ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 239

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
15 september 2015


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen ( 1 )

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1514 van de Raad van 14 september 2015 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

30

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1515 van de Commissie van 5 juni 2015 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat de verlenging van de overgangsperioden voor pensioenregelingen betreft ( 1 )

63

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1516 van de Commissie van 10 juni 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van een vast percentage voor concrete acties gefinancierd door de Europese structuur- en investeringsfondsen in de sector van onderzoek, ontwikkeling en innovatie

65

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1517 van de Commissie van 11 september 2015 tot 236e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al Qaida-netwerk

67

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 van de Commissie van 14 september 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad

69

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 van de Commissie van 14 september 2015 tot instelling van definitieve compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad

99

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1520 van de Commissie van 14 september 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

140

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (GBVB) 2015/1521 van de Raad van 14 september 2015 tot intrekking van Besluit 2013/320/GBVB betreffende activiteiten ter ondersteuning van de fysieke beveiliging en het voorraadbeheer met het doel het risico op illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en de munitie daarvoor in Libië en de regio te voorkomen

142

 

*

Besluit (EU) 2015/1522 van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van het namens de Europese Unie in het Comité voor overheidsopdrachten in te nemen standpunt met betrekking tot de toetreding van de Republiek Moldavië tot de herziene Overeenkomst inzake overheidsopdrachten

144

 

*

Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland

146

 

*

Besluit (GBVB) 2015/1524 van de Raad van 14 september 2015 tot wijziging van Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

157

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

15.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 239/1


RICHTLIJN (EU) 2015/1513 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 9 september 2015

tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, en artikel 114 wat artikel 1, leden 3 tot en met 13, en artikel 2, leden 5 tot en met 7, van deze richtlijn betreft,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) moet elke lidstaat erop toezien dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 ten minste 10 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat bedraagt. Eén van de methoden waarover de lidstaten beschikken om dit streefcijfer te bereiken, naar verwachting zelfs de belangrijkste methode, is het bijmengen van biobrandstoffen. In Richtlijn 2009/28/EG wordt ook benadrukt dat energie-efficiëntie in de vervoersector een dringende noodzaak is omdat het wellicht steeds moeilijker zal worden om op een duurzame wijze een bindend streefcijfer voor energie uit hernieuwbare bronnen te halen als de totale vraag naar vervoersenergie blijft stijgen. Daarom en gezien het feit dat energie-efficiëntie ook van belang is voor de vermindering van de broeikasgasuitstoot worden de lidstaten en de Commissie aangemoedigd om meer gedetailleerde informatie over energie-efficiëntiemaatregelen in de vervoersector op te nemen in de verslagen die zij moeten indienen overeenkomstig bijlage IV van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) en andere Uniewetgeving die relevant is voor de bevordering van de energie-efficiëntie in de vervoersector.

(2)

In het licht van de doelstelling van de Unie om de uitstoot van broeikasgassen verder terug te dringen en gezien de aanzienlijke bijdrage van in het wegvervoer gebruikte brandstoffen aan die uitstoot, moeten de lidstaten op grond van artikel 7 bis, lid 2, van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) van de leveranciers van brandstof of energie eisen dat zij vóór 31 december 2020 de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid van energie uit brandstoffen die in de Unie worden gebruikt door wegvoertuigen, niet voor de weg bestemde mobiele machines, landbouwtrekkers, bosbouwmachines en pleziervaartuigen wanneer deze niet op zee varen, met ten minste 6 % verminderen. Het bijmengen van biobrandstoffen is een van de methoden waarover de leveranciers van fossiele brandstoffen beschikken om de broeikasgasintensiteit van de geleverde fossiele brandstoffen te verminderen.

(3)

Richtlijn 2009/28/EG stelt duurzaamheidscriteria vast waaraan biobrandstoffen en vloeibare biomassa moeten voldoen om in aanmerking te worden genomen voor het bereiken van de streefcijfers van die richtlijn en om recht te hebben op staatssteunregelingen. De criteria omvatten eisen betreffende de minimale broeikasgasemissiereductie die door biobrandstoffen en vloeibare biomassa moet worden bereikt in vergelijking met fossiele brandstoffen. Er zijn identieke duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen vastgesteld in Richtlijn 98/70/EG.

(4)

Wanneer weiland of landbouwgrond dat voordien bestemd was voor de productie van voedsel en veevoeder, wordt herbestemd voor de productie van biobrandstoffen, moet nog steeds worden voldaan aan de niet aan brandstoffen gerelateerde vraag, hetzij door intensivering van de huidige productie, hetzij door elders niet-landbouwgrond in productie te nemen. Wanneer dit laatste het geval is, is er sprake van indirecte verandering in het landgebruik en wanneer dit de conversie betreft van land met een hoge koolstofvoorraad, kan dit resulteren in aanzienlijke emissies van broeikasgassen. De Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG moeten derhalve worden gewijzigd en van bepalingen worden voorzien om het effect van indirecte veranderingen in het landgebruik aan te pakken, aangezien de huidige biobrandstoffen voornamelijk worden geproduceerd uit teelten die worden verbouwd op het bestaande landbouwareaal. In deze bepalingen moet naar behoren rekening worden gehouden met de noodzaak reeds gedane investeringen te beschermen.

(5)

Gezien de door de lidstaten verstrekte ramingen betreffende de vraag naar biobrandstoffen en ramingen betreffende de emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik door de productie van verschillende grondstoffen voor biobrandstoffen, wordt het waarschijnlijk geacht dat de emissies van broeikasgassen ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik aanzienlijk zijn en sommige of alle broeikasgasemissiereducties dankzij het gebruik van specifieke biobrandstoffen tenietdoen. Dit is een gevolg van het feit dat nagenoeg de volledige productie van biobrandstoffen in 2020 naar verwachting zal komen van teelten die groeien op land dat kan worden gebruikt om de voedsel- en veevoedermarkten te voorzien. Om dergelijke emissies te verminderen moeten diverse gewasgroepen worden onderscheiden, zoals oliegewassen, suikers en granen, en andere zetmeelrijke gewassen. Voorts is het noodzakelijk onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe, geavanceerde biobrandstoffen die niet concurreren met voedselgewassen, te stimuleren, en moeten de effecten van verschillende gewasgroepen op zowel directe als indirecte veranderingen in het landgebruik nader worden bestudeerd.

(6)

Ter voorkoming van het stimuleren van een opzettelijk verhoogde productie van procesresiduen ten koste van het hoofdproduct moeten residuen die het resultaat zijn van een productieproces dat opzettelijk voor dat doel is gewijzigd, van de definitie van „procesresidu” worden uitgesloten.

(7)

Om zijn broeikasgasuitstoot te verminderen is er in de vervoerssector waarschijnlijk vraag naar hernieuwbare vloeibare brandstoffen. Geavanceerde biobrandstoffen, zoals gemaakt van afvalstoffen en algen, leveren grote broeikasgasemissiereducties op met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik, en concurreren niet rechtstreeks met landbouwgrond voor de productie van voedsel en veevoeder. Het is daarom passend om het onderzoek naar en de ontwikkeling en de productie van dergelijke geavanceerde biobrandstoffen te bevorderen aangezien zij momenteel niet in grote hoeveelheden in de handel zijn, deels ten gevolge van de concurrentie voor overheidssubsidies met gevestigde op voedselteelten gebaseerde biobrandstoftechnologieën.

(8)

Het zou wenselijk zijn om al in 2020 een aanzienlijk hoger verbruiksniveau van geavanceerde biobrandstoffen in de Unie te bereiken in vergelijking met het huidige niveau. Elke lidstaat dient het verbruik van geavanceerde biobrandstoffen te bevorderen en ernaar te streven dat een minimumverbruiksniveau van geavanceerde biobrandstoffen wordt bereikt, door een niet wettelijk bindend nationaal streefcijfer vast te stellen dat de lidstaat tracht te halen binnen de verplichting om in 2020 het aandeel energie uit hernieuwbare energiebronnen in alle vervoersvormen op ten minste 10 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat te hebben gebracht. De lidstaten dienen hun plannen met het oog op het halen van hun nationale streefcijfers, indien deze beschikbaar zijn, te publiceren om een grotere transparantie en voorspelbaarheid voor de markt te bereiken.

(9)

Tevens is het wenselijk dat de lidstaten aan de Commissie verslag uitbrengen over het verbruiksniveau van geavanceerde biobrandstoffen op hun grondgebied op het moment van vaststelling van hun streefcijfers, en over hun voortgang bij de verwezenlijking van die nationale streefcijfers voor 2020; een syntheseverslag moet dan worden gepubliceerd om te kunnen beoordelen in welke mate de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen, dankzij het bevorderen van geavanceerde biobrandstoffen, het risico van broeikasgasemissie ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik beperken. Geavanceerde biobrandstoffen met geringe gevolgen in de vorm van indirecte veranderingen in het landgebruik en met een grote totale broeikasgasemissiereductie en de bevordering daarvan zullen naar verwachting een belangrijke rol blijven spelen bij het koolstofvrij maken van het vervoer en de ontwikkeling van koolstofarme vervoerstechnologie na 2020.

(10)

In zijn conclusies van 23 en 24 oktober 2014 heeft de Europese Raad onderstreept hoe belangrijk het is om de broeikasgasemissies en de risico's van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen in de vervoerssector binnen het klimaat- en energiekader 2030 te verlagen, en heeft hij de Commissie verzocht nader onderzoek te doen naar instrumenten en maatregelen voor een alomvattende en technologieneutrale aanpak voor de bevordering van emissiebeperking en energie-efficiëntie in het vervoer, voor elektrisch vervoer en voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in het vervoer, ook na 2020.

(11)

Het is eveneens van belang dat de routekaart voor hernieuwbare energie voor de periode na 2020, die de Commissie in 2018 moet indienen overeenkomstig artikel 23, lid 9, van Richtlijn 2009/28/EG, ook voor de vervoersector, wordt opgesteld als onderdeel van een bredere strategie van de Unie voor energie- en klimaatgerelateerde technologie en innovatie, die moet worden ontwikkeld aan de hand van de conclusies van de Europese Raad van 20 maart 2015. Daarom dient de effectiviteit van de stimulerende maatregelen ten behoeve van de ontwikkeling en toepassing van op geavanceerde biobrandstoffen gebaseerde technologieën tijdig te worden geëvalueerd, zodat de resultaten van die evaluatie volledig kunnen worden meegenomen bij de opstelling van de routekaart voor de periode na 2020.

(12)

Verschillen in ramingen van emissies ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik worden veroorzaakt door verschillende gegevensinvoer en basisaannames inzake ontwikkelingen in de landbouw, bijvoorbeeld opbrengst- en productiviteitsontwikkelingen, allocatie van bijproducten, en waargenomen veranderingen in het mondiale landgebruik en ontbossingspercentages, waarop producenten van biobrandstoffen geen invloed uitoefenen. Hoewel de meeste grondstoffen voor biobrandstof in de Unie worden geproduceerd, zullen de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik zich naar verwachting vooral buiten de Unie voordoen, in gebieden waar de extra productie waarschijnlijk tegen de laagste kostprijs zal worden verwezenlijkt. Vooral de aannames over de omzetting van tropische bossen en veengronddrainage buiten de Unie hebben veel invloed op de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik die gepaard gaan met biodieselproductie uit oliegewassen, en daarom is het van het grootste belang ervoor te zorgen dat de bedoelde data en aannames worden getoetst aan de meest recente gegevens over herbestemming van land en ontbossing, met inbegrip van de vooruitgang die in die gebieden dankzij de lopende internationale programma's is verwezenlijkt. De Commissie dient daarom aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor te leggen met daarin een evaluatie, gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens, van de doeltreffendheid van de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen voor de beperking van de broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, en een evaluatie van de mogelijkheden tot invoering van aangepaste geraamde emissiefactoren met betrekking tot indirecte veranderingen in het landgebruik in de passende duurzaamheidscriteria.

(13)

Om het concurrentievermogen op lange termijn van de biogebaseerde industriële sectoren te waarborgen en overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 13 februari 2012 getiteld „Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa” en de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 getiteld „Routekaart naar een efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa”, waarbij geïntegreerde en gediversifieerde bioraffinaderijen in heel Europa worden bevorderd, moeten versterkte initiatieven in het kader van Richtlijn 2009/28/EG zo worden opgezet dat de voorkeur wordt gegeven aan grondstoffen voor biomassa die geen grote economische waarde hebben voor andere toepassingen dan biobrandstoffen.

(14)

Door meer gebruik te maken van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen kunnen vele uitdagingen in de vervoersector alsook in andere sectoren worden aangepakt. Extra stimulansen dienen daarom te worden geboden om het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de vervoersector aan te moedigen, en ervoor te zorgen dat de vermenigvuldigingsfactoren voor de berekening van de bijdrage van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die wordt verbruikt door geëlektrificeerd spoorvervoer en elektrische wegvoertuigen, worden verhoogd om de inzet en marktpenetratie ervan te vergroten. Voorts dienen nadere maatregelen te worden overwogen om energie-efficiëntie en energiebesparing in de vervoersector te stimuleren.

(15)

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) draagt ertoe bij dat de Unie meer en meer een „recyclingmaatschappij” wordt, waarbij gepoogd wordt de productie van afval te voorkomen en afvalstoffen als grondstof te gebruiken. De afvalhiërarchie legt doorgaans een volgorde van prioriteiten vast met betrekking tot de vraag wat over het geheel genomen de beste milieuoptie inzake afvalwetgeving en afvalbeleid is. De lidstaten moeten, in overeenstemming met de afvalhiërarchie en de beoogde verwezenlijking van een recyclingmaatschappij, het gebruik van gerecycleerde materialen ondersteunen en dienen, waar dit mogelijk is, geen steun te verlenen aan het storten of verbranden van deze recycleerbare stoffen. Sommige grondstoffen met lage risico's op indirecte veranderingen in het landgebruik kunnen als afvalstoffen worden beschouwd. Zij kunnen echter nog wel worden gebruikt voor andere doeleinden die in de in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde afvalhiërarchie zijn aangemerkt als een hogere prioriteit dan energieterugwinning. De lidstaten zouden derhalve aan het beginsel van de afvalhiërarchie passende aandacht moeten besteden in stimuleringsmaatregelen ter bevordering van biobrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik, of in maatregelen die het in de hand werken van fraude bij de productie van deze biobrandstoffen tot een minimum moeten beperken, opdat stimulansen voor het gebruik van dergelijke grondstoffen voor biobrandstoffen niet in de weg staan van inspanningen om afval te beperken of recycling op te voeren en beschikbare hulpbronnen efficiënt en duurzaam te gebruiken. De lidstaten mogen maatregelen die zij in dat verband treffen, opnemen in hun rapportage uit hoofde van Richtlijn 2009/28/EG.

(16)

De minimumdrempel voor de broeikasgasemissiereductie door in nieuwe installaties geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa moet worden verhoogd teneinde de totale broeikasgasbalans daarvan te verbeteren en verdere investeringen in installaties met lage prestaties qua broeikasgasemissiereductie te ontmoedigen. Deze verhoging van de drempel zorgt voor investeringszekerheid voor de productiecapaciteit van biobrandstoffen en vloeibare biomassa conform artikel 19, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 2009/28/EG.

(17)

Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de totale effecten van indirecte veranderingen in het landgebruik te minimaliseren is het passend om de hoeveelheid biobrandstoffen en vloeibare biomassa, geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, die kan worden meegeteld voor het bereiken van de bij Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde streefcijfers, te beperken, zonder het totale gebruik van dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa te beperken. De vaststelling van een maximum op Unieniveau laat de mogelijkheid van de lidstaten onverlet om, overeenkomstig artikel 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), lagere maxima vast te stellen voor de hoeveelheid biobrandstoffen en vloeibare biomassa, geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, die op nationaal niveau kan worden meegeteld voor het bereiken van de bij Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde streefcijfers.

(18)

De lidstaten moeten de keuzemogelijkheid hebben dit maximum toe te passen op de hoeveelheid biobrandstoffen, geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, die kan worden meegeteld voor het bereiken van het in artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG vastgestelde streefcijfer.

(19)

Gezien de noodzaak van beperking van de hoeveelheid biobrandstoffen en vloeibare biomassa geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, dienen de lidstaten te streven naar geleidelijke afschaffing van de steun voor het verbruik van dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa dat het maximum overschrijdt.

(20)

Het beperken van de hoeveelheid biobrandstoffen en vloeibare biomassa geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, die kan worden meegeteld voor het bereiken van de bij Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde streefcijfers verhindert de lidstaten niet hun eigen traject te volgen teneinde te voldoen aan het voorgeschreven aandeel van conventionele biobrandstoffen voor het bereiken van het 10 %-streefcijfer. Bijgevolg blijft de toegang tot de markt van biobrandstoffen geproduceerd in installaties die vóór eind 2013 operationeel waren, volledig open. De onderhavige richtlijn doet dus geen afbreuk aan de gewettigde verwachtingen van de exploitanten van dergelijke installaties.

(21)

De voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik moeten worden verwerkt in de verslagen van brandstofleveranciers en de Commissie betreffende de broeikasgasemissies ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG en in de verslagen van de Commissie betreffende de broeikasgasemissies ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa overeenkomstig Richtlijn 2009/28/EG. Aan biobrandstoffen die worden geproduceerd met grondstoffen die niet tot extra landgebruik leiden, zoals bijvoorbeeld afvalstoffen, moet een zero-emissiefactor worden toegekend.

(22)

Het risico van indirecte veranderingen in het landgebruik kan zich voordoen als specifieke niet voor voeding bestemde gewassen die primair voor energiedoeleinden worden geteeld, op landbouwgrond worden geteeld die gebruikt wordt voor de productie van voedsel en veevoeder. Niettemin kunnen dergelijke specifieke gewassen die primair voor energiedoeleinden worden geteeld in vergelijking met voedsel- en voedergewassen een hogere opbrengst opleveren en bijdragen tot het herstel van ernstig aangetaste en vervuilde grond. Over de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa uit dergelijke specifieke geteelde gewassen en de feitelijke gevolgen daarvan in de zin van veranderingen in het landgebruik bestaat echter slechts beperkte informatie. De Commissie dient daarom ook de productie en het verbruik in de Unie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa uit dergelijke specifieke geteelde gewassen en de daarmee samenhangende effecten te volgen en er regelmatig verslag over uit te brengen. De in de Unie bestaande projecten moeten worden geïdentificeerd en gebruikt om de informatiebasis te verbeteren met het oog op een diepgaandere analyse van zowel de risico's als de voordelen voor de ecologische duurzaamheid.

(23)

Opbrengstvermeerderingen in de landbouwsectoren door intensief onderzoek, technologische ontwikkeling en kennisoverdracht, die verder gaan dan wat zou zijn bereikt zonder productiviteitsbevorderende regelingen voor biobrandstoffen op basis van voor voedsel of veevoeder bestemde gewassen, alsook door de teelt van een tweede eenjarig gewas op grond die voordien niet voor het verbouwen van een tweede eenjarig gewas is gebruikt, kunnen bijdragen aan de vermindering van indirecte veranderingen in het landgebruik. Voor zover het resulterende effect van de vermindering van indirecte veranderingen in het landgebruik op nationaal of projectniveau kan worden gekwantificeerd, kunnen de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen dergelijke productiviteitsverbeteringen weerspiegelen, zowel in termen van lagere geraamde waarden voor de emissies als gevolg van indirecte veranderingen in het landgebruik als in termen van de bijdrage die biobrandstoffen op basis van voor voedsel of veevoeder bestemde gewassen leveren aan het in 2020 te realiseren aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer.

(24)

Vrijwillige regelingen en systemen spelen een steeds belangrijkere rol bij het leveren van bewijzen dat aan de duurzaamheidsvereisten van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG wordt voldaan. De Commissie dient derhalve te worden gemachtigd om vrijwillige regelingen en systemen, waaronder de vrijwillige regelingen welke reeds door de Commissie zijn erkend overeenkomstig artikel 7 quater, lid 6, van Richtlijn 98/70/EG en de vrijwillige systemen welke reeds door de Commissie zijn erkend overeenkomstig artikel 18, lid 6, van Richtlijn 2009/28/EG, te verplichten om op gezette tijden over de activiteiten in het kader van die regelingen en systemen verslag uit te brengen. Dergelijke verslagen moeten openbaar worden gemaakt ten behoeve van meer transparantie en een beter toezicht door de Commissie. Daarnaast zou die rapportage de Commissie de nodige informatie verschaffen om verslag uit te brengen over de werking van de vrijwillige regelingen en systemen, zodat kan worden aangegeven wat de optimale praktijk is, en, indien passend, een voorstel kan worden ingediend tot verdere bevordering van die optimale praktijk.

(25)

Teneinde de soepele werking van de interne markt te bevorderen, is het passend om de voorwaarden te verduidelijken waaronder het beginsel van wederzijdse erkenning tussen alle regelingen en systemen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa als ingesteld bij Richtlijn 98/70/EG en Richtlijn 2009/28/EG van toepassing is.

(26)

Een goed bestuur en een op rechten, waaronder alle mensenrechten, gebaseerde benadering van de voedsel- en voedingszekerheid op alle niveaus zijn van essentieel belang en er dient naar samenhang tussen de verschillende beleidsmaatregelen te worden gestreefd wanneer zich negatieve effecten op de voedsel- en voedingszekerheid voordoen. In dit verband zijn het beheer en de zekerheid van landeigendomsrechten en landgebruiksrechten van bijzonder belang. Derhalve dienen de lidstaten zich te houden aan de beginselen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen, die in oktober 2014 zijn goedgekeurd door de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid (CFS) van de Voedsel- en Landbouworganisatie. De lidstaten worden tevens aangemoedigd om steun te verlenen aan de uitvoering van de in oktober 2013 door de CFS goedgekeurde facultatieve richtsnoeren voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw in de context van de nationale voedselzekerheid.

(27)

Hoewel biobrandstoffen op basis van voedsel- of voedergewassen in het algemeen worden geassocieerd met risico's op indirecte veranderingen in het landgebruik, zijn er ook uitzonderingen. De lidstaten en de Commissie moeten de ontwikkeling en het gebruik aanmoedigen van regelingen en systemen die op betrouwbare wijze kunnen aantonen dat een bepaalde hoeveelheid grondstoffen voor biobrandstoffen die in een bepaald project is geproduceerd, niet heeft geleid tot verplaatsing van productie voor andere doeleinden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de productie van biobrandstoffen gelijk is aan de hoeveelheid aanvullende productie die tot stand is gekomen door investeringen in verhoogde productiviteit boven een niveau dat zonder die productiviteitsbevorderende regelingen en systemen zou zijn bereikt, of wanneer biobrandstoffen worden geproduceerd op grond waar zich directe veranderingen in het landgebruik hebben voorgedaan zonder significante negatieve gevolgen voor voorheen bestaande ecosysteemdiensten van die grond, met inbegrip van de bescherming van koolstofvoorraden en de biodiversiteit. De lidstaten en de Commissie moeten de mogelijkheid onderzoeken van vaststelling van criteria voor de identificering en certificering van regelingen en systemen die op betrouwbare wijze kunnen aantonen dat een bepaalde hoeveelheid grondstoffen voor biobrandstoffen die in een bepaald project is geproduceerd, niet heeft geleid tot verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan de productie van biobrandstoffen en dat die grondstoffen voor biobrandstoffen overeenkomstig de duurzaamheidscriteria van de Unie voor biobrandstoffen zijn geproduceerd. Enkel de hoeveelheid grondstoffen die overeenstemt met de werkelijke beperking van de productieverplaatsing die dankzij de regeling of het systeem wordt verwezenlijkt, mag in aanmerking worden genomen.

(28)

De regels voor het gebruik van standaardwaarden dienen te worden geharmoniseerd teneinde een gelijke behandeling van producenten te waarborgen ongeacht waar de productie plaatsvindt. Terwijl het voor derde landen is toegestaan standaardwaarden te gebruiken, zijn de producenten in de Unie verplicht om de feitelijke waarden te gebruiken wanneer die hoger zijn dan de standaardwaarden of wanneer er geen verslag door de lidstaten is ingediend, hetgeen de administratieve lasten verhoogt. De huidige regels moeten daarom worden vereenvoudigd zodat het gebruik van standaardwaarden niet wordt beperkt tot de gebieden binnen de Unie die zijn opgenomen in de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 19, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG en artikel 7 quinquies, lid 2, van Richtlijn 98/70/EG.

(29)

Als gevolg van de inwerkingtreding van het VWEU moeten de overeenkomstig de Richtlijnen 2009/28/EG en 98/70/EG aan de Commissie toegekende bevoegdheden worden geharmoniseerd met de artikelen 290 en 291 VWEU.

(30)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(31)

Om Richtlijn 98/70/EG te kunnen aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de toevoeging van de geraamde typische en standaardwaarden inzake de productieketens voor biobrandstoffen en de aanpassing van de analysemethoden die zijn toegestaan met betrekking tot de brandstofspecificaties en van de afwijking van de dampspanning die is toegestaan voor benzine waarin bio-ethanol is bijgemengd, alsmede de vaststelling van standaardwaarden voor broeikasgasemissies met betrekking tot hernieuwbare vloeibare of gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en afvang en benutting van koolstof voor vervoersdoeleinden.

(32)

Om Richtlijn 2009/28/EG te kunnen aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van mogelijke toevoegingen aan de lijst van de grondstoffen voor biobrandstoffen en brandstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 3, lid 4, van die richtlijn bedoelde streefcijfer moet worden geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn, en ook ten aanzien van de toevoeging van de geraamde typische en standaardwaarden inzake de productieketens voor biobrandstoffen of vloeibare biomassa, alsmede de aanpassing van de energie-inhoud van transportbrandstoffen, zoals vermeld in bijlage III bij Richtlijn 2009/28/EG, aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

(33)

Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden inzake de toepassing van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(34)

De Commissie moet, op basis van de best beschikbare en meest recente wetenschappelijke bevindingen, evalueren in hoeverre de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen doeltreffend zijn voor het beperken van de effecten van broeikasgasemissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en voor het verder minimaliseren van deze effecten.

(35)

Het is belangrijk dat de Commissie onverwijld met een alomvattend voorstel komt voor een kosteneffectief en technologieneutraal beleid na 2020 om een langetermijnperspectief te scheppen voor investeringen in duurzame biobrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik en in andere manieren om de vervoersector koolstofvrij te maken.

(36)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (8) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in verantwoorde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsteksten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken verantwoord.

(37)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, met name een eengemaakte markt voor brandstoffen voor het wegvervoer en voor niet voor de weg bestemde mobiele machines tot stand te brengen en inachtneming van minimumniveaus van milieubescherming bij het gebruik van die brandstoffen te waarborgen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(38)

De Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 98/70/EG

Richtlijn 98/70/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:

„10.   „hernieuwbare vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong”: andere vloeibare of gasvormige brandstoffen dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa en die in de vervoersector worden gebruikt;

11.   „zetmeelrijke gewassen”: gewassen die hoofdzakelijk granen bevatten (ongeacht of enkel de granen dan wel de volledige plant worden gebruikt, zoals in het geval van snijmaïs), knollen en wortelgewassen (zoals aardappelen, aardperen, zoete aardappelen, cassave en yamswortelen) en stengelknolgewassen (zoals taro en cocoyam);

12.   „biobrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik”: biobrandstoffen waarvan de grondstoffen zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen beperken, en die zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen vermeld in artikel 7 ter;

13.   „procesresidu”: een stof die niet het eindproduct (de eindproducten) vormt waarop een productieproces rechtstreeks is gericht; het vormt geen hoofddoel van het productieproces en het proces is niet opzettelijk gewijzigd om het te produceren;

14.   „van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige residuen”: residuen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de landbouw, de aquacultuur, de visserij en de bosbouw, doch met uitsluiting van residuen van aanverwante bedrijfstakken of van verwerking.”.

2)

Artikel 7 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd:

„In geval van leveranciers van biobrandstoffen voor gebruik in de luchtvaart kunnen de lidstaten deze leveranciers toestaan ervoor te kiezen bij te dragen aan de in lid 2 van dit artikel vastgestelde reductieverplichting mits deze biobrandstoffen voldoen aan de in artikel 7 ter vermelde duurzaamheidscriteria.”;

b)

aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De lidstaten kunnen bepalen dat, met het oog op het behalen van het in de eerste alinea van dit lid bedoelde streefcijfer, de maximumbijdrage van biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, niet meer bedraagt dan de maximumbijdrage die is vastgesteld in artikel 3, lid 4, tweede alinea, onder d), van Richtlijn 2009/28/EG.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De Commissie stelt overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast tot vastlegging van gedetailleerde voorschriften met het oog op de uniforme uitvoering van lid 4 van dit artikel door de lidstaten.”;

d)

de volgende leden worden toegevoegd:

„6.   De Commissie is bevoegd uiterlijk op 31 december 2017 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het bepalen van standaardwaarden voor broeikasgasemissies, indien deze niet al vóór 5 oktober 2015 zijn vastgesteld, met betrekking tot:

a)

hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong;

b)

afvang en benutting van koolstof voor vervoersdoeleinden.

7.   Als onderdeel van de in lid 1 bedoelde rapportage, zien de lidstaten erop toe dat de brandstofleveranciers jaarlijks aan de door de lidstaten aangewezen autoriteit verslag uitbrengen over de productieketens voor biobrandstoffen, de volumes biobrandstoffen die uit de in bijlage V, deel A, geclassificeerde grondstoffen worden verkregen, en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie, met inbegrip van de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies afkomstig van biobrandstoffen ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik. De lidstaten brengen over die gegevens verslag uit aan de Commissie.”.

3)

Artikel 7 ter wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen die voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking wordt genomen, bedraagt minstens 60 % voor biobrandstoffen die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 5 oktober 2015. Een installatie wordt geacht operationeel te zijn wanneer de fysieke productie van biobrandstoffen plaatsvindt.

In het geval van installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015, bedraagt, om voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking te komen, de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen minstens 35 % tot en met 31 december 2017 en minstens 50 % vanaf 1 januari 2018.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen wordt berekend overeenkomstig artikel 7 quinquies, lid 1.”;

b)

de tweede alinea van lid 3 wordt geschrapt.

4)

Artikel 7 quater wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt de derde alinea vervangen door:

„De Commissie stelt volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast teneinde de lijst van de in de eerste twee alinea's van dit lid bedoelde passende en relevante informatie te bepalen. De Commissie ziet er met name op toe dat het verstrekken van die informatie geen buitensporige administratieve lasten meebrengt voor de marktdeelnemers in het algemeen of voor kleine boerenbedrijven, telersverenigingen en coöperaties in het bijzonder.”;

b)

aan lid 5 worden de volgende alinea's toegevoegd:

„De vrijwillige regelingen, als bedoeld in lid 4 („de vrijwillige regelingen”) maken op gezette tijden, en ten minste jaarlijks een lijst van hun voor onafhankelijke audits gebruikte certificeringsorganen bekend en vermelden daarbij voor elk certificeringsorgaan door welke entiteit of nationale overheidsinstantie het is erkend, en onder het toezicht van welke entiteit of nationale overheidsinstantie het staat.

Met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie, op basis van een risicoanalyse of van de in lid 6, tweede alinea, van dit artikel, vermelde verslagen, de normen voor onafhankelijke auditing nader omschrijven en alle vrijwillige regelingen ertoe verplichten die normen toe te passen. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige regelingen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige regelingen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd.”;

c)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De beslissingen uit hoofde van lid 4 worden genomen volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Dergelijke beslissingen blijven ten hoogste vijf jaar geldig.

De Commissie verlangt dat van elke vrijwillige regeling met betrekking waartoe een besluit krachtens lid 4 is vastgesteld, uiterlijk op 6 oktober 2016, en vervolgens elk jaar uiterlijk op 30 april, bij haar een verslag wordt ingediend over elk van de in de derde alinea van dit lid vermelde punten. In het algemeen hebben de verslagen betrekking op het voorafgaande kalenderjaar. Het eerste verslag heeft betrekking op ten minste zes maanden vanaf 9 september 2015. Het vereiste om een verslag in te dienen, geldt uitsluitend voor vrijwillige regelingen die gedurende ten minste twaalf maanden hebben gewerkt.

Uiterlijk op 6 april 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de in de tweede alinea van dit lid bedoelde verslagen worden geanalyseerd en de werking van de in lid 4 bedoelde overeenkomsten of vrijwillige regelingen met betrekking waartoe een besluit uit hoofde van dit artikel is vastgesteld, wordt geëvalueerd, en optimale praktijken in kaart worden gebracht. Het verslag is gebaseerd op de beste beschikbare informatie, onder meer na overleg met belanghebbenden, en op praktische ervaringen met de toepassing van de betrokken overeenkomsten of regelingen. In het verslag wordt het volgende onderzocht:

 

in het algemeen:

a)

de onafhankelijkheid, vorm en frequentie van de audits, zowel met betrekking tot hetgeen over die aspecten is vermeld in de documentatie van het systeem op het tijdstip dat het betreffende systeem door de Commissie werd goedgekeurd, als met betrekking tot de optimale praktijken van de sector;

b)

de beschikbaarheid van en de ervaring met en de transparantie bij de toepassing van methoden voor het vaststellen en behandelen van gevallen van niet-naleving, met bijzondere aandacht voor situaties of beweringen van ernstig wangedrag door leden van de regeling;

c)

de transparantie, met name met betrekking tot de toegankelijkheid van de regeling, de beschikbaarheid van vertalingen in de toepasselijke talen van de landen en regio's van herkomst van de grondstoffen, de toegankelijkheid van een lijst van gecertificeerde exploitanten en de relevante certificaten, en de toegankelijkheid van de auditverslagen;

d)

de betrokkenheid van belanghebbenden, met name wat betreft de raadpleging van inheemse en lokale gemeenschappen voorafgaand aan de besluitvorming tijdens de opstelling en evaluatie van de regeling en tijdens de audits, alsmede de reactie op hun bijdragen;

e)

de algehele robuustheid van de regeling, met name in het licht van de voorschriften betreffende de accreditatie, kwalificatie en onafhankelijkheid van auditoren en bevoegde instanties voor het systeem;

f)

marktactualisaties van de regeling, de hoeveelheid gecertificeerde grondstoffen en biobrandstoffen, per land van herkomst en type, en het aantal deelnemers;

g)

het gemak en de doeltreffendheid waarmee uitvoering wordt gegeven aan een regeling die nagaat of de door de regeling aan de leden daarvan opgelegde duurzaamheidscriteria worden nageleefd, waarbij een dergelijke regeling is bedoeld als middel om frauduleuze activiteiten te voorkomen en in het bijzonder is gericht op de detectie, behandeling en follow-up van vermoedelijke fraude en andere onregelmatigheden, alsmede, in voorkomend geval, het aantal gedetecteerde gevallen van fraude of onregelmatigheden;

 

en in het bijzonder:

h)

opties betreffende te machtigen entiteiten voor het erkennen van en het uitoefenen van toezicht op certificeringsorganen;

i)

criteria voor de erkenning of accreditatie van certificeringsorganen;

j)

voorschriften inzake de wijze van uitoefening van toezicht op de certificeringsorganen;

k)

mogelijkheden om de bevordering van optimale praktijken te vergemakkelijken of te verbeteren.

Een lidstaat kan zijn nationale regeling aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een zodanig aangemelde regeling. Een besluit over de conformiteit van een zodanig aangemelde nationale regeling met de voorwaarden vermeld in deze richtlijn wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van regelingen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen te vergemakkelijken. Als het besluit positief is, kunnen overeenkomstig dit artikel ingestelde regelingen de wederzijdse erkenning van de regeling van die lidstaat met betrekking tot de controle van de naleving van de in artikel 7 ter, leden 2 tot en met 5, vermelde duurzaamheidscriteria niet weigeren.”;

d)

lid 8 wordt vervangen door:

„8.   De Commissie gaat op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief na of artikel 7 ter is toegepast met betrekking tot een bron van biobrandstoffen en beslist, binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek en overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure of de betrokken lidstaat de uit die bron verkregen biobrandstoffen in aanmerking mag nemen voor de toepassing van artikel 7 bis.”.

5)

Artikel 7 quinquies wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:

„3.   De typische waarden voor de broeikasgasemissies ten gevolge van het verbouwen van landbouwgrondstoffen, zoals opgenomen in de in lid 2 bedoelde verslagen, indien het de lidstaten betreft, of indien het buiten de Unie gelegen gebieden betreft, zoals opgenomen in de door bevoegde organen opgestelde verslagen die gelijkwaardig zijn aan die als bedoeld in lid 2, kunnen aan de Commissie worden voorgelegd.

4.   De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in lid 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van de broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouwgewassen voor biobrandstoffen die typisch in die gebieden worden geproduceerd voor de doeleinden van artikel 7 ter, lid 2.

5.   De Commissie schrijft en publiceert uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, een verslag over de geraamde typische en standaardwaarden in bijlage IV, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan de broeikasgasemissies van de vervoersector en de verwerkende industrie.

Indien uit de in de eerste alinea bedoelde verslagen blijkt dat de geraamde typische en standaardwaarden in bijlage IV, delen B en E, zouden moeten worden aangepast op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen, dient de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.”;

b)

lid 6 wordt geschrapt;

c)

in lid 7 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door:

„7.   De Commissie evalueert regelmatig bijlage IV, met het oog op de toevoeging van waarden voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen, indien daar aanleiding toe bestaat. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage IV, deel C, vastgestelde methode in overweging genomen, in het bijzonder met betrekking tot:

de wijze waarop afvalstoffen en residuen in aanmerking worden genomen;

de wijze waarop bijproducten in aanmerking worden genomen;

de wijze waarop warmtekrachtkoppeling in aanmerking wordt genomen, en

de status die aan residuen van landbouwproducten als bijproduct wordt gegeven.

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk opnieuw bezien. Indien uit de evaluatie door de Commissie blijkt dat bijlage IV moet worden aangevuld, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde in de delen A, B, D en E van bijlage IV geraamde typische en standaardwaarden toe te voegen, doch niet te verwijderen of te wijzigen, voor productieketens voor biobrandstoffen waarvoor nog geen specifieke waarden in die bijlage zijn opgenomen.”;

d)

lid 8 wordt vervangen door:

„8.   Voor zover de uniforme toepassing van bijlage IV, deel C, punt 9, dit vereist, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde technische specificaties en definities. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

6)

Artikel 7 sexies, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   De verslagen van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad als bedoeld in artikel 7 ter, lid 7, artikel 7 quater, lid 2, artikel 7 quater, lid 9, en artikel 7 quinquies, leden 4 en 5, alsook de verslagen en informatie die worden ingediend krachtens artikel 7 quater, lid 3, eerste en vijfde alinea, en artikel 7 quinquies, lid 2, worden opgesteld en toegestuurd voor de toepassing van zowel Richtlijn 2009/28/EG als van deze richtlijn.”.

7)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

„1.   De lidstaten controleren of de voorschriften van de artikelen 3 en 4 voor benzine en dieselbrandstoffen worden nageleefd, uitgaande van de analytische methode waarnaar respectievelijk in bijlage I en in bijlage II wordt verwezen.”;

b)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

„3.   De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 31 augustus een rapport in over de nationale gegevens inzake brandstofkwaliteit met betrekking tot het voorafgaande kalenderjaar. Voor de indiening van een overzicht van de nationale gegevens inzake brandstofkwaliteit stelt de Commissie een gemeenschappelijk model op door middel van een uitvoeringsbesluit dat wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Het eerste rapport wordt uiterlijk op 30 juni 2002 ingediend. Vanaf 1 januari 2004 moeten dergelijke rapporten overeenkomen met het model dat wordt beschreven in de relevante Europese norm. Voorts brengen de lidstaten verslag uit over de totale hoeveelheden benzine en dieselbrandstof die op hun grondgebied in de handel zijn gebracht en over de hoeveelheden in de handel gebrachte ongelode benzine en dieselbrandstof met een zwavelgehalte van ten hoogste 10 mg/kg. Bovendien brengen de lidstaten jaarlijks verslag uit over de beschikbaarheid op een verantwoord evenwichtig gespreide geografische basis van benzine en dieselbrandstof met ten hoogste 10 mg/kg zwavel die op hun grondgebied in de handel worden gebracht.”.

8)

In artikel 8 bis wordt lid 3 vervangen door:

„3.   In het licht van de beoordeling aan de hand van de in lid 1 bedoelde testmethode, kunnen het Europees Parlement en de Raad het in lid 2 gespecificeerde maximumgehalte MMT in brandstoffen herzien op basis van een wetgevingsvoorstel van de Commissie.”.

9)

Aan artikel 9, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

„k)

de productieketens, de volumes en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie, met inbegrip van de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende spreidingsbreedte die wordt afgeleid uit de gevoeligheidsanalyse bedoeld in bijlage V, van de in de Unie gebruikte biobrandstoffen. De Commissie maakt de gegevens over de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende, uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide spreidingsbreedte voor het publiek toegankelijk.”.

10)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Procedure voor de aanpassing van toegestane analysemethoden en toegestane afwijkingen van de dampspanning”;

b)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen voor zover dit nodig is om de toegestane analysemethoden aan te passen teneinde samenhang met een eventuele herziening van de in bijlage I of II bedoelde Europese normen te garanderen. De Commissie is tevens bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in bijlage III vermelde toegestane afwijkingen van de dampspanning in kPa voor het ethanolgehalte van benzine aan te passen binnen de in artikel 3, lid 4, eerste alinea, vastgestelde grenswaarde. Die gedelegeerde handelingen laten overeenkomstig artikel 3, lid 4, toegestane afwijkingen onverlet.”.

11)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 10 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 7 bis, lid 6, artikel 7 quinquies, lid 7, en artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 5 oktober 2015.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7 bis, lid 6, artikel 7 quinquies, lid 7, en artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 7 bis, lid 6, artikel 7 quinquies, lid 7, en artikel 10, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

12)

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

Comitéprocedure

1.   Behoudens de in lid 2 bedoelde gevallen, wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor de brandstofkwaliteit. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (9).

2.   Voor aangelegenheden die verband houden met de duurzaamheid van biobrandstoffen volgens de artikelen 7 ter, 7 quater en 7 quinquies, wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa, bedoeld in artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2009/28/EG. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Als het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

(9)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”."

13)

Bijlage IV wordt gewijzigd en bijlage V wordt toegevoegd overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2009/28/EG

Richtlijn 2009/28/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 2, tweede alinea, worden de volgende punten toegevoegd:

„p)   „afvalstof”: een stof als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (10); stoffen die doelbewust zijn gewijzigd of besmet om aan die definitie te voldoen, vallen niet binnen die begripsomschrijving;

q)   „zetmeelrijke gewassen”: gewassen die hoofdzakelijk granen bevatten (ongeacht of enkel de granen dan wel de volledige plant worden gebruikt, zoals in het geval van snijmaïs), knollen en wortelgewassen (zoals aardappelen, aardperen, zoete aardappelen, cassave en yamswortelen) en stengelknolgewassen (zoals taro en cocoyam);

r)   „lignocellulosisch materiaal”: materiaal bestaande uit lignine, cellulose en hemicellulose, zoals biomassa afkomstig van bossen, houtachtige energiegewassen en residuen en afvalstoffen van de houtsector;

s)   „non-food cellulosemateriaal”: grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het omvat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet en bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na de hoofdgewassen), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;

t)   „procesresidu”: een stof die niet het eindproduct (de eindproducten) vormt waarop een productieproces rechtstreeks is gericht; het vormt geen hoofddoel van het productieproces en het proces is niet opzettelijk gewijzigd om het te produceren;

u)   „hernieuwbare vloeibare of gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong”: andere vloeibare of gasvormige brandstoffen dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa en die in de vervoersector worden gebruikt;

v)   „van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige residuen”: residuen die rechtstreeks afkomstig zijn uit de landbouw, de aquacultuur, de visserij, en de bosbouw, doch met uitsluiting van residuen van aanverwante bedrijfstakken of van verwerking;

w)   „biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik”: biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvan de grondstoffen zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen en vloeibare biomassa beperken, en die zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa vermeld in artikel 17.

(10)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).”."

2)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Met het oog op het behalen van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde streefcijfers bedraagt de gezamenlijke maximumbijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa verkregen uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, niet meer dan de energiehoeveelheid die overeenstemt met de maximumbijdrage als bepaald in lid 4, onder d).”;

b)

in lid 4 wordt de tweede alinea als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

voor het berekenen van de noemer, zijnde het totale energieverbruik voor vervoer voor de toepassing van de eerste alinea, wordt alleen rekening gehouden met benzine, diesel, in het vervoer over de weg of per spoor verbruikte biobrandstoffen, en elektriciteit, met inbegrip van de elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong;”;

ii)

aan punt b) wordt de volgende zin toegevoegd:

„Dit punt laat hetgeen is bepaald in punt d) van dit lid en in artikel 17, lid 1, onder a), onverlet;”;

iii)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

voor het berekenen van de bijdrage van uit hernieuwbare bronnen geproduceerde elektriciteit die wordt gebruikt in alle soorten elektrische voertuigen alsmede voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong, voor de toepassing van de punten a) en b), mogen de lidstaten kiezen voor het gemiddelde aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Unie of het aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in hun eigen land, gemeten twee jaar vóór het jaar in kwestie. Voor het berekenen van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die verbruikt wordt door geëlektrificeerd spoorvervoer, wordt dit verbruik geacht 2,5 keer de energie-inhoud te zijn van de input van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Voor het berekenen van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die wordt verbruikt door elektrische wegvoertuigen in punt b), wordt dit verbruik geacht vijf keer de energie-inhoud te zijn van de input van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.”;

iv)

de volgende punten worden toegevoegd:

„d)

voor het berekenen van biobrandstoffen in de teller bedraagt het aandeel van energie uit biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in de vervoersector in de lidstaten in 2020.

Biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX genoemde grondstoffen, worden niet meegerekend met het oog op het in de eerste alinea van dit punt vastgestelde maximum.

De lidstaten kunnen bepalen dat het aandeel van energie uit biobrandstoffen die worden geproduceerd uit andere gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld, dan granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen, niet wordt meegerekend met het oog op het in de eerste alinea van dit punt vastgestelde maximum, mits:

i)

overeenkomstig artikel 18 is gecontroleerd of aan de in artikel 17, leden 2 tot en met 5, vermelde duurzaamheidscriteria is voldaan, en

ii)

die gewassen zijn geteeld op grond die onder bijlage V, deel C, punt 8, valt, en de overeenkomstige bonus „eB”, zoals vermeld in bijlage V, deel C, punt 7, is verwerkt in de berekening van de broeikasgasemissies om aan te tonen dat is voldaan aan artikel 17, lid 2;

e)

elke lidstaat heeft als doelstelling een minimumverbruiksniveau te bereiken op zijn grondgebied van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en van andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A. Daartoe moet iedere lidstaat uiterlijk op 6 april 2017 een nationaal streefcijfer bepalen, waaraan deze tracht te voldoen. Een referentiewaarde voor dit streefcijfer is 0,5 procentpunt in energie-inhoud van het in de eerste alinea bedoelde aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020, dat moet worden bereikt met biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en met andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A. Daarnaast kunnen biobrandstoffen die worden geproduceerd uit niet in de lijst van bijlage IX vermelde grondstoffen die door de bevoegde nationale autoriteiten werden beschouwd als afval, residuen, non-food cellulosemateriaal of lignocellulosisch materiaal en die vóór de vaststelling van Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad (11) in bestaande installaties werden gebruikt, worden meegeteld voor het bereiken van het nationale streefcijfer.

De lidstaten kunnen een nationaal streefcijfer bepalen dat lager is dan de referentiewaarde van 0,5 procentpunt en gebaseerd is op één of meer van de volgende gronden:

i)

objectieve factoren zoals de beperkte mogelijkheden tot duurzame productie van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en van andere brandstoffen die zijn vermeld in bijlage IX, deel A, of de beperkte beschikbaarheid van dergelijke biobrandstoffen tegen kostenefficiënte prijzen op de markt;

ii)

de specifieke technische en klimatologische kenmerken van de nationale markt voor transportbrandstoffen, zoals de samenstelling en de conditie van het wegvoertuigenpark, of

iii)

nationale beleidsmaatregelen waarbij financiële middelen naar evenredigheid worden toegewezen voor stimulansen voor energie-efficiëntie en het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het vervoer.

Bij de vaststelling van hun nationale streefcijfers verstrekken de lidstaten de beschikbare informatie over de hoeveelheden biobrandstoffen die worden verbruikt uit grondstoffen en andere brandstoffen die zijn vermeld in bijlage IX, deel A.

Bij de vaststelling van beleidsmaatregelen ter bevordering van de productie van brandstoffen uit de in bijlage IX vermelde grondstoffen besteden de lidstaten passende aandacht aan de afvalhiërarchie, zoals vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG, met inbegrip van het daarin bepaalde over het levenscyclus denken met betrekking tot de algemene effecten van het produceren en beheren van verschillende afvalstromen.

De Commissie publiceert overeenkomstig artikel 24 van deze richtlijn:

de nationale streefcijfers van de lidstaten,

indien beschikbaar, de plannen van de lidstaten met het oog op het halen van de nationale streefcijfers,

indien van toepassing, de redenen waarom de nationale streefcijfers van de lidstaten afwijken van de referentiewaarde die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn (EU) 2015/1513 is aangemeld, en

een syntheseverslag over de voortgang van de lidstaten bij de verwezenlijking van hun nationale streefcijfers;

f)

voor het halen van het in de eerste alinea gestelde streefcijfer wordt de bijdrage van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX genoemde grondstoffen geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn.

(11)  Richtlijn (EU) 2015/1513 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 239 van 15.9.2015, blz. 1).”;"

c)

in lid 4 wordt de derde alinea vervangen door:

„De Commissie doet, zo nodig, uiterlijk op 31 december 2017 een voorstel op grond waarvan, onder bepaalde voorwaarden, voor alle soorten elektrische voertuigen en voor de productie van hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong het volledige aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in aanmerking mag worden genomen.”;

d)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„5.   Om het risico dat afzonderlijke leveringen in de Unie meer dan eens worden geclaimd, tot een minimum te beperken, stellen de Commissie en de lidstaten alles in het werk om de samenwerking te versterken tussen de nationale systemen onderling en tussen de nationale systemen en de vrijwillige systemen die zijn ingevoerd overeenkomstig artikel 18, waarbij in voorkomend geval ook gegevens worden uitgewisseld. Om te voorkomen dat materialen opzettelijk worden gewijzigd of verwijderd opdat zij onder bijlage IX komen te vallen, stimuleren de lidstaten de ontwikkeling en het gebruik van systemen aan de hand waarvan grondstoffen en de ermee geproduceerde biobrandstoffen in de gehele waardeketen kunnen worden getraceerd en opgespoord. De lidstaten zorgen ervoor dat er bij de vaststelling van fraude gepaste maatregelen worden getroffen. De lidstaten brengen uiterlijk op 31 december 2017 en vervolgens om de twee jaar verslag uit over de maatregelen die zij hebben genomen indien zij geen gelijkwaardige informatie hebben verstrekt over de betrouwbaarheid en de bescherming tegen fraude in hun overeenkomstig artikel 22, lid 1, onder d), op te stellen verslagen over de voortgang met de bevordering en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 25 bis vast te stellen om de lijst van grondstoffen in bijlage IX, deel A, te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet het schrappen van grondstoffen. De Commissie stelt een afzonderlijke gedelegeerde handeling vast met betrekking tot elke grondstof die aan de lijst in bijlage IX, deel A, moet worden toegevoegd. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie zoals vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, en waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik, geen significant verstorend effect heeft op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties oplevert in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigt te veroorzaken.”.

3)

Artikel 5, lid 5, wordt vervangen door:

„5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang van de energie-inhoud van transportbrandstoffen zoals vermeld in bijlage III.”.

4)

In artikel 6 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   De lidstaten kunnen afspraken maken over en regelingen treffen voor de statistische overdracht van een gespecificeerde hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen van de ene naar de andere lidstaat. De overgedragen hoeveelheid:

a)

wordt afgetrokken van de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die in aanmerking wordt genomen wanneer wordt gemeten of de lidstaat die de overdracht uitvoert, voldoet aan de eisen van artikel 3, leden 1, 2 en 4, en

b)

wordt opgeteld bij de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die in aanmerking wordt genomen wanneer wordt gemeten of de lidstaat die de overdracht aanvaardt, voldoet aan de eisen van artikel 3, leden 1, 2 en 4.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde regelingen met betrekking tot artikel 3, leden 1, 2 en 4, kunnen één of meer jaar duren. Zij worden binnen drie maanden na afloop van ieder jaar waarin zij van kracht waren, gemeld aan de Commissie. De aan de Commissie verstrekte informatie omvat de hoeveelheid en de prijs van de energie in kwestie.”.

5)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking wordt genomen, bedraagt minstens 60 % voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na 5 oktober 2015. Een installatie wordt geacht operationeel te zijn wanneer de fysieke productie van biobrandstoffen of vloeibare biomassa plaatsvindt.

In het geval van installaties die operationeel waren op of vóór 5 oktober 2015, bedraagt, om voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking te komen, de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa minstens 35 % tot en met 31 december 2017 en minstens 50 % vanaf 1 januari 2018.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt berekend overeenkomstig artikel 19, lid 1.”;

b)

de tweede alinea van lid 3 wordt geschrapt.

6)

Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3 wordt de derde alinea vervangen door:

„De Commissie stelt volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast teneinde de lijst van de in de eerste twee alinea's van dit lid bedoelde passende en relevante informatie te bepalen. De Commissie ziet er met name op toe dat het verstrekken van die informatie geen buitensporige administratieve lasten meebrengt voor de marktpartijen in het algemeen of voor kleinschalige boerenbedrijven, producentenverenigingen en coöperaties in het bijzonder.”;

b)

in lid 4 wordt de tweede alinea vervangen door:

„De Commissie kan besluiten dat vrijwillige nationale of internationale systemen waarbij normen worden bepaald voor de productie van biomassaproducten, accurate gegevens bevatten met het oog op de toepassing van artikel 17, lid 2, en/of aantonen dat leveringen van biobrandstoffen of vloeibare biomassa voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17, leden 3, 4 en 5, en/of dat geen materialen doelbewust zijn gewijzigd of verwijderd opdat de levering of een deel ervan onder bijlage IX komt te vallen. De Commissie kan besluiten dat deze systemen accurate gegevens bevatten over de maatregelen die zijn genomen voor de instandhouding van gebieden die in kritieke situaties dienst doen als basisecosysteem (bijvoorbeeld als het gaat om bescherming van stroomgebieden of erosiebestrijding), voor de bescherming van bodem, water en lucht, het herstel van aangetast land, het vermijden van overmatig watergebruik in gebieden waar water schaars is, en over de in artikel 17, lid 7, tweede alinea, bedoelde elementen. Voor de toepassing van artikel 17, lid 3, onder b), ii), kan de Commissie tevens gebieden voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten erkennen die bij internationale overeenkomsten zijn erkend of die zijn opgenomen in lijsten van intergouvernementele organisaties of de International Union for the Conservation of Nature.”;

c)

aan lid 5 worden de volgende alinea's toegevoegd:

„De vrijwillige systemen, als bedoeld in lid 4 („de vrijwillige systemen”) maken op gezette tijden, en ten minste jaarlijks een lijst van hun voor onafhankelijke audits gebruikte certificeringsorganen bekend en vermelden daarbij voor elk certificeringsorgaan door welke entiteit of nationale overheidsinstantie het is erkend, en onder het toezicht van welke entiteit of nationale overheidsinstantie het staat.

Met name ten behoeve van fraudepreventie kan de Commissie, op basis van een risicoanalyse of van de in lid 6, tweede alinea, van dit artikel vermelde verslagen, de normen voor onafhankelijke auditing nader omschrijven en alle vrijwillige systemen ertoe verplichten die normen toe te passen. Dat geschiedt door middel van uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. In dergelijke uitvoeringshandelingen wordt een termijn gesteld waarbinnen de vrijwillige systemen de normen geïmplementeerd moeten hebben. De Commissie kan besluiten tot erkenning van vrijwillige systemen intrekken indien zij die normen niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben geïmplementeerd.”;

d)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

„6.   De uit hoofde van lid 4 van dit artikel genomen besluiten worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Dergelijke besluiten blijven hoogstens vijf jaar geldig.

De Commissie verlangt dat van elk vrijwillig systeem met betrekking waartoe een besluit krachtens lid 4 is vastgesteld, uiterlijk op 6 oktober 2016, en vervolgens elk jaar uiterlijk op 30 april, bij haar een verslag wordt ingediend over elk van de in de derde alinea van dit lid vermelde punten. In het algemeen hebben de verslagen betrekking op het voorafgaande kalenderjaar. Het eerste verslag heeft betrekking op ten minste zes maanden vanaf 9 september 2015. Het vereiste om een verslag in te dienen geldt uitsluitend voor vrijwillige systemen die gedurende ten minste twaalf maanden hebben gewerkt.

Uiterlijk op 6 april 2017 en daarna in het kader van haar verslagen overeenkomstig artikel 23, lid 3, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de in de tweede alinea van dit lid bedoelde verslagen worden geanalyseerd en de werking van de in lid 4 bedoelde overeenkomsten of vrijwillige systemen met betrekking tot welke een besluit uit hoofde van dit artikel is vastgesteld, wordt geëvalueerd, en optimale praktijken in kaart worden gebracht. Het verslag is gebaseerd op de beste beschikbare informatie, onder meer na overleg met belanghebbenden, en op praktische ervaringen met de toepassing van de betrokken overeenkomsten of systemen. In het verslag wordt het volgende onderzocht:

 

in het algemeen:

a)

de onafhankelijkheid, vorm en frequentie van de audits, zowel met betrekking tot hetgeen over die aspecten is vermeld in de documentatie van het systeem op het tijdstip dat het betreffende systeem door de Commissie werd goedgekeurd, als met betrekking tot de optimale praktijken van de sector;

b)

de beschikbaarheid van en de ervaring met en de transparantie bij de toepassing van methoden voor het vaststellen en behandelen van gevallen van niet-naleving, met bijzondere aandacht voor situaties of beweringen van ernstig wangedrag door leden van het systeem;

c)

de transparantie, met name met betrekking tot de toegankelijkheid van het systeem, de beschikbaarheid van vertalingen in de toepasselijke talen van de landen en regio's van herkomst van de grondstoffen, de toegankelijkheid van een lijst van gecertificeerde exploitanten en de relevante certificaten, en de toegankelijkheid van de auditverslagen;

d)

de betrokkenheid van belanghebbenden, met name wat betreft de raadpleging van inheemse en lokale gemeenschappen voorafgaand aan de besluitvorming tijdens de opstelling en evaluatie van het systeem en tijdens de audits, alsmede de reactie op hun bijdragen;

e)

de algehele robuustheid van het systeem, met name in het licht van de voorschriften betreffende de accreditatie, kwalificatie en onafhankelijkheid van auditoren en bevoegde instanties voor het systeem;

f)

marktactualisaties van het systeem, de hoeveelheid gecertificeerde grondstoffen en biobrandstoffen, per land van herkomst en type, en het aantal deelnemers;

g)

het gemak en de doeltreffendheid waarmee uitvoering wordt gegeven aan een systeem dat nagaat of de door het systeem aan de leden daarvan opgelegde duurzaamheidscriteria worden nageleefd, waarbij een dergelijk systeem is bedoeld als middel om frauduleuze activiteiten te voorkomen en in het bijzonder is gericht op de detectie, behandeling en follow-up van vermoedelijke fraude en andere onregelmatigheden, alsmede, in voorkomend geval, het aantal gedetecteerde gevallen van fraude of onregelmatigheden;

 

en in het bijzonder:

h)

opties betreffende te machtigen entiteiten voor het erkennen van en het uitoefenen van toezicht op certificeringsorganen;

i)

criteria voor de erkenning of accreditatie van certificeringsorganen;

j)

voorschriften inzake de wijze van uitoefening van toezicht op de certificeringsorganen;

k)

mogelijkheden om de bevordering van optimale praktijken te vergemakkelijken of te verbeteren.

De Commissie stelt de in het kader van de vrijwillige systemen opgestelde verslagen in geaggregeerde of, waar dienstig, volledige vorm beschikbaar op het in artikel 24 bedoelde transparantieplatform.

Een lidstaat kan zijn nationale systeem aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een zodanig aangemeld systeem. Een besluit over de conformiteit van een zodanig aangemeld nationaal systeem met de voorwaarden vermeld in deze richtlijn, wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van systemen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa te vergemakkelijken. Als het besluit positief is, kunnen overeenkomstig dit artikel ingestelde systemen de wederzijdse erkenning van het systeem van die lidstaat met betrekking tot de controle van de naleving van de in artikel 17, leden 2 tot en met 5, vermelde duurzaamheidscriteria niet weigeren.”;

e)

lid 8 wordt vervangen door:

„8.   De Commissie gaat op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief na of artikel 17 is toegepast met betrekking tot een bron van biobrandstoffen en besluit, binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek en overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure of de betrokken lidstaat de uit die bron verkregen biobrandstoffen in aanmerking mag nemen voor de toepassing van artikel 17, lid 1.”.

7)

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:

„3.   De typische waarden voor de broeikasgasemissies ten gevolge van het verbouwen van landbouwgrondstoffen, zoals opgenomen in de in lid 2 bedoelde verslagen, indien het de lidstaten betreft, of indien het buiten de Unie gelegen gebieden betreft, zoals opgenomen in de verslagen die gelijkwaardig zijn aan die als bedoeld in lid 2, kunnen aan de Commissie worden voorgelegd.

4.   De Commissie kan door middel van een volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vast te stellen uitvoeringshandeling besluiten dat de in lid 3 van dit artikel bedoelde verslagen nauwkeurige gegevens bevatten ten behoeve van de meting van broeikasgasemissies gerelateerd aan de verbouwing van landbouwgrondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa die typisch in die gebieden worden geproduceerd voor de doeleinden van artikel 17, lid 2.

5.   De Commissie schrijft en publiceert uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, een verslag over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage V, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan de broeikasgasemissies van de vervoersector en de verwerkende industrie.

Indien uit de in de eerste alinea bedoelde verslagen blijkt dat de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage V, delen B en E, zouden moeten worden aangepast op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen, dient de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.”;

b)

lid 6 wordt geschrapt;

c)

in lid 7 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door:

„7.   De Commissie evalueert regelmatig bijlage V, met het oog op de toevoeging van waarden voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen, indien daar aanleiding toe bestaat. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, vastgestelde methode in overweging genomen, in het bijzonder met betrekking tot:

de wijze waarop afvalstoffen en residuen in aanmerking worden genomen;

de wijze waarop bijproducten in aanmerking worden genomen;

de wijze waarop warmtekrachtkoppeling in aanmerking wordt genomen, en

de status die aan residuen van landbouwproducten als bijproduct wordt gegeven.

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk opnieuw bezien. Indien uit de evaluatie door de Commissie blijkt dat bijlage V moet worden aangevuld, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde in de delen A, B, D en E van bijlage V geraamde typische en standaardwaarden toe te voegen, doch niet te verwijderen of te wijzigen, voor productieketens voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvoor nog geen specifieke waarden in die bijlage zijn opgenomen.”;

d)

lid 8 wordt vervangen door:

„8.   Voor zover de uniforme toepassing van bijlage V, deel C, punt 9, dit vereist, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde technische specificaties en definities. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

8)

Artikel 21 wordt geschrapt.

9)

In artikel 22, lid 1, wordt de tweede alinea als volgt gewijzigd:

a)

punt i) wordt vervangen door:

„i)

de ontwikkeling en het aandeel van biobrandstoffen uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van grondstoffen waarin de aandacht vooral uitgaat naar de duurzaamheidsaspecten die verband houden met de impact van de vervanging van de productie van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG en het beginsel biomassacascadering, met inachtneming van de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen;”;

b)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„o)

de hoeveelheden biobrandstoffen en vloeibare biomassa in eenheden energie overeenkomstig de respectievelijke categorieën van de in bijlage VIII, deel A, vermelde gewasgroepen, die door die lidstaat in aanmerking worden genomen voor het behalen van de in artikel 3, leden 1 en 2, en in artikel 3, lid 4, eerste alinea, vermelde streefcijfers.”.

10)

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de laatste zin van lid 1 wordt geschrapt;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Bij de rapportage over de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa maakt de Commissie gebruik van de door de lidstaten gemelde hoeveelheden overeenkomstig artikel 22, lid 1, onder o), met inbegrip van de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende spreidingsbreedte die wordt afgeleid uit de gevoeligheidsanalyse bedoeld in bijlage VIII. De Commissie maakt de gegevens over de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende, uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide spreidingsbreedte voor het publiek toegankelijk. Bovendien evalueert de Commissie of en hoe de ramingen voor directe emissiereductie zouden veranderen als de substitutiemethode zou worden gebruikt bij het in aanmerking nemen van bijproducten.”;

c)

in lid 5 worden de punten e) en f) vervangen door:

„e)

de beschikbaarheid en duurzaamheid van biobrandstoffen uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van de impact van de vervanging van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG en het beginsel van biomassacascadering, met inachtneming van de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen;

f)

informatie over en een analyse van de beschikbare wetenschappelijke onderzoeksresultaten inzake indirecte verandering in het landgebruik met betrekking tot alle productieketens, tezamen met een beoordeling van de vraag of de onzekerheidsmarge in de analyses die ten grondslag liggen aan de ramingen van door indirecte veranderingen in het landgebruik veroorzaakte emissies kan worden verkleind, en de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu-, het klimaat- en het landbouwbeleid, kunnen worden meegenomen, en

g)

technologische ontwikkelingen en de beschikbaarheid van gegevens over het gebruik en de economische en milieugevolgen van in de Unie geproduceerde biobrandstoffen en vloeibare biomassa uit specifieke niet voor voeding bestemde gewassen die primair voor energiedoeleinden worden geteeld.”;

d)

in lid 8, eerste alinea, wordt punt b) vervangen door:

„b)

ten aanzien van de in artikel 3, lid 4, bedoelde streefcijfers, een toetsing van:

i)

de kostenefficiëntie van de maatregelen die moeten worden uitgevoerd om de streefcijfers te halen;

ii)

een beoordeling van de haalbaarheid van het verwezenlijken van de streefcijfers, met behoud van de duurzaamheid van de productie van biobrandstoffen in de Unie en derde landen en rekening houdend met de economische, maatschappelijke en milieugevolgen, waaronder indirecte effecten en gevolgen voor de biodiversiteit, en met de commerciële beschikbaarheid van biobrandstoffen van de tweede generatie;

iii)

het effect van de maatregelen ter bereiking van de streefcijfers op de beschikbaarheid van levensmiddelen tegen betaalbare prijzen;

iv)

de commerciële beschikbaarheid van elektrisch aangedreven voertuigen, hybride voertuigen en voertuigen op waterstof, en de gekozen methode om het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in de vervoersector te berekenen;

v)

de evaluatie van de specifieke marktomstandigheden, met name op markten waar brandstoffen voor vervoersdoeleinden meer dan de helft vertegenwoordigen van het eindverbruik van energie, en markten die volledig afhankelijk zijn van ingevoerde biobrandstoffen;”.

11)

Artikel 25 wordt vervangen door:

„Artikel 25

Comitéprocedure

1.   Behoudens de in lid 2 bedoelde gevallen, wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor hernieuwbare energiebronnen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12).

2.   Voor aangelegenheden die verband houden met de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Als het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

(12)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”."

12)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 25 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 5, artikel 5, lid 5, en artikel 19, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 5 oktober 2015.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 5, artikel 5, lid 5, en artikel 19, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 3, lid 5, artikel 5, lid 5, en artikel 19, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van genoemde termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

13)

Bijlage V wordt gewijzigd en de bijlagen VIII en IX worden toegevoegd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 3

Evaluatie

1.   De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2016 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, met een beoordeling van de beschikbaarheid uiterlijk in 2020 van de benodigde hoeveelheden kostenefficiënte biobrandstoffen op de markt van de Unie die afkomstig zijn van grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt en van gewassen die geen voedselgewassen zijn, alsook van de gevolgen ervan voor milieu, maatschappij en economie, waarbij tevens wordt nagegaan of moet worden voorzien in aanvullende criteria om de duurzaamheid ervan te waarborgen, en met een evaluatie van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens over broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte verandering in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor nadere maatregelen, rekening houdend met economische, maatschappelijke en ecologische overwegingen.

2.   Uiterlijk 31 december 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een evaluatie, gebaseerd op de beste beschikbare en meest recente wetenschappelijke gegevens, van:

a)

de doeltreffendheid van de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen voor de beperking van de broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa. Het verslag bevat tevens de meest recente beschikbare informatie over de belangrijkste aannames die van invloed zijn op de resultaten van de modellering van broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, inclusief de gemeten trends in landbouwopbrengsten en productiviteit, de allocatie van bijproducten en de waargenomen mondiale veranderingen in landgebruik en ontbossing, en de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu-, het klimaat- en het landbouwbeleid, waarbij de belanghebbenden in het evaluatieproces worden betrokken;

b)

de doeltreffendheid van de stimuleringsmaatregelen voor biobrandstoffen uit grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt en gewassen die geen voedselgewassen zijn op grond van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG, met inbegrip van de vraag of de Unie als geheel geacht wordt 0,5 procentpunt in absolute energie-inhoud van het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 te bereiken met biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en uit andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A;

c)

de gevolgen van de toegenomen vraag naar biomassa voor de sectoren die gebruikmaken van biomassa;

d)

de mogelijkheid om criteria op te stellen voor de bepaling en certificering van biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte verandering in het landgebruik die worden geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria van de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG, teneinde, indien nodig, bijlage V bij Richtlijn 98/70/EG en bijlage VIII bij Richtlijn 2009/28/EG te actualiseren;

e)

de potentiële economische en milieuvoordelen en -risico's van een hogere productie en een groter gebruik van specifieke niet voor voeding bestemde gewassen die primair voor energiedoeleinden worden geteeld, mede gebruikmakend van gegevens die gerelateerd zijn aan bestaande projecten;

f)

het relatieve aandeel van bio-ethanol en biodiesel op de markt van de Unie en het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in benzine. De Commissie beoordeelt ook de factoren die van invloed zijn op het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in benzine, alsmede eventuele belemmeringen voor het gebruik. De beoordeling omvat de kosten, brandstofnormen, infrastructuur en klimaatomstandigheden. In voorkomend geval kan de Commissie aanbevelingen doen voor het wegnemen van eventueel vastgestelde belemmeringen, en

g)

welke lidstaten hebben gekozen voor plafonnering van de hoeveelheid biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit primair voor energiedoeleinden als hoofdgewas op landbouwgrond geteelde gewassen, die wordt meegerekend met het oog op het in artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG vermelde streefcijfer en of zich problemen hebben voorgedaan bij de uitvoering of de verwezenlijking van het in artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG vermelde streefcijfer. De Commissie beoordeelt tevens in hoeverre de hoeveelheid biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen en uit gewassen die als hoofdgewas primair voor energiedoeleinden op landbouwgrond worden geteeld en die worden geleverd om het in artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG vermelde streefcijfer te halen, groter is dan de hoeveelheid die kan bijdragen tot verwezenlijking van de in Richtlijn 2009/28/EG vermelde streefcijfers. De beoordeling omvat een evaluatie van de gevolgen voor indirecte veranderingen in het landgebruik en de kosteneffectiviteit van deze benadering van de lidstaten.

Het verslag bevat, indien van toepassing, ook informatie over de beschikbaarheid van financiering en andere ondersteunende maatregelen met het oog op het zo spoedig mogelijk bereiken van het aandeel van 0,5 procentpunt in energie-inhoud van biobrandstoffen uit grondstoffen en uit andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A, in het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in de Unie, indien technisch haalbaar en economisch verantwoord.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag gaat, indien passend, vergezeld van wetgevingsvoorstellen, gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis, ter:

a)

invoering van aangepaste geraamde emissiefactoren met betrekking tot indirecte veranderingen in het landgebruik in de aangewezen duurzaamheidscriteria van Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG;

b)

invoering van nadere maatregelen om fraude te voorkomen en te bestrijden, daaronder begrepen aanvullende maatregelen die op het niveau van de Unie dienen te worden getroffen;

c)

bevordering van duurzame biobrandstoffen na 2020 op technologieneutrale wijze, in het kader van het klimaat- en energiebeleid tot 2030.

3.   De Commissie dient, in voorkomend geval, in het licht van de verslagen van de vrijwillige regelingen overeenkomstig artikel 7 quater, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 98/70/EG en de vrijwillige systemen overeenkomstig artikel 18, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 2009/28/EG, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot wijziging van de bepalingen van deze richtlijnen met betrekking tot de vrijwillige regelingen/systemen, teneinde optimale praktijken te bevorderen.

Artikel 4

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 10 september 2017 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Bij die gelegenheid stellen de lidstaten de Commissie in kennis van hun overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder e), van Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde nationale streefcijfers en, in voorkomend geval, van een differentiatie van hun nationale streefcijfer ten opzichte van de daarin vermelde referentiewaarde, en de redenen daarvoor.

In 2020 brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit van hun respectieve voortgang bij de verwezenlijking van hun overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder e), van Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde nationale streefcijfers, met vermelding van de redenen van een eventuele achterstand.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 9 september 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT


(1)  PB C 198 van 10.7.2013, blz. 56.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 september 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 9 december 2014 (PB C 50 van 12.2.2015, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 28 april 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 juli 2015.

(3)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(4)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(5)  Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).

(6)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(7)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(8)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


BIJLAGE I

De bijlagen bij Richtlijn 98/70/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage IV, deel C, wordt punt 7 vervangen door:

„7.

Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P – eB, (1)

waarin:

el

=

op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen (megajoule)). „Akkerland” (2) en „land voor vaste gewassen” (3) worden beschouwd als één landgebruik;

CSR

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: in januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

CSA

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;

P

=

de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof per landeenheid per jaar), en

eB

=

bonus van 29 gCO2eq/MJ biobrandstof indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.

(1)  Het resultaat van de deling van het moleculaire gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculaire gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664."

(2)  Akkerland als gedefinieerd door het IPCC."

(3)  Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.”."

2)

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

„BIJLAGE V

Deel A. Voorlopige geraamde emissies van biobrandstoffen ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik (gCO2eq/MJ) (4)

Gewasgroep

Gemiddelde (5)

Uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide interpercentiele spreidingsbreedte (6)

Granen en andere zetmeelrijke gewassen

12

8 tot en met 16

Suikers

13

4 tot en met 17

Oliegewassen

55

33 tot en met 66

Deel B. Biobrandstoffen waarvan de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik geacht worden nul te zijn

Van biobrandstoffen die worden geproduceerd op basis van de volgende categorieën grondstoffen worden de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik geacht nul te zijn:

1.

grondstoffen die niet zijn vermeld in deel A van deze bijlage.

2.

grondstoffen waarvan de productie heeft geleid tot directe veranderingen in het landgebruik, d.w.z. een verandering van een van de volgende IPCC-categorieën van landgebruik: bosland, grasland, wetland, woongebieden of overig land, in akkerland of land voor vaste gewassen (7). In een dergelijk geval moet een „emissiewaarde ten gevolge van directe verandering in het landgebruik (el )” worden berekend overeenkomstig bijlage IV, deel C, punt 7.

(4)

(+)

De hier vermelde gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden. De orde van grootte van de waarden in deze bijlage wordt beïnvloed door de reeks aannames (zoals behandeling van bijproducten, ontwikkelingen in de opbrengst, koolstofvoorraden, verplaatsing van andere grondstoffen) die worden gebruikt in de voor de raming ontwikkelde economische modellen. Hoewel het derhalve onmogelijk is de onzekerheidsmarge van dergelijke ramingen volledig te bepalen, is een gevoeligheidsanalyse, de zogenoemde Monte Carloanalyse, op de resultaten uitgevoerd op basis van de willekeurige variatie van de belangrijkste parameters.

(7)

(++)

Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.”.


(5)  De hier opgenomen gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden.

(6)  De hier opgenomen spreidingsbreedte weerspiegelt 90 % van de resultaten waarvoor de uit de analyse resulterende 5e en 95e percentielwaarden zijn gebruikt. Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 5 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 8, 4 en 33 gCO2eq/MJ). Het 95e percentiel duidt op een waarde beneden welke 95 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten boven 16, 17 en 66 gCO2eq/MJ).


BIJLAGE II

De bijlagen bij Richtlijn 2009/28/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage V, deel C, wordt punt 7 vervangen door:

„7.

Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies te delen door twintig jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P – eB, (1)

waarin:

el

=

op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen of vloeibare biomassa (megajoule)). „Akkerland” (2) en „land voor vaste gewassen” (3) worden beschouwd als één landgebruik;

CSR

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: in januari 2008 of twintig jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

CSA

=

de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijke landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na twintig jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;

P

=

de productiviteit van het gewas (meten als energie van de biobrandstof of vloeibare biomassa per landeenheid per jaar), en

eB

=

bonus van 29 gCO2eq/MJ biobrandstof of vloeibare biomassa indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.

(1)  Het resultaat van de deling van het moleculaire gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculaire gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664."

(2)  Akkerland als gedefinieerd door het IPCC."

(3)  Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.”."

2)

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

„BIJLAGE VIII

Deel A. Voorlopige geraamde emissies van grondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik (gCO2eq/MJ) (4)

Gewasgroep

Gemiddelde (5)

Uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide interpercentiele spreidingsbreedte (6)

Granen en andere zetmeelrijke gewassen

12

8 tot en met 16

Suikers

13

4 tot en met 17

Oliegewassen

55

33 tot en met 66

Deel B. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvan de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik geacht worden nul te zijn

Van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die worden geproduceerd uitgaande van de volgende categorieën grondstoffen worden de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik geacht nul te zijn:

1.

grondstoffen die niet zijn vermeld in deel A van deze bijlage.

2.

grondstoffen waarvan de productie heeft geleid tot directe veranderingen in het landgebruik, d.w.z. een verandering van een van de volgende IPCC-categorieën van landgebruik: bosland, grasland, wetland, woongebieden of overig land, in akkerland of land voor vaste gewassen (7). In een dergelijk geval moet een „emissiewaarde ten gevolge van directe verandering in het landgebruik (el)” worden berekend overeenkomstig bijlage V, deel C, punt 7.

(4)

(+)

De hier vermelde gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden. De orde van grootte van de waarden in deze bijlage wordt beïnvloed door de reeks aannames (zoals behandeling van bijproducten, ontwikkelingen in de opbrengst, koolstofvoorraden, verplaatsing van andere grondstoffen) die worden gebruikt in de voor de raming ontwikkelde economische modellen. Hoewel het derhalve onmogelijk is de onzekerheidsmarge van dergelijke ramingen volledig te bepalen, is een gevoeligheidsanalyse, de zogenoemde Monte Carloanalyse, op de resultaten uitgevoerd op basis van de willekeurige variatie van de belangrijkste parameters.

(7)

(++)

Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.”.

3)

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

„BIJLAGE IX

Deel A. Grondstoffen en brandstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 3, lid 4, eerste alinea, bedoelde streefcijfer wordt geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn:

a)

Algen wanneer zij worden gekweekt op het land in vijvers of fotobioreactoren.

b)

De biomassafractie van gemengd stedelijk afval, maar niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/98/EG.

c)

Bioafval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG van particuliere huishoudens, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn.

d)

De biomassafractie van industrieel afval ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen, met inbegrip van materiaal van de groot- en detailhandel, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde grondstoffen.

e)

Stro.

f)

Dierlijke mest en zuiveringsslib.

g)

Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen.

h)

Talloliepek.

i)

Ruwe glycerine.

j)

Bagasse.

k)

Draf van druiven en droesem.

l)

Notendoppen.

m)

Vliezen.

n)

Kolfspillen waaruit de maïskiemen zijn verwijderd.

o)

Biomassafractie van afvalstoffen en residuen uit de bosbouw en de houtsector, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie.

p)

Ander non-food cellulosemateriaal als omschreven in artikel 2, tweede alinea, onder s).

q)

Ander lignocellulosisch materiaal als omschreven in artikel 2, tweede alinea, onder r), met uitzondering van voor verzaging geschikte stammen of blokken en fineer.

r)

Hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong.

s)

Afvang en benutting van koolstof voor vervoersdoeleinden, als de energiebron hernieuwbaar is overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, onder a).

t)

Bacteriën, als de energiebron hernieuwbaar is overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, onder a).

Deel B. Grondstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 3, lid 4, eerste alinea, bedoelde streefcijfer wordt geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn:

a)

Gebruikte bak- en braadolie.

b)

Dierlijke vetten, ingedeeld als categorieën 1 en 2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(8)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).”."


(5)  De hier opgenomen gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden.

(6)  De hier opgenomen spreidingsbreedte weerspiegelt 90 % van de resultaten waarvoor de uit de analyse resulterende 5e en 95e percentielwaarden zijn gebruikt. Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 5 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 8, 4 en 33 gCO2eq/MJ). Het 95e percentiel duidt op een waarde beneden welke 95 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten boven 16, 17 en 66 gCO2eq/MJ).


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

15.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 239/30


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1514 VAN DE RAAD

van 14 september 2015

tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (1), en met name artikel 14, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 17 maart 2014 heeft de Raad Verordening (EU) nr. 269/2014 vastgesteld.

(2)

Op grond van een evaluatie door de Raad moeten de vermeldingen in de bijlage worden gewijzigd, en moet de vermelding voor één overleden persoon worden geschrapt.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 september 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)  PB L 78 van 17.3.2014, blz. 6.


BIJLAGE

I.

De volgende persoon wordt geschrapt van de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014:

Personen

72.

Oleksiy Borisovych MOZGOVY

II.

De vermeldingen voor de volgende personen en voor één entiteit in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014 worden vervangen door de onderstaande vermeldingen:

Personen

 

Naam

Identificatiegegevens

Redenen

Datum van plaatsing op de lijst

1.

Sergey Valeryevich AKSYONOV,

Sergei Valerievich AKSENOV (Сер Валерьевич AKCëHOB),

Serhiy Valeriyovych AKSYONOV (Сергiй Валерiйович Аксьонов)

Geboortedatum: 26.11.1972

Geboorteplaats: Beltsy (Bălți), nu Republiek Moldavië

Aksyonov is op 27 februari 2014 in de Verkhovna Rada (Hoge Raad) van de Krim, in aanwezigheid van pro-Russische gewapende mannen, verkozen tot „minister-president van de Krim”. Zijn „verkiezing” is op 1 maart 2014 ongrondwettelijk verklaard door Oleksandr Turchynov. Aksyonov heeft actief geijverd voor het op 16 maart 2014 geplande „referendum”. Sedert 9 oktober 2014 is hij het „hoofd” van de zogenaamde „Republiek van de Krim”.

Lid van het presidium van de Russische staatsraad.

17.3.2014

2.

Vladimir Andreevich Konstantinov

(Владимир Андреевич Константинов)

Geboortedatum: 19.11.1956

Geboorteplaats: Vladimirovka (ook bekend als Vladimirovca), regio Slobozia, Socialistische Sovjetrepubliek Moldavië (thans de Republiek Moldavië) of

Bogomol, Socialistische Sovjetrepubliek Moldavië

Als voorzitter van de Hoge Raad van de Autonome Republiek van de Krim heeft Konstantinov een belangrijke rol gespeeld in de door de Verkhovna Rada genomen beslissingen over het „referendum” gericht tegen de territoriale integriteit van Oekraïne, en heeft hij de kiezers opgeroepen vóór onafhankelijkheid van de Krim te stemmen.

17.3.2014

3.

Rustam Ilmirovich Temirgaliev

(Рустам Ильмирович Темиргалиев)

Geboortedatum: 15.8.1976

Geboorteplaats: Ulan-Ude, Autonome Socialistische Sovjetrepubliek Buryat

(Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek)

Als voormalige vicevoorzitter van de Raad van ministers van de Krim heeft Temirgaliev een belangrijke rol gespeeld in de door de Verkhovna Rada genomen beslissingen over het „referendum” gericht tegen de territoriale integriteit van de Krim. Hij heeft actief geijverd voor integratie van de Krim in de Russische Federatie.

17.3.2014

4.

Denis Valentinovich Berezovskiy

(Денис Валентинович Березовский)

Geboortedatum: 15.7.1974

Geboorteplaats: Kharkiv, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Berezovskiy is op 1 maart 2014 benoemd tot commandant van de Oekraïense marine, maar heeft nadien trouw gezworen aan het leger van de Krim, en zodoende zijn eed aan de Oekraïense marine gebroken.

Hij werd vervolgens benoemd tot plaatsvervangend bevelhebber van de Zwarte Zeevloot van de Russische Federatie.

17.3.2014

5.

Aleksei Mikhailovich Chaliy

(Алексей Михайлович Чалый)

Geboortedatum: 13.6.1961

Geboorteplaats: Moskou of Sebastopol

Chaliy is op 23 februari 2014 door het volk uitgeroepen tot „burgemeester van Sebastopol” en hij heeft deze „uitverkiezing” aanvaard. Hij heeft er actief voor geijverd dat Sebastopol na het op 16 maart 2014 geplande „referendum” een aparte entiteit van de Russische Federatie zou worden. Hij heeft het Verdrag betreffende de aanneming van de Republiek Krim door Rusland ondertekend. voorzitter van de Wetgevende Vergadering van de stad Sebastopol.

17.3.2014

6.

Pyotr Anatolyevich Zima

(Пётр Анатольевич Зима)

Geboortedatum: 29.3.1965

Zima is op 3 maart 2014 door „minister-president” Aksyonov benoemd tot nieuw hoofd van de Veiligheidsdienst van de Krim (SBU) en hij heeft deze benoeming aanvaard. Hij heeft relevante informatie, waaronder een databank, doorgespeeld aan de Russische Inlichtingendienst (SBU). Daartoe behoorde ook informatie over pro-Europese Maidan-activisten en mensenrechtenverdedigers van de Krim. Hij heeft een belangrijk aandeel gehad in de acties die moesten voorkomen dat de Oekraïense autoriteiten het grondgebied van de Krim zouden controleren. Op 11 maart 2014 hebben voormalige SBU-officieren van de Krim de vorming van een onafhankelijke Veiligheidsdienst van de Krim afgekondigd.

17.3.2014

7.

Yuriy Gennadyevich Zherebtsov

(Юрий Геннадиевич Жеребцов)

Geboortedatum: 19.11.1969

Geboorteplaats: Izmail, regio Odessa, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne of Odessa

Raadgever van de voorzitter van de Verkhovna Rada van de Krim; één van de belangrijkste organisatoren van het „referendum” van 16 maart 2014 gericht tegen de territoriale integriteit van Oekraïne. Lid van de civiele kamer van de zogenaamde „Republiek Krim”.

17.3.2014

8.

Sergey Pavlovych Tsekov

(Сергей Павлович Цеков)

Geboortedatum: 29.9.1953 of 23.9.1953

Geboorteplaats: Simferopol

Vicevoorzitter van de Verkhovna Rada; Tsekov heeft samen met Sergey Aksyonov het initiatief genomen tot het ongrondwettelijke ontslag van de regering van de Autonome Republiek van de Krim. Hij heeft Vladimir Konstantinov hierbij betrokken door hem met ontslag te bedreigen. Hij heeft openlijk erkend dat parlementsleden van de Krim het initiatief hebben genomen om Russische soldaten te verzoeken de Verkhovna Rada van de Krim over te nemen. Hij was een van de eerste leiders van de Krim die openlijk hebben gepleit voor de annexatie van de Krim bij Rusland.

Lid van de Federatieraad van de Russische Federatie namens de zogenaamde „Republiek Krim”.

17.3.2014

9.

Ozerov, Viktor Alekseevich

(Виктор Алексеевич Озеров)

Geboortedatum: 5.1.1958

Geboorteplaats: Abakan, Chakassië

voorzitter van de Veiligheids- en Defensiecommissie van de Federatieraad van de Russische Federatie.

Op 1 maart 2014 heeft Ozerov, namens de Veiligheids- en Defensiecommissie van de Federatieraad, in de Federatieraad openlijk zijn steun uitgesproken voor de inzet van Russische strijdkrachten in Oekraïne.

17.3.2014

10.

Dzhabarov, Vladimir Michailovich

(Владимир Михайлович Джабаров)

Geboortedatum: 29.9.1952

Eerste vicevoorzitter van de Commissie Internationale Zaken van de Federatieraad van de Russische Federatie.

Op 1 maart 2014 heeft Dzhabarov, namens de Commissie Internationale Zaken van de Federatieraad, in de Federatieraad openlijk zijn steun uitgesproken voor de inzet van Russische strijdkrachten in Oekraïne.

17.3.2014

11.

Klishas, Andrei Aleksandrovich

(Андрей Александрович Клишас)

Geboortedatum: 9.11.1972

Geboorteplaats: Sverdlovsk

voorzitter van de Commissie grondwettelijk recht van de Federatieraad van de Russische Federatie.

Op 1 maart 2014 heeft Klishas in de Federatieraad openlijk zijn steun uitgesproken voor de inzet van Russische strijdkrachten in Oekraïne. In openbare verklaringen heeft Klishas geprobeerd een Russische militaire interventie in Oekraïne te rechtvaardigen door te beweren dat de Oekraïense president zijn steun verleent aan de oproep van de Krimse autoriteiten, gericht aan de president van de Russische Federatie, om de burgers van de Krim op alle mogelijke manieren bijstand te verlenen en te verdedigen.

17.3.2014

12.

Ryzhkov, Nikolai Ivanovich

(Николай Иванович Рыжков)

Geboortedatum: 28.9.1929

Geboorteplaats: Dyleevka, regio Donetsk, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Lid van de Commissie federale aangelegenheden, regionaal beleid en het noorden van de Federatieraad van de Russische Federatie.

Op 1 maart 2014 heeft Ryzhkov in de Federatieraad openlijk zijn steun uitgesproken voor de inzet van Russische strijdkrachten in Oekraïne.

17.3.2014

13.

Bushmin, Evgeni Viktorovich

(Евгений Викторович Бушмин)

Geboortedatum: 4.10.1958

Geboorteplaats: Lopatino, regio Sergachiisky, Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek Rusland

Vicevoorzitter van de Federatieraad van de Russische Federatie.

Op 1 maart 2014 heeft Bushmin in de Federatieraad openlijk zijn steun uitgesproken voor de inzet van Russische strijdkrachten in Oekraïne.

17.3.2014

14.

Totoonov, Aleksandr Borisovich

(Александр Борисович Тотоонов)

Geboortedatum: 3.4.1957

Geboorteplaats: Ordzhonikidze, Noord-Ossetië

Lid van de Commissie cultuur, wetenschap en informatie van de Federatieraad van de Russische Federatie.

Op 1 maart 2014 heeft Totoonov in de Federatieraad openlijk zijn steun uitgesproken voor de inzet van Russische strijdkrachten in Oekraïne.

17.3.2014

15.

Panteleev, Oleg Evgenevich

(Олег Евгеньевич Пантелеев)

Geboortedatum: 21.7.1952

Geboorteplaats: Zhitnikovskoe, regio Kurgan

Voormalige eerste vicevoorzitter van de Commissie Parlementaire Zaken van de Federatieraad.

Op 1 maart 2014 heeft Panteleev in de Federatieraad openlijk zijn steun uitgesproken voor de inzet van Russische strijdkrachten in Oekraïne.

17.3.2014

16.

Mironov, Sergei Mikhailovich

(Сергей Михайлович Миронов)

Geboortedatum: 14.2.1953

Geboorteplaats: Pushkin, regio Leningrad

Lid van de Raad van de Doema; leider van de fractie „Eerlijk Rusland” in de Doema van de Russische Federatie.

Initiatiefnemer van de wet op grond waarvan de Russische Federatie, onder het voorwendsel van bescherming van Russische burgers, delen van het grondgebied van een vreemd land in de Federatie kan opnemen, zonder toestemming van dat land of zonder internationaal verdrag.

17.3.2014

17.

Zheleznyak, Sergei Vladimirovich

(Сергей Владимирович Железняк)

Geboortedatum: 30.7.1970

Geboorteplaats: Sint-Petersburg (voorheen Leningrad)

Vicevoorzitter van de Doema van de Russische Federatie.

Steunt actief de inzet van Russische gewapende strijdkrachten in Oekraïne, alsook de annexatie van de Krim. Hij was aanvoerder van de betoging voor de inzet van Russische gewapende strijdkrachten in Oekraïne.

17.3.2014

18.

Slutski, Leonid Eduardovich

(Леонид Эдуардович Слуцкий)

Geboortedatum: 4.1.1968

Geboorteplaats: Moskou

voorzitter van de Commissie voor het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) van de Doema van de Russische Federatie (lid van LDPR).

Steunt actief de inzet van Russische gewapende strijdkrachten in Oekraïne, alsook de annexatie van de Krim.

17.3.2014

19.

Vitko, Aleksandr Viktorovich

(Александр Викторович Витко)

Geboortedatum: 13.9.1961

Geboorteplaats: Vitebsk (Socialistische Sovjetrepubliek Belarus)

Commandant van de Zwarte Zeevloot, viceadmiraal.

Voert het bevel over Russische troepen die soeverein Oekraïens grondgebied hebben bezet.

17.3.2014

20.

Sidorov, Anatoliy Alekseevich

(Анатолий Алексеевич Сидоров)

Geboortedatum: 2.7.1958

Geboorteplaats: Siva, regio Perm, USSR

Commandant van het westelijke militair district van Rusland, waarvan eenheden op de Krim zijn ingezet. Hij is verantwoordelijk voor een deel van de Russische militaire aanwezigheid op de Krim die de soevereiniteit van Oekraïne ondermijnt, en heeft de autoriteiten van de Krim geholpen het publieke protest te smoren tegen het voornemen een „referendum” te organiseren en aansluiting te zoeken bij Rusland.

17.3.2014

21.

Galkin, Viktorovich Aleksandr

(Александр Викторович Галкин)

Geboortedatum: 22.3.1958

Geboorteplaats: Ordzhonikidze, Autonome Socialistische Sovjetrepubliek Noord-Ossetië

Zuidelijk militair district van Rusland, waarvan troepen op de Krim aanwezig zijn; de Zwarte Zeevloot staat onder bevel van Galkin; een groot deel van de troepenbeweging naar de Krim is via het zuidelijke militaire district verlopen.

Commandant van het zuidelijke militaire district („ZMD”) van Rusland. Eenheden van het ZMD worden ingezet op de Krim. Hij is verantwoordelijk voor een deel van de Russische militaire aanwezigheid op de Krim die de soevereiniteit van Oekraïne ondermijnt, en heeft de autoriteiten van de Krim geholpen het publieke protest te smoren tegen het voornemen een „referendum” te organiseren en aansluiting te zoeken bij Rusland. Daarbij komt nog dat de Zwarte Zeevloot onder controle staat van het militair district.

17.3.2014

22.

Rogozin, Dmitry Olegovich

(Дмитрий Олегович Рогозин)

Geboortedatum: 21.12.1963

Geboorteplaats: Moskou

Vicepremier van de Russische Federatie. Heeft openlijk opgeroepen tot annexatie van de Krim.

21.3.2014

23.

Glazyev, Yurievich Sergey

(Сергей Юрьевич Глазьев)

Geboortedatum: 1.1.1961

Geboorteplaats: Zaporozhye, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Adviseur van de president van de Russische Federatie. Heeft openlijk opgeroepen tot annexatie van de Krim.

21.3.2014

24.

Matviyenko, Valentina Ivanova (geboren Tyutina)

(Валентина Ивановна Матвиенко (geboren Тютина))

Geboortedatum: 7.4.1949

Geboorteplaats: Shepetovka, regio Khmelnitsky (Kamenets-Podolsky), Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

voorzitter van de Federatieraad. Heeft op 1 maart 2014 openlijk de inzet van Russische troepen in Oekraïne gesteund in de Federatieraad.

21.3.2014

25.

Naryshkin, Sergei Evgenevich

(Сергей Евгеньевич Нарышкин)

Geboortedatum: 27.10.1954

Geboorteplaats: Sint-Petersburg (voorheen Leningrad)

voorzitter van de Doema. Heeft openlijk de inzet van Russische troepen in Oekraïne gesteund. Heeft openlijk het Verdrag tot hereniging van Rusland en de Krim en de bijbehorende federale constitutionele wet gesteund.

21.3.2014

26.

Dmitry Konstantinovich KISELYOV,

Dmitrii Konstantinovich KISELEV

(Дмитрий Константинович Киселёв)

Geboortedatum: 26.4.1954

Geboorteplaats: Moskou

Op 9 december 2013 bij presidentieel decreet benoemd tot hoofd van het persbureau „Rossiya Segodnya” van de Russische Federatie.

Spilfiguur van de regeringspropaganda ter verdediging van het inzetten van Russische troepen in Oekraïne.

21.3.2014

27.

Nosatov, Alexander Mihailovich

(Александр Михайлович Носатов)

Geboortedatum: 27.3.1963

Geboorteplaats: Sebastopol, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Plaatsvervangend bevelhebber van de Zwarte Zeevloot, divisieadmiraal.

Bevelhebber van de Russische troepen die soeverein Oekraïens grondgebied bezetten.

21.3.2014

28.

Kulikov, Valery Vladimirovich

(Валерий Владимирович Куликов)

Geboortedatum: 1.9.1956

Geboorteplaats: Zaporozhye, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Plaatsvervangend bevelhebber van de Zwarte Zeevloot, divisieadmiraal.

Bevelhebber van de Russische troepen die soeverein Oekraïens grondgebied bezetten.

21.3.2014

29.

Surkov, Vladislav Yurievich

(Владислав Юрьевич Сурков)

Geboortedatum: 21.9.1964

Geboorteplaats: Solntsevo, regio Lipetsk

Assistent van de president van de Russische Federatie. Heeft op de Krim mede het proces georganiseerd waarbij plaatselijke gemeenschappen van de Krim werden gemobiliseerd om acties op te zetten ter ondermijning van de Oekraïense autoriteiten op de Krim.

21.3.2014

30.

Mikhail Grigoryevich Malyshev

(Михаил Григорьевич Малышев)

Geboortedatum: 10.10.1955

Geboorteplaats: Simferopol, Krim

voorzitter van de kiescommissie op de Krim. Verantwoordelijk voor het beheer van het „referendum” op de Krim. Onder het Russisch systeem verantwoordelijk voor het ondertekenen van de resultaten van het „referendum”.

21.3.2014

31.

Valery Kirillovich Medvedev

(Валерий Кириллович Медведев)

Geboortedatum: 21.8.1946

Geboorteplaats: Shmakovka, regio Primorsky

voorzitter van de kiescommissie op de Krim. Verantwoordelijk voor het beheer van het „referendum” op de Krim. Onder het Russisch systeem verantwoordelijk voor het ondertekenen van de resultaten van het „referendum”.

21.3.2014

32.

Luitenant-generaal Igor Nikolaevich (Mykolayovich) Turchenyuk

(Игорь Николаевич Турченюк)

Geboortedatum: 5.12.1959

Geboorteplaats: Osh, Socialistische Sovjetrepubliek Kirgizië

De facto commandant van de op de Krim ingezette Russische troepen (die Rusland officieel „plaatselijke zelfverdedigingsmilities” blijft noemen). Plaatsvervangend commandant van het zuidelijke militaire district.

21.3.2014

33.

Elena Borisovna Mizulina (geboren Dmitriyeva)

(Елена Борисовна Мизулина (geboren Дмитриева)

Geboortedatum: 9.12.1954

Geboorteplaats: Bui, regio Kostroma

Afgevaardigde in de Doema. Opsteller en mede-indiener van recente wetgevingsvoorstellen in Rusland waardoor het voor regio's van andere landen mogelijk zou zijn geworden zich bij Rusland aan te sluiten zonder voorafgaande instemming van hun centrale autoriteiten.

21.3.2014

34.

Dmitry Nikolayevich Kozak

(Дмитрий Николаевич Козак)

Geboortedatum: 7.11.1958

Geboorteplaats: Bandurovo, regio Kirovograd, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Viceminister-president. Belast met het toezicht op de integratie van de geannexeerde Autonome Republiek Krim in de Russische Federatie.

29.4.2014

35.

Oleg Yevgenyvich Belaventsev

(Олег Евгеньевич Белавенцев)

Geboortedatum: 15.9.1949

Geboorteplaats: Moskou

Gevolmachtigd vertegenwoordiger van de president van de Russische Federatie in het zogeheten „Federale District Krim”, niet-permanent lid van de Russische Veiligheidsraad. Is belast met de uitvoering van de grondwettelijke prerogatieven van het Russische staatshoofd op het grondgebied van de geannexeerde Autonome Republiek Krim.

29.4.2014

36.

Oleg Genrikhovich Savelyev

(Олег Генрихович Савельев)

Geboortedatum: 27.10.1965

Geboorteplaats: Leningrad

minister voor Krimzaken. Belast met de integratie van de geannexeerde Autonome Republiek Krim in de Russische Federatie.

29.4.2014

37.

Sergei Ivanovich Menyailo

(Сергей Иванович Меняйло)

Geboortedatum: 22.8.1960

Geboorteplaats: Alagir, Autonome Socialistische Sovjetrepubliek Noord-Ossetië,

Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek Rusland

Gouverneur van de geannexeerde Oekraïense stad Sebastopol.

29.4.2014

38.

Olga Fedorovna Kovitidi

(Ольга Фёдоровна Ковитиди)

Geboortedatum: 7.5.1962

Geboorteplaats: Simferopol, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Lid van de Raad van de Russische Federatie namens de geannexeerde Autonome Republiek Krim.

29.4.2014

40.

Sergei Ivanovich Neverov

(Сергей Иванович Неверов)

Geboortedatum: 21.12.1961

Geboorteplaats: Tashtagol, USSR

Vicevoorzitter van de Doema, „Verenigd Rusland”. Mede-indiener van wetgeving met het oog op de integratie van de Autonome Republiek Krim in de Russische Federatie.

29.4.2014

41.

Igor Dmitrievich SERGUN

(Игорь Дмитриевич Сергун)

Geboortedatum: 28.3.1957

Geboorteplaats: Podolsk, Moskou Oblast

Directeur van de GRU (hoofddirectoraat inlichtingen), plaatsvervangend hoofd van de generale staf van de strijdkrachten van de Russische Federatie, luitenant-generaal. Verantwoordelijk voor de activiteiten van GRU-functionarissen in Oost-Oekraïne.

29.4.2014

42.

Valery Vasilevich Gerasimov

(Валерий Васильевич Герасимов)

Geboortedatum: 8.9.1955

Geboorteplaats: Kazan

Hoofd van de generale staf van de strijdkrachten van de Russische Federatie, eerste viceminister van Defensie van de Russische Federatie, generaal van de landmacht. Verantwoordelijk voor de grootschalige stationering van Russische troepen langs de grens met Oekraïne en voor het uitblijven van enige de-escalatie van de situatie.

29.4.2014

43.

German Prokopiv

 

Actief als leider van de „Garde van Loegansk”. Nam deel aan de bezetting van het regionale kantoor van de veiligheidsdienst te Loegansk. Onderhoudt nauwe banden met het zogeheten „Leger van het Zuid-Oosten”.

29.4.2014

44.

Valeriy Dmitrievich Bolotov

(Валерий Дмитриевич Болотов)

Geboortedatum: 13.2.1970

Geboorteplaats: Loegansk

Een van de leiders van de separatistische groepering „Leger van het Zuid-Oosten”, die het gebouw van de veiligheidsdienst van de regio Loegansk bezette. Gepensioneerd officier. Voorafgaand aan de bezetting van het gebouw waren hij en andere medeplichtigen in het bezit van wapens die kennelijk op illegale wijze door Rusland en door lokale criminele groeperingen waren verstrekt.

29.4.2014

45.

Andriy Yevgenovych PURGIN

(Андрiй Eвгенович Пургiн),

Andrei Evgenevich PURGIN

(Андрей Евгеньевич Пургин)

Geboortedatum: 26.1.1972

Geboorteplaats: Donetsk

Voormalig hoofd van de „Republiek Donetsk”, actief als deelnemer aan en organisator van separatistische acties, coördinator van het optreden van de „Russische toeristen” in Donetsk. Stond mede aan de wieg van het „Burgerinitiatief van Donbass voor de Euraziatische Unie”. Zogenaamde „voorzitter” van de „Volksraad van de Volksrepubliek Donetsk”.

29.4.2014

46.

Denys Volodymyrovych PUSHYLIN

(Денис Володимирович Пушилiн),

Denis Vladimirovich PUSHILIN

(Денис Владимирович Пушилин)

Geboortedatum: 9.5.1981 of 9.5.1982

Geboorteplaats: Makiikva (Donetsk oblast)

Een van de leiders van de „Volksrepubliek Donetsk”. Nam deel aan de bestorming en bezetting van het gebouw van de regionale overheid. Actief als woordvoerder van de separatisten. Zogeheten „vicevoorzitter” van de „Volksraad” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

29.4.2014

47.

Tsyplakov Sergey Gennadevich

Geboortedatum: 1.5.1983

Geboorteplaats: Khartsyzsk, Donetsk Oblast

Een van de leiders van de ideologisch radicale organisatie Volksmilitie van Donbas. Nam actief deel aan de bezetting van een aantal overheidsgebouwen in de regio Donetsk.

29.4.2014

48.

Igor Vsevolodovich Girkin

(Игорь Всеволодович Гиркин), ook bekend als Igor Strelkov (Ihor Strielkov)

Geboortedatum: 17.12.1970

Geboorteplaats: Moskou

Geldt als personeelslid van het hoofddirectoraat inlichtingen van de generale staf van de strijdkrachten van de Russische Federatie (GRU). Was betrokken bij incidenten in Sloviansk. Hij is medewerker voor veiligheidsaangelegenheden van Sergey Aksionov, die zichzelf heeft uitgeroepen tot premier van de Krim. Hoofd van de publieke beweging „Novorossia”.

29.4.2014

49.

Vyacheslav Viktorovich Volodin

(Вячеслав Викторович Володин)

Geboortedatum: 4.2.1964

Geboorteplaats: Alekseevka, regio Saratov.

Eerste vicechef-staf van de presidentiële kanselarij van Rusland. Belast met het toezicht op de politieke integratie van de geannexeerde Oekraïense regio Krim in de Russische Federatie.

12.5.2014

50.

Vladimir Anatolievich Shamanov

(Владимир Анатольевич Шаманов)

Geboortedatum: 15.2.1957

Geboorteplaats: Barnaul.

Commandant van de Russische luchtlandingstroepen, kolonel-generaal. Is vanuit deze leidinggevende positie verantwoordelijk voor de inzet van Russische luchtlandingstroepen op de Krim.

12.5.2014

51.

Vladimir Nikolaevich Pligin

(Владимир Николаевич Плигин)

Geboortedatum: 19.5.1960

Geboorteplaats: Ignatovo,

Vologodsk Oblast, USSR.

voorzitter van de Commissie grondwettelijk recht van de Doema. Verantwoordelijk voor het faciliteren van de vaststelling van wetgeving betreffende de annexatie van de Krim en Sebastopol bij de Russische Federatie.

12.5.2014

52.

Petr Grigorievich JAROSH

(Петр Григорьевич Ярош)

Geboortedatum: 30.1.1971 of 16.3.1966

Geboorteplaats: Skvortsovo, regio Simferopol, Krim

Hoofd van het bureau voor de Krim van de federale migratiedienst. Verantwoordelijk voor de systematische en versnelde afgifte van Russische paspoorten voor ingezetenen van de Krim.

12.5.2014

53.

Oleg Grigorievich Kozyura

(Олег Григорьевич Козюра)

Geboortedatum: 19.12.1962

Geboorteplaats: Zaporozhye

Hoofd van het bureau voor de Krim van de federale migratiedienst. Verantwoordelijk voor de systematische en versnelde afgifte van Russische paspoorten voor ingezetenen van Sebastopol.

12.5.2014

54.

Viacheslav PONOMARIOV,

Vyacheslav Volodymyrovich PONOMARYOV

(В'ячеслав Володимирович Пономарьов),

Viacheslav Vladimirovich PONOMAREV

(Вячеслав Владимирович Пономарëв)

Geboortedatum: 2.5.1965

Geboorteplaats: Sloviansk (Donetsk oblast)

Voormalige door zichzelf benoemde burgemeester van Slaviansk. Ponomariov heeft Vladimir Poetin opgeroepen Russische strijdkrachten te sturen ter bescherming van de stad en heeft hem later verzocht wapens te leveren. Medestanders van Ponomariov zijn betrokken bij kidnappingen; zij hebben Irma Krat en Simon Ostrovsky, een reporter van Vice News, gevangen genomen; beiden zijn later weer vrijgelaten. Zij hebben militaire waarnemers (ingezet in het kader van het Weens Document van de OVSE) gevangen gehouden. Blijft betrokken bij de ondersteuning van separatistische acties en beleidsmaatregelen.

12.5.2014

55.

Igor Nikolaevich Bezler

(Игорь Николаевич Безлер), ook bekend als Bes (duivel)

Geboortedatum: 30.12.1965

Geboorteplaats: Simferopol, Krim

Een van de leiders van de militie die zichzelf in Horlivka heeft uitgeroepen. Heeft de controle overgenomen over het gebouw waar het bureau van de Oekraïense veiligheidsdienst in de regio Donetsk is gevestigd, en heeft nadien het districtsbureau van het ministerie van Binnenlandse Zaken in de stad Horlivka bezet. Heeft banden met Ihor Strielkov, onder wiens bevel hij (volgens informatie van de SBU) betrokken was bij de moord op Volodymyr Rybak, gemeenteraadslid in de stad Horlivka.

12.5.2014

57.

Oleg TSARIOV,

Oleh Anatoliyovych TSAROV

(Олег Анатолтович Царьов),

Oleg Anatolevich TSAREV

(Олег Анатольевич Цаpëв)

Geboortedatum: 2.6.1970

Geboorteplaats: Dnepropetrovsk

Voormalig lid van de Rada, heeft als lid openlijk opgeroepen tot de oprichting van de zogenoemde „Federale Republiek Novorossiya”, bestaande uit regio's in het zuidoosten van Oekraïne. Blijft betrokken bij de ondersteuning van separatistische acties of beleidsmaatregelen.

12.5.2014

58.

Roman Viktorovich Lyagin

(Роман Викторович Лягин)

Geboortedatum: 30.5.1980

Geboorteplaats: Donetsk, Oekraïne

Hoofd van de centrale kiescommissie van de „Volksrepubliek Donetsk”. Heeft actief meegewerkt aan de organisatie van het „referendum” van 11 mei 2014 over het zelfbeschikkingsrecht van de „Volksrepubliek Donetsk”. Voormalige „minister van Werkgelegenheid en Sociaal Beleid”.

12.5.2014

59.

Aleksandr Sergeevich MALYKHIN,

Alexander Sergeevich MALYHIN

(Александр Сергеевич Малнхин)

Geboortedatum: 12.1.1981

Hoofd van de centrale kiescommissie van de „Volksrepubliek Loegansk”. Heeft actief meegewerkt aan de organisatie van het „referendum” van 11 mei 2014 over het zelfbeschikkingsrecht van de „Volksrepubliek Loegansk”.

12.5.2014

60.

Natalia Vladimirovna Poklonskaya

(Наталья Владимировна Поклонская)

Geboortedatum: 18.3.1980

Geboorteplaats: Mikhailovka, regio Voroshilovgrad, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne of Yevpatoria, Socialistische Sovjetrepubliek Oekraïne

Procureur van de Krim. Werkt actief mee aan de annexatie van de Krim door Rusland.

12.5.2014

61.

Igor Sergeievich Shevchenko

(Игорь Сергеевич Шевченко)

Geboorteplaats: Sebastopol, Krim

Procureur van Sebastopol. Werkt actief mee aan de annexatie van Sebastopol door Rusland.

12.5.2014

62.

Aleksandr Yurevich BORODAI

(Александр Юрьевич Бородай)

Geboortedatum: 25.7.1972

Geboorteplaats: Moskou

Voormalige zogenaamde „minister-president van de Volksrepubliek Donetsk”, die verantwoordelijk was voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Donetsk” (bv. op 8 juli 2014 verklaarde hij: „Onze militairen voeren een bijzondere operatie uit tegen de Oekraïense „fascisten””), ondertekenaar van het memorandum van overeenstemming inzake „de Unie van Novorossiya”. Blijft betrokken bij de ondersteuning van separatistische acties of beleidsmaatregelen.

12.7.2014

63.

Alexander KHODAKOVSKY,

Oleksandr Serhiyovych KHODAKOVSKIY

(Олександр Сергiйович Ходаковський),

Aleksandr Sergeevich KHODAKOVSKII

(Александр Сергеевич Ходаковский)

Geboortedatum: 18.12.1972

Geboorteplaats: Donetsk

Voormalige zogenoemde „minister van Veiligheid van de Volksrepubliek Donetsk”, die verantwoordelijk was voor de separatistische beveiligingsdiensten van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Donetsk”. Blijft betrokken bij de ondersteuning van separatistische acties of beleidsmaatregelen.

12.7.2014

64.

Alexandr Aleksandrovich KALYUSSKY,

(Александр Александрович Калюсский)

Geboortedatum: 9.10.1975

Zogenaamd „de facto viceminister-president; minister van Sociale Zaken van de Volksrepubliek Donetsk”. Verantwoordelijk voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Donetsk”.

12.7.2014

65.

Alexander KHRYAKOV,

Aleksandr Vitalievich KHRYAKOV

(Александр Витальевич Хряков),

Oleksandr Vitaliyovych KHRYAKOV

(Олександр ВiTалiйович Хряков)

Geboortedatum: 6.11.1958

Geboorteplaats: Donetsk

Voormalige zogenaamde „minister van Informatie en Massacommunicatie van de Volksrepubliek Donetsk”. Verantwoordelijk voor de pro-separatistische propaganda-activiteiten van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

12.7.2014

66.

Marat Faatovich BASHIROV

(Марат Фаатович Баширов)

Geboortedatum: 20.1.1964

Geboorteplaats: Izhevsk, Russische Federatie

Voormalige zogenaamde „minister-president van de Raad van ministers van de Volksrepubliek Loegansk” (bevestigd op 8 juli 2014).

Verantwoordelijk voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Loegansk”.

12.7.2014

67.

Vasyl NIKITIN,

Vasilii Aleksandrovich NIKITIN

(Василий Александрович Никитин)

Geboortedatum: 25.11.1971

Geboorteplaats: Shargun (Oezbekistan)

Zogenaamd „viceminister-president van de Raad van ministers van de Volksrepubliek Loegansk”, (voordien „minister-president van de Volksrepubliek Loegansk”, en voormalig woordvoerder van het „Leger van het Zuidoosten”).

Verantwoordelijk voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Loegansk”.

Is de man achter de verklaring van het Leger van het Zuidoosten dat de Oekraïense presidentsverkiezingen in de „Volksrepubliek Loegansk” niet kunnen plaatsvinden vanwege de „nieuwe” status van de regio.

12.7.2014

68.

Aleksey Vyacheslavovich KARYAKIN

(Алексей Вячеславович Карякин)

Geboortedatum: 7.4.1980 of 7.4.1979

Geboorteplaats: Stakhanov (Loegansk oblast)

Zogenaamd „voorzitter van de Hoge Raad van de Volksrepubliek Loegansk”.

Verantwoordelijk voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de „Hoge Raad”, verantwoordelijk voor het verzoek aan de Russische Federatie om de onafhankelijkheid van de „Volksrepubliek Loegansk” te erkennen.

Ondertekenaar van het memorandum van overeenstemming inzake de „Unie van Novorossiya”.

12.7.2014

69.

Yuriy Volodymyrovych IVAKIN

(Юрiй Володимирович Iвакiн),

Iurii Vladimirovich IVAKIN

(Юрий Владимирович Ивакин)

Geboortedatum: 13.8.1954

Geboorteplaats: Perevalsk (Loegansk oblast)

Voormalige zogenaamde „minister van Binnenlandse Zaken van de Volksrepubliek Loegansk”, die verantwoordelijk was voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Loegansk”.

12.7.2014

70.

Igor PLOTNITSKY,

Igor Venediktovich PLOTNITSKII

(Игорь Венедиктович Плотницкий)

Geboortedatum: 24.6.1964 of 25.6.1964 of 26.6.1964

Geboorteplaats: Loegansk (mogelijk in Kelmentsi, Chernivtsi oblast)

Voormalige zogenaamde „minister van Defensie” en momenteel zogenaamd „hoofd” van de „Volksrepubliek Loegansk”.

Verantwoordelijk voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Loegansk”.

12.7.2014

71.

Nikolay KOZITSYN

Geboortedatum: 20.6.1956

Geboorteplaats: regio Donetsk

Commandant van het Kozakkenleger.

Voert het bevel over separatisten in het oosten van Oekraïne die strijden tegen de Oekraïense overheidstroepen.

12.7.2014

73.

Mikhail Efimovich FRADKOV

(Михаил Ефимович Фрадков)

Geboortedatum: 1.9.1950

Geboorteplaats: Kurumoch, regio Kuibyshev

Permanent lid van de Veiligheidsraad van de Russische Federatie; directeur van de buitenlandse inlichtingendienst van de Russische Federatie. Als lid van de Veiligheidsraad (die advies verstrekt over nationale veiligheidsaangelegenheden, en deze coördineert) was hij betrokken bij het uitstippelen van het beleid van de Russische overheid waardoor de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne worden bedreigd.

25.7.2014

74.

Nikolai Platonovich PATRUSHEV

(Николай Платонович Патрушев)

Geboortedatum: 11.7.1951

Geboorteplaats: Leningrad (Sint-Petersburg)

Permanent lid en secretaris van de Veiligheidsraad van de Russische Federatie. Als lid van de Veiligheidsraad (die advies verstrekt over nationale veiligheidsaangelegenheden, en deze coördineert) was hij betrokken bij het uitstippelen van het beleid van de Russische overheid waardoor de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne worden bedreigd.

25.7.2014

75.

Aleksandr Vasilievich BORTNIKOV

(Александр Васильевич Бортников)

Geboortedatum: 15.11.1951

Geboorteplaats: Perm

Permanent lid van de Veiligheidsraad van de Russische Federatie; directeur van de federale veiligheidsdienst (FSB). Als lid van de Veiligheidsraad (die advies verstrekt over nationale veiligheidsaangelegenheden, en deze coördineert) was hij betrokken bij het uitstippelen van het beleid van de Russische overheid waardoor de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne worden bedreigd.

25.7.2014

76.

Rashid Gumarovich NURGALIEV

(Рашид Гумарович Нургалиев)

Geboortedatum: 8.10.1956

Geboorteplaats: Zhetikara, Socialistische Sovjetrepubliek Kazachstan

Permanent lid en ondersecretaris van de Veiligheidsraad van de Russische Federatie. Als lid van de Veiligheidsraad (die advies verstrekt over nationale veiligheidsaangelegenheden, en deze coördineert) was hij betrokken bij het uitstippelen van het beleid van de Russische overheid waardoor de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne worden bedreigd.

25.7.2014

77.

Boris Vyacheslavovich GRYZLOV

(Борис Вячеславович Грызлов)

Geboortedatum: 15.12.1950

Geboorteplaats: Vladivostok

Permanent lid van de Veiligheidsraad van de Russische Federatie. Als lid van de Veiligheidsraad (die advies verstrekt over nationale veiligheidsaangelegenheden, en deze coördineert) was hij betrokken bij het uitstippelen van het beleid van de Russische overheid waardoor de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne worden bedreigd.

25.7.2014

78.

Sergei Orestovoch BESEDA

(Сергей Орестович Беседа)

Geboortedatum: 17.5.1954

Bevelhebber van de Vijfde Dienst van de federale veiligheidsdienst (FSB) van de Russische Federatie.

Als een van de hoge functionarissen van de FSB leidt hij een dienst die verantwoordelijk is voor het toezicht op inlichtingenoperaties en internationale activiteiten.

25.7.2014

79.

Mikhail Vladimirovich DEGTYAREV

(Михаил Владимирович Дегтярëв)

Geboortedatum: 10.7.1981

Geboorteplaats: Kuibyshev (Samara)

Lid van de Doema.

Op 23.5.2014 kondigde hij de plechtige opening aan van de „de facto-ambassade” van de niet-erkende zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk” in Moskou. Hij draagt bij tot het ondermijnen en bedreigen van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne.

25.7.2014

80.

Ramzan Akhmadovitch KADYROV

(Рамзан Ахматович Кадыров)

Geboortedatum: 5.10.1976

Geboorteplaats: Tsentaroy.

President van de Republiek Tsjetsjenië. Kadyrov legde verklaringen af waarin hij zijn steun uitsprak voor de illegale annexatie van de Krim en voor de gewapende opstand in Oekraïne. Zo verklaarde hij op 14 juni 2014 dat hij „alles in het werk zou stellen om de Krim er weer bovenop te helpen”. In dat verband ontving hij uit handen van de leider van de Autonome Republiek van de Krim een onderscheiding „voor de bevrijding van de Krim”, vanwege zijn steun voor de illegale annexatie van de Krim. Op 1 juni 2014 verklaarde hij zich voorts bereid desgevraagd 74 000 Tsjetsjeense vrijwilligers naar Oekraïne te sturen.

25.7.2014

81.

Alexander Nikolayevich TKACHYOV

(Александр Николаевич Ткачëв)

Geboortedatum: 23.12.1960

Geboorteplaats: Vyselki, regio Krasnodar

Voormalig gouverneur van de regio Krasnodar.

Ontving uit handen van de leider van de Autonome Republiek van de Krim een onderscheiding „voor de bevrijding van de Krim”, vanwege zijn steun voor de illegale annexatie van de Krim. Bij die gelegenheid zei de leider van de Autonome Republiek van de Krim dat Tkachyov een van de eersten was die hun steun betuigden voor de nieuwe „machthebbers” van de Krim.

25.7.2014

82.

Pavel GUBAREV

(Павел Юрьевич Губарев)

Geboortedatum: 10.2.1983

Geboorteplaats: Sievierodonetsk

Een van de zelfverklaarde leiders van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Verzocht om Russische interventie in Oost-Oekraïne, onder meer door het inzetten van Russische vredestroepen. Heeft banden met Igor Strelkov/Girkin, die verantwoordelijk is voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen. Gubarev is verantwoordelijk voor de recrutering van personen voor de separatistische strijdkrachten.

Is verantwoordelijk voor de bezetting van het gebouw van de regionale overheid in Donetsk met pro-Russische strijdkrachten. Hij heeft zichzelf uitgeroepen tot „gouverneur van het volk”.

Werd gearresteerd wegens het bedreigen van de territoriale integriteit van Oekraïne, en vervolgens weer vrijgelaten. Blijft desondanks een belangrijke rol vervullen bij separatistische activiteiten; ondermijnt de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne.

25.7.2014

83.

Ekaterina Iurievna GUBAREVA

(Екатерина Юрьевна Губарева),

Katerina Yuriyovna GUBARIEVA

(Катерина Юрiйовнa Губарева)

Geboortedatum: 5.7.1983

Geboorteplaats: Kakhovka (Kherson oblast)

In haar hoedanigheid van voormalige zogenaamde „minister van Buitenlandse Zaken” was zij verantwoordelijk voor het verdedigen van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”, waardoor de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnd werden. Voorts wordt haar bankrekening gebruikt voor de financiering van illegale separatistische groepen. In deze hoedanigheid heeft zij bijgevolg acties en beleidsmaatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Blijft betrokken bij de ondersteuning van separatistische acties en beleidsmaatregelen.

25.7.2014

84.

Fedor Dmitrievich BEREZIN

(Фëдор Дмитриевич Березин),

Fedir Dmitrovych BEREZIN

(Федiр Дмитрович Березiн)

Geboortedatum: 7.2.1960

Geboorteplaats: Donetsk

Voormalige zogenaamde „plaatsvervangend minister van Defensie” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Heeft banden met Igor Strelkov/Girkin, die verantwoordelijk is voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen. In deze hoedanigheid heeft Berezin bijgevolg acties en beleidsmaatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Blijft betrokken bij de ondersteuning van separatistische acties en beleidsmaatregelen.

25.7.2014

85.

Valery Vladimirovich KAUROV

Валерий Владимирович Кауров

Geboortedatum: 2.4.1956

Geboorteplaats: Odessa

Zelfverklaard „president” van de zogenaamde „Republiek Novorossiya”; verzocht Rusland om inzet van strijdkrachten in Oekraïne. Door het aannemen en uitoefenen van deze functie steunde hij acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

25.7.2014

86.

Serhii Anatoliyovych ZDRILIUK

Сергей Анатольевич Здрнлюкv

Geboortedatum: 23.6.1972

Geboorteplaats: Regio Vinnytsia

Hooggeplaatst medewerker van Igor Strelkov/Girkin, die verantwoordelijk is voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Door het aannemen en uitoefenen van deze functie steunde Zdriliuk acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

25.7.2014

87.

Vladimir ANTYUFEYEV

Владимир Антюфеев

(ook bekend als Vladimir SHEVTSOV, Vladimir Iurievici ANTIUFEEV, Vladimir Gheorghievici ALEXANDROV, Vadim Gheorghievici SHEVTSOV)

Geboortedatum: 19.2. 1951

Geboorteplaats: Novosibirsk

Voormalig „minister voor de Veiligheid van de Staat” in de separatistische regio Transnistrië. Voormalig vicepremier van de Volksrepubliek Donetsk, bevoegd voor veiligheid en ordehandhaving. Is in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de separatistische „overheidsactiviteiten” van de zogenaamde „regering van de Volksrepubliek Donetsk”.

25.7.2014

88.

Alexey Alexeyevich GROMOV

(Алексей Алексеевич Громов)

Geboortedatum: 31.5.1960

Geboorteplaats: Zagorsk (Sergiev Posad)

Als eerste onderstafchef van de presidentiële administratie is hij verantwoordelijk voor instructies aan de Russische media om zich gunstig op te stellen ten aanzien van de separatisten in Oekraïne en de annexatie van de Krim. Hij steunt derhalve de destabilisering van Oost-Oekraïne en de annexatie van de Krim.

30.7.2014

90.

Boris Alekseevich LITVINOV

(Борис Алексеевич Литвинов)

Geboortedatum: 13.1.1954

Geboorteplaats: Dzerzhynsk (Donetsk oblast)

Lid van de zogenaamde „Volksraad” en voormalig voorzitter van de zogenaamde „Hoge Raad” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”, die een initiatiefnemer was van het beleid en de organisatie van het illegale „referendum” dat leidde tot het uitroepen van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”, die een schending vormde van de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de eenheid van Oekraïne.

30.7.2014

91.

Sergey Vadimovich ABISOV

(Сергей Вадимович Абисов)

Geboortedatum: 27.11.1967

Geboorteplaats: Simferopol, Krim

Aanvaardde zijn benoeming tot zogenaamde „minister van Binnenlandse Zaken van de Krimrepubliek” bij decreet van de president van Rusland (decreet Nr. 301) van 5 mei 2014, en heeft door zijn acties als zogenaamde „minister van Binnenlandse Zaken” de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de eenheid van Oekraïne ondermijnd.

30.7.2014

92.

Arkady Romanovich ROTENBERG,

Arkadii Romanovich ROTENBERG

(Аркадий Романович Ротенберг)

Geboortedatum: 15.12.1951

Geboorteplaats: Leningrad (Sint-Petersburg).

De heer Rotenberg is sinds lange tijd een kennis van president Poetin en zijn voormalige judo-sparringpartner.

Hij heeft zijn vermogen verdiend tijdens de ambtstermijn van president Poetin. Zijn economisch succes dankt hij aan de gunstige invloed van de belangrijkste beleidsmakers, met name bij de gunning van overheidsopdrachten.

Hij heeft geprofiteerd van zijn nauwe persoonlijke band met de Russische beleidsmakers doordat hij belangrijke opdrachten kreeg van de Russische staat of van overheidsbedrijven. Zijn ondernemingen kregen met name verscheidene zeer lucratieve contracten in de voorbereidingen op de Olympische Spelen in Sotsji.

Hij is tevens eigenaar van de onderneming Stroygazmontazh, die een overheidsopdracht heeft gekregen voor de bouw van een brug van Rusland naar de illegaal geannexeerde Autonome Republiek van de Krim, waarmee de integratie van de Krim in de Russische Federatie geconsolideerd wordt en de territoriale integriteit van Oekraïne verder ondermijnd wordt.

Hij is de voorzitter van de raad van bestuur van de uitgeverij Prosvescheniye, die met name verantwoordelijk is voor het project „Aan de kinderen van Rusland: Adres: de Krim”, een overheidscampagne die erop gericht is de kinderen van de Krim ervan te overtuigen dat zij nu Russische burgers zijn die in Rusland wonen, waarmee hij het beleid tot integratie van de Krim in Rusland van de Russische regering steunt.

30.7.2014

93.

Konstantin Valerevich MALOFEEV

(Константин Валерьевич Малофеев)

Geboortedatum: 3.7.1974

Geboorteplaats: Puschino

De heer Malofeev heeft nauwe banden met Oekraïense separatisten in Oost-Oekraïne en de Krim. Hij is een voormalig werkgever van de heer Borodai, de zogenaamde premier van de zogenaamde „Volksrepubliek van Donetsk” en had een ontmoeting met de heer Aksyonov, de zogenaamde premier van de zogenaamde „Krimrepubliek” in de periode van de annexatie van de Krim. De regering van Oekraïne heeft een strafrechtelijk onderzoek tegen hem geopend naar aanleiding van zijn vermeende materiële en financiële steun aan de separatisten. Daarnaast heeft hij een aantal openbare verklaringen afgelegd waarin hij de annexatie van de Krim en de opneming van Oekraïne in Rusland steunde; hij verklaarde met name in juni 2014 dat „het niet mogelijk was om geheel Oekraïne in Rusland op te nemen, maar misschien wel het Oosten (van Oekraïne)”.

De heer Malofeev steunt derhalve de destabilisering van Oost-Oekraïne.

30.7.2014

94.

Yuriy Valentinovich KOVALCHUK

(Юрий Валентинович Ковальчук)

Geboortedatum: 25.7.1951

Geboorteplaats: Leningrad (Sint-Petersburg).

De heer Kovalchuk is van oudsher een kennis van president Putin. Hij is medestichter van de zogenaamde Ozero Dacha, een coöperatie die een groep invloedrijke personen rond president Putin verenigt.

Hij trekt profijt uit zijn banden met Russische beleidsmakers. Hij is voorzitter en grootste aandeelhouder van Bank Rossiya, waarvan in 2013 nagenoeg 38 % in zijn bezit was, en die wordt beschouwd als de persoonlijke bank van hogere ambtenaren van de Russische Federatie. Sedert de illegale annexatie van de Krim heeft Bank Rossiya filialen geopend op de gehele Krim en in Sebastopol, waardoor zij de integratie daarvan in de Russische Federatie consolideert.

Daarnaast heeft Bank Rossiya een belangrijk aandeel in de National Media Group, een groep die televisiezenders controleert waarop het destabiliseringsbeleid van de Russische regering actief wordt gesteund.

30.7.2014

95.

Nikolay Terentievich SHAMALOV

(Николай Терентьевич Шамалов)

Geboortedatum: 24.1.1950

Geboorteplaats: Belarus

De heer Shamalov is sinds lange tijd een kennis van president Poetin. Hij is medestichter van de zogenaamde Ozero Dacha, een coöperatie die een groep invloedrijke personen rond president Poetin verenigt.

Hij trekt profijt uit zijn banden met Russische beleidsmakers. Hij is de op een na grootste aandeelhouder van Bank Rossiya, waarvan in 2013 ongeveer 10 % in zijn bezit was, en die wordt beschouwd als de persoonlijke bank van hogere ambtenaren van de Russische Federatie. Sedert de illegale annexatie van de Krim heeft Bank Rossiya filialen geopend op de gehele Krim en in Sebastopol, waardoor zij de integratie daarvan in de Russische Federatie consolideert.

Daarnaast heeft Bank Rossiya een belangrijk aandeel in de National Media Group, een groep die televisiezenders controleert waarop het door de Russische regering gevoerde beleid ter destabilisering van Oekraïne actief wordt gesteund.

30.7.2014

96.

Alexander Vladimirovich ZAKHARCHENKO

(Александр Владимирович Захарченко)

Geboortedatum: 26.6.1976

Geboorteplaats: Donetsk

Sinds 7 augustus 2014 vervangt hij Alexander Borodai als de zogenaamde „minister-president” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. In deze hoedanigheid heeft Zakharchenko acties en beleidsmaatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

12.9.2014

97.

Vladimir KONONOV/alias „Tsar”

(Владимир Петровнч Кононов)

Geboortedatum: 14.10.1974

Geboorteplaats: Gorsky

Sinds 14 augustus vervangt hij Igor Strelkov/Girkin als zogenaamde „minister van Defensie” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Hij zou sinds april de leiding hebben over een divisie van separatistische strijders in Donetsk, en hij heeft beloofd zich te kwijten van de strategische taak om de Oekraïnse militaire agressie af te weren. Konokov heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

12.9.2014

98.

Miroslav Vladimirovich RUDENKO

(Мирослав Владимирович Руденко)

Geboortedatum: 21.1.1983

Geboorteplaats: Debalcevo

Betrokken bij de „Volksmilitie van de Donbass”. Hij heeft onder meer verklaard dat zij in de rest van het land zullen blijven vechten. Rudenko heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Zogenaamde „volksvertegenwoordiger” in het zogenaamde „Parlement van de Volksrepubliek Donetsk”.

12.9.2014

99.

Gennadiy Nikolaiovych TSYPKALOV,

Gennadii Nikolaevich TSYPKALOV

(Геннадий Николаевич ЦыПлаков)

Geboortedatum: 21.6.1973

Geboorteplaats: Rostov oblast (Rusland)

Verving Marat Bashirov als zogenaamde „eerste minister” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”. Daarvoor actief in de militie „Leger van het Zuidoosten”. Tsyplakov heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

12.9.2014

101.

Oleg Vladimirovich BEREZA

(Олег Владимирович Берëза)

Geboortedatum: 1.3.1977

„minister van Binnenlandse Zaken” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Gelieerd aan Vladimir Antyufeyev, die verantwoordelijk is voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Hij heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

12.9.2014

102.

Andrei Nikolaevich RODKIN

(Андрей Николаевич Родкин)

Geboortedatum: 23.9.1976

Geboorteplaats: Moskou

Vertegenwoordiger in Moskou van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Hij heeft onder meer verklaard dat de milities bereid zijn een guerrilla-oorlog te voeren en dat zij wapensystemen van de Oekraïense strijdkrachten hebben bemachtigd. Hij heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

12.9.2014

103.

Aleksandr Akimovich KARAMAN

(Александр Акимович Караман),

Alexandru CARAMAN

Geboortedatum: 26.7.1956 of 26.6.1956

Geboorteplaats Cioburciu, district Slobozia, nu Republiek Moldavië

„Viceminister-president voor Sociale Zaken” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Gelieerd aan Vladimir Antyufeyev, die verantwoordelijk is voor de separatistische „regeringsactiviteiten” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Hij heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Beschermeling van viceminister-president van Rusland, Dmitry Rogozin. Hoofd van de administratie van de Raad van ministers van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

12.9.2014

104.

Georgiy L'vovich MURADOV

(Георгий Львович Мурадов)

Geboortedatum: 19.11.1954

Geboorteplaats: Kochmes, Komi ASSR

Zogenaamd „viceminister-president” van de Krim en gevolmachtigd vertegenwoordiger van de Krim bij president Poetin. Muradov heeft een belangrijke rol gespeeld bij het consolideren van de institutionele controle door Rusland over de Krim sinds de illegale annexatie. Hij heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

12.9.2014

105.

Mikhail Sergeyevich SHEREMET

(Михаил Сергеевич Шеремет)

Geboortedatum: 23.5.1971

Geboorteplaats: Dzhankoy

Zogenaamd „eerste viceminister-president” van de Krim. Sheremet heeft een belangrijke rol gespeeld bij de organisatie en uitvoering van het „referendum” van 16 maart op de Krim over de hereniging met Rusland. Ten tijde van het „referendum” zou Sheremet op de Krim de leiding hebben gehad over de pro-Moskou-„zelfverdedigingstroepen”. Hij heeft bijgevolg acties en maatregelen ondersteund die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen.

12.9.2014

106.

Yuri Leonidovich VOROBIOV

(Юрий Леонидович Воробьев)

Geboortedatum: 2.2.1948

Geboorteplaats: Krasnoyarsk

Vicevoorzitter van de Federatieraad van de Russische Federatie. Op 1 maart 2014 heeft Vorobiov het inzetten van Russische strijdkrachten in Oekraïne openlijk gesteund in de Federatieraad. Hij heeft dan ook voor het desbetreffende decreet gestemd.

12.9.2014

107.

Vladimir Volfovich ZHIRINOVSKY

(Владимир Вольфович Жириновски)

Geboortedatum: 25.4.1946

Geboorteplaats: Alma-Ata, SSR Kazachstan

Lid van de Raad van de Doema; voorzitter van de LDPR-partij. Hij heeft de inzet van Russische gewapende strijdkrachten in Oekraïne en de annexatie van de Krim actief ondersteund. Hij heeft actief gepleit voor de opdeling van Oekraïne. Namens de door hem voorgezeten LDPR-partij heeft hij een overeenkomst met de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk” ondertekend.

12.9.2014

108.

Vladimir Abdualiyevich VASILYEV

(Васильев Владимир Абдуалиевич)

Geboortedatum: 11.8.1949

Geboorteplaats: Klin

Vicevoorzitter van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

109.

Viktor Petrovich VODOLATSKY

(Виктор Петрович Водолацкий)

Geboortedatum: 19.8.1957

Geboorteplaats: Stefanidin dar, regio Rostov

voorzitter („ataman”) van de Unie van Russische en buitenlandse Kozakse Strijdkrachten, en afgevaardigde van de Doema. Hij heeft de annexatie van de Krim ondersteund en hij heeft toegelaten dat Russische Kozakken actief betrokken waren bij het Oekraïnse conflict aan de zijde van de door de Russen gesteunde separatisten. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

110.

Leonid Ivanovich KALASHNIKOV

(Леонид Иванович Калашников)

Geboortedatum: 6.8.1960

Geboorteplaats: Stepnoy Dvorets

Eerste vicevoorzitter van de Commissie Buitenlandse Zaken van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

111.

Vladimir Stepanovich NIKITIN

(Владимир Степанович Никитин)

Geboortedatum: 5.4.1948

Geboorteplaats: Opochka

Voormalig eerste vicevoorzitter van de Commissie Betrekkingen met de GOS-landen, Euraziatische Integratie en Banden met Vaderlandslievenden van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

112.

Oleg Vladimirovich LEBEDEV

(Олег Владимирович Лебедев)

Geboortedatum: 21.3.1964

Geboorteplaats: Rudny, regio Kostanai, SSR Kazachstan

Eerste vicevoorzitter van de Commissie Betrekkingen met de GOS-landen, Euraziatische Integratie en Banden met Vaderlandslievenden van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

113.

Ivan Ivanovich MELNIKOV

(Иван Иванович Мельников)

Geboortedatum: 7.8.1950

Geboorteplaats: Bogoroditsk

Eerste vicevoorzitter van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

114.

Igor Vladimirovich LEBEDEV

(Игорь Владимирович Лебедев)

Geboortedatum: 27.9.1972

Geboorteplaats: Moskou

Vicevoorzitter van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

115.

Nikolai Vladimirovich LEVICHEV

(Николай Владимирович Левичев)

Geboortedatum: 28.5.1953

Geboorteplaats: Pushkin

Vicevoorzitter van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

116.

Svetlana Sergeevna ZHUROVA

(Светлана Сергеевна Журова)

Geboortedatum: 7.1.1972

Geboorteplaats: Pavlov-on-the-Neva

Eerste vicevoorzitter van de Commissie Buitenlandse Zaken van de Doema. Op 20 maart 2014 heeft zij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

117.

Aleksey Vasilevich NAUMETS

(Алексей Васильевич Haумец)

Geboortedatum: 11.2.1968

Generaal-majoor van het Russische leger. Commandant van de 76e luchtdivisie die deel uitmaakte van de Russische militaire aanwezigheid op het grondgebied van Oekraïne, meer bepaald tijdens de illegale annexatie van de Krim.

12.9.2014

118.

Sergey Viktorovich CHEMEZOV

(Сергей Викторович Чемезов)

Geboortedatum: 20.8.1952

Geboorteplaats: Cheremkhovo

Sergei Chemezov is een trouwe bondgenoot van Poetin. Beiden waren zij KGB-officieren in Dresden, en hij is lid van de Hoge Raad van „Verenigd Rusland”. Dankzij zijn banden met de Russische president kon hij worden bevorderd in hoge functies in bedrijven onder zeggenschap van de staat. Hij is voorzitter van Rostec, het belangrijkste conglomeraat op het gebied van defensie en industriële productie onder zeggenschap van de Russische staat. Ingevolge een besluit van de Russische regering is Technopromexport, een dochteronderneming van Rostec, voornemens energiecentrales op de Krim te bouwen, waardoor de integratie van deze regio in de Russische Federatie wordt bevorderd.

Daarnaast heeft Rosoboronexport, een dochteronderneming van Rostec, haar steun verleend aan de integratie van defensie-ondernemingen van de Krim in de Russische defensie-industrie, en op die manier de illegale inlijving van de Krim in de Russische federatie geconsolideerd.

12.9.2014

119.

Alexander Mikhailovich BABAKOV

(Aлександр Михайлович Бабаков)

Geboortedatum: 8.2.1963

Geboorteplaats: Chisinau

Lid van de Doema. Is voorzitter van de commissie van de Doema die bevoegd is voor wetgeving ter ontwikkeling van het militair-industrieel complex van de Russische Federatie. Prominent lid van „Verenigd Rusland” en zakenman met grote investeringsbelangen in Oekraïne en de Krim.

Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

12.9.2014

120.

Serhiy KOZYAKOV (ook bekend als Sergey Kozyakov)

Сергей Козьяков

Geboortedatum: 29.9.1982

In zijn hoedanigheid van „hoofd van de centrale verkiezingscommissie van Loegansk” is hij verantwoordelijk voor het organiseren van de zogenaamde „verkiezingen” van 2 november 2014 in de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”. Deze verkiezingen zijn in strijd met het Oekraïense recht en bijgevolg onwettig.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, en door de illegale „verkiezingen” te organiseren, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

121.

Oleg Konstantinovich AKIMOV (ook bekend als Oleh AKIMOV)

(Олег Константинович Акимов)

Geboortedatum: 15.9.1981

Geboorteplaats: Loegansk

Afgevaardigde van de „Economische Unie van Loegansk” in de „Nationale Raad” van de „Volksrepubliek Loegansk”. Was bij de zogenaamde „verkiezingen” van 2 november 2014 kandidaat voor de functie van „hoofd” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”. Deze „verkiezingen” zijn in strijd met het Oekraïense recht en bijgevolg onwettig.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, en formeel als kandidaat deel te nemen aan de illegale „verkiezingen”, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

122.

Larisa Leonidovna AIRAPETYAN, ook bekend als Larysa AYRAPETYAN, Larisa AIRAPETYAN of Larysa AIRAPETYAN

(Лариса Леонидовна Айрапетян)

Geboortedatum: 21.2.1970

„minister van Volksgezondheid” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”. Was bij de zogenaamde „verkiezingen” van 2 november 2014 kandidaat voor de functie van „hoofd” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Deze „verkiezingen” zijn in strijd met het Oekraïense recht en bijgevolg onwettig.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden en formeel als kandidaat deel te nemen aan de illegale „verkiezingen”, heeft zij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

123.

Yuriy Viktorovich SIVOKONENKO, ook bekend als Yuriy SIVOKONENKO, Yury SIVOKONENKO, Yury SYVOKONENKO

(Юрий Викторович Сивоконенко)

Geboortedatum: 7.8.1957

Geboorteplaats: Donetsk

Lid van het „Parlement” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”; werkt bij de Unie van de veteranen van de Donbas-Berkut. Was bij de zogenaamde „verkiezingen” van 2 november 2014 kandidaat voor de functie van „hoofd” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Deze „verkiezingen” zijn in strijd met het Oekraïense recht en bijgevolg onwettig.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, en formeel als kandidaat deel te nemen aan de illegale „verkiezingen”, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

124.

Aleksandr Igorevich KOFMAN, ook bekend als Oleksandr KOFMAN

(Александр Игоревич Кофман)

Geboortedatum: 30.8.1977

Geboorteplaats: Makiikva (Donetsk oblast)

Zogenaamde „minister van Buitenlandse Zaken” en zogenaamde „eerste ondervoorzitter” van het „Parlement” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Was kandidaat in de zogenaamde (illegale) „verkiezingen” van 2 november 2014 voor het ambt van hoofd van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”. Deze „verkiezingen” zijn in strijd met het Oekraïense recht en bijgevolg onwettig.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, en formeel als kandidaat deel te nemen aan de illegale „verkiezingen”, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

125.

Ravil Zakarievich KHALIKOV

(Равиль Закариевич Халиков)

Geboortedatum: 23.2.1969

Geboorteplaats: Belozere, districtRomodanovskiy, USSR

„Eerste viceminister-president” en voormalig „procureur-generaal” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

126.

Dmitry Aleksandrovich SEMYONOV,

Dmitrii Aleksandrovich SEMENOV

(Дмитрий Александрович Семенов)

Geboortedatum: 3.2.1963

Geboorteplaats: Moskou

„Viceminister-president en minister van Financiën” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

127.

Oleg BUGROV

(Олег Бугров)

Geboortedatum: 29.8.1969

Voormalig „minister van Defensie” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

128.

Lesya LAPTEVA

(Леся Лаптева)

 

Voormalig „minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Eredienst” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft zij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

129.

Yevgeniy Eduardovich MIKHAYLOV

(ook bekend als Yevhen Eduardovych Mychaylov)

(Евгений Здуардович Михайлов)

Geboortedatum: 17.3.1963

Geboorteplaats: Arkhangelsk

„Hoofd van de administratie voor regeringszaken” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

132.

Vladyslav Nykolayevych DEYNEGO ook bekend als Vladislav Nykolayevich DEYNEGO

(Владислав Николаевич Дейнего)

Geboortedatum: 12.3.1964

„Adjunct-hoofd” van de „Volksraad” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

29.11.2014

133.

Pavel DREMOV, ook bekend als Batya

(Павел Леонидович ДРËМОВ),

Pavlo Leonidovych DRYOMOV

(Павло Леонщович Дрьомов)

Geboortedatum: 22.11.1976

Geboorteplaats: Stakhanov

Commandant van het „Eerste kozakkenregiment”, een gewapende separatistische groep die betrokken is bij de gevechten in Oost-Oekraïne.

In die hoedanigheid heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

134.

Alexey MILCHAKOV, ook bekend als Fritz, Serbian

(Алексей МИЛЬЧАКОВ)

Geboortedatum: 30.4. 1991 of 30.1.1991

Geboorteplaats: Sint-Petersburg

Commandant van de „Rusich”-eenheid, een gewapende separatistische groep die betrokken is bij de gevechten in Oost-Oekraïne.

In die hoedanigheid heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

135.

Arseny PAVLOV, ook bekend als Motorola

ApcéHий Сергеевич ПÁВЛОВ (ook bekend als Моторoла)

Geboortedatum: 2.2.1983

Geboorteplaats: Ukhta, Komi

Commandant van het „Spartabataljon”, een gewapende separatistische groep die betrokken is bij de gevechten in Oost-Oekraïne.

In die hoedanigheid heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

136.

Mikhail Sergeevich TOLSTYKH, ook bekend als Givi

(Михаил Сергеевич Толстых)

Geboortedatum: 19.7.1980

Geboorteplaats: Ilovaisk

Commandant van het „Somali-bataljon”, een gewapende separatistische groep die betrokken is bij de gevechten in Oost-Oekraïne.

In die hoedanigheid heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

137.

Eduard Aleksandrovich BASURIN

(Здуард Александрович Басурин)

Geboortedatum: 27.6.1966 of 21.6.1966

Geboorteplaats: Donetsk

Zogenaamde „vicecommandant” van het ministerie van Defensie van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

138.

Alexandr SHUBIN

Александр Васильевич ШУБИН

Geboortedatum: 20.5.1972 of 30.5.1972

Geboorteplaats: Loegansk

Zogenaamde „minister van Justitie” van de illegale zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

139.

Sergey Anatolievich LITVIN

(Сергей Анатольевич Литвин)

Geboortedatum: 2.7.1973

Zogenaamde „vicevoorzitter” van de Raad van ministers van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

141.

Ekaterina FILIPPOVA

Екатерина Владимировна ФИЛИППОВА

Geboortedatum: 20.11.1988

Geboorteplaats: Krasnoarmëisk

Zogenaamde „minister van Justitie” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft zij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

142.

Aleksandr TIMOFEEV

Александр ТИМОФЕЕВ

Geboortedatum: 27.1.1974

Zogenaamde „minister van Begroting” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

143.

Evgeny Vladimirovich MANUILOV

(Евгений Владимирович Мануйлов)

Geboortedatum: 5.1.1967

Zogenaamde „minister van Begroting” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

144.

Viktor YATSENKO

(Виктор ЯЦЕНКО)

Geboortedatum: 22.4.1985

Geboorteplaats: Kherson

Zogenaamde „minister van Communicatie” van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

146.

Zaur ISMAILOV

(Заур Исмаилов Рауфович)

Geboortedatum: 25.7.1978 (of 23.3.1975)

Geboorteplaats: Krasny Luch, Voroshilovgrad Loegansk

Zogenaamde „procureur-generaal” van de zogenaamde „Volksrepubliek Loegansk”.

Door deze hoedanigheid aan te nemen en daarin op te treden, heeft hij actief steun verleend aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015

147.

Anatoly Ivanovich ANTONOV

(Анатолий Иванович Антонов)

Geboortedatum: 15.5.1955

Geboorteplaats: Omsk

Viceminister van Defensie, en in die hoedanigheid betrokken bij het ondersteunen van de inzet van Russische troepen in Oekraïne.

In de huidige structuur van het Russische ministerie van Defensie neemt hij in die hoedanigheid deel aan de vorming en uitvoering van het beleid van de Russische regering. Dat beleid bedreigt de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne.

16.2.2015

148.

Arkady Viktorovich BAKHIN

(Аркадий Викторович Бахин)

Geboortedatum: 8.5.1956

Geboorteplaats: Kaunas, Litouwen

Eerste viceminister van Defensie, en in die hoedanigheid betrokken bij het ondersteunen van de inzet van Russische troepen in Oekraïne.

In de huidige structuur van het Russische ministerie van Defensie neemt hij in die hoedanigheid deel aan de vorming en uitvoering van het beleid van de Russische regering. Dat beleid bedreigt de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne.

16.2.2015

149.

Andrei Valeryevich KARTAPOLOV

(Андрей Валерьевич Картaпoлoв)

Geboortedatum: 9.11.1963

Geboorteplaats: GDR (DDR)

Directeur van de afdeling cruciale operaties en plaatsvervangend hoofd van de generale staf van de gewapende strijdkrachten van de Russische Federatie. In beide hoedanigheden is hij actief betrokken bij het vormen en uitvoeren van de militaire campagne van de Russische strijdkrachten in Oekraïne.

Volgens de verklaarde activiteiten van de generale staf is hij, door het operationeel bevel over de gewapende strijdkrachten uit te oefenen, actief betrokken bij de vorming en uitvoering van het beleid van de Russische regering dat de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne bedreigt.

16.2.2015

150.

Iosif (Joseph) Davydovich KOBZON

(Иосиф Дaвьιдoвич Кобзон)

Geboortedatum: 11.9.1937

Geboorteplaats: Tchassov Yar, Oekraïne

Lid van de Doema.

Hij bezocht de zogenaamde Volksrepubliek Donetsk en legde tijdens zijn bezoek verklaringen af waarin hij steun betuigde aan de separatisten. Tevens werd hij benoemd tot honorair consul van de zogenaamde „Volksrepubliek Donetsk” in de Russische Federatie.

Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

16.2.2015

151.

Valery Fedorovich RASHKIN

(Валерий Фëдoрoвич Рашкин)

Geboortedatum: 14.3.1955

Geboorteplaats: Zhilino, regio Kaliningrad

Eerste vicevoorzitter van de Commissie van de Doema over etnische vraagstukken.

Hij is de oprichter van de burgerbeweging „Krassnaya Moskva — Rood Moskou — hulp aan het patriottisch front”, die publieke demonstraties ter ondersteuning van de separatisten heeft georganiseerd en aldus steun heeft verleend aan beleid dat de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnt. Op 20 maart 2014 heeft hij gestemd voor het ontwerp van federale constitutionele wet „inzake de aanvaarding in de Russische Federatie van de Republiek van de Krim en de vorming binnen de Russische Federatie van nieuwe federale entiteiten — de Republiek van de Krim en de Stad Sebastopol met federale status”.

16.2.2015

Entiteiten

33.

Prizrak-brigade

(„Бригада „Призрак”)

Gewapende separatist die actief steun heeft verleend aan acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en Oekraïne verder hebben gedestabiliseerd.

16.2.2015


15.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 239/63


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/1515 VAN DE COMMISSIE

van 5 juni 2015

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat de verlenging van de overgangsperioden voor pensioenregelingen betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 85, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

CTP's plaatsen zich tussen tegenpartijen bij de contracten die op één of meer financiële markten worden verhandeld. Het kredietrisico van die tegenpartijen wordt beperkt door het stellen van zekerheden, die zodanig zijn berekend dat bij een wanbetaling alle potentiële verliezen zijn gedekt. CTP's aanvaarden slechts zeer liquide activa, in de regel in de vorm van contanten, als zekerheden om aan variatiemargeopvragingen te voldoen, zodat bij wanbetaling snel tot liquidatie kan worden overgegaan.

(2)

In tal van lidstaten nemen pensioenregelingen actief deel aan otc-derivatenmarkten. Over het algemeen beperken zij hun kaspositie echter tot een minimum en trachten zij via beter renderende beleggingen, zoals effecten, een hoog rendement voor hun begunstigden (gepensioneerden) te behalen. Entiteiten die pensioenregelingen uitvoeren welke hoofdzakelijk ten doel hebben in pensioenuitkeringen te voorzien, doorgaans in de vorm van betalingen gedurende het gehele leven, maar ook in de vorm van een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens, zijn bij uitstek geneigd zo weinig mogelijk tegoeden in liquide middelen aan te houden teneinde de efficiëntie en het rendement voor hun verzekeringsnemers te optimaliseren. Deze entiteiten tot het centraal clearen van otc-derivatencontracten verplichten, zou er derhalve toe leiden dat zij, teneinde aan de geldende marginvereisten van de CTP's te voldoen, een aanzienlijk deel van hun tegoeden in liquide middelen zouden moeten aanhouden.

(3)

In artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 is daarom bepaald dat gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening de in artikel 4 vastgestelde clearingverplichting niet van toepassing is op otc-derivatencontracten waarvan objectief kan worden gemeten dat zij de beleggingsrisico's beperken die rechtstreeks met de financiële solvabiliteit van pensioenregelingen verband houden. De overgangsperiode geldt ook voor entiteiten die zijn opgericht om leden van een pensioenregeling te compenseren in geval van wanbetaling.

(4)

Om de huidige situatie volledig te kunnen beoordelen, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 85, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012 een verslag opgesteld waarin wordt nagegaan of CTP's de nodige inspanningen hebben geleverd om passende technische oplossingen te ontwikkelen voor de overdracht door pensioenregelingen van andere zekerheden dan contanten als variatiemarges. Om deze beoordeling te kunnen verrichten, heeft de Commissie opdracht gegeven tot de uitvoering van een basisstudie naar oplossingen voor het verschaffen door pensioenregelingen van andere zekerheden dan contanten aan centrale tegenpartijen, alsook naar het effect dat de afschaffing van de vrijstelling bij het uitblijven van een oplossing zou hebben in de vorm van een vermindering van het pensioeninkomen van de begunstigden van de betrokken pensioenregelingen.

(5)

Conform de bevindingen van haar verslag meent de Commissie dat de CTP's op dit moment nog niet de nodige inspanningen hebben geleverd om passende technische oplossingen te ontwikkelen en dat de negatieve gevolgen van centrale clearing van otc-derivatencontracten voor het pensioeninkomen van toekomstige gepensioneerden onveranderd blijven.

(6)

De in artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 genoemde overgangsperiode van drie jaar moet derhalve met twee jaar worden verlengd.

(7)

Deze verordening moet zo spoedig mogelijk in werking treden opdat de verlenging van de bestaande overgangsperioden vóór of zo spoedig mogelijk na het verstrijken van die perioden kan plaatsvinden. Een latere inwerkingtreding kan tot rechtsonzekerheid voor pensioenregelingen leiden ten aanzien van de vraag of zij zich moeten beginnen voor te bereiden op aanstaande clearingverplichtingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 89, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt vervangen door:

„Tot en met 16 augustus 2017 is de in artikel 4 vastgestelde clearingverplichting niet van toepassing op otc-derivatencontracten waarvan objectief kan worden gemeten dat zij de beleggingsrisico's beperken die rechtstreeks verband houden met de financiële solvabiliteit van pensioenregelingen als omschreven in artikel 2, lid 10. De overgangsperiode geldt ook voor entiteiten die zijn opgericht om leden van een pensioenregeling te compenseren in het geval van wanbetaling.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 juni 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.


15.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 239/65


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/1516 VAN DE COMMISSIE

van 10 juni 2015

tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van een vast percentage voor concrete acties gefinancierd door de Europese structuur- en investeringsfondsen in de sector van onderzoek, ontwikkeling en innovatie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (1), en met name artikel 61, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 61 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 moet er bij de berekening van de overheidsbijdrage rekening worden gehouden met inkomsten gegenereerd door concrete acties.

(2)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 voorziet in de toepassing van vaste inkomstenpercentages op concrete acties in de sector van onderzoek, ontwikkeling en innovatie zonder de verlaagde netto-inkomsten te berekenen.

(3)

Op basis van de historische gegevens moet het vaste percentage voor netto-inkomsten gegenereerd in de sector van onderzoek, ontwikkeling en innovatie vastgesteld worden op 20 % om overfinanciering en marktverstoring te vermijden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze verordening stelt een vast percentage vast dat van toepassing is op concrete acties in de sector van onderzoek, ontwikkeling en innovatie om op voorhand de potentiële netto-inkomsten van zulke concrete acties te bepalen en de vaststelling van de subsidiabele uitgaven van concrete acties mogelijk te maken overeenkomstig artikel 61, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

Artikel 2

Met het oog op de toepassing van het vaste netto-inkomstenpercentage bedoeld in artikel 61, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt een vast percentage van 20 % vastgesteld voor concrete acties in de sector van onderzoek, ontwikkeling en innovatie.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 juni 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.


15.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 239/67


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1517 VAN DE COMMISSIE

van 11 september 2015

tot 236e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al Qaida-netwerk

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al Qaida-netwerk (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft op 3 september 2015 besloten één persoon toe te voegen aan de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 dient daarom dienovereenkomstig te worden bijgewerkt.

(4)

Om de doeltreffendheid van de in deze verordening vastgestelde maatregelen te garanderen, dient de verordening onmiddellijk in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 september 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid


(1)  PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.


BIJLAGE

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt de volgende vermelding toegevoegd aan de lijst „Natuurlijke personen”:

„Sofiane Ben Goumo (ook bekend als a) Sufyan bin Qumu, b) Abou Fares al Libi). Geboortedatum: 26.6.1959. Geboorteplaats: Derna, Libië. Nationaliteit: Libisch. Adres: Libië. Overige informatie: a) leider van Ansar al Charia Derna. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 3.9.2015”.


15.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 239/69


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1518 VAN DE COMMISSIE

van 14 september 2015

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,

In overleg met de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Geldende maatregelen

(1)

De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 599/2009 (2) een definitief antidumpingrecht variërend van 0 EUR tot 198,0 EUR per ton ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, op dat moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209820), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009120), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009920), ex 2710 19 41 (Taric-code 2710194120), 3824 90 91, ex 3824 90 97 (Taric-code 3824909787), van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna de „VS” of „het betrokken land” genoemd). Het antidumpingrecht dat bij die verordening werd ingesteld, wordt hierna aangeduid als „de bestaande maatregelen”.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011 (3) heeft de Raad naar aanleiding van de uitkomst van een antiontwijkingsonderzoek het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 599/2009 was ingesteld, uitgebreid tot de invoer in de Unie van vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, met uitzondering van de producten die worden geproduceerd door de ondernemingen BIOX Corporation, Oakville en Rothsay Biodiesel, Guelph, Ontario, Canada. Bij dezelfde verordening heeft de Raad het definitieve antidumpingrecht dat was ingesteld bij Verordening (EG) nr. 599/2009 eveneens uitgebreid tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.

1.2.   Geldende maatregelen ten aanzien van andere derde landen

(3)

De thans voor biodiesel geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit Argentinië en Indonesië (4) vallen niet onder deze procedure.

1.3.   Verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen

(4)

Na de bekendmaking van een bericht dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS op korte termijn zouden vervallen (5), heeft de Europese Commissie (de „Commissie”) op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening een verzoek om een nieuw onderzoek ontvangen.

(5)

Dit verzoek werd op 9 april 2014 ingediend door de European Biodiesel Board (Europese biodieselraad, de „indiener van het verzoek” of de „EBB”) namens producenten die meer dan 25 % van de totale productie van biodiesel in de Unie vertegenwoordigen. Het verzoek werd ingediend met als argument dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk opnieuw tot dumping en tot schade voor de bedrijfstak van de Unie zou leiden.

1.4.   Opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen

(6)

Nadat de Commissie na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 10 juli 2014 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (6) (het „bericht van opening”) de opening van een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd.

(7)

Op dezelfde dag heeft de Commissie een nieuw onderzoek geopend in verband met het vervallen van de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS. Dit is een parallelle, maar gescheiden procedure, die het onderwerp vormt van een afzonderlijke verordening.

1.5.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(8)

Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 (het „tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van de voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot het eind van het TNO (de „beoordelingsperiode”).

1.6.   Belanghebbenden

(9)

In het bericht van opening werden de belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs in de VS alsmede de Amerikaanse autoriteiten en de haar bekende betrokken importeurs, leveranciers, gebruikers, handelaren en verenigingen op de hoogte gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(10)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het onderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

1.7.   Steekproeven

(11)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

a)   Steekproef van producenten in de Unie

(12)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Bij het samenstellen van de steekproef ging de Commissie uit van een zo groot mogelijke mate van representativiteit qua productie- en verkoopvolume, in combinatie met voldoende geografische spreiding. De voorlopige steekproef bestond uit zeven producenten in de Unie, die in zeven verschillende lidstaten gevestigd zijn en samen goed waren voor bijna 30 % van de productie van biodiesel in de Unie. De Commissie heeft de belanghebbenden om opmerkingen over de voorlopige steekproef verzocht.

(13)

Eén onderneming uit Italië verzocht in de steekproef te worden opgenomen. Deze onderneming was echter pas eind 2013 met haar activiteiten gestart, nadat ze een biodieselfabriek had overgenomen van een andere Italiaanse producent van biodiesel, die wel in de voorlopige steekproef was opgenomen. Vanwege de afwezigheid van historische gegevens, die noodzakelijk zijn om tijdens de beoordelingsperiode relevante trends te kunnen ontdekken, en omdat de voorlopige steekproef al een andere Italiaanse onderneming bevatte, werd besloten deze onderneming niet in de steekproef op te nemen.

(14)

De Amerikaanse National Biodiesel Board (de „NBB”) (nationale biodieselraad) merkte op dat de voorlopige steekproef afweek van de steekproef in de vorige onderzoeken met betrekking tot biodiesel en wees op twee ondernemingen met een aanzienlijke productie en verkoop, die niet in de huidige steekproef waren opgenomen. De twee door de NBB aangewezen ondernemingen waren echter ofwel verbonden met een andere onderneming die een groter verkoopvolume had en al in de steekproef was opgenomen, of hadden een lager verkoopvolume dan een andere onderneming uit dezelfde lidstaat die voor de voorlopige steekproef was geselecteerd. De opname van elk van deze twee ondernemingen zou dus geen invloed hebben gehad op de representativiteit van de voorlopige steekproef. Daarom werd de voorlopige steekproef aangenomen als representatieve steekproef van de bedrijfstak van de Unie.

(15)

Na de mededeling van feiten en overwegingen betoogde de Amerikaanse regering dat een steekproef waarin 30 % van de bedrijfstak van de Unie vertegenwoordigd was, niet kon worden beschouwd als representatief voor de gehele biodieselindustrie van de Unie en dat de micro-indicatoren op een bredere basis hadden moeten worden geanalyseerd. De Amerikaanse regering verwees naar de bevindingen van de WTO-beroepsinstantie in de zaak EC — bevestigingsmiddelen, waarin werd gesteld dat een steekproef van 27 % laag is in verhouding tot het geheel en alleen in gefragmenteerde bedrijfstakken als een groot deel kan gelden.

(16)

In tegenstelling tot bij het bevestigingsmiddelen-onderzoek is de bedrijfstak van de Unie in dit onderzoek door de Commissie gedefinieerd als de gehele bedrijfstak, niet alleen de in de steekproef opgenomen bedrijven (overweging 93). Bovendien zijn alle macro-indicatoren beoordeeld op basis van de gehele bedrijfstak, terwijl slechts enkele micro-indicatoren zijn geanalyseerd op het niveau van de in de steekproef opgenomen bedrijven. De algemene analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie was echter gebaseerd op een beoordeling van zowel micro- als macro-indicatoren. In ieder geval wordt de bedrijfstak van de Unie, die bestaat uit meer dan 200 producenten verspreid over de Unie, waarvan de meeste kleine of middelgrote ondernemingen zijn, beschouwd als een gefragmenteerde industrie. De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat de steekproef, waarin 30 % van de bedrijfstak van de Unie is vertegenwoordigd, representatief is; het argument wordt dan ook afgewezen.

b)   Steekproef van importeurs

(17)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie niet-verbonden importeurs de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken.

(18)

Slechts een klein aantal van de niet-verbonden importeurs leverde de gevraagde informatie en stemde ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. De Commissie besloot dat, gezien het lage aantal, een steekproef niet noodzakelijk was.

c)   Steekproef van producenten-exporteurs in de VS

(19)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie alle producenten-exporteurs in de VS de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de VS bij de Europese Unie verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek aan te wijzen en/of contact met hen op te nemen.

(20)

27 producenten in de VS hebben de Commissie geantwoord, maar slechts 9 daarvan hebben de gegevens over de uitvoer en/of de binnenlandse verkoop verstrekt die in bijlage I bij het bericht van opening met het oog op het samenstellen van de steekproef werden gevraagd. Geen van hen had tijdens het TNO biodiesel naar de Unie uitgevoerd. De Commissie stelde een steekproef samen van de drie producenten-exporteurs met de grootste binnenlandse verkoop en uitvoer. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werden alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van de VS geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. Er zijn geen opmerkingen ontvangen.

(21)

Geen van de in de steekproef opgenomen producenten heeft binnen de termijn op de vragenlijst gereageerd. Op 7 oktober 2014 heeft de Commissie de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs op het uitblijven van een antwoord geattendeerd.

(22)

Op 10 oktober 2014 heeft een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs de Commissie meegedeeld af te zien van het invullen van de vragenlijst. De andere twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hebben om verschillende verlengingen van de termijn gevraagd; deze werden toegekend, maar er zijn geen volledige antwoorden ingediend.

(23)

Op 10 november 2014 heeft de Commissie aan de drie in de steekproef opgenomen ondernemingen een brief gestuurd over haar voornemen om artikel 18 van de basisverordening toe te passen en de bevindingen van het onderzoek op de beschikbare gegevens te baseren. Ook de Amerikaanse autoriteiten werden van dit voornemen op de hoogte gesteld. De termijn voor het indienen van opmerkingen naar aanleiding van de brief was 21 november 2014.

(24)

Op 21 november 2014 hadden twee van de in de steekproef opgenomen ondernemingen nog in het geheel niet gereageerd, terwijl de derde in de steekproef opgenomen onderneming had laten weten dat de termijn niet toereikend was voor het indienen van hun antwoord.

(25)

De Commissie concludeerde derhalve dat geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VS zijn medewerking verleende aan het nieuwe onderzoek. Als gevolg hiervan besloot de Commissie de bepalingen van artikel 18 van de basisverordening toe te passen, zodat haar conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken op basis van de beschikbare gegevens.

(26)

De onderneming Cargill Inc. merkte op dat Verordening (EG) nr. 599/2009 een minimale dumpingmarge had vastgesteld en dus een definitief antidumpingrecht van 0 % had opgelegd op de door hen geproduceerde en uitgevoerde biodiesel van oorsprong uit de VS. Zij wees er verder op dat een producent-exporteur waarvoor in het oorspronkelijke onderzoek geen dumping werd vastgesteld, volgens de bevindingen van de WTO-beroepsinstantie in het verslag „Mexico rijst” (7) niet kan worden onderworpen aan het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen.

(27)

Daarom verzocht de onderneming Cargill Inc. te worden vrijgesteld van antidumpingrechten, ongeacht het resultaat van het nieuwe onderzoek. Dit verzoek werd ingewilligd.

1.8.   Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken

(28)

De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en aan de niet-verbonden importeurs, handelaren en gebruikers die zich binnen de in het bericht van opening gestelde termijnen hadden gemeld.

(29)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, de schade als gevolg hiervan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 16 van de basisverordening werden controlebezoeken afgelegd bij de volgende ondernemingen:

Producenten in de Unie

Bio-Oils Huelva S.L., Huelva, Spanje;

Biopetrol Rotterdam BV, Rotterdam, Nederland;

Diester industrie SAS, Rouen, Frankrijk;

Novaol S.R.L., Milaan, Italië;

Preol a.s., Lovosice, Tsjechië;

Rafineria Trzebinia S.A., Trzebinia, Polen;

Verbio Vereinigte BioEnergie AG, Leipzig, Duitsland.

1.9.   Mededeling van feiten en overwegingen

(30)

Op 3 juni 2015 heeft de Commissie alle belanghebbenden de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was de geldende antidumpingmaatregelen te handhaven, en heeft zij alle belanghebbenden verzocht eventuele opmerkingen kenbaar te maken. De Commissie heeft de opmerkingen van de belanghebbenden overwogen en, voor zover van toepassing, in aanmerking genomen.

(31)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen verzocht de NBB om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures; dit verzoek werd ingewilligd.

2.   ONDERZOCHT PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Onderzocht product

(32)

Het onderzochte product is hetzelfde als het product dat voorwerp was van het onderzoek dat leidde tot het opleggen van de bestaande maatregelen (het „oorspronkelijke onderzoek”), namelijk: door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de VS en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98, ex 1518 00 91, ex 1518 00 99, ex 2710 19 43, ex 2710 19 46, ex 2710 19 47, ex 2710 20 11, ex 2710 20 15, ex 2710 20 17, ex 3824 90 92, ex 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (het „onderzochte product”).

(33)

Biodiesel is een hernieuwbare brandstof die in de vervoersector wordt gebruikt voor dieselmotoren. Conventionele motoren kunnen echter niet functioneren op zuivere biodiesel, maar wel op een mengsel van minerale diesel en een beperkt aandeel biodiesel.

(34)

Bij biodiesel geproduceerd in de VS gaat het voornamelijk om methylestervetzuur (FAME, „Fatty Acid Methyl Ester”), verkregen op basis van een grote verscheidenheid aan plantaardige oliën (sojaolie, palmolie, koolzaadolie) en gebruikte frituurolie, dierlijke vetten of biomassa, die als grondstof voor biodiesel dienen. De term „ester” verwijst naar de transesterificatie van plantaardige olie, namelijk het vermengen van de olie met alcohol. De term „methyl” verwijst naar methanol, de meest gebruikte alcohol in het proces, hoewel ook ethanol kan worden gebruikt; dan krijgt men ethylestervetzuren.

(35)

Ondanks mogelijke verschillen in de gebruikte grondstoffen of in het productieproces hebben alle soorten biodiesel en de biodiesel in de mengsels dezelfde of sterk gelijkende fysische, chemische en technische basiseigenschappen en worden ze voor dezelfde doeleinden gebruikt. De mogelijke variaties in het onderzochte product veranderen niets aan zijn basisdefinitie en eigenschappen, noch aan het beeld dat de verschillende partijen ervan hebben. Met name maakt het vanuit het oogpunt van de eindgebruiker van dieselbrandstof geen verschil op basis van welke grondstof het mengsel aan de pomp gemaakt is.

2.2.   Soortgelijk product

(36)

Net als in het oorspronkelijke onderzoek hebben de op de binnenlandse markt in de VS verkochte biodiesel en de Amerikaanse biodiesel die wordt uitgevoerd dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en worden ze voor dezelfde doeleinden gebruikt. Ook de biodiesel die in de Unie door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd en verkocht, heeft dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en wordt voor dezelfde doeleinden gebruikt als de producten die vanuit de VS naar de Unie worden uitgevoerd. Wat dit onderzoek betreft, zijn het derhalve soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

2.3.   Argumenten betreffende de productomschrijving

(37)

De Amerikaanse overheid voerde aan dat de productcategorie „diesel gewonnen uit biomassa” (8) meer omvat dan alleen het onderzochte product. In de verordening tot instelling van voorlopige compenserende rechten in het oorspronkelijke onderzoek (9) wordt echter gesteld dat alle soorten biodiesel en biodieselmengsels, met inbegrip van diesel op basis van biomassa, als biodiesel worden beschouwd en onder een wetgevingspakket inzake energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en alternatieve brandstoffen vallen. De reden hiervoor is dat uit biomassa geproduceerde biodiesel dezelfde of sterk gelijkende fysische en technische basiseigenschappen heeft als biodiesel uit andere bronnen en ook voor dezelfde of soortgelijke doeleinden wordt gebruikt. Deze vaststelling in het oorspronkelijke onderzoek is door geen enkele belanghebbende aangevochten en blijft bij dit nieuwe onderzoek van kracht. Daarom verwerpt de Commissie dit argument van de Amerikaanse overheid.

3.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

(38)

Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van dumping waarschijnlijk is indien de bestaande maatregelen komen te vervallen.

3.1.   Voorafgaande opmerkingen

(39)

Door het gebrek aan medewerking van de geselecteerde in de steekproef opgenomen producenten, zoals vermeld in overweging 25, bleek het niet mogelijk een analyse uit te voeren op basis van gecontroleerde gegevens die door producenten in de VS waren verstrekt. Daarom heeft de Commissie de volgende informatiebronnen gebruikt: gegevens die door sommige Amerikaanse biodieselproducenten in de inleidende fase van de procedure als antwoord op de vragenlijst ten behoeve van de steekproef waren verstrekt; Eurostat; het verzoek om een nieuw onderzoek en de daaropvolgende bijdragen van de indiener van het verzoek; de Amerikaanse nationale biodieselraad (National Biodiesel Board); de websites van het Amerikaanse Agentschap voor informatie over energie (Energy Information Administration) en het Amerikaanse ministerie van Energie; de Amerikaanse internationale handelscommissie (US International Trade Commission).

3.2.   Invoer met dumping tijdens het TNO

(40)

Na het instellen van de maatregelen in 2009 daalde de invoer van biodiesel uit de VS in de Unie tot bijna nul; in 2013 en tijdens het TNO werd slechts een zeer kleine hoeveelheid uitgevoerd. In het licht van deze omstandigheden werd een beoordeling van de mate van dumping in het TNO niet relevant geacht. Er kan dus worden geconcludeerd dat er geen sprake was van voortzetting van dumping in het TNO.

3.3.   Aanwijzingen waaruit blijkt dat herhaling van dumping waarschijnlijk is

(41)

De Commissie heeft onderzocht of er aanwijzingen waren dat opnieuw dumping zou plaatsvinden indien de maatregelen komen te vervallen. In het bijzonder werden de volgende elementen geanalyseerd: de verhouding tussen de prijzen van het product indien het wordt geproduceerd en verkocht in de Unie of in de VS, de verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen in de VS, de verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijspeil in de Unie, de onbenutte capaciteit en ontwijkings- en absorptiepraktijken.

3.3.1.   Verhouding tussen de prijzen van het product indien het wordt geproduceerd en verkocht in de Unie of in de VS

(42)

Aangezien de Amerikaanse biodieselproducenten geen medewerking verleenden, maakten de diensten van de Commissie gebruik van de volgende drie informatiebronnen om de binnenlandse verkoopprijs van biodiesel in de VS tijdens het TNO vast te stellen: i) de antwoorden op de vragenlijst die tijdens de inleidende fase van de procedure ten behoeve van de steekproef was verstuurd en die door een aantal Amerikaanse biodieselproducenten was ingevuld; ii) informatie die door de NBB was verstrekt op basis van informatie die door een marktonderzoeksbureau met de naam „Jacobsen” was verzameld; en iii) informatie die door de indiener van het verzoek was verstrekt op basis van informatie die door het bedrijf Oil Price Information Service (OPIS) was verzameld.

(43)

De gegevens uit deze drie bronnen omvatten prijzen uit verschillende handelsstadia en met verschillende incoterm-voorwaarden. De waarden liggen echter zeer dicht bij elkaar. Het gemiddelde van de waarden uit deze drie bronnen bedraagt 1 196,93 US dollar (USD) per ton. Op basis van de gemiddelde wisselkoers euro/dollar tijdens het TNO (1 EUR = 1,356 USD), komt dit bedrag overeen met een Amerikaanse binnenlandse verkoopprijs van 883 EUR per ton (10).

(44)

Tijdens het TNO bedroeg de gemiddelde prijs af fabriek van biodiesel die in de Unie door producenten in de Unie werd verkocht 905 EUR per ton (1 227,18 USD) (zie tabel 8).

(45)

Om de markt van de Unie opnieuw te kunnen betreden, moeten producenten in de VS hun product dus verkopen tegen een lagere prijs dan 905 EUR per ton. In hun uiteindelijke prijs moeten ook de kosten van vervoer over zee, verzekering en de bestaande douanerechten voor biodiesel (6,5 %) verrekend worden. Volgens de gegevens die tijdens het onderzoek zijn verkregen, zouden deze kosten neerkomen op ongeveer 100 EUR per ton. De Commissie baseerde dit bedrag op de kosten van douanerechten en vrachtvervoer, zoals berekend door de NBB (ongeveer 94 EUR) en rondde dit af tot 100 EUR om ook een aantal aanvullende kosten na invoer te dekken.

(46)

Mochten de producenten in de VS de uitvoer naar de EU hervatten, dan zouden zij dit dus moeten doen tegen een prijs af fabriek (minder dan 805 EUR per ton) die lager is dan de binnenlandse verkoopprijs in de VS, dus tegen een dumpingprijs. Op grond van de omstandigheden die in de overwegingen 63 en 71 worden beschreven, respectievelijk met betrekking tot de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de reservecapaciteit, is het waarschijnlijk dat de producenten in de VS de uitvoer naar de Unie zouden hervatten als de geldende maatregelen zouden komen te vervallen, omdat zij zo de productiekosten per eenheid zouden kunnen verlagen, zoals in overweging 72 in meer detail wordt uiteengezet.

(47)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen trok de NBB de nauwkeurigheid van de door de Commissie vastgestelde gemiddelde binnenlandse verkoopprijs in twijfel en wees erop dat in een van zijn eerdere opmerkingen een lagere waarde was opgegeven (789,36 EUR per ton), gebaseerd op de prijzen die door het Amerikaanse ministerie van Energie waren verstrekt.

(48)

De Commissie verwerpt dit argument om de volgende redenen:

(49)

De door de NBB opgegeven gemiddelde prijs kan niet als een goede basis worden beschouwd, omdat het een prijs voor eindgebruikers betreft en geen prijs af fabriek. Meer in het bijzonder verstrekte de NBB een gemiddelde maandelijkse eindgebruikersprijs voor biodiesel (bij de pomp) in de VS in juli 2014, uitgedrukt in gallon-benzine-equivalenten en omgerekend op basis van de wisselkoers van één enkele dag, namelijk 19 september 2014.

(50)

Wat de door de Commissie berekende gemiddelde prijs betreft: dit is een redelijke waarde als men in overweging neemt dat deze vanwege het gebrek aan medewerking van de producenten in de VS op basis van de beste beschikbare gegevens is berekend. De waarde is het gemiddelde van de prijzen die door een aantal producenten in de VS in de inleidende fase van de procedure zijn opgegeven, de prijzen die door het onderzoeksbureau „Jacobsen” zijn verzameld en door de NBB zelf zijn verstrekt, en de prijzen die door OPIS zijn verzameld en door de EBB zijn verstrekt. Het betreft hier een enkelvoudig gemiddelde, omdat informatie over hoeveelheden ontbrak en er dus geen gewogen gemiddelde kon worden berekend. De drie waarden lagen echter zeer dicht bij elkaar. De incoterm-voorwaarden en het handelsstadium waren niet bekend en konden dus niet in aanmerking worden genomen. De prijzen van OPIS zijn echter wel gecorrigeerd om rekening te houden met redelijke vervoerskosten in de VS. In het licht van het aanzienlijke verschil tussen de binnenlandse prijs en de uitvoerprijs had een eventuele correctie voor incoterm-voorwaarden en handelsstadium geen verandering gebracht in de conclusie dat de producenten in de VS de verkoop aan de Unie alleen zouden kunnen hervatten door hun producten tegen dumpingprijzen te verkopen.

(51)

De NBB betwistte ook het bedrag van 100 EUR per ton dat werd gebruikt om, uitgaande van de gemiddelde prijs van biodiesel in de Unie, een betrouwbare gemiddelde uitvoerprijs te berekenen, en stelde voor om in plaats daarvan een bedrag van 110,49 EUR aan te houden. Zoals vermeld in overweging 45 heeft de Commissie de bedragen gebruikt die door de NBB voor douanerechten en vrachtvervoer waren voorgesteld. Alleen bij de aanvullende kosten na invoer heeft de Commissie een lager bedrag gebruikt dan het door de NBB voorgestelde bedrag (16,69 EUR), omdat de NBB niet heeft aangetoond dat deze kosten 2 % van de cif-waarde, grens Unie, zouden moeten bedragen. Het verschil tussen de raming van de Commissie en die van de NBB is hoe dan ook marginaal en verandert niets aan de conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van dumping, temeer daar in dit opzicht geen exacte dumpingberekeningen vereist waren.

(52)

De NBB voerde aan dat, net als in het oorspronkelijke onderzoek, een correctie voor fysische verschillen had moeten worden toegestaan om rekening te houden met het feit dat in de VS sojabonen de belangrijkste grondstof voor biodiesel vormen, terwijl dat in de Unie raapzaad is, dat van hogere kwaliteit is en dus een hogere prijs rechtvaardigt.

(53)

Dit argument moet worden afgewezen. In het oorspronkelijke onderzoek werd de correctie toegestaan op basis van een vergelijking van gecontroleerde gegevens van producenten in de VS en producenten in de Unie. Omdat de Amerikaanse producenten bij dit nieuwe onderzoek bij het vervallen van maatregelen geen medewerking verleenden, kon de Commissie ten eerste niet bepalen dat een correctie moest worden toegestaan. Ten tweede kon de Commissie, indien een correctie zou worden toegestaan, de hoogte ervan niet vaststellen. De omstandigheden ten tijde van het oorspronkelijke onderzoek zijn veranderd, met name de grondstoffenmix voor de productie van biodiesel, die zowel in de EU als in de VS niet meer dezelfde is. Daarnaast stelde de NBB een correctie voor met 10 %, zonder deze waarde verder te onderbouwen.

(54)

Volgens de NBB en de Amerikaanse overheid zouden de producenten in de VS, doordat de Amerikaanse binnenlandse verkoopprijs hoger ligt dan de waarschijnlijke uitvoerprijs naar de Unie, hun binnenlandse verkoop juist verhogen in plaats van naar de Unie uit te voeren, met name in het licht van het toegenomen verbruik in de VS.

(55)

Dit argument is ongegrond en moet worden afgewezen. Dat het verbruik in de VS de afgelopen jaren is gestegen, komt voornamelijk door overheidsmaatregelen, waaronder de stimuleringsmaatregelen en bindende streefcijfers van het „Renewable Fuels”-programma en subsidieregelingen die de productie en het mengen van biodiesel bevorderen. Uit gegevens die door de NBB zelf zijn verstrekt, blijkt echter dat het verbruik van biodiesel in de VS in 2014 ten opzichte van 2013 juist is gedaald. Er is geen bewijs dat het verbruik in 2015 en 2016 zal toenemen. Integendeel: openbaar beschikbare informatie (11) suggereert dat de streefcijfers voor het verplichte gebruik van hernieuwbare brandstoffen in de VS de komende jaren stabiel zullen blijven. Als gevolg daarvan zal de huidige consumptie in de VS waarschijnlijk eerder stabiel blijven dan toenemen. Aangezien in de VS sprake is van overcapaciteit (zie overweging 69 en verder), zouden de producenten in de VS nog altijd een stimulans hebben voor uitvoer naar de Unie, ook al verkopen zij hun product daar tegen een lagere prijs dan op de binnenlandse markt, zolang zij hun variabele kosten dekken.

(56)

De NBB voerde aan dat de Commissie had moeten uitleggen hoe een groter productievolume zou leiden tot een vermindering van de productiekosten van de producenten in de VS. In dit verband moet er allereerst op worden gewezen dat de Commissie vanwege het gebrek aan medewerking niet precies kon berekenen wat de impact van een groter productievolume op de kosten van de producenten in de VS zou zijn. Vanuit economisch oogpunt is echter duidelijk dat de productiekosten per eenheid dalen wanneer de vaste kosten over een groter productievolume worden verdeeld. Dit is zelfs het geval als de kosten bij de productie van biodiesel grotendeels variabel zijn en afhangen van de gebruikte grondstoffen, zoals de NBB aanvoerde. De vaste kosten worden ook dan verdeeld over het totale productievolume. Uit gegevens van de bedrijfstak van de Unie blijkt inderdaad dat de kosten van grondstoffen een belangrijk deel van de productiekosten uitmaken, maar dat het precieze percentage afhankelijk is van de gebruikte grondstof, de mate waarin een onderneming verticaal geïntegreerd is en de VAA-kosten van een onderneming. In deze omstandigheden kon de Commissie redelijkerwijs aannemen dat een groter productievolume zou leiden tot een vermindering van de productiekosten van de producenten in de VS. Deze argumentatie zou alleen niet opgaan als de uitvoerprijs zo laag was dat deze zelfs de prijs van de grondstoffen niet zou dekken, maar de NBB heeft geen opmerkingen verstrekt die een dergelijk scenario ondersteunen.

3.3.2.   Verhouding tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen in de VS

(57)

De conclusie dat herhaling van dumping waarschijnlijk is, wordt eveneens ondersteund door een analyse van de uitvoer van biodiesel uit de VS naar derde landen tijdens het TNO. Op basis van gegevens uit de databank van de United States International Trade Commission heeft de Commissie een overzicht gemaakt van de hoeveelheden en de waarde van de uitvoer van biodiesel onder HTS-code 382600 tijdens het TNO. De uitgevoerde hoeveelheden (in ton) naar alle landen (inclusief de EU) bedragen 567 018 ton. De gemiddelde waarde per ton tijdens het TNO was 753,34 EUR vrij langszij schip. De Commissie berekende de gemiddelde verkoopprijs per ton in US dollar en vergeleek die met de gemiddelde binnenlandse prijs in de VS (zoals vastgesteld in overweging 42). De belangrijkste bevindingen zijn hieronder samengevat:

Tabel 1

Volume en prijzen van de uitvoer uit de VS tijdens het TNO

Landen van bestemming

Uitgevoerde hoeveelheden (ton)

Percentage van de uitvoer naar alle landen

Gemiddelde waarde (USD) per ton

Gemiddelde waarde (EUR) per ton

Dumping als percentage van de uitvoerprijs

Gibraltar totaal (12)

76 266

13

753,19

555,45

59

Canada totaal

247 959

44

1 167,33

860,86

3

Australië totaal

4 267

1

1 019,77

752,04

17

Maleisië totaal

103 773

18

891,44

657,41

34

(58)

De tabel suggereert dat producenten in de VS momenteel tegen dumpingprijzen aan derde landen verkopen, met uitvoerprijzen die tussen 3 % en 59 % lager liggen dan de binnenlandse prijzen. De Commissie concludeerde dat de producenten in de VS, aangezien zij momenteel tegen dumpingprijzen aan derde landen verkopen, waarschijnlijk ook tegen dumpingprijzen naar de EU zullen uitvoeren door hun huidige uitvoer naar andere markten gedeeltelijk te verleggen.

(59)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen trok de NBB de nauwkeurigheid van de gegevens over de uitvoer in twijfel, aangezien de HTS-code die werd gebruikt om de omvang van de uitvoer vast te stellen (38 26 00) tevens andere producten omvat en de uitvoerprijs dus niet kan worden vergeleken met de binnenlandse prijs van biodiesel.

(60)

De Commissie gebruikte deze code omdat de Amerikaanse overheid zelf in haar antwoord van 19 december 2014 op de tweede aanvullende vragenlijst aangaf dat die code vanaf 2012 was gebruikt voor het verkrijgen van nauwkeurige statistische informatie over de uitvoer van biodiesel uit de VS. Hoewel de waarde van de uitvoer van het betrokken product met deze code te hoog wordt ingeschat, is dit veel minder het geval dan met de codes die in het verleden werden gebruikt. De Amerikaanse autoriteiten concludeerden dat de code een relatief nauwkeurige weergave van de uitvoerwaarde oplevert.

(61)

De NBB voerde aan dat de door de Commissie berekende binnenlandse prijzen niet kunnen worden vergeleken met de prijzen uit de ITC-databank en dat de door de Commissie berekende dumpingmarges om die reden niet kunnen worden gebruikt.

(62)

In een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen hoeven geen nieuwe dumpingmarges te worden berekend. In dit geval kwam na de instelling van de maatregelen een einde aan de uitvoer met dumping, zodat de analyse vooral was gericht op de waarschijnlijkheid dat de uitvoer met dumping zal worden hervat. Aangezien de Amerikaanse producenten geen medewerking verleenden, maakte de Commissie gebruik van beschikbare gegevens. In dit scenario zijn de prijzen van de uitvoer naar derde landen van belang en kunnen deze worden gebruikt als indicator om te beoordelen wat er zal gebeuren als de maatregelen vervallen. Meer in het bijzonder is de vergelijking tussen de binnenlandse prijzen en de prijzen bij uitvoer naar derde landen niet bedoeld om exacte dumpingmarges te berekenen, maar om een indicatie te geven van de waarschijnlijkheid dat opnieuw sprake zal zijn van dumping als de maatregelen worden ingetrokken.

3.3.3.   Relatie tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en het prijspeil in de Unie

(63)

De EU-markt is een aantrekkelijke markt voor de uitvoer van biodiesel uit de VS. Op basis van de reeds in overweging 57 genoemde databank van de United States International Trade Commission bedroeg de gemiddelde prijs van de uitvoer naar alle bestemmingen tijdens het TNO 1 021,52 USD (753,34 EUR) per ton. De hoogste gemiddelde uitvoerprijs (1 167,33 USD, oftewel 860,86 EUR per ton) betrof de uitvoer naar Canada, terwijl de laagste gemiddelde uitvoerprijs (753,19 USD, oftewel 555,45 EUR per ton) de uitvoer naar Gibraltar betrof.

(64)

Deze gemiddelde uitvoerprijs ligt onder de gemiddelde prijs van de biodiesel die tijdens het TNO in de Unie door producenten in de Unie werd verkocht (905 EUR per ton). Zelfs als de Amerikaanse producenten hun product tegen prijzen onder de 905 EUR per ton zouden moeten verkopen om voet aan wal te krijgen op de markt van de Unie, zou het voor hen nog steeds lonen een gedeelte van hun huidige uitvoer naar derde landen naar de markt van de Unie te verleggen, aangezien deze markt aantrekkelijker is dan die van bepaalde andere derde landen.

(65)

De NBB en de Amerikaanse overheid betoogden dat de huidige Amerikaanse uitvoer naar derde landen niet naar de Unie zou worden verlegd, aangezien Canada de grootste uitvoermarkt is en de prijzen daar hoger liggen dan de prijs af fabriek naar de Unie.

(66)

De Commissie had het echter over „een gedeelte van de huidige uitvoer”, niet over de volledige uitvoer. De Commissie beweerde niet dat Amerikaanse producenten de uitvoer naar Canada zouden stopzetten en deze verkoop in zijn geheel naar de Unie zouden verleggen. Canada kan inderdaad ook worden beschouwd als een aantrekkelijke markt voor producenten in de VS, al heeft deze slechts een bescheiden omvang in vergelijking met de markt van de Unie (13), die nog steeds de grootste markt voor biodiesel ter wereld is.

(67)

De NBB voerde ook aan dat de huidige uitvoer naar Maleisië niet naar de Unie zou worden verlegd, aangezien het verbruik aldaar toeneemt en er op de invoer van biodiesel geen douanerechten hoeven te worden betaald.

(68)

Uit de gemiddelde prijzen bij de uitvoer van de VS naar Maleisië, zoals die in de ITC-databank zijn vastgelegd, blijkt echter dat verkoop aan de Unie voor de Amerikaanse producenten rendabeler zou zijn dan verkoop aan Maleisië, zelfs als de gebruikelijke douanerechten worden meegeteld. Tabel 1 laat zien dat de uitvoerprijzen naar Maleisië tijdens het TNO aanzienlijk lager waren dan de prijzen in de Unie. Verder mag de consumptie in Maleisië dan wel stijgen, hetzelfde geldt voor de productie in Maleisië zelf, waarbij met name wordt gebruikgemaakt van palmolie. Bovendien kan redelijkerwijs worden verwacht dat het buurland Indonesië, dat ook een aanzienlijke biodieselproductie heeft, bij een stijgende consumptie de uitvoer naar Maleisië zal verhogen. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

3.3.4.   Onbenutte capaciteit

(69)

De aanzienlijke reservecapaciteit van de producenten in de VS vormt een stimulans om de productie op te voeren en biodiesel tegen dumpingprijzen op de markt van de Unie te verkopen. Aangezien de Amerikaanse producenten geen medewerking verleenden, werd de productiecapaciteit van de VS vastgesteld op basis van de beschikbare informatie op de websites van het Amerikaanse Agentschap voor milieubescherming (EPA, Environmental Protection Agency) en het Amerikaanse Agentschap voor informatie over energie (EIA, Energy Information Administration).

(70)

Biodieselproducenten in de VS moeten hun bestaande en geplande productiecapaciteit en tevens hun productie, input, voorraden en verkoop van biodiesel aan deze twee autoriteiten doorgeven (respectievelijk jaarlijks en maandelijks).

(71)

Op basis van de gegevens van het EIA bedroeg de capaciteit van de biodieselproducenten in de VS tijdens het TNO 7 128 000 ton. Dit cijfer ligt zeer dicht bij het cijfer van de NBB (6 963 000 ton), dat berekend is op basis van de gegevens die de leden van de NBB bij het EPA hebben ingediend.

(72)

De werkelijke productie van biodiesel in de VS tijdens het TNO bedroeg 4 450 000 ton (bron: EIA), hetgeen neerkomt op een bezettingsgraad van 62,4 % en een reservecapaciteit van 37,6 %, oftewel 2 678 000 ton. Als de maatregelen zouden worden ingetrokken, zal deze reservecapaciteit waarschijnlijk worden ingezet voor uitvoer naar de markt van de Unie. De Amerikaanse producenten kunnen hun productie inderdaad gemakkelijk verhogen en naar de EU uitvoeren, met als economische voordelen een stijging van de bezettingsgraad en een vermindering van de productiekosten per eenheid. Als de reservecapaciteit van de VS in de Unie op de markt zou worden gebracht, zouden de gevolgen aanzienlijk zijn, want deze hoeveelheid komt overeen met bijna 22 % van het verbruik in de Unie tijdens het TNO.

(73)

In dit verband heeft de NBB een aantal opmerkingen ingediend. Ten eerste was de reële productiecapaciteit in de VS volgens de NBB lager dan door de Commissie werd aangenomen. Volgens de NBB is een aantal fabrieken in de VS weliswaar geregistreerd, maar in feite niet actief, zodat de reële productiecapaciteit 5 409 000 ton bedraagt. De NBB meldde ook een grotere productie van biodiesel tijdens het TNO, namelijk 5 084 000 ton. Dit betekent volgens de NBB dat de bezettingsgraad ongeveer 94 % bedraagt en er dus weinig reservecapaciteit is die voor uitvoer naar de EU zou kunnen worden gebruikt, mochten de maatregelen worden ingetrokken.

(74)

Dit argument werd afgewezen. De door de NBB verstrekte gegevens waren niet verenigbaar met de officieel beschikbare gegevens. Biodieselproducenten in de VS zijn verplicht maandelijks een formulier bij het EIA in te dienen (EIA-22M „maandelijkse enquête van de biodieselproductie”), waarop zij onder meer de jaarlijkse productiecapaciteit en hun operationele status vermelden, bijvoorbeeld of ze actief, tijdelijk inactief of definitief gestopt zijn. Sinds januari 2013 schommelde de geregistreerde capaciteit van maand tot maand licht, maar deze was in het algemeen redelijk stabiel.

(75)

Daarnaast zijn de biodieselproducenten in de VS verplicht bij het EPA jaarlijks onder meer op te geven welk soort of welke soorten hernieuwbare brandstoffen zij naar verwachting zullen produceren of invoeren en wat hun bestaande en geplande productiecapaciteit is.

(76)

De door de Amerikaanse biodieselproducenten opgegeven geregistreerde capaciteit wordt dus regelmatig bijgewerkt en geldt daarom als een betrouwbare bron. Zelfs als de geregistreerde capaciteit momenteel niet in gebruik of in werking is, moet deze worden meegeteld bij de berekening van de reservecapaciteit die beschikbaar is om de productie en de uitvoer te verhogen.

(77)

Bovendien was het gedeelte van de capaciteit dat definitief buiten bedrijf was gesteld in de door de NBB verstrekte cijfers al buiten beschouwing gelaten, zoals bij de indiening ervan werd erkend. Fabrieken die niet definitief gesloten zijn, kunnen hun productie per definitie opnieuw opstarten als de marktomstandigheden in de toekomst veranderen (bijvoorbeeld door openstelling van de markt van de Unie). De beoordeling van de waarschijnlijkheid van herhaling in het kader van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen vraagt om een benadering die vooruitkijkt naar wat in de toekomst zou kunnen gebeuren als de maatregelen komen te vervallen, niet louter een simpele inventarisatie van de situatie tijdens het TNO.

(78)

De Commissie is derhalve van mening dat de huidige geregistreerde capaciteit een goede basis vormt voor de berekening van de totale Amerikaanse productie en reservecapaciteit en verwerpt het argument van de NBB.

(79)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen bleef de NBB bij het standpunt dat bij het bepalen van de productiecapaciteit geen rekening moest worden gehouden met onbenutte capaciteit, zelfs als deze capaciteit niet bij de Amerikaanse autoriteiten was aangemeld als zijnde ontmanteld of permanent gesloten.

(80)

Maar volgens de instructies van het EIA, die door de NBB werden aangehaald, „[is] de jaarlijkse productiecapaciteit de hoeveelheid biodiesel die een installatie in een kalenderjaar kan produceren, uitgaande van normale stilleggingen voor onderhoud. Dit omvat de capaciteit van ongebruikte installaties totdat de installaties zijn ontmanteld of opgeheven”. Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat het EIA rekening houdt met alle installaties die potentieel weer in gebruik kunnen worden genomen. Installaties die niet worden ontmanteld of definitief gesloten, kunnen dus, in tegenstelling tot wat de NBB betoogt, per definitie opnieuw worden opgestart als de omstandigheden in de toekomst zouden veranderen.

(81)

De Commissie is derhalve van mening dat de huidige geregistreerde capaciteit een goede basis vormt voor de berekening van de totale Amerikaanse productie- en reservecapaciteit.

(82)

De NBB voerde ook aan dat de Amerikaanse biodieselindustrie niet als een uitvoerindustrie is opgezet, aangezien de meeste Amerikaanse biodieselinstallaties minder dan 15 000 000 gallon (55 000 ton) per jaar produceren. Het zou economisch niet haalbaar zijn de biodieselproductie van meerdere weken op te slaan voor één uitvoerzending.

(83)

Ook dit argument werd afgewezen. De biodieselindustrie van de VS is wel degelijk tot uitvoer in staat en vóór de instelling van de geldende maatregelen werden door de Amerikaanse producenten daadwerkelijk grote hoeveelheden biodiesel naar de markt van de Unie uitgevoerd, tot maximaal 1 137 000 ton in het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (1 april 2007 tot en met 31 maart 2008). Hieruit blijkt dat er wel degelijk producenten in de VS zijn met voldoende productiecapaciteit om een deel van hun productie uit te voeren. Producenten in de VS met onvoldoende individuele productiecapaciteit voor verzending naar de Unie zullen de binnenlandse markt blijven bedienen, terwijl handelaren de productie van verschillende fabrieken kunnen samenvoegen om deze uit te voeren.

(84)

De biodieselindustrie van de VS heeft dus een aanzienlijke reservecapaciteit, waardoor er sprake is van een sterke stimulans om de uitvoer naar de EU-markt te hervatten als de maatregelen zouden komen te vervallen.

3.3.5.   Ontwijkings- en absorptiepraktijken

(85)

Zoals vermeld in overweging 2, is gebleken dat de in 2009 ingestelde antidumpingmaatregelen werden ontweken door middel van verzending via Canada en wijziging van de samenstelling van het mengsel. Het bestaan van dergelijke praktijken laat zien hoeveel belang sommige producenten in de VS eraan hechten om marktaandeel in de Unie te verwerven, zelfs na de instelling van maatregelen, en wordt derhalve beschouwd als een indicatie van de waarschijnlijkheid van toekomstige dumping.

(86)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de NBB aan dat de desbetreffende feiten zich vier jaar vóór het TNO hebben voorgedaan en niet kunnen worden gebruikt om in deze zaak conclusies te trekken.

(87)

De Commissie bleef erbij dat het bestaan van eerdere praktijken van dezelfde marktdeelnemers als zodanig weliswaar niet doorslaggevend is, maar nog steeds kan worden beschouwd als een indicatie van het grote belang dat producenten in de VS bij de toegang tot de markt van de Unie hebben.

3.3.6.   Andere elementen

(88)

Tijdens het TNO lag de productie van biodiesel in de VS (4 450 000 ton) onder het verbruik (4 896 000 ton). Als gevolg daarvan voerde de VS meer biodiesel in dan uit. Dit zou verklaard kunnen worden uit de onzekerheid met betrekking tot de streefcijfers voor de verplichte biodieselproductie die voortvloeien uit het programma Renewable Fuel Standard (norm voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen) (1,28 miljard gallon (oftewel 4 238 000 ton) in 2014, ongewijzigd ten opzichte van 2013) en de mogelijkheid voor ingevoerde biodiesel om aan dit programma deel te nemen en aanspraak te maken op het Amerikaanse belastingkrediet voor biodiesel wanneer dit van kracht is. Tijdens het TNO bedroeg de totale invoer 1 072 000 ton en de uitvoer 567 000 ton. Als de beschikbare productiecapaciteit tijdens de beoordelingsperiode niet werd gebruikt om te kunnen voldoen aan de binnenlandse vraag, is het onwaarschijnlijk dat dezelfde beschikbare productiecapaciteit in de toekomst wel voor dit doel zou worden ingezet. Naar is gebleken, lag de productiecapaciteit van de VS tijdens het TNO met 7 128 000 ton aanzienlijk boven het binnenlandse verbruik. Dus als zich kansen op uitvoermarkten voordoen, betekent dit voor de producenten in de VS een stimulans en zullen zij waarschijnlijk een beroep doen op hun reservecapaciteit. Als zij gebruik hadden kunnen maken van de reservecapaciteit om aan de binnenlandse consumptie te voldoen, zouden zij dat al gedaan hebben.

(89)

In dit verband moet worden opgemerkt dat de Unie een zeer aantrekkelijke markt is, omdat het wereldwijd de grootste markt is en het gebruik van biodiesel er zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau aanzienlijk wordt gestimuleerd. Het is dus aantrekkelijk voor Amerikaanse producenten om hun volledige reservecapaciteit te activeren en daarnaast ook hun uitvoer naar andere, minder winstgevende derde landen gedeeltelijk te verleggen naar de markt van de Unie.

(90)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de NBB aan dat uit het feit dat het verbruik van biodiesel in de VS tijdens het TNO hoger lag dan de productie, blijkt dat de Amerikaanse producenten geen reservecapaciteit hebben die bij het eventueel vervallen van de maatregelen ingezet zou kunnen worden om toegang te krijgen tot de markt van de Unie.

(91)

De Commissie was van oordeel dat de vastgestelde reservecapaciteit in de VS, die zou kunnen worden ingezet om aan de totale vraag in de VS te voldoen maar daar op dit moment niet voor wordt gebruikt, naar alle waarschijnlijkheid zou worden ingezet om andere markten te bedienen waar vraag is, en met name de markt van de Unie, waar momenteel geen Amerikaanse producenten-exporteurs vertegenwoordigd zijn. De Commissie benadrukte dat in de VS de productiecapaciteit aanzienlijk hoger ligt dan het verbruik en dat derhalve ongebruikte capaciteit beschikbaar is voor uitvoer naar de Unie, als de geldende maatregelen zouden komen te vervallen.

3.3.7.   Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping

(92)

In het licht van de grote reservecapaciteit van de Amerikaanse industrie, in combinatie met de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie qua omvang en verkoopprijzen, met name in verhouding tot de prijzen bij uitvoer uit de VS naar derde landen, en de gegevens over eerdere ontwijkingspraktijken, concludeerde de Commissie dat er waarschijnlijk opnieuw sprake zou zijn van invoer met dumping uit de VS indien de maatregelen zouden komen te vervallen.

4.   SCHADE

4.1.   Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie

(93)

Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd het soortgelijke product door ongeveer 200 producenten in de Unie vervaardigd. Zij vormen de „bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

(94)

De totale productie in de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd bepaald op ongeveer 11 600 000 ton. De Commissie baseerde dit cijfer op alle informatie die over de bedrijfstak van de Unie beschikbaar was, zoals informatie die in het kader van de klacht werd verstrekt en gegevens die tijdens het onderzoek bij producenten in de Unie werden verzameld. Zoals vermeld in de overwegingen 12 en 13 bestaat de steekproef uit zeven producenten in de Unie, die samen bijna 30 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie vertegenwoordigen.

4.2.   Verbruik in de Unie

(95)

De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van de omvang van de totale productie in de Unie, verminderd met de uitvoer en vermeerderd met de invoer uit derde landen. Het in- en uitvoervolume werd afgeleid uit gegevens van Eurostat.

(96)

Het verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt:

Tabel 2

Verbruik in de Unie

 

2011

2012

2013

TNO

Totaal verbruik in de Unie

(ton)

11 130 119

11 856 626

11 382 324

12 324 479

Index

100

107

102

111

Bron: Bedrijfstak van de Unie, Eurostat.

(97)

Op basis van bovenstaande gegevens is het verbruik van biodiesel tijdens de beoordelingsperiode met 11 % gestegen.

4.3.   Invoer van het onderzochte product uit het betrokken land

4.3.1.   Invoervolume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

(98)

Zoals vermeld in overweging 40 daalde de invoer van biodiesel uit de VS in de Unie volgens de gegevens van Eurostat na de instelling van maatregelen in 2009 tot bijna nul.

(99)

De invoer in de Unie vanuit het betrokken land en het marktaandeel ontwikkelden zich als volgt:

Tabel 3

Invoer en marktaandeel van de VS

 

2011

2012

2013

TNO

VS (ton)

2 442

803

7

13

Index

100

33

0

1

Marktaandeel

0

0

0

0

Bron: Eurostat.

4.3.2.   Prijzen en prijsonderbieding

(100)

Tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek was de invoer van biodiesel uit de VS naar de Unie dermate klein dat deze niet als redelijke basis kon dienen bij de berekening van de mate van prijsonderbieding.

(101)

Daarom werd een analyse gemaakt van de gemiddelde prijs, in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, van de biodiesel die door de bedrijfstak van de Unie in de Unie werd geproduceerd en verkocht en de gemiddelde prijs van de biodiesel die vanuit de VS naar derde landen werd uitgevoerd (gebaseerd op statistische gegevens van de United States International Trade Commission). Zoals reeds vermeld in overweging 63 bedroeg de gemiddelde prijs bij uitvoer naar alle landen ongeveer 753 EUR per ton (vrij langszij schip). Om een waarschijnlijke en redelijke prijs bij uitvoer naar de Unie te berekenen, moet deze gemiddelde uitvoerprijs worden vermeerderd met de kosten voor vervoer en verzekering, een douanerecht van 6,5 % en kosten na invoer, in totaal naar verwachting een bedrag van ongeveer 100 EUR per ton (zie overweging 45). Hieruit volgt dat de prijzen van de Unie, die in het onderzoektijdvak 905 EUR bedroegen, volgens deze schatting van de prijs bij uitvoer naar de Unie zouden worden onderboden.

(102)

De NBB voerde aan dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarom zij bij het vaststellen van de waarschijnlijke uitvoerprijs bij uitvoer naar de Unie is uitgegaan van de gemiddelde prijs bij uitvoer naar derde landen en niet van de prijs bij uitvoer naar Canada, die hoger is. De NBB stelde ook dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarop de correctie van 100 EUR op de geschatte prijs bij uitvoer naar de Unie gebaseerd was en bovendien geen rekening heeft gehouden met kosten na invoer en vermeende prijsverschillen als gevolg van verschillen in grondstoffen. Als gevolg hiervan zou de analyse van de prijsonderbieding onjuist zijn.

(103)

Zoals beschreven in overweging 57 is uit het onderzoek gebleken dat de uitvoerprijzen van de VS afhankelijk van de bestemming aanzienlijk uiteenlopen. Om die reden, en omdat de Amerikaanse producenten geen medewerking verleenden, baseerde de Commissie zich bij de vaststelling van een redelijke en waarschijnlijke prijs bij uitvoer naar de Unie op het gemiddelde voor alle uitvoerbestemmingen. Uitgaan van de hoogste uitvoerprijs, zoals de NBB voorstelde, zou om dezelfde redenen geen geschikte methode zijn geweest als uitgaan van de laagste uitvoerprijs. Met betrekking tot de samenstelling en de bron van de correctie van 100 EUR, waarin kosten na invoer en prijsverschillen veroorzaakt door grondstoffen opgenomen zijn, voerde de NBB in wezen dezelfde argumenten aan als bij de berekeningen ten aanzien van dumping. Om de redenen vermeld in overweging 51 en 53 worden deze argumenten ook verworpen met betrekking tot de analyse van de prijsonderbieding.

4.3.3.   Invoer uit andere derde landen

(104)

Het invoervolume uit andere derde landen ontwikkelde zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 4

Invoer uit derde landen

 

2011

2012

2013

TNO

Maleisië (ton)

16 622

36 543

211 430

314 494

Indonesië (ton)

1 087 517

1 133 946

394 578

204 086

Argentinië (ton)

1 422 142

1 475 824

425 239

153 607

Overige (ton)

139 580

153 529

177 889

206 592

Totaal (ton)

2 665 861

2 799 842

1 209 136

878 779

Index

100

105

45

33

Marktaandeel

24,0 %

23,6 %

10,6 %

7,1 %

Index

100

99

44

30

Gemiddelde prijs

(EUR/ton)

927

932

779

786

Index

100

100

84

85

Bron: Eurostat.

(105)

Het invoervolume van biodiesel uit andere derde landen dan de VS nam tijdens de beoordelingsperiode sterk af, hetgeen wordt weerspiegeld in een evenredige daling van het marktaandeel. De daling van de invoer na 2013 viel samen met de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel uit Indonesië en Argentinië. Ook de gemiddelde prijs daalde in dezelfde periode met 15 %. De prijsontwikkeling is vergelijkbaar met die voor de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie (tabel 8) en is grotendeels toe te schrijven aan een daling van de prijzen van grondstoffen. Ook al liggen de prijzen ongeveer 13 % onder de gemiddelde prijs in de Unie, het marktaandeel van deze invoer is dermate gering dat de bedrijfstak van de Unie er geen noemenswaardige invloed van ondervindt.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.4.1.   Algemene opmerkingen

(106)

In overeenstemming met artikel 3, lid 5, van de basisverordening werden alle relevante economische indicatoren onderzocht die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(107)

Voor de schadevaststelling maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. Bij het beoordelen van de macro-economische indicatoren ging de Commissie uit van gegevens met betrekking tot alle producenten in de Unie, terwijl voor de micro-economische indicatoren werd uitgegaan van gecontroleerde gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Beide reeksen gegevens bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(108)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van dumping in het verleden.

(109)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

4.4.2.   Macro-economische indicatoren

4.4.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(110)

De totale productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad in de Unie ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 5

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2011

2012

2013

TNO

Productie (ton)

8 547 884

9 138 558

10 528 886

11 596 824

Index

100

107

123

136

Productiecapaciteit (ton)

16 072 000

16 190 288

16 997 288

16 746 869

Index

100

101

106

104

Bezettingsgraad

53 %

56 %

62 %

69 %

Index

100

106

116

130

Bron: Gegevens verstrekt door de EBB (de indiener van het verzoek).

(111)

De productiecapaciteit bleef in de beoordelingsperiode relatief stabiel (+ 4 %), maar tegelijkertijd vertoonde het productievolume vanaf 2012 tot het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek een aanzienlijke stijging. Deze toename van het productievolume is deels te verklaren door de stijging van het verbruik in de Unie in dezelfde periode, maar valt ook samen met de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel uit Indonesië en Argentinië, die duidelijk een positief effect hebben gehad op de productie van de bedrijfstak van de Unie.

(112)

Door de combinatie van een stabiele productiecapaciteit en een groter productievolume steeg de bezettingsgraad tijdens de beoordelingsperiode met 30 % tot een waarde van 69 % aan het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek.

(113)

De NBB voerde aan dat de niet-vertrouwelijke antwoorden op de vragenlijst van sommige ondernemingen in de steekproef hoge bezettingsgraden tussen 78 % en ten minste 93 % laten zien. Hieruit zou volgen dat de lagere gemiddelde bezettingsgraad van de gehele bedrijfstak te wijten is aan structurele factoren en niet aan invoer. In deze omstandigheden zou de bezettingsgraad volgens de NBB niet in aanmerking moeten worden genomen als aanwijzing dat de biodieselindustrie van de Unie zich nog van de gevolgen van eerdere dumping aan het herstellen is.

(114)

Dit argument kan niet worden aanvaard. De bezettingsgraad is slechts een van de vele macro-indicatoren die de Commissie in aanmerking neemt bij het analyseren van de algemene situatie van de bedrijfstak van de Unie. Het is niet meer dan normaal dat bepaalde ondernemingen uit de steekproef een hogere bezettingsgraad vertonen; macro-indicatoren zijn immers gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de gehele bedrijfstak van de Unie. Het feit dat sommige biodieselproducenten in de Unie zich sneller, of in sterkere mate, hebben hersteld dan andere, vooral in een zeer gefragmenteerde bedrijfstak, maakt deze indicator niet overbodig voor de algemene beoordeling van de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

4.4.2.2.   Verkoopvolume en marktaandeel

(115)

Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 6

Verkoopvolume en marktaandeel

 

2011

2012

2013

TNO

Verkoopvolume op de markt van de Unie (ton)

8 497 073

8 863 191

9 741 548

10 966 576

Index

100

104

115

129

Marktaandeel

76,3 %

74,8 %

85,6 %

89,0 %

Index

100

98

112

117

Bron: Gegevens verstrekt door de EBB (de indiener van het verzoek).

(116)

Tijdens de beoordelingsperiode steeg de verkoop door de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk en ging daarbij gelijk op met de stijging van de productie. Als gevolg daarvan vertoonde ook het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie een stijging, en wel van 76 % aan het begin van de beoordelingsperiode tot 89 % aan het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Uit de toename van de verkochte hoeveelheden en het marktaandeel blijkt dat de huidige antidumping- en antisubsidiemaatregelen een positief effect hebben gehad op de bedrijfstak van de Unie.

4.4.2.3.   Groei

(117)

Het verbruik in de Unie steeg tijdens de beoordelingsperiode met 11 %, terwijl zowel de productie als de verkoop met ongeveer 30 % toenamen. Ook de bezettingsgraad nam met ongeveer 30 % toe, terwijl de capaciteit relatief stabiel bleef met slechts een geringe stijging. Tegelijkertijd steeg de werkgelegenheid (tabel 7), terwijl het investeringsniveau tijdens de beoordelingsperiode juist daalde (tabel 11). Over het geheel genomen kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie een periode van groei doormaakt.

4.4.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(118)

De werkgelegenheid en de productiviteit ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 7

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2011

2012

2013

TNO

Aantal werknemers

2 123

2 125

2 351

2 326

Index

100

100

111

110

Productiviteit (ton/werknemer)

4 021

4 301

4 479

4 986

Index

100

107

111

124

Bron: Gegevens verstrekt door de EBB (de indiener van het verzoek).

(119)

Het aantal werknemers in de biodieselindustrie van de Unie bleef aan het begin van de beoordelingsperiode stabiel, maar steeg vervolgens tussen 2012 en het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek met 10 %. Deze trend, die volledig parallel loopt met de trends voor andere schade-indicatoren, zoals de omvang van de productie en de verkoop, wijst erop dat de bedrijfstak van de Unie bezig is zich te herstellen van eerdere dumping en subsidiëring.

(120)

Doordat de stijging van de werkgelegenheid naar verhouding kleiner was dan die van de productie van biodiesel, nam de productiviteit per werknemer toe, en wel met bijna 25 % tijdens de beoordelingsperiode; hieruit blijkt dat de bedrijfstak van de Unie efficiënter is geworden.

4.4.2.5.   Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(121)

Zoals vermeld in overweging 40 is de invoer van biodiesel uit de VS nagenoeg stilgevallen na de instelling van maatregelen in 2009 en was er in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen sprake van dumping. Daarom kan de omvang van de dumping niet worden beoordeeld. Uit de analyse van de schade-indicatoren kan echter worden afgeleid dat de maatregelen tegen de VS en de latere maatregelen ten aanzien van de invoer uit Argentinië en Indonesië een positief effect hebben gehad op de bedrijfstak van de Unie, die zich ogenschijnlijk aan het herstellen is van dumping in het verleden.

4.4.3.   Micro-economische indicatoren

4.4.3.1.   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(122)

De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid (af fabriek) van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 8

Verkoopprijzen in de Unie

 

2011

2012

2013

TNO

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie (EUR/ton)

1 105

1 079

964

905

Index

100

98

87

82

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

1 107

1 153

969

868

Index

100

104

88

78

Bron: Gecontroleerde gegevens van in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(123)

De gemiddelde verkoopprijs in de Unie is tijdens de beoordelingsperiode gestaag gedaald, terwijl de productiekosten per eenheid een soortgelijke ontwikkeling volgden. Omdat biodiesel als basisproduct wordt verhandeld, is het de bedrijfstak van de Unie niet gelukt de verkoopprijzen op een hoger niveau te handhaven, maar wel om de prijzen parallel aan verminderde productiekosten te verlagen. Hierdoor heeft de bedrijfstak van de Unie niet ten volle kunnen profiteren van de beschikbaarheid van goedkopere grondstoffen. Verder daalden de productiekosten per eenheid iets meer dan de gemiddelde prijs per eenheid, hetgeen duidt op een verbeterde efficiëntie van de bedrijfstak van de Unie.

4.4.3.2.   Loonkosten

(124)

De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 9

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2011

2012

2013

TNO

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR)

60 866

59 081

60 802

61 807

Index

100

97

100

102

Bron: Gecontroleerde gegevens van in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(125)

De gemiddelde loonkosten per werknemer bleven tijdens de gehele beoordelingsperiode stabiel.

4.4.3.3.   Voorraden

(126)

De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 10

Voorraden

 

2011

2012

2013

TNO

Eindvoorraden (ton)

84 734

118 256

92 825

91 202

Index

100

140

110

108

Eindvoorraden als percentage van de productie

4

5

4

3

Index

100

125

100

75

Bron: Gecontroleerde gegevens van in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(127)

De voorraden bleven tijdens de beoordelingsperiode betrekkelijk stabiel en op een normaal niveau.

4.4.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(128)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 11

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2011

2012

2013

TNO

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers

(% van omzet)

2,0

– 1,4

1,1

3,8

Index

100

– 70

55

190

Kasstroom (EUR)

67 930 517

1 004 296

135 656 898

66 832 681

Index

100

1

200

98

Investeringen (EUR)

12 122 366

9 859 293

9 133 725

8 314 180

Index

100

81

75

69

Rendement van investeringen

(% van nettoverkoop)

14,0 %

– 14,2 %

12,5 %

44,2 %

Index

100

– 101

89

315

Bron: Gecontroleerde gegevens van in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(129)

De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid is gestegen van 2,0 % in 2011 tot 3,8 % aan het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Alleen in 2012 was echter sprake van een verlies (– 1,4 %), hetgeen waarschijnlijk is toe te schrijven aan de aanzienlijke hoeveelheden invoer met dumping uit Indonesië en Argentinië, die in de plaats kwamen van de eerdere invoer uit de VS.

(130)

De netto kasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. Voor de beoordelingsperiode kan geen duidelijke trend worden vastgesteld, maar de in de steekproef opgenomen ondernemingen behielden in die periode in ieder geval een positieve kasstroom.

(131)

Tijdens de beoordelingsperiode is het investeringsniveau gedaald. Gezien de positieve kasstroom en de aanzienlijke stijging in het rendement van investeringen, zoals weergegeven in bovenstaande tabel, zijn er echter geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Unie moeite zou hebben gehad om kapitaal aan te trekken of verdere investeringen te doen als dergelijke investeringen in de beoordelingsperiode nodig waren geweest.

(132)

De NBB voert aan dat een winstgevendheid van 3,8 % niet strookt met hun eigen berekeningen, die zij baseerden op gegevens uit de niet-vertrouwelijke versies van de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de EU, waaruit een winstmarge van 8,5 % naar voren kwam.

(133)

De Commissie heeft deze bewering geanalyseerd en geconstateerd dat de NBB op een ander percentage uitkwam op basis van een methodologie/berekening die om verschillende redenen onjuist was. Ten eerste bleek hun berekening van de winstgevendheid in het TNO, in tegenstelling tot wat zij aanvoerden, niet gebaseerd op antwoorden op de vragenlijst, maar op steekproefgegevens, die echter geen informatie over het TNO bevatten maar op een andere periode betrekking hadden. Ten tweede waren de productiekosten die de NBB voor de berekening van de winstgevendheid gebruikte, gebaseerd op de productiekosten van een andere steekproef van ondernemingen uit een ander onderzoek; deze kunnen dus niet zonder meer voor dit onderzoek worden overgenomen. Ten slotte heeft de Commissie de gemiddelde winstmarge van de in de steekproef opgenomen ondernemingen op basis van betrouwbare en gecontroleerde gegevens van die ondernemingen vastgesteld. Het argument van de NBB wordt dan ook afgewezen.

4.4.4.   Conclusie over schade

(134)

Uit de analyse van de economische indicatoren blijkt dat de omvang van productie en verkoop tijdens de beoordelingsperiode is gestegen, terwijl het verbruik in de Unie slechts in mindere mate toenam. Dit betekent dat de bedrijfstak van de Unie zijn marktaandeel op de markt van de Unie heeft vergroot. Tegelijkertijd vertoonden zowel de verkoopprijzen als de productiekosten een vergelijkbare daling. Hierdoor kon de bedrijfstak van de Unie niet ten volle profiteren van het grotere verkoopvolume, ondanks een aanzienlijke vermindering van de invoer uit derde landen.

(135)

Aan de andere kant bleef de winstgevendheid tijdens de beoordelingsperiode laag en leed de bedrijfstak van de Unie in 2012 zelfs verlies. Zelfs de winsten die tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek werden behaald, net onder de 4 %, liggen aanzienlijk lager dan de winst die de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs onder normale marktvoorwaarden zou moeten behalen. Ook herinnert de Commissie eraan dat de (streef-)winst die de bedrijfstak van de Unie in afwezigheid van dumping redelijkerwijs moet kunnen behalen, door de Raad in het oorspronkelijke onderzoek dat aan de bestaande maatregelen ten grondslag ligt op 15 % (14) was vastgesteld. In een daaropvolgend onderzoek betreffende de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië werd de winst die de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs mag verwachten wanneer geen sprake is van dumping echter enigszins naar beneden bijgesteld en vastgesteld op 11 %, voornamelijk vanwege de toegenomen concurrentie op de markt van de Unie en het feit dat de biodieselindustrie in de Unie zich inmiddels verder had ontwikkeld (15).

(136)

Verscheidene van de economische indicatoren die relevant zijn voor de beoordeling van de huidige situatie van de bedrijfstak van de Unie vertonen een positieve trend en suggereren daarmee dat de antidumpingmaatregelen een positief effect hebben gehad op de bedrijfstak van de Unie. De winstmarge van de bedrijfstak van de Unie is echter nog steeds zeer klein en ligt aanmerkelijk lager dan de streefwinst zoals die in eerdere onderzoeken is vastgesteld. Bovendien ligt het investeringsniveau niet alleen laag, maar daalde het in de beoordelingsperiode ook nog eens met 30 %, terwijl de bezettingsgraad weliswaar toenam, maar nog altijd onder de 70 % bleef, wat laag is in vergelijking met de bezettingsgraad van rond de 90 % in de periode 2004–2006, toen er geen sprake was van invoer met dumping op de markt van de Unie en de bedrijfstak van de Unie geacht werd in een gezonde toestand te verkeren (16).

(137)

Op basis van een algemene analyse van alle economische indicatoren heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie zich nog niet volledig heeft hersteld van de gevolgen van de eerdere dumping. De bedrijfstak bevindt zich nog in een economisch en financieel kwetsbare situatie en de huidige positieve trend kan gemakkelijk omslaan als de invoer met dumping uit de Verenigde Staten in aanzienlijke hoeveelheden zou worden hervat.

5.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE

(138)

Om te beoordelen hoe waarschijnlijk het is dat de bedrijfstak van de Unie opnieuw schade zal ondervinden indien de maatregelen zouden komen te vervallen, heeft de Commissie de verwachte gevolgen van invoer uit de VS voor de markt van de Unie en de bedrijfstak van de Unie overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening geanalyseerd. De Commissie onderzocht met name de waarschijnlijkheid van herhaling van invoer met dumping, de invoervolumes en het waarschijnlijke prijsniveau ervan, de reservecapaciteit, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en het prijsbeleid van de producenten in de VS.

(139)

Zoals is geconcludeerd in overweging 92, is het waarschijnlijk dat de invoer met dumping uit de VS zal worden hervat indien de bestaande maatregelen vervallen. De Commissie heeft vastgesteld dat de producenten van biodiesel in de VS momenteel met dumping uitvoeren naar andere derde landen tegen prijzen die lager liggen dan de prijzen in de Unie. Aangezien de prijzen van de Unie ietwat hoger liggen dan die op de markten van andere derde landen, is het waarschijnlijk dat ten minste een deel van deze uitvoer naar de Unie zal worden verlegd indien de bestaande maatregelen vervallen.

(140)

De Commissie heeft vastgesteld dat de Amerikaanse producenten beschikken over een grote reservecapaciteit van ongeveer 2 678 000 ton, wat overeenkomt met circa 22 % van het totale verbruik in de Unie.

(141)

Het is onwaarschijnlijk dat de beschikbare reservecapaciteit in de VS door de eigen binnenlandse markt zal worden geabsorbeerd. Nu al voldoen de Amerikaanse producenten, ondanks voldoende capaciteit, niet volledig aan de vraag op de Amerikaanse markt. Het is ook onwaarschijnlijk dat de bestaande reservecapaciteit zou worden gebruikt om de uitvoer naar andere derde landen dan de Unie te verhogen. Zoals nader beschreven in de overwegingen 42 tot en met 63, liggen de uitvoerprijzen van de VS naar derde landen op dit moment gemiddeld 15 % onder de gemiddelde binnenlandse prijs op de Amerikaanse markt, en ook lager dan de gemiddelde prijs in de Unie, zelfs als de transportkosten van de VS naar de Unie in aanmerking worden genomen. Het is daarom waarschijnlijk dat de Amerikaanse producenten een andere afzetmarkt zouden zoeken voor hun reservecapaciteit.

(142)

Aangezien de markt van de Unie wereldwijd de grootste markt voor biodiesel vormt en de prijzen voor biodiesel er vergelijkbaar of iets hoger zijn dan de prijzen op de binnenlandse markt van de VS, zou de markt van de Unie voor biodieselproducenten uit de VS erg aantrekkelijk zijn.

(143)

Indien de bestaande maatregelen zouden komen te vervallen, is het dan ook zeer waarschijnlijk dat de Amerikaanse producenten een groot deel van hun reservecapaciteit zouden gebruiken om opnieuw toegang te krijgen tot de markt van de Unie. Zoals is vastgesteld in overweging 46, is het waarschijnlijk dat de biodieselproducenten in de VS hun product tegen dumpingprijzen naar de Unie zullen uitvoeren om op de markt van de Unie te kunnen concurreren met de producenten in de Unie. Gezien hun huidige prijsbeleid bij de uitvoer naar andere derde landen (overweging 57 en 58) en de grote beschikbare reservecapaciteit, is het zeer waarschijnlijk dat aanzienlijke hoeveelheden biodiesel uit de VS opnieuw tegen dumpingprijzen, gelijk aan of lager dan de prijzen in de Unie, op de markt van de Unie zouden worden aangeboden.

(144)

Een dergelijke vorm van invoer zou de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onder druk zetten en de prijzen zelfs omlaag drukken, terwijl de winsten in de bedrijfstak bij het huidige prijsniveau al zeer laag liggen en niet in de buurt komen van de streefwinst. Dit zou waarschijnlijk leiden tot een daling van de productie en de verkoop en tot een verlies aan winstgevendheid en marktaandeel.

(145)

Gezien de zwakke economische situatie van de bedrijfstak van de Unie zou een dergelijk te verwachten scenario aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor het huidige herstel van de bedrijfstak van de Unie en naar alle waarschijnlijkheid opnieuw tot aanmerkelijke schade leiden.

5.1.   Conclusie

(146)

Op basis van het bovenstaande concludeert de Commissie dat zich waarschijnlijk opnieuw aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie zal voordoen als de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel uit de VS zouden komen te vervallen.

6.   BELANG VAN DE UNIE

(147)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of het belang van de Unie geschaad zou worden indien de geldende maatregelen, ondanks de hierboven vermelde conclusies inzake de waarschijnlijke hervatting van schade veroorzakende dumping, werden gehandhaafd. Het belang van de Unie werd vastgesteld aan de hand van een afweging van alle belangen van de betrokkenen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers van biodiesel.

6.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(148)

De bestaande maatregelen hebben ertoe bijgedragen dat de invoer met dumping van biodiesel uit de VS bijna tot nul is teruggebracht en hebben verlichting gebracht voor de bedrijfstak van de Unie. Hoewel bepaalde positieve ontwikkelingen, zoals een toename van de productie en de verkoop, erop wijzen dat de bedrijfstak van de Unie zich aan het herstellen is van de gevolgen van eerdere dumping, zijn de prijzen van biodiesel op de markt van de Unie aanzienlijk gedaald en is de winstgevendheid in de bedrijfstak zeer laag gebleven, waardoor deze in een zwakke en kwetsbare economische situatie verkeert.

(149)

Als de bestaande maatregelen zouden komen te vervallen, zou de bedrijfstak van de Unie zonder twijfel worden geconfronteerd met meer oneerlijke concurrentie in de vorm van de invoer met dumping van aanzienlijke hoeveelheden biodiesel uit de VS. Dit zou het einde betekenen van het herstel dat de biodieselindustrie van de Unie momenteel vertoont en zeer waarschijnlijk opnieuw tot aanmerkelijke schade leiden. Beëindiging van de maatregelen is derhalve niet in het belang van de bedrijfstak van de Unie.

6.2.   Belang van de niet-verbonden importeurs en handelaren

(150)

Slechts drie importeurs/handelaren hebben zich gemeld en hebben hun standpunt kenbaar gemaakt. Hoewel een van de ondernemingen aanvoerde dat het niveau van de huidige rechten buitenproportioneel was en dat handhaving ervan de markt zou verstoren en beperken, met hogere prijzen tot gevolg, verklaarden de andere twee ondernemingen dat de bestaande maatregelen geen invloed hadden gehad op hun activiteiten en dat zij neutraal stonden tegenover een mogelijke handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen.

(151)

De bewering dat een voortzetting van de bestaande maatregelen de markt zou beperken en zou leiden tot hogere prijzen, wordt door de bevindingen van dit onderzoek niet gestaafd. Integendeel: tijdens de beoordelingsperiode zijn de prijzen van de Unie gedaald, ondanks de geldende maatregelen. Bovendien heeft de bedrijfstak van de Unie op dit moment niet alleen voldoende capaciteit om aan de vraag naar biodiesel in de Unie te voldoen, maar ook voldoende reservecapaciteit om te kunnen reageren op een toekomstige stijging van de vraag. Daarom vormen de voorgestelde argumenten geen bewijs voor de stelling dat handhaving van de bestaande maatregelen in strijd zou zijn met de belangen van importeurs en/of handelaren.

6.3.   Belang van de gebruikers

(152)

Slechts één gebruiker, een onderneming die biodiesel koopt om deze met minerale oliën te mengen, heeft zich gemeld en zijn standpunt aan de Commissie kenbaar gemaakt. Deze onderneming was een groot voorstander van handhaving van de bestaande maatregelen en voerde aan dat het stopzetten ervan desastreuze gevolgen kon hebben voor de markt voor biodiesel in de Unie en zou leiden tot de instroom van aanzienlijke hoeveelheden biodiesel tegen dumpingprijzen, met opnieuw ernstige schade aan de biodieselindustrie van de Unie tot gevolg.

(153)

Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande maatregelen negatieve gevolgen hebben gehad voor de gebruikers van biodiesel in de Unie, en met name is er geen bewijs dat de bestaande maatregelen een negatief effect hebben gehad op hun winstgevendheid of zakelijke activiteiten. Hoe het ook zij, doordat het verbruik van biodiesel in de Unie stabiel is of slechts licht stijgt, heeft de bedrijfstak van de Unie voldoende capaciteit om te voldoen aan de huidige en toekomstige vraag, mocht de vraag verder toenemen. Handhaving van de maatregelen zou niet leiden tot schaarste.

(154)

Daarom kan worden geconcludeerd dat handhaving van de maatregelen niet indruist tegen de belangen van gebruikers.

6.4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(155)

Op basis van het bovenstaande kwam de Commissie tot de conclusie dat er geen dwingende redenen zijn om aan te nemen dat handhaving van de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS niet in het belang van de Unie zou zijn.

7.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(156)

Uit de conclusies die zijn getrokken met betrekking tot de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping en schade kan worden afgeleid dat, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 599/2009, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011, voor een aanvullende periode van vijf jaar moeten worden gehandhaafd.

(157)

Zoals vermeld in overweging 2 zijn de thans geldende antidumpingrechten ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS uitgebreid tot de invoer van hetzelfde product verzonden vanuit Canada, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot de invoer in de Unie van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.

(158)

De antidumpingrechten die zullen worden gehandhaafd, zullen eveneens worden uitgebreid tot de invoer van biodiesel verzonden vanuit Canada, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.

(159)

De producenten-exporteurs uit Canada die waren vrijgesteld van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011 uitgebreide maatregelen, zullen ook van de bij deze verordening ingestelde maatregelen worden vrijgesteld.

(160)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209829), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009129), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009929), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194329), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194629), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194729), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201129), ex 2710 20 15 (Taric-code 2710201529), ex 2710 20 17 (Taric-code 2710201729), ex 3824 90 92 (Taric-code 3824909212), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001029, 3826001039, 3826001049, 3826001099) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009019).

2.   Het definitieve antidumpingrecht, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor de in lid 1 omschreven producten van onderstaande ondernemingen is als volgt:

Onderneming

Antidumpingrecht, EUR/ton, netto

Aanvullende Taric-code

Archer Daniels Midland Company, Decatur

68,6

A933

Cargill Inc., Wayzata

0

A934

Green Earth Fuels of Houston LLC, Houston

70,6

A935

Imperium Renewables Inc., Seattle

76,5

A936

Peter Cremer North America LP, Cincinnati

198,0

A937

World Energy Alternatives LLC, Boston

82,7

A939

In bijlage I vermelde ondernemingen

115,6

Zie bijlage I

Alle andere ondernemingen

172,2

A999

Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

3.   Wanneer goederen beschadigd zijn voordat zij in het vrije verkeer zijn gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs door de verkoper ten gunste van de koper is aangepast, wordt, als aan de voorwaarden van artikel 145, leden 2 en 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (17) is voldaan, het bedrag van het antidumpingrecht als bedoeld in lid 2 verlaagd met een percentage dat evenredig is aan de aanpassing van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

4.   De individuele rechten voor de in lid 2 genoemde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage II. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

1.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”, zoals vermeld in artikel 1, lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer in de Unie van door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, vanuit Canada verzonden, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209821), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009121), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009921), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194321), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194621), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194721), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201121), ex 2710 20 15 (Taric-code 2710201521), ex 2710 20 17 (Taric-code 2710201721), ex 3824 90 92 (Taric-code 3824909210), ex 3826 00 10 (Taric-codes 3826001020, 3826001030, 3826001040, 3826001089) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009011), met uitzondering van die welke door onderstaande ondernemingen zijn geproduceerd:

Land

Onderneming

Aanvullende Taric-code

Canada

BIOX Corporation, Oakville, Ontario, Canada

B107

Canada

Rothsay Biodiesel, Guelph, Ontario, Canada

B108

Het uit te breiden recht is het recht dat in artikel 1, lid 2, is vastgesteld voor „alle andere ondernemingen”, te weten een definitief antidumpingrecht van 172,2 EUR per nettoton.

Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

2.   Wanneer goederen beschadigd zijn voordat zij in het vrije verkeer zijn gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs door de verkoper ten gunste van de koper is aangepast, wordt, als aan de voorwaarden van artikel 145, leden 2 en 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is voldaan, het bedrag van het antidumpingrecht als bedoeld in artikel 1, lid 2, verlaagd met een percentage dat evenredig is aan de aanpassing van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

3.   De vrijstellingen voor de in lid 1 genoemde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage II. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat op grond van artikel 1, lid 1, voor „alle andere ondernemingen” geldt.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 3

1.   Het definitieve antidumpingrecht zoals vermeld in artikel 1, lid 2, wordt uitgebreid tot de invoer in de Unie van door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209830), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009130), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009930), ex 2710 19 43 (Taric-code 2710194330), ex 2710 19 46 (Taric-code 2710194630), ex 2710 19 47 (Taric-code 2710194730), ex 2710 20 11 (Taric-code 2710201130), ex 2710 20 15 (Taric-code 2710201530), ex 2710 20 17 (Taric-code 2710201730), ex 3824 90 92 (Taric-code 3824909220) en ex 3826 00 90 (Taric-code 3826009030).

Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar evenredigheid van het aandeel in gewichtsprocenten van het totale gehalte aan door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).

2.   Wanneer goederen beschadigd zijn voordat zij in het vrije verkeer zijn gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs door de verkoper ten gunste van de koper is aangepast, wordt, als aan de voorwaarden van artikel 145, leden 2 en 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is voldaan, het bedrag van het antidumpingrecht als bedoeld in artikel 1, lid 2, verlaagd met een percentage dat evenredig is aan de aanpassing van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

3.   De individuele rechten voor de in artikel 1, lid 2, genoemde ondernemingen worden uitsluitend toegepast indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de voorschriften in bijlage III. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 4

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, uitgebreide recht moeten schriftelijk in een van de officiële talen van de Europese Unie worden ingediend en ondertekend zijn door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Wetstraat 170, Kamer CHAR 04/034

1049 Brussel

BELGIË

e-mail: TRADE-TDI-INFORMATION@ec.europa.eu

2.   Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kan de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de invoer van producten van ondernemingen die de bij Verordening (EG) nr. 599/2009 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken, bij besluit vrijstellen van het bij artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, uitgebreide recht.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 14 september 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  Verordening (EG) nr. 599/2009 van de Raad van 7 juli 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 179 van 10.7.2009, blz. 26).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 444/2011 van de Raad van 5 mei 2011 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika tot vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, en tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 599/2009 is ingesteld tot biodiesel in mengsels bevattende 20 of minder gewichtsprocenten biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, en tot beëindiging van het onderzoek naar de vanuit Singapore verzonden biodiesel (PB L 122 van 11.5.2011, blz. 12).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB L 315 van 26.11.2013, blz. 2).

(5)  Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 289 van 4.10.2013, blz. 12).

(6)  Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB C 217 van 10.7.2014, blz. 14).

(7)  Mexico — Definitieve antidumpingmaatregelen ten aanzien van rundvlees en rijst, WT/DS 295/AB/R van 29 november 2005.

(8)  Krachtens de wetgeving van de VS (U.S. Code, titel 26, afdeling 45K(c)(3)) vallen onder de term „biomassa” alle organische stoffen buiten a) olie en aardgas (of daarvan afgeleide producten) en b) kolen (inclusief bruinkool) of daarvan afgeleid producten.

(9)  Verordening (EG) nr. 194/2009 van de Commissie van 11 maart 2009 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 67 van 12.3.2009, blz. 50), overweging 20.

(10)  Als gevolg van een zetfout werd in het informatiedocument ten onrechte een bedrag van 884 EUR vermeld.

(11)  Zie bijvoorbeeld: http://biodiesel.org/news/news-display/2014/05/14/biodiesel-producers-hit-hard-by-policy-uncertainty, geraadpleegd op 6 juli 2015.

(12)  Gibraltar maakt geen deel uit van de douane-unie en de invoer van producten in Gibraltar wordt niet beschouwd als het in het vrije verkeer brengen van producten in de Unie.

(13)  Het verbruik van biodiesel in Canada zal in 2015 iets meer dan 300 000 ton bedragen. Zie bijvoorbeeld: http://gain.fas.usda.gov/Recent%20GAIN%20Publications/Biofuels%20Annual_Ottawa_Canada_11-24-2014.pdf, geraadpleegd op 6 juli 2015.

(14)  Verordening (EG) nr. 599/2009, overwegingen 181, 182 en 183.

(15)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013, overwegingen 202 tot en met 208.

(16)  Verordening (EG) nr. 193/2009 van de Commissie van 11 maart 2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB L 67 van 12.3.2009, blz. 22).

(17)  Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).


BIJLAGE I

Naam onderneming

Plaats

Aanvullende Taric-code

American Made Fuels, Inc.

Canton

A940

AG Processing Inc.

Omaha

A942

Alabama Clean Fuels Coalition Inc.

Birmingham

A940

Arkansas SoyEnergy Group

DeWitt

A940

Arlington Energy, LLC

Mansfield

A940

Athens Biodiesel, LLC

Athens

A940

Beacon Energy

Cleburne

A940

Biodiesel of Texas, Inc.

Denton

A940

BioDiesel One Ltd

Southington

A940

Buffalo Biodiesel, Inc

Tonawanda

A940

BullDog BioDiesel

Ellenwood

A940

Carbon Neutral Solutions, LLC

Mauldin

A940

Central Iowa Energy, LLC

Newton

A940

Chesapeake Custom Chemical Corp.

Ridgeway

A940

Community Fuels

Stockton

A940

Delta BioFuels, Inc.

Natchez

A940

Diamond Biofuels

Mazon

A940

Direct Fuels

Euless

A940

Eagle Creek Fuel Services, LLC

Baltimore

A940

Earl Fisher Bio Fuels

Chester

A940

East Fork Biodiesel, LLC

Algona

A940

ECO Solutions, LLC

Chatsworth

A940

Ecogy Biofuels, LLC

Tulsa

A940

ED & F Man Biofuels Inc.

New Orleans

A940

Freedom Biofuels, Inc.

Madison

A940

Fuel & Lube, LLC

Richmond

A940

Fuel Bio

Elizabeth

A940

FUMPA Bio Fuels

Redwood Falls

A940

Galveston Bay Biodiesel, LP (BioSelect Fuels)

Houston

A940

Geo Green Fuels, LLC

Houston

A940

Georgia Biofuels Corp.

Loganville

A940

Green River Biodiesel, Inc.

Moundville

A940

Griffin Industries, Inc.

Cold Spring

A940

High Plains Bioenergy

Guymon

A940

Huish Detergents, Inc.

Salt Lake City

A940

Incobrasa Industries, Ltd

Gilman

A940

Independence Renewable Energy Corp.

Perdue Hill

A940

Indiana Flex Fuels

LaPorte

A940

Innovation Fuels, Inc.

Newark

A940

Iowa Renewable Energy, LLC

Washington

A940

Johann Haltermann Ltd

Houston

A940

Lake Erie Biofuels, LLC

Erie

A940

Leland Organic Corporation

Leland

A940

Louis Dreyfus Agricultural Industries, LLC

Wilton

A940

Louis Dreyfus Claypool Holdings LLC

Claypool

A940

Memphis Biofuels, LLC

Memphis

A942

Middle Georgia Biofuels

East Dublin

A940

Middletown Biofuels, LLC

Blairsville

A940

Musket Corporation

Oklahoma City

A940

New Fuel Company

Dallas

A940

North Mississippi Biodiesel

New Albany

A940

Northern Biodiesel, Inc.

Ontario

A940

Northwest Missouri Biofuels, LLC

St. Joseph

A940

Nova Biofuels Clinton County, LLC

Clinton

A940

Nova Biosource

Senaca

A940

Organic Fuels, Ltd

Houston

A940

Owensboro Grain Company LLC

Owensboro

A940

Paseo Cargill Energy, LLC

Kansas City

A940

Peach State Labs, Inc.

Rome

A940

Perihelion Global, Inc.

Opp

A940

Philadelphia Fry-O-Diesel Inc.

Philadelphia

A940

Pinnacle Biofuels, Inc.

Crossett

A940

PK Biodiesel

Woodstock

A940

Pleasant Valley Biofuels, LLC

American Falls

A940

RBF Port Neches LLC

Houston

A940

Red Birch Energy, Inc.

Bassett

A940

Red River Biodiesel Ltd

New Boston

A940

REG Ralston, LLC

Ralston

A940

Renewable Energy Products, LLC

Santa Fe Springs

A940

Riksch BioFuels LLC

Crawfordsville

A940

Safe Renewable Corp.

Conroe

A940

Sanimax Energy Inc.

DeForest

A940

Scott Petroleum

Itta Bena

A942

Seminole Biodiesel

Bainbridge

A940

Soy Solutions

Milford

A940

SoyMor Biodiesel, LLC

Albert Lea

A940

Sunshine BioFuels, LLC

Camilla

A940

TPA Inc.

Warren

A940

Trafigura AG

Stamford

A940

U.S. Biofuels, Inc.

Rome

A940

United Oil Company

Pittsbourgh

A940

Valco Bioenergy

Harlingen

A940

Vanguard Synfuels, LLC

Pollock

A940

Vinmar Overseas, Ltd

Houston

A938

Vitol Inc.

Houston

A940

Walsh Bio Diesel, LLC

Mauston

A940

Western Dubque Biodiesel, LLC

Farley

A940

Western Iowa Energy, LLC

Wall Lake

A940

Western Petroleum Company

Eden Prairie

A940


BIJLAGE II

De in artikel 1, lid 4, en artikel 2, lid 3, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring bevatten met de volgende gegevens, ondertekend door een daartoe bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft:

de naam en de functie van de bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

de volgende verklaring:

„Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, die naar de Europese Unie worden uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, zijn geproduceerd door [naam en adres onderneming] [aanvullende Taric-code] in [betrokken land(en)]. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”.


BIJLAGE III

De in artikel 3, lid 3, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring bevatten met de volgende gegevens, ondertekend door een daartoe bevoegd medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft:

de naam en de functie van de bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

de volgende verklaring:

„Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, die naar de Europese Unie worden uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, zijn geproduceerd door [naam en adres onderneming] [aanvullende Taric-code] in de Verenigde Staten van Amerika. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”.


15.9.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 239/99


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1519 VAN DE COMMISSIE

van 14 september 2015

tot instelling van definitieve compenserende rechten op biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) („de basisverordening”), en met name artikel 18, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Geldende maatregelen

(1)

De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 598/2009 (2) een definitief compenserend recht variërend van 211,2 EUR tot 237 EUR per nettoton ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, op dat moment vallende onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-code 1516209820), ex 1518 00 91 (Taric-code 1518009120), ex 1518 00 99 (Taric-code 1518009920), ex 2710 19 41 (Taric-code 2710194120), 3824 90 91, ex 3824 90 97 (Taric-code 3824909787), van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna „de VS” of „het betrokken land” genoemd). Het compenserende recht dat bij deze verordening werd ingesteld, wordt hierna aangeduid als „de bestaande maatregelen”.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 443/2011 (3) heeft de Raad naar aanleiding van de uitkomst van een antiontwijkingsonderzoek het definitieve compenserend recht dat bij Verordening (EG) nr. 598/2009 was ingesteld, uitgebreid tot de invoer in de Unie van vanuit Canada verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Canada, met uitzondering van de producten die worden geproduceerd door de ondernemingen BIOX Corporation, Oakville en Rothsay Biodiesel, Guelph, Ontario, Canada. Bij dezelfde verordening heeft de Raad het definitieve compenserend recht dat was ingesteld bij Verordening (EG) nr. 598/2009 eveneens uitgebreid tot de invoer van biodiesel in mengsels met 20 of minder gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.

1.2.   Geldende maatregelen ten aanzien van andere derde landen

(3)

De thans voor biodiesel geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van de uitvoer uit Argentinië en Indonesië (4) vallen niet onder deze procedure.

1.3.   Verzoek om een nieuw onderzoek

(4)

Na de bekendmaking van een bericht dat de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika op korte termijn zouden vervallen (5), heeft de Europese Commissie („de Commissie”) op grond van artikel 18 van de basisverordening een verzoek om een nieuw onderzoek ontvangen.

(5)

Dit verzoek werd op 9 april 2014 ingediend door de European Biodiesel Board (Europese biodieselraad, „de indiener van het verzoek”) namens producenten in de Unie die meer dan 25 % van de totale productie van biodiesel in de Unie vertegenwoordigen. Het verzoek werd ingediend met als argument dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk opnieuw tot subsidiëring en tot schade voor de bedrijfstak van de Unie zou leiden.

1.4.   Opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen

(6)

Nadat de Commissie na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (6) ingestelde comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 10 juli 2014 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie („bericht van opening”) (7) de opening van een nieuw onderzoek op grond van artikel 18 van de basisverordening aangekondigd. Op dezelfde dag heeft de Commissie een nieuw onderzoek geopend in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit de VS (8). Dit is een parallelle, maar gescheiden procedure, die het onderwerp vormt van een afzonderlijke verordening.

(7)

Vóór de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft de Commissie in overeenstemming met artikel 22, lid 1, en artikel 10, lid 7, van de basisverordening de overheid van de Verenigde Staten van Amerika („de Amerikaanse overheid”) ervan in kennis gesteld dat zij een met het nodige bewijsmateriaal gestaafd verzoek om een nieuw onderzoek had ontvangen en heeft zij de Amerikaanse overheid voor overleg uitgenodigd om de situatie ten aanzien van de inhoud van dat verzoek op te helderen en overeenstemming over een oplossing te bereiken. De Amerikaanse overheid heeft de uitnodiging aangenomen en het overleg heeft op 3 juli 2014 plaatsgevonden. Daarbij kon geen overeenstemming worden bereikt. Er werd evenwel nota genomen van de opmerkingen van de Amerikaanse overheid.

1.5.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode

(8)

Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van subsidiëring had betrekking op de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van een herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2014 („de beoordelingsperiode”).

1.6.   Belanghebbenden

(9)

In het bericht van opening werden de belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie specifiek de indiener van het verzoek, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs in de VS alsmede de Amerikaanse autoriteiten en de haar bekende betrokken importeurs, leveranciers, gebruikers, handelaren en verenigingen op de hoogte gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(10)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het onderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures.

1.7.   Steekproeven

(11)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening.

a)   Steekproef van producenten in de Unie

(12)

In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Bij het samenstellen van de steekproef ging de Commissie uit van een zo groot mogelijke mate van representativiteit qua productie- en verkoopvolume, in combinatie met voldoende geografische spreiding. De voorlopige steekproef bestond uit zeven producenten in de Unie, die in zeven verschillende lidstaten gevestigd zijn en samen goed waren voor bijna 30 % van de productie van biodiesel in de Unie. De Commissie heeft de belanghebbenden om opmerkingen over de voorlopige steekproef verzocht.

(13)

Eén onderneming uit Italië verzocht in de steekproef te worden opgenomen. Deze onderneming was echter pas eind 2013 met haar activiteiten gestart, nadat ze een biodieselfabriek had overgenomen van een andere Italiaanse producent van biodiesel, die wel in de voorlopige steekproef was opgenomen. Vanwege de afwezigheid van historische gegevens, die noodzakelijk zijn om tijdens de beoordelingsperiode relevante trends te kunnen ontdekken, en omdat de voorlopige steekproef al een andere Italiaanse onderneming bevatte, werd besloten deze onderneming niet in de steekproef op te nemen.

(14)

De Amerikaanse National Biodiesel Board („NBB”) (nationale biodieselraad) merkte op dat de voorlopige steekproef afweek van de steekproef in de vorige onderzoeken met betrekking tot biodiesel en wees met name op twee ondernemingen met een aanzienlijke productie en verkoop, die niet in de voorlopige steekproef waren opgenomen. De twee door de NBB aangewezen ondernemingen waren echter ofwel verbonden met een andere onderneming die een groter verkoopvolume had en al in de steekproef was opgenomen, of hadden een lager verkoopvolume dan een andere onderneming uit dezelfde lidstaat die voor de voorlopige steekproef was geselecteerd. De opname van elk van deze twee ondernemingen zou dus geen invloed hebben gehad op de representativiteit van de voorlopige steekproef. Daarom werd de voorlopige steekproef aangenomen als representatieve steekproef van de bedrijfstak van de Unie.

(15)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen betoogde de Amerikaanse regering dat een steekproef waarin 30 % van de bedrijfstak van de Unie vertegenwoordigd was, niet kon worden beschouwd als representatief voor de gehele biodieselindustrie van de Unie en dat de micro-indicatoren op een bredere basis hadden moeten worden geanalyseerd. De Amerikaanse regering verwees naar de bevindingen van de WTO-beroepsinstantie in de zaak EC-bevestigingsmiddelen, waarin werd gesteld dat een steekproef van 27 % laag is in verhouding tot het geheel en alleen in gefragmenteerde bedrijfstakken als een groot deel kan gelden.

(16)

In tegenstelling tot bij het bevestigingsmiddelen-onderzoek is de bedrijfstak van de Unie in dit onderzoek door de Commissie gedefinieerd als de gehele bedrijfstak, niet alleen de in de steekproef opgenomen bedrijven (overweging 151). Bovendien zijn alle macro-indicatoren beoordeeld op basis van de gehele bedrijfstak, terwijl slechts enkele micro-indicatoren zijn geanalyseerd op het niveau van de in de steekproef opgenomen bedrijven. De algemene analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie was echter gebaseerd op een beoordeling van zowel micro- als macro-indicatoren. In ieder geval wordt de bedrijfstak van de Unie, die bestaat uit meer dan 200 producenten verspreid over de Unie, waarvan de meeste kleine of middelgrote ondernemingen zijn, beschouwd als een gefragmenteerde industrie. De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat de steekproef, waarin 30 % van de bedrijfstak van de Unie is vertegenwoordigd, representatief is; het argument wordt dan ook afgewezen.

b)   Steekproef van importeurs

(17)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie niet-verbonden importeurs de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken.

(18)

Slechts een klein aantal van de niet-verbonden importeurs leverde de gevraagde informatie en stemde ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. De Commissie besloot dat, gezien het lage aantal, een steekproef niet noodzakelijk was.

c)   Steekproef van producenten-exporteurs in de VS

(19)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie alle producenten-exporteurs in de VS de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de VS bij de Europese Unie verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek aan te wijzen en/of contact met hen op te nemen.

(20)

27 producenten in de VS hebben de Commissie geantwoord, maar slechts 9 daarvan hebben de gegevens over de uitvoer en/of de binnenlandse verkoop verstrekt die in bijlage I bij het bericht van opening met het oog op het samenstellen van de steekproef werden gevraagd. Geen van hen had tijdens het TNO biodiesel naar de Unie uitgevoerd. De Commissie stelde een steekproef samen van de drie producenten-exporteurs met de grootste binnenlandse verkoop en uitvoer. Overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening werden alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van de VS geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef. Er zijn geen opmerkingen ontvangen.

(21)

Geen van de in de steekproef opgenomen producenten heeft binnen de termijn op de vragenlijst gereageerd. Op 7 oktober 2014 heeft de Commissie de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs op het uitblijven van een antwoord geattendeerd.

(22)

Op 10 oktober 2014 heeft een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs de Commissie meegedeeld af te zien van het invullen van de vragenlijst. De andere twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hebben om verschillende verlengingen van de termijn gevraagd; deze werden toegekend, maar er zijn geen volledige antwoorden ingediend.

(23)

Op 10 november 2014 heeft de Commissie aan de drie in de steekproef opgenomen ondernemingen een brief gestuurd over haar voornemen om artikel 28 van de basisverordening toe te passen. Ook de Amerikaanse autoriteiten werden geïnformeerd over het voornemen van de Commissie om artikel 28 van de basisverordening toe te passen. De termijn voor het indienen van opmerkingen naar aanleiding van de brief was 21 november 2014.

(24)

Op 21 november 2014 hadden twee van de in de steekproef opgenomen ondernemingen nog in het geheel niet gereageerd, terwijl de derde in de steekproef opgenomen onderneming had laten weten dat de termijn niet toereikend was voor het indienen van hun antwoord.

(25)

De Commissie concludeerde derhalve dat geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VS zijn medewerking verleende aan het nieuwe onderzoek. Als gevolg hiervan besloot de Commissie de bepalingen van artikel 28 van de basisverordening toe te passen, zodat haar conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken op basis van de beschikbare gegevens.

1.8.   Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken

(26)

De Commissie heeft antwoorden op de vragenlijst ontvangen van de autoriteiten van de VS, van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en van vier gebruikers/handelaren.

(27)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van subsidiëring, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd.

(28)

Bij de volgende autoriteiten van de VS werd een controlebezoek afgelegd:

 

federale autoriteiten van de VS:

Ministerie van Financiën;

Ministerie van Landbouw.

 

autoriteiten van staten:

autoriteiten van de staat Florida, Tallahassee;

autoriteiten van de staat Iowa, Des Moines;

autoriteiten van de staat Kansas, Topeka;

autoriteiten van de staat Kentucky, Frankfort.

(29)

Bij de volgende producenten in de Unie werd een controlebezoek afgelegd:

Bio-Oils Huelva S.L., Huelva, Spanje;

Biopetrol Rotterdam BV, Rotterdam, Nederland;

Diester industrie SAS, Rouen, Frankrijk;

Novaol S.R.L., Milaan, Italië;

Preol a.s., Lovosice, Tsjechische Republiek;

Rafineria Trzebinia SA, Trzebinia, Polen;

Verbio Vereinigte BioEnergie AG, Leipzig, Duitsland.

1.9.   Mededeling van feiten en overwegingen

(30)

Op 3 juni 2015 heeft de Commissie alle belanghebbenden de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was de geldende antisubsidiemaatregelen te handhaven, en heeft zij alle belanghebbenden verzocht eventuele opmerkingen kenbaar te maken. De Commissie heeft de opmerkingen van de belanghebbenden overwogen en, voor zover van toepassing, in aanmerking genomen.

(31)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen verzocht de NBB om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures; dit verzoek werd ingewilligd.

2.   ONDERZOCHT PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Onderzocht product

(32)

Het onderzochte product is hetzelfde als het product dat voorwerp was van het onderzoek dat leidde tot het opleggen van de bestaande maatregelen („het oorspronkelijke onderzoek”), namelijk: door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als „biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels met meer dan 20 gewichtsprocenten door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasolie van niet-fossiele oorsprong, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika („het onderzochte product”) en op dit moment vallend onder de GN-codes ex 1516 20 98, ex 1518 00 91, ex 1518 00 99, ex 2710 19 43, ex 2710 19 46, ex 2710 19 47, ex 2710 20 11, ex 2710 20 15, ex 2710 20 17, ex 3824 90 92, ex 3826 00 10 en ex 3826 00 90.

(33)

Biodiesel is een hernieuwbare brandstof die in de vervoersector wordt gebruikt voor dieselmotoren. Conventionele motoren kunnen echter niet functioneren op zuivere biodiesel, maar wel op een mengsel van minerale diesel en een beperkt aandeel biodiesel.

(34)

Bij biodiesel geproduceerd in de VS gaat het voornamelijk om methylestervetzuur (FAME, „Fatty Acid Methyl Ester”), verkregen op basis van een grote verscheidenheid aan plantaardige oliën (sojaolie, palmolie, koolzaadolie) en gebruikte frituurolie, dierlijke vetten of biomassa, die als grondstof voor biodiesel dienen. De term „ester” verwijst naar de transesterificatie van plantaardige olie, namelijk het vermengen van de olie met alcohol. De term „methyl” verwijst naar methanol, de meest gebruikte alcohol in het proces, hoewel ook ethanol kan worden gebruikt; dan krijgt men ethylestervetzuren.

(35)

Ondanks mogelijke verschillen in de gebruikte grondstoffen of in het productieproces hebben alle soorten biodiesel en de biodiesel in de mengsels dezelfde of sterk gelijkende fysische, chemische en technische basiseigenschappen en worden ze voor dezelfde doeleinden gebruikt. De mogelijke variaties in het onderzochte product veranderen niets aan zijn basisdefinitie en eigenschappen, noch aan het beeld dat de verschillende partijen ervan hebben. Met name maakt het vanuit het oogpunt van de eindgebruiker van dieselbrandstof geen verschil op basis van welke grondstof het mengsel aan de pomp gemaakt is.

2.2.   Soortgelijk product

(36)

Net als in het oorspronkelijke onderzoek hebben de op de binnenlandse markt in de VS verkochte biodiesel en de Amerikaanse biodiesel die wordt uitgevoerd dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en worden ze voor dezelfde doeleinden gebruikt. Ook de biodiesel die in de Unie door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd en verkocht, heeft dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en wordt voor dezelfde doeleinden gebruikt als de producten die vanuit de VS naar de Unie worden uitgevoerd. Wat dit onderzoek betreft, zijn het derhalve soortgelijke producten in de zin van artikel 2, onder c), van de basisverordening.

2.3.   Argumenten betreffende de productomschrijving

(37)

De Amerikaanse overheid voerde aan dat de productcategorie „diesel gewonnen uit biomassa” (9) meer omvat dan alleen het onderzochte product. In de verordening tot instelling van voorlopige compenserende rechten in het oorspronkelijke onderzoek (10) wordt echter gesteld dat alle soorten biodiesel en biodieselmengsels, met inbegrip van diesel op basis van biomassa, als biodiesel worden beschouwd en onder een wetgevingspakket inzake energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en alternatieve brandstoffen vallen. De reden hiervoor is dat uit biomassa geproduceerde biodiesel dezelfde of sterk gelijkende fysische en technische basiseigenschappen heeft als biodiesel uit andere bronnen en ook voor dezelfde of soortgelijke doeleinden wordt gebruikt. Deze vaststelling in het oorspronkelijke onderzoek is door geen enkele belanghebbende aangevochten en blijft bij dit nieuwe onderzoek van kracht. Daarom verwierp de Commissie dit argument van de Amerikaanse overheid.

3.   WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN SUBSIDIËRING

3.1.   Voorafgaande opmerkingen

(38)

Overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van subsidiëring waarschijnlijk is indien de bestaande maatregelen komen te vervallen. Het begrip „herhaling” impliceert dat een subsidie niet van kracht hoeft te zijn ten tijde van de opening of wanneer het besluit tot handhaving van de maatregelen wordt genomen. Daarom is de Commissie ook nagegaan of het waarschijnlijk is dat subsidies die na het TNO zijn verlopen, opnieuw zouden worden geactiveerd.

(39)

De Commissie heeft alle subsidieregelingen die werden genoemd in het verzoek om een nieuw onderzoek geanalyseerd en de autoriteiten van de VS verzocht om informatie te verstrekken over eventuele andere subsidieregelingen. Op basis van de antwoorden van de Amerikaanse autoriteiten op de vragenlijst van de Commissie heeft de Commissie een analyse gemaakt van de volgende regelingen die van kracht waren tijdens het TNO:

 

federale regelingen

a)

Biodiesel mixture credit (belastingfaciliteit voor biodieselmengsels) en biodiesel credit (belastingfaciliteit voor biodiesel);

b)

Small agri-biodiesel producer income tax credit (heffingskorting vennootschapsbelasting voor kleine producenten van agri-biodiesel);

c)

Credit for production of cellulosic biofuel (belastingfaciliteit voor de productie van biobrandstof uit cellulose);

d)

USDA bioenergy programme for advanced biofuels (bio-energieprogramma voor geavanceerde biobrandstoffen van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw).

 

regelingen van staten

a)

Florida: Florida Biofuels Investment Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Florida voor investeringen in biobrandstoffen);

b)

Iowa: Iowa Biodiesel Producer Tax Refund (belastingteruggave van de staat Iowa voor biodieselproducenten);

c)

Kansas: Kansas Qualified Biodiesel Fuel Producer Incentive (stimuleringsprogramma van de staat Kansas voor gekwalificeerde biodieselproducenten);

d)

Kentucky: Kentucky Biodiesel Production Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Kentucky ten behoeve van biodieselproductie).

(40)

De volgende regelingen worden hier niet geanalyseerd, omdat zij volgens de autoriteiten van de VS inactief waren, dan wel vóór het TNO waren beëindigd of tijdens het TNO geen voordelen opleverden voor biodieselproducenten in de VS:

 

federale regeling

Advanced biofuels loan guarantees (leninggaranties voor geavanceerde biobrandstoffen).

 

regelingen van staten

i)

Alabama Biofuel Production Facility Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Alabama voor biobrandstofproductie-installaties);

ii)

Arkansas Alternative Fuel Grants and Rebates (vergoedingen en rabatten van de staat Arkansas voor alternatieve brandstoffen);

iii)

Illinois Renewable Fuels Development Programme (programma van de staat Illinois voor de ontwikkeling van hernieuwbare brandstoffen);

iv)

Indiana Biodiesel Production Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Indiana voor biodieselproductie);

v)

Kentucky Alternative Fuel Production Tax Incentives (belastingvoordeel van de staat Kentucky voor de productie van alternatieve brandstoffen);

vi)

Louisiana Biodiesel Equipment and Fuel Tax Exemption (belastingvrijstelling van de staat Louisiana voor biodieselapparatuur en -brandstof);

vii)

Maine Biofuels Production Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Maine voor de productie van biobrandstoffen);

viii)

Maryland Biofuels Production Incentive (belastingvoordeel van de staat Maryland voor de productie van biobrandstoffen);

ix)

Mississippi Biofuels Production Incentive (belastingvoordeel van de staat Mississippi voor de productie van biobrandstoffen);

x)

Missouri qualified biodiesel producer incentive fund (stimuleringsfonds van de staat Missouri voor biodieselproducenten);

xi)

Montana Alternative Fuel Production Property Tax Incentive (belastingvoordeel van de staat Montana op het gebied van de onroerendgoedbelasting voor de productie van alternatieve brandstoffen);

xii)

Montana Biodiesel Production Facility Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Montana voor biodieselproductie-installaties);

xiii)

Nebraska Biodiesel Production Investment Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Nebraska voor investeringen op het gebied van biodieselproductie);

xiv)

New York Biofuel Production Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat New York voor de productie van biobrandstoffen);

xv)

South Carolina Credit for Biodiesel Facilities (faciliteit van de staat South Carolina voor biodieselinstallaties);

xvi)

Texas fuel and biodiesel production incentive program (stimuleringsprogramma van de staat Texas voor de productie van brandstof en biodiesel);

xvii)

Virginia Biofuels Production Grants (subsidies van de staat Virginia voor de productie van biobrandstoffen);

xviii)

Washington Alternative Fuel Loans and Grants (leningen en subsidies van Washington voor alternatieve brandstof);

xix)

Washington State biofuels production tax exemption (belastingvrijstelling van de staat Washington voor de productie van biobrandstoffen).

3.2.   Subsidiëring van invoer tijdens het TNO — federale regelingen

3.2.1.   Biodiesel mixture credit (belastingfaciliteit voor biodieselmengsels) en biodiesel credit (belastingfaciliteit voor biodiesel)

3.2.1.1.   Rechtsgrondslag

(41)

De regeling inzake belastingfaciliteiten voor mengers, detailhandelaren en eindgebruikers van biodiesel is gebaseerd op titel 26, afdeling 40A, en de afdelingen 6426 en 6427 van de US Code (U.S.C.). Hierin wordt voorzien in de volgende faciliteiten voor biodieselbrandstof:

i)

de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels („1 USD/gallon-regeling”);

ii)

de belastingfaciliteit voor biodiesel;

iii)

de belastingfaciliteit voor kleine agri-biodieselproducenten.

(42)

De belastingfaciliteit voor kleine agri-biodieselproducenten geldt alleen voor kleine producenten. Deze regeling wordt beschreven in de overwegingen 59 tot en met 63.

3.2.1.2.   Criteria om in aanmerking te komen

(43)

Om voor de onder i) van overweging 41 genoemde belastingfaciliteit voor biodieselmengsels in aanmerking te komen, moet een onderneming biodiesel en dieselbrandstof vermengen tot een product dat als brandstof of voor gebruik als brandstof wordt verkocht.

(44)

Degene die het belastingvoordeel aanvraagt, moet een certificaat van de producent of importeur van de biodiesel overleggen aan de hand waarvan het product kan worden geïdentificeerd en waarop het percentage biodiesel en agri-biodiesel (11) in het product is aangegeven. Het voordeel bestaat in een accijnsverlaging of, indien het door een onderneming te betalen bedrag aan accijnzen geringer is dan het totale accijnsvoordeel, in een restitutie van vennootschapsbelasting voor het resterende bedrag. De restitutie van vennootschapsbelasting wordt van de door de onderneming te betalen vennootschapsbelasting afgetrokken of wordt direct uitbetaald. Er wordt gesproken van een restitueerbaar belastingvoordeel omdat het resterende bedrag direct in geld aan de belastingbetaler kan worden uitbetaald wanneer het voordeel groter is dan de door de betrokkene verschuldigde belasting.

(45)

De onder ii) van overweging 41 genoemde faciliteit voor biodiesel bestaat in een niet-restitueerbare korting op de vennootschapsbelasting voor detailhandelaren of eindgebruikers van onvermengde (zuivere) biodiesel. Alleen zij die de gallon zuivere biodiesel in de brandstoftank van een voertuig vullen of als brandstof gebruiken, komen voor dit voordeel in aanmerking. Ook biodieselproducenten die hun eigen biodiesel produceren, kunnen van deze faciliteit gebruikmaken. Daartoe moeten zij optreden als detailhandelaar (die de biodiesel in de brandstoftank van de eindgebruiker vult) of als eindgebruiker (die bijvoorbeeld de biodiesel in de brandstoftank van zijn eigen voertuigen vult).

3.2.1.3.   Toepassing in de praktijk

(46)

Biodiesel die met minerale dieselbrandstof is vermengd, komt in aanmerking voor de accijns- of vennootschapsbelastingfaciliteit voor biodieselmengsels. Tijdens het TNO bedroeg het voordeel 1 USD per gallon voor alle soorten biodiesel, waaronder bijvoorbeeld agri-biodiesel en biodiesel op basis van biomassa.

(47)

Het uiteindelijke belastingvoordeel voor brandstofmengsels wordt bepaald door het percentage biodiesel. Als minimumvoorwaarde geldt, en dit is ook de meest voorkomende verhouding, dat aan 99,9 % biodiesel 0,1 % minerale diesel is toegevoegd (in de VS wordt dit mengsel aangeduid met B99), waardoor een maximaal belastingvoordeel kan worden behaald. Het aandeel biodiesel in een mengsel bepaalt de hoogte van de korting (bijvoorbeeld: 100 gallon B99 bevat 99,9 gallon biodiesel en levert dus een fiscaal voordeel van 99,90 USD op). De omzetting van zuivere biodiesel (B100) in een gemengd product (B99) is een eenvoudig proces. Aan zuivere biodiesel wordt 0,1 % minerale diesel toegevoegd, waarbij het betrokken product geen belangrijke verandering ondergaat. Het mengen op zich geeft aanleiding tot het belastingvoordeel.

(48)

Biodieselproducenten kunnen aanspraak maken op de regeling wanneer zij zelf als menger optreden. Zij moeten dan de zuivere biodiesel vermengen met minerale dieselbrandstof. Voor het toekennen van het belastingvoordeel maakt het geen verschil of de gemengde biodiesel bestemd is voor de binnenlandse verkoop of voor uitvoer.

(49)

Ook ondernemingen die geen zuivere biodiesel produceren maar deze inkopen om te mengen, kunnen aanspraak maken op het belastingvoordeel. Zij moeten dan wel een certificaat van de producent of de importeur van biodiesel verkrijgen (en in voorkomend geval ook van eventuele tussenhandelaren), waarin de producent verklaart geen aanspraak op de regeling te hebben gemaakt. Dit certificaat is overdraagbaar en geeft de houder recht op een belastingvoordeel van 1 USD per gallon zuivere biodiesel.

(50)

Dit voordeel kan de vorm hebben van een korting op de verschuldigde accijnzen of op de verschuldigde vennootschapsbelasting, of van een rechtstreekse betaling in geld. Het bedrag blijft hetzelfde, namelijk 1 USD per gallon, ongeacht of het voordeel wordt uitgekeerd in de vorm van een korting op de accijnzen, een korting op de vennootschapsbelasting, een rechtstreekse betaling in geld aan de belastingplichtige, of een combinatie hiervan.

(51)

Volgens de U.S.C. wordt de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels alleen toegekend wanneer de onderneming die de biodiesel en minerale diesel mengt (de menger) een certificaat van de biodieselproducent („Certificate for Biodiesel” — „biodieselcertificaat”) kan overleggen waarop deze onder meer verklaart om welke hoeveelheid biodiesel het gaat en of de betrokken biodiesel agri-biodiesel dan wel andere biodiesel is. Als een onderneming die biodiesel produceert deze biodiesel vervolgens met minerale diesel mengt en aanspraak maakt op het belastingvoordeel, verstrekt zij daartoe het biodieselcertificaat en de vereiste documentatie. Wanneer iemand een biodieselcertificaat ontvangt en de biodiesel vervolgens doorverkoopt zonder dat hij deze mengt, moet hij het biodieselcertificaat aan de koper overhandigen, vergezeld van een verklaring dat hij de biodiesel doorverkoopt. Met andere woorden, de onderneming die de biodiesel mengt en die aanspraak maakt op het belastingvoordeel, kan het biodieselcertificaat zowel direct van de producent als indirect van een wederverkoper van biodiesel verkrijgen. Dit certificaat is dus overdraagbaar en geeft de houder recht op een belastingvoordeel van 1 USD voor elke gallon biodiesel die de aanvrager voor het maken van biodieselmengsels gebruikt.

(52)

Tijdens de periode van het nieuwe onderzoek kwam geen nieuwe informatie aan het licht die de conclusie uit het eerste onderzoek — dat alle biodiesel via deze belastingfaciliteit wordt gesubsidieerd — zou ondergraven.

(53)

In tegenstelling tot bij het voorgaande onderzoek, toen het belastingvoordeel 1 USD per gallon onvermengde (zuivere) agri-biodiesel of 0,50 USD per gallon andere onvermengde biodiesel bedroeg, kan een detailhandelaar (of een als detailhandelaar optredende biodieselproducent) of een eindgebruiker van ongemengde biodiesel in het kader van de belastingfaciliteit voor biodiesel nu aanspraak maken op 1,00 USD per gallon voor onvermengde (zuivere) agri-biodiesel of andere soorten biodiesel, inclusief diesel uit biomassa, in de vorm van een niet-restitueerbare algemene korting op de vennootschapsbelasting. Dit betekent dat het bedrag van het voordeel van de door een onderneming verschuldigde vennootschapsbelasting wordt afgetrokken. Het voordeel is niet-restitueerbaar omdat, wanneer het voordeel groter is dan de door de onderneming verschuldigde belasting, het resterende bedrag niet direct in geld aan de onderneming kan worden uitbetaald. Volgens de informatie van de autoriteiten van de VS kan een korting op de vennootschapsbelasting die voor een bepaald jaar is toegekend, echter met de belastingaangifte tot twee jaar terug en twintig jaar vooruit worden verrekend.

(54)

De Amerikaanse autoriteiten erkenden dat sommige biodieselproducenten tijdens het TNO in de hoedanigheid van detailhandelaar of gebruiker van deze faciliteit moeten hebben geprofiteerd, maar waren niet in staat de precieze door hen in het TNO ontvangen voordelen te kwantificeren.

3.2.1.4.   Conclusie

(55)

De belastingfaciliteit voor biodieselmengsels en de belastingfaciliteit voor biodiesel moeten als een fiscale stimuleringsmaatregel worden beschouwd, ongeacht of zij in de vorm van een rechtstreekse betaling in geld worden toegekend (alleen mogelijk bij de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels) of met verschuldigde belastingen worden verrekend (van toepassing op beide belastingfaciliteiten).

(56)

Deze regelingen worden door de Commissie beschouwd als subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), en artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, daar zij voorzien in een financiële bijdrage door de overheid van de VS in de vorm van rechtstreekse schenkingen (betalingen in geld, alleen mogelijk bij de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels) en gederfde inkomsten (verrekening met verschuldigde belasting) (van toepassing op beide belastingfaciliteiten). De regelingen verlenen een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(57)

De regelingen gelden alleen voor ondernemingen in de biodieselindustrie en worden derhalve op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

(58)

Ten slotte is de Commissie van oordeel dat de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels, doordat deze voor alle soorten biodiesel voorziet in een subsidie van 1 USD per gallon, de Amerikaanse producenten-exporteurs van biodiesel een aanzienlijk bedrag aan subsidies heeft opgeleverd en dus tijdens het TNO verreweg de belangrijkste regeling is gebleven.

3.2.2.   Small agri-biodiesel producer income tax credit (heffingskorting vennootschapsbelasting voor kleine producenten van agri-biodiesel)

3.2.2.1.   Rechtsgrondslag

(59)

Titel 26, U.S.C., afdeling 40A, voorziet ook in een belastingfaciliteit voor kleine agri-biodieselproducenten.

3.2.2.2.   Criteria om in aanmerking te komen

(60)

Deze regeling geldt alleen voor kleine producenten van zuivere agri-biodiesel. Mengers en handelaren die biodiesel kopen maar deze niet produceren, komen niet voor deze faciliteit in aanmerking. Een kleine producent is een producent waarvan de productiecapaciteit voor agri-biodiesel niet meer dan 60 miljoen gallon per jaar bedraagt. Kleine producenten komen in aanmerking voor een niet-restitueerbare algemene korting op de vennootschapsbelasting van 0,10 USD per gallon geproduceerde agri-biodiesel. Dit voordeel is beperkt tot 15 miljoen gallon per belastingjaar per producent. De producent kan alleen op het voordeel aanspraak maken indien de agri-biodiesel als brandstof wordt gebruikt, of als hij wordt gebruikt in een mengsel van biodiesel en diesel dat als brandstof wordt gebruikt of voor gebruik als brandstof wordt verkocht. Kleine producenten kunnen deze regeling dus combineren met de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels en in totaal 1,10 USD per gallon ontvangen. Grote producenten daarentegen komen alleen in aanmerking voor de belastingfaciliteit voor biodieselmengsels.

3.2.2.3.   Toepassing in de praktijk

(61)

De aanvragen voor de niet-restitueerbare algemene korting op de vennootschapsbelasting worden jaarlijks bij de aangifte voor de vennootschapsbelasting ingediend. De korting voor elke gallon biodiesel die door de aanvrager in het betrokken belastingjaar is geproduceerd, tot een maximum van 15 miljoen gallon, wordt verrekend met het door hem verschuldigde bedrag aan vennootschapsbelasting. Als de door de aanvrager verschuldigde belasting minder bedraagt dan de aangevraagde heffingskorting, kan de resterende korting naar volgende belastingjaren worden overgeheveld.

3.2.2.4.   Conclusie

(62)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de overheid van de VS in de vorm van gederfde inkomsten. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(63)

De regeling geldt alleen voor biodieselproducenten en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

3.2.3.   Bioenergy programme for advanced biofuel (BPAB) (bio-energieprogramma voor geavanceerde biobrandstoffen)

3.2.3.1.   Rechtsgrondslag

(64)

Het bio-energieprogramma voor geavanceerde biobrandstoffen van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw is gebaseerd op titel IX, afdeling 9005, van de Farm Security and Rural Investment Act (wet op de veiligheid van boerenbedrijven en investeringen in plattelandsgebieden) van 2002 (de „2002 Farm Bill”). Het programma zou aflopen in 2012, maar is in 2013 en 2014 verlengd. De Landbouwwet van 2014 heeft het programma met nog eens vijf jaar verlengd tot eind 2018.

3.2.3.2.   Criteria om in aanmerking te komen

(65)

Dit programma verstrekt rechtstreekse schenkingen aan producenten van geavanceerde biobrandstoffen, in het algemeen gedefinieerd als „brandstoffen afgeleid van biomassa anders dan maïszetmeel”. Diesel op basis van biomassa (12) valt onder deze definitie. Niet meer dan vijf procent van de middelen van het programma kunnen worden verstrekt aan in aanmerking komende producenten met een raffinagecapaciteit van meer dan 150 000 000 gallon aan geavanceerde biobrandstof per jaar. Mengers komen niet in aanmerking voor het programma.

3.2.3.3.   Toepassing in de praktijk

(66)

Wanneer de deelnemers zich voor het programma hebben aangemeld, ontvangen zij rechtstreekse uitkeringen van de overheid. Producenten moeten zich eerst bij de autoriteit registreren en een overeenkomst ondertekenen. De producenten moeten voor elk kwartaal van het boekjaar een betalingsaanvraag indienen om een uitkering te ontvangen voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen in dat kwartaal. Er worden zowel uitkeringen verstrekt voor de werkelijke productie als voor de toename van de productie. De uitkeringen voor de werkelijke productie worden per kwartaal berekend over de hoeveelheid geavanceerde biobrandstof die in dat kwartaal is geproduceerd.

(67)

De uitkeringen voor de toename van de productie worden verstrekt op basis van de hoeveelheid subsidiabele geavanceerde biobrandstof die in een boekjaar is geproduceerd, voor zover deze de in de voorafgaande boekjaren (sinds 2009) geproduceerde hoeveelheid oversteeg.

(68)

De financiering wordt verdeeld over alle producenten die zich kenbaar maken op basis van de waarde in BTU (13) van hun productie. De financiering wordt op basis van de BTU-waarde evenredig over alle producenten verdeeld.

3.2.3.4.   Conclusie

(69)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de overheid van de VS in de vorm van een rechtstreekse schenking. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(70)

De regeling geldt alleen voor biodieselproducenten en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

3.2.4.   Credit for Production of Cellulosic Biofuel (belastingfaciliteit voor de productie van biobrandstof uit cellulose)

3.2.4.1.   Rechtsgrondslag

(71)

Dit programma bestaat sinds 1 januari 2009 en is ingesteld bij de Food, Conservation, and Energy Act (wet op voedsel, conservering en energie) van 2008. Na 1 januari 2011 werd het programma op dezelfde wijze als de andere drie regelingen verlengd (zie details in punt 3.4.1). De wet van 19 december 2014 verklaarde de regeling met terugwerkende kracht over het hele jaar 2014 van kracht (14), maar ondernemingen kunnen het belastingvoordeel dat ze op grond van deze regeling verwerven tot 20 jaar later met hun belastingaangifte verrekenen.

3.2.4.2.   Criteria om in aanmerking te komen

(72)

Deze regeling voorziet in een niet-restitueerbare algemene korting op de vennootschapsbelasting van 1,01 USD per gallon biobrandstof van de tweede generatie, als deze wordt gebruikt als brandstof of voor gebruik als brandstof wordt verkocht. De regeling is bedoeld voor producenten, waaronder producenten van biobrandstof uit lignocellulose of hemicellulose dat op hernieuwbare of terugkerende basis beschikbaar is en van brandstoffen op basis van algen.

3.2.4.3.   Toepassing in de praktijk

(73)

De autoriteiten van de VS hebben geen gedetailleerde cijfers verstrekt over de bedragen die tijdens het TNO zijn uitgekeerd. Zij voerden aan dat de uitgekeerde bedragen over 2013 pas in oktober 2015 bekend zouden zijn, en die over 2014 pas in 2016. Het lijkt er echter op dat de regeling geen bedragen heeft uitgekeerd aan producenten van diesel die als brandstof van de tweede generatie kan gelden. Dit komt doordat zulke dieselbrandstof tot nu toe niet op commerciële basis lijkt te worden geproduceerd en de geproduceerde en op de markt verkochte hoeveelheden vrij marginaal zijn.

3.2.4.4.   Conclusie

(74)

Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat deze regeling tijdens het TNO geen voordelen heeft opgeleverd voor producenten van biodiesel en zij heeft de invloed ervan op de mogelijke voortzetting en/of herhaling van subsidiëring dan ook niet geanalyseerd.

3.3.   Subsidiëring van invoer tijdens het TNO — regelingen van staten

3.3.1.   Florida Biofuels Investment Tax Credit (belastingfaciliteit van de staat Florida voor investeringen in biobrandstoffen)

3.3.1.1.   Rechtsgrondslag

(75)

De rechtsgrondslag van deze regeling, die wordt uitgevoerd door het Ministerie van Landbouw en Consumentendiensten van de staat Florida, is afdeling 220.192 van de statuten van Florida.

3.3.1.2.   Criteria om in aanmerking te komen

(76)

Het belastingfaciliteitenprogramma voor investeringen in technologieën voor hernieuwbare energie voorziet in een jaarlijkse korting op de vennootschapsbelasting voor alle in aanmerking komende entiteiten met betrekking tot alle investeringskosten, exploitatie- en onderhoudskosten en kosten voor onderzoek en ontwikkeling die tussen 1 juli 2012 en 30 juni 2016 zijn gemaakt in verband met investeringen in de productie, opslag en distributie van biodiesel, ethanol en andere hernieuwbare brandstoffen in de staat Florida.

3.3.1.3.   Toepassing in de praktijk

(77)

Aanvragen voor de korting moeten uiterlijk op 1 november van elk jaar bij het ministerie zijn ingediend en worden getoetst volgens het principe „wie het eerst komt, het eerst maalt”. Bij de aanvragen moeten bewijsstukken worden gevoegd voor alle in aanmerking komende kosten. De aanvragers moeten ook een samenvatting indienen waarin wordt beschreven hoe de materialen worden gebruikt in verband met een investering in de productie, opslag en distributie van biodiesel (B10-B100), ethanol (E10-E100) of andere hernieuwbare brandstoffen in Florida. Bovendien moeten de aanvragers tegelijk met de ingevulde aanvraag een beschrijving indienen van de economische effecten van het project voor Florida.

(78)

De regeling biedt een jaarlijkse korting op de vennootschapsbelasting ter hoogte van 75 % (maximaal 1 miljoen USD per belastingplichtige en totaal 10 miljoen USD per staatgebonden boekjaar) van alle investeringskosten, exploitatie- en onderhoudskosten en kosten voor onderzoek en ontwikkeling die verband houden met investeringen in de productie, opslag en distributie van, onder meer, biodiesel en andere hernieuwbare brandstoffen in de staat. De korting bedraagt maximaal 1 miljoen USD per belastingplichtige en het niet-gebruikte bedrag kan worden overgeheveld om te worden verrekend in belastingjaren tussen 1 januari 2013 en 31 december 2018, waarna de korting vervalt en niet meer kan worden gebruikt.

3.3.1.4.   Conclusie

(79)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de staat Florida in de vorm van gederfde inkomsten. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(80)

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die biodiesel en andere soorten brandstof produceren en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

3.3.2.   Iowa Biodiesel Producer Tax Refund (belastingteruggave van de staat Iowa voor biodieselproducenten)

3.3.2.1.   Rechtsgrondslag

(81)

De rechtsgrondslag van deze regeling, die wordt uitgevoerd door het Ministerie van Financiën van de staat Iowa, is afdeling 423.4(9) van de grondwet van Iowa.

3.3.2.2.   Criteria om in aanmerking te komen

(82)

De producent moet een producent van biodiesel zijn en overeenkomstig 40 C.F.R. §79.4 geregistreerd zijn bij het Amerikaanse Agentschap voor milieubescherming (EPA, Environmental Protection Agency). Overeenkomstig afdeling 214A.2 van de grondwet van Iowa moet de biodiesel bestemd zijn voor gebruik in brandstofmengsels met biodiesel. De biodiesel moet in Iowa zijn geproduceerd.

3.3.2.3.   Toepassing in de praktijk

(83)

Biodieselproducenten die in aanmerking komen, moeten een verzoek om terugbetaling indienen en daarbij gegevens verstrekken over het aantal gallon biodiesel dat in het desbetreffende kwartaal is geproduceerd. Het Ministerie van Financiën beoordeelt het verzoek om terugbetaling en schrijft, indien dit wordt goedgekeurd, voor elke biodieselproducent een terugbetalingscheque uit.

(84)

De verzoeken om terugbetaling worden in april, juli, oktober en januari van elk jaar ingediend, en de terugbetalingscheques worden afgegeven in mei, augustus en november en februari van elk jaar.

(85)

Het programma voorziet in een vergoeding van 0,03 USD per gallon biodiesel die in Iowa is geproduceerd (0,03 USD voor 2012, 0,025 USD voor 2013 en 0,02 USD voor 2014-2017). De terugbetaling is beperkt tot de eerste 25 miljoen gallon die op elke faciliteit is geproduceerd.

3.3.2.4.   Conclusie

(86)

Deze regeling wordt door de Commissie beschouwd als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, daar de regeling voorziet in een financiële bijdrage door de staat Iowa in de vorm van gederfde inkomsten. De regeling verleent een voordeel aan de ontvangende ondernemingen.

(87)

De regeling geldt alleen voor ondernemingen die biodiesel en andere soorten brandstof produceren en wordt derhalve op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening geacht specifiek te zijn en tot compenserende maatregelen aanleiding te geven.

3.3.3.   Kansas Qualified Biodiesel Fuel Producer Incentive (stimuleringsprogramma van de staat Kansas voor gekwalificeerde biodieselproducenten)

3.3.3.1.   Rechtsgrondslag

(88)