrekken over de bewegingen van iedere tijdelijk ingevoerde container, met inbegrip van de datums en plaatsen van binnenkomst en aanzuivering.

Artikel 211

Reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van containers

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van containers wanneer deze tijdelijk worden ingevoerd om afzonderlijk of als onderdeel van containers te worden wederuitgevoerd.

Artikel 212

Voorwaarden voor het verlenen van volledige vrijstelling van invoerrechten voor vervoermiddelen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „vervoermiddel” verstaan ook de gebruikelijke reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van het vervoermiddel.

2.   Wanneer een aangifte voor tijdelijke invoer van een vervoermiddel mondeling wordt gedaan overeenkomstig artikel 136 dan wel door een andere handeling overeenkomstig artikel 139, wordt de vergunning verleend aan de persoon die de fysieke controle over de goederen heeft op het moment dat deze voor de regeling tijdelijke invoer worden vrijgegeven, tenzij deze persoon namens een andere persoon handelt. In dat geval wordt de vergunning aan laatstgenoemde persoon verleend.

3.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor middelen voor vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en over de binnenwateren die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij zijn geregistreerd buiten het douanegebied van de Unie op naam van een buiten dat gebied gevestigde persoon of, indien de vervoermiddelen niet geregistreerd zijn, zij zijn eigendom van een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;

b)

zij worden gebruikt door een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon, onverminderd de artikelen 214, 215 en 216.

Wanneer deze vervoermiddelen voor particuliere doeleinden worden gebruikt door een derde persoon die buiten het douanegebied van de Unie gevestigd is, wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend op voorwaarde dat deze persoon daartoe naar behoren schriftelijk is gemachtigd door de vergunninghouder.

Artikel 213

Reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van niet-EU-vervoermiddelen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van vervoermiddelen wanneer deze tijdelijk worden ingevoerd om afzonderlijk of als onderdeel van een vervoermiddel te worden wederuitgevoerd.

Artikel 214

Voorwaarden voor het verlenen van volledige vrijstelling van invoerrechten aan personen die in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

In het douanegebied van de Unie gevestigde personen genieten volledige vrijstelling van invoerrechten als een van de volgende voorwaarden is vervuld:

a)

in het geval van middelen voor het vervoer per spoor: zij worden deze personen ter beschikking gesteld op grond van een overeenkomst waarbij elke persoon mag gebruikmaken van het rollend materieel van de andere persoon in het kader van die overeenkomst;

b)

in het geval van in het douanegebied van de Unie geregistreerde middelen voor het vervoer over de weg: een aanhangwagen is gekoppeld aan het vervoermiddel;

c)

de vervoermiddelen worden gebruikt in verband met een noodsituatie;

d)

de vervoermiddelen worden gebruikt door een verhuuronderneming met het oog op wederuitvoer.

Artikel 215

Gebruik van vervoermiddelen door natuurlijke personen die hun gewone verblijfplaats hebben in het douanegebied van de Unie

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

1.   Natuurlijke personen die hun gewone verblijfplaats in het douanegebied van de Unie hebben, genieten volledige vrijstelling van invoerrechten voor vervoermiddelen die zij incidenteel voor particuliere doeleinden gebruiken, op verzoek van de houder van de registratie, mits de houder van de registratie ten tijde van dit gebruik in het douanegebied van de Unie is.

2.   Natuurlijke personen die hun gewone verblijfplaats in het douanegebied van de Unie hebben, genieten volledige vrijstelling van invoerrechten voor vervoermiddelen die zij bij schriftelijke overeenkomst hebben gehuurd en voor een van de volgende particuliere doeleinden gebruiken:

a)

om naar hun woonplaats in het douanegebied van de Unie terug te keren;

b)

om het douanegebied van de Unie te verlaten.

3.   Natuurlijke personen die hun gewone verblijfplaats in het douanegebied van de Unie hebben, genieten volledige vrijstelling van invoerrechten voor vervoermiddelen die zij voor commerciële of particuliere doeleinden gebruiken, op voorwaarde dat zij in dienst zijn bij de eigenaar, huurder of lessee van het vervoermiddel en dat de werkgever buiten dat douanegebied gevestigd is.

Het particuliere gebruik van het vervoermiddel is toegestaan voor de reis tussen de plaats van de beroepswerkzaamheden en de woonplaats van de werknemer of voor de uitoefening van in de arbeidsovereenkomst vastgelegde beroepswerkzaamheden van de werknemer.

Op verzoek van de douaneautoriteiten moet de persoon die gebruikmaakt van het vervoermiddel, een kopie van de arbeidsovereenkomst overleggen.

4.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)

particulier gebruik: gebruik van een vervoermiddel voor andere dan commerciële doeleinden;

b)

commercieel gebruik: het gebruik van een vervoermiddel voor personenvervoer tegen vergoeding dan wel voor industrieel of commercieel goederenvervoer, al dan niet tegen vergoeding.

Artikel 216

Vrijstelling van invoerrechten voor vervoermiddelen in andere gevallen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

1.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend wanneer vervoermiddelen met een tijdelijk nummer in het douanegebied van de Unie worden geregistreerd, met het oog op wederuitvoer, op naam van een van de volgende personen:

a)

een buiten dat gebied gevestigde persoon;

b)

een natuurlijke persoon die zijn gewone verblijfplaats in dat gebied heeft wanneer die persoon voorbereidingen treft om die verblijfplaats naar een plaats buiten dat gebied over te brengen.

2.   In uitzonderlijke gevallen kan er volledige vrijstelling van invoerrechten worden verleend wanneer vervoermiddelen gedurende een beperkte periode voor commerciële doeleinden worden gebruikt door in het douanegebied van de Unie gevestigde personen.

Artikel 217

Termijnen voor de aanzuivering van de regeling tijdelijke invoer in het geval van vervoermiddelen en containers

(Artikel 215, lid 4, van het wetboek)

In het geval van vervoermiddelen en containers wordt de regeling tijdelijke invoer aangezuiverd binnen de volgende termijnen vanaf het moment waarop de goederen onder de regeling zijn geplaatst:

a)

middelen voor het vervoer per spoor: twaalf maanden;

b)

voor commerciële doeleinden gebruikte vervoermiddelen, andere dan middelen voor het vervoer per spoor: de tijd die nodig is om het vervoer te verrichten;

c)

voor particuliere doeleinden gebruikte middelen voor het vervoer over de weg:

i)

door studenten: de periode gedurende welke zij uitsluitend voor studiedoeleinden in het douanegebied van de Unie verblijven;

ii)

door personen die opdrachten van een bepaalde duur vervullen: de periode gedurende welke zij uitsluitend voor de doeleinden van hun opdracht in het douanegebied van de Unie verblijven;

iii)

in andere gevallen, met inbegrip van rij- en trekdieren en de door hen getrokken voertuigen: zes maanden;

d)

voor particuliere doeleinden gebruikte middelen voor het vervoer door de lucht: zes maanden;

e)

voor particuliere doeleinden gebruikte middelen voor het vervoer over zee en de binnenwateren: achttien maanden;

f)

containers en de uitrusting en toebehoren daarvan: twaalf maanden.

Artikel 218

Termijnen voor wederuitvoer in het geval van verhuurondernemingen

(Artikel 211, lid 1, en artikel 215, lid 4, van het wetboek)

1.   Wanneer een vervoermiddel tijdelijk in de Unie is ingevoerd met volledige vrijstelling van invoerrechten overeenkomstig artikel 212 en bij een in het douanegebied van de Unie gevestigde verhuuronderneming is ingeleverd, geschiedt de wederuitvoer waarmee de regeling tijdelijke invoer wordt aangezuiverd, binnen zes maanden na de datum waarop het vervoermiddel het douanegebied van de Unie is binnengekomen.

Wanneer het vervoermiddel door de verhuuronderneming wordt wederverhuurd aan een buiten dat gebied gevestigde persoon of aan natuurlijke personen die hun gewone verblijfplaats in het douanegebied van de Unie hebben, geschiedt de wederuitvoer waarmee de regeling tijdelijke invoer wordt aangezuiverd, binnen zes maanden na de datum waarop het vervoermiddel het douanegebied van de Unie is binnengekomen en binnen drie weken na de sluiting van de overeenkomst tot wederverhuur.

De datum van binnenkomst in het douanegebied van de Unie wordt geacht de datum te zijn waarop de huurovereenkomst is gesloten op grond waarvan het vervoermiddel werd gebruikt op het moment van binnenkomst in dat gebied, tenzij de werkelijke datum van binnenkomst is aangetoond.

2.   Er wordt vergunning verleend voor de tijdelijke invoer van een vervoermiddel zoals bedoeld in lid 1 op voorwaarde dat het vervoermiddel niet voor andere doeleinden wordt gebruikt dan voor wederuitvoer.

3.   In het in artikel 215, lid 2, bedoelde geval wordt het vervoermiddel binnen drie weken na de sluiting van de overeenkomst tot verhuur of wederverhuur ingeleverd bij de in het douanegebied van de Unie gevestigde verhuuronderneming wanneer het door de natuurlijke persoon wordt gebruikt om naar zijn woonplaats in het douanegebied van de Unie terug te keren, of wordt het vervoermiddel wederuitgevoerd wanneer het door hem wordt gebruikt om het douanegebied van de Unie te verlaten.

Onderafdeling 3

Andere goederen dan vervoermiddelen, laadborden en containers

Artikel 219

Persoonlijke bezittingen en goederen voor sportdoeleinden van reizigers

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor goederen die worden ingevoerd door reizigers die hun woonplaats buiten het douanegebied van de Unie hebben, wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de goederen zijn persoonlijke bezittingen, die voor de reis redelijkerwijs nodig zijn;

b)

de goederen zijn bestemd om te worden gebruikt voor sportdoeleinden.

Artikel 220

Welzijnsgoederen voor zeelieden

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor welzijnsgoederen voor zeelieden in de volgende gevallen:

a)

zij worden aan boord van een schip in de internationale zeevaart gebruikt;

b)

zij worden uit een dergelijk schip gelost en tijdelijk aan land gebruikt door de bemanning;

c)

zij worden door de bemanning van een dergelijk schip aan land gebruikt in culturele of sociale instellingen die door organisaties zonder winstoogmerk worden beheerd of op plaatsen voor de eredienst waar regelmatig diensten voor zeelieden worden gehouden.

Artikel 221

Materiaal voor hulpverlening bij rampen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor materiaal voor hulpverlening bij rampen wanneer dit wordt gebruikt bij maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van rampen of dergelijke situaties in het douanegebied van de Unie.

De aanvrager en de houder van de regeling mogen in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.

Artikel 222

Medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor medisch, chirurgisch en laboratoriummateriaal wanneer dit materiaal is uitgeleend op verzoek van een ziekenhuis of een andere medische instelling dat of die daaraan wegens de ontoereikendheid van het eigen materiaal voor diagnostische of therapeutische doeleinden dringend behoefte heeft. De aanvrager en de houder van de regeling mogen in het douanegebied van de Unie gevestigd zijn.

Artikel 223

Dieren

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor dieren die toebehoren aan een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon.

Artikel 224

Goederen voor gebruik in grensgebieden

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor de volgende goederen die bestemd zijn om te worden gebruikt in grensgebieden:

a)

uitrusting die toebehoort aan en wordt gebruikt door personen die gevestigd zijn in een grensgebied van een derde land dat grenst aan het grensgebied in de Unie waar de goederen zullen worden gebruikt;

b)

goederen die onder toezicht van de overheid worden gebruikt bij projecten voor de bouw, de herstelling of het onderhoud van infrastructuur in een dergelijk grensgebied in de Unie.

Artikel 225

Geluids-, beeld- of gegevensdragers en reclamemateriaal

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor de volgende goederen:

a)

geluids-, beeld- of gegevensdragers die gratis worden verstrekt en met het oog op de verkoop worden gedemonstreerd, gebruikt voor geluidsweergave, nasynchronisatie of reproductie;

b)

uitsluitend voor reclamedoeleinden gebruikt materiaal, met inbegrip van vervoermiddelen die speciaal voor die doeleinden zijn uitgerust.

Artikel 226

Beroepsuitrusting

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

1.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor beroepsuitrusting die aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

zij behoort toe aan een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;

b)

zij wordt ingevoerd door een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon of door een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon die in dienst is van de persoon aan wie de beroepsuitrusting toebehoort;

c)

zij wordt gebruikt door de importeur of onder diens toezicht, behalve in het geval van audiovisuele coproducties.

2.   Niettegenstaande lid 1 wordt er volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor draagbare muziekinstrumenten die tijdelijk worden ingevoerd door reizigers om te worden gebruikt als beroepsuitrusting. De reizigers mogen hun woonplaats zowel in als buiten het douanegebied van de Unie hebben.

3.   Er wordt geen volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor beroepsuitrusting die bestemd is om te worden gebruikt voor een van de volgende doeleinden:

a)

de industriële vervaardiging van goederen;

b)

de industriële verpakking van goederen;

c)

de exploitatie van natuurlijke rijkdommen;

d)

de bouw, de herstelling of het onderhoud van gebouwen;

e)

grondwerken en soortgelijke projecten.

De punten c), d) en e) zijn niet van toepassing op handgereedschap.

Artikel 227

Opvoedkundig en wetenschappelijk materiaal

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor opvoedkundig en wetenschappelijk materiaal wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

het behoort toe aan een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;

b)

het wordt ingevoerd door publieke of particuliere non-profitinstellingen voor onderwijs, beroepsopleiding of wetenschappelijk onderzoek en uitsluitend gebruikt voor onderwijs-, beroepsopleidings- en wetenschappelijke doeleinden onder de verantwoordelijkheid van de importerende instelling;

c)

het wordt, gelet op het doel van de invoer, in redelijke hoeveelheden ingevoerd;

d)

het wordt niet voor louter commerciële doeleinden gebruikt.

Artikel 228

Verpakkingsmiddelen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor de volgende goederen:

a)

verpakkingsmiddelen die gevuld worden ingevoerd en bestemd zijn om leeg of gevuld te worden wederuitgevoerd;

b)

verpakkingsmiddelen die leeg worden ingevoerd en bestemd zijn om gevuld te worden wederuitgevoerd.

Artikel 229

Gietvormen, matrijzen, clichés, tekeningen, ontwerpen, meet-, controle- en verificatie-instrumenten en soortgelijke artikelen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor gietvormen, matrijzen, clichés, tekeningen, ontwerpen, meet-, controle- en verificatie-instrumenten en soortgelijke artikelen wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

zij behoren toe aan een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;

b)

zij worden gebruikt voor productiedoeleinden door een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon en meer dan 50 % van de uit dit gebruik voortvloeiende producten wordt uitgevoerd.

Artikel 230

Bijzondere gereedschappen en instrumenten

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor bijzondere gereedschappen en instrumenten wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

zij behoren toe aan een buiten het douanegebied van de Unie gevestigde persoon;

b)

zij worden ter beschikking gesteld van een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon voor de vervaardiging van goederen en meer dan 50 % van de daaruit voortvloeiende goederen wordt uitgevoerd.

Artikel 231

Goederen om proeven mee uit te voeren of om aan proeven te onderwerpen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor goederen in een van de volgende situaties:

a)

zij worden onderworpen aan proeven, experimenten of demonstraties;

b)

zij worden, op grond van een verkoopovereenkomst, onderworpen aan proeven voordat zij worden aanvaard;

c)

zij worden gebruikt voor proeven, experimenten of demonstraties zonder winstoogmerk.

Artikel 232

Monsters en stalen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor monsters en stalen die uitsluitend bestemd zijn voor vertoning of demonstratie in het douanegebied van de Unie, op voorwaarde dat zij in een redelijke hoeveelheid worden ingevoerd, gelet op dat gebruik.

Artikel 233

Vervangende productiemiddelen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor vervangende productiemiddelen die tijdelijk ter beschikking worden gesteld van een klant door een leverancier of hersteller in afwachting van de levering of herstelling van soortgelijke goederen.

Artikel 234

Goederen voor evenementen of voor de verkoop in bepaalde situaties

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

1.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor goederen die bestemd zijn om te worden tentoongesteld of gebruikt tijdens een algemeen toegankelijk evenement dat niet uitsluitend voor de commerciële verkoop van goederen wordt georganiseerd, of die tijdens dergelijke evenementen worden verkregen uit goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst.

In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten volledige vrijstelling van invoerrechten verlenen voor goederen die bestemd zijn om te worden tentoongesteld of gebruikt tijdens andere evenementen, of die tijdens dergelijke andere evenementen worden verkregen uit goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst.

2.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor goederen die door de persoon aan wie zij toebehoren, voor onderzoek worden geleverd aan een persoon in de Unie, die het recht heeft deze goederen na dat onderzoek te kopen.

3.   Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor het volgende:

a)

kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten zoals omschreven in bijlage IX bij Richtlijn 2006/112/EG, die zijn ingevoerd om te worden tentoongesteld, met het oog op een eventuele verkoop;

b)

andere dan nieuw vervaardigde goederen die zijn ingevoerd om op een veiling te worden verkocht.

Artikel 235

Reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er wordt volledige vrijstelling van invoerrechten verleend voor reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting wanneer deze worden gebruikt voor herstelling en onderhoud, met inbegrip van revisie, afstelling en bewaring in goede staat, van goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst.

Artikel 236

Andere goederen

(Artikel 250, lid 2, onder d), van het wetboek)

Er kan volledige vrijstelling van invoerrechten worden verleend voor andere dan de in de artikelen 208 tot en met 216 en 219 tot en met 235 bedoelde goederen of goederen die niet aan de voorwaarden van deze artikelen voldoen, in de twee volgende situaties:

a)

de goederen worden incidenteel ingevoerd voor een periode van ten hoogste drie maanden;

b)

de goederen worden ingevoerd in bijzondere situaties zonder economische gevolgen in de Unie.

Artikel 237

Bijzondere aanzuiveringstermijnen

(Artikel 215, lid 4, van het wetboek)

1.   Voor de in artikel 231, onder c), artikel 233 en artikel 234, lid 2, bedoelde goederen bedraagt de aanzuiveringstermijn zes maanden vanaf het moment waarop de goederen onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst.

2.   Voor de in artikel 223 bedoelde dieren bedraagt de aanzuiveringstermijn niet minder dan twaalf maanden vanaf het moment waarop de dieren onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst.

Onderafdeling 4

Werking van de regeling

Artikel 238

Op de douaneaangifte te vermelden gegevens

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

1.   Wanneer goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst, vervolgens onder een douaneregeling worden geplaatst waarmee de regeling tijdelijke invoer kan worden aangezuiverd overeenkomstig artikel 215, lid 1, van het wetboek, bevat de douaneaangifte voor de volgende douaneregeling, behalve wanneer gebruik wordt gemaakt van het ATA-/CPD-carnet, de vermelding „TA” en, waar van toepassing, het desbetreffende vergunningnummer.

2.   Wanneer goederen die onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst, worden wederuitgevoerd overeenkomstig artikel 270, lid 1, van het wetboek, bevat de aangifte tot wederuitvoer, behalve wanneer gebruik wordt gemaakt van het ATA-/CPD-carnet, de in lid 1 bedoelde gegevens.

Afdeling 2

Bijzondere bestemming

Artikel 239

Verplichting van de houder van de vergunning bijzondere bestemming

(Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek)

Er wordt vergunning verleend voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming op voorwaarde dat de vergunninghouder zich ertoe verbindt aan een van de twee volgende verplichtingen te voldoen:

a)

de goederen te gebruiken voor de doeleinden die zijn vastgesteld voor de toepassing van de vrijstelling of het verlaagde recht;

b)

de onder a) bedoelde verplichting over te dragen aan een andere persoon onder de door de douaneautoriteiten vastgestelde voorwaarden.

HOOFDSTUK 5

Veredeling

Artikel 240

Vergunning

(Artikel 211 van het wetboek)

1.   Een vergunning voor een veredelingsregeling bevat een precieze vermelding van de maatregelen aan de hand waarvan wordt vastgesteld:

a)

dat de veredelingsproducten zijn voortgebracht bij de veredeling van onder een veredelingsregeling geplaatste goederen, of

b)

dat de voorwaarden voor het gebruik van equivalente goederen overeenkomstig artikel 223 van het wetboek of het systeem uitwisselingsverkeer overeenkomstig artikel 261 van het wetboek vervuld zijn.

2.   Er kan vergunning voor actieve veredeling worden verleend voor bij de productie gebruikte hulpmiddelen in de zin van artikel 5, punt 37, onder e), van het wetboek, met uitzondering van:

a)

brandstof en energiebronnen, andere dan die welke nodig zijn voor het testen van veredelingsproducten of voor het opsporen van defecten in onder de regeling geplaatste goederen die moeten worden hersteld;

b)

smeermiddelen, andere dan die welke nodig zijn voor het proefdraaien, het calibreren, het afstellen of uit de gietvorm nemen van veredelingsproducten;

c)

uitrusting en gereedschap.

3.   Er wordt slechts vergunning voor actieve veredeling verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de goederen kunnen na behandeling niet meer op economisch verantwoorde wijze worden teruggebracht tot de soort waartoe zij behoorden of tot de staat waarin zij zich bevonden toen zij onder de regeling werden geplaatst;

b)

het gebruik van de regeling kan er niet toe leiden dat de oorsprongsregels en kwantitatieve beperkingen die van toepassing zijn op de ingevoerde goederen, worden omzeild.

De eerste alinea is niet van toepassing wanneer het bedrag aan invoerrechten is bepaald overeenkomstig artikel 86, lid 3, van het wetboek.

Artikel 241

Op de douaneaangifte voor actieve veredeling te vermelden gegevens

(Artikel 6, lid 2, van het wetboek)

1.   Wanneer goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, of de daaruit voortvloeiende veredelingsproducten, vervolgens onder een douaneregeling worden geplaatst waarmee de regeling actieve veredeling kan worden aangezuiverd overeenkomstig artikel 215, lid 1, van het wetboek, bevat de douaneaangifte voor de volgende douaneregeling, behalve wanneer gebruik wordt gemaakt van het ATA-/CPD-carnet, de vermelding „AV” en het desbetreffende vergunningnummer of INF-nummer.

Wanneer goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, onderworpen zijn aan specifieke handelspolitieke maatregelen en deze maatregelen nog steeds van toepassing zijn op het tijdstip waarop de goederen, al dan niet in de vorm van veredelingsproducten, onder een volgende douaneregeling worden geplaatst, bevat de douaneaangifte voor de volgende douaneregeling de in de eerste alinea bedoelde gegevens en de vermelding „H P M”.

2.   Wanneer goederen die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, worden wederuitgevoerd overeenkomstig artikel 270, lid 1, van het wetboek, bevat de aangifte tot wederuitvoer de in lid 1 bedoelde gegevens.

Artikel 242

Passieve veredeling IM/EX

(Artikel 211, lid 1, van het wetboek)

1.   In het geval van passieve veredeling IM/EX wordt in de vergunning vermeld binnen welke termijn de Uniegoederen, die door equivalente goederen zijn vervangen, onder de regeling passieve veredeling dienen te worden geplaatst. Deze termijn mag niet meer dan zes maanden bedragen.

Op verzoek van de vergunninghouder kan de termijn ook na het verstrijken ervan worden verlengd, op voorwaarde dat de totale termijn niet meer bedraagt dan één jaar.

2.   In het geval van voorafgaande invoer van veredelingsproducten dient zekerheid te worden gesteld voor het bedrag aan invoerrechten dat verschuldigd zou zijn indien de vervangen Uniegoederen niet onder de regeling passieve veredeling worden geplaatst overeenkomstig lid 1.

Artikel 243

Herstelling onder de regeling passieve veredeling

(Artikel 211, lid 1, van het wetboek)

Wanneer de regeling passieve veredeling ten behoeve van herstellingen wordt aangevraagd, wordt erop toegezien dat de tijdelijk uit te voeren goederen kunnen worden hersteld en dat de regeling niet wordt gebruikt om de technische prestaties van de goederen te verbeteren.

TITEL VIII

GOEDEREN DIE HET DOUANEGEBIED VAN DE UNIE VERLATEN

HOOFDSTUK 1

Formaliteiten voorafgaand aan het uitgaan van goederen

Artikel 244

Termijn voor de indiening van aangiften vóór vertrek

(Artikel 263, lid 1, van het wetboek)

1.   De aangifte vóór vertrek zoals bedoeld in artikel 263 van het wetboek wordt ingediend bij het bevoegde douanekantoor binnen de volgende termijnen:

a)

bij vervoer over zee:

i)

voor in containers vervoerde goederen, met uitzondering van het onder ii) en iii) bedoelde vervoer: uiterlijk 24 uur voordat zij in het vaartuig worden geladen waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten;

ii)

voor in containers vervoerde goederen tussen het douanegebied van de Unie en Groenland, de Faeröer, IJsland of havens aan de Oostzee, Noordzee, Zwarte Zee of Middellandse Zee en alle havens van Marokko: uiterlijk twee uur voor het vertrek uit een haven in het douanegebied van de Unie;

iii)

voor in containers vervoerde goederen tussen de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira of de Canarische Eilanden en een gebied buiten het douanegebied van de Unie, wanneer de reistijd minder dan 24 uur bedraagt: uiterlijk twee uur voor het vertrek uit een haven in het douanegebied van de Unie;

iv)

voor niet in containers vervoerde goederen: uiterlijk twee uur voor het vertrek uit een haven in het douanegebied van de Unie;

b)

bij vervoer door de lucht: uiterlijk 30 minuten voor het vertrek uit een luchthaven in het douanegebied van de Unie;

c)

bij vervoer over de weg en over de binnenwateren: uiterlijk één uur voordat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten;

d)

bij vervoer per spoor:

i)

wanneer de treinreis vanaf het laatste rangeerstation naar het douanekantoor van uitgang minder dan twee uur bedraagt: uiterlijk één uur voor de aankomst van de goederen op de plaats waarvoor het douanekantoor van uitgang bevoegd is;

ii)

in alle andere gevallen: uiterlijk twee uur voordat de goederen het douanegebied van de Unie zullen verlaten.

2.   Niettegenstaande lid 1 wordt de aangifte vóór vertrek, wanneer deze betrekking heeft op goederen waarvoor een restitutie wordt gevraagd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie (19), ingediend bij het bevoegde douanekantoor uiterlijk op het tijdstip waarop de goederen worden geladen overeenkomstig artikel 5, lid 7, van die verordening.

3.   In de volgende situaties is de termijn voor de indiening van de aangifte vóór vertrek die welke geldt voor het actieve vervoermiddel dat wordt gebruikt om het douanegebied van de Unie te verlaten:

a)

wanneer de goederen bij het douanekantoor van uitgang zijn aangekomen op een ander vervoermiddel vanwaaruit zij worden overgeladen vóór het verlaten van het douanegebied van de Unie (intermodaal vervoer);

b)

wanneer de goederen bij het douanekantoor van uitgang zijn aangekomen op een vervoermiddel dat zelf wordt vervoerd op een actief vervoermiddel bij het verlaten van het douanegebied van de Unie (gecombineerd vervoer).

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde termijnen zijn niet van toepassing in geval van overmacht.

Artikel 245

Ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek

(Artikel 263, lid 2, onder b), van het wetboek)

1.   Onverminderd de verplichting tot indiening van een douaneaangifte overeenkomstig artikel 158, lid 1, van het wetboek of van een aangifte tot wederuitvoer overeenkomstig artikel 270, lid 1, van het wetboek, wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen voor de volgende goederen:

a)

elektrische energie;

b)

goederen die via een pijpleiding vertrekken;

c)

brievenpost;

d)

goederen die worden vervoerd krachtens de Akten van de Wereldpostunie;

e)

roerende goederen en voorwerpen zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009, mits zij niet op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;

f)

goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;

g)

goederen zoals bedoeld in artikel 140, lid 1, met uitzondering van, in het geval van vervoer op grond van een vervoersovereenkomst:

i)

laadborden en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van laadborden;

ii)

containers en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van containers;

iii)

vervoermiddelen en reserveonderdelen, toebehoren en uitrusting van vervoermiddelen;

h)

door ATA- en CPD-carnets gedekte goederen;

i)

goederen die worden vervoerd onder dekking van formulier 302 krachtens het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

j)

goederen die worden vervoerd aan boord van vaartuigen tussen EU-havens zonder dat een haven buiten het douanegebied van de Unie wordt aangedaan;

k)

goederen die worden vervoerd aan boord van luchtvaartuigen tussen EU-luchthavens zonder dat een luchthaven buiten het douanegebied van de Unie wordt aangedaan;

l)

wapens en militaire uitrusting die door de met de militaire verdediging van een lidstaat belaste autoriteiten buiten het douanegebied van de Unie worden gebracht in het kader van een militair vervoer of een uitsluitend voor de militaire autoriteiten bestemd vervoer;

m)

de volgende goederen die het douanegebied van de Unie rechtstreeks verlaten naar offshore installaties die door een in het douanegebied van de Unie gevestigde persoon worden geëxploiteerd:

i)

goederen die zijn bestemd voor de bouw, het herstellen, het onderhoud of de verbouwing van de offshore installaties;

ii)

goederen die zijn bestemd voor de uitrusting van de offshore installaties;

iii)

provisie die is bestemd om op de offshore installaties te worden gebruikt of verbruikt;

n)

goederen waarvoor vrijstelling kan worden gevraagd op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen van 18 april 1961, het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963, andere consulaire verdragen of het Verdrag van New York inzake bijzondere missies van 16 december 1969;

o)

goederen die worden geleverd om als onderdeel of toebehoren in schepen of luchtvaartuigen te worden gemonteerd, of voor de werking van de motoren, machines en andere uitrusting van schepen of luchtvaartuigen te worden gebruikt, alsook levensmiddelen en andere artikelen bestemd om aan boord te worden verbruikt of verkocht;

p)

goederen die vanuit het douanegebied van de Unie worden verzonden naar Ceuta en Melilla, Gibraltar, Helgoland, de Republiek San Marino, Vaticaanstad, de gemeenten Livigno en Campione d’Italia of de Italiaanse wateren van het meer van Lugano vanaf de oever tot aan de politieke grens van de zone tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio.

2.   In de volgende situaties wordt afgezien van de verplichting om een aangifte vóór vertrek in te dienen:

a)

wanneer een schip dat de goederen tussen EU-havens vervoert, een haven buiten het douanegebied van de Unie zal aandoen en de goederen gedurende het verblijf in de haven buiten het douanegebied van de Unie aan boord van het schip zullen blijven;

b)

wanneer een luchtvaartuig dat de goederen tussen EU-luchthavens vervoert, een luchthaven buiten het douanegebied van de Unie zal aandoen en de goederen gedurende het verblijf in de luchthaven buiten het douanegebied van de Unie aan boord van het luchtvaartuig zullen blijven;

c)

wanneer de goederen, in een haven of luchthaven, niet gelost worden uit het vervoermiddel waarmee ze het douanegebied van de Unie zijn binnengekomen en waarmee ze dat gebied zullen verlaten;

d)

wanneer de goederen in een vorige haven of luchthaven in het douanegebied van de Unie werden geladen en daar een aangifte vóór vertrek werd ingediend of een ontheffing van de verplichting tot indiening van een aangifte vóór vertrek gold, en zij in het vervoermiddel blijven waarmee ze het douanegebied van de Unie zullen verlaten;

e)

wanneer goederen in tijdelijke opslag of onder de regeling vrije zone van het vervoermiddel waarmee zij naar de ruimte voor tijdelijke opslag of de vrije zone zijn gebracht, onder toezicht van hetzelfde douanekantoor worden overgeladen in of op een vaartuig, luchtvaartuig of trein waarmee zij het douanegebied van de Unie zullen verlaten, mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:

i)

de overlading vindt plaats binnen veertien dagen nadat de goederen zijn aangebracht overeenkomstig de artikelen 144 of 245 van het wetboek of, in uitzonderlijke omstandigheden, binnen een langere termijn die door de douaneautoriteiten is toegestaan wanneer de termijn van veertien dagen ontoereikend is rekening houdend met die omstandigheden;

ii)

informatie over de goederen ter beschikking staat van de douaneautoriteiten;

iii)

de bestemming en de geadresseerde van de goederen niet wijzigen, voor zover de vervoerder bekend is;

f)

wanneer goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht, maar door de bevoegde douaneautoriteit zijn geweigerd en onmiddellijk teruggezonden zijn naar het land van uitvoer.

HOOFDSTUK 2

Formaliteiten bij het uitgaan van goederen

Artikel 246

Wijze van inlichtingenuitwisseling wanneer goederen bij het douanekantoor van uitgang worden aangebracht

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Wanneer goederen bij het douanekantoor van uitgang worden aangebracht overeenkomstig artikel 267, lid 2, van het wetboek, kunnen andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt voor de uitwisseling van informatie voor:

a)

de identificatie van de uitvoeraangifte;

b)

de mededeling van verschillen tussen de aangegeven en voor de regeling uitvoer vrijgegeven goederen en de aangebrachte goederen.

Artikel 247

Wijze van bewijslevering dat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten hebben

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Ter bevestiging van de uitgang van goederen kunnen andere middelen dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt om het douanekantoor van uitvoer het bewijs te leveren dat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten hebben.

HOOFDSTUK 3

Uitvoer en wederuitvoer

Artikel 248

Ongeldigmaking van de douaneaangifte of de aangifte tot wederuitvoer

(Artikel 174 van het wetboek)

1.   Indien de goederen die voor uitvoer, wederuitvoer of passieve veredeling zijn vrijgegeven, naar hun aard verschillen van de goederen die bij het douanekantoor van uitgang zijn aangebracht, maakt het douanekantoor van uitvoer de betrokken aangifte ongeldig.

2.   Wanneer het douanekantoor van uitvoer, na een periode van 150 dagen vanaf de datum van vrijgave van de goederen voor de regeling uitvoer, de regeling passieve veredeling of wederuitvoer, geen informatie over het uitgaan van de goederen heeft ontvangen noch een bewijs dat de goederen het douanegebied van de Unie verlaten hebben, kan dat kantoor de betrokken aangifte ongeldig maken.

Artikel 249

Wijze van indiening achteraf van een aangifte tot uitvoer of wederuitvoer

(Artikel 6, lid 3, onder a), van het wetboek)

Wanneer een aangifte tot uitvoer of wederuitvoer vereist was maar de goederen uit het douanegebied van de Unie zijn gebracht zonder een dergelijke aangifte, kan die aangifte tot uitvoer of wederuitvoer achteraf worden ingediend met behulp van andere middelen voor de uitwisseling van informatie dan elektronischegegevensverwerkingstechnieken.

TITEL IX

SLOTBEPALINGEN

Artikel 250

Herbeoordeling van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen

1.   Op basis van Verordening (EEG) nr. 2913/92 of Verordening (EEG) nr. 2454/93 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016 en waarvan de geldigheidsduur niet beperkt is, worden herbeoordeeld.

2.   In afwijking van lid 1 wordt voor de volgende vergunningen geen herbeoordeling verricht:

a)

vergunningen van exporteurs om factuurverklaringen op te stellen zoals bedoeld in de artikelen 97 tervicies en 117 van Verordening (EEG) nr. 2454/93;

b)

vergunningen voor het beheer van materialen met behulp van de methode van een gescheiden boekhouding zoals bedoeld in artikel 88 van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 251

Geldigheid van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen

1.   Op basis van Verordening (EEG) nr. 2913/92 of Verordening (EEG) nr. 2454/93 verleende vergunningen die geldig zijn op 1 mei 2016, blijven geldig als volgt:

a)

in het geval van vergunningen met een beperkte geldigheidsduur: tot het verstrijken van die duur of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt;

b)

in het geval van alle andere vergunningen: totdat de vergunning wordt herbeoordeeld overeenkomstig artikel 250, lid 1.

2.   In afwijking van lid 1 blijven de in artikel 250, lid 2, onder a) en b), bedoelde vergunningen geldig totdat zij worden ingetrokken door de douaneautoriteiten die deze vergunningen hebben verleend.

Artikel 252

Geldigheid van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde beschikkingen betreffende bindende inlichtingen

Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen die op 1 mei 2016 reeds van kracht zijn, blijven geldig gedurende de in de beschikking vastgestelde termijn. Een dergelijke beschikking is vanaf 1 mei 2016 verbindend voor zowel de douaneautoriteiten als de houder van de beschikking.

Artikel 253

Geldigheid van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde beschikkingen waarbij uitstel van betaling wordt verleend

Overeenkomstig artikel 224 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 gegeven beschikkingen waarbij uitstel van betaling wordt verleend, die geldig zijn op 1 mei 2016, blijven geldig als volgt:

a)

wanneer de beschikking was verleend voor het gebruik van de procedure zoals bedoeld in artikel 226, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2913/92, blijft deze zonder beperking in de tijd geldig;

b)

wanneer de beschikking was verleend voor het gebruik van een van de procedures zoals bedoeld in artikel 226, onder b) of c), van Verordening (EEG) nr. 2913/92, blijft deze geldig tot de herbeoordeling van de daarmee samenhangende vergunning voor doorlopende zekerheidstelling.

Artikel 254

Gebruik van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen en beschikkingen

Wanneer een beschikking of een vergunning na 1 mei 2016 geldig blijft overeenkomstig de artikelen 251 tot en met 253, zijn de voorwaarden waaronder die beschikking of vergunning wordt toegepast, vanaf 1 mei 2016, die welke zijn vastgesteld in de overeenkomstige bepalingen van het wetboek, Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 (20) en deze verordening zoals aangegeven in de concordantietabel in bijlage 90.

Artikel 255

Overgangsbepalingen betreffende het gebruik van verzegelingen

Douaneverzegelingen en verzegelingen van een bijzonder model die voldoen aan bijlage 46 bis bij Verordening (EEG) nr. 2454/93, mogen verder worden gebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput of tot 1 mei 2019, indien deze datum eerder valt.

Artikel 256

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 juli 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Beschikking nr. 70/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende een papierloze omgeving voor douane en bedrijfsleven (PB L 23 van 26.1.2008, blz. 21).

(3)  Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).

(4)  Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguay-Ronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1).

(5)  Raadsdocument 16271/1/10 REV 1.

(6)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1)

(7)  Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12).

(8)  PB L 130 van 27.5.1993, blz. 1.

(9)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 91).

(10)  PB L 226 van 13.8.1987, blz. 2.

(11)  PB L 226 van 13.8.1987, blz. 2.

(12)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).

(14)  PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.

(15)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(16)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(17)  Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1).

(18)  Verordening (EG) nr. 150/2003 van de Raad van 21 januari 2003 inzake schorsing van douanerechten op bepaalde wapens en militaire uitrusting (PB L 25 van 30.1.2003, blz. 1).

(19)  Verordening (EG) nr. 612/2009 van de Commissie van 7 juli 2009 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 186 van 17.7.2009, blz. 1).

(20)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (zie bladzijde 558 van dit Publicatieblad).


INHOUDSTAFEL

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

BIJLAGE A

Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen 111

BIJLAGE B

Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aangiften, kennisgevingen en bewijs van de douanestatus van Uniegoederen 163

BIJLAGE B-01

Papieren standaardaangiften — Te gebruiken toelichtingen en formulieren 227

BIJLAGE B-02

Begeleidingsdocument douanevervoer 266

BIJLAGE B-03

Lijst van artikelen 269

BIJLAGE B-04

Begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid (Transit/Security Accompanying Document of TSAD) 271

BIJLAGE B-05

Lijst van artikelen douanevervoer/veiligheid (Transit/Security List of Items of TSLoI) 274

BIJLAGE 12-01

Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor de registratie van marktdeelnemers en andere personen 276

TITEL II

FACTOREN DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN DE TOEPASSING VAN IN- OF UITVOERRECHTEN EN ANDERE MAATREGELEN WAARAAN HET GOEDERENVERKEER IS ONDERWORPEN

BIJLAGE 22-01

Inleidende aantekeningen en lijst van ingrijpende be- of verwerkingen die niet-preferentiële oorsprong verlenen 279

BIJLAGE 22-02

Aanvraag voor een inlichtingenblad INF 4 en inlichtingenblad INF 4 338

BIJLAGE 22-03

Inleidende aantekeningen en lijst van oorsprongverlenende be- of verwerkingen 339

BIJLAGE 22-04

Materialen die van regionale cumulatie zijn uitgesloten 396

BIJLAGE 22-05

Bewerkingen die zijn uitgesloten van regionale cumulatie in het kader van het sap (textielproducten) 400

BIJLAGE 22-11

Inleidende aantekeningen en lijst van oorsprongverlenende be- of verwerkingen van niet-oorsprongsmaterialen 401

BIJLAGE 22-13

Factuurverklaring 514

TITEL III

DOUANESCHULD EN ZEKERHEIDSTELLING

BIJLAGE 32-01

Verbintenis van de borg — zekerheidstelling per aangifte 517

BIJLAGE 32-02

Verbintenis van de borg — zekerheidstelling per aangifte met bewijs van zekerheidstelling 518

BIJLAGE 32-03

Verbintenis van de borg — doorlopende zekerheidstelling 519

BIJLAGE 32-04

Kennisgeving aan de borg van niet-aanzuivering van de regeling Uniedouanevervoer 520

BIJLAGE 32-05

Kennisgeving aan de borg van aansprakelijkheid voor een schuld in het kader van de regeling Uniedouanevervoer 521

BIJLAGE 33-01

Betalingsvordering jegens de aansprakelijke organisatie in verband met een schuld in het kader van de regeling douanevervoer onder dekking van een ATA-/e-ATA-carnet 522

BIJLAGE 33-02

Kennisgeving aan de borg van aansprakelijkheid voor een schuld in het kader van de regeling douanevervoer onder dekking van een CPD-carnet 523

BIJLAGE 33-03

Model van de informatienota betreffende de betalingsvordering jegens de aansprakelijke organisatie naar aanleiding van een schuld in het kader van de regeling douanevervoer onder dekking van een ATA-/e-ATA-carnet 524

BIJLAGE 33-04

Vaststellingsformulier voor de berekening van de rechten en heffingen op grond van de betalingsvordering jegens de aansprakelijke organisatie naar aanleiding van een schuld in het kader van de regeling douanevervoer onder dekking van een ATA-/e-ATA-carnet 525

BIJLAGE 33-05

Model van decharge waarbij wordt aangegeven dat de vorderingsprocedure is ingeleid jegens de aansprakelijke organisatie in de lidstaat waar de douaneschuld in het kader van de regeling douanevervoer onder dekking van een ATA-/e-ATA-carnet is ontstaan 527

BIJLAGE 33-06

Verzoek om aanvullende informatie wanneer goederen zich in een andere lidstaat bevinden 528

BIJLAGE 33-07

Kwijtschelding/terugbetaling 529

TITEL IV

HET BINNENBRENGEN VAN GOEDEREN IN HET DOUANEGEBIED VAN DE UNIE

Geen bijlage

TITEL V

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DOUANESTATUS, PLAATSING VAN GOEDEREN ONDER EEN DOUANEREGELING, VERIFICATIE, VRIJGAVE EN VERWIJDERING VAN GOEDEREN

Geen bijlage

TITEL VI

IN HET VRIJE VERKEER BRENGEN EN VRIJSTELLING VAN INVOERRECHTEN

BIJLAGE 61-01

Weegcertificaten voor bananen — gegevensvereisten 530

BIJLAGE 62-01

Inlichtingenblad INF 3 — gegevensvereisten 531

TITEL VII

BIJZONDERE REGELINGEN

BIJLAGE 71-01

Document ter staving van een mondelinge aangifte van goederen voor tijdelijke invoer 537

BIJLAGE 71-02

Gevoelige goederen en producten 539

BIJLAGE 71-03

Lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen 541

BIJLAGE 71-04

Bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen 543

BIJLAGE 71-05

Gestandaardiseerde uitwisseling van inlichtingen (INF) 546

BIJLAGE 71-06

In de aanzuiveringsafrekening te verstrekken inlichtingen 551

BIJLAGE 72-03

TC 11 — Ontvangstbewijs 552

TITEL VIII

GOEDEREN DIE HET DOUANEGEBIED VAN DE UNIE VERLATENG

een bijlage

TITEL IX

BIJLAGE 90

Concordantietabel zoals bedoeld in artikel 254 553

BIJLAGE A

GEMEENSCHAPPELIJKE GEGEVENSVEREISTEN VOOR AANVRAGEN EN BESCHIKKINGEN

Inleidende aantekeningen bij de tabellen met gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen

ALGEMENE BEPALINGEN

1.

De bepalingen in deze aantekeningen zijn van toepassing op alle titels van deze bijlage.

2.

De tabellen met gegevensvereisten in titel I tot en met titel XXI bevatten alle gegevenselementen die voor de in deze bijlage behandelde aanvragen en beschikkingen noodzakelijk zijn.

3.

De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (1), die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.

4.

De in deze bijlage omschreven gegevensvereisten zijn van toepassing op aanvragen die worden ingediend en beschikkingen die worden afgegeven zowel met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek als op papier.

5.

De gegevenselementen die voor verschillende aanvragen en beschikkingen kunnen worden verstrekt, zijn opgenomen in de tabel met gegevensvereisten in hoofdstuk 1 van titel I van deze bijlage.

6.

De gegevenselementen voor specifieke soorten aanvragen en beschikkingen zijn vermeld in titel II tot en met titel XXI van deze bijlage.

7.

De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in hoofdstuk 2 van de titels I tot en met XXI van deze bijlage doen geen afbreuk aan de status van het gegevenselement zoals omschreven in de tabellen met gegevensvereisten. Zo is G.E. 5/8 Identificatie van de goederen in de tabel met gegevensvereisten in hoofdstuk 1 van titel I van deze bijlage zowel voor de vergunningen voor actieve veredeling (kolom 8a) als voor passieve veredeling (kolom 8b) als verplicht (status „A”) aangemerkt. Deze informatie wordt echter niet ingevuld bij actieve of passieve veredeling met equivalente goederen en passieve veredeling met het systeem uitwisselingsverkeer, zoals omschreven in hoofdstuk 2 van titel I van deze bijlage.

8.

De gegevenselementen in de respectieve tabel met gegevensvereisten kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt.

9.

De status in onderstaande tabel met gegevensvereisten laat onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. Zo wordt G.E. 5/6 Equivalente goederen alleen gebruikt als om het gebruik van equivalente goederen overeenkomstig artikel 223 van het wetboek wordt verzocht.

10.

Wanneer overeenkomstig artikel 163 een aanvraag wordt ingediend voor het gebruik van een andere bijzondere regeling dan douanevervoer, wordt (zoals in deel 1 van hoofdstuk 3 van titel I van bijlage B voor de betrokken regeling is vastgelegd) in aanvulling op de gegevensvereisten van de douaneaangifte de in kolom 8f van de tabel met gegevensvereisten in titel I van deze bijlage omschreve.n gegevensset verstrekt.

TITEL I

Aanvragen en beschikkingen

HOOFDSTUK 1

Legende tabel

Kolommen

Soort aanvraag/beschikking

Rechtsgrondslag

Titelnr. van de specifieke gegevensvereisten

Volgnummer G.E.

Volgnummer van het betrokken gegevenselement

Naam G.E.

Naam van het betrokken gegevenselement

Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen

1a

Aanvraag voor en beschikking betreffende een bindende tariefinlichting

(BTI-beschikking)

Artikel 33 van het wetboek

Titel II

1b

Aanvraag voor en beschikking betreffende een bindende oorsprongsinlichting

(BOI-beschikking)

Artikel 33 van het wetboek

Titel III

Geautoriseerde marktdeelnemer

2

Aanvraag en vergunning voor de status van geautoriseerd marktdeelnemer

Artikel 38 van het wetboek

Titel IV

Vaststelling van de douanewaarde

3

Aanvraag en vergunning voor de vereenvoudiging van de bepaling van bedragen die deel uitmaken van de douanewaarde van goederen

Artikel 73 van het wetboek

Titel V

Doorlopende zekerheid en uitstel van betaling

4a

Aanvraag en vergunning voor doorlopende zekerheidstelling, inclusief eventuele verlaging of ontheffing

Artikel 95 van het wetboek

Titel VI

4b

Aanvraag en vergunning voor uitstel van betaling van de verschuldigde rechten zolang de toestemming niet voor één transactie wordt gegeven

Artikel 110 van het wetboek

Titel VII

4c

Aanvraag voor en beschikking betreffende terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten

Artikel 116 van het wetboek

Titel VIII

Formaliteiten in verband met de aankomst van goederen

5

Aanvraag en vergunning voor het beheer van opslagruimten voor tijdelijke opslag

Artikel 148 van het wetboek

Titel IX

Douanestatus van de goederen

6a

Aanvraag en vergunning voor het onderhouden van een lijndienst

Artikel 120

Titel X

6b

Aanvraag en vergunning voor de status van toegelaten afgever

Artikel 128

Titel XI

Douaneformaliteiten

7a

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van de vereenvoudigde aangifte

Artikel 166, lid 2, van het wetboek

Titel XII

7b

Aanvraag en vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking

Artikel 179 van het wetboek

Titel XIII

7c

Aanvraag en vergunning voor het doen van een douaneaangifte door inschrijving in de administratie van de aangever, inclusief voor de regeling uitvoer

Artikel 182 van het wetboek

Titel XIV

7d

Aanvraag en vergunning voor zelfbeoordeling

Artikel 185 van het wetboek

Titel XV

7e

Aanvraag en vergunning voor de status van erkende weger van bananen

Artikel 155

Titel XVI

Bijzondere regelingen

8a

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van de regeling actieve veredeling

Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek

Titel XVII

8b

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van de regeling passieve veredeling

Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek

Titel XVIII

8c

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming

Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek

 (2)

8d

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer

Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek

 (2)

8e

Aanvraag en vergunning voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot

Artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek

Titel XIX

8f

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van de regeling tijdelijke invoer, bijzondere bestemming, actieve of passieve veredeling in situaties waarop artikel 163 van toepassing is

Artikel 211, lid 1, onder a), van het wetboek en artikel 163

 (2)

Douanevervoer

9a

Aanvraag en vergunning voor de status van toegelaten geadresseerde TIR-operatie

Artikel 230 van het wetboek

 (2)

9b

Aanvraag en vergunning voor de status van toegelaten afzender voor Uniedouanevervoer

Artikel 233, lid 4, onder a), van het wetboek

Titel XX

9c

Aanvraag en vergunning voor de status van toegelaten geadresseerde Uniedouanevervoer

Artikel 233, lid 4, onder b), van het wetboek

 (2)

9d

Aanvraag van en vergunning voor het gebruik van verzegelingen van een bijzonder model

Artikel 233, lid 4, onder c), van het wetboek

Titel XXI

9e

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van de aangifte douanevervoer met een beperkte gegevensset

Artikel 233, lid 4, onder d), van het wetboek

 (2)

9f

Aanvraag en vergunning voor het gebruik van een elektronisch vervoersdocument als douaneaangifte

Artikel 233, lid 4, onder e), van het wetboek


Symbolen in de vakken

Symbool

Omschrijving symbool

A

Verplicht: gegevens die door elke lidstaat worden verlangd.

B

Facultatief voor de lidstaten: gegevens waarvan de lidstaten al dan niet kunnen afzien.

C

Facultatief voor de aanvrager: gegevens die de aanvrager vrijwillig kan verstrekken, maar waarvan de opgave niet door de lidstaten kan worden verlangd.


Gegevensgroepen

Groep

Titel van de groep

Groep 1

Informatie aanvraag/beschikking

Groep 2

Verwijzingen naar bewijsstukken, certificaten en vergunningen

Groep 3

Partijen

Groep 4

Data, tijden, termijnen en plaatsen

Groep 5

Identificatie van de goederen

Groep 6

Voorwaarden

Groep 7

Activiteiten en procedures

Groep 8

Overige


Merktekens

Soort merkteken

Omschrijving van het merkteken

[*]

Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.

[+]

Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.


Tabel met gegevensvereisten

Volgnr. G.E.

Naam G.E.

1a

1b

2

3

4a

4b

4c

5

6a

6b

7a

7b

7c

7d

7e

8a

8b

8c

8d

8e

8f

9a

9b

9c

9d

9e

9f

Groep 1 — Informatie aanvraag/beschikking

1/1

Code soort aanvraag/beschikking

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

 

A

A

A

A

A

A

1/2

Handtekening/authenticatie

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

 

A

A

A

A

A

A

1/3

Soort aanvraag

 

 

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

 

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

 

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

1/4

Geografische geldigheid — Unie

 

 

 

 

A

A

 

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

 

A

A

A

A

 

A

1/5

Geografische geldigheid — Landen gemeenschappelijk douanevervoer

 

 

 

 

A

[1]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A

1/6

Referentienummer beschikking

A [+]

A [+]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

 

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

A [2]

1/7

Beschikkende douaneautoriteit

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

 

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

Groep 2 — Verwijzingen naar bewijsstukken, certificaten en vergunningen

2/1

Andere aanvragen en ontvangen beschikkingen betreffende bindende inlichtingen

A [*]

A

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2/2

Beschikkingen betreffende bindende inlichtingen afgegeven aan andere houders

A [*]

A

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2/3

Hangende of afgelopen gerechtelijke of bestuursrechtelijke procedures

A [*]

A [*]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2/4

Bijgevoegde documenten

A [*]

A [*]

A [*]

A

A

A

A [3]

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

 

A

A

A

A

A

A

2/5

Identificatienummer opslagruimte

 

 

 

 

 

 

 

A [+]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A [+]

 

 

 

 

 

 

 

Groep 3 — Partijen

3/1

Aanvrager/houder van de vergunning of beschikking

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

 

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

3/2

Identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

 

A

A

A

A

A

A

3/3

Vertegenwoordiger

A [*] [4]

A [*] [4]

 

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

 

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

A [4]

3/4

Identificatie vertegenwoordiger

A [*]

A [*]

 

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

 

A

A

A

A

A

A

3/5

Naam en contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken

 

 

A [*]

A [*] [5]

A [*] [5]

 

 

 

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

 

A [*] [5]

 

 

 

 

 

 

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

3/6

Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

C [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

 

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

3/7

Persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend, of die zeggenschap uitoefent over het beheer ervan

 

 

A [*]

A [*] [5]

A [*] [5]

 

 

 

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

 

A [*] [5]

 

 

 

 

 

 

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

3/8

Eigenaar van de goederen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A

 

A

[6]

 

 

 

 

 

 

Groep 4 — Data, tijden, termijnen en plaatsen

4/1

Plaats

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

 

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

A [7]

4/2

Datum

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

A

 

A

A

A

A

A

A

4/3

Plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt bijgehouden of toegankelijk is

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

 

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

 

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5] [8]

 

 

 

 

A [*] [5]

A [*] [5]

A [*] [5]

4/4

Plaats van administratievoering

 

 

 

A [*]

A [*]

A [*]

 

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*] [9]

A [*]

A [*] [9]

A [*]

A [*] [8]

 

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

A [*]

4/5

Eerste plaats van gebruik of veredeling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A [*] [10]

 

A [*] [10]

A [*] [10]

 

A [*] [10]

 

 

 

 

 

 

4/6

[Gevraagd] Begindatum van de beschikking

A [+]

A [+]

A [+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A [+]

 

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*] A

[+]

C [*] A [+]

C [*] A [+]

C [*] A

[+]

C [*] A [+]

 

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

C [*]

A

[+]

4/7

Vervaldatum van de beschikking

A [+]

A [+]

 

A

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

 

 

 

 

 

 

 

 

4/8

Plaats van de goederen

 

 

 

 

 

 

A

[*] [11]

 

 

 

 

A

A

A

A

 

 

 

 

 

 

A

A

A

 

 

 

4/9

Plaats(en) van veredeling of gebruik

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A

A

A

A

 

A

 

 

 

 

 

 

4/10

Douanekanto(o)r(en) van plaatsing

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A

A

A

A

A

 

 

 

 

 

 

 

4/11

Douanekanto(o)r(en) van aanzuivering

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

A

A

A

A

A

A

 

 

 

 

 

 

4/12

Douanekantoor van zekerheidstelling

 

 

 

 

A

[+]

A

 

A

 

 

 

 

 

 

 

A

A [12]

A

A

A

 

 

 

 

 

 

 

4/13

Controlekantoor

 

 

 

 

 

 

 

A [+]

 

 

A [+]

A

[+]

A [+]

A [+]

 

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]

A [+]