|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
58e jaargang |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1133 VAN DE RAAD
van 13 juli 2015
tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 765/2006 van de Raad van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus (1), en met name artikel 8 bis, leden 1 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 18 mei 2006 Verordening (EG) nr. 765/2006 vastgesteld. |
|
(2) |
De Raad is van oordeel dat de vermeldingen voor vier personen en drie entiteiten op de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen, zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006, moeten worden gewijzigd. |
|
(3) |
De Raad is tevens van oordeel dat twee personen en vier entiteiten moeten worden geschrapt van de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006 opgenomen lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen. |
|
(4) |
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Raad
De voorzitter
F. ETGEN
BIJLAGE
I.
De volgende personen en entiteiten worden geschrapt van de lijst in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006:|
A. |
Personen
|
|
B. |
Entiteiten
|
II.
De vermeldingen voor de volgende persoon en entiteiten in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 765/2006 worden vervangen door de onderstaande vermeldingen:|
A. |
Personen
|
|
B. |
Entiteiten
|
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/4 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1134 VAN DE COMMISSIE
van 9 juli 2015
tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (กาแฟดอยตุง (Kafae Doi Tung) (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Thailand ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „กาแฟดอยตุง” (Kafae Doi Tung) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „กาแฟดอยตุง” (Kafae Doi Tung) worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De benaming „กาแฟดอยตุง” (Kafae Doi Tung) (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.8. (Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 9 juli 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB C 48 van 20.2.2014, blz. 14.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/5 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1135 VAN DE COMMISSIE
van 9 juli 2015
tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (กาแฟดอยตช้าง (Kafae Doi Chaang) (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Thailand ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „กาแฟดอยตช้าง”(Kafae Doi Chaang) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „กาแฟดอยตช้าง” (Kafae Doi Chaang) worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De benaming „กาแฟดอยตช้าง” (Kafae Doi Chaang) (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.8. (Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 9 juli 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB C 49 van 21.2.2014, blz. 8.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/6 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1136 VAN DE COMMISSIE
van 13 juli 2015
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (Spoorwegveiligheidsrichtlijn) (1), en met name artikel 6, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van Richtlijn 2004/49/EG moeten geleidelijk gemeenschappelijke veiligheidsmethoden (CSM) worden geïntroduceerd om een hoog veiligheidsniveau te handhaven en dat niveau, indien nodig en redelijkerwijs uitvoerbaar, te verbeteren. |
|
(2) |
Op 12 oktober 2010 heeft de Commissie het Europees Spoorwegbureau (hierna „het Bureau” genoemd) overeenkomstig Richtlijn 2004/49/EG een mandaat gegeven tot wijziging van Verordening (EG) nr. 352/2009 van de Commissie (2). Die verordening moest worden herzien in het licht van de gewijzigde taken en verantwoordelijkheden van de beoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 6 van die verordening en van de extra risicoaanvaardingscriteria die konden worden gebruikt om de aanvaardbaarheid van door storingen van technische systemen veroorzaakte risico's te beoordelen wanneer de initiatiefnemer ervoor opteert het beginsel van de expliciete risico-inschatting te hanteren. Er moest worden nagegaan of door de opname van de hierboven bedoelde extra risicoaanvaardingscriteria het huidige spoorwegveiligheidsniveau in de Unie ten minste in stand zou worden gehouden overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG. Omdat dit proces veel meer tijd in beslag nam dan verwacht, heeft de Commissie Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 (3) vastgesteld, met inbegrip van het reeds in Verordening (EG) nr. 352/2009 opgenomen risicoaanvaardingscriterium. |
|
(3) |
In de effectbeoordeling naar aanleiding van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 ingevoerde wijzigingen zijn ook de geharmoniseerde risicoaanvaardingscriteria voor technische systemen geanalyseerd. In dat verslag wordt erop gewezen dat het essentieel is om de gemeenschappelijke veiligheidsmethode aan te vullen met een aantal extra risicoaanvaardingscriteria waarin de huidige verordening niet voorziet. Die criteria zullen het voor de lidstaten gemakkelijker maken om elkaars structurele subsystemen en voertuigen die aan de EU-regelgeving inzake spoorweginteroperabiliteit voldoen, wederzijds te erkennen. |
|
(4) |
Teneinde een onderscheid te maken tussen enerzijds de aanvaarding van aan technische systemen verbonden risico's en anderzijds de aanvaarding van operationele risico's en het algemene aan het spoorwegsysteem inherente risico, moeten de „risicoaanvaardingscriteria” voor technische systemen worden vervangen door „geharmoniseerde ontwerpdoelstellingen” voor die systemen. De in deze verordening voorgestelde geharmoniseerde ontwerpdoelstellingen kunnen worden gebruikt om de aanvaardbaarheid van uit functionele storingen van een technisch systeem voortvloeiende risico's aan te tonen wanneer de initiatiefnemer ervoor opteert het beginsel van de expliciete risico-inschatting te hanteren. Een aantal definities moeten worden gewijzigd in het licht van recente terminologische ontwikkelingen en er moeten enkele nieuwe definities worden toegevoegd. |
|
(5) |
Het Bureau heeft de Commissie een aanbeveling gedaan betreffende de wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 teneinde een oplossing aan te reiken voor de nog openstaande punten van het mandaat van de Commissie inzake de geharmoniseerde ontwerpdoelstellingen. Deze verordening is gebaseerd op de aanbeveling van het Bureau. |
|
(6) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44.
(2) Verordening (EG) nr. 352/2009 van de Commissie van 24 april 2009 betreffende de vaststelling van een gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling als bedoeld in artikel 6, lid 3, onder a), van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 108 van 29.4.2009, blz. 4).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 352/2009 (PB L 121 van 3.5.2013, blz. 8).
BIJLAGE
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 402/2013 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2.5.1 wordt vervangen door:
|
|
2) |
De punten 2.5.4 tot en met 2.5.7 worden vervangen door:
|
|
3) |
De volgende punten 2.5.8 tot en met 2.5.12 worden toegevoegd:
(*1) Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1).”." |
(*1) Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1).”.”
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/11 |
VERORDENING (EU) 2015/1137 VAN DE COMMISSIE
van 13 juli 2015
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten van ochratoxine A in specerijen van Capsicum spp.
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name artikel 2, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 (2) is een maximumgehalte aan ochratoxine A in de specerijen van Capsicum spp vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EU) nr. 105/2010 van de Commissie (3) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 is een maximumgehalte aan ochratoxine A in specerijen vastgesteld, dat door toepassing van goede praktijken kan worden bereikt. Om de specerijenproducerende landen in staat te stellen preventiemaatregelen te nemen en om het handelsverkeer niet in onaanvaardbare mate te verstoren, voorziet Verordening (EU) nr. 105/2010 voorts in een hoger maximumgehalte (30 μg/kg) dat voor een beperkte periode wordt toegepast, totdat het maximumgehalte van 15 μg/kg van toepassing wordt. Bij Verordening (EU) nr. 594/2012 van de Commissie (4) is deze periode voor de specerijsoort Capsicum spp. tot en met 31 december 2014 verlengd. De diensten van de Commissie hebben in samenwerking met nationale deskundigen uit de lidstaten beoordeeld of het haalbaar is om door toepassing van goede praktijken in de verschillende producerende regio's in de wereld de gehalten van ochratoxine A te verlagen. Hoewel wordt vastgesteld dat de goede praktijken in de verschillende producerende regio's veel beter worden toegepast, kan het geplande lagere maximumgehalte van 15 μg/kg voor ochratoxine A in specerijen van Capsicum spp. vanwege soms ongunstige weersomstandigheden tijdens de groei en de oogst nog niet op consistente wijze worden bereikt. Derhalve moet een nieuw maximumgehalte voor ochratoxine A in specerijen van Capsicum spp. worden vastgesteld dat door toepassing van goede praktijken kan worden bereikt en dat een hoge mate van bescherming van de menselijke gezondheid blijft bieden. |
|
(3) |
De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Aangezien het hogere maximumgehalte van 30 μg/kg tot en met 31 december 2014 van toepassing was, is het passend te bepalen dat het bij deze verordening vastgestelde maximumgehalte met ingang van 1 januari 2015 van toepassing is. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Specerijen van Capsicum spp. die niet voldoen aan het maximumgehalte voor ochratonine A uit hoofde van punt 2.2.11 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006, zoals gewijzigd bij deze verordening, maar die vóór 1 januari 2015 wettig in de handel worden gebracht, mogen na die datum nog steeds in de handel zijn gebracht tot aan hun datum van minimale houdbaarheid of hun uiterste gebruiksdatum.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2015.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).
(3) Verordening (EU) nr. 105/2010 van de Commissie van 5 februari 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen, wat betreft ochratoxine A (PB L 35 van 6.2.2010, blz. 7).
(4) Verordening (EU) nr. 594/2012 van de Commissie van 5 juli 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat de maximumgehalten aan de verontreinigingen ochratoxine A, niet-dioxineachtige pcb's en melamine in levensmiddelen betreft (PB L 176 van 6.7.2012, blz. 43).
BIJLAGE
Punt 2.2.11 in afdeling 2.2 (Ochratoxine A) van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt vervangen door:
|
„2.2.11. |
Specerijen, met inbegrip van gedroogde specerijen |
|
|
Piper spp. (vruchten daarvan, met inbegrip van witte en zwarte peper) Myristica fragrans (nootmuskaat) Zingiber officinale (gember) Curcuma longa (kurkuma) |
15 μg/kg |
|
|
Capsicum spp. (gedroogde vruchten daarvan, heel of gemalen, met inbegrip van Spaanse peper, chilipoeder, cayennepeper en paprika) |
20 μg/kg |
|
|
Mengsels van specerijen die een van de bovengenoemde specerijen bevatten |
15 μg/kg” |
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/13 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1138 VAN DE COMMISSIE
van 13 juli 2015
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
160,9 |
|
MK |
48,3 |
|
|
ZZ |
104,6 |
|
|
0707 00 05 |
TR |
116,3 |
|
ZZ |
116,3 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
119,7 |
|
ZZ |
119,7 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
116,9 |
|
TR |
108,0 |
|
|
UY |
129,6 |
|
|
ZA |
141,9 |
|
|
ZZ |
124,1 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
165,9 |
|
BR |
99,3 |
|
|
CL |
109,0 |
|
|
NZ |
139,2 |
|
|
US |
173,4 |
|
|
UY |
162,0 |
|
|
ZA |
116,7 |
|
|
ZZ |
137,9 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
174,9 |
|
CL |
128,5 |
|
|
CN |
86,2 |
|
|
NZ |
272,8 |
|
|
ZA |
129,3 |
|
|
ZZ |
158,3 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
238,8 |
|
ZZ |
238,8 |
|
|
0809 29 00 |
TR |
250,3 |
|
US |
493,3 |
|
|
ZZ |
371,8 |
|
|
0809 40 05 |
BA |
87,0 |
|
ZZ |
87,0 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
RICHTLIJNEN
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/15 |
RICHTLIJN (EU) 2015/1139 VAN DE COMMISSIE
van 13 juli 2015
tot wijziging van Richtlijn 2012/9/EU wat de datum van omzetting en de uiterste einddatum van de overgangsperiode betreft
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bijlage I bij Richtlijn 2001/37/EG, waarin de lijst van bijkomende waarschuwingen is opgenomen, die overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder b), van die richtlijn op elke verpakkingseenheid van tabaksproducten moeten worden aangebracht, werd bij Richtlijn 2012/9/EU van de Commissie (2) vervangen. Bij artikel 2 van Richtlijn 2012/9/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/39/EU (3), is 28 maart 2016 als uiterste datum voor de omzetting door de lidstaten en 28 maart 2018 als einddatum van de overgangsperiode als bedoeld in artikel 3 van die richtlijn vastgesteld. |
|
(2) |
Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG met ingang van 20 mei 2016 bepaalt dat op elke verpakkingseenheid en op elke buitenverpakking van voor roken bestemde tabaksproducten gecombineerde gezondheidswaarschuwingen moeten staan die een van de in bijlage I bij Richtlijn 2014/40/EU bedoelde waarschuwende teksten en een bijbehorende kleurenfoto uit de beeldbank in bijlage II bij die richtlijn bevatten. De waarschuwende teksten in bijlage I bij Richtlijn 2014/40/EU zijn identiek aan die welke zijn vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn 2001/37/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2012/9/EU. Bij artikel 29 van Richtlijn 2014/40/EU is 20 mei 2016 als uiterste datum voor de omzetting door de lidstaten vastgesteld en bij artikel 30 van Richtlijn 2014/40/EU is 20 mei 2017 als einddatum van de overgangsperiode vastgesteld. |
|
(3) |
Het is wenselijk de termijn voor de omzetting van Richtlijn 2012/9/EU te verlengen van 28 maart 2016 tot en met 20 mei 2016, teneinde de omzettingstermijn voor de bij die richtlijn vastgestelde nieuwe waarschuwende teksten af te stemmen op de omzettingstermijn voor de bij Richtlijn 2014/40/EU ingevoerde nieuwe gecombineerde waarschuwingen. Voorts moet de bij Richtlijn 2012/9/EU vastgestelde overgangsperiode worden afgestemd op de bij Richtlijn 2014/40/EU vastgestelde overgangsperiode. |
|
(4) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2001/37/EG ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Richtlijn 2012/9/EU wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 2, lid 1, wordt „28 maart 2016” vervangen door „20 mei 2016”. |
|
2) |
In artikel 3 wordt „28 maart 2018” vervangen door „20 mei 2017”. |
Artikel 2
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 3
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 194 van 18.7.2001, blz. 26.
(2) Richtlijn 2012/9/EU van de Commissie van 7 maart 2012 tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PB L 69 van 8.3.2012, blz. 15).
(3) Richtlijn 2014/39/EU van de Commissie van 12 maart 2014 tot wijziging van Richtlijn 2012/9/EU wat de datum van omzetting en de uiterste einddatum van de overgangsperiode betreft (PB L 73 van 13.3.2014, blz. 3).
(4) Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1).
BESLUITEN
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/17 |
BESLUIT (EU) 2015/1140 VAN DE RAAD
van 13 juli 2015
houdende benoeming van twee Nederlandse leden en twee Nederlandse plaatsvervangers van het Comité van de Regio's
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,
Gezien de voordracht van de Nederlandse regering,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 26 januari, 5 februari en 23 juni 2015 heeft de Raad Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. |
|
(2) |
Twee zetels van lid zijn vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van de heren Onno HOES en Henri LENFERINK. |
|
(3) |
Twee zetels van plaatsvervanger zullen vrijkomen door de benoeming van de heren R. (Rob) JONKMAN en N.A. (André) VAN DE NADORT tot lid van het Comité van de Regio's, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In het Comité van de Regio's worden voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, benoemd tot lid:
|
— |
de heer R. (Rob) JONKMAN, Member of the executive council of Opsterland |
|
— |
de heer N.A. (André) VAN DE NADORT, Mayor of the municipality of Ten Boer. |
Artikel 2
In het Comité van de Regio's worden voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, benoemd tot plaatsvervanger:
|
— |
mevrouw M.T.M. (Marcelle) HENDRICKX, Member of the executive council of Tilburg |
|
— |
de heer H.J.J. (Henri) LENFERINK, Mayor of Leiden. |
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Raad
De voorzitter
F. ETGEN
(1) PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42.
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/18 |
BESLUIT (GBVB) 2015/1141 VAN DE RAAD
van 13 juli 2015
tot wijziging van Besluit 2012/392/GBVB betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Niger (EUCAP Sahel Niger)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 16 juli 2012 Besluit 2012/392/GBVB (1) vastgesteld. |
|
(2) |
De Raad heeft op 22 juli 2014 Besluit 2014/482/GBVB (2) vastgesteld, waarbij de toepassing van Besluit 2012/392/GBVB tot en met 15 juli 2016 wordt verlengd en in een financieel referentiebedrag tot en met 15 juli 2015 wordt voorzien. |
|
(3) |
De Europese Raad heeft op 23 april 2015 toegezegd om de aanwezigheid van de Unie op zee op te voeren, illegale migratiestromen te voorkomen en de interne solidariteit en verantwoordelijkheid te versterken. Hij zegde toe de steun aan onder andere Niger op te voeren teneinde de landgrenzen en de reisroutes te monitoren en te bewaken, voortbouwend op de GVDB-operaties die momenteel in de regio worden uitgevoerd. Na de tussentijdse strategische evaluatie heeft het Politiek en Veiligheidscomité op 13 mei 2015 overeenstemming bereikt over een nieuwe werkwijze, die erin bestaat dat de inzet in Niamey gecombineerd wordt met een permanente aanwezigheid in Agadez. |
|
(4) |
Besluit 2012/392/GBVB dient te worden gewijzigd om de periode waarvoor het financiële referentiebedrag geldt, te verlengen tot en met 15 juli 2016. Binnen drie maanden na de vaststelling van dit besluit, zal dat financiële referentiebedrag worden herzien, in het licht van de verdere operationele planning met betrekking tot de tweeledige aanpak, waarbij de grotere inzet in Niamey gecombineerd wordt met een permanente aanwezigheid in Agadez. |
|
(5) |
EUCAP Sahel Niger zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, kan hinderen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Besluit 2012/392/GBVB wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 13, lid 1, wordt vervangen door: „1. Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met EUCAP Sahel Niger voor de periode van 16 juli 2012 tot en met 31 oktober 2013 moet dekken, bedraagt 8 700 000 EUR. Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met EUCAP Sahel Niger voor de periode van 1 november 2013 tot en met 15 juli 2014 moet dekken, bedraagt 6 500 000 EUR. Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met EUCAP Sahel Niger voor de periode van 16 juli 2014 tot en met 15 juli 2015 moet dekken, bedraagt 9 155 000 EUR. Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met EUCAP Sahel Niger voor de periode van 16 juli 2015 tot en met 15 juli 2016 moet dekken, bedraagt 9 800 000 EUR.”. |
|
2) |
Artikel 13 bis wordt vervangen door: „Artikel 13 bis Projectcel 1. EUCAP Sahel Niger beschikt over een projectcel voor het vaststellen en uitvoeren van projecten die stroken met de doelstellingen van de missie en bijdragen aan het vervullen van de opdracht van de missie. Op gebieden die verband houden met het mandaat van EUCAP Sahel Niger en ter bevordering van de doelstellingen ervan, zal EUCAP Sahel Niger, in voorkomend geval, de projecten die door de lidstaten en derde staten onder hun verantwoordelijkheid worden uitgevoerd, coördineren, faciliteren en van advies voorzien. 2. Onverminderd lid 3 is EUCAP Sahel Niger gemachtigd financiële bijdragen van de Unie en de lidstaten of van derde staten aan te wenden voor de uitvoering van projecten die als consistente aanvulling op andere acties van EUCAP Sahel Niger zijn aangemerkt, op voorwaarde dat de projecten:
Zodra de Commissie of de betrokken staten formeel hebben voorgesteld dat hun financiële bijdrage wordt beheerd door EUCAP Sahel Niger, sluit EUCAP Sahel Niger met de Commissie of die staten een regeling waarin met name wordt vastgelegd welke concrete procedures van toepassing zijn op klachten van derden betreffende schade die is opgelopen als gevolg van handelingen of nalatigheden van EUCAP Sahel Niger bij de besteding van de middelen die door de betrokken staten zijn verstrekt. In geen geval wordt de Unie of de HV door de bijdragende lidstaten aansprakelijk gesteld voor handelingen of nalatigheden van EUCAP Sahel Niger in verband met de besteding van de middelen van die staten. 3. Financiële bijdragen van de Unie, de lidstaten of derde staten voor de projectcel moeten worden aanvaard door het PVC.”. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Het is van toepassing met ingang van 16 juli 2015.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Raad
De voorzitter
F. ETGEN
(1) Besluit 2012/392/GBVB van de Raad van 16 juli 2012 betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Niger (EUCAP Sahel Niger) (PB L 187 van 17.7.2012, blz. 48).
(2) Besluit 2014/482/GBVB van de Raad van 22 juli 2014 houdende wijziging van Besluit 2012/392/GBVB betreffende de GVDB-missie van de Europese Unie in Niger (EUCAP Sahel Niger) (PB L 217 van 23.7.2014, blz. 31).
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/20 |
UITVOERINGSBESLUIT (GBVB) 2015/1142 VAN DE RAAD
van 13 juli 2015
tot uitvoering van Besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,
Gezien Besluit 2012/642/GBVB van de Raad van 15 oktober 2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus (1), en met name artikel 6, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 15 oktober 2012 Besluit 2012/642/GBVB vastgesteld. |
|
(2) |
De Raad is van oordeel dat de vermeldingen voor vier personen en drie entiteiten op de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen, zoals vermeld in de bijlage bij Besluit 2012/642/GBVB, moeten worden gewijzigd. |
|
(3) |
De Raad is tevens van oordeel dat twee personen en vier entiteiten moeten worden geschrapt van de in de bijlage bij Besluit 2012/642/GBVB opgenomen lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen. |
|
(4) |
De bijlage bij Besluit 2012/642/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Besluit 2012/642/GBVB wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij onderhavig besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Raad
De voorzitter
F. ETGEN
BIJLAGE
I.
De volgende personen en entiteiten worden geschrapt van de lijst in de bijlage bij Besluit 2012/642/GBVB:|
A. |
Personen
|
|
B. |
Entiteiten
|
II.
De vermeldingen voor de volgende personen en entiteiten in de bijlage bij Besluit 2012/642/GBVB worden vervangen door de onderstaande vermeldingen.|
A. |
Personen
|
|
B. |
Entiteiten
|
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/23 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1143 VAN DE COMMISSIE
van 13 juli 2015
betreffende de bekendmaking, met een beperking, in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het kader van de nationale procedures van de referentie van norm EN 60335-2-15:2002 inzake bijzondere eisen voor toestellen voor verwarming van vloeistoffen uit hoofde van Richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (1), en met name artikel 5, tweede en derde alinea,
Gezien Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), en met name artikel 11, lid 1, onder b),
Gezien het advies van de werkgroep voor de laagspanningsrichtlijn,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Wanneer een nationale norm die de omzetting is van een geharmoniseerde norm waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het kader van de nationale procedures is bekendgemaakt, een of meer van de in bijlage I bij Richtlijn 2006/95/EG genoemde elementen betreffende veiligheidsdoeleinden omvat, wordt aangenomen dat het volgens die norm gebouwde elektrische materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, voldoet aan de desbetreffende veiligheidsdoeleinden. |
|
(2) |
In september 2014 heeft Cyprus een formeel bezwaar ingediend met betrekking tot norm EN 60335-2-15:2002, zoals laatstelijk gewijzigd bij A11:2012, „Huishoudelijke en soortgelijke elektrische toestellen — Veiligheid — Deel 2-15: Bijzondere eisen voor toestellen voor verwarming van vloeistoffen”. |
|
(3) |
In het formele bezwaar van Cyprus staat dat de norm EN 60335-2-15:2002, zoals laatstelijk gewijzigd bij A11:2012, geen specifieke bepalingen bevat voor koffieapparaten of toestellen voor algemeen gebruik die bedoeld zijn voor of waarvan uit ervaring bekend is dat zij worden gebruikt voor het bereiden van bepaalde soorten koffie of het verwarmen van bepaalde vloeistoffen (bv. melk). Dit elektrische toestel bestaat uit een open pot met handvat en onderaan een verwarmingselement. Het verwarmingselement wordt via een ronde plug- en busconnector van stroom voorzien door de pot op de elektrische sokkel te plaatsen, op dezelfde wijze als bij een gewone waterkoker. Voordat de koffie kookt, komt hij in de pot omhoog en door de in het toestel opgeslagen warmte-energie loopt de hete koffie over, ook als het toestel naderhand wordt uitgeschakeld of de pot van de sokkel wordt genomen. Bij het verwarmen van melk kookt de pot op dezelfde manier over. Dit betekent dat er risico is op ernstige brandwonden wanneer de kokende vloeistof in aanraking komt met de huid van de gebruikers of van kinderen naast hen, en dat de norm als dusdanig geen vermoeden van overeenstemming met Richtlijn 2006/95/EG vestigt. |
|
(4) |
Na onderzoek van de norm EN 60335-2-15:2002, zoals laatstelijk gewijzigd bij A11:2012, is de Commissie samen met de vertegenwoordigers van de werkgroep voor de laagspanningsrichtlijn tot de conclusie gekomen dat de norm niet voldoet aan de veiligheidsdoeleinden van bijlage I, punt 1, onder d), in samenhang met punt 2, onder b), bij Richtlijn 2006/95/EG. |
|
(5) |
Rekening houdend met de te verbeteren veiligheidsaspecten en in afwachting van een passende herziening van de norm moet de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het kader van de nationale procedures van de referentie van norm EN 60335-2-15:2002, zoals laatstelijk gewijzigd bij A11:2012, vergezeld gaan van een passende waarschuwing. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1025/2012, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De referentie van norm EN 60335-2-15:2002, zoals laatstelijk gewijzigd bij A11:2012, „Huishoudelijke en soortgelijke elektrische toestellen — Veiligheid — Deel 2-15: Bijzondere eisen voor toestellen voor verwarming van vloeistoffen”, wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het kader van de nationale procedures bekendgemaakt met de in de bijlage aangegeven beperking.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
BIJLAGE
Bekendmaking van de titel en de referenties van de Europese geharmoniseerde norm EN 60335-2-15:2002 uit hoofde van Richtlijn 2006/95/EG
|
ENO (1) |
Referentie en titel van de geharmoniseerde norm (en referentiedocument) |
Referentie van de vervangen norm |
Datum waarop het vermoeden van overeenstemming ten aanzien van de vervangen norm vervalt |
|
Opmerking 1 |
|||
|
Cenelec |
EN 60335-2-15:2002 Huishoudelijke en soortgelijke elektrische toestellen — Veiligheid — Deel 2-15: Bijzondere eisen voor toestellen voor verwarming van vloeistoffen IEC 60335-2-15:2002 |
EN 60335-2-15:1996 + A1:1999 + A2:2000 |
Datum verstreken (1.7.2007) |
|
Opmerking 2.1 |
|||
|
EN 60335-2-15:2002/A1:2005 IEC 60335-2-15:2002/A1:2005 |
Opmerking 3 |
Datum verstreken (1.9.2008) |
|
|
EN 60335-2-15:2002/A2:2008 IEC 60335-2-15:2002/A2:2008 |
Opmerking 3 |
Datum verstreken (1.8.2013) |
|
|
EN 60335-2-15:2002/A11:2012 |
Opmerking 3 |
23.1.2015 |
|
|
EN 60335-2-15:2002/A11:2012/AC:2013 |
|
|
|
|
EN 60335-2-15:2002/AC:2006 |
|
|
|
|
Beperking: Deze bekendmaking vestigt geen vermoeden van overeenstemming met de veiligheidsdoeleinden van bijlage I, punt 1, onder d), in samenhang met punt 2, onder b), bij Richtlijn 2006/95/EG, met name met betrekking tot de gevaren die verbonden zijn aan het overlopen van hete koffie of hete vloeistoffen bij toestellen die bedoeld zijn voor of waarvan uit ervaring bekend is dat zij worden gebruikt voor het bereiden van bepaalde soorten koffie of het verwarmen van bepaalde vloeistoffen (bv. melk) die tijdens het bereiden of het verwarmen uitzetten. |
|||
|
Opmerking 1: In het algemeen is de datum waarop het vermoeden van overeenstemming vervalt, de door de Europese normalisatieorganisatie vastgestelde datum van intrekking, maar gebruikers van de norm worden erop gewezen dat dit in bepaalde uitzonderlijke gevallen anders kan zijn. Opmerking 2.1: De nieuwe (of gewijzigde) norm heeft dezelfde werkingssfeer als de vervangen norm. Op de aangegeven datum vervalt het vermoeden van overeenstemming van de vervangen norm met de essentiële of andere eisen van de desbetreffende wetgeving van de Unie. Opmerking 3: In het geval van wijzigingsbladen zijn de norm waarnaar verwezen wordt, EN CCCCC:YYYY, de voorafgaande wijzigingsbladen ervan, indien die er zijn, en het nieuw genoemde wijzigingsblad. De vervangen norm bestaat daarom uit EN CCCCC:YYYY en de voorafgaande wijzigingsbladen, indien die er zijn, maar zonder het nieuwe genoemde wijzigingsblad. Op de aangegeven datum vervalt het vermoeden van overeenstemming van de vervangen norm met de essentiële of andere eisen van de desbetreffende wetgeving van de Unie. |
|||
(1) ENO: Europese normalisatieorganisatie:
Cenelec: Marnixlaan 17, 1000 Brussel, BELGIË, tel. +32 25196871; fax +32 25196919 (http://www.cenelec.eu)
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/26 |
BESLUIT Nr. 1/2015 VAN HET SUBCOMITÉ DOUANE VAN DE EU EN DE REPUBLIEK MOLDAVIË
van 20 mei 2015
tot vaststelling van zijn reglement van orde [2015/1144]
HET SUBCOMITÉ DOUANE VAN DE EU EN DE REPUBLIEK MOLDAVIË,
Gezien de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds (1), (de „overeenkomst” genoemd), en met name artikel 200,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 464 van de overeenkomst worden bepaalde onderdelen van de overeenkomst voorlopig toegepast vanaf 1 september 2014. |
|
(2) |
Krachtens artikel 200 van de overeenkomst dient het subcomité Douane toezicht te houden op de tenuitvoerlegging en het beheer van hoofdstuk 5 (Douane en handelsbevordering) van titel V (Handel en daarmee verband houdende aangelegenheden) van de overeenkomst. |
|
(3) |
Krachtens artikel 200, lid 3, onder e), van de overeenkomst dient het subcomité Douane zijn eigen reglement van orde vast te stellen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het reglement van orde van het subcomité Douane, als vastgesteld in de bijlage, wordt hierbij goedgekeurd.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Chișinău, 20 mei 2015.
Voor het subcomité Douane
Iu. CEBAN
Secretarissen
V. OPREA
K. MYNAR
BIJLAGE
Reglement van orde van het subcomité Douane van de EU en de Republiek Moldavië
Artikel 1
Algemene bepalingen
1. Het bij artikel 200, lid 1, van de Associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Moldavië, anderzijds, (de „overeenkomst”) ingestelde subcomité Douane voert zijn taken uit overeenkomstig artikel 200, leden 2 en 3, van de overeenkomst.
2. Het subcomité Douane bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Commissie en van de Republiek Moldavië die verantwoordelijk zijn voor douane- en douanegerelateerde aangelegenheden.
3. Een vertegenwoordiger van de Europese Commissie of van de Republiek Moldavië met verantwoordelijkheid voor douane- en douanegerelateerde aangelegenheden fungeert als voorzitter, overeenkomstig artikel 2.
4. De partijen bij dit reglement van orde zijn de partijen die zijn gedefinieerd in artikel 461 van de overeenkomst.
Artikel 2
Voorzitterschap
Het voorzitterschap van het subcomité Douane wordt bij toerbeurt voor een periode van 12 maanden bekleed door de partijen. De eerste periode vangt aan op de datum van de eerste Associatieraad en loopt af op 31 december van hetzelfde jaar.
Artikel 3
Vergaderingen
1. Voor zover de partijen niet anderszins overeenkomen, vergadert het subcomité Douane eenmaal per jaar of op verzoek van een van de partijen.
2. Elke vergadering van het subcomité Douane wordt door de voorzitter bijeengeroepen op een door de partijen overeengekomen plaats en datum. De convocatie wordt uiterlijk 28 kalenderdagen voor de vergadering door de voorzitter van het subcomité Douane aan de leden toegezonden, tenzij de partijen anders overeenkomen.
3. De vergaderingen van het subcomité Douane kunnen met behulp van daartoe overeengekomen technische hulpmiddelen plaatsvinden, zoals video- of audioconferentie.
4. Tussen twee vergaderingen door kan het subcomité Douane aangelegenheden ook schriftelijk behandelen.
Artikel 4
Delegaties
Vóór elke vergadering worden de partijen door het secretariaat van het subcomité Douane in kennis gesteld van de voorgenomen samenstelling van de delegatie van elke partij die de vergadering bijwoont.
Artikel 5
Secretariaat
1. Een ambtenaar van de Europese Commissie en een ambtenaar van de Republiek Moldavië met verantwoordelijkheid voor douane- en douanegerelateerde aangelegenheden treden gezamenlijk op als secretarissen van het subcomité Douane en voeren gezamenlijk de secretariaatstaken uit in een geest van wederzijds vertrouwen en samenwerking.
2. Het secretariaat van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken zoals bedoeld in artikel 438, lid 4, van de overeenkomst (het „Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken”), wordt op de hoogte gesteld van alle besluiten, adviezen, aanbevelingen, verslagen of andere handelingen waartoe het subcomité Douane besluit.
Artikel 6
Correspondentie
1. De aan het subcomité Douane gerichte correspondentie wordt doorgestuurd aan de secretaris van een van de partijen, die op zijn beurt de andere secretaris op de hoogte stelt.
2. Het secretariaat van het subcomité Douane ziet erop toe dat de correspondentie die aan het subcomité Douane is gericht, aan de voorzitter van het subcomité wordt doorgestuurd, en in voorkomend geval ook aan de andere leden, als in artikel 7 bedoelde documenten.
3. Het secretariaat stuurt mededelingen van de voorzitter namens hem aan de partijen. Dergelijke correspondentie wordt in voorkomend geval verzonden overeenkomstig artikel 7.
Artikel 7
Documenten
1. Documenten worden verzonden door de secretarissen van het subcomité Douane.
2. Een partij stuurt documenten naar haar secretaris. De secretaris stuurt de documenten door naar de secretaris van de andere partij.
3. De secretaris van de Unie stuurt de documenten door naar de relevante vertegenwoordigers van de Unie en zendt de secretaris van de Republiek Moldavië daarbij systematisch een kopie. De secretaris van de Unie zendt een exemplaar van de definitieve documenten aan de secretarissen van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken.
4. De secretaris van de Republiek Moldavië stuurt de documenten door naar de relevante vertegenwoordigers van de Republiek Moldavië en zendt de secretaris van de Unie daarbij systematisch een kopie. De secretaris van de Republiek Moldavië zendt een exemplaar van de definitieve documenten aan de secretarissen van het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken.
Artikel 8
Vertrouwelijkheid
De vergaderingen van het subcomité Douane zijn niet openbaar, tenzij de partijen anders besluiten. Wanneer een partij aan het subcomité Douane informatie overlegt die zij als vertrouwelijk aanduidt, behandelt de andere partij die informatie als zodanig.
Artikel 9
Agenda voor de vergaderingen
1. Het secretariaat van het subcomité Douane stelt op basis van voorstellen van de partijen voor elke vergadering een voorlopige agenda op. Op de voorlopige agenda staan de punten waarvoor het secretariaat uiterlijk 21 kalenderdagen voor de vergadering een verzoek van een partij tot plaatsing op de agenda, samen met de desbetreffende documenten, heeft ontvangen.
2. De voorlopige agenda wordt, samen met de desbetreffende documenten, uiterlijk 15 kalenderdagen voor de vergadering verspreid overeenkomstig artikel 7.
3. De agenda wordt bij het begin van elke vergadering door het subcomité Douane goedgekeurd. Indien de partijen zulks overeenkomen, kunnen punten die niet op de voorlopige agenda staan als agendapunt worden opgenomen.
4. In overleg tussen de partijen kan de voorzitter van het subcomité Douane vertegenwoordigers van andere organen van de partijen of onafhankelijke deskundigen op ad-hocbasis uitnodigen om een vergadering bij te wonen om informatie te verschaffen over bepaalde onderwerpen. De partijen zorgen ervoor dat dergelijke waarnemers en deskundigen de vertrouwelijkheidsvereisten in acht nemen.
5. De voorzitter van het subcomité Douane kan in overleg met de partijen de in de leden 1 en 2 genoemde termijnen in bijzondere omstandigheden inkorten.
Artikel 10
Notulen en operationele conclusies
1. De secretaris van de partij die het voorzitterschap van het subcomité Douane bekleedt, stelt voor elke vergadering een ontwerp van de de notulen, met inbegrip van de operationele conclusies, op.
2. De ontwerpnotulen, met inbegrip van de operationele conclusies, worden ter goedkeuring aan het subcomité Douane voorgelegd. De ontwerpnotulen worden binnen 28 kalenderdagen na iedere vergadering van het subcomité Douane goedgekeurd. Aan elk van de in artikel 7 bedoelde geadresseerden wordt een exemplaar gezonden.
Artikel 11
Besluiten en aanbevelingen
1. Het subcomité Douane heeft de bevoegdheid praktische regelingen, maatregelen, besluiten en aanbevelingen goed te keuren als bedoeld in artikel 200 van de overeenkomst. Deze praktische regelingen, maatregelen, besluiten en aanbevelingen worden door de partijen bij consensus goedgekeurd nadat zij hun respectieve interne procedures voor goedkeuring hebben afgewikkeld. De besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan.
2. Alle besluiten en aanbevelingen worden ondertekend door de voorzitter van het subcomité Douane en gewaarmerkt door de secretarissen van het subcomité Douane. Onverminderd lid 3 ondertekent de voorzitter die documenten tijdens de vergadering waarin het desbetreffende besluit of de desbetreffende aanbeveling wordt goedgekeurd.
3. Het subcomité Douane kan besluiten nemen of aanbevelingen doen via een schriftelijke procedure, na voltooiing van de respectieve interne procedures voor de goedkeuring daarvan, indien de partijen dat overeenkomen. Een schriftelijke procedure bestaat uit een uitwisseling van nota's tussen de secretarissen, die in overleg met de partijen handelen. In dat geval wordt de tekst van het voorstel overeenkomstig artikel 7 schriftelijk meegedeeld, waarbij een termijn van niet minder dan 21 kalenderdagen wordt gesteld waarbinnen voorbehouden of gewenste amendementen ter kennis kunnen worden gebracht. De voorzitter kan in overleg met de partijen die termijn in bijzondere omstandigheden inkorten. Zodra overeenstemming is bereikt over de tekst, wordt het besluit of de aanbeveling ondertekend door de voorzitter en gewaarmerkt door de secretarissen.
4. De handelingen van het subcomité Douane worden voorzien van het opschrift „Besluit” dan wel „Aanbeveling”. Een besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt goedgekeurd, tenzij in het besluit zelf anders is bepaald.
5. De besluiten en aanbevelingen worden aan de partijen gezonden.
6. Elke partij kan besluiten de besluiten en aanbevelingen van het subcomité Douane in haar publicatieblad of staatsblad bekend te maken.
Artikel 12
Verslagen
Het subcomité Douane brengt verslag uit aan het Associatiecomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken tijdens elke periodieke vergadering van dat comité.
Artikel 13
Talen
1. De werktalen van het subcomité Douane zijn het Engels en het Roemeens.
2. Tenzij anders besloten wordt, beraadslaagt het subcomité Douane op basis van in die talen opgestelde documenten.
Artikel 14
Kosten
1. Elke partij draagt haar eigen personeels-, reis- en verblijfskosten en haar eigen kosten voor post en telecommunicatie in verband met deelname aan vergaderingen van het subcomité Douane.
2. Uitgaven in verband met de organisatie van vergaderingen en de reproductie van documenten komen ten laste van de partij die als gastheer voor de vergadering optreedt.
3. De kosten voor de vertolking tijdens de vergaderingen en voor de vertaling van de documenten in of uit het Engels en het Roemeens, zoals vermeld in artikel 13, lid 1, komen ten laste van de partij die de vergadering organiseert.
Kosten voor vertolking en vertaling in of uit andere talen komen rechtstreeks ten laste van de verzoekende partij.
Artikel 15
Wijziging van het reglement van orde
Dit reglement van orde kan worden gewijzigd bij besluit van het subcomité Douane overeenkomstig artikel 200, lid 3, onder e), van de overeenkomst.
Rectificaties
|
14.7.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/31 |
Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1011 van de Commissie van 24 april 2015 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1277/2005 van de Commissie
( Publicatieblad van de Europese Unie L 162 van 27 juni 2015 )
Bladzijde 14, artikel 3, lid 2, onder b), v):
in plaats van:
„de beschrijving van alle plaatsen waar de onder x) bedoelde verrichtingen plaatsvinden;”,
te lezen:
„de beschrijving van alle plaatsen waar de onder ix) bedoelde verrichtingen plaatsvinden;”.
Bladzijde 18, artikel 13, lid 1:
in plaats van
„Uiterlijk een maand na afloop van elk kalenderjaar zenden de lidstaten de Commissie de in artikel 32, lid 1, van Verordening (EG) nr. 111/2005 en artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 273/2004 bedoelde informatie toe. Deze heeft betrekking op alle gevallen waarin de vrijgave van geregistreerde en niet-geregistreerde stoffen werd geschorst of de geregistreerde en niet-geregistreerde stoffen werden vastgehouden.”,
te lezen:
„Uiterlijk een maand na afloop van elk kalenderkwartaal zenden de lidstaten de Commissie de in artikel 32, lid 1, van Verordening (EG) nr. 111/2005 en artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 273/2004 bedoelde informatie toe. Deze heeft betrekking op alle gevallen waarin de vrijgave van geregistreerde en niet-geregistreerde stoffen werd geschorst of de geregistreerde en niet-geregistreerde stoffen werden vastgehouden.”.