ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 366

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
20 december 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1367/2014 van de Raad van 15 december 2014 tot vaststelling, voor 2015 en 2016, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen

1

 

*

Verordening (EU) nr. 1368/2014 van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 ( 1 )

15

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1369/2014 van de Commissie van 17 december 2014 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Garda (BOB)]

17

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1370/2014 van de Commissie van 19 december 2014 tot vaststelling van tijdelijke buitengewone steun voor melkproducenten in Finland

18

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1371/2014 van de Commissie van 19 december 2014 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 tot vaststelling van verdere tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten van bepaalde groenten en fruit

20

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1372/2014 van de Commissie van 19 december 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

32

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1373/2014 van de Commissie van 19 december 2014 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de aanvragen om rechten tot invoer betrekking hebben die van 1 tot en met 7 december 2014 zijn ingediend in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 413/2014 geopende tariefcontingenten voor vlees van pluimvee van oorsprong uit Oekraïne

34

 

*

Verordening (EU) nr. 1374/2014 van de Europese Centrale Bank van 28 november 2014 betreffende statistische rapportagevereisten voor verzekeringsinstellingen (ECB/2014/50)

36

 

*

Verordening (EU) nr. 1375/2014 van de Europese Centrale Bank van 10 december 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1071/2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (ECB/2014/51)

77

 

*

Verordening (EU) nr. 1376/2014 van de Europese Centrale Bank van 10 december 2014 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1745/2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (ECB/2014/52)

79

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2014/110/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2004/33/EG wat criteria voor tijdelijke uitsluiting van donors van allogene bloeddonaties betreft ( 1 )

81

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2014/111/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/15/EG, wat betreft de vaststelling door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van bepaalde codes en de bijbehorende wijzigingen van bepaalde verdragen en protocollen ( 1 )

83

 

 

BESLUITEN

 

 

2014/938/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 9 juli 2014 betreffende de door Denemarken en Zweden ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.35668 (13/C) (ex 13/NN) (ex 12/CP) ten gunste van Scandinavian Airlines (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 4532)  ( 1 )

88

 

 

2014/939/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/833/EU tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen in verband met recente uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 in Nederland (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 9741)  ( 1 )

104

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/1


VERORDENING (EU) Nr. 1367/2014 VAN DE RAAD

van 15 december 2014

tot vaststelling, voor 2015 en 2016, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 43, lid 3, van het Verdrag moet de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen vaststellen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.

(2)

Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld met inachtneming van het beschikbare wetenschappelijke, technische en economische advies, met inbegrip van, waar toepasselijk, de verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).

(3)

De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen, inclusief in voorkomend geval bepaalde voorwaarden die daar functioneel verband mee houden. De vangstmogelijkheden moeten, met inachtneming van de in Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zo over de lidstaten worden verdeeld dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten per bestand of per visserij geniet.

(4)

De totaal toegestane vangsten (total allowable catches — TAC's) moeten worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van de biologische en sociaaleconomische aspecten en van de noodzaak een billijke behandeling van de visserijsectoren te garanderen, alsmede in het licht van de standpunten die worden ingenomen tijdens de raadpleging van de belanghebbenden, en met name de betrokken regionale adviesraden.

(5)

De vastgestelde vangstmogelijkheden moeten in overeenstemming zijn met de internationale overeenkomsten, onder meer de overeenkomst van de Verenigde Naties van 1995 betreffende de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende bestanden en bestanden van over grote afstanden trekkende soorten (2), en de gedetailleerde beheersbeginselen zoals vastgesteld in de in 2008 door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties vastgestelde internationale richtsnoeren voor het beheer van de diepzeevisserij op volle zee, waarin met name wordt gesteld dat wetgevers voorzichtiger moeten zijn wanneer informatie onzeker, onbetrouwbaar of niet adequaat is. Het ontbreken van adequate wetenschappelijke gegevens mag geen reden zijn om instandhoudings- en beheersmaatregelen uit te stellen of achterwege te laten.

(6)

Uit het meest recente advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en van het WTECV blijkt dat de meeste diepzeebestanden nog steeds op niet-duurzame wijze worden geëxploiteerd, en dat om de duurzaamheid van die bestanden te verzekeren, de desbetreffende vangstmogelijkheden verder moeten worden verlaagd, totdat de ontwikkeling van de bestanden een positieve trend te zien geeft. De ICES heeft verder geadviseerd de gerichte visserij op Atlantische slijmkop in alle gebieden en de gerichte visserij op bepaalde bestanden zeebrasem en rondneusgrenadier te verbieden.

(7)

Wat de vier bestanden rondneusgrenadier betreft, blijkt uit wetenschappelijk advies en recente besprekingen in de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) dat vangsten van deze soort mogelijk verkeerd zijn opgegeven als vangsten van noordelijke grenadier. Daarom dient in dit verband een TAC te worden vastgesteld die voor beide soorten geldt en het tegelijkertijd mogelijk maakt elke soort afzonderlijk op te geven.

(8)

De voornaamste commerciële soorten diepzeehaaien worden als uitgeput beschouwd, en daarom mag geen gerichte bevissing van diepzeehaaien plaatsvinden. Aangezien diepzeehaaien trekgedrag vertonen en breed verspreid over het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan voorkomen, heeft het WTECV voorts aanbevolen beheersmaatregelen voor deze soorten uit te breiden tot de Uniewateren van de Visserijcommissie voor het centraaloostelijke deel van de Atlantische Oceaan (CECAF) rond Madeira.

(9)

De vangstmogelijkheden voor diepzeesoorten als omschreven in artikel 2, punt a), van Verordening (EG) nr. 2347/2002 (3), worden telkens voor twee jaar vastgesteld. Hierop wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor de bestanden grote zilvervis en de bestanden blauwe leng. De visserij op blauwe leng als hoofdactiviteit hangt samen met de jaarlijkse onderhandelingen met Noorwegen; omwille van de vereenvoudiging moeten alle TAC's voor blauwe leng samen met die TAC en in dezelfde wetshandeling worden vastgesteld. De vangstmogelijkheden voor de bestanden grote zilvervis en bestanden blauwe leng moeten daarom worden vastgesteld in een andere jaarlijkse verordening waarbij vangstmogelijkheden worden vastgesteld.

(10)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (4), moeten de bestanden waarvoor diverse daarin bedoelde maatregelen gelden, worden vastgesteld. Voorzorgs-TAC's moeten worden vastgesteld voor bestanden waarvoor geen wetenschappelijk gefundeerde evaluatie van de vangstmogelijkheden beschikbaar is voor het jaar waarin de TAC's moeten worden vastgesteld; in de andere gevallen moeten analytische TAC's worden vastgesteld. In het licht van het advies van de ICES en het WTECV voor diepzeebestanden moeten voor de bestanden waarvoor geen wetenschappelijk gefundeerde evaluatie van de betrokken vangstmogelijkheden beschikbaar is, voorzorgs-TAC's worden vastgesteld in deze verordening.

(11)

Met het oog op de continuïteit van de visserijactiviteiten en om het inkomen van de vissers in de Unie veilig te stellen, dient deze verordening met ingang van 1 januari 2015 van toepassing te zijn. Gezien de urgentie dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt voor 2015 en 2016 vastgesteld welke jaarlijkse vangstmogelijkheden voor bestanden van bepaalde diepzeevissoorten ter beschikking van Unievissersvaartuigen staan in Uniewateren en in bepaalde niet-Uniewateren waar vangstbeperkingen nodig zijn.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „Unievissersvaartuig”: een vissersvaartuig dat de vlag van een lidstaat voert en in de Unie is geregistreerd;

b)   „Uniewateren”: de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag genoemde gebieden;

c)   „totaal toegestane vangst (TAC)”: de hoeveelheid van elk visbestand die elk jaar mag worden gevangen en aangeland;

d)   „quotum”: een aan de Unie of een lidstaat toegewezen aandeel van de TAC;

e)   „internationale wateren”: wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen.

2.   Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende afbakening van visserijzones:

a)   ICES-zones (International Council for the Exploration of the Sea: Internationale Raad voor het onderzoek van de zee): de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5) gespecificeerde geografische gebieden;

b)   voor de CECAF-zones (Committee for Eastern Central Atlantic Fisheries: Visserijcommissie voor het centraaloostelijke deel van de Atlantische Oceaan): de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad (6) gespecificeerde geografische gebieden.

Artikel 3

TAC's en toewijzingen

De TAC's voor diepzeesoorten die door Unievissersvaartuigen in Uniewateren en in bepaalde niet-Uniewateren worden gevangen, de verdeling van die TAC's over de lidstaten, en in voorkomend geval de voorwaarden die daar functioneel mee verbonden zijn, worden in de bijlage bij deze verordening vastgesteld.

Artikel 4

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden

1.   De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening over de lidstaten verdeeld onverminderd:

a)

het uitwisselen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (7) en artikel 10, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (8);

c)

extra aanlandingen op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96;

d)

kortingen op grond van de artikelen 105, 106 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

2.   Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is van toepassing op bestanden waarvoor een voorzorgs-TAC is vastgesteld, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor een analytische TAC is vastgesteld, tenzij anders vermeld in de bijlage bij deze Verordening.

Artikel 5

Voorwaarden voor de aanlanding van vangsten en bijvangsten

Vis van bestanden waarvoor TAC's zijn vastgesteld, mag slechts aan boord worden gehouden of worden aangeland indien deze is gevangen door vissersvaartuigen die de vlag voeren van een lidstaat die over een quotum beschikt, en indien dat quotum nog niet is opgebruikt.

Artikel 6

Gegevensverstrekking

Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden gevangen vis aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de in de bijlage bij de onderhavige verordening vermelde bestandscodes.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 december 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

M. MARTINA


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 356 van 22.12.2012, blz. 22).

(2)  Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 189 van 3.7.1998, blz. 16).

(3)  Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bij-zondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6).

(4)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).

(5)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).

(6)  Verordening (EG) nr. 216/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten in bepaalde gebieden buiten de Noord-Atlantische Oceaan (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad van 29 september 2008 betreffende machtigingen voor visserijactiviteiten van communautaire vissersvaartuigen buiten de communautaire wateren en de toegang van vaartuigen van derde landen tot de communautaire wateren, en houdende wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93 en (EG) nr. 1627/94 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 3317/94 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 33).


BIJLAGE

Tenzij anders bepaald, zijn de verwijzingen naar visserijzones verwijzingen naar ICES-zones.

DEEL 1

Definitie van soorten en groepen van soorten

1.

In de lijst in deel 2 van deze bijlage zijn de visbestanden vermeld in alfabetische volgorde van de Latijnse namen van de vissoorten. Diepzeehaaien staan evenwel bovenaan in de lijst. Hieronder volgt een vergelijkende overzichtstabel met naast de in deze verordening gebruikte wetenschappelijke namen de gewone namen:

Triviale naam

Drielettercode

Wetenschappelijke naam

Zwarte haarstaartvis

BSF

Aphanopus carbo

Beryx spp.

ALF

Beryx spp.

Grenadiervis

RNG

Coryphaenoides rupestris

Noordelijke grenadiervis

RHG

Macrourus berglax

Atlantische slijmkop

ORY

Hoplostethus atlanticus

Zeebrasem

SBR

Pagellus bogaraveo

Gaffelkabeljauw

GFB

Phycis blennoides

2.

Voor de toepassing van deze verordening zijn „diepzeehaaien” haaien die voorkomen in de volgende lijst van soorten:

Triviale naam

Drielettercode

Wetenschappelijke naam

Diepzeekathaaien

API

Apristurus spp.

Franjehaai

HXC

Chlamydoselachus anguineus

Zwelghaaien

CWO

Centrophorus spp.

Portugese ijshaai

CYO

Centroscymnus coelolepis

Langsnuitijshaai

CYP

Centroscymnus crepidater

Zwarte lantaarnhaai

CFB

Centroscyllium fabricii

Spitssnuitsnavelhaai

DCA

Deania calcea

Zwarte haai

SCK

Dalatias licha

Grote lantaarnhaai

ETR

Etmopterus princeps

Donkerbuiklantaarnhaai

ETX

Etmopterus spinax

Muiskathaai

GAM

Galeus murinus

Stompsnuitzeskieuwshaai

SBL

Hexanchus griseus

Zeilvinruwhaai

OXN

Oxynotus paradoxus

Mestandijshaai

SYR

Scymnodon ringens

Groenlandse haai

GSK

Somniosus microcephalus

DEEL 2

Jaarlijkse vangstmogelijkheden per soort en per gebied (in ton levend gewicht) voor vissersvaartuigen van de Unie in gebieden met TAC's

Soort:

Diepzeehaaien

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van V, VI, VII, VIII en IX; Uniewateren van CECAF 34.1.1, 34.1.2 en 34.2

(DWS/ 56789-)

Jaar

2015

2016

 

 

Duitsland

0

0

 

 

Estland

0

0

 

 

Ierland

0

0

 

 

Spanje

0

0

 

 

Frankrijk

0

0

 

 

Litouwen

0

0

 

 

Polen

0

0

 

 

Portugal

0

0

 

 

Verenigd Koninkrijk

0

0

 

 

Unie

0

0

 

 

TAC

0

0

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Diepzeehaaien

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van X

(DWS/ 10-)

Jaar

2015

2016

 

 

Portugal

0

0

 

 

Unie

0

0

 

 

TAC

0

0

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Diepzeehaaien, Deania hystricosa en Deania profundorum

Gebied:

Internationale wateren van XII

(DWS/12INT-)

Jaar

2015

2016

 

 

Ierland

0

0

 

 

Spanje

0

0

 

 

Frankrijk

0

0

 

 

Verenigd Koninkrijk

0

0

 

 

Unie

0

0

 

 

TAC

0

0

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Zwarte haarstaartvis

Aphanopus carbo

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van I, II, III en IV

(BSF/1234-)

Jaar

2015

2016

 

 

Duitsland

3

3

 

 

Frankrijk

3

3

 

 

Verenigd Koninkrijk

3

3

 

 

Unie

9

9

 

 

TAC

9

9

 

Voorzorgs-TAC


Soort:

Zwarte haarstaartvis

Aphanopus carbo

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van V, VI, VII en XII

(BSF/56712-)

Jaar

2015

2016

 

 

Duitsland

42

39

 

 

Estland

20

19

 

 

Ierland

104

96

 

 

Spanje

208

191

 

 

Frankrijk

2 918

2 684

 

 

Letland

136

125

 

 

Litouwen

1

1

 

 

Polen

1

1

 

 

Verenigd Koninkrijk

208

191

 

 

Andere (1)

11

10

 

 

Unie

3 649

3 357

 

 

TAC

3 649

3 357

 

Analytische TAC


Soort:

Zwarte haarstaartvis

Aphanopus carbo

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van VIII, IX en X

(BSF/8910-)

Jaar

2015

2016

 

 

Spanje

12

12

 

 

Frankrijk

29

29

 

 

Portugal

3 659

3 659

 

 

Unie

3 700

3 700

 

 

TAC

3 700

3 700

 

Analytische TAC


Soort:

Zwarte haarstaartvis

Aphanopus carbo

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van CECAF 34.1.2

(BSF/C3412-)

Jaar

2015

2016

 

 

Portugal

3 141

2 827

 

 

Unie

3 141

2 827

 

 

TAC

3 141

2 827

 

Voorzorgs-TAC


Soort:

Beryx spp.

Beryx spp.

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV

(ALF/3X14-)

Jaar

2015

2016

 

 

Ierland

9

9

 

 

Spanje

67

67

 

 

Frankrijk

18

18

 

 

Portugal

193

193

 

 

Verenigd Koninkrijk

9

9

 

 

Unie

296

296

 

 

TAC

296

296

 

Analytische TAC


Soort:

Rondneusgrenadier en noordelijke grenadier

Coryphaenoides rupestris en Macrourus berglax

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van I, II en IV

(RNG/124-) voor rondneusgrenadier;

(RHG/124-) voor noordelijke grenadier

Jaar

2015

2016

 

 

Denemarken

1

1

 

 

Duitsland

1

1

 

 

Frankrijk

10

10

 

 

Verenigd Koninkrijk

1

1

 

 

Unie

13

13

 

 

TAC

13

13

 

Voorzorgs-TAC


Soort:

Rondneusgrenadier en noordelijke grenadier

Coryphaenoides rupestris en Macrourus berglax

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van III

(RNG/03-) voor rondneusgrenadier; (2)

(RHG/03-) voor noordelijke grenadier

Jaar

2015

2016

 

 

Denemarken

412

329

 

 

Duitsland

2

2

 

 

Zweden

21

17

 

 

Unie

435

348

 

 

TAC

435

348

 

Voorzorgs-TAC


Soort:

Rondneusgrenadier en noordelijke grenadier

Coryphaenoides rupestris en Macrourus berglax

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van Vb, VI en VII

(RNG/5B67-) voor rondneusgrenadier; (5)

(RHG/5B67-) voor noordelijke grenadier

Jaar

2015 (3)  (4)

2016 (3)  (4)

 

 

Duitsland

8

8

 

 

Estland

59

60

 

 

Ierland

260

265

 

 

Spanje

65

66

 

 

Frankrijk

3 302

3 358

 

 

Litouwen

76

77

 

 

Polen

38

39

 

 

Verenigd Koninkrijk

194

197

 

 

Andere (4)

8

8

 

 

Unie

4 010

4 078

 

 

TAC

4 010

4 078

 

Analytische TAC


Soort:

Rondneusgrenadier en noordelijke grenadier

Coryphaenoides rupestris en Macrourus berglax

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van VIII, IX, X, XII en XIV

(RNG/8X14-) voor rondneusgrenadier; (7)

(RHG/8X14-) voor noordelijke grenadier

Jaar

2015 (6)

2016 (6)

 

 

Duitsland

24

21

 

 

Ierland

5

5

 

 

Spanje

2 617

2 354

 

 

Frankrijk

121

109

 

 

Letland

42

38

 

 

Litouwen

5

5

 

 

Polen

819

737

 

 

Verenigd Koninkrijk

11

10

 

 

Unie

3 644

3 279

 

 

TAC

3 644

3 279

 

Analytische TAC


Soort:

Atlantische slijmkop

Hoplostethus atlanticus

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van VI

(ORY/06-)

Jaar

2015

2016

 

 

Ierland

0

0

 

 

Spanje

0

0

 

 

Frankrijk

0

0

 

 

Verenigd Koninkrijk

0

0

 

 

Unie

0

0

 

 

TAC

0

0

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Atlantische slijmkop

Hoplostethus atlanticus

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van VII

(ORY/07-)

Jaar

2015

2016

 

 

Ierland

0

0

 

 

Spanje

0

0

 

 

Frankrijk

0

0

 

 

Verenigd Koninkrijk

0

0

 

 

Andere

0

0

 

 

Unie

0

0

 

 

TAC

0

0

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Atlantische slijmkop

Hoplostethus atlanticus

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van I, II, III, IV, V, VIII, IX, X, XII en XIV

(ORY/1CX14)

Jaar

2015

2016

 

 

Ierland

0

0

 

 

Spanje

0

0

 

 

Frankrijk

0

0

 

 

Portugal

0

0

 

 

Verenigd Koninkrijk

0

0

 

 

Andere

0

0

 

 

Unie

0

0

 

 

TAC

0

0

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.


Soort:

Zeebrasem

Pagellus bogaraveo

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van VI, VII en VIII

(SBR/678-)

Jaar

2015

2016

 

 

Ierland

5

5

 

 

Spanje

135

128

 

 

Frankrijk

7

6

 

 

Verenigd Koninkrijk

17

16

 

 

Andere (8)

5

5

 

 

Unie

169

160

 

 

TAC

169

160

 

Analytische TAC


Soort:

Zeebrasem

Pagellus bogaraveo

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van IX

(SBR/09-)

Jaar

2015 (9)

2016 (9)

 

 

Spanje

294

144

 

 

Portugal

80

39

 

 

Unie

374

183

 

 

TAC

374

183

 

Analytische TAC


Soort:

Zeebrasem

Pagellus bogaraveo

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van X

(SBR/10-)

Jaar

2015

2016

 

 

Spanje

6

5

 

 

Portugal

678

507

 

 

Verenigd Koninkrijk

6

5

 

 

Unie

690

517

 

 

TAC

690

517

 

Analytische TAC


Soort:

Gaffelkabeljauw

Phycis blennoides

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van I, II, III en IV

(GFB/1234-)

Jaar

2015

2016

 

 

Duitsland

10

10

 

 

Frankrijk

10

10

 

 

Verenigd Koninkrijk

17

17

 

 

Unie

37

37

 

 

TAC

37

37

 

Analytische TAC


Soort:

Gaffelkabeljauw

Phycis blennoides

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van V, VI en VII

(GFB/567-)

Jaar

2015 (10)

2016 (10)

 

 

Duitsland

12

12

 

 

Ierland

312

312

 

 

Spanje

706

706

 

 

Frankrijk

427

427

 

 

Verenigd Koninkrijk

977

977

 

 

Unie

2 434

2 434

 

 

TAC

2 434

2 434

 

Analytische TAC


Soort:

Gaffelkabeljauw

Phycis blennoides

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van VIII en IX

(GFB/89-)

Jaar

2015 (11)

2016 (11)

 

 

Spanje

290

290

 

 

Frankrijk

18

18

 

 

Portugal

12

12

 

 

Unie

320

320

 

 

TAC

320

320

 

Analytische TAC


Soort:

Gaffelkabeljauw

Phycis blennoides

Gebied:

Uniewateren en internationale wateren van X en XII

(GFB/1012-)

Jaar

2015

2016

 

 

Frankrijk

10

10

 

 

Portugal

45

45

 

 

Verenigd Koninkrijk

10

10

 

 

Unie

65

65

 

 

TAC

65

65

 

Analytische TAC

(1)  Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

(2)  In afwachting van het resultaat van het overleg tussen de Europese Unie en Noorwegen mag niet gericht op grenadiervis worden gevist in ICES-zone IIIa.

(3)  Ten hoogste 10 % van elk quotum mag worden gevist in de Uniewateren en internationale wateren van VIII, IX, X, XII en XIV (RNG/*8X14-).

(4)  Uitsluitend voor bijvangsten. Gerichte visserij is niet toegestaan.

(5)  Wat betreft rondneusgrenadier, mag niet meer dan 95 % van het quotum van elke lidstaat worden aangeland.

(6)  Ten hoogste 10 % van elk quotum mag worden gevist in de Uniewateren en internationale wateren van Vb, VI en VII (RNG/*5B67-).

(7)  Wat betreft rondneusgrenadier, mag niet meer dan 80 % van het quotum van elke lidstaat worden aangeland.

(8)  Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

(9)  Ten hoogste 8 % van elk quotum mag worden gevist in de Uniewateren en internationale wateren van VI, VII en VIII (SBR/*678-).

(10)  Ten hoogste 8 % van elk quotum mag worden gevist in de Uniewateren en internationale wateren van VIII en IX (GFB/*89-).

(11)  Ten hoogste 8 % van elk quotum mag worden gevist in de Uniewateren en internationale wateren van V, VI en VII (GFB/*567-).


20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/15


VERORDENING (EU) Nr. 1368/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2014

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 48,

Gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (1), en met name artikel 72, onder f),

Gezien Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (2), en met name de artikelen 8, 9 en 92,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Lidstaten hebben de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels verzocht vermeldingen in bijlage 1 bij Verordening (EG) nr. 987/2009 te wijzigen om die bijlage af te stemmen op de ontwikkelingen in hun nationale wetgeving.

(2)

Bijlage 1 bij Verordening (EG) nr. 987/2009 heeft tot doel een overzicht te geven van de toepassingsbepalingen voor bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten die op basis van artikel 8, lid 1, van die verordening van kracht blijven of die op basis van artikel 8, lid 2, en artikel 9, lid 2, van dezelfde verordening worden gesloten en vermeld.

(3)

De Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels heeft bij de Commissie voorstellen voor de verzochte wijzigingen ingediend op grond van artikel 72, onder f), van Verordening (EG) nr. 883/2004.

(4)

De Commissie heeft ermee ingestemd de voorstellen voor de technische wijzigingen op te nemen in bijlage 1 van Verordening (EG) nr. 987/2009.

(5)

Bij artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie (3) is bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 883/200 ten onrechte gewijzigd. Die wijzigingsbepaling moet derhalve worden geschrapt. Omwille van de juridische duidelijkheid moet de schrapping van artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2014 van toepassing zijn.

(6)

De Verordeningen (EG) nr. 987/2009 en (EU) nr. 1372/2013 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1)

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

De paragraaf „DENEMARKEN-ITALIË” wordt geschrapt;

2)

In de paragraaf „FRANKRIJK-LUXEMBURG” komt punt b) als volgt te luiden:

„b)

Briefwisseling van 17 juli en 20 september 1995 betreffende de modaliteiten voor de vereffening van wederzijdse vorderingen uit hoofde van de artikelen 93, 95 en 96 van Verordening (EEG) nr. 574/72 en briefwisseling van 10 juli en 30 augustus 2013”

.

Artikel 2

Artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1372/2013 wordt geschrapt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2015, met uitzondering van artikel 2, dat met ingang van 1 januari 2014 van toepassing is.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1.

(3)  Verordening (EU) nr. 1372/2013 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 27).


20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1369/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2014

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Garda (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de aanvraag van Italië tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Garda”, die is geregistreerd bij Verordening (EG) nr. 2325/97 van de Commissie (2).

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de benaming „Garda” (BOB) wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 2325/97 van de Commissie van 24 november 1997 (PB L 322 van 25.11.1997, blz. 33).

(3)  PB C 260 van 9.8.2014, blz. 17.


20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/18


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 1370/2014 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2014

tot vaststelling van tijdelijke buitengewone steun voor melkproducenten in Finland

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 219, lid 1, in samenhang met artikel 228,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 7 augustus 2014 heeft de Russische regering een verbod ingevoerd op de import in Rusland van bepaalde landbouwproducten uit de Unie, waaronder melkproducten.

(2)

Vóór de invoering van het verbod was Finland een van de lidstaten die voor hun melkproductie erg afhankelijk waren van de export naar Rusland: meer dan 25 % van de Finse melkproductie werd door Rusland afgenomen en 64 % van de totale export van melk en melkproducten uit Finland naar derde landen had Rusland als bestemming

(3)

In september 2014 daalden de melkprijzen af landbouwbedrijf in Finland fors, uitsluitend als gevolg van het Russische invoerverbod. Finland heeft in vergelijking met de Unie in haar geheel een relatief hoge gemiddelde melkprijs, maar ook de hoogste productiekosten.

(4)

De Finse sector voor melk en melkproducten had geïnvesteerd in producten met een hoge toegevoegde waarde die waren afgestemd op de smaken en behoeften van de Russische markt, en ziet zijn continuïteit dus in het gedrang komen als gevolg van het Russische invoerverbod. Voor de Russische markt geproduceerde melkproducten moeten nu tegen verlaagde prijzen worden geabsorbeerd door de Finse retailmarkt. De sector in Finland heeft tijd nodig om nieuwe afzetmarkten te vinden of de productie af te stemmen op nieuwe producten die aan de vraag kunnen voldoen. Het gebruik van openbare interventie en particuliere opslag volstaat niet om deze dreiging het hoofd te bieden.

(5)

Om de uit deze factoren voortvloeiende verstoring van de markt doeltreffend en doelmatig aan te pakken, dient aan Finland steun te worden verleend in de vorm van een eenmalige financiële enveloppe ter ondersteuning van melkproducenten die worden getroffen door het Russische invoerverbod en daardoor liquiditeitsproblemen hebben.

(6)

De financiële enveloppe voor Finland moet worden berekend op basis van de hoeveelheid melk die in 2013/2014 binnen de nationale quota is geproduceerd, en moet in verhouding staan tot de geconstateerde verlaging van de melkprijs. Om te garanderen dat de steun terechtkomt bij de producenten die door het verbod worden getroffen, moet Finland, met inachtneming van de beperkte begrotingsmiddelen, het betrokken bedrag volgens objectieve criteria en op niet-discriminerende wijze verdelen zonder dat de markt en de mededinging daardoor worden verstoord.

(7)

Aangezien met de financiële enveloppe voor Finland slechts een beperkt deel van de daadwerkelijke, door de producenten geleden schade zal worden vergoed, moet Finland de toestemming krijgen om aanvullende steun aan de melkproducenten te verlenen.

(8)

Deze aanvullende steun moet worden verleend volgens dezelfde voorwaarden op het gebied van objectiviteit, niet-discriminatie en niet-verstoring van de mededinging, en met inachtneming van de nationale steun die de producenten al voor hetzelfde doel hebben ontvangen op basis van artikel 142 van de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden.

(9)

De in de onderhavige verordening bedoelde steun moet worden verleend bij wijze van maatregel ter ondersteuning van landbouwmarkten overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(10)

Om budgettaire redenen zal de Unie de door Finland gedane uitgaven die verband houden met de steun aan melkproducenten, enkel financieren indien de betrokken betalingen binnen een bepaalde termijn zijn verricht.

(11)

Om te waarborgen dat transparant te werk wordt gegaan en het voor Finland beschikbare bedrag wordt gemonitord en goed wordt beheerd, moet Finland aan de Commissie melden welke objectieve criteria worden gehanteerd om de wijze van toekenning van de steun te bepalen en welke maatregelen zijn genomen om verstoring van de mededinging te voorkomen.

(12)

Om ervoor te zorgen dat de melkproducenten de steun zo snel mogelijk ontvangen, moet Finland in staat worden gesteld deze verordening onverwijld uit te voeren. Daarom dient deze verordening in werking te treden op de derde dag na die van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In totaal wordt 10 729 307 EUR aan Uniesteun ter beschikking van Finland gesteld met het oog op gerichte steunverlening aan melkproducenten die worden getroffen door het Russische verbod op de invoer van bepaalde producten uit de Unie.

Finland gebruikt dat bedrag op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria en op voorwaarde dat de betrokken betalingen de mededinging niet verstoren. Finland houdt hiertoe rekening met de omvang van de gevolgen van het Russische invoerverbod voor de betrokken producenten.

Finland verricht de betrokken betalingen uiterlijk op 31 mei 2015.

Artikel 2

Finland mag aan de melkproducenten die de in artikel 1 bedoelde steun ontvangen, aanvullende steun toekennen ten belope van maximaal het in dat artikel bedoelde bedrag.

Deze aanvullende steun wordt verleend volgens dezelfde voorwaarden op het gebied van objectiviteit, niet-discriminatie en niet-verstoring van de mededinging, en met inachtneming van de nationale steun die de producenten al voor hetzelfde doel hebben ontvangen op basis van artikel 142 van de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden.

Finland betaalt de aanvullende steun uiterlijk op 31 mei 2015.

Artikel 3

Finland meldt het volgende aan de Commissie:

a)

onverwijld en uiterlijk op 30 april 2015, de objectieve criteria die zijn gebruikt om de wijze van toekenning van de gerichte steun te bepalen, alsmede de maatregelen die zijn genomen om verstoring van de mededinging te voorkomen;

b)

uiterlijk op 31 juli 2015, de totale uitbetaalde bedragen en het aantal en de categorie begunstigden.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).


20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/20


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 1371/2014 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2014

tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 tot vaststelling van verdere tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 219, lid 1, in samenhang met artikel 228,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 7 augustus 2014 heeft de Russische regering een verbod ingevoerd op de import in Rusland van bepaalde producten uit de Unie, waaronder groenten en fruit.

(2)

Om te voorkomen dat de daaruit voortvloeiende verstoring van de groente- en fruitmarkt, waar grote hoeveelheden bederfelijke producten omgaan, uitgroeit tot een ernstiger of langdurige marktverstoring, is Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 932/2014 van de Commissie (2) vastgesteld. Die verordening voorzag in maximale steunbedragen voor het uit de markt nemen, niet oogsten en groen oogsten. Het bij die verordening ingestelde mechanisme is vervolgens aangevuld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 van de Commissie (3), op grond waarvan voor bepaalde hoeveelheden producten aanvullende, gerichte steun wordt toegekend, berekend op basis van de traditionele uitvoer naar Rusland.

(3)

De markt dreigt als gevolg van het Russische invoerverbod nog steeds ernstig te worden verstoord vanwege aanzienlijke prijsdalingen die terug te voeren zijn op het plotse wegvallen van een belangrijke exportmarkt. De normale, in Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde maatregelen volstaan kennelijk nog steeds niet om deze marktsituatie op te vangen. Daarom moet de toepassing van het mechanisme om overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 steun voor bepaalde hoeveelheden producten te verlenen, worden verlengd.

(4)

Rekening houdend met de hoeveelheden die naar raming onder het verbod vallen, moet de verlening van de financiële bijstand van de Unie worden verlengd in overeenstemming met de betrokken hoeveelheden producten. Die hoeveelheden moeten voor elke lidstaat worden berekend op basis van de gemiddelde hoeveelheden van de betrokken producten die in de voorbije drie jaar door die lidstaat naar Rusland zijn uitgevoerd gedurende de volgende maanden: april en mei voor fruit en januari tot en met mei voor groenten. Voorts moeten aan de lijst van producten die voor steun op grond van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 in aanmerking komen, citroenen van GN-code 0805 50 10 worden toegevoegd wegens de seizoensgebonden uitvoer.

(5)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Om een onmiddellijk effect op de markt te hebben en bij te dragen aan de stabilisering van de prijzen, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 2 wordt het volgende punt r) toegevoegd:

„r)

citroenen van GN-code 0805 50 10.”

;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De in lid 1 bedoelde steun wordt verleend voor activiteiten die worden verricht in een als volgt onderverdeelde periode:

a)

een periode van 30 september 2014 tot en met de datum waarop de in artikel 2, lid 1, bedoelde hoeveelheden in elke betrokken lidstaat zijn opgebruikt, of, als dat eerder is, tot en met 31 december 2014;

b)

een periode van 1 januari 2015 tot en met de datum waarop de in artikel 2, lid 1, bedoelde hoeveelheden in elke betrokken lidstaat zijn opgebruikt, of, als dat eerder is, tot en met 30 juni 2015.”

.

2)

Artikel 2, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De in artikel 1, lid 1, bedoelde steun wordt de lidstaten ter beschikking gesteld voor de volgende hoeveelheden producten:

a)

voor de in artikel 1, lid 3, onder a), bedoelde periode, de in bijlage I vastgestelde hoeveelheden;

b)

voor de in artikel 1, lid 3, onder b), bedoelde periode, de in bijlage I bis vastgestelde hoeveelheden.

Voor de in artikel 1, lid 3, onder a), bedoelde periode wordt deze steun tevens in alle lidstaten beschikbaar gesteld voor het uit de markt nemen, groen oogsten of niet oogsten van één of meer in artikel 1, lid 2, bedoelde, door de lidstaat vastgestelde producten, voor zover de betrokken aanvullende hoeveelheid niet meer dan 3 000 ton per lidstaat bedraagt.”

.

3)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1 en 2 worden vervangen door:

„1.   Producentenorganisaties vragen de betaling van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde financiële bijstand van de Unie aan uiterlijk op 31 januari 2015 voor de verrichtingen die zijn uitgevoerd in de in artikel 1, lid 3, onder a), bedoelde periode, en uiterlijk op 31 juli 2015 voor de verrichtingen die zijn uitgevoerd in de in artikel 1, lid 3, onder b), bedoelde periode.

2.   Producentenorganisaties vragen overeenkomstig de procedure van artikel 72 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 de betaling van de in de artikelen 4 en 6 van de onderhavige verordening bedoelde totale financiële bijstand van de Unie aan uiterlijk op 31 januari 2015 voor de verrichtingen die zijn uitgevoerd in de in artikel 1, lid 3, onder a), van de onderhavige verordening bedoelde periode, en uiterlijk op 31 juli 2015 voor de verrichtingen die zijn uitgevoerd in de in artikel 1, lid 3, onder b), van de onderhavige verordening bedoelde periode.”

;

b)

in lid 3 worden de woorden „uiterlijk op de in lid 1 genoemde datum” vervangen door „uiterlijk op de in lid 1 genoemde data”.

4)

In artikel 10, lid 1, wordt het inleidende deel van de eerste alinea vervangen door:

„De lidstaten stellen de Commissie voor elk product in kennis van de volgende informatie, meer bepaald uiterlijk op 30 september 2014, 15 oktober 2014, 31 oktober 2014, 15 november 2014, 30 november 2014, 15 december 2014, 31 december 2014, 15 januari 2015, 31 januari 2015 en 15 februari 2015, met betrekking tot de in artikel 1, lid 3, onder a), bedoelde periode, en tot en met 30 september 2015, uiterlijk op de 15e en de laatste dag van elke maand, met betrekking tot de in artikel 1, lid 3, onder b), bedoelde periode:”

.

5)

Artikel 11 wordt vervangen door:

„Artikel 11

Betaling van de financiële bijstand van de Unie

De uitgaven van de lidstaten voor de betalingen in het kader van deze verordening komen slechts voor financiële bijstand van de Unie in aanmerking indien deze uiterlijk op de volgende data zijn betaald:

a)

30 juni 2015 voor verrichtingen die zijn uitgevoerd in de in artikel 1, lid 3, onder a), bedoelde periode;

b)

30 september 2015 voor verrichtingen die zijn uitgevoerd in de in artikel 1, lid 3, onder b), bedoelde periode.”

.

6)

De titel van bijlage I wordt vervangen door:

„Per lidstaat toegewezen maximumhoeveelheden producten als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a)”

.

7)

Bijlage I bis wordt toegevoegd, waarvan de tekst is opgenomen in bijlage I bij de onderhavige verordening.

8)

De bijlagen III en IV worden vervangen door de tekst die is opgenomen in bijlage II bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 932/2014 van de Commissie van 29 augustus 2014 tot vaststelling van tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten van bepaalde soorten groenten en fruit en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 913/2014 (PB L 259 van 30.8.2014, blz. 2).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1031/2014 van de Commissie van 29 september 2014 tot vaststelling van verdere tijdelijke buitengewone maatregelen ter ondersteuning van producenten van bepaalde groenten en fruit (PB L 284 van 30.9.2014, blz. 22).


BIJLAGE I

„BIJLAGE I bis

Per lidstaat toegewezen maximumhoeveelheden producten als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b)

(ton)

Appelen en peren

Pruimen, tafeldruiven en kiwi's

Tomaten, wortelen, niet-scherpsmakende pepers, komkommers en augurken

Sinaasappelen, clementines, mandarijnen en citroenen

België

21 200

0

13 200

0

Duitsland

3 450

0

0

0

Griekenland

200

3 100

2 000

0

Spanje

300

0

26 650

15 775

Frankrijk

3 800

0

1 450

0

Italië

8 400

3 800

0

0

Cyprus

0

0

0

1 750

Litouwen

0

0

6 000

0

Nederland

9 700

0

24 650

0

Oostenrijk

500

0

0

0

Polen

155 700

0

18 650

0

Portugal

350

0

0

0”


BIJLAGE II

BIJLAGE III

Modellen voor kennisgevingen als bedoeld in artikel 10

KENNISGEVING VAN MARKTONTTREKKINGEN — GRATIS VERSTREKKING

Lidstaat:

Betrokken periode:

Datum:


Product

Producentenorganisaties

Niet-aangesloten producenten

Totale hoeveelheid (ton)

Totale financiële bijstand van de Unie (EUR)

Hoeveelheid (ton)

Financiële bijstand van de Unie (EUR)

Hoeveelheid (ton)

Financiële bijstand van de Unie (EUR)

uit de markt nemen

vervoer

sorteren en verpakken

TOTAAL

uit de markt nemen

vervoer

sorteren en verpakken

TOTAAL

(a)

(b)

(c)

(d)

(e) = (b) + (c) + (d)

(f)

(g)

(h)

(i)

(j) = (g) + (h) + (i)

(k) = (a) + (f)

(l) = (e) + (j)

Appelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Peren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal appelen en peren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tomaten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wortelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet-scherpsmakende pepers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Komkommers en augurken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal groenten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pruimen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Druiven voor tafelgebruik

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kiwi's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal ander fruit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sinaasappelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Clementines

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mandarijnen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Citroenen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal citrusvruchten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kool

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloemkool en broccoli

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Paddenstoelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zacht fruit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal andere

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

Per kennisgeving wordt één afzonderlijk Excelformulier ingevuld.

KENNISGEVING VAN MARKTONTTREKKINGEN — OVERIGE BESTEMMINGEN

Lidstaat:

Betrokken periode:

Datum:


Product

Producentenorganisaties

Niet-aangesloten producenten

Totale hoeveelheid (ton)

Totale financiële bijstand van de Unie (EUR)

Hoeveelheid

(ton)

Financiële bijstand van de Unie

(EUR)

Hoeveelheid

(ton)

Financiële bijstand van de Unie

(EUR)

(a)

(b)

(c)

(d)

(e) = (a) + (c)

(f) = (b) + (d)

Appelen

 

 

 

 

 

 

Peren

 

 

 

 

 

 

Totaal appelen en peren

 

 

 

 

 

 

Tomaten

 

 

 

 

 

 

Wortelen

 

 

 

 

 

 

Niet-scherpsmakende pepers

 

 

 

 

 

 

Komkommers en augurken

 

 

 

 

 

 

Totaal groenten

 

 

 

 

 

 

Pruimen

 

 

 

 

 

 

Druiven voor tafelgebruik

 

 

 

 

 

 

Kiwi's

 

 

 

 

 

 

Totaal ander fruit

 

 

 

 

 

 

Sinaasappelen

 

 

 

 

 

 

Clementines

 

 

 

 

 

 

Mandarijnen

 

 

 

 

 

 

Citroenen

 

 

 

 

 

 

Totaal citrusvruchten

 

 

 

 

 

 

Kool

 

 

 

 

 

 

Bloemkool en broccoli

 

 

 

 

 

 

Paddenstoelen

 

 

 

 

 

 

Zacht fruit

 

 

 

 

 

 

Totaal andere

 

 

 

 

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

*

Per kennisgeving wordt één afzonderlijk Excelformulier ingevuld.

KENNISGEVING VAN NIET OOGSTEN EN GROEN OOGSTEN

Lidstaat:

Betrokken periode:

Datum:


Product

Producentenorganisaties

Niet-aangesloten producenten

Totale hoeveelheid

(ton)

Totale financiële bijstand van de Unie (EUR)

Oppervlakte

(ha)

Hoeveelheid

(ton)

Financiële bijstand van de Unie

(EUR)

Oppervlakte

(ha)

Hoeveelheid

(ton)

Financiële bijstand van de Unie

(EUR)

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)

(g) = (b) + (e)

(h) = (c) + (f)

Appelen

 

 

 

 

 

 

 

 

Peren

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal appelen en peren

 

 

 

 

 

 

 

 

Tomaten

 

 

 

 

 

 

 

 

Wortelen

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet-scherpsmakende pepers

 

 

 

 

 

 

 

 

Komkommers en augurken

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal groenten

 

 

 

 

 

 

 

 

Pruimen

 

 

 

 

 

 

 

 

Druiven voor tafelgebruik

 

 

 

 

 

 

 

 

Kiwi's

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal ander fruit

 

 

 

 

 

 

 

 

Sinaasappelen

 

 

 

 

 

 

 

 

Clementines

 

 

 

 

 

 

 

 

Mandarijnen

 

 

 

 

 

 

 

 

Citroenen

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal citrusvruchten

 

 

 

 

 

 

 

 

Kool

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloemkool en broccoli

 

 

 

 

 

 

 

 

Paddenstoelen

 

 

 

 

 

 

 

 

Zacht fruit

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal andere

 

 

 

 

 

 

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

 

 

*

Per kennisgeving wordt één afzonderlijk Excelformulier ingevuld.

BIJLAGE IV

MET DE EERSTE KENNISGEVING MEE TE STUREN TABELLEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 10, LID 1

MARKTONTTREKKINGEN — OVERIGE BESTEMMINGEN

Door de lidstaten overeenkomstig artikel 79, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 en de artikelen 4 en 5 van de onderhavige verordening vastgestelde maximale steunbedragen

Lidstaat:

Datum:


Product

Bijdrage van de producentenorganisatie

(EUR/100 kg)

Financiële bijstand van de Unie

(EUR/100 kg)

Appelen

 

 

Peren

 

 

Tomaten

 

 

Wortelen

 

 

Kool

 

 

Niet-scherpsmakende pepers

 

 

Bloemkool en broccoli

 

 

Komkommers en augurken

 

 

Paddenstoelen

 

 

Pruimen

 

 

Zacht fruit

 

 

Druiven voor tafelgebruik

 

 

Kiwi's

 

 

Sinaasappelen

 

 

Clementines

 

 

Mandarijnen

 

 

Citroenen

 

 

NIET OOGSTEN EN GROEN OOGSTEN

Door de lidstaten overeenkomstig artikel 85, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 en artikel 6 van de onderhavige verordening vastgestelde maximale steunbedragen

Lidstaat:

Betrokken periode:

Datum:


Product

Vollegrondteelt

Kasteelt

Bijdrage van de producentenorganisatie

(EUR/ha)

Financiële bijstand van de Unie

(EUR/ha)

Bijdrage van de producentenorganisatie

(EUR/ha)

Financiële bijstand van de Unie

(EUR/ha)

Appelen

 

 

 

 

Peren

 

 

 

 

Tomaten

 

 

 

 

Wortelen

 

 

 

 

Kool

 

 

 

 

Niet-scherpsmakende pepers

 

 

 

 

Bloemkool en broccoli

 

 

 

 

Komkommers en augurken

 

 

 

 

Paddenstoelen

 

 

 

 

Pruimen

 

 

 

 

Zacht fruit

 

 

 

 

Druiven voor tafelgebruik

 

 

 

 

Kiwi's

 

 

 

 

Sinaasappelen

 

 

 

 

Clementines

 

 

 

 

Mandarijnen

 

 

 

 

Citroenen

 

 

 

 


20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/32


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1372/2014 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

65,6

EG

176,9

IL

88,5

MA

85,1

TN

241,9

TR

106,4

ZZ

127,4

0707 00 05

IL

241,9

TR

149,1

ZZ

195,5

0709 93 10

MA

83,0

TR

137,8

ZZ

110,4

0805 10 20

AR

35,3

MA

68,6

TR

59,8

UY

32,5

ZA

50,5

ZW

33,9

ZZ

46,8

0805 20 10

MA

68,5

ZZ

68,5

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

97,8

MA

75,3

TR

79,5

ZZ

84,2

0805 50 10

TR

65,2

US

236,5

ZZ

150,9

0808 10 80

BR

59,1

CL

80,1

NZ

90,6

US

97,4

ZA

54,1

ZZ

76,3

0808 30 90

CN

90,3

US

141,4

ZZ

115,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/34


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1373/2014 VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2014

tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de aanvragen om rechten tot invoer betrekking hebben die van 1 tot en met 7 december 2014 zijn ingediend in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 413/2014 geopende tariefcontingenten voor vlees van pluimvee van oorsprong uit Oekraïne

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 413/2014 van de Commissie (2) zijn jaarlijkse tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector vlees van pluimvee van oorsprong uit Oekraïne.

(2)

De hoeveelheden waarop de aanvragen om rechten tot invoer betrekking hebben die van 1 tot en met 7 december 2014 voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2015 zijn ingediend, zijn voor het volgnummer 09.4273 groter dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg moet worden bepaald in hoeverre rechten tot invoer kunnen worden toegekend, door de op de gevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt vast te stellen, berekend overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (3), in combinatie met artikel 7, lid 2, van die verordening.

(3)

Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de hoeveelheden waarop de aanvragen om rechten tot invoer betrekking hebben die op grond van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 413/2014 voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2015 zijn ingediend, wordt de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënt toegepast.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 december 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 413/2014 van de Commissie van 23 april 2014 betreffende de opening en de wijze van beheer van tariefcontingenten van de Unie voor de invoer van pluimveevlees van oorsprong uit Oekraïne (PB L 121 van 24.4.2014, blz. 37).

(3)  Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).


BIJLAGE

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt — voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2015 ingediende aanvragen

(in %)

09.4273

3,3555

09.4274


20.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 366/36


VERORDENING (EU) Nr. 1374/2014 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 28 november 2014

betreffende statistische rapportagevereisten voor verzekeringsinstellingen

(ECB/2014/50)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Gezien het advies van de Europese Commissie (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2533/98 stelt in artikel 2, lid 1, dat, ter vervulling van haar vereisten met betrekking tot het rapporteren van statistische gegevens, de Europese Centrale Bank (ECB), bijgestaan door de nationale centrale banken (NCB's), bevoegd is tot het verzamelen van statistische gegevens binnen de grenzen van de referentiepopulatie van informatieplichtigen en van hetgeen nodig is om de taken van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren. Uit artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 2533/98 volgt dat verzekeringsinstellingen onderdeel uitmaken van de referentiepopulatie van informatieplichtigen ter vervulling van de rapportagevereisten van de ECB inzake, onder andere, monetaire en financiële statistieken. Daarnaast stelt artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2533/98 dat de ECB in terdege gemotiveerde gevallen het recht heeft statistische gegevens op geconsolideerde basis te verzamelen. Op basis van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt de ECB uit de referentiepopulatie van informatieplichtigen de feitelijke populatie van informatieplichtigen en verschaft deze de bevoegdheid om bepaalde categorieën informatieplichtigen volledig of gedeeltelijk te ontheffen van haar rapportagevereisten.

(2)

Het doel van oplegging van statistische rapportagevereisten aan verzekeringsinstellingen is het verschaffen van voldoende statistieken aan de ECB met betrekking tot de financiële activiteiten van de subsector verzekeringsinstellingen in de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de „eurogebiedlidstaten”), die als één economisch gebied worden gezien. De verzameling van statistische gegevens met betrekking tot verzekeringsinstellingen is noodzakelijk om te voldoen aan reguliere en ad-hocanalysebehoeftes ter ondersteuning van de ECB bij de uitoefening van monetaire en financiële analyse, en ten behoeve van de bijdrage van het ESCB aan de stabiliteit van het financiële stelsel.

(3)

NCB's dienen bevoegd te zijn gegevens over verzekeringsinstellingen te verzamelen van de werkelijke populatie van informatieplichtigen als onderdeel van een breder statistisch rapportagekader, mits de naleving van de statistische vereisten van de ECB niet in gevaar wordt gebracht. In dergelijke gevallen is het passend transparantie te verzekeren door de informatieplichtigen op de hoogte te brengen van de verscheidene statistische doeleinden waarvoor de gegevens worden verzameld.

(4)

Teneinde de rapportagelast van de verzekeringsinstellingen te minimaliseren, dienen NCB's bevoegd te zijn hun rapportagevereisten uit hoofde van deze verordening te combineren met hun rapportagevereisten op grond van Verordening (EU) nr. 1011/2012 van de Europese Centrale Bank (ECB/2012/24) (3).

(5)

Er bestaat een nauwe band tussen de gegevens die door NCB's worden verzameld voor statistische doeleinden uit hoofde van deze verordening en de door de nationale bevoegde autoriteiten (NBA's) verzamelde gegevens voor toezichtdoeleinden op basis van het kader dat is ingesteld door Richtlijn 2009/138/EG van het Europees parlement en de Raad (4). In het licht van het algemene mandaat van de ECB op basis van artikel 5.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de de „ESCB-statuten”) tot het aangaan van samenwerking met andere entiteiten op het gebied van statistiek en teneinde de administratieve last te verminderen en het dupliceren van taken te vermijden, mogen NCB's de gegevens die in overeenstemming met deze verordening gerapporteerd moeten worden afleiden uit gegevens die worden verzameld op basis van Richtlijn 2009/138/EG, met inbegrip van nationale wetten waarbij deze Richtlijn wordt geïmplementeerd, en met inachtneming van de voorwaarden van enige samenwerkingsafspraak tussen de betrokken NCB en NBA. Artikel 70 van Richtlijn 2009/138/EG stelt dat NBA's voor de uitoefening van hun taak dienstige informatie op basis van deze Richtlijn mogen doen toekomen aan NCB's en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit.

(6)

Het Europese systeem van rekeningen zoals opgezet door Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) (hierna het „ESR 2010”) vereist dat de activa en passiva van institutionele eenheden worden gerapporteerd in het land van vestiging. Teneinde de rapportagelast te minimaliseren, geldt dat, indien NCB's de op basis van deze Verordening te rapporteren gegevens ontlenen aan gegevens die zijn verzameld op basis van Richtlijn 2009/138/EG, de activa en passiva van bijkantoren van verzekeringsinstellingen waarvan de hoofdkantoren zijn gevestigd in de Europese Economische Ruimte (EER), geaggregeerd mogen worden met die van de hoofdkantoren. Er dient beperkt informatie verzameld te worden met betrekking tot bijkantoren van verzekeringsinstellingen met als doel het controleren van hun omvang en enige afwijking van het ESR 2010.

(7)

De normen voor bescherming en gebruik van vertrouwelijke statistische informatie zoals vastgelegd in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2533/98 dienen van toepassing te zijn op de verzameling van statistische informatie op basis van deze verordening.

(8)

Hoewel wordt erkend dat op basis van artikel 34.1 van de ESCB-statuten vastgestelde verordeningen geen rechten doen toekomen of verplichtingen opleggen aan lidstaten die de euro niet als munt hebben (hierna: „niet-eurogebiedlidstaten”), is artikel 5 van de ESCB-statuten van toepassing op zowel eurogebiedlidstaten als niet-eurogebiedlidstaten. Overweging 17 van Verordening (EG) nr. 2533/98 stelt dat artikel 5 van de ESCB-statuten samen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, een verplichting inhoudt om op nationaal niveau alle maatregelen te ontwerpen en toe te passen die niet-eurogebiedlidstaten dienstig achten voor de verzameling van de, voor de naleving van de door de ECB opgelegde rapportagevereisten benodigde, statistische gegevens en voor het tijdig treffen van voorbereidingen op het gebied van de statistiek, zodat zij eurogebiedlidstaten kunnen worden.

(9)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 stelt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit ECB-verordeningen of -besluiten met betrekking tot het rapporteren van statistische gegevens.

(10)

Uiterlijk voor het jaar 2020 beoordeelt de Raad van bestuur de voordelen en kosten van: a) een toename van de dekking van kwartaalrapportage van 80 % tot 95 % van het totale marktaandeel van verzekeringsinstellingen in iedere eurogebiedlidstaat, b) de afzonderlijke rapportage van activa en passiva van de bijkantoren van verzekeringsinstellingen, waarbij de bijkantoren zijn gevestigd in eurogebiedlidstaten en de moederentiteiten van dergelijke bijkantoren zijn gevestigd in de EER, en c) een verdere tijdsreductie voor de verzending van gegevens door informatieplichtigen tot vier weken na het einde van het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „verzekeringsinstelling” (subsector 128 van het ESR 2010): een financiële instelling of quasivennootschap met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van risico's, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering.

De volgende instellingen worden geacht onder de definitie te vallen:

a)

een financiële instelling of quasivennootschap die levensverzekeringsdiensten levert, waarbij polishouders regelmatig of eenmalig betalingen verrichten aan de verzekeraar, in ruil waarvoor de verzekeraar garandeert de polishouders op een vastgestelde datum of eerder een overeengekomen bedrag of een lijfrente uit te keren;

b)

een financiële instelling of quasivennootschap die schadeverzekeringsdiensten levert ter dekking van risico's van, bijvoorbeeld, ongevallen, ziekte, brand of kredietverzuim;

c)

een financiële instelling of quasivennootschap die herverzekeringsdiensten levert, waarbij een verzekering wordt genomen door een verzekeraar om zichzelf te beschermen tegen een onverwacht groot aantal schaden of buitengewoon hoge schaden.

De volgende instellingen worden geacht niet onder de definitie te vallen:

a)

beleggingsfondsen zoals gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1073/2013 van de Europese Centrale Bank (ECB/2013/38) (6);

b)

lege financiële instellingen die securitisatietransacties uitvoeren zoals gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1075/2013 van de Europese Centrale Bank (ECB/2013/40) (7);

c)

monetaire financiële instellingen zoals gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank (ECB/2013/33) (8);

d)

pensioenfondsen zoals gedefinieerd in punt 2.105 van het ESR 2010;

2.   „bijkantoor”: agentschap of bijkantoor zonder rechtspersoonlijkheid, niet-zijnde het hoofdkantoor, van een verzekerings- of herverzekeringsinstelling;

3.   „dochteronderneming”: een rechtspersoonlijkheid bezittende entiteit waarin een andere entiteit een meerderheidsbelang heeft of een belang van 100 % heeft;

4.   „informatieplichtigen”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98;

5.   „ingezeten(e)”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98. Voor de toepassing van deze verordening geldt dat, indien een juridische identiteit geen fysieke dimensie heeft, de vestigingsplaats ervan wordt bepaald door het economisch gebied krachtens welk recht de entiteit rechtspersoonlijkheid heeft. Als de entiteit geen rechtspersoonlijkheid heeft, wordt de als criteriyum de statutaire vestigingsplaats gebruikt, d.w.z. het land wiens rechtssysteem het ontstaan en het verder bestaan van de entiteit beheerst;

6.   „betreffende NCB”: de NCB van de eurogebiedlidstaat waar de verzekeringsinstelling ingezeten is;

7.   „betreffende NBA”: de NBA van de eurogebiedlidstaat waar de verzekeringsinstelling ingezeten is;

8.   „gegevens van afzonderlijke effecten”: gegevens die zijn uitgesplitst in afzonderlijke effecten;

9.   „paarsgewijze gegevens”: gegevens die zijn uitgesplitst in afzonderlijke activa of passiva;

10.   „geaggregeerde gegevens”: gegevens die niet zijn uitgesplitst in afzonderlijke activa of passiva;

11.   „financiële transacties”: transacties die voortvloeien uit de vorming, afwikkeling of verandering van eigenaar van financiële activa of passiva, zoals nader beschreven in deel 5 van bijlage II;

12.   „prijs- en wisselkoersherwaarderingen”: wijzigingen in de waardering van activa en passiva die voortvloeien uit veranderingen in de prijs van activa en passiva en/of de invloed van wisselkoersen op de waardes, uitgedrukt in euro, van activa en passiva die in een buitenlandse valuta luiden, zoals nader beschreven in deel 5 van bijlage II.

Artikel 2

Werkelijke populatie van informatieplichtigen

1.   Indien NCB's gegevens verzamelen op basis van het ESR 2010, dat vereist dat de activa en passiva van institutionele eenheden worden gerapporteerd in het land waar zij ingezeten zijn, bestaat de werkelijke populatie van informatieplichtigen uit de verzekeringsinstellingen die ingezeten zijn in het gebied van de betreffende eurogebiedlidstaat.

2.   Indien NCB's de op basis van deze verordening te rapporteren gegevens afleiden van gegevens die zijn verzameld op basis van de bepalingen van Richtlijn 2009/138/EG of nationaal recht waarbij die Richtlijn wordt geïmplementeerd, bestaat de werkelijke populatie van informatieplichtigen uit:

a)

verzekeringsinstellingen met rechtspersoonlijkheid krachtens het recht van, en die zijn ingezeten in, het gebied van de betreffende eurogebiedlidstaat, daaronder begrepen dochterondernemingen waarvan de moederentiteiten zijn gevestigd buiten dat gebied;

b)

bijkantoren van verzekeringsinstellingen zoals gespecificeerd onder punt (a) die zijn ingezeten buiten het gebied van de betreffende eurogebiedlidstaat, en

c)

bijkantoren van verzekeringsinstellingen die zijn ingezeten in het gebied van de betreffende eurogebiedlidstaat, maar waarvan het hoofdkantoor is gevestigd buiten de EER.

Bijkantoren van verzekeringsinstellingen die zijn ingezeten in het gebied van een eurogebiedlidstaat en waarvan het hoofdkantoor is gevestigd binnen de EER, maken geen deel uit van de werkelijke populatie van informatieplichtigen.

3.   De verzekeringsinstellingen binnen de werkelijke populatie van informatieplichtigen zijn onderworpen aan volledige statistische rapportagevereisten, tenzij een vrijstelling op basis van artikel 7 van toepassing is.

Artikel 3

Lijst van verzekeringsinstellingen voor statistische doeleinden

1.   De Raad van bestuur van de ECB stelt voor statistische doeleinden een lijst van verzekeringsinstellingen op die de werkelijke populatie van informatieplichtigen op basis van deze verordening vormen, en onderhoudt deze lijst. De lijst kan gebaseerd zijn op de lijsten van verzekeringsinstellingen die thans worden opgesteld door nationale autoriteiten, indien dergelijke lijsten beschikbaar zijn, en kan aangevuld worden door andere lijsten van verzekeringsinstellingen die vallen onder de definitie van „verzekeringsinstelling” in artikel 1.

2.   De betreffende NCB kan een in artikel 2, lid 2, onder a), aangegeven informatieplichtige verzoeken de benodigde informatie te verschaffen met betrekking tot haar bijkantoren, indien dergelijke informatie noodzakelijk is voor de lijst.

3.   De NCB's en de ECB maken de lijst en alle updates daarvan beschikbaar in een geschikte vorm, inclusief door middel van elektronische middelen, via het internet of, op verzoek van de betreffende informatieplichtigen, in papiervorm.

4.   Indien de meest recente elektronische versie van de in dit artikel genoemde lijst incorrect is, legt de ECB geen sancties op aan een informatieplichtige die niet behoorlijk heeft voldaan aan zijn rapportagevereisten voor zover deze te goeder trouw op de incorrecte lijst vertrouwde.

Artikel 4

Statistische rapportagevereisten

1.   De informatieplichtigen verschaffen aan de betreffende NCB, ofwel rechtstreeks ofwel via de betreffende NBA, op basis van lokale samenwerkingsafspraken en in overeenstemming met bijlagen I en II:

a)

op kwartaalbasis: standengegevens per kwartaalultimo met betrekking tot de activa en passiva van verzekeringsinstellingen en, in overeenstemming met artikel 5, herwaarderingsaanpassingen of financiële transacties per kwartaal, waar van toepassing;

b)

op kwartaalbasis: standengegevens per kwartaalultimo met betrekking tot technische voorzieningen schadeverzekering, uitgesplitst naar zakelijke sector;

c)

op jaarbasis: standengegevens per jaarultimo met betrekking tot technische voorzieningen schadeverzekering, uitgesplitst naar zakelijke sector en geografisch gebied.

2.   In aanvulling op de vereisten van lid 1, verschaffen informatieplichtigen die verzekeringsinstellingen zijn met rechtspersoonlijkheid krachtens het recht van, en die zijn ingezeten in, het gebied van een eurogebiedlidstaat, gegevens met betrekking tot geboekte premies, ontstane schaden en uitbetaalde provisies aan de betreffende NCB, ofwel rechtstreeks of via de betreffende NBA op basis van lokale samenwerkingsafspraken. Deze gegevens worden verstrekt op jaarbasis in overeenstemming met bijlagen I en II.

3.   NCB's kunnen de gegevens die op basis van deze verordening gerapporteerd moeten worden verkrijgen uit de volgende gegevens die zijn verzameld op basis van het door Richtlijn 2009/138/EG ingestelde kader:

a)

gegevens die zijn opgenomen in kwantitatieve rapportageformats voor toezichtrapportage die door NBA's zijn verzonden aan de NCB's, ongeacht of de NCB en de NBA apart zijn gevestigd of zijn geïntegreerd binnen dezelfde instelling, in overeenstemming met de voorwaarden voor lokale samenwerkingsafspraken tussen twee entiteiten, of

b)

gegevens die zijn opgenomen in kwantitatieve rapportageformats voor toezichtrapportage, die rechtstreeks tegelijkertijd door informatieplichtigen worden doorgestuurd aan een NCB en NCA.

Indien een kwantitatief rapportageformat voor toezichtrapportage gegevens bevat die nodig zijn voor de naleving van de statistische rapportagevereisten van deze verordening, hebben NCB's toegang tot het gehele template en elk daarmee samenhangende template zoals vereist voor gegevenskwaliteitsdoeleinden.

Lidstaten mogen samenwerkingsafspraken maken voor de gecentraliseerde verzameling door de betreffende NBA van gegevens die zowel zijn bestemd voor de gegevensverzamelingsvereisten op basis van het door Richtlijn 2009/138/EG ingestelde kader, alsook voor de aanvullende gegevensverzamelingsvereisten zoals vastgesteld in deze verordening, in overeenstemming met nationaal recht en de geharmoniseerde referentievoorwaarden die vastgesteld kunnen worden door de ECB.

4.   NCB's informeren de informatieplichtigen omtrent de verscheidene doeleinden waarvoor hun gegevens worden verzameld.

Artikel 5

Herwaarderingsaanpassingen en financiële transacties

Gegevens met betrekking tot herwaarderingsaanpassingen en financiële transacties, zoals nader aangeduid in bijlage I en omschreven in bijlage II, worden als volgt verkregen:

a)

informatieplichtigen rapporteren geaggregeerde gegevens met betrekking tot herwaarderingsaanpassingen en/of financiële transacties, zulks afhankelijk van de instructies van de betreffende NCB;

b)

NCB's ontlenen benaderingen van de waarde van effectentransacties aan gegevens van afzonderlijke effecten, of verzamelen rechtstreeks gegevens met betrekking tot dergelijke transacties bij informatieplichtigen op basis van gegevens van afzonderlijke effecten. NCB's kunnen een soortgelijke benadering volgen met betrekking tot activa anders dan effecten bij de paarsgewijze gegevensverzameling;

c)

benaderingen van de waarde van financiële transacties met betrekking tot verzekeringstechnische voorzieningen die worden aangehouden door verzekeringsinstellingen worden afgeleid:

i)

door informatieplichtigen in overeenstemming met de aanwijzingen van de betreffende NCB die zijn gebaseerd op gemeenschappelijke „best practice” methoden zoals deze vastgesteld kunnen worden op eurogebiedniveau, of

ii)

door de betreffende NCB op basis van door verzekeringsinstellingen verschafte gegevens.

Artikel 6

Registratieregels

1.   Tenzij anders bepaald in deze verordening, zijn de registratieregels die door verzekeringsinstellingen worden gevolgd ten behoeve van rapportage op basis van deze verordening, de regels zoals neergelegd in het betreffende nationale recht waarbij Richtlijn 2009/138/EG wordt geïmplementeerd of in enige andere nationale of internationale standaarden die op basis van door NCB's gegeven instructies gevolgd dienen te worden door verzekeringsinstellingen.

2.   In aanvulling op enige door verzekeringsinstellingen gevolgde registratieregels in overeenstemming met lid 1, worden door verzekeringsinstellingen aangehouden deposito's en leningen die aangeduid zijn als „nominale waarde” in tabel 2.1 en tabel 2.2 van bijlage I gerapporteerd als de uitstaande hoofdsom aan het einde van het kwartaal. Afschrijvingen en afwaarderingen zoals bepaald door relevante boekhoudkundige praktijken worden uitgesloten van dit bedrag.

3.   Onverminderd de heersende boekhoudkundige praktijken en verrekeningsovereenkomsten in de eurogebiedlidstaten, moeten alle financiële activa en passiva voor statistische doeleinden op brutobasis worden gerapporteerd.

Artikel 7

Afwijkingen

1.   Afwijkingen kunnen toegestaan worden aan kleine verzekeringsinstellingen als volgt:

a)

NCB's kunnen afwijkingen toestaan aan de kleinste verzekeringsinstellingen in termen van marktaandeel zoals gedefinieerd in artikel 35, lid 6, van Richtlijn 2009/138/EG, op voorwaarde dat de verzekeringsinstellingen die bijdragen aan het geaggregeerde balanstotaal per kwartaal ten minste 80 % uitmaken van het totale marktaandeel van verzekeringsinstellingen in iedere eurogebiedlidstaat;

b)

een verzekeringsinstelling aan wie een afwijking is toegestaan op basis van a) dient de rapportagevereisten van artikel 4 op jaarbasis na te leven, zodat de verzekeringsinstellingen die bijdragen aan het geaggregeerde balanstotaal per kwartaal ten minste 95 % uitmaken van het totale marktaandeel van verzekeringsinstellingen in iedere eurogebiedlidstaat;

c)

een verzekeringsinstelling die geen gegevens hoeft te rapporteren op basis van a) en b) rapporteert een gereduceerd gegevensbestand zoals vastgesteld door de betreffende NCB;

d)

NCB's controleren jaarlijks of de voorwaarden zoals vastgesteld in a) en b) worden nageleefd en zodanig op tijd dat met ingang van de start van het volgende kalenderjaar een afwijking naar behoefte kan worden toegekend of ingetrokken.

2.   NCB's kunnen afwijkingen toekennen aan verzekeringsinstellingen met betrekking tot de tegen nominale waarde aangehouden chartaal geld en deposito's.

Indien op een hoger aggregatieniveau verzamelde gegevens laten zien dat door ingezeten verzekeringsinstellingen aangehouden chartaal geld en deposito's minder bedragen dan 10 % van de gecombineerde totale nationale verzekeringsinstellingenbalans en minder dan 10 % van het totaal van de in het eurogebied door verzekeringsinstellingen aangehouden chartaal geld en deposito's in termen van standen, kan de betreffende NCB besluiten dat tegen nominale waarde aangehouden chartaal geld en deposito's niet gerapporteerd hoeven te worden. De betreffende NCB brengt de informatieplichtigen op de hoogte van een dergelijk besluit.

3.   Verzekeringsinstellingen kunnen ervoor kiezen geen gebruik te maken van een afwijking en int plaats daarvan te voldoen aan de volledige, in artikel 4 gespecificeerde statistische rapportagevereisten. Indien een verzekeringsinstelling hiervoor kiest, dient deze voor enig opvolgend gebruik van de afwijking voorafgaande toestemming van de betreffende NCB te verkrijgen.

Artikel 8

Tijdigheid

1.   Met betrekking tot het jaar 2016 sturen informatieplichtigen de vereiste kwartaalgegevens aan de betreffende NCB of de betreffende NBA, dan wel beide, in overeenstemming met de lokale samenwerkingsafspraken uiterlijk acht weken na het einde van het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben. Deze deadline wordt per opvolgend jaar met één week vervroegd en bedraagt vijf weken voor kwartalen eindigend in 2019.

2.   Met betrekking tot het jaar 2016 sturen informatieplichtigen de vereiste jaargegevens aan de betreffende NCB of de betreffende NBA, dan wel beide, in overeenstemming met de lokale samenwerkingsafspraken uiterlijk 20 weken na het einde van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben. Deze deadline wordt per opvolgend jaar met één week vervroegd en bedraagt 14 weken voor 2019.

Artikel 9

Minimumnormen en nationale rapportageafspraken

1.   Informatieplichtigen leven de statistische rapportagevereisten na in overeenstemming met de minimumnormen voor verzending, accuraatheid, naleving van concepten en revisies zoals vastgelegd in bijlage III.

2.   De NCB's definiëren en implementeren de rapportageafspraken die gevolgd dienen te worden door de informatieplichtigen in overeenstemming met nationale vereisten. De NCB's verzekeren dat op basis van deze rapportageafspraken de vereiste statistische gegevens worden verschaft en een accurate controle mogelijk maken van de naleving van de minimumnormen voor verzending, accuraatheid, naleving van concepten en revisies zoals vastgelegd in bijlage III.

Artikel 10

Fusies, splitsingen en reorganisaties

Ingeval van een fusie, splitsing of reorganisatie die de naleving van hun statistische verplichtingen kan beïnvloeden, brengen de betreffende informatieplichtigen, zodra de intentie tot het implementeren van deze operatie is gepubliceerd en voor inwerkingtreding hiervan, de betreffende NCB hetzij rechtstreeks, hetzij via de betreffende NBA in overeenstemming met lokale samenwerkingsafspraken op de hoogte van de geplande procedures ter naleving van de in deze verordening bepaalde statistische rapportagevereisten.

Artikel 11

Verificatie en gedwongen verzameling

De NCB's oefenen het recht uit tot verificatie of gedwongen verzameling van de gegevens die de informatieplichtigen op basis van deze verordening dienen te verschaffen, onverminderd het recht van de ECB om dergelijke gegevens zelf te verifiëren of gedwongen te verzamelen. Meer in het bijzonder oefenen NCB's dit recht uit indien een informatieplichtige de minimumnormen voor verzending, accuraatheid, naleving van concepten en revisies zoals vastgelegd in bijlage III niet naleeft.

Artikel 12

Eerste rapportage

1.   De eerste rapportage vangt aan met kwartaalgegevens voor het eerste kwartaal van 2016 en met jaargegevens voor 2016.

2.   De in artikel 7, lid 1, onder b), genoemde verzekeringsinstellingen rapporteren jaargegevens vanaf het referentiejaar 2016. Daarnaast, teneinde statistieken samen te stellen met betrekking tot de subsector verzekeringsinstellingen vanaf aanvang 2016, dienen deze verzekeringsinstellingen een compleet gegevensbestand te rapporteren in overeenstemming met artikel 4, lid 1, onder a), met betrekking tot het eerste kwartaal van 2016.

Artikel 13

Slotbepaling

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat op basis van de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 28 november 2014.

Voor de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)  PB C 427 van 28.11.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EU) nr. 1011/2012 van de Europese Centrale Bank van 17 oktober 2012 betreffende statistieken inzake aangehouden effecten (ECB/2012/24) (PB L 305 van 1.11.2012, blz. 6).

(4)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 1073/2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen (ECB/2013/38) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 73).

(7)  Verordening (EU) nr. 1075/2013 van de Europese Centrale Bank van vrijdag 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva vanwege lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (ECB/2013/40) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 107).

(8)  Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (PB L 297 van 7.11.2013, blz. 1).


BIJLAGE I

STATISTISCHE RAPPORTAGEVEREISTEN

DEEL 1

Algemene statistische rapportagevereisten

1.

De werkelijke populatie van informatieplichtigen dient op kwartaalbasis de volgende statistische gegevens te verschaffen:

a)

gegevens van afzonderlijke effecten voor effecten met ISIN-codes;

b)

gegevens van effecten zonder ISIN-codes, ofwel op basis van gegevens van afzonderlijke effecten, ofwel op geaggregeerde basis, uitgesplitst naar de categorieën instrumenten/looptijd en tegenpartijen;

c)

gegevens van activa en passiva anders dan effecten, ofwel op paarsgewijze basis of geaggregeerde basis, uitgesplitst naar de categorieën instrumenten/looptijd en tegenpartijen;

2.

Geaggregeerde gegevens dienen verschaft te worden op basis van standen en, in overeenstemming met de instructies van de betreffende NCB, op basis van ofwel: a) herwaarderingen als gevolg van prijs- en wisselkoerswijzigingen of b) financiële transacties.

3.

Verzekeringsinstellingen met rechtspersoonlijkheid krachtens het recht van, en die zijn ingezeten in, het gebied van een eurogebiedlidstaat verschaffen tevens op jaarbasis gegevens inzake premies, schaden en provisies, en identificeren transacties die zijn uitgeoefend in het binnenland en via bijkantoren in het buitenland, uitgesplitst per individueel land in het geval van landen van de Europese Economische Ruimte (EER).

4.

De aan de betreffende NCB te verschaffen gegevens op basis van afzonderlijke effecten worden gespecificeerd in tabel 2.1 voor wat betreft effecten met ISIN-codes en in tabel 2.2 voor effecten zonder ISIN-codes. De geaggregeerde statistische rapportagevereisten voor standen per kwartaal worden gespecificeerd in tabel 1a en 1b en die voor herwaarderingen als gevolg van prijs- en wisselkoerswijzigingen of financiële transacties in tabel 3a en 3b. De jaarlijkse rapportagevereisten voor premies, vorderingen en provisies worden gespecificeerd in tabel 4.

DEEL 2

Verzekeringstechnische voorzieningen

1.

Met betrekking tot verzekeringstechnische voorzieningen leiden informatieplichtigen met betrekking tot de hieronder vermelde kwartaalrapportagevereisten, benaderingen af, indien de gegevens niet direct vastgesteld kunnen worden, in overeenstemming met de aanwijzingen van de NCB die zijn gebaseerd op de gemeenschappelijke „best practice” methoden zoals vastgesteld op eurogebiedniveau:

a)

met betrekking tot activa: gegevens inzake het ingezetenschap van de entiteit die herverzekering verschaft aan de informatieplichtige die wordt aangehouden als technische voorzieningen schadeverzekering (herverzekeringsaanspraken);

b)

met betrekking tot passiva, gegevens inzake:

i)

het ingezetenschap van de houders van verzekeringstechnische voorzieningen (afzonderlijk voor levensverzekeringen en schadeverzekeringen) die zijn verschaft door verzekeringsinstellingen die ingezeten zijn in lidstaten die de euro als munt hebben (hierna: de „eurogebiedlidstaten”);

ii)

pensioenrechten die betrekking hebben op bedrijfspensioenregelingen (uitgesplitst naar toegezegde premies, toegezegde uitkeringen en hybride regelingen);

iii)

financiële transacties en/of herwaarderingsaanpassingen voor alle vereiste uitsplitsingen, zoals weergegeven in tabel 3a en 3b.

2.

NCB's kunnen ervoor kiezen de vereiste gegevens af te leiden uit gegevens die naar hun mening verkregen moeten worden van de informatieplichtigen voor de doeleinden van dit Deel.

DEEL 3

Rapportagetabellen

Tabel 1a

Driemaandelijkse standen

 

Totaal

Eurogebied

Rest van de wereld

Binnenland

Eurogebied, met uitzondering van binnenland

Eurogebied, met uitzondering van binnenland

(verslaggeving per land)

Totaal

Niet-deelnemende lidstaten

(verslaggeving per land)

Belangrijkste tegenpartijen buiten de Europese Unie

(verslaggeving per land voor Brazilië, Canada, China, Hongkong, India, Japan, Rusland, Zwitserland, VS)

ACTIVA (F)

1.

Chartaal geld en deposito's (ESR 2010: F.21 + F.22 + F.29) — reële waarde

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

tot en met 1 jaar (resterend tot vervaldatum)

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

langer dan 1 jaar (resterend tot vervaldatum)

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

1x.

Chartaal geld en deposito's w/v girale deposito's (F.22)

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

1.

Chartaal geld en deposito's (ESR 2010: F.21 + F.22 + F.29) — nominale waarde

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

 

 

2.

Schuldbewijzen (ESR 2010: F.3)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

uitgegeven door MFI's

 

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

tot en met 1 jaar (oorspronkelijke looptijd)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

1-2 jaar (oorspronkelijke looptijd)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

langer dan 2 jaar (oorspronkelijke looptijd)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

tot en met 1 jaar (resterend tot vervaldatum)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

1-2 jaar (resterend tot vervaldatum)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

2-5 jaar (resterend tot vervaldatum)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

Langer dan 5 jaar (resterend tot vervaldatum)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

3.

Leningen (ESR 2010: F.4) — reële waarde

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

oorspronkelijke looptijd tot en met 1 jaar — reële waarde

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

aan MFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan O

 

 

 

 

 

 

 

aan beleggingsfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan OFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

aan pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan NFV's

 

 

 

 

 

 

 

aan HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd 1-5 jaar — reële waarde

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

aan MFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan O

 

 

 

 

 

 

 

aan beleggingsfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan OFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

aan pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan NFV's

 

 

 

 

 

 

 

aan HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd langer dan 5 jaar — reële waarde

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

 

 

 

aan MFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan O

 

 

 

 

 

 

 

aan beleggingsfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan OFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

aan pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan NFV's

 

 

 

 

 

 

 

aan HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

tot en met 1 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

1-2 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

2-5 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

langer dan 5 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

3x.

Leningen w/v depositogaranties in verband met herverzekeringsbedrijf — reële waarde

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

 

 

3.

Leningen (ESR 2010: F.4) — nominale waarde

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

oorspronkelijke looptijd tot en met 1 jaar — nominale waarde

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd 1-5 jaar — nominale waarde

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd langer dan 5 jaar — nominale waarde

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

4.

Deelnemingen (ESR 2010: F.51)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

4a

Deelnemingen w/v beursgenoteerde aandelen

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

TOTAAL

 

uitgegeven door MFI's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

4b.

Deelnemingen w/v niet-beursgenoteerde aandelen

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

TOTAAL

 

uitgegeven door MFI's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

4c.

Deelnemingen w/v overige deelnemingen

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

TOTAAL

 

uitgegeven door MFI's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

 

TOTAAL

 

 

 

 

5.

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (ESR 2010: F.52)

TOTAAL

TOTAAL

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

5a

Aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

5b.

Aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

6.

Financiële derivaten (ESR 2010: F.7)

 

 

 

 

 

 

 

7.

Technische voorzieningen schadeverzekering (ESR 2010: F.61)  (1)

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

 

 

8.

Niet-financiële activa

 

 

 

 

 

 

 

9.

Overige activa

 

 

 

 

 

 

 

10.

Totaal activa

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

TOTAAL
Cellen die afgeleid kunnen worden uit meer gedetailleerde uitsplitsingen

Afkortingen in deze tabel: w/v = waarvan, MFI = monetaire financiële instelling, O = overheid, OFI = overige financiële intermediair, PF = pensioenfonds, NFV's = niet-financiële vennootschap, HH = huishouden, IZWBH = instelling zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens,


Tabel 1b

Driemaandelijkse standen  (2)

 

Totaal

Eurogebied

Rest van de wereld

Binnenland

Eurogebied, met uitzondering van binnenland

Eurogebied, met uitzondering van binnenland

(verslaggeving per land)

Totaal

Niet-deelnemende lidstaten

(verslaggeving per land)

Belangrijkste tegenpartijen buiten de Europese Unie

(verslaggeving per land voor Brazilië, Canada, China, Hongkong, India, Japan, Rusland, Zwitserland, VS)

PASSIVA (F)

1.

Uitgegeven schuldbewijzen (ESR 2010: F.3)

 

 

 

 

 

 

 

2.

Leningen (ESR 2010: F.4)

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door monetaire financiële instellingen (MFI's) (3)

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door niet-MFI's (3)

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

2 x.

Leningen w/v depositogaranties in verband met herverzekeringsbedrijf

 

 

 

 

 

 

 

3.

Deelnemingen (ESR 2010: F.51)

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

3a

Deelnemingen w/v beursgenoteerde aandelen

 

 

 

 

 

 

 

3b.

Deelnemingen w/v niet-beursgenoteerde aandelen

 

 

 

 

 

 

 

3c.

Deelnemingen w/v overige deelnemingen

 

 

 

 

 

 

 

4.

Technische voorzieningen verzekering (ESR 2010: F.6)  (4)

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

4.1

Technische voorzieningen levensverzekering

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

 

 

w/v eenheid-gerelateerd

 

 

 

 

 

 

 

w/v niet-eenheid-gerelateerd

 

 

 

 

 

 

 

w/v pensioenrechten

TOTAAL

 

 

 

 

 

 

w/v toegezegdepremieregelingen

 

 

 

 

 

 

 

w/v toegezegde-uitkeringsregelingen

 

 

 

 

 

 

 

w/v hybride regelingen

 

 

 

 

 

 

 

4.2

Technische voorzieningen schadeverzekering

TOTAAL

 

TOTAAL

 

 

 

 

per zakelijke sector

 

 

 

 

 

 

 

Ziektekostenverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Inkomensverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Collectieve ongevallenverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Verzekeringen voor wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Overige motorrijtuigenverzekeringen

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Zee-, luchtvaart- en transportverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Verzekeringen tegen brand en andere schade aan goederen

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Algemene aansprakelijkheidsverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Krediet- en borgtochtverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Rechtsbijstandverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Hulpverlening

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Diverse geldelijke verliezen

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

Herverzekering

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

 

Jaarlijks

Jaarlijks

5

Financiële derivaten (ESR 2010: F.7)

 

 

 

 

 

 

 

6

Overige passiva (ESA 2010: F.8)

 

 

 

 

 

 

 

Afkorting gebruikt in deze tabel: w/v = waarvan.

Tabel 2

Vereiste gegevens van afzonderlijke effecten

Gegevens voor de velden in tabel 2.1 en tabel 2.2 dienen gerapporteerd worden voor ieder effect dat is geclassificeerd onder de categorie instrumenten „schuldbewijzen”, „deelnemingen” en „aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen” (zoals gedefinieerd in tabel A van deel 1 van bijlage II). Tabel 2.1 verwijst naar effecten die een ISIN-code toegewezen hebben gekregen, terwijl tabel 2.2 verwijst naar effecten zonder een ISIN-code.

Tabel 2.1

Aangehouden effecten met een ISIN-code

Voor ieder effect moeten gegevens voor ieder veld gerapporteerd worden in overeenstemming met de volgende regels:

1.

Gegevens voor veld 1 dienen gerapporteerd te worden.

2.

Indien de betreffende NCB niet rechtstreeks gegevens inzake financiële transacties van afzonderlijke effecten verzamelt, moeten gegevens gerapporteerd worden voor twee van de drie velden 2, 3 en 4) (d.w.z. velden 2 en 3; velden 2 en 4, of velden 3 en 4). Indien gegevens worden verzameld voor veld 3, moeten ook gegevens verzameld worden voor veld 3b.

3.

Indien de betreffende NCB rechtstreeks gegevens inzake financiële transacties van afzonderlijke effecten verzamelt, moeten ook gegevens voor de volgende velden worden gerapporteerd:

a)

veld 5, of velden 6 en 7, en

b)

veld 4, of velden 2 en 3.

4.

De betreffende NCB mag ook van informatieplichtigen eisen dat zij gegevens rapporteren voor velden 8, 9, 10 en 11.

Veld

Titel

1

ISIN-code

2

Aantal eenheden of geaggregeerd nominaal bedrag

3

Prijs

3b

Noteringsgrondslag

4

Totaalbedrag tegen marktwaarde

5

Financiële transacties

6

Aangekochte effecten

7

Verkochte effecten

8

Valuta waarin het effect is geregistreerd

9

Overige volumemutaties tegen nominale waarde

10

Overige volumemutaties tegen marktwaarde

11

Portefeuillebelegging of directe investering

Tabel 2.2

Aangehouden effecten zonder een ISIN-code

Gegevens voor ieder veld dienen gerapporteerd te worden ofwel: a) voor ieder effect, of b) middels het aggregeren van een bepaald aantal effecten als één post.

In geval van a) zijn de volgende regels van toepassing:

1.

Gegevens voor de velden 1, 12, 13, 14 en 15 moeten gerapporteerd worden.

2.

Indien de betreffende NCB niet rechtstreeks gegevens inzake financiële transacties van afzonderlijke effecten verzamelt, moeten gegevens gerapporteerd worden voor twee van de drie velden 2, 3 en 4) (d.w.z. velden 2 en 3; velden 2 en 4, of velden 3 en 4). Indien gegevens worden verzameld voor veld 3, moeten ook gegevens verzameld worden voor veld 3b.

3.

Indien de betreffende NCB rechtstreeks gegevens inzake financiële transacties van afzonderlijke effecten verzamelt, moeten ook gegevens voor de volgende velden worden gerapporteerd:

a)

veld 5, of velden 6 en 7, en

b)

veld 4, of velden 2 en 3.

4.

De betreffende NCB mag ook van informatieplichtigen eisen dat zij gegevens rapporteren voor velden 3b, 8, 9, 10 en 11.

In geval van b) zijn de volgende regels van toepassing:

1.

Gegevens voor de velden 4, 12, 13, 14 en 15 moeten gerapporteerd worden.

2.

Gegevens voor ofwel veld 5, of zowel veld 10 en 16 moeten gerapporteerd worden.

3.

De betreffende NCB mag ook van informatieplichtigen eisen dat zij gegevens rapporteren voor velden 8, 9 en 11.

Veld

Titel

1

Identificatiecodes van effecten

2

Aantal eenheden of geaggregeerd nominale waarde

3

Prijs

3b

Noteringsgrondslag

4

Totaalbedrag tegen marktwaarde

5

Financiële transacties

6

Aangekochte effecten

7

Verkochte effecten

8

Valuta waarin het effect is geregistreerd

9

Overige volumemutaties tegen nominale waarde

10

Overige volumemutaties tegen marktwaarde

11

Portefeuillebelegging of directe investering

12

Instrument (met financiële transactieclassificatie)

schuldbewijzen (F.3)

deelnemingen (F.51)

waarvan beursgenoteerde aandelen (F.511)

waarvan niet-beursgenoteerde aandelen (F.512)

waarvan overige deelnemingen (F.519)

aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.52)

13

Uitgiftedatum en vervaldatum voor schuldbewijzen. Als alternatief, uitsplitsing naar looptijdcategorieën als volgt: oorspronkelijke looptijd tot en met een jaar, een tot twee jaar, langer dan twee jaar en de resterende looptijd tot en met een jaar, een tot twee jaar, twee tot vijf jaar, langer dan vijf jaar.

14

Sector of subsector van de emittent:

centrale bank (S.121)

deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122)

geldmarktfondsen (S.123)

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124)

Overige financiële intermediairs m.u.v. monetaire financiële instellingen verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (m.u.v. beleggingsfondsen, lege financiële instellingen) + financiële hulpbedrijven + financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen (S.125 m.u.v. L.F.I's + S.126 + S.127)

lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten(subonderdeel van S.125)

verzekeringsinstellingen (S.128)

pensioenfondsen (S.129)

niet-financiële vennootschappen (s.11)

overheid (S.13)

huishoudens + instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.14 + S.15) (5)

15

Land van emittent

16

Herwaarderingsaanpassingen

Tabel 3a

Driemaandelijkse herwaarderingsaanpassingen of financiële transacties

 

Totaal

Eurogebied

Rest van de wereld

Binnenland

Eurogebied, met uitzondering van binnenland

Eurogebied, met uitzondering van binnenland

(verslaggeving per land)

Totaal

Niet-deelnemende lidstaten

(verslaggeving per land)

Belangrijkste tegenpartijen buiten de Europese Unie

(verslaggeving per land voor Brazilië, Canada, China, Hongkong, India, Japan, Rusland, Zwitserland, VS)

ACTIVA (F)

1.

Chartaal geld en deposito's (ESR 2010: F.21 + F.22 + F.29) — reële waarde

 

 

 

 

 

 

 

tot en met 1 jaar (resterend tot vervaldatum)

 

 

 

 

 

 

 

meer dan 1 jaar (resterend tot vervaldatum)

 

 

 

 

 

 

 

1x.

Chartaal geld en deposito's w/v girale deposito's (F.22)

 

 

 

 

 

 

 

1.

Chartaal geld en deposito's (ESR 2010: F.21 + F.22 + F.29) — nominale waarde

 

 

 

 

 

 

 

2.

Schuldbewijzen (ESR 2010: F.3)

 

 

 

 

 

 

 

uitgegeven door MFI's

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door O

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door OFI's

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door NFV's

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

tot en met 1 jaar (oorspronkelijke looptijd)

 

 

 

 

MINIMUM

 

 

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

1-2 jaar (oorspronkelijke looptijd)

 

 

 

 

MINIMUM

 

 

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

langer dan 2 jaar (oorspronkelijke looptijd)

 

 

 

 

MINIMUM

 

 

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

tot en met 1 jaar (resterend tot vervaldatum)

 

 

 

 

MINIMUM

 

 

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

1-2 jaar (resterend tot vervaldatum)

 

 

 

 

MINIMUM

 

 

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

2-5 jaar (resterend tot vervaldatum)

 

 

 

 

MINIMUM

 

 

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

Langer dan 5 jaar (resterend tot vervaldatum)

 

 

 

 

MINIMUM

 

 

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

uitgegeven door HH's en IZWBH's

 

MINIMUM

MINIMUM

 

 

 

 

3.

Leningen (ESR 2010: F.4) — reële waarde

 

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd tot en met 1 jaar — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

aan MFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan O

 

 

 

 

 

 

 

aan beleggingsfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan OFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

aan pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan NFV's

 

 

 

 

 

 

 

aan HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd 1-5 jaar — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

aan MFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan O

 

 

 

 

 

 

 

aan beleggingsfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan OFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

aan pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan NFV's

 

 

 

 

 

 

 

aan HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd langer dan 5 jaar — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

aan MFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan O

 

 

 

 

 

 

 

aan beleggingsfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan OFI's

 

 

 

 

 

 

 

aan verzekeringsinstellingen

 

 

 

 

 

 

 

aan pensioenfondsen

 

 

 

 

 

 

 

aan NFV's

 

 

 

 

 

 

 

aan HH's en IZWBH's

 

 

 

 

 

 

 

tot en met 1 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

1-2 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

2-5 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

langer dan 5 jaar resterend tot vervaldatum — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

3x.

Leningen w/v depositogaranties in verband met herverzekeringsbedrijf — reële waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

3.

Leningen (ESR 2010: F.4) — nominale waarde

 

 

 

 

 

 

 

oorspronkelijke looptijd tot en met 1 jaar — nominale waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

oorspronkelijke looptijd 1-5 jaar — nominale waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

oorspronkelijke looptijd langer dan 5 jaar — nominale waarde

 

MINIMUM

MINIMUM

 

MINIMUM

 

 

4.

Deelnemingen (ESR 2010: F.51)

 

 

 

 

 

 

 

4a

Deelnemingen w/v beursgenoteerde aandelen

 

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

4b.

Deelnemingen w/v niet-beursgenoteerde aandelen

 

 

 

 

MINIMUM

 

MINIMUM

uitgegeven door MFI's

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door O

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door OFI's

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door verzekeringsinstellingen

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door pensioenfondsen

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

uitgegeven door NFV's

 

MINIMUM

 

MINIMUM

 

MINIMUM