ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 283

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
29 oktober 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1939 van de Commissie van 9 oktober 2015 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Latvijas lielie pelēkie zirņi (BOB))

1

 

*

Verordening (EU) 2015/1940 van de Commissie van 28 oktober 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten aan moederkorensclerotiën in bepaalde onbewerkte granen en de bepalingen betreffende toezicht en rapportage ( 1 )

3

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1941 van de Commissie van 28 oktober 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

7

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2015/1942 van de Raad van 26 oktober 2015 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie over het verzoek van de Verenigde Staten om een WTO-ontheffing met het oog op de verruiming van het AGOA-programma

9

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1943 van de Commissie van 27 oktober 2015 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU wat de verlenging van de toepassingsperiode van de beschermende maatregelen ten aanzien van de kleine bijenkastkever in Italië betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 7330)  ( 1 )

11

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1944 van de Commissie van 28 oktober 2015 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de pelagische visserij in de westelijke wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan

13

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 303/14/COL van 15 juli 2014 waarbij Noorwegen wordt gemachtigd om af te wijken van bepaalde gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart op grond van artikel 14, lid 6, van het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66n van bijlage XIII bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, zoals gewijzigd) [2015/1945]

18

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 545/14/COL van 8 december 2014 tot machtiging van IJsland om af te wijken van bepaalde gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart op grond van artikel 14, lid 6, van het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66n van bijlage XIII bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, zoals gewijzigd), houdende intrekking van Besluit nr. 362/14/COL van het College van 14 september 2014 [2015/1946]

22

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1939 VAN DE COMMISSIE

van 9 oktober 2015

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Latvijas lielie pelēkie zirņi (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Letland tot registratie van de benaming „Latvijas lielie pelēkie zirņi” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Latvijas lielie pelēkie zirņi” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De benaming „Latvijas lielie pelēkie zirņi” (BOB) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.6. (Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 189 van 6.6.2015, blz. 11.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/3


VERORDENING (EU) 2015/1940 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2015

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten aan moederkorensclerotiën in bepaalde onbewerkte granen en de bepalingen betreffende toezicht en rapportage

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (2) zijn de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen vastgesteld.

(2)

Het Wetenschappelijk Panel voor contaminanten in de voedselketen (hierna „Contam-panel” genoemd) van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „EFSA” genoemd) heeft een advies over moederkorenalkaloïden in levensmiddelen en diervoeders (3) uitgebracht. Het Contam-panel heeft een acute referentiedosis van 1 μg/kg lichaamsgewicht en een toelaatbare dagelijkse inname van 0,6 μg/kg lichaamsgewicht voor de groep vastgesteld.

(3)

De aanwezigheid van moederkorenalkaloïden in granen houdt in zekere mate verband met de aanwezigheid van moederkorensclerotiën in granen. Deze verhouding is niet absoluut, aangezien moederkorenalkaloïden ook aanwezig kunnen zijn in het stof van moederkorensclerotiën dat door de granen geadsorbeerd wordt. Daarom is het belangrijk om maximumgehalten vast te stellen voor moederkorensclerotiën als eerste stap bij het verzamelen van verdere gegevens over de aanwezigheid van moederkorenalkaloïden in granen en graanproducten. Het is evenwel erkend dat ook als dit maximumgehalte voor moederkorensclerotiën in acht wordt genomen dit nog niet garandeert dat de levensmiddelen veilig zijn wat de aanwezigheid van moederkorenalkaloïden betreft. Daarom kunnen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 14, lid 8, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (4) de nodige maatregelen nemen om beperkingen op te leggen aan het in de handel brengen van levensmiddelen of te eisen dat deze uit de handel worden genomen indien wordt vastgesteld dat deze een onveilige hoeveelheid moederkorenalkaloïden bevatten, al voldoen ze aan de bepalingen.

(4)

Het is noodzakelijk te specificeren in welk handelsstadium de maximumgehalten voor moederkorensclerotiën moeten worden toegepast, omdat reinigen en sorteren de aanwezigheid van moederkorensclerotiën kan reduceren. De maximumgehalten voor moederkorensclerotiën zouden in dezelfde handelsstadia moeten worden toegepast als voor andere mycotoxinen.

(5)

Uit de ervaring met de toepassing van Verordening (EG) nr. 1881/2006 blijkt het passend om het begrip „eerste bewerking” duidelijk te omschrijven, in het bijzonder in de context van geïntegreerde productie- en bewerkingssystemen en met betrekking tot het schuren.

(6)

Het is belangrijk gegevens te verzamelen over de aanwezigheid van moederkorenalkaloïden in granen en graanproducten om het verband tussen de aanwezigheid van moederkorenalkaloïden en moederkorensclerotiën vast te stellen. De bevindingen inzake moederkorenalkaloïden moeten uiterlijk op 30 september 2016 worden gerapporteerd, zodat er geschikte en haalbare maximumgehalten aan moederkorenalkaloïden kunnen worden vastgesteld die een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid bieden.

(7)

Hoewel het van belang is preventieve maatregelen te blijven toepassen om verontreiniging door ochratoxine A te vermijden en te verminderen, is het niet nodig jaarlijks verslag uit te brengen over de bevindingen en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de voortgang van de toepassing van de preventieve maatregelen. Het is wel gepast de bepalingen betreffende toezicht en rapportage, zoals bedoeld in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1881/2006, bij te werken.

(8)

Verordening (EG) nr. 1881/2006 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

Toezicht en rapportage

1.   De lidstaten monitoren de nitraatgehalten in groenten die hoge gehalten kunnen bevatten, met name groene bladgroenten, en delen de resultaten daarvan regelmatig aan de EFSA mee.

2.   De lidstaten geven de Commissie een samenvatting van de bevindingen over aflatoxinen die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 884/2014 van de Commissie (5) zijn verkregen en stellen de EFSA in kennis van de afzonderlijke gegevens over het vóórkomen van de verontreinigingen.

3.   De lidstaten en de belanghebbende beroepsorganisaties stellen de Commissie elk jaar in kennis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de voortgang van de toepassing van preventieve maatregelen ter voorkoming van verontreiniging door deoxynivalenol, zearalenon, fumonisine B1 en B2, T-2- en HT-2-toxine. De Commissie stelt de resultaten beschikbaar aan de lidstaten. De daarmee verband houdende gegevens over het vóórkomen van de verontreinigingen worden aan de EFSA gerapporteerd.

4.   De lidstaten en de organisaties van belanghebbende beroepsorganisaties wordt ten zeerste aanbevolen om toezicht te houden op de aanwezigheid van moederkorenalkaloïden in granen en graanproducten.

De lidstaten en de belanghebbende beroepsorganisaties wordt ten zeerste aanbevolen uiterlijk op 30 september 2016 aan de EFSA verslag uit te brengen over hun bevindingen inzake moederkorenalkaloïden. Deze bevindingen bevatten ook gegevens over het vóórkomen van moederkorenalkaloïden en specifieke informatie over het verband tussen de aanwezigheid van moederkorensclerotiën en het niveau van specifieke moederkorenalkaloïden.

De Commissie stelt die bevindingen ter beschikking van de lidstaten.

5.   Door de lidstaten en de belanghebbende beroepsorganisaties verzamelde gegevens over het vóórkomen van andere verontreinigingen dan die bedoeld in de leden 1 tot en met 4 kunnen aan de EFSA worden gerapporteerd.

6.   De gegevens over het vóórkomen van de verontreinigingen worden aan de EFSA gerapporteerd in het door de EFSA gevraagde formaat voor de indiening van gegevens en in overeenstemming met de richtsnoeren van de EFSA betreffende de standaardmonsterbeschrijving (Standard Sample Description — SSD) (6) voor levensmiddelen en diervoeders en de aanvullende specifieke rapportagevereisten van de EFSA. De belanghebbende beroepsorganisaties kunnen voor de indiening van gegevens over het vóórkomen van verontreinigingen desgewenst gebruikmaken van een vereenvoudigd door EFSA opgesteld formaat.

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 884/2014 van de Commissie van 13 augustus 2014 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van bepaalde levensmiddelen uit bepaalde derde landen in verband met het risico van verontreiniging met aflatoxinen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1152/2009 (PB L 242 van 14.8.2014, blz. 4)."

(6)  http://www.efsa.europa.eu/en/datex/datexsubmitdata.htm”."

2)

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(3)  EFSA-panel voor contaminanten in de voedselketen (CONTAM); Scientific Opinion on Ergot alkaloids in food and feed. EFSA Journal 2012; 10(7):2798. (158 blz.) doi: 10.2903/j.efsa.2012.2798. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu/efsajournal

(4)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In afdeling 2 wordt het volgende punt 2.9 toegevoegd:

„2.9

Moederkorensclerotiën en moederkorenalkaloïden

 

2.9.1.

Moederkorensclerotiën

 

2.9.1.1

Onbewerkte granen (18), met uitzondering van mais en rijst

0,5 g/kg (1)

2.9.2.

Moederkorenalkaloïden (2)

 

2.9.2.1

Onbewerkte granen (18), met uitzondering van mais en rijst

 (3)

2.9.2.2

Maalderijproducten van granen met uitzondering van maalderijproducten van mais en rijst

 (3)

2.9.2.3

Brood (met inbegrip van kleine bakkerijproducten), gebak, koekjes, granensnacks, ontbijtgranen en pasta

 (3)

2.9.2.4

Levenssmiddelen op basis van granen voor zuigelingen en peuters

 (3)

2)

Voetnoot 18 wordt als volgt vervangen:

„(18)

Het maximumgehalte is van toepassing op onbewerkte granen die voor eerste bewerking in de handel worden gebracht.

Onder „eerste bewerking” wordt verstaan eender welke fysieke of thermische behandeling van de graankorrels, met uitzondering van drogen. Reinigen (met inbegrip van schuren), sorteren en drogen wordt niet als een „eerste bewerking” beschouwd aangezien de korrels na het reinigen en sorteren heel blijven.

Schuren is het reinigen van granen door intensief borstelen en/of schrobben.

In geval van aanwezigheid van moederkorensclerotiën moet het graan een eerste reiniging ondergaan voordat het wordt geschuurd. Na het schuren, waarbij tegelijkertijd een stofzuiger wordt gebruikt, passeert het graan langs de kleursorteerder voordat het wordt gemalen.

Geïntegreerde productie- en bewerkingssystemen zijn systemen waarbij alle inkomende partijen graan worden gereinigd, gesorteerd en verwerkt in hetzelfde bedrijf. In dergelijke geïntegreerde productie- en bewerkingssystemen is het maximumgehalte van toepassing op de onbewerkte granen na het reinigen en sorteren maar vóór de eerste bewerking.

De exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen voor naleving via de HACCP-procedure waarbij een effectieve monitoringprocedure op dit kritieke controlepunt wordt opgesteld en toegepast.”.


(1)  De bemonstering zal overeenkomstig punt B van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 401/2006 van de Commissie (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 12) worden uitgevoerd.

De analyse zal aan de hand van microscopisch onderzoek worden verricht.

(2)  In totaal 12 moederkorenalkaloïden: ergocristine/ergocristinine; ergotamine/ergotaminine; ergocryptine/ergocryptinine; ergometrine/ergometrinine; ergosine/ergosinine; ergocornine/ergocorninine.

(3)  Vóór 1 juli 2017 zal worden beoordeeld welke maximumgehalten voor deze levensmiddelencategorieën geschikt en haalbaar zijn om een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te bieden.”.


29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1941 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

44,1

MA

94,4

MK

57,3

TR

107,9

ZZ

75,9

0707 00 05

AL

50,7

TR

112,1

ZZ

81,4

0709 93 10

MA

124,7

TR

146,0

ZZ

135,4

0805 50 10

AR

130,2

TR

108,6

UY

83,2

ZA

133,8

ZZ

114,0

0806 10 10

BR

281,6

EG

210,3

LB

234,5

MK

68,5

PE

75,0

TR

176,1

ZZ

174,3

0808 10 80

AL

23,1

AR

137,9

CL

106,3

NZ

139,1

ZA

147,2

ZZ

110,7

0808 30 90

TR

135,5

ZZ

135,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/9


BESLUIT (EU) 2015/1942 VAN DE RAAD

van 26 oktober 2015

tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie over het verzoek van de Verenigde Staten om een WTO-ontheffing met het oog op de verruiming van het AGOA-programma

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, juncto artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel IX, leden 3 en 4, van de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie („de WTO-overeenkomst”) worden de procedures vastgesteld voor het verlenen van ontheffingen betreffende de multilaterale handelsovereenkomsten in de bijlagen 1A, 1B of 1C bij de WTO-overeenkomst en de bijlagen daarbij.

(2)

Op 27 mei 2009 werd aan de Verenigde Staten een ontheffing van de verplichtingen uit hoofde van artikel I, lid 1, en artikel XIII, leden 1 en 2, van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 („de GATT 1994”) verleend voor de periode tot en met 30 september 2015.

(3)

De Verenigde Staten hebben overeenkomstig artikel IX, lid 3, van de WTO-overeenkomst een verzoek ingediend om tot en met 30 september 2025 te worden ontheven van hun verplichtingen uit hoofde van artikel I, lid 1, en artikel XIII, leden 1 en 2, van de GATT 1994 voor zover zulks nodig is om in rechtenvrije behandeling te kunnen blijven voorzien voor in aanmerking komende producten van oorsprong uit begunstigde Sub-Saharalanden in Afrika, aangewezen overeenkomstig de African Growth and Opportunity Act (AGOA).

(4)

Het inwilligen van het verzoek van de Verenigde Staten om een WTO-ontheffing zou geen negatieve invloed hebben op de economie van de Europese Unie, noch op de handelsbetrekkingen met de begunstigden van de ontheffing. De Europese Unie steunt bovendien in het algemeen acties ter bestrijding van armoede en ter bevordering van stabiliteit en duurzame economische ontwikkeling in de begunstigde landen.

(5)

Daarom moet het standpunt worden vastgesteld dat namens de Unie moet worden ingenomen in de Algemene Raad van de WTO ter ondersteuning van het ontheffingsverzoek van de Verenigde Staten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Europese Unie in de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie moet worden ingenomen, is dat zij het door de Verenigde Staten ingediende verzoek om een ontheffing van hun verplichtingen uit hoofde van artikel I, lid 1, en artikel XIII, leden 1 en 2, van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 tot en met 30 september 2025, in overeenstemming met de voorwaarden in dat verzoek, steunt.

Dit standpunt wordt door de Commissie tot uitdrukking gebracht.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de vaststelling ervan.

Gedaan te Luxemburg, 26 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

C. DIESCHBOURG


29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/11


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1943 VAN DE COMMISSIE

van 27 oktober 2015

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU wat de verlenging van de toepassingsperiode van de beschermende maatregelen ten aanzien van de kleine bijenkastkever in Italië betreft

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 7330)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU van de Commissie (3) zijn beschermende maatregelen ingesteld na een kennisgeving door Italië dat de kleine bijenkastkever (Aethina tumida) in de regio's Calabrië en Sicilië is aangetroffen. Dit uitvoeringsbesluit is van toepassing tot en met 30 november 2015.

(2)

Op 16 september 2015 heeft Italië de Commissie in kennis gesteld dat bij de inspecties en epidemiologische onderzoeken die overeenkomstig Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU zijn uitgevoerd, en bij het actieve toezicht op de aanwezigheid van de kleine bijenkastkever in de betrokken Italiaanse regio's, nieuwe plagen in Calabrië zijn vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig de door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) vastgestelde internationale normen is het aanbevolen om jaarlijkse inspecties uit te voeren voordat een gebied vrij van plagen wordt verklaard. Het is moeilijk om de precieze epidemiologische ontwikkelingen van kleine bijenkastkeverplagen te bepalen, aangezien de symptomen onopgemerkt kunnen blijven en dergelijke plagen ook wilde bijenkolonies kunnen treffen. De in 2014 gerapporteerde plagen werden in het najaar, tussen september en december, vastgesteld. De lopende jaarlijkse inspectie en de inspectie van het komende jaar moeten daarom betrekking hebben op de hele najaarsperiode van respectievelijk 2015 en 2016.

(4)

Aangezien de epidemiologische situatie in deze regio's van Italië nog niet is vastgesteld en er nog geen nadere informatie beschikbaar is over de lopende of komende inspecties, moet de toepassingsperiode van de maatregelen in het kader van Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU zelfs na het verwachte einde van het volgende seizoen van de bijenteelt (eind november 2016) met een aantal maanden worden verlengd.

(5)

De toepassingsperiode en de geldende maatregelen moeten te allen tijde worden herzien in het licht van nieuwe informatie over de epidemiologische situatie in de getroffen Italiaanse regio's.

(6)

Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 4 van Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU wordt vervangen door:

„Artikel 4

Deze beschikking is van toepassing tot en met 31 maart 2017.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2015.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)  Uitvoeringsbesluit 2014/909/EU van de Commissie van 12 december 2014 betreffende beschermende maatregelen ten aanzien van bevestigde gevallen van de kleine bijenkastkever in Italië (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 161).


29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/13


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1944 VAN DE COMMISSIE

van 28 oktober 2015

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de pelagische visserij in de westelijke wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 95,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU van de Commissie (2) is een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de pelagische visserij in de westelijke wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een aanlandingsverplichting voor pelagische visserijen vastgesteld teneinde de huidige hoge niveaus op het gebied van ongewenste vangsten te verlagen en de teruggooi geleidelijk tot nul terug te brengen. Nadere bepalingen voor de uitvoering van de aanlandingsverplichting zijn vastgelegd in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1393/2014 van de Commissie (4) tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde pelagische visserijen in de noordwestelijke wateren en in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 van de Commissie (5) tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde pelagische visserijen in de zuidwestelijke wateren. De naleving van de aanlandingsverplichting moet worden gecontroleerd en geïnspecteerd. De kleine pelagische soorten als bedoeld in artikel 15, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten bijgevolg worden opgenomen in het specifieke controle- en inspectieprogramma, zodat de betrokken lidstaten op efficiënte en doeltreffende wijze gezamenlijke inspectie- en bewakingsactiviteiten kunnen uitvoeren.

(3)

Makreel en haring zijn trekkende soorten met een ruime verspreiding. Ter harmonisatie van de controle- en inspectieprocedures voor de visserij op makreel en haring in de wateren die grenzen aan de westelijke wateren, is het aangewezen om ICES-sector IVa, als omschreven in Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad (6), in het specifieke controle- en inspectieprogramma op te nemen.

(4)

Om bij de invoering van de aanlandingsverplichting een gelijk speelveld te garanderen, is het wenselijk dat het specifieke controle- en inspectieprogramma tot en met 31 december 2018 gehandhaafd blijft.

(5)

Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad (7), en met name titel III bis daarvan, voorziet in maatregelen om teruggooi te verminderen. Het specifieke controle- en inspectieprogramma moet gericht zijn op de naleving van het verbod op highgrading, de gebiedsbepalingen en het verbod op uitgeleiding.

(6)

Op grond van de Uitvoeringsbesluiten 2013/305/EU (8) en 2013/328/EU (9) van de Commissie tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor respectievelijk de Oostzee en de Noordzee brengen de lidstaten jaarlijks verslag uit bij de Commissie. Ook in het kader van het specifieke controle- en inspectieprogramma voor pelagische visserijen in de westelijke wateren moet met die frequentie verslag worden uitgebracht.

(7)

Tijdens het overleg tussen Noorwegen, de Unie en de Faeröer over het beheer van makreel voor 2015 zijn de ijkpunten voor de inspectie van aanlandingen van haring, makreel en horsmakreel wegens de toepassing van risicobeoordelingen aanzienlijk verlaagd en is het toepassingsgebied van die ijkpunten verruimd tot aanlandingen van blauwe wijting. De streefijkpunten in bijlage II bij Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

„Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU van de Commissie van 19 december 2012 tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de pelagische visserij in de westelijke wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de noordelijke Noordzee”.

2)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Onderwerp

Bij dit besluit wordt een specifiek controle- en inspectieprogramma vastgesteld voor de bestanden van makreel, haring, horsmakreel, blauwe wijting, evervis, ansjovis, zilvervis, sardine en sprot in de EU-wateren van de ICES-deelgebieden V, VI, VII, VIII en IX en in de EU-wateren van Cecaf 34.1.11 (hierna de „westelijke wateren” genoemd), alsmede voor makreel en haring in de EU-wateren van ICES-sector IVa (hierna „de noordelijke Noordzee” genoemd).”.

3)

In artikel 2 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Het specifieke controle- en inspectieprogramma is van toepassing tot en met 31 december 2018.”.

4)

In artikel 3, lid 2, wordt punt b) vervangen door:

„b)

de rapporteringsverplichtingen die voor visserijactiviteiten in de westelijke wateren en de noordelijke Noordzee gelden, met name de betrouwbaarheid van de geregistreerde en gerapporteerde gegevens;”.

5)

In artikel 3, lid 2, wordt punt c) vervangen door:

„c)

de verplichting tot het aanlanden van alle vangsten van soorten die vallen onder de aanlandingsverplichting op grond van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10), alsook de in titel III bis van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad (11) vervatte maatregelen om teruggooi te verminderen;

(10)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22)."

(11)  Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1);”."

6)

Aan artikel 12 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   Met ingang van 2016 wordt de in lid 1 bedoelde informatie jaarlijks uiterlijk op 31 januari na elk kalenderjaar door de lidstaten meegedeeld.”.

7)

Bijlage II wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 28 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU van de Commissie van 19 december 2012 tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de pelagische visserij in de westelijke wateren van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (PB L 350 van 20.12.2012, blz. 99).

(3)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1393/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde pelagische visserijen in de noordwestelijke wateren (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 25).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1394/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde pelagische visserijen in de zuidwestelijke wateren (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 31).

(6)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).

(7)  Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1).

(8)  Uitvoeringsbesluit 2013/305/EU van de Commissie van 21 juni 2013 tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de visserijtakken die kabeljauw-, haring-, zalm- en sprotbestanden exploiteren in de Oostzee (PB L 170 van 22.6.2013, blz. 66).

(9)  Uitvoeringsbesluit 2013/328/EU van de Commissie van 25 juni 2013 tot vaststelling van een specifiek controle- en inspectieprogramma voor de visserijtakken die kabeljauw-, schol- en tongbestanden exploiteren in het Kattegat, de Noordzee, het Skagerrak, het oostelijke deel van het Kanaal, de wateren ten westen van Schotland en de Ierse Zee (PB L 175 van 27.6.2013, blz. 61).


BIJLAGE

Bijlage II bij Uitvoeringsbesluit 2012/807/EU wordt vervangen door:

„BIJLAGE II

STREEFIJKPUNTEN

1.   Omvang van de inspecties op zee (waaronder, indien van toepassing, bewaking vanuit de lucht)

Op jaarbasis gelden de volgende streefijkpunten (1) voor de inspecties op zee van vissersvaartuigen die in het gebied op haring, makreel, horsmakreel, ansjovis of blauwe wijting vissen, voor zover die inspecties op zee relevant zijn voor de betrokken stap in de visserijketen en deel uitmaken van de strategie voor risicobeheer.

IJkpunten per jaar (2)

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, geraamd risiconiveau voor de vissersvaartuigen

hoog

zeer hoog

Visserijtak nr. 1

Haring, makreel en horsmakreel

Inspectie op zee van ten minste 5 % van de visreizen die worden gemaakt door vissersvaartuigen met een hoog risiconiveau die op de betrokken vissoorten vissen

Inspectie op zee van ten minste 7,5 % van de visreizen die worden gemaakt door vissersvaartuigen met een zeer hoog risiconiveau die op de betrokken vissoorten vissen

Visserijtak nr. 2

Ansjovis

Inspectie op zee van ten minste 2,5 % van de visreizen die worden gemaakt door vissersvaartuigen met een hoog risiconiveau die op de betrokken vissoort vissen

Inspectie op zee van ten minste 5 % van de visreizen die worden gemaakt door vissersvaartuigen met een zeer hoog risiconiveau die op de betrokken vissoort vissen

Visserijtak nr. 3

Blauwe wijting

Inspectie op zee van ten minste 5 % van de visreizen die worden gemaakt door vissersvaartuigen met een hoog risiconiveau die op de betrokken vissoort vissen

Inspectie op zee van ten minste 7,5 % van de visreizen die worden gemaakt door vissersvaartuigen met een zeer hoog risiconiveau die op de betrokken vissoort vissen

2.   Omvang van de inspecties aan land (waaronder controles op basis van documenten en inspecties in havens of bij de eerste verkoop)

Op jaarbasis gelden de volgende streefijkpunten (3) voor de inspecties aan land (waaronder controles op basis van documenten en inspecties in havens of bij eerste verkoop) van vissersvaartuigen en andere exploitanten die in het gebied actief zijn in de visserij op haring, makreel, horsmakreel, ansjovis en blauwe wijting, voor zover die inspecties aan land relevant zijn voor de betrokken stap in de visserij- of de afzetketen en deel uitmaken van de strategie voor risicobeheer.

IJkpunten per jaar (4)

Risiconiveau voor de vissersvaartuigen en/of andere exploitanten (eerste koper)

hoog

zeer hoog

Visserijtak nr. 1

Haring, makreel en horsmakreel

Inspectie in de haven van ten minste 7,5 % van de totale hoeveelheden die worden aangeland door vissersvaartuigen met een hoog risiconiveau

Inspectie in de haven van ten minste 7,5 % van de totale hoeveelheden die worden aangeland door vissersvaartuigen met een zeer hoog risiconiveau

Visserijtak nr. 2

Ansjovis

Inspectie in de haven van ten minste 2,5 % van de totale hoeveelheden die worden aangeland door vissersvaartuigen met een hoog risiconiveau

Inspectie in de haven van ten minste 5 % van de totale hoeveelheden die worden aangeland door vissersvaartuigen met een zeer hoog risiconiveau

Visserijtak nr. 3

Blauwe wijting

Inspectie in de haven van ten minste 7,5 % van de totale hoeveelheden die worden aangeland door vissersvaartuigen met een hoog risiconiveau

Inspectie in de haven van ten minste 7,5 % van de totale hoeveelheden die worden aangeland door vissersvaartuigen met een zeer hoog risiconiveau

De inspecties na aanlanding of overlading worden met name gebruikt als aanvullend kruiscontrolemechanisme om de betrouwbaarheid van de geregistreerde en gerapporteerde informatie over vangsten en aanlandingen te controleren.”.


(1)  Voor vaartuigen die per visreis minder dan 24 uur op zee doorbrengen, kunnen, in overeenstemming met de strategie voor risicobeheer, de streefijkpunten met de helft worden verminderd.

(2)  Uitgedrukt in % van de visreizen in het gebied (als wordt gevist met vistuig met maaswijdten waarvoor de vissoort een doelsoort is) die per jaar worden gemaakt door vissersvaartuigen met een hoog of zeer hoog risico.

(3)  Voor vaartuigen die per aanlanding minder dan 10 ton aanlanden, kunnen, in overeenstemming met de strategie voor risicobeheer, de streefijkpunten met de helft worden verminderd.

(4)  Uitgedrukt in % van de hoeveelheden die per jaar worden aangeland door vissersvaartuigen met een hoog of zeer hoog risico.


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/18


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 303/14/COL

van 15 juli 2014

waarbij Noorwegen wordt gemachtigd om af te wijken van bepaalde gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart op grond van artikel 14, lid 6, van het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66n van bijlage XIII bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, zoals gewijzigd) [2015/1945]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA,

Gezien artikel 14, leden 6 en 7, van het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66n van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst, zoals aangepast bij besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 163/2011 van 19 december 2011, Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, zoals gewijzigd, en gezien punt FCL.740.A van bijlage I bij het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66ne van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst, zoals aangepast bij besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 146/2013 van 15 juli 2013, Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd, beide aangepast aan de EER-overeenkomst bij Protocol 1 daarbij,

Gezien het advies van het EVA-Vervoerscomité van 28 maart 2014.

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Noorwegen heeft gevraagd te mogen afwijken van de gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart in de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(2)

Overeenkomstig artikel 14, lid 7, van die verordening, zoals aangepast, heeft de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA onderzocht of de gevraagde afwijking noodzakelijk is en welk beschermingsniveau zij biedt, op basis van een aanbeveling van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart. Dat agentschap komt tot de conclusie dat door de wijziging hetzelfde beschermingsniveau zal worden bereikt als door de toepassing van de gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De beoordeling van de afwijking en de voorwaarden om deze toe te passen, worden beschreven in de bijlage bij dit besluit tot machtiging van de afwijking.

(3)

Overeenkomstig artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast, wordt een afwijking die is toegestaan aan één lidstaat, ter kennis gesteld van alle lidstaten, die ook het recht hebben om die afwijking toe te passen.

(4)

Overeenkomstig artikel 1 van Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 163/2011 van 19 december 2011 en punt 3, onder a) en e), van de bijlage daarbij, staat de term „lidsta(a)t(en)” niet alleen voor de in de verordening bedoelde lidstaten, maar ook voor de EVA-staten, en deelt de Europese Commissie de informatie die zij over een dergelijk besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA ontvangt, aan de EU-lidstaten mede.

(5)

Daarom moet dit besluit ter kennis worden gebracht van alle EVA-lidstaten en van de Europese Commissie, zodat zij de EU-lidstaten daarover kan inlichten.

(6)

De beschrijving van de afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden moeten van dien aard zijn dat andere lidstaten in de zin van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast, de maatregel kunnen toepassen wanneer zij zich in dezelfde situatie bevinden, zonder dat verdere goedkeuring van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of de Commissie vereist is, naargelang van het geval. Dit neemt niet weg dat lidstaten in de zin van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast, kennis moeten geven van de toepassing van afwijkingen, aangezien deze gevolgen kunnen hebben buiten die staat.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het EVA-Vervoerscomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Noorwegen kan afwijken van de voorschriften van punt FCL.740.A van de bijlage I (deel-FCL) van Verordening (EU) nr. 1178/2011 (zoals gewijzigd), zoals beschreven in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Alle lidstaten in de zin van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast, kunnen dezelfde maatregelen als bedoeld in artikel 1 toepassen, zoals beschreven in de bijlage bij dit besluit, en op voorwaarde dat daarvan kennis wordt gegeven overeenkomstig artikel 14, lid 6, van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Noorwegen. Het is authentiek in de Engelse taal.

Artikel 4

Dit besluit wordt ter kennis gebracht van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en de Europese Commissie.

Gedaan te Brussel, 15 juli 2014.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Helga JÓNSDÓTTIR

Lid van het College

Xavier LEWIS

Directeur


BIJLAGE

AFWIJKING DOOR HET KONINKRIJK NOORWEGEN VAN VERORDENING (EU) Nr. 1178/2011 VAN DE COMMISSIE  (1) MET BETREKKING TOT BEPAALDE VLIEGUREN VOOR BEPAALDE KLASSEBEVOEGDVERKLARINGEN

1.   BESCHRIJVING VAN HET VERZOEK

Punt FCL.740.A, onder b), van bijlage I (deel-FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 luidt als volgt:

„b)

Verlenging van klassebevoegdverklaringen voor éénpiloot-gecertificeerde éénmotorige vleugelvliegtuigen.

1)

Klassebevoegdverklaring voor vleugelvliegtuigen met enkele zuigermotor en bevoegdverklaringen voor TMG's. Voor de verlenging van een klassebevoegdverklaring voor een éénpiloot-gecertificeerd vleugelvliegtuig met enkele zuigermotor of TMG moet de kandidaat:

i)

binnen de drie maanden voorafgaand aan de vervaldatum van de bevoegdverklaring slagen voor een bekwaamheidsproef in de desbetreffende klasse in overeenstemming met aanhangsel 9 van dit deel met een examinator, of

ii)

binnen de twaalf maanden voorafgaand aan de vervaldatum van de bevoegdverklaring twaalf uur vliegtijd hebben voltooid in de desbetreffende klasse, waaronder:

zes uur als PIC;

twaalf starts en twaalf landingen, en

een opleidingsvlucht van ten minste één uur met een vlieginstructeur (FI) of een instructeur voor klassebevoegdverklaring (CRI). Kandidaten hebben recht op vrijstelling van deze vlucht indien ze zijn geslaagd voor een bekwaamheidsproef of vaardigheidstest voor een klasse- of typebevoegdverklaring in een andere klasse of een ander type van vleugelvliegtuigen.

2)

Wanneer de kandidaat houder is van zowel een klassebevoegdverklaring voor éénmotorige vleugelvliegtuigen met zuigermotor (land) als een TMG-bevoegdverklaring, mag hij aan de eisen genoemd in punt 1 voldoen in een van beide klassen en daarmee verlenging van beide bevoegdverklaringen verkrijgen.

3)

Eénpiloot-gecertificeerde propeller aangedreven vleugelvliegtuigen met een turbinemotor. Ten behoeve van de verlenging van klassebevoegdverklaringen voor propeller aangedreven vleugelvliegtuigen met een turbinemotor moet de kandidaat binnen drie maanden voorafgaand aan de vervaldatum van de bevoegdverklaring een bekwaamheidsproef afleggen op een vleugelvliegtuig van de betreffende klasse in overeenstemming met aanhangsel 9 van dit deel.”.

Bij brief van 6 december 2013 heeft de regering van het Koninkrijk Noorwegen (hierna „Noorwegen” genoemd) de toezichthoudende autoriteit van de EVA (hierna „de autoriteit” genoemd) en het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna „het agentschap” genoemd) in kennis gesteld van haar voornemen om af te wijken van deze bepaling van Verordening (EU) nr. 1178/2011 op grond van artikel 14, lid 6, van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals gewijzigd (2).

2.   BEOORDELING VAN HET VERZOEK

2.1.   Noodzaak

De autoriteit acht het zinvol om kruiselingse vrijstelling van vliegtijd toe te staan voor bepaalde gespecificeerde vliegtijd in vleugelvliegtuigen die onder klassebevoegdverklaringen voor éénmotorige zuigervliegtuigen („SEP”) vallen (land- en watervliegtuigen) met het oog op verlenging van beide bevoegdverklaringen „op grond van ervaring”. Verordening (EU) nr. 1178/2011 regelt deze situatie niet en verschaft evenmin duidelijkheid voor piloten van amfibievliegtuigen, waardoor een onnodige last voor de houders van de bewijzen wordt gecreëerd.

2.2.   Gelijkwaardigheid van het beschermingsniveau

Noorwegen heeft de volgende redenen opgegeven om aan te tonen dat het noodzakelijk is van de betrokken regel af te wijken: om te mogen vliegen met een vleugelvliegtuig dat wordt aangedreven door een motor met één zuiger moeten piloten over een geldige klassebevoegdverklaring voor SEP beschikken die deel uitmaakt van hun bevoegdheidsbewijs conform deel-FCL. Deel-FCL bevat bepalingen voor twee klassebevoegdverklaringen voor SEP: de bevoegdverklaring voor landvliegtuigen (met wielen of ski's als onderstel) en de bevoegdverklaring voor watervliegtuigen (met scheepsromp of drijvers). Het deel-FCL bevat geen specifieke bepaling voor amfibievliegtuigen (die tijdens de vlucht hun configuratie kunnen wijzigen om vanop land of vanop water te opereren). Voorts moet een piloot die de rechten van een klassebevoegdverklaring voor SEP wenst te verlengen, voldoen aan punt FCL.740.A, onder b), van bijlage I (deel-FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

Noorwegen heeft ook aangevoerd dat het reeds wordt aanvaard dat een amfibievliegtuig kan worden gebruikt om beide bevoegdverklaringen te verlengen door het te gebruiken als landvliegtuig en als watervliegtuig om aan de voorschriften te voldoen. Voor een amfibievliegtuig zullen de kenmerken van het vliegtuig voor de en-route vlieguren identiek zijn. Alleen de fasen van taxiën, opstijgen en landen zijn verschillend. De bepalingen van punt FCL.740.A, onder b), 2), erkennen reeds dat ervaring die is opgedaan in de klassen SEP(land) of TMG kan worden gebruikt om een verlenging te verkrijgen voor de bevoegdverklaringen inzake zowel SEP als TMG. De vereisten moeten overeenstemmen met wat de klassen gemeen hebben en met de verschillen tussen de klassen.

Het agentschap was het er na de beoordeling van het verzoek mee eens dat het vereiste dat een piloot voor beide bevoegdverklaringen moet voldoen aan alle voorschriften inzake vliegervaring van punt FCL.740.A, onder b), voor zowel landvliegtuigen als watervliegtuigen niet noodzakelijk is en een onredelijke last meebrengt voor de houder van het bewijs.

Het agentschap stelde voorts vast dat het lopende regelgevingsdossier FCL.002 al heeft voorgesteld om de bepaling van punt FCL.740A, onder b), te wijzigen door bepalingen toe te voegen betreffende de verlenging door ervaring voor piloten die houder zijn van zowel SEP (land) als SEP (zee).

Derhalve kwam het agentschap in zijn aanbeveling voor de toepassing van artikel 14, lid 6, van Verordening (EG) nr. 216/2008 tot de conclusie dat het beschermingsniveau wordt gehandhaafd met het Noorse voorstel.

3.   BESCHRIJVING VAN DE AFWIJKING

De voorgestelde afwijking van de bepalingen van punt FCL.740.A, onder b), van bijlage I (deel-FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, heeft als doel gezagvoerders de mogelijkheid te bieden om de uren van een bepaalde klasse te crediteren met vijf van de zes uur van de andere klasse.

De bepalingen van punt FCL.740.A, onder b), 3), van bijlage I (deel-FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 zijn derhalve van toepassing met de volgende alinea:

„3.

Wanneer een kandidaat houder is van zowel een klassebevoegdverklaring voor éénmotorige zuigervliegtuigen voor land als een klassebevoegdverklaring voor éénmotorige zuigervliegtuigen voor water, kan het volstaan dat zij voldoen aan de voorschriften van punt FCL.740, onder b), 1), ii), om beide bevoegdverklaringen te verlengen, door binnen de twaalf maanden voorafgaand aan de vervaldatum van de bevoegdverklaring, twaalf uur vliegtijd te voltooien in éénmotorige zuigervliegtuigen, met inbegrip van:

zes uur als gezagvoerder in éénmotorige zuigervliegtuigen, waarvan ten minste één uur in een landvliegtuig of amfibievliegtuig dat als landvliegtuig wordt gebruikt en ten minste één uur in een watervliegtuig of een amfibievliegtuig dat als watervliegtuig wordt gebruikt, en

twaalf starts en landingen op land en twaalf starts en landingen op water, en

een opleidingsvlucht van ten minste één uur met een vlieginstructeur (FI) of een instructeur voor klassebevoegdverklaring (CRI). Deze opleidingsvlucht kan worden uitgevoerd met een éénmotorig zuigervliegtuig, -watervliegtuig- of amfibievliegtuig. Kandidaten hebben recht op vrijstelling van deze vlucht indien ze zijn geslaagd voor een bekwaamheidsproef voor een klasse- of typebevoegdverklaring, een vaardigheidstest of een vakbekwaamheidsbeoordeling in een andere klasse of een ander type van vleugelvliegtuigen.”.

4.   VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN DE AFWIJKING

Deze afwijking geldt voor houders van bewijzen die zijn afgegeven in overeenstemming met bijlage I (deel-FCL) van Verordening (EU) nr. 1178/2011.

5.   ALGEMENE TOEPASSELIJKHEID VAN DE AFWIJKING

Alle EVA-staten kunnen deze afwijking toepassen, mits aan de voorwaarden van punt 4 wordt voldaan.


(1)  Het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66ne van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst (Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd), zoals aangepast aan de EER-overeenkomst bij Protocol 1 daarbij.

(2)  Het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66n van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst (Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, zoals gewijzigd), zoals aangepast aan de EER-overeenkomst bij Protocol 1 daarbij.


29.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 283/22


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 545/14/COL

van 8 december 2014

tot machtiging van IJsland om af te wijken van bepaalde gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart op grond van artikel 14, lid 6, van het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66n van bijlage XIII bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, zoals gewijzigd), houdende intrekking van Besluit nr. 362/14/COL van het College van 14 september 2014 [2015/1946]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA,

Gezien artikel 14, lid 6, en lid 7, van het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66n van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst, als aangepast bij Besluit nr. 163/2011 van het Gemengd Comité van de EER van 19 december 2011, Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG, zoals gewijzigd; en artikel CAT.POL.A. 210, punt b, onder 2), 4) 5), van bijlage IV bij het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66nf van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst, zoals aangepast bij Besluit nr. 147/2013 van het Gemengd Comité van de EER van 15 juli 2013, Verordening (EU) nr. 965/2012 van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd; zoals beide aangepast aan de EER-overeenkomst bij Protocol 1 daarbij,

Gezien het advies van het Comité vervoer van de EVA, uitgebracht op 3 september 2014.

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

IJsland heeft gevraagd om toestemming voor een bepaalde afwijking van de gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart in de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(2)

Overeenkomstig artikel 14, lid 7, van die verordening, zoals aangepast, heeft de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA onderzocht of gevraagde afwijking noodzakelijk is en welk beschermingsniveau deze biedt, op basis van aanbevelingen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, afgegeven op 17 juni 2011, 31 juli 2014 en 12 november 2014. De Autoriteit is tot de conclusie gekomen dat door de wijziging hetzelfde beschermingsniveau zal worden bereikt als door de toepassing van de gemeenschappelijke regels voor de veiligheid van de luchtvaart, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

(3)

Overeenkomstig artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast, brengt de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA haar besluit ter kennis aan alle EVA-staten, die dan het recht hebben die afwijking ook toe te passen.

(4)

Ingevolge artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast, deelt, wanneer de Europese Commissie en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA informatie uitwisselen over een krachtens artikel 14, lid 7 genomen besluit, de Europese Commissie de informatie van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA aan de EU-lidstaten en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de informatie van de Commissie aan de EVA-staten mede.

(5)

De afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden moeten zodanig worden opgesteld dat die maatregel kan worden toegepast door andere EVA-staten wanneer die zich in dezelfde situatie bevinden, zonder dat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA aanvullende goedkeuring moet geven. Als EVA-staten afwijkingen toepassen, moeten zij dit niettemin laten weten, omdat dit gevolgen kan hebben voor andere landen.

(6)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van Comité Vervoer van de EVA,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij dit besluit wordt Besluit nr. 362/14/COL ingetrokken.

Artikel 2

IJsland kan afwijken van de voorwaarden van artikel CAT.POL.A. 210, punt b, onder 2), 4) en 5) van bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 965/2012, als vermeld in de bijlage bij dit besluit, mits de voorwaarden van punt 2 van de bijlage bij dit besluit worden nageleefd.

Artikel 3

Alle EVA-staten mogen dezelfde, in artikel 2 bedoelde maatregelen toepassen, zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit, op voorwaarde dat verplichting tot kennisgeving als bedoeld in artikel 14, lid 6, van Verordening (EG) nr. 216/2008, zoals aangepast, in acht wordt genomen.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot IJsland. Alleen de Engelse taal is authentiek.

Artikel 5

Dit besluit wordt ter kennis gebracht aan IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en de Europese Commissie.

Gedaan te Brussel, 8 december 2014.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Helga JÓNSDÓTTIR

Lid van het College

Xavier LEWIS

Directeur


BIJLAGE

AFWIJKING DOOR IJSLAND VAN VERORDENING (EU) Nr. 965/2012 VAN DE COMMISSIE MET BETREKKING TOT HET VERMIJDEN VAN HINDERNISSEN BIJ DE START OP DE LUCHTHAVEN ÍSAFJÖRÐUR, IJSLAND (BIIS)

1.   BESCHRIJVING VAN DE AFWIJKING

IJsland mag, in afwijking van artikel CAT.POL.A.210, Vermijden van hindernissen bij de start, punt b), onder 2), 4), en 5), van bijlage IV (deel-CAT) bij Verordening (EU) nr. 965/2012 (1), zoals gewijzigd, luchtvaartmaatschappij Air Iceland (Flugfélag Íslands), toestaan dwarshellingshoeken van 25 graden toe te passen op 100 ft voor haar vliegtuigen van het type F50 en Dash 8 op de luchthaven Ísafjörður, IJsland (BIIS), om te voldoen aan de vereisten inzake het vermijden van hindernissen bij de start als vermeld in artikel CAT.POL.A.210 van bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 965/2012.

2.   VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN DE AFWIJKING

De afwijking is beperkt ten aanzien van de operationele voorwaarden op de luchthaven Ísafjörður, IJsland (BIIS), wat betreft het plafond voor de weerminima en de criteria inzake zicht, wind en verontreiniging van de baan als beschreven in het operationele evaluatieverslag van 17 juni 2011 van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart.

Deze afwijking geldt voor luchtvaartmaatschappij Air IJsland (flugfélag Íslands) op basis van de aanvullende maatregelen die door de luchtvaartmaatschappij ten uitvoer zijn gelegd om te komen tot een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan het niveau dat wordt bereikt door de toepassing van de gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 965/2012, zoals gewijzigd. De aanvullende maatregelen hebben betrekking op de prestaties van het luchtvaartuig, de selectie en opleiding van de bemanning, de geldigheidsduur van de kwalificaties en de bevoegdheden van de bemanning, de minimumuitrustingslijst, het kwaliteitssysteem en het veiligheidsbeheersysteem van de luchtvaartmaatschappij, de aanvullende operationele procedures en de elektronische briefing van de bemanning voor de exploitatie van BIIS en worden beschreven in het hiervoor genoemde evaluatieverslag van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart.


(1)  Het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 66nf van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst, als aangepast bij Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 147/2013 van 15 juli 2013 (Verordening (EU) nr. 965/2012 van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 800/2013 van 14 augustus 2013 en Verordening (EU) nr. 83/2014 van 29 januari 2014, zoals aangepast aan de EER-overeenkomst bij Protocol 1 daarbij (hierna „Verordening (EU) nr. 965/2012” genoemd).