ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 332

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
18 december 2015


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2015/2376 van de Raad van 8 december 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2015/2377 van de Raad van 26 oktober 2015 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Palau inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf

11

 

 

Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Palau inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf

13

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2378 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1156/2012

19

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2379 van de Commissie van 16 december 2015 tot afwijking van de Verordeningen (EG) nr. 2305/2003, (EG) nr. 969/2006 en (EG) nr. 1067/2008, Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081, Verordening (EG) nr. 1964/2006, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 en Verordening (EG) nr. 1918/2006 wat betreft de voor 2016 geldende data voor de indiening van invoercertificaataanvragen en de afgifte van invoercertificaten in het kader van de tariefcontingenten voor granen, rijst en olijfolie, en tot afwijking van Verordening (EG) nr. 951/2006 wat betreft de voor 2016 geldende data voor afgifte van uitvoercertificaten in de sectoren buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose

46

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2380 van de Commissie van 16 december 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

50

 

*

Verordening (EU) 2015/2381 van de Commissie van 17 december 2015 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS), wat de indiening van tijdreeksen voor de nieuwe regionale indeling betreft

52

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2382 van de Commissie van 17 december 2015 tot verlening van een vergunning voor het preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604), als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen en legvogels van minder gangbare pluimveesoorten (vergunninghouder Kerry Ingredients and Flavours) ( 1 )

54

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2383 van de Commissie van 17 december 2015 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 wat betreft de lijst van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die aan meer uitgebreide officiële controles op de invoer worden onderworpen ( 1 )

57

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 van de Commissie van 17 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit Brazilië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad

63

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2385 van de Commissie van 17 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Russische Federatie

91

 

*

Verordening (EU) 2015/2386 van de Commissie van 17 december 2015 tot onderwerping van de invoer van staven betonstaal die zeer goed tegen metaalmoeheid zijn bestand van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie

111

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2387 van de Commissie van 17 december 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

114

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2388 van de Commissie van 17 december 2015 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de aanvragen om invoercertificaten betrekking hebben die van 1 tot en met 7 december 2015 zijn ingediend en tot bepaling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2016 vastgestelde hoeveelheid in het kader van de tariefcontingenten die in de sector pluimveevlees zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 533/2007

116

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2389 van de Commissie van 17 december 2015 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de aanvragen om invoercertificaten betrekking hebben die van 1 tot en met 7 december 2015 zijn ingediend en tot bepaling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2016 vastgestelde hoeveelheid in het kader van de tariefcontingenten die in de sector pluimveevlees zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 1385/2007

119

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2390 van de Commissie van 17 december 2015 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de aanvragen om rechten tot invoer betrekking hebben die van 1 tot en met 7 december 2015 zijn ingediend in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2078 geopende tariefcontingenten voor vlees van pluimvee van oorsprong uit Oekraïne

122

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2391 van de Commissie van 17 december 2015 tot vaststelling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan voor de deelperiode van 1 april tot en met 30 juni 2016 bepaalde hoeveelheden in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 539/2007 voor de sector eieren en ovoalbumine geopende tariefcontingenten

124

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie van 17 december 2015 bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten

126

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU, Euratom) 2015/2393 van de Raad van 8 december 2015 tot wijziging van zijn reglement van orde

133

 

*

Besluit (EU) 2015/2394 van de Raad van 8 december 2015 inzake het standpunt dat namens de Europese Unie door de lidstaten moet worden ingenomen ten aanzien van de door de Permanente Commissie van Eurocontrol vast te stellen besluiten inzake de rollen en taken van Eurocontrol en inzake gecentraliseerde diensten

136

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2395 van de Raad van 10 december 2015 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2010/99/EU waarbij de Republiek Litouwen wordt gemachtigd een maatregel te blijven toepassen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

140

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2396 van de Raad van 10 december 2015 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2009/1008/EU waarbij de Republiek Letland wordt gemachtigd een maatregel te blijven toepassen die afwijkt van artikel 193 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

142

 

*

Besluit (EU) 2015/2397 van de Raad van 16 december 2015 houdende benoeming van een Spaans lid en een Spaans plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's

144

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2398 van de Commissie van 17 december 2015 betreffende informatie en documentatie in verband met een aanvraag voor de opname van een in een derde land gevestigde inrichting in de Europese lijst van scheepsrecyclinginrichtingen ( 1 )

145

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Besluit (GBVB) 2015/1835 van de Raad van 12 oktober 2015 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap ( PB L 266 van 13.10.2015 )

156

 

*

Rectificatie van Richtsnoer (EU) 2015/1938 van de Europese Centrale Bank van 27 augustus 2015 tot wijziging van Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (ECB/2015/27) ( PB L 282 van 28.10.2015 )

158

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/1


RICHTLIJN (EU) 2015/2376 VAN DE RAAD

van 8 december 2015

tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 115,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Grensoverschrijdende belastingontwijking, agressieve fiscale planning en schadelijke belastingconcurrentie zijn de afgelopen jaren een steeds groter probleem geworden, dat inmiddels zowel in de Unie als op mondiaal niveau hoog op de agenda staat. Grondslaguitholling leidt tot een aanzienlijke derving van belastingopbrengsten voor de lidstaten, waardoor zij moeilijker een groeivriendelijk fiscaal beleid kunnen voeren. Het afgeven van voorafgaande fiscale rulings, waarmee een consequente en transparante toepassing van de wet makkelijker wordt, is een gangbare praktijk, ook in de Unie. Verduidelijking van het belastingrecht voor belastingbetalers biedt het bedrijfsleven zekerheid en kan daardoor investeringen bevorderen en de naleving van het recht stimuleren, en aldus ook bevorderlijk zijn voor de verdere ontwikkeling van de eengemaakte markt in de Unie op basis van de beginselen en vrijheden die ten grondslag liggen aan de verdragen. Rulings betreffende fiscaal geïnspireerde structuren hebben in bepaalde gevallen echter geleid tot lage belasting van kunstmatig hoge inkomsten in het land dat de voorafgaande ruling afgeeft, wijzigt of verlengt en geresulteerd in kunstmatig lage inkomsten voor belastingheffing in andere betrokken landen. Daarom is er dringend meer transparantie nodig. Daartoe moeten de instrumenten en mechanismen van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad (4) worden uitgebreid.

(2)

De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 18 december 2014 onderstreept dat de inspanningen voor de bestrijding van belastingontwijking en agressieve fiscale planning dringend moeten worden opgevoerd, zowel op mondiaal als op Unie-niveau. Gelet op het belang van transparantie verheugde de Europese Raad zich over het voornemen van de Commissie om een voorstel inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen over fiscale rulings in de Unie in te dienen.

(3)

Richtlijn 2011/16/EU voorziet in de verplichte spontane uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten in vijf specifieke gevallen en binnen bepaalde termijnen. De spontane inlichtingenuitwisseling in gevallen waarin de bevoegde autoriteit van een lidstaat redenen heeft om aan te nemen dat in een andere lidstaat sprake is van belastingderving, is al van toepassing op fiscale rulings — inzake de uitlegging of de toepassing van fiscale bepalingen in de toekomst — die een lidstaat met betrekking tot een bepaalde belastingbetaler afgeeft, wijzigt of verlengt, en die een grensoverschrijdende dimensie hebben.

(4)

Er doen zich evenwel verschillende belangrijke praktische moeilijkheden voor die een efficiënte spontane uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken belemmeren, zoals het feit dat de lidstaat die de ruling afgeeft, zelf mag beslissen welke andere lidstaten op de hoogte moeten worden gebracht. Daarom moeten de uitgewisselde inlichtingen, in voorkomend geval, voor alle andere lidstaten beschikbaar zijn.

(5)

Het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken die worden afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd voor een bepaalde persoon of groep van personen en waarop deze persoon of groep personen zich mag baseren, moet iedere materiële vorm dekken (ongeacht de bindende of niet-bindende aard ervan en de wijze van afgifte).

(6)

Met het oog op de rechtszekerheid moet Richtlijn 2011/16/EU worden gewijzigd door middel van de toevoeging van een goede definitie van voorafgaande grensoverschrijdende ruling en voorafgaande verrekenprijsafspraak. Deze definities moeten breed genoeg zijn om zeer uiteenlopende situaties te kunnen omvatten waaronder, maar niet beperkt tot, de onderstaande soorten voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken:

unilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken en/of verrekenprijsbeslissingen;

bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken en verrekenprijsbeslissingen;

afspraken of beslissingen op grond waarvan wordt bepaald of er al dan niet een vaste inrichting bestaat;

afspraken of beslissingen op grond waarvan wordt bepaald of er feiten zijn met een mogelijke impact op de belastinggrondslag van een vaste inrichting;

afspraken of beslissingen op grond waarvan de fiscale status in een lidstaat wordt bepaald van een hybride entiteit die gerelateerd is aan een ingezetene van een ander rechtsgebied, en

afspraken of beslissingen inzake de grondslag voor de afschrijving van een actiefbestanddeel in één lidstaat, verworven van een concernonderneming in een ander rechtsgebied.

(7)

Belastingbetalers mogen zich gedurende bijvoorbeeld belastingprocedures of belastingcontroles beroepen op voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken op voorwaarde dat de feiten waarop de voorafgaande grensoverschrijdende rulings of de voorafgaande verrekenprijsafspraken zijn gebaseerd, nauwkeurig zijn gepresenteerd en dat de belastingbetalers zich houden aan de voorwaarden in de voorafgaande grensoverschrijdende rulings of de voorafgaande verrekenprijsafspraken.

(8)

De lidstaten zullen inlichtingen uitwisselen, ongeacht of de belastingplichtige zich al dan niet aan de voorwaarden van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak houdt.

(9)

Het verstrekken van inlichtingen mag niet leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of van inlichtingen die in strijd zouden zijn met de openbare orde.

(10)

Om de vruchten te kunnen plukken van de verplichte automatische uitwisseling van voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken, moeten de inlichtingen onmiddellijk nadat de ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak is afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd, worden verstrekt, en daarom moeten regelmatige tijdstippen voor de inlichtingenverstrekking worden vastgesteld. Om dezelfde redenen moet ook worden voorzien in verplichte automatische uitwisseling van voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken die zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd binnen een periode van vijf jaar vóór de datum van toepassing van deze richtlijn en die op 1 januari 2014 nog geldig zijn. Bepaalde personen of groepen van personen met een jaarlijkse netto groepsomzet van minder dan 40 000 000 EUR zouden onder bepaalde voorwaarden kunnen worden uitgesloten van een dergelijke verplichte automatische uitwisseling.

(11)

Met het oog op de rechtszekerheid moeten, onder zeer strikte voorwaarden, bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken met derde landen volgens het kader van bestaande internationale verdragen met die landen worden vrijgesteld van verplichte automatische uitwisseling, wanneer het volgens de bepalingen van die verdragen niet is toegestaan de uit hoofde van dat verdrag ontvangen inlichtingen vrij te geven aan een derde land. In die gevallen moeten echter in plaats daarvan de in artikel 8 bis, lid 6, bedoelde inlichtingen over de verzoeken die leiden tot het maken van die bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken worden uitgewisseld. Daarom moeten in dergelijke gevallen de te verstrekken inlichtingen de aanwijzing bevatten dat deze op basis van een dergelijk verzoek worden verstrekt.

(12)

Bij de verplichte automatische uitwisseling van voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken moet telkens een afgebakende reeks basisgegevens worden verstrekt die voor alle lidstaten toegankelijk zou zijn. De Commissie moet worden gemachtigd om praktische regelingen te treffen om deze inlichtingenverstrekking te standaardiseren volgens de procedure van Richtlijn 2011/16/EU (met een rol voor het Comité inzake administratieve samenwerking op belastinggebied) voor de vaststelling van een standaardformulier voor de inlichtingenuitwisseling. Die procedure moet ook worden gebruikt bij het vaststellen van verdere praktische regelingen voor de uitvoering van de inlichtingenuitwisseling, zoals specificatie van taaleisen die zullen gelden voor de uitwisseling van inlichtingen met gebruikmaking van dat standaardformulier.

(13)

Bij de ontwikkeling van een dergelijk standaardformulier voor de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen is het wenselijk rekening te houden met de werkzaamheden verricht in het forum schadelijke belastingmaatregelen (Forum on Harmful Tax Practices) van de OESO, waar een standaardformulier voor de uitwisseling van gegevens wordt ontwikkeld in het kader van het actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (Action Plan on Base Erosion and Profit Shifting). Het is wenselijk dat nauw met de OESO wordt samengewerkt, op een gecoördineerde wijze, en niet alleen op het gebied van de ontwikkeling van een dergelijk standaardformulier voor verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen. Het uiteindelijke doel moet zijn, een gelijk speelveld op mondiaal niveau te creëren, waarbij de Unie het voortouw moet nemen en ervoor moet pleiten dat de omvang van de inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken tamelijk groot moet zijn.

(14)

De lidstaten moeten basisinlichtingen uitwisselen en een beperkte reeks basisinlichtingen moet ook aan de Commissie worden verstrekt. Op die manier kan de Commissie op elk moment de effectieve toepassing van de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken monitoren en evalueren. De door de Commissie ontvangen inlichtingen mogen echter niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Voorts, mag deze mededeling een lidstaat niet ontheffen van zijn verplichtingen inzake het melden van staatssteun bij de Commissie.

(15)

Terugkoppeling door de ontvangende lidstaat aan de verstrekkende lidstaat is noodzakelijk voor het functioneren van een doeltreffend systeem van automatische inlichtingenuitwisseling. Daarom moet uitdrukkelijk worden gesteld dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een keer per jaar aan de andere betrokken lidstaten informatie moeten terugkoppelen over de automatische uitwisseling van inlichtingen. In de praktijk moet deze verplichte terugkoppeling geschieden door middel van onderling overeengekomen bilaterale regelingen.

(16)

Een lidstaat moet, indien nodig, na de fase van de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen krachtens deze richtlijn, een beroep kunnen doen op artikel 5 van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de uitwisseling van inlichtingen op verzoek om aanvullende informatie te krijgen, daaronder begrepen de volledige tekst van voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken, van de lidstaat die dergelijke rulings of verrekenprijsafspraken heeft afgegeven, respectievelijk gemaakt.

(17)

Er moet aan worden herinnerd dat in artikel 21, lid 4, van Richtlijn 2011/16/EU regels worden vastgesteld over de taal en de vertaling die gelden voor het verzoek om samenwerking, waaronder het verzoek tot kennisgeving, en de bijgevoegde bescheiden. Die regels moeten ook gelden wanneer lidstaten aanvullende inlichtingen vragen, na de fase van de verplichte automatische uitwisseling van basisinlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken.

(18)

De lidstaten dienen alle nodige redelijke maatregelen te treffen om alle obstakels weg te nemen die een belemmering kunnen vormen voor de effectieve en zo breed mogelijke verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken.

(19)

Teneinde middelen efficiënter in te zetten, de inlichtingenuitwisseling te vergemakkelijken en te voorkomen dat elke lidstaat soortgelijke ontwikkelingen moet doorvoeren in zijn systemen om de inlichtingen op te slaan, moet specifiek worden voorzien in de oprichting van een centraal gegevensbestand, dat toegankelijk is voor alle lidstaten en de Commissie en waar de lidstaten inlichtingen zouden uploaden en opslaan in plaats van deze per beveiligde e-mail uit te wisselen. De nadere regels voor de oprichting van een dergelijk gegevensbestand moeten door de Commissie worden vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, van Richtlijn 2011/16/EU bedoelde procedure.

(20)

Gelet op de aard en de omvang van de bij Richtlijn 2014/107/EU van de Raad (5) en deze richtlijn ingevoerde wijzigingen moet het tijdschema voor de indiening van inlichtingen, statistieken en verslagen waarin Richtlijn 2011/16/EU voorziet, worden verlengd. Deze verlenging moet ervoor zorgen dat in de te verstrekken inlichtingen rekening kan worden gehouden met de ervaringen die zijn opgedaan op basis van deze wijzigingen. De verlenging moet zowel gelden voor de statistieken en andere gegevens die de lidstaten vóór 1 januari 2018 moeten indienen als voor het verslag en, in voorkomend geval, het voorstel dat de Commissie vóór 1 januari 2019 moet indienen.

(21)

De bestaande bepalingen inzake vertrouwelijkheid moeten worden gewijzigd om rekening te houden met de uitbreiding van de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen tot voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken.

(22)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Deze richtlijn beoogt met name te waarborgen dat het recht op bescherming van persoonsgegevens en de vrijheid van ondernemerschap onverkort worden geëerbiedigd.

(23)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(24)

Richtlijn 2011/16/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2011/16/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 9 wordt vervangen door:

„9.   „automatische uitwisseling”:

a)

voor de toepassing van artikel 8, lid 1, en artikel 8 bis, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen. Voor de toepassing van artikel 8, lid 1, betekent „beschikbare inlichtingen” inlichtingen die zich bevinden in de belastingdossiers van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt, en die opvraagbaar zijn overeenkomstig de procedures voor het verzamelen en verwerken van inlichtingen in die lidstaat;

b)

voor de toepassing van artikel 8, lid 3 bis, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen over ingezetenen van andere lidstaten aan de betrokken lidstaat van verblijf, zonder voorafgaand verzoek, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen. In de context van artikel 8, lid 3 bis, artikel 8, lid 7 bis, artikel 21, lid 2, en artikel 25, leden 2 en 3, hebben tussen aanhalingstekens geplaatste termen de betekenis die ze hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage I;

c)

voor de toepassing van alle andere bepalingen van deze richtlijn dan artikel 8, lid 1, artikel 8, lid 3 bis, en artikel 8 bis, de systematische verstrekking van vooraf bepaalde inlichtingen overeenkomstig de punten a) en b) van dit punt.”;

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

„14.

„voorafgaande grensoverschrijdende ruling”: een akkoord, een mededeling dan wel enig ander instrument of enige andere handeling met soortgelijk effect, ook indien afgegeven, gewijzigd of hernieuwd, in het kader van een belastingcontrole, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het of zij is afgegeven, gewijzigd of hernieuwd door of namens de regering of de belastingautoriteit van een lidstaat, of een territoriaal of staatkundig onderdeel van die lidstaat, met inbegrip van de lokale overheden, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt;

b)

het of zij is afgegeven, gewijzigd of hernieuwd, ten aanzien van een welbepaalde persoon of groep van personen, en deze persoon of groep personen kan zich erop beroepen;

c)

het of zij de interpretatie of toepassing betreft van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling ter toepassing of handhaving van nationale belastingwetgeving van de lidstaat of de territoriale of staatkundige onderdelen daarvan, met inbegrip van de lokale overheden;

d)

het of zij betrekking heeft op een grensoverschrijdende transactie of op de vraag of er op grond van de activiteiten van een persoon in een ander rechtsgebied al dan niet sprake is van een vaste inrichting, en;

e)

het of zij eerder is tot stand gekomen dan de transacties of activiteiten in een ander rechtsgebied op grond waarvan mogelijkerwijs sprake is van een vaste inrichting, of dan de indiening van een belastingaangifte voor het tijdvak waarin de transactie of reeks transacties dan wel de activiteiten hebben plaatsgevonden.

De grensoverschrijdende transactie kan betrekking hebben op, maar is niet beperkt tot, het doen van investeringen, het leveren van goederen, het verrichten van diensten, het financieren of het gebruiken van materiële of immateriële activa, waarbij de persoon die de voorafgaande grensoverschrijdende ruling heeft gekregen, niet rechtstreeks betrokken hoeft te zijn;

15.

„voorafgaande verrekenprijsafspraak”: een akkoord, een mededeling dan wel enig ander instrument of enige andere handeling met soortgelijk effect, ook indien gemaakt, gewijzigd of hernieuwd, in het kader van een belastingcontrole, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het of zij is gemaakt, gewijzigd of hernieuwd door of namens de regering of de belastingautoriteit van een of meer lidstaten, of een territoriaal of staatkundig onderdeel daarvan, met inbegrip van de lokale overheden, ongeacht of er effectief gebruik van wordt gemaakt;

b)

het of zij is gemaakt, gewijzigd of hernieuwd, ten aanzien van een welbepaalde persoon of groep van personen, en deze persoon of groep personen kan zich erop beroepen; en

c)

voordat grensoverschrijdende transacties tussen verbonden ondernemingen hebben plaatsgevonden, een passende reeks criteria om de verrekenprijzen voor die transacties te bepalen of de toerekening van winsten aan een vaste inrichting is vastgesteld.

Ondernemingen zijn verbonden ondernemingen wanneer één onderneming rechtstreeks of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan de zeggenschap in of in het kapitaal van een andere onderneming of wanneer dezelfde personen rechtstreeks of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan de zeggenschap in of in het kapitaal van de ondernemingen.

Verrekenprijzen zijn de prijzen die een onderneming aan verbonden ondernemingen in rekening brengt voor de overdracht van materiële en immateriële goederen of voor het verlenen van diensten, en het „bepalen van verrekenprijzen” moet in die zin worden uitgelegd;

16.

voor de toepassing van punt 14 is een „grensoverschrijdende transactie” een transactie of reeks van transacties waarbij:

a)

niet alle partijen bij de transactie of reeks van transacties hun fiscale woonplaats hebben in de lidstaat die de voorafgaande grensoverschrijdende ruling afgeeft, wijzigt of hernieuwt;

b)

een of meer van de partijen bij de transactie of reeks van transacties haar fiscale woonplaats tegelijkertijd in meer dan een rechtsgebied heeft;

c)

een van de partijen bij de transactie of reeks van transacties haar bedrijf uitoefent in een ander rechtsgebied via een vaste inrichting en de transactie of reeks van transacties alle of een deel van de activiteiten van de vaste inrichting uitmaakt. Een grensoverschrijdende transactie of reeks van transacties omvat tevens de regelingen die worden getroffen door een persoon ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten die hij in een ander rechtsgebied via een vaste inrichting uitoefent; of

d)

die transacties of reeks van transacties een grensoverschrijdend effect hebben.

Voor de toepassing van punt 15 is een „grensoverschrijdende transactie” een transactie of reeks van transacties tussen verbonden ondernemingen die niet allemaal hun fiscale woonplaats op het grondgebied van hetzelfde rechtsgebied hebben of een transactie of reeks transacties die een grensoverschrijdend effect heeft;

17.

voor de toepassing van de punten 15 en 16 wordt onder „onderneming” verstaan iedere vorm van bedrijfsvoering.”.

2)

In artikel 8 worden de leden 4 en 5 geschrapt.

3)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 8 bis

Omvang en voorwaarden van de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken

1.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat die na 31 december 2016 een voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak afgeeft of maakt, wijzigt of hernieuwt, verstrekt de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten en de Europese Commissie automatisch inlichtingen daaromtrent, met inachtneming van de in lid 8 van dit artikel genoemde beperkingen, zulks overeenkomstig de uit hoofde van artikel 21 vastgestelde toepasselijke praktische regelingen.

2.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat verstrekt, overeenkomstig de krachtens artikel 21 vastgestelde toepasselijke praktische regelingen, ook de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten, alsmede de Europese Commissie, de inlichtingen — beperkt tot de in lid 8 van dit artikel genoemde gevallen — over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken die zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd binnen een periode beginnend vijf jaar vóór 1 januari 2017.

Indien voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd tussen 1 januari 2012 en 31 december 2013, worden die inlichtingen verstrekt op voorwaarde dat die voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken nog geldig waren op 1 januari 2014.

Indien voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd tussen 1 januari 2014 en 31 december 2016, worden die inlichtingen verstrekt ongeacht of die voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken nog geldig zijn.

De lidstaten kunnen bepalen dat van de in dit lid bedoelde verstrekking van inlichtingen uitgesloten zijn, inlichtingen over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken die vóór 1 april 2016 zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd ten aanzien van een bepaalde persoon of groep personen, met uitzondering van die welke hoofdzakelijk financiële of investeringsactiviteiten verrichten, met een jaarlijkse nettogroepsomzet, als gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (6), van minder dan 40 000 000 EUR (of het equivalent daarvan in een andere valuta) in het boekjaar voorafgaand aan de datum waarop die grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd.

3.   Bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken met derde landen worden van het toepassingsgebied van de automatische uitwisseling van inlichtingen overeenkomstig dit artikel uitgesloten indien de internationale belastingovereenkomst uit hoofde waarvan over de voorafgaande verrekenprijsafspraken is onderhandeld, niet toestaat dat deze verrekenprijsafspraken aan derden worden vrijgegeven. Deze bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken zullen overeenkomstig artikel 9 worden uitgewisseld, mits de internationale belastingovereenkomst uit hoofde waarvan over de voorafgaande verrekenprijsafspraken is onderhandeld, toestaat dat deze worden vrijgegeven en de bevoegde autoriteit van het derde land de toestemming geeft voor vrijgave van deze inlichtingen.

Indien de bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraken van de automatische uitwisseling van inlichtingen overeenkomstig de eerste zin van de eerste alinea van dit lid worden uitgesloten, worden in plaats daarvan de in lid 6 van dit artikel bedoelde inlichtingen waarvan sprake in het verzoek dat tot deze bilaterale of multilaterale voorafgaande verrekenprijsafspraak heeft geleid, uitgewisseld op grond van de leden 1 en 2 van dit artikel.

4.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer een voorafgaande grensoverschrijdende ruling uitsluitend betrekking heeft op de belastingzaken van een of meer natuurlijke personen.

5.   De inlichtingenuitwisseling geschiedt als volgt:

a)

voor de overeenkomstig lid 1 uitgewisselde inlichtingen: binnen drie maanden na het einde van het eerste halfjaar van het kalenderjaar waarin de voorafgaande grensoverschrijdende rulings of voorafgaande verrekenprijsafspraken zijn afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd;

b)

voor de overeenkomstig lid 2 uitgewisselde inlichtingen: vóór 1 januari 2018.

6.   De door een lidstaat uit hoofde van de leden 1 en 2 van dit artikel te verstrekken inlichtingen omvatten onder meer de volgende gegevens:

a)

de identificatiegegevens van de persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, en in voorkomend geval van de groep personen waartoe deze behoort;

b)

een samenvatting van de inhoud van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, met onder meer een omschrijving van de relevante zakelijke activiteiten of transacties of reeks van transacties, in algemene bewoordingen gesteld, die niet mag niet leiden tot de openbaarmaking van een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of een fabrieks- of handelswerkwijze, of van inlichtingen die in strijd zouden zijn met de openbare orde;

c)

de data waarop de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak is afgegeven of gemaakt, gewijzigd of hernieuwd;

d)

de aanvangsdatum van de geldigheidsperiode van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;

e)

de einddatum van de geldigheidsperiode van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld;

f)

het type voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak;

g)

het bedrag van de transactie of reeks van transacties van de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak, indien vermeld in de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of voorafgaande verrekenprijsafspraak;

h)

de beschrijving van de reeks criteria die zijn gebruikt voor de verrekenprijsvaststelling of de verrekenprijs zelf in het geval van een voorafgaande verrekenprijsafspraak;

i)

de methode die wordt gebruikt voor de verrekenprijsvaststelling of de verrekenprijs zelf in het geval van een voorafgaande verrekenprijsafspraak;

j)

de andere lidstaten, indien er zijn, waarop de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn;

k)

personen, niet zijnde natuurlijke personen, in de andere lidstaten, indien die er zijn, op wie de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak naar alle waarschijnlijkheid van invloed zal zijn (waarbij vermeld dient te worden met welke lidstaten de getroffen personen verbonden zijn); en

l)

de vermelding of de meegedeelde inlichtingen gebaseerd zijn op de voorafgaande grensoverschrijdende ruling of de voorafgaande verrekenprijsafspraak zelf, dan wel op het in lid 3, tweede alinea, van dit artikel bedoelde verzoek.

7.   Om de in lid 6 van dit artikel bedoelde uitwisseling van inlichtingen te vergemakkelijken stelt de Commissie praktische regelingen vast voor de uitvoering van dit artikel, daaronder begrepen maatregelen om de verstrekking van de in lid 6 van dit artikel genoemde inlichtingen te standaardiseren, in het kader van de procedure voor de vaststelling van het standaardformulier als bedoeld in artikel 20, lid 5.

8.   Inlichtingen in de zin van de punten a), b), h) en k) van lid 6 van dit artikel worden niet medegedeeld aan de Europese Commissie.

9.   De ontvangst van de inlichtingen wordt door de bevoegde autoriteit van de in lid 6, onder j), genoemde betrokken lidstaten onmiddellijk en in elk geval niet later dan zeven werkdagen na ontvangst, indien mogelijk langs elektronische weg, aan de verstrekkende bevoegde autoriteit bevestigd. Deze maatregel is van toepassing totdat het in artikel 21, lid 5, bedoelde gegevensbestand operationeel wordt.

10.   De lidstaten kunnen, in overeenstemming met artikel 5 en met inachtneming van artikel 21, lid 4, om aanvullende inlichtingen verzoeken, daaronder begrepen de volledige tekst van een voorafgaande grensoverschrijdende ruling of een voorafgaande verrekenprijsafspraak.

Artikel 8 ter

Statistieken over de automatische uitwisseling

1.   Vóór 1 januari 2018 doen de lidstaten de Commissie jaarlijks statistieken over de omvang van de automatische uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van de artikelen 8 en 8 bis toekomen, alsmede, voor zover mogelijk, gegevens betreffende administratieve en andere relevante kosten en baten voor belastingdiensten en derden die betrekking hebben op de verrichte uitwisselingen, en mogelijke veranderingen.

2.   Vóór 1 januari 2019 presenteert de Commissie een verslag met een overzicht en een beoordeling van de uit hoofde van lid 1 van dit artikel ontvangen statistieken en gegevens betreffende, onder meer, administratieve en andere relevante kosten en baten met betrekking tot de automatische uitwisseling van inlichtingen, alsmede de daarmee samenhangende praktische aspecten. Indien passend, dient de Commissie bij de Raad een voorstel in betreffende de categorieën van artikel 8, lid 1, en de in dat lid gestelde voorwaarden, met inbegrip van de voorwaarde dat inlichtingen betreffende ingezetenen van andere lidstaten beschikbaar moeten zijn, of de in artikel 8, lid 3 bis, vermelde bestanddelen, of beide.

Bij de behandeling van een door de Commissie ingediend voorstel beoordeelt de Raad of de doeltreffendheid en de werking van de automatische uitwisseling van inlichtingen verder moeten worden verbeterd en of deze aan een strengere standaard moeten gaan beantwoorden, teneinde erin te voorzien dat:

a)

de bevoegde autoriteit van elke lidstaat de bevoegde autoriteit van elke andere lidstaat met betrekking tot belastingtijdvakken vanaf 1 januari 2019 automatisch inlichtingen verstrekt over ingezetenen van die andere lidstaat, met betrekking tot alle in artikel 8, lid 1, vermelde inkomsten- en vermogenscategorieën, op te vatten in de zin van de nationale wetgeving van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt; en

b)

de lijsten van de in artikel 8, lid 1, en artikel 8, lid 3 bis, vermelde categorieën en bestanddelen worden uitgebreid met andere categorieën en bestanddelen, waaronder royalty's.

(6)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).”."

4)

In artikel 20 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   Een standaardformulier, dat de talenregeling bevat, wordt vóór 1 januari 2017 door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure. De automatische uitwisseling van gegevens over voorafgaande grensoverschrijdende rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken overeenkomstig artikel 8 bis geschiedt aan de hand van dat standaardformulier. Dat standaardformulier bevat niet meer rubrieken waarover gegevens worden uitgewisseld dan die welke in artikel 8 bis, lid 6, worden opgesomd en de andere daaraan gerelateerde gebieden die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel 8 bis.

De in de eerste alinea vermelde talenregeling staat er niet aan in de weg dat de lidstaten de in artikel 8 bis bedoelde inlichtingen in een van de officiële en werktalen van de Unie verstrekken. Niettemin kan in die talenregeling worden bepaald dat de belangrijkste elementen van deze inlichtingen ook in een andere officiële en werktaal van de Unie worden verstrekt.”.

5)

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De door de instantie voor veiligheidsaccreditatie van de Commissie gemachtigde personen hebben slechts toegang tot de inlichtingen voor zover dat met het oog op het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van het in lid 5 bedoelde gegevensbestand en het CCN-netwerk noodzakelijk is.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„5.   De Commissie ontwikkelt uiterlijk op 31 december 2017 een beveiligd centraal gegevensbestand van de lidstaten betreffende administratieve samenwerking op belastinggebied en zorgt voor de technische en logistieke ondersteuning daarvan; in dat centraal gegevensbestand kunnen in het kader van artikel 8 bis, leden 1 en 2, van deze richtlijn te verstrekken inlichtingen worden opgeslagen om te voldoen aan de automatische uitwisseling als bedoeld in die leden. De bevoegde autoriteiten van alle lidstaten hebben toegang tot de in dit gegevensbestand opgeslagen inlichtingen. De Commissie heeft ook toegang tot de in dit gegevensbestand opgeslagen inlichtingen, evenwel met inachtneming van in artikel 8 bis, lid 8 genoemde beperkingen. De noodzakelijke praktische regelingen worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure.

In afwachting dat dat beveiligd centraal gegevensbestand operationeel wordt, geschiedt de in artikel 8 bis, leden 1 en 2, bedoelde automatische uitwisseling van gegevens volgens lid 1 van dit artikel en de toepasselijke praktische regelingen.”.

6)

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in artikel 8 en artikel 8 bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte praktische resultaten. De vorm en wijze van mededeling van de jaarlijkse beoordeling worden door de Commissie volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”;

b)

de leden 5 en 6 worden geschrapt.

7)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 23 bis

Vertrouwelijkheid van inlichtingen

1.   De krachtens deze richtlijn aan de Commissie verstrekte inlichtingen worden door haar vertrouwelijk gehouden overeenkomstig de op de autoriteiten van de Unie toepasselijke bepalingen en mogen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan om te beoordelen of en in hoeverre de lidstaten aan deze richtlijn voldoen.

2.   De krachtens artikel 23 door een lidstaat aan de Commissie verstrekte gegevens, alsmede alle door de Commissie opgestelde rapporten of bescheiden waarin van die gegevens gebruik wordt gemaakt, kunnen aan andere lidstaten worden doorgegeven. De doorgegeven gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming waarin voor soortgelijke inlichtingen wordt voorzien bij het nationale recht van de ontvangende lidstaat.

De in de eerste alinea bedoelde door de Commissie opgestelde rapporten en bescheiden mogen door de lidstaten uitsluitend voor analytische doeleinden worden gebruikt, en mogen niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de Commissie worden bekendgemaakt of aan andere personen of organen beschikbaar worden gesteld.”.

8)

In artikel 25 wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 bis.   Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn door de instellingen en organen van de Unie. Voor de juiste toepassing van deze richtlijn wordt de omvang van de verplichtingen en rechten die zijn neergelegd in artikel 11, artikel 12, lid 1, en de artikelen 13 tot en met 17 van Verordening (EG) nr. 45/2001 evenwel beperkt, voor zover dit noodzakelijk is om de in artikel 20, lid 1, onder b), van die verordening bedoelde belangen te vrijwaren.”.

Artikel 2

1.   Uiterlijk op 31 december 2016 stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die maatregelen onverwijld mee.

Zij passen die maatregelen toe vanaf 1 januari 2017.

Wanneer de lidstaten die maatregelen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 december 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

P. GRAMEGNA


(1)  Advies van 27 oktober 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 332 van 8.10.2015, blz. 64.

(3)  Advies van 14 oktober 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1).


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/11


BESLUIT (EU) 2015/2377 VAN DE RAAD

van 26 oktober 2015

betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Palau inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 509/2014 van het Europees Parlement en de Raad (1) is de Republiek Palau verplaatst van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 539/2001 van Raad (2) naar bijlage II daarbij.

(2)

Bij de Republiek Palau staat een voetnoot volgens welke de visumvrijstelling geldt vanaf de datum van inwerkingtreding van een met de Europese Unie te sluiten visumvrijstellingsovereenkomst.

(3)

Op 9 oktober 2014 heeft de Raad een besluit vastgesteld waarbij de Commissie wordt gemachtigd onderhandelingen te openen met de Republiek Palau over het sluiten van een Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Palau inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (de „overeenkomst”).

(4)

De onderhandelingen over de overeenkomst zijn op 17 december 2014 geopend en zijn succesvol afgerond door het paraferen ervan middels een uitwisseling van brieven, op 27 mei 2015 door de Republiek Palau en op 10 juni 2015 door de Unie.

(5)

De overeenkomst dient te worden ondertekend en de aan de overeenkomst gehechte verklaringen dienen te worden goedgekeurd, namens de Unie. In afwachting van de voltooiing van de procedures voor de formele sluiting ervan dient de overeenkomst met ingang van de dag volgende op de datum van de ondertekening ervan voorlopig te worden toegepast.

(6)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (3); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en het besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(7)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (4); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en het besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt machtiging verleend tot ondertekening namens de Unie van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Palau inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf (de „overeenkomst”), onder voorbehoud van de sluiting ervan.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De aan dit besluit gehechte verklaringen worden namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 4

In afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan wordt de overeenkomst voorlopig toegepast vanaf de dag volgende op de datum van van de ondertekening ervan (5).

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 26 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

C. DIESCHBOURG


(1)  Verordening (EU) nr. 509/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 67).

(2)  Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

(3)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(4)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(5)  De datum van ondertekening van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad bekendgemaakt worden in het Publicatieblad van de Europese Unie.


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/13


OVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de Republiek Palau inzake de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” of „de EU” genoemd, en

DE REPUBLIEK PALAU, hierna „Palau” genoemd,

hierna samen „de partijen” genoemd,

MET HET OOG OP de verdere ontwikkeling van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de partijen en vanuit de wens om het reizen gemakkelijker te maken door voor hun burgers te zorgen voor vrijstelling van de visumplicht voor toegang en kort verblijf,

GEZIEN Verordening (EU) nr. 509/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld (1), waarbij onder meer 19 derde landen, waaronder Palau, worden verplaatst naar de lijst van derde landen waarvan de onderdanen voor korte verblijven in de lidstaten zijn vrijgesteld van de visumplicht,

INDACHTIG artikel 1 van Verordening (EU) nr. 509/2014, waarin wordt bepaald dat voor deze 19 landen de vrijstelling van de visumplicht pas van toepassing wordt vanaf de datum van inwerkingtreding van een met de Unie te sluiten visumvrijstellingsovereenkomst,

GELEID DOOR DE WENS het beginsel van gelijke behandeling van alle EU-burgers te waarborgen,

REKENING HOUDEND met het feit dat personen die reizen om een bezoldigde bezigheid te verrichten tijdens hun korte verblijf, niet onder deze overeenkomst vallen, en dat derhalve voor deze categorie personen de desbetreffende regels van het Unierecht en het nationale recht van de lidstaten en het nationale recht van Palau inzake de visumplicht of de visumvrijstelling en inzake de toegang tot werk van toepassing blijven,

REKENING HOUDEND met het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en het Protocol betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, beide gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en bevestigend dat de bepalingen van deze overeenkomst niet van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk en Ierland,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doel

Deze overeenkomst voorziet in visumvrij reizen voor de burgers van de Unie en voor de burgers van Palau die naar het grondgebied van de andere partij reizen voor maximaal 90 dagen binnen een tijdvak van 180 dagen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)   „lidstaat”: alle lidstaten van de Unie met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland;

b)   „burger van de Unie”: een onderdaan van een lidstaat als bedoeld onder a);

c)   „burger van Palau”: eenieder die het staatsburgerschap van Palau bezit;

d)   „Schengengebied”: het gebied zonder binnengrenzen bestaande uit het grondgebied van de lidstaten, als bedoeld onder a), die het Schengenacquis volledig toepassen.

Artikel 3

Toepassingsgebied

1.   Burgers van de Europese Unie die in het bezit zijn van een door een lidstaat afgegeven gewoon paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort, officieel paspoort of speciaal paspoort kunnen zonder visum het grondgebied van Palau inreizen en er verblijven gedurende de in artikel 4, lid 1, van deze overeenkomst bedoelde periode.

Burgers van Palau die in het bezit zijn van een door Palau afgegeven gewoon paspoort, diplomatiek paspoort, dienstpaspoort, officieel paspoort of speciaal paspoort kunnen zonder visum het grondgebied van de lidstaten inreizen en er verblijven gedurende de in artikel 4, lid 2, van deze overeenkomst bedoelde periode.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op personen die reizen om een bezoldigde bezigheid te verrichten.

Voor deze categorie personen kan elke lidstaat afzonderlijk beslissen de visumplicht aan de burgers van Palau op te leggen of de visumplicht op te heffen, overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad (2).

Voor deze categorie personen kan Palau over de visumplicht of de visumvrijstelling voor de burgers van elke lidstaat afzonderlijk beslissen overeenkomstig hun nationale wetgeving.

3.   De bij deze overeenkomst geregelde visumvrijstelling laat de wetgeving van de partijen inzake de voorwaarden voor toegang en kort verblijf onverlet. De lidstaten en Palau behouden zich het recht voor de toegang tot en het kort verblijf op hun grondgebied te weigeren indien aan een of meer van deze voorwaarden niet wordt voldaan.

4.   De visumvrijstelling geldt ongeacht de wijze van vervoer die wordt gebruikt om de grenzen van de partijen te overschrijden.

5.   Vraagstukken die niet onder deze overeenkomst vallen, worden geregeld door het Unierecht, het nationale recht van de lidstaten en het nationale recht van Palau.

Artikel 4

Duur van het verblijf

1.   Burgers van de Unie mogen gedurende maximaal 90 dagen per tijdvak van 180 dagen op het grondgebied van Palau verblijven.

2.   Burgers van Palau mogen gedurende maximaal 90 dagen per tijdvak van 180 dagen op het grondgebied verblijven van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen. Bij de berekening van deze termijn wordt geen rekening gehouden met het verblijf in lidstaten die het Schengenacquis nog niet volledig toepassen.

De burgers van Palau mogen gedurende maximaal 90 dagen per tijdvak van 180 dagen op het grondgebied verblijven van elk van de lidstaten die het Schengenacquis nog niet volledig toepassen, onafhankelijk van de verblijfsperiode die is berekend voor het grondgebied van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen.

3.   Deze overeenkomst laat onverlet dat zowel Palau als de lidstaten de verblijfsduur van 90 dagen kunnen verlengen overeenkomstig hun respectieve nationale recht en het Unierecht.

Artikel 5

Territoriale toepassing

1.   De bepalingen van deze overeenkomst zijn, wat de Franse Republiek betreft, uitsluitend van toepassing op het Europese grondgebied van de Franse Republiek.

2.   De bepalingen van deze overeenkomst zijn, wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, uitsluitend van toepassing op het Europese grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 6

Gemengd comité voor het beheer van de overeenkomst

1.   De partijen stellen een gemengd comité van deskundigen in, hierna het „comité” genoemd, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Unie en vertegenwoordigers van Palau. De Unie wordt vertegenwoordigd door de Europese Commissie.

2.   Het comité heeft onder andere de volgende taken:

a)

het ziet toe op de toepassing van de overeenkomst;

b)

het stelt wijzigingen van of toevoegingen aan de overeenkomst voor;

c)

het beslecht geschillen die voortvloeien uit de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst.

3.   Het comité wordt op verzoek van een van de partijen bijeengeroepen wanneer dat nodig is.

4.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 7

Verhouding van deze overeenkomst ten opzichte van bestaande bilaterale visumvrijstellingsovereenkomsten tussen de lidstaten en Palau

Deze overeenkomst heeft voorrang op de bepalingen van bilaterale overeenkomsten of regelingen die zijn gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en Palau, voor zover zij betrekking hebben op aangelegenheden die bij deze overeenkomst worden geregeld.

Artikel 8

Slotbepalingen

1.   Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun eigen nationale procedures geratificeerd of goedgekeurd en treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste van de twee kennisgevingen waarmee de partijen elkaar ervan in kennis stellen dat deze procedures zijn voltooid.

Deze overeenkomst wordt voorlopig toegepast met ingang van de dag volgende op de datum van de ondertekening ervan.

2.   Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten, maar kan worden opgezegd overeenkomstig lid 5.

3.   Deze overeenkomst kan met wederzijdse schriftelijke instemming van de partijen worden gewijzigd. Wijzigingen worden van kracht nadat de partijen elkaar ervan in kennis hebben gesteld dat hun daartoe benodigde interne procedures zijn voltooid.

4.   Elk van beide partijen kan deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk opschorten, met name in verband met de openbare orde, de bescherming van de nationale veiligheid of de bescherming van de volksgezondheid, illegale immigratie of bij de herinvoering van de visumplicht door een partij. Het besluit tot opschorting wordt uiterlijk twee maanden vóór de voorgenomen inwerkingtreding ervan meegedeeld aan de andere partij. Een partij die de toepassing van de overeenkomst heeft opgeschort, stelt de andere partij ervan in kennis dat de redenen voor de opschorting niet langer bestaan, zodra dit het geval is, en maakt een einde aan de opschorting.

5.   Elke partij kan deze overeenkomst opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij. Deze overeenkomst wordt 90 dagen daarna beëindigd.

6.   Palau kan deze overeenkomst alleen ten aanzien van alle lidstaten opschorten of beëindigen.

7.   De Unie kan deze overeenkomst alleen ten aanzien van al haar lidstaten opschorten of beëindigen.

Gedaan in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

Съставено в Брюксел на седми декември две хиляди и петнадесета година.

Hecho en Bruselas, el siete de diciembre de dos mil quince.

V Bruselu dne sedmého prosince dva tisíce patnáct.

Udfærdiget i Bruxelles den syvende december to tusind og femten.

Geschehen zu Brüssel am siebten Dezember zweitausendfünfzehn.

Kahe tuhande viieteistkümnenda aasta detsembrikuu seitsmendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις εφτά Δεκεμβρίου δύο χιλιάδες δεκαπέντε.

Done at Brussels on the seventh day of December in the year two thousand and fifteen.

Fait à Bruxelles, le sept décembre deux mille quinze.

Sastavljeno u Bruxellesu sedmog prosinca dvije tisuće petnaeste.

Fatto a Bruxelles, addì sette dicembre duemilaquindici.

Briselē, divi tūkstoši piecpadsmitā gada septītajā decembrī.

Priimta du tūkstančiai penkioliktų metų gruodžio septintą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenötödik év december havának hetedik napján.

Magħmul fi Brussell, fis-seba jum ta’ Diċembru fis-sena elfejn u ħmistax.

Gedaan te Brussel, de zevende december tweeduizend vijftien.

Sporządzono w Brukseli dnia siódmego grudnia roku dwa tysiące piętnastego.

Feito em Bruxelas, em sete de dezembro de dois mil e quinze.

Întocmit la Bruxelles la șapte decembrie două mii cincisprezece.

V Bruseli siedmeho decembra dvetisíctridsať.

V Bruslju, dne sedmega decembra leta dva tisoč petnajst.

Tehty Brysselissä seitsemäntenä päivänä joulukuuta vuonna kaksituhattaviisitoista.

Som skedde i Bryssel den sjunde december år tjugohundrafemton.

За Европейския съюз

Рог la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

За Република Палау

Por la República de Palaos

Za Republiku Palau

For Republikken Palau

Für die Republik Palau

Belau Vabariigi nimel

Για τη Δημοκρατία του Παλάου

For the Republic of Palau

Pour la République des Palaos

Za Republiku Palau

Per la Repubblica di Palau

Palau Republikas vārdā –

Palau Respublikos vardu

Palaui Köztársaság részéről

Għar-Repubblika ta' Palau

Voor de Republiek Palau

W imieniu Republiki Palau

Pela República de Palau

Pentru Republica Palau

Za Palauskú republiku

Za Republiko Palau

Palaun tasavallan puolesta

För Republiken Palau

Image


(1)  PB L 149 van 20.5.2014, blz. 67.

(2)  Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE IJSLAND, NOORWEGEN, ZWITSERLAND EN LIECHTENSTEIN

De partijen nemen nota van de nauwe band tussen de Europese Unie en Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein, met name uit hoofde van de overeenkomsten van 18 mei 1999 en 26 oktober 2004 inzake de wijze waarop deze landen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.

Daarom is het wenselijk dat de autoriteiten van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein enerzijds, en Palau anderzijds, onverwijld bilaterale overeenkomsten sluiten over de vrijstelling van de visumplicht voor kort verblijf, die vergelijkbaar zijn met de onderhavige overeenkomst.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE INTERPRETATIE VAN DE IN ARTIKEL 3, LID 2, VAN DEZE OVEREENKOMST BEDOELDE CATEGORIE PERSONEN DIE REIZEN OM EEN BEZOLDIGDE BEZIGHEID TE VERRICHTEN

Met het oog op een gemeenschappelijke interpretatie komen de partijen overeen dat in de zin van deze overeenkomst de categorie personen die een bezoldigde bezigheid verrichten, personen omvat die naar het grondgebied van de andere partij reizen om daar als werknemer of als dienstverlener winstgevende beroepswerkzaamheden of een betaalde activiteit uit te oefenen.

Onder deze categorie vallen niet:

zakenlieden, dat wil zeggen personen die reizen in verband met zakelijke besprekingen (zonder in loondienst te zijn in het land van de andere partij);

sporters of artiesten die op ad-hocbasis een activiteit verrichten;

journalisten die worden uitgezonden door de media van hun land van verblijf, en

stagiairs van de eigen onderneming.

In het kader van zijn taken op grond van artikel 6 van deze overeenkomst houdt het gemengd comité toezicht op de uitvoering van deze verklaring en kan het wijzigingen voorstellen indien het dit, op basis van de ervaringen van de partijen, nodig acht.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE DE INTERPRETATIE VAN DE TERMIJN VAN 90 DAGEN PER TIJDVAK VAN 180 DAGEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 VAN DEZE OVEREENKOMST

De partijen komen overeen dat de maximumtermijn van 90 dagen per tijdvak van 180 dagen, als bedoeld in artikel 4 van deze overeenkomst, kan bestaan uit één aaneengesloten bezoek of uit meerdere opeenvolgende bezoeken die in totaal niet meer dan 90 dagen per tijdvak van 180 dagen beslaan.

Hierbij wordt uitgegaan van een referentieperiode van 180 dagen die zodanig wordt berekend dat op elke dag van het verblijf wordt gekeken naar de aan die dag voorafgaande periode van 180 dagen om na te gaan of nog steeds aan de voorwaarde van 90 dagen per 180 dagen wordt voldaan. Dit betekent onder meer dat een ononderbroken afwezigheid van 90 dagen recht geeft op een nieuw verblijf van ten hoogste 90 dagen.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE INFORMATIEVERSTREKKING AAN DE BURGERS OVER DE VISUMVRIJSTELLINGSOVEREENKOMST

Gezien het belang van transparantie voor de burgers van de Europese Unie en Palau komen de partijen overeen dat zij zullen zorgen voor volledige verspreiding van informatie over de inhoud en de gevolgen van de visumvrijstellingsovereenkomst en aanverwante kwesties, zoals de toegangsvoorwaarden.


VERORDENINGEN

18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2378 VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2015

tot vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1156/2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (1), en met name artikel 20, leden 1, 3 en 4, en artikel 21, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 77/799/EEG van de Raad (2) is vervangen door Richtlijn 2011/16/EU. Daarbij is een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd in de regels betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, met name wat de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten betreft, teneinde de grensoverschrijdende inlichtingenuitwisseling efficiënter en effectiever te maken.

(2)

Richtlijn 2011/16/EU is gewijzigd bij Richtlijn 2014/107/EU van de Raad (3) en voorziet nu ook in verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen en bijbehorende regels inzake rapportage en due diligence.

(3)

Met het oog op de goede werking van dit nieuwe rechtskader is in Richtlijn 2011/16/EU bepaald dat er middels uitvoeringshandelingen een aantal voorschriften moet worden vastgesteld met betrekking tot de standaardformulieren en geautomatiseerde formaten alsook de praktische regeling voor de inlichtingenuitwisseling tussen de lidstaten. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1156/2012 van de Commissie (4) bevat nadere voorschriften voor de standaardformulieren en geautomatiseerde formaten die in verband met Richtlijn 2011/16/EU moeten worden gebruikt.

(4)

Gelet op de wijzigingen die met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/16/EU moeten worden aangebracht en om de leesbaarheid van de uitvoeringshandeling te verbeteren, is het passend Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1156/2012 in te trekken en nieuwe geconsolideerde voorschriften vast te stellen.

(5)

Om de inlichtingenuitwisseling te vergemakkelijken, vereist Richtlijn 2011/16/EU dat de uitwisseling in het kader van deze richtlijn gebeurt met behulp van standaardformulieren, behalve in het geval van de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen.

(6)

De daartoe te gebruiken standaardformulieren moeten een aantal velden bevatten die voldoende gediversifieerd zijn zodat de lidstaten deze gemakkelijk kunnen gebruiken voor alle toepasselijke gevallen, waarbij zij telkenmale de passende velden invullen.

(7)

Met betrekking tot de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen vereist Richtlijn 2011/16/EU dat de Commissie de praktische regeling en het geautomatiseerde formaat ten behoeve van die uitwisseling vaststelt. Om te garanderen dat de uitgewisselde gegevens passend en bruikbaar zijn en dat de uitwisseling zelf efficiënt verloopt, moeten in dit verband nadere voorschriften worden vastgesteld.

(8)

Omdat de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over de vijf inkomsten- en vermogenscategorieën overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU alleen plaatsvindt op voorwaarde dat de informatie beschikbaar is, is het gerechtvaardigd dat het overeenkomstige geautomatiseerde formaat slechts gedetailleerd is tot op het niveau van de algemene structuur en de klassen van elementen waaruit het geautomatiseerde formaat is opgebouwd, waarbij de uitwisseling van de specifieke elementen onder elk van die klassen afhankelijk blijft van de beschikbaarheid ervan in een lidstaat.

(9)

Aangezien daarentegen de inlichtingen die overeenkomstig artikel 8, lid 3 bis, van Richtlijn 2011/16/EU worden uitgewisseld door rapporterende financiële instellingen krachtens de toepasselijke regels inzake rapportage en due diligence die in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2011/16/EU zijn vastgesteld, moeten worden verzameld en het beschikbaarheidsvereiste dus niet in tel is, moet het geautomatiseerde formaat dat bij deze uitwisseling moet worden gebruikt, tot het laagste niveau van detaillering worden omschreven en moet het elk element omvatten, samen met de desbetreffende kenmerken, indien van toepassing.

(10)

Overeenkomstig Richtlijn 2011/16/EU moeten inlichtingen zoveel mogelijk worden verstrekt langs elektronische weg via het gemeenschappelijk communicatienetwerk („CCN”). Waar nodig, moet de praktische regeling voor de inlichtingenverstrekking gespecificeerd worden. Er moeten nadere voorschriften gelden voor de verstrekking van verslagen, verklaringen en andere bescheiden die niet de uitgewisselde inlichtingen zelf vormen maar deze ondersteunen, alsook, in het geval van verstrekking buiten het CCN-netwerk en onverminderd andere bilateraal overeengekomen regelingen, voor de verstrekking en de identificatie van de uitgewisselde inlichtingen.

(11)

De in de lidstaten vereiste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan artikel 8, lid 3 bis, van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen te voldoen, dienen met ingang van 1 januari 2016 van toepassing te zijn. Deze verordening moet daarom vanaf diezelfde datum van toepassing zijn.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité inzake administratieve samenwerking op belastinggebied,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Standaardformulieren voor uitwisselingen op verzoek, spontane uitwisselingen, kennisgevingen en terugmeldingen

1.   Wat de te gebruiken formulieren betreft, wordt met „veld” de ruimte op een formulier bedoeld, waar inlichtingen die overeenkomstig Richtlijn 2011/16/EU moeten worden uitgewisseld, kunnen worden vermeld.

2.   Het formulier dat moet worden gebruikt voor verzoeken om inlichtingen of om een administratief onderzoek op grond van artikel 5 van Richtlijn 2011/16/EU en voor het desbetreffende antwoord, de ontvangstbevestiging, het verzoek om aanvullende achtergrondinformatie en de mededeling dat aan het verzoek niet kan of zal worden voldaan, zoals bepaald in artikel 7 van die richtlijn, dient in overeenstemming te zijn met bijlage I bij deze verordening.

3.   Het formulier dat moet worden gebruikt voor de spontane uitwisseling van inlichtingen en de desbetreffende ontvangstbevestiging op grond van de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2011/16/EU, dient in overeenstemming te zijn met bijlage II bij deze verordening.

4.   Het formulier dat moet worden gebruikt voor verzoeken tot administratieve kennisgeving op grond van artikel 13, leden 1 en 2, van Richtlijn 2011/16/EU en de aan deze verzoeken gegeven gevolgen, zoals bepaald in artikel 13, lid 3, van die richtlijn, dient in overeenstemming te zijn met bijlage III bij deze verordening.

5.   Het formulier dat moet worden gebruikt voor terugmeldingen op grond van artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU, dient in overeenstemming te zijn met bijlage IV bij deze verordening.

Artikel 2

Geautomatiseerde formaten voor de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen

1.   Het geautomatiseerde formaat dat moet worden gebruikt voor de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU, dient in overeenstemming te zijn met bijlage V bij deze verordening.

2.   Het geautomatiseerde formaat dat moet worden gebruikt voor de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen overeenkomstig artikel 8, lid 3 bis, van Richtlijn 2011/16/EU, dient in overeenstemming te zijn met bijlage VI bij deze verordening.

Artikel 3

Praktische regeling betreffende het gebruik van het CCN-netwerk

1.   De verslagen, verklaringen en andere bescheiden waarnaar wordt verwezen in de inlichtingen die overeenkomstig Richtlijn 2011/16/EU worden verstrekt, kunnen langs andere weg worden verzonden dan via het CCN-netwerk.

2.   Wanneer de in Richtlijn 2011/16/EU bedoelde inlichtingen niet worden uitgewisseld langs elektronische weg via het CCN-netwerk, worden deze inlichtingen, tenzij bilateraal anders is overeengekomen, verstrekt bij brief, die een toelichting op de meegedeelde inlichtingen bevat en is ondertekend door de bevoegde autoriteit die de inlichtingen meedeelt.

Artikel 4

Intrekking

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1156/2012 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2016.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 5

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1.

(2)  Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen (PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15).

(3)  Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1156/2012 van de Commissie van 6 december 2012 tot vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (PB L 335 van 7.12.2012, blz. 42).


BIJLAGE I

Formulier als bedoeld in artikel 1, lid 2

Het formulier voor verzoeken om inlichtingen of om een administratief onderzoek op grond van artikel 5 van Richtlijn 2011/16/EU en voor het desbetreffende antwoord, de ontvangstbevestiging, het verzoek om aanvullende achtergrondinformatie en de mededeling dat aan het verzoek niet kan of zal worden voldaan, zoals bepaald in artikel 7 van Richtlijn 2011/16/EU, bevat de volgende velden (1):

Rechtsgrondslag

Referentienummer

Datum

Identiteit van de verzoekende en de aangezochte autoriteit

Identiteit van de persoon naar wie het onderzoek of de controle is ingesteld

Algemene beschrijving van de zaak en, in voorkomend geval, specifieke achtergrondinformatie aan de hand waarvan het verwachte belang van de gevraagde inlichtingen voor de uitvoering en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 van Richtlijn 2011/16/EU bedoelde belastingen kan worden geëvalueerd

Het fiscale doel waarvoor de informatie wordt opgevraagd

Controletijdvak

Namen en adressen van personen die worden verondersteld in het bezit te zijn van de verlangde informatie

Naleving van de wettelijke verplichting uit hoofde van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU

Naleving van de wettelijke verplichting uit hoofde van artikel 17, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU

Met redenen omkleed verzoek om een bepaald administratief onderzoek en weigeringsgronden voor het verrichten van dat onderzoek

Bevestiging van ontvangst van het verzoek om inlichtingen

Verzoek om aanvullende achtergrondinformatie

Redenen waarom inlichtingen niet kunnen of niet zullen worden verstrekt

Redenen waarom niet aan het verzoek kan worden voldaan binnen de gestelde termijn en datum waarop de aangezochte autoriteit denkt aan het verzoek te kunnen voldoen


(1)  Alleen de velden die in een bepaald geval ook werkelijk zijn ingevuld, moeten op het gebruikte formulier verschijnen.


BIJLAGE II

Formulier als bedoeld in artikel 1, lid 3

Het formulier voor de spontane uitwisseling van inlichtingen en de desbetreffende ontvangstbevestiging, op grond van respectievelijk de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 2011/16/EU, bevat de volgende velden (1):

Rechtsgrondslag

Referentienummer

Datum

Identiteit van de verstrekkende en de ontvangende autoriteit

Identiteit van de persoon waarop de spontane uitwisseling van inlichtingen betrekking heeft

Tijdvak waarop de spontane uitwisseling van inlichtingen betrekking heeft

Naleving van de wettelijke verplichting uit hoofde van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU

Bevestiging van ontvangst van de spontaan verstrekte inlichtingen


(1)  Alleen de velden die in een bepaald geval ook werkelijk zijn ingevuld, moeten op het gebruikte formulier verschijnen.


BIJLAGE III

Formulier als bedoeld in artikel 1, lid 4

Het formulier voor verzoeken tot kennisgeving op grond van artikel 13, leden 1 en 2, van Richtlijn 2011/16/EU en de aan deze verzoeken gegeven gevolgen, zoals bepaald in artikel 13, lid 3, van die richtlijn, bevat de volgende velden (1):

Rechtsgrondslag

Referentienummer

Datum

Identiteit van de verzoekende en de aangezochte autoriteit

Naam en adres van de geadresseerde van de akte of het besluit

Overige informatie ter identificatie van de geadresseerde

Onderwerp van de akte of het besluit

Het door de aangezochte autoriteit aan het verzoek gegeven gevolg overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2011/16/EU, met inbegrip van de datum waarop de akte of het besluit de geadresseerde ter kennis is gebracht


(1)  Alleen de velden die in een bepaald geval ook werkelijk zijn ingevuld, moeten op het gebruikte formulier verschijnen.


BIJLAGE IV

Formulier als bedoeld in artikel 1, lid 5

Het formulier voor terugmeldingen op grond van artikel 14, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU bevat de volgende velden (1):

Referentienummer

Datum

Identiteit van de bevoegde autoriteit die de terugmelding verricht

Algemene feedback over de verstrekte inlichtingen

Resultaten die rechtstreeks samenhangen met de verstrekte inlichtingen


(1)  Alleen de velden die in een bepaald geval ook werkelijk zijn ingevuld, moeten op het gebruikte formulier verschijnen.


BIJLAGE V

Het in artikel 2, lid 1, bedoelde geautomatiseerde formaat

De geautomatiseerde formaten voor de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2011/16/EU zijn opgebouwd volgens de onderstaande boomstructuur en bevatten de volgende klassen van elementen (1):

a)

Wat het bericht als geheel betreft:

Image

b)

Wat de body voor de mededeling van inlichtingen over inkomsten uit dienstbetrekking of tantièmes en presentiegelden betreft:

Image

c)

Wat de body voor de mededeling van inlichtingen over pensioenen betreft:

Image

d)

Wat de body voor de mededeling van inlichtingen over levensverzekeringsproducten betreft:

Image

e)

Wat de body voor de mededeling van inlichtingen over eigendom van en inkomsten uit onroerend goed betreft:

Image

f)

Wat de body betreft wanneer er geen inlichtingen dienen te worden verstrekt met betrekking tot een specifieke categorie:

Image

g)

Wat de body voor de bevestiging van de ontvangst van inlichtingen voor een specifieke categorie betreft:

Image

(1)  Alleen de klassen van elementen die in een concreet geval daadwerkelijk voorhanden en relevant zijn, moeten verschijnen in het geautomatiseerde formaat dat in dat geval wordt gebruikt.


BIJLAGE VI

Het in artikel 2, lid 2, bedoelde geautomatiseerde formaat

Het geautomatiseerde formaat voor de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen overeenkomstig artikel 8, lid 3 bis, van Richtlijn 2011/16/EU is opgebouwd volgens de onderstaande boomstructuur en bevat de volgende elementen en kenmerken (1):

a)

Wat het bericht als geheel betreft:

Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

b)

Wat de voor FATCA en CRS gemeenschappelijke berichtsoorten betreft die in het bericht onder punt a) hierboven zijn gebruikt:

Image Image Image Image

c)

Wat de gemeenschappelijke OESO-berichtsoorten betreft die in het bericht onder punt a) hierboven zijn gebruikt:

Image Image Image

(1)  Alleen de elementen en kenmerken die in een concreet geval daadwerkelijk relevant zijn na toepassing van de in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2011/16/EU opgenomen voorschriften inzake rapportage en due diligence, moeten verschijnen in het geautomatiseerde formaat dat in dat geval wordt gebruikt.


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/46


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2379 VAN DE COMMISSIE

van 16 december 2015

tot afwijking van de Verordeningen (EG) nr. 2305/2003, (EG) nr. 969/2006 en (EG) nr. 1067/2008, Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081, Verordening (EG) nr. 1964/2006, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 en Verordening (EG) nr. 1918/2006 wat betreft de voor 2016 geldende data voor de indiening van invoercertificaataanvragen en de afgifte van invoercertificaten in het kader van de tariefcontingenten voor granen, rijst en olijfolie, en tot afwijking van Verordening (EG) nr. 951/2006 wat betreft de voor 2016 geldende data voor afgifte van uitvoercertificaten in de sectoren buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1095/96 van de Raad van 18 juni 1996 betreffende de tenuitvoerlegging van de concessies in de lijst CXL die is opgesteld naar aanleiding van de voltooiing van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT (1), en met name artikel 1,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (2), en met name artikel 20, onder n), artikel 144, onder g), en artikel 187, onder e),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Verordeningen (EG) nr. 2305/2003 (3), (EG) nr. 969/2006 (4) en (EG) nr. 1067/2008 van de Commissie (5) en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081van de Commissie (6) bevatten bijzondere bepalingen inzake de indiening van certificaataanvragen en de afgifte van certificaten voor de invoer van gerst in het kader van contingent 09.4126, van maïs in het kader van contingent 09.4131, van zachte tarwe van een andere dan van hoge kwaliteit in het kader van de contingenten 09.4123, 09.4124, 09.4125 en 09.4133 en van bepaalde granen van oorsprong uit Oekraïne in het kader van de contingenten 09.4306, 09.4307 en 09.4308.

(2)

Verordening (EG) nr. 1964/2006 van de Commissie (7) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 van de Commissie (8) bevatten bijzondere bepalingen inzake de indiening van certificaataanvragen en de afgifte van certificaten voor de invoer van rijst van oorsprong uit Bangladesh in het kader van contingent 09.4517 en van breukrijst in het kader van contingent 09.4079.

(3)

Verordening (EG) nr. 1918/2006 van de Commissie (9) bevat bijzondere bepalingen inzake de indiening van certificaataanvragen en de afgifte van certificaten voor de invoer van olijfolie van oorsprong uit Tunesië in het kader van het beschikbare contingent.

(4)

Met het oog op de inachtneming van de betrokken contingenthoeveelheden moeten, in verband met de officiële feestdagen in 2016, voor bepaalde perioden data voor de indiening van invoercertificaataanvragen en de afgifte van invoercertificaten worden vastgesteld die afwijken van de Verordeningen (EG) nr. 2305/2003, (EG) nr. 969/2006 en (EG) nr. 1067/2008 en van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081, Verordening (EG) nr. 1964/2006, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 en Verordening (EG) nr. 1918/2006.

(5)

In artikel 7 quinquies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie (10) is bepaald dat de uitvoercertificaten voor buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose worden afgegeven vanaf de vrijdag die volgt op de week waarin de certificaataanvragen zijn ingediend, voor zover de Commissie intussen geen bijzondere maatregel heeft genomen.

(6)

In verband met de officiële feestdagen in 2016 en de gevolgen daarvan voor de verschijning van het Publicatieblad van de Europese Unie is de periode tussen de indiening van de aanvragen en de dag waarop de certificaten moeten worden afgegeven, te kort om een goed beheer van de markt te kunnen garanderen. Die periode dient derhalve te worden verlengd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Granen

1.   In afwijking van artikel 3, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 2305/2003 mogen voor 2016 geen aanvragen voor invoercertificaten voor gerst in het kader van contingent 09.4126 worden ingediend vóór maandag 4 januari 2016 en na vrijdag 16 december 2016, om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel).

2.   In afwijking van artikel 3, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 2305/2003 worden voor 2016 de invoercertificaten voor gerst in het kader van contingent 09.4126 waarvoor de aanvragen in de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde perioden worden ingediend, afgegeven op de in die bijlage vermelde overeenkomstige datum, onder voorbehoud van overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (11) genomen maatregelen.

3.   In afwijking van artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 969/2006 mogen voor 2016 geen aanvragen voor invoercertificaten voor maïs in het kader van contingent 09.4131 worden ingediend vóór maandag 4 januari 2016 en na vrijdag 16 december 2016, om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel).

4.   In afwijking van artikel 4, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 969/2006 worden voor 2016 de invoercertificaten voor maïs in het kader van contingent 09.4131 waarvoor de aanvragen in de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde perioden worden ingediend, afgegeven op de in die bijlage vermelde overeenkomstige datum, onder voorbehoud van overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 genomen maatregelen.

5.   In afwijking van artikel 4, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1067/2008 mogen voor 2016 geen aanvragen voor invoercertificaten voor zachte tarwe van een andere dan van hoge kwaliteit in het kader van de contingenten 09.4123, 09.4124, 09.4125 en 09.4133 worden ingediend vóór maandag 4 januari 2016 en na vrijdag 16 december 2016, om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel).

6.   In afwijking van artikel 4, lid 4, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1067/2008 worden voor 2016, de invoercertificaten voor zachte tarwe van een andere dan van hoge kwaliteit in het kader van de contingenten 09.4123, 09.4124, 09.4125 en 09.4133 waarvoor de aanvragen in de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde perioden worden ingediend, afgegeven op de in die bijlage vermelde overeenkomstige datum, onder voorbehoud van overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 genomen maatregelen.

7.   In afwijking van artikel 2, lid 1, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081 mogen voor 2016 geen aanvragen voor invoercertificaten voor granen van oorsprong uit Oekraïne in het kader van de contingenten 09.4306, 09.4307 en 09.4308 worden ingediend vóór maandag 4 januari 2016 en na vrijdag 16 december 2016, om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel).

8.   In afwijking van artikel 2, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081 worden voor 2016 de invoercertificaten voor granen van oorsprong uit Oekraïne in het kader van de contingenten 09.4306, 09.4307 en 09.4308 waarvoor de aanvragen in de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde perioden worden ingediend, afgegeven op de in die bijlage vermelde overeenkomstige datum, onder voorbehoud van overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 genomen maatregelen.

Artikel 2

Rijst

1.   In afwijking van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1964/2006 mogen voor 2016 geen aanvragen voor invoercertificaten voor rijst van oorsprong uit Bangladesh in het kader van contingent 09.4517 worden ingediend vóór maandag 4 januari 2016 en na vrijdag 9 december 2016, om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel).

2.   In afwijking van artikel 2, lid 1, derde alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 mogen voor 2016 geen aanvragen voor invoercertificaten voor breukrijst in het kader van contingent 09.4079 worden ingediend vóór maandag 4 januari 2016 en na vrijdag 9 december 2016, om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel).

Artikel 3

Olijfolie

1.   In afwijking van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1918/2006 mogen geen aanvragen voor invoercertificaten voor olijfolie van oorsprong uit Tunesië meer worden ingediend na dinsdag 13 december 2016.

2.   In afwijking van artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1918/2006 worden de invoercertificaten voor olijfolie van oorsprong uit Tunesië die in de in bijlage II bij de onderhavige verordening vermelde perioden zijn aangevraagd, afgegeven op de eveneens in die bijlage vermelde bijbehorende datum, onder voorbehoud van overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 genomen maatregelen.

Artikel 4

Buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose

In afwijking van artikel 7 quinquies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 951/2006 worden de uitvoercertificaten voor buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose waarvoor de aanvragen in de in bijlage III bij de onderhavige verordening vermelde perioden worden ingediend, afgegeven op de in die bijlage vermelde overeenkomstige datum, in voorkomend geval rekening houdend met de in artikel 9, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde bijzondere maatregelen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij vervalt op 10 januari 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 december 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 146 van 20.6.1996, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(3)  Verordening (EG) nr. 2305/2003 van de Commissie van 29 december 2003 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van gerst uit derde landen (PB L 342 van 30.12.2003, blz. 7).

(4)  Verordening (EG) nr. 969/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van maïs uit derde landen (PB L 176 van 30.6.2006, blz. 44).

(5)  Verordening (EG) nr. 1067/2008 van de Commissie van 30 oktober 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van zachte tarwe van een andere dan van hoge kwaliteit uit derde landen en tot afwijking van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (gecodificeerde versie) (PB L 290 van 31.10.2008, blz. 3).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2081van de Commissie van 18 november 2015 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten voor de invoer van bepaalde granen van oorsprong uit Oekraïne (PB L 302 van 19.11.2015, blz. 81).

(7)  Verordening (EG) nr. 1964/2006 van de Commissie van 22 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de opening en de wijze van beheer van een contingent voor de invoer van rijst van oorsprong uit Bangladesh overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3491/90 van de Raad (PB L 408 van 30.12.2006, blz. 19).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 480/2012 van de Commissie van 7 juni 2012 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor breukrijst van GN-code 1006 40 00, voor de productie van voor voeding bestemde bereidingen van GN-code 1901 10 00 (PB L 148 van 8.6.2012, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 1918/2006 van de Commissie van 20 december 2006 inzake de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor olijfolie van oorsprong uit Tunesië (PB L 365 van 21.12.2006, blz. 84).

(10)  Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24).

(11)  Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).


BIJLAGE I

Periode voor de indiening van aanvragen voor invoercertificaten voor granen

Datum van afgifte

Vrijdag 18 maart vanaf 13 uur tot vrijdag 25 maart 2016 om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel)

De eerste werkdag vanaf maandag 4 april 2016

Vrijdag 21 oktober vanaf 13 uur tot vrijdag 28 oktober 2016 om 13 uur (plaatselijke tijd Brussel)

De eerste werkdag vanaf maandag 7 november 2016


BIJLAGE II

Periode voor de indiening van aanvragen voor invoercertificaten voor olijfolie

Datum van afgifte

maandag 21 of dinsdag 22 maart 2016

De eerste werkdag vanaf vrijdag 1 april 2016

maandag 2 of dinsdag 3 mei 2016

De eerste werkdag vanaf vrijdag 13 mei 2016

maandag 9 of dinsdag 10 mei 2016

De eerste werkdag vanaf woensdag 18 mei 2016

maandag 18 of dinsdag 19 juli 2016

De eerste werkdag vanaf woensdag 27 juli 2016

maandag 8 of dinsdag 9 augustus 2016

De eerste werkdag vanaf woensdag 17 augustus 2016

maandag 24 of dinsdag 25 oktober 2016

De eerste werkdag vanaf donderdag 3 november 2016


BIJLAGE III

Periode voor de indiening van aanvragen voor uitvoercertificaten voor buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose

Datum van afgifte

van maandag 24 tot en met vrijdag 28 oktober 2016

De eerste werkdag vanaf dinsdag 8 november 2016

van maandag 19 tot en met vrijdag 23 december 2016

De eerste werkdag vanaf vrijdag 6 januari 2017


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/50


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2380 VAN DE COMMISSIE

van 16 december 2015

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 december 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3 bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 10

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren

130,1

0

AR

0207 12 90

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren

154,5

145,7

0

0

AR

BR

0207 14 10

Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren

286,0

197,1

343,8

219,0

4

32

0

24

AR

BR

CL

TH

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

329,9

244,7

0

16

BR

CL

0408 91 80

Eieren uit de schaal, gedroogd

431,0

0

AR

1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

225,1

19

BR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.”


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/52


VERORDENING (EU) 2015/2381 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS), wat de indiening van tijdreeksen voor de nieuwe regionale indeling betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (1), en met name artikel 5, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1059/2003 vormt het rechtskader voor de regionomenclatuur, zodat geharmoniseerde statistieken voor de regio's in de Unie kunnen worden verzameld, opgesteld en verspreid.

(2)

Op grond van artikel 5, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1059/2003 moet, wanneer de NUTS-nomenclatuur wordt gewijzigd, de betrokken lidstaat de Commissie de tijdreeksen voor de nieuwe regionale indeling toezenden ter vervanging van de reeds toegezonden gegevens. De lijst en de lengte van de tijdreeksen worden door de Commissie vastgesteld, waarbij zij erop let of het toezenden van dergelijke gegevensreeksen haalbaar is. Deze tijdreeksen moeten binnen twee jaar na de wijziging van de NUTS-nomenclatuur beschikbaar worden gesteld.

(3)

De NUTS-nomenclatuur is gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1319/2013 van de Commissie (2) met ingang van 1 januari 2015 en bij Verordening (EU) nr. 868/2014 van de Commissie (3) met ingang van 1 januari 2016.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten zenden de Commissie de tijdreeksen voor de nieuwe regionale indeling toe in overeenstemming met de lijst in de bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1319/2013 van de Commissie van 9 december 2013 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 342 van 18.12.2013, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 868/2014 van de Commissie van 8 augustus 2014 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 241 van 13.8.2014, blz. 1).


BIJLAGE

Jaar met ingang waarvan de tijdreeksen moeten worden ingediend, per statistisch domein

Domein

NUTS-niveau 2

NUTS-niveau 3

Landbouw — landbouwrekeningen

2007 (1)

 

Landbouw — dierlijke productie

2010

 

Landbouw — plantaardige productie

2007

 

Landbouw — melkproductie

2010

 

Landbouw — structuur van de landbouwbedrijven

2010

2010 (1)

Demografie — bevolking, levendgeborenen, overledenen

1990 (2)

1990 (2)

Arbeidsmarkt — werkgelegenheid, werkloosheid

2010

2010 (1)

Milieu — afvalverwerkingsinstallaties

2010

 

Gezondheid — doodsoorzaken

1994 (3)

 

Gezondheid — infrastructuur

1993 (1)

 

Gezondheid — patiënten

2000 (1)

 

Informatiemaatschappij

2010 (1)

 

Regionale economische rekeningen — rekeningen van de huishoudens

2000

 

Regionale economische rekeningen — regionale rekeningen

2000

2000

Wetenschap en technologie — uitgaven en personeel voor O&O

2011

 

Toerisme

2012

 


(1)  Indiening is niet verplicht.

(2)  Indiening is niet verplicht voor de referentiejaren 1990 tot en met 2012.

(3)  Indiening is niet verplicht voor de referentiejaren 1994 tot en met 2010.


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/54


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2382 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot verlening van een vergunning voor het preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604), als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen en legvogels van minder gangbare pluimveesoorten (vergunninghouder Kerry Ingredients and Flavours)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor het preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604). De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten zijn bij de aanvraag gevoegd.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor het preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor legkippen en legvogels van minder gangbare pluimveesoorten in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

Het gebruik van het preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604), is voor een periode van tien jaar toegestaan voor mestkippen bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 237/2012 van de Commissie (2), en voor opfokleghennen en voor mestvogels van minder gangbare pluimveesoorten bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1365/2013 van de Commissie (3).

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 28 april 2015 (4) geconcludeerd dat onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden het preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604), geen ongunstige effecten voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft en dat het het gewicht van de eieren van legkippen kan verhogen. Aangezien ervan kan worden uitgegaan dat de werking dezelfde is, kan deze conclusie ook op legvogels van minder gangbare pluimveesoorten worden toegepast. Specifieke voorschriften voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van het preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604), blijkt dat aan de voorwaarden voor vergunningverlening van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „verteringsbevorderaars”, wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 237/2012 van de Commissie van 19 maart 2012 tot verlening van een vergunning voor alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22) geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94) en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen (vergunninghouder Kerry Ingredients and Flavours) (PB L 80 van 20.3.2012, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1365/2013 van de Commissie van 18 december 2013 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van alfa-galactosidase, geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase, geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604), als toevoegingsmiddel voor voeder voor mestvogels van minder gangbare pluimveesoorten en voor opfokleghennen (vergunninghouder Kerry Ingredients and Flavours) (PB L 343 van 19.12.2013, blz. 31).

(4)  EFSA Journal (2015); 13(5):4107.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Activiteitseenheden/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars.

4a17

Kerry Ingredients and Flavours

Alfa-galactosidase

(EC 3.2.1.22)

Endo-1,4-bèta-glucanase

(EC 3.2.1.4)

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van alfa-galactosidase (EC 3.2.1.22), geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase (EC 3.2.1.4), geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604), vast, met een minimale activiteit van:

1 000 U (1) alfa-galactosidase/g,

5 700 U (2) endo-1,4-bèta-glucanase/g.

Karakterisering van de werkzame stof

Alfa-galactosidase, geproduceerd door Saccharomyces cerevisiae (CBS 615.94), en endo-1,4-bèta-glucanase, geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 120604)

Analysemethode  (3)

Bepaling:

colorimetrische methode die het p-nitrofenol meet dat door inwerking van alfa-galactosidase wordt vrijgemaakt uit p-nitrofenyl-alfa-galactopyranosidesubstraat;

colorimetrische methode die de in water oplosbare kleurstof meet die door inwerking van endo-1,4-bèta-glucanase wordt vrijgemaakt uit met azurine vernette gerstbètaglucansubstraten.

Legkippen

100 U alfa-galactosidase

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel worden de opslagtemperatuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermeld.

2.

Aanbevolen maximale dosis:

100 U alfa-galactosidase/kg,

570 U endo-1,4-bèta-glucanase/kg.

3.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

7 januari 2026

Legvogels van minder gangbare pluimveesoorten

570 U endo-1,4-bèta-glucanase


(1)  1 U is de hoeveelheid enzym die bij een pH van 5,0 en een temperatuur van 37 °C per minuut 1 μmol p-nitrofenol vrijmaakt uit p-nitrofenyl-alfa-galactopyranoside (pNPG).

(2)  1 U is de hoeveelheid enzym die bij een pH van 5,0 en een temperatuur van 50 °C 1 mg reducerende suikers (glucose-equivalent) per minuut vrijmaakt uit bèta-glucan.

(3)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/57


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2383 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 wat betreft de lijst van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die aan meer uitgebreide officiële controles op de invoer worden onderworpen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 15, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie (2) bevat voorschriften voor de meer uitgebreide officiële controles die moeten worden uitgevoerd op de invoer van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die zijn opgenomen in de lijst van bijlage I bij die Verordening („de lijst”) op de punten van binnenkomst op de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 882/2004 vermelde grondgebieden.

(2)

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 669/2009 is bepaald dat de lijst regelmatig en ten minste op kwartaalbasis moet worden herzien, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met de in dat artikel vermelde informatiebronnen.

(3)

Uit de frequentie en de relevantie van de recente incidenten met levensmiddelen die via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders zijn gemeld, de bevindingen van de controles door het Voedsel- en Veterinair Bureau in derde landen en de door de lidstaten overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 669/2009 bij de Commissie ingediende driemaandelijkse verslagen over zendingen van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong blijkt dat de lijst moet worden gewijzigd.

(4)

De lijst moet met name worden gewijzigd door de vermeldingen te schrappen voor goederen die volgens de beschikbare informatie over het algemeen in toereikende mate aan de desbetreffende veiligheidsvoorschriften van de EU-wetgeving voldoen en waarvoor meer uitgebreide officiële controles bijgevolg niet langer nodig zijn. De vermelding in de lijst voor tafeldruiven uit Peru moet derhalve worden geschrapt.

(5)

Met het oog op samenhang en duidelijkheid moet bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 worden vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

(6)

Verordening (EG) nr. 669/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong en tot wijziging van Beschikking 2006/504/EG (PB L 194 van 25.7.2009, blz. 11).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

Diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die aan meer uitgebreide officiële controles op het aangewezen punt van binnenkomst worden onderworpen

Diervoeders en levensmiddelen

(beoogd gebruik)

GN-code (1)

Taric-onderverdeling

Land van oorsprong

Risico

Frequentie van materiële en overeenstemmingscontroles (%)

Gedroogde druiven

0806 20

 

Afghanistan (AF)

Ochratoxine A

50

(Levensmiddelen)

 

 

Amandelen in de dop

0802 11

 

Australië (AU)

Aflatoxinen

20

Amandelen zonder dop

0802 12

 

(Levensmiddelen)

 

 

Grondnoten in de dop

1202 41 00

 

Brazilië (BR)

Aflatoxinen

10

Grondnoten, gedopt

1202 42 00

 

Pindakaas

2008 11 10

 

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91;

2008 11 96;

2008 11 98

 

(Diervoeders en levensmiddelen)

 

 

Kousenband

(Vigna unguiculata spp. sesquipedalis)

ex 0708 20 00;

ex 0710 22 00

10

10

Cambodja (KH)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (3)

50

Aubergines

0709 30 00;

 

ex 0710 80 95

72

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

 

 

Chinese bleekselderij (Apium graveolens)

ex 0709 40 00

20

Cambodja (KH)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (4)

50

(Levensmiddelen — verse of gekoelde kruiden)

 

 

Brassica oleracea

(andere eetbare kool van het geslacht Brassica, „Chinese broccoli”) (5)

ex 0704 90 90

40

China (CN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)

50

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 

Thee, ook indien gearomatiseerd

0902

 

China (CN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (6)

10

(Levensmiddelen)

 

 

Aubergines

0709 30 00;

 

Dominicaanse Republiek (DO)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (7)

10

ex 0710 80 95

72

Bittermeloen (Momordica charantia)

ex 0709 99 90;

ex 0710 80 95

70

70

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

 

 

Kousenband

(Vigna unguiculata spp. sesquipedalis)

ex 0708 20 00;

ex 0710 22 00

10

10

Dominicaanse Republiek (DO)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (7)

20

Pepers (niet-scherpsmakende en andere) (Capsicum spp.)

0709 60 10;

0710 80 51

 

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

ex 0709 60 99;

ex 0710 80 59

20

20

Aardbeien (vers)

0810 10 00

 

Egypte (EG)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (8)

10

(Levensmiddelen)

 

 

Pepers (niet-scherpsmakende en andere) (Capsicum spp.)

0709 60 10;

0710 80 51

 

Egypte (EG)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (9)

10

(Levensmiddelen — vers, gekoeld of bevroren)

ex 0709 60 99;

ex 0710 80 59

20

20

Grondnoten in de dop

1202 41 00

 

Gambia (GM)

Aflatoxinen

50

Grondnoten, gedopt

1202 42 00

 

Pindakaas

2008 11 10

 

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91;

2008 11 96;

2008 11 98

 

(Diervoeders en levensmiddelen)

 

 

Betelbladeren (Piper betle L.)

ex 1404 90 00

10

India (IN)

Salmonella (10)

50

(Levensmiddelen)

 

 

Sesamzaad

1207 40 90

 

India (IN)

Salmonella (10)

20

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 

Capsicum annuum, geheel

0904 21 10

 

India (IN)

Aflatoxinen

20

Capsicum annuum, fijngemaakt of gemalen

ex 0904 22 00

10

Andere gedroogde vruchten van het geslacht Capsicum dan niet-scherpsmakende pepers (Capsicum annuum), geheel

0904 21 90

 

Nootmuskaat

(Myristica fragrans)

0908 11 00;

0908 12 00

 

(Levensmiddelen — gedroogde specerijen)

 

 

Enzymen; bereidingen van enzymen

3507

 

India (IN)

Chlooramfenicol

50

(Diervoeders en levensmiddelen)

 

 

Nootmuskaat

(Myristica fragrans)

0908 11 00;

0908 12 00

 

Indonesië (ID)

Aflatoxinen

20

(Levensmiddelen — gedroogde specerijen)

 

 

Erwten met peul (niet gedopt)

ex 0708 10 00

40

Kenia (KE)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (11)

10

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 

Frambozen

0811 20 31;

 

Servië (RS)

Norovirus

10

(Levensmiddelen — bevroren)

ex 0811 20 11;

ex 0811 20 19

10

10

Zaden van watermeloenen (Egusi, Citrullus lanatus) en afgeleide producten

ex 1207 70 00;

ex 1106 30 90;

ex 2008 99 99

10

30

50

Sierra Leone (SL)

Aflatoxinen

50

(Levensmiddelen)

 

 

Grondnoten in de dop

1202 41 00

 

Sudan (SD)

Aflatoxinen

50

Grondnoten, gedopt

1202 42 00

 

Pindakaas

2008 11 10

 

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91;

2008 11 96;

2008 11 98

 

(Diervoeders en levensmiddelen)

 

 

Pepers (andere dan niet-scherpsmakende) (Capsicum spp.)

ex 0709 60 99

20

Thailand (TH)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (12)

10

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 

Kousenband

(Vigna unguiculata spp. sesquipedalis)

ex 0708 20 00;

ex 0710 22 00

10

10

Thailand (TH)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (13)

20

Aubergines

0709 30 00;

 

ex 0710 80 95

72

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

 

 

Gedroogde abrikozen

0813 10 00

 

Turkije (TR)

Sulfieten (14)

10

Abrikozen, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 50 61

 

(Levensmiddelen)

 

 

Niet-scherpsmakende pepers (Capsicum annuum)

0709 60 10;

0710 80 51

 

Turkije (TR)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (15)

10

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

 

 

Wijnstokbladeren (druivenbladeren)

ex 2008 99 99

11; 19

Turkije (TR)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (16)

50

(Levensmiddelen)

 

 

Pistaches in de dop

0802 51 00

 

Verenigde Staten (US)

Aflatoxinen

20

Pistaches zonder dop

0802 52 00

 

(Levensmiddelen)

 

 

Gedroogde abrikozen

0813 10 00

 

Oezbekistan (UZ)

Sulfieten (14)

50

Abrikozen, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 50 61

 

(Levensmiddelen)

 

 

Korianderblad

ex 0709 99 90

72

Vietnam (VN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (17)

50

Basilicum (heilig, zoet)

ex 1211 90 86;

ex 2008 99 99

20

75

Munt

ex 1211 90 86;

ex 2008 99 99

30

70

Peterselie

ex 0709 99 90

40

(Levensmiddelen — verse of gekoelde kruiden)

 

 

Okra's

ex 0709 99 90

20

Vietnam (VN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (17)

50

Pepers (andere dan niet-scherpsmakende) (Capsicum spp.)

ex 0709 60 99

20

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 

Pitahaya's (drakenvruchten)

ex 0810 90 20

10

Vietnam (VN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (2)  (17)

20

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 


(1)  Indien slechts bepaalde onder een GN-code vallende producten behoeven te worden onderzocht en geen specifieke onderverdeling voor die code bestaat, wordt de GN-code voorafgegaan door „ex”.

(2)  Residuen van ten minste die bestrijdingsmiddelen die in het overeenkomstig artikel 29, lid 2, van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1) vastgestelde controleprogramma zijn opgenomen en die kunnen worden geanalyseerd met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS (controle op bestrijdingsmiddelen alleen in/op producten van plantaardige oorsprong).

(3)  Residuen van chloorbufam.

(4)  Residuen van fenthoaat.

(5)  Soorten van Brassica oleracea L. convar. botrytis (L.) Alef. var. Italica Plenck, cultivar Alboglabra. Ook bekend als „kai lan”, „gai lan”, „gailan”, „kailan”, „Chinese bloemkool”, „jielan”.

(6)  Residuen van trifluralin.

(7)  Residuen van acefaat, aldicarb (som van aldicarb, het sulfoxide en het sulfon daarvan, uitgedrukt als aldicarb), amitraz (amitraz met inbegrip van alle metabolieten die het 2,4-dimethylaniline-gedeelte bevatten, uitgedrukt als amitraz), diafenthiuron, dicofol (som van p,p′- en o,p′-isomeren), dithiocarbamaten (dithiocarbamaten uitgedrukt als CS2, inclusief maneb, mancozeb, metiram, propineb, thiram en ziram) en methiocarb (som van methiocarb en methiocarbsulfoxide en -sulfon, uitgedrukt als methiocarb).

(8)  Residuen van hexaflumuron, methiocarb (som van methiocarb en methiocarbsulfoxide en -sulfon, uitgedrukt als methiocarb), fenthoaat en thiofanaat-methyl.

(9)  Residuen van dicofol (som van p,p′- en o,p′-isomeren), dinotefuran, folpet, prochloraz (som van prochloraz en de metabolieten daarvan die het 2,4,6-trichloorfenolgedeelte bevatten, uitgedrukt als prochloraz), thiofanaat-methyl en triforine.

(10)  Referentiemethode EN/ISO 6579 of een ten opzichte van die methode gevalideerde methode overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1).

(11)  Residuen van acefaat en diafenthiuron.

(12)  Residuen van formetanaat: som van formetanaat en zouten daarvan, uitgedrukt als formetanaat(hydrochloride), prothiofos en triforine.

(13)  Residuen van acefaat, dicrotofos, prothiofos, quinalfos en triforine.

(14)  Referentiemethoden: EN 1988-1:1998, EN 1988-2:1998 of ISO 5522:1981.

(15)  Residuen van diafenthiuron, formetanaat: som van formetanaat en zouten daarvan, uitgedrukt als formetanaat(hydrochloride) en thiofanaat-methyl.

(16)  Residuen van dithiocarbamaten (dithiocarbamaten uitgedrukt als CS2, inclusief maneb, mancozeb, metiram, propineb, thiram en ziram) en metrafenon.

(17)  Residuen van dithiocarbamaten (dithiocarbamaten uitgedrukt als CS2, inclusief maneb, mancozeb, metiram, propineb, thiram en ziram), fenthoaat en quinalfos.”


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/63


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2384 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit Brazilië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Naar aanleiding van een antidumpingonderzoek („het oorspronkelijke onderzoek”) heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 925/2009 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China („de VRC” of „China”).

(2)

De maatregelen bestonden in een ad-valoremrecht van 13,4 % op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, van 17,6 % op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Brazilië en van 30 % op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de VRC, met uitzondering van Alcoa (Shanghai) Aluminium Products Co., Ltd (6,4 %), Alcoa (Bohai) Aluminium Industries Co., Ltd (6,4 %), Shandong Loften Aluminium Foil Co., Ltd (20,3 %) en Zhenjiang Dingsheng Aluminium Co., Ltd (24,2 %).

(3)

Een door een Braziliaanse producent-exporteur aangeboden verbintenis werd door de Commissie aanvaard bij Besluit 2009/736/EG (3).

2.   Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen

(4)

Na de bekendmaking van een bericht dat de geldende antidumpingmaatregelen op korte termijn zouden vervallen (4), heeft de Commissie een op artikel 11, lid 2, van de basisverordening gebaseerd verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen ten aanzien van Brazilië en de VRC ontvangen.

(5)

Het verzoek werd ingediend door AFM Aluminiumfolie Merseburg GmbH, Alcomet AD, Eurofoil Luxembourg SA, Hydro Aluminium Rolled Products GmbH, Impol d.o.o. en Symetal SA („de indieners van het verzoek”), namens producenten die goed zijn voor meer dan 25 % van de totale productie in de Unie van bepaald bladaluminium.

(6)

Het verzoek was gebaseerd op de overweging dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van dumping en schade voor de bedrijfstak van de Unie.

(7)

De indieners van het verzoek hebben niet verzocht om de opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van oorsprong uit Armenië. Derhalve zijn deze maatregelen op 7 oktober 2014 vervallen (5).

3.   Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen

(8)

Daar de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 4 oktober 2014 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (6) („bericht van opening”) de opening van een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd.

4.   Parallel antidumpingonderzoek

(9)

Ook heeft de Commissie op 8 oktober 2014 de opening aangekondigd van een antidumpingonderzoek op grond van artikel 5 van de basisverordening met betrekking tot de invoer in de Unie van bepaalde aluminiumfolie van oorsprong uit Rusland (7) („parallel onderzoek”).

(10)

In het kader van dat onderzoek heeft de Commissie in juli 2015 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1081 (8) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Rusland. De voorlopige maatregelen werden ingesteld voor een periode van zes maanden.

(11)

Op 17 december 2015 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2385 (9) een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Rusland.]

(12)

De twee parallelle onderzoeken hadden betrekking op hetzelfde tijdvak van het nieuwe onderzoek en op dezelfde beoordelingsperiode als omschreven in overweging 13.

5.   Onderzoek

5.1.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(13)

Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2013 tot en met 30 september 2014 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek („de beoordelingsperiode”).

5.2.   Bij het onderzoek en de steekproef betrokken partijen

(14)

De Commissie heeft de indieners van het verzoek, de overige haar bekende producenten in de Unie, de producenten-exporteurs in Brazilië en de VRC, de haar bekende importeurs, de gebruikers en handelaren waarvan bekend is dat zij betrokken zijn alsmede de vertegenwoordigers van de landen van uitvoer officieel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen.

(15)

De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(16)

In haar bericht van opening heeft de Commissie aangekondigd dat zij mogelijk een steekproef van de producenten-exporteurs in de VRC, de producenten in de Unie en de niet-verbonden importeurs zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. Er werd niet in een steekproef van de producenten-exporteurs in Brazilië voorzien.

Steekproef van producenten-exporteurs in de VRC

(17)

Van de twaalf bekende Chinese producenten hebben er twee de vragenlijst met het oog op de samenstelling van de steekproef beantwoord. Gezien het beperkte aantal medewerkende ondernemingen was het niet nodig een steekproef samen te stellen.

Steekproef van producenten in de Unie

(18)

In haar bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening had de Commissie de steekproef samengesteld op basis van de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheden. De steekproef bestond uit zes producenten in de Unie en hun verbonden ondernemingen, aangezien de interne structuur van de groepen met betrekking tot de productie en de wederverkoop van het onderzochte product bij het begin van het onderzoek onduidelijk was. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie namen meer dan 70 % van de totale productie in de Unie voor hun rekening. De Commissie heeft de belanghebbenden om opmerkingen over de voorlopige steekproef verzocht. Er zijn binnen de vastgestelde uiterste termijn geen opmerkingen ontvangen. Bijgevolg is de voorlopige steekproef bevestigd. De steekproef wordt representatief geacht voor de bedrijfstak van de Unie.

(19)

In maart 2015 heeft een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie al zijn activiteiten, met inbegrip van apparatuur, licenties, verplichtingen betreffende werknemers en bestaande contracten, aan een nieuwe onderneming verkocht. Deze wijziging heeft plaatsgevonden na het onderzoektijdvak, zodat zij niet van belang is voor het onderzoek overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de basisverordening.

Steekproef van niet-verbonden importeurs

(20)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te kunnen stellen, heeft de Commissie alle niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken.

(21)

Bij de opening van het onderzoek heeft zij contact opgenomen met veertien haar bekende importeurs/gebruikers. Hun is verzocht hun activiteit toe te lichten en het bij het bericht van opening gevoegde steekproefformulier in voorkomend geval in te vullen.

(22)

Vijf ondernemingen hebben het steekproefformulier ingevuld. Bij vier daarvan ging het om herwikkelaars, d.w.z. industriële gebruikers die het betrokken product invoerden voor verdere verwerking en het daarna doorverkochten, en één was een handelaar die het betrokken product in de beoordelingsperiode evenwel niet invoerde. Gezien het beperkte aantal ondernemingen dat op het steekproefformulier heeft gereageerd, was er geen reden voor een steekproef.

(23)

Er hebben zich nog twee andere gebruikers gemeld. Aan hen is een vragenlijst voor gebruikers gezonden.

Vragenlijsten en samenwerking

(24)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd.

(25)

Zij heeft een vragenlijst gestuurd naar de zes in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en hun verbonden ondernemingen, twee Braziliaanse producenten-exporteurs, twee Chinese producenten-exporteurs, één handelaar en de bovengenoemde zes bekende gebruikers in de Unie.

(26)

De vragenlijst is ingevuld teruggestuurd door alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en drie gebruikers.

(27)

Twee Chinese producenten-exporteurs en één Braziliaanse producent hebben de vragenlijst beantwoord. Een tweede Braziliaanse producent had aanvankelijk te kennen gegeven aan het onderzoek te willen meewerken, maar heeft de vragenlijst niet beantwoord. Bijgevolg is deze onderneming per brief meegedeeld dat de Commissie voornemens was artikel 18 van de basisverordening toe te passen. De onderneming heeft geantwoord dat zij de vragenlijst niet zal invullen, maar dat haar standpunt zal worden vertegenwoordigd door de Braziliaanse Vereniging van aluminiumproducenten (Associação Brasileira do Aluminió, „ABAL”). Daarnaast heeft ABAL schriftelijke opmerkingen ingediend.

Controlebezoeken

(28)

Krachtens artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen:

 

Producenten in de Unie:

Aluminiumfolie Merseburg GmbH, Merseburg, Duitsland

Alcomet AD, Schumen, Bulgarije

Eurofoil Luxembourg SA, Dudelange, Luxemburg, en haar verbonden onderneming Eurofoil France SAS, Rugles, Frankrijk

Hydro Aluminium Slim S.p.a., Cisterna di Latina, Italië

Impol d.o.o., Maribor, Slovenië

Symetal SA, Athene, Griekenland

 

Gebruikers:

Cofresco Frischhalteproducte GmbH & Co KG, Minden, Duitsland

Sphere Group, Parijs, Frankrijk

 

Producent-exporteur in Brazilië:

Companhia Brasileira de Aluminio (CBA), São Paulo, Brazilië

 

Producenten-exporteurs in de VRC:

Zhenjiang Dingsheng Aluminium Industries Joint-Stock Limited Company, Zhenjiang, VRC, en haar verbonden onderneming Hangzhou Five Star Aluminium Company, Hangzhou, VRC; Hangzhou Dinsheng Import & Export, Hangzhou, VRC, en Dingsheng Aluminium Industries (Hongkong) Trading Co, Hongkong

Nanshan Light Alloy co. Ltd, Yantai, VRC

 

Producenten in het land met een markteconomie:

Assan Alüminyum San. ve Tic. A.S, Istanbul, Turkije

Panda Aluminium Inc. Co., Ankara, Turkije.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(29)

Bij het betrokken product gaat het om bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg („jumborollen”), momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910) en van oorsprong uit Brazilië en de VRC („het betrokken product”). Het betrokken product is algemeen bekend als aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik („AFH”).

(30)

AFH wordt vervaardigd op basis van zuiver aluminium, dat eerst in dikke strippen (met een dikte van enkele millimeter, d.w.z. tot 1 000 keer dikker dan het betrokken product) wordt gegoten en vervolgens in verschillende fasen tot de gewenste dikte wordt gewalst. Na het walsen wordt het bladaluminium tijdens een thermisch procedé uitgegloeid en uiteindelijk op rollen gewikkeld.

(31)

Deze rollen AFH worden verder op kleinere rollen gewikkeld door verwerkende ondernemingen, de zogenoemde herwikkelaars. Het verkregen product (d.w.z. consumentenrollen waarbij het niet om het betrokken product gaat) wordt gebruikt voor tal van kortetermijnverpakkingstoepassingen (hoofdzakelijk voor huishoudelijk gebruik, catering en de levensmiddelen- en bloemenkleinhandel).

2.   Soortgelijk product

(32)

Uit het onderzoek is gebleken dat het betrokken product, het product dat in Brazilië en de VRC wordt vervaardigd en aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht, het product dat in Turkije — dat als referentieland werd gebruikt — wordt vervaardigd en aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht alsmede het in de Unie door de bedrijfstak van de Unie vervaardigde en verkochte product dezelfde fysieke, chemische en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt.

(33)

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat deze producten soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening zijn.

C.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

(34)

Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van dumping uit Brazilië en de VRC waarschijnlijk is indien de bestaande maatregelen komen te vervallen.

1.   Brazilië

(35)

Eén producent uit Brazilië heeft medewerking verleend aan het onderzoek. Vóór de instelling van de oorspronkelijke maatregelen nam deze de totale uitvoer van AFH uit Brazilië naar de Unie voor zijn rekening.

1.1.   Geen uitvoer in het tijdvak van het nieuwe onderzoek

(36)

In het tijdvak van het nieuwe onderzoek heeft geen uitvoer van AFH uit Brazilië naar de Unie plaatsgevonden. Voortzetting van de dumping uit Brazilië is derhalve niet waarschijnlijk. De beoordeling werd dus beperkt tot de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping, op basis van de prijzen bij uitvoer naar andere derde landen.

1.2.   Waarschijnlijkheid van herhaling van dumping

(37)

De Commissie heeft onderzocht of het waarschijnlijk is dat er opnieuw dumping zou plaatsvinden indien de maatregelen komen te vervallen. Daarbij werden de volgende elementen onderzocht: de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in Brazilië, het ontbreken van dumping uit Brazilië op andere markten en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie.

1.2.1.   Productiecapaciteit en reservecapaciteit in Brazilië

(38)

De bezettingsgraad van de medewerkende Braziliaanse producent bleek meer dan 90 % te bedragen en zijn onbenutte reservecapaciteit 3 000 ton per jaar. Dit komt overeen met 6 % van de productie van de bedrijfstak van de Unie en 3 % van het verbruik in de Unie. Daarom werd geconcludeerd dat er geen sprake was van een aanzienlijke reservecapaciteit die, mochten de maatregelen ten aanzien van Brazilië komen te vervallen, op de markt van de Unie zou kunnen worden gericht.

(39)

De twee andere bekende Braziliaanse producenten hebben geen medewerking verleend aan het onderzoek, zodat hun reservecapaciteit niet kon worden gecontroleerd. In een door de indieners van het verzoek overgelegde studie werd de gezamenlijke capaciteit voor bladaluminium van de twee andere producenten geschat op 58 000 ton voor alle soorten bladaluminium, wat overeenkomt met de totale capaciteit van de medewerkende Braziliaanse producent. Het wordt onwaarschijnlijk geacht dat deze twee producenten zouden beschikken over een aanzienlijke reservecapaciteit die, mochten de maatregelen ten aanzien van Brazilië komen te vervallen, op de markt van de Unie zou worden gericht; zij hebben immers noch in het tijdvak van het nieuwe onderzoek noch vóór de instelling van de oorspronkelijke maatregelen naar de Unie uitgevoerd.

1.2.2.   Ontbreken van dumping uit Brazilië op andere markten

(40)

De uitvoer van de medewerkende Braziliaanse producent in het tijdvak van het nieuwe onderzoek was bestemd voor één enkele afnemer in de VS. Deze uitvoer maakte 68 % van de totale Braziliaanse uitvoer van AFH naar de VS in 2013 uit, waarmee de medewerkende producent de grootste Braziliaanse exporteur van bladaluminium was. Deze uitvoer vertegenwoordigde 33 % van de totale Braziliaanse uitvoer van AFH in 2013. Bij vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde in Brazilië is voor deze uitvoer geen dumping vastgesteld. Het ontbreken van dumping is vastgesteld met gebruikmaking van onderstaande methode.

1.2.2.1.   Normale waarde

(41)

In overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie eerst onderzocht of het totale volume van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers door de medewerkende producent in Brazilië representatief was in vergelijking met het totale uitvoervolume, d.w.z. of de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % van de totale uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product uit Brazilië bedroeg. Op basis daarvan werd vastgesteld dat de binnenlandse verkoop in Brazilië representatief was.

(42)

De Commissie heeft vervolgens onderzocht of de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product kon worden geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Hiertoe werd het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgesteld. De binnenlandse verkoop bleek te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties.

(43)

De normale waarde is bijgevolg gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, die werd berekend als een gewogen gemiddelde prijs van de winstgevende binnenlandse verkoop in het tijdvak van het nieuwe onderzoek.

1.2.2.2.   Vaststelling van de uitvoerprijs

(44)

De uitvoerprijs is overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke afnemer werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen.

1.2.2.3.   Vergelijking

(45)

De normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producent-exporteur zijn vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, zijn overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(46)

Op basis hiervan zijn correcties toegepast voor verschillen in fysieke kenmerken, vervoers-, zeevracht- en verzekeringskosten, laad- en aanverwante kosten, verpakkingskosten, kredietkosten, kortingen en provisies, voor zover aangetoond was dat deze de prijsvergelijkbaarheid beïnvloedden.

1.2.2.4.   Dumpingmarge

(47)

Op basis hiervan heeft de Commissie vastgesteld dat er geen sprake was van dumping bij uitvoer naar de VS.

(48)

Daarom acht de Commissie het onwaarschijnlijk dat, indien de bestaande maatregelen werden ingetrokken, de producenten-exporteurs in Brazilië het betrokken product op de markt van de Unie tegen dumpingprijzen zouden verkopen.

1.2.3.   Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie

(49)

De prijzen op de binnenlandse markt in Brazilië zijn aantrekkelijk, zoals blijkt uit het feit dat het grootste deel van de productie op de binnenlandse markt wordt verkocht. Deze binnenlandse verkoop is winstgevend. Het prijsniveau in Brazilië is vergelijkbaar met de prijzen op de markt van de Unie.

(50)

Er wordt dan ook niet verwacht dat, mochten de maatregelen komen te vervallen, de Braziliaanse uitvoer naar de markt van de Unie aanzienlijk zou toenemen door onderbieding van de prijzen van de Unie.

1.2.4.   Argumenten van de belanghebbenden met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat zich opnieuw dumping uit Brazilië zal voordoen

(51)

Twee belanghebbenden, ABAL en CBA, hebben aangevoerd dat het om de volgende redenen niet waarschijnlijk is dat zich opnieuw dumping uit Brazilië zal voordoen:

i)

er vindt geen uitvoer van het betrokken product uit Brazilië naar de markt van de Unie plaats;

ii)

Brazilië is wegens de toename van de binnenlandse vraag sinds kort een netto-importeur van aluminium en niet langer een netto-exporteur;

iii)

de productiekosten zijn gestegen als gevolg van duurdere grondstoffen en elektriciteit, waardoor de Braziliaanse producten minder competitief zijn geworden;

iv)

er is geen sprake van grootschalige uitvoer van „aluminium converter foil” („ACF”) — een product dat weliswaar vergelijkbaar is, maar waarop geen antidumpingmaatregelen van toepassing zijn — uit Brazilië naar de Unie;

v)

er zijn reeds verbonden ondernemingen gevestigd in de Unie, die verantwoordelijk zijn voor het bedienen van de markt van de Unie en daarvoor geen beroep doen op de uitvoer uit Brazilië;

vi)

Brazilië heeft geen reservecapaciteit en kent een afnemende productie, waardoor het onwaarschijnlijk is dat de capaciteit anders wordt ingezet of wordt uitgebreid;

vii)

de op de binnenlandse markt verkochte producten en de uitgevoerde producten hebben uiteenlopende fysieke kenmerken.

(52)

Wat het eerste argument betreft, is door het onderzoek bevestigd dat er geen uitvoer uit Brazilië naar de Unie plaatsvindt. De Commissie is echter van mening dat dit een gevolg kan zijn van de geldende antidumpingmaatregelen. Dat er geen uitvoer plaatsvindt, vormt derhalve op zich geen toereikend bewijs om te concluderen dat er geen risico bestaat dat zich opnieuw dumping zal voordoen.

(53)

Wat het tweede argument betreft, is door het onderzoek bevestigd dat Brazilië sinds 2104 netto-importeur van primair aluminium is. De toename van de binnenlandse vraag in Brazilië is eveneens bevestigd: in de periode 2009-2013 is het binnenlandse verbruik van alle aluminiumproducten met 48 % gestegen en het verbruik van bladaluminium met 24 %. De belanghebbenden hebben echter niet aangetoond dat hierdoor noodzakelijkerwijs het risico zou worden weggenomen dat zich opnieuw dumping zal voordoen. Niettemin werd bij de analyse van de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie de stijging van de binnenlandse vraag in Brazilië beschouwd als een factor die de aantrekkelijkheid van de binnenlandse markt vergroot, zoals hierboven is uiteengezet.

(54)

Wat het derde argument betreft, heeft het onderzoek de hogere prijzen op de binnenlandse markt bevestigd, maar kon op basis hiervan niet worden geconcludeerd dat zich bij hoge binnenlandse prijzen niet opnieuw dumping zou kunnen voordoen.

(55)

Met betrekking tot het vierde argument hebben de belanghebbenden niet aangetoond dat aan de hand van de handelwijze met betrekking tot het ene product voorspellingen zouden kunnen worden gedaan over de handelwijze met betrekking tot het andere product. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(56)

Wat het vijfde argument betreft, is uit het onderzoek gebleken dat verbonden ondernemingen van de niet-medewerkende Braziliaanse producenten in de Unie zijn gevestigd. Aangezien geen van deze ondernemingen medewerking aan het onderzoek heeft verleend, was het evenwel niet mogelijk vast te stellen of zij inderdaad het soortgelijke product vervaardigden voor uitvoer naar de markt van de Unie. Daarom kon dit argument niet worden geverifieerd.

(57)

Wat het zesde argument betreft, is door het onderzoek bevestigd dat een aanzienlijke reservecapaciteit ontbreekt. Hiermee is bij de beoordeling van de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in Brazilië rekening gehouden, zoals hierboven is uiteengezet.

(58)

Wat het zevende argument betreft, zijn de verschillen in fysieke kenmerken bij de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijzen naar behoren in aanmerking genomen, zoals hierboven is uiteengezet.

1.2.5.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid dat zich opnieuw dumping uit Brazilië zal voordoen

(59)

Uit het onderzoek is gebleken dat er slechts sprake is van een beperkte reservecapaciteit in Brazilië die, mochten de maatregelen ten aanzien van Brazilië komen te vervallen, op de markt van de Unie zou kunnen worden gericht. Er is niet gebleken van dumpingpraktijken op andere markten. De aantrekkelijkheid van de markt van de Unie voor Braziliaanse producenten wordt als beperkt beschouwd, gelet op de grote aantrekkingskracht van hun eigen binnenlandse markt en de vergelijkbare prijsniveaus.

(60)

Gezien het bovenstaande wordt het onwaarschijnlijk geacht dat, mochten de maatregelen vervallen, zich opnieuw dumping uit Brazilië zou voordoen.

(61)

De procedure dient derhalve te worden beëindigd ten aanzien van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Brazilië.

2.   De VRC

(62)

Twee producenten uit de VRC hebben aan het onderzoek meegewerkt. Zij hadden aanvankelijk een uitvoer van 4 264 ton naar Unie aangegeven, wat volgens Eurostat zou zijn neergekomen op 250 % tot 350 % van de totale Chinese uitvoer naar de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. In de loop van het onderzoek is vastgesteld dat het uitvoervolume voor de eerste producent tussen 900 en 1 100 ton lag, wat neerkwam op 53 % tot 90 % van de totale uitvoer uit de VRC naar de Unie. Deze uitvoer heeft grotendeels onder de regeling actieve veredeling plaatsgevonden, zodat daarop geen antidumping- of douanerechten van toepassing waren. De tweede producent bleek het betrokken product in het tijdvak van het nieuwe onderzoek niet naar de Unie te hebben uitgevoerd.

2.1.   Keuze van het referentieland en berekening van de normale waarde

(63)

In het bericht van opening had de Commissie alle belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken over haar voorstel om Turkije voor de vaststelling van de normale waarde voor de VRC als derde land met een markteconomie te gebruiken. Turkije was in het oorspronkelijke onderzoek ook als referentieland gebruikt.

(64)

Eén belanghebbende heeft een voorbehoud gemaakt ten aanzien van het voorstel om Turkije als referentieland te gebruiken en heeft in plaats daarvan Zuid-Afrika voorgesteld, op grond dat Zuid-Afrika als referentieland geschikter zou zijn omdat de kostenstructuur van de Turkse producenten verschilde van de Chinese kostenstructuur en Turkije in juli 2014 een antidumpingrecht van 22 % had ingesteld op alle soorten bladaluminium uit de VRC.

(65)

Naast de door de belanghebbenden voorgestelde landen heeft de Commissie zelf een geschikt referentieland gezocht. Zij wees ook India, Japan, Zuid-Korea, de Verenigde Arabische Emiraten, de VS en Taiwan als mogelijke referentielanden aan vanwege het grote volume van hun productie van bladaluminium. Er werd echter geconstateerd dat Japan, de VS en Taiwan wel dunner bladaluminium produceerden, maar niet het betrokken product.

(66)

Er werden verzoeken om samenwerking gericht tot de bekende producenten in India, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, de Verenigde Arabische Emiraten en Turkije. Er werd slechts medewerking verleend door twee producenten-exporteurs in Turkije. De producenten in de andere mogelijke referentielanden antwoordden niet.

(67)

Turkije bleek een belangrijke producent van bladaluminium te zijn, met een open markt en vrij van verstoringen wat de grondstof- of energieprijzen betreft. De productieprocessen in Turkije en in de VRC bleken vergelijkbaar te zijn. Turkije werd als referentieland gekozen voor de vaststelling van de normale waarde voor de VRC overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening en bij de twee medewerkende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd.

(68)

In overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de basisverordening is eerst onderzocht of het totale volume van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers door de medewerkende producenten in Turkije representatief was in vergelijking met het totale volume van de uitvoer naar de Unie, d.w.z. of de totale op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % van de totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product bedroeg. Op basis daarvan werd vastgesteld dat de binnenlandse verkoop in het referentieland representatief was.

(69)

Tevens is onderzocht of de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product kon worden geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Hiertoe werd het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vastgesteld. De binnenlandse verkoop van een van de producenten bleek te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties, terwijl wegens het ontbreken van gedetailleerde gegevens inzake kostprijsberekening niet kon worden vastgesteld of de verkoop door de tweede producent winstgevend was.

(70)

Wegens het ontbreken van die gedetailleerde gegevens kon de normale waarde van de tweede producent niet overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening worden berekend.

(71)

De normale waarde werd bijgevolg gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs van de eerste producent, die werd berekend als een gewogen gemiddelde prijs van de winstgevende binnenlandse verkoop in het tijdvak van het nieuwe onderzoek.

(72)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd aan dat de normale waarde niet op geldige wijze kan worden berekend aan de hand van de binnenlandse verkoop van slechts één Turkse producent. Bovendien heeft hij benadrukt dat het wegens het vertrouwelijke karakter van de zakelijke gegevens van de Turkse producent niet mogelijk was de daaruit voortvloeiende dumpingmarge te beoordelen of te staven.

(73)

Het gebruik van de gegevens van slechts één producent in het referentieland is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, volgens welke dergelijke prijzen kunnen worden gebruikt indien zij het gevolg zijn van daadwerkelijke mededinging op de binnenlandse markt. Zoals aangegeven in de overwegingen 68 en 69, zijn er verschillende binnenlandse producenten in Turkije en is Turkije tevens een importeur van bladaluminium. De Commissie is derhalve van oordeel dat de prijzen op de Turkse markt het resultaat van daadwerkelijke mededinging zijn en dat niets erop wijst dat de normale waarde niet kan worden vastgesteld aan de hand van de prijzen van slechts één producent. Wat de zakelijke gegevens betreft, moet de Commissie de vertrouwelijkheid van de door de belanghebbenden verstrekte gegevens beschermen en kan zij derhalve de Chinese producent geen commercieel gevoelige informatie betreffende de Turkse producent onthullen. De argumenten van de betrokken Chinese exporteur moeten derhalve worden afgewezen.

2.2.   Vaststelling van de uitvoerprijs

(74)

De uitvoerprijs is overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke afnemers werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen.

(75)

Eén Chinese producent heeft erop gewezen dat zijn btw-teruggaaf onjuist was berekend. De berekening werd dienovereenkomstig gewijzigd en de Commissie heeft de herziene bevindingen aan de betrokken producent meegedeeld.

2.3.   Vergelijking

(76)

De normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producent-exporteur zijn vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, zijn overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(77)

Op basis hiervan zijn correcties toegepast voor vervoers-, zeevracht- en verzekeringskosten, laad- en aanverwante kosten, verpakkingskosten, kredietkosten, kortingen en provisies, voor zover aangetoond was dat deze de prijsvergelijkbaarheid beïnvloedden.

(78)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd dat het normale invoerrecht van 7,5 % in Turkije de binnenlandse prijzen met hetzelfde percentage opdrijft en dat met het oog op een billijke vergelijking een correctie moet worden aangebracht. Verder was volgens hem een correctie voor verpakkingskosten niet gerechtvaardigd, omdat alle producenten, ongeacht waar zij zijn gevestigd, dergelijke kosten maken.

(79)

De Commissie merkt op dat ook China een invoerrecht op bladaluminium heeft ingesteld. Daarom lijkt de vergelijking niet te worden vertekend door het bestaan van een vergelijkbaar invoerrecht in Turkije. Bovendien zou zelfs een correctie voor invoerrechten niet afdoen aan het feit dat de Chinese exporteurs in aanmerkelijke mate dumping op de markt van de Unie toepassen. Wat de verpakkingskosten betreft, is zowel voor de Chinese uitvoerprijzen als voor de Turkse binnenlandse prijzen een correctie toegepast om eventuele verschillen qua verpakking op te heffen. Bijgevolg kan de correctie voor verpakkingskosten niet leiden tot een vertekening van de vergelijking. Deze argumenten moeten dan ook worden afgewezen.

2.4.   Dumpingmarge

(80)

Zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening, is de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product in het referentieland vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product.

(81)

Op grond hiervan is de gewogen gemiddelde dumpingmarge, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht), grens Unie, vóór inklaring, als volgt:

Onderneming

Dumpingmarge

Zhenjiang Dingsheng Aluminium Industries Joint-Stock Limited Company, Zhenjiang, VRC

28,1 %

2.5.   Waarschijnlijkheid dat dumping uit de VRC wordt voortgezet

(82)

Na te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek sprake was van dumping, is de Commissie nagegaan hoe waarschijnlijk voortzetting van dumping is indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. De volgende bijkomende elementen zijn onderzocht: de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in de VRC, de dumping uit de VRC op andere markten en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie.

2.5.1.   Productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VRC

(83)

De bezettingsgraad van de twee medewerkende Chinese producenten bleek 85 % respectievelijk 90 % te bedragen. De reservecapaciteit werd voor deze twee producenten vastgesteld op 50 000 ton. Dit komt overeen met de totale productie van de bedrijfstak van de Unie en met meer dan 50 % van het verbruik in de Unie. Voorts was een van de medewerkende ondernemingen bezig met de opbouw van capaciteit voor het walsen van nog eens 40 000 ton folie. Daarom werd geconcludeerd dat er sprake was van een aanzienlijke reservecapaciteit die, mochten de maatregelen ten aanzien van de VRC komen te vervallen, ten minste voor een deel op de markt van de Unie zou kunnen worden gericht.

(84)

De andere bekende Chinese producenten hebben geen medewerking aan het onderzoek verleend, zodat hun reservecapaciteit niet kon worden gecontroleerd. Volgens de ramingen in een door de indieners van het verzoek overgelegde studie was de gezamenlijke capaciteit voor bladaluminium van de andere, niet-medewerkende Chinese producenten ongeveer tien keer zo groot als de gezamenlijke capaciteit van de twee medewerkende producenten. In de studie wordt geraamd dat de totale Chinese productiecapaciteit voor alle soorten bladaluminium het totale binnenlandse verbruik in China met 450 000 ton overstijgt. In de studie wordt ook voorspeld dat de Chinese productiecapaciteit zal blijven toenemen van 2,5 miljoen ton in 2014 tot 2,8 miljoen ton in 2018, en dat de groei van het binnenlandse verbruik in China van 2,1 miljoen ton tot 2,4 miljoen ton in dezelfde periode waarschijnlijk niet volstaat om de toename van de capaciteit volledig op te vangen. Daarom wordt het waarschijnlijk geacht dat er bij de niet-medewerkende producenten extra reservecapaciteit zal zijn die, mochten de maatregelen ten aanzien van de VRC komen te vervallen, ten minste voor een deel op de markt van de Unie zou kunnen worden gericht.

(85)

Eén Chinese producent heeft de bevindingen in verband met de omvang van de reservecapaciteit weliswaar niet betwist, maar aangevoerd dat het niet realistisch is om te veronderstellen dat de gehele reservecapaciteit op de markt van de Unie zou worden gericht.

(86)

De Commissie is, in overeenstemming met haar in de overwegingen 84 en 97 uiteengezette beoordeling, van mening dat de reservecapaciteit ten minste voor een deel op de markt van de Unie zou kunnen worden gericht. Overweging 83 is dienovereenkomstig gewijzigd.

2.5.2.   Dumping uit de VRC op andere markten

(87)

Er is vastgesteld dat de door één van de medewerkende Chinese producenten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek gehanteerde prijzen bij uitvoer naar andere markten (met als belangrijkste uitvoerbestemmingen de Verenigde Arabische Emiraten, Saudi-Arabië, de VS, Egypte en India) onder de normale waarde lagen zoals die in de overwegingen 63-71 is vastgesteld en derhalve dumpingprijzen waren. Met betrekking tot de prijzen die de tweede Chinese producent bij uitvoer naar andere markten hanteerde, konden geen gegevens worden verzameld.

(88)

Aangezien er sprake is van dumping op andere markten, concludeert de Commissie dat de producent-exporteur in de VRC het betrokken product tegen dumpingprijzen naar derde landen verkoopt. Daarom acht de Commissie het waarschijnlijk dat, indien de bestaande maatregelen zouden worden ingetrokken, de producenten-exporteurs in de VRC het betrokken product ook op de markt van de Unie tegen dumpingprijzen zouden verkopen.

(89)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd dat de vaststelling dat er sprake is van dumping bij uitvoer naar andere markten niet ter zake dienend is, aangezien het nieuwe onderzoek zich beperkt tot de markt van de Unie en niet is gericht op de wereldmarkt. Volgens hem is het niet passend de prijzen tussen de markten te vergelijken, aangezien de prijsstructuren in andere delen van de wereld anders kunnen zijn. Voorts zou ook de uitvoer van de Unie naar deze markten in de vergelijking moeten worden betrokken, wat zou kunnen leiden tot de vaststelling dat de binnenlandse prijzen in de Unie te hoog zijn.

(90)

Zoals uiteengezet in overweging 82, heeft de Commissie voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van dumping op de markt van de Unie met verschillende factoren rekening gehouden. Volgens haar zijn exporteurs waarvoor dumping op andere markten werd vastgesteld, meer geneigd ook in de Unie dumping te bedrijven, vergeleken met exporteurs waarvoor geen dumping op andere markten werd vastgesteld. Derhalve betreft het hier een relevante factor voor de beoordeling of het waarschijnlijk is dat dumping wordt voortgezet. Dit argument moet dan ook worden afgewezen.

(91)

Het argument betreffende het uitvoergedrag van de producenten in de Unie komt aan de orde in overweging 171.

2.5.3.   Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie

(92)

Zoals wordt vermeld in overweging 114, is uit het onderzoek gebleken dat zonder antidumpingrechten de invoer uit de VRC die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek in het kader van de normale invoerregeling heeft plaatsgevonden, de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met gemiddeld 12,2 % zou hebben onderboden. Bovendien is vastgesteld dat de invoer uit de VRC die onder de regeling actieve veredeling heeft plaatsgevonden en waarop dus geen antidumping- of douanerechten van toepassing waren, die ongeveer 75 % van de invoer uit de VRC uitmaakte, de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met 18 % onderbood. De Chinese prijzen liggen ook onder de prijzen bij uitvoer uit enig ander land naar de Unie. Uit deze prijsverschillen blijkt de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en het vermogen van de Chinese exporteurs om — als de maatregelen worden ingetrokken — op prijzen te concurreren.

(93)

Daarom kan redelijkerwijs worden verwacht dat, als de maatregelen worden ingetrokken, een aanzienlijk deel van de huidige Chinese uitvoer zou worden verlegd naar de Unie.

(94)

Er zij aan herinnerd dat voordat de oorspronkelijke maatregelen werden ingesteld, het Chinese aandeel in de markt van de Unie volgens het oorspronkelijke onderzoek 30,72 % bedroeg. Er wordt dan ook verwacht dat, als de maatregelen komen te vervallen, de Chinese uitvoer, die momenteel 2 % van de markt van de Unie uitmaakt, aanzienlijk zal toenemen om aldus het verloren marktaandeel in de Unie terug te winnen.

(95)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd dat een geringe mate van onderbieding deel uitmaakt van een normaal prijsmechanisme wanneer buitenlandse producenten concurreren met binnenlandse producenten. Een prijsonderbieding van 12,2 % zou niet onredelijk zijn en zou de producenten in de Unie geen moeilijkheden veroorzaken.

(96)

Uit de vaststelling dat er sprake is van prijsonderbieding kan op zich niet worden geconcludeerd dat de exporteur zich schuldig maakt aan oneerlijke praktijken. In dit geval was de vastgestelde prijsonderbiedingsmarge echter een indicatie voor het waarschijnlijke prijsniveau van de invoer uit de VRC als de maatregelen zouden komen te vervallen en voor hun capaciteit om het marktaandeel in de Unie over te nemen ten koste van de bedrijfstak van de Unie. Bovendien werd vastgesteld dat deze invoer waarschijnlijk met dumping plaatsvindt. Daarom deed het argument dat het prijsonderbiedingsniveau van 12,2 % niet onredelijk zou zijn, in dit verband niet ter zake; het werd dan ook afgewezen.

2.5.4.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid dat dumping uit de VRC wordt voortgezet

(97)

Het onderzoek heeft uitgewezen dat Chinese producten nog steeds tegen dumpingprijzen en met aanzienlijke dumpingmarges op de markt van de Unie werden ingevoerd. Tevens is daaruit gebleken dat de reservecapaciteit voor de productie van het betrokken product in de VRC aanzienlijk is in vergelijking met het verbruik in de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Als de maatregelen ten aanzien van de VRC zouden komen te vervallen, zal deze reservecapaciteit waarschijnlijk ten minste voor een deel op de markt van de Unie worden gericht.

(98)

Bovendien voerde de VRC het betrokken product tegen dumpingprijzen naar derde landen uit. Uit deze prijsstelling voor de Chinese uitvoer naar derde markten blijkt dat het waarschijnlijk is dat dumping op de markt van de Unie zal worden voortgezet als de maatregelen zouden komen te vervallen.

(99)

Voorts wijst de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie wat de prijzen betreft erop dat het risico bestaat dat de Chinese uitvoer naar de markt van de Unie wordt verlegd als de maatregelen zouden komen te vervallen.

(100)

Gelet op het bovenstaande is het waarschijnlijk dat de invoer met dumping van het betrokken product uit de VRC aanzienlijk zal toenemen als de geldende maatregelen zouden komen te vervallen.

D.   DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE

(101)

Het soortgelijke product werd in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vervaardigd door twaalf bekende producenten in de Unie. Zij vormen de „bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

(102)

De totale productie in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd op 47 349 ton geraamd. De Commissie heeft dit cijfer opgesteld op basis van statistische gegevens van Eurostat, de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de door de indieners van het verzoek verstrekte ramingen met betrekking tot de niet in de steekproef opgenomen producenten. Zoals in overweging 18 vermeld, vertegenwoordigden de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie samen meer dan 70 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie.

E.   SITUATIE OP DE MARKT VAN DE UNIE

1.   Opmerkingen vooraf

(103)

De indieners van het verzoek hebben gegevens verstrekt over de productie, de productiecapaciteit, het verkoopvolume, de werkgelegenheid en het uitvoervolume van de gehele bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode. Bij deze gegevens ging het om ramingen; zij werden als orde van grootte verstrekt en onderverdeeld in twee categorieën: in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en niet in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Voor de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie heeft de Commissie gebruikgemaakt van de feitelijke, gecontroleerde gegevens die deze ondernemingen in hun antwoorden op de vragenlijst hebben verstrekt. Voor de niet in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn de door de indieners van het verzoek verstrekte cijfers gebruikt. De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over deze ramingen. De Commissie heeft evenwel geen opmerkingen ontvangen.

2.   Verbruik in de Unie

(104)

Voor dit onderzoek is gebruikgemaakt van de in het parallelle onderzoek opgestelde en gepubliceerde cijfers over het verbruik in de Unie. Die cijfers waren vastgesteld op basis van het totale geraamde verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie en het totale invoervolume volgens Eurostat, waar nodig gecorrigeerd aan de hand van de door de producent-exporteur verstrekte, gecontroleerde gegevens van het parallelle onderzoek betreffende de invoer uit Rusland en de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(105)

Aangezien slechts één producent-exporteur actief is in Rusland, moesten met het oog op de vertrouwelijkheid alle cijfers met betrekking tot deze exporteur als orde van grootte worden aangegeven. Om te voorkomen dat de uit Rusland ingevoerde hoeveelheden door aftrek kunnen worden berekend, was het bovendien noodzakelijk ook voor het verbruik en het volume van de invoer uit andere derde landen een orde van grootte te gebruiken.

(106)

Het aldus vastgestelde verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 1

Verbruik in de Unie voor AFH (ton)

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Verbruik in de Unie

[71 300 - 82 625]

[74 152 - 92 540]

[84 847 - 108 239]

[83 421 - 105 760]

Index (2011 = 100)

100

[104-112]

[119-131]

[117-128]

Bron: in parallel onderzoek gepubliceerde cijfers op basis van gegevens van Eurostat, antwoorden op vragenlijst en door indieners van verzoek verstrekte inlichtingen

(107)

Het verbruik in de Unie is in de periode 2011-2013 toegenomen, maar in het tijdvak van het nieuwe onderzoek gedaald ten opzichte van 2013. Het verbruik is tijdens de beoordelingsperiode in totaal met 17 à 28 % gestegen. De toename van het verbruik in de periode vanaf 2011 tot aan het tijdvak van het nieuwe onderzoek is voornamelijk toe te schrijven aan de toename van de invoer uit Rusland en andere derde landen, terwijl de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie slechts licht steeg (zie overweging 134).

3.   Volume, prijzen en marktaandeel van de invoer uit de VRC

(108)

Aangezien uit het onderzoek is gebleken dat voortzetting of herhaling van dumping uit Brazilië niet waarschijnlijk is (zie overweging 60), beperkt de analyse van het volume, de prijzen en het marktaandeel van de invoer zich tot de invoer uit de VRC. De Commissie heeft het volume en de prijzen van de invoer uit de VRC vastgesteld aan de hand van Eurostat-gegevens.

a)   Volume en marktaandeel van de invoer uit de VRC

(109)

De invoer in de Unie uit de VRC heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 2

Volume en marktaandeel van de invoer uit de VRC

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

VRC

Invoervolume onder de normale invoerregeling (ton)

[2 000 - 2 300]

[200 - 400]

[150 - 350]

[300 - 400]

Invoervolume onder de regeling actieve veredeling (ton)

[800 - 1 000]

[700 - 1 000]

[950 - 1 300]

[900 - 1 300]

Totale invoervolume (alle regelingen) (ton)

[2 843 - 3 205]

[967 - 1 378]

[1 137 - 1 603]

[1 222 - 1 699]

Index (2011 = 100)

100

[34 - 43]

[40 - 50]

[43 - 53]

Marktaandeel

4 %

1 %

1 %

2 %

Bron: Eurostat

(110)

Het volume van de invoer uit de VRC is in de beoordelingsperiode met 47 à 57 % gedaald, wat neerkomt op een daling van het marktaandeel van 4 naar 2 %, een daling met 2 procentpunten. Zowel het invoervolume als het marktaandeel van de VRC bleef tijdens de hele beoordelingsperiode op een laag niveau.

b)   Invoerprijs en prijsonderbieding

(111)

Onderstaande tabel bevat de gemiddelde prijs van de invoer met dumping.

Tabel 3

Gemiddelde prijs van de invoer met dumping

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

VRC

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

2 251

2 417

2 306

2 131

Index (2011 = 100)

100

107

102

95

Bron: Eurostat

(112)

De gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC is in de beoordelingsperiode van 2 251 EUR/ton naar 2 131 EUR/ton gedaald, oftewel met ongeveer 5 %. De prijzen van de invoer uit de VRC waren tijdens de hele beoordelingsperiode gemiddeld lager dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie en de prijzen van de invoer uit andere derde landen.

(113)

In het tijdvak van het nieuwe onderzoek heeft ongeveer 75 % van de invoer uit de VRC, wat overeenkomt met een marktaandeel van meer dan 1 %, in het kader van de regeling actieve veredeling plaatsgevonden, zodat daarop geen antidumping- of douanerechten van toepassing waren. Er is vastgesteld dat die invoer de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met 18 % onderbood. Voor de medewerkende producent-exporteur die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ongeveer 53-90 % van de uitvoer uit de VRC voor zijn rekening nam en zijn product voor 98 % in het kader van de regeling actieve veredeling invoerde, is een prijsonderbiedingsmarge van 15 à 18 % vastgesteld.

(114)

De resterende 25 % van de invoer uit de VRC vond plaats in het kader van de normale invoerregeling. Werden de douanerechten en de antidumpingrechten opgeteld bij de Chinese cif-prijzen, dan waren de voor deze invoer berekende Chinese prijzen gemiddeld hoger dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie, zodat er sprake was van een negatieve prijsonderbieding (– 12,5 %). Werden de invoerprijzen zonder antidumpingrechten beschouwd, dan zou de prijsonderbieding echter 12,2 % bedragen.

(115)

Werd de gehele invoer uit de VRC los van de invoerregeling beschouwd en werden de toepasselijke douane- en antidumpingrechten opgeteld bij de cif-prijs van de invoer in het kader van de normale regeling, dan bleken de Chinese prijzen in het tijdvak van het nieuwe onderzoek de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met gemiddeld 10,2 % te onderbieden

(116)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd dat de prijsonderbiedingsmarge van 18 % die was vastgesteld voor de invoer uit de VRC in het kader van de regeling actieve veredeling, onjuist was, aangezien de prijzen van de producenten in de Unie een „ingebouwd normaal tarief van 7,5 %” bevatten waarvan de binnenlandse gebruikers niet konden worden vrijgesteld wanneer zij in de Unie vervaardigd AFH verwerkten in naar derde landen uitgevoerde goederen. Deze belanghebbende heeft zijn argument evenwel niet onderbouwd en met name niet toegelicht wat onder „ingebouwd normaal tarief” moet worden verstaan. In ieder geval wordt eraan herinnerd dat, zoals uiteengezet in overweging 113, op de invoer in het kader van de regeling actieve veredeling geen douanerechten van toepassing zijn. Het zou daarom niet gerechtvaardigd zijn correcties toe te passen voor niet-betaalde douanerechten. Tevens moet worden opgemerkt dat de Commissie de correctie voor douanerechten op juiste wijze heeft toegepast toen zij de prijsonderbiedingsmarge voor de invoer in het kader van de normale regeling (overweging 114) en voor de gehele invoer uit de VRC, los van de invoerregeling (overweging 115), vaststelde. Het argument werd derhalve afgewezen.

(117)

Deze Chinese producent heeft ook aangevoerd dat de douanerechten in mindering moesten worden gebracht op de in overweging 114 respectievelijk overweging 115 vastgestelde prijsonderbiedingsmarges van 12,2 % respectievelijk 10,2 %. Er wordt evenwel gepreciseerd dat de Commissie voor de vaststelling van deze marges reeds rekening heeft gehouden met de voor de invoer in het kader van de normale regeling geldende douanerechten. Het argument werd derhalve afgewezen.

4.   Invoer uit andere derde landen

Tabel 4

Invoer uit andere derde landen (alle invoerregelingen)

Land

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Brazilië

Volume (ton)

0

0

0

0

Rusland

Volume (ton)

[19 532 - 26 078]

[23 243 - 34 422]

[27 345 - 39 116]

[26 368 - 37 812]

 

Index (2011 = 100)

100

[119 - 132]

[140 - 150]

[135 - 145]

 

Marktaandeel

29 %

34 %

34 %

34 %

 

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

[2 145 - 2 650]

[2 038 - 2 624]

[1 952 - 2 571]

[1 973 - 2 597]

 

Index (2011 = 100)

100

[95 - 99]

[91 - 97]

[92 - 98]

Turkije

Volume (ton)

[5 120 - 6 100]

[8 090-10 553]

[11 213-14 213]

[11 520 - 14 579]

 

Index (2011 = 100)

100

[158-173]

[219-233]

[225-239]

 

Marktaandeel

7 %

11 %

13 %

13 %

 

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

2 950

2 743

2 710

2 571

 

Index (2011 = 100)

100

93

92

87

Andere derde landen (de VRC niet inbegrepen)

Volume (ton)

[3 100 - 3 750]

[279-750]

[1 891 - 3 000]

[3 162 - 4 313]

 

Index (2011 = 100)

100

[9-20]

[61-80]

[102-115]

 

Marktaandeel

4 %

1 %

2 %

4 %

 

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

2 878

2 830

2 687

2 406

 

Index (2011 = 100)

100

98

93

84

Totaal

Volume (ton)

[29 000 - 35 000]

[33 000 - 43 000]

[41 000 - 54 000]

[42 000 - 56 000]

 

Index (2011 = 100)

100

[113 - 125]

[142 - 155]

[145 - 160]

 

Marktaandeel

41 %

46 %

50 %

51 %

 

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

2 538

2 453

2 401

2 367

 

Index (2011 = 100)

100

97

95

93

Bron: Eurostat, in parallel onderzoek opgestelde en gepubliceerde gegevens met betrekking tot Rusland

(118)

De invoer uit andere derde landen in de Unie is in de beoordelingsperiode met 45 à 60 % gestegen, wat meer is dan de stijging van het verbruik in de Unie. Het marktaandeel van de andere derde landen is in die periode dan ook gestegen van 41 % tot 51 %.

(119)

In de beoordelingsperiode heeft geen invoer uit Brazilië plaatsgevonden. Het invoervolume uit Rusland is in de periode 2011-2013 met 40 à 50 % gestegen en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek licht gedaald. Het overeenkomstige marktaandeel is gestegen van 29 % in 2011 tot 34 % in 2012 en is daarna constant gebleven tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Het volume van de invoer uit Turkije is in de beoordelingsperiode met 125 à 139 % gestegen en het marktaandeel ervan van ongeveer 7 % tot 13 %. De prijzen van de invoer uit Turkije zijn in de beoordelingsperiode met 13 % gedaald, maar bleven hoger dan die van de invoer uit andere derde landen, met inbegrip van Rusland en China, en zij lagen op een vergelijkbaar niveau als de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek.

(120)

De invoer uit andere derde landen — de VRC, Rusland en Turkije niet inbegrepen — is in totaal met 2 à 15 % gestegen. Het totale marktaandeel ervan is evenwel afgenomen van 4 % in 2011 tot ongeveer 2 % in 2013, aangezien het verbruik in de Unie is gestegen, en vervolgens in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ten opzichte van de voorafgaande periode gestegen tot 4 %; de prijzen lagen onder die van de bedrijfstak van de Unie, behalve in 2012.

(121)

De prijzen van de invoer uit andere derde landen waren in de hele beoordelingsperiode hoger dan de prijzen van de invoer uit de VRC.

(122)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd dat de Commissie in haar analyse van de invoer uit andere derde landen in de overwegingen 118-121 de hele markt voor folie had moeten betrekken in plaats van zich op het betrokken product te richten, aangezien de door de producenten in de Unie genomen beslissingen ten aanzien van andere soorten folie van invloed zouden zijn op hun productie van het betrokken product. Dit argument was niet onderbouwd. In ieder geval is uit het onderzoek gebleken dat, zoals in overweging 185 wordt vermeld, de grootste in de steekproef opgenomen producent in de Unie van AFH uitsluitend AFH produceerde en dat de producenten in de Unie die zowel AFH als ACF bleken te produceren, niet eenvoudig van het ene naar het andere product konden omschakelen, omdat beide producten om maximaal te renderen in bepaalde hoeveelheden moesten worden vervaardigd. Zoals in overweging 185 wordt vermeld, is uit het onderzoek voorts gebleken dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie deze soorten folie in de beoordelingsperiode in een stabiele verhouding vervaardigden. Het argument werd derhalve afgewezen.

(123)

Eén Chinese producent heeft opgemerkt dat de productiecapaciteit van de producenten in de Unie minder dan 50 % van het verbruik in de Unie vertegenwoordigde, zodat de gebruikers AFH van producenten-exporteurs in derde landen moesten invoeren. Daardoor waren volgens hem de producenten-exporteurs bij de levering aan gebruikers die niet door de producenten in de Unie werden bevoorraad, in concurrentie met elkaar en niet met de producenten in de Unie verwikkeld. Dit argument was echter niet onderbouwd. Om te beginnen is de stelling dat de productiecapaciteit van de producenten in de Unie minder dan 50 % van het verbruik van de Unie vertegenwoordigde, onjuist. Zoals blijkt uit de overwegingen 106 en 129, vertegenwoordigde de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek tussen 58 en 74 % van het verbruik in de Unie en lag zij in de hele beoordelingsperiode boven de 55 %. Zoals blijkt uit tabel 5, is bovendien in het onderzoek vastgesteld dat de bedrijfstak van de Unie in de hele beoordelingsperiode over reservecapaciteit beschikte die had kunnen worden gebruikt om de markt van de Unie te bedienen, zo er geen sprake zou zijn geweest van concurrerende invoer met dumping. Verder stond de invoer uit derde landen ook in concurrentie met het door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde soortgelijke product, aangezien de bestaande afnemers van de producenten in de Unie in staat waren over te stappen naar leveranciers uit derde landen. Het argument werd derhalve afgewezen.

5.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

5.1.   Algemene opmerkingen

(124)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie alle economische factoren en indicatoren onderzocht die op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed zijn.

(125)

Zoals in overweging 18 vermeld, is voor de vaststelling van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef.

(126)

Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. Zoals in overweging 103 uiteengezet, heeft de Commissie de macro-economische indicatoren voor de gehele bedrijfstak van de Unie geëvalueerd op basis van de door de indieners van het verzoek verstrekte gegevens, die naar behoren waren gecontroleerd voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren uitsluitend voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen geëvalueerd, op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in hun antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide reeksen gegevens bleken representatief voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(127)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit en hoogte van de dumpingmarge.

(128)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

5.2.   Macro-economische indicatoren

5.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(129)

De totale productie, de totale productiecapaciteit en de totale bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 5

Totale productie, totale productiecapaciteit en totale bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Productievolume (ton)

44 316

46 165

48 796

47 349

Index (2011 = 100)

100

104

110

107

Productiecapaciteit (ton)

54 777

54 485

59 186

61 496

Index (2011 = 100)

100

99

108

112

Bezettingsgraad

81 %

85 %

82 %

77 %

Index (2011 = 100)

100

105

102

95

Bron: antwoorden op vragenlijst, door indieners van verzoek verstrekte inlichtingen

(130)

De productie was in de beoordelingsperiode aan schommelingen onderhevig. Zij is in de periode 2011-2013 gestegen, maar lag in het tijdvak van het nieuwe onderzoek lager dan in 2013. In de beoordelingsperiode is de productie in totaal met 7 % gestegen.

(131)

De productiecapaciteit is in de beoordelingsperiode met 12 % gestegen.

(132)

Doordat de productiecapaciteit sterker is gestegen dan de productie, is de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode met 5 % gedaald.

(133)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd dat de capaciteit van een productie-installatie voor bladaluminium niet zou moeten worden uitgedrukt in ton, omdat dezelfde machines in een bepaalde periode verschillende hoeveelheden folie produceren, afhankelijk van de dikte en de breedte van de folie. In antwoord hierop wordt niet betwist dat de in ton uitgedrukte capaciteit van een productie-installatie kan worden beïnvloed door de dikte of de breedte van de vervaardigde folie. Bij de vaststelling van de invoer van het betrokken product en bepaalde schade-indicatoren zoals verbruik, verkoopvolume en productie is ton evenwel als meeteenheid gebruikt. Omwille van een samenhangende schadeanalyse dient voor vergelijkingsdoeleinden dezelfde meeteenheid te worden gebruikt. Bovendien heeft het onderzoek niet gewezen op wijzigingen in de productmix van de productie van de bedrijfstak van de Unie waardoor geen geldig gebruik van ton als meeteenheid mogelijk zou zijn. Ook moet worden opgemerkt dat de betrokken belanghebbende geen kwantitatieve informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat een andere meeteenheid tot een andere analyse van deze schade-indicator zou hebben geleid. Het argument werd derhalve afgewezen.

5.2.2.   Verkoopvolume en marktaandeel

(134)

Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 6

Verkoopvolume en marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Verkoopvolume (ton)

[41 007 - 45 870]

[41 007 - 49 081]

[42 647 - 52 292]

[41 827 - 50 457]

Index (2011 = 100)

100

[100-107]

[104-114]

[102-110]

Marktaandeel

55 %

53 %

49 %

47 %

Bron: antwoorden op vragenlijst, Eurostat, door indieners van verzoek verstrekte inlichtingen

(135)

Het verkoopvolume van AFH is in de beoordelingsperiode licht gestegen. De grootste stijging ten opzichte van 2011, d.w.z. een stijging van 4 à 14 %, is te zien in 2013. In het tijdvak van het nieuwe onderzoek is het verkoopvolume gedaald; in totaal is het verkoopvolume in de beoordelingsperiode met 2 à 10 % gestegen. De stijging van het verkoopvolume heeft, rekening houdend met de parallelle stijging van het verbruik en de stijging van de invoer, evenwel geleid tot een daling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie van 55 % in 2011 tot 47 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, d.w.z. een daling met 8 procentpunten in de loop van de beoordelingsperiode.

5.2.3.   Groei

(136)

Terwijl het verbruik in de Unie in de beoordelingsperiode met 17 à 28 % is gestegen, steeg het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie met 2 à 10 %, wat neerkwam op een verlies van marktaandeel met 8 procentpunten.

5.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(137)

De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 7

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Aantal werknemers

769

787

758

781

Index (2011 = 100)

100

102

99

102

Productiviteit (ton/werknemer)

58

59

64

61

Index (2011 = 100)

100

102

112

105

Bron: antwoorden op vragenlijst, door indieners van verzoek verstrekte inlichtingen

(138)

De werkgelegenheid van de bedrijfstak van de Unie was in de beoordelingsperiode aan schommelingen onderhevig. In totaal is zij licht met 2 % gestegen.

(139)

De productiviteit is in de periode 2011-2013 gestegen doordat de productie harder is gegroeid dan de werkgelegenheid. De productiviteit heeft in het tijdvak van het nieuwe onderzoek een daling met 7 % ten opzichte van 2013 laten zien, maar lag nog wel hoger dan bij het begin van de beoordelingsperiode in 2011.

5.2.5.   Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(140)

De dumpingmarge bij invoer uit de VRC bedroeg in het tijdvak van het nieuwe onderzoek 28,1 % (zie overweging 81), maar het effect ervan op de situatie van de bedrijfstak van de Unie was beperkt als gevolg van de geldende antidumpingmaatregelen waardoor het volume van de invoer met dumping met succes werd beteugeld.

(141)

Zoals vastgesteld in het parallelle onderzoek, is het volume van de invoer met dumping uit Rusland in de beoordelingsperiode evenwel aanzienlijk toegenomen. De bedrijfstak van de Unie heeft door deze invoer aanmerkelijke schade geleden. Derhalve was het herstel van de bedrijfstak van de Unie ondanks de geldende antidumpingmaatregelen niet mogelijk.

5.3.   Micro-economische indicatoren

5.3.1.   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(142)

De gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 8

Verkoopprijzen en kosten

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie (EUR/ton)

2 932

2 714

2 705

2 597

Index (2011 = 100)

100

93

92

89

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

2 995

2 794

2 699

2 651

Index (2011 = 100)

100

93

90

89

Bron: antwoorden op vragenlijst

(143)

De gemiddelde verkoopprijs per eenheid van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie is in de loop van de beoordelingsperiode voortdurend gedaald, in totaal met 11 %.

(144)

Ondanks deze daling lagen de productiekosten per eenheid boven de gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie en volstond de verkoopprijs niet om de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie te dekken, behalve in 2013. Uit het parallelle onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Unie wegens de prijsdruk van de invoer met dumping uit Rusland niet in staat was zijn verkoopprijs te verhogen.

5.3.2.   Loonkosten

(145)

De gemiddelde loonkosten van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 9

Loonkosten

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR)

21 692

22 207

20 603

20 594

Index (2011 = 100)

100

102

95

95

Bron: antwoorden op vragenlijst

(146)

De gemiddelde loonkosten per werknemer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn in het tijdvak van het nieuwe onderzoek met 5 % gedaald ten opzichte van 2011. Eerst zijn de loonkosten in de periode 2011-2012 met 2 % gestegen, vervolgens in de periode 2012-2013 gedaald en daarna in het tijdvak van het nieuwe onderzoek stabiel gebleven.

5.3.3.   Voorraden

(147)

De voorraden van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 10

Voorraden

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Eindvoorraden

1 931

1 999

2 133

2 085

Index (2011 = 100)

100

104

110

108

Eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie

5 %

5 %

5 %

5 %

Index (2011 = 100)

100

100

100

100

Bron: antwoorden op vragenlijst

(148)

Voorraden kunnen niet als een relevante schade-indicator voor deze bedrijfstak worden beschouwd, aangezien de productie en de verkoop hoofdzakelijk naar orders zijn gericht en de producenten dienovereenkomstig beperkte voorraden plegen aan te houden. Daarom worden de ontwikkelingen van de voorraden alleen ter informatie gegeven.

(149)

De eindvoorraden zijn in de beoordelingsperiode in totaal met 8 % gestegen. Terwijl de voorraden in de periode 2011-2013 met 10 % stegen, vertoonden zij aan het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek een lichte daling ten opzichte van 2013. De eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie zijn in de hele beoordelingsperiode stabiel gebleven.

5.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(150)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen van de producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 11

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2011

2012

2013

Tijdvak van het nieuwe onderzoek

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van de omzet)

– 2,2 %

– 2,9 %

0,2 %

– 2,1 %

Index (2011 = 100)

100

65

209

104

Kasstroom (EUR)

1 505 960

2 909 820

3 365 140

1 962 349

Index (2011 = 100)

100

193

223

130

Investeringen (EUR)

3 271 904

5 404 990

4 288 862

4 816 442

Index (2011 = 100)

100

165

131

147

Rendement van investeringen

– 4 %

– 5 %

0 %

– 3 %

Index (2011 = 100)

100

60

209

108

Bron: antwoorden op vragenlijst

(151)

De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De bedrijfstak van de Unie was in de beoordelingsperiode verliesgevend, met uitzondering van 2013: in dat jaar lag zijn winstmarge net boven het break-evenpoint. De winstgevendheid is in de periode 2011-2012 gedaald, in 2013 gestegen, maar vervolgens in het tijdvak van het nieuwe onderzoek weer gedaald, waarin zij bijna hetzelfde niveau bereikte als in 2011. De winstgevendheid is in de beoordelingsperiode in totaal met 4 % gestegen, wat neerkomt op een stijging met 0,1 procentpunt. De bedrijfstak van de Unie was hierdoor niet in staat winst te maken tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Zoals vastgesteld in het parallelle onderzoek, was deze situatie vooral toe te schrijven aan de prijsdruk van de invoer uit Rusland, die de Unie binnenkwam tegen dumpingprijzen, de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood en de bedrijfstak van de Unie verhinderde zijn verkoopprijzen te verhogen om de productiekosten te kunnen dekken.

(152)

De nettokasstroom is het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om zijn activiteiten zelf te financieren. De kasstroom was in de beoordelingsperiode aan schommelingen onderhevig, maar vertoonde een stijgende lijn. De nettokasstroom is in de beoordelingsperiode in totaal met 30 % gestegen. In absolute cijfers is de kasstroom evenwel laag gebleven ten opzichte van de totale omzet van het onderzochte product.

(153)

De investeringen zijn in de beoordelingsperiode toegenomen met 47 %. Zij zijn in 2012 met 65 % gestegen ten opzichte van 2011, in 2013 afgenomen en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek weer toegenomen. Het ging voornamelijk om investeringen in nieuwe machines en zij zijn in het tijdvak van het nieuwe onderzoek op een eerder laag niveau ten opzichte van de totale omzet gebleven.

(154)

Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Net als bij de andere financiële indicatoren was het rendement van investeringen bij de productie en verkoop van het soortgelijke product vanaf 2011 steeds negatief, behalve in 2013, toen het 0 % bedroeg; dit weerspiegelt de ontwikkeling van de winstgevendheid. In totaal is het rendement van investeringen in de beoordelingsperiode licht met 8 % gestegen.

(155)

Wat het vermogen om kapitaal aan te trekken betreft, heeft het zwakkere vermogen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie om liquide middelen te genereren voor het soortgelijke product gezorgd voor een zwakkere financiële situatie, omdat de intern gegenereerde fondsen kleiner werden. In het onderzoek is vastgesteld dat het vermogen om kapitaal aan te trekken in de beoordelingsperiode in totaal is afgenomen.

6.   Conclusie inzake schade

(156)

Verschillende belangrijke schade-indicatoren hebben een negatieve ontwikkeling laten zien. Wat de winstgevendheid betreft, was de bedrijfstak bijna gedurende de hele beoordelingsperiode verliesgevend, behalve in 2013, toen deze maar net boven het break-evenpoint lag; in het tijdvak van het nieuwe onderzoek haalde de bedrijfstak van de Unie een negatieve winstmarge van – 2,1 %. De verkoopprijzen zijn in de beoordelingsperiode met 11 % gedaald. De productiekosten per eenheid, die eveneens met 11 % zijn gedaald, zijn in de hele beoordelingsperiode, met uitzondering van 2013, hoger gebleven dan de gemiddelde verkoopprijzen. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie is met 8 procentpunten gedaald, d.w.z. van 55 % in 2011 tot 47 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek.

(157)

Enkele schade-indicatoren hebben zich in de beoordelingsperiode positief ontwikkeld. Het productievolume is met 7 % en de productiecapaciteit met 12 % gestegen. Deze stijgingen hielden de stijging van het verbruik echter niet bij, die veel groter was, namelijk tussen 17 en 28 %. Het verkoopvolume is met 2 à 10 % gestegen. Op een markt met een stijgend verbruik heeft dit evenwel niet geleid tot een groter marktaandeel, maar integendeel tot een verlies van marktaandeel met 8 procentpunten. De investeringen zijn met 47 % gestegen. Het ging om investeringen in nieuwe machines en zij bleven in het tijdvak van het nieuwe onderzoek op een eerder laag niveau. Ook de kasstroom steeg in de beoordelingsperiode met 30 %, maar bleef op een laag niveau. Deze positieve ontwikkelingen sluiten het bestaan van schade dus niet uit.

(158)

Volgens de medewerkende Braziliaanse producent en ABAL zou uit de analyse van algemeen beschikbare financiële documenten van enkele indieners van het verzoek geen aanmerkelijke schade blijken. Dit wordt tegengesproken door de resultaten van het onderzoek dat is gebaseerd op de feitelijke, gecontroleerde gegevens van de bedrijfstak van de Unie met betrekking tot AFH. Aangezien sommige producenten in de Unie niet uitsluitend AFH hebben geproduceerd, kunnen de algemeen beschikbare financiële documenten geen uitsluitsel geven over de werkelijke situatie van de bedrijfstak van de Unie met betrekking tot AFH. Derhalve mogen de conclusies betreffende de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening niet worden gebaseerd op algemeen beschikbare financiële documenten, maar moeten zij worden gebaseerd op de meer gedetailleerde en gecontroleerde gegevens die in het onderzoek beschikbaar zijn. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(159)

Deze belanghebbenden hebben ook aangevoerd dat blijkens de door de European Aluminium Foil Association („EAFA”) gepubliceerde staten en statistische gegevens de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode, die ook het tijdvak van het nieuwe onderzoek omvat, geen enkele schade had geleden. Er is evenwel gebleken dat de gebruikte staten en statistische gegevens betrekking hadden op ofwel de hele bladaluminiumsector ofwel een categorie „geringere diktes”, waaronder AFH, maar ook andere soorten folie als converterfolie en folie voor flexibele verpakkingen vallen. Op basis hiervan kan geen zinvolle conclusie ten aanzien van het betrokken product worden getrokken, en het argument werd daarom afgewezen.

(160)

Eén Chinese producent heeft aangevoerd dat de in overweging 156 beschreven ontwikkeling van de productiekosten per eenheid niet strookte met de ontwikkeling van de op de London Metal Exchange genoteerde prijs voor aluminium („LME-prijs”). Hierop moet worden geantwoord dat de prijs die de producenten in de Unie aan aluminiumsmelterijen of handelaren betalen, de som is van de LME-prijs en een toeslag, de zogenoemde „meerprijs voor metaal”. Derhalve moet elke beoordeling van de door de producent in de Unie gemaakte productiekosten per eenheid die uitsluitend op de LME-prijs is gebaseerd, als onvolledig worden beschouwd. Het argument werd daarom afgewezen.

(161)

Deze belanghebbende heeft tevens aangevoerd dat, ook al werd de meerprijs voor metaal in aanmerking genomen, de ontwikkeling van de productiekosten per eenheid nog niet met de ontwikkeling van de aluminiumprijs in overeenstemming zou kunnen worden gebracht. Dit argument was echter niet onderbouwd. Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat de LME-prijs in de beoordelingsperiode met meer dan 20 % is gedaald, terwijl de meerprijs voor metaal in die periode meer dan verdubbeld is. Met inaanmerkingneming van de LME-prijs tezamen met de meerprijs voor metaal zijn de door de producenten in de Unie betaalde kosten voor aluminium in de beoordelingsperiode met ongeveer 11 % gedaald. Deze daling komt overeen met en is in feite zelfs precies gelijk aan de daling van de productiekosten per eenheid die in overweging 156 voor deze periode is gemeld. Het argument werd derhalve afgewezen.

(162)

Eén Chinese producent heeft onder verwijzing naar overweging 156 aangevoerd dat de schade mogelijk werd veroorzaakt door de lagere invoerprijzen, de beweerde hogere productiekosten, de tanende belangstelling voor AFH wegens de hogere prijzen voor andere categorieën folie in de Unie en de tanende belangstelling voor de markt van de Unie wegens de hogere prijzen voor AFH op de uitvoermarkten. Wat de hogere productiekosten betreft, heeft de Chinese producent melding gemaakt van de hoge meerprijs voor metaal en het feit dat de bedrijfstak van de Unie gebruikmaakt van een combinatie van twee productieprocedés, warmwalsen en continugieten, terwijl het kosteneffectiever zou zijn om uitsluitend continugieten toe te passen.

(163)

In antwoord hierop wordt eraan herinnerd dat uit de overwegingen 156 en 157 kan worden afgeleid dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden. Wat de argumenten inzake de productiekosten betreft, is om te beginnen in het parallelle onderzoek met betrekking tot de rol van de meerprijs voor metaal als mogelijke schadefactor vastgesteld dat de kosten om grondstoffen voor de productie van AFH te betrekken voor de bedrijfstak van de Unie en de Russische producent-exporteur vergelijkbaar waren, aangezien de marktprijzen van deze grondstoffen zowel in Rusland als op de markt van de Unie rechtstreeks aan de London Metal Exchange zijn gekoppeld. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de hoogte van de meerprijs voor metaal in het tijdvak van het nieuw onderzoek geen schadefactor was. Met betrekking tot de mogelijke rol van de productieprocedés is uit het onderzoek gebleken dat bijna twee derde van de door de bedrijfstak van de Unie vervaardigde AFH in het tijdvak van het nieuwe onderzoek door middel van continugieten is geproduceerd. Elk verschil in kosteneffectiviteit zou dan ook worden verkleind doordat in de Unie overwegend continugieten als productieprocedé wordt toegepast. In overweging 185 wordt tevens uiteengezet dat er geen aanwijzingen waren dat de bedrijfstak van de Unie geen interesse in AFH meer had. Uit het onderzoek is evenmin naar voren gekomen dat de producenten in de Unie de markt van de Unie links hebben laten liggen ten gunste van de uitvoermarkten voor AFH. Het onderzoek heeft zelfs aangetoond dat de producenten in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek slechts 1 182 ton AFH naar derde landen hebben uitgevoerd, wat neerkomt op minder dan 3 % van de binnenlandse verkoop van de producenten in de Unie in dezelfde periode. Derhalve werden deze argumenten afgewezen.

(164)

Op grond van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

F.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING OF VOORTZETTING VAN SCHADE

1.   Opmerkingen vooraf

(165)

Aangezien werd geconcludeerd dat herhaling van invoer met dumping uit Brazilië niet waarschijnlijk is, heeft de analyse van de waarschijnlijkheid van herhaling of voortzetting van schade zich beperkt tot de invoer uit de VRC.

(166)

Om te beoordelen of het waarschijnlijk is dat opnieuw schade zal worden toegebracht of dat de schade zal worden voortgezet indien de maatregelen ten aanzien van de VRC zouden komen te vervallen, werden de mogelijke gevolgen van de uitvoer uit de VRC voor de markt van de Unie en de bedrijfstak van de Unie overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening geanalyseerd.

(167)

Zoals blijkt uit de overwegingen 124-164, heeft de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade geleden. In de hele beoordelingsperiode zijn de hoeveelheden invoer uit de VRC op de markt van de Unie beperkt gebleven, terwijl de invoer uit Rusland en het marktaandeel ervan in dezelfde periode zijn gestegen. In het parallelle onderzoek is geconcludeerd dat de invoer uit Rusland tegen dumpingprijzen heeft plaatsgevonden en aanmerkelijke schade heeft berokkend aan de bedrijfstak van de Unie, terwijl de invoer uit de VRC, gezien het geringe volume en de lage prijzen ervan, slechts gedeeltelijk heeft bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, zonder evenwel het oorzakelijke verband tussen de invoer uit Rusland en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie te verbreken. Zoals uiteengezet in de overwegingen 80-100, heeft het onderzoek ook aangetoond dat de invoer uit de VRC in het tijdvak van het nieuwe onderzoek tegen dumpingprijzen heeft plaatsgevonden en dat het waarschijnlijk is dat de dumping wordt voortgezet indien de maatregelen zouden komen te vervallen.

2.   Reservecapaciteit, handelsstromen en aantrekkelijkheid van de markt van de Unie alsmede prijsbeleid van de VRC

(168)

De aanzienlijke reservecapaciteit in de VRC die niet volledig kan worden geabsorbeerd door de Chinese binnenlandse vraag en andere uitvoermarkten dan de markt van de Unie, de voortzetting van dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek met aanzienlijke dumpingmarges en de in de overwegingen 82-100 gedetailleerd beschreven dumpingpraktijken van de Chinese exporteurs op de markten van derde landen laten duidelijk zien dat het zeer waarschijnlijk is dat de hoeveelheden invoer met dumping uit de VRC aanzienlijk zouden toenemen als de geldende maatregelen zouden komen te vervallen.

(169)

Werden de geldende maatregelen ingetrokken, dan zouden de prijzen van de invoer uit de VRC naar alle waarschijnlijkheid de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie onderbieden. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat zonder antidumpingrechten de invoer uit de VRC die in het tijdvak van het nieuwe onderzoek in het kader van de normale invoerregeling heeft plaatsgevonden, de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met gemiddeld 12,2 % zou hebben onderboden (10).

(170)

Zoals vermeld in de overwegingen 92-94, is de markt van de Unie voor invoer uit de VRC aantrekkelijk omdat de prijzen op de markt van de Unie grotendeels in de pas liepen met de prijzen op andere uitvoermarkten. Daarnaast heeft Turkije in juli 2014 voor een reeks bladaluminiumproducten, waaronder het betrokken product, antidumpingmaatregelen ten aanzien van de VRC ingesteld. Het is daarom waarschijnlijk dat een deel van de productie die eerder naar Turkije werd uitgevoerd, op de markt van de Unie zou worden gericht als de maatregelen ten aanzien van China werden ingetrokken. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat de intrekking van de maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke stijging van de invoer uit de VRC tegen dumpingprijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onderbieden en waardoor de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt.

(171)

Volgens de medewerkende Braziliaanse producent en ABAL zou op basis van de door de EAFA gepubliceerde statistische gegevens kunnen worden vastgesteld dat de producenten van bladaluminium in de Unie hun uitvoer naar de markten van derde landen hebben opgevoerd, waaruit zou blijken dat deze markten van derde landen aantrekkelijker waren dan de markt van de Unie. Wat dit argument betreft, is gebleken dat de door deze belanghebbenden gehanteerde statistische gegevens betrekking hadden op ofwel de hele bladaluminiumsector ofwel een categorie „geringere diktes”, waaronder AFH, maar ook andere soorten folie als converterfolie en folie voor flexibele verpakkingen vallen. Op basis hiervan kunnen geen zinvolle conclusies worden getrokken louter ten aanzien van het betrokken product. Daarnaast is in het onderzoek vastgesteld dat de hoeveelheden van het betrokken product die de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek naar de markten van derde landen heeft uitgevoerd, slechts 1 182 ton bedroegen, wat overeenkomt met minder dan 3 % van zijn binnenlandse verkoop in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Derhalve werden de desbetreffende argumenten afgewezen.

3.   Conclusie

(172)

Gezien de bevindingen van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de intrekking van de maatregelen ten aanzien van de VRC naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke stijging van de invoer uit de VRC tegen dumpingprijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onderbieden en waardoor de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt.

G.   BELANG VAN DE UNIE

1.   Opmerking vooraf

(173)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande maatregelen ten aanzien van de VRC in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld aan de hand van een afweging van alle belangen van de betrokkenen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, de handelaren, de importeurs en de gebruikers.

2.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(174)

Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek aanmerkelijke schade heeft geleden. Zoals vermeld in overweging 167, is de aanmerkelijke schade hoofdzakelijk toe te schrijven aan de invoer met dumping uit Rusland, terwijl de invoer uit de VRC slechts ten dele heeft bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Er is eveneens vastgesteld dat voortzetting van schade waarschijnlijk is, mochten de maatregelen ten aanzien van de VRC komen te vervallen.

(175)

Worden de maatregelen ten aanzien van de VRC opgeheven, dan is het waarschijnlijk dat opnieuw aanzienlijke hoeveelheden betrokken product uit de VRC op de markt van de Unie zullen worden ingevoerd tegen dumpingprijzen die tevens de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie fors zouden onderbieden en een hogere prijsdruk zouden uitoefenen dan de in het tijdvak van het nieuwe onderzoek uit Rusland met dumping ingevoerde hoeveelheden. De bedrijfstak van de Unie zou gedwongen zijn deze lagere prijzen te volgen en zou daardoor nog grotere verliezen lijden.

3.   Belang van de gebruikers

(176)

De gebruikers in de Unie zijn herwikkelaars: zij verhandelen verpakkingsmateriaal (bladaluminium, maar ook papier en plastic) na AFH op kleine rollen („consumentenrollen”) te hebben herwikkeld en het voor de industrie en de kleinhandel opnieuw te hebben verpakt. Zes ondernemingen hebben zich gemeld en hebben een vragenlijst ontvangen. Drie ondernemingen hebben aan de procedure meegewerkt door de vragenlijst te beantwoorden. Twee van de medewerkende ondernemingen zijn ter plaatse gecontroleerd.

(177)

Uit het onderzoek is gebleken dat AFH voor herwikkelaars de belangrijkste grondstof is en ongeveer 80 % van hun totale productiekosten vertegenwoordigt.

(178)

Geen van de drie medewerkende gebruikers heeft het betrokken product in het tijdvak van het nieuwe onderzoek uit de VRC ingevoerd. Hun voornaamste bevoorradingsbronnen waren de bedrijfstak van de Unie, Rusland en Turkije.

(179)

Aangezien herwikkelaars een breed scala aan verpakkingsmaterialen leveren, maakte de activiteit waarbij AFH wordt gebruikt voor de drie medewerkende ondernemingen minder dan een zesde tot ten hoogste een derde van hun totale activiteit uit.

(180)

Alle medewerkende gebruikers hebben aangegeven in het tijdvak van het nieuwe onderzoek algemeen winstgevend te zijn geweest. Met betrekking tot de activiteit waarbij het betrokken product wordt gebruikt, is vastgesteld dat twee van de medewerkende gebruikers winstgevend waren, terwijl ten aanzien van de derde medewerkende gebruiker geen conclusie kon worden getrokken omdat niet duidelijk was hoe zijn verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) waren toegerekend.

(181)

Op grond van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat handhaving van de maatregelen ten aanzien van de VRC geen significante negatieve gevolgen voor de situatie van de gebruikers zal hebben.

4.   Belang van de importeurs/handelaren

(182)

Er heeft zich na de bekendmaking van het bericht van opening geen enkele onderneming gemeld die in de beoordelingsperiode betrokken was bij de handel in AFH en AFH van oorsprong uit de VRC had ingevoerd of doorverkocht. Uit het onderzoek is tevens gebleken dat de bedrijfstak van de Unie en de producenten-exporteurs AFH vooral rechtstreeks aan de gebruikers verkochten. Daarom zijn er geen aanwijzingen dat de ingestelde maatregelen negatieve gevolgen voor de situatie van de importeurs/handelaren zouden hebben.

5.   Bevoorradingsbronnen

(183)

Sommige belanghebbenden hebben aangevoerd dat de bedrijfstak van de Unie niet over voldoende capaciteit beschikt om aan de hele vraag in de Unie te kunnen voldoen. Werden de maatregelen ten aanzien van Brazilië en de VRC gehandhaafd en werden tegelijkertijd definitieve maatregelen ten aanzien van Rusland ingesteld, dan zou de Unie volgens hen derhalve te maken krijgen met een ontoereikend aanbod, waardoor de prijs van AFH zou worden opgedreven. Daardoor zouden de herwikkelaars ook hun prijzen van consumentenrollen moeten verhogen, ten koste van de consumenten.

(184)

In dit verband is uit het onderzoek gebleken dat de bedrijfstak van de Unie over overcapaciteit beschikt en in staat is de productie en de verkoop van AFH in de Unie op te voeren. Bovendien zijn er alternatieve bevoorradingsbronnen beschikbaar, zoals Turkije, Armenië en Zuid-Afrika. Ten slotte moet er tevens aan worden herinnerd dat de antidumpingmaatregelen tot doel hebben de concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie te herstellen en niet te beletten dat er invoer uit de VRC en Rusland tegen eerlijke prijzen op de markt van de Unie plaatsvindt.

6.   Overige argumenten

(185)

Eén belanghebbende heeft aangevoerd dat de bedrijfstak van de Unie geen interesse in AFH meer had en dat hem daarom niets anders overbleef dan gebruik te maken van ingevoerd AFH. Uit het onderzoek is echter gebleken dat de grootste in de steekproef opgenomen producent in de Unie uitsluitend AFH produceerde. De andere in de steekproef opgenomen producenten in de Unie bleken hun productiefaciliteit te gebruiken voor de productie van een mix van AFH en ACF, een ander product dat wordt gebruikt in andere toepassingen dan AFH. Zij produceerden en verkochten AFH en ACF in de beoordelingsperiode in een relatief stabiele verhouding. Het onderzoek heeft het argument dat de bedrijfstak van de Unie steeds minder interesse in AFH had dan ook niet bevestigd, en het argument werd afgewezen.

7.   Conclusie inzake belang van de Unie

(186)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen waren om aan te nemen dat handhaving van de maatregelen ten aanzien van de invoer van AFH van oorsprong uit de VRC niet in het belang van de Unie zou zijn.

H.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(187)

Alle partijen zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wil aanbevelen de bestaande maatregelen ten aanzien van de VRC te handhaven en de bestaande maatregelen ten aanzien van Brazilië in te trekken. Zij konden hierover ook binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Wanneer deze opmerkingen gegrond waren, werd daarmee rekening gehouden.

(188)

Uit het bovenstaande volgt dat de antidumpingmaatregelen die bij Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad werden ingesteld op de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de VRC, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening moeten worden gehandhaafd. Daarentegen dienen de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer uit Brazilië, te vervallen.

(189)

Een onderneming die haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (11). Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging niet van invloed is op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een bericht over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(190)

De verordening is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde product is als volgt:

Land

Onderneming

Antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

VRC

Alcoa (Shanghai) Aluminium Products Co., Ltd en Alcoa (Bohai) Aluminium Industries Co., Ltd

6,4 %

A944

Shandong Loften Aluminium Foil Co., Ltd

20,3 %

A945

Zhenjiang Dingsheng Aluminium Co., Ltd

24,2 %

A946

Alle andere ondernemingen

30,0 %

A999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

4.   De individuele rechten voor de in lid 2 vermelde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die luidt als volgt: „Ondergetekende verklaart dat het (de hoeveelheid) bladaluminium dat (die) naar de Europese Unie is uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in de Volksrepubliek China. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

5.   De antidumpingprocedure betreffende de invoer van het in artikel 1, lid 1, vermelde product van oorsprong uit Brazilië wordt beëindigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (PB L 262 van 6.10.2009, blz. 1).

(3)  Besluit 2009/736/EG van de Commissie van 5 oktober 2009 tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit, onder meer, Brazilië (PB L 262 van 6.10.2009, blz. 50).

(4)  Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 49 van 21.2.2014, blz. 7).

(5)  Bericht van het vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 350 van 4.10.2014, blz. 22).

(6)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaald aluminiumfolie van oorsprong uit Brazilië en de Volksrepubliek China (PB C 350 van 4.10.2014, blz. 11).

(7)  Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde aluminiumfolie van oorsprong uit Rusland (PB C 354 van 8.10.2014, blz. 14).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1081 van de Commissie van 3 juli 2015 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Rusland (PB L 175 van 4.7.2015, blz. 14).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2385 van de Commissie van 17 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Rusland (zie bladzijde 91 van dit Publicatieblad).

(10)  Voor de vaststelling van de prijsonderbieding van 12,2 % is er rekening mee gehouden dat het douanerecht tijdens de eerste drie maanden van het tijdvak van het nieuwe onderzoek 4 % bedroeg en daarna is verhoogd tot 7,5 %. Toepassing van het momenteel geldende douanerecht van 7,5 % op de hele periode zou geen noemenswaardig effect hebben omdat de prijsonderbiedingsmarge hierdoor slechts met 0,5 % zou dalen.

(11)  Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat H, Wetstraat 170, 1040 Brussel, BELGIË.


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/91


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2385 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Russische Federatie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Voorlopige maatregelen

(1)

Op 4 juli 2015 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1081 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Russische Federatie („Rusland”).

(2)

De procedure werd op 8 oktober 2014 ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 25 augustus 2014 door AFM Aluminiumfolie Merseburg GmbH, Alcomet AD, Eurofoil Luxembourg SA, Hydro Aluminium Rolled Products GmbH en Impol d.o.o. („de klagers”) was ingediend namens producenten die meer dan 25 % van de totale productie in de Unie van bladaluminium vertegenwoordigen. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal over dumping van het betrokken product en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd toereikend geacht om het onderzoek te openen.

2.   Vervolg van de procedure

(3)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan werd besloten een voorlopig antidumpingrecht in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”), maakten meerdere belanghebbenden schriftelijke opmerkingen waarin zij hun standpunten ten aanzien van de voorlopige bevindingen kenbaar maakten. De partijen die daartoe een verzoek indienden, werden gehoord.

(4)

De enige exporteur, de Rusal-groep, en vijf gebruikers hebben gevraagd om de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures in te schakelen. De hoorzitting met de exporteur heeft op 14 oktober 2015 in het bijzijn van een vertegenwoordiger van Rusland plaatsgevonden. De belangrijkste punten die zijn besproken, waren de toepassing van artikel 2, lid 9, van de basisverordening voor de berekening van de uitvoerprijs en de gevolgen van de invoer van „aluminium converter foil” („ACF”) uit de Volksrepubliek China („VRC”) voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie. De hoorzitting met de gebruikers heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2015, na het verstrijken van de termijn voor het indienen van opmerkingen bij de mededeling van de definitieve bevindingen. De belangrijkste punten die zijn besproken, waren de vermeende ontwijking van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik (AFH) uit de VRC, de gevolgen van de invoer uit derde landen voor de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, de gevolgen van de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Rusland voor de gebruikers en de mogelijkheid om de minimuminvoerprijs als maatregeltype te gebruiken.

(5)

Bovendien hebben op 27 oktober 2015 vijf herwikkelaars om een confronterende hoorzitting met de klagers gevraagd. De klagers hebben echter geen belangstelling getoond om deel te nemen aan een dergelijke hoorzitting.

(6)

De Commissie heeft de mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en heeft in voorkomend geval de voorlopige bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd.

(7)

De Commissie heeft alle betrokken partijen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Rusland in te stellen en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen („de mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle partijen konden hierover binnen een bepaalde termijn na de mededeling van de definitieve bevindingen opmerkingen maken.

(8)

Met de opmerkingen van de belanghebbenden werd waar nodig rekening gehouden.

3.   Steekproef

(9)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie al zijn activiteiten, met inbegrip van apparatuur, licenties, verplichtingen betreffende werknemers en bestaande contracten, aan een nieuwe onderneming verkocht. Aangezien die wijziging na het onderzoektijdvak heeft plaatsgevonden, is zij niet relevant voor de beoordeling van de schade overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de basisverordening.

(10)

Aangezien er geen opmerkingen werden ontvangen over de methode voor het nemen van de steekproeven, worden de in de overwegingen 7 tot en met 13 van de voorlopige verordening vastgestelde voorlopige bevindingen bevestigd.

4.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(11)

Zoals uiteengezet in overweging 19 van de voorlopige verordening, had het onderzoek naar de dumping en de schade betrekking op de periode van 1 oktober 2013 tot en met 30 september 2014 („het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

(12)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben de Russische autoriteiten aangevoerd dat aangezien het onderzoektijdvak ook gegevens met betrekking tot het laatste kwartaal van 2013 omvatte, de vaststelling van de ontwikkelingen in de analyse van de schade niet voldeed aan het in artikel 3, lid 2, van de basisverordening vastgestelde vereiste van objectiviteit.

(13)

Het onderzoektijdvak werd overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de basisverordening vastgesteld. Daarnaast heeft de Commissie zich voor het onderzoek naar de ontwikkeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak gebaseerd op een voldoende representatieve termijn, namelijk het onderzoektijdvak en drie volledige boekjaren voorafgaand aan het onderzoektijdvak. Het feit dat het onderzoektijdvak en één van de jaren van de beoordelingsperiode enigszins samenvallen, heeft geen invloed op de objectieve vaststelling van de schade door de Commissie. Het argument werd daarom afgewezen.

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(14)

Zoals uiteengezet in overweging 20 van de voorlopige verordening, gaat het bij het betrokken product om bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg („jumborollen”), momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910) en van oorsprong uit Rusland („het betrokken product”). Het betrokken product wordt doorgaans aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik („AFH”) genoemd.

(15)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben verschillende belanghebbenden aangevoerd dat de invoer uit Rusland niet concurreerde met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde AFH, evenwel zonder dat argument verder uit te leggen of te staven. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(16)

Aangezien geen andere opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke product werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 21 tot en met 28 van de voorlopige verordening bevestigd.

C.   DUMPING

(17)

De details van de berekening van de dumping zijn vastgesteld in de overwegingen 29 tot en met 52 van de voorlopige verordening.

(18)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft de Rusal-groep de in de overwegingen 40 tot en met 42 van de voorlopige verordening beschreven correcties van de uitvoerprijs betwist. De Rusal-groep voerde aan dat de aftrek van de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”) en de winst van de verbonden handelaar enkel gerechtvaardigd is in het geval van DDP-transacties (delivered duty paid (franco inclusief rechten)) en niet in het geval van DAP- (delivered at place (franco ter plaatse)) en CIF-transacties (cost, insurance and freight (kostprijs, verzekering en vracht)).

(19)

In antwoord op dit argument wordt erop gewezen dat de Commissie, gezien de bestaande associatie tussen de producenten en hun verbonden handelaar, de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening heeft berekend. Uit het onderzoek is gebleken dat die associatie van toepassing is op alle soorten transacties, ongeacht de commerciële voorwaarden ervan. Bovendien heeft de Rusal-groep geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit zou blijken dat de gebruikte winstmarge niet redelijk is. Derhalve worden de desbetreffende argumenten ongegrond geacht en moeten deze worden afgewezen. Wat de VAA-kosten betreft, is het de partij die beweert dat de correctie buitensporig is die specifiek bewijsmateriaal en berekeningen moet verstrekken om haar bewering te staven en met name in voorkomend geval een alternatieve correctie moet voorstellen. De Rusal-groep heeft in haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen echter geen dergelijke gegevens verstrekt.

(20)

Het argument van de producent-exporteur werd op basis van het bovenstaande afgewezen.

(21)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Rusal-groep herhaald dat zij het niet eens is met de correcties overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening die in het geval van de DAP- en CIF-transacties aan de VAA-kosten en de winst zijn aangebracht. Gezien de betrokkenheid van de verbonden handelaar bij alle soorten transacties (DDP, DAP en CIF) betwist de Rusal-groep de toepassing van artikel 2, lid 9, niet. Wat de transacties onder de voorwaarden van CIF en DAP betreft, betwist de Rusal-groep echter de toepasbaarheid van de correcties krachtens artikel 2, lid 9, tweede en derde alinea, en met name wat de VAA-kosten en de winst betreft. Volgens de Rusal-groep vindt de levering van de goederen aan de koper in het kader van CIF en DAP vóór de invoer plaats, en zijn die correcties hierop derhalve niet van toepassing. De Rusal-groep heeft in haar opmerkingen een aantal gevallen opgesomd waarin de Commissie schijnbaar geen correcties overeenkomstig artikel 2, lid 9, heeft doorgevoerd. Ten slotte voert de Rusal-groep subsidiair aan dat indien de Commissie van mening blijft dat de toepassing van artikel 2, lid 9, een automatische correctie voor redelijke VAA-kosten en winst vereist, de diensten van de Commissie dan moeten erkennen dat de handelaar bij de CIF- en DAP-transacties een geïntegreerde afdeling van de producent-exporteur was, en bijgevolg artikel 2, lid 8, van de basisverordening op die transacties moeten toepassen.

(22)

In antwoord hierop bevestigt de Commissie dat in het geval van Rusal voor alle soorten transacties overeenkomstig artikel 2, lid 9, tweede en derde alinea, een correctie met een redelijke marge voor de VAA-kosten en de winst moet worden toegepast. Hoewel de goederen van de CIF-transacties worden geleverd vóór zij in het vrije verkeer worden gebracht en de verantwoordelijkheid voor de inklaring bij de koper ligt (in tegenstelling tot transacties onder DDP-voorwaarden), verandert dit niets aan het feit dat de verkoop wordt verricht door de verbonden handelaar, die de VAA-kosten draagt en die met zijn diensten normaal gezien winst probeert te maken. In het licht van het feit dat de handelaar is verbonden met de producent-exporteur, houdt artikel 2, lid 9, van de basisverordening in dat de gegevens van een dergelijke handelaar per definitie onbetrouwbaar zijn en dat zijn VAA-kosten en winst door de met het onderzoek belaste autoriteiten op een redelijke grondslag moeten worden vastgesteld. Daarnaast sluit artikel 2, lid 9, van de basisverordening niet uit dat kosten die vóór de invoer worden gemaakt, worden gecorrigeerd, voor zover die kosten normaal gezien door de invoerder worden gedragen. Daarom is de volledige uitsluiting van correcties voor VAA-kosten en winst wat betreft de verkoop die onder CIF-voorwaarden wordt uitgevoerd, niet te rechtvaardigen. Het feit dat de verbonden onderneming slechts bepaalde functies uitoefent, belet inderdaad niet dat de Commissie correcties overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening doorvoert, maar dit kan tot uiting komen in lagere VAA-kosten die in mindering moeten worden gebracht op de prijs waartegen het betrokken product wordt doorverkocht aan de eerste onafhankelijke koper. Hoe dan ook rust de bewijslast bij de belanghebbende die voornemens is de omvang van de op grond van artikel 2, lid 9, van de basisverordening toegepaste correcties te betwisten. Indien die partij dus van oordeel is dat de correcties buitensporig zijn, dan moet zij specifiek bewijsmateriaal en berekeningen verstrekken om die beweringen te staven. Wat de DAP-transacties betreft, moet worden vermeld dat de plaatsen van levering wel degelijk binnen het douanegebied van de EU liggen en het verschil in mate van betrokkenheid van de handelaar in vergelijking met de verkoop onder DDP-voorwaarden derhalve nog kleiner is. Wat betreft de door de Rusal-groep aangehaalde gevallen uit het verleden, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het standpunt van de Commissie in overeenstemming is met de jurisprudentie van de rechterlijke instanties van de Unie. Ten tweede beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsbevoegdheid wat handelspolitieke beschermingsmaatregelen betreft, en is zij bij de uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid niet door haar vorige beoordelingen gebonden. In ieder geval was de feitelijke situatie in elk van de door de Rusal-groep aangehaalde gevallen verschillend. Wat betreft het subsidiaire argument om artikel 2, lid 8, van de basisverordening toe te passen, verwijst de Commissie ten slotte naar de redenering in deze overweging en in overweging 19 en herhaalt zij dat het enkele bestaan van een associatie tussen de exporteur en de verbonden onderneming voor de Commissie volstaat om de werkelijke uitvoerprijzen onbetrouwbaar te kunnen achten, omdat het bestaan van een associatie tussen de exporteur en de verbonden onderneming een van de redenen is waarom de werkelijke uitvoerprijzen als onbetrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

(23)

Wat de kwantificering van de correctie van de VAA-kosten betreft, heeft de Commissie de Rusal-groep na ontvangst van de opmerkingen bij de mededeling van de voorlopige bevindingen verzocht om aan te geven welk deel van de VAA-kosten zij als niet van toepassing op of onredelijk ten aanzien van de CIF- en DAP-transacties beschouwt en om daarvan, zoals de rechtspraak vereist, bewijsmateriaal te verstrekken. Dat bewijsmateriaal werd echter niet verstrekt, aangezien de Rusal-groep enkel informatie wou verstrekken op voorwaarde dat haar juridische interpretatie van artikel 2, lid 9, van de basisverordening door de Commissie zou worden aanvaard. Aangezien de Rusal-groep in dit verband geen enkel element heeft aangebracht, moet het argument worden afgewezen.

(24)

Aangezien er geen verdere opmerkingen werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 29 tot en met 52 van de voorlopige verordening bevestigd en blijven de definitieve dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, ongewijzigd:

Onderneming

Definitieve dumpingmarge

Rusal-groep

34,0 %

Alle andere ondernemingen

34,0 %

D.   SCHADE

1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(25)

De in overweging 9 vermelde wijziging heeft geen invloed gehad op de definitie van de bedrijfstak van de Unie.

(26)

Aangezien er geen opmerkingen over de definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 53 tot en met 55 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Verbruik in de Unie

(27)

Aangezien er geen opmerkingen over het verbruik in de Unie werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 56 tot en met 60 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Invoer uit het betrokken land

(28)

Aangezien er geen opmerkingen over de invoer uit het betrokken land werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 61 tot en met 70 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

(29)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft één belanghebbende aangevoerd dat de analyse van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie zou zijn beïnvloed door de onderlinge afhankelijkheid van de AFH-markt en de ACF-markt. Hij beweerde dat de onderlinge afhankelijkheid van die markten aan drie belangrijke aannames was toe te schrijven: i) alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie konden met dezelfde machines en uitrusting zowel AFH als ACF produceren, ii) er kan relatief gemakkelijk worden omgeschakeld van de productie van ACF naar AFH en iii) de prijselasticiteit van de vraag naar beide producten is hoog. Hij beweerde ten slotte dat de producenten in de Unie geen onderscheid konden maken tussen de economische factoren die op elk van deze producten afzonderlijk betrekking hebben en dat de Commissie derhalve artikel 3, lid 8, van de basisverordening had moeten toepassen en haar beoordeling van de schade op een bredere grondslag had moeten baseren.

(30)

Er moet echter worden opgemerkt dat ACF een ander product is dan AFH en dat het in andere toepassingen wordt gebruikt. Zoals uiteengezet in overweging 131 van de voorlopige verordening, produceerde de grootste in de steekproef opgenomen producent in de Unie van AFH enkel AFH. Zoals eveneens in die overweging wordt vermeld, is uit het onderzoek gebleken dat voor die producenten in de Unie die zowel AFH als ACF vervaardigden geen eenvoudige omschakeling van het ene naar het andere product mogelijk was, omdat beide producten om maximaal te renderen in bepaalde hoeveelheden moeten worden vervaardigd. Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie de twee soorten folie in een stabiele verhouding vervaardigden. Bovendien konden de producenten in de Unie die zowel AFH als ACF produceerden de economische en financiële gegevens met betrekking tot de productie en de verkoop van AFH scheiden van die met betrekking tot de productie en de verkoop van ACF. De analyse van de schade in de overwegingen 71 tot en met 108 van de voorlopige verordening heeft dus enkel betrekking op de productie en de verkoop van AFH in de Unie en daarom werd het argument dat de Commissie artikel 3, lid 8, van de basisverordening had moeten toepassen, afgewezen.

(31)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen ging de belanghebbende niet akkoord met de conclusie van de Commissie dat artikel 3, lid 8, van de basisverordening in dit geval niet kon worden toegepast. De belanghebbende herhaalde zijn argumenten uit de overwegingen 29 en 30, zonder nieuwe elementen aan te voeren. Hij hield ook vol dat de Commissie niet in staat was om vast te stellen dat de meeste producenten in de Unie de economische en financiële gegevens met betrekking tot de productie van AFH en ACF konden scheiden, evenwel zonder dat argument te staven. De Commissie bevestigt daarom dat zij in dit geval geen beroep hoefde te doen op artikel 3, lid 8, van de basisverordening, aangezien de productie van het soortgelijke product afzonderlijk kon worden vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Aangezien de argumenten van de belanghebbende slechts feitelijk onjuiste beweringen waren, werden zij afgewezen.

(32)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben de Russische autoriteiten de Commissie verzocht niet-vertrouwelijke versies van de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te verstrekken, samen met al het andere bewijsmateriaal waaruit aanmerkelijke schade blijkt. Voorts hebben zij verzocht om toegang tot de door de Commissie gebruikte methode voor de beoordeling van de door de producenten in de Unie geleden aanmerkelijke schade.

(33)

De Commissie herinnert eraan dat de Russische autoriteiten, samen met alle belanghebbenden, op 25 augustus 2015 (nadat zij hun standpunten ten aanzien van de mededeling van de voorlopige bevindingen hadden ingediend) in kennis zijn gesteld van de exacte te volgen procedure om toegang te krijgen tot het niet-vertrouwelijke dossier van het onderzoek. De niet-vertrouwelijke versies van die antwoorden waren voldoende gedetailleerd om een redelijk inzicht te verschaffen in de essentie van de in vertrouwen verstrekte informatie. Het andere bewijsmateriaal ter staving van de conclusie dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden, wordt besproken in de overwegingen 71 tot en met 108 van de voorlopige verordening.

5.   Conclusie inzake schade

(34)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben twee belanghebbenden aangevoerd dat niet uit alle schade-indicatoren een negatieve tendens bleek en dat het bestaan van een positieve tendens met betrekking tot bepaalde schade-indicatoren zou aantonen dat de bedrijfstak van de Unie geen aanmerkelijke schade heeft geleden. Zij voerden ook aan dat de ontoereikende stijging van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie niet op aanmerkelijke schade wijst, aangezien deze het gevolg was van een ontoereikende productiecapaciteit terwijl de vraag in de Unie steeg.

(35)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening wordt de vaststelling van het bestaan van aanmerkelijke schade gebaseerd op een algemene beoordeling van alle relevante schade-indicatoren. Louter op basis van bepaalde geselecteerde schade-indicatoren getrokken conclusies zouden de analyse in dit geval vertekenen. Zoals werd geconcludeerd in overweging 106 van de voorlopige verordening, zijn de productiecapaciteit, de productie en de verkoop van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode dus gestegen, maar was die stijging kleiner dan de stijging van het verbruik. Ondanks de moeilijke financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie hebben de producenten in de Unie inspanningen geleverd om te investeren in de uitbreiding van de capaciteit, om te kunnen profiteren van de stijging van het verbruik in de Unie. Aangezien zij de prijzen echter niet tot een kostendekkend niveau konden verhogen, was hun vermogen om in capaciteitsuitbreiding te investeren beperkt. De producenten konden de door de productie en de verkoop van AFH geleden verliezen in zekere mate financieren met de door de verkoop van andere producten verkregen winsten. Op lange termijn is de productie van een verliesgevend product echter een onhoudbare strategie voor de bedrijfstak van de Unie. Daarom werd het argument dat niet uit alle schade-indicatoren een negatieve tendens bleek en dat er derhalve geen aanmerkelijke schade was, afgewezen.

(36)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de Russische autoriteiten hun argument uit het voorlopige stadium herhaald, namelijk dat uit algemeen beschikbare financiële documenten van de klagers geen aanmerkelijke schade zou blijken.

(37)

Zoals uiteengezet in overweging 107 van de voorlopige verordening, hebben sommige producenten in de Unie niet uitsluitend AFH geproduceerd en kan de werkelijke situatie van de bedrijfstak van de Unie met betrekking tot AFH derhalve niet naar voren komen uit de algemeen beschikbare financiële documenten. Bovendien zijn de resultaten van het onderzoek gebaseerd op de werkelijke, gecontroleerde gegevens van de bedrijfstak van de Unie met betrekking tot AFH. Dit argument werd daarom afgewezen.

(38)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft één belanghebbende zijn argument herhaald dat de meeste relevante factoren en indicatoren die van invloed zijn op de situatie van de bedrijfstak van de Unie voor AFH tijdens de beoordelingsperiode een positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. Voorts heeft hij aangevoerd dat de door de Commissie uitgevoerde analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie slechts is gebaseerd op een klein aantal indicatoren.

(39)

De door de Commissie uitgevoerde analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie is echter gebaseerd op alle factoren die in deel D van de voorlopige verordening zijn opgenomen. Het feit dat enkele schade-indicatoren, zoals productie, productiecapaciteit en verkoopvolume, tijdens de beoordelingsperiode een positieve tendens vertoonden, doet geen afbreuk aan de algemene conclusie dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden. De indicatoren kunnen niet los van elkaar worden beschouwd; er moet ook met het verband tussen de indicatoren rekening worden gehouden. Zoals uiteengezet in overweging 106 van de voorlopige verordening, is tijdens de beoordelingsperiode het productievolume met 7 % en de productiecapaciteit met 12 % toegenomen. Deze stijgingen waren echter kleiner dan de stijging van het verbruik, die veel groter was, namelijk (17-28 %) tijdens de beoordelingsperiode. Hoewel het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode met (2-10 %) is gestegen, heeft de stijging van het verkoopvolume op een markt met een nog sterker gestegen verbruik dientengevolge niet tot een groter marktaandeel geleid; integendeel, het marktaandeel is 8 procentpunten kleiner geworden. Dit toont aan dat de bedrijfstak van de Unie niet kon profiteren van het toegenomen verbruik. Hoewel daarnaast de investeringen tijdens de beoordelingsperiode met 47 % zijn gestegen, was dat nog altijd minder dan de investeringen die nodig waren om gelijke tred te houden met de toename van het verbruik. Ten slotte vertoonde de kasstroom een positieve tendens, maar in absolute cijfers bleef deze op een laag niveau. Wanneer de positieve tendens van enkele indicatoren dus in samenhang met andere factoren wordt geanalyseerd, bevestigt deze in feite dat de bedrijfstak van de Unie schade lijdt. Daarom werden de argumenten uit overweging 38 afgewezen.

(40)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben vijf herwikkelaars, in het kader van hun verzoek om maatregelen op te leggen in de vorm van een minimuminvoerprijs, aangevoerd dat de verkoopprijs van de producent in de Unie die enkel AFH vervaardigt, na het onderzoektijdvak is gestegen, terwijl de meerprijs voor aluminium is gedaald. Zij hebben ook aangevoerd dat dit tot grotere winsten voor die producent in de Unie hebben geleid.

(41)

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de basisverordening is de bovenstaande conclusie inzake schade gebaseerd op de gecontroleerde gegevens met betrekking tot de beoordelingsperiode, zonder rekening te houden met gegevens van na het onderzoektijdvak, en op gegevens die representatief zijn voor alle in de steekproef opgenomen ondernemingen en niet voor één afzonderlijke producent in de Unie. Daarom werd het argument uit overweging 40 afgewezen.

(42)

Gezien het bovenstaande en bij ontbreken van andere opmerkingen wordt de conclusie in de overwegingen 71 tot en met 108 van de voorlopige verordening dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening, bevestigd. De bedrijfstak van de Unie heeft aanmerkelijke schade geleden, wat vooral tot uiting kwam in de negatieve winstgevendheid tijdens bijna de volledige beoordelingsperiode.

E.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(43)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben enkele belanghebbenden de argumenten herhaald die zij vóór de instelling van voorlopige rechten hadden ingediend, namelijk dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet door de invoer uit Rusland werd veroorzaakt, maar door andere factoren, zoals het onvermogen van de bedrijfstak van de Unie om zijn productiecapaciteit evenredig met de grotere vraag te verhogen, de invoer uit andere derde landen, bijvoorbeeld Turkije en de VRC, en de toename van de productie van ACF door de bedrijfstak van de Unie, ten koste van AFH.

(44)

De vermeende gevolgen van andere factoren voor de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade worden in de overwegingen 49 tot en met 97 besproken.

(45)

Voorts heeft één belanghebbende aangevoerd dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in 2013, toen het absolute volume van de invoer uit Rusland het grootste was, is gestegen, wat zou aantonen dat de invoer uit Rusland geen gevolgen heeft gehad voor de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade derhalve niet heeft veroorzaakt.

(46)

Zoals uiteengezet in overweging 99 van de voorlopige verordening, schommelde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode licht (tussen – 2,9 % en 0,2 %). In 2013 lag de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie met 0,2 % maar net hoger dan de rentabiliteitsdrempel. Terwijl het volume van de invoer uit Rusland het grootste was in datzelfde jaar, bleef het marktaandeel ervan onveranderd, nl. 34 %. Daarom doet deze geringe tijdelijke verbetering van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie niets af aan de conclusie dat de algemene winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie negatief was (behalve in 2013) en gedurende de volledige beoordelingsperiode onder de streefwinst van 5 % bleef. Die verbetering heeft ook geen gevolgen gehad voor de in overweging 116 van de voorlopige verordening getrokken conclusie dat er een oorzakelijk verband was tussen de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de invoer met dumping uit Rusland, die een onveranderlijk en aanzienlijk marktaandeel had. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(47)

In het licht van het bovenstaande is een oorzakelijk verband gelegd tussen de invoer met dumping en de aanmerkelijke schade die is vastgesteld op basis van het gelijktijdig vóórkomen van aanzienlijke invoervolumes uit Rusland (34 % marktaandeel van één producent) en de hoge prijsdruk door deze invoer op de markt van de Unie (prijsbederf van ongeveer 12 %).

(48)

Aangezien er geen andere opmerkingen over de gevolgen van de invoer met dumping werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 110 tot en met 116 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Gevolgen van andere factoren

2.1.   Gevolgen van de invoer uit andere landen

(49)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen is de Commissie ter kennis gekomen dat in de totale invoer in tabel 11 van de voorlopige verordening ten onrechte ook de invoer uit Rusland was meegerekend. De onderstaande tabel vervangt tabel 11 van de voorlopige verordening:

Tabel 1

Invoer uit andere derde landen

Land

 

2011

2012

2013

Onderzoektijdvak

VRC

Volume

(ton)

[2 843-3 205]

[967-1 378]

[1 137-1 603]

[1 222-1 699]

Index

(2011 = 100)

100

[34-43]

[40-50]

[43-53]

Marktaandeel

(%)

4

1

1

2

Gemiddelde prijs

(EUR/ton)

2 251

2 417

2 306

2 131

Index

(2011 = 100)

100

107

102

95

Turkije

Volume

(ton)

[5 120-6 100]

[8 090-10 553]

[11 213-14 213]

[11 520-14 579]

Index

(2011 = 100)

100

[158-173]

[219-233]

[225-239]

Marktaandeel

(%)

7

11

13

13

Gemiddelde prijs

(EUR/ton)

2 950

2 743

2 710

2 571

Index

(2011 = 100)

100

93

92

87

Andere derde landen

Volume

(ton)

[3 100-3 750]

[279-750]

[1 891-3 000]

[3 162-4 313]

Index

(2011 = 100)

100

[9-20]

[61-80]

[102-115]

Marktaandeel

(%)

4

1

2

4

Gemiddelde prijs

(EUR/ton)

2 878

2 830

2 687

2 406

Index

(2011 = 100)

100

98

93

84

Totale invoer (zonder Rusland)

Volume

(ton)

[10 677-10 761]

[9 037-9 902]

[14 855-16 831]

[15 226 -17 491]

Index

(2011 = 100)

100

[85-92]

[138-158]

[141-164]

Marktaandeel

(%)

16

13

17

19

Gemiddelde prijs

(EUR/ton)

2 750

2 712

2 669

2 505

Index

(2011 = 100)

100

99

97

91

Bron: Eurostat en antwoord op de vragenlijst

(50)

Eén belanghebbende heeft aangevoerd dat de Commissie geen onderscheid heeft gemaakt tussen en niet afzonderlijk heeft gekeken naar de schadelijke gevolgen van de invoer uit de VRC en Turkije, terwijl een andere belanghebbende heeft aangevoerd dat de Commissie de gevolgen van de invoer uit derde landen voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie heeft onderschat.

(51)

Wat de invoer uit de VRC betreft, werd na de mededeling van de voorlopige bevindingen vastgesteld dat er wegens een administratieve fout kleine correcties moesten worden aangebracht aan de in overweging 118 van de voorlopige verordening vermelde omvang van de prijsonderbieding door de Chinese invoer. Nadat die correctie was aangebracht, bleek dat de gemiddelde prijs van het totale volume van de invoer uit de VRC in de Unie in het onderzoektijdvak de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 10,2 % onderbood in plaats van met 13 %, zoals vermeld in overweging 118 van de voorlopige verordening.

(52)

Daarnaast is het volume van de invoer uit de VRC, zoals vermeld in overweging 118 van de voorlopige verordening, tijdens de beoordelingsperiode met [47-57 %] gedaald, met een overeenkomstige daling van het marktaandeel van 4 % naar 2 %, terwijl de prijzen van die invoer de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 10,2 % onderboden. De Commissie heeft op basis daarvan in overweging 121 van de voorlopige verordening geconcludeerd dat de invoer uit China gedeeltelijk heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, zonder het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Rusland en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie te verbreken. Aangezien het marktaandeel van de invoer uit China klein was en tijdens de beoordelingsperiode een dalende tendens vertoonde, kan de prijsdruk die deze invoer op de producenten in de Unie uitoefende niet zo aanzienlijk zijn geweest dat de producenten in de Unie daardoor hun prijzen niet tot op een winstgevend niveau konden verhogen. De in overweging 121 van de voorlopige verordening vermelde conclusie dat de invoer uit China het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Rusland en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet heeft verbroken, wordt dus bevestigd.

(53)

Zoals uiteengezet in overweging 119 van de voorlopige verordening, vertoonde de invoer uit Turkije tijdens de beoordelingsperiode een stijgende tendens en bereikt deze in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 13 % door een grotere vraag op de markt van de Unie, waaraan de producenten in de Unie, zoals uitgelegd in overweging 35, niet konden voldoen. Hoewel de Turkse invoerprijzen tijdens de beoordelingsperiode met 13 % zijn gedaald, lagen zij op een vergelijkbaar niveau als dat van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en aanzienlijk hoger dan het prijsniveau van de invoer uit Rusland. Ook al vertoonde het marktaandeel van de invoer uit Turkije een stijgende tendens, dan nog kan de prijsdruk die deze invoer op de producenten in de Unie uitoefende, gezien de prijzen ervan, die op een vergelijkbaar niveau als dat van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie lagen (en soms zelfs hoger), niet zo aanzienlijk zijn geweest dat de producenten in de Unie daardoor hun prijzen niet tot op een winstgevend niveau konden verhogen. Derhalve wordt de conclusie dat de invoer uit Turkije het verband tussen de invoer met dumping uit Rusland en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet heeft verbroken, bevestigd.

(54)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft één belanghebbende zijn argument uit het voorlopige stadium herhaald dat de Commissie geen onderscheid heeft gemaakt tussen en niet afzonderlijk heeft gekeken naar de schadelijke gevolgen van de invoer uit Turkije. Hij voerde ook aan dat de bedrijfstak van de Unie door het stijgende volume van de invoer uit Turkije schade heeft geleden wat betreft marktaandeel en bezettingsgraad, waardoor het oorzakelijk verband tussen de invoer uit Rusland en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade zou zijn verbroken.

(55)

Het is juist dat het marktaandeel van de Turkse invoer tijdens de beoordelingsperiode is gestegen, terwijl het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie is gedaald. De invoer uit Turkije vertegenwoordigde in het onderzoektijdvak echter een marktaandeel van 13 %, terwijl het marktaandeel van de invoer uit Rusland 34 % bedroeg. Bovendien lagen de Turkse prijzen op hetzelfde niveau als de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, terwijl de Russische invoer de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met [3-7 %] onderbood. Daarnaast wordt benadrukt dat het niet houdbaar is voor een verliesgevende bedrijfstak als AFH om voortdurend het verkoopvolume te verhogen terwijl er verlies wordt geleden. Alvorens het verkoopvolume verder te verhogen, moet de bedrijfstak eerst de prijzen tot boven een kostendekkend niveau verhogen. Dat was echter niet mogelijk door de prijsdruk die door het aanzienlijke volume van invoer met dumping uit Rusland werd uitgeoefend. Derhalve werd het argument dat de invoer uit Turkije het oorzakelijk verband tussen de invoer uit Rusland en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade had verbroken, afgewezen.

(56)

Verder werd aangevoerd dat de Turkse invoerprijzen hoger zijn dan de Russische invoerprijzen omdat de Turkse producenten zich specialiseren en naar de markt van de Unie vooral dunnere folie, tussen 0,008 en 0,009 mm, uitvoeren, die de Russische producent niet naar de markt van de Unie uitvoert. Dit argument werd niet met bewijsmateriaal gestaafd en werd derhalve afgewezen.

(57)

Het volume van de invoer uit de overige derde landen is tussen 2011 en 2013 met [20-39 %] gedaald en vervolgens, op het eind van het onderzoektijdvak, met [2-15 %] gestegen. Zoals uiteengezet in overweging 120 van de voorlopige verordening, is het marktaandeel van die invoer afgenomen van 4 % in 2011 tot 2 % in 2013 en daarna, op het eind van het onderzoektijdvak, tot 4 % gestegen. Zoals eveneens uiteengezet in dezelfde overweging van de voorlopige verordening, lagen de prijzen ervan onder de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie, behalve in 2012, maar waren zij in de hele beoordelingsperiode hoger dan de invoerprijzen uit Rusland. De prijsdruk die de invoer uit andere derde landen op de producenten in de Unie uitoefende, kan derhalve niet zo aanzienlijk zijn geweest dat de producenten in de Unie daardoor hun prijzen niet tot op een winstgevend niveau konden verhogen. Derhalve wordt de conclusie dat de invoer uit andere derde landen het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Rusland en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade niet heeft verbroken, bevestigd.

(58)

Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 117 tot en met 122 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.2.   Ontwikkeling van het verbruik in de Unie

(59)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben twee belanghebbenden aangevoerd dat de bedrijfstak van de Unie ondanks de investeringen ter verhoging van de productiecapaciteit niet heeft kunnen tegemoetkomen aan het toenemende verbruik, waardoor de geleden aanmerkelijke schade zou zijn veroorzaakt.

(60)

Ten eerste hebben zij niet uitgelegd hoe een stijging van het verbruik in de Unie op zich negatieve gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie kan hebben gehad en dus het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Rusland en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade kan verbreken. Integendeel, onder normale concurrentievoorwaarden, namelijk zonder invoer met dumping, zou redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat de bedrijfstak van de Unie zou profiteren van de stijging van het verbruik.

(61)

Ten tweede is het marktaandeel van de invoer uit Rusland met 5 procentpunten kunnen stijgen, terwijl de producenten in de Unie 8 % van hun marktaandeel zijn verloren (dit is in de beoordelingsperiode namelijk gedaald van 55 % naar 47 %).

(62)

Daarnaast hebben de producenten in de Unie, zoals uiteengezet in overweging 78 van de voorlopige verordening, inspanningen geleverd om hun productiecapaciteit te verhogen, maar die inspanningen werden beperkt door hun moeilijke financiële situatie. Het relatief lage niveau van de investeringen was te wijten aan de moeilijke financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie, die op haar beurt door de invoer met dumping was veroorzaakt. Hoewel de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode licht is gestegen, is de bezettingsgraad bovendien afgenomen door de laaggeprijsde invoer met dumping uit Rusland. Daarnaast is het productievolume van de bedrijfstak van de Unie tijdens de hele beoordelingsperiode licht gestegen en het marktaandeel voortdurend gedaald. Daarom kan dit niet als een oorzaak van de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade worden beschouwd. Deze argumenten werden derhalve afgewezen.

(63)

Aangezien dienaangaande geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 123 tot en met 125 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.3.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie

(64)

Aangezien er geen opmerkingen over de gevolgen van de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 126 tot en met 128 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.4.   Activiteit van de bedrijfstak van de Unie op de ACF-markt

(65)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft één belanghebbende aangevoerd dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met ACF als andere factor. De belanghebbende heeft zijn argument herhaald dat sommige producenten in de Unie ervoor hebben gekozen om hun productie en verkoop van het winstgevendere product ACF te vergroten, ten koste van de productie van AFH. Hij heeft ook aangevoerd dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de productie en de verkoop van ACF en de economische situatie met betrekking tot ACF voor de algemene economische situatie van de bedrijfstak van de Unie met betrekking tot AFH. Dit argument werd na de mededeling van de definitieve bevindingen zonder nieuwe informatie herhaald.

(66)

Zoals uiteengezet in overweging 81 van de voorlopige verordening, vervaardigden verschillende producenten in de Unie zowel AFH als ACF, terwijl de grootste in de steekproef opgenomen producent van AFH in het onderzoektijdvak geen ACF heeft geproduceerd. Verder is uit het onderzoek gebleken dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie de twee soorten folie in een stabiele verhouding produceerden en derhalve werd geconcludeerd dat er geen sprake was van een omschakeling door de bedrijfstak van de Unie naar de productie van ACF, ten koste van AFH. Indien een dergelijke omschakeling had plaatsgevonden, dan zou dat hoe dan ook veeleer een gevolg zijn geweest van de invoer met dumping uit Rusland, die voortdurend een aanzienlijke druk op de AFH-prijs heeft uitgeoefend, waardoor de producenten in de Unie hun prijzen niet tot op een winstgevend niveau konden verhogen. Bovendien is uit het onderzoek gebleken dat de winstgevendheid van het betrokken product bij alle in de steekproef opgenomen ondernemingen een vergelijkbare tendens vertoont, ongeacht het aandeel van AFH en ACF in hun totale productie. Het argument in overweging 65 wordt derhalve afgewezen.

(67)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de conclusies in de overwegingen 129 tot en met 132 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.5.   Kosten van de grondstoffen

(68)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen gingen de Russische autoriteiten niet akkoord met de conclusie van de Commissie dat de ontwikkeling van de prijs van aluminium op de metaalbeurs van Londen (London Metal Exchange, LME) onverlet laat dat de prijzen van de Russische invoer de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie onderboden en de prijzen op de markt van de Unie onder druk zetten, waardoor de bedrijfstak van de Unie niet in staat was zijn verkoopprijs te verhogen tot het niveau dat nodig is om de productiekosten te dekken.

(69)

Zoals uiteengezet in overweging 136 van de voorlopige verordening, is uit het onderzoek gebleken dat de kosten om aluminium voor de productie van AFH te betrekken voor de bedrijfstak van de Unie en de Russische producenten-exporteurs vergelijkbaar waren, aangezien de marktprijzen van aluminium zowel in Rusland als in de Unie rechtstreeks aan de LME waren gekoppeld. Terwijl de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie en de prijzen van de invoer van AFH uit Rusland zijn gedaald door de ontwikkeling van de prijsnoteringen van aluminium op de LME, is verder uit het onderzoek gebleken dat de prijzen van de invoer van AFH uit Rusland tijdens de beoordelingsperiode voortdurend lager waren dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en deze in het onderzoektijdvak met [3-7 %] onderboden. Bovendien kon de bedrijfstak van de Unie met de verkoopprijzen van AFH de productiekosten per eenheid niet dekken, ook al zijn de productiekosten per eenheid gedaald. Dat was het gevolg van de prijsdruk die werd uitgeoefend door het aanzienlijke volume van invoer met dumping die de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood, waardoor de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijzen niet kon verhogen en derhalve niet kon profiteren van de gedaalde grondstofkosten.

(70)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de Russische autoriteiten hun argument herhaald dat de prijsdruk op de markt van de Unie werd uitgeoefend door de aluminiumprijzen op de LME, en niet door de Russische invoer van AFH, zonder in dit verband nieuw bewijsmateriaal te verstrekken. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(71)

Aangezien er geen andere opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 133 tot en met 136 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.6.   Gecumuleerde gevolgen van andere factoren

(72)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft één belanghebbende aangevoerd dat de Commissie geen beoordeling van de gecumuleerde gevolgen van alle andere factoren heeft verstrekt, zonder echter de rechtsgrondslag voor zijn argument te specificeren of uit te leggen hoe dit er in de gegeven omstandigheden toe zou hebben kunnen geleid dat door andere factoren veroorzaakte schade aan de invoer met dumping uit Rusland werd toegeschreven.

(73)

Ten eerste is de Commissie uit hoofde van de basisverordening niet verplicht een beoordeling van de gecumuleerde effecten van andere factoren uit te voeren wanneer zij de gevolgen van deze factoren analyseert. Ten tweede heeft de Commissie in het onderhavige geval naar behoren onderscheid kunnen maken tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle andere bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping uit Rusland. De Commissie heeft daarom kunnen concluderen dat de schade die zij aan de invoer met dumping uit Rusland toeschreef, wel degelijk door die invoer wordt veroorzaakt, en niet door andere factoren. Derhalve heeft de Commissie voldaan aan haar verplichting om geen door andere factoren veroorzaakte schade aan de invoer met dumping uit Rusland toe te schrijven. Daarom is een gezamenlijke analyse van alle bekende factoren niet noodzakelijk. De belanghebbende heeft hoe dan ook geen bewijsmateriaal verstrekt waaruit zou blijken dat de Commissie in dit geval door andere factoren veroorzaakte schade ten onrechte aan de invoer met dumping uit Rusland heeft toegeschreven. Derhalve werd dit argument afgewezen.

2.7.   Vermeende ontwijking van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit de VRC

(74)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de Russische producent-exporteur en verschillende herwikkelaars voor het eerst aangevoerd dat de geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit de VRC worden ontweken via een enigszins gewijzigde vorm, die bij Eurostat als ACF met GN-code 7607 11 19 kon worden geregistreerd. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat het bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,007 mm en niet meer dan 0,2 mm in de Chinese databank voor uitvoerstatistieken in feite AFH is waarbij sprake is van ontwijking, met de codes 7607 11 90 en 7607 11 20. Het volume van de invoer waarbij sprake zou zijn van ontwijking, werd derhalve op ongeveer 30 000 ton per jaar geraamd en er werd beweerd dat deze invoer schade toebrengt aan de bedrijfstak van de Unie.

(75)

Er wordt aan herinnerd dat de Commissie in 2012 een onderzoek heeft geopend naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de VRC door de invoer van bepaald bladaluminium op rollen, niet gegloeid, met een breedte van meer dan 650 mm van oorsprong uit de VRC (3), ingesteld bij Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad (4). De Commissie heeft het onderzoek echter op 2 juli 2013 beëindigd (5) zonder de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de VRC uit te breiden tot de invoer van bepaald bladaluminium op rollen, niet gegloeid, met een breedte van meer dan 650 mm van oorsprong uit de VRC, nadat de indieners van het verzoek hun verzoek hadden ingetrokken.

(76)

De huidige procedure had geen betrekking op vermeende ontwijkingspraktijken. De Commissie heeft hoe dan ook een analyse gemaakt van de invoer van AFH en ACF uit de VRC, op basis van de door Goodwill China Business Information Ltd verstrekte uitvoerstatistieken uit de Chinese databank en de statistieken van Eurostat.

(77)

De Chinese uitvoer van bladaluminium onder de twee door de belanghebbenden vermelde codes in de Chinese statistieken wordt weergegeven in de onderstaande tabel:

Tabel 2

Uitvoer van AFH en ACF uit de VRC naar de Unie

Ton

GN-code

2011

2012

2013

Onderzoektijdvak

Volume

7607 11 90

18 786

17 177

22 444

24 760

Volume

7607 11 20

4 730

3 915

6 826

8 172

Volume

Totaal

23 515

21 091

29 270

32 932

Bron: Goodwill China Business Information Ltd

(78)

Er moet worden opgemerkt dat de Chinese codes in de bovenstaande tabel niet specifiek voor AFH gelden en dat die codes ook betrekking hebben op ACF. De belanghebbenden hebben eenvoudigweg aangenomen dat het totale onder deze twee codes uitgevoerde volume AFH betreft waarbij sprake is van ontwijking, zonder rekening te houden met het feit dat de uitvoer van echt ACF ook onder die codes wordt vermeld.

(79)

Bovendien moet worden opgemerkt dat Eurostat de GN-code 7607 11 19 verder uitsplitst in twee verschillende codes: één voor AFH (7607111910) en één voor ACF (7607111990). De totale invoer van ACF uit de VRC tijdens de beoordelingsperiode wordt weergegeven in de onderstaande tabel:

Tabel 3

Invoer van ACF uit de VRC

Ton

2011

2012

2013

Onderzoektijdvak

Volume

25 506

20 996

28 135

36 464

Bron: Eurostat

(80)

Hoewel op basis van het bovenstaande niet kan worden uitgesloten dat een deel van het als ACF gedeclareerde invoervolume inderdaad AFH is waarbij sprake is van ontwijking, hebben de belanghebbenden duidelijk een veel te groot volume van AFH opgegeven waarbij sprake zou zijn van ontwijking, aangezien het totale volume van de invoer van ACF uit de VRC in de beoordelingsperiode, met uitzondering van het onderzoektijdvak, kleiner was dan het volume van AFH waarbij sprake zou zijn van ontwijking (30 000 ton). Noch met de door de belanghebbenden verstrekte informatie, noch met de door de Commissie verzamelde informatie kan onder deze codes een onderscheid worden gemaakt tussen de AFH waarbij sprake zou zijn van ontwijking en het echte ACF; derhalve kan de Commissie het volume AFH waarbij sprake is van ontwijking, in voorkomend geval, niet beoordelen.

(81)

Aangezien de belanghebbenden geen ander bewijsmateriaal ter staving van hun argument hebben verstrekt, werd geconcludeerd dat de volumes waarbij sprake zou zijn van ontwijking, in voorkomend geval, niet van dien aard zijn dat zij het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit Rusland en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade verbreken.

2.8.   Overige argumenten

(82)

De Russische autoriteiten hebben aangevoerd dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de algemene tendens van de dalende wereldmarktprijzen van AFH.

(83)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 67, 91 en 118 tot en met 120 van de voorlopige verordening, zijn zowel de prijzen in de Unie als de invoerprijzen uit Rusland, Turkije, de VRC en andere derde landen tijdens de beoordelingsperiode gedaald. De prijzen van de invoer uit Rusland lagen echter permanent lager dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie en onderboden deze met [3-7 %], en wel in aanzienlijke hoeveelheden. Het argument werd derhalve afgewezen.

(84)

Een andere belanghebbende heeft aangevoerd dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie niet is gestegen door de uitbreiding van de productiecapaciteit ervan en de toename van de investeringen.

(85)

De productie van AFH vergt veel machines. Om de productiecapaciteit te kunnen verhogen, moet de bedrijfstak van de Unie derhalve in machines investeren. Vanuit boekhoudkundig oogpunt heeft het afschrijven van de machines echter slechts een beperkte invloed op de totale productiekosten, namelijk tussen 3 % en 5 %, en kan dit dus geen aanzienlijke gevolgen hebben voor de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie. Het argument werd derhalve afgewezen.

(86)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de Russische autoriteiten aangevoerd, zij het zonder bewijsmateriaal, dat de statistische gegevens van Rusland enkel zijn gebaseerd op AFH van gemiddelde kwaliteit, wat een goedkoper product is, terwijl de statistieken van de Unie en de andere belangrijke derde landen zijn gebaseerd op een combinatie van AFH met duurdere folies.

(87)

Het onderzoek heeft geen dergelijk kwaliteitsverschil tussen de door de producenten in de Unie vervaardigde AFH en de uit Rusland ingevoerde AFH aan het licht gebracht. De herwikkelaars die AFH kopen van producenten in de Unie, uit Rusland of van producenten uit andere derde landen, met name Turkije, hebben tijdens het onderzoek niet beweerd dat er een kwaliteitsverschil is tussen de verschillende AFH-producenten. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(88)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft één belanghebbende ook beweerd dat de Commissie in het kader van de huidige procedure geen rekening heeft gehouden met het feit dat de VRC zich volgens vier van de zes in de steekproef opgenomen producenten in de Unie schuldig maakt aan schade veroorzakende dumping van ACF.

(89)

Het is juist dat de Commissie op 12 december 2014 een antidumpingprocedure heeft ingeleid betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China (6) dat ACF is. Zoals uiteengezet in overweging 30, zijn AFH en ACF twee verschillende producten die op twee verschillende markten worden verkocht. De in voorkomend geval door de bedrijfstak van de Unie geleden schade door de productie en de verkoop van ACF komt niet tot uiting in de situatie van de AFH-sector. Daarnaast werd het onderzoek naar de invoer van ACF uit de VRC door de Commissie beëindigd zonder maatregelen in te stellen (7). Tijdens het afgesloten onderzoek was het de Commissie met name niet mogelijk vast te stellen of de bedrijfstak van de Unie al dan niet schade heeft geleden door de invoer van ACF uit de VRC. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(90)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben vijf herwikkelaars aangevoerd dat de Russische AFH slechts in bijzonder kleine mate concurreert met de door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vervaardigde AFH. Daarnaast werd aangevoerd dat de Russische AFH concurreert met de uit Turkije en de VRC ingevoerde AFH.

(91)

Dit argument werd niet met bewijsmateriaal gestaafd en werd derhalve afgewezen.

(92)

De herwikkelaars hebben ook aangevoerd dat de meerderheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie over het algemeen geen AFH aan herwikkelaars verkoopt, aangezien het geen AFH voor de productie van consumentenrollen betreft, maar ACF dat met een meerprijs wordt verkocht, met prijzen van bijna 3 000 EUR per ton.

(93)

Dit argument is feitelijk onjuist. Ten eerste moet worden opgemerkt dat, zoals vermeld in tabel 7 van de voorlopige verordening, de gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak 2 597 EUR per ton was, en niet 3 000 EUR, zoals werd beweerd. Bovendien heeft het onderzoek bevestigd dat alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie AFH verkochten aan herwikkelaars. De vier herwikkelaars die hebben meegewerkt aan het onderzoek en een antwoord op de vragenlijst hebben ingediend, kochten AFH van producenten in de Unie. Derhalve werd dit argument afgewezen.

(94)

De vijf herwikkelaars hebben ook aangevoerd dat de in de steekproef opgenomen producent in de Unie die enkel AFH produceerde de andere in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in feite aanmerkelijke schade heeft toegebracht, aangezien zijn verkoopprijzen die van de andere in de steekproef opgenomen producenten in de Unie onderboden. Aangezien de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie wordt berekend op basis van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, en dus geen betrekking heeft op de gehele bedrijfstak van de Unie, werd verder ook aangevoerd dat de Commissie ook de analyse van de marktaandelen moet beperken tot de in de steekproef opgenomen ondernemingen, in plaats van rekening te houden met de gehele bedrijfstak van de Unie.

(95)

Tijdens de beoordelingsperiode lagen de verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producent in de Unie die enkel AFH produceert dicht bij de gemiddelde prijzen van de bedrijfstak van de Unie, en in bepaalde jaren zelfs hoger. Het is derhalve feitelijk onjuist om te stellen dat de prijzen van deze producent in de Unie die van de andere in de steekproef opgenomen producenten in de Unie onderboden.

(96)

Wat het tweede deel van het argument betreft, herinnert de Commissie eraan dat de analyse van de schade wordt uitgevoerd op het niveau van de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening, zoals omschreven in overweging 53 van de voorlopige verordening. Zoals uiteengezet in overweging 9 van de voorlopige verordening, werd door het grote aantal producenten in de Unie bovendien een steekproef overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening samengesteld. Er werden zes ondernemingen in de steekproef opgenomen, die meer dan 70 % van de totale productie in de Unie vertegenwoordigden. Er werden binnen de daarvoor gestelde termijn geen opmerkingen ontvangen met betrekking tot de samenstelling van de steekproef en derhalve werd de steekproef representatief geacht voor de bedrijfstak van de Unie. Omdat gebruik werd gemaakt van een steekproef, heeft de Commissie daarnaast, zoals uiteengezet in overweging 73 van de voorlopige verordening, onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De lijst van die indicatoren is opgenomen in de overwegingen 74 en 75 van de voorlopige verordening. Hieruit volgt dat winstgevendheid een micro-economische schade-indicator is en de berekening ervan derhalve is gebaseerd op de gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, terwijl marktaandeel een macro-economische schade-indicator is en voor de hele bedrijfstak van de Unie moet worden berekend. Op basis van beide methoden kan de Commissie vaststellingen doen die als zodanig geldig zijn voor de gehele bedrijfstak van de Unie.

(97)

Daarom werden de argumenten uit overweging 94 afgewezen.

3.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(98)

Uit geen van de door de belanghebbenden aangevoerde argumenten blijkt dat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de vastgestelde aanmerkelijke schade door andere factoren dan de invoer met dumping uit Rusland wordt verbroken. Er wordt dan ook geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de invoer met dumping uit Rusland aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft geleden.

(99)

Bijgevolg worden de bevindingen van de overwegingen 137 tot en met 141 van de voorlopige verordening bevestigd.

F.   BELANG VAN DE UNIE

1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(100)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben de Russische autoriteiten aangevoerd dat de instelling van maatregelen ten aanzien van de invoer uit Rusland zou leiden tot een toename van de invoer van AFH uit andere derde landen, met name uit Turkije en de VRC, en dat de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit Rusland derhalve niet in het belang is van de bedrijfstak van de Unie.

(101)

Zoals uiteengezet in overweging 147 van de voorlopige verordening, moeten de antidumpingmaatregelen de gelijke concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie herstellen, om de bedrijfstak van de Unie in staat te stellen op de markt van de Unie met eerlijke prijzen te concurreren met invoer uit andere derde landen, inclusief Rusland, de VRC en Turkije. Het feit dat andere derde landen meer invoeren, betekent als zodanig niet dat de bedrijfstak van de Unie niet zal kunnen profiteren van de ingestelde antidumpingmaatregelen. Sterker nog, de bedrijfstak van de Unie zal naar verwachting zijn verkoopvolume en zijn marktaandeel vergroten en zijn verkoopprijzen tot op een winstgevend niveau verhogen.

(102)

De geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van de VRC moeten waarborgen dat de invoer uit China tegen eerlijke prijzen op de markt van de Unie binnenkomt, terwijl de Turkse prijzen al tijdens de beoordelingsperiode op hetzelfde niveau lagen als de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie en geen prijsdruk uitoefenden op de markt.

(103)

De Commissie is van mening dat dit argument het in artikel 21 van de basisverordening geformuleerde vermoeden ten gunste van de instelling van maatregelen en de noodzaak de handel verstorende gevolgen van de invoer met dumping uit Rusland weg te nemen en de gelijke concurrentievoorwaarden te herstellen, niet weerlegt.

(104)

Derhalve werden deze argumenten afgewezen.

(105)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het belang van de bedrijfstak van de Unie werden ontvangen, wordt de bevinding in overweging 149 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Belang van de importeurs/handelaren

(106)

Aangezien er geen opmerkingen over het belang van de niet-verbonden importeurs en handelaren werden ontvangen, wordt de bevinding in overweging 150 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Belang van de gebruikers

(107)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen en de mededeling van de definitieve bevindingen hebben verschillende gebruikers (herwikkelaars die zogenoemde consumentenrollen produceren) de argumenten herhaald die zij vóór de instelling van de voorlopige maatregelen hadden ingediend, zonder echter nieuw bewijsmateriaal te verstrekken.

(108)

Eén herwikkelaar heeft met name aangevoerd dat de antidumpingrechten aanzienlijke gevolgen voor zijn winstgevendheid zullen hebben, aangezien hij de rechten niet aan zijn afnemers zal kunnen doorberekenen.

(109)

Dit argument was niet onderbouwd. Op basis van de door deze herwikkelaar verstrekte cijfers is daarnaast uit het onderzoek gebleken dat zelfs indien de herwikkelaar het recht niet aan zijn afnemer kan doorberekenen, zijn activiteit nog altijd winstgevend blijft.

(110)

Verder is uit het onderzoek gebleken dat de handelsmarge die de herwikkelaars aan de aankoopprijs van AFH hebben toegevoegd, aanzienlijk kan variëren, namelijk van 5 tot 70 %, afhankelijk van de verkoopstrategie van de herwikkelaar. Zoals uiteengezet in overweging 154 van de voorlopige verordening, vertegenwoordigde de activiteit waarbij AFH werd gebruikt voor de herwikkelaars die AFH uit Rusland invoerden slechts minder dan een zesde tot ten hoogste een kwart van hun totale activiteit. Zoals uiteengezet in overweging 155 van de voorlopige verordening, waren alle medewerkende ondernemingen bovendien algemeen winstgevend.

(111)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft één belanghebbende aangevoerd dat de herwikkelaars geen handelsmarge aan de aankoopprijs toevoegen en dat de in overweging 110 door de Commissie vastgestelde handelsmarge van 5 à 70 % bovenop de verkoopprijs de activiteiten en de winstgevendheid van de herwikkelaars niet weerspiegelt.

(112)

Er wordt aan herinnerd dat de activiteit van de herwikkelaars bestaat uit het herwikkelen van aluminiumfolie van een jumborol naar een kleinere rol voor consumenten. De herwikkelaars wijzigen niets aan de chemische eigenschappen van de aluminiumfolie. De in overweging 110 bedoelde handelsmarge is berekend door voor de medewerkende herwikkelaars de aankoopprijs van aluminiumfolie op jumborollen te vergelijken met de verkoopprijs van aluminiumfolie op consumentenrollen. De herwikkelaars maken kosten bij het ompakken, maar die kosten zijn laag, aangezien de belangrijkste kostenfactor de kosten van de aluminiumfolie zijn, die ongeveer 80 % van de totale productiekosten vertegenwoordigen. De VAA-kosten variëren aanzienlijk naargelang de herwikkelaar, afhankelijk van de verkoopstrategie van de herwikkelaar. Derhalve is het juist dat de handelsmarge geen indicatie is voor de activiteit en de winstgevendheid van de onderneming, maar aantoont dat het niveau van de VAA-kosten aanzienlijke gevolgen voor de winstgevendheid van de herwikkelaars heeft.

(113)

Er werd ook aangevoerd dat de Commissie bij haar analyse van de situatie van de bedrijfstak van de herwikkelaars geen rekening heeft gehouden met de invoer van verwerkte producten, namelijk consumentenrollen uit andere derde landen, zoals Turkije, Noorwegen, Zwitserland, India en Maleisië, die in de plaats zijn gekomen van de gedaalde invoer van AFH uit de VRC. De belanghebbende heeft echter geen bewijsmateriaal verstrekt van de gevolgen van deze invoer voor de situatie van de bedrijfstak van de herwikkelaars.

(114)

Zoals uiteengezet in overweging 162 van de voorlopige verordening, werden in 2013 antidumpingmaatregelen ingesteld ten aanzien van de invoer van consumentenrollen uit de VRC, waardoor de verwerkende ondernemingen zijn bevrijd van de invoer met dumping die tot aanmerkelijke schade leidde. De onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de invoer van consumentenrollen na de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van consumentenrollen uit de VRC voor de door de belanghebbende vermelde landen:

Tabel 4

Volume van de invoer van consumentenrollen (in ton)

 

2013

Onderzoektijdvak

VRC

4 317,60

3 776,10

 

 

 

India

672,70

847,10

Maleisië

605,30

752,10

Noorwegen

2 866,20

324,60

Zwitserland

22,00

30,50

Turkije

2 059,80

2 498,80

Totaal

6 226,0

4 453,10

Bron: Eurostat

(115)

In het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke antidumpingonderzoek met betrekking tot de invoer van consumentenrollen uit de VRC bedroeg het volume van de invoer uit de VRC 12 994 ton (zie tabel 2 van Verordening (EU) nr. 833/2012 van de Commissie (8)). Na de instelling van de maatregelen is het volume van de invoer van consumentenrollen uit de VRC met 8 676 ton gedaald in 2013 (naar 4 317,60 ton) en met 9 218 ton in het onderzoektijdvak van het huidige onderzoek (naar 3 776,10 ton). Het volume van die daling (met 28 % in 2013 en met 52 % in het onderzoektijdvak) is groter dan het totale volume van de invoer van consumentenrollen uit de vijf landen in tabel 4, die door de herwikkelaar zijn vermeld. Het argument dat de invoer uit de bovengenoemde landen in de plaats is gekomen van de gedaalde invoer uit de VRC is derhalve ongegrond en werd afgewezen.

(116)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben verschillende herwikkelaars aangevoerd dat de activiteit van de herwikkelaars waarbij AFH wordt gebruikt gemiddeld een groter deel van hun totale activiteit vertegenwoordigt dan door de Commissie verklaard in overweging 154 van de voorlopige verordening. Dit argument was gebaseerd op gegevens die zijn verstrekt door twee gebruikers die geen medewerking aan het onderzoek hebben verleend. Er werd dan ook aangevoerd dat de Commissie het belang van AFH voor de productiekosten van de herwikkelaars niet mag minimaliseren.

(117)

In dit verband moet worden opgemerkt dat de bevindingen van de Commissie in overweging 154 van de voorlopige verordening zijn gebaseerd op de gecontroleerde gegevens van de medewerkende herwikkelaars en aldus een afspiegeling vormen van hun feitelijke situatie. De bovengenoemde aanvullende informatie is pas na de mededeling van de definitieve bevindingen verstrekt en daarom kon zij, zo laat in de procedure, niet meer worden gecontroleerd. Het argument werd derhalve afgewezen.

(118)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben twee herwikkelaars aangevoerd dat de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Rusland negatieve gevolgen zal hebben voor hun winstgevendheid.

(119)

Die twee herwikkelaars hebben zich pas na de mededeling van de definitieve bevindingen gemeld en slechts één van hen heeft in dit bijzonder late stadium van de procedure een antwoord op de vragenlijst ingediend. De Commissie kon deze nieuwe informatie derhalve niet controleren. Op basis hiervan is de Commissie niet in staat om het niveau van hun winstgevendheid en de gevolgen van de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Rusland voor hun winstgevendheid te beoordelen. Derhalve werd hun argument afgewezen.

(120)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben vijf herwikkelaars aangevoerd dat zij de kosten van het antidumpingrecht om de volgende redenen niet zullen kunnen doorberekenen aan de consument: 1) zij verkopen op basis van contractuele regelingen en de prijzen zijn gebaseerd op de formule die aan de aluminiumprijzen op de LME is gekoppeld; 2) door de prijsdruk en de concurrentie die worden veroorzaakt door de consumentenrollen die worden gemaakt met AFH uit de VRC waarbij sprake zou zijn van ontwijking, kunnen zij niet onderhandelen over een verhoging van de prijs van consumentenrollen op de markt van de Unie, en 3) hoewel er momenteel weinig invoer in de Unie van consumentenrollen uit derde landen is, is het waarschijnlijk dat die invoer in de toekomst zal toenemen.

(121)

Uit het onderzoek is gebleken dat hoewel de herwikkelaars het antidumpingrecht niet aan de consument kunnen doorberekenen, de gevolgen van de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van invoer van AFH uit Rusland voor de herwikkelaars beperkt zullen zijn. Uit het onderzoek is ook gebleken dat er twee soorten herwikkelaars op de markt zijn: een categorie herwikkelaars die consumentenrollen met een merknaam verkopen en aanzienlijke VAA-kosten hebben, en een categorie herwikkelaars die consumentenrollen zonder merknaam verkopen en lage VAA-kosten hebben. Voorts is uit het onderzoek gebleken dat de medewerkende herwikkelaars met lage VAA-kosten waarschijnlijk winstgevend zullen blijven na de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Rusland, in de veronderstelling dat ook de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 5 % zullen stijgen, opdat de bedrijfstak van de Unie de streefwinst bereikt. De medewerkende herwikkelaars die consumentenrollen met een merknaam verkopen, hebben grote handelsmarges en hoge VAA-kosten. Er werd derhalve geoordeeld dat zij in staat zijn om het recht te absorberen.

(122)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het belang van de gebruikers werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 151 tot en met 163 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Bevoorradingsbronnen

(123)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben verschillende herwikkelaars de argumenten met betrekking tot het ontoereikende aanbod herhaald die zij vóór de instelling van de voorlopige maatregelen hadden ingediend, zonder echter nieuw bewijsmateriaal ter zake te verstrekken.

(124)

Ten eerste is het doel van de antidumpingmaatregelen niet de uitsluiting van invoer uit Rusland van de markt van de Unie, maar de totstandbrenging van gelijke concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie. De herwikkelaars zullen derhalve na de instelling van de antidumpingmaatregelen nog altijd AFH uit Rusland kunnen invoeren, zij het op een eerlijk prijsniveau. Daarnaast wordt eraan herinnerd dat de antidumpingmaatregel wordt vastgesteld op het niveau van de schademarge, die onder de dumpingmarge ligt, en dat de invoer uit Rusland derhalve nog altijd op de markt van de Unie kan worden gebracht tegen een dumpingprijs, maar niet tegen een schade veroorzakende prijs.

(125)

Er werd aangevoerd dat Zuid-Afrika en India niet kunnen worden beschouwd als alternatieve bevoorradingsbron die in staat is om de plaats van de invoer uit Rusland in te nemen, aangezien de invoervolumes uit die landen zeer laag zijn.

(126)

Het is juist dat de invoer uit Zuid-Afrika en India tijdens de gehele beoordelingsperiode zeer laag was in vergelijking met de invoer uit Rusland, maar dat sluit de mogelijkheid niet uit dat die landen hun uitvoer naar de markt van de Unie zullen verhogen zodra de gelijke concurrentievoorwaarden zijn hersteld.

(127)

Er werd ook aangevoerd dat de producenten in de Unie van AFH hun productie van ACF zouden verhogen, in het licht van de vermeende grotere winstmarges op de ACF-markt in vergelijking met AFH, in plaats van hun capaciteit en productie met betrekking tot AFH te verhogen.

(128)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 30 en 62, is uit het onderzoek gebleken dat de bedrijfstak van de Unie belangstelling heeft voor de voortzetting van de productie van AFH en dat deze hoe dan ook slechts over een beperkte flexibiliteit beschikt om van de productie van AFH om te schakelen op de productie van ACF en omgekeerd. Ten slotte moet er ook aan worden herinnerd dat de grootste producent in de Unie van AFH geen ACF produceerde. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(129)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben verschillende herwikkelaars op basis van de als vertrouwelijk verstrekte informatie aangevoerd dat er in de Unie en Turkije geen beschikbare productiecapaciteit bestaat. Er werd ook aangevoerd dat de Armeense producent, met een productiecapaciteit van 25 000 ton per jaar, na de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Armenië zijn uitvoer naar de markt van de VS heeft verlegd. Daarnaast heeft de belanghebbende aangevoerd dat het, aangezien de prijzen van AFH op de markt van de Unie laag zullen blijven door de ontwijking van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit de VRC, onwaarschijnlijk is dat de Armeense producent zijn uitvoer naar de markt van de Unie zal verleggen. Wat Brazilië betreft, verwezen de herwikkelaars daarnaast naar het parallelle antidumpingonderzoek met betrekking tot de invoer van AFH uit Brazilië en de VRC, in het kader waarvan de Commissie heeft geconcludeerd dat de uitvoer uit Brazilië naar de markt van de Unie in de toekomst naar verwachting niet aanzienlijk zal toenemen. Verder werd aangevoerd dat India en Zuid-Afrika geen betrouwbare en aanzienlijke alternatieve bevoorradingsbron kunnen vormen, aangezien de reservecapaciteit voor de productie van folie beperkt is in die landen.

(130)

Het als vertrouwelijk verstrekte bewijsmateriaal werd niet voldoende geacht om te concluderen dat er in de Unie en Turkije onvoldoende productiecapaciteit beschikbaar is. In feite is uit het onderzoek gebleken dat de bedrijfstak van de Unie over een reservecapaciteit beschikt, zoals vermeld in overweging 79 van de voorlopige verordening. Wat de Turkse producenten betreft, is uit het onderzoek ook gebleken dat zij interesse hebben voor de markt van de Unie, aangezien zij hun verkoopvolume tijdens de beoordelingsperiode hebben vergroot. Aangezien de prijzen op de markt van de Unie na de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Rusland waarschijnlijk een kostendekkend niveau zullen bereiken, wordt verwacht dat de Turkse producenten de markt van de Unie nog altijd een aantrekkelijke markt zullen vinden en mogelijk een deel van hun productie naar de markt van de Unie zullen verleggen.

(131)

De antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Armenië zijn op 7 oktober 2014 verstreken (9), en derhalve kan AFH uit Armenië vrij op de markt van de Unie worden ingevoerd. De argumenten met betrekking tot de vermeende ontwijking worden in detail besproken in de overwegingen 74 tot en met 81. Na de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van AFH uit Rusland zullen de prijzen van AFH op de markt van de Unie naar verwachting een kostendekkend niveau bereiken. Het kan derhalve niet worden uitgesloten dat de Armeense producent zijn uitvoer bijgevolg naar de markt van de Unie zal verleggen.

(132)

Wat Brazilië betreft, zijn de maatregelen beëindigd, en AFH uit Brazilië kan vrij op de markt van de Unie worden ingevoerd. Zodra de prijzen op de markt van de Unie echter een kostendekkend niveau bereiken, is het niet uitgesloten dat de Braziliaanse producenten de markt van de Unie aantrekkelijker zullen vinden dan hun eigen markt en de markten van derde landen, en bijgevolg een deel van hun productie naar de Unie zullen verleggen.

(133)

Wat betreft het feit dat India en Zuid-Afrika als een alternatieve bevoorradingsbron worden beschouwd, zoals vermeld in overweging 165 van de voorlopige verordening, moet ten eerste worden opgemerkt dat de informatie die ter ondersteuning van het argument van de belanghebbende werd gebruikt, geen onderscheid maakte tussen AFH en ACF. Hoewel de reservecapaciteit in die landen klein is, is het toch niet uitgesloten dat, zodra de prijzen op de markt van de Unie een kostendekkend niveau bereiken, de markt van de Unie aantrekkelijk wordt voor Indiase en Zuid-Afrikaanse producenten en dat zij een deel van hun productie naar de markt van de Unie verleggen.

(134)

Daarom werden de argumenten uit overweging 129 afgewezen.

(135)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 164 tot en met 168 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   Overige argumenten

(136)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft één belanghebbende aangevoerd dat de definitieve maatregelen zodanig moeten worden ingesteld dat zij de handel zo weinig mogelijk verstoren en beperken, zonder dit argument echter verder uit te werken.

(137)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft deze belanghebbende zijn in overweging 136 bedoelde argument herhaald, zij het zonder aanvullende informatie met betrekking tot zijn argument te verstrekken.

(138)

Er wordt in dit verband op gewezen dat de Commissie bij de vaststelling van het niveau van de antidumpingmaatregelen de regel van het laagste recht toepast overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, zoals ook wordt uiteengezet in overweging 143.

(139)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 169 tot en met 172 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(140)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het belang van de Unie werden ontvangen, worden de bevindingen in overweging 173 van de voorlopige verordening bevestigd.

G.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1.   Schade opheffend prijsniveau (schademarge)

(141)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben twee belanghebbenden de streefwinst betwist die werd gebruikt voor het bepalen van het schade opheffende prijsniveau zoals beschreven in de overwegingen 175 tot en met 177 van de voorlopige verordening. De belanghebbenden hebben aangevoerd dat een winstmarge van 2 % een door de markt beproefd winstniveau zou zijn en dat deze winstmarge derhalve voor de vaststelling van de schademarge zou moeten worden gebruikt. Het argument was echter niet onderbouwd en werd derhalve afgewezen.

(142)

Aangezien er geen andere opmerkingen over het schade opheffende prijsniveau werden ontvangen, worden de bevindingen in de overwegingen 175 tot en met 177 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Definitieve maatregelen

(143)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld op de invoer van het betrokken product. Deze maatregelen moeten, in overeenstemming met de regel van het laagste recht, overeenkomen met de schademarge.

(144)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben verschillende herwikkelaars aangevoerd dat de definitieve maatregelen moeten worden ingesteld in de vorm van een minimuminvoerprijs („MIP”). De belanghebbenden stelden voor dat de MIP zou worden vastgesteld op het niveau van een enigszins verhoogde winstgevende prijs van de producent die enkel AFH vervaardigt. Na de hoorzitting met de raadadviseur-auditeur hebben de belanghebbenden aanvullende informatie verstrekt en aangevoerd dat de meerprijs voor aluminium na het onderzoektijdvak is gedaald.

(145)

Bij de beoordeling of er een belang van de Unie bestaat zoals bedoeld in artikel 21, lid 1, van de basisverordening, kan rekening worden gehouden met informatie die betrekking heeft op een recentere periode dan het onderzoektijdvak (10). Dergelijke gegevens moeten echter nog altijd worden gecontroleerd en representatief zijn voor de gehele bedrijfstak van de Unie. Aangezien het verzoek om een MIP in een zo laat stadium van de procedure werd ingediend, had de Commissie geen tijd om de belanghebbenden vragenlijsten toe te zenden en controlebezoeken te organiseren. De informatie die werd verstrekt door de belanghebbenden die om een MIP verzochten, kon niet worden gecontroleerd en was ook niet representatief voor de gehele bedrijfstak van de Unie. De verstrekte informatie wijst inderdaad op een stijging van de verkoopprijzen, terwijl de meerprijs voor aluminium daalt, maar de Commissie kan geen bruikbare conclusies trekken uit ongecontroleerde en niet-representatieve gegevens.

(146)

Daarnaast moet het niveau van de MIP worden berekend op basis van gegevens die representatief zijn voor de gehele bedrijfstak van de Unie en niet enkel op basis van één producent in de Unie, zoals voorgesteld door de gebruikers. Bovendien moeten de gegevens voor de berekening van een MIP worden gecontroleerd en was de Commissie, aangezien het verzoek om een MIP in een zo laat stadium van de procedure is ingediend, niet in staat om de nodige gegevens te verzamelen en te controleren. De voorgestelde MIP werd bijgevolg niet passend geacht.

(147)

Een wijziging van de soort maatregel zou hoe dan ook een volledige informatieverschaffing aan alle belanghebbenden vereisen, anders zouden de procedurele rechten van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk worden geschonden. Aangezien dit argument in een zo laat stadium van het onderzoek werd ingediend, beschikte de Commissie niet over de noodzakelijke tijd voor een dergelijke informatieverschaffing aan de belanghebbenden.

(148)

Verder maakt het feit dat de exporteur via een verbonden handelaar verkoopt in de Unie, de uitvoerprijzen onbetrouwbaar.

(149)

In het licht van het voorgaande werd derhalve geoordeeld dat de omstandigheden in dit specifieke geval de instelling van een MIP niet rechtvaardigen.

(150)

Er moet evenwel op worden gewezen dat de herwikkelaars, indien de voorwaarden zijn vervuld, nog altijd om een tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening kunnen verzoeken.

(151)

Op basis van het bovenstaande worden deze rechten als volgt vastgesteld:

Land

Onderneming

Dumpingmarge (%)

Schademarge

(%)

Definitief antidumpingrecht

(%)

Rusland

Ural Foil OJSC, regio Sverdlovsk; OJSC Rusal Sayanal, regio Chakassië — Rusal-groep

34,0

12,2

12,2

Alle andere ondernemingen

 

 

12,2

3.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(152)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en van de schade die de bedrijfstak van de Unie werd berokkend, dienen de bedragen die uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld, definitief te worden geïnd.

4.   Verbintenissen

(153)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Rusal-groep een prijsverbintenis krachtens artikel 8, lid 1, van de basisverordening aangeboden.

(154)

Het aanbod werd grondig onderzocht door de Commissie. Het is belangrijk om op te merken dat Rusal een ingewikkelde groep van ondernemingen is, met meer dan 40 vestigingen in 13 landen. De groep omvat met name een verbonden producent in Armenië (Armenal), die het betrokken product produceert en naar de Unie verkoopt. Gezien de verhouding tussen de Russische producenten-exporteurs en Armenal, is het waarschijnlijk dat die ondernemingen het betrokken product zullen verkopen aan dezelfde afnemers of aan afnemers die zijn verbonden aan een van die afnemers in de Unie. Daardoor bestaat er een groot risico van kruiscompensatie. Daarnaast werkt de Rusal-groep via bijzonder ingewikkelde verkoopkanalen, waarbij verbonden handelaren en verbonden agenten zijn betrokken, zowel binnen als buiten Rusland. De verbonden handelaar en de verbonden agent verkopen ook andere producten naar de Unie en die andere producten vertegenwoordigen in feite het grootste deel van de omzet van de verbonden handelaar. Onder deze omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat zowel het betrokken product als andere producten aan dezelfde afnemers worden verkocht. Dergelijke transacties zouden een hoog risico van kruiscompensatie veroorzaken en zou het toezicht op de verbintenis hoe dan ook bijzonder ingewikkeld maken.

(155)

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de aanvaarding van de verbintenis niet uitvoerbaar zou zijn en dat het verbintenisaanbod bijgevolg moet worden afgewezen.

(156)

Het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910), van oorsprong uit Rusland.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 genoemde product bedraagt 12,2 %.

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De krachtens Verordening (EU) 2015/1081 als zekerheid voor de voorlopige antidumpingrechten gestelde bedragen worden definitief geïnd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1081 van de Commissie van 3 juli 2015 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Rusland (PB L 175 van 4.7.2015, blz. 14).

(3)  Verordening (EU) nr. 973/2012 van de Commissie van 22 oktober 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China door de invoer van bepaald bladaluminium op rollen, niet gegloeid, met een breedte van meer dan 650 mm van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot onderwerping van deze invoer aan registratieplicht (PB L 293 van 23.10.2012, blz. 28).

(4)  Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (PB L 262 van 6.10.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 638/2013 van de Commissie van 2 juli 2013 tot beëindiging van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China door de invoer van bepaald bladaluminium op rollen, niet gegloeid, met een breedte van meer dan 650 mm van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 184 van 3.7.2013, blz. 1).

(6)  Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C 444 van 12.12.2014, blz. 13).

(7)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1928 van de Commissie van 23 oktober 2015 tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 281 van 27.10.2015, blz. 16).

(8)  Verordening (EU) nr. 833/2012 van de Commissie van 17 september 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde aluminiumfolie op rollen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 251 van 18.9.2012, blz. 29).

(9)  Bericht van het naderende vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 49 van 21.2.2014, blz. 7).

(10)  Arrest van het Gerecht van 25 oktober 2011 in zaak T-192/08, Transnational Company „Kazchrome” AO, punt 221.


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/111


VERORDENING (EU) 2015/2386 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot onderwerping van de invoer van staven betonstaal die zeer goed tegen metaalmoeheid zijn bestand van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 14, lid 5,

Na kennisgeving aan de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 30 april 2015 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) in een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2) („het bericht van inleiding”) de inleiding bekendgemaakt van een antidumpingprocedure („de antidumpingprocedure”) betreffende de invoer in de Unie van staven betonstaal die zeer goed tegen metaalmoeheid zijn bestand („HFP rebars”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC” of „het betrokken land”); zij deed dit naar aanleiding van een klacht die op 17 maart 2015 door de European Steel Association („Eurofer” of „de klager”) was ingediend namens producenten die meer dan 25 % van de totale productie van HFP rebars in de Unie voor hun rekening nemen.

1.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(2)

De producten waarvan de invoer aan registratie wordt onderworpen („het betrokken product”), zijn staven betonijzer of -staal die zeer goed tegen metaalmoeheid zijn bestand, gemaakt van ijzer, niet-gelegeerd staal of gelegeerd staal (maar niet van roestvrij staal, sneldraaistaal en siliciummangaanstaal), enkel warm gewalst, ook indien na het walsen getordeerd; de staven zijn voorzien van inkepingen, verdikkingen, ribbels of andere bij het walsen verkregen vervormingen, of zijn na het walsen getordeerd; het vermogen om herhaalde belasting te weerstaan zonder te breken en meer specifiek het vermogen meer dan 4,5 miljoen vermoeiingscycli te weerstaan bij een spanningsverhouding (min/max) van 0,2 en een spanningsbereik van meer dan 150 MPa is de belangrijkste eigenschap van zeer goed tegen metaalmoeheid bestand metaal, van oorsprong uit de VRC en momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7214 20 00, ex 7228 30 20, ex 7228 30 41, ex 7228 30 49, ex 7228 30 61, ex 7228 30 69, ex 7228 30 70 en ex 7228 30 89. Deze GN-codes zijn slechts informatief en hebben voor de indeling van het product geen bindende werking.

2.   VERZOEK

(3)

De klager heeft op 19 november 2015 een registratieverzoek op grond van artikel 14, lid 5, van de basisverordening ingediend. Hierin verzoekt hij om de onderwerping van de invoer van het betrokken product aan registratie, zodat vervolgens met ingang van de datum van registratie op de betrokken producten maatregelen kunnen worden toegepast.

3.   GROND VOOR REGISTRATIE

(4)

Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening kan de Commissie de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat vervolgens op de betrokken producten maatregelen kunnen worden toegepast. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Unie ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen.

(5)

De klager voert aan dat registratie gerechtvaardigd is, aangezien de invoer met dumping van het betrokken product wordt voortgezet en de importeurs goed op de hoogte waren of hadden moeten zijn van de dumpingpraktijken, die over een langere periode plaatsvonden en die schade veroorzaakten voor de bedrijfstak van de Unie. De klager voert verder aan dat de invoer vanuit de VRC schade veroorzaakt voor de bedrijfstak van de Unie en dat deze invoer aanzienlijk is toegenomen, zelfs na het verstrijken van het onderzoektijdvak, waardoor het corrigerende effect van het antidumpingrecht, bij toepassing ervan, aanzienlijk zou worden ondermijnd.

(6)

De Commissie is van mening dat de importeurs op de hoogte waren van de dumpingpraktijken van de exporteurs of hiervan op de hoogte hadden moeten zijn. De klacht bevat in dit opzicht voldoende voorlopig bewijsmateriaal en dit staat vermeld in het bericht van inleiding van deze procedure (3). In de niet-vertrouwelijke versie van de klacht zijn de dumpingmarges op 20 tot 30 % geraamd wat de invoer vanuit de VRC betreft. Gezien de omvang van de vermeende dumping kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de importeurs van de situatie op de hoogte waren of hadden moeten zijn.

(7)

De klager heeft in de klacht bewijsmateriaal verstrekt over de normale waarde, die is berekend op basis van prijsinformatie van producenten uit Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten. Het bewijsmateriaal voor invoer met dumping is gebaseerd op een vergelijking van de aldus vastgestelde normale waarden met de prijs (af fabriek) van het betrokken product bij uitvoer naar de Unie. De prijs bij uitvoer vanuit de VRC is bepaald op basis van prijsoffertes voor uitvoer vanuit de VRC naar de Unie.

(8)

Daarnaast heeft de klager in zowel de klacht als het verzoek om registratie voldoende bewijsmateriaal verstrekt in de vorm van recente onderzoeken van andere autoriteiten (bv. Canada, Egypte en Maleisië) waarin de dumpingpraktijken door exporteurs uit de VRC staan beschreven en die importeurs op het eerste gezicht niet hadden kunnen of mogen negeren.

(9)

Op basis van een vergelijking van de invoervolumes tijdens de periode van april 2014 tot en met maart 2015 (d.w.z. het onderzoektijdvak) met de periode van april tot en met september 2015 (d.w.z. de periode na de inleiding) heeft de Commissie vastgesteld dat deze sinds de inleiding van de procedure in april 2015 verder zijn toegenomen met circa 38 %. Hieruit blijkt dat de invoer van het betrokken product vanuit de VRC na de opening van het huidige onderzoek aanzienlijk is toegenomen.

(10)

De klager heeft in de klacht en in het verzoek om registratie ook voorlopig bewijsmateriaal verstrekt over de neerwaartse trend met betrekking tot de prijzen van de invoer. Uit openbaar beschikbare statistieken van Eurostat blijkt dat de eenheidswaarde voor de invoer van het betrokken product uit de VRC is gedaald van 431 EUR per ton in het onderzoektijdvak tot 401 EUR per ton in de periode na het onderzoektijdvak. Dit is wederom een aanwijzing dat importeurs van Chinese producten op de hoogte waren of hadden moeten zijn van de dumpingpraktijken.

(11)

Bovendien bevat de klacht voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat er schade wordt veroorzaakt. De in het kader van dit onderzoek geformuleerde opmerkingen, met inbegrip van het verzoek om registratie, wijzen erop dat er bijkomende schade zou worden veroorzaakt indien deze invoer blijft toenemen. Gezien het tijdstip van de invoer, de toename van de hoeveelheden die met dumping worden ingevoerd en het prijsbeleid van de producenten-exporteurs uit de VRC ziet het ernaar uit dat het corrigerende effect van definitieve rechten aanzienlijk zal worden ondermijnd, tenzij deze rechten met terugwerkende kracht worden geheven. Met het oog op de inleiding van de huidige procedure en rekening houdend met de evolutie tot nu toe van de invoer vanuit de VRC met betrekking tot prijzen en volumes, kan bovendien redelijkerwijs worden aangenomen dat de invoer van het betrokken product nog verder kan toenemen vóór de goedkeuring van eventuele voorlopige maatregelen en dat de importeurs snel voorraden kunnen aanleggen.

4.   PROCEDURE

(12)

Gezien bovenstaande overwegingen is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de klager voldoende voorlopig bewijsmateriaal heeft verstrekt om registratie van de invoer van het betrokken product overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening te rechtvaardigen.

(13)

Alle belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en bewijsmateriaal te verstrekken. Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen die hierom schriftelijk verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen.

5.   REGISTRATIE

(14)

Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening moet de invoer van het betrokken product worden geregistreerd zodat, indien het onderzoek leidt tot de instelling van antidumpingrechten, deze rechten overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening met terugwerkende kracht op de geregistreerde invoer kunnen worden geheven indien aan de nodige voorwaarden is voldaan.

(15)

Wat het betrokken product betreft, schat de klager de gemiddelde dumpingmarge in zijn klacht op 20 tot 30 % en de gemiddelde prijsbederfmarge op 15 tot 30 %. Het bedrag van de mogelijke toekomstige rechten wordt geraamd op het op basis van de klacht geschatte niveau van prijsbederf, d.w.z. op 15 tot 30 % ad valorem op de cif-waarde bij invoer van het betrokken product.

6.   VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS

(16)

Persoonsgegevens die in het kader van deze registratie worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (4),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 wordt de douaneautoriteiten opgedragen passende maatregelen te nemen om de invoer in de Unie te registreren van staven betonijzer of -staal die zeer goed tegen metaalmoeheid zijn bestand, gemaakt van ijzer, niet-gelegeerd staal of gelegeerd staal (maar niet van roestvrij staal, sneldraaistaal en siliciummangaanstaal), enkel warm gewalst, ook indien na het walsen getordeerd; de staven zijn voorzien van inkepingen, verdikkingen, ribbels of andere bij het walsen verkregen vervormingen, of zijn na het walsen getordeerd; het vermogen om herhaalde belasting te weerstaan zonder te breken en meer specifiek het vermogen meer dan 4,5 miljoen vermoeiingscycli te weerstaan bij een spanningsverhouding (min/max) van 0,2 en een spanningsbereik van meer dan 150 MPa is de belangrijkste eigenschap van zeer goed tegen metaalmoeheid bestand metaal, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7214 20 00, ex 7228 30 20, ex 7228 30 41, ex 7228 30 49, ex 7228 30 61, ex 7228 30 69, ex 7228 30 70 en ex 7228 30 89 (Taric-codes 7214200010, 7228302010, 7228304110, 7228304910, 7228306110, 7228306910, 7228307010, 7228308910), en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

De registratie wordt negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening beëindigd.

2.   Alle belanghebbenden wordt verzocht uiterlijk 20 dagen na de bekendmaking van deze verordening hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken, bewijsmateriaal te verstrekken of te verzoeken te worden gehoord.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  PB C 143 van 30.4.2015, blz. 12.

(3)  PB C 143 van 30.4.2015, blz. 12 (punt 3 van het bericht van inleiding).

(4)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).


18.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/114


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2387 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

236,2

MA

90,9

TR

117,9

ZZ