ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 248

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
24 september 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ( 1 )

9

 

*

Verordening (EU) 2015/1590 van de Commissie van 18 september 2015 tot vaststelling van een verbod op de visserij op roodbaarzen in de Groenlandse wateren van NAFO 1F en de Groenlandse wateren van V en XIV en in de internationale wateren van het beschermingsgebied voor roodbaarzen door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

30

 

*

Verordening (EU) 2015/1591 van de Commissie van 18 september 2015 tot vaststelling van een verbod op de visserij op makreel in de gebieden VIIIc, IX en X; de wateren van de Unie van CECAF 34.1.1 en de gebieden VIIIa, VIIIb en VIIId door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

32

 

*

Verordening (EU) 2015/1592 van de Commissie van 18 september 2015 tot vaststelling van een verbod op de visserij op roodbaarzen in de wateren van de Unie en de internationale wateren van V; de internationale wateren van XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

34

 

*

Verordening (EU) 2015/1593 van de Commissie van 18 september 2015 tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwe wijting in de wateren van de Faeröer door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

36

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1594 van de Commissie van 21 september 2015 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Rocamadour (BOB))

38

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1595 van de Commissie van 21 september 2015 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Zgornjesavinjski želodec (BGA))

39

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1596 van de Commissie van 21 september 2015 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Montes de Toledo (BOB))

40

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1597 van de Commissie van 23 september 2015 tot afwijking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 wat betreft de uiterste datum voor de betaling van de eerste tranche van het voorschot aan de begunstigde organisaties in Griekenland voor activiteitenprogramma's in de sector olijfolie en tafelolijven voor 2015

41

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1598 van de Commissie van 23 september 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

43

 

*

Verordening (EU) 2015/1599 van de Europese Centrale Bank van 10 september 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1333/2014 houdende geldmarktstatistieken (ECB/2015/30)

45

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU, Euratom) 2015/1600 van de Raad van 18 september 2015 tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2015 tot en met 20 september 2020

53

 

*

Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland

80

 

*

Gedelegeerd Besluit (EU) 2015/1602 van de Commissie van 5 juni 2015 betreffende de gelijkwaardigheid van het solvabiliteits- en prudentiële stelsel voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van kracht in Zwitserland op basis van de artikelen 172, lid 2, 227, lid 4, en 260, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad

95

 

*

Besluit (EU) 2015/1603 van de Commissie van 13 augustus 2015 betreffende een maatregel die Spanje overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad heeft genomen om een type drijfhulpmiddelen voor zwemlessen uit de handel te nemen

99

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/1


VERORDENING (EU) 2015/1588 VAN DE RAAD

van 13 juli 2015

betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen (codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 109,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad (2) is ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)

Uit hoofde van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) komt de beoordeling inzake de verenigbaarheid van steun met de interne markt hoofdzakelijk toe aan de Commissie.

(3)

De goede werking van de interne markt vereist de strikte, doeltreffende toepassing van de mededingingsregels op het gebied van de staatssteun.

(4)

De Commissie dient de bevoegdheid te hebben om bij verordening, op gebieden waar zij over voldoende ervaring beschikt om algemene criteria inzake verenigbaarheid te definiëren, te verklaren dat bepaalde nader genoemde soorten steunmaatregelen verenigbaar zijn met de interne markt uit hoofde van een of meer van de bepalingen van artikel 107, leden 2 en 3, VWEU en vrijgesteld zijn van de in artikel 108, lid 3, VWEU bedoelde procedure.

(5)

Groepsvrijstellingsverordeningen zorgen voor transparantie en rechtszekerheid. Zij kunnen, onverminderd de toepassing van artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van artikel 267 VWEU, rechtstreeks worden toegepast door de nationale rechtbanken.

(6)

Staatssteun is een objectief begrip, dat wordt omschreven in artikel 107, lid 1, VWEU. De in deze verordening aan de Commissie toegekende bevoegdheid om groepsvrijstellingen vast te stellen, geldt alleen voor maatregelen die voldoen aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU en bijgevolg staatssteun zijn. Het feit dat een bepaalde soort steunmaatregelen wordt opgenomen in deze verordening of in een vrijstellingsverordening laat onverlet of een maatregel wordt aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

(7)

De Commissie dient de bevoegdheid te hebben om te verklaren dat steun aan kleine en middelgrote ondernemingen, steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, steun voor milieubescherming, steun voor werkgelegenheid en opleiding en steunmaatregelen waarbij de kaart in acht wordt genomen die de Commissie met het oog op de toekenning van regionale steun voor elke lidstaat heeft goedgekeurd, verenigbaar zijn met de interne markt en niet onderworpen zijn aan de aanmeldingsverplichting.

(8)

Innovatie is een beleidsprioriteit van de Unie geworden in het kader van de „Innovatie-Unie”, een van de vlaggenschipinitiatieven van Europa 2020. Bovendien zijn veel steunmaatregelen ten behoeve van innovatie betrekkelijk beperkt en leiden zij niet tot aanzienlijke verstoring van de mededinging.

(9)

Het kan zijn dat een aantal door de lidstaten genomen maatregelen op het gebied van cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed geen staatssteun zouden vormen, omdat zij niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU voldoen, bijvoorbeeld omdat de begunstigde geen economische activiteit uitoefent of omdat het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig wordt beïnvloed. Voor zover maatregelen op het gebied van cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed wel staatssteun zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, dient de Commissie de bevoegdheid te hebben om te verklaren dat die steun onder bepaalde voorwaarden met de interne markt verenigbaar is en niet aan de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU, onderworpen is. Kleine projecten op het gebied van cultuur, creatie en de instandhouding van het culturele erfgoed geven doorgaans geen aanleiding tot aanzienlijke verstoring van de mededinging en uit recente gevallen is gebleken dat de invloed ervan op het handelsverkeer beperkt is.

(10)

Vrijstellingen in de sector van cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed kunnen op basis van de in richtsnoeren verwerkte ervaring van de Commissie worden bepaald, zoals voor cinematografische en audiovisuele werken, of per geval worden ontwikkeld. Bij het bepalen van deze groepsvrijstellingen dient de Commissie er rekening mee te houden dat deze alleen betrekking mogen hebben op maatregelen die staatssteun zijn, dat zij in beginsel gericht dienen te zijn op maatregelen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de modernisering van het EU-staatssteunbeleid, en dat alleen deze groepsvrijstellingen kunnen worden verleend voor vormen van steun ten aanzien waarvan de Commissie over een uitgebreide ervaring beschikt. Voorts dient rekening te worden gehouden met de primaire bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van cultuur, met de bijzondere bescherming van de culturele verscheidenheid op grond van artikel 167, lid 1, VWEU, en met het specifieke karakter van cultuur.

(11)

De toegekende bedragen in verband met steunmaatregelen ter compensatie van door natuurrampen veroorzaakte schade, alsmede steunmaatregelen ter compensatie van door bepaalde ongunstige weersomstandigheden veroorzaakte schade in de visserijsector zijn in de regel gering, en er kunnen duidelijke verenigbaarheidsvoorwaarden worden vastgesteld. Deze verordening dient de Commissie de bevoegdheid te verlenen om dergelijke steun vrij te stellen van de aanmeldingsverplichting. De Commissie heeft ondervonden dat dergelijke steun niet tot aanzienlijke verstoring van de mededinging leidt, en er kunnen op basis van de opgedane ervaring duidelijke verenigbaarheidsvoorwaarden worden vastgesteld.

(12)

Overeenkomstig artikel 42 VWEU zijn de staatssteunregels onder bepaalde voorwaarden niet van toepassing op sommige steunmaatregelen ten behoeve van in bijlage I bij het VWEU genoemde landbouwproducten. Artikel 42 geldt niet voor bosbouw of voor niet in die bijlage vermelde producten. De Commissie dient de mogelijkheid te hebben om bepaalde soorten steun voor de bosbouw, onder andere de steun die in programma's voor plattelandsontwikkeling is opgenomen, evenals bepaalde steun ten behoeve van de afzetbevordering van, en reclameactiviteiten voor, niet in bijlage I bij het VWEU opgenomen producten uit de voedingssector vrij te stellen, indien zij heeft ondervonden dat steun in deze gevallen slechts in beperkte mate tot verstoring van de mededinging leidt en dat duidelijke verenigbaarheidsvoorwaarden kunnen worden vastgesteld.

(13)

Op grond van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad (4) zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU van toepassing op steun van de lidstaten ten gunste van ondernemingen in de visserijsector, maar niet op financiële bijdragen van de lidstaten die uit hoofde van, en in overeenstemming met, Verordening (EG) nr. 1198/2006 worden verricht. Bijkomende staatssteun voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en van de biologische zoetwaterrijkdommen heeft gewoonlijk slechts een geringe invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten, levert een bijdrage aan de doelstellingen van de Unie op het gebied van maritiem en visserijbeleid, en veroorzaakt geen ernstige verstoring van de mededinging. Bovendien zijn de betrokken bedragen over het algemeen gering, en kunnen duidelijke verenigbaarheidsvoorwaarden worden vastgesteld.

(14)

Het kan zijn dat een aantal door de lidstaten genomen maatregelen op het gebied van sport, met name amateursport, geen staatssteun zouden vormen, omdat zij niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU voldoen, bijvoorbeeld omdat de begunstigde geen economische activiteit uitoefent of omdat het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig wordt beïnvloed. Voor zover maatregelen op het gebied van sport wel staatssteun zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, dient de Commissie de bevoegdheid te hebben om te verklaren dat die steun onder bepaalde voorwaarden met de interne markt verenigbaar is en niet aan de aanmeldingsverplichting onderworpen is. Steunmaatregelen voor sport, met name voor amateursport of kleinschalige sport, hebben vaak slechts een geringe invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten en veroorzaken geen ernstige verstoring van de mededinging. Ook de toegekende bedragen zijn doorgaans beperkt. Op grond van de opgedane ervaring kunnen duidelijke verenigbaarheidsvoorwaarden worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat steun ten behoeve van sport niet tot aanzienlijke verstoring leidt.

(15)

Wat steun voor lucht- en zeevervoer betreft, weet de Commissie uit ervaring dat sociale steun voor het vervoer van bewoners van afgelegen gebieden, zoals ultraperifere gebieden en eilanden, waaronder insulaire lidstaten die één regio vormen en dunbevolkte gebieden, niet tot significante verstoring van de mededinging leidt, mits er geen onderscheid wordt gemaakt op grond van de identiteit van de operatoren. Bovendien kunnen duidelijke verenigbaarheidsvoorwaarden worden vastgesteld.

(16)

De Commissie heeft in de afgelopen jaren ruime ervaring opgedaan met steun voor de breedbandsectorinfrastructuur, en heeft richtsnoeren ter zake ontwikkeld (5). Daarbij is gebleken dat steun voor bepaalde soorten breedbandinfrastructuur niet tot ernstige verstoring leidt en dat hiervoor een groepsvrijstelling zou kunnen worden verleend, mits aan bepaalde verenigbaarheidsvoorwaarden wordt voldaan en de infrastructuur wordt opgezet in „witte gebieden”, d.w.z. gebieden waar geen infrastructuur van dezelfde categorie (breedband of zeer snelle toegangsnetwerken van de volgende generatie (very high-speed next-generation access — NGA) voorhanden is en de ontwikkeling daarvan in de nabije toekomst onwaarschijnlijk is, zoals bepaald in de in de richtsnoeren vervatte criteria. Dit geldt voor steun voor de voorziening met basisbreedband evenals voor steun voor individuele maatregelen van geringe omvang voor NGA en voor civieltechnische werken op het gebied van breedband en passieve breedbandinfrastructuur.

(17)

Wat infrastructuur betreft, kan het zijn dat een aantal door de lidstaten genomen maatregelen geen staatssteun zouden vormen, omdat zij niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU voldoen, bijvoorbeeld omdat de begunstigde geen economische activiteit uitoefent, omdat het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig wordt beïnvloed of omdat de maatregel een compensatie vormt voor een dienst van algemeen economisch belang die aan alle criteria van de Altmark-jurisprudentie voldoet (6). Voor zover de financiering van infrastructuur wel staatssteun is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, dient de Commissie de bevoegdheid te hebben om te verklaren dat die steun onder bepaalde voorwaarden met de interne markt verenigbaar is en niet aan de aanmeldingsverplichting onderworpen is. Wat infrastructuur betreft, kunnen kleine steunbedragen voor infrastructuurprojecten een doeltreffend middel zijn om de doelstellingen van de Unie te steunen, voor zover de kosten door de steun tot een minimum worden beperkt en de mogelijke verstoring van de mededinging beperkt is. De Commissie moet daarom vrijstelling kunnen verlenen voor staatssteun voor infrastructuurprojecten ter ondersteuning van de doelstellingen van deze verordening en ter ondersteuning van andere doelstellingen van gemeenschappelijk belang, met name de doelstellingen van de Europa 2020-strategie (7). Het kan daarbij gaan om steun voor projecten waarbij sectoroverschrijdende netwerken of faciliteiten betrokken zijn en die relatief beperkte steunbedragen vergen. Groepsvrijstellingen kunnen echter alleen worden verleend voor infrastructuurprojecten waarmee de Commissie genoeg ervaring heeft om duidelijke en strikte verenigbaarheidscriteria te kunnen vaststellen die garanderen dat het risico op een mogelijke verstoring van de mededinging gering is en dat grote steunbedragen onderworpen blijven aan de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.

(18)

De Commissie moet bij de vaststelling van verordeningen waarbij bepaalde soorten steunmaatregelen worden vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding van artikel 108, lid 3, VWEU een nauwkeurige omschrijving geven van het doel van de steunmaatregel, en ook van de categorieën van de begunstigden en de drempels die de vrijgestelde steunmaatregel binden aan een bepaalde maximale steunintensiteit ten opzichte van alle in aanmerking komende kosten of het maximumsteunbedrag, alsmede van de voorwaarden inzake het cumuleren van steunmaatregelen en inzake controle, om ervoor te zorgen dat de steunmaatregel die onder de onderhavige verordening valt, verenigbaar is met de interne markt.

(19)

De drempels voor elke soort steunmaatregelen waarvoor de Commissie een groepsvrijstellingsverordening vaststelt, kunnen worden uitgedrukt als steunintensiteit ten opzichte van een reeks in aanmerking komende kosten, of als maximumsteunbedragen. Voorts dient de Commissie ook de bevoegdheid te hebben om een groepsvrijstelling toe te kennen voor bepaalde soorten steunmaatregelen die, door de bijzondere aard ervan, niet precies kunnen worden uitgedrukt in termen van steunintensiteit of maximumsteunbedragen, zoals financieringsinstrumenten of bepaalde soorten maatregelen ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen. Bij dergelijke complexe maatregelen kan er sprake zijn van steun op verschillende niveaus: rechtstreeks begunstigden, intermediaire begunstigden en indirect begunstigden. Gezien het toenemende belang van dergelijke maatregelen en de bijdrage die zij leveren aan het verwezenlijken van de doelstellingen van de Unie, dienen zij vrijgesteld te kunnen worden. Het zou derhalve mogelijk moeten zijn om in het geval van dergelijke maatregelen de drempels voor een specifieke toekenning van steun uit te drukken in termen van maximaal staatssteunniveau voor of met betrekking tot die maatregel. Het maximale staatssteunniveau kan een steunelement omvatten, dat niet noodzakelijk staatssteun is, mits de maatregel ten minste enkele elementen omvat die staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU inhouden, en die niet onbeduidend zijn.

(20)

Het is dienstig om drempels of andere passende voorwaarden toe te passen voor de aanmelding van individuele gevallen van toekenning van steun, zodat de Commissie de gevolgen van elke steun afzonderlijk op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten en de verenigbaarheid ervan met de interne markt kan onderzoeken.

(21)

Het is dienstig om de Commissie de bevoegdheid te geven bij de vaststelling van verordeningen, waarbij bepaalde soorten steunmaatregelen worden vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding van artikel 108, lid 3, VWEU, hieraan verdere voorwaarden te verbinden om te waken over de verenigbaarheid met de interne markt van de steunmaatregel die binnen de werkingssfeer van de onderhavige verordening valt.

(22)

Gelet op de ontwikkeling en de werking van de interne markt, dient de Commissie de bevoegdheid te hebben om bij verordening vast te stellen dat een bepaalde steunmaatregel niet voldoet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU, en derhalve wordt vrijgesteld van de aanmeldingsprocedure van artikel 108, lid 3, VWEU, op voorwaarde dat de aan eenzelfde onderneming over een zekere periode toegekende steun een bepaald vast bedrag niet overschrijdt.

(23)

De Commissie is uit hoofde van artikel 108, lid 1, VWEU verplicht om tezamen met de lidstaten alle bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen. Het is met het oog op het nakomen van deze verplichting en om de hoogste mate van transparantie en passende controle te verzekeren, dienstig dat de Commissie een betrouwbaar, en voor alle lidstaten toegankelijk, systeem tot stand brengt om inlichtingen te registreren en te bewaren over de toepassing van de verordeningen van de Commissie en dat zij alle nodige inlichtingen van de lidstaten ontvangt over de tenuitvoerlegging van steunmaatregelen die van de verplichting tot aanmelding zijn vrijgesteld, die samen met de lidstaten kunnen worden besproken en geëvalueerd in het Adviescomité inzake overheidssteun. Het is hiertoe ook passend dat de Commissie de overlegging kan eisen van alle inlichtingen die nodig zijn om de efficiëntie van dit onderzoek te verzekeren.

(24)

De lidstaten dienen samenvattingen in te dienen van de inlichtingen betreffende door hen ten uitvoer gelegde steun die onder een vrijstellingsverordening valt. De bekendmaking van deze samenvattingen is noodzakelijk om de transparantie van de door de lidstaten vastgestelde maatregelen te waarborgen. Door de opkomst van de elektronische communicatiemiddelen is de bekendmaking van de samenvattingen op de website van de Commissie een snelle en efficiënte methode, die zorgt voor transparantie ten voordele van de belanghebbenden. Deze samenvattingen dienen daarom op de website van de Commissie te worden geplaatst.

(25)

Het toezicht op de toekenning van steun omvat feitelijke, juridische en economische aspecten die zeer ingewikkeld zijn en uiteenlopend, binnen een zich voortdurend wijzigende omgeving. De Commissie moet bijgevolg regelmatig de soorten steunmaatregelen die van aanmelding moeten worden vrijgesteld, aan een nieuw onderzoek onderwerpen. De Commissie dient de mogelijkheid te hebben om verordeningen van de Commissie die overeenkomstig deze verordening werden vastgesteld, in te trekken of te wijzigen indien de omstandigheden betreffende een van de feiten die aan hun vaststelling ten grondslag lagen zijn gewijzigd of indien zulks wordt vereist door de ontwikkeling of de werking van de interne markt.

(26)

De Commissie dient, in nauwe en voortdurende samenwerking met de lidstaten, de mogelijkheid te hebben om nauwkeurig de werkingssfeer van die verordeningen en van de daaraan verbonden voorwaarden te omschrijven. Het is dienstig dat, met het oog op de samenwerking tussen de Commissie en de bevoegde autoriteiten in de lidstaten, het Adviescomité inzake overheidssteun wordt geraadpleegd voordat de Commissie uit hoofde van deze verordening verordeningen vaststelt.

(27)

Ontwerpverordeningen en andere documenten die overeenkomstig deze verordening door het Adviescomité inzake overheidssteun moeten worden onderzocht, dienen op de website van de Commissie te worden bekendgemaakt om voor transparantie te zorgen.

(28)

Het Adviescomité inzake overheidssteun moet worden geraadpleegd alvorens een ontwerpverordening wordt bekendgemaakt. Ten behoeve van de transparantie dient de ontwerpverordening echter tegelijkertijd met de eerste raadpleging van het Adviescomité door de Commissie op de website van de Commissie te worden bekendgemaakt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Groepsvrijstellingen

1.   De Commissie kan bij verordening, vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 8 van de onderhavige verordening neergelegde procedure en in overeenstemming met artikel 107 VWEU, vaststellen dat de volgende soorten steunmaatregelen verenigbaar zijn met de interne markt en niet onderworpen zijn aan de aanmeldingsverplichtingen van artikel 108, lid 3, VWEU:

a)

steunmaatregelen ten behoeve van:

i)

kleine en middelgrote ondernemingen;

ii)

onderzoek, ontwikkeling en innovatie;

iii)

milieubescherming;

iv)

werkgelegenheid en opleiding;

v)

cultuur en instandhouding van het culturele erfgoed;

vi)

compensatie van door natuurrampen veroorzaakte schade;

vii)

compensatie van door ongunstige weersomstandigheden aan de visserijsector toegebrachte schade;

viii)

bosbouw;

ix)

afzetbevordering van niet in bijlage I bij het VWEU genoemde producten uit de voedingssector;

x)

instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en van de biologische zoetwaterrijkdommen;

xi)

sport;

xii)

bewoners van afgelegen gebieden op het gebied van vervoer, met een sociaal karakter, die zonder discriminatie op grond van de identiteit van de operator wordt toegekend;

xiii)

basisbreedbandinfrastructuur, individuele infrastructuurmaatregelen van geringe omvang met betrekking tot toegangsnetwerken van de volgende generatie en civieltechnische werken op het gebied van breedband en passieve breedbandinfrastructuur, in gebieden waar een dergelijke infrastructuur niet voorhanden is en waarschijnlijk evenmin op korte termijn zal worden ontwikkeld;

xiv)

infrastructuur ter ondersteuning van de in de punten i) tot en met xiii) alsmede onder b) van dit lid vervatte doelstellingen en ter ondersteuning van andere doelstellingen van gemeenschappelijk belang, met name de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

b)

steunmaatregelen waarbij de kaart die de Commissie met het oog op de toekenning van regionale steun voor elke lidstaat heeft goedgekeurd, in acht wordt genomen.

2.   In de in lid 1 bedoelde verordeningen wordt met name voor elke soort steunmaatregelen gespecificeerd:

a)

het doel van de steunmaatregel;

b)

de categorieën van de begunstigden;

c)

de drempels die worden uitgedrukt hetzij als steunintensiteit ten opzichte van een reeks in aanmerking komende kosten, hetzij in de vorm van een maximumbedrag, hetzij, voor bepaalde soorten steun waarvan de intensiteit of het bedrag soms moeilijk precies te bepalen is, met name financieringsinstrumenten of risicokapitaalinvesteringen of dergelijke, als maximaal steunniveau voor of met betrekking tot die maatregel, onverminderd de kwalificatie van de betrokken maatregelen in het licht van artikel 107, lid 1, VWEU;

d)

de voorwaarden voor de cumulering van steun;

e)

de voorwaarden inzake toezicht, zoals gepreciseerd in artikel 3.

3.   Daarenboven kunnen de in lid 1 bedoelde verordeningen:

a)

drempels of andere voorwaarden vaststellen voor de aanmelding van individuele steunmaatregelen;

b)

bepaalde sectoren uitsluiten van de werkingssfeer van een dergelijke verordening;

c)

bijkomende voorwaarden vastleggen voor de verenigbaarheid van steun die onder een dergelijke verordening is vrijgesteld.

Artikel 2

De minimis

1.   De Commissie kan bij verordening, vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 8 van de onderhavige verordening neergelegde procedure, vaststellen dat gezien de ontwikkeling en de werking van de interne markt, bepaalde steunmaatregelen niet voldoen aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU en derhalve worden vrijgesteld van de in artikel 108, lid 3, VWEU bedoelde aanmeldingsprocedure, op voorwaarde dat de aan eenzelfde onderneming over een zekere periode toegekende steun een bepaald vastgesteld bedrag niet overschrijdt.

2.   Telkens wanneer de Commissie hierom verzoekt dienen de lidstaten bijkomende inlichtingen te geven over de steun die op grond van lid 1 vrijgesteld is.

Artikel 3

Transparantie en toezicht

1.   Bij de vaststelling van verordeningen overeenkomstig artikel 1 legt de Commissie de lidstaten gedetailleerde voorschriften op om de transparantie van en het toezicht op de steunmaatregelen die uit hoofde van die verordeningen van aanmelding zijn vrijgesteld, te waarborgen. Die voorschriften bestaan met name in de verplichtingen die in de leden 2, 3 en 4 worden omschreven.

2.   Meteen bij de uitvoering van steunregelingen of van buiten een regeling toegekende individuele steunmaatregelen welke uit hoofde van de in artikel 1, lid 1, bedoelde verordeningen zijn vrijgesteld, doen de lidstaten de Commissie, met het oog op bekendmaking daarvan op de website van de Commissie, een samenvatting toekomen van de inlichtingen betreffende deze steunregelingen of individuele steunmaatregelen die niet onder een vrijgestelde steunregeling vallen.

3.   De lidstaten registreren en verzamelen alle inlichtingen betreffende de toepassing van de groepsvrijstellingen. Indien de Commissie over gegevens beschikt die twijfel doen rijzen over de goede toepassing van een vrijstellingsverordening, verstrekken de lidstaten de Commissie alle inlichtingen die zij nodig acht ter beoordeling van de verenigbaarheid van een bepaalde steunmaatregel met die verordening.

4.   De lidstaten doen de Commissie ten minste eenmaal per jaar, bij voorkeur in elektronische vorm, een verslag over de toepassing van de groepsvrijstellingen toekomen; dit verslag wordt opgesteld overeenkomstig de specifieke eisen van de Commissie. De Commissie maakt deze verslagen voor alle lidstaten toegankelijk. Eenmaal per jaar worden deze verslagen door het in artikel 7 bedoelde comité besproken en beoordeeld.

Artikel 4

Geldigheidsduur en wijziging van de verordeningen

1.   Verordeningen die zijn vastgesteld uit hoofde van de artikelen 1 en 2, zijn geldig voor een welbepaalde periode. Steunmaatregelen die krachtens een uit hoofde van artikel 1 of artikel 2 vastgestelde verordening zijn vrijgesteld, zijn dat gedurende de tijdsspanne waarin de genoemde verordening van kracht is alsmede, in voorkomend geval, gedurende de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde aanpassingsperiode.

2.   De uit hoofde van de artikelen 1 en 2 vastgestelde verordeningen kunnen worden ingetrokken of gewijzigd indien zich een wijziging heeft voorgedaan met betrekking tot een belangrijk feit dat aan de vaststelling ervan ten grondslag lag of indien de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de interne markt zulks vereist. In dat geval voorziet de nieuwe verordening in een aanpassingsperiode die toereikend is om de steunmaatregelen die uit hoofde van de vroegere verordening gelden, te kunnen aanpassen.

3.   De uit hoofde van de artikelen 1 en 2 vastgestelde verordeningen dienen, ingeval de toepassing ervan na het verstrijken van de geldigheidsduur niet wordt verlengd, te voorzien in een periode als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Artikel 5

Evaluatieverslag

Elke vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening. Een ontwerpverslag wordt ter bestudering voorgelegd aan het in artikel 7 bedoelde comité.

Artikel 6

Horen van belanghebbenden

Indien de Commissie voornemens is om een verordening vast te stellen, publiceert zij hiervan een ontwerp om alle belanghebbende personen en organisaties in staat te stellen hun opmerkingen te maken binnen een door de Commissie vast te stellen redelijke termijn die in geen geval minder dan een maand mag bedragen.

Artikel 7

Adviescomité inzake overheidssteun

Het Adviescomité inzake overheidssteun („het comité”) wordt ingesteld. Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

Artikel 8

Raadpleging van het comité

1.   De Commissie raadpleegt het comité:

a)

op het moment waarop zij een ontwerpverordening bekendmaakt overeenkomstig artikel 6;

b)

alvorens een verordening vast te stellen.

2.   Het comité wordt geraadpleegd tijdens een door de Commissie bijeengeroepen vergadering. De te bespreken ontwerpen en documenten worden bij de convocatie gevoegd en kunnen op de website van de Commissie worden gepubliceerd. De vergadering wordt ten vroegste twee maanden na toezending van de convocatie gehouden.

Deze termijn kan worden verkort voor de in lid 1, onder b), bedoelde raaplegingen, alsook in urgente gevallen en wanneer het alleen om verlenging van de geldigheidsduur van een verordening gaat.

3.   De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter naargelang van de urgentie van de zaak kan vaststellen advies uit over het ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

4.   Het advies wordt in de notulen opgenomen. Voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen. Het comité kan aanbevelen het advies bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

Artikel 9

Intrekking

Verordening (EG) nr. 994/98 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

F. ETGEN


(1)  Advies van 29 april 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1).

(3)  Zie bijlage I.

(4)  Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1).

(5)  Mededeling van de Commissie — „EU-richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken” (PB C 25 van 26.1.2013, blz. 1).

(6)  Arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003 in zaak C-280/00, Altmark Trans GmbH und Regierungspräsidium Magdeburg/Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH (Jurispr. 2003, blz. I-7747).

(7)  Zie Aanbeveling 2010/410/EU van de Raad van 13 juli 2010 inzake de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Unie (PB L 191 van 23.7.2010, blz. 28) en Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46).


BIJLAGE I

INGETROKKEN VERORDENING MET DE WIJZIGING ERVAN

Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad

(PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1)

Verordening (EU) nr. 733/2013 van de Raad

(PB L 204 van 31.7.2013, blz. 11)


BIJLAGE II

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 994/98

De onderhavige verordening

Artikelen 1 tot en met 8

Artikelen 1 tot en met 8

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Bijlage I

Bijlage II


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/9


VERORDENING (EU) 2015/1589 VAN DE RAAD

van 13 juli 2015

tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 109,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)

Onverminderd bijzondere procedurele voorschriften vervat in verordeningen voor bepaalde sectoren, moet deze verordening van toepassing zijn op steun in alle sectoren. Met het oog op de toepassing van de artikelen 93 en 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is de Commissie op grond van artikel 108 VWEU specifiek bevoegd om te beslissen of staatssteun verenigbaar is met de interne markt, wanneer zij bestaande steunregelingen onderzoekt, zich over nieuwe of gewijzigde steunmaatregelen uitspreekt en optreedt wegens niet-nakoming van haar besluiten of van de aanmeldingsplicht.

(3)

In het kader van een gemoderniseerd systeem van staatssteunvoorschriften als bijdrage aan zowel de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie voor groei als de begrotingsconsolidatie, dient artikel 107 VWEU doeltreffend en eenvormig te worden toegepast in de gehele Unie. Verordening (EG) nr. 659/1999 heeft de vroegere praktijk van de Commissie geconsolideerd en versterkt om de rechtszekerheid te vergroten en de ontwikkeling van het staatssteunbeleid in een transparante omgeving te ondersteunen.

(4)

Met het oog op de rechtszekerheid moet worden omschreven onder welke omstandigheden steun moet worden beschouwd als bestaande steun. De voltooiing en versterking van de interne markt is een geleidelijk proces, wat tot uitdrukking komt in de voortdurende ontwikkeling van het beleid inzake staatssteun. Ingevolge deze ontwikkelingen kunnen bepaalde maatregelen die op het moment waarop zij tot uitvoering werden gebracht geen staatssteun vormden, steun zijn geworden.

(5)

Overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU moeten geplande nieuwe steunmaatregelen steeds ter kennis van de Commissie worden gebracht en kunnen alleen met haar toestemming tot uitvoering worden gebracht.

(6)

De lidstaten zijn op grond van artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) gehouden om met de Commissie samen te werken en haar alle inlichtingen te verschaffen die zij behoeft om haar taken uit hoofde van deze verordening te kunnen vervullen.

(7)

De termijn waarbinnen de Commissie het eerste onderzoek van aangemelde steunmaatregelen dient te beëindigen, dient te worden gesteld op twee maanden vanaf de ontvangst van een volledige aanmelding of van een behoorlijk gemotiveerde verklaring waarin de betrokken lidstaat meedeelt dat hij de aanmelding als volledig beschouwt omdat de door de Commissie gevraagde aanvullende informatie niet beschikbaar is of reeds is verstrekt. Dit onderzoek moet om redenen van rechtszekerheid met een besluit worden afgesloten.

(8)

In de gevallen waarin de uitkomst van het eerste onderzoek de Commissie niet tot de slotsom kan brengen dat een steunmaatregel met de interne markt verenigbaar is, dient de formele onderzoeksprocedure te worden ingeleid, zodat de Commissie alle inlichtingen kan verzamelen die zij nodig heeft om de verenigbaarheid van de steunmaatregel te beoordelen en om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen kenbaar te maken. De rechten van de belanghebbenden kunnen het best in het kader van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU worden gewaarborgd.

(9)

Ter beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van aangemelde of onrechtmatige staatssteun, waarvoor de Commissie op grond van artikel 108 VWEU uitsluitend bevoegd is, dient ervoor te worden gezorgd dat de Commissie, met het oog op de handhaving van de staatssteunregels, de bevoegdheid heeft een lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging om alle nodige marktinformatie te verzoeken indien zij twijfelt aan de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de Unievoorschriften en om die reden de formele onderzoeksprocedure heeft ingesteld. De Commissie dient deze bevoegdheid met name te gebruiken in gevallen waarin een ingewikkelde inhoudelijke beoordeling nodig lijkt. Bij het besluit deze bevoegdheid te gebruiken, dient de Commissie naar behoren rekening te houden met de duur van het eerste onderzoek.

(10)

Ter beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel nadat de formele onderzoeksprocedure is ingeleid, met name inzake technisch complexe zaken die inhoudelijk moeten worden onderzocht, dient de Commissie, indien de door de betrokken lidstaat tijdens het eerste onderzoek verstrekte informatie onvoldoende is, door middel van een gewoon verzoek of bij besluit, van een lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging te kunnen verlangen dat zij alle voor de afronding van haar beoordeling noodzakelijke marktinformatie verstrekken, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen.

(11)

In het licht van de bijzondere verhouding tussen begunstigden van steun en de betrokken lidstaat, dient de Commissie alleen met instemming van de betrokken lidstaat om informatie van een begunstigde van steun te kunnen verzoeken. De verstrekking van informatie door de begunstigde van de betrokken steunmaatregel vormt geen rechtsgrondslag voor bilaterale onderhandelingen tussen de Commissie en de betrokken begunstigde.

(12)

De Commissie dient de adressaten van verzoeken om informatie te bepalen op basis van objectieve criteria, aangepast per geval, en ervoor te zorgen dat, indien het verzoek aan een steekproef van ondernemingen of ondernemersverenigingen gericht is, binnen elke categorie een representatieve reeks respondenten is gekozen. De gezochte informatie dient met name te bestaan uit feitelijke bedrijfs- en marktgegevens en een analyse op basis van feiten van het functioneren van de markt.

(13)

Als initiatiefnemer van de procedure is de Commissie verantwoordelijk voor het onderzoek van zowel de informatieoverdracht door de lidstaten, de ondernemingen of de ondernemersverenigingen, als de beweerde vertrouwelijkheid voor de bekendgemaakte informatie.

(14)

De Commissie dient de inachtneming van de aan ondernemingen of ondernemersverenigingen gerichte verzoeken om informatie, waar passend, te kunnen afdwingen door middel van evenredige geldboeten en dwangsommen. Bij het bepalen van de bedragen van de geldboeten en dwangsommen dient de Commissie terdege rekening te houden met de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, met name met betrekking tot kleine of middelgrote ondernemingen. De rechten van de partijen van wie wordt verlangd dat zij informatie verschaffen, dienen te worden gevrijwaard door hen, voorafgaand aan een besluit waarbij geldboeten of dwangsommen worden opgelegd, in de gelegenheid te stellen hun standpunten uiteen te zetten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie dient, overeenkomstig artikel 261 VWEU, over volledige rechtsmacht wat betreft de geldboeten of dwangsommen te beschikken.

(15)

Met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, moet de Commissie de mogelijkheid hebben de dwangsommen te verminderen of volledig kwijt te schelden, indien de adressaten van de verzoeken de verzochte informatie verschaffen, zij het na het verstrijken van de termijn.

(16)

Geldboeten en dwangsommen gelden niet voor lidstaten omdat deze, overeenkomstig artikel 4, lid 3, VEU verplicht zijn om loyaal met de Commissie samen te werken, en de Commissie alle informatie te verschaffen die nodig is om haar taken uit hoofde van deze verordening te vervullen.

(17)

De Commissie dient, na onderzoek van de door de belanghebbenden ingediende opmerkingen, haar onderzoek met een eindbeslissing af te sluiten zodra elke twijfel is weggenomen. Mocht het onderzoek niet binnen 18 maanden na het begin van de procedure zijn afgesloten, moet de betrokken lidstaat in voorkomend geval om een besluit kunnen verzoeken, dat de Commissie dan binnen twee maanden moet nemen.

(18)

Ter bescherming van de rechten van verdediging van de betrokken lidstaat, dient hij afschriften te ontvangen van de informatieverzoeken die aan andere lidstaten, aan ondernemingen of aan ondernemersverenigingen zijn verzonden, en zijn commentaar te kunnen indienen met betrekking tot de ontvangen opmerkingen. Hij dient tevens op de hoogte te worden gesteld van de namen van de ondernemingen en de ondernemersverenigingen waaraan een verzoek werd gericht, voor zover die entiteiten geen rechtmatig belang bij de bescherming van hun identiteit hebben aangetoond.

(19)

De Commissie dient naar behoren rekening te houden met het rechtmatige belang van de ondernemingen bij het beschermen van hun bedrijfsgevoelige informatie. Het dient voor de Commissie niet mogelijk te zijn om door respondenten verstrekte vertrouwelijke informatie die niet kan worden geaggregeerd of anderszins geanonimiseerd, in een besluit te gebruiken, tenzij zij vooraf hun toestemming heeft gekregen om deze informatie aan de betrokken lidstaat vrij te geven.

(20)

In gevallen waarin als vertrouwelijk aangemerkte informatie niet onder de geheimhoudingsplicht lijkt te vallen, dient een mechanisme te bestaan aan de hand waarvan de Commissie kan besluiten in hoeverre die informatie mag worden vrijgegeven. In het besluit om een bewering dat informatie vertrouwelijk is te verwerpen, dient een termijn te worden vermeld, na afloop waarvan de informatie wordt vrijgegeven, zodat de betrokkene een beroep kan doen op de ter beschikking staande rechterlijke bescherming, inclusief voorlopige maatregelen.

(21)

Om de correcte en doeltreffende toepassing van de regels inzake staatssteun te waarborgen, moet de Commissie de mogelijkheid hebben om een besluit dat op onjuiste informatie berust, te herroepen.

(22)

De Commissie dient alle gevallen van onrechtmatige steun te onderzoeken, teneinde de naleving te waarborgen van artikel 108 VWEU, met name van de aanmeldingsverplichting en de „standstill”-bepaling in lid 3 van dat artikel. Met het oog op de transparantie en de rechtszekerheid moeten de procedures voor dergelijke gevallen worden vastgesteld. De Commissie dient bij niet-naleving door een lidstaat van de aanmeldingsplicht of van de „standstill”-bepaling niet gebonden te zijn aan termijnen.

(23)

De Commissie moet de mogelijkheid hebben informatie over onrechtmatige steun, ongeacht de bron ervan, ambtshalve te onderzoeken om de inachtneming van artikel 108 VWEU, en met name van de aanmeldingsverplichting en de „standstill”-bepaling in artikel 108, lid 3, VWEU, te waarborgen en om een steunmaatregel op zijn verenigbaarheid met de interne markt te beoordelen.

(24)

De Commissie dient in gevallen van onrechtmatige steun het recht te hebben om alle nodige informatie te vergaren om een besluit te kunnen nemen en, waar nodig, onverwijld niet-vervalste mededinging te herstellen. Het is derhalve wenselijk dat de Commissie jegens de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen kan nemen. Die voorlopige maatregelen kunnen bestaan in een bevel tot informatieverstrekking, tot opschorting of tot terugvordering. De Commissie moet bij niet-nakoming van een bevel tot informatieverstrekking in staat worden gesteld om op grond van de beschikbare inlichtingen te beslissen, en zich bij niet-nakoming van een opschortings- of terugvorderingsbevel rechtstreeks tot het Hof van Justitie te wenden overeenkomstig artikel 108, lid 2, tweede alinea, VWEU.

(25)

In gevallen van niet met de interne markt verenigbare onrechtmatige steun, dient de daadwerkelijke mededinging te worden hersteld. Het is hiertoe noodzakelijk dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd. Het is passend de terugvordering overeenkomstig de procedures van nationaal recht te doen geschieden. De toepassing van die procedures mag, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van het besluit van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging niet beletten. De lidstaten moeten daartoe dan ook alle nodige maatregelen treffen om de effectiviteit van dat besluit te verzekeren.

(26)

Ter wille van de rechtszekerheid dient een termijn van tien jaar te worden bepaald, na het verstrijken waarvan geen terugvordering van onrechtmatige steun meer kan worden bevolen.

(27)

Ten behoeve van de rechtszekerheid dienen verjaringstermijnen te worden bepaald voor het opleggen en afdwingen van geldboeten en dwangsommen.

(28)

Misbruik van steun kan de werking van de interne markt op soortgelijke wijze beïnvloeden als onrechtmatige steun en moet dus volgens soortgelijke procedures worden behandeld. Anders dan onrechtmatige steun, is mogelijk misbruikte steun al eerder door de Commissie goedgekeurd. De Commissie mag derhalve geen terugvordering kunnen gelasten ten aanzien van misbruikte steun.

(29)

De Commissie is overeenkomstig artikel 108, lid l, VWEU verplicht om in samenwerking met de lidstaten alle bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen. Het is in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid passend de werkingssfeer van de samenwerking uit hoofde van dat artikel nader te omschrijven.

(30)

Teneinde te waarborgen dat de bestaande steunregelingen verenigbaar zijn met de interne markt, moet de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU dienstige maatregelen voorstellen indien een bestaande steunregeling niet of niet langer met de interne markt verenigbaar is, en zij de in artikel 108, lid 2, VWEU vastgestelde procedure moet inleiden indien de betrokken lidstaat weigert de voorgestelde maatregelen uit te voeren.

(31)

In deze verordening moeten alle mogelijkheden worden omschreven waarover derden beschikken om hun belangen in procedures betreffende staatssteun te verdedigen.

(32)

Klachten zijn een belangrijke bron van informatie voor het opsporen van inbreuken op de staatssteunregels van de Unie. Teneinde de kwaliteit te waarborgen van de klachten die bij de Commissie worden ingediend en tegelijk de transparantie en rechtszekerheid te waarborgen, dienen de voorwaarden te worden bepaald waaraan een klacht dient te voldoen om de Commissie informatie over mogelijk onrechtmatige steun ter beschikking te stellen en het eerste onderzoek te kunnen instellen. Klachten die niet aan deze voorwaarden voldoen, dienen te worden behandeld als algemene marktinformatie en dienen niet noodzakelijk tot ambtshalve onderzoeken te leiden.

(33)

Van klagers dient te worden verlangd dat zij aantonen dat zij belanghebbende zijn in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU en van artikel 1, onder h), van deze verordening. Van hen dient tevens te worden verlangd dat zij een bepaalde hoeveelheid informatie verschaffen via een formulier dat de Commissie door middel van een uitvoeringsbepaling moet kunnen vaststellen. Om mogelijke klagers niet te ontmoedigen, dient in de uitvoeringsbepaling in acht genomen te worden dat de eisen voor het indienen van een klacht door een belanghebbende niet te onereus mogen zijn.

(34)

Met het oog op een coherente aanpak door de Commissie van vergelijkbare kwesties voor de gehele interne markt dient te worden voorzien in een specifieke rechtsgrondslag om onderzoeken naar bepaalde economische sectoren of bepaalde steuninstrumenten in verscheidene lidstaten in te stellen. Met het oog op de evenredigheidseisen en de zware administratieve last die met dergelijke onderzoeken gepaard gaat, dienen sectorale onderzoeken alleen te worden uitgevoerd indien op grond van de beschikbare informatie een redelijk vermoeden bestaat dat staatssteunmaatregelen in een bepaalde sector de mededinging binnen de interne markt van verscheidene lidstaten materieel kunnen beperken of vervalsen, of dat bestaande steunmaatregelen in een bepaalde sector in verscheidene lidstaten niet of niet langer met de interne markt verenigbaar zijn. Door middel van dergelijke onderzoeken kan de Commissie horizontale staatssteunvraagstukken doelmatig en transparant behandelen en vooraf een totaalbeeld van de betrokken sector verwerven.

(35)

Het is noodzakelijk voor alle bestaande steunregelingen een algemene rapportageverplichting vast te stellen, zodat de Commissie op doeltreffende wijze de nakoming van haar besluiten kan volgen en de Commissie en de lidstaten gemakkelijker kunnen samenwerken met het oog op het voortdurend onderzoek van alle bestaande steunregelingen in de lidstaten overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU.

(36)

Wanneer de Commissie ernstige twijfel koestert omtrent de nakoming van haar besluiten, moet zij over bijkomende instrumenten beschikken om zich ervan te kunnen vergewissen dat aan haar besluiten gevolg wordt gegeven. In dit verband vormen controles ter plaatse een passend en nuttig instrument, met name wanneer er sprake zou kunnen zijn van misbruik van steun. De Commissie moet daarom de bevoegdheid hebben controles ter plaatse te verrichten en zij moet, indien een onderneming zich tegen een dergelijke controle verzet, kunnen rekenen op de medewerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

(37)

Een coherente toepassing van de staatssteunregels vereist ook dat regelingen worden uitgewerkt voor de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten en de Commissie. Deze samenwerking is relevant voor alle rechterlijke instanties van de lidstaten die artikel 107, lid 1, en artikel 108 VWEU toepassen. Met name dienen de nationale rechterlijke instanties de mogelijkheid te hebben zich tot de Commissie te wenden om informatie of adviezen over de toepassing van de regels betreffende de staatssteun te verkrijgen. De Commissie dient echter ook de mogelijkheid te hebben schriftelijke of mondelinge opmerkingen in te dienen bij de nationale rechterlijke instanties die artikel 107, lid 1, of artikel 108 VWEU moeten toepassen. Als zij de nationale rechterlijke instanties in dit verband ondersteunt, dient de Commissie te handelen overeenkomstig haar verplichting om het algemeen belang te verdedigen.

(38)

De opmerkingen en adviezen van de Commissie dienen artikel 267 VWEU onverlet te laten en de nationale rechterlijke instanties niet rechtens te binden. Zij moeten worden ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken, waaronder die welke de rechten van de partijen beschermen, onverminderd de volledige onafhankelijkheid van de nationale rechterlijke instanties. Door de Commissie ambtshalve ingediende opmerkingen dienen beperkt te blijven tot zaken die van belang zijn voor de coherente toepassing van artikel 107, lid 1, of artikel 108 VWEU, met name tot zaken die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging of de verdere ontwikkeling van de jurisprudentie van de Unie ter zake van staatssteun.

(39)

Het is in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid dienstig publieke informatie te verstrekken over de besluiten van de Commissie, terwijl terzelfder tijd het beginsel behouden dient te blijven dat besluiten in staatssteunzaken tot de betrokken lidstaat worden gericht. Het is derhalve passend om alle besluiten die de belangen van de belanghebbenden zouden kunnen raken, integraal of in de vorm van een samenvatting te publiceren of om van niet of niet integraal gepubliceerde besluiten exemplaren voor de belanghebbenden beschikbaar te stellen.

(40)

Bij het bekendmaken van haar besluiten dient de Commissie, overeenkomstig artikel 339 VWEU, de regels inzake de geheimhoudingsplicht, waaronder de bescherming van alle vertrouwelijke informatie en persoonsgegevens, na te leven.

(41)

De Commissie dient, in nauw overleg met het Adviescomité inzake overheidssteun, de mogelijkheid te hebben uitvoeringsbepalingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de procedures waarin deze verordening voorziet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMEEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassingen van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„steun”, elke maatregel die aan alle in artikel 107, lid 1, VWEU vervatte criteria voldoet;

b)

„bestaande steun”,

i)

onverminderd de artikelen 144 en 172 van de Akte van toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, onverminderd bijlage IV, punt 3 en aanhangsel, bij de Akte van toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, onverminderd bijlage V, punt 2 en punt 3, onder b), en aanhangsel, bij de Akte van toetreding van Bulgarije en Roemenië, en onverminderd bijlage IV, punt 2 en punt 3, onder b), en aanhangsel, bij de Akte van toetreding van Kroatië, alle steun die voor de inwerkingtreding van het VWEU in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het VWEU in de respectieve lidstaat tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn;

ii)

goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de Commissie of de Raad zijn goedgekeurd;

iii)

steun die geacht wordt te zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 659/1999 of artikel 4, lid 6, van deze verordening, dan wel vóór Verordening (EG) nr. 659/1999 maar in overeenstemming met de onderhavige procedure;

iv)

steun die overeenkomstig artikel 17 van deze verordening als bestaande steun wordt beschouwd;

v)

steun die als bestaande steun wordt beschouwd, omdat kan worden vastgesteld dat hij op het moment van tot uitvoering brengen geen steun vormde, maar vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de interne markt, zonder dat de betrokken lidstaat er wijzigingen in heeft aangebracht; maatregelen die vanwege de liberalisering van een activiteit door het Unierecht steun zijn geworden, worden na de voor de liberalisering voorgeschreven datum niet als bestaande steun beschouwd;

c)

„nieuwe steun”, alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun, die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun;

d)

„steunregeling”, elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet gebonden is aan een specifiek project voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend;

e)

„individuele steun”, steun die niet wordt toegekend op grond van een steunregeling, alsook steun die op grond van een steunregeling wordt toegekend en moet worden aangemeld;

f)

„onrechtmatige steun”, nieuwe steun die in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU tot uitvoering wordt gebracht;

g)

„misbruik van steun”, steun die door de begunstigde wordt gebruikt in strijd met een besluit dat werd genomen overeenkomstig artikel 4, lid 3, of artikel 7, leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 659/1999 of artikel 4, lid 3, of artikel 9, leden 3 en 4, van deze verordening;

h)

„belanghebbende”, een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen.

HOOFDSTUK II

PROCEDURE BETREFFENDE AANGEMELDE STEUN

Artikel 2

Aanmelding van nieuwe steun

1.   Tenzij anders is bepaald in verordeningen op grond van artikel 109 VWEU of op grond van andere desbetreffende bepalingen, wordt elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld. De Commissie stelt de betrokken lidstaat onverwijld van de ontvangst van een aanmelding in kennis.

2.   In de aanmelding verstrekt de betrokken lidstaat alle informatie die de Commissie nodig heeft om overeenkomstig de artikelen 4 en 9 een besluit te nemen („volledige aanmelding”).

Artikel 3

„Standstill”-bepaling

Op grond van artikel 2, lid l, aan te melden steun mag niet uitgevoerd worden, alvorens de Commissie een besluit tot goedkeuring van die steun heeft genomen of wordt geacht dat te hebben genomen.

Artikel 4

Eerste onderzoek van de aanmelding en besluiten van de Commissie

1.   De Commissie onderzoekt de aanmelding onverwijld na ontvangst. Onverminderd artikel 10 neemt de Commissie een besluit overeenkomstig de leden 2, 3 of 4 van dit artikel.

2.   Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel geen steun vormt, stelt zij dat bij besluit vast.

3.   Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel, in zoverre deze binnen het toepassingsgebied van artikel 107, lid l, VWEU valt, geen twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de interne markt, neemt zij een besluit houdende dat de maatregel verenigbaar is met de interne markt („besluit om geen bezwaar te maken”). In het besluit wordt nader aangegeven welke uitzondering uit hoofde van het VWEU is toegepast.

4.   Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de interne markt, neemt zij een besluit dat ertoe strekt de procedure overeenkomstig artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden („besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure”).

5.   De in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde besluiten worden binnen twee maanden genomen. Die termijn gaat in op de dag na de ontvangst van een volledige aanmelding. De aanmelding wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden na ontvangst van de aanmelding of van aanvullende informatie waarom was gevraagd niet om verdere informatie heeft verzocht. Deze termijn kan met toestemming van de Commissie en de betrokken lidstaat worden verlengd. Indien nodig kan de Commissie kortere termijnen vaststellen.

6.   Indien de Commissie niet binnen de in lid 5 genoemde termijn een besluit overeenkomstig de leden 2, 3 of 4 heeft genomen, wordt de steun geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd. Daarop kan de betrokken lidstaat de maatregelen ten uitvoer leggen, na de Commissie hiervan vooraf in kennis te hebben gesteld, tenzij de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving een besluit overeenkomstig dit artikel neemt.

Artikel 5

Verzoek om informatie aan de aanmeldende lidstaat

1.   Indien de Commissie van mening is dat de informatie die de betrokken lidstaat over een volgens artikel 2 aangemelde maatregel heeft verstrekt, onvolledig is, verzoekt zij om alle nodige aanvullende informatie. Wanneer de Commissie het antwoord hierop van de lidstaat ontvangt, geeft zij de lidstaat daarvan bevestiging.

2.   Indien de betrokken lidstaat de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn verstrekt of deze onvolledig verstrekt, zendt de Commissie een aanmaning, waarbij zij een passende bijkomende termijn vaststelt waarbinnen de informatie moet worden verstrekt.

3.   Indien de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn is verstrekt, wordt de aanmelding als ingetrokken beschouwd, tenzij ofwel de termijn vóór het verstrijken ervan met toestemming van de Commissie en de betrokken lidstaat is verlengd, ofwel de betrokken lidstaat vóór het verstrijken ervan, in een behoorlijk gemotiveerde verklaring, de Commissie heeft medegedeeld dat hij de aanmelding als volledig beschouwt omdat de gevraagde aanvullende informatie niet beschikbaar is of reeds is verstrekt. In dit geval gaat de in artikel 4, lid 5, vermelde termijn in op de dag na ontvangst van de verklaring. Indien de aanmelding geacht wordt te zijn ingetrokken, stelt de Commissie de lidstaat daarvan in kennis.

Artikel 6

Formele onderzoeksprocedure

1.   Het besluit om de formele onderzoeksprocedure in te leiden behelst een samenvatting van de relevante feiten en rechtspunten, een eerste beoordeling van de Commissie omtrent de steunverlenende aard van de voorgestelde maatregel, alsook de redenen waarom getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid ervan met de interne markt. In het besluit worden de betrokken lidstaat en de andere belanghebbenden uitgenodigd om hun opmerkingen mede te delen binnen een vastgestelde termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.

2.   De ingekomen opmerkingen worden aan de betrokken lidstaat medegedeeld. Indien een belanghebbende hierom verzoekt op grond dat hem schade kan worden berokkend, wordt zijn identiteit geheim gehouden voor de betrokken lidstaat. Deze lidstaat kan op de ingediende opmerkingen reageren binnen een vastgestelde termijn, die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.

Artikel 7

Verzoek om informatie aan andere bronnen

1.   Na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 6, met name inzake technisch complexe zaken die inhoudelijk moeten worden onderzocht, kan de Commissie, indien de door de betrokken lidstaat tijdens het eerste onderzoek verschafte informatie ontoereikend is, een andere lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging verzoeken dat deze alle marktinformatie verstrekt die nodig is om de Commissie in staat te stellen haar beoordeling van de betrokken maatregel af te ronden, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen.

2.   De Commissie kan uitsluitend om informatie verzoeken:

a)

indien die beperkt is tot de formele onderzoeksprocedures waarvan de Commissie heeft vastgesteld dat die tot dan toe ontoereikend zijn, en

b)

wat de begunstigden van steun betreft, indien de betrokken lidstaat met het verzoek instemt.

3.   De ondernemingen of ondernemersverenigingen die, naar aanleiding van een verzoek om marktinformatie van de Commissie, informatie verschaffen op basis van de leden 6 en 7, dienen hun antwoord tegelijk bij de Commissie en de betrokken lidstaat in, voor zover de verschafte stukken geen informatie bevatten die vertrouwelijk is ten opzichte van die lidstaat.

De Commissie beheert en monitort de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, de ondernemingen of de ondernemersverenigingen, en verifieert de beweerde vertrouwelijkheid van de uitgewisselde informatie.

4.   De Commissie verzoekt alleen om informatie die de het verzoek betreffende lidstaten, ondernemingen of ondernemersverenigingen ter beschikking staat.

5.   De lidstaten verstrekken de informatie op grond van een eenvoudig verzoek en binnen een door de Commissie vastgestelde termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. Indien een lidstaat de verzochte informatie niet binnen die termijn of onvolledig verschaft, zendt de Commissie een aanmaning.

6.   De Commissie kan door middel van een eenvoudig verzoek informatie van een onderneming of ondernemersvereniging verlangen. Wanneer de Commissie een eenvoudig verzoek om informatie aan een onderneming of ondernemersvereniging toezendt, vermeldt zij de rechtsgrondslag voor en het doel van het verzoek, geeft zij aan welke informatie wordt verlangd, en stelt zij een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie moet worden verstrekt. Zij vermeldt ook de geldboeten die in artikel 8, lid 1, zijn bepaald voor het verschaffen van onjuiste of misleidende informatie.

7.   De Commissie kan een onderneming of ondernemersvereniging bij besluit om informatie verzoeken. Indien de Commissie ondernemingen of ondernemersverenigingen bij besluit verzoekt informatie te verstrekken, vermeldt zij de rechtsgrondslag voor en het doel van het verzoek, geeft zij aan welke informatie wordt verlangd en stelt zij een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie moet worden verstrekt. Naargelang het geval, vermeldt zij ook de in artikel 8, lid 1, bepaalde geldboeten en vermeldt zij de in artikel 8, lid 2, bepaalde dwangsommen of legt zij deze op. Zij wijst daarenboven op het recht van de onderneming of ondernemersvereniging om bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een rechtsmiddel tegen het besluit in te stellen.

8.   Wanneer de Commissie een verzoek uitbrengt overeenkomstig lid 1 of lid 6 van dit artikel of een besluit vaststelt overeenkomstig lid 7, verschaft zij tegelijk de betrokken lidstaat een afschrift daarvan. De Commissie geeft aan welke criteria zij heeft toegepast om de ontvanger van een verzoek of een besluit te bepalen.

9.   Tot het verstrekken namens de betrokken onderneming van de informatie waarom wordt verzocht of die wordt verlangd, zijn gehouden de eigenaren van de ondernemingen of hun vertegenwoordigers of, in het geval van rechtspersonen, vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, de krachtens de wet of statuten tot vertegenwoordiging bevoegde personen. Naar behoren gemachtigde personen kunnen de informatie verstrekken namens hun opdrachtgevers. De opdrachtgevers blijven niettemin volledig verantwoordelijk indien de verstrekte informatie onjuist, onvolledig of misleidend is.

Artikel 8

Geldboeten en dwangsommen

1.   De Commissie kan, indien nodig of evenredig geacht, bij besluit aan ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde omzet opleggen, wanneer deze opzettelijk of uit grove onachtzaamheid:

a)

in antwoord op een verzoek in de zin van artikel 7, lid 6, onjuiste of misleidende informatie verstrekken;

b)

in antwoord op een overeenkomstig artikel 7, lid 7, vastgesteld besluit onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken, dan wel de informatie niet binnen de vastgestelde termijn verstrekken.

2.   De Commissie kan bij besluit aan ondernemingen of ondernemersverenigingen dwangsommen opleggen indien een onderneming of ondernemersvereniging verzuimt de volledige en juiste informatie te verstrekken, zoals verlangd bij het overeenkomstig artikel 7, lid 7, door de Commissie vastgestelde besluit.

De dwangsommen belopen ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet van de betrokken onderneming of de betrokken vereniging in het voorafgaande boekjaar voor elke werkdag waarmee de in haar besluit vastgestelde termijn wordt overschreden, berekend vanaf de in het besluit vastgestelde datum, totdat de ondernemingen of ondernemersverenigingen de informatie waarom de Commissie verzoekt of die door haar wordt verlangd, verstrekken op volledige en juiste wijze.

3.   Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt met de aard, de zwaarte en de duur van de inbreuk rekening gehouden, met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen.

4.   Wanneer de ondernemingen of ondernemersverenigingen de verplichting zijn nagekomen ter afdwinging waarvan de dwangsom was opgelegd, kan de Commissie de uiteindelijk verschuldigde dwangsom verminderen ten aanzien van het bedrag dat voortvloeit uit het oorspronkelijke besluit waarbij dwangsommen werden opgelegd. De Commissie kan de dwangsommen tevens kwijtschelden.

5.   Alvorens de in lid 1 of lid 2 van dit artikel bedoelde besluiten vast te stellen, stelt de Commissie een laatste termijn van twee weken om de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen de ontbrekende marktinformatie te doen verstrekken en stelt zij hen tevens in de gelegenheid hun standpunt kenbaar te maken.

6.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie bezit ter zake van een rechtsmiddel tegen door de Commissie opgelegde geldboeten of dwangsommen volledige rechtsmacht in de zin van artikel 261 VWEU. Het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.

Artikel 9

Besluiten van de Commissie tot beëindiging van de formele onderzoeksprocedure

1.   Onverminderd artikel 10, wordt de formele onderzoeksprocedure beëindigd bij een besluit als bepaald in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel.

2.   Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat die maatregel geen steun vormt, stelt zij dit bij besluit vast.

3.   Indien de Commissie, in voorkomend geval na wijziging van de aangemelde maatregel door de betrokken lidstaat, tot de bevinding komt dat de twijfel over de verenigbaarheid van die maatregel met de interne markt is weggenomen, neemt zij een besluit waarbij de steun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard („positief besluit”). In het besluit wordt nader aangegeven welke uitzondering uit hoofde van het VWEU is toegepast.

4.   De Commissie kan aan een positief besluit voorwaarden verbinden die haar in staat stellen de steun als verenigbaar met de interne markt te beschouwen, alsmede verplichtingen opleggen die het toezicht op de naleving van het besluit mogelijk maken („voorwaardelijk besluit”).

5.   Indien de Commissie tot de bevinding komt dat de aangemelde steun niet met de interne markt verenigbaar is, neemt zij een besluit houdende dat de steun niet tot uitvoering mag worden gebracht („negatief besluit”).

6.   Besluiten uit hoofde van de leden 2 tot en met 5 worden genomen zodra de in artikel 4, lid 4, bedoelde twijfel is weggenomen. De Commissie streeft er zoveel mogelijk naar binnen 18 maanden na de inleiding van de procedure een besluit vast te stellen. Deze termijn kan worden verlengd in onderlinge overeenstemming tussen de Commissie en de betrokken lidstaat.

7.   Wanneer de in lid 6 van dit artikel genoemde termijn is verstreken, neemt de Commissie op verzoek van de betrokken lidstaat binnen twee maanden een besluit op basis van de informatie waarover zij beschikt. In voorkomend geval neemt de Commissie, wanneer de verstrekte informatie niet toereikend is om de verenigbaarheid vast te stellen, een negatief besluit.

8.   Alvorens de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde besluiten vast te stellen, stelt de Commissie de betrokken lidstaat in de gelegenheid om zijn standpunt binnen een termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn, kenbaar te maken ten aanzien van de op grond van artikel 7, lid 3, door de Commissie ontvangen en aan de betrokken lidstaat verschafte informatie.

9.   De Commissie maakt in een overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 van dit artikel vastgesteld besluit alleen gebruik van door respondenten verstrekte vertrouwelijke informatie die niet kan worden geaggregeerd of anderszins geanonimiseerd wanneer zij hun toestemming heeft gekregen om deze informatie vrij te geven aan de betrokken lidstaat. De Commissie kan een met een redenen omkleed besluit vaststellen, dat ter kennis van de betrokken onderneming of ondernemersvereniging wordt gebracht, waarin zij tot de bevinding komt dat de door een respondent verschafte, als vertrouwelijk gemarkeerde informatie niet beschermd is en een datum bepaalt na welke die informatie zal worden vrijgegeven. Die termijn mag niet korter dan één maand zijn.

10.   De Commissie houdt naar behoren rekening met het gerechtvaardigde belang van de ondernemingen bij het beschermen van hun bedrijfsgevoelige informatie en andere vertrouwelijke informatie. Een onderneming of een ondernemersvereniging, die informatie verstrekt krachtens artikel 7, en die geen begunstigde van de betrokken steunmaatregel is, kan, wanneer bekendmaking schade zou kunnen veroorzaken, verzoeken dat haar identiteit voor de betrokken lidstaat geheim wordt gehouden.

Artikel 10

Intrekking van de aanmelding

1.   Zolang de Commissie geen besluit heeft genomen overeenkomstig artikel 4 of artikel 9, kan de betrokken lidstaat de aanmelding in de zin van artikel 2 ten gepaste tijde intrekken.

2.   In de gevallen waarin de Commissie de formele onderzoeksprocedure heeft ingeleid, wordt deze door de Commissie beëindigd.

Artikel 11

Herroeping van een besluit

Na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven opmerkingen in te dienen, kan de Commissie een uit hoofde van artikel 4, lid 2 of 3, of artikel 9, lid 2, 3 of 4 genomen besluit herroepen, indien het besluit berustte op tijdens de procedure verstrekte onjuiste informatie die voor het besluit doorslaggevend was. Alvorens een besluit te herroepen en een nieuw besluit te nemen, leidt de Commissie de formele onderzoeksprocedure uit hoofde van artikel 4, lid 4, in. De artikelen 6, 9 en 12, artikel 13, lid 1, en de artikelen 15, 16 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK III

PROCEDURE BETREFFENDE ONRECHTMATIGE STEUN

Artikel 12

Onderzoek, verzoek om informatie en bevel tot het verstrekken van informatie

1.   Onverminderd artikel 24 kan de Commissie ambtshalve informatie, uit welke bron ook, onderzoeken met betrekking tot mogelijk onrechtmatige steun.

De Commissie onderzoekt een klacht die een belanghebbende overeenkomstig artikel 24, lid 2, heeft ingediend, zo snel mogelijk en zorgt ervoor dat de betrokken lidstaat volledig en regelmatig van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek op de hoogte wordt gehouden.

2.   Zo nodig verzoekt de Commissie de betrokken lidstaat om informatie. Artikel 2, lid 2, en artikel 5, leden l en 2, zijn van overeenkomstige toepassing.

Nadat de formele onderzoeksprocedure is ingeleid, kan de Commissie, op grond van de artikelen 7 en 8, die van overeenkomstige toepassing zijn, tevens een andere lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging om informatie verzoeken.

3.   Indien de betrokken lidstaat, ondanks een aanmaning overeenkomstig artikel 5, lid 2, de gevraagde informatie niet binnen de door de Commissie gestelde termijn verstrekt of onvolledige informatie verstrekt, verlangt de Commissie de te verstrekken informatie bij besluit („bevel tot het verstrekken van informatie”). In dat besluit wordt aangegeven welke informatie wordt verlangd, en wordt een passende termijn gesteld waarbinnen deze moet worden verstrekt.

Artikel 13

Bevel tot opschorting van steun of tot voorlopige terugvordering van steun

1.   Na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven zijn opmerkingen in te dienen, kan de Commissie een besluit nemen waarbij de lidstaat wordt gelast alle onrechtmatige steun op te schorten, totdat de Commissie een besluit heeft genomen over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt („opschortingsbevel”).

2.   Na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven zijn opmerkingen in te dienen, kan de Commissie een besluit nemen waarbij de lidstaat wordt gelast alle onrechtmatige steun voorlopig terug te vorderen, totdat de Commissie een besluit heeft genomen over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt („terugvorderingsbevel”), indien wordt voldaan aan alle onderstaande criteria:

a)

er bestaat volgens een gevestigde praktijk geen twijfel omtrent de steunverlenende aard van de maatregel;

b)

er moet dringend worden opgetreden;

c)

er bestaat een ernstig gevaar dat een mededinger aanzienlijke en onherstelbare schade oploopt.

Terugvordering dient volgens de procedure van artikel 16, leden 2 en 3, te geschieden. Nadat de steun daadwerkelijk is teruggevorderd, neemt de Commissie binnen de voor aangemelde steun geldende termijn een besluit.

De Commissie kan de lidstaat machtigen de terugbetaling van de steun vergezeld te doen gaan van reddingssteun voor de betrokken onderneming.

Het bepaalde in deze alinea is slechts van toepassing op onrechtmatige steun die ten uitvoer is gelegd na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 659/1999.

Artikel 14

Niet-naleving van een bevel

Indien de betrokken lidstaat geen gevolg geeft aan een opschortings- of terugvorderingsbevel, kan de Commissie, terwijl zij het materiële onderzoek aan de hand van de beschikbare informatie voortzet, zich rechtstreeks tot het Hof van Justitie van de Europese Unie wenden teneinde te doen vaststellen dat het verzuim een inbreuk op het VWEU vormt.

Artikel 15

Besluiten van de Commissie

1.   Het onderzoek naar mogelijke onrechtmatige steun resulteert in een besluit overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 of 4. In geval van een besluit tot inleiding van een formele onderzoeksprocedure wordt de procedure afgesloten bij een besluit overeenkomstig artikel 9. Indien een lidstaat niet voldoet aan een bevel tot het verstrekken van informatie, wordt het besluit op grond van de beschikbare informatie genomen.

2.   In geval van eventuele onrechtmatige steun en onverminderd artikel 13, lid 2, is de Commissie niet aan de in artikel 4, lid 5, en artikel 9, leden 6 en 7, bepaalde termijn gebonden.

3.   Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16

Terugvordering van steun

1.   Indien negatieve besluiten worden genomen in gevallen van onrechtmatige steun besluit de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen („terugvorderingsbesluit”). De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het Unierecht.

2.   De op grond van een terugvorderingsbesluit terug te vorderen steun omvat rente tegen een door de Commissie vastgesteld passend percentage. De rente is betaalbaar vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun.

3.   Onverminderd een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie overeenkomstig artikel 278 VWEU, dient terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie toelaten. Daartoe nemen de betrokken lidstaten in geval van een procedure voor een nationale rechterlijke instantie alle nodige maatregelen, met inbegrip van voorlopige maatregelen, waarover zij binnen hun nationale rechtsstelsel beschikken om dit doel te bereiken, onverminderd het Unierecht.

HOOFDSTUK IV

VERJARINGSTERMIJNEN

Artikel 17

Verjaringstermijn voor de terugvordering van steun

1.   De bevoegdheden van de Commissie om steun terug te vorderen verjaren na een termijn van tien jaar.

2.   Deze termijn gaat in op de dag waarop de onrechtmatige steun als individuele steun of in het kader van een steunregeling aan de begunstigde is verleend. Door elke maatregel van de Commissie of een op haar verzoek optredende lidstaat ten aanzien van de onrechtmatige steun wordt de verjaring gestuit. Na elke stuiting begint de termijn van voren af aan te lopen. De verjaring wordt geschorst, zolang over het besluit van de Commissie een beroep aanhangig is bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.

3.   Steun ten aanzien waarvan de verjaringstermijn is verstreken, wordt als bestaande steun beschouwd.

Artikel 18

Verjaringstermijn voor het opleggen van geldboeten en dwangsommen

1.   Voor de bij artikel 8 aan de Commissie verleende bevoegdheden geldt een verjaringstermijn van drie jaar.

2.   De in lid 1 bepaalde termijn gaat in op de dag waarop de in artikel 8 bedoelde inbreuk is gemaakt. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de termijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.

3.   Iedere handeling die de Commissie stelt met het oog op het onderzoek van of procedures ten aanzien van een in artikel 8 bedoelde inbreuk, stuit de verjaring van de oplegging van geldboeten of dwangsommen, vanaf de dag waarop van de handeling aan de betrokken onderneming of ondernemersvereniging kennis is gegeven.

4.   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn van zes jaar is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Die termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaringstermijn in overeenstemming met lid 5 van dit artikel wordt geschorst.

5.   De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang het besluit van de Commissie bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig is.

Artikel 19

Verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen

1.   De verjaringstermijn voor de aan de Commissie verleende bevoegdheden om overeenkomstig artikel 8 vastgestelde besluiten ten uitvoer te leggen, beloopt vijf jaar.

2.   De in lid 1 bepaalde termijn gaat in op de dag waarop het krachtens artikel 8 genomen besluit in kracht van gewijsde is gegaan.

3.   De in lid 1 van dit artikel bepaalde verjaringstermijn wordt gestuit:

a)

door de kennisgeving van een besluit waarbij het oorspronkelijke bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;

b)

door elke handeling van een op verzoek van de Commissie handelende lidstaat of van de Commissie tot inning van de geldboete of de dwangsom.

4.   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.

5.   De in lid 1 bedoelde verjaringstermijn wordt geschorst zolang:

a)

de respondent betalingsfaciliteiten worden toegestaan;

b)

de tenuitvoerlegging krachtens een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie is opgeschort.

HOOFDSTUK V

PROCEDURE BETREFFENDE MISBRUIK VAN STEUN

Artikel 20

Misbruik van steun

Onverminderd artikel 28 kan de Commissie in gevallen van misbruik van steun de formele onderzoeksprocedure inleiden, overeenkomstig artikel 4, lid 4. De artikelen 6 tot en met 9, 11 en 12, artikel 13, lid 1, en de artikelen 14 tot en met 17 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VI

PROCEDURE BETREFFENDE BESTAANDE STEUNREGELINGEN

Artikel 21

Samenwerking op grond van artikel 108, lid 1, VWEU

1.   De Commissie ontvangt van de betrokken lidstaat alle nodige informatie om in samenspraak met deze lidstaat krachtens artikel 108, lid 1, VWEU de bestaande steunregelingen te kunnen onderzoeken.

2.   Indien de Commissie van mening is dat een steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de interne markt, stelt zij de betrokken lidstaat van haar eerste oordeel in kennis en geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid om binnen een termijn van één maand zijn opmerkingen in te dienen. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.

Artikel 22

Voorstel voor dienstige maatregelen

Indien de Commissie, in het licht van de door een lidstaat overeenkomstig artikel 21 verstrekte informatie, tot de gevolgtrekking komt dat de bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de interne markt, geeft zij een aanbeveling waarbij de betrokken lidstaat dienstige maatregelen worden voorgesteld. Die aanbeveling kan met name voorstellen inhouden om:

a)

de betrokken steunregeling inhoudelijk te wijzigen, of

b)

procedurele vereisten in te voeren, of

c)

de steunregeling of te schaffen.

Artikel 23

Rechtsgevolgen van een voorstel voor dienstige maatregelen

1.   Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen aanvaardt en de Commissie daarvan in kennis stelt, legt de Commissie dit vast en deelt zij dit aan de lidstaat mede. Door zijn aanvaarding verbindt de lidstaat zich ertoe de dienstige maatregelen ten uitvoer te leggen.

2.   Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen niet aanvaardt en de Commissie, gelet op de argumenten van de betrokken lidstaat, bij haar zienswijze blijft dat die maatregelen noodzakelijk zijn, leidt zij de procedure van artikel 4, lid 4, in. De artikelen 6, 9 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VII

BELANGHEBBENDEN

Artikel 24

Rechten van de belanghebbenden

1.   Elke belanghebbende kan overeenkomstig artikel 6 opmerkingen indienen naar aanleiding van een besluit van de Commissie om een formele onderzoeksprocedure in te leiden. Elke belanghebbende die opmerkingen heeft ingediend en elke ontvanger van individuele steun krijgt een afschrift van de door de Commissie overeenkomstig artikel 9 genomen besluiten toegezonden.

2.   Elke belanghebbende kan een klacht indienen om de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun of van mogelijk misbruik van steun. Te dien einde vult de belanghebbende een in een uitvoeringsbepaling als bedoeld in artikel 33 vastgesteld formulier in, en verschaft hij de daarin gevraagde verplichte informatie.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de belanghebbende het verplichte klachtenformulier niet heeft nageleefd of de feiten en juridische argumenten die de belanghebbende heeft aangevoerd, onvoldoende gronden bieden om, op grond van een provisioneel onderzoek, aan te tonen dat er sprake is van onrechtmatige steun of misbruik van steun, stelt zij de belanghebbende daarvan in kennis en nodigt zij deze uit om opmerkingen in te dienen binnen een bepaalde termijn die in de regel niet langer dan een maand mag zijn. Indien de belanghebbende zijn standpunten niet binnen die vastgestelde termijn kenbaar maakt, wordt de klacht geacht te zijn ingetrokken. De Commissie stelt de betrokken lidstaat ervan in kennis als een klacht wordt geacht te zijn ingetrokken.

De Commissie stuurt de klager een afschrift van het besluit over een geval dat betrekking heeft op het onderwerp van de klacht.

3.   Desgewenst ontvangt elke belanghebbende een afschrift van krachtens artikel 4, artikel 9, artikel 12, lid 3, en artikel 13 genomen besluiten.

HOOFDSTUK VIII

ONDERZOEKEN NAAR BEPAALDE SECTOREN VAN DE ECONOMIE EN NAAR STEUNINSTRUMENTEN

Artikel 25

Onderzoeken naar bepaalde sectoren van de economie en naar steuninstrumenten

1.   Wanneer er op grond van de beschikbare informatie een redelijk vermoeden bestaat dat staatssteunmaatregelen in een bepaalde sector of op basis van een bepaald steuninstrument de mededinging binnen de interne markt materieel kunnen beperken of vervalsen, of dat bestaande steunmaatregelen in een bepaalde sector in verscheidene lidstaten niet of niet meer verenigbaar zijn met de interne markt, kan de Commissie in verscheidene lidstaten onderzoek doen naar die sector van de economie of naar het gebruik van het betrokken steuninstrument. In het kader van dat onderzoek kan de Commissie de lidstaten en/of de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen verzoeken alle informatie te verschaffen die voor de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU noodzakelijk is, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.

De Commissie motiveert bij alle krachtens dit artikel verstuurde informatieverzoeken het onderzoek en de keuze van de adressaten.

De Commissie maakt een verslag over de uitkomsten van haar onderzoek naar bepaalde sectoren van de economie of bepaalde soorten steuninstrumenten in verscheidene lidstaten bekend en verzoekt de lidstaten en betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen opmerkingen te maken.

2.   De informatie die uit sectorale onderzoeken is verkregen, kan in het kader van procedures krachtens deze verordening worden gebruikt.

3.   De artikelen 5, 7 en 8 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IX

TOEZICHT

Artikel 26

Jaarverslagen

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie jaarlijks een verslag in over alle bestaande steunregelingen waarvoor bij een voorwaardelijk besluit op grond van artikel 9, lid 4, geen specifieke rapportageverplichting is opgelegd.

2.   Indien de betrokken lidstaat na aanmaning verzuimt een jaarverslag in te dienen, kan de Commissie met betrekking tot de betrokken steunregeling handelen overeenkomstig artikel 22.

Artikel 27

Controle ter plaatse

1.   Indien de Commissie ernstige twijfel heeft over de naleving van besluiten om geen bezwaar te maken, positieve besluiten of voorwaardelijke besluiten met betrekking tot individuele steun, stelt de betrokken lidstaat, na de gelegenheid te hebben gekregen opmerkingen in te dienen, de Commissie in staat om controles ter plaatse te verrichten.

2.   Teneinde na te gaan of is voldaan aan het besluit, mogen de door de Commissie gemachtigde ambtenaren:

a)

alle ruimten en terreinen van de betrokken onderneming betreden;

b)

ter plaatse mondelinge uitleg vragen;

c)

boeken en andere zakelijke bescheiden onderzoeken en kopieën maken of verlangen.

Indien nodig kan de Commissie zich door onafhankelijke deskundigen laten bijstaan.

3.   De Commissie zendt de betrokken lidstaat tijdig een aankondiging van de controle ter plaatse, met vermelding van de identiteit van de in haar opdracht handelende ambtenaren en deskundigen. Indien de lidstaat naar behoren gerechtvaardigde bezwaren heeft tegen de door de Commissie gekozen deskundigen, worden de deskundigen in onderlinge overeenstemming met de lidstaat aangesteld. De ambtenaren van de Commissie en de deskundigen die bevoegd zijn de controle ter plaatse te verrichten, leggen een schriftelijke machtiging voor waarin voorwerp en doel van de controle zijn beschreven.

4.   Ambtenaren die gemachtigd zijn door de lidstaat op het grondgebied waarvan de controle dient te worden verricht, mogen de controle bijwonen.

5.   De Commissie verstrekt de betrokken lidstaat een afschrift van elk verslag dat ingevolge de controle wordt opgesteld.

6.   Wanneer een onderneming zich verzet tegen een controle waartoe de Commissie krachtens dit artikel opdracht heeft gegeven, verleent de betrokken lidstaat aan de door de Commissie gemachtigde ambtenaren en deskundigen de nodige bijstand, teneinde hen in staat te stellen de controle te verrichten.

Artikel 28

Niet-naleving van besluiten en arresten

1.   Indien de betrokken lidstaat, met name in gevallen bedoeld in artikel 16 van deze verordening, niet voldoet aan een voorwaardelijk of negatief besluit, kan de Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 2, VWEU de zaak rechtstreeks bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig maken.

2.   Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet is nagekomen, kan zij de zaak verder afhandelen overeenkomstig artikel 260 VWEU.

HOOFDSTUK X

SAMENWERKING MET DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES

Artikel 29

Samenwerking met de nationale rechterlijke instanties

1.   De rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen naar aanleiding van de toepassing van artikel 107, lid 1, en artikel 108 VWEU de Commissie verzoeken informatie te verstrekken waarover zij beschikt, of een advies te geven over vragen betreffende de toepassing van staatssteunregels.

2.   Indien de coherente toepassing van artikel 107, lid 1, of artikel 108 VWEU zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, schriftelijke opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten die belast zijn met de toepassing van de regels inzake staatssteun. Met toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken.

Voorafgaand aan de formele indiening van haar opmerkingen stelt de Commissie de betrokken lidstaat op de hoogte van haar voornemen daartoe.

Uitsluitend met het oog op de formulering van haar opmerkingen kan de Commissie de desbetreffende rechterlijke instantie van de lidstaat verzoeken om haar alle voor de beoordeling van de aangelegenheid noodzakelijke stukken toe te zenden.

HOOFDSTUK XI

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 30

Geheimhoudingsplicht

De Commissie en de lidstaten, alsmede hun ambtenaren en overige personeelsleden, met inbegrip van de door de Commissie aangewezen onafhankelijke deskundigen, mogen de informatie die zij bij de toepassing van deze verordening hebben verkregen en die onder de geheimhoudingsplicht valt, niet openbaar maken.

Artikel 31

Adressaten van besluiten

1.   De op grond van artikel 7, lid 7, artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 9, lid 9, vastgestelde besluiten worden gericht tot de betrokken onderneming of ondernemersvereniging. De Commissie stelt de adressaten onverwijld in kennis va de besluiten en geeft de adressaten de gelegenheid om de Commissie mee te delen welke informatie volgens hen onder de geheimhoudingsplicht valt.

2.   Alle overige overeenkomstig de hoofdstukken II, III, V, VI en IX vastgestelde besluiten van de Commissie worden tot de betrokken lidstaat gericht. De Commissie stelt de betrokken lidstaat onverwijld daarvan in kennis en geeft die lidstaat de gelegenheid om de Commissie mee te delen welke informatie volgens hem onder de geheimhoudingsplicht valt.

Artikel 32

Bekendmaking van besluiten

1.   De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie een samenvatting bekend van haar besluiten uit hoofde van artikel 4, leden 2 en 3, en artikel 22 juncto artikel 23, lid 1. Die samenvatting houdt de vermelding in dat een afschrift van het besluit in de authentieke taalversie(s) kan worden verkregen.

2.   De Commissie maakt besluiten uit hoofde van artikel 4, lid 4, in de authentieke taalversie bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. In de andere taalversies van het Publicatieblad dan die van de authentieke taalversie gaat de authentieke taalversie vergezeld van een relevante samenvatting in de taal van die taalversie van het Publicatieblad.

3.   De Commissie maakt besluiten uit hoofde van artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 9 bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

4.   In gevallen waarin artikel 4, lid 6, of artikel 10, lid 2, van toepassing is, wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie een korte mededeling bekendgemaakt.

5.   De Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten om besluiten uit hoofde van artikel 108, lid 2, derde alinea, VWEU bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 33

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie is bevoegd om, volgens de procedure van artikel 34, uitvoeringsbepalingen vast te stellen met betrekking tot:

a)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van aanmeldingen;

b)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van jaarlijkse verslagen;

c)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, en artikel 24, lid 2, ingediende klachten;

d)

bijzonderheden met betrekking tot verjaringstermijnen en de berekening van verjaringstermijnen, en

e)

het in artikel 16, lid 2, bedoelde rentepercentage.

Artikel 34

Raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun

1.   Voordat de Commissie uitvoeringsbepalingen uit hoofde van artikel 33 aanneemt, raadpleegt zij het Adviescomité inzake overheidssteun dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad (4) („het comité”).

2.   Het comité wordt geraadpleegd tijdens een door de Commissie bijeengeroepen vergadering. De te bespreken ontwerpen en documenten worden bij de convocatie gevoegd. De vergadering wordt ten vroegste twee maanden na toezending van de convocatie gehouden. Deze termijn kan in urgente gevallen worden verkort.

3.   De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp van de te nemen maatregelen voor. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter naar gelang van de urgentie van de zaak kan vaststellen advies uit over het ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

4.   Het advies wordt in de notulen opgenomen. Voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen. Het comité kan aanbevelen het advies bekend te maken in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5.   De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

Artikel 35

Intrekking

Verordening (EG) nr. 659/1999 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 36

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

F. ETGEN


(1)  Advies van 29 april 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1).

(3)  Zie bijlage I.

(4)  Verordening (EU) 2015/1588 van de Raad van 13 juli 2015 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten horizontale steunmaatregelen (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).


BIJLAGE I

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad

(PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1)

Onderdeel 5, punt 6, van bijlage II bij de Akte van toetreding van 2003

 

Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad

(PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1)

Verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad

(PB L 158 van 10.6.2013, blz. 1)

Verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad

(PB L 204 van 31.7.2013, blz. 15)


BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 659/1999

De onderhavige verordening

Artikelen 1 tot en met 6

Artikelen 1 tot en met 6

Artikel 6 bis

Artikel 7

Artikel 6 ter

Artikel 8

Artikel 7

Artikel 9

Artikel 8

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 10

Artikel 12

Artikel 11, lid 1

Artikel 13, lid 1

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, aanhef

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, aanhef

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, eerste streepje

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, punt a)

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, tweede streepje

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, punt b)

Artikel 11, lid 2, eerste alinea, derde streepje

Artikel 13, lid 2, eerste alinea, punt c)

Artikel 11, lid 2, tweede, derde en vierde alinea

Artikel 13, lid 2, tweede, derde en vierde alinea

Artikel 12

Artikel 14

Artikel 13

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 16

Artikel 15

Artikel 17

Artikel 15 bis

Artikel 18

Artikel 15 ter

Artikel 19

Artikel 16

Artikel 20

Artikel 17

Artikel 21

Artikel 18

Artikel 22

Artikel 19

Artikel 23

Artikel 20

Artikel 24

Artikel 20 bis

Artikel 25

Artikel 21

Artikel 26

Artikel 22

Artikel 27

Artikel 23

Artikel 28

Artikel 23 bis

Artikel 29

Artikel 24

Artikel 30

Artikel 25

Artikel 31

Artikel 26, leden 1 en 2

Artikel 32, leden 1 en 2

Artikel 26, lid 2 bis

Artikel 32, lid 3

Artikel 26, lid 3

Artikel 32, lid 3

Artikel 26, lid 4

Artikel 32, lid 4

Artikel 26, lid 5

Artikel 32, lid 5

Artikel 27

Artikel 33

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 30

Artikel 36

Bijlage I

Bijlage II


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/30


VERORDENING (EU) 2015/1590 VAN DE COMMISSIE

van 18 september 2015

tot vaststelling van een verbod op de visserij op roodbaarzen in de Groenlandse wateren van NAFO 1F en de Groenlandse wateren van V en XIV en in de internationale wateren van het beschermingsgebied voor roodbaarzen door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2015/104 van de Raad (2) zijn quota voor 2015 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2015 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2015 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal Maritieme zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2015/104 van de Raad van 19 januari 2015 tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 43/2014 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 779/2014 (PB L 22 van 28.1.2015, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

38/TQ104

Lidstaat

Duitsland

Bestand

RED/N1G14P en RED/*5-14P

Soort

Roodbaars (Sebastes spp.)

Gebied

Groenlandse wateren van NAFO 1F en Groenlandse wateren van V en XIV + internationale wateren van het beschermingsgebied voor roodbaarzen

Datum van sluiting

21.8.2015


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/32


VERORDENING (EU) 2015/1591 VAN DE COMMISSIE

van 18 september 2015

tot vaststelling van een verbod op de visserij op makreel in de gebieden VIIIc, IX en X; de wateren van de Unie van CECAF 34.1.1 en de gebieden VIIIa, VIIIb en VIIId door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2015/104 van de Raad (2) zijn quota voor 2015 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2015 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2015 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal Maritieme zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2015/104 van de Raad van 19 januari 2015 tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 43/2014 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 779/2014 (PB L 22 van 28.1.2015, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

35/TQ104

Lidstaat

Duitsland

Bestand

MAC/8C3411 en MAC/*8ABD.

Soort

Makreel (Scomber scombrus)

Gebied

VIIIc, IX en X; wateren van de Unie van CECAF 34.1.1 + VIIIa, VIIIb en VIIId

Datum van sluiting

21.8.2015


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/34


VERORDENING (EU) 2015/1592 VAN DE COMMISSIE

van 18 september 2015

tot vaststelling van een verbod op de visserij op roodbaarzen in de wateren van de Unie en de internationale wateren van V; de internationale wateren van XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2015/104 van de Raad (2) zijn quota voor 2015 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2015 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2015 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal Maritieme zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2015/104 van de Raad van 19 januari 2015 tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 43/2014 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 779/2014 (PB L 22 van 28.1.2015, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

37/TQ104

Lidstaat

Duitsland

Bestand

RED/51214D

Soort

Roodbaars (Sebastes spp.)

Gebied

Wateren van de Unie en internationale wateren van V; internationale wateren van XII en XIV

Datum van sluiting

21.8.2015


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/36


VERORDENING (EU) 2015/1593 VAN DE COMMISSIE

van 18 september 2015

tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwe wijting in de wateren van de Faeröer door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2015/104 van de Raad (2) zijn quota voor 2015 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2015 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2015 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

João AGUIAR MACHADO

Directeur-generaal Maritieme zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2015/104 van de Raad van 19 januari 2015 tot vaststelling, voor 2015, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 43/2014 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 779/2014 (PB L 22 van 28.1.2015, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

36/TQ104

Lidstaat

Duitsland

Bestand

WHB/2A4AXF

Soort

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

Gebied

Wateren van de Faeröer

Datum van sluiting

21.8.2015


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/38


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1594 VAN DE COMMISSIE

van 21 september 2015

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Rocamadour (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Frankrijk ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Rocamadour”, die is geregistreerd bij Verordening (EG) nr. 38/1999 van de Commissie (2), als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 939/2008 (3).

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de benaming „Rocamadour” (BOB) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 38/1999 van de Commissie van 8 januari 1999 tot aanvulling van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 5 van 9.1.1999, blz. 62).

(3)  Verordening (EG) nr. 939/2008 van de Commissie van 24 september 2008 tot goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier voor een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Rocamadour (BOB)) (PB L 257 van 25.9.2008, blz. 12).

(4)  PB C 145 van 1.5.2015, blz. 15.


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/39


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1595 VAN DE COMMISSIE

van 21 september 2015

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Zgornjesavinjski želodec (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Slovenië ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding „Zgornjesavinjski želodec”, die bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1154/2011 van de Commissie (2) is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de benaming „Zgornjesavinjski želodec” (BGA) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1154/2011 van de Commissie van 10 november 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Zgornjesavinjski želodec (BGA)) (PB L 296 van 15.11.2011, blz. 14).

(3)  PB C 145 van 1.5.2015, blz. 22.


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/40


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1596 VAN DE COMMISSIE

van 21 september 2015

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Montes de Toledo (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de aanvraag van Spanje tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Montes de Toledo” die is geregistreerd bij Verordening (EG) nr. 1187/2000 van de Commissie (2), als gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 593/2010 (3).

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de benaming „Montes de Toledo” (BOB) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1187/2000 van de Commissie van 5 juni 2000 tot aanvulling van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 133 van 6.6.2000, blz. 19).

(3)  Verordening (EU) nr. 593/2010 van de Commissie van 6 juli 2010 houdende goedkeuring van niet-minimale wijzigingen van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Montes de Toledo (BOB)) (PB L 172 van 7.7.2010, blz. 1.).

(4)  PB C 147 van 5.5.2015, blz. 16.


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/41


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1597 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2015

tot afwijking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 wat betreft de uiterste datum voor de betaling van de eerste tranche van het voorschot aan de begunstigde organisaties in Griekenland voor activiteitenprogramma's in de sector olijfolie en tafelolijven voor 2015

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 31, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 van de Commissie (2) is de eerste periode van drie jaar van de in artikel 29, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde activiteitenprogramma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven op 1 april 2015 aangevangen.

(2)

Krachtens artikel 3, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 van de Commissie (3) moeten de lidstaten uiterlijk op 31 mei 2015 aan de begunstigde organisaties een eerste tranche van het voorschot betalen voor het eerste jaar van uitvoering van de goedgekeurde activiteitenprogramma's. Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening worden dergelijke voorschotten slechts betaald indien de begunstigde organisatie een zekerheid heeft gesteld.

(3)

In Griekenland is een aantal goedgekeurde activiteitenprogramma's als gevolg van de heersende economische en bancaire omstandigheden stilgevallen omdat de begunstigde organisaties van die programma's de vereiste zekerheid niet tijdig konden stellen. Daarom heeft Griekenland de eerste tranche niet uiterlijk op 31 mei 2015 kunnen betalen.

(4)

Gelet op deze situatie en om de uitvoering van alle goedgekeurde activiteitenprogramma's mogelijk te maken, moet worden voorzien in een afwijking van artikel 3, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 teneinde Griekenland in staat te stellen de desbetreffende eerste tranche uiterlijk op 15 oktober 2015 te betalen.

(5)

Met het oog op een passende uitvoering moet deze verordening vanaf de dag na die van de bekendmaking ervan van toepassing zijn.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 3, lid 2, eerste zin, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 bedoelde uiterste datum voor 2015 is voor Griekenland 15 oktober 2015.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 611/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de programma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 55).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 615/2014 van de Commissie van 6 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de activiteitenprogramma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven (PB L 168 van 7.6.2014, blz. 95).


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/43


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1598 VAN DE COMMISSIE

van 23 september 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

147,9

MK

49,2

TR

81,7

ZZ

92,9

0707 00 05

AR

98,4

TR

137,2

ZZ

117,8

0709 93 10

TR

138,3

ZZ

138,3

0805 50 10

AG

150,3

AR

138,6

BO

138,3

CL

99,5

UY

105,9

ZA

133,3

ZZ

127,7

0806 10 10

EG

179,9

TR

121,8

ZZ

150,9

0808 10 80

AR

104,4

BR

70,7

CL

187,0

NZ

131,4

US

113,3

ZA

143,5

ZZ

125,1

0808 30 90

AR

88,2

CL

148,3

CN

96,7

TR

120,6

ZA

106,4

ZZ

112,0

0809 30 10, 0809 30 90

MK

84,1

TR

150,0

ZZ

117,1

0809 40 05

BA

56,0

MK

53,5

XS

61,9

ZZ

57,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/45


VERORDENING (EU) 2015/1599 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 10 september 2015

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1333/2014 houdende geldmarktstatistieken (ECB/2015/30)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), met name artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Overwegende:

(1)

Verordening (EU) nr. 1333/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/48) (2) vereist de rapportage van statistische gegevens door rapportageplichtigen opdat het Europees Stelsel van centrale banken ter vervulling van zijn taken geldmarkttransactiestatistieken kan produceren.

(2)

Een reeks rapportage-instructies met gedetailleerde parameters voor de rapportage van statistische gegevens uit hoofde van Verordening (EU) nr.1333/2014 (ECB/2014/48) wordt voor de nationale centrale banken uitgevaardigd. Aangezien de rapportage-instructies een aantal significante termen uit die verordening verfijnen, vergt consistentie dat de verordening die wijzigingen ook incorporeert.

(3)

Derhalve moet Verordening (EU) nr. 1333/2014 (ECB/2014/48) dienovereenkomstig gewijzigd worden,

HEEFT DEZE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

1.   Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1333/2014 (ECB/2014/48) wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening.

2.   Bijlagen II en III bij Verordening (EU) nr. 1333/2014 (ECB/2014/48) worden gewijzigd in overeenstemming met bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 10 september 2015.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)  Verordening (EU) nr. 1333/2014 van de Europese Centrale Bank van 26 november 2014 houdende geldmarktstatistieken (ECB/2014/48) (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 97).


BIJLAGE I

„BIJLAGE I

Rapportageschema voor met gedekte transacties verband houdende geldmarktstatistieken

DEEL 1

TYPE INSTRUMENT

Informatieplichtigen rapporteren aan de Europese Centrale Bank (ECB) of de betrokken nationale centrale bank (NCB) alle repo-overeenkomsten en transacties uit hoofde van repo-overeenkomsten, waaronder driepartijenrepo's die luiden in euro met een looptijd tot en met één jaar (zijnde transacties met een looptijd van hoogstens 397 dagen na de afwikkelingsdatum) tussen de informatieplichtige en andere monetaire financiële instellingen (MFI's), overige financiële intermediairs (OFI's), verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, de overheid of centrale banken voor beleggingsdoelstellingen, alsook met niet-financiële vennootschappen die zijn ingedeeld als „wholesale” overeenkomstig het Bazel III LCR-kader.

DEEL 2

SOORT GEGEVENS

1.   Soort van op transacties gebaseerde gegevens  (1) die voor iedere transactie gerapporteerd moeten worden

Veld

Gegevensbeschrijving

Alternatieve rapportage-optie (indien toepasselijk) en overige kwalificaties

Transactie-identificatiecode

De door de informatieplichtige voor iedere transactie gebruikte interne unieke identificatiecode.

De transactie-identificatiecode is uniek voor iedere op een bepaalde rapportagedatum voor enig geldmarktsegment gerapporteerde transactie.

Rapportagedatum

De datum waarop de gegevens bij de ECB of de NCB ingediend moeten worden.

 

Elektronische tijdstempel

De tijd waarop een transactie wordt afgesloten of geboekt.

 

Wederpartijcode

Een identificatiecode om de wederpartij van de informatieplichtige voor de gerapporteerde transactie te identificeren.

Indien transacties via een clearinginstelling als centrale tegenpartij (CCP) worden uitgevoerd, moet de identificatiecode van juridische entiteiten (legal entity identifier (LEI)) verstrekt worden.

Indien transacties worden uitgevoerd met niet-financiële vennootschappen, OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, de overheid of centrale banken en voor enige andere transactie waarvoor de wederpartij-LEI niet verstrekt wordt, moet de wederpartijklasse verstrekt worden.

ID wederpartijcode

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele wederpartijcode aangeeft.

Moet onder alle omstandigheden gebruikt worden. Een individuele wederpartijcode wordt verstrekt.

Vestigingsplaats wederpartij

International Organisation for Standardisation (ISO) landencode van het land krachtens wiens recht de wederpartij rechtspersoonlijkheid heeft.

Verplicht indien de individuele wederpartijcode niet verstrekt wordt. Anders optioneel.

Nominaal transactiebedrag

Het initieel opgenomen of verstrekte bedrag.

 

Nominaal onderpandbedrag

Het nominale als onderpand verstrekte zekerhedenbedrag.

Met uitzondering van driepartijenrepo's en enige andere transactie waarin de verstrekte zekerheid niet middels een internationaal identificatienummer voor waardepapieren (international securities identification number) (ISIN) wordt geïdentificeerd.

Transactiedatum

De datum waarop de partijen de financiële transactie aangaan.

 

Afwikkelingsdatum

De aankoopdatum, d.w.z. de datum waarop de geldgever het contante bedrag verschuldigd is aan de geldnemer en het waardepapier door de geldnemer aan de geldgever moet worden overgedragen.

In geval van openbasisrepotransacties is dat de datum waarop de rollover afgewikkeld wordt (zelfs als geen contant geld wordt uitgewisseld).

Vervaldatum

De repodatum, d.w.z. op datum waarop de geldnemer de geldgever het verschuldigde contante bedrag moet terugbetalen.

In geval van openbasisrepotransacties is dat de datum waarop de verschuldigde hoofdsom en interest terugbetaald moeten worden indien de transactie niet langer gecontinueerd wordt.

Transactiesymbool

Opnemen van contant geld in het geval van repo's of verstrekken van contant geld in het geval van repo's met wederverkoopverplichting.

 

Onderpand-ISIN

Het ISIN dat is toegewezen aan in financiële markten uitgegeven effecten, dat bestaat uit 12 alfanumerieke tekens die unieke identificatie vormen voor effecten (zoals bedoeld onder ISO 6166).

Rapportage is verplicht met uitzondering van bepaalde soorten onderpand.

Type zekerheid

Ter identificering van de als onderpand verstrekte activaklasse, indien geen individuele ISIN verstrekt wordt.

Moet steeds verstrekt worden indien geen individuele ISIN verstrekt wordt.

Sector van onderpandemittent

Ter identificering van de sector van de onderpandemittent indien geen individuele ISIN verstrekt wordt.

Te verstrekken indien geen individuele ISIN verstrekt wordt.

Markering specifiek onderpand

Ter identificering van alle repotransacties die uitgevoerd worden tegen verstrekking van algemeen onderpand en repo's die uitgevoerd worden tegen verstrekking van specifiek onderpand. Optioneel veld dat alleen ingevuld moet worden indien zulks voor de informatieplichtige haalbaar is.

Rapportage van dit veld is optioneel.

Rentepercentage van overeenkomst

Het rentetarief uitgedrukt overeenkomstig de ACT/360-geldmarktconventie waartegen de repo werd afgesloten en welk rentetarief wordt toegepast op het verstrekte contante geld.

 

Onderpandsurpluspercentage

Een risicobeheersingsmaatregel die wordt toegepast op het onderliggend onderpand, waarvan de waarde wordt berekend als de marktwaarde van de activa verminderd met een bepaald percentage (surpluspercentage (haircut)). Voor rapportagedoeleinden wordt het onderpandsurpluspercentage berekend als 100 minus de ratio tussen opgenomen/verstrekt contant geld en de marktwaarde met inbegrip van de opgebouwde rente van het als zekerheid aangeboden onderpand.

Rapportage in dit veld is slechts vereist voor individuele onderpandtransacties.

Wederpartijcode van de driepartijenagent

Wederpartij-identificatiecode van de driepartijenagent.

Moet voor driepartijenrepo's gerapporteerd worden.

Driepartijenagentidentificatiecode ID

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele driepartijenagentidentificatiecode aangeeft.

Moet steeds toegepast worden waar een individuele driepartijenagentidentificatiecode verstrekt zal worden.

2.   Materialiteitsdrempel

Met niet-financiële vennootschappen uitgevoerde transacties moet alleen gerapporteerd worden indien uitgevoerd met op basis van het Bazel III LCR-kader als wholesale geclassificeerde niet-financiële vennootschappen (2).

3.   Uitzonderingen

Intragroeptransacties moeten niet gerapporteerd worden.”


(1)  De elektronische rapportagestandaards en de technische specificaties voor de gegevens worden afzonderlijk vermeld. Zij zijn beschikbaar op de ECB-website: http://www.ecb.europa.eu

(2)  Zie „Bazel III: The liquidity coverage ratio and liquidity risk monitoring tools”, Bazel Comité voor bankentoezicht, januari 2013, blz. 23-27, beschikbaar op de website van de Bank voor Internationale Betalingen: http://www.bis.org/


BIJLAGE II

De bijlagen II en III bij Verordening (EU) nr. 1333/2014 (ECB/2014/48) worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage II wordt deel 1 als volgt vervangen:

„DEEL 1

TYPE INSTRUMENT

1.

Informatieplichtigen rapporteren aan de Europese Centrale Bank (ECB) of de betrokken nationale centrale bank (NCB):

a)

alle leenactiviteiten die de in de volgende tabel opgesomde instrumenten gebruiken, die luiden in euro met een looptijd van hoogstens één jaar (zijnde transacties met een looptijd van hoogstens 397 dagen na de afwikkelingsdatum) tussen de informatieplichtige en overige monetaire financiële instellingen (MFI's), overige financiële intermediairs (OFI's), verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, de overheid of centrale banken voor beleggingsdoelstellingen, alsook met niet-financiële vennootschappen die zijn ingedeeld als „wholesale” in het Bazel III LCR-kader;

b)

alle leenactiviteiten aan andere kredietinstellingen met een looptijd van hoogstens één jaar (zijnde transacties met een looptijd van ten hoogste 397 dagen na de afwikkelingsdatum) middels ongedekte deposito's of zichtrekeningen of middels de aankoop van de uitgevende instellingen van commercial papier, depositocertificaten, floating rate notes en overige schuldbewijzen met een looptijd van ten hoogste één jaar.

2.

De hiernavolgende tabel bevat een gedetailleerde standaardbeschrijving van de instrumentcategorieën voor transacties die informatieplichtigen aan de ECB moeten rapporteren. Indien de informatieplichtigen aan hun betrokken NCB de transacties moeten rapporteren, moet de betrokken NCB deze beschrijvingen van de instrumentcategorieën op nationaal niveau overeenkomstig deze verordening omzetten.

Type instrument

Beschrijving

Deposito's

Ongedekte rentedragende deposito's (waaronder zichtrekeningen met uitzondering van rekeningen courant) met hetzij een opzegtermijn, hetzij een looptijd van hoogstens één jaar, die de informatieplichtige hetzij opneemt (opgenomen lening), hetzij plaatst.

Zichtrekeningen

Kasrekeningen met een dagelijks wijzigend rentetarief waaruit regelmatige rentebetalingen of renteberekeningen voortvloeien, en een aankondigingstermijn voor het opnemen van geld.

Depositocertificaten

Een door een MFI uitgegeven schuldbewijs met een vaste looptijd die de houder recht geeft op een bepaalde vaste rentevoet gedurende een vaste termijn van hoogstens één jaar.

Commercieel papier

Een schuldbewijs dat hetzij ongedekt is, hetzij gedekt wordt door een door de emittent verstrekt onderpand dat een looptijd heeft van hoogstens één jaar en hetzij rentedragend, hetzij met disagio is uitgegeven.

Obligaties met een variabel tarief („Floating rate note”)

Een schuldbewijs waarvoor de periodieke interestbetalingen zijn berekend op basis van de waarde, d.w.z. door het vastleggen van een onderliggend rentetarief zoals Euribor op vooraf bepaalde data die ook wel vaststellingsdata genoemd worden, met een looptijd van ten hoogste één jaar.

Overige kortlopende schuldbewijzen

Door informatieplichtigen uitgegeven niet-achtergestelde effecten, niet zijnde aandelen met een looptijd van ten hoogste één jaar, welke instrumenten doorgaans verhandelbaar zijn en op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling. Hiertoe behoren:

a)

effecten die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of vast bedrag op een bepaalde datum (of op bepaalde data), dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum;

b)

niet-verhandelbare door informatieplichtigen uitgegeven instrumenten die nadien verhandelbaar worden en als „schuldbewijzen” geherclassificeerd worden.”.

2)

In bijlage III wordt deel 1 als volgt vervangen:

„DEEL 1

TYPE INSTRUMENT

Informatieplichtigen rapporteren aan de Europese Centrale Bank (ECB) of de betrokken nationale centrale bank (NCB):

a)

alle deviezenswaps waarbij euro's contant worden aangekocht tegen betaling van een vreemde valuta en die euro's op een toekomstige datum worden herverkocht of heraangekocht tegen een vooraf overeengekomen deviezentermijnkoers met een looptijd tot en met één jaar (zijnde transacties met een looptijd van hoogstens 397 dagen na de afwikkelingsdatum van het contante deel van de deviezenswaptransactie) tussen de informatieplichtige en overige monetaire financiële instellingen (MFI's), overige financiële instellingen (OFI's), verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, de overheid of centrale banken voor beleggingsdoeleinden, alsook met overeenkomstig het Bazel III LCR-kader als „wholesale” ingedeelde niet-financiële vennootschappen;

b)

overnight index swaps (OIS) transacties, luidend in euro, tussen de informatieplichtige en andere monetaire financiële instellingen (MFI's), OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, de overheid of centrale banken voor beleggingsdoeleinden, alsook met overeenkomstig het Bazel III LCR-kader als „wholesale” ingedeelde niet-financiële vennootschappen.”.

3)

In bijlage III wordt de tabel in punt 1 van deel 2 als volgt vervangen:

„Veld

Gegevensbeschrijving

Alternatieve rapportage-optie (indien toepasselijk) en overige kwalificaties

Transactie-identificatiecode

De door de informatieplichtige voor iedere transactie gebruikte interne unieke identificatiecode.

De transactie-identificatiecode is uniek voor iedere op een bepaalde rapportagedatum voor enig geldmarktsegment gerapporteerde transactie.

Rapportagedatum

De datum waarop de gegevens bij de ECB of de NCB ingediend moeten worden.

 

Elektronische tijdstempel

De tijd waarop een transactie wordt afgesloten of geboekt.

 

Wederpartijcode

Een identificatiecode om de wederpartij van de informatieplichtige voor de gerapporteerde transactie te identificeren.

Indien transacties via een clearinginstelling als centrale tegenpartij (CCP) worden uitgevoerd, moet de identificatiecode van juridische entiteiten (legal entity identifier (LEI)) verstrekt worden.

Indien transacties worden uitgevoerd met niet-financiële vennootschappen, OFI's, verzekeringsinstellingen, pensioenfondsen, de overheid of centrale banken en voor enige andere transactie waarvoor de wederpartij-LEI niet verstrekt wordt, moet de wederpartijklasse verstrekt worden.

ID wederpartijcode

Een attribuut dat de soort ingestuurde individuele wederpartijcode aangeeft.

Moet onder alle omstandigheden gebruikt worden. Een individuele wederpartijcode wordt verstrekt.

Vestigingsplaats wederpartij

International Organisation for Standardisation (ISO) landencode van het land krachtens wiens recht de wederpartij rechtspersoonlijkheid heeft.

Verplicht indien de individuele wederpartijcode niet verstrekt wordt. Anders optioneel.

Transactiedatum

De datum waarop de partijen de gerapporteerde financiële transactie aangaan.

 

Contante valutadatum

De datum waarop een partij aan de andere partij een specifiek bedrag van een specifieke valuta verkoopt tegen betaling van een overeengekomen bedrag van een specifieke andere valuta gebaseerd op een overeengekomen wisselkoers, ook wel de contante koers van de vreemde valuta genoemd.

 

Vervaldatum

De datum waarop de swaptransactie van de vreemde valuta afloopt en de verkochte valuta op de contante valutadatum weer wordt aangekocht.

 

Transactiesymbool

Moet gebruikt worden om vast te stellen of het eurobedrag dat uit hoofde van het nominale transactiebedrag werd gerapporteerd, op de contante valutadatum wordt aangekocht of verkocht.

Dit moet verwijzen naar de eurospotdeel (euro spot leg), d.w.z. of euro wordt aangekocht of verkocht op de contante valutadatum.

Nominaal transactiebedrag

Het op de contante valutadatum aangekochte of verkochte bedrag in euro.

 

Deviezencode

De internationale driecijferige ISO-code van in ruil voor euro aangekochte/verkochte valuta.

 

Contante koers van de deviezen

De wisselkoers tussen de euro en de op het contante deel toepasselijke vreemde valuta van de deviezenswaptransactie.

 

Deviezentermijnpunten

Het verschil tussen de contante wisselkoers en de deviezentermijnkoers, uitgedrukt in basispunten genoteerd volgens de heersende marktconventies voor het deviezenpaar.”.

 


BESLUITEN

24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/53


BESLUIT (EU, EURATOM) 2015/1600 VAN DE RAAD

van 18 september 2015

tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2015 tot en met 20 september 2020

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 300, lid 2, en artikel 302,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien Besluit (EU) 2015/1157 van de Raad van 14 juli 2015 tot vaststelling van de samenstelling van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien de voordrachten van de lidstaten,

Na raadpleging van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit 2010/570/EU, Euratom van de Raad (2) verstrijkt de ambtstermijn van de huidige leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité op 20 september 2015. De leden moeten derhalve voor een ambtstermijn van vijf jaar, aanvangend op 21 september 2015, worden benoemd.

(2)

Elke lidstaat werd verzocht bij de Raad een lijst in te dienen met kandidaten, bestaande uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, van werknemersorganisaties en van andere partijen die representatief zijn voor het maatschappelijk middenveld, met name op sociaaleconomisch, maatschappelijk, professioneel en cultureel gebied, die worden voorgedragen voor benoeming tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(3)

Dit besluit wordt later gevolgd door een besluit tot benoeming van de leden wier voordracht niet voor 8 september 2015 aan de Raad werd meegedeeld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de periode van 21 september 2015 tot en met 20 september 2020 worden tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité benoemd de personen wier naam voorkomt op de lijsten in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 18 september 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 187 van 15.7.2015, blz. 28.

(2)  Besluit 2010/570/EU, Euratom van de Raad van 13 september 2010 tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015 (PB L 251 van 25.9.2010, blz. 8).


BIJLAGE

ПРИЛОЖЕНИЕ — ANEXO — PŘÍLOHA — BILAG — ANHANG — LISA

ΠΑΡΑΡΤΗΜΑ — ANNEX — ANNEXE — PRILOG — ALLEGATO — PIELIKUMS

PRIEDAS — MELLÉKLET — ANNESS — BIJLAGE — ZAŁĄCZNIK

ANEXO — ANEXĂ — PRÍLOHA — PRILOGA — LIITE — BILAGA

Членове/Miembros/Členové/Medlemmer/Mitglieder/Liikmed

Μέλη/Members/Membres/Članovi/Membri/Locekļi

Nariai/Tagok/Membri/Leden/Członkowie

Membros/Membri/Členovia/Člani/Jäsenet/Ledamöter

BELGIË/BELGIQUE/BELGIEN

Mr Rudi THOMAES

Représentant de la Fédération des Entreprises de Belgique (FEB)

Administrateur délégué honoraire

Mr Dominique MICHEL

Chief Executive Officer, COMEOS, Fédération belge du commerce et des services

Mr Philippe (Baron) de Buck Van Overstraeten

Président du Belgian Business for Europe (BBE)

Mr Daniel MAREELS

General Manager, Belgische Federatie van de financiële sector (Febelfin)

Mr Bernard NOËL

Représentant de la Centrale Générale des Syndicats Libéraux de Belgique (CGSLB)

Ancien secrétaire national

Mr Raymond COUMONT

Représentant de la Centrale nationale des employés/Confédération des Syndicats Chrétiens — (CNE/CSC)

Ancien secrétaire général

Ms Anne DEMELENNE

Représentante de la Fédération Générale du Travail de Belgique (FGTB)

Ancienne secrétaire générale

Mr Rudy DE LEEUW

Voorzitter, Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV)

Mr Ferre WYCKMANS

Algemeen Secretaris, Landelijke Bediendencentrale — Nationaal Verbond voor Kaderleden (LBC-NVK)

Mr Alain COHEUR

Directeur des Affaires Européennes & Internationales, Union Nationale des Mutualités Socialistes

Mr Yves SOMVILLE

Directeur du Service d'Études de la Fédération wallonne de l'Agriculture

Mr Ronny LANNOO

Adviseur-generaal, Unie van Zelfstandige Ondernemers (UNIZO)

БЪЛГАРИЯ

Ms Milena ANGELOVA

Secretary — General of the Bulgarian Industrial Capital Association

Mr Bojidar DANEV

Executive president of the Bulgarian Industrial Association — Union of the Bulgarian Business

Mr Georgi STOEV

President of the Trade and Investment Committee and member of the Budgetary Committee of EUROCHAMBERS and Vice president of Bulgarian Chamber of Commerce and Industry

Mr Evgeniy IVANOV

CEO, Member of the Board

Confederation of Employers and Industrialists in Bulgaria „The Voice of Bulgarian Business” — KRIB

Mr Dimitar MANOLOV

President of the Confederation of Labour „PODKREPA”

Mr Veselin MITOV

International Secretary, Confederation of Labour „PODKREPA”

Mr Plamen DIMITROV

President of the Confederation of Independent Trade Unions in Bulgaria

Mr Ivan KOKALOV

Vice-president of Confederation of Independent Trade Unions in Bulgaria

Mr Lalko DULEVSKI

President of the Economic and Social Council of the Republic of Bulgaria

Professor and Head of the Human Resources and Social Protection Department at the University of National and World Economy

Ms Dilyana SLAVOVA

National Coordinator of the Mountain Milk ngo, National Coordinator of Bulgarian Association of Farmers

Mr Bogomil NIKOLOV

Executive Director, Bulgarian National Association Active Consumers

Ms Diana INDJOVA

Chairperson of the Global Disability Movement

ČESKÁ REPUBLIKA

Ms Vladimíra DRBALOVÁ

EU Affairs Deputy Director and European Affairs Unit Head, Confederation of Industry of the Czech Republic

Mr Vladimír NOVOTNÝ

Member of Standing Committees for Energy and Environmental Policy, Confederation of Industry of the Czech Republic

Ms Marie ZVOLSKÁ

EU Affairs Advisor, Confederation of Employers' and Entrepreneurs' Associations of the Czech Republic

Mr Petr ZAHRADNÍK

Head, ČEZ Group Representation Office in Brussels; Advisor, Czech Chamber of Commerce

Mr Bohumír DUFEK

President, Independent Trade Unions Association of the Czech Republic; Vice-President, European Federation of Food, Agriculture and Tourism Trade Unions

Ms Hana POPELKOVÁ

Advisor, Czech-Moravian Confederation of the Trade Unions

Ms Lucie STUDNIČNÁ

Secretary for International Affairs, Czech-Moravian Confederation of the Trade Unions

Mr Jaroslav UNGERMAN

Expert on Macroeconomics, Czech-Moravian Confederation of the Trade Unions; Advisor, minister of Finance of the Czech Republic; Vice-Chairman, Supervisory Board, Export Guarantee and Insurance Corporation (EGAP)

Ms Zuzana BRZOBOHATÁ

Non-profit institutions: Brontosaurus, Forum 50 %, Oranžový klub; Advisor, Office of Government of the Czech Republic

Mr Lukáš CURYLO

Director, Caritas Czech Republic; Member, Executive Board, Caritas Europe

Mr Roman HAKEN

Executive Director of the Regional Central Moravian Centre for Community Work

Mr Pavel TRANTINA

Freelance Trainer and Project Manager; EU Projects and Relations Manager, Czech Council of Children and Youth

DANMARK

Ms Dorthe ANDERSEN

Director EU Policy, Confederation of Danish Employers

Mr Anders LADEFOGED

Director of European Affairs at Confederation of Danish Industries

Mr Niels Lindberg MADSEN

Head of CAP-policy division, Landbrug & Fødevarer (Danish Agriculture & Food Council)

Ms Marie-Louise KNUPPERT

Elected Confederal Secretary, Danish Confederation of Trade Unions

Mr Bernt FALLENKAMP

Chief advisor, Danish Confederation of Trade Unions

Mr Mikkel DALSGAARD

EU Advisor, FTF — Confederation of Professionals in Denmark

Ms Benedicte FEDERSPIEL

Chief Counsel, the Danish Consumer Council

Ms Mette KINDBERG

Vice president, Kvinderådet (Women's Council Denmark)

Mr Ask Løvbjerg ABILDGAARD

Project Coordinator, Danish Association of the Blind

DEUTSCHLAND

Mr Christian BÄUMLER (PhD)

Member of the Executive Committee of CDA (European Union of Christian Democratic Workers)

Mr Dirk BERGRATH (PhD)

Director, EU-Liaison Office, IG Metall (German Metalworkers' Union)

Mr Egbert BIERMANN

Member, Managing Federal Board, IG BCE (industrial union)

Ms Gabriele BISCHOFF

Federal Executive of the German Confederation of Trade Unions (DGB)

Ms Tanja BUZEK

Trade Union Secretary (United Services Trade Union „ver.di”)

Mr Peter CLEVER

Member of the management board of the Confederation of German Employers' Associations (BDA)

Mr Bernd DITTMANN

Managing Director, BDI/BDA (German Business Representation)

Mr Gerhard HANDKE

General Director, Federation of German Wholesale, Foreign Trade and Services (BGA)

Ms Renate HEINISCH (PhD)

Representative of BAGSO (Federal Association of Senior Citizens' Organisations)

Mr Udo HEMMERLING

Deputy general secretary, German Farmers' Association (DBV)

Mr Jürgen KESSLER (Professor, PhD)

Professor of Cooperative Law and Auditing of Cooperatives

Mr Stefan KÖRZELL

Member of the Federal Management Board, German Trade Union Confederation (DGB)

Mr Thomas KROPP

Senior Vice president, Head of Group International Relations and Government Affairs, Lufthansa Group

Mr Günter LAMBERTZ (PhD)

Managing Director of DIHK-Representation to the EU (Association of German Chambers of Commerce and Industry)

Mr Arno METZLER

General manager of the German Association of Consulting Engineers (VBI)

Mr Christian MOOS

Divisional Director (European and International Affairs), German Civil Servants Association (dbb)

Mr Volker PETERSEN (PhD)

Head of department, German Raiffeisen Association

Mr Lutz RIBBE

Director of the Environmental Policy Section of the European Nature Heritage Fund (EURONATUR)

Mr Ulrich SAMM (Professor, PhD)

Director, Institute for Energy and Climate Research — Plasma Physics, Forschungszentrum Jülich

Mr Karl-Peter SCHACKMANN-FALLIS (PhD)

Executive Member of the Board, German Savings Bank and Giro Association

Mr Bernd SCHLÜTER (Professor, PhD)

Board member, Federal Association of Non-statutory Welfare (BAGFW)

Mr Peter SCHMIDT

Trade union agent, food and restaurant workers' union (NGG)

Mr Holger SCHWANNECKE

Secretary General of the German Confederation of Skilled Crafts and Small Business (ZDH)

Mr Hans-Joachim WILMS

Secretary for European Affairs in the federal executive of the German Trade Union for Construction, Agriculture and the Environment (IG Bauen — Agrar — Umwelt)

EESTI

Ms Reet TEDER

General Policy Adviser, Estonian Chamber of Commerce and Industry

Ms Eve PÄÄRENDSON

Director of international relations of Estonian Employers' Confederation

Ms Liina CARR

International Secretary, Estonian Trade Union Confederation

Ms Mare VIIES

Consultant, Estonian Employees' Unions Confederation

Mr Roomet SÕRMUS

Chairman, Estonian Chamber of Agriculture and Commerce

Mr Meelis JOOST

Foreign relations and European policy specialist

IRELAND

Mr David Joseph CROUGHAN

Co-Chairman, Economists' Group, Institute of International and European Affairs.

Former Head of Economics and Taxation, Ibec (Irish Business and Employers Confederation)

Mr Thomas MCDONAGH

Chairman of Thomas McDonagh & Sons Limited/Patron of The Chambers of Commerce of Ireland (trading as Chambers Ireland)

Mr John Patrick O'CONNOR

General president, SIPTU (Services, Industrial, Professional & Technical Union)

Ms Patricia MCKEOWN

Regional Section UNISON NI (Northern Ireland). ICTU Executive Council member & NIC Committee Member

Mr Cillian LOHAN

CEO of Green Economy Foundation

Mr Michael MCLOUGHLIN

Head of Advocacy and Communications at Youth Work Ireland

Mr John BRYAN

Past IFA (Irish Farmers' Association) president

Mr John COMER

President of ICMSA (Irish Creamery Milk Suppliers Association)

Mr Seamus BOLAND

CEO Irish Rural Link

ΕΛΛΑΣ

Mrs Irini Ivoni PARI

Permanent Delegate of the Hellenic Federation of Enterprises (SEV) to Brussels

Mr Panagiotis Leonidas GKOFAS

Member of the General Assembly of the General Confederation of Small and Medium Enterprises (GSEVEE).

Mr Dimitrios DIMITRIADIS

Former First Vice president of the Greek Confederation of Commerce and Entrepreneurship (ESEE) and president of the General Assembly.

Mr Aristotelis THOMOPOULOS

Member of the Board of Directors (BoD) of the Greek Tourism Confederation (SETE).

Mr Yannis PANAGOPOULOS

President of the Greek General Confederation of Labour (GSEE)

Mr Georgios DASSIS

Special advisor to the Greek General Confederation of Labour (GSEE) — Representative of the Greek General Confederation of Labour (GSEE) to the European Trade Union Confederation (ETUC)

Mr Spyridon PAPASPYROS

President of the General Council of the Confederation of Public Servants (ADEDY)

Mr Georgios PETROPOULOS

Member of the Executive Committee (Board) of Confederation of Public Servants (ADEDY)

Mr Ioannis KOLYVAS

Director General of the Panhellenic Organization of Unions of Agricultural Co-operatives (PASEGES)

Ms Evangelia KEKELEKI

Secretary General of the Consumer's Protection Centre (KERKA)

Mr Ioannis VARDAKASTANIS

President of the National Confederation of Disabled People (ESAEA)

Ms Aikaterini PEPPA

Deputy-General Director of the Union of Greek Shipowners (EEE)

ESPAÑA

Sr. Andrés, BARCELÓ DELGADO

Director General de la Unión de Empresas Siderúrgicas (UNESID)

Sr. Josep Manuel, BASAÑEZ VILLALUENGA

Miembro de la Junta Directiva de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE)

Miembro del Comité Ejecutivo de Fomento del Trabajo Nacional de Cataluña

Sra. Patricia CIREZ MIQUELEIZ

Delegación de la Confederación Española de Organizaciones Empresariales (CEOE) en Bruselas

Sra. Ma Helena DE FELIPE LEHTONEN

Presidenta de la Patronal de la micro, pequeña y mediana empresa de Cataluña (FEPIME)

Vicepresidenta de Confederación Española de la Pequeña y Mediana Empresa (CEPYME)

Sr. Antonio GARCÍA DEL RIEGO

Managing Director, Head of European Corporate Affairs

Banco Santander

Sr. Ignacio GARCÍA MAGARZO

Director General

Asociación Española de Distribuidores, Autoservicios y Supermercados (ASEDAS)

Sr. Josep PUXEU ROCAMORA

Director General

Asociación de Fabricantes de Bebidas Refrescantes (ANFABRA)

Sra. Isabel CAÑO AGUILAR

Responsable de la Oficina de UGT en Bruselas

Sr. Francisco Javier DOZ ORRIT

Adjunto a la Secretaría de CC.OO. y Presidente de la Fundación 1o de Mayo

Sra. Laura GONZALEZ de TXABARRI ETXANIZ

Responsable del Departamento Internacional, con dirección en Barrainkua (ELA-STV)

Sr. Juan MENDOZA CASTRO

Director del Instituto Sindical de Cooperación al Desarrollo (ISCOD-UGT)

Sr. José Antonio MORENO DÍAZ

Asesor jurídico confederal del CC.OO. en materia de inmigración

Sra. Catalina Ana VICENS GUILLÉN

Secretaria General de CC.OO.-Illes Balears

Sr. José María ZUFIAUR NARVAIZA

Colaborador de la Secretaría de Política Internacional de UGT

Sr. Miguel Ángel CABRA DE LUNA

Vocal de la Junta Directiva de la Confederación Empresarial Española de la Economía Social (CEPES).

Presidente de la Comisión de Relaciones Internacionales (CEPES)

Sr. Andoni GARCÍA ARRIOLA

Miembro de la Comisión Ejecutiva de la Coordinadora de Agricultores y Ganaderos (COAG)

Sr. Bernardo HERNÁNDEZ BATALLER

Secretario General de la Asociación de Usuarios de la Comunicación (AUC)

Vocal del Consejo de Consumidores y Usuarios (CCU) de España

Sr. José Manuel ROCHE RAMO

Secretario General de la Unión de Pequeños Agricultores y Ganaderos de Aragón (UPA-Aragón)

Sr. Gabriel SARRÓ IPARRAGUIRRE

Asesor de la Confederación Española de Pesca (CEPESCA)

Sr. Ricardo SERRA ARIAS

Presidente de la Asociación Agraria de Jóvenes Agricultores (ASAJA) de Sevilla y Andalucía.

Sr. Carlos TRÍAS PINTÓ

Director de la Asociación General de Consumidores (ASGECO)

Director de la Unión de Cooperativas de Consumidores y Usuarios de España (UNCCUE)

FRANCE

Mme Emmanuelle BUTAUD-STUBBS

Déléguée générale de l'Union des Industries Textiles (UIT)/Mouvement des entreprises de France (MEDEF)

M. Stéphane BUFFETAUT

Président du Réseau Batigere (entreprises sociales pour l'habitat)/Mouvement des entreprises de France (MEDEF)

Mme Anne CHASSAGNETTE

Directrice de la Responsabilité Environnementale et Sociétale, Groupe Engie

M. Henri MALOSSE

CCI France (Chambres de commerce et d'industrie de France)

M. Philippe de BRAUER

Vice-président de la commission internationale de la Confédération Générale des Petites et Moyennes Entreprises (CGPME)

M. Patrick LIEBUS

Vice-président de l'Union Professionnelle Artisanale (UPA) et Président de la Confédération de l'Artisanat et des Petites Entreprises du Bâtiment (CAPEB)

M. Arnold PUECH d'ALISSAC

Président de l'Union Syndicale Agricole de Seine-Maritime (FNSEA 76)

Mme Marie-Françoise GONDARD-ARGENTI

Secrétaire générale de l'Union Nationale des Professions Libérales (UNAPL)

M. Christophe LEFEVRE

Secrétaire national de la Confédération Française de l'Encadrement/Confédération Générale des Cadres (CFE-CGC) en charge de l'Europe et de l'International

M. Jacques LEMERCIER

Ancien Secrétaire général de Force Ouvrière (FO) Communication

Mme Laure BATUT

Membre du secteur Europe-International de la Confédération Force Ouvrière (FO)

M. Pierre-Jean COULON

Secrétaire confédéral Europe-international de la Confédération Française des Travailleurs Chrétiens (CFTC)

Mme Franca SALIS MADINIER

Secrétaire nationale de la Confédération Française Démocratique du Travail (CFDT) Cadres

M. Christophe QUAREZ

Secrétaire fédéral de la Fédération de la Chimie et de l'Énergie (FCE) de la Confédération Française Démocratique du Travail (CFDT)

Mme Ozlem YILDIRIM

Conseillère confédérale de la Confédération Générale du Travail (CGT)

M. Denis MEYNENT

Conseiller confédéral de la Confédération Générale du Travail (CGT)

Mme Reine-Claude MADER-SAUSSAYE

Présidente de la Confédération de la Consommation, du Logement et du Cadre de Vie (CLCV)

Mme Geneviève SAVIGNY

Ancienne Secrétaire nationale de la Confédération paysanne

M. Christophe HILLAIRET

Membre du Bureau et du Conseil d'administration de l'Assemblée Permanente des Chambres d'Agriculture (APCA)

M. Jean-Marc ROIRANT

Secrétaire général de la Ligue de l'Enseignement

Mme Christiane BASSET

Vice-présidente de l'Union Nationale des Associations Familiales (UNAF)

Mme Jocelyne LE ROUX

Secrétaire générale adjointe de la Fédération des Mutuelles de France (FMF)

M. Thierry LIBAERT

Fondation pour la Nature et l'Homme (FNH)

M. Michel DUBROMEL

Vice-président de France Nature Environnement (FNE)

HRVATSKA

Mr Davor MAJETIĆ

Director General, Croatian Employers' Association (HUP)

Ms Dragica MARTINOVIĆ DŽAMONJA

Director, Representative Office of the Croatian Chamber of Economy in Brussels

Ms Violeta JELIĆ

General Secretary of the Croatian Chamber of Trades and Crafts

Ms Marija HANŽEVAČKI

General Secretary of the Independent Trade Unions of Croatia (NHS)

Ms Anica MILIĆEVIĆ- PEZELJ

Executive Secretary, Union of Autonomous Trade Unions (UATUC)

Mr Vilim RIBIĆ

President of MATICA — Association of Croatian Trade Unions; president of the Great Council of Independent Union of Research and Higher Education Employees of Croatia

Ms Lidija PAVIĆ-ROGOŠIĆ

Director of ODRAZ — Sustainable Community Development, Croatian civil society organisation

Ms Marina ŠKRABALO

Senior Advisor, GONG

Mr Toni VIDAN

Energy campaigner of environmental CSO Zelena akcija — Friends of the Earth Croatia

ITALIA

Sig. Pietro Vittorio BARBIERI

Portavoce del Forum Terzo Settore — Presidente FISH (Federazione Italiana per il Superamento dell'Handicap)

Sig. ra Giulia BARBUCCI

Area politiche europee e internazionali della CGIL (Confederazione Generale Italiana del Lavoro)

Sig.ra Claudia BUSCHI

Segretariato Generale della CISL (Confederazione Italiana Sindacati Lavoratori)

Sig.ra Marina Elvira CALDERONE

Presidente del Consiglio Nazionale dell'Ordine dei Consulenti del Lavoro — Presidente del Comitato Unitario degli Ordini e Collegi Professionali

Sig. Carmelo CEDRONE

Professore Emerito di Politica Economica Europea Università la Sapienza di Roma — Consulente del Dipartimento Europeo ed Internazionale della UIL (Unione Italiana del Lavoro)

Sig. Stefano CETICA

Presidente di IPER (Istituto per le Ricerche Economiche e Sociali) della UGL (Unione Generale del Lavoro)

Sig. Pietro Francesco DE LOTTO

Direttore Generale di Confartigianato Vicenza

Sig.ra Cinzia DEL RIO

Direttore del Dipartimento Internazionale della UIL (Unione Italiana del Lavoro)

Sig. Gianfranco DELL'ALBA

Direttore della Delegazione di Confindustria presso l'Unione Europea a Bruxelles

Sig. Tommaso DI FAZIO

Presidente nazionale della CIU (Confederazione Italiana di Unione delle professioni intellettuali)

Sig. Giancarlo DURANTE

Direttore degli Affari sociali dell'Associazione Bancaria Italiana — Professore di Sicurezza sociale e libera circolazione dei lavoratori nell'UE all'Università degli Studi La Sapienza di Roma

Sig. Diego DUTTO

Direttore Nazionale LEGACOOPSOCIALI (Associazione Nazionale Cooperative Sociali)

Sig. Emilio FATOVIC

Vice Segretario Nazionale CONFSAL (Confederazione Generale dei Sindacati Autonomi dei Lavoratori)

Sig. Giuseppe GUERINI

Presidente di Federsolidarietà-Confcooperative — Presidente della cooperativa sociale Ecosviluppo

Sig. Giuseppe Antonio Maria IULIANO

Responsabile per le Politiche Internazionali, Segretariato Internazionale della CISL (Confederazione Italiana Sindacati Lavoratori)

Sig. Luca JAHIER

Giornalista, politologo, esperto di associazionismo di promozione sociale e del terzo settore — ACLI

Sig. Antonio LONGO

Presidente del Movimento Difesa del Cittadino — Membro del CNCU (Consiglio Nazionale Consumatori e Utenti)

Sig. Sandro MASCIA

Direttore dell'Ufficio di Confagricoltura a Bruxelles

Sig. Alberto MAZZOLA

Responsabile degli Affari Internazionali delle Ferrovie dello Stato Italiane — Vice Presidente Gruppo Trasporti Business Europe

Sig. Stefano PALMIERI

Area Politiche Europee ed Internazionali della CGIL (Confederazione Generale Italiana del Lavoro)

Sig. Antonello PEZZINI

Professore di Economia e gestione delle imprese nell'Unione europea all'Università degli Studi di Bergamo — Imprenditore nel settore tecnico-tessile

Sig. Maurizio REALE

Direttore dell'Ufficio di Rappresentanza per le Relazioni con le Istituzioni dell'Unione Europea di Coldiretti

Sig. Claudio ROTTI

Presidente di AICE (Associazione Italiana Commercio Estero)

Sig. Marco VEZZANI

Vice Presidente Nazionale CIDA

ΚΥΠΡΟΣ

Mr Michalis ANTONIOU

Assistant Director General, Cyprus Employers & Industrialists Federation

Mr Manthos MAVROMMATIS

Former president, Cyprus Chamber of Commerce and Industry

Mr Nicolaos (Nicos) EPISTITHIOU

Former Secretary General of the Cyprus Hotel Employees Federation OYXEKA-SEK

Mr Andreas PAVLIKKAS

Head of Research and Studies Department, Pancyprian Federation of Labour — PEO

Mr Anastasis YIAPANIS

General Secretary of Panagrotikos Farmers Union

LATVIJA

Mr Vitālijs GAVRILOVS

President of Employers' Confederation of Latvia

Mr Gundars STRAUTMANIS

Vice-president of Latvian Chamber of Commerce and Industry

Ms Ariadna ĀBELTIŅA

Coordinator for External Relations, Free Trade Union Confederation of Latvia

Mr Pēteris KRĪGERS

President of Free Trade Union Confederation of Latvia

Ms Gunta ANČA

Chairperson of the Latvian Umbrella Body for Disability Organisations

SUSTENTO

Ms Baiba MILTOVIČA

International and EU Affairs Adviser of Latvian National Association for Consumer Protection

Mr Gustavs NORKĀRKLIS

Chairman of the Board of Association of Latvian Organic Agriculture

LUXEMBOURG

Monsieur Henri WAGENER

Conseiller auprès de Fedil, Business Federation Luxembourg

Monsieur Raymond HENCKS

Conseiller auprès de la Chambre des fonctionnaires et employés publics

Monsieur Jean-Claude REDING

Président de la Chambre des Salariés

Monsieur Norbert GEISEN

Président honoraire de la Fédération des Artisans

Madame Josiane WILLEMS

Directrice de la Centrale paysanne

MAGYARORSZÁG

Dr András EDELÉNYI

Expert, Hungarian Chamber of Commerce and Industry

Dr István KOMORÓCZKI

Economic Advisor to the president of COOP Federation

Ms Katalin Elza SÜLE

President, Hungarian Chamber of Agriculture of Zala County

President, National Association of Hungarian Farmers' Societies of Zala County

Ms Júlia Borbála VADÁSZ

Permanent Delegate in Brussels of the Confederation of Hungarian Employers and Industrialists

Dr Piroska KÁLLAY

Coordinator for Committees (Equality, Youth, International, Pensioners) of the LIGA-Democratic League of Independent Trade Unions

Ms Erika NEMESKÉRINÉ KOLLER

International secretary at the Forum for the Co-operation of Trade Unions

Dr Miklós PÁSZTOR

Expert, National Federation of Workers' Council

Dr János WELTNER

Senior consultant, Semmelweis University in Budapest

Dr Etele BARÁTH

Hon. university professor, Hungarian Society for Urban Planning

Dr Ágnes CSER

Representative of the Hungarian Alliance for Children and Youth

Ms Kinga JOÓ

Vice-president, National Association of Large Families

Mr Ákos TOPOLÁNSZKY

President, Federation of the Hungarian Drug Therapeutic Institutes

MALTA

Mr Stefano MALLIA

Former president of the Malta Chamber of Commerce and Industry and an ex-officio Council Member and Member of the Chamber Statute Revision Committee

Mr Tony ZAHRA

President, Malta Hotels and Restaurants Association

Mr Charles VELLA

Research & Information Executive; Secretary to the GWU National Council

Dr Philip VON BROCKDORFF

Consultant, Union Ħaddiema Magħqudin

Mr Ben RIZZO

President, Civil Society Committee within the Malta Council for Economic and Social Development (MCESD)

NEDERLAND

Mr Winand Leo Emile QUAEDVLIEG

Head, Brussels office, VNO-NCW and mkb Nederland

Mr Klaas Johan OSINGA

Senior Adviser, International Affairs at LTO Nederland

Mrs Marjolijn BULK

Adviser, European Affairs at FNV

Mr Martinus Cornelis SIECKER

Former Trade Union Official, Netherlands Trade Union Federation (FNV)

Mrs Annie VAN WEZEL

Policy Adviser, European and International Affairs at FNV

Mrs Melanie I. BOUWKNEGT

Advisor, CNV Nederland

Mrs Cathelijne C.J. MULLER

Advisor, VCP

Mr Dick WESTENDORP

Former president, „consumentenbond”

Mr Jan Willem Hendrik DIRX

Advisor and directorate secretariat to the management of „Natuur and Milieu”. Responsible for the „Groene11” (partnership between the main Dutch nature and environmental organisations)

ÖSTERREICH

Ms Christa SCHWENG

Senior Advisor of the „Wirtschaftskammer Österreich” (Austrian Economic Chamber); department for social policy and health

Mr Michael IKRATH

Secretary General of the „Österreichischer Sparkassenverband” (Austrian Association of savings banks)

Mr Gerhard RIEMER

Consultant of the „Vereinigung der Österreichischen Industrie” (Federation of the Austrian Industry)

Mr Ferdinand MAIER

Former Secretary General of the „Österreichischer Raiffeisenverband” (Austrian Raiffeisen-Association)

Mr Thomas DELAPINA

Senior advisor of the „Arbeiterkammer Wien” (Chamber of Labour of the Federal Land Vienna)

Mr Thomas WAGNSONNER

Deputy Director of the „Arbeiterkammer Niederösterreich” (Chamber of Labour of the Federal Land of Lower Austria)

Mr Oliver RÖPKE

Head of the „ÖGB-Europabüro an der Ständigen Vertretung Österreichs bei der EU in Brüssel” (Bureau for European Affairs of the Austrian Trade Union at the Permanent Representative of Austria at the EU in Brussels)

Mr Wolfgang GREIF

Head of the department of the „ÖGB” (Austrian Trade Union Association) betreffend „Europa, Konzerne und Internationale Beziehungen” (Europe, multinational companies and international relations)

Mr Thomas KATTNIG

Head of the „Bereich für Internationales, EU und Daseinsvorsorge in der Gewerkschaft der Gemeindebediensteten sowie der Gewerkschaft für Kunst, Medien, Sport und freie Berufe” (in the field of international affairs, EU and services of general interest of the trade union for employees of municipalities as well as for the trade union of media, sports and independent professions)

Mr Rudolf KOLBE

President of the „Kammer der Architekten und Ingenieurkonsulenten für Oberösterreich und Salzburg” (Chamber of architects and consultants for engineering for the Federal Land of Upper Austria and the Federal Land of Salzburg)

Mr Andreas THURNER

Officer of the „Landwirtschaftskammer Österreich — Büro Brüssel” (Chamber of agriculture in Austria — Office in Brussels)

Mr Alfred GAJDOSIK

Employee of „Hotel Marriott/PCC-Erhaltungs- und ErrichtungsgesmbH” (Marriott Hotel Vienna/(PCC-preservation and accommodation-limited partnership company)

POLSKA

Mr Jacek Piotr KRAWCZYK

Vice-president, Confederation Lewiatan

Mr Lech Józef PILAWSKI

Director General, Confederation Lewiatan

Mr Andrzej MALINOWSKI

President, Employers of Poland

Mr Janusz PIETKIEWICZ

Vice-president, Employers of Poland

Mr Jarosław Maciej MULEWICZ

Consultant, Association of Employers Business Centre Club

Mr Krzysztof OSTROWSKI

Director of the Interventions Bureau, Association of Employers Business Centre Club

Mr Jan KLIMEK

Vice-president, Polish Craft Association

Mrs Dorota GARDIAS

Expert, Trade Union Forum

Mrs Wioletta JANOSZKA

Member of the Board, Trade Union Forum

Mr Andrzej ADAMCZYK

Secretary of the Foreign Affairs Office, Independent and Self-Governing Trade Union „Solidarność”

Mr Marian KRZAKLEWSKI

Expert, Independent and Self-Governing Trade Union „Solidarność”

Mr Franciszek Bogdan BOBROWSKI

Vice-president, All-Poland Alliance of Trade Unions

Mr Wincenty Sławomir BRONIARZ

President of the Polish Teachers' Union/All-Poland Alliance of Trade Unions

Mr Adam ROGALEWSKI

Expert, All-Poland Alliance of Trade Unions

Mr Krzysztof Stanisław BALON

Secretary of the Programming Committee, Working Community of Associations of Social Organisations WRZOS

Mrs Karolina Lidia DRESZER-SMALEC

Expert, All-Poland Federation of Non-Governmental Organisations

Mr Krzysztof KAMIENIECKI

Expert, Polish Ecological Club

Mr Michał Grzegorz MODRZEJEWSKI

Honorary president of the Union of the Rural Youth

Mr Krzysztof Jerzy PATER

Member, Polish Scouting Association

Mrs Elżbieta Maria SZADZIŃSKA

Expert, Consumers Federation

Mrs Teresa TISZBIEREK

Expert, Association of the Voluntary Fire Brigades of the Republic of Poland

PORTUGAL

Mr Gonçalo Cristóvão Aranha da Gama LOBO XAVIER

Adviser to the Management Board of AIMMAP — the Association of Portuguese Metallurgical, Mechanical Engineering and Similar Industrial Companies; Member appointed by CIP — Confederation of Enterprises of Portugal, since January 2013 (CIP)

Mr Luís Miguel CORREIA MIRA

Secretary-general, Portuguese Farmers' Confederation (CAP)

Mr Pedro D'ALMEIDA FREIRE

Vice-president, Confederation of Portuguese Commerce and Services (CCP)

Mr Paulo BARROS VALE

Businessman, Director of the Portuguese Business Association (AEP)

Mr Mário David FERREIRINHA SOARES

Professor, Member of the National Council of the General Confederation of Portuguese Workers — Inter-union (CGTP-IN)

Mr Carlos Manuel ALVES TRINDADE

Member of the Executive Committee, National Council of the Portuguese General Workers' Confederation (CGTP-IN)

Mr Carlos Manuel SIMÕES DA SILVA

Secretary-General of UGT (União Geral de Trabalhadores/Portuguese General Workers Trade-Union)

Mr João DIAS DA SILVA

Vice-President of the Board of the Teachers' Trade Union for the North Region

Mr Jorge PEGADO LIZ

Lawyer, Consumer Protection Association (DECO)

Mr Carlos Matias RAMOS

President of the Portuguese Association of Engineers

Mr Francisco Bernardino da SILVA

Secretary-general of CONFAGRI, president of the Portuguese National Federation of Mutual Agricultural Credit Banks (Portuguese Cooperative Banks) (FENACAM)

Mr Lino da SILVA MAIA

President of the National Confederation of Solidarity Institutions (CNIS)

ROMÂNIA

Petru Sorin DANDEA

Vice-president at The National Trade Union Confederation Cartel ALFA

Dumitru FORNEA

Confederal Secretary responsible for the International Relations of the National Trade Union Confederation — MERIDIAN

Minel IVAȘCU

Secretary General at The National Trade Union Block (BNS)

Liviu LUCA

Prim-vice-president at The National Trade Union Confederation CNSLR-FRATIA

Sabin RUSU

Secretary General — Confederation of Democratic Trade Unions in Romania

Ana BONTEA

Director of the Department for Legal Affairs and Social Dialogue, National Council of Small and Medium Sized Private Enterprises in Romania (CNIPMMR)

Mihai MANOLIU

President, The Confederation of Romanian Employers (CNPR)

Aurel Laurențiu PLOSCEANU

President, General Union of Industrialists in Romania (UGIR)

Octavian Cătălin ALBU

Secretary General of Romanian National Employers Organisation (PNR)

Irinel Eduard FLORIA

Employers Confederation Concordia (Concordia)

Cristian PÎRVULESCU

President, Asociația Pro Democrația (ApD), non-governmental, non-profit association

Ionuț SIBIAN

Executive Director, Civil Society Development Foundation (CSDF)

Mihai IVAȘCU

Camera de Comerț și Industrie a României

Marius Eugen OPRAN

Institutul Național de C& D pentru Fizică și Inginerie Nucleară; Institutul Național de C&D Fizica Laserelor Plasmei și Radiației;

Victor ALISTAR

Transparency International România

SLOVENIJA

Mr Jože SMOLE

Secretary General, ZDS — Association of Employers of Slovenia

Mr Dare STOJAN

Director, Businessman, AVITEL d.o.o.

Ms Nadja GÖTZ

Legal Adviser of Public Services Trade Unions Confederation of Slovenia

Mr Jakob Krištof POČIVAVŠEK

Secretary General of the Confederation of Trade Unions of Slovenia PERGAM

Mr Andrej ZORKO

Executive Secretary, Governing Board of the Slovenian Association of Free Trade Unions

Mr Primož ŠPORAR

Chief Executive Officer of SKUP, Association of Private Institutes

Mr Branko RAVNIK

Director of Chamber of Agriculture and Forestry of Slovenia (CAFS)

SLOVENSKO

Mr Peter MIHÓK

President of the Slovak Chamber of Commerce and Industry and Vice president of the Economic and Social Council of the Slovak Republic

Ms Martina ŠIRHALOVÁ

Project manager, Federation of employers' associations (AZZZ)

Ms Jarmila DÚBRAVSKÁ

Director of the Department of Agriculture and Services, Slovak Agriculture and Food Chamber (SPPK)

Mr Emil MACHYNA

President of the Slovak Metalworkers Federation (KOVO)

Mr Anton SZALAY

President of the Slovak Trade Union of Health and Social Services

Ms Mária MAYEROVÁ

President of the Slovak Trade Union of Public Administration and Culture (SLOVES)

Mr Vladimír BÁLEŠ

Professor, Slovak University of Technology in Bratislava

Mr Juraj SIPKO

Director of the Institute of Economic Research, Slovak Academy of Science

Mr Rudolf KROPIL

President of the Slovak Rectors' Conference

SUOMI

Ms Tellervo KYLÄ-HARAKKA-RUONALA

Director, Infrastructure and Environment, Confederation of Finnish Industries

Mr Jukka AHTELA

LL.M., Chairman of the Board, Senior Advisor, Ahtela Consulting Oy

Mr Timo VUORI

Executive Vice president, Finland Chamber of Commerce

Mr Markus PENTTINEN

Head of International Affairs, Confederation of Professional and Managerial Staff in Finland Akava

Mr Pekka RISTELÄ

Director, FinUnions — Finnish Trade Union Representation to the EU

Ms Marianne MUONA

Senior Advisor on International Affairs, Finnish Confederation of Professionals STTK

Ms Pirkko RAUNEMAA

M.Sc. (Agriculture and Forestry), Council of Home Economics and Consumer Associations

Mr Simo TIAINEN

Director, Office of Finnish Agriculture and Cooperatives, Central Union of Agricultural Producers and Forest Owners MTK

Mr Pasi MOISIO

Director, Permanent Representative to the EU of the Finnish transport and logistics organisations

SVERIGE

Ms Karin Ebba Sofia EKENGER

Director/Senior Advisor, Confederation of Swedish Enterprise

Mr Nils-Olof Krister ANDERSSON

Head of the Tax Policy Department, Confederation of Swedish Enterprise

Mr Thord Stefan BACK

Director Sustainable Logistics, Swedish Confederation of Transport Enterprises

Mr Erik Rolf Lennart SVENSSON

Board Member, Almega AB

Ms Ellen Paula NYGREN

Ombudsman, Swedish Trade Union Confederation

Mr Frank Thomas ABRAHAMSSON

Swedish Trade Union for Service and Communications Employees

Ms Berivan Muhriban ÖNGÖRUR

International Secretary, Swedish Confederation of Professional Employees

Mr Bo Gunnar Alexander JANSSON

President, National Union of Teachers in Sweden

Ms Ariane Elisabeth RODERT

EU Policy Advisor, National Forum for Voluntary Organizations

Mr Oskar Kristersson WALLNER

Expert, National Council of Swedish Youth Organisations (LSU)

Ms Sofia Karin Anna BJÖRNSSON

Acting director, Federation of Swedish Farmers (LRF), Brussels Office

Ms Ulrika WESTERLUND

President, Swedish Federation for Lesbian, Gay, Bisexual and Transgender Rights (RFSL)

UNITED KINGDOM

Mr George Traill LYON

Independent Lawyer — formerly BAE Systems

Mr Roger Martin BARKER

Director, Corporate Governance and Professional Standards, Institute of Directors

Ms Brenda KING

Director, African and Caribbean Diversity

Dr David John SEARS

Consultant and former Deputy Director General British Chamber of Commerce

Ms Madi SHARMA

Entrepreneur and consultant and Founder of Women's Economic and Social Think Tank and Make a Difference Ideas Centre supporting female empowerment

Mr John WALKER

Director of European Alliance of Small Business, Business Consultant and former National Chairman of Federation of Small Business

Mr Jonathan PEEL

Business and Trade Consultant

Mr Brendan James BURNS

Management Consultant and Financial Investor

Mr Brian CURTIS

Former Chair/President in National Union of Rail, Maritime and Transport Workers and WTUC

Ms Diane KELLY

UNISON Assistant Branch Secretary

Ms Kathleen WALKER SHAW

Head of European Office for GMB Trade Union

Ms Agnes TOLMIE

Senior Union Representative, UNITE Union, and Manager, Royal Bank of Scotland

Ms Judy MCKNIGHT

Former General Secretary, National Association of Probation Officers (NAPO)

Mr Nicholas CROOK

Head of International Relations, UNISON, and member of the Executive of the European Federation of Public Service Unions

Mr Amarjite SINGH

CWU Branch Secretary, Royal Mail. Chair of CWU National Race Advisory Board

Mr Martin MAYER

First Yorkshire Bus PLC, UNITE Branch Secretary

Dr Rose D'SA

Consultant in EU, Commonwealth and International Law including legal education and Distance Learning

Ms Jane MORRICE

Communications Consultant, Deputy Chief Equality Commissioner — Northern Ireland

Sir Stuart ETHERINGTON

Chief Executive for the National Council for Voluntary Organisations (NCVO)

Mr Michael SMYTH

Economist, Academic, University of Ulster

Mr Tom JONES

Farmer; Vice-President of the Wales Council for Voluntary Action (WCVA)

Ms Irene OLDFATHER

Director, Health and Social Care Alliance

Ms Marina YANNAKOUDAKIS

Consultant on Women's Rights

Sir Graham WATSON

Managing Director, Consultant, Honorary president and co-founder of Climate Parliament (London) and Chairman of Europe Active, the European Health and Fitness Association


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/80


BESLUIT (EU) 2015/1601 VAN DE RAAD

van 22 september 2015

tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 78, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 78, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kan de Raad, indien een of meer lidstaten ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat of lidstaten vaststellen.

(2)

Overeenkomstig artikel 80 VWEU dient aan het beleid van de Unie op het gebied van grenscontroles, asiel en immigratie en de uitvoering daarvan het beginsel van solidariteit en billijke verdeling van verantwoordelijkheid tussen de lidstaten ten grondslag te liggen, en dienen de handelingen van de Unie die op dat gebied worden vastgesteld, passende bepalingen voor de toepassing van dit beginsel te bevatten.

(3)

De recente crisis in het Middellandse Zeegebied noopte de instellingen van de Unie ertoe de uitzonderlijke migratiestromen in dat gebied onmiddellijk te onderkennen, en om concrete solidariteitsmaatregelen jegens de lidstaten in de frontlinie te vragen. Met name presenteerde de Commissie op een gezamenlijke vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken en Binnenlandse Zaken op 20 april 2015 een tienpuntenplan met onmiddellijke maatregelen om de crisis aan te pakken, met onder meer een toezegging om opties voor een noodherplaatsingsmechanisme in overweging te nemen.

(4)

In zijn bijeenkomst van 23 april 2015 besliste de Europese Raad onder meer om de interne solidariteit en verantwoordelijkheid te versterken en verbond hij zich ertoe de noodhulp aan de lidstaten in de frontlinie op te voeren en opties te overwegen voor het organiseren van noodherplaatsing tussen alle lidstaten op vrijwillige basis, alsook om in de lidstaten in de frontlinie teams van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office — „EASO”) in te zetten voor het gezamenlijk verwerken van verzoeken om internationale bescherming, waaronder het registreren van verzoekers en het nemen van vingerafdrukken.

(5)

Het Europees Parlement herhaalde in zijn resolutie van 28 april 2015 dat het antwoord van de Unie op de meest recente tragedies in het Middellandse Zee gebaseerd moet zijn op solidariteit en een billijke verdeling van verantwoordelijkheid en dat de Unie meer solidariteit moet tonen jegens de lidstaten die, absoluut of relatief, de grootste aantallen vluchtelingen en verzoekers om internationale bescherming ontvangen.

(6)

Afgezien van maatregelen op het gebied van asiel, moeten de lidstaten in de frontlinie hun inspanningen opvoeren om maatregelen vast te stellen waarmee het hoofd kan worden geboden aan de gemengde migratiestromen aan de buitengrenzen van de Europese Unie; die maatregelen moeten de rechten van personen die internationale bescherming nodig hebben, vrijwaren en irreguliere migratie voorkomen.

(7)

Tijdens zijn bijeenkomsten van 25 en 26 juni 2015 heeft de Europese Raad onder meer beslist dat drie essentiële aspecten parallel moeten worden ontwikkeld: herplaatsing/hervestiging, terugkeer/overname/re-integratie en samenwerking met de landen van herkomst en doorreis. De Europese Raad kwam met name, gelet op de huidige noodsituatie en de toezegging om de solidariteit en verantwoordelijkheid te versterken, de tijdelijke en uitzonderlijke herplaatsing overeen, over een periode van twee jaar, van 40 000 personen die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, van Italië en van Griekenland naar andere lidstaten, waaraan alle lidstaten zouden deelnemen.

(8)

De specifieke situaties van de lidstaten vloeien met name voort uit migratiestromen in andere geografische regio's, zoals de migratieroute van de Westelijke Balkan.

(9)

Verscheidene lidstaten zijn in 2014 geconfronteerd met een aanzienlijke stijging van het totale aantal migranten, onder wie verzoekers om internationale bescherming, dat op hun grondgebied binnenkwam, en dit is in 2015 voor enkele van deze lidstaten nog steeds het geval. Om deze stijging beter het hoofd te kunnen bieden, heeft een aantal lidstaten financiële noodhulp van de Commissie en operationele steun van het EASO ontvangen.

(10)

Bij de recente tragische gebeurtenissen in het Middellandse Zeegebied is gebleken dat, van de lidstaten die geconfronteerd worden met situaties van aanzienlijke druk, met name Italië en Griekenland te kampen hebben met ongekende stromen migranten die hun grondgebied binnenkomen, onder wie ook verzoekers om internationale bescherming die deze bescherming duidelijk nodig hebben, en dat daardoor hun migratie- en asielstelsels sterk onder druk komen te staan.

(11)

Op 20 juli 2015 hebben, in het licht van de specifieke situaties van de lidstaten, de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, bij consensus een resolutie aangenomen over het herplaatsen vanuit Italië en Griekenland van 40 000 personen die duidelijk internationale bescherming nodig hebben. In twee jaar tijd zullen vanuit Italië 24 000 personen worden herplaatst en vanuit Griekenland 16 000 personen. De Raad heeft op 14 september 2015 Besluit (EU) 2015/1523 (2) vastgesteld tot instelling van een mechanisme voor de tijdelijke en uitzonderlijke herplaatsing, vanuit Italië en Griekenland naar andere lidstaten, van personen die duidelijk internationale bescherming nodig hebben.

(12)

De afgelopen maanden is de migratiedruk aan de zuidelijke zee- en landbuitengrenzen opnieuw sterk opgelopen, waarbij de migratiestromen verder verschuiven van het centrale naar het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied en naar de Westelijke Balkanroute, als gevolg van het groeiende aantal migranten dat aankomt in of uit Griekenland. Gelet op deze situatie zijn aanvullende voorlopige maatregelen ter verlichting van de asieldruk in Italië en Griekenland gerechtvaardigd.

(13)

Volgens gegevens van het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen (Frontex) deden irreguliere grensoverschrijdingen naar de Unie zich in de eerste acht maanden van 2015 vooral voor in het centrale en oostelijke Middellandse Zeegebied. Sinds het begin van 2015 zijn circa 116 000 irreguliere migranten in Italië aangekomen (met inbegrip van circa 10 000 irreguliere migranten die zijn geregistreerd door lokale autoriteiten, maar nog niet in de gegevens van Frontex zijn opgenomen). In de maanden mei en juni van 2015 constateerde Frontex 34 691 irreguliere grensoverschrijdingen en in juli en augustus 20 % meer, namelijk 42 356. Een sterke toename deed zich in 2015 voor in Griekenland, waar ruim 211 000 irreguliere migranten aankwamen (met inbegrip van circa 28 000 migranten die zijn geregistreerd door lokale autoriteiten, maar nog niet in de gegevens van Frontex zijn opgenomen). In de maanden mei en juni van 2015 constateerde Frontex 53 624 irreguliere grensoverschrijdingen en in juli en augustus 250 % meer, namelijk 137 000. Een groot deel van het totale aantal irreguliere migranten dat in die twee regio's is aangetroffen, had een nationaliteit waarvoor volgens de gegevens van Eurostat in de Unie een hoge erkenningsgraad geldt.

(14)

Volgens Eurostat en het EASO dienden tussen januari en juli 2015 in Italië 39 183 personen een verzoek om internationale bescherming in, tegenover 30 755 in dezelfde periode van 2014 (een stijging van 27 %). Griekenland kende met 7 475 verzoekers een vergelijkbare stijging (een stijging van 30 %).

(15)

Tot dusver zijn in het kader van het migratie- en asielbeleid veel maatregelen ter ondersteuning van Italië en Griekenland getroffen, waaronder substantiële noodhulp en operationele steun via het EASO. Italië en Griekenland waren in de periode 2007-2013 respectievelijk op één en op twee na de grootste begunstigde van middelen die werden verstrekt via het algemene programma „Solidariteit en beheer van de migratiestromen” (Solid), en ontvingen bovendien aanzienlijke noodfinanciering. Italië en Griekenland zullen in de periode 2014-2020 waarschijnlijk de voornaamste begunstigden blijven van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF).

(16)

Door de aanhoudende instabiliteit en conflicten in de onmiddellijke nabijheid van Italië en Griekenland en de doorwerking daarvan in de migratiestromen naar andere lidstaten, is het zeer waarschijnlijk dat hun migratie- en asielstelsels onder een significante en verhoogde druk zullen blijven staan, en dat een aanzienlijk deel van de migranten internationale bescherming nodig zal hebben. Het is dan ook absoluut noodzakelijk solidariteit te tonen jegens Italië en Griekenland en de tot dusver getroffen steunmaatregelen voor deze landen aan te vullen met voorlopige maatregelen op het gebied van asiel en migratie.

(17)

Op 22 september 2015 nam de Raad nota van de bereidheid en paraatheid van lidstaten om, overeenkomstig de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, die ten grondslag liggen aan het beleid van de Unie op het gebied van asiel en migratie, deel te nemen aan de herplaatsing van 120 000 personen die duidelijk internationale bescherming nodig hebben. De Raad besliste daarom dit besluit vast te stellen.

(18)

Er zij op gewezen dat Besluit (EU) 2015/1523 Italië en Griekenland ertoe verplicht structurele oplossingen te vinden voor het aanpakken van de uitzonderlijke druk op hun asiel- en migratiestelsels door een robuust strategisch kader voor de respons op crisissituaties tot stand te brengen en het lopende hervormingsproces op deze gebieden te intensiveren. De stappenplannen die Italië en Griekenland daartoe hebben gepresenteerd, dienen in overeenstemming te worden gebracht met dit besluit.

(19)

Gelet op het feit dat de Europese Raad het eens is geworden over een reeks onderling verbonden maatregelen, dient de Commissie de bevoegdheid te krijgen om, indien nodig en nadat de betrokken lidstaat zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken, de toepassing van dit besluit voor beperkte tijd op te schorten indien Italië of Griekenland zijn beloften in dit verband niet nakomt.

(20)

Op 26 september 2016 dienen 54 000 verzoekers verhoudingsgewijs uit Italië en Griekenland naar andere lidstaten te worden herplaatst. De Raad en de Commissie dienen nauwlettend toe te zien op de massale toestroom van onderdanen van derde landen in de lidstaten. De Commissie dient in voorkomend geval voorstellen tot wijziging van dit besluit in te dienen, teneinde de ontwikkeling van de situatie ter plaatse en de gevolgen daarvan op het herplaatsingsmechanisme aan te pakken, alsmede de zich ontwikkelende druk op de lidstaten, in het bijzonder de lidstaten in de frontlinie. Daarbij dient ze rekening te houden met het standpunt van de vermoedelijke begunstigde lidstaat.

Indien dit besluit wordt gewijzigd ten gunste van een andere lidstaat, dient die lidstaat op de datum van inwerkingtreding van het desbetreffende wijzigingsbesluit van de Raad bij de Raad en de Commissie een stappenplan in te dienen met passende maatregelen op het gebied van asiel, eerste opvang en terugkeer, teneinde de capaciteit, kwaliteit en efficiëntie van zijn systemen op die gebieden te verbeteren, alsmede maatregelen voor een passende uitvoering van dit besluit, zodat hij na het verstrijken van de geldigheidsduur van dit besluit beter het hoofd kan bieden aan een eventuele grotere toestroom van migranten op zijn grondgebied.

(21)

Als een lidstaat ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een soortgelijke noodsituatie terechtkomt, kan de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement op grond van artikel 78, lid 3, VWEU voorlopige maatregelen ten gunste van de betrokken lidstaat vaststellen. Dergelijke maatregelen kunnen inhouden dat, waar passend, de verplichtingen van die lidstaat uit hoofde van onderhavig besluit worden opgeschort.

(22)

Overeenkomstig artikel 78, lid 3, VWEU dienen de maatregelen die ten gunste van Italië en Griekenland worden overwogen, van voorlopige aard te zijn. Een tijdsduur van 24 maanden is redelijk om ervoor te zorgen dat de maatregelen waarin dit besluit voorziet, een reële bijdrage leveren aan de ondersteuning van Italië en Griekenland bij de aanpak van de significante migratiestromen op hun grondgebied.

(23)

De maatregelen voor herplaatsing vanuit Italië en vanuit Griekenland waarin dit besluit voorziet, houden een tijdelijke afwijking in van de in artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) bepaalde regel volgens welke Italië en Griekenland anderszins elk verzoek om internationale bescherming zelf hadden moeten behandelen volgens de in hoofdstuk III van die verordening bepaalde criteria, alsmede een tijdelijke afwijking van de procedurestappen en de termijnen die in de artikelen 21, 22 en 29 van die verordening zijn vastgelegd. De overige bepalingen van Verordening (EU) nr. 604/2013, met inbegrip van de uitvoeringsbepalingen die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie (4) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 van de Commissie (5), blijven van toepassing, met inbegrip van de daarin vervatte regels betreffende de verplichting van de overdragende lidstaten om de kosten te dragen die noodzakelijk zijn voor de overdracht van een verzoeker naar de lidstaat van herplaatsing en betreffende de samenwerking bij overdrachten tussen lidstaten en de toezending van informatie via het DubliNet-netwerk voor elektronische communicatie. Dit besluit voorziet ook in een afwijking van de instemming van de verzoeker om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(24)

Herplaatsingsmaatregelen ontheffen de lidstaten niet van de integrale toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013, met inbegrip van de bepalingen in verband met gezinshereniging, de bijzondere bescherming van niet-begeleide minderjarigen, en de discretionaire bepaling op humanitaire gronden.

(25)

Beslist moest worden welke criteria zouden gelden om te bepalen welke en hoeveel verzoekers uit Italië en uit Griekenland zouden worden herplaatst, zonder afbreuk te doen aan beslissingen op nationaal niveau inzake asielverzoeken. Er wordt voorzien in een duidelijk en werkbaar systeem, dat uitgaat van een drempelwaarde die overeenstemt met het gemiddelde percentage, op Unieniveau, van de beslissingen tot verlening van internationale bescherming in procedures in eerste aanleg, als door Eurostat gedefinieerd, in verhouding tot het totale aantal beslissingen in eerste aanleg over verzoeken om internationale bescherming in de Unie, op basis van de meest recente beschikbare statistieken. Aan de ene kant zou deze drempelwaarde zo veel mogelijk moeten waarborgen dat alle verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, in staat worden gesteld om hun rechten op bescherming snel en volledig uit te oefenen in de lidstaat van herplaatsing. Aan de andere kant zou de drempelwaarde zo veel mogelijk moeten voorkomen dat verzoekers wier verzoek waarschijnlijk negatief zal worden beoordeeld, worden herplaatst in een andere lidstaat en zo hun verblijf in de Unie onterecht kunnen verlengen. In dit besluit moet een drempel van 75 % worden gebruikt, op basis van de meest recente kwartaalgegevens van Eurostat over beslissingen in eerste aanleg.

(26)

De voorlopige maatregelen zijn bedoeld om de aanzienlijke asieldruk op Italië en op Griekenland te verlichten, met name door herplaatsing van een significant aantal verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben en die op het grondgebied van Italië en Griekenland zullen zijn aangekomen na de datum waarop dit besluit van toepassing wordt. Op basis van het totale aantal onderdanen van derde landen dat in 2015 op irreguliere wijze in Italië en Griekenland is aangekomen en het aantal van deze personen dat duidelijk internationale bescherming nodig heeft, zouden vanuit Italië en Griekenland in totaal 120 000 verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, moeten worden herplaatst. Dat is ongeveer 43 % van het totale aantal onderdanen van derde landen die duidelijk internationale bescherming nodig hebben en in juli en augustus 2015 op irreguliere wijze Italië en Griekenland zijn binnengekomen. De herplaatsingsmaatregel waarin dit besluit voorziet, zorgt derhalve voor een billijke verdeling van de lasten tussen Italië en Griekenland enerzijds, en de andere lidstaten anderzijds, gelet op de beschikbare totaalcijfers over irreguliere grensoverschrijdingen in 2015. Gelet op de cijfers ter zake dient van deze verzoekers 13 % vanuit Italië en 42 % vanuit Griekenland te worden herplaatst, en dient 45 % ervan te worden herplaatst zoals bepaald in dit besluit.

(27)

Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit kan een lidstaat, in uitzonderlijke omstandigheden en met opgave van naar behoren gemotiveerde redenen die verenigbaar zijn met de fundamentele waarden van de Unie zoals neergelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Raad en de Commissie meedelen dat hij ten belope van maximaal 30 % van de verzoekers die hem overeenkomstig dit besluit zijn toegewezen, niet kan deelnemen aan het herplaatsingsproces. Tot dergelijke uitzonderlijke omstandigheden behoort, met name, een situatie die wordt gekenmerkt door een plotselinge en massale instroom van onderdanen van derde landen, van een zodanige omvang dat daardoor extreme druk wordt uitgeoefend, zelfs op een goed voorbereid asielstelsel dat voor het overige overeenkomstig het desbetreffende acquis van de Unie op asielgebied functioneert of een risico van een plotselinge en massale instroom van onderdanen van derde landen met een zodanig hoge waarschijnlijkheidsgraad dat onmiddellijk optreden zich opdringt. Op grond van een beoordeling dient de Commissie voorstellen voor een uitvoeringsbesluit betreffende de tijdelijke opschorting van de herplaatsing voor maximum 30 % van de aan de betrokken lidstaat toegewezen verzoekers bij de Raad in te dienen. Indien dit gerechtvaardigd is, kan de Commissie voorstellen de termijn voor de herplaatsing van de overblijvende toewijzing met maximaal 12 maanden na de toepassingsperiode van dit besluit te verlengen.

(28)

Om te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de herplaatsing in het geval van verhoudingsgewijze herplaatsing van 54 000 verzoekers vanuit Italië en Griekenland naar andere lidstaten, in het geval dat de deelneming van een of meer lidstaten aan de herplaatsing van verzoekers moet worden opgeschort, of in het geval dat na de desbetreffende mededeling aan de Raad andere lidstaten of geassocieerde staten deelnemen aan de herplaatsing, dienen uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad te worden verleend.

Het verlenen van deze bevoegdheden aan de Raad is gerechtvaardigd in het licht van het politiek gevoelige karakter van dergelijke maatregelen, die betrekking hebben op nationale bevoegdheden betreffende de toelating op het grondgebied van de lidstaten van onderdanen van derde landen en de noodzaak om met spoed te kunnen inspelen op snel veranderende situaties.

(29)

Het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), dat bij Verordening (EU) nr. 516/2014 is opgericht, verstrekt bijstand voor door de lidstaten overeengekomen lastenverdelingsinitiatieven en staat open voor nieuwe beleidsontwikkelingen op dit gebied. Artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 516/2014 voorziet in de mogelijkheid dat lidstaten in het kader van hun nationale programma's acties uitvoeren op het gebied van het overbrengen van personen die om internationale bescherming verzoeken, en artikel 18 van die verordening voorziet in de mogelijkheid om een vast bedrag uit te keren van 6 000 EUR per uit een andere lidstaat overgebrachte begunstigde van internationale bescherming.

(30)

Met het oog op de toepassing van het beginsel solidariteit en billijke verdeling van verantwoordelijkheid en ermee rekening houdende dat dit besluit een verdere beleidsontwikkeling op dit gebied inhoudt, is het dienstig te bepalen dat lidstaten waarnaar, overeenkomstig dit besluit, vanuit Italië en Griekenland verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben, worden herplaatst, voor elke herplaatste persoon een vast bedrag ontvangen dat gelijk is aan het vaste bedrag waarin in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 516/2014 is voorzien, namelijk 6 000 EUR, en dat dat bedrag volgens dezelfde procedure wordt toegekend. Dit houdt in dat tijdelijk in beperkte mate wordt afgeweken van artikel 18 van die verordening, aangezien het vaste bedrag dient te worden betaald voor herplaatste verzoekers in plaats van voor begunstigden van internationale bescherming. Een dergelijke tijdelijke verruiming van het toepassingsgebied van potentiële begunstigden van de regeling inzake het vaste bedrag is namelijk een integrerend onderdeel van de noodregeling die bij dit besluit wordt ingesteld. Met betrekking tot de kosten van het overbrengen van de krachtens dit besluit herplaatste personen is het bovendien passend om te bepalen dat Italië en Griekenland een vast bedrag van ten minste 500 EUR ontvangen per persoon die vanuit hun respectieve grondgebieden wordt herplaatst, rekening houdend met de werkelijke kost die nodig is voor de overbrenging van een verzoeker naar de lidstaat van herplaatsing. De lidstaten dienen in aanmerking te komen voor in 2016 uit te betalen aanvullende voorfinanciering naar aanleiding van de herziening van hun nationale programma's in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie om maatregelen krachtens dit besluit ten uitvoer te leggen.

(31)

Er dient op te worden toegezien dat er een snelle herplaatsingsprocedure wordt ingesteld en dat de uitvoering van de voorlopige maatregelen gepaard gaat met nauwe administratieve samenwerking tussen de lidstaten en met operationele steun van het EASO.

(32)

Tijdens de gehele herplaatsingsprocedure, totdat de overbrenging van de verzoeker is voltooid, dient rekening te worden gehouden met de nationale veiligheid en de openbare orde. Met volledige inachtneming van de grondrechten van de verzoeker, met inbegrip van de relevante regels inzake gegevensbescherming, dient een lidstaat, wanneer hij redelijke gronden heeft om een verzoeker als een gevaar voor de nationale veiligheid of openbare orde te beschouwen, de andere lidstaten daarvan in kennis te stellen.

(33)

Wanneer wordt beslist welke verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben vanuit Italië en vanuit Griekenland worden herplaatst, moet voorrang worden gegeven aan kwetsbare verzoekers in de zin van de artikelen 21 en 22 van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad (7). Eventuele bijzondere behoeften van verzoekers, waaronder die op gezondheidsgebied, dienen daarbij primair in aanmerking te worden genomen. Het belang van het kind dient altijd voorop te staan.

(34)

Het in de gastsamenleving integreren van verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben is de hoeksteen van een naar behoren functionerend gemeenschappelijk Europees asielstelsel. Bij de beslissing in welke specifieke lidstaat verzoekers worden herplaatst, dient derhalve rekening te worden gehouden met de specifieke kwalificaties en kenmerken van de betrokken verzoekers, zoals hun talenkennis en andere individuele indicaties op basis van aangetoonde culturele, sociale of familiebanden, die hun integratie in de lidstaat van herplaatsing zouden kunnen bevorderen. Bij bijzonder kwetsbare verzoekers moet in overweging worden genomen of de lidstaat van herplaatsing die verzoekers passende steun kan bieden en moet een billijke verdeling van deze verzoekers over de lidstaten worden verzekerd. Met inachtneming van het beginsel non-discriminatie kunnen lidstaten van herplaatsing hun voorkeuren voor aanvragers aangeven, op basis van de bovenstaande informatie. Met deze gegevens kunnen Italië en Griekenland, in overleg met het EASO en in voorkomend geval met verbindingsfunctionarissen, lijsten opstellen van mogelijke verzoekers die voor herplaatsing naar die lidstaat in aanmerking komen.

(35)

De wettelijke en procedurele waarborgen waarin Verordening (EU) nr. 604/2013 voorziet, blijven van toepassing op de verzoekers op wie dit besluit betrekking heeft. Voorts moeten verzoekers op de hoogte worden gebracht van de in dit besluit omschreven herplaatsingsprocedure en in kennis worden gesteld van het herplaatsingsbesluit, dat een overdrachtsbesluit vormt in de zin van artikel 26 van Verordening (EU) nr. 604/2013. Aangezien een verzoeker krachtens het Unierecht niet het recht heeft om te kiezen welke lidstaat zijn verzoek zal behandelen, dient de verzoeker overeenkomstig Verordening (EU) nr. 604/2013 het recht te hebben op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen het herplaatsingsbesluit, doch slechts om de eerbiediging van zijn grondrechten te waarborgen. In overeenstemming met artikel 27 van die verordening kunnen de lidstaten in hun nationale recht bepalen dat het beroep tegen het overdrachtsbesluit niet automatisch tot de opschorting van de overdracht van de verzoeker leidt, maar dat de betrokkene de gelegenheid heeft om te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep.

(36)

Voor en na de overdracht naar de lidstaat van herplaatsing dienen verzoekers de rechten en waarborgen te genieten waarin is voorzien in Richtlijn 2013/32/EU (8) en Richtlijn 2013/33/EU (9) van het Europees Parlement en de Raad, onder meer wat hun bijzondere behoeften inzake opvang en procedure betreft. Bovendien blijft Verordening (EU) nr. 603/20134 van het Europees Parlement en de Raad (10) van toepassing met betrekking tot verzoekers die onder dit besluit vallen, en is Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) van toepassing op het doen terugkeren van onderdanen van derde landen die er geen recht op hebben op het grondgebied te verblijven. Het bovenstaande geldt onder voorbehoud van de beperkingen bij de toepassing van die richtlijnen.

(37)

Overeenkomstig het acquis van de Unie moeten Italië en Griekenland zorgen voor een solide systeem voor het identificeren, registreren en nemen van vingerafdrukken in verband met de herplaatsingsprocedure, teneinde snel de personen aan te duiden die internationale bescherming nodig hebben en in aanmerking komen voor herplaatsing, en de migranten aan te duiden die niet in aanmerking komen voor internationale bescherming en derhalve moeten worden teruggezonden. Dit dient ook te gelden voor personen die tussen 24 maart en 25 september 2015 op het grondgebied van Italië of Griekenland zijn aangekomen om in aanmerking te kunnen komen voor herplaatsing. Wanneer vrijwillige terugkeer praktisch gezien onmogelijk is en andere in Richtlijn 2008/115/EG genoemde maatregelen niet adequaat zijn om secundaire stromen te voorkomen, moeten snel en doeltreffend bewaringsmaatregelen overeenkomstig hoofdstuk IV van die richtlijn worden toegepast. Verzoekers die zich onttrekken aan de herplaatsingsprocedure moeten van herplaatsing worden uitgesloten.

(38)

Er dienen maatregelen te worden getroffen ter voorkoming van secundaire stromen van herplaatste personen vanuit de lidstaat van herplaatsing naar andere lidstaten, wat de doeltreffende toepassing van dit besluit zou kunnen bemoeilijken. De lidstaten moeten met name de nodige preventieve maatregelen nemen op het gebied van toegang tot sociale uitkeringen en rechtsmiddelen, overeenkomstig de Uniewetgeving. Daarnaast dient de verzoekers te worden gewezen op de gevolgen van verdere irreguliere verplaatsingen binnen de lidstaten en op het feit dat als de lidstaat van herplaatsing hun internationale bescherming verleent, zij in beginsel uitsluitend in die lidstaat de rechten hebben die verbonden zijn aan de internationale bescherming.

(39)

Overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 2013/33/EU dient de harmonisatie van de opvangvoorzieningen ertoe bij te dragen dat het ontstaan van secundaire stromen van verzoekers om internationale bescherming als gevolg van een verschil in opvangvoorzieningen wordt beperkt. In dit verband dienen de lidstaten zich te beraden op de invoering van een meldingsplicht en zouden zij verzoekers om internationale bescherming uitsluitend in natura materiële opvangvoorzieningen moeten bieden in de vorm van huisvesting, voedsel en kleding, en indien van toepassing zouden zij ervoor moeten zorgen dat de betrokkenen direct worden overgedragen aan de lidstaat van herplaatsing. Ook mogen de lidstaten tijdens de periode van behandeling van verzoeken om internationale bescherming, als bepaald in het asiel- en het Schengenacquis, behalve om ernstige humanitaire redenen, de verzoekers geen nationale reisdocumenten verstrekken noch andere, bijvoorbeeld financiële, voordelen bieden die hun irreguliere verplaatsing naar andere lidstaten in de hand kunnen werken. In geval van irreguliere verplaatsingen naar andere lidstaten moeten verzoekers om internationale bescherming en begunstigden van dergelijke bescherming, verplicht worden om terug te keren naar de lidstaat van herplaatsing, en moet die lidstaat die personen onverwijld terugnemen.

(40)

Teneinde secundaire stromen van begunstigden van internationale bescherming te voorkomen, moeten de lidstaten de begunstigden ook inlichten over de voorwaarden waaronder zij legaal naar een andere lidstaat kunnen reizen en er verblijven, en moeten de lidstaten meldingsverplichtingen kunnen opleggen. Overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG moet een lidstaat een begunstigde van internationale bescherming die op onregelmatige wijze op zijn grondgebied verblijft, de verplichting opleggen om onmiddellijk naar de lidstaat van herplaatsing terug te keren. Indien de betrokkene weigert vrijwillig terug te keren, moet de terugkeer naar de lidstaat van herplaatsing onder dwang gebeuren.

(41)

Voorts kan, ingeval van gedwongen terugkeer naar de lidstaat van herplaatsing, de lidstaat die de terugkeer afdwingt, besluiten, indien het nationale recht daarin voorziet, een nationaal toegangsverbod uit te vaardigen, waardoor de begunstigde gedurende een bepaalde tijd het grondgebied van die specifieke lidstaat niet meer mag betreden.

(42)

Aangezien dit besluit tot doel heeft een noodsituatie aan te pakken en Italië en Griekenland te helpen hun asielstelsel te versterken, moet het besluit hen in staat stellen om, daarin bijgestaan door de Commissie, bilaterale regelingen te treffen met IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland over de herplaatsing van personen die onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen. In die regelingen moeten de kernelementen van dit besluit worden overgenomen, met name betreffende de herplaatsingsprocedure en de rechten en plichten van verzoekers, alsmede in verband met Verordening (EU) nr. 604/2013.

(43)

De specifieke steun voor Italië en Griekenland in de vorm van de herplaatsingsregeling moet worden aangevuld met extra maatregelen voor elke fase, van de aankomst van onderdanen van derde landen op het grondgebied van Italië of van Griekenland tot de afronding van alle procedures; die maatregelen moeten worden gecoördineerd door het EASO en andere betrokken agentschappen, zoals Frontex, dat de terugkeer coördineert van onderdanen van derde landen die niet op het grondgebied van een bepaalde lidstaat mogen blijven, overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG.

(44)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(45)

Dit besluit eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn neergelegd.

(46)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt het Verenigd Koninkrijk niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is het niet bindend voor, noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk.

(47)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is het niet bindend voor, noch van toepassing in Ierland.

(48)

Indien de Commissie na een kennisgeving uit hoofde van artikel 4 van Protocol nr. 21 door een onder dat protocol vallende lidstaat overeenkomstig artikel 331, lid 1, VWEU bevestigt dat die lidstaat deelneemt aan de vaststelling van dit besluit, dient de Raad het aantal verzoekers vast te stellen dat naar die lidstaat zal worden herplaatst. De Raad dient ook de toewijzingen aan andere lidstaten dienovereenkomstig aan te passen door het aandeel ervan te verminderen.

(49)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit, en is het niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken.

(50)

Gezien het spoedeisende karakter van de situatie dient dit besluit in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij dit besluit worden voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ingesteld ten gunste van Italië en Griekenland, teneinde die lidstaten te helpen beter het hoofd te bieden aan een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in die lidstaten.

2.   De Commissie evalueert permanent de situatie van massale instroom van onderdanen van derde landen in de lidstaten.

De Commissie dient in voorkomend geval voorstellen tot wijziging van dit besluit in, teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de situatie ter plaatse en de gevolgen daarvan op het herplaatsingsmechanisme, alsmede met de zich ontwikkelende druk op de lidstaten, in het bijzonder de lidstaten in de frontlinie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „verzoek om internationale bescherming”: een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h), van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (12);

b)   „verzoeker”: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;

c)   „internationale bescherming”: de vluchtelingenstatus en de subsidiaire-beschermingsstatus in de zin van artikel 2, onder e) respectievelijk g), van Richtlijn 2011/95/EU;

d)   „gezinsleden”: gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 604/2013;

e)   „herplaatsing”: de overdracht van een verzoeker van het grondgebied van de lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 604/2013 verantwoordelijk is voor de behandeling van diens verzoek om internationale bescherming, naar het grondgebied van de lidstaat van herplaatsing;

f)   „lidstaat van herplaatsing”: de lidstaat die verantwoordelijk wordt voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming in de zin van Verordening (EU) nr. 604/2013 van een verzoeker, nadat deze op het grondgebied van die lidstaat is herplaatst.

Artikel 3

Toepassingsgebied

1.   Herplaatsing in de zin van dit besluit is enkel van toepassing op verzoekers die hun verzoek om internationale bescherming hebben ingediend in Italië of in Griekenland, en voor wie deze staten anders verantwoordelijk zouden zijn geweest volgens de criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat, zoals opgenomen in hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 604/2013.

2.   Alleen verzoekers die een nationaliteit hebben waarvoor geldt dat, volgens de meest recente kwartaalgemiddelden die door Eurostat voor de gehele Unie zijn vastgesteld, 75 % of meer van de verzoeken om internationale bescherming als bedoeld in hoofdstuk III van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad (13) heeft geleid tot een besluit tot verlening van internationale bescherming in eerste aanleg, worden overeenkomstig dit besluit herplaatst. Voor staatloze personen wordt rekening gehouden met het land waar zij vroeger gewoonlijk verbleven. Met de kwartaalupdates wordt alleen rekening gehouden met betrekking tot verzoekers die nog niet zijn aangemerkt als verzoekers die kunnen worden herplaatst overeenkomstig artikel 5, lid 3, van dit besluit.

Artikel 4

Herplaatsing van 120 000 verzoekers naar andere lidstaten

1.   120 000 verzoekers worden als volgt herplaatst naar andere lidstaten:

a)

vanuit Italië worden 15 600 verzoekers herplaatst naar het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de tabel in bijlage I;

b)

vanuit Griekenland worden 50 400 verzoekers herplaatst naar het grondgebied van de andere lidstaten, overeenkomstig de tabel in bijlage II;

c)

54 000 verzoekers worden herplaatst naar het grondgebied van andere lidstaten in verhouding tot de in de bijlagen I en II vastgelegde aantallen, hetzij overeenkomstig lid 2 van dit artikel, hetzij bij wijziging van dit besluit als bedoeld in artikel 1, lid 2, en in lid 3 van dit artikel.

2.   Op 26 september 2016 worden de 54 000 verzoekers als bedoeld in lid 1, onder c), vanuit Italië en Griekenland in een uit lid 1, onder a) en b), voortvloeiende verhouding herplaatst naar het grondgebied van andere lidstaten in verhouding tot de in de bijlagen I en II vastgelegde aantallen. De Commissie dient een voorstel in bij de Raad met betrekking tot de dienovereenkomstig per lidstaat toe te wijzen aantallen.

3.   Indien de Commissie uiterlijk op 26 september 2016 oordeelt dat een aanpassing van het herplaatsingsmechanisme gerechtvaardigd is vanwege de ontwikkeling van de situatie ter plaatse of dat een lidstaat wordt geconfronteerd met een noodsituatie die het gevolg is van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen vanwege een sterke verschuiving van de migratiestromen, kan de Commissie met inachtneming van het standpunt van de vermoedelijke begunstigde lidstaat, in voorkomend geval voorstellen bij de Raad indienen als bedoeld in artikel 1, lid 2.

Evenzo kan een lidstaat, met opgave van naar behoren gemotiveerde redenen, de Raad en de Commissie ervan in kennis stellen dat hij wordt geconfronteerd met een soortgelijke noodsituatie. De Commissie onderzoekt de opgegeven redenen en dient in voorkomend geval voorstellen bij de Raad in als bedoeld in artikel 1, lid 2.

4.   Indien de Commissie na een kennisgeving uit hoofde van artikel 4 van Protocol nr. 21 door een onder dat protocol vallende lidstaat overeenkomstig artikel 331, lid 1, VWEU bevestigt dat die lidstaat deelneemt aan de vaststelling van dit besluit, stelt de Raad op voorstel van de Commissie het aantal verzoekers vast dat naar de betrokken lidstaat zal worden herplaatst. In hetzelfde uitvoeringsbesluit vermindert de Raad tevens de toewijzingen aan andere lidstaten dienovereenkomstig.

5.   In uitzonderlijke omstandigheden kan een lidstaat, uiterlijk op 26 december 2015, de Raad en de Commissie ervan in kennis stellen dat hij tijdelijk ten belope van maximaal 30 % van de overeenkomstig lid 1 aan hem toegewezen verzoekers niet kan deelnemen aan de herplaatsing, met opgave van naar behoren gemotiveerde redenen die verenigbaar zijn met de fundamentele waarden van de Unie zoals neergelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

De Commissie onderzoekt de opgegeven redenen en dient bij de Raad voorstellen in betreffende de tijdelijke opschorting van de herplaatsing ten belope van maximaal 30 % van de overeenkomstig lid 1 aan de betrokken lidstaat toegewezen verzoekers voor een periode van ten hoogste zes maanden. Indien dit gerechtvaardigd is, kan de Commissie voorstellen de termijn voor de herplaatsing van de verzoekers van de overblijvende toewijzing te verlengen met maximaal 12 maanden na de in artikel 13, lid 2, bedoelde datum.

6.   De Raad besluit binnen één maand over de voorstellen als bedoeld in lid 5.

7.   Voor de toepassing van de leden 2, 4 en 6 van dit artikel en van artikel 11, lid 2, stelt de Raad op voorstel van de Commissie een uitvoeringsbesluit vast.

Artikel 5

Herplaatsingsprocedure

1.   Met het oog op de voor de uitvoering van dit besluit noodzakelijke administratieve samenwerking wijst elke lidstaat een nationaal contactpunt aan, waarvan hij de adresgegevens aan de andere lidstaten en aan het EASO meedeelt. De lidstaten nemen, in overleg met het EASO en andere betrokken agentschappen, alle passende maatregelen om rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde instanties tot stand te brengen, onder meer over de in lid 7 bedoelde gronden.

2.   De lidstaten delen op gezette tijden en ten minste om de drie maanden mee hoeveel verzoekers snel op hun grondgebied kunnen worden herplaatst en verstrekken alle andere relevante informatie.

3.   Op basis van die informatie stellen Italië en Griekenland, bijgestaan door het EASO en, waar van toepassing, de in lid 8 bedoelde verbindingsfunctionarissen van de lidstaten, vast welke afzonderlijke verzoekers kunnen worden herplaatst in de andere lidstaten en delen zij zo spoedig mogelijk alle relevante informatie mee aan de contactpunten van die lidstaten. Hierbij wordt voorrang gegeven aan kwetsbare verzoekers in de zin van de artikelen 21 en 22 van Richtlijn 2013/33/EU.

4.   Na goedkeuring van de lidstaat van herplaatsing nemen Italië en Griekenland in overleg met het EASO zo spoedig mogelijk een besluit tot herplaatsing van elk van de geselecteerde verzoekers in een specifieke lidstaat van herplaatsing en stellen zij de verzoeker daarvan in kennis overeenkomstig artikel 6, lid 4. De lidstaat van herplaatsing mag slechts besluiten tot niet-goedkeuring van de herplaatsing van verzoekers indien er redelijke gronden zijn als bedoeld in lid 7 van dit artikel.

5.   Herplaatsing van verzoekers van wie op grond van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 603/2013 vingerafdrukken moeten worden genomen, mag uitsluitend worden voorgesteld indien de vingerafdrukken zijn genomen en zijn doorgegeven aan het centraal systeem van Eurodac, overeenkomstig die verordening.

6.   De overdracht van de verzoeker naar het grondgebied van de lidstaat van herplaatsing gebeurt zo spoedig mogelijk na de datum waarop de betrokkene overeenkomstig artikel 6, lid 4, van dit besluit in kennis is gesteld van het overdrachtsbesluit. Italië en Griekenland delen de lidstaat van herplaatsing de datum en het tijdstip van de overdracht, alsmede alle andere relevante informatie, mede.

7.   De lidstaten behouden het recht om de herplaatsing van een verzoeker te weigeren uitsluitend indien er redelijke gronden zijn om hem als een gevaar voor hun nationale veiligheid of openbare orde te beschouwen of indien er ernstige redenen zijn om de bepalingen inzake uitsluiting als vastgelegd in de artikelen 12 en 17 van Richtlijn 2011/95/EU toe te passen.

8.   Met het oog op de uitvoering van alle aspecten van de in dit artikel beschreven herplaatsingsprocedure kunnen de lidstaten, na alle relevante informatie te hebben uitgewisseld, besluiten verbindingsfunctionarissen naar Italië en Griekenland uit te zenden.

9.   In overeenstemming met het acquis van de Unie komen de lidstaten hun verplichtingen volledig na. Dienovereenkomstig waarborgen Italië en Griekenland het identificeren, registreren en nemen van vingerafdrukken in verband met de herplaatsingsprocedure. Om ervoor te zorgen dat het proces efficiënt en beheersbaar blijft, worden er naar behoren opvangfaciliteiten georganiseerd en maatregelen getroffen om mensen tijdelijk onderdak te bieden, overeenkomstig het acquis van de Unie, in afwachting van een spoedig besluit over hun situatie. Verzoekers die zich onttrekken aan de herplaatsingsprocedure worden van herplaatsing uitgesloten.

10.   De in dit artikel bedoelde herplaatsingsprocedure wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden nadat de lidstaat van herplaatsing de in lid 2 bedoelde mededeling heeft gedaan, afgerond, tenzij de goedkeuring door de lidstaat van herplaatsing als bedoeld in lid 4 minder dan twee weken vóór het verstrijken van de genoemde periode van twee maanden plaatsvindt. In dat geval kan de termijn voor het voltooien van de herplaatsingsprocedure worden verlengd met een periode van maximaal twee weken. Voorts kan die termijn waar passend ook met een periode van vier weken worden verlengd indien Italië en Griekenland aantonen dat de overdracht wordt verhinderd door objectieve praktische belemmeringen.

Wanneer de herplaatsingsprocedure niet binnen deze termijn is afgerond en tenzij Italië en Griekenland met de lidstaat van herplaatsing een redelijke verlenging van de termijn overeenkomen, blijven Italië en Griekenland verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013.

11.   Na de herplaatsing van de verzoeker neemt de lidstaat van herplaatsing de vingerafdrukken van de verzoeker en zendt hij deze naar het centraal systeem van Eurodac, overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 603/2013, en werkt hij de gegevens bij overeenkomstig artikel 10 en, in voorkomend geval, artikel 18 van die verordening.

Artikel 6

Rechten en verplichtingen van verzoekers om internationale bescherming die onder dit besluit vallen

1.   Bij de uitvoering van dit besluit staat voor de lidstaten het belang van het kind voorop.

2.   De lidstaten zien erop toe dat gezinsleden op wie dit besluit van toepassing is, op het grondgebied van dezelfde lidstaat worden herplaatst.

3.   Voordat zij tot herplaatsing van een verzoeker besluiten, lichten Italië en Griekenland de verzoeker in over de herplaatsingsprocedure als bedoeld in dit besluit, in een taal die de verzoeker begrijpt of redelijkerwijs kan worden geacht te begrijpen.

4.   Nadat het besluit tot herplaatsing van een verzoeker is genomen, maar voordat de herplaatsing plaatsvindt, lichten Italië en Griekenland de betrokkene schriftelijk in over het besluit tot herplaatsing. In het besluit tot herplaatsing wordt de lidstaat van herplaatsing vermeld.

5.   Indien een verzoeker of een begunstigde van dergelijke bescherming het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat van herplaatsing binnenkomt zonder te voldoen aan de voorwaarden voor verblijf in die andere lidstaat, is hij verplicht onmiddellijk terug te keren. De lidstaat van herplaatsing neemt die persoon onmiddellijk terug.

Artikel 7

Operationele steun aan Italië en Griekenland

1.   Om Italië en Griekenland te helpen beter het hoofd te bieden aan de uitzonderlijke druk die op hun asiel- en migratiestelsels wordt gelegd door de huidige toegenomen migratiedruk aan hun buitengrenzen, intensiveren de lidstaten hun operationele steun in samenwerking met Italië en Griekenland op het gebied van internationale bescherming via de relevante activiteiten die door het EASO, Frontex en andere betrokken agentschappen worden gecoördineerd, in het bijzonder door, waar passend, nationale deskundigen ter beschikking te stellen voor de volgende ondersteunende activiteiten:

a)

de screening van de onderdanen van derde landen die in Italië en in Griekenland aankomen, met inbegrip van het vaststellen van hun identiteit, het nemen van hun vingerafdrukken en hun registratie, en in voorkomend geval, de registratie van hun verzoek om internationale bescherming en, op verzoek van Italië of Griekenland, de eerste verwerking daarvan;

b)

de verstrekking van eventueel benodigde informatie en specifieke bijstand aan verzoekers en potentiële verzoekers die overeenkomstig dit besluit voor herplaatsing in aanmerking zouden kunnen komen;

c)

het voorbereiden en organiseren van terugkeeroperaties voor onderdanen van derde landen die niet om internationale bescherming hebben verzocht of wier recht om op het grondgebied te blijven is vervallen.

2.   Naast de steun in het kader van lid 1 en met het oog op het vergemakkelijken van de tenuitvoerlegging van alle fasen van de herplaatsingsprocedure, wordt waar passend specifieke steun aan Italië en Griekenland verleend via activiteiten die door het EASO, Frontex en andere betrokken agentschappen worden gecoördineerd.

Artikel 8

Door Italië en Griekenland te nemen aanvullende maatregelen

1.   Met inachtneming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 8, lid 1, van Besluit (EU) 2015/1523, leggen Italië en Griekenland uiterlijk op 26 oktober 2015 bij de Raad en de Commissie een geactualiseerd stappenplan over met maatregelen voor een passende uitvoering van dit besluit.

2.   Indien dit besluit overeenkomstig artikel 1, lid 2, en artikel 4, lid 3, wordt gewijzigd ten gunste van een andere lidstaat, dient die lidstaat op de datum van inwerkingtreding van het desbetreffende wijzigingsbesluit van de Raad bij de Raad en de Commissie een stappenplan in met passende maatregelen op het gebied van asiel, eerste opvang en terugkeer, teneinde de capaciteit, kwaliteit en efficiëntie van zijn systemen op die gebieden te verbeteren, alsmede maatregelen voor een passende uitvoering van dit besluit. Die lidstaat voert het stappenplan volledig uit.

3.   Indien Italië of Griekenland niet aan een van de verplichtingen van lid 1 voldoet, kan de Commissie, na de betrokken lidstaat de gelegenheid te hebben gegeven zijn standpunt toe te lichten, besluiten de toepassing van dit besluit ten aanzien van de betrokken lidstaat voor ten hoogste drie maanden op te schorten. Deze opschorting kan door de Commissie éénmaal worden verlengd met een periode van ten hoogste drie maanden. Bedoelde opschorting heeft geen gevolgen voor de overbrengingen van verzoekers die hangende zijn na de goedkeuring van de lidstaat van herplaatsing overeenkomstig artikel 5, lid 4.

Artikel 9

Verdere noodsituaties

Mocht een lidstaat ten gevolge van een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen in een noodsituatie terechtkomen, dan kan de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, ten gunste van de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen vaststellen, overeenkomstig artikel 78, lid 3, VWEU. Dergelijke maatregelen kunnen in voorkomend geval de opschorting van de deelname van die lidstaat aan de herplaatsing als bepaald in dit besluit inhouden, alsmede mogelijke compenserende maatregelen voor Italië en voor Griekenland.

Artikel 10

Financiële steun

1.   Voor elke persoon die overeenkomstig dit besluit wordt herplaatst,

a)

ontvangt de lidstaat van herplaatsing een vast bedrag van 6 000 EUR;

b)

ontvangt Italië of Griekenland een vast bedrag van ten minste 500 EUR.

2.   Voor de uitvoering van deze financiële steun worden de procedures van artikel 18 van Verordening (EU) nr. 516/2014 toegepast. Bij wijze van uitzondering op de voorfinancieringsregelingen van die verordening ontvangen de lidstaten in 2016 een voorfinanciering van 50 % van hun totale toewijzing overeenkomstig dit besluit.

Artikel 11

Samenwerking met geassocieerde staten

1.   Met de hulp van de Commissie kunnen tussen Italië en respectievelijk IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland en tussen Griekenland en respectievelijk IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland bilaterale regelingen worden gesloten betreffende de herplaatsing van verzoekers van het grondgebied van Italië en Griekenland op het grondgebied van die staten. In die regelingen wordt naar behoren rekening gehouden met de essentiële elementen van dit besluit, met name die met betrekking tot de herplaatsingsprocedure en de rechten en verplichtingen van verzoekers.

2.   Ingeval dergelijke bilaterale regelingen worden gesloten, deelt Italië of Griekenland de Raad of de Commissie het aantal in de geassocieerde staten te herplaatsen verzoekers mede. De Raad vermindert op voorstel van de Commissie dienovereenkomstig de toewijzingen aan andere lidstaten.

Artikel 12

Verslagen

Op basis van de door de lidstaten en de betrokken agentschappen verstrekte informatie brengt de Commissie halfjaarlijks verslag uit aan de Raad over de uitvoering van dit besluit.

Op basis van de door Italië en Griekenland verstrekte informatie brengt de Commissie halfjaarlijks verslag uit aan de Raad over de uitvoering van de in artikel 8 bedoelde stappenplannen.

Artikel 13

Inwerkingtreding

1.   Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Het is van toepassing tot en met 26 september 2017.

3.   Het is van toepassing op personen die van 25 september 2015 tot en met 26 september 2017 aankomen op het grondgebied van Italië en Griekenland, alsmede op verzoekers die op of na 24 maart 2015 op het grondgebied van die lidstaten zijn aangekomen.

Gedaan te Brussel, 22 september 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  Advies van 17 september 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 146).

(3)  Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).

(4)  Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 222 van 5.9.2003, blz. 3).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 van de Commissie van 30 januari 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1560/2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 39 van 8.2.2014, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).

(7)  Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).

(8)  Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).

(9)  Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).

(10)  Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).

(11)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98)

(12)  Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).

(13)  Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).


BIJLAGE I

Toewijzingen vanuit Italië

 

Toewijzing per lidstaat (15 600 herplaatste verzoekers)

Oostenrijk

462

België

579

Bulgarije

201

Kroatië

134

Cyprus

35

Tsjechië

376

Estland

47

Finland

304

Frankrijk

3 064

Duitsland

4 027

Hongarije

306

Letland

66

Litouwen

98

Luxemburg

56

Malta

17

Nederland

922

Polen

1 201

Portugal

388

Roemenië

585

Slowakije

190

Slovenië

80

Spanje

1 896

Zweden

567


BIJLAGE II

Toewijzingen vanuit Griekenland

 

Toewijzing per lidstaat (50 400 herplaatste verzoekers)

Oostenrijk

1 491

België

1 869

Bulgarije

651

Kroatië

434

Cyprus

112

Tsjechië

1 215

Estland

152

Finland

982

Frankrijk

9 898

Duitsland

13 009

Hongarije

988

Letland

215

Litouwen

318

Luxemburg

181

Malta

54

Nederland

2 978

Polen

3 881

Portugal

1 254

Roemenië

1 890

Slowakije

612

Slovenië

257

Spanje

6 127

Zweden

1 830


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/95


GEDELEGEERD BESLUIT (EU) 2015/1602 VAN DE COMMISSIE

van 5 juni 2015

betreffende de gelijkwaardigheid van het solvabiliteits- en prudentiële stelsel voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen van kracht in Zwitserland op basis van de artikelen 172, lid 2, 227, lid 4, en 260, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (1), en met name de artikelen 172, lid 2, 227, lid 4, en 260, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2009/138/EG stelt een risicogebaseerd prudentieel stelsel voor verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in de Unie in. Volledige toepassing van Richtlijn 2009/138/EG op verzekeraars en herverzekeraars in de Unie vangt aan op 1 januari 2016.

(2)

Hoewel de Solvabiliteit II-richtlijn volledig wordt toegepast vanaf 1 januari 2016 kan de Commissie onderhavig gedelegeerde besluit nu reeds vaststellen zoals aangegeven in artikel 311 van de Solvabiliteit II-richtlijn.

(3)

Artikel 172 van Richtlijn 2009/138/EG heeft betrekking op de gelijkwaardigheid van het solvabiliteitsstelsel van een derde land toegepast op herverzekeringsactiviteiten van ondernemingen met hun hoofdkantoor in dat derde land. Een positieve gelijkwaardigverklaring maakt het mogelijk dat herverzekeringscontracten met ondernemingen waarvan het hoofdkantoor in dat derde land is gelegen op dezelfde wijze worden behandeld als herverzekeringscontracten met ondernemingen waaraan overeenkomstig die richtlijn een vergunning is verleend.

(4)

Artikel 227 van Richtlijn 2009/138/EG heeft betrekking op gelijkwaardigheid voor verzekeraars uit derde landen die deel uitmaken van groepen die hun hoofdkantoor in de Unie hebben. Op grond van een positieve gelijkwaardigverklaring mogen dergelijke groepen, wanneer als consolidatiemethode voor hun groepsrapportage aftrek en aggregatie wordt gebruikt, ten behoeve van de berekening van het solvabiliteitsvereiste van de groep en het in aanmerking komend eigen vermogen, rekening houden met de berekening van de kapitaalvereisten en het beschikbaar kapitaal (eigen vermogen) op basis van de regels van het niet-uniale rechtsgebied in plaats van deze te berekenen op basis van Richtlijn 2009/138/EG.

(5)

Artikel 260 van Richtlijn 2009/138/EG heeft betrekking op de gelijkwaardigheid van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor buiten de Unie heeft. In overeenstemming met artikel 261, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG steunen de lidstaten, in geval van een positieve gelijkwaardigverklaring, op het gelijkwaardige groepstoezicht dat door de groepstoezichtautoriteiten van het derde landt wordt uitgeoefend.

(6)

Een wettelijk stelsel van een derde land moet als volledig gelijkwaardig aan dat van Richtlijn 2009/138/EG worden beschouwd als het voldoet aan de vereisten die voor een vergelijkbaar niveau van bescherming van verzekeringnemers en begunstigden zorgen. Vollediggelijkwaardigverklaringen ingevolge de artikelen 172, lid 2, 227, lid 4, en 260, lid 3, zijn van onbeperkte duur, tenzij zij worden ingetrokken.

(7)

Op 9 maart 2015 heeft de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) aan de Commissie overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) advies verstrekt over het in Zwitserland van kracht zijnde regelgevings- en toezichtssysteem voor (her)verzekeringenondernemingen en groepen. Het advies van EIOPA is gebaseerd op het betrokken Zwitserse wetgevingskader, met inbegrip van de Zwitserse wet inzake toezicht op de financiële markt van 22 juni 2007 (hierna „FINMASA” genoemd), die op 1 januari 2009 in werking is getreden, de wet inzake toezicht op verzekeringen (hierna „ISA” genoemd) van 17 december 2004 en de ordonnantie inzake verzekeringstoezicht (hierna „ISO” genoemd) (3). De Commissie heeft haar beoordeling gebaseerd op de informatie die is verstrekt door EIOPA.

(8)

Rekening houdend met de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie (4), met name de artikelen 378, 379 en 380, alsook het advies van EIOPA, moet een aantal criteria worden toegepast om de gelijkwaardigheid op basis van respectievelijk de artikelen 172, lid 2, 227, lid 4, en 260, lid 3 van Richtlijn 2009/138/EG te beoordelen.

(9)

Die criteria omvatten bepaalde vereisten die voorkomen in twee of meer van de artikelen 378, 379 en 380 van de gedelegeerde handeling (EU) 2015/35, geldig zijn op het niveau van individuele (5) (her)verzekeringsondernemingen en op het niveau van (her)verzekeringsgroepen, en betrekking hebben op de gebieden bevoegdheden, solvabiliteit, governance, transparantie, samenwerking tussen autoriteiten en behandeling van vertrouwelijke informatie, en de impact van de besluiten op de financiële stabiliteit.

(10)

Wat in de eerste plaats de middelen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden betreft heeft de Zwitserse financiëlemarkttoezichthouder (FINMA) de bevoegdheid om daadwerkelijk toezicht uit te oefenen op (her)verzekeringsactiviteiten en sancties op te leggen of handhavingsmaatregelen te nemen indien dit noodzakelijk is, zoals het intrekken van een vergunning van een bedrijf of het geheel of gedeeltelijk vervangen van het management ervan. FINMA beschikt over de noodzakelijk financiële en personele middelen, expertise, capaciteiten en het noodzakelijke mandaat om alle verzekeringnemers en begunstigden daadwerkelijk te beschermen.

(11)

In de tweede plaats steunt, wat betreft de Zwitserse solvabiliteitstest (ZST), de beoordeling van de financiële positie van (her)verzekeringsondernemingen of -groepen op gezonde economische beginselen en zijn de solvabiliteitsvereisten op een economische waardering van alle activa en verplichtingen gebaseerd. De ZST vereist dat (her)verzekeringsondernemingen voldoende financiële middelen aanhouden en stelt criteria vast met betrekking tot technische voorzieningen, beleggingen, kapitaalvereisten (met inbegrip van het minimumkapitaalniveau) en eigen vermogen en vereist dat FINMA tijdig ingrijpt als niet aan de kapitaalvereisten wordt voldaan of als de belangen van de verzekeringnemers in gevaar komen. De kapitaalvereisten zijn risicogebaseerd en zijn erop gericht kwantificeerbare risico's in beeld te brengen. Indien een risico niet wordt gekwantificeerd, wordt het via andere maatregelen aangepakt: operationele risico's bijvoorbeeld worden kwalitatief aangepakt via de Zwitserse kwaliteitsbeoordeling (ZKB). Het belangrijkste kapitaalvereiste, in het kader van de ZST bekend als het streefkapitaal, is berekend op het dekken van onverwachte verliezen uit hoofde van bestaande activiteiten. Daarnaast varieert het absolute minimumkapitaalvereiste (minimumkapitaal) voor verzekeraars in het kader van de ZST afhankelijk van de verzekeringsactiviteit. Beide vereisten zijn voor alle huidige combinaties van activiteiten van de Zwitserse verzekeraars ten minste even streng als de overeenkomstige vereisten van Richtlijn 2009/138/EG. Voor wat betreft modellen mogen de verzekeringsondernemingen een standaardmodel of, indien vereist door FINMA of op eigen initiatief, een intern model gebruiken.

(12)

Wat in de derde plaats de governance betreft vereist het Zwitserse solvabiliteitsstelsel dat (her)verzekeringsondernemingen over een doeltreffend governancesysteem beschikken, waarbij hen met name een duidelijke organisatorische structuur, geschiktheids- en betrouwbaarheidsvereisten voor degenen die de ondernemingen daadwerkelijk leiden en een effectief proces voor de doorgifte van informatie binnen de ondernemingen en aan FINMA worden opgelegd. Bovendien oefent FINMA daadwerkelijk toezicht op uitbestede functies en activiteiten uit.

(13)

De ZST vereist eveneens dat (her)verzekeringsondernemingen en -groepen risicomanagement-, nalevings-, interneaudit- en actuariële functies in stand houden. De ZST legt een risicomanagementsysteem op dat in staat is om risico's te identificeren, te meten, te monitoren, te managen en te rapporteren, en legt een effectief internecontrolesysteem op. De vereisten van Richtlijn 2009/138/EG inzake interne audit en naleving voor individuele ondernemingen worden door de ISO bevredigend aangepakt, omdat daardoor de risicomanagementsvereisten en met name de verplichting om over een nalevingsfunctie te beschikken worden versterkt.

(14)

Het in Zwitserland van kracht zijnde stelsel vereist dat wijzigingen in het bedrijfsbeleid of het management van (her)verzekeringsondernemingen of -groepen of gekwalificeerde deelnemingen in dergelijke ondernemingen of groepen in overeenstemming zijn met gezond en prudent management. Met name worden acquisities, veranderingen in het bedrijfsplan of in gekwalificeerde deelnemingen van (her)verzekeringsondernemingen of verzekeringsgroepen aan FINMA meegedeeld, dat indien gerechtvaardigd passende sancties kan nemen, zoals een verbod op een acquisitie.

(15)

Wat in de vierde plaats transparantie betreft moeten (her)verzekeringsondernemingen en -groepen alle informatie verstrekken die noodzakelijk is om toezicht uit te oefenen, en ten minste jaarlijks een rapport over hun solvabiliteit en financiële positie publiceren. De vereisten van Richtlijn 2009/138/EG betreffende openbaarmaking worden door de ISO bevredigend aangepakt, aangezien de soorten kwalitatieve en kwantitatieve informatie die moet worden openbaargemaakt in overeenstemming is met Richtlijn 2009/138/EG. In het kader van de ISO moeten (her)verzekeringsondernemingen en -groepen hun bedrijfsactiviteiten, prestaties, risicomanagement, risicoprofiel, de methoden die worden gebruikt voor de beoordeling betreffende met name voorzieningen, kapitaalbeheer en solvabiliteit openbaarmaken.

(16)

Wat in de vijfde plaats het beroepsgeheim, de samenwerking en de uitwisseling van informatie betreft omvat het in Zwitserland van kracht zijnde stelsel verplichtingen inzake beroepsgeheim voor alle personen die voor FINMA werken of hebben gewerkt, met inbegrip van auditors en deskundigen die in opdracht van FINMA handelen. Volgens die verplichtingen mag vertrouwelijke informatie ook niet openbaar worden gemaakt, behalve in samengevatte of geaggregeerde vorm, onverminderd gevallen die onder het strafrecht vallen. Voorts maakt FINMA voor de uitvoering van haar taken en voor de doeleinden waarin bij wet is voorzien alleen gebruik van vertrouwelijke informatie die van andere toezichthoudende autoriteiten is ontvangen. Het in Zwitserland geldende stelsel vereist ook dat ingeval een (her)verzekeringsonderneming failliet wordt verklaard of op grond van een rechterlijke beslissing in liquidatie verkeert, vertrouwelijke informatie openbaar mag worden gemaakt als deze geen betrekking heeft op derden die betrokken zijn bij de redding van die onderneming. FINMA mag vertrouwelijke informatie die zij van een andere toezichthoudende autoriteit ontvangen heeft slechts na uitdrukkelijke instemming van die toezichthoudende autoriteit delen met autoriteiten, instanties of personen die onder het beroepsgeheim vallen in Zwitserland. Zij heeft met alle lidstaten van de Unie een memorandum van overeenstemming ondertekend om de internationale samenwerking, met name met betrekking tot de uitwisseling van vertrouwelijke informatie, te coördineren.

(17)

Wat in de zesde plaats de impact van haar beslissingen betreft zijn FINMA en de andere Zwitserse autoriteiten die het mandaat hebben om te zorgen voor de goede werking van de financiële markten, zoals de Zwitserse nationale bank en het ministerie van Financiën, toegerust om te beoordelen hoe beslissingen mondiaal van invloed zullen zijn op de stabiliteit van de financiële systemen, met name in noodsituaties, en om rekening te houden met de mogelijke procyclische effecten wanneer zich uitzonderlijke bewegingen op de financiële markten voordoen. Op grond van het in Zwitserland geldende stelsel vinden regelmatig vergaderingen tussen de bovengenoemde autoriteiten plaats om informatie uit te wisselen over de risico's voor de financiële stabiliteit en de maatregelen te coördineren. Deze vinden eveneens plaats op internationaal niveau, waar de Zwitserse autoriteiten bijvoorbeeld met de colleges van toezichthouders van de lidstaten van de Unie en EIOPA informatie uitwisselen over aangelegenheden in verband met financiële stabiliteit.

(18)

De artikelen 378 en 380 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/35 omvatten ook specifieke criteria met betrekking tot gelijkwaardigheid voor herverzekeringsactiviteiten en voor groepstoezicht.

(19)

Voor wat betreft de specifieke criteria voor herverzekeringsactiviteiten op grond van artikel 378 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/35 moet om toegelaten te worden tot het herverzekeringsbedrijf eerst een vergunning van FINMA worden verkregen waarbij nadere in het recht vastgestelde normen dienen te worden nageleefd. Captive herverzekeringsbedrijven vallen onder het solvabiliteitsstelsel dat in Zwitserland op grond van de ISO van kracht is.

(20)

Voor wat betreft de specifieke criteria voor groepstoezicht op grond van artikel 380 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/35 is FINMA bevoegd om te bepalen welke ondernemingen onder het toepassingsgebied van het toezicht op groepsniveau vallen en om toezicht uit te oefenen op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een groep. FINMA houdt toezicht op alle (her)verzekeringsondernemingen waarover een deelnemende onderneming, als omschreven in artikel 212, lid 1, onder a), van Richtlijn 2009/138/EG, overheersende invloed of invloed van betekenis uitoefent.

(21)

FINMA is bij machte het risicoprofiel, de financiële positie en de solvabiliteit van (her)verzekeringsondernemingen die deel uitmaken van een groep en de bedrijfsstrategie van die groep te beoordelen.

(22)

Onder het in Zwitserland geldende stelsel staan de rapportage- en boekhoudkundige regels de monitoring toe van intragroepstransacties en risicoconcentraties, die (her)verzekeringsgroepen ten minste op jaarbasis moeten rapporteren.

(23)

Onder het in Zwitserland geldende stelsel beperkt FINMA het gebruik van het eigen vermogen van een (her)verzekeringsonderneming als dit niet daadwerkelijk beschikbaar kan worden gesteld voor de dekking van het kapitaalvereiste van de deelnemende onderneming waarvoor de groepssolvabiliteit wordt berekend. De berekening van de groepssolvabiliteit leidt tot resultaten die ten minste gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de methoden vastgesteld in de artikelen 230 en 233 van Richtlijn 2009/138/EG, zonder dubbeltelling van het eigen vermogen en na eliminatie van de intragroepscreatie van kapitaal via wederzijdse financiering. Ook al bestaat er meer bepaald geen groepssolvabiliteitsratio zoals ingevolge de artikelen 230 en 233 van Richtlijn 2009/138/EG, maar wel een reeks solvabiliteitsratio's per entiteit binnen een groep, toch worden met die reeks alle interacties tussen entiteiten van de groep weergegeven en wordt aldus de structuur van de groep in aanmerking genomen.

(24)

Bijgevolg wordt, aangezien het alle criteria neergelegd in de artikelen 378, 379 en 380 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/35 vervult, het in Zwitserland van kracht zijnde regelgevings- en toezichtsstelsel voor (her)verzekeringsondernemingen en -groepen geacht te voldoen aan de criteria voor volledige gelijkwaardigheid neergelegd in de artikelen 172, lid 2, 227, lid 4, en 260, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG.

(25)

De Commissie kan te allen tijde buiten het kader van de algemene toetsing een specifieke toetsing betreffende een individueel derde land of grondgebied ondernemen indien desbetreffende ontwikkelingen het noodzakelijk maken dat de Commissie de erkenning op grond van dit besluit herbeoordeelt. De Commissie moet, met technische bijstand van EIOPA, de ontwikkeling van het stelsel dat van kracht is in Zwitserland en de inachtneming van de voorwaarden op basis waarvan dit besluit is genomen blijven monitoren.

(26)

Richtlijn 2009/138/EG is van toepassing vanaf 1 januari 2016. Dit besluit moet derhalve ook vanaf die datum het solvabiliteits- en prudentieel stelsel dat in Zwitserland van kracht is gelijkwaardig verklaren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Vanaf 1 januari 2016 wordt het in Zwitserland van kracht zijnde solvabiliteitsstelsel dat op de herverzekeringsactiviteiten van ondernemingen met hun hoofdkantoor in Zwitserland van toepassing is geacht gelijkwaardig te zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, titel I.

Artikel 2

Vanaf 1 januari 2016 wordt het in Zwitserland van kracht zijnde solvabiliteitsstelsel dat op de verzekerings- en herverzekeringsondernemingen met hoofdkantoor in Zwitserland van toepassing is geacht gelijkwaardig te zijn aan de vereisten in Richtlijn 2009/138/EG, hoofdstuk VI, titel I.

Artikel 3

Vanaf 1 januari 2016 wordt het in Zwitserland van kracht zijnde prudentiële stelsel dat op het toezicht op verzekerings- en herverzekeringsondernemingen in een groep van toepassing is geacht gelijkwaardig te zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, titel III.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 5 juni 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).

(3)  De ISO is op 25 maart 2015 door de Zwitserse Bondsraad aangenomen en treedt op 1 juli 2015 in werking.

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 12 van 17.1.2015, blz. 1).

(5)  Wij specificeren in de huidige wet of wij verzekeringsondernemingen op individueel („solo”) niveau dan wel op groepsniveau beschouwen. Individuele ondernemingen kunnen al dan niet van groepen deel uitmaken.


24.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 248/99


BESLUIT (EU) 2015/1603 VAN DE COMMISSIE

van 13 augustus 2015

betreffende een maatregel die Spanje overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad heeft genomen om een type drijfhulpmiddelen voor zwemlessen uit de handel te nemen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (1), en met name artikel 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Spaanse autoriteiten hebben de Commissie en de andere lidstaten in kennis gesteld van een maatregel om drijfhulpmiddelen voor zwemlessen van het type Delphin Schwimmscheiben Typ Super (geproduceerd door Delphin Vertriebs- und Service GmbH, 61192 Niddatal, Duitsland) uit de handel te nemen. Het product was overeenkomstig Richtlijn 89/686/EEG voorzien van de CE-markering nadat de Duitse aangemelde instantie TÜV Rheinland LGA Products GmbH (NB 0197) het product had getest en aan een type-onderzoek onderworpen overeenkomstig geharmoniseerde norm EN 13138-1:2008 Drijfhulpmiddelen voor zwemles — Deel 1: Veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor drijfhulpmiddelen die moeten worden gedragen. Het product wordt beschouwd als een persoonlijk beschermingsmiddel van categorie II.

(2)

De kennisgeving volgde op de melding van een ongeval. Na een zwemles beet een kind op een van de schijven van het product. Een klein stukje van de schijf kwam los en werd door het kind ingeslikt, waarna het kind medische bijstand nodig had en in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

(3)

Het product moest op bevel van de Spaanse autoriteiten uit de handel worden genomen. Volgens de Spaanse autoriteiten waren de in artikel 5 van Richtlijn 89/686/EEG bedoelde normen niet naar behoren toegepast — en met name geharmoniseerde norm EN 13138-1:2008 Drijfhulpmiddelen voor zwemles — Deel 1: Veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor drijfhulpmiddelen die moeten worden gedragen, punt 5.4.2 Kleine onderdelen, met betrekking tot de fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften van punt 1.2.1 van bijlage II bij Richtlijn 89/686/EEG Afwezigheid van inherente risico's en overige factoren die hinder kunnen veroorzaken. Op grond van punt 5.4.2 van norm EN 13138-1 moeten vastgemaakte kleine onderdelen bestand zijn tegen een trekkracht van (90 ± 2) N in de richting waar het risico het grootst is dat onderdelen losraken. Onderdelen die kunnen losraken, moeten volledig passen in de cilinder voor kleine onderdelen, wat in overeenstemming met norm EN 71-1 moet worden getest.

(4)

Volgens de Spaanse autoriteiten is uit trekproeven in overeenstemming met geharmoniseerde norm EN 13138-1:2008 gebleken dat kleine onderdelen kunnen losraken en door kleine kinderen voor wie het product bestemd is, kunnen worden ingeslikt. De trekkracht waarbij kleine onderdelen losraakten, bedroeg altijd minder dan 90 N en de onderdelen pasten volledig in de cilinder voor kleine onderdelen. De Spaanse autoriteiten zijn van mening dat punt 5.4.2 van de norm niet alleen betrekking heeft op vastgemaakte kleine onderdelen, maar op alle kleine onderdelen. Ze hebben een „bite tester” gebruikt in overeenstemming met de in de normen EN 12227:2010 Kinderboxen voor huishoudelijk gebruik — Veiligheidsvoorschriften en beproevingsmethoden en EN 716-2:2008 Meubelen — Kinderledikanten en opvouwbare kinderbedjes voor huishoudelijk gebruik — Deel 2: Beproevingsmethoden gedefinieerde proeven.

(5)

De Duitse autoriteiten waren het niet eens met de door de Spaanse autoriteiten uitgevoerde risicobeoordeling, omdat de testmethode niet compatibel was met het praktische gebruik van het product. Volgens de Duitse autoriteiten heeft punt 5.4.2 van norm EN 13138-1 alleen betrekking op vastgemaakte kleine onderdelen. De Duitse autoriteiten zijn van mening dat het product geen ernstig risico vormt, aangezien het geen speelgoed is en het door de Spaanse autoriteiten beschreven risicoscenario onrealistisch is.

(6)

Ook de producent stelde de testmethode van de Spaanse autoriteiten in vraag. Bij het EG-typeonderzoek van het product heeft de aangemelde instantie geen test overeenkomstig punt 5.4.2 van norm EN 13138-1 uitgevoerd omdat het product geen vastgemaakte kleine onderdelen heeft.

(7)

Na de kennisgeving heeft de producent de aangemelde instantie verzocht om een extra trekproef overeenkomstig punt 8.5.2.2 van norm EN 1888:2012 Artikelen voor zuigelingen en peuters — Kinder- en wandelwagens — Veiligheidseisen en beproevingsmethoden en daarbij de in punt 5.7 van die norm beschreven „bite tester” te gebruiken die identiek is aan de in de normen EN 716-2 en EN 12227 beschreven „bite tester”. Er konden geen kleine onderdelen van het product worden losgetrokken. Bovendien heeft de aangemelde instantie een follow-uptest uitgevoerd waaruit bleek dat geen onderdelen losraakten wanneer het product werd onderworpen aan een trekkracht van 90 N. Deze test leek op de test voor kleine onderdelen in norm EN 71-1 Veiligheid van speelgoed — Deel 1: Mechanische en fysische eigenschappen.

(8)

De Commissie heeft deskundig technisch advies ingewonnen om de belangrijkste aspecten van de zaak te kunnen beoordelen. Technische deskundigen hebben een externe studie uitgevoerd. Volgens de deskundigen volstaat een test van de vastgemaakte kleine onderdelen om te voldoen aan de fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften van punt 1.2.1 van bijlage II bij Richtlijn 89/686/EEG.

(9)

Norm EN 13138-1 voorziet niet in een duidelijke methode om vastgemaakte kleine onderdelen te testen. Vanwege deze ambiguïteit moest — rekening houdend met de aard van het product — een keuze worden gemaakt uit de beschikbare adequate testmethoden. De Spaanse autoriteiten hebben geopteerd voor een testmethode die zij geschikst vonden om de risico's van het product te beoordelen. Volgens de technische deskundigen is de door de Spaanse autoriteiten toegepaste methode echter niet geschikt.

(10)

De door de Duitse aangemelde instantie uitgevoerde trekproef kan beschouwd worden als de enige relevante testmethode in het onderhavige geval. De testmethode bij het EG-typeonderzoek is bijgevolg geldig en de aangemelde instantie heeft het EG-typeonderzoek correct beoordeeld.

(11)

Uit de beschikbare statistische gegevens over inherente zwemhulpmiddelen op de markt en ongevallen kan worden geconcludeerd dat zwemhulpmiddelen van inherent materiaal geen bijzonder gevaar voor verstikking opleveren wanneer ze voor het beoogde doel en onder normale omstandigheden worden gebruikt. Deze producten zijn alleen bedoeld om in water te worden gebruikt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De maatregel van de Spaanse autoriteiten om de drijfhulpmiddelen voor zwemlessen van het type Delphin Schwimmscheiben Typ Super (geproduceerd door Delphin Vertriebs- und Service GmbH, 61192 Niddatal, Duitsland) uit de handel te nemen, is niet gerechtvaardigd.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 augustus 2015.

Voor de Commissie

Elżbieta BIEŃKOWSKA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 399 van 30.12.1989, blz. 18.