ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 271

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
16 oktober 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1850 van de Commissie van 13 oktober 2015 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1851 van de Commissie van 15 oktober 2015 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 948/2014 wat betreft de contractuele opslagperiode en het te verlenen steunbedrag voor de particuliere opslag van mageremelkpoeder

12

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1852 van de Commissie van 15 oktober 2015 tot opening van een tijdelijke buitengewone steunregeling voor de particuliere opslag van bepaalde soorten kaas en tot voorafgaande vaststelling van het steunbedrag

15

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1853 van de Commissie van 15 oktober 2015 tot vaststelling van tijdelijke buitengewone steun voor landbouwers in de veehouderijsectoren

25

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1854 van de Commissie van 15 oktober 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

31

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2015/1855 van de Raad van 13 oktober 2015 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie in te nemen standpunt over het verzoek van leden die een minst ontwikkeld land zijn om verlenging van de overgangsperiode uit hoofde van artikel 66, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom wat bepaalde verplichtingen inzake geneesmiddelen betreft en om ontheffing van de uit hoofde van artikel 70, leden 8 en 9, van die overeenkomst vastgestelde verplichtingen

33

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van de toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 321/14/COL van 10 september 2014 houdende de honderdste wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun door vaststelling van nieuwe richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden [2015/1856]

35

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 271/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1850 VAN DE COMMISSIE

van 13 oktober 2015

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (1), en met name artikel 3, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1007/2009 staat onder specifieke voorwaarden het op de markt brengen toe van zeehondenproducten die afkomstig zijn van de jacht door Inuit- en andere inheemse gemeenschappen. Ook staat die verordening het op de markt brengen van zeehondenproducten toe indien de invoer van zeehondenproducten occasioneel gebeurt en uitsluitend goederen voor persoonlijk gebruik van reizigers of hun familieleden betreft.

(2)

Bij Verordening (EU) nr. 737/2010 (2) zijn overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1007/2009 uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor het op de markt brengen van zeehondenproducten.

(3)

Bij Verordening (EU) 2015/1775 van het Europees Parlement en de Raad (3) is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1007/2009 gewijzigd en is Verordening (EU) nr. 737/2010 met ingang van de datum van toepassing van deze verordening ingetrokken. Het is daarom noodzakelijk maatregelen vast te stellen ter uitvoering van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1007/2009, zoals gewijzigd.

(4)

Het is passend te bepalen dat instanties die aan bepaalde vereisten voldoen, moeten worden opgenomen in een lijst van erkende instanties die verklaringen afgeven die garanderen dat zeehondenproducten voldoen aan de voorwaarden voor het op de markt brengen ervan.

(5)

Ter vergemakkelijking van het beheer en de verificatie van de verklaringen moeten modellen voor de verklaringen en de afschriften ervan worden vastgesteld.

(6)

Er moeten procedures voor de controle van de verklaringen worden vastgesteld. Deze procedures moeten zo eenvoudig en praktisch zijn als mogelijk is zonder afbreuk te doen aan de geloofwaardigheid en de samenhang van het controlesysteem.

(7)

Ter vergemakkelijking van de uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde autoriteiten, de Commissie en de erkende instanties moet het gebruik van elektronische systemen worden toegestaan.

(8)

Voor de toepassing van deze verordening, met name wat de verwerking van persoonsgegevens in de verklaringen betreft, moet de verwerking van persoonsgegevens voldoen aan Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) en aan Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(9)

Aangezien deze verordening bepalingen vaststelt ter uitvoering van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1007/2009 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/14775, dat met ingang van 18 oktober 2015 van toepassing is, moet zij met spoed in werking treden.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is opgericht bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad (6),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor het op de markt brengen van zeehondenproducten en voor de invoer van zeehondenproducten voor persoonlijk gebruik van reizigers of hun familieleden overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1007/2009.

Artikel 2

Persoonlijk gebruik van reizigers of hun familieleden

1.   Zeehondenproducten voor persoonlijk gebruik van reizigers of hun familieleden mogen slechts worden ingevoerd indien aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de zeehondenproducten worden door de reizigers als kledingstuk gedragen, dan wel anderszins gedragen of meegevoerd in hun persoonlijke bagage;

b)

de zeehondenproducten maken deel uit van de persoonlijke bezittingen van een natuurlijk persoon die zijn gewone verblijfplaats overbrengt van een derde land naar de Unie;

c)

de zeehondenproducten worden in een derde land ter plaatse door reizigers verkregen en worden op een later tijdstip door deze reizigers ingevoerd, mits deze reizigers bij aankomst op het grondgebied van de Unie de volgende documenten overleggen aan de douaneautoriteiten van de betrokken lidstaat:

i)

een schriftelijke kennisgeving van invoer;

ii)

een bewijsstuk waaruit blijkt dat de producten in het betrokken derde land zijn verkregen.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder c), worden de schriftelijke kennisgeving en het bewijsstuk door de douaneautoriteiten geviseerd en aan de reizigers terugbezorgd. Bij invoer worden de kennisgeving en het bewijsstuk aan de douaneautoriteiten overgelegd, tezamen met de douaneaangifte voor de betrokken producten.

Artikel 3

Erkende instanties

1.   Een instantie wordt in de lijst van erkende instanties opgenomen indien zij aantoont dat zij aan de volgende vereisten voldoet:

a)

zij bezit rechtspersoonlijkheid;

b)

zij is bevoegd te verklaren dat aan de vereisten van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1007/2009 is voldaan;

c)

zij is bevoegd de in artikel 4, lid 1, bedoelde verklaringen af te geven en te beheren alsmede de desbetreffende gegevens te verwerken en te archiveren;

d)

zij is in staat haar taken op zodanige wijze te vervullen dat belangenconflicten worden voorkomen;

e)

zij is in staat toe te zien op de naleving van de in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1007/2009 vervatte vereisten;

f)

zij is bevoegd om de in artikel 4, lid 1, bedoelde verklaringen in te trekken of de geldigheid ervan op te schorten in geval van niet-naleving van de vereisten van deze verordening en om maatregelen te treffen om de bevoegde autoriteiten en de douaneautoriteiten van de lidstaten daarvan op de hoogte te stellen;

g)

zij is onderworpen aan controles door een onafhankelijke derde;

h)

zij is actief op nationaal of regionaal niveau.

2.   Om te worden opgenomen in de in lid 1 bedoelde lijst, dient een instantie bij de Commissie een verzoek in dat vergezeld gaat van documenten waaruit blijkt dat zij aan de in lid 1 genoemde vereisten voldoet.

3.   Aan het einde van elke rapportagecyclus dient de erkende instantie het controleverslag van de in lid 1, onder g), bedoelde onafhankelijke derde in bij de Commissie.

Artikel 4

Verklaringen

1.   Indien aan de in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1007/2009 vastgestelde vereisten voor het op de markt brengen is voldaan, geeft de erkende instantie op verzoek verklaringen af volgens de in de bijlage vastgestelde modellen.

2.   De erkende instantie geeft de verklaring af aan de aanvrager en bewaart voor administratieve doeleinden drie jaar lang een afschrift.

3.   Wanneer een zeehondenproduct op de markt wordt gebracht, gaat het onverminderd artikel 5, lid 2, vergezeld van de originele verklaring. De aanvrager mag een afschrift van de verklaring houden.

4.   In elke latere factuur wordt een verwijzing naar het nummer van de verklaring opgenomen.

5.   Een zeehondenproduct dat vergezeld gaat van een in overeenstemming met lid 1 afgegeven verklaring, wordt geacht te voldoen aan artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1007/2009.

6.   De aanvaarding van een douaneaangifte voor het overeenkomstig artikel 79 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (7) in het vrije verkeer brengen van een zeehondenproduct is afhankelijk van de overlegging van een overeenkomstig lid 1 van dit artikel afgegeven verklaring. Onverminderd artikel 77, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bewaren de douaneautoriteiten een afschrift van de verklaring in hun administratie.

7.   In geval van twijfel omtrent de authenticiteit of de juistheid van een overeenkomstig lid 1 afgegeven verklaring, alsook wanneer nader advies nodig is, nemen de douaneautoriteiten en andere handhavingsfunctionarissen contact op met een door de betrokken lidstaten overeenkomstig artikel 6 aangewezen bevoegde autoriteit. De gecontacteerde bevoegde autoriteit beslist over de te nemen maatregelen.

Artikel 5

Formaat van de verklaringen

1.   De in artikel 4, lid 1, bedoelde verklaringen worden in gedrukte of elektronische vorm afgegeven.

2.   Bij een elektronische verklaring gaat het zeehondenproduct op het ogenblik van het op de markt brengen ervan vergezeld van een uitdraai van de verklaring.

3.   Het gebruik van de verklaring laat alle eventuele andere formaliteiten met betrekking tot het op de markt brengen onverlet.

4.   Een overeenkomstig artikel 6 aangewezen bevoegde autoriteit kan eisen dat de verklaring wordt vertaald in de officiële taal van de lidstaat waarin het product op de markt wordt gebracht.

Artikel 6

Bevoegde autoriteiten

1.   Elke lidstaat wijst een of meer bevoegde autoriteiten aan die met de volgende taken zijn belast:

a)

het verifiëren van de verklaringen voor ingevoerde zeehondenproducten op verzoek van de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 4, lid 7;

b)

het controleren van de afgifte van de verklaringen door erkende instanties die in die lidstaat gevestigd en actief zijn;

c)

het bewaren van een afschrift van de verklaring die in die lidstaat is afgegeven voor zeehondenproducten die zijn verkregen bij de zeehondenjacht.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteiten.

3.   De Commissie stelt de lijst van overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteiten beschikbaar via haar website. De lijst wordt regelmatig bijgewerkt.

Artikel 7

Elektronische systemen voor de uitwisseling en opslag van gegevens

1.   De bevoegde autoriteiten mogen elektronische systemen gebruiken voor de uitwisseling en opslag van de in de verklaringen opgenomen gegevens.

2.   De lidstaten houden rekening met de complementariteit, comptabiliteit en interoperabiliteit van de in lid 1 bedoelde elektronische systemen.

Artikel 8

Bescherming in verband met de verwerking van persoonsgegevens

Deze verordening laat het niveau van de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens krachtens Unie- en nationale wetgeving onverlet, en houdt met name geen wijziging in van de bij Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001 vastgestelde rechten en verplichtingen. De bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens wordt gewaarborgd, met name in verband met het vrijgeven of mededelen van persoonsgegevens in een verklaring.

Artikel 9

Overgangsbepaling

De verklaringen die vóór [18 oktober 2015] overeenkomstig Verordening (EU) nr. 737/2010 door een erkende instantie zijn afgegeven, blijven ook na die datum geldig.

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 18 oktober 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 286 van 31.10.2009, blz. 36.

(2)  Verordening (EU) nr. 737/2010 van de Commissie van 10 augustus 2010 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten (PB L 216 van 17.8.2010, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2015/1775 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1007/2009 betreffende de handel in zeehondenproducten en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 737/2010 van de Commissie (PB L 262 van 7.10.2015, blz. 1).

(4)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(5)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1).

(7)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).


BIJLAGE

Image 1

Tekst van het beeld

Image 2

Tekst van het beeld

Image 3

Tekst van het beeld

Image 4

Tekst van het beeld

Image 5

Tekst van het beeld

Toelichting

Algemeen:

Invullen in hoofdletters

Vak 1.

Instantie van afgifte

Vermeld de naam en het adres van de erkende instantie die de verklaring afgeeft.

Vak 2.

Voorbehouden voor het land van afgifte

Ruimte die is voorbehouden voor het land van afgifte.

Vak 3.

Nummer van de verklaring

Vermeld het afgiftenummer van de verklaring.

Vak 4.

Land waar het product op de markt wordt gebracht

Vermeld het land waar het zeehondenproduct naar verwachting voor de eerste keer op de EU-markt wordt gebracht.

Vak 5.

ISO-code

Vermeld de tweelettercode van het in vak 4 ingevulde land.

Vak 6.

Handelsbenaming van het zeehondenproduct

Vermeld de handelsbenaming van het/de zeehondenproduct(en). De benaming moet overeenstemmen met de vermelding in vak 7.

Vak 7.

Wetenschappelijke naam

Vermeld de wetenschappelijke naam van de zeehondensoort(en) die in het product wordt/worden gebruikt. Indien meer dan één soort wordt gebruikt in een samengesteld product, moet iedere soort op een afzonderlijke regel worden vermeld.

Vak 8.

GS-post

Vermeld de vier- of zescijferige code die is bepaald overeenkomstig het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen.

Vak 9.

Land van de jacht

Vermeld het land waar is gejaagd op de in het wild levende zeehonden die voor het product zijn gebruikt.

Vak 10.

ISO-code

Vermeld de tweelettercode van het in vak 9 ingevulde land.

Vak 11.

Nettogewicht

Vermeld het totale gewicht in kg. Dit is de nettomassa van de zeehondenproducten zonder containers of verpakkingen, uitgezonderd dwarsdragers, tussenschotten, stickers enz.

Vak 12.

Aantal eenheden

Vermeld het aantal eenheden, indien van toepassing.

Vak 13.

Merktekens

Vermeld eventuele merktekens, indien van toepassing, zoals het partijnummer of het nummer van de vrachtbrief.

Vak 14.

Unieke identificatiecode

Vermeld eventuele identificatiecodes die omwille van de traceerbaarheid op het product zijn aanbracht.

Vak 15.

Handtekening en stempel van de instantie van afgifte

Het document wordt ondertekend door de gemachtigde functionaris, onder vermelding van plaats en datum, en voorzien van het officiële stempel van de erkende instantie van afgifte.

Vak 16.

Visering door de douane

De douaneautoriteit vermeldt het nummer van de douaneaangifte en plaatst haar handtekening en stempel.


16.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 271/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1851 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2015

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 948/2014 wat betreft de contractuele opslagperiode en het te verlenen steunbedrag voor de particuliere opslag van mageremelkpoeder

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 18, lid 2, artikel 20, onder c), l), en m), en artikel 223, lid 3, onder c),

Gezien Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 948/2014 van de Commissie (3) is de particuliere opslag voor mageremelkpoeder geopend wegens de bijzonder moeilijke marktsituatie, met name als gevolg van het door Rusland ingestelde verbod op de invoer van zuivelproducten uit de Unie naar Rusland.

(2)

Naar aanleiding van een verdere verslechtering van de prijzen voor mageremelkpoeder is de regeling voor particuliere opslag bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2014 van de Commissie (4) verlengd tot 28 februari 2015, bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/303 van de Commissie (5) tot 30 september 2015, en bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1548 van de Commissie (6) tot 29 februari 2016.

(3)

Gezien de continue neerwaartse trend van de prijzen voor mageremelkpoeder als gevolg van het aanzienlijke overaanbod van melk op de interne markt en de aanhoudende beperkingen van de mondiale vraag, is het passend te voorzien in aanvullende maatregelen om marktdeelnemers aan te moedigen grotere hoeveelheden op te slaan teneinde de druk op de markt te verlichten, en derhalve moeten bij een langere contractuele opslagperiode hogere steunbedragen worden verleend.

(4)

Opdat de marktdeelnemers flexibel zouden kunnen reageren op toekomstige marktsignalen, moet echter worden toegestaan dat zulke producten na een minimale opslagperiode van negen maanden tegen een verlaagd steunpercentage worden uitgeslagen.

(5)

Gelet op de duur van de verlengde contractuele opslagperiode dient het in artikel 31 van Verordening (EG) nr. 826/2008 van de Commissie (7) bedoelde voorschot te worden aangepast.

(6)

Om artikel 35, lid 3, van Verordening (EG) nr. 826/2008 in aanmerking te nemen en om het gebruik van deze maatregel van nabij te volgen, moet worden gespecificeerd welke termijn geldt voor de indiening van de in artikel 35, lid 1, onder a), van die verordening bedoelde mededelingen.

(7)

Om een onmiddellijk effect op de markt te hebben en bij te dragen tot de stabilisering van de prijzen moet de in deze verordening vastgestelde maatregel in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 948/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

1.   De steun voor de in artikel 1 bedoelde producten wordt als volgt vastgesteld:

a)

wanneer de contractuele opslagperiode 90 tot 210 dagen bedraagt, bedraagt de steun:

1)

8,86 EUR per opgeslagen ton voor de vaste opslagkosten;

2)

0,16 EUR per ton per dag contractuele opslag;

b)

wanneer de contractuele opslagperiode 365 dagen bedraagt, bedraagt de steun:

1)

8,86 EUR per opgeslagen ton voor de vaste opslagkosten;

2)

0,36 EUR per ton per dag contractuele opslag.

Wanneer de contractuele hoeveelheid na een minimale opslagperiode van 270 dagen kan worden uitgeslagen, worden de steunbedragen in afwijking van artikel 34, lid 6, van Verordening (EG) nr. 826/2008 echter met 10 % verlaagd.

2.   Aanvragen zijn slechts geldig indien zij de aangevraagde steunpercentages vermelden.

In het kader van deze verordening gesloten contracten voor een opslagperiode van 90 tot 210 dagen kunnen niet worden omgezet in contracten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder b).

3.   De contractuele opslag eindigt op de dag die voorafgaat aan de uitslag.”.

2)

Het volgende artikel 4 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 4 bis

In afwijking van artikel 31, lid 2, van Verordening (EG) nr. 826/2008, mag het voorschot voor contracten uit hoofde van artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder b), van de onderhavige verordening niet hoger zijn dan het met de opslagperiode van 270 dagen overeenstemmende steunbedrag.”.

3)

Artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

De lidstaten melden de volgende gegevens aan de Commissie:

a)

uiterlijk op elke dinsdag, voor de vorige week en afzonderlijk voor de in artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder a), respectievelijk b), bedoelde hoeveelheden: de hoeveelheden waarvoor contracten zijn gesloten, alsmede de producthoeveelheden waarvoor aanvragen om contracten te sluiten zijn ingediend, zoals vereist op grond van artikel 35, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 826/2008;

b)

uiterlijk aan het einde van de maand, voor de vorige maand: de gegevens over de voorraden, zoals vereist op grond van artikel 35, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 826/2008.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 346 van 20.12.2013, blz. 12.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 948/2014 van de Commissie van 4 september 2014 tot opening van de particuliere opslag voor mageremelkpoeder en tot voorafgaande vaststelling van het steunbedrag (PB L 265 van 5.9.2014, blz. 18).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1337/2014 van de Commissie van 16 december 2014 tot wijziging van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 947/2014 en (EU) nr. 948/2014 wat betreft de laatste dag voor de indiening van de aanvragen voor steun voor de particuliere opslag van boter en mageremelkpoeder (PB L 360 van 17.12.2014, blz. 15).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/303 van de Commissie van 25 februari 2015 tot wijziging van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 947/2014 en (EU) nr. 948/2014 wat betreft de laatste dag voor de indiening van aanvragen voor steun voor de particuliere opslag van boter en mageremelkpoeder (PB L 55 van 26.2.2015, blz. 4).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1548 van de Commissie van 17 september 2015 tot wijziging van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 947/2014 en (EU) nr. 948/2014 wat betreft de laatste dag voor de indiening van aanvragen voor steun voor de particuliere opslag van boter en mageremelkpoeder (PB L 242 van 18.9.2015, blz. 26).

(7)  Verordening (EG) nr. 826/2008 van de Commissie van 20 augustus 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake de verlening van steun voor de particuliere opslag van bepaalde landbouwproducten (PB L 223 van 21.8.2008, blz. 3).


16.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 271/15


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/1852 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2015

tot opening van een tijdelijke buitengewone steunregeling voor de particuliere opslag van bepaalde soorten kaas en tot voorafgaande vaststelling van het steunbedrag

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 219, lid 1, in samenhang met artikel 228,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De mondiale vraag naar melk en zuivelproducten is heel 2014 en in de eerste helft van 2015 in het algemeen gedaald, vooral als gevolg van de afnemende invoer in China, 's werelds grootste importeur van zuivelproducten.

(2)

Er is een neerwaartse druk op de zuivelprijzen geconstateerd, als gevolg van een verhoging van het aanbod zowel in de Unie als in de voornaamste melkproducerende regio's in de rest van de wereld.

(3)

Bovendien heeft de Russische regering op 25 juni 2015 bekendgemaakt dat het verbod op de invoer van landbouwproducten en levensmiddelen uit de Unie met een jaar wordt verlengd, tot en met 6 augustus 2016.

(4)

De zuivelsector wordt geconfronteerd met een verstoring van de marktsituatie vanwege een forse onbalans tussen vraag en aanbod.

(5)

Als gevolg daarvan zijn de prijzen van rauwe melk en zuivelproducten in de Unie verder achteruitgegaan en het ziet ernaar uit dat de neerwaartse druk zal aanhouden en voor veel landbouwers, die kasstroom- en liquiditeitsmoeilijkheden ondervinden, onhoudbare niveaus zal bereiken. De gemiddelde prijzen van de Unie voor de belangrijkste kazen waren in 2015 met 17 % gedaald.

(6)

De in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013 beschikbare marktinterventiemaatregelen blijken niet te volstaan voor de recent ontstane situatie, aangezien zij op andere producten zijn gericht, zoals boter of mageremelkpoeder, of beperkt zijn tot kazen met een geografische aanduiding.

(7)

De dreiging van een ernstige marktverstoring op de kaasmarkt kan geheel of gedeeltelijk worden weggenomen door middel van opslag. Daarom moet steun voor de particuliere opslag van kaas worden verleend en moet het steunbedrag vooraf worden vastgesteld.

(8)

Het is passend een maximum vast te stellen voor de hoeveelheid die onder de regeling valt en het totale volume uit te splitsen naar de lidstaten op basis van hun kaasproductie.

(9)

In het kader van artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 kan enkel steun worden verleend voor de particuliere opslag van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2). Kazen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding vormen echter slechts een klein aandeel van de totale kaasproductie van de Unie. Met het oog op de operationele en administratieve efficiëntie moet voor alle soorten kaas één enkele steunregeling voor particuliere opslag worden opgezet.

(10)

Het is passend om kaas die niet voor opslag geschikt is van deze regeling uit te sluiten.

(11)

Om het beheer en de controle te vergemakkelijken, moet steun voor particuliere opslag in de regel uitsluitend worden verleend aan marktdeelnemers die in de Unie zijn gevestigd en voor btw-doeleinden in de Unie zijn ingeschreven.

(12)

Om een behoorlijke monitoring van de regelingen te garanderen, moet in deze verordening worden vastgesteld welke voor de sluiting van het opslagcontract vereiste gegevens moeten worden verstrekt en welke verplichtingen de contractanten moeten nakomen.

(13)

Om de steunverlening doeltreffender te maken, moeten de contracten worden gesloten voor een bepaalde minimumhoeveelheid en moeten de verplichtingen van de contractant erin worden omschreven, met name de verplichtingen die de voor de controle van de opslag bevoegde autoriteit in staat stellen de opslagomstandigheden doeltreffend te controleren.

(14)

De opslag van de contractuele hoeveelheid gedurende de contractuele opslagperiode is een van de eisen voor de toekenning van steun voor particuliere opslag. Om met de handelspraktijk rekening te houden en om praktische redenen moet ten aanzien van de voor steun in aanmerking te nemen hoeveelheid een zekere tolerantie worden toegestaan.

(15)

Om te garanderen dat de aanvraag ernstig is en ervoor te zorgen dat de maatregel zijn gewenste effect op de markt heeft, is een zekerheid vereist. Daarom moeten bepalingen worden vastgesteld voor het stellen, vrijgeven en verbeuren van een zekerheid.

(16)

Voor een behoorlijk beheer van de opslag moeten bepalingen worden vastgesteld om het te betalen steunbedrag te verlagen wanneer de tijdens de contractuele opslagperiode opgeslagen hoeveelheid kleiner is dan de contractuele hoeveelheid.

(17)

Het steunbedrag moet worden vastgesteld op basis van de opslagkosten en/of andere relevante marktelementen. Er dient een steunbedrag te worden vastgesteld voor de vaste opslagkosten van het in- en uitslaan van de betrokken producten en een steunbedrag per opslagdag voor de kosten van de gekoelde opslag en de financiering.

(18)

Er moeten voorwaarden worden vastgesteld voor de verlening van een voorschot, de aanpassing van de steun in gevallen waarin de opgeslagen hoeveelheid niet volledig overeenstemt met de contractuele hoeveelheid, de controles op de inachtneming van het recht op steun, de eventuele sancties en de gegevens die de lidstaten aan de Commissie moeten meedelen.

(19)

Aangezien mogelijk niet alle lidstaten de maatregel ten volle benutten, is het passend te voorzien in de reallocatie van hoeveelheden nadat de maatregel drie maanden van toepassing is. De Commissie moet worden gemachtigd om indien nodig bij uitvoeringshandeling de reallocatie van ongebruikte hoeveelheden per lidstaat en de nieuwe termijn voor het indienen van aanvragen vast te stellen.

(20)

Tevens moeten voorschriften worden vastgesteld die betrekking hebben op de documentatie, de boekhouding en de frequentie en aard van de controles,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een tijdelijke buitengewone steunregeling vastgesteld voor de particuliere opslag van kaas van GN-code 0406 , met uitzondering van kaas die niet geschikt is om langer te worden opgeslagen dan de rijpingsperiode als bedoeld in artikel 3, lid 1.

De onder deze tijdelijke regeling vallende maximale producthoeveelheid per lidstaat is vastgesteld in de bijlage.

Artikel 2

Definitie

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „de bevoegde autoriteiten van de lidstaten” verstaan de door de lidstaten als betaalorgaan geaccrediteerde diensten of instanties die voldoen aan artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3).

Artikel 3

In aanmerking komende producten

1.   Om in aanmerking te komen voor de in artikel 1 bedoelde steun voor particuliere opslag, hierna „de steun” genoemd, moet de kaas van gezonde handelskwaliteit zijn, als oorsprong de Unie hebben en op de dag waarop het opslagcontract ingaat, een minimumouderdom hebben die, voor kazen met een beschermde oorsprongsbenaming of een beschermde geografische aanduiding op grond van Verordening (EU) nr. 1151/2012, overeenstemt met de in het productdossier vastgestelde rijpingsperiode en, voor de overige kazen, met een door de lidstaten vastgestelde normale rijpingsduur.

2.   De kaas voldoet aan de volgende eisen:

a)

elke partij weegt ten minste 0,5 ton;

b)

de kaas is voorzien van een eventueel in code weergegeven, onuitwisbare vermelding van de fabriek waar hij is vervaardigd, en van de dag van vervaardiging;

c)

de kaas is voorzien van de datum van inslag;

d)

de kaas is niet eerder voorwerp van een contract inzake opslagsteun geweest.

e)

de kaas is opgeslagen in de lidstaat waar hij is vervaardigd.

3.   De lidstaten mogen ontheffing verlenen van de verplichting de in lid 2, onder c), bedoelde datum van inslag op de kaas te vermelden, mits de beheerder van de opslagplaats zich ertoe verbindt een register bij te houden waarin op de dag van inslag de in lid 2, onder b), bedoelde gegevens worden opgenomen.

Artikel 4

Steunaanvragen

1.   Marktdeelnemers die particuliere-opslagsteun wensen te ontvangen, dienen daartoe een aanvraag in bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de producten zijn opgeslagen.

2.   Marktdeelnemers die steun aanvragen, zijn in de Unie gevestigd en voor btw-doeleinden in de Unie ingeschreven.

3.   Met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening mogen steunaanvragen worden ingediend. De uiterste datum voor het indienen van aanvragen is 15 januari 2016.

4.   Steunaanvragen hebben betrekking op producten die reeds volledig zijn opgeslagen.

5.   De aanvragen worden ingediend volgens het procedé dat de betrokken lidstaat ter beschikking van de marktdeelnemers stelt.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen eisen dat elektronische aanvragen vergezeld gaan van een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 2, punt 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad (4), of van een elektronische handtekening die met betrekking tot de functies van een handtekening gelijkwaardige garanties biedt, en daartoe passen zij dezelfde regels en voorwaarden toe als die welke zijn vervat in de voorschriften van de Commissie voor elektronische en digitale documenten, als vastgesteld bij Besluit 2004/563/EG, Euratom van de Commissie (5), en de bepalingen voor de uitvoering daarvan.

6.   Aanvragen zijn slechts ontvankelijk wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

ze bevatten een verwijzing naar deze verordening;

b)

ze bevatten de identificatiegegevens van de aanvrager (naam, adres en btw-nummer);

c)

ze verwijzen naar het product, met vermelding van de betrokken zescijferige GN-code;

d)

ze bevatten een verwijzing naar de producthoeveelheid op het ogenblik van de aanvraag;

e)

ze bevatten de naam en het adres van de opslagplaats, het nummer van de opslagpartij en het erkenningsnummer ter identificatie van de fabriek;

f)

ze bevatten buiten de in deze verordening vastgestelde voorwaarden geen aanvullende, door de aanvrager opgelegde voorwaarden;

g)

de aanvraag is opgesteld in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar de aanvraag wordt ingediend;

h)

de aanvrager heeft een zekerheid gesteld ten bedrage van 20 EUR per ton ten gunste van het betrokken betaaalorgaan overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie (6).

7.   Eenmaal ingediende aanvragen mogen niet inhoudelijk worden gewijzigd.

Artikel 5

Verbeuren en vrijgeven van de zekerheid

1.   De in artikel 4, lid 6, onder h), bedoelde zekerheid wordt verbeurd wanneer:

a)

de contractaanvraag wordt ingetrokken;

b)

de bij de controles uit hoofde van artikel 16, lid 2, geconstateerde hoeveelheid minder dan 95 % van de in artikel 4, lid 6, onder d), bedoelde hoeveelheid bedraagt. In zulk een geval wordt geen contract gesloten;

c)

minder dan 95 % van de contractuele hoeveelheid wordt opgeslagen gedurende de contractuele opslagperiode, op risico van de contractant in de zin van artikel 6 en onder de in artikel 7, lid 1, onder a), bedoelde voorwaarden.

2.   Wanneer de aanvraag om een contract te sluiten niet wordt aanvaard, wordt de zekerheid onmiddellijk vrijgegeven.

3.   De zekerheid wordt vrijgegeven voor de hoeveelheden ten aanzien waarvan aan de contractuele verplichtingen is voldaan.

Artikel 6

Het sluiten van het contract

1.   Het contract wordt gesloten tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de producten zijn opgeslagen en de aanvrager (hierna „contractant” genoemd).

2.   Het contract wordt gesloten binnen 30 dagen nadat de in artikel 4, lid 6, onder e), bedoelde gegevens zijn ontvangen en nadat, in voorkomend geval, vervolgens is bevestigd dat de producten voor steun in aanmerking komen overeenkomstig artikel 16, lid 2, tweede alinea. Indien niet wordt bevestigd dat de producten voor steun in aanmerking komen, wordt het contract als nietig beschouwd.

Artikel 7

Verplichtingen van de contractant

1.   In het contract wordt op zijn minst bepaald dat de contractant:

a)

op eigen risico en voor eigen rekening de contractuele hoeveelheid moet opslaan gedurende de hele contractuele opslagperiode in omstandigheden die borg staan voor het behoud van de kenmerken van de producten, zonder dat de opgeslagen producten worden vervangen of naar een andere opslagplaats worden overgebracht. De bevoegde autoriteit kan echter op een naar behoren met redenen omkleed verzoek van de contractant overbrenging van de opgeslagen producten toestaan;

b)

de wegingsdocumenten moet bewaren die bij de inslag zijn opgesteld;

c)

de bevoegde autoriteit de gelegenheid moet bieden om te allen tijde te controleren of alle contractuele verplichtingen worden nagekomen;

d)

erop toe moet zien dat de opgeslagen producten vlot toegankelijk en individueel identificeerbaar zijn: elke individueel opgeslagen eenheid moet worden gemarkeerd met de datum van inslag, het contractnummer, het product en het gewicht. De lidstaten mogen evenwel afzien van de eis het contractnummer op de opgeslagen producten aan te brengen, mits de beheerder van de opslagplaats zich ertoe verbindt het contractnummer in het in artikel 3, lid 3, bedoelde register op te nemen.

2.   De contractant houdt voor elk contract de volgende gegevens ter beschikking van de voor de controle van alle documenten bevoegde autoriteit om haar in staat te stellen de particulier opgeslagen producten met name op de volgende punten te controleren:

a)

het erkenningsnummer ter identificatie van de fabriek en de lidstaat van productie;

b)

de oorsprong en de vervaardigingsdatum van de producten;

c)

de inslagdatum;

d)

het gewicht en het aantal verpakte eenheden;

e)

de aanwezigheid in het pakhuis en het adres van het pakhuis;

f)

de datum waarop de contractuele opslagperiode naar verwachting zal verstrijken, later aangevuld met de werkelijke datum van uitslag.

3.   De contractant of, in voorkomend geval, de beheerder van de opslagplaats voert een in het pakhuis beschikbaar gehouden voorraadboekhouding waarin per contractnummer de volgende gegevens worden vermeld:

a)

de identificatie van de producten die zich in particuliere opslag bevinden, per partij;

b)

de datum van inslag en van uitslag;

c)

de hoeveelheid opgeslagen producten per partij;

d)

de plaats waar de producten zich in de opslagplaats bevinden.

Artikel 8

Contractuele opslagperiode

1.   De contractuele opslagperiode begint op de dag nadat de bevoegde autoriteiten de in artikel 4, lid 6, onder e), bedoelde gegevens ontvangen.

2.   De contractuele opslag eindigt op de dag die voorafgaat aan de uitslag.

3.   Steun kan alleen worden verleend als de periode van contractuele opslag 60 tot 210 dagen bedraagt.

Artikel 9

Uitslag

1.   Met de uitslag van de producten mag worden begonnen op de dag na de laatste dag van de contractuele opslagperiode.

2.   De uitslag moet steeds een volledige opslagpartij omvatten, tenzij de bevoegde autoriteit de uitslag van een kleinere hoeveelheid toestaat. In het in artikel 16, lid 5, onder a), bedoelde geval mag echter slechts een verzegelde hoeveelheid worden uitgeslagen.

3.   De contractant stelt de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 16, lid 6, in kennis van zijn voornemen met de uitslag van de producten te beginnen.

4.   Wanneer de in lid 3 vastgestelde voorwaarde niet wordt nageleefd, maar naar mening van de bevoegde autoriteit binnen 30 dagen na de uitslag voldoende bewijsstukken zijn geleverd inzake de datum van uitslag en de betrokken hoeveelheden, wordt de steun met 15 % verlaagd en wordt deze slechts betaald over de periode waarin het product blijkens bewijsstukken die de contractant ten genoegen van de bevoegde autoriteit overlegt, contractueel opgeslagen is gebleven.

5.   Wanneer de in lid 3 vastgestelde voorwaarde niet wordt nageleefd en naar mening van de bevoegde autoriteit binnen 30 dagen na de uitslag onvoldoende bewijsstukken zijn geleverd inzake de datum van uitslag en de betrokken hoeveelheden, wordt voor het betrokken contract geen steun betaald en wordt, in voorkomend geval, de volledige voor dat contract gestelde zekerheid verbeurd verklaard.

Artikel 10

Steunbedragen

De steun bedraagt:

15,57 EUR per opgeslagen ton voor de vaste opslagkosten;

0,40 EUR per ton per dag contractuele opslag.

Artikel 11

Voorschot op de steun

1.   Na 60 dagen opslag mag op verzoek van de contractant één enkel voorschot op de steun worden betaald, op voorwaarde dat de contractant een zekerheid stelt die gelijk is aan het bedrag van het voorschot, vermeerderd met 10 %.

2.   Het voorschot mag niet hoger zijn dan de steun voor een opslagperiode van 90 dagen. De in lid 1 bedoelde zekerheid wordt vrijgegeven zodra het saldo van de steun is betaald.

Artikel 12

Betaling van de steun

1.   De steun of, wanneer op grond van artikel 11 een voorschot is verleend, het saldo van de steun wordt betaald op basis van een betalingsaanvraag die de contractant binnen drie maanden na de contractuele opslagperiode moet indienen.

2.   Wanneer de contractant binnen de termijn van drie maanden geen bewijsstukken kon overleggen ondanks pogingen van zijn kant om deze tijdig te verkrijgen, kan hem een verlenging worden toegestaan van maximaal drie maanden.

3.   De steun of het saldo van de steun wordt betaald binnen 120 dagen na de indiening van een aanvraag tot betaling van de steun, op voorwaarde dat de contractuele verplichtingen zijn vervuld en de eindcontrole is verricht. Hangende een administratief onderzoek wordt de betaling pas verricht wanneer het recht op steun is erkend.

4.   Wanneer de tijdens de contractuele opslagperiode feitelijk opgeslagen hoeveelheid kleiner is dan de contractuele hoeveelheid en ten minste 95 % van deze hoeveelheid bedraagt, wordt de steun voor de werkelijk opgeslagen hoeveelheid betaald tenzij in gevallen van overmacht. Indien de bevoegde autoriteit echter constateert dat de contractant met opzet of nalatig heeft gehandeld, mag deze autoriteit besluiten de steun verder te verlagen of niet te betalen.

5.   Wanneer de tijdens de contractuele opslagperiode feitelijk opgeslagen hoeveelheid kleiner is dan het in lid 4 vastgestelde percentage, maar ten minste 80 % van de contractuele hoeveelheid bedraagt, wordt de steun voor de feitelijk opgeslagen hoeveelheid gehalveerd tenzij in gevallen van overmacht. Indien de bevoegde autoriteit echter constateert dat de contractant met opzet of nalatig heeft gehandeld, mag deze autoriteit besluiten de steun verder te verlagen of niet te betalen.

6.   Indien de feitelijk tijdens de contractuele opslagperiode opgeslagen hoeveelheid kleiner is dan 80 % van de contractuele hoeveelheid, wordt geen steun betaald tenzij in gevallen van overmacht.

7.   Wanneer bij de controles tijdens de opslag of bij de uitslag ondeugdelijke producten worden aangetroffen, wordt voor deze hoeveelheden geen steun betaald. De nog voor steun in aanmerking komende rest van de opslagpartij mag niet kleiner zijn dan de in artikel 3, lid 2, vastgestelde minimumhoeveelheid. Hetzelfde geldt wanneer een deel van een opslagpartij om die reden is uitgeslagen vóór het verstrijken van de minimale opslagperiode.

Ondeugdelijke producten worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de in de leden 4, 5 en 6 bedoelde feitelijk opgeslagen hoeveelheid.

Artikel 13

Meldingen

1.   De lidstaten melden uiterlijk op elke dinsdag, voor de vorige week, aan de Commissie voor welke hoeveelheden contracten zijn gesloten en voor welke producthoeveelheden steunaanvragen zijn ingediend.

2.   De lidstaten melden uiterlijk aan het eind van elke maand, voor de vorige maand, de volgende gegevens aan de Commissie:

a)

de tijdens de betrokken maand ingeslagen en uitgeslagen producthoeveelheden;

b)

de aan het einde van de betrokken maand in de opslagplaats aanwezige producthoeveelheden;

c)

de producthoeveelheden waarvoor de contractuele opslagperiode is verstreken.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde meldingen van de lidstaten worden gedaan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie (7).

Artikel 14

Maatregelen met het oog op de inachtneming van de maximumhoeveelheid

De lidstaten zorgen voor een systeem op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zodat de in de bijlage bedoelde maximale hoeveelheden per lidstaat niet worden overschreden.

Artikel 15

Maatregelen voor ongebruikte hoeveelheden

In voorkomend geval worden resterende ongebruikte toewijzingen na 15 januari 2016 ter beschikking gesteld van lidstaten die uiterlijk op 31 december 2015 aan de Commissie kenbaar maken dat zij meer gebruik wensen te maken van de regeling inzake steun voor de particuliere opslag. Over de toewijzing per lidstaat, die plaatsvindt met inachtneming van de tot en met 15 januari 2016 door de lidstaten aangevraagde hoeveelheden en de periode voor de indiening van aanvragen, wordt beslist door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 229, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 16

Controles

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te garanderen. De maatregelen omvatten een exhaustieve administratieve controle van de steunaanvragen, aangevuld met controles ter plaatse overeenkomstig de leden 2 tot en met 9.

2.   De voor de controles bevoegde autoriteit controleert de ingeslagen producten binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van de in artikel 4, lid 6, onder e), bedoelde informatie.

Onverminderd lid 5, eerste alinea, onder a), van het onderhavige artikel, wordt, om te garanderen dat de opgeslagen producten voor steun in aanmerking komen, een representatieve steekproef van ten minste 5 % van de ingeslagen hoeveelheden fysiek gecontroleerd teneinde vast te stellen dat de opslagpartijen, met name wat het gewicht, de identificatie en de aard van de producten betreft, in overeenstemming zijn met de gegevens in de aanvraag tot sluiting van het contract.

Het gewicht van de producten zoals vastgesteld bij aanvang van de contractuele periode wordt gebruikt om de betaling van de steun te bepalen. Er wordt echter geen steun betaald voor een hoeveelheid groter dan de aangevraagde hoeveelheid zoals bepaald in artikel 4, lid 6, onder d).

3.   Om door de lidstaat naar behoren gemotiveerde redenen kan de in lid 2 vastgestelde termijn van 30 dagen met 15 dagen worden verlengd.

4.   Indien bij de controles wordt geconstateerd dat de opgeslagen producten niet voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen zoals vastgesteld in artikel 3 en niet de producten zijn zoals gespecificeerd in artikel 4, lid 6, onder c), dan wordt de in artikel 4, lid 6, onder h), bedoelde zekering verbeurd.

5.   De voor de controles bevoegde autoriteit:

a)

verzegelt bij de in lid 2 bedoelde controle de producten per contract, per opslagpartij of per kleinere hoeveelheid, of

b)

verricht een onaangekondigde controle om zich ervan te vergewissen dat de contractuele hoeveelheid zich in de opslagplaats bevindt.

De in de eerste alinea, onder b), bedoelde controle wordt verricht op ten minste 10 % van de totale hoeveelheid onder contract en moet representatief zijn. Deze controles omvatten een onderzoek van de in artikel 7, lid 3, bedoelde voorraadboekhouding en van bewijsstukken zoals wegingsbewijzen en leveringsbonnen, alsmede een verificatie van de aanwezigheid van de producten in opslag, de soort en de identificatie van de producten, die wordt uitgevoerd op ten minste 5 % van de hoeveelheid waarop de onaangekondigde controle betrekking heeft.

6.   Aan het einde van de contractuele opslagperiode verifieert de voor de controles bevoegde autoriteit voor ten minste de helft van de contracten aan de hand van steekproeven het gewicht en de identificatie van de opgeslagen producten. Met het oog op deze controle waarschuwt de contractant de bevoegde autoriteit, met vermelding van de betrokken opslagpartijen, ten minste vijf werkdagen:

a)

vóór het einde van de maximale opslagperiode, of

b)

vóór het begin van de uitslag wanneer de producten worden uitgeslagen voordat de maximale contractuele opslagperiode is verstreken.

De lidstaat kan instemmen met een waarschuwingstermijn van minder dan vijf werkdagen.

7.   Wanneer tijdens en aan het einde van de contractuele opslag het gewicht van de producten wordt gecontroleerd ter verificatie van de aanwezigheid van de producten in het pakhuis, leidt mogelijk natuurlijk gewichtsverlies niet tot een verlaging van de steun en de verbeurdverklaring van de zekerheid.

8.   Bij toepassing van het bepaalde in lid 5, onder a), wordt aan het einde van de contractuele opslagperiode geverifieerd of de zegels aanwezig en intact zijn. De verzegelingskosten en de kosten van de goederenbehandeling zijn voor rekening van de contractant.

9.   De steekproeven voor het verifiëren van de kwaliteit en de samenstelling van de producten worden genomen door ambtenaren van de voor de controles bevoegde autoriteit of in aanwezigheid van deze ambtenaren.

Bij de weging wordt een fysieke controle of verificatie van het gewicht uitgevoerd in aanwezigheid van deze ambtenaren.

Om de continuïteit van het controlespoor te verzekeren, worden de door die ambtenaren gecontroleerde voorraadboekhouding, financiële boekhouding en documenten tijdens het controlebezoek afgestempeld of geparafeerd. Wanneer computerbestanden worden geverifieerd, wordt daarvan een afdruk gemaakt die in het controledossier wordt bewaard.

Artikel 17

Rapportage over controles

1.   De voor de controles bevoegde autoriteit stelt over elke controle ter plaatse een controleverslag op. In het verslag worden de verschillende gecontroleerde aspecten nauwkeurig beschreven.

De volgende gegevens worden in het verslag opgenomen:

a)

de datum en het begintijdstip van de controle;

b)

nauwkeurige gegevens over de aankondiging van de controle;

c)

de duur van de controle;

d)

de aanwezige verantwoordelijke personen;

e)

de aard en de omvang van de uitgevoerde controles, met vermelding van, met name, gegevens over de onderzochte documenten en producten;

f)

de bevindingen en conclusies;

g)

de eventuele behoefte aan follow-up.

Het verslag wordt ondertekend door de verantwoordelijke ambtenaar en medeondertekend door de contractant of, in voorkomend geval, de beheerder van de opslagplaats, en wordt bij het betalingsdossier gevoegd.

2.   Wanneer belangrijke onregelmatigheden aan het licht komen die betrekking hebben op ten minste 5 % of meer van de gecontroleerde hoeveelheid waarvoor eenzelfde contract is afgesloten, wordt de verificatie uitgebreid tot een grotere, door de voor de controles bevoegde autoriteit te bepalen steekproef.

3.   De voor de controles bevoegde autoriteit registreert op basis van de criteria ernst, omvang, permanent karakter en herhaling elk geval van niet-naleving dat kan leiden tot uitsluiting overeenkomstig artikel 18, lid 1, en/of terugbetaling van ten onrechte betaalde steun, eventueel inclusief rente, overeenkomstig lid 4 van dat artikel.

Artikel 18

Sancties

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit van een lidstaat constateert dat een door een aanvrager ingediend document betreffende de toekenning van uit deze verordening voortvloeiende rechten, onjuiste informatie bevat die doorslaggevend is voor de toekenning van die rechten, sluit die bevoegde autoriteit de aanvrager gedurende één jaar vanaf het tijdstip waarop een definitief administratief besluit over de onregelmatigheid is vastgesteld, uit van de procedure tot verlening van steun voor het product waarover onjuiste informatie is verstrekt.

2.   De in lid 1 bedoelde uitsluiting wordt niet toegepast wanneer de aanvrager ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat de in dat lid omschreven situatie te wijten is aan overmacht of een klaarblijkelijke vergissing.

3.   Ten onrechte betaalde steun, inclusief rente, wordt teruggevorderd van de betrokken marktdeelnemers. Artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie (8) is van overeenkomstige toepassing.

4.   De in het onderhavige artikel bedoelde toepassing van administratieve sancties en terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen vinden plaats onverminderd de mededeling van onregelmatigheden aan de Commissie op grond van Verordening (EG) nr. 1848/2006 van de Commissie (9).

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(4)  Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12).

(5)  Besluit 2004/563/EG, Euratom van de Commissie van 7 juli 2004 tot wijziging van haar reglement van orde (PB L 251 van 27.7.2004, blz. 9).

(6)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 18).

(7)  Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie van 31 augustus 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de kennisgeving door de lidstaten aan de Commissie van de informatie en de documenten ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening, de regeling voor rechtstreekse betalingen, de afzetbevordering voor landbouwproducten en de regelingen voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (PB L 228 van 1.9.2009, blz. 3).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 69).

(9)  Verordening (EG) nr. 1848/2006 van de Commissie van 14 december 2006 betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en terugvordering van bedragen die in dat kader onverschuldigd zijn betaald, alsmede de organisatie van een informatiesysteem op dit gebied en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 595/91 van de Raad (PB L 355 van 15.12.2006, blz. 56).


BIJLAGE

Lidstaat

Maximale hoeveelheden

(ton)

België

1 243

Bulgarije

696

Tsjechië

1 421

Denemarken

3 334

Duitsland

23 626

Estland

454

Ierland

1 835

Griekenland

1 880

Spanje

3 635

Frankrijk

20 830

Kroatië

348

Italië

12 015

Cyprus

199

Letland

348

Litouwen

1 163

Luxemburg

33

Hongarije

827

Malta

30

Nederland

8 156

Oostenrijk

1 968

Polen

7 859

Portugal

704

Roemenië

797

Slovenië

164

Slowakije

426

Finland

1 210

Zweden

945

Verenigd Koninkrijk

3 854

Totaal

100 000


16.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 271/25


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/1853 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2015

tot vaststelling van tijdelijke buitengewone steun voor landbouwers in de veehouderijsectoren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 219, lid 1, in samenhang met artikel 228,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De mondiale groei van de vraag naar melk en zuivelproducten is heel 2014 en in de eerste helft van 2015 in het algemeen gedaald, vooral als gevolg van de afnemende uitvoer naar China, 's werelds grootste importeur van zuivelproducten.

(2)

De markt van de Unie voor varkensvlees is heel 2014 en 2015 achteruitgegaan. De binnenlandse productie in de Unie was gestegen en de sterke exportprestaties liepen fors terug als gevolg van het verlies van Rusland als exportmarkt. Vanwege de specificiteit van de markt voor varkensvlees, die wordt kenmerkt door een inherent trage aanpassing van de fokkerijsector aan een afname van de vraag naar slachtvarkens, ontstond een marktsituatie met een kritiek overaanbod en een aanhoudende prijsdruk die zwaarder is dan de normale conjuncturele prijsdruk.

(3)

Op 25 juni 2015 heeft de Russische regering bekendgemaakt dat het verbod op de invoer van landbouwproducten en levensmiddelen uit de Unie met een jaar wordt verlengd, tot en met 6 augustus 2016.

(4)

De sector melk en zuivelproducten en de sector varkensvlees worden dus geconfronteerd met marktverstoringen als gevolg van een sterke onbalans tussen vraag en aanbod.

(5)

Als gevolg daarvan zijn de prijzen van rauwe melk en varkensvlees in de Unie verder gedaald en het ziet ernaar uit dat de neerwaartse druk zal aanhouden en voor veel landbouwers, die kasstroom- en liquiditeitsmoeilijkheden ondervinden, onhoudbare niveaus zal bereiken. In juli 2015 waren de gemiddelde prijzen voor rauwe melk in de Unie met 12 % gedaald ten opzichte van de gemiddelde prijs in juli in de jaren 2010 tot en met 2014, en met 20 % ten opzichte van juli 2014. In juli 2015 was de prijs van geslachte varkens met 13 % gedaald en de prijs van biggen met 23 % ten opzichte van de gemiddelde prijs in juli 2014. Bovendien hebben de prijzen uitzonderlijk lage niveaus bereikt, onder het gemiddelde van de laatste vijf jaar.

(6)

Daarnaast had de productie van voorjaars- en zomergewassen in veel lidstaten te lijden onder de zeer hoge temperaturen in juli en augustus en de zeer lage neerslag. De sectoren rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees en schapen- en geitenvlees zijn ernstig getroffen door de stijging van de productiekosten vanwege de schaarste aan voedergewassen en weiland.

(7)

Sinds september 2014 zijn marktinterventie-instrumenten in de vorm van openbare opslag en particuliere opslag van boter en mageremelkpoeder onafgebroken beschikbaar gebleven. Deze instrumenten hebben de schadelijke effecten van de prijsdaling weliswaar verzacht, maar zij hebben de aanhoudende daling van de prijzen van zuivelproducten en rauwe melk niet verhinderd. De particuliere opslag van varkensvlees heeft de varkensprijzen in maart en april 2015 gestabiliseerd maar geen substantieel prijsherstel bewerkstelligd. Gezien de productiecyclus van varkensvlees zou de huidige marktverstoring niet op passende wijze worden aangepakt door in deze specifieke periode een steunregeling voor particuliere opslag op te zetten. Evenzo zijn de marktinstrumenten waarin bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 voor andere veehouderijsectoren is voorzien, niet ontworpen om regionaal beperkte economische problemen te verlichten. Aanvullende martkinterventiemaatregelen die in de vorm van steun voor particuliere opslag zouden kunnen worden overwogen, zouden — hoewel ze een aanvulling op de gerichte financiële steun vormen — niet in de onmiddellijke behoefte aan liquiditeit in de veehouderijsectoren voorzien aangezien zij op het niveau van het landbouwbedrijf pas op middellange termijn effect zouden hebben.

(8)

Bijgevolg doet zich een situatie voor waarin de in het kader van Verordening (EU) nr. 1308/2013 beschikbare maatregelen ontoereikend blijken te zijn om de marktverstoring te verhelpen.

(9)

Om het hoofd te bieden aan een situatie waarin de prijzen verder zouden afnemen en de marktverstoringen zouden verergeren, is het essentieel dat er gerichte financiële bijstand wordt verleend aan de veehouderijsectoren van de Unie die bijzonder zwaar worden getroffen.

(10)

Om de bestaande marktverstoring op doeltreffende en doelmatige wijze aan te pakken en te verhinderen dat de uit die verstoring resulterende situatie, of het effect ervan op de markt, blijft duren of verergert, is het passend de lidstaten steun te verlenen in de vorm van een eenmalige financiële bijdrage ter ondersteuning van de landbouwers in de veehouderijsectoren die de grootste prijsdaling, de rechtstreekse gevolgen van de verlenging van het Russische invoerverbod, en de impact van de droogte op voedergewassen ondervinden.

(11)

De financiële steun die elke betrokken lidstaat ter beschikking staat, moet worden berekend op basis van de nationale melkquota van 2014/2015 en de nationale varkensstapel, en in verhouding tot de waargenomen daling van de prijzen af landbouwbedrijf voor melk en geslachte varkens, de mate van afhankelijkheid van de Russische markt en de impact van de droogte op de productie en de prijs van voedergewassen. Om, rekening houdend met de beperkte begrotingsmiddelen, te waarborgen dat de steun terechtkomt bij de landbouwers die het zwaarst door de marktverstoring worden getroffen, moet de betrokken lidstaten de flexibiliteit worden geboden om dat nationale bedrag via de meest doeltreffende kanalen te verdelen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals de prijsdaling in de betrokken sectoren, en moet tegelijk worden gewaarborgd dat de landbouwers in de veehouderijsectoren de uiteindelijke begunstigden van de gerichte steun zijn, en elke vorm van markt- of mededingingsverstoring worden vermeden.

(12)

Aangezien met de financiële steun die aan elke betrokken lidstaat wordt toegewezen slechts een beperkt deel van de daadwerkelijke, door de landbouwers in de veehouderijsectoren geleden schade zal worden vergoed, moeten de betrokken lidstaten de toestemming krijgen om aanvullende steun aan die landbouwers te verlenen volgens dezelfde voorwaarden op het gebied van objectiviteit, niet-discriminatie en niet-verstoring van de mededinging.

(13)

Om hen de flexibiliteit te bieden om de gerichte financiële steun te verdelen zoals vereist met het oog op het aanpakken van de verstoring, moet de lidstaten worden toegestaan deze te cumuleren met andere door het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling gefinancierde steun.

(14)

Aangezien de financiële steun voor elke betrokken lidstaat in euro wordt vastgesteld, moet met het oog op een uniforme en gelijktijdige toepassing een datum worden vastgesteld waarop het aan Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk toegewezen bedrag in de nationale munteenheden van die landen wordt omgezet. Het ontstaansfeit voor de wisselkoers dient te worden bepaald overeenkomstig artikel 106 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2). Gezien het in artikel 106, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 opgenomen beginsel en gezien de in artikel 106, lid 5, onder c), van die verordening vastgestelde criteria moet het ontstaansfeit de datum zijn waarop de onderhavige verordening in werking treedt.

(15)

De in de onderhavige verordening bedoelde steun moet worden verleend bij wijze van maatregel ter ondersteuning van landbouwmarkten overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(16)

Om budgettaire redenen zal de Unie de door de lidstaten gedane uitgaven die verband houden met de steun aan de landbouwers in de veehouderijsectoren, enkel financieren indien de betrokken uitgaven binnen een bepaalde termijn zijn verricht.

(17)

Om te waarborgen dat transparant te werk wordt gegaan en het voor de lidstaten beschikbare bedrag wordt gemonitord en goed wordt beheerd, moeten de betrokken lidstaten aan de Commissie melden welke objectieve criteria worden gehanteerd om de wijze van toekenning van de steun te bepalen en welke maatregelen zijn genomen om verstoring van de mededinging te voorkomen.

(18)

Om ervoor te zorgen dat de landbouwers in de veehouderijsectoren de steun zo snel mogelijk ontvangen, moeten de betrokken lidstaten in staat worden gesteld deze verordening onverwijld uit te voeren. Daarom dient deze verordening in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er staat steun van de Unie voor een totaalbedrag van 420 000 000 EUR ter beschikking van de lidstaten om gerichte steun te verlenen aan landbouwers in de sectoren rundvlees, melk en zuivelproducten, varkensvlees en schapen- en geitenvlees („veehouderijsectoren”).

De lidstaten gebruiken de in de bijlage vastgestelde bedragen die hun ter beschikking worden gesteld voor maatregelen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en op voorwaarde dat de betrokken betalingen de mededinging niet verstoren.

De door de lidstaten genomen maatregelen zijn erop gericht de economische gevolgen van marktverstoringen te verlichten voor landbouwers in de veehouderijsectoren.

Wanneer landbouwers in de veehouderijsectoren niet de rechtstreekse begunstigden van de betalingen zijn, waarborgen de lidstaten dat het economische voordeel van de steun volledig aan die landbouwers ten goede komt.

De uitgaven van de lidstaten voor de betalingen in het kader van de onderhavige verordening komen slechts voor financiële bijstand van de Unie in aanmerking indien de lidstaten de steun uiterlijk op 30 juni 2016 hebben betaald.

2.   Voor Bulgarije, Tsjechië, Denemarken, Kroatië, Hongarije, Polen, Roemenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk is het ontstaansfeit voor de wisselkoers die wordt gebruikt voor de omrekening van de in de bijlage vastgestelde bedragen, de datum waarop deze verordening in werking treedt.

3.   De in deze verordening bedoelde steun kan worden gecumuleerd met andere steun uit het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

Artikel 2

De lidstaten kunnen voor overeenkomstig artikel 1 genomen maatregelen aanvullende steun verlenen op voorwaarde dat het betrokken bedrag niet meer bedraagt dan 100 % van het voor hen geldende bedrag zoals vastgesteld in de bijlage, en wordt toegekend volgens dezelfde voorwaarden op het gebied van objectiviteit, zoals vastgesteld in artikel 1.

De lidstaten betalen de aanvullende steun uiterlijk op 30 juni 2016.

Artikel 3

De lidstaten melden de volgende gegevens aan de Commissie:

a)

onverwijld en uiterlijk op 31 december 2015, de objectieve criteria die zijn gebruikt om de wijze van toekenning van de gerichte steun te bepalen, alsmede de maatregelen die zijn genomen om verstoring van de mededinging te voorkomen;

b)

uiterlijk op 30 september 2016, de totale uitbetaalde bedragen en het aantal en de categorie begunstigden.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).


BIJLAGE

Lidstaat

EUR

België

13 049 568

Bulgarije

6 004 009

Tsjechië

11 155 561

Denemarken

11 103 077

Duitsland

69 233 789

Estland

7 561 692

Ierland

13 734 230

Griekenland

2 258 253

Spanje

25 526 629

Frankrijk

62 899 543

Kroatië

1 812 383

Italië

25 017 897

Cyprus

354 997

Letland

8 452 333

Litouwen

12 631 869

Luxemburg

669 120

Hongarije

9 505 286

Malta

119 570

Nederland

29 937 209

Oostenrijk

7 004 590

Polen

28 946 973

Portugal

4 764 178

Roemenië

11 145 958

Slovenië

1 368 433

Slowakije

2 464 247

Finland

8 985 522

Zweden

8 220 625

Verenigd Koninkrijk

36 072 462


16.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 271/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1854 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

84,4

MA

132,6

MK

46,1

TR

56,6

ZZ

79,9

0707 00 05

AL

36,9

TR

116,7

ZZ

76,8

0709 93 10

TR

136,8

ZZ

136,8

0805 50 10

AR

161,3

CL

149,0

TR

110,2

UY

78,7

ZA

104,7

ZZ

120,8

0806 10 10

BR

252,3

EG

198,3

MA

56,6

MK

97,5

TR

169,2

ZZ

154,8

0808 10 80

AR

122,1

CL

86,3

MK

23,1

NZ

155,0

US

86,4

ZA

144,4

ZZ

102,9

0808 30 90

CN

65,9

TR

135,5

XS

95,1

ZA

218,5

ZZ

128,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

16.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 271/33


BESLUIT (EU) 2015/1855 VAN DE RAAD

van 13 oktober 2015

tot vaststelling van het namens de Europese Unie in de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie in te nemen standpunt over het verzoek van leden die een minst ontwikkeld land zijn om verlenging van de overgangsperiode uit hoofde van artikel 66, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom wat bepaalde verplichtingen inzake geneesmiddelen betreft en om ontheffing van de uit hoofde van artikel 70, leden 8 en 9, van die overeenkomst vastgestelde verplichtingen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 66, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (de „TRIPS-overeenkomst”) verleent de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom („Raad voor TRIPS”) op naar behoren met redenen omkleed verzoek van een lid dat een minst ontwikkeld land („MOL”) is, verlengingen van de overgangsperiode.

(2)

Op 14 november 2001 heeft de ministerconferentie van Doha van de Wereldhandelsorganisatie („WTO”) de Verklaring over de TRIPS-overeenkomst en de volksgezondheid („Verklaring van Doha”) vastgesteld. Deze stelde dat de verlenging van de overgangsperiode uit hoofde van artikel 66, lid 1, van de TRIPS-overeenkomst het recht van leden die een MOL zijn om andere verlengingen na te streven, onverlet liet.

(3)

Overeenkomstig punt 7 van de Verklaring van Doha en overeenkomstig artikel 66, lid 1, van de TRIPS-overeenkomst heeft de Raad voor TRIPS bij een besluit van 27 juni 2002 de overgangsperiode waarin leden die een MOL zijn niet in octrooibescherming voor geneesmiddelen hoeven te voorzien, tot 1 januari 2016 verlengd.

(4)

Op 8 juli 2002 heeft de Algemene Raad van de WTO een nauw verwant besluit vastgesteld waarbij leden die een MOL zijn, zijn ontheven van de verplichtingen, uit hoofde van artikel 70, lid 9, van de TRIPS-overeenkomst, tot het verlenen van uitsluitende rechten voor het in de handel brengen. De ontheffing geldt tot 1 januari 2016.

(5)

Op 23 februari 2015 heeft Bangladesh namens de groep van leden die een MOL zijn een verzoek ingediend tot onbeperkte verlenging van de overgangsperiode uit hoofde van artikel 66, lid 1, van de TRIPS-overeenkomst en tot onbeperkte ontheffing van de verplichtingen uit hoofde van artikel 70, leden 8 en 9, van die overeenkomst zolang elk lid dat een MOL is ook een MOL blijft.

(6)

Aangezien er sinds 2002 een afzonderlijke ontheffing is voor intellectuele eigendom die met geneesmiddelen samenhangt, is het wenselijk dat de Unie instemt met de verlenging van de overgangsperiode, om leden die een MOL zijn de toegang tot geneesmiddelen niet te belemmeren.

(7)

Verscheidene WTO-leden lijken bereid te zijn om de onbeperkte verlenging en onbeperkte ontheffing te verlenen, en derhalve moet de Unie zich aansluiten bij de consensus, in overeenstemming met haar aanhoudende steun voor de Verklaring van Doha. Indien de WTO-leden uiteindelijk echter kiezen voor een bijkomende tijdelijke verlenging en tijdelijke ontheffing, moet de Unie daar eveneens mee instemmen.

(8)

Het is wenselijk het standpunt vast te stellen dat namens de Unie in de Raad voor TRIPS en de Algemene Raad van de WTO dient te worden ingenomen over het verzoek van leden die een MOL zijn om verlenging van de overgangsperiode uit hoofde van artikel 66, lid 1, van de TRIPS-overeenkomst wat bepaalde verplichtingen inzake geneesmiddelen betreft en om ontheffing van de uit hoofde van artikel 70, leden 8 en 9, van die overeenkomst vastgestelde verplichtingen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom en de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganisatie („WTO”) in te nemen standpunt is het volgende:

a)

instemmen:

i)

met het verzoek van leden die een minst ontwikkeld land („MOL”) zijn voor een verlenging van de overgangsperiode uit hoofde van artikel 66, lid 1, van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (de „TRIPS-overeenkomst”) wat bepaalde verplichtingen inzake geneesmiddelen betreft, en

ii)

met het verzoek om leden die een MOL zijn een ontheffing van de uit hoofde van artikel 70, leden 8 en 9, van de TRIPS-overeenkomst vastgestelde verplichtingen toe te staan, en

b)

instemmen:

i)

met het verzoek voor de verlenging als bedoeld in punt a) i), van dit artikel, voor de ontheffing als bedoeld in punt a) ii), van dit artikel, of met beide, toe te passen zolang elk lid dat een MOL is ook een MOL blijft, ofwel

ii)

met het verzoek voor een tijdelijke verlenging of een tijdelijke ontheffing, of met beide, indien dat verzoek eveneens aanvaardbaar is voor de andere WTO-leden.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

16.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 271/35


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 321/14/COL

van 10 september 2014

houdende de honderdste wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun door vaststelling van nieuwe richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden [2015/1856]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (hierna „de Autoriteit” genoemd),

GEZIEN de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd), en met name de artikelen 61, 62 en 63 en Protocol nr. 26,

GEZIEN de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „de toezichtsovereenkomst” genoemd), en met name artikelen 5, lid 2, onder b), en artikel 24 en artikel 1 van deel I van Protocol nr. 3 bij die toezichtsovereenkomst,

Overwegende hetgeen volgt:

Overeenkomstig artikel 24 van de toezichtsovereenkomst geeft de Autoriteit uitvoering aan de staatssteunbepalingen van de EER-overeenkomst.

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder b), van de toezichtsovereenkomst maakt de Autoriteit mededelingen en richtsnoeren bekend over aangelegenheden waarop de EER-overeenkomst betrekking heeft, indien die Overeenkomst of de toezichtsovereenkomst daarin uitdrukkelijk voorziet of indien de Autoriteit zulks nodig acht.

Op 9 juli 2014 heeft de Europese Commissie „Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden” vastgesteld (1). In die richtsnoeren wordt uiteengezet op welke voorwaarden reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden verenigbaar kan worden verklaard. Die richtsnoeren zijn van toepassing vanaf 1 augustus 2014.

Die richtsnoeren zijn relevant voor de Europese Economische Ruimte.

Een eenvormige toepassing van de EER-staatssteunregels in de hele Europese Economische Ruimte dient te worden verzekerd overeenkomstig de homogeniteitsdoelstelling die in artikel 1 van de EER-overeenkomst is vastgesteld.

Ingevolge punt II onder de titel „ALGEMEEN” van bijlage XV bij de EER-overeenkomst dient de Autoriteit, na overleg met de Commissie, nieuwe richtsnoeren vast te stellen die met de richtsnoeren van de Europese Commissie overeenstemmen,

NA overleg met de Europese Commissie,

NA raadpleging van de EVA-staten over dit onderwerp bij brief van 1 augustus 2014,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De materiële regels op het gebied van staatssteun worden gewijzigd door de invoering van nieuwe richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden. Deze nieuwe richtsnoeren zijn aan dit besluit gehecht en maken er integrerend deel van uit.

Artikel 2

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 10 september 2014.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Oda Helen SLETNES

Voorzitter

Helga JÓNSDÓTTIR

Lid van het College


(1)   PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1.


BIJLAGE

RICHTSNOEREN VOOR REDDINGS- EN HERSTRUCTURERINGSSTEUN AAN NIET-FINANCIËLE ONDERNEMINGEN IN MOEILIJKHEDEN

DEEL III

HORIZONTALE REGELS

Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden  (1)

Inhoudsopgave

1.

INLEIDING 38

2.

TOEPASSINGSGEBIED VAN DE RICHTSNOEREN 41

2.1.

Sectoraal toepassingsgebied 41

2.2.

Materieel toepassingsgebied: het begrip „onderneming in moeilijkheden” 41

2.3.

Reddingssteun, herstructureringssteun en tijdelijke flankerende herstructureringssteun 42

2.4.

Steun ter dekking van de sociale kosten van een herstructurering 42

3.

DE VERENIGBAARHEID MET DE WERKING VAN DE EER-OVEREENKOMST 43

3.1.

Bijdrage aan een doelstelling van gemeenschappelijk belang 44

3.1.1.

Sociale tegenspoed of marktfalen aantonen 44

3.1.2.

Herstructureringsplan en herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn 45

3.2.

De noodzaak van overheidsmaatregelen 46

3.3.

Geschikt instrument 46

3.3.1.

Reddingssteun 46

3.3.2.

Herstructureringssteun 47

3.4.

Stimulerend effect 47

3.5.

Evenredigheid van het steunbedrag/steun beperkt tot het minimum 47

3.5.1.

Reddingssteun 47

3.5.2.

Herstructureringssteun 47

3.6.

Negatieve effecten 49

3.6.1.

Het eenmalige karakter van de steun 49

3.6.2.

Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging 50

3.6.3.

Ontvangers van eerdere, onrechtmatige steun 52

3.6.4.

Bijzondere voorwaarden voor de goedkeuring van steun 52

3.7.

Transparantie 52

4.

HERSTRUCTURERINGSSTEUN IN STEUNGEBIEDEN 53

5.

STEUN AAN DAEB-BEHEERDERS IN MOEILIJKHEDEN 53

6.

STEUNREGELINGEN VOOR KLEINERE STEUNBEDRAGEN EN KLEINERE BEGUNSTIGDE ONDERNEMINGEN 54

6.1.

Algemene voorwaarden 54

6.2.

Doelstelling van gemeenschappelijk belang 55

6.3.

Geschikt instrument 55

6.4.

Evenredigheid van het steunbedrag/steun beperkt tot het minimum 55

6.5.

Negatieve effecten 56

6.6.

Tijdelijke flankerende herstructureringssteun 56

6.7.

Looptijd en doorlichting 57

7.

PROCEDURES 57

7.1.

Versnelde procedure voor reddingssteun 57

7.2.

Procedures met betrekking tot herstructureringsplannen 58

7.2.1.

Tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan 58

7.2.2.

Aanpassingen aan het herstructureringsplan 58

7.2.3.

Noodzaak om alle tijdens de herstructureringsperiode aan de begunstigde onderneming toegekende steun bij de Autoriteit aan te melden 58

8.

VERSLAGLEGGING EN MONITORING 59

9.

DIENSTIGE MAATREGELEN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 1, LID 1, IN DEEL I VAN PROTOCOL NR. 3 59

10.

DATUM VAN TOEPASSING EN TOEPASSINGSDUUR 59

1.   Inleiding

1.

In deze richtsnoeren zet de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (hierna „de Autoriteit” genoemd) uiteen onder welke voorwaarden staatssteun voor de redding en herstructurering van niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar kan worden verklaard op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd).

2.

In 1994 heeft de Autoriteit de eerste richtsnoeren (kaderregeling) voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (2) vastgesteld. In 1999 is een gewijzigde versie van de richtsnoeren vastgesteld (3). In 2004 stelde de Autoriteit nieuwe richtsnoeren vast (4), waarvan de geldigheidsduur eerst werd verlengd tot en met 30 november 2012 (5) en vervolgens totdat de richtsnoeren door nieuwe regels zouden worden vervangen (6).

3.

In haar mededeling van 8 mei 2012 betreffende de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (SAM) (7) kondigde de Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) aan dat zij met de modernisering van het staatssteuntoezicht inzette op drie doelstellingen:

a)

duurzame, slimme en inclusieve groei bevorderen op een concurrerende interne markt;

b)

het voorafgaande onderzoek door de Commissie concentreren op zaken die de grootste impact op de interne markt hebben en tegelijk de samenwerking met de lidstaten versterken op het gebied van de handhaving van de staatssteunregels, en

c)

de regels stroomlijnen en sneller tot beslissingen komen.

4.

Met name werd in die mededeling ervoor gepleit om bij de herziening van de verschillende richtsnoeren en steunkaders een gemeenschappelijke benadering te hanteren, gebaseerd op het versterken van de interne markt, het bevorderen van een doeltreffender gebruik van publieke middelen door staatssteun beter te laten bijdragen aan doelstellingen van gemeenschappelijk belang, om een diepgaander onderzoek naar het stimulerende effect van steun te voeren, om steun tot het minimum te beperken en om eventuele negatieve effecten van steun op de mededinging en het handelsverkeer te voorkomen. Ook de Autoriteit hanteert deze benadering.

5.

De Autoriteit heeft de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun voor ondernemingen in moeilijkheden herzien op basis van de ervaring die zij heeft opgedaan bij de toepassing van de bestaande regels en aansluitend bij de zo-even genoemde gemeenschappelijke benadering. Bij deze herziening wordt ook rekening gehouden met de Europa 2020-strategie die de Commissie heeft uitgestippeld (8) en de vaststelling dat de negatieve effecten van staatssteun een stoorzender kunnen zijn wanneer het erop aankomt productiviteit en groei te stimuleren, gelijke kansen voor ondernemingen te behouden en nationaal protectionisme te bestrijden.

6.

Reddings- en herstructureringssteun behoort tot de meest verstorende vormen van staatssteun. Het is een vaststaand feit dat succesvolle economische sectoren hun productiviteit zien toenemen, niet omdat alle ondernemingen op de markt productiever worden, maar net omdat de meer doelmatige en technologisch meer geavanceerde ondernemingen groeien ten koste van de ondernemingen die minder doelmatig zijn of verouderde producten hebben. Wanneer minder doelmatige ondernemingen verdwijnen, krijgen hun doelmatigere concurrenten de kans om te groeien en komen ook opnieuw activa op de markt, waar zij voor productievere doeleinden kunnen worden ingezet. Doordat reddings- en herstructureringssteun dit proces kan doorkruisen, kan dit soort steun de economische groei in de betrokken sectoren aanzienlijk vertragen.

7.

Wanneer delen van een noodlijdende onderneming in wezen levensvatbaar blijven, slaagt die onderneming er misschien in om een herstructurering door te voeren waardoor zij bepaalde structureel verliesgevende activiteiten opgeeft, en de overblijvende activiteiten kunnen worden gereorganiseerd op een basis die redelijke vooruitzichten biedt op levensvatbaarheid op lange termijn. Dit soort herstructurering zou doorgaans zonder staatssteun mogelijk moeten zijn, via akkoorden met schuldeisers of via insolventie- of reorganisatieprocedures. Een moderne insolventiewetgeving dient gezonde ondernemingen te helpen overleven, dient banen te helpen veiligstellen en leveranciers in staat te stellen hun klanten te behouden en aandeelhouders waarde in rendabele vennootschappen te laten behouden (9). Insolventieprocedures kunnen ook een levensvatbare onderneming opnieuw op de markt brengen doordat zij wordt overgenomen door derden, hetzij in going concern of door de overname van diverse van haar productieactiva.

8.

Een en ander betekent dat ondernemingen alleen op staatssteun aanspraak zouden mogen maken wanneer zij alle op de markt beschikbare opties hebben uitgeput en wanneer dit soort steun noodzakelijk is voor het behalen van een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang. Ondernemingen zouden slechts eens in de tien jaar op grond van deze richtsnoeren steun mogen krijgen (eenmalig karakter van de steun).

9.

Een ander probleem is het moral hazard-probleem dat door staatssteun ontstaat. Ondernemingen die erop rekenen dat zij waarschijnlijk zullen worden gered wanneer zij in de problemen komen, kunnen buitensporig risicovolle en onhoudbare zakelijke strategieën aangaan. Bovendien kan het vooruitzicht op reddings- en herstructureringssteun voor een bepaalde onderneming haar kapitaalkosten kunstmatig verlagen, waardoor zij een onterecht concurrentievoordeel op de markt krijgt.

10.

Reddings- en herstructureringssteun voor ondernemingen in moeilijkheden kan ook de interne markt ondermijnen doordat een onbillijk deel van de lasten van structurele aanpassingen — en de daarmee gepaard gaande sociale en economische problemen — op andere overeenkomstsluitende partijen wordt afgeschoven. Dit is op zich onwenselijk en kan de aanzet zijn voor een schadelijke subsidiewedloop tussen overeenkomstsluitende partijen. Dit soort steun kan ook toegangsbarrières opwerpen en de prikkels voor grensoverschrijdende activiteiten aantasten, hetgeen ingaat tegen de doelstellingen van de interne markt.

11.

Daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat dit soort steun alleen wordt toegestaan onder voorwaarden die de potentieel schadelijke effecten ervan mitigeren en die een doelmatige besteding van publieke middelen bevorderen. Wat herstructureringssteun betreft, hebben de voorwaarden met betrekking tot het herstel van de levensvatbaarheid, de eigen bijdrage en maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging, hun waarde bewezen wanneer het erom gaat de potentieel schadelijke effecten van dit soort steun te mitigeren. Die voorwaarden blijven in het kader van deze richtsnoeren gelden, waar nodig aangepast om rekening te houden met de recente ervaring van de Autoriteit. Het begrip „lastendeling” is onder meer geïntroduceerd om de kwestie van de moral hazard beter te kunnen aanpakken. In het geval van reddingssteun en tijdelijke flankerende herstructureringssteun worden potentieel schadelijke effecten gemitigeerd door beperkingen wat betreft de periode waarvoor steun mag worden verleend, en de vorm van de steun.

12.

Wanneer de steun wordt verleend in de vorm van liquiditeitssteun die zowel qua bedrag als qua looptijd beperkt is, nemen de bezwaren over mogelijke schadelijke effecten sterk af, waardoor dit soort steun op minder strenge voorwaarden kan worden goedgekeurd. Hoewel dit soort steun in beginsel kan worden gebruikt om een volledig herstructureringsproces te ondersteunen, betekent het feit dat reddingssteun beperkt is tot zes maanden, dat dit zelden gebeurt; integendeel, op reddingssteun sluit doorgaans herstructureringssteun aan.

13.

Om het gebruik van minder verstorende vormen van steun aan te moedigen, wordt in deze richtsnoeren het nieuwe concept „tijdelijke flankerende herstructureringssteun” geïntroduceerd. Tijdelijke flankerende herstructureringssteun kan, evenals reddingssteun, alleen worden toegekend in de vorm van liquiditeitssteun die zowel qua bedrag als qua looptijd beperkt is. Om echter een volledig herstructureringsproces te kunnen ondersteunen, wordt de maximale looptijd van tijdelijke flankerende herstructureringssteun vastgesteld op 18 maanden. Tijdelijke flankerende herstructureringssteun mag alleen aan kmo's (10) en kleinere overheidsbedrijven (11) worden verleend, die, wat de toegang tot liquiditeit betreft, voor grotere uitdagingen staan dan grote ondernemingen.

14.

Wanneer steun aan in moeilijkheden verkerende beheerders van diensten van algemeen economisch belang (hierna „DAEB's” genoemd) onder deze richtsnoeren valt, dient de beoordeling te worden uitgevoerd volgens de standaardbeginselen van deze richtsnoeren. Wel dient de specifieke toepassing van die beginselen, waar nodig, te worden aangepast om rekening te houden met het specifieke karakter van DAEB's, en met name de noodzaak om de continuïteit van de dienstverlening te verzekeren, overeenkomstig artikel 59, lid 2, van de EER-overeenkomst.

15.

In de huidige omstandigheden van aanzienlijke Europese en mondiale overcapaciteit is staatssteun voor de redding en herstructurering van ijzer- en staalondernemingen in moeilijkheden niet gerechtvaardigd. De ijzer- en staalindustrie dient dus van het toepassingsgebied van deze richtsnoeren te worden uitgesloten.

16.

Wat de Europese Unie betreft, wordt in Besluit 2010/787/EU van de Raad (12) uiteengezet onder welke voorwaarden tot 2027 exploitatiesteun, sociale steun en milieusteun mag worden verleend aan de niet-concurrentiekrachtige productie in de kolenindustrie (13). De huidige regels zijn er gekomen na de vorige sectorale regels die in de periode 2002-2010 (14) en de periode 1993-2002 (15) van toepassing waren en die de herstructurering van niet-concurrentiekrachtige ondernemingen in de kolenindustrie ondersteunden. Daardoor, en gezien de aanhoudende behoefte aan steunverlening voor de structurele aanpassing van de kolenproductie in de Unie, zijn de huidige regels strenger dan de voorgaande en eisen zij dat uiterlijk tegen 31 december 2018 de productie en verkoop van gesteunde kolenproductie definitief wordt stopgezet en dat niet-concurrentiekrachtige productie-eenheden definitief worden gesloten. Op grond van die regels hebben meerdere lidstaten van de Europese Unie plannen opgesteld, die nu in uitvoering zijn en die moeten leiden tot de definitieve sluiting van kolenmijnen in moeilijkheden die door ondernemingen in deze sector worden geëxploiteerd (16). De Autoriteit tekent aan dat Besluit 2010/787/EU niet van toepassing is op EER-/EVA-staten. De Autoriteit heeft besloten om de kolenindustrie, gezien de specifieke kenmerken ervan, van het toepassingsgebied van deze richtsnoeren uit te sluiten.

17.

De ervaring die de Autoriteit tijdens de financieel-economische crisis heeft opgedaan met de redding en herstructurering van financiële instellingen, heeft geleerd dat, gezien de specifieke kenmerken van financiële instellingen en financiële markten, specifieke regels voor de financiële sector gunstig kunnen zijn. Ondernemingen die onder de specifieke regels voor de financiële sector vallen, zijn dus uitgesloten van het toepassingsgebied van deze richtsnoeren.

2.   Toepassingsgebied van de richtsnoeren

2.1.   Sectoraal toepassingsgebied

18.

De Autoriteit zal deze richtsnoeren toepassen op steun aan alle ondernemingen in moeilijkheden, behalve de ondernemingen die actief zijn in de kolenindustrie (17) of de ijzer- en staalindustrie (18), en de ondernemingen die vallen onder de specifieke regels voor financiële instellingen (19), onverminderd specifieke regels voor ondernemingen in moeilijkheden in een bepaalde sector (20).

2.2.   Materieel toepassingsgebied: het begrip „onderneming in moeilijkheden”

19.

Een overeenkomstsluitende partij die voornemens is om, overeenkomstig deze richtsnoeren, steun te verlenen aan een onderneming, moet op objectieve gronden aantonen dat de betrokken onderneming een onderneming in moeilijkheden is in de zin van dit onderdeel, behoudens de specifieke bepalingen voor reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun van punt 29.

20.

Voor de toepassing van deze richtsnoeren wordt een onderneming beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Daarom wordt een onderneming als onderneming in moeilijkheden beschouwd indien zich ten minste één van de volgende omstandigheden voordoet:

a)

in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (21): meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal (22) is verdwenen door de opgebouwde verliezen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming) een negatief cumulatief bedrag oplevert dat hoger is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal;

b)

in het geval van een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van de onderneming (23): meer dan de helft van het kapitaal van de onderneming zoals dat in de boeken van de onderneming is vermeld, is door de gecumuleerde verliezen verdwenen;

c)

tegen de onderneming loopt een collectieve insolventieprocedure of de onderneming voldoet volgens het nationale recht aan de criteria om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

d)

in het geval van een onderneming die geen kmo is: wanneer de afgelopen twee jaar:

i)

de verhouding tussen de schulden en het eigen vermogen van de onderneming meer dan 7,5 bedroeg, en

ii)

de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0.

21.

Een nieuw opgerichte onderneming komt niet in aanmerking voor steun op grond van deze richtsnoeren, zelfs indien haar initiële financiële positie onzeker is. Dit is bijvoorbeeld het geval voor een onderneming die uit de liquidatie van een bestaande onderneming ontstaat of die gewoon de activa van die onderneming overneemt. Een onderneming zal in beginsel als een nieuw opgerichte onderneming worden beschouwd gedurende de eerste drie jaar na de aanvang van activiteiten in de betrokken sector. Pas na die periode zal zij in aanmerking komen voor steun op grond van deze richtsnoeren, mits:

a)

zij kwalificeert als een onderneming in moeilijkheden in de zin van deze richtsnoeren, en

b)

zij geen deel uitmaakt van een grotere ondernemingsgroep (24), tenzij onder de in punt 22 vastgestelde voorwaarden.

22.

Een onderneming die deel uitmaakt van of die wordt overgenomen door een ondernemingsgroep, komt in beginsel niet voor steun op grond van deze richtsnoeren in aanmerking, tenzij kan worden aangetoond dat de moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep, en dat deze moeilijkheden van de onderneming te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost. Wanneer een onderneming in moeilijkheden een dochteronderneming opricht, zal de dochteronderneming samen met de onderneming in moeilijkheden onder wier zeggenschap zij staat, worden beschouwd als een ondernemingsgroep en kan deze steun ontvangen op de in dit punt vastgestelde voorwaarden.

23.

Aangezien het bestaan zelf van een onderneming in moeilijkheden in het gedrang is, kan dit soort onderneming, zolang haar levensvatbaarheid niet is verzekerd, niet worden beschouwd als een passend instrument om aan de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen. Bijgevolg is de Autoriteit van mening dat steun aan ondernemingen in moeilijkheden alleen wanneer aan de in de onderhavige richtsnoeren uiteengezette voorwaarden is voldaan, kan bijdragen tot de ontwikkeling van de economische bedrijvigheid zonder het handelsverkeer zodanig te veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, zelfs indien deze steun wordt toegekend in overeenstemming met een reeds goedgekeurde regeling.

24.

Daarom wordt onder meer in een aantal verordeningen en mededelingen op het gebied van staatssteun verboden dat ondernemingen in moeilijkheden steun ontvangen. Voor de toepassing van die verordeningen en mededelingen, en tenzij daarin anders is bepaald:

a)

dient onder „ondernemingen in moeilijkheden” te worden verstaan: ondernemingen in moeilijkheden in de zin van punt 20 van deze richtsnoeren, en

b)

zal een kmo die minder dan drie jaar bestaat, alleen als een onderneming in moeilijkheden worden beschouwd indien deze voldoet aan de voorwaarde van punt 20, onder c).

2.3.   Reddingssteun, herstructureringssteun en tijdelijke flankerende herstructureringssteun

25.

Deze richtsnoeren handelen over drie soorten steun: reddingssteun, herstructureringssteun en tijdelijke flankerende herstructureringssteun.

26.

Reddingssteun is naar zijn aard urgente en tijdelijke steun. Hoofddoel ervan is een noodlijdende onderneming in staat te stellen zich te handhaven gedurende de korte periode die nodig is om een herstructurerings- of liquidatieplan uit te werken. Als algemeen beginsel geldt dat reddingssteun het mogelijk maakt tijdelijk steun te verlenen aan een onderneming die wordt geconfronteerd met een aanzienlijke verslechtering van haar financiële situatie, tot uiting komend in een acute liquiditeitscrisis of technische insolventie. Dit soort tijdelijke steun dient de nodige tijd bieden om de omstandigheden te analyseren die tot de moeilijkheden hebben geleid, en om een passend plan uit te werken om deze moeilijkheden te verhelpen.

27.

Herstructureringssteun behelst vaak bijstand van meer permanente aard en moet de levensvatbaarheid op langere termijn van de begunstigde onderneming herstellen op basis van een haalbaar, samenhangend en ingrijpend herstructureringsplan, terwijl dit soort steun tegelijk ruimte moet bieden voor een afdoende eigen bijdrage en lastendeling en het beperken van de mogelijke verstoringen van de mededinging.

28.

Tijdelijke flankerende herstructureringssteun is liquiditeitssteun om de herstructurering van een onderneming te ondersteunen door de voorwaarden te scheppen die de begunstigde onderneming nodig heeft om, met het oog het herstel van haar levensvatbaarheid op lange termijn, passende maatregelen uit te werken en ten uitvoer te leggen. Tijdelijke flankerende herstructureringssteun mag alleen aan kmo's en kleinere overheidsbedrijven worden verleend.

29.

In afwijking op punt 19 kan reddingssteun en, in het geval van kmo's en kleinere overheidsbedrijven, tijdelijke herstructureringssteun ook worden toegekend aan ondernemingen die niet in de zin van punt 20 in moeilijkheden verkeren, maar die als gevolg van uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden wel te maken hebben met acute liquiditeitsbehoeften.

2.4.   Steun ter dekking van de sociale kosten van een herstructurering

30.

Herstructurering brengt normaal gesproken inkrimping van of terugtrekking uit de getroffen activiteiten met zich mee. Dit soort besnoeiingen zijn vaak noodzakelijk met het oog op rationalisering en efficiëntie en staan los van capaciteitsinkrimpingen die als voorwaarde voor de goedkeuring van steun kunnen worden verlangd. Welke reden ook aan deze maatregelen ten grondslag ligt, zij zullen doorgaans tot een inkrimping van het aantal arbeidsplaatsen binnen de begunstigde onderneming leiden.

31.

Het arbeidsrecht van de overeenkomstsluitende partijen bevat soms algemene socialezekerheidsregelingen waarbij is voorzien in bepaalde uitkeringen die rechtstreeks aan de ontslagen werknemers worden betaald. Dit soort regelingen gelden niet als staatssteun die onder artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst valt.

32.

Naast deze socialezekerheidsuitkeringen voor werknemers bestaan vaak algemene sociale steunregelingen waarmee de overheid de kosten van de uitkeringen dekt die een onderneming aan ontslagen werknemers verstrekt en die verder gaan dan haar wettelijke of contractuele verplichtingen. Wanneer dergelijke regelingen, zonder enige sectorale beperking, algemeen beschikbaar zijn voor iedere werknemer die voldoet aan vooraf vastgestelde voorwaarden om automatisch in aanmerking te komen, worden zij voor ondernemingen in herstructurering niet als steun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst beschouwd. Indien deze regelingen daarentegen worden gebruikt om de herstructurering in specifieke bedrijfstakken te ondersteunen, kan er wel van steun sprake zijn wegens de selectieve wijze waarop zij worden toegepast (25).

33.

Verplichtingen tot het aan ontslagen werknemers betalen van bepaalde uitkeringen die ingevolge het arbeidsrecht of collectieve overeenkomsten met vakbonden op de onderneming zelf rusten (zoals ontslagvergoedingen of maatregelen om de werknemers beter inzetbaar te maken), maken deel uit van de gewone bedrijfskosten die een onderneming uit eigen middelen dient te bekostigen. Derhalve dient elke bijdrage van de staat in die kosten als steun te worden aangemerkt. Dit geldt ongeacht of de bedragen rechtstreeks aan de onderneming worden betaald of via een overheidsinstantie aan de werknemers worden uitgekeerd.

34.

De Autoriteit maakt niet a priori bezwaar tegen dit soort steun wanneer deze aan ondernemingen in moeilijkheden wordt toegekend; de steun levert immers economische voordelen op die verder gaan dan de belangen van de betrokken onderneming, omdat deze structurele veranderingen mogelijk maakt en ernstige problemen helpt te verzachten.

35.

Dit soort steun geeft niet alleen rechtstreekse financiële steun, maar wordt in het kader van een specifieke herstructureringsregeling doorgaans ook verstrekt ten behoeve van opleiding, advisering en praktische hulp bij het vinden van ander werk, als tegemoetkoming bij overplaatsing, en voor beroepsopleiding en als bijstand aan werknemers die een nieuw bedrijf willen beginnen. Aangezien dit soort maatregelen die de inzetbaarheid van ontslagen werknemers vergroten, de doelstelling dient van het verzachten van sociale tegenspoed, neemt de Autoriteit ten aanzien van dit soort steun steeds een positief standpunt in wanneer die aan ondernemingen in moeilijkheden wordt toegekend.

3.   De verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst

36.

De omstandigheden waarin staatssteun voor ondernemingen in moeilijkheden als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst kan worden goedgekeurd, zijn uiteengezet in artikel 61, leden 2 en 3, van de EER-overeenkomst. Volgens artikel 61, lid 3, onder c), is de Autoriteit bevoegd om haar goedkeuring te hechten aan „steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te […] vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad”. Dit kan met name het geval zijn wanneer de steun noodzakelijk is om door marktfalen veroorzaakte onevenwichtigheden te corrigeren of om economische en sociale cohesie te garanderen.

37.

Steunmaatregelen voor grote ondernemingen moeten individueel bij de Autoriteit worden aangemeld. Onder bepaalde voorwaarden kan de Autoriteit steun toestaan voor kleinere steunbedragen voor kmo's en kleinere overheidsbedrijven; die voorwaarden zijn in hoofdstuk 6 uiteengezet (26).

38.

Bij haar beoordeling of aangemelde steun met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar kan worden verklaard, zal de Autoriteit nagaan of elk van de volgende criteria is vervuld:

a)

bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang: een staatssteunmaatregel moet gericht zijn op een doelstelling van gemeenschappelijk belang in overeenstemming met artikel 61, lid 3, van de EER-overeenkomst (onderdeel 3.1);

b)

noodzaak van overheidsmaatregelen: een staatssteunmaatregel moet zijn gericht op situaties waar steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen, door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor marktfalen of door iets te doen aan een rechtvaardigheids- of cohesieprobleem (onderdeel 3.2);

c)

de steunmaatregel is een geschikt instrument: een steunmaatregel zal alleen als verenigbaar worden beschouwd indien dezelfde doelstelling niet met andere, minder verstorende maatregelen kan worden behaald (onderdeel 3.3);

d)

stimulerend effect: aangetoond moet worden dat, zonder de steun, de begunstigde onderneming zou zijn geherstructureerd, verkocht of geliquideerd op een wijze waarmee de doelstelling van gemeenschappelijk belang niet zou zijn behaald (onderdeel 3.4);

e)

evenredigheid van het steunbedrag (steun beperkt tot het minimum): het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te behalen (onderdeel 3.5);

f)

vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer tussen overeenkomstsluitende partijen: de negatieve effecten van de steun moeten voldoende beperkt zijn, zodat de maatregel per saldo positief is (onderdeel 3.6);

g)

transparantie van de steun: de overeenkomstsluitende partijen, de Autoriteit, marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle betreffende besluiten en relevante informatie over de toegekende steun (onderdeel 3.7).

39.

Indien aan een van de bovenstaande criteria niet is voldaan, zal de maatregel niet als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst worden beschouwd.

40.

De volledige afwegingstoets kan voor bepaalde categorieën regelingen verder afhankelijk worden gesteld van de eis dat achteraf een doorlichting wordt uitgevoerd, zoals die in de punten 118, 119 en 120 van deze richtsnoeren wordt beschreven.

41.

Bovendien kan, indien een steunmaatregel of de daaraan gekoppelde voorwaarden (zoals de financieringsmethode wanneer die van de steunmaatregel integrerend deel uitmaakt) leiden tot een daarmee onlosmakelijk verbonden schending van het EER-recht, de steun niet met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar worden verklaard (27).

42.

In dit hoofdstuk zet de Autoriteit uiteen onder welke voorwaarden zij elk van de in punt 38 genoemde criteria zal beoordelen.

3.1.   Bijdrage aan een doelstelling van gemeenschappelijk belang

43.

Omdat het voor de productiviteitsgroei belangrijk is dat activiteiten van de markt verdwijnen, kan het gewoonweg proberen te voorkomen dat een onderneming de markt verlaat, geen voldoende verantwoording zijn voor steunverlening. Er dienen duidelijke bewijzen te worden geleverd dat met de steun een doelstelling van gemeenschappelijk belang wordt nagestreefd, doordat de maatregel inzet op het voorkomen van sociale tegenspoed of het aanpakken van marktfalen (onderdeel 3.1.1) of op het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn (onderdeel 3.1.2).

3.1.1.   Sociale tegenspoed of marktfalen aantonen

44.

Overeenkomstsluitende partijen moeten aantonen dat het verdwijnen van de begunstigde onderneming het risico inhoudt op ernstige sociale tegenspoed of zwaar marktfalen, met name door aan te tonen dat:

a)

het werkloosheidspercentage in de betrokken regio of regio's (op NUTS II-niveau):

i)

ofwel hoger ligt dan het EER-gemiddelde, hardnekkig is en gepaard gaat met moeilijkheden om nieuwe werkgelegenheid in de betrokken regio of regio's te scheppen,

ii)

ofwel hoger ligt dan het landelijke gemiddelde, hardnekkig is en gepaard gaat met moeilijkheden om nieuwe werkgelegenheid in de betrokken regio of regio's te scheppen;

b)

er een risico bestaat op verstoring van een belangrijke dienst die moeilijk te dupliceren is en wanneer het voor concurrenten moeilijk zou zijn om zomaar in te stappen (bijvoorbeeld een landelijke aanbieder van infrastructuur);

c)

het verdwijnen van een onderneming met aanzienlijke systemische relevantie voor een bepaalde regio of sector (bijvoorbeeld als aanbieder van belangrijke input) potentieel negatieve gevolgen zou hebben;

d)

er een risico bestaat op verstoring van de continuïteit in het beheer van een DAEB;

e)

marktfalen of perverse prikkels op kredietmarkten een anders levensvatbare onderneming in het faillissement zouden storten;

f)

het van de markt verdwijnen van de betrokken onderneming onherstelbaar verlies van belangrijke technische kennis of deskundigheid met zich zou meebrengen, of

g)

vergelijkbare situaties van ernstige problemen die de betrokken overeenkomstsluitende partij afdoende kan staven, zouden ontstaan.

3.1.2.   Herstructureringsplan en herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn

45.

Herstructureringssteun in de zin van deze richtsnoeren kan niet beperkt blijven tot financiële steun om verliezen uit het verleden aan te zuiveren, zonder de oorzaken van deze verliezen aan te pakken. Daarom zal de Autoriteit in het geval van herstructureringssteun eisen dat de betrokken overeenkomstsluitende partij een haalbaar, samenhangend en ingrijpend herstructureringsplan indient dat de levensvatbaarheid van de begunstigde onderneming op lange termijn herstelt (28). Herstructurering kan een of meer van de volgende elementen omvatten: de reorganisatie en rationalisering van de activiteiten van de onderneming op efficiëntere basis, waarbij doorgaans verliesgevende activiteiten worden afgestoten, opnieuw concurrerend te maken bestaande activiteiten worden geherstructureerd en, mogelijkerwijze, wordt gediversifieerd naar nieuwe en levensvatbare activiteiten. Doorgaans omvat dit proces ook een financiële herstructurering in de vorm van kapitaalinjecties door nieuwe of bestaande aandeelhouders en een schuldvermindering door de bestaande schuldeisers.

46.

De toekenning van steun moet dus afhankelijk worden gesteld van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan, dat in alle gevallen van ad-hocsteun door de Autoriteit moet worden bekrachtigd.

47.

Het herstructureringsplan moet de levensvatbaarheid op lange termijn van de begunstigde onderneming binnen een redelijk tijdsbestek herstellen en dient te zijn gebaseerd op realistische veronderstellingen betreffende de toekomstige bedrijfsomstandigheden, waarbij alle verdere staatssteun die niet onder het herstructureringsplan valt, dient te worden uitgesloten. De herstructureringsperiode dient zo kort mogelijk te zijn. Het herstructureringsplan moet met alle noodzakelijke gegevens aan de Autoriteit worden voorgelegd en moet met name de in dit onderdeel 3.1.2 beschreven gegevens bevatten.

48.

Het herstructureringsplan moet de oorzaken geven van de moeilijkheden van de begunstigde onderneming en haar zwakke punten identificeren, en moet schetsen hoe de voorgenomen herstructureringsmaatregelen een oplossing zullen bieden voor de onderliggende problemen van de begunstigde onderneming.

49.

Het herstructureringsplan moet informatie verschaffen over het bedrijfsmodel van de begunstigde onderneming waaruit moet blijken hoe het plan de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn zal bevorderen. Daarbij dient het met name te gaan om informatie over de structurele organisatie van de begunstigde onderneming, haar financiering, corporate governance en alle overige relevante aspecten. In het herstructureringsplan dient te worden nagegaan of de moeilijkheden van de begunstigde onderneming hadden kunnen worden vermeden door gepast en snel ingrijpen van het management en dient, in voorkomend geval, te worden aangetoond dat de nodige aanpassingen op managementniveau hebben plaatsgevonden. Wanneer de moeilijkheden van de begunstigde onderneming voortvloeien uit zwakke punten in haar ondernemingsmodel of corporate governance-systeem, zullen de nodige aanpassingen nodig zijn.

50.

De uitkomsten die van de geplande herstructurering worden verwacht, dienen te worden aangetoond zowel in een nulscenario (basispad) als in een pessimistisch scenario (of worstcasescenario). Met het oog daarop dient het herstructureringsplan onder meer rekening te houden met de bestaande toestand en de toekomstige vooruitzichten van vraag en aanbod op de relevante productmarkt en de belangrijkste kostenfactoren in de bedrijfstak, volgens aannames in een nulscenario en in een ongunstig scenario, alsmede de specifieke sterke en zwakke punten van de begunstigde onderneming. Aannames dienen te worden vergeleken met geschikte sectorale benchmarks en dienen, waar nodig, te worden aangepast om rekening te houden met land- of sectorspecifieke omstandigheden. De begunstigde onderneming dient een marktstudie en een gevoeligheidsanalyse te verschaffen waaruit blijkt welke parameters bepalend zijn voor de prestaties van de onderneming en wat de belangrijke risicofactoren voor de toekomst zijn.

51.

Het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming dient vooral het resultaat te zijn van interne maatregelen die met name de terugtrekking inhouden uit activiteiten die op middellange termijn structureel verliesgevend zouden blijven. Het herstel van de levensvatbaarheid mag niet afhankelijk zijn van optimistische aannames over externe factoren zoals fluctuaties in prijzen, vraag naar of aanbod van schaarse hulpbronnen; evenmin mag het verband houden met het feit dat de begunstigde onderneming beter zou presteren dan de markt en haar concurrenten, of het feit dat zij nieuwe activiteiten ontwikkelt of uitbreidt waarvoor zij geen ervaring of trackrecord heeft (tenzij een en ander goed is onderbouwd en noodzakelijk is om redenen van diversificatie en levensvatbaarheid).

52.

Levensvatbaarheid op lange termijn wordt bereikt wanneer een onderneming erin slaagt een passend verwacht rendement op kapitaal te behalen nadat al haar kosten zijn gedekt, met inbegrip van afschrijvingen en financiële kosten. Na herstructurering zou de onderneming op eigen kracht op de markt moeten kunnen concurreren.

3.2.   De noodzaak van overheidsmaatregelen

53.

Overeenkomstsluitende partijen die voornemens zijn herstructureringssteun te verlenen, moeten een vergelijking overleggen met een geloofwaardig alternatief scenario waarmee geen staatssteun gemoeid is, om aan te tonen hoe de relevante doelstelling of doelstellingen uit onderdeel 3.1.1 níét zou of zouden worden bereikt of, in het alternatieve scenario, in mindere mate zou of zouden worden bereikt. Bij dit soort scenario's kan het bijvoorbeeld gaan om een schuldherschikking, de afstoting van activa, het aantrekken van particulier kapitaal, een verkoop aan een concurrent of een opsplitsing, telkens ofwel door het inleiden van een insolventie- of reorganisatieprocedure of in ander verband.

3.3.   Geschikt instrument

54.

Overeenkomstsluitende partijen dienen ervoor te zorgen dat de steun wordt toegekend in de vorm waarmee de doelstelling op de minst verstorende wijze kan worden behaald. In het geval van ondernemingen in moeilijkheden kan dat worden bereikt door ervoor te zorgen dat de steun de geschikte vorm heeft om de moeilijkheden van de begunstigde onderneming aan te pakken en dat deze passend wordt vergoed. In dit onderdeel worden de voorwaarden uiteengezet waaraan moet zijn voldaan, om het bewijs te leveren dat een steunmaatregel een geschikt instrument is.

3.3.1.   Reddingssteun

55.

Om door de Autoriteit te kunnen worden goedgekeurd, moet reddingssteun aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

bestaan in tijdelijke liquiditeitssteun in de vorm van leninggaranties of leningen;

b)

de financiële kosten van de lening of, in het geval van leninggaranties, de totale financieringskosten van de gegarandeerde lening, met inbegrip van de rente van de lening en de garantiepremie, moeten voldoen aan punt 56;

c)

behoudens hetgeen in punt d) anderszins is bepaald, moeten alle leningen zijn terugbetaald en alle garanties zijn afgelopen binnen een termijn van maximaal zes maanden na de uitkering van de eerste tranche aan de begunstigde onderneming;

d)

de overeenkomstsluitende partijen moeten toezeggen om de Autoriteit uiterlijk zes maanden nadat toestemming is gegeven voor de reddingsmaatregel of, in het geval van niet-aangemelde steun, uiterlijk zes maanden na de uitkering van de eerste tranche aan de begunstigde onderneming, mee te delen:

i)

het bewijs dat de lening volledig is terugbetaald en/of dat de garantie is stopgezet, of

ii)

mits de begunstigde onderneming kwalificeert als een onderneming in moeilijkheden (en niet alleen te kampen heeft met acute liquiditeitsbehoeften in de in punt 29 bepaalde omstandigheden) een herstructureringsplan als beschreven in onderdeel 3.1.2. Nadat een herstructureringsplan is ingediend, zal de toestemming voor de reddingssteun automatisch worden verlengd totdat de Autoriteit tot een definitief besluit over het herstructureringsplan komt, tenzij de Autoriteit besluit dat die verlenging niet gerechtvaardigd is of in de tijd of qua omvang dient te worden beperkt. Zodra een herstructureringsplan waarvoor steun is gevraagd, is uitgewerkt en ten uitvoer wordt gelegd, zal alle verdere steun als herstructureringssteun worden beschouwd, of

iii)

een liquidatieplan waarin in detail de stappen worden beschreven die binnen een redelijk tijdsbestek leiden tot de liquidatie van de begunstigde onderneming zonder verdere steun;

e)

reddingssteun mag niet worden gebruikt voor het financieren van structurele maatregelen, zoals de overname of verkoop van belangrijke bedrijfsonderdelen of activa, tenzij dat tijdens de reddingsperiode vereist is voor het overleven van de begunstigde onderneming.

56.

De hoogte van de vergoeding die een begunstigde onderneming voor reddingssteun moet betalen, dient een afspiegeling te zijn van de onderliggende kredietwaardigheid van de begunstigde onderneming, rekening houdende met de tijdelijke effecten van zowel de liquiditeitsproblemen als de overheidsondersteuning, en dient voor de begunstigde onderneming prikkels te bevatten om de steun zo snel mogelijk terug te betalen. Daarom zal de Autoriteit eisen dat de vergoeding wordt vastgesteld als een percentage dat ten minste het referentiepercentage bedraagt zoals dat in de richtsnoeren betreffende het referentiepercentage (29) is bepaald voor zwakke ondernemingen met een normale zekerheidsstelling (thans 1-jaars IBOR, vermeerderd met 400 basispunten) (30), en met ten minste 50 basispunten wordt vermeerderd voor reddingssteun die wordt goedgekeurd overeenkomstig punt 55, onder d), ii).

57.

Wanneer er bewijzen voorhanden zijn dat het hier in punt 56 genoemde percentage, geen passende benchmark is — bijvoorbeeld omdat dit sterk afwijkt van het markttarief voor vergelijkbare, recentelijk door de begunstigde ondernemingen uitgegeven instrumenten — kan de Autoriteit de hoogte van de vereiste vergoeding overeenkomstig aanpassen.

3.3.2.   Herstructureringssteun

58.

Het staat de overeenkomstsluitende partijen vrij de vorm te kiezen die herstructureringssteun aanneemt. Wel dienen zij daarbij ervoor te zorgen dat het gekozen instrument geschikt is voor het probleem dat daarmee moet worden verholpen. Met name dienen de overeenkomstsluitende partijen na te gaan of de problemen van de begunstigde ondernemingen verband houden met liquiditeit of solvabiliteit en moeten zij geschikte instrumenten kiezen om de vastgestelde problemen aan te pakken. In het geval van bijvoorbeeld solvabiliteitsproblemen kan een uitbreiding van de activa door een herkapitalisatie een geschikt middel zijn, terwijl in een situatie waar er vooral op het gebied van liquiditeit problemen zijn, steun via leningen of leninggaranties voldoende kan zijn.

3.4.   Stimulerend effect

59.

Overeenkomstsluitende partijen die voornemens zijn herstructureringssteun toe te kennen, moeten aantonen dat de begunstigde onderneming, zonder de steun, zou zijn geherstructureerd, verkocht of geliquideerd op een wijze waarmee de in onderdeel 3.1.1 genoemde doelstelling van gemeenschappelijk belang niet zou zijn behaald. Dit bewijs kan worden geleverd in het kader van de analyse die overeenkomstig punt 53 is gepresenteerd.

3.5.   Evenredigheid van het steunbedrag/steun beperkt tot het minimum

3.5.1.   Reddingssteun

60.

Reddingssteun moet beperkt zijn tot het bedrag dat nodig is om de begunstigde onderneming gedurende zes maanden in bedrijf te houden. Bij het bepalen van dat bedrag zal rekening moeten worden gehouden met de uitkomst van de in bijlage I beschreven formule. Alle steun die hoger uitvalt dan de uitkomst van die berekening, zal alleen worden toegestaan indien deze goed onderbouwd wordt door het verschaffen van een liquiditeitsplan waarin de liquiditeitsbehoeften van de begunstigde onderneming voor de komende zes maanden worden beschreven.

3.5.2.   Herstructureringssteun

61.

Het bedrag en de steunintensiteit van herstructureringssteun moeten beperkt blijven tot het minimum dat strikt noodzakelijk is om de herstructurering mogelijk te maken, in samenhang met de voorhanden zijnde financiële middelen van de onderneming, van haar aandeelhouders of van de ondernemingsgroep waarvan zij deel uitmaakt. Met name moet worden gezorgd voor een voldoende grote eigen bijdrage in de kosten van de herstructurering en een afdoende mate van lastendeling, zoals nader uiteengezet in dit onderdeel 3.5.2. Bij deze beoordeling zal eerder toegekende reddingssteun mede in aanmerking worden genomen.

3.5.2.1.   Eigen bijdrage

62.

Van de steun ontvangende onderneming, haar aandeelhouders of schuldeisers of de ondernemingsgroep waarvan zij deel uitmaakt, of van nieuwe investeerders wordt verwacht dat zij uit eigen middelen een aanzienlijke bijdrage (31) aan de herstructurering leveren. Die eigen bijdrage dient normaal gesproken met de toegekende steun vergelijkbaar te zijn in termen van effecten op de solvabiliteit of de liquiditeitspositie van de begunstigde. Wanneer bijvoorbeeld de steun de eigenvermogenspositie van de begunstigde versterkt, dient ook de eigen bijdrage maatregelen te omvatten die het eigen vermogen versterken, zoals het aantrekken van vers aandelenkapitaal bij bestaande aandeelhouders, het afschrijven van bestaande schulden en capital notes of de omzetting van bestaande schulden in eigen vermogen, of het aantrekken van nieuw particulier extern eigen vermogen op marktvoorwaarden. De Autoriteit zal, wanneer zij overeenkomstig punt 90 nagaat hoe ingrijpend de maatregelen ter beperking van de verstoring van de mededinging moeten zijn, rekening houden met de mate waarin de eigen bijdrage een met de toegekende steun vergelijkbaar effect heeft.

63.

Deze bijdragen moeten reëel — d.w.z. actueel — zijn, onder uitsluiting van voor de toekomst verwachte winst en kasstromen, en zij moeten zo hoog mogelijk zijn. Een bijdrage van de staat of een overheidsbedrijf mag alleen in aanmerking worden genomen indien die vrij is van steun. Dit zou met name het geval kunnen zijn wanneer de bijdrage afkomstig is van een entiteit die onafhankelijk is van de steunverlenende autoriteit (zoals een staatsbank of een overheidsholding) en die het investeringsbesluit neemt op grond van haar eigen zakelijke overwegingen (32).

64.

Eigen bijdragen zullen in de regel als afdoende worden beschouwd indien het bedrag ervan ten minste 50 % van de herstructureringskosten bedraagt. In uitzonderlijke omstandigheden en in het geval van een door de overeenkomstsluitende partij aan te tonen bijzondere noodsituatie kan de Autoriteit een bijdrage accepteren die lager ligt dan 50 % van de herstructureringskosten, op voorwaarde dat het bedrag van die bijdrage aanzienlijk blijft.

3.5.2.2.   Lastendeling

65.

Wanneer staatssteun wordt verleend in een vorm die de eigenvermogenspositie van de begunstigde onderneming versterkt (bijvoorbeeld wanneer de staat subsidies verleent, kapitaal inbrengt of schuldvorderingen afschrijft), kan dit als effect hebben dat aandeelhouders en achtergestelde schuldeisers worden beschermd tegen de gevolgen van hun keuze om in de begunstigde onderneming te investeren. Dit kan moral hazard doen ontstaan en kan de tucht van de markt afzwakken. Daarom mag steun voor het dekken van verliezen alleen worden verleend op voorwaarden die bestaande investeerders afdoende doen delen in de lasten.

66.

Een afdoende lastendeling zal doorgaans betekenen dat bestaande aandeelhouders en, waar nodig, achtergestelde schuldeisers verliezen volledig voor hun rekening moeten nemen. Achtergestelde schuldeisers dienen bij te dragen in de absorptie van verliezen ofwel door de omzetting van de betrokken instrumenten in eigen vermogen of door de afschrijving van de hoofdsom van die instrumenten. Daarom mogen de overheidsmaatregelen pas plaatsvinden nadat de verliezen volledig in kaart zijn gebracht en de bestaande aandeelhouders en houders van achtergestelde schulden zijn aangesproken (33). Hoe dan ook dient, voor zover dat wettelijk mogelijk is, te worden voorkomen dat tijdens de herstructureringsperiode financiële middelen van de begunstigde onderneming wegvloeien naar de houders van aandelenkapitaal of achtergestelde schulden, tenzij daarmee de partijen die vers aandelenkapitaal hebben ingebracht, onevenredig worden getroffen.

67.

Een afdoende lastendeling zal ook betekenen dat staatssteun die de eigenvermogenspositie van de begunstigde onderneming versterkt, dient te worden toegekend op voorwaarden waarmee de staat een redelijk deel in toekomstige waardestijgingen van de begunstigde onderneming ontvangt, naar rato van het eigen vermogen dat de staat inbrengt ten opzichte van het eigen vermogen van de onderneming dat overblijft nadat de verliezen zijn verwerkt.

68.

De Autoriteit kan ook uitzonderingen toestaan op de onverkorte tenuitvoerlegging van de in punt 66 bepaalde maatregelen wanneer die maatregelen anders zouden leiden tot onevenredige resultaten. Bij dit soort situaties kan het onder meer gaan om gevallen waarin het steunbedrag gering is in vergelijking met de eigen bijdrage of wanneer de betrokken overeenkomstsluitende partij aantoont dat achtergestelde schuldeisers in economische termen minder zouden ontvangen dan bij normale insolventieprocedures en indien geen staatssteun werd toegekend.

69.

De Autoriteit zal niet stelselmatig van houders van senior schulden een bijdrage eisen om de eigenvermogenspositie van een begunstigde onderneming te herstellen. Wel kan zij dit soort bijdragen behandelen als een argument om de overeenkomstig punt 90 vereiste maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging in omvang te verminderen.

3.6.   Negatieve effecten

3.6.1.   Het eenmalige karakter van de steun

70.

Om de moral hazard te beperken, om geen prikkels te creëren voor het nemen van buitensporige risico's en om potentiële verstoringen van de mededinging tegen te gaan, mag aan ondernemingen in moeilijkheden slechts voor één herstructureringsoperatie steun worden verleend. Dit staat bekend als het beginsel dat steun eenmalig moet zijn. Het feit dat een onderneming die op grond van deze richtsnoeren reeds steun heeft ontvangen, nog meer van dit soort steun nodig heeft, toont aan dat de moeilijkheden van de onderneming ofwel recurrent zijn of niet afdoende zijn aangepakt toen voordien steun werd verleend. Herhaalde overheidsmaatregelen zullen waarschijnlijk aanleiding geven tot moral hazard-problemen en tot verstoringen van de mededinging die strijdig zijn met het gemeenschappelijk belang.

71.

Wanneer een voornemen tot het verlenen van reddings- of herstructureringssteun bij de Autoriteit wordt aangemeld, moet de overeenkomstsluitende partij aangeven of de betrokken onderneming in het verleden reeds reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun heeft ontvangen, met inbegrip van vóór de inwerkingtreding van deze richtsnoeren verleende steun en niet-aangemelde steun (34). Indien dit het geval is, en wanneer minder dan tien jaar is verstreken sinds de toekenning van de steun of sinds het aflopen van de herstructureringsperiode of de beëindiging van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan (naargelang welke van deze gebeurtenissen het recentst is), zal de Autoriteit geen verdere steun op grond van deze richtsnoeren toestaan.

72.

Uitzonderingen op die regel zijn toegestaan in de volgende gevallen:

a)

wanneer herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie;

b)

wanneer reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun is toegekend in overeenstemming met deze richtsnoeren en die steun niet werd gevolgd door herstructureringssteun, indien:

i)

redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de begunstigde onderneming ná de toekenning van steun op grond van deze richtsnoeren op lange termijn levensvatbaar zou zijn, en

ii)

pas na ten minste vijf jaar nieuwe reddings- of herstructureringssteun noodzakelijk wordt wegens onvoorzienbare omstandigheden (35) die de begunstigde onderneming niet zijn toe te rekenen, of

c)

in uitzonderlijke en onvoorzienbare omstandigheden die de onderneming niet zijn toe te rekenen.

73.

Wijzigingen in de eigendomsstructuur van de begunstigde onderneming na de toekenning van steun of eventuele gerechtelijke of bestuurlijke procedures die tot gevolg hebben dat de balanspositie van de onderneming wordt gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden aangezuiverd, hebben geen enkele invloed op de toepassing van de regel dat steun eenmalig dient te zijn, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie voortzet.

74.

Wanneer een ondernemingsgroep reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun heeft ontvangen, zal de Autoriteit normaal gesproken alleen verdere reddings- of herstructureringssteun voor de ondernemingsgroep zelf of een van de onderdelen van de ondernemingsgroep toestaan indien tien jaar is verstreken sinds de toekenning van de steun, het aflopen van de herstructureringsperiode of de beëindiging van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan (naargelang welke van deze gebeurtenissen het recentst is). Wanneer een onderdeel van een ondernemingsgroep reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun heeft ontvangen, kan zowel de ondernemingsgroep als geheel als de overige onderdelen van de ondernemingsgroep — doch niet de begunstigde onderneming die eerder steun heeft ontvangen — op reddings- of herstructureringssteun aanspraak blijven maken (mits de overige bepalingen van deze richtsnoeren worden nageleefd). De overeenkomstsluitende partijen moeten aantonen dat geen steun van de ondernemingsgroep of de overige onderdelen van de ondernemingsgroep wordt doorgesluisd naar de onderneming die eerder steun heeft ontvangen.

75.

Wanneer een onderneming die de activa van een andere onderneming overneemt en met name wanneer de over te nemen onderneming aan een van de in punt 73 genoemde procedures is onderworpen of volgens het nationale recht aan een collectieve insolventieprocedure is onderworpen en zelf reeds reddingssteun of herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun heeft ontvangen, geldt voor de overnemer niet het vereiste dat de steun eenmalig dient te zijn, mits er geen economische continuïteit is tussen de oude onderneming en de overnemer (36).

3.6.2.   Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging

76.

Wanneer herstructureringssteun wordt toegekend, moeten maatregelen worden genomen ter beperking van verstoringen van de mededinging, zodat de ongunstige effecten op de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, zo beperkt mogelijk blijven en de positieve effecten opwegen tegen eventuele negatieve effecten. De Autoriteit zal nagaan of die maatregelen, overeenkomstig dit onderdeel 3.6.2, passend zijn in vorm en omvang.

3.6.2.1.   Aard en vorm van maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging

77.

Onverminderd punt 84 zullen maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging, doorgaans de vorm hebben van structurele maatregelen. Wanneer zulks in specifieke gevallen passend is om verstoringen van de mededinging aan te pakken, kan de Autoriteit, ter vervanging van alle of een deel van de structurele maatregelen die anders vereist zouden zijn, instemmen met andere gedragsmaatregelen dan die welke in punt 84 zijn beschreven of met maatregelen om markten te openen.

Structurele maatregelen: afstotingen en inkrimpingen van bedrijfsactiviteiten

78.

Op grond van een toetsing aan de criteria voor het kalibreren van maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging (zoals beschreven in onderdeel 3.6.2.2) kan van ondernemingen die herstructureringssteun genieten, worden verlangd dat zij activa afstoten of hun capaciteit of aanwezigheid op de markt inkrimpen. Dit soort maatregelen dient met name plaats te vinden op de markt of markten waar de onderneming na de herstructurering een aanzienlijke marktpositie zal hebben, met name op de markten waar er aanzienlijke capaciteitsoverschotten zijn. Afstotingen ter beperking van verstoringen van de mededinging dienen onverwijld plaats te vinden, rekening houdende met het soort activa dat wordt afgestoten en eventuele hinderpalen voor de afstoting ervan (37), en hoe dan ook binnen de looptijd van het herstructureringsplan. Afstotingen, afschrijvingen en sluitingen van verliesgevende activiteiten die hoe dan ook nodig zouden zijn om de levensvatbaarheid op lange termijn te herstellen, zullen, in het licht van de in onderdeel 3.6.2.2 uiteengezette beginselen, doorgaans niet als voldoende worden beschouwd om verstoringen van de mededinging aan te pakken.

79.

Wil dit soort maatregelen de mededinging versterken en bijdragen aan de interne markt, dan moeten zij de toetreding van nieuwe concurrenten, de groei van bestaande, kleine concurrenten of van grensoverschrijdende activiteiten bevorderen. De terugtrekking achter nationale grenzen en de compartimentering van de interne markt dient te worden vermeden.

80.

Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging mogen niet leiden tot een aantasting van de structuur van de markt. Structurele maatregelen dienen daarom doorgaans de vorm aan te nemen van afstoting in going concern van levensvatbare, zelfstandig functionerende bedrijfsonderdelen die, mits zij door een geschikte overnemer worden geëxploiteerd, op lange termijn daadwerkelijk kunnen concurreren. Ingeval dit soort entiteit niet voorhanden is, kan de begunstigde onderneming een bestaande en afdoende gefinancierde activiteit afsplitsen en vervolgens afstoten, om zo een nieuwe en levensvatbare entiteit te creëren die op de markt zou moeten kunnen concurreren. Structurele maatregelen waarbij alleen activa worden afgestoten zonder dat daarmee een levensvatbare entiteit tot stand komt die op de markt kan concurreren, zijn minder doeltreffend om de mededinging in stand te houden en zullen dus alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden geaccepteerd, wanneer de betrokken overeenkomstsluitende partij aantoont dat er geen andere vorm van structurele maatregelen doenbaar is of dat andere structurele maatregelen de economische levensvatbaarheid van de onderneming ernstig in gevaar zouden brengen.

81.

De begunstigde onderneming zou afstotingen moeten bevorderen, door activiteiten af te schermen (ring-fencing) en toe te zeggen om geen klanten van het afgestoten bedrijfsonderdeel proberen binnen te halen.

82.

Wanneer blijkt dat het moeilijk kan zijn om een koper te vinden voor de activa die de begunstigde onderneming wil afstoten, zal de begunstigde onderneming, zodra zij deze moeilijkheden constateert, op zoek moeten gaan naar alternatieve afstotingen of maatregelen met betrekking tot de betrokken markt of markten indien de primaire afstoting niet slaagt.

Gedragsmaatregelen

83.

Gedragsmaatregelen moeten ervoor zorgen dat de steun uitsluitend wordt gebruikt om de levensvatbaarheid op lange termijn te herstellen, en moeten voorkomen dat de steun wordt misbruikt om ernstige en aanhoudende verstoringen van de marktstructuur te bestendigen of om de begunstigde onderneming tegen gezonde concurrentie te beschermen.

84.

De volgende gedragsmaatregelen moeten in alle gevallen worden toegepast, om te vermijden dat de effecten van structurele maatregelen worden ondermijnd, en dienen in beginsel te worden opgelegd voor de duur van het herstructureringsplan:

a)

van begunstigde ondernemingen moet worden verlangd dat zij ervan afzien om gedurende de herstructureringsperiode aandelen in ondernemingen te verwerven, tenzij een en ander van onmisbaar belang is om de levensvatbaarheid van de begunstigde onderneming op lange termijn te verzekeren. Dit vereiste moet garanderen dat de steun wordt gebruikt om de levensvatbaarheid te herstellen — en niet om investeringen te financieren of om de aanwezigheid van de begunstigde onderneming op bestaande of nieuwe markten uit te breiden. Na aanmelding kunnen dit soort overnames goedkeuring van de Autoriteit krijgen als onderdeel van het herstructureringsplan;

b)

van begunstigde ondernemingen moet worden verlangd dat zij ervan afzien om bij het op de markt brengen van hun producten en diensten uit te pakken met de steun van overheid als een concurrentievoordeel.

85.

In uitzonderlijke omstandigheden kan het nodig zijn dat van begunstigde ondernemingen wordt verlangd dat zij afzien van commerciële gedragingen die gericht zijn op een snelle uitbreiding van hun marktaandeel voor specifieke producten of geografische markten, door voorwaarden aan te bieden (bijv. op het gebied van prijzen en andere commerciële voorwaarden) die niet haalbaar zijn voor concurrenten die geen staatssteun ontvangen. Dit soort beperkingen zal alleen worden toegepast wanneer er geen andere — structurele of gedragsmatige — oplossing is die een afdoende antwoord biedt op de vastgestelde verstoringen van de mededinging, en wanneer die maatregel zelf de mededinging op de betrokken markt niet beperkt. Voor de toepassing van dit vereiste zal de Autoriteit de voorwaarden van de begunstigde ondernemingen vergelijken met de voorwaarden van geloofwaardige concurrenten met een substantieel marktaandeel.

Maatregelen om de markt open te stellen

86.

Bij haar algemene beoordeling zal de Autoriteit mogelijke toezeggingen onderzoeken die de overeenkomstsluitende partij doet met betrekking tot het nemen van maatregelen — door de overeenkomstsluitende partij zelf of door de begunstigde onderneming — die bedoeld zijn om openere, gezondere en meer concurrerende markten te bevorderen, bijvoorbeeld door het bevorderen van markttoetreding en -uittreding. Hierbij kan het met name gaan om maatregelen om bepaalde markten die direct of indirect verbonden zijn met de activiteiten van de begunstigde onderneming, open te stellen voor andere marktdeelnemers in de EER, in overeenstemming met het EER-recht. Deze maatregelen kunnen andere maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging vervangen die normaal gesproken van de begunstigde onderneming zouden worden verlangd.

3.6.2.2.   Kalibrering van maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging

87.

Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging moeten een oplossing bieden voor zowel moral hazard-problemen als mogelijke verstoringen op de markten waarop de begunstigde onderneming actief is. Hoe ingrijpend die maatregelen moeten zijn, zal afhangen van diverse factoren zoals met name de omvang en de aard van de steun en de voorwaarden waarop en de omstandigheden waarin deze is toegekend, de omvang (38) en het relatieve belang van de begunstigde onderneming op de markt en de kenmerken van de betrokken markt, en de mate waarin moral hazard-problemen blijven bestaan nadat maatregelen voor het leveren van een eigen bijdrage en lastendeling zijn toegepast.

88.

Met name zal de Autoriteit de omvang, in voorkomend geval gebruikmakend van benaderende gegevens, en de aard van de steun beoordelen zowel in absolute termen als in verhouding tot de activa van de begunstigde onderneming en de omvang van de markt als geheel.

89.

Wat betreft de omvang en het relatieve belang van de begunstigde onderneming op de markt of markten zowel vóór als ná de herstructurering, zal de Autoriteit deze beoordelen om de effecten die van de steun voor die markten moeten worden verwacht, te evalueren in vergelijking met de uitkomst die mag worden verwacht in een situatie zonder staatssteun. De maatregelen moeten zodanig zijn ontworpen dat zij zijn toegesneden op de kenmerken van de markt (39), om ervoor te zorgen dat een daadwerkelijke mededinging gehandhaafd blijft.

90.

Wat moral hazard-problemen betreft, zal de Autoriteit ook de omvang van de eigen bijdrage en de lastendeling nagaan. Wanneer de eigen bijdrage en het aandeel in de lasten hoger zijn dan in onderdeel 3.5.2 wordt geëist — en zo het steunbedrag en de moral hazard wordt verminderd — kan dit betekenen dat maatregelen ter beperking van de verstoring van de mededinging minder ingrijpend hoeven te zijn.

91.

Aangezien herstructureringsmaatregelen mogelijk het risico inhouden dat de interne markt wordt ondermijnd, zal een positief standpunt worden ingenomen tegenover maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging die ertoe bijdragen dat nationale markten open en toegankelijk blijven.

92.

Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging mogen de vooruitzichten op het herstel van de levensvatbaarheid van de begunstigde onderneming niet in gevaar brengen, hetgeen het geval kan zijn indien een maatregel zeer duur is in de uitvoering of, in uitzonderlijke, door de betrokken overeenkomstsluitende partij goed onderbouwde gevallen, de activiteiten van de begunstigde onderneming zodanig zou inkrimpen dat het herstel van haar levensvatbaarheid in gevaar komt; evenmin mogen zij ten koste gaan van consumenten en de mededinging.

93.

Steun ter dekking van de sociale kosten van herstructureringen zoals die in de punten 32 tot en met 35 zijn beschreven, moet in het herstructureringsplan duidelijk worden aangegeven, omdat steun voor sociale maatregelen die uitsluitend aan de ontslagen werknemers ten goede komen, bij de vaststelling van de omvang van de maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging niet in aanmerking zal worden genomen. In het gemeenschappelijk belang zal de Autoriteit in het kader van het herstructureringsplan erop toezien dat de sociale gevolgen van de herstructurering in andere overeenkomstsluitende partijen dan in de overeenkomstsluitende partij die de steun toekent, tot een minimum beperkt blijven.

3.6.3.   Ontvangers van eerdere, onrechtmatige steun

94.

Wanneer voordien aan een onderneming in moeilijkheden onrechtmatige steun is toegekend ten aanzien waarvan de Autoriteit een negatieve beschikking heeft gegeven met een bevel tot terugvordering, en deze terugvordering niet heeft plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 14 in deel II van Protocol nr. 3 (40), zal bij de beoordeling van op grond van deze richtsnoeren aan dezelfde onderneming toe te kennen steun rekening worden gehouden met, enerzijds, het cumulatieve effect van de eerdere steun en de nieuwe steun en, anderzijds, het feit dat de eerdere steun niet is terugbetaald (41).

3.6.4.   Bijzondere voorwaarden voor de goedkeuring van steun

95.

De Autoriteit kan voorwaarden en verplichtingen opleggen die zij nodig acht om te voorkomen dat de mededinging door de steun zodanig wordt verstoord dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, ingeval de betrokken overeenkomstsluitende partij geen toezegging heeft gedaan dat hij dergelijke bepalingen zal vaststellen. Zo kan zij van de overeenkomstsluitende partij verlangen dat deze zelf een aantal maatregelen neemt, dat deze de begunstigde onderneming bepaalde verplichtingen oplegt of ervan afziet om tijdens de herstructureringsperiode andere vormen van steun aan de begunstigde onderneming te verlenen.

3.7.   Transparantie

96.

De overeenkomstsluitende partijen moeten zorgen voor de bekendmaking van de volgende informatie op een uitgebreide staatssteunwebsite, op nationaal of regionaal niveau:

de volledige tekst van de goedgekeurde steunregeling of de subsidiebeschikking voor individuele steun en de uitvoeringsbepalingen ervan, of een link daarnaar;

de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten;

de identiteit van de individuele begunstigden, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum waarop de steun is toegekend, het soort onderneming (kmo of grote onderneming), de regio waar de begunstigde onderneming is gevestigd (op NUTS 2-niveau), en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau) (42).

Van dat vereiste kan ontheffing worden verleend ten aanzien van individuele steunverleningen van minder dan 500 000 EUR. Voor regelingen in de vorm van belastingvoordelen kan de informatie over individuele steunbedragen (43) worden meegedeeld in de volgende tranches (in miljoen EUR): [0,5-1]; [1-2]; [2-5]; [5-10]; [10-30]; [30 en meer].

Dit soort informatie moet worden bekendgemaakt nadat de subsidiebeschikking is gegeven, moet ten minste tien jaar worden bewaard en moet zonder beperkingen beschikbaar zijn voor het brede publiek (44). Overeenkomstsluitende partijen zullen de bovengenoemde informatie pas vanaf 1 juli 2016 moeten bekendmaken (45).

4.   Herstructureringssteun in steungebieden

97.

Op grond van artikel 61, lid 3, onder a) en c), van de EER-overeenkomst kan de Autoriteit staatsteun om de economische ontwikkeling van bepaalde achterstandsgebieden te bevorderen, als met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar beschouwen. Daarom zal de Autoriteit bij de beoordeling van herstructureringssteun in steungebieden rekening houden met de behoeften inzake regionale ontwikkeling. De vaststelling dat een noodlijdende onderneming in een steungebied is gevestigd, is evenwel geen argument om tegenover herstructureringssteun een tolerante houding aan te nemen: op middellange tot lange termijn is een regio er niet bij gebaat dat ondernemingen op kunstmatige wijze in leven worden gehouden. Voorts is het, met het oog de bevordering van de regionale ontwikkeling, in het eigen belang van de regio dat deze haar middelen zo inzet dat snel activiteiten worden ontwikkeld die op lange termijn levensvatbaar en duurzaam zijn. Ten slotte dienen verstoringen van de mededinging tot een minimum te worden beperkt, ook in het geval van steun aan ondernemingen in steungebieden. In dit verband dient ook rekening te worden gehouden met mogelijke nadelige overloopeffecten die zich in de betrokken regio en in andere steungebieden kunnen voordoen.

98.

De in hoofdstuk 3 opgesomde criteria zijn dus ook van toepassing op steungebieden, zelfs indien rekening wordt gehouden met de behoeften inzake regionale ontwikkeling. Wel zal de Autoriteit in steungebieden, en tenzij anders bepaald in regels inzake staatsteun in een bepaalde sector, de bepalingen van onderdeel 3.6.2 zodanig op maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging toepassen dat de negatieve systemische impact voor de regio beperkt blijft. Dit zou met name kunnen betekenen dat minder strikte eisen worden opgelegd inzake capaciteitsinkrimping of vermindering van de aanwezigheid op de markt. In die gevallen wordt een onderscheid gemaakt tussen regio's die op grond van artikel 61, lid 3, onder a), van de EER-overeenkomst voor steun in aanmerking komen, en regio's die op grond van artikel 61, lid 3, onder c), in aanmerking komen. Zodoende kan rekening worden gehouden met het feit dat de problemen in de eerste categorie regio's ernstiger zijn. Wanneer de bijzondere omstandigheden van steungebieden dat vereisen (bijvoorbeeld wanneer een begunstigde onderneming het bijzonder moeilijk heeft om nieuwe financiering op de markt te vinden doordat zij in een steungebied is gevestigd), kan de Autoriteit voor de toepassing van punt 64 instemmen met een bijdrage die lager ligt dan 50 % van de herstructureringskosten.

5.   Steun aan DAEB-beheerders in moeilijkheden

99.

Bij het beoordelen van staatssteun voor DAEB-beheerders in moeilijkheden, zal de Autoriteit rekening houden met het specifieke karakter van DAEB's, en met name de noodzaak om de continuïteit van de dienstverlening te verzekeren, overeenkomstig artikel 59, lid 2, van de EER-overeenkomst.

100.

DAEB-beheerders hebben mogelijkerwijs staatssteun nodig om de DAEB te blijven beheren op voorwaarden die verenigbaar zijn met hun levensvatbaarheid op lange termijn. Voor de toepassing van punt 47 kan dus het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn worden gebaseerd op de aanname dat met name staatssteun die voldoet aan de verenigbaarheidsvoorwaarden van het DAEB-steunkader (46), van het DAEB-besluit (47), van Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad (48), van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad (49) en van de richtsnoeren luchtvaartsteun (50) of van Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad (51) en de richtsnoeren zeevaartsteun (52), beschikbaar zal blijven voor de duur van de periode waarvoor die dienst vóór of tijdens de herstructureringsperiode werd toevertrouwd.

101.

Wanneer de Autoriteit steun aan DAEB-beheerders in moeilijkheden aan deze richtsnoeren toetst, zal zij rekening houden met alle staatssteun die de betrokken beheerder heeft ontvangen, met inbegrip van compensaties voor openbaredienstverplichtingen. Aangezien DAEB-beheerders echter een groot deel van hun normale inkomsten uit compensaties voor de openbare dienst halen, kan het totale, aldus bepaalde steunbedrag zeer hoog zijn in vergelijking met de grootte van de begunstigde onderneming en kan het dus een overschatting zijn van de lasten voor de staat met betrekking tot de herstructurering van de begunstigde onderneming. Wanneer de volgens onderdeel 3.5.2.1 vereiste eigen bijdrage wordt vastgesteld, zal de Autoriteit dus geen rekening houden met compensaties voor de openbare dienst die voldoen aan de verenigbaarheidsvoorwaarden van het DAEB-steunkader, van het DAEB-besluit of van Verordening (EG) nr. 1370/2007 of van Verordening (EG) nr. 1008/2008 en de richtsnoeren luchtvaartsteun of van Verordening (EEG) nr. 3577/92 en de richtsnoeren zeevaartsteun.

102.

Voor zover die activa noodzakelijk zijn voor het beheer van een DAEB, is het misschien niet doenbaar om te verlangen dat die activa worden afgestoten bij wijze van maatregel ter beperking van verstoringen van de mededinging in de zin van onderdeel 3.6.2. In die gevallen kan de Autoriteit eisen dat alternatieve maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de mededingingsvoorwaarden niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad, met name door ten aanzien van de betrokken DAEB zo snel mogelijk eerlijke concurrentie te introduceren.

103.

Wanneer een DAEB-beheerder niet in staat is de voorwaarden van deze richtsnoeren in acht te nemen, kan de betrokken steun niet verenigbaar worden verklaard. In die gevallen kan de Autoriteit echter wel de betaling van die steun toestaan voor zover dat noodzakelijk is om de continuïteit van de DAEB te verzekeren in afwachting dat een nieuwe beheerder met het beheer van de dienst wordt belast. De Autoriteit zal alleen steun toestaan wanneer de betrokken overeenkomstsluitende partij op basis van objectieve gronden aantoont dat de steun strikt beperkt blijft tot het bedrag en de duur die onmisbaar zijn om een nieuwe beheerder met de dienst te belasten.

6.   Steunregelingen voor kleinere steunbedragen en kleinere begunstigde ondernemingen

6.1.   Algemene voorwaarden

104.

Indien overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig deze richtsnoeren steun willen verlenen aan kmo's of kleine overheidsbedrijven, dient die steun in de regel te worden verleend in het kader van regelingen. Gebruikmaken van regelingen helpt verstoringen van de mededinging in verband met moral hazard te beperken, doordat een overeenkomstsluitende partij vooraf duidelijk kan aangeven op welke voorwaarden hij kan besluiten steun toe te kennen aan ondernemingen in moeilijkheden.

105.

De regelingen moeten het maximale steunbedrag vermelden dat aan een onderneming kan worden toegekend in het kader van een operatie om reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun toe te kennen, ook ingeval het plan wordt gewijzigd. Het maximumbedrag dat in totaal aan één onderneming aan steun wordt toegekend, mag niet meer dan 10 miljoen EUR bedragen, met inbegrip van steun uit andere bronnen of op grond van andere regelingen.

106.

Hoewel de verenigbaarheid van die regelingen doorgaans zal worden beoordeeld in het licht van de in de hoofdstukken 3, 4 en 5 uiteengezette voorwaarden, is het dienstig om te voorzien in op bepaalde punten vereenvoudigde voorwaarden, zodat overeenkomstsluitende partijen die voorwaarden kunnen toepassen zonder telkens nader met de Autoriteit te moeten overleggen, en om voor kmo's en kleinere overheidsbedrijven de lasten inzake informatieverschaffing te verlichten. Gezien de geringe omvang van de betrokken steunbedragen en de begunstigden van de steun is de Autoriteit van mening dat het risico op aanzienlijke verstoringen van de mededinging in dit soort zaken beperkter is. Daarom zijn de bepalingen van de hoofdstukken 3, 4 en 5 van overeenkomstige toepassing op dit soort regelingen, afgezien van het anderszins bepaalde in de onderdelen 6.2, 6.3, 6.4 en 6.5. Dit hoofdstuk bevat ook bepalingen over tijdelijke flankerende herstructureringssteun en over de looptijd en doorlichting van regelingen.

6.2.   Doelstelling van gemeenschappelijk belang

107.

De kans mag dan klein zijn dat het verdwijnen van een individuele kmo (53) leidt tot sociale tegenspoed of marktfalen in een omvang die voor de toepassing van punt 44 vereist is, toch is het, wat kmo's betreft, wel een groter punt van zorg dat waarde wordt vernietigd wanneer kmo's die het potentieel in zich dragen om zich zodanig te herstructureren dat hun levensvatbaarheid op lange termijn wordt hersteld, daartoe niet de kans krijgen als gevolg van liquiditeitsproblemen. Wat betreft steunverlening in het kader van regelingen, is het dus voldoende dat een overeenkomstsluitende partij aantoont dat het verdwijnen van de begunstigde onderneming waarschijnlijk sociale tegenspoed of marktfalen met zich zou meebrengen, met name dat:

a)

het verdwijnen van innovatieve kmo's of van kmo's met een groot groeipotentieel potentiële negatieve gevolgen zou hebben;

b)

het verdwijnen van een onderneming met uitgebreide banden met andere lokale of regionale ondernemingen, met name andere kmo's, potentiële negatieve gevolgen zou hebben;

c)

marktfalen of perverse prikkels op kredietmarkten een anders levensvatbare onderneming in het faillissement zouden storten, of

d)

vergelijkbare probleemsituaties die de begunstigde onderneming afdoende kan staven, zich zouden voordoen.

108.

In afwijking op punt 50 zal van begunstigden in het kader van regelingen niet worden geëist dat zij een marktstudie indienen.

6.3.   Geschikt instrument

109.

Aan de voorwaarde uit punt 55, onder d), zal geacht worden te zijn voldaan indien reddingssteun wordt verleend voor maximaal zes maanden; in die periode moet de toestand van de begunstigde onderneming worden onderzocht. Vóór het eind van die periode:

a)

moet de overeenkomstsluitende partij een herstructurerings- of liquidatieplan goedkeuren, of

b)

moet de begunstigde een vereenvoudigd herstructureringsplan indienen overeenkomstig punt 115, of

c)

moet de lening zijn afgelost of de garantie zijn stopgezet.

110.

In afwijking op punt 57 zal van overeenkomstsluitende partijen niet worden verlangd dat zij nagaan of de vergoeding zoals die overeenkomstig punt 56 is vastgesteld, een passende benchmark is.

6.4.   Evenredigheid van het steunbedrag/steun beperkt tot het minimum

111.

In afwijking op punt 64 kunnen overeenkomstsluitende partijen een eigen bijdrage als afdoende beschouwen indien deze ten minste 40 % van de herstructureringskosten bedraagt in het geval van middelgrote ondernemingen, of ten minste 25 % van de herstructureringskosten in het geval van kleine ondernemingen.

6.5.   Negatieve effecten

112.

Een overeenkomstsluitende partij die voornemens is reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende steun toe te kennen, moet zich ervan vergewissen dat het in onderdeel 3.6.1 geformuleerde beginsel dat dit soort steun eenmalig dient te zijn, in acht wordt genomen. Met het oog daarop moet de overeenkomstsluitende partij nagaan of de betrokken onderneming in het verleden reeds reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun heeft ontvangen, met inbegrip van vóór de inwerkingtreding van deze richtsnoeren verleende steun en niet-aangemelde steun. Indien dat het geval is, en wanneer minder dan tien jaar is verstreken sinds de toekenning van de reddingssteun of de tijdelijke flankerende herstructureringssteun of sinds het aflopen van de herstructureringsperiode of de beëindiging van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan (naargelang welke van deze gebeurtenissen het recentst is), mag geen verdere reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun worden toegekend, behalve:

a)

wanneer tijdelijke flankerende herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie;

b)

wanneer herstructureringssteun volgt op de toekenning van reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun als onderdeel van één enkele herstructureringsoperatie;

c)

wanneer reddingssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun is toegekend in overeenstemming met deze richtsnoeren en die steun niet werd gevolgd door herstructureringssteun, indien:

i)

redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de begunstigde onderneming ná de toekenning van steun op grond van deze richtsnoeren op lange termijn levensvatbaar zou zijn, en

ii)

na ten minste vijf jaar nieuwe reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun noodzakelijk wordt wegens onvoorzienbare omstandigheden die de begunstigde onderneming niet zijn toe te rekenen, of

d)

in uitzonderlijke en onvoorzienbare omstandigheden die de onderneming niet zijn toe te rekenen.

113.

Maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging hebben waarschijnlijk een onevenredige impact op kleine ondernemingen, met name gelet op de lasten die het doorvoeren van dit soort maatregelen met zich meebrengt. In afwijking op punt 76 hoeven overeenkomstsluitende partijen daarom dit soort maatregelen niet van kleine ondernemingen te verlangen, tenzij anderszins is bepaald in staatssteunregels voor een specifieke sector. Kleine ondernemingen mogen in de regel echter hun capaciteit niet uitbreiden tijdens een herstructureringsperiode.

6.6.   Tijdelijke flankerende herstructureringssteun

114.

In bepaalde gevallen bestaat de mogelijkheid dat een onderneming een herstructurering kan voltooien zonder dat zij herstructureringssteun nodig heeft, op voorwaarde dat zij liquiditeitssteun kan krijgen voor een langere periode dan op de voorwaarden voor reddingssteun mogelijk is. Overeenkomstsluitende partijen kunnen dus regelingen opzetten waarmee liquiditeitssteun voor een periode van meer dan zes maanden kan worden verleend (hierna „tijdelijke flankerende herstructureringssteun” genoemd), op de hierna genoemde voorwaarden.

115.

Tijdelijke flankerende herstructureringssteun moet aan de volgende voorwaarde voldoen:

a)

de steun moet bestaan uit steun in de vorm van leninggaranties of leningen;

b)

de financiële kosten van de lening of, in het geval van leninggaranties, de totale financieringskosten van de gegarandeerde lening, met inbegrip van de rente van de lening en de garantiepremie, moeten voldoen aan punt 116;

c)

tijdelijke flankerende herstructureringssteun moet de bepalingen van hoofdstuk 3 van deze richtsnoeren, met de aanpassingen van dit hoofdstuk, in acht nemen;

d)

tijdelijke flankerende herstructureringssteun mag voor maximaal 18 maanden worden toegekend, onder aftrek van de eventuele daaraan onmiddellijk voorafgaande periode van reddingssteun. Vóór het eind van die periode:

i)

moet de overeenkomstsluitende partij een herstructureringsplan goedkeuren zoals vastgesteld in punt 55, onder d), ii), of een liquidatieplan, of

ii)

moet de lening zijn afgelost of de garantie zijn stopgezet;

e)

moet de overeenkomstsluitende partij uiterlijk zes maanden na de uitkering van de eerste tranche aan de begunstigde, onder aftrek van de eventuele daaraan onmiddellijk voorafgaande periode van reddingssteun, een vereenvoudigd herstructureringsplan goedkeuren. Dat plan hoeft niet alle in de punten 47 tot en met 52 beschreven elementen te bevatten, maar moet ten minste aangeven welke maatregelen de begunstigde onderneming wil nemen om haar levensvatbaarheid op lange termijn zonder ondersteuning van de overheid te herstellen.

116.

De vergoeding voor tijdelijke flankerende herstructureringssteun dient te worden vastgesteld als een percentage dat ten minste het referentiepercentage bedraagt zoals dat in de richtsnoeren van de Autoriteit betreffende het referentiepercentage is vastgesteld, is bepaald voor zwakke ondernemingen met een normale zekerheidsstelling (thans 1-jaars IBOR, vermeerderd met 400 basispunten) (54). Om prikkels te geven om uit de steun te stappen, dient het percentage toe te nemen met ten minste 50 basispunten nadat twaalf maanden zijn verstreken sinds het tijdstip dat de eerste tranche aan de begunstigde onderneming is uitgekeerd (onder aftrek van de eventuele daaraan onmiddellijk voorafgaande periode van reddingssteun).

117.

Tijdelijke flankerende herstructureringssteun moet beperkt zijn tot het bedrag dat nodig is om de begunstigde onderneming gedurende 18 maanden in bedrijf te houden. Bij het bepalen van dat bedrag dient rekening te worden gehouden met de uitkomst van de in bijlage I beschreven formule. Alle steun die hoger uitvalt dan de uitkomst van die berekening, kan alleen worden toegekend indien deze goed onderbouwd wordt door het verschaffen van een liquiditeitsplan waarin de liquiditeitsbehoeften van de begunstigde onderneming voor de komende achttien maanden worden beschreven.

6.7.   Looptijd en doorlichting

118.

De Autoriteit kan verlangen dat overeenkomstsluitende partijen de looptijd van bepaalde regelingen beperken (doorgaans tot vier jaar of minder) en dat zij een doorlichting maken van die regelingen.

119.

Doorlichtingen zullen worden verlangd voor regelingen waarvan de potentiële verstorende effecten zeer groot zijn, d.w.z. dat deze het risico inhouden dat zij de mededinging aanzienlijk kunnen verstoren indien de tenuitvoerlegging daarvan niet tijdig wordt doorgelicht.

120.

Gezien de doelstellingen, en teneinde overeenkomstsluitende partijen geen onevenredige lasten op te leggen ten aanzien van kleinere steunvoornemens, kan een en ander uitsluitend gelden voor steunregelingen waarvoor omvangrijke steunmiddelen zijn uitgetrokken of die nieuwe kenmerken bevatten of wanneer aanzienlijke veranderingen van de markt, de technologie of de regelgeving worden verwacht. De doorlichting moet op basis van een gemeenschappelijke methode (55) worden uitgevoerd door een van de steunverlenende autoriteit onafhankelijke deskundige en moet worden openbaargemaakt. De doorlichting moet tijdig bij de Autoriteit worden ingediend zodat zij een eventuele verlenging van de steunregeling kan beoordelen, en hoe dan ook zodra de regeling is afgelopen. De mate van diepgang en de methode waarmee deze doorlichting moet plaatsvinden, zullen worden bepaald in de beschikking waarin de steunmaatregel wordt goedgekeurd. Bij een eventuele latere steunmaatregel met een soortgelijke doelstelling moet met de uitkomsten van de doorlichting rekening worden gehouden.

7.   Procedures

7.1.   Versnelde procedure voor reddingssteun

121.

De Autoriteit zal naar beste vermogen proberen binnen één maand een besluit te nemen over reddingssteun indien die steun niet alleen aan alle voorwaarden van hoofdstuk 3, maar ook aan elk van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

de reddingssteun blijft beperkt tot het uit de toepassing van de formule in de bijlage I resulterende bedrag en beloopt niet meer dan 10 miljoen EUR, en

b)

de steun wordt niet toegekend in de in punt 72, onder b) of c), vermelde situaties.

7.2.   Procedures met betrekking tot herstructureringsplannen

7.2.1.   Tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan

122.

De begunstigde onderneming moet het herstructureringsplan onverkort ten uitvoer leggen en alle overige verplichtingen nakomen die zijn vastgesteld in het besluit waarbij de Autoriteit de steun goedkeurt. De Autoriteit zal het niet uitvoeren van het plan of het niet nakomen van de overige verplichtingen beschouwen als misbruik van steun, onverminderd het bepaalde in artikel 23 in deel II van Protocol nr. 3 of de mogelijkheid om, overeenkomstig artikel 1, lid 2, in deel I van Protocol nr. 3, een zaak bij het EVA-Hof van Justitie aanhangig te maken.

123.

Ingeval herstructureringen zich over meerdere jaren uitstrekken en daarmee aanzienlijke steunbedragen zijn gemoeid, kan de Autoriteit eisen dat de herstructureringssteun in tranches wordt opgesplitst en kan zij de betaling van elke tranche van de volgende voorwaarden afhankelijk stellen:

a)

de bevestiging vóór betaling van iedere tranche dat alle fasen van het herstructureringsplan binnen het vastgestelde tijdschema naar behoren ten uitvoer zijn gelegd, of

b)

haar goedkeuring vóór betaling van iedere tranche, nadat zij zich ervan heeft vergewist dat de tenuitvoerlegging van het plan bevredigend verloopt.

7.2.2.   Aanpassingen aan het herstructureringsplan

124.

Wanneer herstructureringssteun is goedgekeurd, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij tijdens de herstructurering de Autoriteit verzoeken in te stemmen met aanpassingen van het herstructureringsplan en het steunbedrag. De Autoriteit kan dergelijke aanpassingen toestaan zolang de volgende voorwaarden in acht worden genomen:

a)

uit het herziene plan moet nog steeds blijken dat de levensvatbaarheid binnen een redelijk tijdsbestek wordt hersteld;

b)

indien de herstructureringskosten oplopen, moet ook de eigen bijdrage overeenkomstig worden verhoogd;

c)

indien het steunbedrag wordt verhoogd, moeten maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging ook omvangrijker zijn dan de oorspronkelijk opgelegde maatregelen;

d)

indien de voorgestelde maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging beperkter zijn dan die welke aanvankelijk werden opgelegd, moet het steunbedrag overeenkomstig worden verlaagd;

e)

het nieuwe tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging mag slechts uitstel ten opzichte van het oorspronkelijk goedgekeurde tijdschema inhouden om redenen waarop de begunstigde onderneming of de overeenkomstsluitende partij geen invloed heeft. Zoniet moet het steunbedrag overeenkomstig worden verlaagd.

125.

Indien de door de Autoriteit opgelegde voorwaarden of de door overeenkomstsluitende partij gedane toezeggingen worden versoepeld, moet het steunbedrag overeenkomstig worden verlaagd of kunnen andere voorwaarden worden opgelegd.

126.

Wanneer de betrokken overeenkomstsluitende partij aanpassingen aanbrengt aan een goedgekeurd herstructureringsplan zonder de Autoriteit correct te informeren of wanneer de begunstigde onderneming afwijkt van het goedgekeurde herstructureringsplan, zal de Autoriteit de procedure van artikel 4, lid 4, in deel II van Protocol nr. 3 inleiden, zoals bepaald in artikel 16 in deel II van Protocol nr. 3 (misbruik van steun), onverminderd het bepaalde in artikel 23 in deel II van Protocol nr. 3 en de mogelijkheid om, overeenkomstig artikel 1, lid 2, in deel I van Protocol nr. 3, een zaak bij het EVA-Hof van Justitie aanhangig te maken.

7.2.3.   Noodzaak om alle tijdens de herstructureringsperiode aan de begunstigde onderneming toegekende steun bij de Autoriteit aan te melden

127.

Wanneer herstructureringssteun aan deze richtsnoeren wordt getoetst, kan de toekenning van andere steun tijdens de herstructureringsperiode, ook al is deze met een reeds goedgekeurde regeling in overeenstemming, invloed hebben op de beoordeling van de Autoriteit ten aanzien van de vereiste omvang van de maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging.

128.

Daarom moet bij de aanmelding van herstructureringssteun alle overige steun worden vermeld waarvan de toekenning tijdens de herstructurering aan de begunstigde onderneming gepland staat, tenzij deze steun onder de de-minimisregel of vrijstellingsverordeningen valt. De Autoriteit zal die steun mee in rekening nemen bij het beoordelen van de herstructureringssteun.

129.

Steun die tijdens de herstructureringsperiode daadwerkelijk wordt toegekend — met inbegrip van in overeenstemming met een goedgekeurde regeling toegekende steun — moet afzonderlijk bij de Autoriteit worden aangemeld voor zover deze daarvan op het tijdstip van haar beschikking betreffende de herstructureringssteun niet in kennis was gesteld.

130.

De Autoriteit zal erop toezien dat met de toekenning van steun op grond van goedgekeurde regelingen de eisen van deze richtsnoeren niet kunnen worden omzeild.

8.   Verslaglegging en monitoring

131.

Overeenkomstig Protocol nr. 3 moeten de overeenkomstsluitende partijen jaarlijks bij de Autoriteit verslagen indienen. Die jaarlijkse verslagen zullen op de website van de Autoriteit worden gepubliceerd.

132.

Wanneer de Autoriteit op grond van deze richtsnoeren een beschikking geeft, kan zij met betrekking tot de verleende steun bijkomende verslagleggingsverplichtingen opleggen om zich ervan te kunnen vergewissen dat de beschikking waarmee de steunmaatregel is goedgekeurd, is nageleefd. In bepaalde gevallen kan de Autoriteit verlangen dat een monitoring trustee en/of een met de afstoting belaste trustee wordt aangesteld, om erop toe te zien dat de aan de goedkeuring van de steun verbonden voorwaarden en verplichtingen in acht worden genomen.

9.   Dienstige maatregelen in de zin van artikel 1, lid 1, in deel I van Protocol nr. 3

133.

Overeenkomstig artikel 62, lid 1, van de EER-overeenkomst en artikel 1, lid 1, in deel I van Protocol nr. 3 stelt de Autoriteit voor dat overeenkomstsluitende partijen, waar nodig, hun bestaande steunregelingen aanpassen om deze tegen uiterlijk 1 februari 2015 in overeenstemming te brengen met deze richtsnoeren. De Autoriteit zal de goedkeuring van alle toekomstige regelingen afhankelijk stellen van de inachtneming van die bepalingen.

134.

De overeenkomstsluitende partijen wordt verzocht binnen twee maanden na de datum van bekendmaking van deze richtsnoeren op de website van de Autoriteit hun uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming met de in punt 133 voorgestelde dienstige maatregelen mee te delen. Zonder een antwoord van de overeenkomstsluitende partijen zal de Autoriteit aannemen dat de betrokken overeenkomstsluitende partij niet met de voorgestelde maatregelen instemt.

10.   Datum van toepassing en toepassingsduur

135.

De Autoriteit zal deze richtsnoeren toepassen vanaf de datum van de vaststelling ervan tot en met 31 december 2020.

136.

Aanmeldingen die door de Autoriteit vóór de datum van de vaststelling van deze richtsnoeren zijn geregistreerd, zullen worden getoetst aan de criteria die gelden op het tijdstip van de aanmelding.

137.

De Autoriteit zal reddings- of herstructureringssteun die zonder haar toestemming — en dus in strijd met artikel 1, lid 3, in deel I van Protocol nr. 3 — is toegekend, op grond van deze richtsnoeren onderzoeken op zijn verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst wanneer die steun geheel of gedeeltelijk na de bekendmaking van deze richtsnoeren op de website van de Autoriteit is toegekend.

138.

In alle overige gevallen zal zij het onderzoek uitvoeren op basis van de op het tijdstip van de toekenning van de steun geldende richtsnoeren.

139.

Onverminderd de bepalingen van de punten 136, 137 en 138, zal de Autoriteit vanaf de datum van de vaststelling van deze richtsnoeren de bepalingen van hoofdstuk 5 toepassen wanneer zij steun aan DAEB-beheerders in moeilijkheden onderzoekt, ongeacht wanneer de steun werd aangemeld of toegekend.

140.

Wanneer de Autoriteit, krachtens punt 9 van het DAEB-steunkader, aan deze richtsnoeren steun toetst die vóór 31 januari 2012 aan een DAEB-beheerder in moeilijkheden is toegekend, zal zij die steun als verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst beschouwen indien deze voldoet aan de bepalingen van het DAEB-steunkader, met uitzondering van de punten 9, 14, 19, 20, 24, 39 en 60.

„BIJLAGE I

FORMULE  (56) VOOR DE BEREKENING VAN HET MAXIMUMBEDRAG AAN REDDINGSSTEUN OF TIJDELIJKE FLANKERENDE HERSTRUCTURERINGSSTEUN PER PERIODE VAN ZES MAANDEN

Formula

Deze formule is gebaseerd op de bedrijfsresultaten van de begunstigde onderneming (het resultaat vóór rente en belastingen (EBIT)) vastgelegd in het jaar vóór de toekenning/aanmelding van de steun (aangeduid als t). Dit bedrag wordt vermeerderd met de afschrijvingen. Vervolgens worden variaties in het werkkapitaal op het totaal in mindering gebracht. De variatie in het werkkapitaal wordt berekend als de variatie in het verschil tussen de vlottende activa en de vlottende passiva (57) voor de laatste afgesloten boekhoudkundige periode. Evenzo dienen eventuele voorzieningen op het niveau van het bedrijfsresultaat, duidelijk te worden aangegeven en mag het resultaat dergelijke voorzieningen niet omvatten.

Deze formule is bedoeld om een raming te maken van de negatieve operationele kasstroom van de onderneming in het jaar voorafgaand aan de steunaanvraag (of aan de toekenning van de steun in het geval van niet-aangemelde steun). Met de helft van dit bedrag moet de exploitatie van de onderneming zes maanden kunnen worden voortgezet. Daarom moet, voor de toepassing van punt 60, de uitkomst van de formule door 2 gedeeld worden. Voor de toepassing van punt 117 moet de uitkomst van de formule met 1,5 worden vermenigvuldigd.

Deze formule kan alleen worden toegepast wanneer de uitkomst een negatief bedrag is. Ingeval de formule een positieve uitkomst oplevert, zal een gedetailleerde verklaring moeten worden ingediend waaruit blijkt dat de begunstigde onderneming een onderneming in moeilijkheden is in de zin van punt 20.

Voorbeeld:

Resultaat vóór rente en belastingen (EBIT) (× miljoen EUR)

(12)

Afschrijving (× miljoen EUR)

2

Balanstotaal (× miljoen EUR)

31 december, t

31 december, t – 1

Vlottende activa

Geldmiddelen en kasequivalenten

10

5

Debiteuren

30

20

Voorraden

50

45

Vooruitbetaalde kosten

20

10

Overige vlottende activa

20

20

Totaal vlottende activa

130

100

Vlottende passiva

Crediteuren

20

25

Overlopende passiva

15

10

Uitgestelde baten

5

5

Totaal vlottende activa

40

40

Werkkapitaal

90

60

Variatie werkkapitaal

30

[– 12 + 2 – 30]/2 = – 20 miljoen EUR.

Aangezien de uitkomst van de formule hoger is dan 10 miljoen EUR, kan de versnelde procedure van punt 121 niet worden toegepast. Daar komt in dit voorbeeld nog bij dat, indien het bedrag aan reddingssteun meer dan 20 miljoen EUR bedraagt of het bedrag aan tijdelijke flankerende herstructureringssteun meer dan 60 miljoen EUR bedraagt, het steunbedrag goed moet zijn onderbouwd met een te verschaffen liquiditeitsplan waarin de liquiditeitsbehoeften van de begunstigde onderneming zijn beschreven.

„BIJLAGE II

Indicatief model voor een herstructureringsplan

Deze bijlage geeft een indicatief overzicht van wat een herstructureringsplan moet bevatten. Dit moet de overeenkomstsluitende partijen en de Autoriteit helpen om herstructureringsplannen zo doelmatig mogelijk op te stellen en door te lichten.

De hier beschreven informatie laat de meer gedetailleerde eisen onverlet die in de richtsnoeren worden geformuleerd ten aanzien van de inhoud van een herstructureringsplan en de overige elementen die door de betrokken overeenkomstsluitende partij moet worden aangetoond.

1.

Beschrijving van de begunstigde onderneming.

2.

Beschrijving van de markt of markten waarop de begunstigde onderneming actief is.

3.

Bewijzen voor de ernstige sociale problemen die de steun wil voorkomen of het marktfalen dat de steun moet aanpakken, een vergelijking met een geloofwaardig alternatief scenario zonder staatssteun, waaruit blijkt hoe deze doelstelling of doelstellingen, in het alternatieve scenario, níét zouden worden bereikt of in mindere mate zouden worden bereikt.

4.

Beschrijving van de oorzaken van de moeilijkheden van de begunstigde onderneming (met inbegrip van een beoordeling van het aandeel dat tekortkomingen in het bedrijfsmodel of corporate governance-systeem van de begunstigde onderneming hebben in die moeilijkheden en de mate waarin de moeilijkheden hadden kunnen worden vermeden door een passend en tijdig optreden van het management) en een sterkte-zwakteanalyse.

5.

Beschrijving van mogelijke plannen om de problemen van de begunstigde onderneming aan te pakken en een vergelijking van die plannen in termen van het vereiste bedrag aan staatssteun en de van die plannen verwachte uitkomsten.

6.

Beschrijving van het overheidsoptreden, alle nadere gegevens van iedere overheidsmaatregel (met o.a. vorm, bedrag en vergoeding van iedere maatregel) en het bewijs dat de gekozen staatssteuninstrumenten geschikt zijn voor de problemen die daarmee moeten worden verholpen.

7.

Een schets van de concrete tenuitvoerlegging van het voorkeursplan om de levensvatbaarheid op lange termijn van de begunstigde binnen een redelijk tijdsbestek (in beginsel maximaal drie jaar) te herstellen, met inbegrip van een tijdsschema van de verschillende maatregelen en een berekening van de kosten van iedere maatregel.

8.

Bedrijfsplan met financiële prognoses voor de komende vijf jaar, waaruit ook het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn blijkt.

9.

Bewijs van het herstel van de levensvatbaarheid in zowel een nulscenario (basispad) als een pessimistisch scenario, presentatie en verantwoording op basis van een marktstudie van de gehanteerde aannames en een sensitiviteitsanalyse.

10.

Voorgenomen eigen bijdrage en maatregelen op het gebied van lastendeling.

11.

Voorgenomen maatregelen ter beperking van verstoringen van de mededinging.


(1)  Deze richtsnoeren stemmen overeen met de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden die de Europese Commissie op 9 juli 2014 heeft vastgesteld (PB C 249 van 31.7.2014, blz. 1).

(2)  Besluit nr. 4/94/COL (PB L 231 van 3.9.1994, blz. 1 en EER-supplement nr. 32 van 3.9.1994, blz. 1). De geldigheidsduur van deze richtsnoeren werd eerst verlengd tot en met 31 december 1998 en vervolgens tot en met 31 december 1999.

(3)  Besluit nr. 329/99/COL (PB L 274 van 26.10.2000, blz. 1 en EER-supplement nr. 48 van 26.10.2000, blz. 14).

(4)  Besluit nr. 305/04/COL (PB L 107 van 28.4.2005, blz. 28 en EER-supplement nr. 21 van 28.4.2005, blz. 1).

(5)  Besluit nr. 433/09/COL (PB L 48 van 25.2.2010, blz. 27 en EER-supplement nr. 9 van 25.2.2010, blz. 12).

(6)  Besluit nr. 438/12/COL (PB L 190 van 11.7.2013, blz. 91 en EER-supplement nr. 40 van 11.7.2013, blz. 15).

(7)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „De modernisering van het EU-staatssteunbeleid”, COM(2012) 209 final.

(8)  Mededeling van de Commissie „Europa 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei”, COM(2010) 2020 final.

(9)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité „Een nieuwe Europese aanpak van faillissementen en insolventie”, COM(2012) 742 final. Zie ook de aanbeveling van de Commissie van 12 maart 2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie, C(2014) 1500 final, met name overweging 12.

(10)  Voor de toepassing van deze richtsnoeren hebben de begrippen „kmo”, „kleine onderneming” en „middelgrote onderneming” de betekenis die daaraan wordt gegeven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36). Met de richtsnoeren van de Autoriteit betreffende steun aan micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, die werden vastgesteld bij Besluit nr. 94/06/COL (PB L 36 van 5.2.2009, blz. 62), werd de definitie uit de aanbeveling van de Commissie opgenomen in de EER-overeenkomst. Onder „grote onderneming” wordt verstaan „een onderneming niet zijnde een kmo”.

(11)  Voor de toepassing van deze richtsnoeren zijn, om discriminatie tussen publiek en particulier eigendom van ondernemingen te vermijden, „kleinere overheidsbedrijven” economische entiteiten met een zelfstandige beslissingsbevoegdheid die op grond van Aanbeveling 2003/361/EG als kleine of middelgrote ondernemingen zouden kwalificeren, ware het niet dat één of meer overheidsinstanties, gezamenlijk of afzonderlijk, direct of indirect zeggenschap hebben over 25 % of meer van het kapitaal of de stemrechten.

(12)  Besluit 2010/787/EU van de Raad van 10 december 2010 betreffende staatssteun ter bevordering van de sluiting van niet-concurrentiekrachtige steenkoolmijnen (PB L 336 van 21.12.2010, blz. 24).

(13)   PB L 336 van 21.12.2010, blz. 24.

(14)  Verordening (EG) nr. 1407/2002 van de Raad van 23 juli 2002 betreffende staatssteun voor de kolenindustrie (PB L 205 van 2.8.2002, blz. 1).

(15)  Beschikking nr. 3632/93/EGKS van de Commissie van 28 december 1993 tot vaststelling van een communautaire regeling voor de steunmaatregelen van de lidstaten ten behoeve van de kolenindustrie (PB L 329 van 30.12.1993, blz. 12).

(16)  Zie de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 175/10 — Slovenië, steunmaatregel SA.33013 — Polen, steunmaatregel N 708/07 — Duitsland, steunmaatregel SA.33033 — Roemenië, en steunmaatregel SA.33861 — Hongarije.

(17)  In de zin van Besluit 2010/787/EU.

(18)  In de zin van bijlage II bij de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020, Besluit nr. 407/13/COL (PB L 166 van 5.6.2014, blz. 44 en EER-supplement nr. 33 van 5.6.2014, blz. 1).

(19)  Richtsnoeren betreffende de toepassing vanaf 1 december 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis („Bancaire richtsnoeren van 2013”), Besluit nr. 464/13/COL (PB L 264 van 4.9.2014, blz. 6).

(20)  Dergelijke bijzondere bepalingen bestaan voor het goederenvervoer per spoor; zie de richtsnoeren betreffende staatssteun aan spoorwegondernemingen, Besluit nr. 788/08/COL (PB L 105 van 21.4.2011, blz. 32 en EER-supplement nr. 23 van 21.4.2011, blz. 1).

(21)  Het betreft hier met name de vennootschapsvormen vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(22)  In voorkomend geval omvat het „aandelenkapitaal” ook het eventuele agio.

(23)  Het betreft hier met name de vennootschapsvormen die worden vermeld in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU.

(24)  Om te bepalen of een onderneming zelfstandig is dan wel deel uitmaakt van een ondernemingsgroep, zullen de criteria van bijlage I bij Aanbeveling 2003/361/EG in aanmerking worden genomen.

(25)  In zijn arrest in zaak C-241/94, Frankrijk/Commissie („Kimberly Clark Sopalin”), EU:C:1996:353, bevestigde het EU-Hof van Justitie dat de financiering op discretionaire grondslag door de Franse overheid — via het Fonds national de l'emploi — bepaalde ondernemingen in een gunstigere positie bracht dan andere, en derhalve kwalificeerde als steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. In dat arrest van het EU-Hof werd de conclusie van de Commissie dat deze steun met de interne markt verenigbaar was, niet ter discussie gesteld.

(26)  Voor alle duidelijkheid, een en ander belet overeenkomstsluitende partijen niet om individuele steun aan kmo's en kleinere overheidsbedrijven individueel aan te melden. In dergelijke gevallen zal de Autoriteit de steun toetsen aan de in deze richtsnoeren vastgestelde beginselen.

(27)  Zie bijv. zaak C-156/98, Duitsland/Commissie, EU:C:2000:467, punt 78, en zaak C-333/07, Société Régie Networks/Direction de contrôle fiscal Rhône-Alpes Bourgogne, EU:C:2008:764, punten 94-116.

(28)  Een indicatief model voor een herstructureringsplan is in bijlage II te vinden.

(29)  Regels betreffende referentie- en disconteringspercentages, Besluit nr. 788/08/COL.

(30)  Voor alle duidelijkheid, de opmerking betreffende de vergoeding van reddingssteun bij de tabel met opslagen voor leningen uit die richtsnoeren zal niet van toepassing zijn op steun die aan de onderhavige richtsnoeren wordt getoetst.

(31)  Deze bijdrage mag geen steun omvatten. Dit is bijvoorbeeld niet het geval bij een lening met rentesubsidie of met overheidsgaranties die steunelementen inhouden.

(32)  Zie bijv. besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel SA.32698 (11/NN), Air Åland.

(33)  Daartoe zal de balanspositie van de onderneming op het tijdstip van de steunverlening moeten worden vastgesteld.

(34)  Wat niet-aangemelde steun betreft, zal de Autoriteit bij haar beoordeling rekening houden met de mogelijkheid dat de steun niet als reddings- of herstructureringssteun, doch als andere steun met de werking van de EER-overeenkomst verenigbaar had kunnen worden verklaard.

(35)  Van onvoorzienbare omstandigheden is sprake wanneer het management van de begunstigde onderneming deze geenszins had kunnen voorzien op het tijdstip dat het herstructureringsplan werd opgesteld en voor zover zulks niet te wijten is aan nalatigheid of fouten van het management van de begunstigde onderneming of besluiten van de ondernemingsgroep waarvan de onderneming deel uitmaakt.

(36)  Zie gevoegde zaken C-328/99 en C-399/00, Italië en SIM 2 Multimedia SpA/Commissie, EU:C:2003:252; gevoegde zaken T-415/05, T-416/05 en T-423/05, Griekenland e.a./Commissie, EU:T:2010:386; zaak T-123/09, Ryanair Ltd/Commissie, EU:T:2012:164 (in beroep bevestigd door het Europees Hof van Justitie in zaak C-287/12 P, EU:C:2013:395).

(37)  Zo kan bijvoorbeeld de verkoop van een portefeuille of van individuele activa mogelijk zijn — en moet deze dus plaatsvinden — binnen een aanzienlijk korter tijdsbestek dan de verkoop van een bedrijfsonderdeel in going concern, met name wanneer dat bedrijfsonderdeel eerst van een ruimere entiteit moet worden afgesplitst.

(38)  In dit verband kan de Autoriteit ook rekening houden met het feit dat de begunstigde onderneming een middelgrote of een grote onderneming is.

(39)  Met name kan daarbij rekening worden gehouden met de concentratiegraad, capaciteitsbeperkingen, winstgevendheidsgraad, en barrières voor toetreding en groei.

(40)  Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „Protocol nr. 3” genoemd).

(41)  Zaak C-355/95 P, Textilwerke Deggendorf GmbH (TWD)/Commissie e.a., EU:C:1997:241.

(42)  Met uitzondering van bedrijfsgevoelige en andere vertrouwelijke informatie, in goed onderbouwde gevallen en na toestemming van de Autoriteit; zie het hoofdstuk over geheimhouding bij beschikkingen inzake staatssteun, Besluit nr. 15/04/COL (PB L 154 van 8.6.2006, blz. 27 en EER-supplement nr. 29 van 8.6.2006, blz. 1).

(43)  Het bekend te maken bedrag is het maximaal toegestane belastingvoordeel en niet het jaarlijks afgetrokken bedrag (bijv. in het kader van belastingkredieten moet het maximaal toegestane belastingkrediet worden bekendgemaakt — en niet het daadwerkelijke bedrag, dat afhankelijk kan zijn van de belastbare inkomsten en dat van jaar tot jaar kan variëren).

(44)  Deze informatie moet worden bekendgemaakt binnen zes maanden vanaf de datum van steunverlening (of, in het geval van steun in de vorm van een belastingvoordeel, binnen één jaar vanaf de datum voor het indienen van de belastingaangifte). In het geval van onrechtmatige steun zullen de overeenkomstsluitende partijen ervoor moeten zorgen dat deze informatie achteraf wordt bekendgemaakt, uiterlijk zes maanden vanaf de datum van de beschikking van de Autoriteit. Deze informatie moet beschikbaar worden gesteld in een standaard waarmee de gegevens kunnen worden doorzocht, opgehaald en gemakkelijk op internet kunnen worden bekendgemaakt, bijv. in CSV- of XML-formaat.

(45)  Bekendmaking zal niet worden geëist worden voor informatie over steun toegekend vóór 1 juli 2016 en, in het geval van fiscale steun, voor steun aangevraagd of toegekend vóór 1 juli 2016.

(46)  Kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst („DAEB-steunkader”), Besluit nr. 12/12/COL (PB L 161 van 13.6.2013, blz. 12 en EER-supplement nr. 34 van 13.6.2013, blz. 1).

(47)  De toepassing van de staatssteunregels op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie, Besluit nr. 12/12/COL.

(48)  Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1), bij Besluit nr. 85/2008 van het Gemengd Comité (PB L 280 van 23.10.2008, blz. 20 en EER-supplement nr. 64 van 23.10.2008, blz. 13) onder punt 4a opgenomen in bijlage XIII bij de EER-overeenkomst.

(49)  De artikelen 16, 17 en 18 van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3), bij Besluit nr. 90/2011 van het Gemengd Comité (PB L 262 van 6.10.2011, blz. 62 en EER-supplement nr. 54 van 6.10.2011, blz. 78) onder punt 64a, opgenomen in bijlage XIII bij de EER-overeenkomst.

(50)  Richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen, Besluit nr. 216/14/COL.

(51)  Verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7), bij Besluit nr. 70/1997 van het Gemengd Comité (PB L 30 van 5.2.1998, blz. 42 en EER-supplement nr. 5 van 5.2.1998, blz. 175) onder punt 53a, opgenomen in bijlage XIII bij de EER-overeenkomst.

(52)  Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer, Besluit nr. 62/04/COL (PB L 240 van 13.9.2007, blz. 9 en EER-supplement nr. 43 van 13.9.2007, blz. 1).

(53)  Voor de toepassing van hoofdstuk 6 omvat het begrip „kmo's” ook kleinere overheidsbedrijven.

(54)  Voor alle duidelijkheid, de opmerking betreffende de vergoeding van reddingssteun bij de tabel met opslagen voor leningen uit die richtsnoeren zal niet van toepassing zijn op steun die aan de onderhavige richtsnoeren wordt getoetst.

(55)  Dit soort gemeenschappelijke methode kan door de Autoriteit worden verstrekt.

(56)  Om een bedrag over een periode van zes maanden te verkrijgen, moet de EBIT opnieuw worden vermeerderd met de afschrijvingen over diezelfde periode, plus de veranderingen in het werkkapitaal over een periode van twee jaar (het jaar vóór de aanvraag en het jaar daarvóór), gedeeld door twee.

(57)  Vlottende activa: liquide middelen, vorderingen (klanten- en debiteurenrekeningen), overige vlottende activa en vooruitbetaalde kosten, voorraden. Vlottende passiva: financiële schulden, handelsschulden (leveranciers- en crediteurenrekeningen) en overige vlottende passiva, uitgestelde baten, overige overlopende passiva, belastingverplichtingen.