ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 323

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
9 december 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Informatie betreffende de datum van ondertekening van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2015/2285 van de Commissie van 8 december 2015 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, wat betreft bepaalde vereisten voor levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen en van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen ( 1 )

2

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2286 van de Commissie van 8 december 2015 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier voor een benaming die is opgenomen in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten (Belokranjska pogača (GTS))

5

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2287 van de Commissie van 8 december 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

6

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2015/2288 van de Raad van 30 november 2015 tot vaststelling van de financiële bijdragen van de lidstaten aan het Europees Ontwikkelingsfonds, inclusief het maximum voor 2017, het bedrag voor 2016, de eerste tranche voor 2016 en een indicatieve en niet-bindende prognose voor de verwachte jaarlijkse bedragen voor de jaren 2018 en 2019

8

 

*

Besluit (EU) 2015/2289 van de Raad van 3 december 2015 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie, betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van de overeenkomst

11

 

*

Gedelegeerd Besluit (EU) 2015/2290 van de Commissie van 12 juni 2015 betreffende de voorlopige gelijkwaardigheid van de solvabiliteitsstelsels die van kracht zijn in Australië, Bermuda, Brazilië, Canada, Mexico en de Verenigde Staten en van toepassing zijn op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in derde landen

22

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2291 van de Commissie van 7 december 2015 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU wat betreft het maximumbedrag van de financiële bijdrage van de Unie voor het programma voor de uitroeiing van rabiës in Letland voor het jaar 2014 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 8607)  ( 1 )

27

 

*

Besluit nr. 2/2015 van het Gemengd Landbouwcomité van 19 november 2015 tot wijziging van de aanhangsels 1 en 2 van bijlage 9 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten [2015/2292]

29

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/1


Informatie betreffende de datum van ondertekening van het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de regering van Denemarken en de autonome regering van Groenland, anderzijds

Op 27 november 2015 hebben de Europese Unie en Denemarken en Groenland het protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de partnerschapsovereenkomst inzake visserij, ondertekend.

Derhalve is het protocol, overeenkomstig artikel 14, met ingang van 1 januari 2016 voorlopig van toepassing.


VERORDENINGEN

9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/2


VERORDENING (EU) 2015/2285 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2015

tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, wat betreft bepaalde vereisten voor levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen en van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (1), en met name artikel 4, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (2), en met name artikel 18, inleidende zin en punt 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 854/2004 stelt specifieke voorschriften vast voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong. Deze verordening bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de productie en het in de handel brengen van levende tweekleppige weekdieren, levende stekelhuidigen, levende manteldieren en levende mariene buikpotigen de in bijlage II bij die verordening bedoelde officiële controles ondergaan.

(2)

Bijlage II, hoofdstuk II, deel A, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 854/2004 bepaalt dat de bevoegde autoriteit de productiegebieden waar het oogsten van levende tweekleppige weekdieren is toegestaan, op basis van de mate van faecale verontreiniging als één van de drie categorieën moet classificeren.

(3)

De bevoegde instantie moet voor de classificatie van de productiegebieden een herbeoordelingstermijn vaststellen waarin in elk productie- en heruitzettingsgebied monsters kunnen worden genomen om te bepalen of de in die verordening vastgestelde normen worden nageleefd.

(4)

Bijlage II, hoofdstuk II, deel A, punt 3, bij Verordening (EG) nr. 854/2004 bepaalt dat de bevoegde autoriteit in klasse A de gebieden kan indelen waar levende tweekleppige weekdieren mogen worden verzameld voor directe menselijke consumptie. Levende tweekleppige weekdieren uit deze gebieden moeten voldoen aan de in bijlage III, sectie VII, hoofdstuk V, bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) vastgestelde gezondheidsnormen.

(5)

Bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie (4) worden de microbiologische criteria voor bepaalde micro-organismen en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen vastgesteld, waaraan exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten voldoen met betrekking tot de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 852/2004 bedoelde algemene en specifieke hygiënevoorschriften. In die verordening is in het bijzonder een voedselveiligheidscriterium vastgelegd voor Escherichia coli in levende tweekleppige weekdieren en levende stekelhuidigen, manteldieren en buikpotigen.

(6)

Het in de Codex Alimentarius bepaalde criterium voor E. coli voor in de handel gebrachte producten verschilt van het in de wetgeving van de Europese Unie opgenomen criterium. Het criterium van de Codex Alimentarius steunt op drie klassen (n = 5, c = 1, m = 230 en M = 700 E. coli MPN/100 g vlees en schelpvocht), terwijl het criterium van de Europese Unie steunt op twee klassen (n = 1, c = 0, M = 230 E. coli MPN/100 g vlees en schelpvocht). Dit verschil heeft gevolgen voor de internationale handel. Het criterium van de Codex Alimentarius, dat op internationale normen is gebaseerd, moet ook tot uiting komen in de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 854/2004 vastgestelde regels voor de indeling van productiegebieden van klasse A.

(7)

De op drie klassen steunende aanpak van de Codex Alimentarius spoort partijen die niet aan de normen voldoen, naar verwachting sneller op, in het bijzonder wanneer de besmettingsniveaus dicht bij de grenswaarde liggen. De aanpak van de Codex Alimentarius voor het testen van het eindproduct wordt geacht wetenschappelijk nauwkeuriger te zijn en algemeen een vrijwel gelijkwaardige gezondheidsbescherming te bieden.

(8)

Verordening (EG) nr. 2073/2005 en Verordening (EG) nr. 854/2004 moeten worden aangepast aan de Codex Alimentarius met betrekking tot dit criterium en moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 854/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage II, hoofdstuk II, worden:

a)

vóór deel A de zinnen „De referentiemethode voor de analyse van E. coli is de in EN/ISO 16649-3 gespecificeerde techniek voor detectie en het meest waarschijnlijke aantal (Most Probable Number — MPN). Er mogen alternatieve methoden worden gebruikt mits deze ten opzichte van deze referentiemethode worden gevalideerd volgens de criteria van EN/ISO 16140.” toegevoegd;

b)

de in de punten 4 en 5 van deel A vermelde zinnen „De referentiemethode voor deze analyse is de MPN-test met vijf proefbuisjes en drie verdunningen als gespecificeerd in ISO 16649-3. Er mogen alternatieve methoden worden gebruikt mits deze ten opzichte van deze referentiemethode worden gevalideerd volgens de criteria van EN/ISO 16140.” verwijderd.

2)

Bijlage II, hoofdstuk II, deel A, punt 2, wordt vervangen door:

„2.

De bevoegde autoriteit moet de productiegebieden waar het oogsten van levende tweekleppige weekdieren is toegestaan, op basis van de mate van faecale verontreiniging als één van de onderstaande drie categorieën classificeren. Indien nodig, kan dit gebeuren in samenwerking met de exploitant van het levensmiddelenbedrijf. De bevoegde autoriteit moet voor de classificatie van de productiegebieden een herbeoordelingstermijn vaststellen waarin in elk productie- en heruitzettingsgebied monsters kunnen worden genomen om te bepalen of de in dit punt en de in de punten 3, 4 en 5 bedoelde normen worden nageleefd.”.

3)

Bijlage II, hoofdstuk II, deel A, punt 3, wordt vervangen door:

„3.

De bevoegde autoriteit kan in klasse A de gebieden indelen waar levende tweekleppige weekdieren mogen worden verzameld voor directe menselijke consumptie. In de handel gebrachte levende tweekleppige weekdieren uit deze gebieden moeten voldoen aan de gezondheidsnormen voor levende tweekleppige weekdieren bedoeld in bijlage III, sectie VII, hoofdstuk V, bij Verordening (EG) nr. 853/2004.

Voor monsters van levende tweekleppige weekdieren uit deze gebieden geldt dat 80 % van de tijdens de herbeoordelingstermijn genomen monsters niet meer dan 230 E. coli per 100 g vlees en schelpvocht mag bevatten. De resterende 20 % van de monsters mag niet meer dan 700 E. coli per 100 g vlees en schelpvocht bevatten.

Bij de beoordeling van de resultaten voor de vastgestelde herbeoordelingstermijn voor de handhaving van een gebied van klasse A kan de bevoegde autoriteit, aan de hand van een op een onderzoek gebaseerde risicobeoordeling, beslissen om een afwijkend resultaat dat de grenswaarde van 700 E. coli per 100 g vlees en schelpvocht overschrijdt, buiten beschouwing te laten.”.

Artikel 2

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 wordt hoofdstuk 1 als volgt gewijzigd:

1)

In de tabel met voedselveiligheidscriteria wordt rij 1.25 vervangen door:

„1.25.

Levende tweekleppige weekdieren en levende stekelhuidigen, manteldieren en buikpotigen

E. coli (15)

5 (16)

1

230 MPN/100 g vlees en schelpvocht

700 MPN/100 g vlees en schelpvocht

EN/ISO 16649-3

Producten die in de handel zijn gebracht, voor de duur van de houdbaarheidstermijn”.

2)

Voetnoot 16 wordt vervangen door:

„(16)

Elk monster omvat een minimumaantal individuele dieren overeenkomstig EN/ISO 6887-3.”.

3)

a)

In de opmerkingen over de interpretatie van de testresultaten wordt „De vermelde grenswaarden gelden voor elk getest deelmonster, behalve voor levende tweekleppige weekdieren en levende stekelhuidigen, manteldieren en buikpotigen bij tests op E. coli, waar de grenswaarde geldt voor een samengevoegd monster.”

vervangen door:

„De vermelde grenswaarden gelden voor elk getest deelmonster.”.

b)

In de opmerkingen over de interpretatie van de testresultaten wordt de opmerking betreffende L. monocytogenes in andere kant-en-klare levensmiddelen en E. coli in levende tweekleppige weekdieren vervangen door:

L. monocytogenes in andere kant-en-klare levensmiddelen:

toereikend, als alle geconstateerde waarden kleiner dan of gelijk aan de grenswaarde zijn;

ontoereikend, als één of meer waarden groter dan de grenswaarde zijn.

E. coli in levende tweekleppige weekdieren en levende stekelhuidigen, manteldieren en buikpotigen:

toereikend, als alle vijf geconstateerde waarden kleiner dan of gelijk aan 230 MPN/100 g vlees en schelpvocht zijn of als één van de vijf geconstateerde waarden meer dan 230 MPN/100 g vlees en schelpvocht is, maar kleiner dan of gelijk aan 700 MPN/100 g vlees en schelpvocht is;

ontoereikend, als één van de vijf geconstateerde waarden groter dan 700 MPN/100 g vlees en schelpvocht is, of als ten minste twee van de vijf geconstateerde waarden groter dan 230 MPN/100 g vlees en schelpvocht zijn.”.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.

(3)  Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55).

(4)  Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1).


9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2286 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2015

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier voor een benaming die is opgenomen in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten (Belokranjska pogača (GTS))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de aanvraag van Slovenië tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de gegarandeerde traditionele specialiteit „Belokranjska pogača”, die bij Verordening (EU) nr. 182/2010 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(1)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder b), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(2)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de benaming „Belokranjska pogača” (GTS) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 182/2010 van de Commissie van 3 maart 2010 houdende inschrijving van een benaming in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten (Belokranjska pogača (GTS)) (PB L 53 van 4.3.2010, blz. 1).

(3)  PB C 224 van 9.7.2015, blz. 8.


9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2287 VAN DE COMMISSIE

van 8 december 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 december 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

88,7

TR

83,5

ZZ

86,1

0707 00 05

MA

95,7

TR

155,6

ZZ

125,7

0709 93 10

MA

63,6

TR

138,8

ZZ

101,2

0805 10 20

MA

83,9

TR

62,7

UY

52,1

ZA

55,2

ZZ

63,5

0805 20 10

MA

70,7

ZZ

70,7

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

TR

88,3

ZA

96,8

ZZ

92,6

0805 50 10

TR

93,1

ZZ

93,1

0808 10 80

AU

155,4

CL

87,5

NZ

213,1

US

118,8

ZA

137,7

ZZ

142,5

0808 30 90

CN

80,5

TR

135,4

ZZ

108,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/8


BESLUIT (EU) 2015/2288 VAN DE RAAD

van 30 november 2015

tot vaststelling van de financiële bijdragen van de lidstaten aan het Europees Ontwikkelingsfonds, inclusief het maximum voor 2017, het bedrag voor 2016, de eerste tranche voor 2016 en een indicatieve en niet-bindende prognose voor de verwachte jaarlijkse bedragen voor de jaren 2018 en 2019

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (1) (het „Intern Akkoord”), en met name artikel 7,

Gezien Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (2) (hierna „Financieel Reglement van het 11e EOF” genoemd), en met name artikel 21, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens de procedure van de artikelen 21 tot en met 24 van het Financieel Reglement van het 11e EOF dient de Commissie een voorstel in voor het maximum van de jaarlijkse bijdrage van de lidstaten voor 2017, het bedrag van de bijdrage voor 2016, het bedrag van de eerste tranche van de bijdrage voor 2016, en een indicatieve en niet-bindende prognose voor de bedragen in 2018 en 2019.

(2)

Overeenkomstig artikel 52 van het Financieel Reglement van het 11e EOF heeft de Europese Investeringsbank (EIB) de Commissie haar bijgewerkte vastleggings- en betalingsramingen betreffende de door haar beheerde instrumenten toegezonden.

(3)

Artikel 22, lid 1, van het Financieel Reglement van het 11e EOF bepaalt dat bij de verzoeken om bijdragen eerst in chronologische volgorde de bedragen voor vorige EOF's worden opgebruikt. Daarom moet een verzoek om bijdragen in het kader van het 10e EOF worden gedaan.

(4)

Op 10 november 2014 heeft de Raad een besluit vastgesteld waarbij het maximum van de jaarlijkse EOF-bijdragen van de lidstaten voor 2016 wordt vastgesteld op 3 350 000 000 EUR voor de Commissie en 250 000 000 EUR voor de EIB.

(5)

Overeenkomstig artikel 1, tweede alinea, van Besluit 2013/759/EU van de Raad (3) worden de in artikel 1, lid 2, onder a), van de Interne Akkoorden van het 8e, 9e en 10e EOF vastgestelde aandelen van de bijdragen van de lidstaten na de inwerkingtreding van het Intern Akkoord van het 11e EOF dienovereenkomstig verminderd. Deze vermindering zal gevolgen hebben voor de bijdragen van de lidstaten voor 2015, 2016 en 2017 overeenkomstig de door elke lidstaat gekozen aanpassingsoptie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het maximum voor de jaarlijkse EOF-bijdragen van de lidstaten voor 2017 wordt vastgesteld op 3 850 000 000 EUR voor de Commissie en 150 000 000 EUR voor de EIB.

Artikel 2

Het jaarlijkse bedrag van de EOF-bijdragen van de lidstaten voor 2016 wordt vastgesteld op 3 600 000 000 EUR. Het bedrag wordt gesplitst in 3 450 000 000 EUR voor de Commissie en 150 000 000 EUR voor de EIB.

Artikel 3

De individuele EOF-bijdragen die de lidstaten voor de eerste tranche van 2016 aan de Commissie en de EIB moeten betalen, zijn in de bijlage bij dit besluit weergegeven.

Betalingen van deze bijdragen kunnen worden gecombineerd met aanpassingen in het kader van de aftrek van de middelen die zijn vastgelegd overeenkomstig Besluit 2013/759/EU, volgens een aanpassingsplan dat door elke lidstaat bij de vaststelling van de derde tranche voor 2015 aan de Commissie wordt medegedeeld.

Artikel 4

De indicatieve prognose voor de verwachte jaarlijkse bedragen van de bijdragen voor 2018 wordt vastgesteld op 4 150 000 000 EUR voor de Commissie en 250 000 000 EUR voor de EIB, en die voor 2019 op 4 150 000 000 EUR voor de Commissie en 300 000 000 EUR voor de EIB.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 30 november 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

É. SCHNEIDER


(1)  PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(2)  PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(3)  Besluit 2013/759/EU van de Raad van 12 december 2013 betreffende overgangsmaatregelen voor het beheer van het EOF tussen 1 januari 2014 en de inwerkingtreding van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (PB L 335 van 14.12.2013, blz. 48).


BIJLAGE

Lidstaten

Verdeelsleutel 10e EOF

1e tranche 2016

betaald aan de EIB 10e EOF

betaald aan de Commissie 10e EOF

Totaal

OOSTENRIJK

2,41

0,00

42 175 000,00

42 175 000,00

BELGIË

3,53

0,00

61 775 000,00

61 775 000,00

BULGARIJE

0,14

0,00

2 450 000,00

2 450 000,00

CΥΡRUS

0,09

0,00

1 575 000,00

1 575 000,00

TSJECHIË

0,51

0,00

8 925 000,00

8 925 000,00

DENEMARKEN

2,00

0,00

35 000 000,00

35 000 000,00

ESTLAND

0,05

0,00

875 000,00

875 000,00

FINLAND

1,47

0,00

25 725 000,00

25 725 000,00

FRANKRIJK

19,55

0,00

342 125 000,00

342 125 000,00

DUITSLAND

20,50

0,00

358 750 000,00

358 750 000,00

GRIEKENLAND

1,47

0,00

25 725 000,00

25 725 000,00

HONGARIJE

0,55

0,00

9 625 000,00

9 625 000,00

IERLAND

0,91

0,00

15 925 000,00

15 925 000,00

ITALIË

12,86

0,00

225 050 000,00

225 050 000,00

LETLAND

0,07

0,00

1 225 000,00

1 225 000,00

LITOUWEN

0,12

0,00

2 100 000,00

2 100 000,00

LUXEMBURG

0,27

0,00

4 725 000,00

4 725 000,00

MALTA

0,03

0,00

525 000,00

525 000,00

NEDERLAND

4,85

0,00

84 875 000,00

84 875 000,00

POLEN

1,30

0,00

22 750 000,00

22 750 000,00

PORTUGAL

1,15

0,00

20 125 000,00

20 125 000,00

ROEMENIË

0,37

0,00

6 475 000,00

6 475 000,00

SLOWAKIJE

0,21

0,00

3 675 000,00

3 675 000,00

SLOVENIË

0,18

0,00

3 150 000,00

3 150 000,00

SPANJE

7,85

0,00

137 375 000,00

137 375 000,00

ZWEDEN

2,74

0,00

47 950 000,00

47 950 000,00

VERENIGD KONINKRIJK

14,82

0,00

259 350 000,00

259 350 000,00

TOTAAL EU-27

100,00

0,00

1 750 000 000,00

1 750 000 000,00


9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/11


BESLUIT (EU) 2015/2289 VAN DE RAAD

van 3 december 2015

tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie, betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van de overeenkomst

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie (1) („de overeenkomst”) is in werking getreden op 1 december 2014.

(2)

Overeenkomstig artikel 10 van de overeenkomst dient een gemengd comité te worden opgericht. Voorts wordt in dat artikel bepaald dat dat comité in het bijzonder dient toe te zien op de toepassing van de overeenkomst.

(3)

In Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) zijn de procedures en voorwaarden vastgelegd voor de afgifte van visa voor de doorreis over of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

(4)

Er moeten gemeenschappelijke richtsnoeren worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de consulaten van de Republiek Kaapverdië en van de lidstaten de overeenkomst op volledig geharmoniseerde wijze toepassen en om de verhouding te verduidelijken tussen enerzijds de bepalingen van de overeenkomst en anderzijds de wetgevingsbepalingen van de partijen bij de overeenkomst die van toepassing blijven op visumkwesties die niet onder de overeenkomst vallen.

(5)

Het is daarom wenselijk het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het gemengd comité moet worden ingenomen met betrekking tot de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van de overeenkomst.

(6)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit, dat derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.

(7)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van dit besluit, dat derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het gemend comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie, betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van de overeenkomst, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het gemengd comité.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 3 december 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

F. BRAZ


(1)  PB L 282 van 24.10.2013, blz. 3.

(2)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).


ONTWERP

BESLUIT Nr. 1/2015 VAN HET GEMENGD COMITÉ DAT IS OPGERICHT BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN DE REPUBLIEK KAAPVERDIË INZAKE DE VERSOEPELING VAN DE AFGIFTE VAN VISA VOOR KORT VERBLIJF AAN DE BURGERS VAN DE REPUBLIEK KAAPVERDIË EN VAN DE EUROPESE UNIE

van …

betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van de overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie (1) („de overeenkomst”), en met name artikel 10,

Overwegende dat de overeenkomst op 1 december 2014 in werking is getreden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De gemeenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie worden vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te …,

Voor de Europese Unie

Voor de Republiek Kaapverdië


(1)  PB L 282 van 24.10.2013, blz. 3.

BIJLAGE

GEMEENSCHAPPELIJKE RICHTSNOEREN VOOR DE UITVOERING VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN DE REPUBLIEK KAAPVERDIË INZAKE DE VERSOEPELING VAN DE AFGIFTE VAN VISA VOOR KORT VERBLIJF AAN DE BURGERS VAN DE REPUBLIEK KAAPVERDIË EN VAN DE EUROPESE UNIE

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie („de overeenkomst”), die op 1 december 2014 in werking is getreden, heeft als doel om op basis van wederkerigheid de procedures voor de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen aan burgers van de Republiek Kaapverdië („Kaapverdië”) en van de Europese Unie („de Unie”) te versoepelen.

De overeenkomst brengt op basis van wederkerigheid juridisch bindende rechten en verplichtingen tot stand die de procedures voor de afgifte van visa aan burgers van Kaapverdië en van de Unie moeten versoepelen.

Deze richtsnoeren, die door het bij de overeenkomst opgerichte gemengd comité worden vastgesteld („gemengd comité”), moeten ervoor zorgen dat de diplomatieke en consulaire posten van Kaapverdië en van de lidstaten de overeenkomst op een correcte en geharmoniseerde wijze toepassen. Deze richtsnoeren maken geen deel uit van de overeenkomst en zijn derhalve niet juridisch bindend. Het wordt echter ten zeerste aanbevolen dat het diplomatiek en consulair personeel bij de toepassing van de bepalingen van de overeenkomst de richtsnoeren consequent volgt.

Deze richtsnoeren zijn bedoeld als een document dat zo nodig dient te worden worden aangepast in het licht van de ervaring opgedaan bij de toepassing van de overeenkomst.

I.   ALGEMENE ASPECTEN

1.1.   Doel en toepassingsgebied

Artikel 1 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

Deze overeenkomst is bedoeld om op basis van wederkerigheid de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen aan burgers van Kaapverdië en van de Europese Unie te versoepelen.”.

De overeenkomst is van toepassing op alle burgers van Kaapverdië en van de Unie die een visum voor kort verblijf aanvragen, ongeacht het land waarin zij verblijven.

De overeenkomst is niet van toepassing op staatloze personen die beschikken over een door Kaapverdië of een lidstaat afgegeven verblijfsvergunning. Op die categorie personen zijn de regels van het acquis van de Unie inzake visa van toepassing.

1.2.   Toepassingsgebied van de overeenkomst

Artikel 2 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   De bij deze overeenkomst geregelde soepeler afgifte van visa geldt voor burgers van Kaapverdië en van de Europese Unie voor zover zij niet zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond van de wet- en regelgeving van de Unie, de lidstaten, of Kaapverdië, deze overeenkomst of andere internationale overeenkomsten.

2.   Op kwesties die niet onder de bepalingen van deze overeenkomst vallen, zoals de weigering om een visum af te geven, de erkenning van reisdocumenten, het bewijs van voldoende bestaansmiddelen, inreisverboden en uitzettingsmaatregelen, is de nationale wetgeving van Kaapverdië, de nationale wetgeving van de lidstaten of het recht van de Unie van toepassing.”.

Onverminderd artikel 8 van de overeenkomst heeft de overeenkomst geen gevolgen voor de bestaande nationale en Unieregels inzake visumverplichtingen en -vrijstellingen. Aan de mogelijkheid voor de lidstaten om op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad (1) bepaalde categorieën personen, zoals civiele vliegtuig- en scheepsbemanningsleden, van de visumplicht vrij te stellen, wordt bijvoorbeeld niet geraakt.

Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) („de Visumcode”) is van toepassing op alle kwesties die niet onder de overeenkomst vallen, zoals het bepalen van de Schengenstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de visumaanvraag, de motivering van de weigering van visumafgifte en het recht van beroep tegen een negatieve beslissing. Voorts blijven de Schengenregels en het nationaal recht van toepassing op kwesties die niet onder de overeenkomst vallen, zoals de erkenning van reisdocumenten, bewijs van het doel van de reis en van voldoende bestaansmiddelen, de behandelingstermijn voor visumaanvragen, de weigering van toegang tot het grondgebied van de lidstaten en uitzettingsmaatregelen.

Zelfs indien aan de voorwaarden van de overeenkomst wordt voldaan, maar niet aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3) („de Schengengrenscode”) vastgelegde voorwaarden, bijvoorbeeld wanneer de persoon niet over een geldig reisdocument beschikt, hij gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem of als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid enz. wordt beschouwd, kan afgifte van een visum toch nog worden geweigerd.

De andere in de Visumcode vastgelegde mogelijkheden voor flexibiliteit bij de afgifte van visa blijven van toepassing. Meervoudige visa met een lange geldigheidsduur — tot vijf jaar — kunnen bijvoorbeeld worden afgegeven aan andere categorieën personen dan die welke zijn vermeld in artikel 4 van de overeenkomst, indien aan de voorwaarden van de Visumcode (artikel 24) wordt voldaan. Evenzo blijven de bepalingen van de Visumcode met betrekking tot ontheffing en vermindering van de visumleges van toepassing (artikel 16, leden 5 en 6, van de Visumcode). Het nationaal recht van Kaapverdië blijft van toepassing op alle kwesties die verband houden met de afgifte door Kaapverdië van visa aan burgers van de Unie en die niet onder de overeenkomst vallen, zoals die welke worden vermeld in de drie voorgaande alinea's.

1.3.   Soorten visa die tot het toepassingsgebied van de overeenkomst behoren

In artikel 3, onder d), van de overeenkomst wordt „visum” gedefinieerd als „een machtiging of beslissing van een lidstaat of van Kaapverdië die nodig is voor een doorreis over of een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen in totaal in die lidstaat of in verscheidene lidstaten of in Kaapverdië;”.

De versoepelingen waarin de overeenkomst voorziet, zijn van toepassing op zowel eenvormige visa die geldig zijn voor het hele grondgebied van de lidstaten als visa met een beperkte territoriale geldigheid. De versoepelingen zijn eveneens van toepassing op visa voor kort verblijf en doorreis die door Kaapverdië aan burgers van de Unie worden afgegeven.

1.4.   Berekening van de volgens het visum toegestane verblijfsduur

Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, wordt onder het begrip „kort verblijf” verstaan: „90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen”.

Als datum van binnenkomst geldt de eerste dag van het verblijf op het grondgebied van de lidstaten en als de datum van uitreis geldt de laatste dag van het verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Er wordt uitgegaan van een dynamische referentieperiode van 180 dagen; op elke dag van het verblijf wordt gekeken naar de aan die dag voorafgaande periode van 180 dagen om na te gaan of nog steeds aan de voorwaarden van 90 dagen per 180 dagen wordt voldaan. Dat betekent dat een ononderbroken afwezigheid van het grondgebied van de lidstaten van 90 dagen recht geeft op een nieuw verblijf van maximaal 90 dagen.

Voor het berekenen van de toegestane duur van kort verblijf volgens de nieuwe regels kan gebruik worden gemaakt van een calculator die beschikbaar is op het volgende adres: http://ec.europa.eu/dgs/home-affairs/what-we-do/policies/borders-and-visas/border-crossing/index_en.htm.

Hierna volgt een voorbeeld van berekening van de verblijfsduur op basis van de nieuwe definitie:

Iemand heeft een meervoudig visum met een geldigheidsduur van één jaar (18.4.2014 — 18.4.2015) en komt voor het eerst de lidstaten binnen op 19.4.2014 en blijft drie dagen. Daarna komt hij op 18.6.2014 opnieuw binnen op het grondgebied van de lidstaten en blijft 86 dagen. In een dergelijk geval, zou de situatie op bepaalde specifieke data als volgt kunnen zijn:

op 11.9.2014: in de afgelopen 180 dagen (16.3.2014 — 11.9.2014) heeft het verblijf van de betrokkene drie dagen (19.4.2014 — 21.4.2014) plus 86 dagen (18.6.2014 — 11.9.2014) geduurd = 89 dagen. De verblijfsduur is niet overschreden. De betrokkene mag nog één dag blijven;

vanaf 16.10.2014: de betrokkene mag na binnenkomst drie dagen blijven (op 16.10.2014 is het verblijf van 19.4.2014 niet meer relevant (buiten de periode van 180 dagen); op 17.10.2014 is het verblijf van 20.4.2014 niet meer relevant (buiten de periode van 180 dagen enz.));

vanaf 15.12.2014: de betrokkene mag na binnenkomst 86 dagen blijven (op 15.12.2014 is het verblijf van 18.6.2014 niet meer relevant (buiten de periode van 180 dagen); op 16.12.2014 is het verblijf van 19.6.2014 niet meer relevant enz.)

1.5.   De situatie met betrekking tot de lidstaten die het Schengenacquis nog niet volledig toepassen, de lidstaten die niet deelnemen aan het gemeenschappelijk visumbeleid van de EU en de geassocieerde landen

De lidstaten die tot de Unie zijn toegetreden in 2004 (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slowakije, Slovenië en de Tsjechische Republiek), 2007 (Bulgarije en Roemenië) en 2013 (Kroatië) zijn aan de overeenkomst gebonden vanaf de inwerkingtreding ervan.

Bulgarije, Cyprus, Kroatië en Roemenië passen het Schengenacquis nog niet volledig toe. Zij zullen nationale visa blijven afgeven die enkel geldig zijn voor hun grondgebied. Zodra die lidstaten het Schengenacquis volledig toepassen, zullen zij de overeenkomst blijven toepassen.

In afwachting van de volledige toepassing van het Schengenacquis blijft op de aangelegenheden die niet onder de overeenkomst vallen het nationaal recht van die lidstaten van toepassing. Vanaf de volledige toepassing van het Schengenacquis zullen deze aangelegenheden door de Schengenvoorschriften en/of het nationaal recht worden geregeld.

Bulgarije, Cyprus, Kroatië en Roemenië zijn gemachtigd om door de Schengenlidstaten en geassocieerde landen afgegeven verblijfstitels, D-visa en visa voor kort verblijf te aanvaarden voor kort verblijf op hun grondgebied.

Overeenkomstig artikel 21 van de overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen (4) moeten alle Schengenstaten de door elkaar afgegeven visa voor verblijf van langere duur en verblijfstitels aanvaarden als geldig voor verblijf van korte duur op elkaars grondgebied. De Schengenlidstaten aanvaarden de verblijfstitels afgegeven door de met Schengen geassocieerde landen, D-visa en visa voor kort verblijf voor binnenkomst en kort verblijf op hun grondgebied en vice versa.

De overeenkomst is niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken, maar bevat wel gezamenlijke verklaringen waarin wordt gesteld dat het wenselijk is dat bilaterale overeenkomsten betreffende visumversoepeling worden gesloten tussen Kaapverdië en die lidstaten.

Hoewel IJsland, Noorwegen, Zwitserland en Liechtenstein geassocieerd zijn met Schengen, zijn die landen niet gebonden door de overeenkomst. De overeenkomst bevat evenwel een gezamenlijke verklaring waarin wordt gesteld dat het wenselijk is dat bilaterale overeenkomsten betreffende visumversoepeling worden gesloten tussen Kaapverdië en die Schengenstaten.

1.6.   De overeenkomst en bilaterale overeenkomsten

Artikel 11 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

Zodra deze overeenkomst in werking treedt, heeft zij voorrang op de bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die zijn gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en Kaapverdië, voor zover de bepalingen daarvan betrekking hebben op aangelegenheden die bij deze overeenkomst worden geregeld.”.

Vanaf de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zijn de bepalingen van de bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en Kaapverdië inzake de aangelegenheden die onder de overeenkomst vallen, niet langer van toepassing. Overeenkomstig het recht van de Unie moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de onverenigbaarheden tussen hun bilaterale overeenkomsten en de overeenkomst weg te nemen.

Kaapverdië een bilaterale overeenkomst of regeling heeft gesloten over aangelegenheden die niet onder de overeenkomst vallen, blijft de vrijstelling ook na de inwerkingtreding van de overeenkomst van toepassing.

II.   SPECIFIEKE BEPALINGEN

2.1.   Regels die van toepassing zijn op alle visumaanvragers

Belangrijk: Er wordt aan herinnerd dat de onderstaande versoepelingen met betrekking tot vertrek in geval van verloren of gestolen documenten en de verlenging van een visum in buitengewone omstandigheden van toepassing zijn op alle burgers van Kaapverdië en van de lidstaten die houder zijn van een visum.

2.1.1.   Verlenging van een visum in buitengewone omstandigheden

Artikel 7 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

Van burgers van Kaapverdië en van de Europese Unie die door overmacht niet in staat zijn het grondgebied van de lidstaten respectievelijk Kaapverdië binnen de in hun visum vermelde termijn te verlaten, wordt het visum kosteloos volgens de wetgeving van het gastland verlengd voor de periode die nodig is tot hun terugkeer naar hun eigen land.”.

Wanneer de houder van een visum door overmacht, bijvoorbeeld door verblijf in een ziekenhuis wegens een ongeval, niet in staat is het grondgebied van de lidstaat binnen de op de visumsticker vermelde termijn te verlaten, kan het visum worden verlengd overeenkomstig artikel 33, lid 1, van de Visumcode voor zover deze bepaling in overeenstemming is met de overeenkomst (bv. het visum blijft na verlenging een eenvormig visum en de territoriale geldigheid ervan wordt behouden). In overeenstemming met de overeenkomst gebeurt de verlenging van het visum in geval van overmacht kosteloos.

2.2.   Regels die van toepassing zijn op bepaalde categorieën visumaanvragers

2.2.1.   Afgifte van meervoudige visa

Wanneer de visumaanvrager frequent of regelmatig naar het grondgebied van Kaapverdië of van de lidstaten moet reizen, kunnen visa voor kort verblijf voor meerdere bezoeken worden afgegeven, maar de totale duur van de bezoeken mag niet langer zijn dan 90 dagen per periode van 180 dagen.

Artikel 4, lid 1, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   De diplomatieke en consulaire beroepsposten van de lidstaten en van Kaapverdië verstrekken meervoudige visa met een geldigheidsduur van vijf jaar aan de volgende categorieën personen:

a)

leden van nationale en regionale regeringen en parlementen, het grondwettelijk hof en de hoogste rechterlijke instantie, en de rekenkamer, in de uitoefening van hun functie, indien zij bij deze overeenkomst niet zijn vrijgesteld van de visumplicht;

b)

permanente leden van officiële delegaties van Kaapverdië, de lidstaten of de Unie die op officiële uitnodiging deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties op het grondgebied van de lidstaten of van Kaapverdië worden gehouden;

c)

zakenlieden en vertegenwoordigers van bedrijfsorganisaties die regelmatig naar de lidstaten of naar Kaapverdië reizen;

d)

echtgenoten, kinderen (inclusief adoptiekinderen) die jonger zijn dan 21 jaar of ten laste komen van de aanvrager, en ouders die op bezoek gaan bij respectievelijk:

burgers van Kaapverdië die legaal in een lidstaat verblijven of burgers van de Unie die legaal in Kaapverdië verblijven, of

burgers van de Unie die in de lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit hebben, of burgers van Kaapverdië die in Kaapverdië verblijven.

Indien de noodzaak of de bedoeling om frequent of regelmatig te reizen echter kennelijk slechts voor een kortere periode geldt, blijft de geldigheidsduur van het meervoudig visum beperkt tot die kortere periode, met name wanneer

het mandaat van de onder a) bedoelde personen,

de status van permanent lid van een officiële delegatie van de onder b) bedoelde personen,

de status van zakenman of -vrouw of vertegenwoordiger van een bedrijfsorganisatie van de onder c) bedoelde personen, of

de verblijfsvergunning van de onder d) bedoelde burgers van Kaapverdië die in een lidstaat verblijven en burgers van de Europese Unie die in Kaapverdië verblijven,

binnen vijf jaar verloopt of vervalt.”.

Gelet op de beroepsstatus van die categorieën personen of hun familieband met een burger van Kaapverdië of van de Unie die legaal verblijft op het grondgebied van Kaapverdië of van de lidstaat, en ook wat betreft de familieleden van burgers van de Unie die verblijven in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben of familieleden van burgers van Kaapverdië die verblijven in Kaapverdië is het gerechtvaardigd een meervoudig visum af te geven met een geldigheidsduur van vijf jaar of met een beperkte geldigheidsduur die overeenstemt met de mandaatsperiode of de duur van het legaal verblijf indien die korter is dan vijf jaar.

Voor personen die onder artikel 4, lid 1, onder a), vallen, moet bewijs worden overgelegd van hun beroepsstatus en de duur van hun mandaat.

Dat geldt echter niet als de personen die onder artikel 4, lid 1, onder a), vallen, op grond van de overeenkomst zijn vrijgesteld van de visumplicht, d.w.z. voor houders van een diplomatiek paspoort of dienstpaspoort.

Personen die onder artikel 4, lid 1, onder b), vallen, moeten bewijzen dat zij permanent lid zijn van de delegatie en regelmatig aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's moeten deelnemen.

Personen die onder artikel 4, lid 1, onder c), vallen, moeten bewijs van hun beroepsstatus en de duur van hun activiteiten overleggen.

Personen die onder artikel 4, lid 1, onder d), vallen, moeten bewijs van legaal verblijf van de uitnodiger overleggen.

Indien de noodzaak of de bedoeling om frequent of regelmatig te reizen kennelijk slechts voor een kortere periode geldt, wordt de geldigheidsduur van het meervoudig visum beperkt tot die kortere periode.

Artikel 4, lid 2, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„2.   De diplomatieke en consulaire beroepsposten van de lidstaten en van Kaapverdië verstrekken meervoudige visa met een geldigheidsduur van een jaar aan de volgende categorieën personen, mits deze in het voorafgaande jaar ten minste één visum hebben verkregen waarvan zij gebruik hebben gemaakt overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte staat:

a)

vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die regelmatig naar de lidstaten of naar Kaapverdië reizen in verband met een opleiding, studiebijeenkomsten of conferenties, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's;

b)

beoefenaars van vrije beroepen die deelnemen aan internationale tentoonstellingen, conferenties, symposia, studiebijeenkomsten of vergelijkbare evenementen die regelmatig naar de lidstaten of naar Kaapverdië reizen;

c)

deelnemers aan wetenschappelijke, culturele en artistieke activiteiten, inclusief universitaire en andere uitwisselingsprogramma's, die regelmatig naar de lidstaten of naar Kaapverdië reizen;

d)

deelnemers aan internationale sportevenementen en personen die hen beroepshalve vergezellen;

e)

journalisten en geaccrediteerde personen die hen beroepshalve vergezellen;

f)

scholieren, studenten, postdoctoraal studenten en begeleidende docenten die reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's en andere schoolgerelateerde activiteiten;

g)

vertegenwoordigers van in Kaapverdië of in de lidstaten erkende religieuze gemeenschappen die regelmatig naar de lidstaten respectievelijk naar Kaapverdië reizen;

h)

personen die regelmatig om medische redenen naar de lidstaten of naar Kaapverdië reizen;

i)

deelnemers aan officiële uitwisselingsprogramma's van zustersteden of gemeenten;

j)

leden van officiële delegaties van Kaapverdië, de lidstaten of de Unie die op officiële uitnodiging regelmatig deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties op het grondgebied van de lidstaten of van Kaapverdië worden gehouden.

Indien de noodzaak of de bedoeling om frequent of regelmatig te reizen echter kennelijk slechts voor een kortere periode geldt, blijft de geldigheidsduur van het meervoudig visum beperkt tot die kortere periode.”.

Aan personen van de bovengenoemde categorieën visumaanvragers worden in beginsel meervoudige visa met een geldigheidsduur van een jaar afgegeven mits de visumaanvrager in het voorafgaande jaar (twaalf maanden) ten minste één visum heeft verkregen waarvan hij gebruik heeft gemaakt overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte staat of staten (de betrokkene is bijvoorbeeld niet langer gebleven dan toegestaan) en er redenen zijn om een meervoudig visum aan te vragen.

Wanneer het niet gerechtvaardigd is een visum van één jaar af te geven (bv. wanneer de duur van het uitwisselingsprogramma minder dan een jaar bedraagt of de persoon niet gedurende een volledig jaar hoeft te reizen) wordt een visum met een geldigheidsduur van minder dan een jaar afgegeven, mits aan alle andere voorwaarden voor afgifte is voldaan.

Artikel 4, leden 3 en 4, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„3.   De diplomatieke en consulaire beroepsposten van de lidstaten en van Kaapverdië verstrekken de in lid 2 bedoelde personen meervoudige visa met een geldigheidsduur van ten minste twee en ten hoogste vijf jaar, mits deze personen in de voorafgaande twee jaar overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte staat gebruik hebben gemaakt van het meervoudig visum voor één jaar.

Indien de noodzaak of de bedoeling om frequent of regelmatig te reizen echter kennelijk slechts voor een kortere periode geldt, blijft de geldigheidsduur van het meervoudig visum beperkt tot die kortere periode.

4.   De in de leden 1 tot en met 3 bedoelde personen mogen in totaal ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen op het grondgebied van de lidstaten of van Kaapverdië verblijven.”.

Aan personen van de in artikel 4, lid 2, vermelde categorieën visumaanvragers zullen meervoudige visa met een geldigheidsduur van twee en tot vijf jaar worden afgegeven, mits deze personen in de voorafgaande twee jaar (24 maanden) gebruik hebben gemaakt van het meervoudig visum met een geldigheidsduur van ten minste één jaar overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte staat of staten en de redenen om een meervoudig visum aan te vragen nog steeds geldig zijn. Er zal slechts een meervoudig visum met een geldigheid van twee tot vijf jaar worden afgegeven indien aan de visumaanvrager in de voorgaande twee jaar twee visa met een geldigheidsduur van ten minste één jaar zijn afgegeven en hij van deze visa gebruik heeft gemaakt overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte staat of staten. De diplomatieke en consulaire posten beslissen op basis van een individuele beoordeling van iedere visumaanvraag over de geldigheidsduur van het visum, die ten minste twee en ten hoogste vijf jaar kan bedragen.

Er hoeft geen meervoudig visum te worden afgegeven indien de visumaanvrager geen gebruik heeft gemaakt van een eerder afgegeven visum.

2.2.2.   Visumleges

Artikel 5, lid 1, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   Onverminderd lid 2, brengen de lidstaten en Kaapverdië geen visumleges in rekening aan de volgende categorieën personen:

a)

leden van officiële delegaties van Kaapverdië, de lidstaten of de Unie die op officiële uitnodiging deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties op het grondgebied van de lidstaten of van Kaapverdië worden gehouden;

b)

kinderen jonger dan twaalf jaar; (5)

c)

scholieren, studenten, postacademische studenten en begeleidende docenten als het doel van hun verblijf studie of opleiding is;

d)

onderzoekers als het doel van het verblijf wetenschappelijk onderzoek is;

e)

deelnemers aan door non-profitorganisaties georganiseerde studiebijeenkomsten, conferenties, sportieve, culturele of educatieve evenementen die 25 jaar of jonger zijn.”.

De bovenstaande categorieën personen worden volledig vrijgesteld van de leges.

Artikel 16, lid 6, en artikel 16, lid 7, eerste alinea, van de Visumcode bepalen het volgende:

„6.   In individuele gevallen kan het te betalen bedrag aan visumleges worden kwijtgescholden of verminderd wanneer daarmee culturele of sportieve belangen alsmede belangen op het gebied van buitenlands beleid, ontwikkelingsbeleid en andere vitale openbare belangen of humanitaire redenen gediend zijn.

7.   De visumleges worden geheven in euro, in de nationale munt van het derde land waar de aanvraag wordt ingediend of in de munt die doorgaans in dat land wordt gebruikt, en worden, behalve in de in de artikelen 18, lid 2, en 19, lid 3, bedoelde gevallen, niet terugbetaald” (met name in het geval van een niet-ontvankelijke aanvraag of in het geval dat het consulaat niet bevoegd is).”.

Visumaanvragers van Kaapverdië en burgers van de Unie ontvangen voor de betaalde visumleges een kwitantie overeenkomstig artikel 16, lid 8, van de Visumcode respectievelijk Décret-Loi 27/2007 van Kaapverdië.

Artikel 5, lid 2, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„2.   Wanneer de lidstaten of Kaapverdië gebruikmaken van een externe dienstverlener mogen dienstverleningskosten in rekening worden gebracht. De dienstverleningskosten staan in verhouding tot de kosten die de externe dienstverlener moet maken voor het uitvoeren van zijn taken en mogen ten hoogste 30 EUR bedragen. Kaapverdië en de betrokken lidstaat of lidstaten behouden voor alle aanvragers de mogelijkheid rechtstreeks een aanvraag in te dienen bij hun consulaat.”.

Wanneer een lidstaat samenwerkt met een externe dienstverlener zijn de van betaling van visumleges vrijgestelde categorieën personen toch dienstverleningskosten verschuldigd.

Op dit moment heeft geen enkele lidstaat een uitbestedingsovereenkomst met een externe dienstverlener in Kaapverdië.

2.2.3.   Houders van diplomatieke paspoorten en dienstpaspoorten

Artikel 8 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   Burgers van Kaapverdië en van de lidstaten die houder zijn van een geldig diplomatiek paspoort of een geldig dienstpaspoort hebben geen visum nodig voor een inreis in, een uitreis uit of een doorreis over het grondgebied van de lidstaten respectievelijk Kaapverdië.

2.   De in lid 1 bedoelde personen mogen ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen op het grondgebied van de lidstaten of van Kaapverdië verblijven.”.

De procedures voor het uitzenden van diplomaten naar de lidstaten worden niet door de overeenkomst geregeld. Daarop is de normale accreditatieprocedure van toepassing.

In een aan de overeenkomst gehechte gezamenlijke verklaring zijn de partijen overeengekomen dat elke partij de overeenkomst gedeeltelijk kan opschorten, met name artikel 8 daarvan, indien de toepassing ervan wordt misbruikt door de andere partij of tot een bedreiging van de openbare veiligheid leidt. De gedeeltelijke opschorting van de overeenkomst moet plaatsvinden volgens de procedure van artikel 12, lid 5.

Indien de toepassing van artikel 8 wordt opgeschort, zullen de beide partijen in het kader van het gemengd comité overleg voeren om de problemen die tot de opschorting hebben geleid, op te lossen.

Beide partijen zijn overeengekomen prioritair actie te ondernemen om een hoog niveau van beveiliging te garanderen van diplomatieke paspoorten en dienstpaspoorten, in het bijzonder met behulp van biometrische identificatiemiddelen. Wat de Unie betreft, zal dit worden gedaan overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad (6).

III.   SAMENWERKING INZAKE DOCUMENTBEVEILIGING

In een aan de overeenkomst gehechte gezamenlijke verklaring zijn de partijen overeengekomen dat het gemengd comité een beoordeling moet uitvoeren van het effect van het beveiligingsniveau van de respectieve reisdocumenten op de werking van de overeenkomst. Daartoe zijn de partijen overeengekomen elkaar regelmatig op de hoogte te houden van de maatregelen om de wildgroei van reisdocumenten tegen te gaan, de technische aspecten van reisdocumentenbeveiliging te ontwikkelen en de afgifte van reisdocumenten verder te personaliseren.

IV.   STATISTIEKEN

Opdat het gemengd comité effectief toezicht zou kunnen houden op de toepassing van de overeenkomst, dienen de diplomatieke en consulaire posten van Kaapverdië en van de lidstaten elke zes maanden statistieken in te dienen bij de Commissie, indien mogelijk uitgesplitst per maand, in het bijzonder met betrekking tot:

het aantal afgegeven meervoudige visa;

de geldigheidsduur van de afgegeven meervoudige visa;

het aantal visa dat zonder betaling van visumleges is afgegeven aan de verschillende categorieën personen die onder de overeenkomst vallen.


(1)  Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1).

(4)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

(5)  

NB: om te worden vrijgesteld van betaling van de leges moeten personen van deze categorie bewijs leveren van leeftijd.

(6)  Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB L 385 van 29.12.2004, blz. 1).


9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/22


GEDELEGEERD BESLUIT (EU) 2015/2290 VAN DE COMMISSIE

van 12 juni 2015

betreffende de voorlopige gelijkwaardigheid van de solvabiliteitsstelsels die van kracht zijn in Australië, Bermuda, Brazilië, Canada, Mexico en de Verenigde Staten en van toepassing zijn op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in derde landen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (1), en met name artikel 227, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2009/138/EG stelt een risicogebaseerd prudentieel stelsel voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de Unie in. Volledige toepassing van Richtlijn 2009/138/EG op verzekeraars en herverzekeraars in de Unie vangt aan op 1 januari 2016. Hoewel Richtlijn 2009/138/EG vanaf 1 januari 2016 volledig wordt toegepast, kan de Commissie dit gedelegeerd besluit nu reeds vaststellen krachtens artikel 311 van Richtlijn 2009/138/EG.

(2)

Artikel 227 van Richtlijn 2009/138/EG heeft betrekking op gelijkwaardigheid voor verzekeraars uit derde landen, die deel uitmaken van groepen die hun hoofdkantoor in de Unie hebben. Op grond van een positieve gelijkwaardigverklaring ingevolge artikel 227 van Richtlijn 2009/138/EG, bij gedelegeerde handeling van de Commissie, mogen dergelijke groepen, wanneer als consolidatiemethode voor hun groepsrapportage aftrek en aggregatie wordt gebruikt, ten behoeve van de berekening van het solvabiliteitsvereiste van de groep en het in aanmerking komend eigen vermogen, rekening houden met de berekening van de kapitaalvereisten en het beschikbaar kapitaal (eigen vermogen) op basis van de regels van het niet-uniale rechtsgebied in plaats van deze te berekenen op basis van Richtlijn 2009/138/EG.

(3)

Lid 5 van artikel 227 van Richtlijn 2009/138/EG voorziet in een voorlopige gelijkwaardigverklaring voor een vaste periode voor derde landen waarvan de verzekeringssolvabiliteitsstelsels aan bepaalde criteria voldoen. Een voorlopige gelijkwaardigverklaring is geldig voor een periode van tien jaar met mogelijkheid tot verlenging.

(4)

De Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen heeft overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) advies verstrekt aan de Commissie, dat bijdraagt aan de beoordeling van derde landen op grond van artikel 227, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG (3). Met betrekking tot de Verenigde Staten is de verzekeringsdialoog die in 2012 van start is gegaan met het doel tot verbeterd wederzijds inzicht in de betrokken regelgevings- en toezichtstelsels inzake verzekeringen te komen, een belangrijk kader voor wederzijdse uitwisseling van informatie geweest om tot de conclusie in dit besluit te komen.

(5)

In Australië vereisen de Life and General Insurance Capital Standards (LAGIC) (General Insurance Prudential Standard (GPS) 110: Capital Adequacy, Life Insurance Prudential Standards (LPS) 110: Capital Adequacy) dat verzekeraars kapitaalvereisten berekenen voor verzekeringsrisico, verzekeringsconcentratierisico, activarisico, activaconcentratierisico, operationeel risico en samenloop van uitkeringen. Er wordt een totalebalansaanpak gehanteerd. Er bestaat een minimumkapitaalvereiste (het Prudential Capital Requirement (PCR)); verzekeraars moeten ook een ICAAP (Internal Capital Adequacy Assessment Process) instellen waarin wordt aangegeven welke maatregelen genomen zullen worden om via vastgestelde punten boven het PCR een daling van het kapitaal te corrigeren. Schadeverzekeraars mogen interne modellen gebruiken mits goedgekeurd door de Australian Prudential Regulation Authority (hierna „APRA” genoemd). GPS 220 en LPS 220 (risicomanagement) vereisen een kader voor risicomanagement, dat moet bestaan uit ten minste een strategie voor risicomanagement waarin beleid inzake risicomanagement, procedures, managementverantwoordelijkheden en interne controles worden beschreven. De verzekeraars moeten aan APRA hun solvabiliteit, financiële positie, financiële prestaties, kapitaaltoereikendheid, investeringen, activa en activaconcentratie, gegevens over premies en schadeclaims, polisverplichtingen en blootstellingen buiten de balanstelling rapporteren. Op grond van de wet Rechtspersonen 2001 moeten ondernemingen jaarlijks een jaarrekening opstellen en indienen bij de Australian Securities and Investments Commission. Voor levensverzekeraars, schadeverzekeraars en verzekeringsgroepen zijn er bijkomende informatieverschaffingsverplichtingen betreffende kapitaalmanagement en kapitaaltoereikendheid. APRA kan informatie met andere financiële toezichthouders delen, is een ondertekenaar van het Multilateral Memorandum of Understanding on Cooperation and Information Exchange van de International Association of Insurance Supervisors (hierna „het IAIS MMoU” genoemd), en heeft MoU's gesloten met buitenlandse toezichthouders (waaronder uniale toezichthouders). APRA is onafhankelijk verantwoordelijk voor prudentiële regelgeving inzake en prudentieel toezicht op verzekeraars; alleen APRA kan een entiteit een vergunning verlenen voor de uitoefening van het verzekeringsbedrijf in Australië. APRA heeft de bevoegdheid om prudentiële normen uit te vaardigen die kracht van wet hebben. Geen huidig of voormalig APRA-personeelslid mag wettelijk vertrouwelijke informatie openbaar maken die hem bij de uitoefening van zijn taken of uit hoofde van zijn bevoegdheid ter kennis is gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtbank is strikt beperkt.

(6)

In Bermuda zijn in de verzekeringswet twee kapitaalvereisten voor verzekeraars, met uitzondering van captive verzekeringsmaatschappijen, vastgesteld (4): de minimumsolvabiliteitsmarge (MSM) en het versterkte kapitaalvereiste (hierna „het VKV” genoemd), van toepassing op zowel commerciële levens- als schadeverzekeraars. Het VKV wordt vastgesteld aan de hand van het betrokken basissolvabiliteitskapitaalvereiste (BSKV) volgens een standaardformule of het goedgekeurde interne kapitaalmodel van de verzekeraar mits het VKV ten minste gelijk is aan de MSM van de verzekeraar. Het BSKV geldt voor de volgende risico's: kredietrisico, spreadrisico, marktrisico, premierisico, reserverisico, renterisico, rampenrisico en operationeel risico. Een streefkapitaalniveau van 120 % van het VKV wordt gebruikt als waarschuwingssolvabiliteitsdrempel. De regels inzake in aanmerking komend kapitaal verschillen voor de verschillende categorieën verzekeraars. De verzekeringswet bevat ook bepalingen inzake de rapportageverplichtingen van ondernemingen met betrekking tot hun solvabiliteitspositie. De Bermudan Monetary Authority (hierna „BMA” genoemd) is de onafhankelijke regelgever en toezichthouder. De meeste Bermudaanse verzekeraars zijn verplicht een extra jaarrekening op te stellen in overeenstemming met de International Financial Reporting Standards; overigens mogen verzekeraars gebruikmaken van door BMA erkende, algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen. Verzekeraars moeten hun jaarrekening publiceren, die kwantitatieve en kwalitatieve informatie bevat. BMA kan overeenkomsten sluiten en informatie uitwisselen met buitenlandse toezichthouders; BMA is partij bij het IAIS MMoU. BMA is gebonden aan wetgeving betreffende vertrouwelijke behandeling, op grond waarvan alle door BMA-personeel verkregen informatie betreffende activiteiten of aangelegenheden in verband met onder toezicht staande financiële instellingen of betreffende personen die er zaken mee doen, vertrouwelijk moet worden behandeld.

(7)

In Brazilië bepaalt Wetsbesluit nr. 73/1966 inzake verzekeringen dat verzekeraars, om al hun verplichtingen te garanderen, technische voorzieningen, speciale fondsen en voorzieningen moeten instellen in overeenstemming met de criteria die zijn vastgesteld door de Nationale Raad voor Private Verzekeringen (hierna „NRPV” genoemd). Op grond van Resolutie NRPV 316 is het vereiste minimumkapitaal (VMK) het basiskapitaal of, als dat hoger is, het risicokapitaal. Het basiskapitaal is een vast bedrag dat gekoppeld is aan het type entiteit en de regio's waar zij mag opereren, alsmede het risicokapitaal, dat de som is van de kapitaalvereisten voor verzekeringstechnisch risico, kredietrisico, operationeel risico en marktrisico. Voor de meeste verzekeraars is het risicokapitaal groter dan het basiskapitaal en vormt het dus het vereiste minimumkapitaal. Resolutie NRPV 3162/2014 stelt voor de berekening van het VMK de regels vast voor het gebruik van een intern model in plaats van een standaardformule. Er zijn minimumvereisten inzake corporate governance van toepassing. Verzekeraars moeten beschikken over beheersingsmaatregelen voor hun activiteiten, informatiesystemen en naleving van de wettelijke vereisten. De Superintendência de Seguros Privados (hierna „SUSEP” genoemd) is verantwoordelijk voor het toezicht op de Braziliaanse verzekeringssector. SUSEP opereert onder het ministerie van Financiën als uitvoerend orgaan van de regelgeving die door NRPV is vastgesteld. De raad van bestuur ervan is, binnen zijn bevoegdheidsgebied, onafhankelijk bevoegd voor het vaststellen van het algemene beleid van SUSEP voor regelgeving en naleving van de resoluties van NRPV. Verzekeraars moeten maandelijks gegevens over kapitaal, activa, verplichtingen, opbrengsten en uitgaven, alsook per kwartaal informatie over activiteiten, de balans en een winst- en verliesrekening bij SUSEP indienen; verzekeraars moeten hun jaarrekening publiceren, die kwantitatieve en kwalitatieve informatie bevat. SUSEP kan overeenkomsten sluiten en informatie uitwisselen met buitenlandse toezichthouders; SUSEP is partij bij het IAIS MMoU. Informatie mag alleen voor toezichtdoeleinden binnen het toepassingsgebied van de toezichttaken van SUSEP worden gebruikt. Voorts mag van een andere autoriteit verkregen informatie alleen ten behoeve van dat verzoek worden gebruikt. Het personeel en voormalig personeel van SUSEP is wettelijk gebonden aan vertrouwelijke behandeling.

(8)

In Canada moeten verzekeraars op grond van de wet inzake verzekeringsmaatschappijen voldoende kapitaal aanhouden. In de door het Office of the Superintendent of Financial Institutions (hierna „OSFI” genoemd) gepubliceerde richtsnoeren zijn nadere normen opgenomen. De van toepassing zijnde kapitaalvereisten voor verzekeraars zijn het Minimum Continuing Capital and Surplus Requirement (hierna „MCCSR” genoemd) voor levensverzekeraars en de Minimum Capital Test (hierna „MCT” genoemd) voor schadeverzekeraars. Zowel MCCSR als MCT heeft betrekking op risico's in verband met activa en verplichtingen op en buiten de balans. Schadeverzekeraars moeten kapitaal aanhouden ten belope van meer dan 100 % van de MCT, terwijl levensverzekeraars kapitaal moeten aanhouden ten belope van meer dan 120 % van het MCCSR. Beneden die niveaus mogen verzekeraars niet opereren. Naast die vereisten is er een Supervisory Target Capital Level ten belope van 150 % van de MCT voor schadeverzekeraars en van het MCCSR voor levensverzekeraars. De kapitaalvereisten worden berekend aan de hand van een standaardformule; gebruik van interne modellen is slechts in een zeer beperkt aantal gevallen toegestaan. Verzekeraars moeten ook een interne streefkapitaalratio op basis van een beoordeling van het eigen risico en de solvabiliteit (hierna „BERR” genoemd) opstellen, met inbegrip van niet-voorgeschreven stresstests die rekening houden met de specifieke kenmerken van de verzekeraar. Het Office of the Superintendent of Financial Institutions (OSFI), de Canadese verzekeringstoezichthouder, is een onafhankelijk, zichzelf financierend, federaal agentschap. Elke gereglementeerde verzekeraar moet een gecontroleerde jaarrekening en aanvullende informatie, een accountantsverklaring, een rapport door een aangestelde actuaris, een rapport over een dynamische kapitaaltoereikendheidstest, met een samenvatting van de resultaten van de verschillende stresstests, en driemaandelijkse rapportages over de kapitaalpositie bij OFSI indienen. Verzekeraars moeten op verzoek ook een jaarlijkse BERR met een intern kapitaalstreefcijfer opstellen en ter beschikking stellen. OSFI kan overeenkomsten sluiten en informatie uitwisselen met buitenlandse toezichthouders; het is in juli 2012 tot het IAIS MMoU toegetreden. OSFI is gebonden aan wetgeving betreffende vertrouwelijke behandeling, op grond waarvan alle door OSFI-personeel verkregen informatie betreffende activiteiten of aangelegenheden in verband met onder toezicht staande financiële instellingen, of betreffende personen die er zaken mee doen, vertrouwelijk moet worden behandeld.

(9)

In Mexico is de handeling tot vaststelling van een herzien prudentieel verzekeringskader, Ley de Instituciones de Seguros y de Fianzas (LISF), op 4 april 2015 in werking getreden. Op grond van de LISF is het solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) van toepassing met betrekking tot verzekeringstechnische, financiële en tegenpartijrisico's. Ten minste eenmaal per jaar vindt een stresstest plaats (dynamische solvabiliteitstest). Onder het Mexicaanse stelsel mag voor de berekening van het SKV hetzij een standaardformule hetzij een intern model worden gebruikt. De Comisión Nacional de Seguros y Fianzas (hierna „CNSF” genoemd) is verantwoordelijk voor het toezicht op de levens- en schadeverzekeraars in Mexico; zij heeft een onafhankelijke bevoegdheid om een vergunning te verlenen aan of de vergunning in te trekken van verzekeringsondernemingen en voert ten minste eenmaal per jaar stresstests uit. Verzekeraars moeten ten minste op kwartaalbasis aan CNSF gegevens rapporteren over hun organisatie, activiteiten, financiële verslaggeving en verantwoording, investeringen en kapitaal; zij moeten ook hun doelstellingen, beleid en praktijken op het gebied van risicobehoud, -overdracht of limitering bekendmaken; en zij moeten kwalitatieve en kwantitatieve informatie publiceren over hun activiteiten, technische en financiële situatie en risico's. CNSF kan samenwerken en informatie uitwisselen met buitenlandse toezichthouders als er een overeenkomst tot uitwisseling van informatie bestaat; er is een aantal dergelijke overeenkomsten van kracht en CNSF heeft in 2010 een aanvraag ingediend om toe te treden tot het IAIS MMoU. Indien tussen CNSF en een buitenlandse toezichthouder een overeenkomst tot uitwisseling van informatie bestaat, moet CNSF aan de buitenlandse toezichthouder vooraf toestemming vragen alvorens de informatie openbaar te maken, die deze verstrekt heeft. Geen enkel personeelslid of gewezen personeelslid van CNSF mag vertrouwelijke informatie bekendmaken; de vereisten inzake het beroepsgeheim zijn vastgesteld in het nationale recht en elke schending van het beroepsgeheim leidt tot sancties.

(10)

In de Verenigde Staten is de regelgeving en het toezicht inzake verzekeringen en herverzekeringen voornamelijk de bevoegdheid van de deelstaten. De verzekeraars moeten voldoen aan de toepasselijke wetten voor elke deelstaat waar zij verzekeringen afsluiten, en het verzekeringstoezicht is in handen van de onafhankelijke deelstaattoezichthouders onder insurance commissioners. De kapitaaltoereikendheidsvereisten van de deelstaten zijn gebaseerd op de National Association of Insurance Commissioners (NAIC) Risk-Based Capital (RBC) Model Law, die door alle deelstaten is aangenomen. De RBC-standaardformule geldt voor de meeste materiële risico's voor elk van de voornaamste types verzekeringen (leven, goederen en ongevallen, en gezondheid) en staat voor specifieke producten en risicomodules het gebruik van interne modellen toe. Het RBC wordt berekend door toepassing van factoren op verschillende activa-, premie-, schadeclaim-, lasten- en reserveposten. Er zijn vier niveaus van kwantitatieve kapitaalvereisten met in elk geval een verschillend toezichtsoptreden: Company Action Level, Regulatory Action Level, Authorized Control Level en Mandatory Control Level. Het Amerikaanse stelsel kent een BERR voor verzekeraars die vergelijkbaar is met die onder Solvabiliteit II. Betreffende rapportage en transparantie bestaan gestandaardiseerde rapportagevereisten die voornamelijk gelden voor: activiteiten en prestaties, risicoprofiel, gebruikte waarderingsmethoden en -veronderstellingen, kapitaalvereisten en beheer. De jaarrekening, met inbegrip van het actuarieel oordeel en de accountantsverklaring, worden openbaar gemaakt. Insurance commissioners van de deelstaten kunnen vertrouwelijke informatie met buitenlandse toezichthouders delen, mits de ontvanger ermee instemt de informatie geheim te houden. Zij kunnen ook overeenkomsten sluiten voor de uitwisseling en het gebruik van vertrouwelijke informatie. Tussen toezichthouders van de Unie en verzekeringsdepartementen van deelstaten is een aantal memoranda van overeenstemming over de uitwisseling van informatie gesloten; een aantal verzekeringsdepartementen van deelstaten is ondertekenaar van het IAIS MMOU en meerdere departementen hebben onlangs een aanvraag ingediend. Op grond van de vereisten inzake vertrouwelijkheid, opgenomen in deelstaatwetgeving op basis van NAIC-modelwetten, is de door toezichthouders van de deelstaten verkregen informatie vertrouwelijk en dienen dezen van buitenlandse toezichthouders ontvangen informatie vertrouwelijk te behandelen. Op grond van wetgeving op deelstaatsniveau valt personeel van toezichthoudende autoriteiten van deelstaten onder de geheimhoudingsplicht.

(11)

Ingevolge deze beoordelingen moeten solvabiliteitsstelsels van derde landen waarop dit besluit van toepassing is, worden geacht te voldoen aan de criteria voor voorlopige gelijkwaardigheid neergelegd in artikel 227, lid 5, van Richtlijn 2009/138/EG, met uitsluiting van de regels inzake captives in Bermuda, die onder een ander regelgevingsstelsel vallen.

(12)

De eerste periode van de voorlopige gelijkwaardigverklaring op grond van dit besluit moet tien jaar bedragen. De Commissie kan evenwel te allen tijde buiten het kader van de algemene toetsing een specifieke toetsing betreffende een individueel derde land of grondgebied ondernemen als desbetreffende ontwikkelingen het noodzakelijk maken dat de Commissie de gelijkwaardigverklaring op grond van dit besluit herbeoordeelt. De Commissie moet derhalve, met technische bijstand van Eiopa, de ontwikkeling van de stelsels die van kracht zijn in de derde landen die onder dit besluit vallen, en de inachtneming van de voorwaarden op grond waarvan dit besluit is vastgesteld, blijven monitoren.

(13)

Richtlijn 2009/138/EG is van toepassing vanaf 1 januari 2016. Dit besluit moet derhalve eveneens vanaf die datum een stelsel voorlopig gelijkwaardig verklaren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De solvabiliteitsstelsels die van kracht zijn in Australië, Bermuda (met uitzondering van de regels inzake captives), Brazilië, Canada, Mexico en de Verenigde Staten en van toepassing zijn op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in die landen, worden geacht voorlopig gelijkwaardig te zijn aan het stelsel neergelegd in Richtlijn 2009/138/EG, hoofdstuk VI, titel I.

Artikel 2

Een voorlopige gelijkwaardigverklaring geldt vanaf 1 januari 2016 voor een periode van tien jaar.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 12 juni 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).

(3)  Eiopa, gelijkwaardigheidsanalyse voor Brazilië, 10 maart 2015.

Eiopa, gelijkwaardigheidsanalyse voor Bermuda, 9 maart 2015.

Eiopa, gelijkwaardigheidsanalyse voor Canada, 28 januari 2015.

Eiopa, gelijkwaardigheidsanalyse voor Australië, 16 juli 2013.

Eiopa, gelijkwaardigheidsanalyse voor Mexico, 16 juli 2013.

(4)  De verzekeringswet voorziet in verschillende categorieën verzekeraars die onder verschillende regelingen vallen. Captive verzekeringsmaatschappijen zijn één specifieke categorie van verzekeraars die niet door Eiopa wordt beoordeeld en niet onder deze handeling valt.


9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/27


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/2291 VAN DE COMMISSIE

van 7 december 2015

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU wat betreft het maximumbedrag van de financiële bijdrage van de Unie voor het programma voor de uitroeiing van rabiës in Letland voor het jaar 2014

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 8607)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name artikel 27, lid 5,

Gezien Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (2), en met name artikel 13, leden 3 en 5, en artikel 45, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij artikel 11, lid 3, van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU van de Commissie (3) is het door Letland ingediende meerjarenprogramma voor de uitroeiing van rabiës goedgekeurd voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016.

(2)

Overeenkomstig artikel 11, lid 6, onder c), vi), van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU was het maximumbedrag van de financiële bijdrage van de Unie voor het door Letland ingediende programma voor de uitroeiing van rabiës voor het jaar 2014 aanvankelijk vastgesteld op 1 225 000 EUR. Overeenkomstig artikel 11, lid 7, onder c), ii), van dat besluit was het maximumbedrag van de bijdrage voor het in de bufferzone van Belarus uit te voeren gedeelte van dat programma vastgesteld op 475 000 EUR.

(3)

Na een beoordeling door de Commissie van de tussentijdse technische en financiële verslagen die de lidstaten overeenkomstig artikel 27, lid 7, van Beschikking 2009/470/EG hebben ingediend en die betrekking hebben op de gemaakte kosten voor de financiering van de uitroeiingsprogramma's voor het jaar 2014, zijn de maximumbedragen voor die programma's gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit 2014/925/EU van de Commissie (4).

(4)

Bij artikel 5, lid 17, van Uitvoeringsbesluit 2014/925/EU is artikel 11, lid 6, onder c), vi), van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU gewijzigd en is het maximumbedrag van de financiële bijdrage van de Unie voor het door Letland ingediende programma voor de uitroeiing van rabiës voor het jaar 2014 vastgesteld op 400 000 EUR. Bij artikel 5, lid 18, van Uitvoeringsbesluit 2014/925/EU is artikel 11, lid 7, onder c), ii), van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU gewijzigd en is het maximumbedrag van de financiële bijdrage van de Unie voor het in de bufferzone van Belarus uit te voeren gedeelte van dat programma eveneens vastgesteld op 400 000 EUR.

(5)

Er is een fout geslopen in het nieuwe maximumbedrag van de financiële bijdrage van de Unie voor het door Letland ingediende programma voor de uitroeiing van rabiës voor het jaar 2014. Overeenkomstig artikel 11, lid 6, onder c), vi), en artikel 11, lid 7, onder c), ii), van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU, als gewijzigd, zou er bij een correcte uitvoering van het in de bufferzone van Belarus uit te voeren gedeelte van het programma en bij besteding van de 400 000 EUR namelijk geen verdere financiële bijdrage van de Unie beschikbaar zijn voor het in Letland uit te voeren gedeelte van het programma. Dit strookt niet met de algemene strategie om rabiës uit te roeien in de Europese Unie, aangezien deze gestoeld is op het doen verdwijnen van de ziekte in de lidstaten en op de instelling van bufferzones langs de buitengrenzen van de Unie om de terugkeer van de ziekte te vermijden.

(6)

Bijgevolg moet Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU dienovereenkomstig worden gewijzigd, met inachtneming van het door Letland ingediende tussentijdse technische en financiële verslag wat betreft de uitvoering van het programma voor de uitroeiing van rabiës voor het jaar 2014.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 11, lid 6, onder c), vi), van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU wordt vervangen door:

„vi)

800 000 EUR voor Letland”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 7 december 2015.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.

(2)  PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1.

(3)  Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU van de Commissie van 29 november 2013 tot goedkeuring van de door de lidstaten voor 2014 en de volgende jaren ingediende jaarlijkse en meerjarenprogramma's en van de financiële bijdrage van de Unie voor de uitroeiing, bestrijding en bewaking van bepaalde dierziekten en zoönosen (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 101).

(4)  Uitvoeringsbesluit 2014/925/EU van de Commissie van 16 december 2014 tot goedkeuring van bepaalde gewijzigde programma's voor de uitroeiing, bestrijding en bewaking van dierziekten en zoönosen voor het jaar 2014 en tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/722/EU wat betreft de financiële bijdrage van de Unie voor bepaalde programma's die bij dat besluit zijn goedgekeurd (PB L 363 van 18.12.2014, blz. 173).


9.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/29


BESLUIT Nr. 2/2015 VAN HET GEMENGD LANDBOUWCOMITÉ

van 19 november 2015

tot wijziging van de aanhangsels 1 en 2 van bijlage 9 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten [2015/2292]

HET GEMENGD LANDBOUWCOMITÉ,

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, en met name artikel 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (hierna „de overeenkomst” genoemd) is op 1 juni 2002 in werking getreden.

(2)

Bijlage 9 bij de overeenkomst heeft tot doel de bilaterale handel in biologische producten van oorsprong uit de Europese Unie en Zwitserland te vergemakkelijken en te bevorderen.

(3)

Krachtens artikel 8 van bijlage 9 bij de overeenkomst onderzoekt de werkgroep „biologische producten” alle problemen in verband met bijlage 9 en de uitvoering ervan en stelt zij aanbevelingen op die zij aan het Gemengd Landbouwcomité voorlegt. Die werkgroep is bijeengekomen om met name het toepassingsgebied van bijlage 9 te onderzoeken. Met het oog op de equivalentie van de toepasselijke bepalingen van Zwitserland en die van de Europese Unie moet het toepassingsgebied van bijlage 9 worden uitgebreid tot wijn en gist. Voorts moet de inhoud van aanhangsel 2 worden geschrapt, aangezien Zwitserland zijn wetgeving op het vlak van etikettering inzake de biologische productiemethode voor diervoeders heeft gewijzigd en bepalingen heeft aangenomen die in overeenstemming zijn met het Europees recht. De werkgroep heeft het comité aangeraden de aanhangsels van bijlage 9 in die zin aan te passen.

(4)

De aanhangsels 1 en 2 van bijlage 9 moeten daarom worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De aanhangsels 1 en 2 van bijlage 9 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten worden vervangen door de tekst in de bijlage.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 31 december 2015.

Gedaan te Bern, 19 november 2015.

Voor het Gemengd Landbouwcomité

Het hoofd van de delegatie van de Europese Unie

Susana MARAZUELA-AZPIROZ

De voorzitter en het hoofd van de delegatie van Zwitserland

Adrian AEBI

De secretaris van het comité

Thomas MAIER


BIJLAGE

AANHANGSEL 1

Lijst van de in artikel 3 bedoelde handelingen betreffende biologische landbouwproducten en biologische levensmiddelen

Wettelijke bepalingen die in de Europese Unie van toepassing zijn

 

Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013 (PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1),

 

Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PB L 250 van 18.9.2008, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1358/2014 van de Commissie van 18 december 2014 (PB L 365 van 19.12.2014, blz. 97),

 

Verordening (EG) nr. 1235/2008 van de Commissie van 8 december 2008 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad wat de regeling voor de invoer van biologische producten uit derde landen betreft (PB L 334 van 12.12.2008, blz. 25), laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/131 van de Commissie van 23 januari 2015 (PB L 23 van 29.1.2015, blz. 1).

Bepalingen die in de Zwitserse Bondsstaat van toepassing zijn

 

Verordening („Ordonnance”) van 22 september 1997 over de biologische landbouw en de aanduiding van de biologische producten en levensmiddelen („Ordonnance sur l'agriculture biologique”), laatstelijk gewijzigd op 29 oktober 2014 (RO 2014 3969),

 

Verordening („Ordonnance”) van het Département fédéral de l'économie, de la formation et de la recherche (Federale Ministerie van Economische Zaken, Opleiding en Onderzoek) van 22 september 1997 over de biologische landbouw, laatstelijk gewijzigd op 29 oktober 2014 (RO 2014 3979).

Uitsluiting van de equivalentieregeling

 

Zwitserse producten op basis van bestanddelen die in het kader van de regeling voor de omschakeling op de biologische landbouw zijn geproduceerd,

 

producten van de Zwitserse geitenhouderij indien de dieren vallen onder de afwijkende regeling die is vastgesteld bij artikel 39d van de Verordening („ordonnance”) over de biologische landbouw en de aanduiding van de biologische producten en levensmiddelen (1).

AANHANGSEL 2

Uitvoeringsbepalingen

Geen


(1)  (RS 910.18)