ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 263

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
8 oktober 2015


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2015/1794 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 tot wijziging van de Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG en 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 98/59/EG en 2001/23/EG van de Raad wat zeevarenden betreft ( 1 )

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2015/1795 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Faeröer, waarbij de Faeröer geassocieerd worden met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)

6

 

*

Besluit (EU) 2015/1796 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende de sluiting van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten

8

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2015/1797 van de Raad van 7 oktober 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren

10

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1798 van de Commissie van 2 juli 2015 tot rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 houdende aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de vereisten inzake blootstellingen aan overgedragen kredietrisico voor als belegger, sponsor, initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende instellingen ( 1 )

12

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1799 van de Commissie van 5 oktober 2015 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1800 van de Commissie van 6 oktober 2015 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1801 van de Commissie van 7 oktober 2015 tot verlaging van de vangstquota voor 2015 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van deze bestanden in de voorgaande jaren

19

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1802 van de Commissie van 7 oktober 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

29

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1803 van de Commissie van 7 oktober 2015 tot vaststelling van een aanvaardingspercentage voor de afgifte van uitvoercertificaten, tot afwijzing van uitvoercertificaataanvragen en tot schorsing van de mogelijkheid tot het indienen van uitvoercertificaataanvragen voor buiten het quotum geproduceerde suiker

31

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 245/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst [2015/1804]

33

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 246/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst [2015/1805]

35

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 247/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1806]

36

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 248/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1807]

38

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 249/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1808]

40

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 250/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1809]

42

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 251/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1810]

44

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 252/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1811]

46

 

*

Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 253/2014 van 13 november 2014 tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1812]

47

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 30/15/COL van 27 januari 2015 om drie afwijkingen toe te staan waarom is verzocht door het Vorstendom Liechtenstein in verband met artikel 30, artikel 36, lid 2, en punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de Liechtensteinse verordening van 3 maart 1998 over het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Verordnung über den Transport gefährlicher Güter auf der Strasse — VTGGS), op grond van artikel 6, lid 2, onder a), van het in punt 13c van hoofdstuk I van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst bedoelde handeling (Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land) [2015/1813]

49

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 255/2013 van de Commissie van 20 maart 2013 houdende wijziging, met het oog op aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, van de bijlagen IC, VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen ( PB L 79 van 21.3.2013 )

53

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/1


RICHTLIJN (EU) 2015/1794 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 oktober 2015

tot wijziging van de Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG en 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 98/59/EG en 2001/23/EG van de Raad wat zeevarenden betreft

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 153, lid 2, onder b), in samenhang met artikel 153, lid 1, onder b) en e),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen die geleidelijk van toepassing zullen worden, ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de informatie en de raadpleging van de werknemers. In deze richtlijnen dient te worden vermeden onevenredige kosten of zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen, die duurzame groei en banencreatie bevorderen, daardoor zou kunnen worden belemmerd.

(2)

In de Richtlijnen 2008/94/EG (4), 2009/38/EG (5) en 2002/14/EG (6) van het Europees Parlement en de Raad en de Richtlijnen 98/59/EG (7) en 2001/23/EG (8) van de Raad, worden sommige zeevarenden uitgesloten van de respectieve werkingssfeer daarvan, of wordt het de lidstaten toegestaan deze werknemers daarvan uit te sluiten.

(3)

In haar mededeling van 21 januari 2009, getiteld „Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018”, wees de Commissie op het belang van de totstandbrenging van een geïntegreerd juridisch kader om de maritieme sector concurrerender te maken.

(4)

Door het bestaan van uitsluitingen en/of de mogelijkheid tot invoering daarvan kunnen zeevarenden worden verhinderd ten volle gebruik te maken van hun recht op rechtvaardige en billijke arbeidsvoorwaarden en van hun recht op informatie en raadpleging, of kan de volledige uitoefening van deze rechten worden beperkt. Voor zover voor het bestaan van uitsluitingen en/of de mogelijkheid tot invoering daarvan op objectieve gronden niet kan worden gerechtvaardigd en zeevarenden niet gelijk worden behandeld, dienen bepalingen die dergelijke uitsluitingen toestaan, te worden geschrapt.

(5)

De huidige rechtssituatie, die deels het resultaat is van de specifieke aard van het beroep van zeevarende, heeft ongelijke behandeling van dezelfde categorie werknemers door verschillende lidstaten tot gevolg, al naargelang die lidstaten al dan niet de door de vigerende wettelijke regeling toegestane uitsluitingen en mogelijkheden tot uitsluiting toepassen. Een aanzienlijk aantal lidstaten heeft geen, of slechts beperkt gebruikgemaakt van die mogelijkheden tot uitsluiting.

(6)

De Commissie heeft er in haar mededeling van 10 oktober 2007, getiteld „Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie”, op gewezen dat dat beleid uitgaat van het duidelijke besef dat alles wat met de Europese zeeën en oceanen te maken heeft, met elkaar verweven is en dat beleidslijnen over maritieme aangelegenheden op een holistische manier moeten worden ontwikkeld om tot de gewenste resultaten te komen. Zij benadrukte eveneens de noodzaak van meer en betere banen voor de burgers van de Unie in de maritieme sectoren en het belang van verbetering van de arbeidsvoorwaarden aan boord, onder andere door investeringen in onderzoek, onderwijs, opleiding, gezondheid en veiligheid.

(7)

Deze richtlijn is in overeenstemming met de Europa 2020-strategie en de bijbehorende werkgelegenheidsdoelstellingen, en met de strategie die de Commissie in haar mededeling van 23 november 2010, getiteld „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen: een Europese bijdrage aan volledige werkgelegenheid”, heeft uiteengezet.

(8)

De zogenaamde blauwe economie vormt een belangrijk deel van de economie van de Unie wat betreft de werkgelegenheid en de bruto toegevoegde waarde.

(9)

Overeenkomstig artikel 154, lid 2, VWEU heeft de Commissie de sociale partners op Unieniveau geraadpleegd over de mogelijke richting van een optreden van de Unie op dit gebied.

(10)

De sociale partners in de maritieme sector hebben in het kader van hun sociale dialoog een akkoord bereikt dat van groot belang is voor deze richtlijn. Daarbij is een goed evenwicht gevonden tussen de noodzaak om de arbeidsvoorwaarden van zeevarenden te verbeteren en de noodzaak om rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de sector.

(11)

Gezien de bijzondere aard van de maritieme sector en de bijzondere arbeidsvoorwaarden van de werknemers voor wie de uitsluitingen gelden die bij deze richtlijn worden geschrapt, is het nodig een aantal bepalingen van de bij de onderhavige richtlijn gewijzigde richtlijnen aan te passen in het licht van het specifieke karakter van de betrokken sector.

(12)

Gelet op de technologische ontwikkelingen van de laatste jaren, met name op het gebied van de communicatietechnologie, dienen de informatie- en raadplegingsvereisten te worden geactualiseerd en op de meest geschikte wijze te worden toegepast, onder meer met behulp van nieuwe technologieën voor communicatie op afstand en door de beschikbaarheid van het internet te verbeteren en een zinvol gebruik ervan aan boord te garanderen, zulks teneinde de uitvoering van deze richtlijn te verbeteren.

(13)

De rechten van onder deze richtlijn vallende zeevarenden, welke door de lidstaten in hun nationale wetgeving tot omzetting van de Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG, 2002/14/EG, 98/59/EG en 2001/23/EG zijn toegekend, dienen onverlet te worden gelaten. De uitvoering van deze richtlijn mag niet dienen ter rechtvaardiging van enigerlei achteruitgang ten opzichte van de reeds in elke lidstaat bestaande situatie.

(14)

Het Maritiem Arbeidsverdrag van 2006 van de Internationale Arbeidsorganisatie is erop gericht om, enerzijds, behoorlijke arbeidsvoorwaarden- en leefomstandigheden voor zeevarenden te bewerkstelligen door te zorgen voor gezondheids- en veiligheidsnormen, eerlijke arbeidsovereenkomsten en beroepsopleidingen en, anderzijds, voor de reders eerlijke concurrentie te garanderen dankzij de wereldwijde toepassing van het verdrag, waarbij tegelijkertijd wordt beoogd op internationaal niveau met betrekking tot sommige, maar niet alle rechten van werknemers, ongeacht hun nationaliteit of de vlag die het schip voert, een gelijk speelveld te waarborgen. Dat verdrag, Richtlijn 2009/13/EG (9) van de Raad en Richtlijnen 2009/16/EG (10) en 2013/54/EU (11) van het Europees Parlement en de Raad leggen rechten van zeevarenden op fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden in een breed scala aan gebieden vast, bieden zeevarenden uitgebreide rechten en bescherming en dragen bij tot de totstandkoming van een gelijke speelveld, ook binnen de Unie.

(15)

De Unie dient te streven naar betere arbeidsvoorwaarden en leefomstandigheden aan boord van schepen en naar de aanwending van het innovatiepotentieel om de maritieme sector aantrekkelijker te maken voor zeevarenden van de Unie, met inbegrip van jonge arbeiders.

(16)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden en de informatie en raadpleging van zeevarenden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(17)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, met name het recht op rechtvaardige en billijke arbeidsvoorwaarden en op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming. Deze richtlijn dient overeenkomstig deze rechten en beginselen te worden toegepast.

(18)

De Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG, 2002/14/EG, 98/59/EG en 2001/23/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 2008/94/EG

In artikel 1 van Richtlijn 2008/94/EG wordt lid 3 vervangen door:

„3.   Indien een dergelijke bepaling al van toepassing is in hun nationale wetgeving, kunnen de lidstaten huispersoneel in dienst van een natuurlijk persoon van de werkingssfeer van deze richtlijn blijven uitsluiten.”.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2009/38/EG

Richtlijn 2009/38/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 wordt lid 7 geschrapt.

2)

Aan artikel 10, lid 3, worden de volgende alinea's toegevoegd:

„Een lid van een bijzondere onderhandelingsgroep of van de Europese ondernemingsraad, of diens plaatsvervanger, die lid is van de bemanning van een zeeschip, heeft het recht deel te nemen aan een vergadering van de bijzondere onderhandelingsgroep of van de Europese ondernemingsraad, of aan elke andere vergadering die volgens een uit hoofde van artikel 6, lid 3, ingestelde procedure wordt georganiseerd, indien dat lid of die plaatsvervanger ten tijde van de vergadering niet op zee is of zich bevindt in een haven in een ander land dan waar de scheepvaartmaatschappij is gevestigd.

Voor zover mogelijk worden de vergaderingen zo gepland dat de leden of plaatsvervangers, die lid zijn van de bemanning van een zeeschip, er makkelijk aan kunnen deelnemen.

Wanneer een lid van een bijzondere onderhandelingsgroep of van de Europese ondernemingsraad, of diens plaatsvervanger, die lid is van de bemanning van een zeeschip, verhinderd is een vergadering bij te wonen, wordt de mogelijkheid om van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën gebruik te maken, indien mogelijk, in aanmerking genomen.”.

Artikel 3

Wijziging van Richtlijn 2002/14/EG

In artikel 3 van Richtlijn 2002/14/EG wordt lid 3 geschrapt.

Artikel 4

Wijzigingen van Richtlijn 98/59/EG

Richtlijn 98/59/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1, lid 2, wordt punt c) geschrapt.

2)

In artikel 3, lid 1, wordt na de tweede alinea de volgende alinea ingevoegd:

„Wanneer het plan voor collectief ontslag de leden van de bemanning van een zeeschip betreft, geeft de werkgever daarvan kennis aan de bevoegde instantie van de staat waarvan het schip de vlag voert.”.

Artikel 5

Wijziging van Richtlijn 2001/23/EG

In artikel 1 van Richtlijn 2001/23/EG wordt lid 3 vervangen door:

„3.   Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van een zeeschip als onderdeel van de overgang van een onderneming, vestiging of onderdeel van een onderneming of vestiging in de zin van de leden 1 en 2, op voorwaarde dat de verkrijger onder de territoriale werkingssfeer van het Verdrag valt of dat de overgegane onderneming, vestiging of onderdeel van een onderneming of vestiging onder die werkingssfeer blijft.

Deze richtlijn is niet van toepassing wanneer de overgang uitsluitend een of meer zeeschepen betreft.”.

Artikel 6

Beschermingsniveau

De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden voor de verlaging van het algemene niveau van bescherming van de onder deze richtlijn vallende personen, dat de lidstaten reeds hebben toegekend op de door de Richtlijnen 2008/94/EG, 2009/38/EG, 2002/14/EG, 98/59/EG en 2001/23/EG geregelde terreinen.

Artikel 7

Rapportage door de Commissie

De Commissie legt, na overleg met de lidstaten en de sociale partners op Unieniveau, uiterlijk op 10 oktober 2019 een rapport over de uitvoering en de toepassing van de artikelen 4 en 5 voor aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 8

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 10 oktober 2017 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 10

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 6 oktober 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT


(1)  PB C 226 van 16.7.2014, blz. 35.

(2)  PB C 174 van 7.6.2014, blz. 50.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 8 juli 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 18 september 2015.

(4)  Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283 van 28.10.2008, blz. 36).

(5)  Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).

(6)  Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).

(7)  Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16).

(8)  Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16).

(9)  Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het Maritiem Arbeidsverdrag van 2006 en tot wijziging van Richtlijn 1999/63/EG (PB L 124 van 20.5.2009, blz. 30).

(10)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

(11)  Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1).


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/6


BESLUIT (EU) 2015/1795 VAN DE RAAD

van 1 oktober 2015

betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Faeröer, waarbij de Faeröer geassocieerd worden met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 186 in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), en lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring door het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Faeröer, waarbij de Faeröer geassocieerd worden met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) („de overeenkomst”), is overeenkomstig Besluit (EU) 2015/209 van de Raad (1) op 17 december 2014 namens de Unie ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum.

(2)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Faeröer, waarbij de Faeröer geassocieerd worden met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020), wordt namens de Unie goedgekeurd (2).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de kennisgeving die is voorzien in artikel 5, lid 2, van de overeenkomst (3).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 1 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

É. SCHNEIDER


(1)  Besluit (EU) 2015/209 van de Raad van 10 november 2014 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, en voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Faeröer, waarbij de Faeröer geassocieerd worden met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) (PB L 35 van 11.2.2015, blz. 1).

(2)  De overeenkomst is samen met het besluit tot ondertekening bekendgemaakt in PB L 35 van 11.2.2015.

(3)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/8


BESLUIT (EU) 2015/1796 VAN DE RAAD

van 1 oktober 2015

betreffende de sluiting van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 186 in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), artikel 218, lid 7, en artikel 218, lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring door het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten („de overeenkomst”), is namens de Unie ondertekend op 5 december 2014 in overeenstemming met Besluit nr. 2014/953/EU van de Raad (1).

(2)

De overeenkomst werd gesloten door de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op 5 december 2014, in overeenstemming met Besluit 2014/954/Euratom van de Raad (2).

(3)

De overeenkomst moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten, wordt hierbij namens de Unie gesloten (3).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 15, lid 1, eerste alinea, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving (4).

Artikel 3

De Commissie gaat over tot de vaststelling van het namens de Unie in het Onderzoekscomité Zwitserland/Gemeenschappen in te nemen standpunt met betrekking tot besluiten van het Comité op grond van artikel 5, lid 2, van de overeenkomst.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 1 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

É. SCHNEIDER


(1)  Besluit 2014/953/EU van de Raad van 4 december 2014 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van Zwitserland aan de door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 1).

(2)  Besluit 2014/954/Euratom van de Raad van 4 december 2014 houdende goedkeuring van de sluiting door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, teneinde de Zwitserse Bondsstaat te associëren met Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en het programma voor onderzoek en opleiding van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ter aanvulling van Horizon 2020, en teneinde een regeling uit te werken voor de deelname van Zwitserland aan de door Fusion for Energy uitgevoerde ITER-activiteiten (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 19).

(3)  De overeenkomst werd samen met het besluit ter ondertekening bekendgemaakt in PB L 370 van 30.12.2014.

(4)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal door het secretariaat-generaal van de Raad bekendgemaakt worden in het Publicatieblad van de Europese Unie.


VERORDENINGEN

8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/10


VERORDENING (EU) 2015/1797 VAN DE RAAD

van 7 oktober 2015

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,

Gezien Besluit (GBVB) 2015/1764 van de Raad van 1 oktober 2015 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (1),

Gezien het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 31 juli 2014 heeft de Raad Verordening (EU) nr. 833/2014 (2) vastgesteld.

(2)

Verordening (EU) nr. 833/2014 werd gewijzigd op 8 september en 4 december 2014, respectievelijk bij Verordeningen (EU) nr. 960/2014 (3) en (EU) nr. 1290/2014 (4) van de Raad.

(3)

Op 1 oktober 2015 heeft de Raad Besluit (GBVB) 2015/1764 vastgesteld teneinde bepaalde transacties toe te staan met betrekking tot in de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen van de Europese Unie vermelde specifieke pyrotechnische stoffen die noodzakelijk zijn voor het gebruik van draagraketten die door een lanceerdienstverlener van een lidstaat of gevestigd in een lidstaat worden bediend, voor lanceringen van ruimteprogramma's van de Unie, haar lidstaten of het Europees Ruimteagentschap, of voor het van brandstof voorzien van satellieten door in een lidstaat gevestigde satellietbouwers.

(4)

Sommige van die wijzigingen vallen onder het toepassingsgebied van het Verdrag en derhalve is regelgeving op Unieniveau noodzakelijk, met name om te garanderen dat zij in alle lidstaten uniform worden toegepast.

(5)

Bijgevolg moet Verordening (EU) nr. 833/2014 dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 4 van Verordening (EU) nr. 833/2014 worden de volgende leden ingevoegd:

„2 bis.   De verbodsbepalingen van lid 1, onder a) en b), gelden niet voor het direct of indirect verstrekken van technische bijstand, financiering of financiële bijstand in verband met de volgende operaties:

a)

de verkoop, verstrekking, overdracht of uitvoer en de invoer, de aankoop of het vervoer van Hydrazine (CAS 302-01-2) in concentraties van 70 procent of meer, mits die technische bijstand, financiering of financiële bijstand betrekking heeft op een hoeveelheid Hydrazine, die wordt berekend overeenkomstig de lancering(en) of de satellieten waarvoor het wordt vervaardigd, en die niet hoger mag liggen dan een totale hoeveelheid van 800 kg voor iedere individuele lancering of satelliet;

b)

de invoer, de aankoop of het vervoer van asymmetrisch dimethylhydrazine (CAS 57-14-7);

c)

de verkoop, verstrekking, overdracht of uitvoer en de invoer, aankoop of het vervoer van monomethylhydrazine (CAS 60-34-4), mits die technische bijstand, financiering of financiële bijstand betrekking heeft op een hoeveelheid monomethylhydrazine die wordt berekend overeenkomstig de lancering(en) of de satellieten waarvoor het wordt vervaardigd,

voor zover de onder de punten a), b) en c) van dit lid vermelde substanties bestemd zijn voor het gebruik van draagraketten die door een Europese lanceerdienstverlener worden bediend, voor lanceringen van Europese ruimteprogramma's of voor het van brandstof voorzien van satellieten door Europese satellietbouwers.

2 ter.   Het direct of indirect verstrekken van technische bijstand, financiering of financiële bijstand in verband met de operaties bedoeld in lid 2 bis, onder a), b) en c), is onderworpen aan de voorafgaande vergunning door de bevoegde instanties.

De aanvragers van een vergunning verschaffen de bevoegde autoriteiten de nodige informatie.

De bevoegde autoriteiten brengen de Commissie op de hoogte van alle verleende vergunningen.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 9 oktober 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 257 van 2.10.2015, blz. 42.

(2)  Verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 229 van 31.7.2014, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 960/2014 van de Raad van 8 september 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 271 van 12.9.2014, blz. 3).

(4)  Verordening (EU) nr. 1290/2014 van de Raad van 4 december 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 960/2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 (PB L 349 van 5.12.2014, blz. 20).


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/12


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/1798 VAN DE COMMISSIE

van 2 juli 2015

tot rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 houdende aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de vereisten inzake blootstellingen aan overgedragen kredietrisico voor als belegger, sponsor, initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende instellingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 410, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de Bulgaarse, Estse, Engelse, Franse, Letse, Litouwse, Hongaarse en Maltese versie van de titel van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 van de Commissie (2) staat een fout.

(2)

In de Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse, Letse, Hongaarse en Maltese versie van artikel 1, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 staat een fout.

(3)

In de Estse, Griekse, Engelse, Franse, Kroatische, Italiaanse, Hongaarse, Poolse, Roemeense, Finse en Zweedse versie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 is de zinsbouw van artikel 15, lid 1, onjuist.

(4)

In de Engelse, Franse, Letse en Maltese versie van artikel 16, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 staat een fout.

(5)

In de Bulgaarse, Spaanse, Tsjechische, Duitse, Estse, Griekse, Engelse, Franse, Kroatische, Italiaanse, Letse, Litouwse, Hongaarse, Maltese, Nederlandse, Poolse, Portugese, Roemeense, Slowaakse, Sloveense, Finse en Zweedse versie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 is de zinsbouw van artikel 22, lid 1, onder b), onjuist.

(6)

In alle versies bevat artikel 23, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 ten onrechte een punt c), dat een afzonderlijk lid van genoemd artikel moet zijn. De tekst moet worden gerectificeerd om duidelijk te maken dat wezenlijk relevante gegevens niet in alle omstandigheden op het niveau van afzonderlijke leningen moeten worden verstrekt en dat in bepaalde omstandigheden het verstrekken van wezenlijke relevante gegevens in geaggregeerde vorm volstaat.

(7)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 moet daarom dienovereenkomstig worden gerectificeerd.

(8)

Deze verordening is gebaseerd op het oorspronkelijke ontwerp van technische reguleringsnormen dat de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) aan de Commissie heeft voorgelegd.

(9)

De Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) heeft openbare raadplegingen gehouden over de oorspronkelijke ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de potentiële desbetreffende kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 wordt als volgt gerectificeerd:

1)

Betreft enkel de Bulgaarse, Estse, Engelse, Franse, Letse, Litouwse, Hongaarse en Maltese versie.

2)

Betreft enkel de Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse, Letse, Hongaarse en Maltese versie;

3)

Betreft enkel de Estse, Griekse, Engelse, Franse, Kroatische, Italiaanse, Hongaarse, Poolse, Roemeense, Finse en Zweedse versie;

4)

Betreft enkel de Engelse, Franse, Letse en Maltese versie;

5)

Artikel 22, lid 1, onder b), wordt vervangen door:

„b)

welke van de in artikel 405, lid 1, tweede alinea, onder a), b), c), d) of e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde regelingen zijn getroffen om een netto economisch belang aan te houden;”.

6)

Artikel 23, lid 2, wordt als volgt gerectificeerd:

a)

punt b) wordt vervangen door:

„b)

na een inbreuk op de verplichtingen die in de documentatie betreffende de securitisatie zijn opgenomen.”;

b)

punt c) wordt vervangen door het volgende nieuwe lid 2 bis:

„2 bis   Wezenlijk relevante gegevens over de individuele onderliggende blootstellingen worden in de regel per lening verstrekt; in bepaalde gevallen kunnen de in geaggregeerde vorm verstrekte gegevens echter volstaan. Bij de beoordeling of geaggregeerde informatie volstaat, moet onder meer rekening worden gehouden met de granulariteit van de onderliggende pool en met het feit of het beheer van de blootstellingen in die pool is gebaseerd op de pool zelf of op elke lening afzonderlijk.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 juli 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 625/2014 van de Commissie van 13 maart 2014 houdende aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de vereisten inzake blootstellingen aan overgedragen kredietrisico voor als belegger, sponsor, initiator of oorspronkelijke kredietverstrekker optredende instellingen (PB L 174 van 13.6.2014, blz. 16).

(3)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1799 VAN DE COMMISSIE

van 5 oktober 2015

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (2). Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal Belastingen en Douane-unie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling (GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Een product in poedervorm, opgemaakt voor de verkoop in het klein in een doos van kunststof met een inhoud van 300 g. De aanbevolen dagelijkse dosis (10 g) bestaat uit (in milligram):

aminozuren (mengsel van arginine en citrulline)

5 200

vitamine C (als ascorbinezuur)

500

L-taurine

300

vitamine E (als D-alfa-tocoferylacetaat)

90

alfa-liponzuur

10

foliumzuur

0,4

citroenmelisse

50

calcium (als CaCO3)

66

Het product bevat ook kleine hoeveelheden citroenzuur, sucralose en siliciumdioxide.

Volgens het etiket is het product een dieetsupplement voor menselijke consumptie dat bijdraagt tot de lichaamsverzorging en een leven lang welzijn biedt.

De aanbevolen dagelijkse dosis is 10 g (twee schepjes).

2106 90 92

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aanvullende aantekening 1 a) (GN) op hoofdstuk 30 en de bewoordingen van de GN-codes 2106, 2106 90 en 2106 90 92.

Het product is een preparaat dat wordt gepresenteerd als dieetsupplement voor menselijke consumptie dat vitaminen en aminozuren bevat.

Het product is niet bestemd om enige ziekte in de zin van post 3004 te diagnosticeren, behandelen, bestrijden of voorkomen. Hoewel het niveau van vitamine C en E aanzienlijk hoger is dan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid, voldoet het product niet aan de vereisten van aanvullende aantekening 1 a) (GN) op hoofdstuk 30. Indeling onder GN-code 3004 is daarom uitgesloten.

Aangezien het product is opgemaakt in een verpakking waarop is vermeld dat het bedoeld is om de gezondheid of het welzijn te handhaven, is het een product voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen (zie ook de GS-toelichtingen op post 2106, tweede alinea, punt 16).

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 2106 90 92 als andere producten voor menselijke consumptie.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1800 VAN DE COMMISSIE

van 6 oktober 2015

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (2). Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal Belastingen en Douane-unie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Een draagbaar elektronisch toestel met afmetingen 7 × 60 × 110 mm en een gewicht van 100 g, bestaande uit de volgende hoofdcomponenten in één behuizing van kunststof:

een led-kleurenbeeldscherm met aanraakfunctie, een diagonale afmeting van het scherm van 8,9 cm (3,5 inch) en een resolutie van 960 × 640 pixels;

een centrale verwerkingseenheid;

een RAM-geheugen van 256 MB;

een opslagcapaciteit van 32 GB;

een module voor draadloze verbinding met andere toestellen en internet;

een oplaadbare lithiumbatterij;

een luidspreker;

een microfoon, en

een camera voor het vastleggen van video en stilstaande beelden.

Het toestel heeft de volgende interfaces:

een connector om het toestel op te laden en het met andere toestellen, zoals een automatische gegevensverwerkende machine, te verbinden;

een uitgang voor een 3,5 mm-stekker.

Met het toestel kan de gebruiker onder meer een verbinding met internet tot stand brengen, softwareapplicaties downloaden, uitvoeren en bewerken, e-mail ontvangen en versturen, spelletjes spelen alsmede muziek, video's en foto's downloaden, opnemen en weergeven.

8471 30 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 3 op afdeling XVI, aantekening 5 A) op hoofdstuk 84 en de tekst van de GN-codes 8471 en 8471 30 00.

Het toestel is ontworpen voor het vervullen van twee of meer afwisselende of aanvullende functies in de zin van aantekening 3 op afdeling XVI (gegevensverwerking, communicatie via een draadloos netwerk, opnemen en weergeven van geluid en video, vastleggen van video en stilstaande beelden, tonen van stilstaande beelden en videobeelden).

Gezien de objectieve kenmerken van het toestel, met name de mogelijkheid om programma's te downloaden, op te slaan, te bewerken en uit te voeren, is de voornaamste functie ervan gegevensverwerking (zie ook de GS-indelingsadviezen 8471.30/2, 3 en 4). De andere functies worden als bijkomstig beschouwd.

Het artikel moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 8471 30 00 als draagbare automatische gegevensverwerkende machines, wegende niet meer dan 10 kg, die ten minste bestaan uit een centrale verwerkingseenheid, een toetsenbord en een beeldscherm.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1801 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2015

tot verlaging van de vangstquota voor 2015 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van deze bestanden in de voorgaande jaren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 105, leden 1, 2 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De vangstquota voor 2014 zijn vastgesteld bij:

Verordening (EU) nr. 1262/2012 van de Raad (2),

Verordening (EU) nr. 1180/2013 van de Raad (3),

Verordening (EU) nr. 24/2014 van de Raad (4), en

Verordening (EU) nr. 43/2014 van de Raad (5).

(2)

De vangstquota voor 2015 zijn vastgesteld bij:

Verordening (EU) nr. 1221/2014 van de Raad (6),

Verordening (EU) nr. 1367/2014 van de Raad (7),

Verordening (EU) 2015/104 van de Raad (8), en

Verordening (EU) 2015/106 van de Raad (9).

(3)

Overeenkomstig artikel 105, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet de Commissie, wanneer zij vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen vangstquota heeft overschreden, de toekomstige vangstquota van die lidstaat verlagen.

(4)

In artikel 105, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is bepaald dat de vangstquota het volgende jaar of de volgende jaren moeten worden verlaagd door toepassing van bepaalde vermenigvuldigingsfactoren die in die leden zijn vastgesteld.

(5)

Sommige lidstaten hebben hun vangstquota voor 2014 overschreden. Derhalve moeten de aan die lidstaten toegewezen vangstquota voor de overbeviste bestanden in 2015 en in voorkomend geval ook in de daaropvolgende jaren worden verlaagd.

(6)

In 2012 heeft Spanje zijn quotum voor langoustines in gebied IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 (NEP/93411) overbevist. De uit die overbevissing voortvloeiende verlaging met 75,45 ton gold voor 2013, maar is op verzoek van Spanje gespreid over drie jaar, te beginnen in 2013. De resterende jaarlijkse verlaging van het Spaanse quotum voor het bestand NEP/93411 bedraagt 19 ton in 2015, tenzij wordt beslist het quotum weer aan te passen.

(7)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 871/2014 van de Commissie (10) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1360/2014 van de Commissie (11) zijn voor 2014 de vangstquota voor bepaalde landen en soorten verlaagd. Voor sommige lidstaten waren de voor een aantal soorten toe te passen verlagingen evenwel groter dan de desbetreffende quota voor 2014 en konden die verlagingen in dat jaar bijgevolg niet volledig worden toegepast. Om te garanderen dat in dergelijke gevallen de volledige verlaging voor de desbetreffende bestanden wordt toegepast, moeten de resterende hoeveelheden in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de verlagingen van de quota voor 2015 en, in voorkomend geval, voor de daaropvolgende jaren.

(8)

Verlagingen van vangstquota, als vastgesteld bij de onderhavige verordening, moeten gelden onverminderd de verlagingen van de quota voor 2015 overeenkomstig Verordening (EU) nr. 165/2011 van de Commissie (12) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 van de Commissie (13).

(9)

Aangezien quota worden uitgedrukt in ton of hele exemplaren, moeten hoeveelheden van minder dan één ton of één exemplaar niet in overweging worden genomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De vangstquota die voor 2015 zijn vastgesteld in de Verordeningen (EU) nr. 1221/2014, (EU) nr. 1367/2014, (EU) 2015/104 en (EU) 2015/106, worden overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening verlaagd.

2.   Lid 1 is van toepassing onverminderd de verlagingen waarin is voorzien bij Verordening (EU) nr. 165/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1262/2012 van de Raad van 20 december 2012 tot vaststelling, voor 2013 en 2014, van de vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen voor bepaalde bestanden van diepzeevissen (PB L 356 van 22.12.2012, blz. 22).

(3)  Verordening (EU) nr. 1180/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot vaststelling, voor 2014, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn (PB L 313 van 22.11.2013, blz. 4).

(4)  Verordening (EU) nr. 24/2014 van de Raad van 10 januari 2014 tot vaststelling, voor 2014, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden in de Zwarte Zee (PB L 9 van 14.1.2014, blz. 4).

(5)  Verordening (EU) nr. 43/2014 van de Raad van 20 januari 2014 tot vaststelling, voor 2014, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2014, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 1221/2014 van de Raad van 10 november 2014 tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 43/2014 en (EU) nr. 1180/2013 (PB L 330 van 15.11.2014, blz. 16).

(7)  Verordening (EU) nr. 1367/2014 van de Raad van 15 december 2014 tot vaststelling, voor 2015 en 2016, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen (PB L 366 van 20.12.2014, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2015/104 van de Raad van 19 januari 2015 tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 43/2014 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 779/2014 (PB L 22 van 28.1.2015, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) 2015/106 van de Raad van 19 januari 2015 tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden in de Zwarte Zee (PB L 19 van 24.1.2015, blz. 8).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 871/2014 van de Commissie van 11 augustus 2014 tot verlaging van de vangstquota voor 2014 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van deze bestanden in de voorgaande jaren (PB L 239 van 12.8.2014, blz. 14).

(11)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1360/2014 van de Commissie van 18 december 2014 tot verlaging van de vangstquota voor 2014 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van andere bestanden in de voorgaande jaren en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 871/2014 wat betreft de in komende jaren af te trekken hoeveelheden (PB L 365 van 19.12.2014, blz. 106).

(12)  Verordening (EU) nr. 165/2011 van de Commissie van 22 februari 2011 tot verlaging van bepaalde aan Spanje toegewezen makreelquota in 2011 en de daaropvolgende jaren wegens overbevissing in 2010 (PB L 48 van 23.2.2011, blz. 11).

(13)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot verlaging van bepaalde aan Spanje toegewezen vangstquota in 2013 en de daaropvolgende jaren wegens overbevissing van een bepaald makreelquotum in 2009 (PB L 62 van 6.3.2013, blz. 62).


BIJLAGE

VERLAGINGEN VAN QUOTA VOOR BESTANDEN DIE ZIJN OVERBEVIST

Lidstaat

Soortcode

Gebiedscode

Soortnaam

Benaming gebied

Oorspronkelijk quotum 2014

Toegestane aanlandingen 2014 (totale aangepaste hoeveelheid in ton) (1)

Totale vangsten 2014 (hoeveelheid in ton)

Benutting quotum in verhouding tot toegestane aanlandingen (%)

Overbevissing in verhouding tot toegestane aanlandingen (hoeveelheid in ton)

Vermenigvuldigingsfactor (2)

Aanvullende vermenigvuldigingsfactor (3)  (4)

Resterende verlaging van 2014 (5)

Saldo (6)

In 2015 toe te passen verlagingen (hoeveelheid in ton)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

(9)

(10)

(11)

(12)

(13)

(14)

(15)

BE

PLE

7HJK.

Schol

VIIh, VIIj en VIIk

8,000

1,120

3,701

330,45

2,581

/

/

/

/

2,581

BE

SOL

8AB.

Tong

VIIIa en VIIIb

47,000

327,900

328,823

100,28

0,923

/

C

/

/

1,385

BE

SRX

07D.

Roggen

Wateren van de Unie van VIId

72,000

60,000

69,586

115,98

9,586

/

/

/

/

9,586

BE

SRX

67AKXD

Roggen

Wateren van de Unie van VIa, VIb, VIIa-c en VIIe-k

725,000

765,000

770,738

100,75

5,738

/

/

/

/

5,738

DK

COD

03AN.

Kabeljauw

Skagerrak

3 177,000

3 299,380

3 408,570

103,31

109,190

/

C

/

/

163,785

DK

HER

03A.

Haring

IIIa

19 357,000

15 529,000

15 641,340

100,72

112,340

/

/

/

/

112,340

DK

HER

2A47DX

Haring

IV, VIId en wateren van de Unie van IIa

12 526,000

12 959,000

13 430,160

103,64

471,160

/

/

/

/

471,160

DK

HER

4AB.

Haring

Wateren van de Unie en Noorse wateren van IV ten noorden van 53° 30′ NB

80 026,000

99 702,000

99 711,800

100,10

9,800

/

/

/

/

9,800

DK

PRA

03A.

Noorse garnaal

IIIa

2 308,000

2 308,000

2 317,330

100,40

9,330

/

/

/

/

9,330

DK

SAN

234_2

Zandspiering

Wateren van de Unie van voor zandspiering ingesteld beheersgebied 2

4 717,000

4 868,000

8 381,430

172,17

3 513,430

2

/

/

/

7 026,860

DK

SPR

2AC4-C

Sprot en bijvangsten

Wateren van de Unie van IIa en IV

122 383,000

126 007,000

127 165,410

100,92

1 158,410

/

/

/

/

1 158,410

ES

ALF

3X14-

Beryx spp.

Uniewateren en internationale wateren van III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV

67,000

67,000

79,683

118,93

12,683

/

A

3,000

/

22,025

ES

BSF

56712-

Zwarte haarstaartvis

Uniewateren en internationale wateren van V, VI, VII en XII

226,000

312,500

327,697

104,86

15,197

/

A

/

/

22,796

ES

BSF

8910-

Zwarte haarstaartvis

Uniewateren en internationale wateren van VIII, IX en X

12,000

6,130

15,769

257,24

9,639

/

A

27,130

/

41,589

ES

BUM

ATLANT

Blauwe marlijn

Atlantische Oceaan

27,200

27,200

124,452

457,54

97,252

/

A

27,000

/

172,878

ES

DWS

56789-

Diepzeehaaien

Uniewateren en internationale wateren van V, VI, VII, VIII en IX

0

0

3,039

n.v.t.

3,039

/

A

/

/

4,559

ES

GFB

567-

Gaffelkabeljauw

Uniewateren en internationale wateren van V, VI en VII

588,000

828,030

842,467

101,74

14,437

/

/

/

/

14,437

ES

GFB

89-

Gaffelkabeljauw

Uniewateren en internationale wateren van VIII en IX

242,000

216,750

237,282

109,47

20,532

/

A

17,750

/

48,548

ES

GHL

1N2AB.

Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot

Noorse wateren van I en II

/

0

22,685

n.v.t.

22,685

/

/

/

/

22,685

ES

HAD

5BC6A.

Schelvis

Wateren van de Unie en internationale wateren van Vb en VIa

/

2,840

18,933

666,65

16,093

/

A

12,540

/

36,680

ES

HAD

7X7A34

Schelvis

VIIb-k, VIII, IX en X; wateren van de Unie van CECAF 34.1.1.

/

0

3,075

n.v.t.

3,075

/

A

/

/

4,613

ES

NEP

9/3411

Langoustine

IX en X; wateren van de Unie van CECAF 34.1.1.

55,000

33,690

24,403

72,43

– 9,287

/

/

19,000 (7)

/

9,713

ES

OTH

1N2AB.

Andere soorten

Noorse wateren van I en II

/

0

26,744

n.v.t.

26,744

/

/

/

/

26,744

ES

POK

56-14

Koolvis

VI; wateren van de Unie en internationale wateren van Vb, XII en XIV

/

4,810

8,703

180,94

3,893

/

/

/

/

3,893

ES

RNG

5B67-

Rondneusgrenadier

Uniewateren en internationale wateren van Vb, VI en VII

70,000

111,160

125,401

112,81

14,241

/

/

/

/

14,241

ES

SBR

678-

Zeebrasem

Uniewateren en internationale wateren van VI, VII en VIII

143,000

133,060

136,418

102,52

3,358

/

/

/

/

3,358

ES

SOL

8AB.

Tong

VIIIa en VIIIb

9,000

8,100

9,894

122,15

1,794

/

A+C

2,100

/

4,791

ES

SRX

89-C.

Roggen

Wateren van de Unie van VIII en IX

1 057,000

857,000

1 089,241

127,10

232,241

1,4

/

/

/

325,137

ES

USK

567EI.

Lom

Wateren van de Unie en internationale wateren van V, VI en VII

26,000

15,770

15,762

99,95

– 0,008

/

/

58,770

/

58,762

ES

WHM

ATLANT

Witte marlijn

Atlantische Oceaan

30,500

25,670

98,039

381,92

72,369

/

/

0,170

/

72,539

FR

SRX

07D.

Roggen

Wateren van de Unie van VIId

602,000

627,000

698,414

111,39

71,414

/

/

/

/

71,414

FR

SRX

2AC4-C

Roggen

Wateren van de Unie van IIa en IV

33,000

36,000

48,212

133,92

12,212

/

/

/

/

12,212

IE

PLE

7HJK.

Schol

VIIh, VIIj en VIIk

59,000

61,000

78,270

128,31

17,270

/

A

/

/

25,905

IE

SOL

07A.

Tong

VIIa

41,000

42,000

43,107

102,64

1,107

/

/

/

/

1,107

IE

SRX

67AKXD

Roggen

Wateren van de Unie van VIa, VIb, VIIa-c en VIIe-k

1 048,000

1 030,000

1 079,446

104,80

49,446

/

/

/

/

49,446

LT

GHL

N3LMNO

Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot

NAFO 3 LMNO

22,000

0

0

n.v.t.

0

/

/

46,000

/

46,000

LV

HER

03D.RG

Haring

Deelsector 28.1

16 534,000

19 334,630

20 084,200

103,88

749,570

/

/

/

/

749,570

NL

HKE

3A/BCD

Heek

IIIa; wateren van de Unie van de deelsectoren 22-32

/

0

1,655

n.v.t.

1,655

/

C

/

/

2,482

NL

RED

1N2AB.

Roodbaarzen

Noorse wateren van I en II

/

0

2,798

n.v.t.

2,798

/

/

/

/

2,798

PT

ANF

8C3411

Zeeduivels

VIIIc, IX en X; wateren van de Unie van CECAF 34.1.1.

436,000

664,000

676,302

101,85

12,302

/

/

/

/

12,302

PT

BFT

AE45WM

Blauwvintonijn

Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en Middellandse Zee

235,500

235,500

243,092

103,22

7,592

/

C

/

/

11,388

PT

HAD

1N2AB

Schelvis

Noorse wateren van I en II

/

0

26,816

n.v.t.

26,816

/

/

/

344,950

371,766

PT

POK

1N2AB.

Koolvis

Noorse wateren van I en II

/

18,000

11,850

65,83

– 6,150

/

/

/

185,000

178,850

PT

SRX

89-C.

Roggen

Wateren van de Unie van VIII en IX

1 051,000

1 051,000

1 059,237

100,78

8,237

/

/

/

/

8,237

SE

COD

03AN.

Kabeljauw

Skagerrak

371,000

560,000

562,836

100,51

2,836

/

C

/

/

4,254

UK

DGS

15X14

Doornhaai

Uniewateren en internationale wateren van I, V, VI, VII, VIII, XII en XIV

0

0

1,027

n.v.t.

1,027

/

A

/

/

1,541

UK

GHL

514GRN

Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot

Groenlandse wateren van V en XIV

189,000

0

0

n.v.t.

0

/

/

1,000

/

1,000

UK

HAD

5BC6A.

Schelvis

Wateren van de Unie en internationale wateren van Vb en VIa

3 106,000

3 236,600

3 277,296

101,26

40,696

/

/

/

/

40,696

UK

MAC

2CX14-

Makreel

VI, VII, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; Uniewateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van IIa, XII en XIV

179 471,000

275 119,000

279 250,206

101,50

4 131,206

/

/

/

/

4 131,206

UK

NOP

2A3A4.

Kever

IIIa; wateren van de Unie van IIa en IV

/

0

14,000

n.v.t.

14,000

/

/

/

/

14,000

UK

PLE

7DE.

Schol

VIId en VIIe

1 548,000

1 500,000

1 606,749

107,12

106,749

1,1

/

/

/

117,424

UK

SOL

7FG.

Tong

VIIf en VIIg

282,000

255,250

252,487

98,92

(– 2,763) (8)

/

/

1,950

/

1,950

UK

SRX

07D.

Roggen

Wateren van de Unie van VIId

120,000

95,000

102,679

108,08

7,679

/

/

/

/

7,679

UK

WHB

24-N

Blauwe wijting

Noorse wateren van II en IV

0

0

22,204

n.v.t.

22,204

/

/

/

/

22,204


(1)  Quota die op grond van de betrokken verordeningen inzake de vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor de lidstaten, rekening houdend met het ruilen van vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22), het overdragen van quota overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3) of het opnieuw toewijzen en verlagen van vangstmogelijkheden overeenkomstig de artikelen 37 en 105 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

(2)  Als vastgesteld in artikel 105, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad. Een verlaging gelijk aan de overbevissing van × 1,00 is van toepassing in alle gevallen van overbevissing ter hoogte van maximaal 100 ton.

(3)  Als vastgesteld in artikel 105, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad.

(4)  Met de letter „A” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingfactor van 1,5 is toegepast vanwege overbevissing in de opeenvolgende jaren 2012, 2013 en 2014. Met de letter „C” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingfactor van 1,5 is toegepast omdat het betrokken bestand onder een meerjarenplan valt.

(5)  Resterende hoeveelheden die in 2014 niet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 871/2014 in mindering konden worden gebracht omdat er geen of geen toereikend quotum beschikbaar was.

(6)  Resterende hoeveelheden die verband houden met overbevissing in aan de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorafgaande jaren en die niet op een ander bestand in mindering kunnen worden gebracht.

(7)  Op verzoek van Spanje is de in 2013 toe te passen verlaging gespreid over drie afzonderlijke jaren.

(8)  Deze hoeveelheid is niet meer beschikbaar aangezien het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig Verordening (EG) nr. 847/96 heeft verzocht om een overdracht, die van toepassing is op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1170 van de Commissie (PB L 189 van 17.7.2015, blz. 2).


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/29


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1802 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

54,3

MA

178,5

MK

46,1

TR

81,7

ZZ

90,2

0707 00 05

AL

27,7

TR

107,9

ZZ

67,8

0709 93 10

TR

129,9

ZZ

129,9

0805 50 10

AR

126,0

BO

160,8

CL

149,1

TR

95,0

UY

86,6

ZA

139,8

ZZ

126,2

0806 10 10

BR

257,8

EG

189,0

MK

96,2

TR

161,0

ZA

128,8

ZZ

166,6

0808 10 80

CL

127,8

MK

23,1

NZ

144,3

US

137,2

ZA

136,4

ZZ

113,8

0808 30 90

AR

131,8

TR

130,8

XS

87,9

ZA

149,1

ZZ

124,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1803 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2015

tot vaststelling van een aanvaardingspercentage voor de afgifte van uitvoercertificaten, tot afwijzing van uitvoercertificaataanvragen en tot schorsing van de mogelijkheid tot het indienen van uitvoercertificaataanvragen voor buiten het quotum geproduceerde suiker

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name op artikel 7 sexies, juncto artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 139, lid 1, eerste alinea, onder d), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 mag suiker die gedurende een verkoopseizoen boven het in artikel 136 van die verordening bedoelde quotum wordt geproduceerd, slechts worden uitgevoerd binnen de door de Commissie vastgestelde kwantitatieve grens.

(2)

Dergelijke kwantitatieve grenzen zijn vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1164 van de Commissie van 15 juli 2015 tot vaststelling van de kwantitatieve grens voor de uitvoer van buiten het quotum geproduceerde suiker en isoglucose tot het einde van het verkoopseizoen 2015/2016 (3).

(3)

De hoeveelheden suiker waarvoor uitvoercertificaten zijn aangevraagd, hebben de in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1164 vastgestelde kwantitatieve grens overschreden. Derhalve moet een aanvaardingspercentage worden vastgesteld voor de van 1 tot en met 2 oktober 2015 aangevraagde hoeveelheden. Bovendien moeten alle na 2 oktober 2015 ingediende uitvoercertificaataanvragen voor suiker worden afgewezen en moet de indiening van uitvoercertificaataanvragen worden geschorst,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Uitvoercertificaten voor buiten het quotum geproduceerde suiker waarvoor aanvragen zijn ingediend van 1 tot en met 2 oktober 2015, worden afgegeven voor de aangevraagde hoeveelheden waarop een aanvaardingspercentage van 32,928064 % is toegepast.

2.   Uitvoercertificaataanvragen voor buiten het quotum geproduceerde suiker die zijn ingediend op 5, 6, 7, 8 en 9 oktober 2015, worden afgewezen.

3.   Het indienen van uitvoercertificaataanvragen voor buiten het quotum geproduceerde suiker wordt geschorst voor de periode van 12 oktober 2015 tot en met 30 september 2016.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 188 van 16.7.2015, blz. 28.


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/33


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 245/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst [2015/1804]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 446/2014 van de Commissie van 2 mei 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende structurele bedrijfsstatistieken en van Verordening (EG) nr. 251/2009 en Verordening (EU) nr. 275/2010 van de Commissie wat betreft reeksen gegevens die moeten worden geproduceerd en de criteria voor de beoordeling van de kwaliteit van structurele bedrijfsstatistieken (1) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(2)

Bijlage XXI bij de EER-overeenkomst dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XXI bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

In punt 1 (Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad) en punt 1l (Verordening (EG) nr. 251/2009 van de Commissie) wordt het volgende streepje toegevoegd:

„—

32014 R 0446: Verordening (EU) nr. 446/2014 van de Commissie van 2 mei 2014 (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 13).”.

2)

In punt 1l (Verordening (EG) nr. 251/2009 van de Commissie) wordt „9C en 9D” vervangen door „9C, 9D, 9E, 9F, 9G, 9H, 9M en 9P”.

3)

In punt 1m (Verordening (EU) nr. 275/2010 van de Commissie) wordt het volgende toegevoegd:

„, gewijzigd bij:

32014 R 0446: Verordening (EU) nr. 446/2014 van de Commissie van 2 mei 2014 (PB L 132 van 3.5.2014, blz. 13).”.

Artikel 2

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van Verordening (EU) nr. 446/2014 zijn authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op 14 november 2014, op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden (2).

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 132 van 3.5.2014, blz. 13.

(2)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/35


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 246/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van bijlage XXI (Statistiek) bij de EER-overeenkomst [2015/1805]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 439/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 250/2009 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende structurele bedrijfsstatistieken, wat de definities van kenmerken en het technische formaat voor de indiening van gegevens betreft (1) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(2)

Bijlage XXI bij de EER-overeenkomst dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage XXI bij de EER-overeenkomst wordt in punt 1k (Verordening (EG) nr. 250/2009 van de Commissie) het volgende streepje toegevoegd:

„—

32014 R 0439: Uitvoeringsverordening (EU) nr. 439/2014 van de Commissie van 29 april 2014 (PB L 128 van 30.4.2014, blz. 72).”.

Artikel 2

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 439/2014 zijn authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op 14 november 2014, op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden (2).

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 128 van 30.4.2014, blz. 72.

(2)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/36


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 247/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1806]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Noorwegen heeft deelgenomen en financieel bijgedragen aan de activiteiten volgens Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (1) door de opname van die verordening in Protocol 31 bij de EER-overeenkomst.

(2)

Het is passend de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(3)

Het is passend dat de deelname van de EVA-staten aan de activiteiten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1285/2013 met ingang van 1 januari 2014 wordt aangevat, onafgezien van de vraag wanneer dit besluit wordt goedgekeurd, of van de vraag of na 10 juli 2014 kennisgeving wordt gedaan dat voldaan is aan de grondwettelijke vereisten, indien van toepassing.

(4)

In de EVA-staten gevestigde entiteiten moeten de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan activiteiten die van start gaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, komen in aanmerking voor subsidie onder dezelfde voorwaarden als de kosten die worden gemaakt door in de EU-lidstaten gevestigde entiteiten, mits dit besluit in werking treedt voor het einde van de betrokken activiteit.

(5)

De Samenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen (3), die op 22 september 2010 is ondertekend, is vanaf 1 mei 2011 voorlopig van toepassing.

(6)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2014 mogelijk te maken. Vanwege economische problemen dient de deelname van IJsland aan het programma echter voorlopig te worden opgeschort,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Na artikel 1, punt 8a, van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt het volgende ingevoegd:

„8aa.

a)

De EVA-staten nemen met ingang van 1 januari 2014 deel aan de werkzaamheden die kunnen voortvloeien uit de volgende handeling van de Unie:

32013 R 1285: Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

b)

De EVA-staten dragen financieel bij aan de onder a) bedoelde werkzaamheden overeenkomstig artikel 82, lid 1, onder a), van en Protocol 32 bij de EER-overeenkomst.

c)

De kosten voor de uitbreiding van de geografische dekking van het Egnos-systeem naar het grondgebied van de EVA-staten worden gedragen door de EVA-staten als deel van de financiële bijdrage tot de activiteiten als bedoeld onder a). Een dergelijke uitbreiding van de dekking geschiedt voor zover technisch uitvoerbaar en zonder de uitbreiding te vertragen van de geografische dekking van het Egnos-systeem op het grondgebied van de EU-lidstaten dat zich geografisch in Europa bevindt.

d)

Op project-niveau hebben de instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen van de EVA-staten de rechten die worden genoemd in artikel 81, onder d), van de EER-overeenkomst.

e)

De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, kunnen in aanmerking komen voor subsidie met ingang van de aanvangsdatum van de activiteit in het kader van de betrokken subsidieovereenkomst of het betrokken subsidiebesluit, mits Besluit nr. 247/2014 van het Gemengd Comité van de EER van 13 november 2014 in werking treedt voor het einde van de activiteit.

f)

De EVA-staten nemen volwaardig deel aan de werkzaamheden van alle comités van de Unie die de Europese Commissie bijstaan bij beheer, ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de werkzaamheden als bedoeld onder a), behalve wat betreft stemrecht.

De deelname van de EVA-staten aan comités en deskundigenwerkgroepen van de Unie die de Europese Commissie bijstaan specifiek voor de veiligheidsaspecten van de onder a) genoemde activiteiten, wordt geregeld in het reglement van orde van die comités en werkgroepen.

g)

Dit lid is niet van toepassing op Liechtenstein.

h)

Wat IJsland betreft, wordt dit lid opgeschort tot het Gemengd Comité van de EER een ander besluit treft.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (4).

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 196 van 24.7.2008, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  PB L 283 van 29.10.2010, blz. 12.

(4)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/38


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 248/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1807]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Noorwegen heeft deelgenomen en financieel bijgedragen aan de activiteiten van de Europese GNSS-programma's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (1) en zal blijven deelnemen en financieel bijdragen aan de activiteiten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1285/2013 (2) door de opneming van die verordeningen in Protocol 31 bij de EER-overeenkomst.

(2)

Noorwegen en IJsland en hebben belang bij alle diensten die worden aangeboden door het door het Galileo-programma ingestelde systeem, met inbegrip van de publiek gereguleerde dienst („PRS”).

(3)

Het is derhalve wenselijk de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot Besluit nr. 1104/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de voorwaarden voor toegang tot de overheidsdienst (publiek gereguleerde dienst) die wordt aangeboden door het wereldwijde satellietnavigatiesysteem dat is ingevoerd door het Galileo-programma (3).

(4)

Noorwegen kan een PRS-gebruiker worden mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 5, van Besluit 1104/2011/EU.

(5)

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen inzake beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens (4), die op 22 november 2004 is ondertekend, is van toepassing met ingang van 1 december 2004.

(6)

De samenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen (5), die op 22 september 2010 is ondertekend, is met ingang van 1 mei 2011 voorlopig van toepassing.

(7)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient dan ook te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt na artikel 1, lid 8aa, het volgende ingevoegd:

„8ab.

a)

De EVA-staten nemen deel aan de activiteiten die kunnen voortvloeien uit de volgende handeling van de Unie:

32011 D 1104: Besluit nr. 1104/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de voorwaarden voor toegang tot de overheidsdienst (publiek gereguleerde dienst) die wordt aangeboden door het wereldwijde satellietnavigatiesysteem dat is ingevoerd door het Galileo-programma (PB L 287 van 4.11.2011, blz. 1).

b)

De EVA-staten kunnen PRS-gebruikers worden op voorwaarde dat de in artikel 3, lid 5, onder a) en b), van Besluit 1104/2011/EU bedoelde overeenkomsten zijn gesloten.

c)

De deelname van de EVA-staten aan de comités en groepen van deskundigen in verband met PRS wordt geregeld in hun respectieve reglement van orde.

d)

Artikel 10 van Besluit 1104/2011/EU van de Raad is niet van toepassing voor de EVA-staten.

e)

Dit lid is niet van toepassing op Liechtenstein.

f)

Wat IJsland betreft, wordt dit lid opgeschort tot het Gemengd Comité van de EER een ander besluit treft.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (6).

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 196 van 24.7.2008, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  PB L 287 van 4.11.2011, blz. 1.

(4)  PB L 362 van 9.12.2004, blz. 29.

(5)  PB L 283 van 29.10.2010, blz. 12.

(6)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/40


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 249/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1808]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is wenselijk om de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot vaststelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (1).

(2)

Het is passend dat de deelname van de EVA-staten aan de activiteiten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 377/2014 met ingang van 1 januari 2014 wordt aangevat, zelfs als dit besluit wordt goedgekeurd na 10 juli 2014, of als na die datum kennisgeving wordt gedaan dat voldaan is aan de grondwettelijke vereisten, indien van toepassing.

(3)

In de EVA-staten gevestigde entiteiten moeten de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan activiteiten die van start gaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, komen in aanmerking voor subsidie onder dezelfde voorwaarden als de kosten die worden gemaakt door in de EU-lidstaten gevestigde entiteiten, mits dit besluit in werking treedt voor het einde van de betrokken activiteit.

(4)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2014 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt na artikel 1, lid 8 quater, het volgende ingevoegd:

„8 quinquies.

a)

De EVA-staten nemen met ingang van 1 januari 2014 deel aan de werkzaamheden die kunnen voortvloeien uit de volgende handeling van de Unie:

32014 R 0377: Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van donderdag 3 april 2014 tot instelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44).

b)

De EVA-staten dragen financieel bij aan de onder a) bedoelde werkzaamheden overeenkomstig artikel 82, lid 1, onder a), van en Protocol 32 bij de EER-overeenkomst.

c)

De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, kunnen in aanmerking komen voor subsidie vanaf de aanvangsdatum van de actie in het kader van de betrokken subsidieovereenkomst of het betrokken subsidiebesluit, mits Besluit nr. 249/2014 van het Gemengd Comité van de EER van 13 november 2014 in werking treedt voor het einde van de actie.

d)

De EVA-staten nemen volwaardig deel aan de werkzaamheden van alle comités van de Unie die de Europese Commissie bijstaan bij beheer, ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de werkzaamheden als bedoeld onder a), behalve wat betreft stemrecht.

e)

Dit lid is niet van toepassing op Noorwegen en Liechtenstein.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (2).

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44.

(2)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/42


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 250/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1809]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is wenselijk om de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij uit de algemene begroting van de Unie gefinancierde acties met betrekking tot de tenuitvoerlegging, de werking en de ontwikkeling van de interne markt voort te zetten.

(2)

Het is passend dat de samenwerking wordt voortgezet na 31 december 2013, onafgezien van de vraag of het besluit van het Gemengd Comité van de EER in de bijlage wordt goedgekeurd, of van de vraag of na 10 juli 2014 kennisgeving wordt gedaan dat voldaan is aan de grondwettelijke vereisten, indien van toepassing.

(3)

In de EVA-staten gevestigde entiteiten moeten de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan activiteiten die van start gaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De kosten voor dergelijke activiteiten, waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, komen in aanmerking voor subsidie onder dezelfde voorwaarden als de kosten die worden gemaakt door in de EU-lidstaten gevestigde entiteiten, mits dit besluit in werking treedt voor het einde van de actie.

(4)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient dan ook te worden gewijzigd teneinde voortzetting van deze uitgebreide samenwerking na 31 december 2013 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 7 van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

Na lid 8 wordt het volgende lid ingevoegd:

„9.   De EVA-staten nemen met ingang van 1 januari 2014 deel aan de Unieacties in het kader van onderstaande begrotingsonderdelen die in de algemene begroting van de Europese Unie voor het boekjaar 2014 zijn opgenomen:

Begrotingslijn 02.03.01: „Werking en ontwikkeling van de interne markt, met name op de gebieden van kennisgeving, certificering en sectorale harmonisatie”,

Begrotingslijn 12.02.01: „Tenuitvoerlegging en ontwikkeling van de interne markt”.

De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, komen in aanmerking voor subsidie onder dezelfde voorwaarden als de kosten die worden gemaakt door in de EU-lidstaten gevestigde entiteiten, mits Besluit nr. 250/2014 van het Gemengd Comité van de EER van 13 november 2014 in werking treedt voor het einde van de actie.”.

2)

In de leden 3 en 4 worden de woorden „de leden 5, 6, 7 en 8” vervangen door „de leden 5 tot en met 9”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (1).

Het is van toepassing vanaf 1 januari 2014.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/44


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 251/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1810]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is wenselijk de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden en Verordening (EU) nr. 254/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot vaststelling van een meerjarig consumentenprogramma voor de jaren 2014-2020 en tot intrekking van Besluit nr. 1926/2006/EG (1), in de EER-overeenkomst op te nemen.

(2)

Het is passend dat de deelname van de EVA-staten aan de activiteiten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 254/2014 met ingang van 1 januari 2014 wordt aangevat, onafgezien van de vraag of dit besluit wordt goedgekeurd, of van de vraag of na 10 juli 2014 kennisgeving wordt gedaan dat voldaan is aan de grondwettelijke vereisten, indien van toepassing.

(3)

In de EVA-staten gevestigde entiteiten moeten de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan activiteiten die van start gaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, komen in aanmerking voor subsidie onder dezelfde voorwaarden als de kosten die worden gemaakt door in de EU-lidstaten gevestigde entiteiten, mits dit besluit in werking treedt voor het einde van de betrokken activiteit.

(4)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2014 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 6 van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

Na lid 3 bis wordt het volgende lid ingevoegd:

„3 ter.   De EVA-staten nemen met ingang van 1 januari 2014 deel aan het volgende programma:

32014 R 0254: Verordening (EU) nr. 254/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 tot vaststelling van een meerjarig consumentenprogramma voor de jaren 2014-2020 en tot intrekking van Besluit nr. 1926/2006/EG (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 42).

De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, kunnen in aanmerking komen voor subsidie met ingang van de aanvangsdatum van de activiteit in het kader van de betrokken subsidieovereenkomst of het betrokken subsidiebesluit, mits Besluit nr. 251/2014 van het Gemengd Comité van de EER van 13 november 2014 in werking treedt voor het einde van de activiteit.

Liechtenstein wordt vrijgesteld van deelname en financiële bijdrage aan dit programma.”.

2)

De tekst van lid 4 wordt vervangen door:

„Overeenkomstig artikel 82, lid 1, onder a), van de EER-overeenkomst dragen de EVA-staten financieel bij aan de in de leden 3, 3 bis en 3 ter bedoelde activiteiten.”.

3)

De tekst van lid 5 wordt vervangen door:

„De EVA-staten worden van bij de aanvang van de samenwerking betreffende de in de leden 3, 3 bis en 3 ter bedoelde activiteiten volledig betrokken, evenwel zonder stemrecht, bij de werkzaamheden van de comités en andere organen welke de Commissie bij het beheer of de nadere uitwerking van deze activiteiten bijstaan.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (2).

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 84 van 20.3.2014, blz. 42.

(2)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/46


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 252/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1811]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is wenselijk om de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot Besluit nr. 573/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende nauwere samenwerking tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) (1).

(2)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt na artikel 15, lid 8, het volgende lid ingevoegd:

„9.

De EVA-staten nemen deel aan de samenwerking als bedoeld in het volgende besluit van de Unie:

32014 D 0573: Besluit nr. 573/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende nauwere samenwerking tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 32).

De EVA-staten nemen volwaardig, doch zonder stemrecht, deel aan de werkzaamheden van het bestuur van het netwerk.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (2).

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 159 van 28.5.2014, blz. 32.

(2)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/47


BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

Nr. 253/2014

van 13 november 2014

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden [2015/1812]

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is wenselijk de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (1).

(2)

Het is passend dat de samenwerking tussen de EVA-staten in het kader van Verordening (EU) nr. 282/2014 wordt aangevangen op 1 januari 2014, onafgezien van de vraag of dit besluit wordt goedgekeurd, of van de vraag of na 10 juli 2014 kennisgeving wordt gedaan dat voldaan is aan de grondwettelijke vereisten, indien van toepassing.

(3)

In de EVA-staten gevestigde entiteiten moeten de mogelijkheid hebben om deel te nemen aan activiteiten die van start gaan vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, kunnen in aanmerking komen voor subsidie onder dezelfde voorwaarden als de kosten die worden gemaakt door in de EU-lidstaten gevestigde entiteiten, mits dit besluit in werking treedt voor het einde van de actie.

(4)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst moet derhalve worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2014 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 16, lid 1, van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt het volgende streepje toegevoegd:

„—

32014 R 0282: Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde meerjarig actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid voor de periode 2014-2020 en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).

De kosten voor activiteiten waarvan de uitvoering is gestart na 1 januari 2014, kunnen in aanmerking komen voor subsidie vanaf de aanvangsdatum van de actie in het kader van de betrokken subsidieovereenkomst of het betrokken subsidiebesluit, mits Besluit nr. 253/2014 van het Gemengd Comité van de EER van 13 november 2014 in werking treedt voor het einde van de actie.

Liechtenstein wordt vrijgesteld van deelname en financiële bijdrage aan dit programma.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (2).

Het is van toepassing vanaf 1 januari 2014.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 november 2014.

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

Kurt JÄGER


(1)  PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1.

(2)  Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.


8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/49


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 30/15/COL

van 27 januari 2015

om drie afwijkingen toe te staan waarom is verzocht door het Vorstendom Liechtenstein in verband met artikel 30, artikel 36, lid 2, en punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de Liechtensteinse verordening van 3 maart 1998 over het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Verordnung über den Transport gefährlicher Güter auf der Strasse — VTGGS), op grond van artikel 6, lid 2, onder a), van het in punt 13c van hoofdstuk I van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst bedoelde handeling (Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land) [2015/1813]

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA,

Gezien de in punt 13c van hoofdstuk I van bijlage XIII van de EER-overeenkomst bedoelde handeling, Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (hierna „de richtlijn” genoemd), zoals aangepast bij Protocol I bij de EER-overeenkomst, met name de artikelen 6 en 9,

Gezien de Besluiten nrs. 3/12/SC en 4/12/SC van het Permanent Comité,

Gezien Besluit nr. 295/14/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 16 juli 2014 (feit nr. 710373), waarbij is bepaald om bij het EVA-Vervoerscomité ontwerpmaatregelen in te dienen die door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA moeten worden genomen met betrekking tot het Liechtensteinse verzoek, en waarbij het bevoegde collegelid wordt gemachtigd het eindbesluit vast te stellen indien het EVA-Vervoerscomité het ontwerpbesluit met eenparigheid van stemmen goedkeurt,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

Bij brief aan de Autoriteit van 20 december 2013 (feit nr. 694300) verzocht de Liechtensteinse regering om vier afwijkingen op grond van artikel 6, lid 2, onder a), van de richtlijn. In de door Liechtenstein gevraagde afwijkingen is voorzien door artikel 29, artikel 30, artikel 36, lid 2, en punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de verordening van 3 maart 1998 over het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (LR 741.621, als laatst gewijzigd) (Verordnung über den Transport gefährlicher Güter auf der Strasse — VTGGS) (hierna „verordening” genoemd) en deze afwijkingen hebben betrekking op respectievelijk het vervoer van ontplofbare stoffen, tankcontrolebedrijven, de bijzondere opleiding van chauffeurs, en tanks op bouwplaatsen.

In 2014 werd nadere toelichting van de Liechtensteinse regering ontvangen door middel van de informele mededelingen van 20 februari (feit nr. 700062), 21 februari (feit nr. 700131), 12 maart (feit nr. 702345), 27 maart (feit nr. 703760), 9 mei (feit nr. 707772), 14 mei (feit nr. 708302) en 16 mei (feit nr. 708667).

Door middel van een dienstenovereenkomst van 4 maart 2014 (feit nr. 700047) gaf de Autoriteit aan DNV GL AS (hierna „DNV” genoemd) opdracht om te beoordelen of gevraagde afwijkingen in overeenstemming zouden zijn met de vereisten van artikel 6, lid 2, onder a), van de richtlijn, met name wat betreft potentiële of concrete risico's als gevolg van de afwijkingen, of deze afwijkingen gepaard zouden gaan met minder, meer of dezelfde mate van veiligheid, en welke verzachtende maatregelen er eventueel zouden kunnen worden genomen. Op 16 april 2014 diende DNV een voorlopig verslag in bij de Autoriteit (feit nr. 706289). Op 23 mei 2014 bracht DNV zijn definitieve verslag uit (feit nr. 709161).

Na de beoordeling van de door Liechtenstein gevraagde afwijkingen concludeerde de Autoriteit dat alleen de bepalingen van artikel 30 en artikel 36, lid 2, en van punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de verordening als afwijkingen gelden in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van de richtlijn, terwijl artikel 29 van de verordening, inzake ontplofbare stoffen in eenmaal geopende vervoersverpakking, niet geldt als een afwijking (1).

Op 16 juli 2014 diende de Autoriteit bij het EVA-Vervoerscomité de drie ontwerpmaatregelen in (feit nr. 706153) die de Autoriteit moest nemen met betrekking tot de op basis van artikel 6, lid 2, onder a), van de richtlijn door Liechtenstein gevraagde afwijkingen.

De op 16 juli 2014 bij het EVA-Vervoerscomité ingediende ontwerpmaatregelen luiden als volgt:

1.

Artikel 30 van de verordening — tankcontrolebedrijven:

Het EVA-Vervoerscomité is van oordeel dat het verzoek om een afwijking met betrekking tot artikel 30 van de verordening inzake tankcontrolebedrijven dient te worden ingewilligd, mits de chauffeurs de specifieke CITEC-opleiding (2) hebben genoten.

Vervaldatum: 26 september 2015.

2.

Artikel 36, lid 2, van de verordening — speciale opleiding van chauffeurs:

Het EVA-Vervoerscomité is van oordeel dat het verzoek om een afwijking dient te worden afgewezen, tenzij de Liechtensteinse regering kan aantonen dat de door het BBT (3) aangeboden opleiding verenigbaar is met de ADR (4)-opleiding.

3.

Punt 1.1.3.6.3, letter b van bijlage 5 van de verordening — tanks op bouwplaatsen:

Het EVA-Vervoerscomité is van oordeel dat het verzoek om een afwijking in verband met punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de verordening, tanks op bouwplaatsen, dient te worden ingewilligd, mits er gebruik wordt gemaakt van dubbelwandige tanks.

Vervaldatum: 26 september 2015.

Bij brief van 16 juli 2014 (feit nr. 716061) informeerde de Autoriteit de EVA-staten omtrent de door het EVA-Vervoerscomité te nemen ontwerpmaatregelen en nodigde zij de EVA-lidstaten uit om zowel de kennisgeving van Liechtenstein als het ontwerpadvies van het EVA-Vervoerscomité te beoordelen. Voorts stelde de Autoriteit in deze brief voor om het advies van het EVA-Vervoerscomité in te winnen via de schriftelijke procedure, onder verwijzing naar de artikelen 1 en 2 van Besluit nr. 4/2012/SC van het Permanent Comité van de EVA van 26 oktober 2012. De Autoriteit verzocht de EVA-staten om eventuele opmerkingen over het ontwerpadvies van het EVA-Vervoerscomité uiterlijk op 25 augustus 2014 kenbaar te maken.

Bij brief van 21 augustus 2014 (feit nr. 720223) deelde de Noorse regering de Autoriteit mee dat zij geen opmerkingen wenste te maken over het ontwerpadvies van het EVA-vervoerscomité. Bij brief van 22 augustus 2014 (feit nr. 719910) diende de Liechtensteinse regering opmerkingen in over het ontwerpadvies van het EVA-vervoerscomité. De IJslandse regering onthield zich van een reactie.

Op basis van de ontvangen opmerkingen heeft de Autoriteit het aanvankelijk bij het EVA-Vervoerscomité overeenkomstig Besluit nr. 295/14/COL van 16 juli 2014 ingediende ontwerpadvies herzien en gewijzigd. De Autoriteit paste ook de duur van de afwijking aan, overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de richtlijn. De Autoriteit stelde zich in het herziene en aangepaste ontwerpadvies op het standpunt dat de gevraagde afwijkingen onvoorwaardelijk dienden te worden toegestaan.

Bij brief van 24 november 2014 (feit nr. 730389) diende de Autoriteit bij het EVA-Vervoerscomité het herziene en gewijzigde ontwerpadvies in, waarbij de EVA-staten werd verzocht om hun opmerkingen over het herziene en gewijzigde ontwerpadvies van het EVA-Vervoerscomité uiterlijk op 12 december 2014, vóór sluitingstijd, kenbaar te maken aan de Autoriteit.

De regering van Liechtenstein deelde de Autoriteit bij brief van 5 december 2014 (feit nr. 731864) mee dat zij geen nadere opmerkingen had. Ook vroeg zij de Autoriteit om gevolg te geven aan de suggesties van het EVA-Vervoerscomité en de gevraagde afwijkingen toe te staan. Bij brief van 11 december 2014 (feit nr. 732607) deelde de Noorse regering de Autoriteit mee dat zij geen opmerkingen wenste te maken over het ontwerpadvies van het EVA-vervoerscomité. De IJslandse regering onthield zich van een reactie.

2.   BEOORDELING

Naar aanleiding van de toelichting en de nieuwe informatie die de Liechtensteinse regering in haar opmerkingen over het ontwerpadvies van 22 augustus 2014 heeft ingediend, concludeert de Autoriteit dat de drie afwijkingen bedoeld in artikel 30, artikel 36, lid 2, en punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de verordening dienen te worden toegestaan.

Met betrekking tot het eerste verzoek om een afwijking heeft de Liechtensteinse regering in haar brief van 22 augustus 2014 toegelicht dat alle chauffeurs van tankcontrolebedrijven die in Liechtenstein opereren onder de voorwaarden van artikel 30 VTTGS, een drieweekse CITEC-opleiding moeten volgen inzake de veiligheids- en milieu-aspecten van hun beroepsactiviteiten. Voorts heeft de Liechtensteinse regering uitgelegd dat de chauffeurs van Liechtensteinse tankcontrolebedrijven in het bezit moeten zijn van een zogeheten certificaat specialist tankveiligheid van de Zwitserse bondsstaat (Spezialist/-in für Tanksicherheit mit eidgenössischem Fachausweis). Als de chauffeurs de specifieke CITEC-opleiding hebben afgerond, komt de veiligheid door de afwijking dan ook niet in het gedrang. De Autoriteit is derhalve van oordeel dat het verzoek om een afwijking met betrekking tot artikel 30 van de verordening dient te worden ingewilligd.

Wat betreft het tweede verzoek om een afwijking heeft de Liechtensteinse regering bij brief van 22 augustus 2014 nieuwe informatie verstrekt ter onderbouwing van haar standpunt dat de BBT-vergunning gelijkwaardig is aan de ADR-opleiding voor chauffeurs. De Autoriteit is van oordeel dat deze aanvullende informatie afdoende staaft dat er op dit punt sprake is van gelijkwaardigheid, aangezien het houders van een BBT-vergunning is toegestaan om goederen van ADR-klasse 1 te vervoeren en de opleiding voor het verwerven van een BBT-vergunning alle aspecten bestrijkt die voor het vervoer van dergelijke goederen relevant zijn.

Ten slotte heeft de Liechtensteinse regering ten aanzien van het derde verzoek om een afwijking in haar schriftelijke opmerkingen van 22 augustus 2014 bevestigd dat de betrokken bouwtanks dubbelwandig zijn, aangezien zij bestaan uit een binnentank en een gesloten opvangbak (buitentank) (als omschreven in punt 6.14.1.1 van bijlage 5, VTGGS). De Autoriteit is derhalve van oordeel dat ook het verzoek om een afwijking met betrekking tot punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de verordening dient te worden ingewilligd.

Concluderend is de Autoriteit van oordeel dat de veiligheid niet in het gedrang komt als deze afwijkingen worden toegestaan en dat de drie verzoeken om een afwijking voldoen aan de voorwaarden van artikel 6, lid 2, onder a), van de richtlijn. De afwijkingen bedoeld in artikel 30, artikel 36, lid 2, en punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de verordening dienen derhalve te worden toegestaan. De Autoriteit staat de op grond van artikel 6, lid 2, onder a), van de richtlijn de gevraagde afwijking dan ook toe. De afwijking geldt voor een periode van zes jaar, overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de richtlijn. De Autoriteit kan haar toestemming verlengen overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de richtlijn.

Heeft om deze redenen, uit hoofde van artikel 6 van de in punt 13c van hoofdstuk I van bijlage XIII bij de EER-overeenkomst bedoelde handeling, te weten Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land, als gewijzigd bij Protocol 1 van de EER-overeenkomst,

HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De door het Vorstendom Liechtenstein gevraagde afwijkingen met betrekking tot artikel 30, artikel 36, lid 2, en punt 1.1.3.6.3, letter b, van bijlage 5 van de Liechtensteinse verordening van 3 maart 1998 het over vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Verordnung über den Transport gefährlicher Güter auf der Strasse — VTGGS) worden toegestaan.

Artikel 2

De in artikel 1 van dit besluit genoemde afwijkingen worden bekendgemaakt in het EER-gedeelte van het Publicatieblad van de Europese Unie en in het EER-supplement daarbij, overeenkomstig punt 6 van Protocol 1 bij de EER-overeenkomst.

Artikel 3

De in artikel 1 van dit besluit vervatte afwijkingen gelden voor een periode van zes jaar.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot het Vorstendom Liechtenstein en treedt in werking bij kennisgeving aan die staat.

Artikel 5

Dit besluit is authentiek in de Engelse taal.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2015.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Helga JÓNSDÓTTIR

Lid van het College

Xavier LEWIS

Directeur


(1)  Zie de beoordeling in Besluit nr. 295/14/COL.

(2)  CITEC: Zwitserse vereniging voor waterbescherming en tankveiligheid (Verband für Gewässerschutz und Tanksicherheit, Association pour la protection des eaux et la sécurité des citernes).

(3)  BBT: Zwitsers Federaal bureau voor beroepsopleiding en technologie (Bundesamt für Berufsbildung und Technologie, Office fédéral de la formation professionnelle et de la technologie).

(4)  ADR: Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (European Agreement concerning the International Carriage of Dangerous Goods by Road).


Rectificaties

8.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 263/53


Rectificatie van Verordening (EU) nr. 255/2013 van de Commissie van 20 maart 2013 houdende wijziging, met het oog op aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, van de bijlagen IC, VII en VIII bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 79 van 21 maart 2013 )

Op bladzijde 21 wordt bijlage II ter vervanging van bijlage VII van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad vervangen door de volgende tekst:

BIJLAGE II

BIJLAGE VII

BEGELEIDENDE INFORMATIE BIJ OVERBRENGINGEN VAN AFVALSTOFFEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LEDEN 2 EN 4

Image