ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 252

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
29 september 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1720 van de Commissie van 14 september 2015 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Γαλανό Μεταγγιτσίου Χαλκιδικής (Galano Metaggitsiou Chalkidikis) (BOB))

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1721 van de Commissie van 22 september 2015 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1722 van de Commissie van 22 september 2015 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1723 van de Commissie van 22 september 2015 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1724 van de Commissie van 23 september 2015 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Silter (BOB))

11

 

*

Verordening (EU) 2015/1725 van de Commissie van 28 september 2015 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven wat betreft de specificaties van ethyllauroylarginaat (E 243) ( 1 )

12

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1726 van de Commissie van 28 september 2015 tot goedkeuring van 2-methylisothiazol-3(2H)-on als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 13 ( 1 )

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1727 van de Commissie van 28 september 2015 tot goedkeuring van 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2 en 4 ( 1 )

17

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1728 van de Commissie van 28 september 2015 tot goedkeuring van IPBC als een bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 13

21

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1729 van de Commissie van 28 september 2015 tot goedkeuring van kaliumsorbaat als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 8 ( 1 )

24

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1730 van de Commissie van 28 september 2015 tot goedkeuring van waterstofperoxide als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ( 1 )

27

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1731 van de Commissie van 28 september 2015 tot goedkeuring van medetomidine als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21 ( 1 )

33

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1732 van de Commissie van 28 september 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

37

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1733 van de Commissie van 28 september 2015 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 8 tot en met 14 september 2015 zijn ingediend in het kader van de tariefcontingenten die in de suikersector zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 891/2009

40

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2015/1734 van de Raad van 18 september 2015 tot vaststelling van het namens de Unie in te nemen standpunt tijdens de 12e algemene vergadering van de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) ten aanzien van bepaalde wijzigingen van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (Cotif) en de aanhangsels daarbij

43

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1735 van de Commissie van 24 september 2015 betreffende de exacte positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op shagtabak die in buidels wordt verkocht (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 6455)  ( 1 )

49

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1736 van de Commissie van 28 september 2015 tot niet-goedkeuring van triflumuron als een bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 18 ( 1 )

56

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1737 van de Commissie van 28 september 2015 tot verlenging van de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring van bromadiolon, chloorfacinon en cumatetralyl voor gebruik in biociden voor productsoort 14 ( 1 )

58

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1720 VAN DE COMMISSIE

van 14 september 2015

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Γαλανό Μεταγγιτσίου Χαλκιδικής (Galano Metaggitsiou Chalkidikis) (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Griekenland ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Γαλανό Μεταγγιτσίου Χαλκιδικής” (Galano Metaggitsiou Chalkidikis) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Γαλανό Μεταγγιτσίου Χαλκιδικής” (Galano Metaggitsiou Chalkidikis) worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De benaming „Γαλανό Μεταγγιτσίου Χαλκιδικής” (Galano Metaggitsiou Chalkidikis) (BOB) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.5. (Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie enz.) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 143 van 30.4.2015, blz. 23.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1721 VAN DE COMMISSIE

van 22 september 2015

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (2). Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal voor Belastingen en Douane-unie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling (GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Hele tweekleppigen (Meretrix meretrix, Meretrix lyrata) in de schelp, die een warmtebehandeling hebben ondergaan en vervolgens zijn bevroren, in nauwsluitende netten verpakt en aangeboden in verpakkingen van 10 kg.

Bij de warmtebehandeling worden de tweekleppigen ondergedompeld in water met een temperatuur tussen 98 °C en 100 °C gedurende ten minste 7 minuten. Tijdens die onderdompeling bereikt de temperatuur binnenin de tweekleppigen ten minste 90 °C gedurende 90 seconden.

Het product is niet geschikt voor onmiddellijke consumptie.

1605 56 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 1605 en 1605 56 00.

Het enkel blancheren, bestaande uit een lichte warmtebehandeling waarbij producten niet werkelijk worden gekookt, sluit indeling onder hoofdstuk 3 niet uit (zie ook de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur, hoofdstuk 3, algemene opmerkingen, punt 2). Tweekleppigen die een warmtebehandeling hebben ondergaan die leidt tot een temperatuur van ten minste 90 °C gedurende 90 seconden binnenin de tweekleppigen kunnen echter niet als geblancheerde, maar moeten als gekookte tweekleppigen worden aangemerkt.

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 1605 56 00 als bereidingen van tweekleppigen.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1722 VAN DE COMMISSIE

van 22 september 2015

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (2). Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal voor Belastingen en Douane-unie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling (GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Een product in de vorm van een crème, opgemaakt voor de verkoop in het klein in een pot van kunststof met een inhoud van 227 g.

Het product bestaat uit water, vetzuurester, dimethicone, plantaardige olie, emulgator, glycerine, smaakstof, bewaarmiddelen, bindmiddel en kleurstoffen.

De verpakking van het product heeft niet de kenmerken van de soort waarin door de kleinhandel huidverzorgingsproducten worden verkocht, aangezien het product voornamelijk is bedoeld om te worden gebruikt voor sensuele massage en stimulering.

3307 90 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 3 op hoofdstuk 33 en de tekst van de GN-codes 3307 en 3307 90 00.

Het product kan niet worden aangemerkt als product voor de huidverzorging als bedoeld bij GN-post 3304, aangezien het niet wordt opgemaakt in verpakkingen voor de verkoop in het klein van producten voor huidverzorging (zie ook de GS-toelichting op post 3304, deel A, punt 3).

Het product is geschikt voor gebruik als ander cosmetisch product en is opgemaakt in verpakkingen voor de verkoop in het klein voor dergelijk gebruik (zie aantekening 3 op hoofdstuk 33 en ook de GS-toelichtingen op hoofdstuk 33, algemeen, vierde alinea, onder a)).

Het artikel moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 3307 90 00 als andere cosmetische producten.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1723 VAN DE COMMISSIE

van 22 september 2015

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij de onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-codes om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (2). Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-codes.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Heinz ZOUREK

Directeur-generaal voor Belastingen en Douane-unie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling (GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

1.

Een product met een stoichiometrische samenstelling, bestaande uit magnesiumaluminaat (magnesium-aluminiumoxide) met de kristallijne structuur van spinel, een chemisch welbepaalde stof, in de vorm van onregelmatige korrels, klompen of poeder. Het product heeft een magnesiumgehalte, berekend als magnesiumoxide, van ongeveer 28 gewichtspercenten en een aluminiumgehalte, berekend als aluminiumoxide, van ongeveer 72 gewichtspercenten.

Het product wordt gebruikt bij de fabricage van vuurvaste bakstenen en tegels voor gebruik in de staalindustrie.

Het product wordt verkregen uit een chemische reactie tussen magnesiumoxide en aluminiumoxide door smelten in een roterende oven.

2841 90 85

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 1 op hoofdstuk 28 en de tekst van de GN-codes 2841, 2841 90 en 2841 90 85.

Het product wordt verkregen uit een chemische reactie door het smelten van grondstoffen in een roterende oven. Het is een stoichiometrische verbinding (chemisch welbepaald) waarin de aantallen atomen van de aanwezige elementen kunnen worden uitgedrukt als een verhouding van kleine gehele getallen. Het is geen ruw mineraal product of erts en kan derhalve niet worden ingedeeld in de hoofdstukken 25 of 26.

Producten in de vorm van onregelmatige korrels, klompen of poeder zijn de grondstof voor de vervaardiging van producten van post 6815. Indeling onder post 6815 is uitgesloten, omdat de producten noch afgewerkte artikelen, noch halffabricaten zijn.

Vanwege de stoichiometrische samenstelling voldoet het product aan aantekening 1, onder a), op hoofdstuk 28, waarin wordt gesteld dat de posten van dat hoofdstuk uitsluitend betrekking hebben op chemisch welbepaalde verbindingen (d.w.z. met een stoichiometrische samenstelling).

Als chemisch welbepaald product moet spinel op grond van zijn samenstelling worden ingedeeld als een anorganisch chemisch product van hoofdstuk 28.

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 2841 90 85 als andere zouten van oxometaalzuren of van peroxometaalzuren.

2.

Een product met een niet-stoichiometrische samenstelling met een magnesiumgehalte, berekend als magnesiumoxide, van ongeveer 20-35 gewichtspercenten en een aluminiumgehalte, berekend als aluminiumoxide, van ongeveer 58-78 gewichtspercenten. Het product heeft de kristallijne structuur van spinel, in de vorm van onregelmatig gevormde korrels, klompen of poeder.

Het product wordt gebruikt bij de fabricage van vuurvaste bakstenen en tegels voor gebruik in de staalindustrie.

Het product wordt verkregen uit een chemische reactie tussen magnesiumoxide en aluminiumoxide door smelten in een roterende oven.

3824 90 96

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 3824, 3824 90 en 3824 90 96.

Het product wordt verkregen uit een chemische reactie door het smelten van grondstoffen in een roterende oven. Het is geen ruw mineraal product of erts en kan derhalve niet worden ingedeeld in de hoofdstukken 25 of 26.

Vanwege de niet-stoichiometrische samenstelling voldoet het product niet aan aantekening 1, onder a), op hoofdstuk 28, waarin wordt gesteld dat de posten van dat hoofdstuk uitsluitend betrekking hebben op chemisch welbepaalde verbindingen (d.w.z. met een stoichiometrische samenstelling), en is derhalve uitgesloten van hoofdstuk 28.

Producten in de vorm van onregelmatige korrels, klompen of poeder zijn de grondstoffen voor de productie van producten van post 6815. Zij worden niet ingedeeld onder post 6815 omdat zij noch afgewerkte artikelen, noch halffabricaten zijn.

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 3824 90 96 als andere chemische producten of preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen.

3.

Een product, genoemd „gesmolten magnesiumchroom” in de vorm van onregelmatige grijze korrels, stukken of poeder van verschillende korrelgrootte, met een niet-stoichiometrische samenstelling van magnesiumoxide en chroomoxide. Het product heeft de kristallijne structuur van spinel en wordt gebruikt bij de fabricage van vuurvaste bakstenen en tegels voor gebruik in de staalindustrie.

Dit product wordt verkregen door het smelten van magnesiumoxide en chroomerts in een vlamboogoven.

3824 90 96

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 3824, 3824 90 en 3824 90 96.

Het product wordt verkregen uit een chemische reactie door het smelten van grondstoffen in een vlamboogoven. Het is geen ruw mineraal product of erts en kan derhalve niet worden ingedeeld in de hoofdstukken 25 of 26.

Vanwege de niet-stoichiometrische samenstelling voldoet het product niet aan aantekening 1, onder a), op hoofdstuk 28, waarin wordt gesteld dat de posten van dat hoofdstuk uitsluitend betrekking hebben op chemisch welbepaalde verbindingen (d.w.z. met een stoichiometrische samenstelling), en is derhalve uitgesloten van hoofdstuk 28.

Producten in de vorm van onregelmatige korrels, klompen of poeder zijn de grondstoffen voor de productie van producten van post 6815. Zij worden niet ingedeeld onder post 6815 omdat zij noch afgewerkte artikelen, noch halffabricaten zijn.

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 3824 90 96 als andere chemische producten of preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1724 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2015

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Silter (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Silter” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Silter” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De benaming „Silter” (BOB) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.3. Kaas als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 142 van 29.4.2015, blz. 29.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/12


VERORDENING (EU) 2015/1725 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven wat betreft de specificaties van ethyllauroylarginaat (E 243)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (1), en met name artikel 14,

Gezien Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's (2), en met name artikel 7, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie (3) zijn de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 opgenomen levensmiddelenadditieven vastgesteld.

(2)

Die specificaties kunnen volgens de in artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1331/2008 bedoelde uniforme procedure worden bijgewerkt op initiatief van de Commissie of na een aanvraag.

(3)

Op 17 november 2014 is een aanvraag tot wijziging van de specificaties van het levensmiddelenadditief ethyllauroylarginaat (E 243) ingediend. Deze aanvraag is overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1331/2008 ter kennis van de lidstaten gebracht.

(4)

De huidige specificatie definieert ethyllauroylarginaat als gesynthetiseerd door arginine met ethanol te veresteren en de ester met lauroylchloride te laten reageren. Het ontstane ethyllauroylarginaat wordt verkregen als het hydrochloride, dat wordt gefiltreerd en gedroogd.

(5)

De aanvrager heeft aangetoond dat de huidige definitie te breed is en rekening moet houden met nadere gegevens met betrekking tot temperatuur en pH die in de oorspronkelijke aanvraag waren opgenomen en van belang zijn om hetzelfde profiel te verkrijgen als dat wat door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid in haar advies over de veiligheid van het gebruik van ethyllauroylarginaat als conserveermiddel (4) is geëvalueerd.

(6)

Verordening (EU) nr. 231/2012 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.

(2)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 1.

(3)  Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie van 9 maart 2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven (PB L 83 van 22.3.2012, blz. 1).

(4)  EFSA Journal (2007) 511, blz. 1.


BIJLAGE

In de bijlage bij Verordening (EU) nr. 231/2012 wordt de definitie in de vermelding voor E 243 ethyllauroylarginaat vervangen door:

Definitie

Ethyllauroylarginaat wordt gesynthetiseerd door arginine met ethanol te veresteren en de ester met lauroylchloride te laten reageren, in waterige media, bij een geregelde temperatuur tussen 10 en 15 °C en bij een pH tussen 6,7 en 6,9. Het ontstane ethyllauroylarginaat wordt verkregen als het hydrochloride, dat wordt gefiltreerd en gedroogd.”.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1726 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot goedkeuring van 2-methylisothiazol-3(2H)-on als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 13

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring voor gebruik in biociden of opname in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(2)

Die lijst omvat 2-methylisothiazol-3(2H)-on.

(3)

2-methylisothiazol-3(2H)-on is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 13 (conserveringsmiddelen voor metaalbewerkingsvloeistoffen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, die overeenstemt met productsoort 13 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(4)

Slovenië is als beoordelende bevoegde instantie aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening(EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (4) op 11 april 2012 het beoordelingsrapport samen met zijn aanbevelingen bij de Commissie ingediend.

(5)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EG) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 2 oktober 2014 het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde instantie.

(6)

Volgens dat advies kan worden verwacht van biociden die voor productsoort 13 worden gebruikt en 2-methylisothiazol-3(2H)-on bevatten, dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen, mits bepaalde voorwaarden voor het gebruik ervan in acht worden genomen.

(7)

Daarom moet 2-methylisothiazol-3(2H)-on worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor productsoort 13 mits de in de bijlage gespecificeerde voorwaarden in acht worden genomen.

(8)

Aangezien 2-methylisothiazol-3(2H)-on voldoet aan de criteria voor indeling als huidallergeen van subcategorie 1A zoals bepaald in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5), moeten voorwerpen die met 2-methylisothiazol-3(2H)-on zijn behandeld of die deze stof bevatten op passende wijze worden geëtiketteerd wanneer zij op de markt worden gebracht.

(9)

Er moet een redelijke periode verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd, opdat de betrokken partijen de nodige voorbereidende maatregelen kunnen nemen om aan de nieuwe eisen te voldoen.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

2-methylisothiazol-3(2H)-on wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 13, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).

(5)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Bijzondere voorwaarden

2-methylisothiazol-3(2H)-on

IUPAC-naam:

2-methylisothiazol-3(2H)-on

EG-nummer: 220-239-6

CAS-nr. 2682-20-4

95 % m/m

1 oktober 2016

30 september 2026

13

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Voor biociden worden aan de toelating de volgende voorwaarden verbonden:

1.

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, moeten bij de toepassing van de producten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt.

2.

Met het oog op de risico's voor de beroepsmatige gebruikers moet het laden van de producten in metaalbewerkingsvloeistoffen semi-automatisch of automatisch verlopen, tenzij kan worden aangetoond dat de risico's op een andere manier tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

3.

Met het oog op de risico's voor de beroepsmatige gebruikers moet op de etiketten en op de veiligheidsinformatiebladen van de producten, indien deze voorhanden zijn, worden aangegeven dat geconserveerde metaalbewerkingsvloeistoffen in semi-automatische of automatische machines moeten worden gebruikt, tenzij kan worden aangetoond dat de risico's op een andere manier tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

Voor het op de markt brengen van behandelde voorwerpen geldt de volgende voorwaarde:

Degene die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van een voorwerp dat is behandeld met 2-methylisothiazol-3(2H)-on of dat 2-methylisothiazol-3(2H)-on bevat, ziet erop toe dat het etiket van het behandelde voorwerp de in artikel 58, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 opgesomde informatie vermeldt.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1727 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot goedkeuring van 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2 en 4

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. 5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol is in die lijst opgenomen.

(2)

5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 1 (biociden voor menselijke hygiëne), productsoort 2 (desinfecterende middelen voor privégebruik en voor de openbare gezondheidszorg en andere biociden) en productsoort 4 (ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, wat overeenstemt met de productsoorten 1, 2 en 4 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Oostenrijk is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (4) op 13 februari 2013 de beoordelingsrapporten en zijn aanbevelingen bij de Commissie ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 4 december 2014 de adviezen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Volgens deze adviezen kan van biociden die voor de productsoorten 1, 2 en 4 worden gebruikt en 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol bevatten, worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen, mits bepaalde voorwaarden voor het gebruik ervan in acht worden genomen.

(6)

Bijgevolg moet 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2 en 4, mits bepaalde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

(7)

Uit de adviezen blijkt dat 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol voldoet aan de criteria voor indeling als zeer bioaccumulerend (zB) en toxisch (T) overeenkomstig bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(8)

Stoffen waarvoor de beoordeling door de lidstaten per 1 september 2013 is afgerond, moeten op grond van artikel 90, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 worden goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 98/8/EG; daarom moet de looptijd van de goedkeuring overeenkomstig de praktijk in het kader van die richtlijn 10 jaar bedragen.

(9)

Voor de toepassing van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 528/2012 voldoet 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol evenwel aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, onder d), van die verordening, en moet het daarom in aanmerking worden genomen voor vervanging.

(10)

Voor het gebruik in productsoort 4 betrof de beoordeling niet de opneming van 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol bevattende biociden in materialen en voorwerpen die bestemd zijn om direct of indirect in contact te komen met levensmiddelen in de zin van Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad (6). Voor dergelijke materialen kan het nodig zijn specifieke grenswaarden betreffende de migratie in levensmiddelen vast te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 1935/2004. De goedkeuring mag daarom geen betrekking hebben op zulk gebruik, tenzij de Commissie dergelijke grenswaarden heeft vastgesteld of krachtens die verordening is vastgesteld dat dergelijke grenswaarden niet nodig zijn.

(11)

Aangezien 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol voldoet aan de criteria voor indeling als zeer bioaccumulerend (zB), moeten behandelde voorwerpen die behandeld zijn met 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol of deze stof bevatten op passende wijze worden geëtiketteerd wanneer zij in de handel worden gebracht.

(12)

Er moet een redelijke periode verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd, opdat de betrokken partijen de nodige voorbereidende maatregelen kunnen nemen om aan de nieuwe eisen te voldoen.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2 en 4, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).

(5)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Bijzondere voorwaarden

5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol (DCPP)

IUPAC-benaming:

5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol

EG-nr. 429-290-0

CAS-nr. 3380-30-1

995 g/kg

1 december 2016

30 november 2026

1

5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol komt in aanmerking voor vervanging overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan het in de handel brengen van behandelde voorwerpen wordt de volgende voorwaarde verbonden:

De persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een behandeld voorwerp dat is behandeld met 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol of deze stof bevat, moet ervoor zorgen dat het etiket van dat behandeld voorwerp de in artikel 58, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 vermelde informatie verstrekt.

2

5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol komt in aanmerking voor vervanging overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

Aan het in de handel brengen van behandelde voorwerpen wordt de volgende voorwaarde verbonden:

De persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een behandeld voorwerp dat is behandeld met 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol of deze stof bevat, moet ervoor zorgen dat het etiket van dat behandeld voorwerp de in artikel 58, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 vermelde informatie verstrekt.

4

5-Chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol komt in aanmerking voor vervanging overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1.

Voor producten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, moet worden nagegaan of nieuwe, dan wel gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL's) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (3) en moeten de nodige risicobeperkende maatregelen worden genomen om te garanderen dat de geldende MRL's niet worden overschreden.

2.

Producten dienen niet te worden opgenomen in materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen in de zin van artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1935/2004, tenzij de Commissie grenswaarden betreffende de migratie van 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol in levensmiddelen heeft vastgesteld of krachtens die verordening is vastgesteld dat dergelijke grenswaarden niet nodig zijn.

Aan het in de handel brengen van behandelde voorwerpen wordt de volgende voorwaarde verbonden:

De persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een behandeld voorwerp dat is behandeld met 5-chloor-2-(4-chloorfenoxy)fenol of deze stof bevat, moet ervoor zorgen dat het etiket van dat behandeld voorwerp de in artikel 58, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 vermelde informatie verstrekt.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.

(2)  Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11).

(3)  Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1728 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot goedkeuring van IPBC als een bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 13

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. IPBC is in die lijst opgenomen.

(2)

IPBC is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 13 (conserveringsmiddelen voor metaalbewerkingsvloeistoffen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, die overeenstemt met productsoort 13 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Denemarken is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (4) op 23 augustus 2013 het beoordelingsrapport en zijn aanbevelingen bij de Commissie ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 3 december 2014 het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Volgens dat advies kan van biociden die voor productsoort 13 worden gebruikt en IPBC bevatten, worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen, mits bepaalde voorwaarden voor het gebruik ervan in acht worden genomen.

(6)

Bijgevolg moet IPBC worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoort 13, mits bepaalde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

(7)

Aangezien IPBC voldoet aan de criteria voor indeling als huidallergeen van categorie 1 zoals omschreven in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5), moeten behandelde voorwerpen die met IPBC zijn behandeld of deze stof bevatten op passende wijze worden geëtiketteerd wanneer zij in de handel worden gebracht.

(8)

Er moet een redelijke periode verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd, opdat de betrokken partijen de nodige voorbereidende maatregelen kunnen nemen om aan de nieuwe eisen te voldoen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

IPBC wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 13, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).

(5)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Bijzondere voorwaarden

IPBC

IUPAC-benaming:

3-Jood-2-propynylbutylcarbamaat

EG-nr.: 259-627-5

CAS-nr.: 55406-53-6

980 g/kg

1 december 2016

30 november 2026

13

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1.

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

2.

Gezien de risico's voor beroepsmatige gebruikers moet het laden van de producten in metaalbewerkingsvloeistoffen semi-automatisch of automatisch verlopen, tenzij kan worden aangetoond dat de risico's op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt.

Aan het in de handel brengen van behandelde voorwerpen wordt de volgende voorwaarde verbonden:

De persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van een behandeld voorwerp dat met IPBC is behandeld of deze stof bevat, moet ervoor zorgen dat het etiket van dat behandeld voorwerp de in artikel 58, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 vermelde informatie verstrekt.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1729 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot goedkeuring van kaliumsorbaat als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 8

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Kaliumsorbaat is in die lijst opgenomen.

(2)

Kaliumsorbaat is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 8 (houtconserveringsmiddelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, die overeenstemt met productsoort 8 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Duitsland is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (4) op 10 oktober 2010 het beoordelingsrapport en zijn aanbevelingen bij de Commissie ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 4 december 2014 het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Volgens dat advies kan van biociden die voor productsoort 8 worden gebruikt en kaliumsorbaat bevatten, worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen, mits bepaalde voorwaarden voor het gebruik ervan in acht worden genomen.

(6)

Bijgevolg moet kaliumsorbaat worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoort 8, mits bepaalde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

(7)

Er moet een redelijke periode verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd, opdat de betrokken partijen de nodige voorbereidende maatregelen kunnen nemen om aan de nieuwe eisen te voldoen.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Kaliumsorbaat wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 8, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Specifieke voorwaarden

Kaliumsorbaat

IUPAC-benaming:

2,4-hexadieenzuur, kaliumzout (1:1), (2E, 4E)

EG-nr.: 246-376-1

CAS-nr.: 24634-61-5

990 g/kg

1 december 2016

30 november 2026

8

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Voor industriële of beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

2)

Er moeten passende risicobeperkende maatregelen worden getroffen om het grondwater te beschermen. Met name moet op de etiketten en, indien deze voorhanden zijn, op de veiligheidsinformatiebladen van de producten worden aangegeven dat:

a.

industrieel aanbrengen van het product moet worden uitgevoerd binnen een afgesloten gebied of op een ondoordringbare harde ondergrond met afdamming;

b.

pas behandeld hout na de behandeling onder een afdak en/of op een ondoordringbare harde ondergrond moet worden opgeslagen om directe verliezen naar de bodem of naar water te voorkomen;

c.

verliezen bij het aanbrengen van het product moeten worden opgevangen met het oog op hergebruik of verwijdering.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1730 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot goedkeuring van waterstofperoxide als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 3, 4, 5 en 6

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Waterstofperoxide is in die lijst opgenomen.

(2)

Waterstofperoxide is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 1 (biociden voor menselijke hygiëne), productsoort 2 (desinfecterende middelen voor privégebruik en voor de openbare gezondheidszorg en andere biociden), productsoort 3 (biociden voor veterinaire hygiënedoeleinden), productsoort 4 (ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders), productsoort 5 (ontsmettingsmiddelen voor drinkwater) en productsoort 6 (conserveringsmiddelen in conserven), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, wat overeenstemt met de productsoorten 1, 2, 3, 4, 5, en 6 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Finland is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (4) op 2 augustus 2013 de beoordelingsrapporten en zijn aanbevelingen bij de Commissie ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b) van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 2 februari 2015 de adviezen van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Volgens deze adviezen kan worden verwacht van biociden die voor de productsoorten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 worden gebruikt en waterstofperoxide bevatten, dat zij voldoen aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG, mits aan bepaalde voorwaarden voor het gebruik ervan is voldaan.

(6)

Bijgevolg moet waterstofperoxide worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 3, 4, 5 en 6, mits aan bepaalde specificaties en voorwaarden wordt voldaan.

(7)

Voor het gebruik in productsoort 4 betrof de beoordeling niet de opneming van waterstofperoxide bevattende biociden in materialen en voorwerpen die bestemd zijn om direct of indirect in contact te komen met levensmiddelen in de zin van Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5). Voor dergelijke materialen kan het nodig zijn specifieke grenswaarden betreffende de migratie in levensmiddelen vast te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 1935/2004. De goedkeuring mag daarom geen betrekking hebben op zulk gebruik, tenzij de Commissie dergelijke grenswaarden heeft vastgesteld of krachtens die verordening is vastgesteld dat dergelijke grenswaarden niet nodig zijn.

(8)

Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven geldt voor waterstofperoxide.

(9)

Er moet een redelijke periode verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd, opdat de betrokken partijen de nodige voorbereidende maatregelen kunnen nemen om aan de nieuwe eisen te voldoen.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Waterstofperoxide wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor de productsoorten 1, 2, 3, 4, 5 en 6, mits aan de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden is voldaan.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).

(5)  Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen en houdende intrekking van de Richtlijnen 80/590/EEG en 89/109/EEG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4).

(6)  Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven (PB L 39 van 9.2.2013, blz. 1).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Bijzondere voorwaarden

Waterstofperoxide

IUPAC-naam:

Waterstofperoxide

EG-nummer: 231-765-0

CAS-nr.: 7722-84-1

De werkzame stof zoals deze wordt geproduceerd is een waterige oplossing die 350 — < 700 g/kg (35 — < 70 massaprocent) van waterstofperoxide bevat.

De theoretische (berekende) specificatie van het droge gewicht: minimale zuiverheid van 995 g/kg waterstofperoxide (99,5 massaprocent).

1 februari 2017

31 januari 2027

1

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Toelatingen van biociden mogen geen afbreuk doen aan Verordening (EU) nr. 98/2013 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven.

2)

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld voor de verwerking van de geconcentreerde producten.

2

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Toelatingen van biociden mogen geen afbreuk doen aan Verordening (EU) nr. 98/2013 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven.

2)

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

3

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Toelatingen van biociden mogen geen afbreuk doen aan Verordening (EU) nr. 98/2013 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven.

2)

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

4

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Toelatingen van biociden mogen geen afbreuk doen aan Verordening (EU) nr. 98/2013 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven.

2)

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

3)

Producten dienen niet te worden opgenomen in materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen in de zin van artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1935/2004, tenzij de Commissie grenswaarden betreffende de migratie van waterstofperoxide in levensmiddelen heeft vastgesteld of krachtens die verordening is vastgesteld dat dergelijke grenswaarden niet nodig zijn.

5

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Toelatingen van biociden mogen geen afbreuk doen aan Verordening (EU) nr. 98/2013 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven.

2)

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.

6

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Toelatingen van biociden mogen geen afbreuk doen aan Verordening (EU) nr. 98/2013 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van precursoren van explosieven.

2)

Voor beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Bij de toepassing van de producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/33


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1731 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot goedkeuring van medetomidine als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1) en met name artikel 90, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 27 april 2009 overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) een aanvraag ontvangen voor de opname van de werkzame stof medetomidine in bijlage I bij die richtlijn voor gebruik in productsoort 21 (aangroeiwerende middelen) zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, wat overeenstemt met productsoort 21 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(2)

Medetomidine was op 14 mei 2000 niet als werkzame stof van een biocide op de markt.

(3)

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 12 maart 2014 overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 het beoordelingsverslag met aanbevelingen bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen ingediend.

(4)

Op 3 februari 2015 formuleerde het Comité voor biociden het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Volgens dat advies kan van biociden die voor productsoort 21 worden gebruikt en medetomidine bevatten, worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 19, lid 1, onder b), van Richtlijn (EU) nr. 528/2012 voldoen, mits bepaalde voorwaarden voor het gebruik ervan in acht worden genomen.

(6)

Bijgevolg moet medetomidine worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor productsoort 21, mits bepaalde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

(7)

Uit het advies blijkt dat de kenmerken van medetomidine die stof zeer persistent (zP) en toxisch (T) maken volgens de criteria van bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3). Bovendien concludeert het advies dat de werkzame stof een significant aandeel niet-werkzame isomeren of onzuiverheden bevat.

(8)

Medetomidine voldoet aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, onder d) en f), van Verordening (EU) nr. 528/2012 en moet derhalve worden beschouwd als een stof die in aanmerking komt om te worden vervangen.

(9)

Op grond van artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012 wordt de goedkeuring van werkzame stoffen die geacht worden in aanmerking te komen voor vervanging, beperkt tot ten hoogste zeven jaar.

(10)

Aangezien medetomidine voldoet aan de criteria voor indeling als zeer persistent (zP) overeenkomstig bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006, moeten voorwerpen die met medetomidine zijn behandeld of die medetomidine bevatten bij het op de markt brengen op passende wijze worden geëtiketteerd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Medetomidine wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goedkeuring

Productsoort

Bijzondere voorwaarden

Medetomidine

IUPAC-naam:

(RS)-4-[1-(2,3-dimethylfenyl)ethyl]-1H-imidazool

EG-nummer: niet beschikbaar

CAS-nr.: 86347-14-0

99,5 massaprocent

Medetomidine wordt geproduceerd als een racemisch mengsel van de R- en S-enantiomeren dexmedetomidine en levomedetomidine.

1 januari 2016

31 december 2022

21

Medetomidine komt in aanmerking voor vervanging overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder d) en f), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

De toelatingen voor biociden worden onderworpen aan de volgende voorwaarden:

1.

Voor industriële of beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, moeten bij de toepassing van de producten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt.

2.

Personen die producten met medetomidine voor niet-beroepsmatige gebruikers in de handel brengen, moeten erop toezien dat de producten samen met geschikte veiligheidshandschoenen worden geleverd. Op de etiketten en in de gebruiksaanwijzingen, indien deze voorhanden zijn, moet worden aangegeven of andere persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt.

3.

Op de etiketten en in de gebruiksaanwijzingen, indien deze voorhanden zijn, moet worden aangegeven dat kinderen moeten worden weggehouden tot de behandelde oppervlakken droog zijn.

4.

Op de etiketten en op de veiligheidsinformatiebladen, indien deze voorhanden zijn, van toegelaten producten moet worden aangegeven dat toepassings-, onderhouds- en herstelactiviteiten worden uitgevoerd in een afgesloten gebied, op een ondoordringbare harde ondergrond met afdamming of op een met een ondoordringbaar materiaal afgedekte ondergrond om verliezen te voorkomen en emissies in het milieu te beperken, en dat verliezen of medetomidine bevattend afval met het oog op hergebruik of verwijdering moeten worden opgevangen.

5.

Voor producten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, moet worden nagegaan of nieuwe, dan wel gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL's) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (3) en moeten de nodige risicobeperkende maatregelen worden genomen om te garanderen dat de geldende MRL's niet worden overschreden.

Voor het op de markt brengen van behandelde voorwerpen geldt de volgende voorwaarde:

De persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van een voorwerp dat is behandeld met medetomidine of dat medetomidine bevat, ziet erop toe dat het etiket van het behandelde voorwerp de in artikel 58, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 opgesomde informatie vermeldt.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.

(2)  Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11).

(3)  Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/37


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1732 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

196,8

MK

50,7

TR

81,7

XS

45,1

ZZ

93,6

0707 00 05

MK

34,4

TR

137,2

ZZ

85,8

0709 93 10

TR

138,3

ZZ

138,3

0805 50 10

AG

150,3

AR

141,0

BO

143,0

CL

169,0

EG

55,4

UY

77,1

ZA

120,5

ZZ

122,3

0806 10 10

EG

172,8

MK

32,3

TR

135,4

ZZ

113,5

0808 10 80

AR

264,2

CL

141,4

NZ

136,7

US

107,9

UY

48,0

ZA

144,4

ZZ

140,4

0808 30 90

AR

132,1

CL

148,3

NZ

175,8

TR

127,4

ZA

220,9

ZZ

160,9

0809 30 10, 0809 30 90

MK

82,9

TR

144,7

ZZ

113,8

0809 40 05

BA

53,5

MK

47,1

XS

61,9

ZZ

54,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/40


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1733 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 8 tot en met 14 september 2015 zijn ingediend in het kader van de tariefcontingenten die in de suikersector zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 891/2009

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie (2) zijn jaarlijkse tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de suikersector.

(2)

De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 8 tot en met 14 september 2015 voor de deelperiode van 1 tot en met 31 oktober 2015 zijn ingediend, zijn voor de volgnummers 09.4320 en 09.4321 groter dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg dient te worden bepaald in hoeverre invoercertificaten kunnen worden afgegeven door de op de gevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt vast te stellen, berekend overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (3). De indiening van nieuwe aanvragen voor deze volgnummers moet worden geschorst tot het einde van de contingentperiode.

(3)

De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 8 tot en met 14 september 2015 voor de deelperiode van 1 tot en met 31 oktober 2015 zijn ingediend, zijn voor de volgnummers 09.4317 en 09.4319 gelijk aan de beschikbare hoeveelheden. De indiening van nieuwe aanvragen voor dat volgnummer moet worden geschorst tot het einde van de contingentperiode.

(4)

Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Op de hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die op grond van Verordening (EG) nr. 891/2009 van 8 tot en met 14 september 2015 zijn ingediend, wordt de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënt toegepast.

2.   De indiening van nieuwe invoercertificaataanvragen is voor de in de bijlage vermelde volgnummers geschorst tot het einde van de contingentperiode 2015/2016.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie van 25 september 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten in de sector suiker (PB L 254 van 26.9.2009, blz. 82).

(3)  Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).


BIJLAGE

Suiker CXL-concessies

Contingentperiode 2015/2016

In de periode van 8 tot en met 14 september 2015 ingediende aanvragen

Volgnummer

Land

Toewijzingscoëfficiënt (%)

Nieuwe aanvragen

09.4317

Australië

Geschorst

09.4318

Brazilië

09.4319

Cuba

Geschorst

09.4320

Alle derde landen

6,204204

Geschorst

09.4321

India

7,773027

Geschorst


„Balkansuiker”

Contingentperiode 2015/2016

In de periode van 8 tot en met 14 september 2015 ingediende aanvragen

Volgnummer

Land

Toewijzingscoëfficiënt (%)

Nieuwe aanvragen

09.4324

Albanië

09.4325

Bosnië en Herzegovina

09.4326

Servië

09.4327

voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië


„Suiker voor uitzonderlijke invoer” en „industriële suiker”

Contingentperiode 2015/2016

In de periode van 8 tot en met 14 september 2015 ingediende aanvragen

Volgnummer

Type invoer

Toewijzingscoëfficiënt (%)

Nieuwe aanvragen

09.4380

Uitzonderlijke invoer

09.4390

Industriële invoer


BESLUITEN

29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/43


BESLUIT (EU) 2015/1734 VAN DE RAAD

van 18 september 2015

tot vaststelling van het namens de Unie in te nemen standpunt tijdens de 12e algemene vergadering van de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF) ten aanzien van bepaalde wijzigingen van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (Cotif) en de aanhangsels daarbij

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie is tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999 („Cotif-verdrag”), toegetreden op grond van Besluit 2013/103/EU van de Raad (1).

(2)

Alle lidstaten, met uitzondering van Cyprus en Malta, zijn verdragsluitende partij bij het Cotif-verdrag en passen dat verdrag toe.

(3)

Naar verwachting zal de algemene vergadering, die is opgericht overeenkomstig artikel 13, § 1, onder a), van het Cotif-verdrag („algemene vergadering”), tijdens haar 12e zitting, die op 29 en 30 september 2015 zal plaatsvinden, een besluit nemen over bepaalde wijzigingen van het Cotif-verdrag en de aanhangsels D (Uniforme Regelen betreffende de overeenkomsten inzake het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer — CUV), F (Uniforme Regelen betreffende de verbindendverklaring van technische normen en de aanneming van uniforme technische voorschriften die van toepassing zijn op spoorwegmaterieel bestemd voor gebruik in internationaal verkeer — APTU) en G (Uniforme Regelen betreffende de technische toelating van spoorwegmaterieel dat wordt gebruikt in internationaal verkeer — ATMF).

(4)

Het standpunt van de Unie over bepaalde punten moet worden bepaald overeenkomstig artikel 218, lid 9, van het Verdrag, aangezien de besluiten die de algemene vergadering over deze wijzigingen zal nemen, handelingen met rechtsgevolgen zijn en de betrokken onderwerpen onder de bevoegdheid van de Unie vallen.

(5)

De wijzigingen van het Cotif-verdrag hebben tot doel de taken van het Comité van technische deskundigen te actualiseren en een verwijzing naar de definitie van „houder” in overeenstemming te brengen met het Unie-recht, en bepaalde regels inzake de financiering, de controle en de rapportering van de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (Intergovernmental Organisation for International Carriage by Rail — OTIF) te wijzigen, alsook kleine administratieve wijzigingen aan te brengen.

(6)

De wijzigingen van aanhangsel D (CUV) die door de secretaris-generaal van de OTIF worden voorgelegd, hebben tot doel de rol van de houder en de met het onderhoud belaste entiteit te verduidelijken in de overeenkomsten inzake het gebruik van voertuigen in het internationale spoorwegverkeer.

(7)

De wijzigingen van de aanhangsels F (APTU) en G (ATMF) hebben tot doel het toepassingsgebied van die aanhangsels te verduidelijken door het schrappen van de verwijzing naar „ander spoorwegmaterieel”.

(8)

De wijzigingen van de aanhangsels D (CUV), F (APTU) en G (ATMF) bij het Cotif-verdrag, alsook bepaalde wijzigingen van het Cotif-verdrag zelf, vallen onder de bevoegdheid van de Unie, zijn in overeenstemming met het recht en de strategische doelstellingen van de Unie en moeten derhalve door de Unie worden gesteund.

(9)

Het standpunt van de Unie op de 12e algemene vergadering moet derhalve worden gebaseerd op de bijlage bij dit besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de 12e algemene vergadering in het kader van het Cotif-verdrag is in overeenstemming met de bijlage bij dit besluit.

2.   Kleine wijzigingen van de in de bijlage bij dit besluit genoemde documenten kunnen door de vertegenwoordigers van de Unie in de algemene vergadering worden goedgekeurd zonder verder besluit van de Raad.

Artikel 2

De besluiten van de 12e algemene vergadering worden na de vaststelling ervan bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, met vermelding van hun inwerkingtreding.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 18 september 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

C. DIESCHBOURG


(1)  Besluit 2013/103/EU van de Raad van 16 juni 2011 betreffende de ondertekening en sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer tot toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (Cotif) van 9 mei 1980, zoals gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999 (PB L 51 van 23.2.2013, blz. 1).


BIJLAGE

1.   Referentiedocumenten

De documenten over de herziening van het Cotif en de aanhangsels daarbij zijn beschikbaar op de website van de OTIF:

http://www.otif.org/en/law/general-assembly/working-documents-concerning-revision-of-cotif.html

2.   Opmerkingen en standpunten met betrekking tot de agendapunten

Punt 1. Verkiezing van de voorzitter en de vicevoorzitters

Document: geen.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 2. Goedkeuring van de agenda

Documenten: AG 12/2, AG 12/2 Add. 1.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 3. Samenstelling van het Comité geloofsbrieven

Document: geen.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 4. Organisatie van de werkzaamheden en aanwijzing van alle nodig geachte comités

Document: geen.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 5. Verkiezing van een secretaris-generaal voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018

Documenten: AG 12/5, AG 12/5.1, AG 12/5.2.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

De twee kandidaten voor de functie komen uit een EU-lidstaat (Oostenrijk en Frankrijk).

Punt 6. Leden van de OTIF — Algemene situatie

Document: AG 12/6.

Uitoefening van het stemrecht: niet van toepassing.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 7. Begrotingskader

Documenten: AG 12/7.1, AG 12/7.2.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 8. Gedeeltelijke herziening van het Cotif — Basisverdrag

Documenten: AG 12/8, AG 12/8 Add. 1, AG 12/8 Add. 2.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt:

 

De wijzigingen van artikel 3 (Internationale samenwerking) moeten worden gesteund (redactionele wijziging om de verwijzing naar de „Europese Gemeenschappen” te vervangen door een verwijzing naar de „Europese Unie”).

 

De wijzigingen van artikel 12 (Tenuitvoerlegging van uitspraken. Beslaglegging) moeten worden gesteund aangezien de definitie van „houder” in overeenstemming wordt gebracht met het EU-recht.

 

De wijzigingen van artikel 20 (Commissie van technisch deskundigen) moeten worden gesteund aangezien zij noodzakelijk zijn om de Uniforme Regelen APTU en ATMF te actualiseren teneinde ze in overeenstemming te houden met het EU-recht.

Andere wijzigingen: geen EU-standpunt.

Punt 9. Gedeeltelijke herziening van aanhangsel B (CIM UR)

Document: AG 12/9.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: nota nemen van het verslag van de secretaris-generaal over de voortgang en de voortzetting van de werkzaamheden voor de herziening van dit aanhangsel.

Punt 10. Gedeeltelijke herziening van aanhangsel D (CUV UR)

Documenten: AG 12/10, AG 12/10 Add. 1, AG 12/10 Add. 2, AG 12/10 Add. 3.

Uitoefening van het stemrecht: de EU.

Gecoördineerd standpunt:

 

De wijzigingen van artikel 9 en van het toelichtend verslag moeten worden gesteund in overeenstemming met het EU-standpunt dat op de 25e zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF naar voren werd gebracht (1), omdat daarmee de rol van de houder en van de met het onderhoud belaste entiteit wordt verduidelijkt in overeenstemming met het EU-recht.

 

Het nieuwe artikel 1a, dat door Duitsland is voorgesteld in document AG 12/10 Add. 3, werd besproken en gesteund door een EU-werkgroep van vertegenwoordigers van de lidstaten en van de spoorwegsector, die op 26 november 2014 is bijeengekomen. In de CIM is een vergelijkbare bepaling opgenomen (artikel 2 — Bepalingen van publiek recht). Dit voorstel moet dus ook worden gesteund.

Punt 11. Gedeeltelijke herziening van aanhangsel F (APTU UR)

Document: AG 12/11.

Uitoefening van het stemrecht: de EU.

Gecoördineerd standpunt: De wijziging van artikel 3, die tot doel heeft het toepassingsgebied te verduidelijken door het schrappen van „ander spoorwegmaterieel”, en de desbetreffende wijziging van het toelichtend verslag moeten worden gesteund.

Punt 12. Herziening van aanhangsel G (ATMF UR)

Document: AG 12/12.

Uitoefening van het stemrecht: de EU.

Gecoördineerd standpunt: De wijzigingen van de artikelen 1 en 3, die tot doel hebben het toepassingsgebied te verduidelijken door het schrappen van „ander spoorwegmaterieel”, en de desbetreffende wijziging van het toelichtend verslag moeten worden gesteund.

Punt 13. Herzien en geconsolideerd toelichtend verslag

Documenten: AG 12/13, AG 12/13 Add. 1-10.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: nota nemen van het herziene en geconsolideerde toelichtend verslag en de secretaris-generaal opdracht geven om daarin de door deze algemene vergadering goedgekeurde toelichtingen op te nemen die betrekking hebben op de door deze algemene vergadering aangenomen wijzigingen van het Cotif en de aanhangsels daarbij. De zinsnede „… apply to the activities of the ECM, or …” moet evenwel worden geschrapt uit de toelichting bij artikel 3a, punt 10, tweede zin. Voorts moet in de Duitse versie de toelichting bij artikel 15, punt 1, tweede zin als volgt worden gewijzigd:

„In Übereinstimmung mit den gängigen Verfahren verschiedener Vertragsstaaten und zur expliziteren Klarstellung der Pflichten des Halters, obliegt dem Halter die Verpflichtung, den ihm zugeordneten Fahrzeugen eine ECM zuzuweisen.”

Punt 14. Eengemaakt spoorwegrecht

Document: AG 12/14.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 15. Verslag over de activiteiten van het administratief comité in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 30 september 2015

Document: AG 12/15.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 16. Verkiezing van het administratief comité voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2018 (samenstelling en voorzitterschap)

Document: AG 12/16.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 17. Voorlopige datum voor de 13e algemene vergadering

Document: geen.

Uitoefening van het stemrecht: niet van toepassing.

Gecoördineerd standpunt: geen.

Punt 18. Diversen

Document: niet beschikbaar.

Uitoefening van het stemrecht: zo nodig ter plaatse te bepalen.

Gecoördineerd standpunt: zo nodig ter plaatse te bepalen.

Punt 19. Eventuele mandaten van de algemene vergadering

Document: niet beschikbaar.

Uitoefening van het stemrecht: zo nodig ter plaatse te bepalen.

Gecoördineerd standpunt: zo nodig ter plaatse te bepalen.

Punt 20. Verslagen van het comité, indien nodig

Document: niet beschikbaar.

Uitoefening van het stemrecht: zo nodig ter plaatse te bepalen.

Gecoördineerd standpunt: zo nodig ter plaatse te bepalen.

Punt 21. Vaststelling van besluiten, mandaten, aanbevelingen en andere documenten van de algemene vergadering (definitief document)

Document: niet beschikbaar.

Uitoefening van het stemrecht: de lidstaten.

Gecoördineerd standpunt: ter plaatse te bepalen.


(1)  Besluit 2014/699/EU van de Raad van 24 juni 2014 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in te nemen standpunt tijdens de 25e zitting van de Herzieningscommissie van de OTIF ten aanzien van bepaalde amendementen op het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (Cotif) en op de aanhangsels daarvan (PB L 293 van 9.10.2014, blz. 26).


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/49


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1735 VAN DE COMMISSIE

van 24 september 2015

betreffende de exacte positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op shagtabak die in buidels wordt verkocht

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 6455)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (1), en met name artikel 9, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn 2014/40/EU worden nieuwe voorschriften voor gezondheidswaarschuwingen op voor roken bestemde tabaksproducten vastgesteld, waaronder algemene waarschuwingen en informatieve boodschappen, en bepaald dat deze minstens 50 % moeten beslaan van het oppervlak waarop zij worden gedrukt. De exacte positie van deze gezondheidswaarschuwingen op shagtabak die in buidels wordt verkocht, moet worden bepaald. Buidels kunnen de vorm hebben van een rechthoekige zak met een wikkel die de opening bedekt („rechthoekige buidel”), of de vorm van een staande buidel.

(2)

Rechthoekige buidels kunnen de vorm hebben van een buidel met een wikkel die doorgaans in twee stappen wordt geopend, of de vorm van een buidel met een platte onderkant en een omslag die doorgaans in één stap wordt geopend. Veel van deze buidels bestaan uit een doorzichtig plastic omhulsel met een inlegvel, waarop de gezondheidswaarschuwingen kunnen worden afgedrukt. Buidels met een wikkel zijn soms van polyethyleen, polypropyleen of van laminaatmateriaal vervaardigd; volgens de bedrijfstak moeten deze buidels, met name degene die niet uit meerdere lagen bestaan, opnieuw worden ontworpen om deze aan beide zijden van de wikkel te kunnen bedrukken.

(3)

Om te waarborgen dat de gezondheidswaarschuwingen op alle rechthoekige buidels op dezelfde plaats worden aangebracht en de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap duidelijk zichtbaar zijn, moeten zij op de oppervlakken worden gedrukt die zichtbaar worden wanneer de verpakkingseenheid volledig wordt geopend.

(4)

Bij verpakkingen van polyethyleen, polypropyleen of laminaatmateriaal waarbij, als de binnenkant van de wikkel wordt bedrukt, het risico van migratie van inkt bestaat, moet gedurende een overgangsperiode worden toegestaan dat de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op een andere plaats worden aangebracht, zodat wordt voorkomen dat oppervlakken worden bedrukt die rechtstreeks met tabak in contact komen. Dit moet de bedrijfstak voldoende tijd bieden om het productieproces aan de nieuwe voorschriften aan te passen. De aan deze aanpassing verbonden kosten worden, gelet op de voordelen van betere zichtbaarheid van de waarschuwingen wanneer de verpakking volledig wordt geopend, niet als onevenredig beschouwd.

(5)

Bij staande buidels is de geschiktste plaats voor de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap de onderkant van de buidel, met name omdat de oppervlakken aan de binnenkant door de inhoud van de buidel worden bedekt.

(6)

De afmetingen van de waarschuwingen moeten in overeenstemming met artikel 8, lid 5, van Richtlijn 2014/40/EU worden berekend aan de hand van de afmetingen van het oppervlak van de gesloten verpakking.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 25 van Richtlijn 2014/40/EU bedoelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij dit besluit worden voorschriften vastgesteld betreffende de exacte positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op shagtabak die in buidels wordt verkocht.

Artikel 2

Positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op rechthoekige buidels

1.   Bij shagtabak in rechthoekige buidels met een wikkel die de opening bedekt („rechthoekige buidels”), worden de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op de twee oppervlakken gedrukt die zichtbaar worden wanneer de verpakkingseenheid volledig wordt geopend, zoals aangegeven in de punten 1 en 2 van de bijlage.

De algemene waarschuwing en de informatieve boodschap worden aan de bovenrand aangebracht en beslaan 50 % van het oppervlak waarop zij worden gedrukt, zoals afgebeeld in de punten 1 en 2 van de bijlage.

De algemene waarschuwing wordt helemaal bovenaan het oppervlak gedrukt.

2.   In afwijking van lid 1 gelden tot en met 20 mei 2018 voor shagtabak in rechthoekige buidels met wikkels van polyethyleen, polypropyleen of laminaatmateriaal de onderstaande voorschriften, zoals afgebeeld in punt 3 van de bijlage:

a)

de informatieve boodschap mag worden aangebracht op het oppervlak dat zichtbaar wordt wanneer de verpakkingseenheid gedeeltelijk wordt losgewikkeld;

b)

de algemene waarschuwing mag worden aangebracht op het onderste oppervlak dat zichtbaar wordt wanneer de verpakkingseenheid volledig wordt geopend;

c)

de binnenkant van de wikkel, die zichtbaar wordt als de verpakkingseenheid volledig wordt geopend, mag niet worden bedrukt of op een andere manier worden gebruikt;

d)

de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap staan aan de bovenrand van de oppervlakken waarop zij worden gedrukt.

Artikel 3

Positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap op staande buidels

1.   Bij shagtabak in staande buidels worden de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap geplaatst op de onderkant van de staande buidel, die zichtbaar wordt wanneer de buidel op de rugzijde wordt gelegd (hierna „onderkant van de verpakkingseenheid” genoemd), zoals afgebeeld in punt 4 van de bijlage.

2.   De algemene waarschuwing wordt op de onderkant van de verpakkingseenheid aangebracht, en wel op het oppervlak boven de vouw; de informatieve boodschap wordt op het oppervlak onder de vouw aangebracht. De algemene waarschuwing en de informatieve boodschap beslaan 50 % van de oppervlakken waarop zij worden gedrukt. De grootte van de oppervlakken moet worden berekend aan de hand van de afmetingen ervan nadat de randen zijn geseald.

Artikel 4

Overgangsbepaling

Shagtabak in buidels die vóór 20 mei 2018 wordt geproduceerd of vrij in omloop wordt gebracht, en is voorzien van een algemene waarschuwing en informatieve boodschap overeenkomstig artikel 2, lid 2, mag tot en met 20 mei 2019 in de handel worden gebracht.

Artikel 5

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 september 2015.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1.


BIJLAGE

Grafische voorstelling van de exacte positie van de algemene waarschuwing en de informatieve boodschap als bedoeld in de artikelen 2 en 3

1.   BUIDEL MET EEN PLATTE ONDERKANT (ARTIKEL 2, LID 1)

Image Image

2.   BUIDEL MET EEN WIKKEL (ARTIKEL 2, LID 1)

Image Image

3.   BUIDEL MET EEN WIKKEL (ALTERNATIEVE POSITIE, ARTIKEL 2, LID 2)

Image Image

4.   STAANDE BUIDEL (ARTIKEL 3)

Image Image

29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/56


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1736 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot niet-goedkeuring van triflumuron als een bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 18

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld met het oog op de mogelijke goedkeuring ervan voor gebruik in biociden. Triflumuron is in die lijst opgenomen.

(2)

Triflumuron is overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, die overeenstemt met productsoort 18 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Italië is als beoordelende bevoegde autoriteit aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (4) op 30 september 2008 de beoordelingsrapporten en zijn aanbevelingen bij de Commissie ingediend.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 heeft het Comité voor biociden op 3 februari 2015 het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen geformuleerd, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit.

(5)

Uit dat verslag blijkt dat van biociden die voor productsoort 18 worden gebruikt en triflumuron bevatten, niet kan worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bij de beoordeling van de risico's voor het milieu vertoonden de beoordeelde scenario's onaanvaardbare risico's voor het aquatische en het terrestrische compartiment.

(6)

Het zou daarom ongepast zijn triflumuron voor gebruik in biociden voor productsoort 18 goed te keuren.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Triflumuron (EG-nr. 264-980-3; CAS-nr. 64628-44-0) wordt niet goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 18.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1062/2014 van de Commissie van 4 augustus 2014 over het in Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde werkprogramma voor het systematische onderzoek van alle bestaande werkzame stoffen van biociden (PB L 294 van 10.10.2014, blz. 1).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).


29.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 252/58


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1737 VAN DE COMMISSIE

van 28 september 2015

tot verlenging van de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring van bromadiolon, chloorfacinon en cumatetralyl voor gebruik in biociden voor productsoort 14

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 14, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bromadiolon, chloorfacinon en cumatetralyl zijn in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) opgenomen als werkzame stoffen die mogen worden gebruikt in biociden voor productsoort 14, en worden ingevolge artikel 86 van Verordening (EU) nr. 528/2012 geacht op grond van die verordening te zijn goedgekeurd, onder voorbehoud van de naleving van de in bijlage I bij die richtlijn vastgestelde specificaties en voorwaarden.

(2)

De goedkeuring daarvan verstrijkt op 30 juni 2016. Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 zijn aanvragen ingediend voor verlenging van de goedkeuring van deze werkzame stoffen.

(3)

Vanwege de gesignaleerde risico's van het gebruik van de werkzame stoffen bromadiolon, chloorfacinon en cumatetralyl moet voor verlenging van de goedkeuring daarvan een evaluatie van een alternatieve werkzame stof of van alternatieve werkzame stoffen worden verricht. Wegens deze kenmerken kan bovendien de goedkeuring van deze werkzame stoffen uitsluitend worden verlengd indien wordt aangetoond dat aan ten minste een van de voorwaarden van artikel 5, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 wordt voldaan.

(4)

De Commissie heeft een onderzoek opgestart naar de risicobeperkende maatregelen die kunnen worden toegepast op bloedstollingsremmende rodenticiden, met als doel die maatregelen voor te stellen die het meest geschikt zijn om de risico's te beperken die verband houden met de eigenschappen van die werkzame stoffen.

(5)

De aanvragers van verlenging van de goedkeuring van die werkzame stoffen moet de mogelijkheid worden geboden om in hun aanvraag op de conclusies van het onderzoek in te gaan. Voorts moet bij het besluit over verlenging van de goedkeuring van alle bloedstollingsremmende rodenticiden met de conclusies van dat onderzoek rekening worden gehouden.

(6)

Om de risico's en de voordelen van alle bloedstollingsremmende rodenticiden alsmede van de daarvoor geldende risicobeperkende maatregelen gemakkelijker te kunnen beoordelen en vergelijken, moet de evaluatie van bromadiolon, chloorfacinon en cumatetralyl worden uitgesteld totdat de laatste aanvraag voor verlenging met betrekking tot het laatste bloedstollingsremmende rodenticide wordt ingediend. De aanvragen voor verlenging van de goedkeuring van de laatste bloedstollingsremmende rodenticiden, te weten brodifacoum, warfarine en warfarine-natrium, worden naar verwachting uiterlijk op 31 juli 2015 ingediend.

(7)

Bijgevolg zal de goedkeuring van bromadiolon, chloorfacinon en cumatetralyl, om redenen die de aanvragers niet verwijtbaar zijn, waarschijnlijk verstrijken voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen. Daarom moet de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring van die werkzame stoffen met een zodanige termijn worden verlengd dat er voldoende tijd is om de aanvragen te behandelen.

(8)

Behalve wat betreft de termijn voor het verstrijken van de goedkeuring, moet de goedkeuring van die stoffen blijven gelden, onder voorbehoud van de naleving van de specificaties en voorwaarden vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG.

(9)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De termijn voor het verstrijken van de goedkeuring van bromadiolon, chloorfacinon en cumatetralyl voor gebruik in biociden voor productsoort 14 wordt verlengd tot 30 juni 2018.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 28 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).