ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 320

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
6 november 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

BESLUITEN

 

 

2014/762/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 oktober 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming en tot intrekking van de Beschikkingen 2004/277/EG, Euratom en 2007/606/EG, Euratom van de Commissie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 7489)  ( 1 )

1

 

 

2014/763/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur aan absorberende hygiëneproducten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 7735)  ( 1 )

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

BESLUITEN

6.11.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 320/1


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 oktober 2014

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming en tot intrekking van de Beschikkingen 2004/277/EG, Euratom en 2007/606/EG, Euratom van de Commissie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 7489)

(Voor de EER relevante tekst)

(2014/762/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (1), en met name artikel 32, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Uniemechanisme voor civiele bescherming („het Uniemechanisme”) is algemeen gericht op het versterken van de samenwerking tussen de Unie en de lidstaten en het faciliteren van de coördinatie op het gebied van civiele bescherming, om zodoende te komen tot een grotere doeltreffendheid van systemen op het gebied van de preventie, de paraatheid en de respons ten aanzien van door de mens of de natuur veroorzaakte rampen.

(2)

Aangezien rampen op om het even welk ogenblik kunnen plaatsvinden, moet het bij artikel 7 van Besluit nr. 1313/2013/EU opgerichte Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (Emergency Response Coordination Centre — ERCC) voortdurend nauw contact onderhouden met de contactpunten van de lidstaten.

(3)

Het gemeenschappelijke noodcommunicatie- en informatiesysteem (GNCIS) is een essentieel onderdeel van het Uniemechanisme omdat het de authenticiteit, volledigheid en vertrouwelijkheid van de informatie die tussen de lidstaten wordt uitgewisseld, moet garanderen, zowel in routine-omstandigheden als in noodsituaties. Er moet een afzonderlijke versie van het GNCIS worden opgezet die toegang biedt aan de secretariaten van de regionale zeeverdragen en derde landen die met de Unie een regionaal zeegebied delen, vanwege de specifieke kenmerken van de respons op gevallen van zeeverontreiniging.

(4)

Om een zo groot mogelijke operationele doeltreffendheid te verzekeren, moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de modules, andere responscapaciteiten en deskundigen die overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU worden aangewezen, alsook voor hun operationele vereisten, werkwijzen en interoperabiliteit, zoals bepaald in artikel 9, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU. Meer bepaald moeten modules in staat zijn gedurende een bepaalde periode autonoom te werken, snel inzetbaar en interoperabel te zijn. Om de interoperabiliteit van de modules te vergroten zijn maatregelen noodzakelijk op Unie- en lidstaatniveau.

(5)

De capaciteitsdoelstellingen voor de Europese responscapaciteit in noodsituaties (European Emergency Response Capacity — EERC) moeten worden vastgesteld en regelmatig herzien om te beschikken over een voldoende aantal van alle noodzakelijke typen modules, andere responscapaciteiten en deskundigen die kunnen worden ingezet in het kader van het Uniemechanisme. De kwaliteits- en interoperabiliteitsvereisten moeten worden vastgesteld en regelmatig herzien om een uniform minimumniveau van kwaliteit en interoperabiliteit te verzekeren van alle capaciteiten die deelnemen aan de EERC.

(6)

Er moet een certificatie- en registratieprocedure worden vastgesteld met elementen voor zelfevaluatie om te verzekeren dat de capaciteiten in de vrijwillige pool aan alle noodzakelijke vereisten voldoen en indien nodig kunnen profiteren van de beperkte medefinanciering van de Unie van aanpassingskosten. Deze certificatie- en registratieprocedure moet bovendien een adequate geografische spreiding van de capaciteiten verzekeren overeenkomstig de lokalisering van de risico's, en voorzien in de deelname van alle geïnteresseerde lidstaten.

(7)

Door mogelijke tekorten in de responscapaciteiten van de EERC vast te stellen moeten de Commissie en de lidstaten samen kunnen bepalen waar passende capaciteiten binnen of buiten de vrijwillige pool niet beschikbaar zijn. De lidstaten die deze tekorten individueel of via consortia aanpakken, moeten kunnen genieten van beperkte medefinanciering van de Unie, mits dit kosteneffectief is en door risico-evaluaties wordt onderbouwd.

(8)

Om het functioneren van de EERC te ontwikkelen moeten beperkte medefinancieringsbedragen van de Unie via raamovereenkomsten, raampartnerschapsovereenkomsten of vergelijkbare regelingen steun bieden aan de toegang van de lidstaten tot aanvullende capaciteit bij tijdelijke tekortkomingen naar aanleiding van buitengewone rampen, d.w.z. rampen waarvan de aard en de grootte de redelijke verwachtingen en paraatheid overstijgen. Deze capaciteiten moeten worden opgenomen in de vrijwillige pool voor inzet in het kader van het Uniemechanisme.

(9)

Het opleidingsprogramma van het Uniemechanisme blijft een essentieel element voor de paraatheid van het personeel voor civiele bescherming en rampenbeheersing dat in het kader van het Uniemechanisme wordt ingezet. Overeenkomstig de doelstelling als bepaald in artikel 13, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU moeten preventie, paraatheid en respons worden bestreken.

(10)

Het oefenprogramma van het Uniemechanisme moet een essentiële rol blijven vervullen voor de praktische paraatheid voor inzet in het kader van het Uniemechanisme en voor de uitwisseling van ervaringen met civielebeschermingsacties die binnen het Uniemechanisme worden opgezet. Het oefenprogramma moet worden gestuurd door een strategisch kader, met doelstellingen en taken voor de oefeningen in het kader van het Uniemechanisme, en specifieke prioriteiten in de jaarlijkse werkprogramma's.

(11)

Er moet een systematische, gerichte en coherente aanpak worden opgezet voor het vergaren, analyseren, verspreiden en tenuitvoerleggen van ervaringen die de hele rampenbeheersingscyclus bestrijken.

(12)

In het kader van het Uniemechanisme zijn duidelijke operationele procedures van belang voor rampenrespons in het kader van het mechanisme met het oog op een doeltreffende steunverlening bij rampen, ook voor de relevante internationale organisaties als bedoeld volgens artikel 16, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU.

(13)

Om het Uniemechanisme zo doeltreffend en efficiënt mogelijk te maken moeten alle verzoeken om en aanbiedingen van steunverlening zo specifiek mogelijk zijn en alle noodzakelijke informatie omvatten.

(14)

Om een doeltreffende coördinatie van de steun te verzekeren moet het ERCC zijn evaluatie van kritieke behoeften en zijn aanbevelingen voor inzet uit de vrijwillige pool aan alle lidstaten te kennen geven en voor elk verzoek om steunverlening passende inzetplannen ontwikkelen. De keuze van de capaciteiten uit de vrijwillige pool moet worden gebaseerd op specifieke en objectieve criteria en de prioriteiten ervan moeten worden vastgesteld in het licht van de bestaande operationele behoeften.

(15)

Om waar het kan de reactietijd in het kader van het Uniemechanisme te verbeteren moeten de lidstaten vooraf de nodige regelingen treffen voor de inzet van hun capaciteiten die in de vrijwillige pool zijn opgenomen.

(16)

De beschikbaarheid van deskundigen, inclusief teamleiders, op technisch, evaluatie- en coördinatiegebied is een belangrijk element van het Uniemechanisme. De taken en opdrachten van de deskundigen moeten worden omschreven en de procedure voor het uitzenden van deskundigen moet worden vastgesteld.

(17)

In artikel 23 van Besluit nr. 1313/2013/EU worden speciale regelingen vastgesteld voor bijstand aan acties bij rampen in verband met uitrusting en vervoermiddelen om met de hulp van het Uniemechanisme snelle en effectieve respons te bieden. Er moeten regels en procedures worden vastgesteld voor de verzoeken van de lidstaten om financiële steun van de Unie voor hun hulptransporten naar het getroffen land en de behandeling van die verzoeken door de Commissie.

(18)

Met het oog op de transparantie, de coherentie en de doeltreffendheid moet worden vastgesteld welke informatie moet worden verstrekt in de verzoeken om vervoerssteun en de antwoorden hierop van de lidstaten en de Commissie.

(19)

Wanneer financiële steun van de Unie kan worden verleend overeenkomstig Besluit nr. 1313/2013/EU dienen de deelnemende landen de keuze te hebben om hetzij om een subsidie, hetzij om een vervoersdienst te verzoeken.

(20)

Beschikking 2004/277/EG, Euratom van de Commissie (2) en Beschikking 2007/606/EG, Euratom van de Commissie (3) dienen te worden ingetrokken.

(21)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor civiele bescherming,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Dit besluit stelt gedetailleerde voorschriften vast voor de tenuitvoerlegging van Besluit nr. 1313/2013/EU, met betrekking tot:

a)

de interactie tussen het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (Emergency Response Coordination Centre — ERCC) en de contactpunten van de lidstaten;

b)

de samenstelling van het Gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (GNCIS) en de organisatie van informatie-uitwisseling via het GNCIS;

c)

de identificatie van de modules, andere responscapaciteiten en deskundigen, alsook de operationele vereisten voor het functioneren en de interoperabiliteit van de modules, met inbegrip van hun taken, capaciteiten, belangrijkste onderdelen, de mate van zelfvoorziening en hun inzet;

d)

de capaciteitsdoelstellingen, de kwaliteits- en interoperabiliteitsvereisten en de certificatie- en registratieprocedure die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de EERC, met inbegrip van financiële regelingen;

e)

de vaststelling en verhelping van tekorten in de EERC;

f)

de organisatie van het opleidingsprogramma, het kader voor oefeningen en het programma Opgedane ervaringen;

g)

de operationele procedures voor rampenrespons binnen zowel als buiten de Unie, met inbegrip van de identificatie van de relevante internationale organisaties;

h)

de procedure voor het inzetten van deskundigenteams;

i)

de organisatie van de steun aan hulptransporten.

Artikel 2

Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

1.   „verzoeker van steunverlening”: de lidstaat die of een derde land dat getroffen wordt of dreigt te worden door een ramp, alsook de Verenigde Naties en de agentschappen ervan en andere relevante internationale organisaties als bedoeld in bijlage VII;

2.   „civielebeschermingsbijstand”: teams, deskundigen of modules op het gebied van de civiele bescherming met hun uitrusting, alsmede hulpgoederen of leveringen die nodig zijn om de onmiddellijke gevolgen van een noodsituatie te lenigen;

3.   „buffercapaciteiten”: capaciteiten voor rampenrespons, waarvan de beschikbaarheid en de snelle toegankelijkheid medegefinancierd worden in het kader van artikel 21, lid 2, onder d), van Besluit nr. 1313/2013/EU;

4.   „interventieteam”: de menselijke en materiële hulpmiddelen, met inbegrip van modules, die door een of meer lidstaten worden opgezet voor civielebeschermingsinterventies;

5.   „team voor technische bijstand en ondersteuning”: de menselijke en materiële hulpmiddelen die door een of meer lidstaten worden opgezet voor ondersteunende taken, als bedoeld in bijlage II.

HOOFDSTUK 2

COÖRDINATIECENTRUM VOOR RESPONS IN NOODSITUATIES (EMERGENCY RESPONSE COORDINATION CENTRE — ERCC)

Artikel 3

Interactie van het ERCC en de contactpunten van de lidstaten

1.   Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt aan voor het ERCC dat 24 uur per dag en zeven dagen per week beschikbaar is. Voor de aanwijzing wordt de „country card template” in bijlage I gebruikt.

2.   Het ERCC houdt nauw contact met de contactpunten van de lidstaten voor het verrichten van zijn gewone taken en van de responsactiviteiten waarin is voorzien bij dit besluit en bij Besluit nr. 1313/2013/EU.

HOOFDSTUK 3

GEMEENSCHAPPELIJK NOODCOMMUNICATIE- EN INFORMATIESYSTEEM (GNCIS)

Artikel 4

GNCIS-structuur

Het GNCIS bestaat uit de volgende drie componenten:

a)

een netwerk-niveau, waarmee de bevoegde autoriteiten en de contactpunten in de lidstaten en het ERCC worden verbonden;

b)

een applicatie-niveau, bestaande uit de gegevensbanken en andere informatiesystemen die voor het functioneren van het Uniemechanisme nodig zijn, en meer in het bijzonder:

i)

voor de verzending van kennisgevingen,

ii)

voor communicatie en de uitwisseling van informatie tussen het ERCC en de bevoegde autoriteiten en de contactpunten,

iii)

voor de verspreiding van ervaringen die met interventies zijn opgedaan;

c)

een beveiligingsniveau, bestaande uit de verzameling systemen, regels en procedures die nodig zijn om authenticiteit, volledigheid en vertrouwelijkheid van de gegevens welke in het GNCIS worden opgeslagen en via het GNCIS worden uitgewisseld, te waarborgen.

Artikel 5

Beveiliging van de informatie

1.   Het GNCIS moet documenten, gegevensbanken en informatiesystemen op een veilige manier kunnen beheren via de „trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten” (TESTA) of een vergelijkbaar netwerk.

2.   Voor de transmissie van documenten en informatie die als „EU CONFIDENTIAL” of hoger zijn gerubriceerd, moeten er tussen de verzender en de ontvanger(s) speciale regelingen worden getroffen, zoals bepaald in Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie. (4)

Artikel 6

Informatie en actualisering

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie de passende informatie en maken daarbij gebruik van de in bijlage I opgenomen „country card template”.

2.   De lidstaten delen informatie mee over contactpunten en, waar passend, van andere diensten die natuurlijke, technologische, radiologische of milieu-ongevallen behandelen, met inbegrip van accidentele verontreiniging van de zee.

3.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging in de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie.

4.   De GNCIS-gegevensbank moet een specifiek onderdeel bevatten met informatie over de registrering en beschikbaarheid van responscapaciteiten in de EERC. De Commissie garandeert de voortdurende toegang aan de nationale contactpunten voor civiele bescherming.

5.   De lidstaten garanderen dat het specifieke onderdeel van de GNCIS-gegevensbank steeds actueel is wat betreft de beschikbaarheidsstatus en alle noodzakelijke feitelijke gegevens in verband met de relevante karakteristieken van alle geregistreerde responscapaciteiten in de EERC.

6.   Waar passend kunnen de lidstaten „read-only”-toegang tot het GNCIS verlenen aan andere relevante nationale autoriteiten.

Artikel 7

Gebruikersgroep van het GNCIS

Een gebruikersgroep met vertegenwoordigers van de lidstaten staat de Commissie bij met de validering, het testen en de verdere ontwikkeling van het GNCIS.

Artikel 8

Tenuitvoerlegging en verdere ontwikkeling

1.   De Commissie beheert het GNCIS en ontwikkelt het verder, rekening houdend met de behoeften en de vereisten van de lidstaten.

2.   De lidstaten passen de toepasselijke GNCIS-informatietechnologie op hun grondgebied toe overeenkomstig de verbintenissen en met gebruikmaking van de in bijlage I opgenomen „country card template”.

Artikel 9

GNCIS inzake zeeverontreiniging

1.   De Commissie garandeert dat een gespecialiseerde GNCIS-applicatie inzake zeeverontreiniging via internet beschikbaar is voor de lidstaten en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, teneinde rekening te houden met het specifieke karakter van de respons op gevallen van zeeverontreiniging.

2.   Deze applicatie moet via internet ook open staan voor derde landen die met de Unie een regionaal zeegebied delen. De toegang kan ook ad-hoc worden verleend aan de secretariaten van de relevante regionale zeeverdragen.

HOOFDSTUK 4

MODULES, TEAMS VOOR TECHNISCHE BIJSTAND EN ONDERSTEUNING, ANDERE RESPONSCAPACITEITEN EN DESKUNDIGEN

Artikel 10

Modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten en deskundigen

1.   De lidstaten registreren hun modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten en deskundigen, aangewezen overeenkomstig artikel 9, lid 6, van Besluit nr. 1313/2013/EU, in de GNCIS-gegevensbank.

2.   De modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten en deskundigen die vooraf waren toegewezen aan de EERC, worden geregistreerd in een specifiek onderdeel van de GNCIS-gegevensbank.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie wordt indien nodig geactualiseerd.

Artikel 11

Samenstelling van de modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten en deskundigen

1.   De modules en de teams voor technische bijstand en ondersteuning kunnen zijn samengesteld uit middelen die door een of meer lidstaten worden verstrekt.

2.   Wanneer een module of een team voor technische bijstand en ondersteuning uit meer dan één component bestaat, kan de inzet van die module of dat team voor technische bijstand en ondersteuning bij een interventie beperkt worden tot de voor die interventie noodzakelijke component.

Artikel 12

Zelfvoorziening van de modules

1.   De volgende elementen van zelfvoorziening zijn van toepassing op elke module, als bedoeld in bijlage II:

a)

passende beschutting tegen de desbetreffende weersomstandigheden;

b)

stroom en licht voor de consumptie van de operatiebasis en de voor de uitvoering van de interventie vereiste apparatuur;

c)

sanitaire en hygiënevoorzieningen voor het personeel van de module;

d)

voedsel en water voor het personeel van de module;

e)

medische of paramedische verzorging (personeel, installaties en materieel) voor het personeel van de module;

f)

opslag en onderhoud van de apparatuur van de module;

g)

apparatuur voor de communicatie met de betreffende partners, met name met de verantwoordelijke coördinatoren ter plaatse;

h)

lokaal vervoer;

i)

logistiek, apparatuur en personeel voor het opzetten van een operatiebasis en het onverwijlde begin van de interventie bij aankomst ter plaatse.

2.   Overeenstemming met de eisen op het gebied van zelfvoorziening wordt door de hulp biedende lidstaat op een van onderstaande manieren gewaarborgd:

a)

de noodzakelijke personeelsleden, uitrusting en verbruiksartikelen worden in de module opgenomen;

b)

de nodige voorzieningen worden getroffen op de plaats van de operatie;

c)

de nodige voorafgaande voorzieningen worden getroffen om een niet-zelfvoorzienend interventieteam te combineren met een team voor technische bijstand en ondersteuning zodat aan de eisen van artikel 13 kan worden voldaan, alvorens de betreffende module wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 10, lid 1.

3.   De periode waarvoor de zelfvoorziening gewaarborgd moet zijn bij het begin van de interventie, mag niet korter zijn dan:

a)

96 uur; of

b)

de termijnen als vastgesteld in bijlage II.

Artikel 13

Vereisten voor modules en teams voor technische bijstand en ondersteuning

1.   De modules moeten voldoen aan de algemene vereisten van bijlage II.

2.   De teams voor technische bijstand en ondersteuning moeten voldoen aan de algemene vereisten van bijlage II.

3.   De algemene vereisten van bijlage II worden geregeld herzien.

4.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:

a)

de modules over de capaciteit beschikken om met andere modules samen te opereren;

b)

de teams voor technische bijstand en ondersteuning over de capaciteit beschikken om met andere teams voor technische bijstand en ondersteuning en met de relevante actoren ter plaatse te opereren;

c)

de componenten van een module over de capaciteit beschikken om samen als één module te opereren;

d)

de componenten van een team voor technische bijstand en ondersteuning over de capaciteit beschikken om samen als één team voor technische bijstand en ondersteuning te opereren;

e)

de modules en teams voor technische bijstand en ondersteuning bij inzet buiten de Europese Unie in staat zijn om samen te opereren met internationale rampenbestrijdingscapaciteiten die het getroffen land ondersteunen;

f)

de leiders van interventieteams, hun plaatsvervangers en de contactpersonen van modules en teams voor technische bijstand en ondersteuning deelnemen aan de passende opleidingscursussen en oefeningen die door de Commissie worden georganiseerd, als uiteengezet in de artikelen 26 tot en met 32.

HOOFDSTUK 5

ONTWIKKELING VAN DE EUROPESE RESPONSCAPACITEIT IN NOODSITUATIES (EERC) IN DE VORM VAN EEN VRIJWILLIGE POOL

Artikel 14

Capaciteitsdoelstellingen

1.   De capaciteitsdoelstellingen van de EERC worden gespecificeerd in bijlage III.

2.   De Commissie evalueert in samenwerking met de lidstaten ten minste om de twee jaar de geschiktheid van de capaciteitsdoelstellingen en actualiseert deze indien nodig op basis van de risico's die zijn geïdentificeerd in de nationale risico-evaluaties of andere passende nationale of internationale informatiebronnen.

3.   De lidstaten verstrekken de Commissie relevante informatie over risico's die noodzakelijk is voor de evaluatie van de capaciteitsdoelstellingen.

Artikel 15

Vereisten voor kwaliteit en interoperabiliteit

1.   De vereisten voor kwaliteit en interoperabiliteit als bedoeld in bijlage IV zijn van toepassing op modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten en deskundigen in de EERC.

2.   De Commissie evalueert in samenwerking met de lidstaten ten minste om de twee jaar de geschiktheid van de vereisten voor kwaliteit en interoperabiliteit en actualiseert deze indien nodig. De vereisten voor kwaliteit zijn gebaseerd op erkende internationale normen voor zover dergelijke normen reeds bestaan.

Artikel 16

Certificatie- en registratieprocedure

1.   De certificatie- en registratieprocedures als bedoeld in de leden 2 tot en met 8 zijn van toepassing op modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten en deskundigen in de EERC.

2.   De certificatie en registratie worden afhankelijk gesteld van de naleving van de vereisten voor kwaliteit als bedoeld in bijlage IV, met uitzondering van de buffercapaciteiten, waarvoor de bepalingen van artikel 25, lid 3, gelden.

3.   De lidstaten die een specifieke module, een specifiek team voor technische bijstand en ondersteuning, een andere responscapaciteit of een deskundige aanbieden voor opname in de EERC, verstrekken de informatie als bedoeld in bijlage V.

4.   De Commissie evalueert of de betrokken module, het betrokken team voor technische bijstand en ondersteuning, de betrokken andere responscapaciteit of deskundige in aanmerking komt voor opname in de EERC en deelt haar conclusies onmiddellijk mee aan de betrokken lidstaat. Bij deze evaluatie houdt de Commissie met name rekening met de naleving van de vereisten voor kwaliteit, de capaciteitsdoelstellingen, de volledigheid van de verstrekte informatie, de geografische nabijheid en de deelname van alle lidstaten, alsook andere relevante factoren die vooraf door de Commissie worden bepaald en die van toepassing zijn op alle vergelijkbare modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten of deskundigen.

5.   Indien de opname in de EERC wordt overwogen, stelt de Commissie op basis van de verstrekte informatie en van enige andere informatie waarom de Commissie de relevante autoriteit van de lidstaat kan verzoeken, de certificatieprocedure in voor de module, het team voor technische bijstand en ondersteuning, de andere responscapaciteit of deskundige. In de gevallen waarin de Commissie op basis van de beschikbare informatie van oordeel is dat aan de vereisten voor kwaliteit en interoperabiliteit is voldaan, kan zij de module, het team voor technische bijstand en ondersteuning, de andere responscapaciteit of deskundige in de vrijwillige pool registreren.

6.   De Commissie stelt de autoriteit van de relevante lidstaat schriftelijk in kennis van haar evaluatie van de vereiste opleidingen, oefeningen en/of workshops, en andere relevante certificatie- en registratievoorwaarden.

7.   Indien aan alle certificatievoorwaarden is voldaan, verklaart de Commissie de module, het team voor technische bijstand en ondersteuning, de andere responscapaciteit of deskundige als gecertificeerd voor de EERC en deelt dit mee aan de lidstaat.

8.   De certificatie van een module, een team voor technische bijstand en ondersteuning, een andere responscapaciteit of een deskundige moet uiterlijk na drie jaar opnieuw worden geëvalueerd, bij indiening voor hernieuwde registratie in de EERC.

9.   De Commissie evalueert in samenwerking met de lidstaten ten minste om de twee jaar de geschiktheid van de certificatie- en registratieprocedure en actualiseert deze indien nodig.

Artikel 17

Financiële regelingen voor aanpassingskosten

1.   De lidstaten kunnen een subsidie aanvragen voor de financiering van individuele aanpassingskosten per module, team voor technische bijstand en ondersteuning, of andere responscapaciteit, zonder dat de Commissie een oproep tot het indienen van voorstellen publiceert. De aanpassingskosten betreffen de kostenelementen die zijn gespecificeerd in artikel 21, lid 2, onder c), van Besluit nr. 1313/2013/EU.

2.   Om hun verzoek te onderbouwen dienen de lidstaten bij de Commissie tenuitvoerleggingsplannen in voor de aanpassingskosten, met inbegrip van geraamde kosten en een tijdsschema.

3.   De Commissie evalueert de tenuitvoerleggingsplannen als bedoeld in lid 2, en zij keurt deze goed indien aan de relevante vereisten is voldaan, waarbij wordt gespecificeerd welke kosten in aanmerking komen als aanpassingskosten.

4.   Na evaluatie van het verzoek neemt de Commissie een besluit over de toekenning van de subsidie.

5.   De lidstaten brengen bij de Commissie gedetailleerd verslag uit over de kosten die als aanpassingskosten zijn gemaakt.

HOOFDSTUK 6

TEKORTEN IN DE RESPONSCAPACITEIT AANVULLEN

Artikel 18

Toezicht op de vooruitgang naar de capaciteitsdoelstellingen

De Commissie houdt in samenwerking met de lidstaten voortdurend toezicht op de vooruitgang in de richting van de capaciteitsdoelstellingen, rekening houdend met de capaciteiten die zijn vastgesteld in artikel 20, en stelt de lidstaten regelmatig in kennis van de evaluatie van de geboekte vooruitgang. De Commissie stelt de lidstaten gedetailleerd in kennis van eventueel nog overblijvende tekorten in de responscapaciteit.

Artikel 19

Procedure voor de vaststelling van tekorten in de responscapaciteit

1.   Als onderdeel van het toezicht op de vooruitgang in de richting van de capaciteitsdoelstellingen evalueert de Commissie in samenwerking met de lidstaten het verschil tussen de geregistreerde capaciteiten van de lidstaten in de EERC en de capaciteitsdoelstellingen als uiteengezet in bijlage III.

2.   De Commissie en de lidstaten beschouwen als capaciteiten die zijn toegewezen aan de EERC alleen die capaciteiten welke zijn geregistreerd als zijnde beschikbaar gesteld door de lidstaten aan de EERC, overeenkomstig artikel 16.

Artikel 20

Procedure voor de vaststelling van responscapaciteiten buiten de EERC

1.   Wanneer de Commissie samen met de lidstaten mogelijk significante tekorten in de responscapaciteit overeenkomstig artikel 19 van dit besluit heeft vastgesteld, onderzoekt zij in samenwerking met de lidstaten of de noodzakelijke capaciteiten beschikbaar zijn buiten de EERC, overeenkomstig artikel 12, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU.

2.   De Commissie beschouwt als beschikbaar buiten de EERC uitsluitend de volgende capaciteiten:

a)

capaciteiten die zijn geregistreerd in het GNCIS;

b)

buffercapaciteiten; of

c)

capaciteiten die niet worden bestreken door de punten a) en b), maar die in de vereiste hoeveelheden gemakkelijk beschikbaar kunnen worden gesteld aan de lidstaat of lidstaten, binnen het vereiste tijdsschema, en voor de vereiste duur.

3.   Voor de vaststelling van de capaciteiten als bedoeld in lid 2, onder c), richt de Commissie een verzoek tot de nationale contactpunten waarin zij haar evaluatie van mogelijk significante tekorten in de responscapaciteit gedetailleerd beschrijft en de lidstaten oproept informatie te verstrekken omtrent mogelijke capaciteiten buiten de EERC, als bedoeld in lid 2, onder c).

4.   De Commissie specificeert in haar verzoek een uiterste antwoordtermijn van maximaal 60 kalenderdagen, waarvan de exacte duur afhankelijk wordt gesteld van de verwachte complexiteit voor het vaststellen door de lidstaten van de capaciteiten als bedoeld in lid 2.

5.   De lidstaten stellen de Commissie binnen de gestelde termijn schriftelijk in kennis van de details van eventuele capaciteiten als bedoeld in lid 2.

6.   Indien een lidstaat binnen de gestelde termijn niet schriftelijk reageert, gaat de Commissie met het oog op deze evaluatie uit van het feit dat in die lidstaat geen capaciteiten als bedoeld in lid 2 beschikbaar zijn.

7.   Gebaseerd op de informatie van de lidstaten en uitsluitend rekening houdend met de capaciteiten als bedoeld in lid 2, evalueert de Commissie of die capaciteiten de tekorten in de responscapaciteit aanvullen, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 19 van dit besluit. De Commissie beschouwt alleen dan de tekorten in de responscapaciteit als zijnde aangevuld, indien het aantal capaciteiten binnen de EERC plus de capaciteiten als bedoeld in lid 2 gelijk is aan of groter dan de capaciteitsdoelstellingen die zijn vastgesteld in bijlage III.

Artikel 21

Procedure voor de aanvulling van tekorten in de responscapaciteit

1.   Wanneer de Commissie samen met de lidstaten mogelijk significante tekorten in de responscapaciteit overeenkomstig artikel 19 heeft vastgesteld, en deze tekorten niet overeenkomstig artikel 20 kunnen worden aangevuld, stelt de Commissie de lidstaten hiervan schriftelijk in kennis, en deelt zij in detail mee wat volgens haar strategische tekorten in de responscapaciteit zijn.

2.   De Commissie nodigt de lidstaten schriftelijk uit de strategische tekorten in de responscapaciteit aan te vullen, overeenkomstig artikel 12, lid 3, van Besluit nr. 1313/2013/EU.

3.   De lidstaten melden bij de Commissie of, wanneer en hoe zij van plan zijn de strategische tekorten in de responscapaciteit aan te vullen, hetzij individueel, hetzij in samenwerking met andere lidstaten.

Artikel 22

Steun van de Commissie voor de aanvulling van strategische tekorten in de responscapaciteit

1.   Indien financiering van de Unie is vereist voor de aanvulling van strategische tekorten in de responscapaciteit overeenkomstig artikel 12, lid 3, en artikel 21, lid 1, onder j), van Besluit nr. 1313/2013/EU, publiceert de Commissie een oproep tot het indienen van voorstellen om de lidstaten te steunen.

2.   In hun antwoorden op de oproep tot het indienen van voorstellen, moeten de lidstaten artikel 21, lid 1, onder j), iii) en iv), van Besluit nr. 1313/2013/EU in acht nemen.

3.   De lidstaten geven onder meer het percentage van de vereiste medefinanciering van de Unie aan.

Artikel 23

Subsidiabele kosten voor de aanvulling van tekorten in de responscapaciteit

1.   Alle kosten voor uitrusting, diensten of personeel, noodzakelijk om de responscapaciteiten te starten, komen voor financiering in aanmerking.

2.   Lopende onderhoudskosten of huishoudelijke uitgaven komen niet in aanmerking.

HOOFDSTUK 7

AANVULLEN VAN TIJDELIJKE TEKORTEN BIJ BUITENGEWONE RAMPEN

Artikel 24

Financiële regelingen

1.   De Commissie stelt in het jaarlijkse werkprogramma de vereiste typen en aantallen van buffercapaciteiten in algemene termen vast, rekening houdend met de mogelijkheid van buitengewone typen rampen in lidstaten, of een buitengewone intensiteit, of andere factoren die een ramp tot een buitengewone ramp maken, zoals het samenvallen met een andere ramp, alsook de mogelijkheid van tijdelijke tekorten in dergelijke scenario's.

2.   De Commissie lanceert regelmatig de noodzakelijke financiële procedures om de kosten te dekken als bepaald in artikel 21, lid 2, onder d), van Besluit nr. 1313/2013/EU, teneinde een snelle toegang te verzekeren tot de buffercapaciteiten als vastgesteld in het jaarlijkse werkprogramma.

3.   De buffercapaciteiten die door de Commissie medegefinancierd worden, komen bovenop de bestaande responscapaciteiten die de lidstaten tot hun beschikking hebben als onderdeel van hun nationale paraatheid, en vervangen niet bestaande responscapaciteiten.

Artikel 25

Voorwaarden voor de financiële bijdrage van de Unie

1.   De financiële bijdrage van de Unie wordt afhankelijk gesteld van de aanneming door de lidstaten die deelnemen aan de financiële procedures als bedoeld in artikel 24, lid 2, van de voorwaarden als bedoeld in de leden 2 tot en met 9. De Commissie kan verdere voorwaarden vaststellen in de financiële procedures.

2.   De lidstaten stellen buffercapaciteiten beschikbaar als onderdeel van de vrijwillige pool.

3.   Buffercapaciteiten dienen te voldoen aan de noodzakelijke vereisten voor kwaliteit en certificatie die zijn vastgesteld in de financiële procedures waarin is voorzien bij artikel 24, lid 2.

4.   Buffercapaciteiten worden geregistreerd in de vrijwillige pool voor de volledige periode die in de relevante raamovereenkomsten, raampartnerschapsovereenkomsten of vergelijkbare overeenkomsten is vastgesteld. Eventuele voorwaarden en beperkingen die door de lidstaat die de capaciteiten registreert, worden opgelegd, moeten terdege door operationele vereisten worden gerechtvaardigd.

5.   Buffercapaciteiten komen niet in aanmerking voor de financiële steun als bedoeld in artikel 17.

6.   De Commissie stelt alle lidstaten onmiddellijk in kennis via GNCIS van de buffercapaciteiten die in de vrijwillige pool zijn geregistreerd.

7.   De buffercapaciteiten die in de vrijwillige pool zijn geregistreerd, zijn beschikbaar voor inzet in het kader van het Uniemechanisme onder dezelfde algemene voorwaarden als andere capaciteiten die in de vrijwillige pool zijn geregistreerd, overeenkomstig artikel 11 van Besluit nr. 1313/2013/EU.

8.   Na een verzoek om steun via het ERCC geschiedt de inzet van buffercapaciteiten die in de vrijwillige pool zijn geregistreerd, volgens de operationele procedures voor rampenrespons van hoofdstuk 11.

9.   De buffercapaciteiten die in de vrijwillige pool zijn geregistreerd, zijn beschikbaar voor binnenlands gebruik in de lidstaten die de beschikbaarheid van de capaciteiten medegefinancierd hebben. Alvorens over te gaan tot binnenlands gebruik, overleggen deze lidstaten met het ERCC, teneinde te bevestigen dat:

i)

er geen gelijktijdige of dreigende buitengewone ramp is die kan leiden tot een verzoek tot inzet van de buffercapaciteit;

ii)

het binnenlandse gebruik geen hinder oplevert voor de snelle toegang van andere lidstaten tot de capaciteit in het geval van een nieuwe buitengewone ramp.

HOOFDSTUK 8

OPLEIDINGSPROGRAMMA

Artikel 26

Opleidingsprogramma

1.   Er wordt een opleidingsprogramma opgezet waarmee de preventie van, de paraatheid voor en de respons op rampen worden bestreken. Het programma omvat algemene en specifieke cursussen en een systeem voor de uitwisseling van deskundigen. Het programma is gericht op de in artikel 27 genoemde doelgroepen.

2.   De Commissie is belast met de coördinatie en organisatie van het opleidingsprogramma en het bepalen van de inhoud en het tijdschema ervan.

Artikel 27

Deelnemers

1.   De doelgroepen van het opleidingsprogramma zijn:

a)

het personeel voor civiele bescherming en rampenbeheersing van de lidstaten, meer bepaald leiders van interventieteams, hun plaatsvervangers en contactpersonen, deskundigen uit de lidstaten als bedoeld in artikel 41, met inbegrip van preventie- en paraatheidsdeskundigen, en belangrijk personeel van de nationale contactpunten;

b)

het personeel van de instellingen en agentschappen van de Unie;

c)

geselecteerde deskundigen van de landen van het Europees nabuurschapsbeleid, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten.

2.   De deelname aan de opleidingscursussen staat ook open voor geselecteerde deskundigen van:

a)

de Verenigde Naties en de agentschappen daarvan;

b)

de internationale organisaties als genoemd in bijlage VII;

c)

derde landen, en waar passend, andere relevante actoren.

3.   De lidstaten en de Commissie wijzen deelnemers aan voor ieder opleidingsonderdeel.

Artikel 28

Opleidingscursussen

1.   Het programma bestaat uit een reeks cursussen van inleidend niveau, operationeel niveau en bestuursniveau.

2.   De Commissie stelt in samenwerking met de lidstaten de reeks cursussen, de inhoud, de curricula en tijdsschema's voor het verloop van de cursussen, met inbegrip van de toegangsvereisten, vast.

3.   De Commissie garandeert dat de opleiders en lesgevers op de hoogte worden gebracht van de relevante ontwikkelingen van het Uniemechanisme.

Artikel 29

Uitwisseling van deskundigen

Het systeem voor de uitwisseling van deskundigen tussen de lidstaten of met de Commissie stelt deskundigen in staat om:

a)

ervaringen op te doen en te delen;

b)

kennis op te doen van diverse technieken en operationele procedures die in voege zijn;

c)

de aanpak van andere deelnemende noodhulpdiensten en instellingen te bestuderen.

Artikel 30

Aanvullende opleidingsacties

Waar het passend is en in overeenstemming met het jaarlijkse werkprogramma, wordt voorzien in aanvullende opleidingsmogelijkheden voor specifieke behoeften met het oog op een vlotte en doeltreffende tenuitvoerlegging van acties voor civiele bescherming en rampenbeheer.

Artikel 31

Evaluatiesysteem

De Commissie ziet toe op de coherentie van niveau en inhoud van de opleiding. De Commissie voorziet daartoe in een passend systeem voor de evaluatie van de aangeboden opleidingsactiviteiten.

HOOFDSTUK 9

KADER VOOR OEFENINGEN

Artikel 32

Oefenprogramma, strategisch kader en prioriteiten

1.   De Commissie zet een programma voor civielebeschermingsoefeningen op en beheert dit.

2.   Het programma voor civielebeschermingsoefeningen wordt gestuurd door een strategisch kader waarin de doelstellingen en de rol van de oefeningen binnen het Uniemechanisme worden bepaald.

3.   Meer bepaald beoogt het oefenprogramma:

a)

de verbetering van de responscapaciteit van de lidstaten, meer bepaald inzake teams en andere middelen die worden verstrekt bij bijstandsinterventies binnen het Uniemechanisme;

b)

de verbetering en controle van de procedures, de totstandbrenging van een gemeenschappelijke methode voor de coördinatie van bijstandsinterventies binnen het Uniemechanisme en verkorting van de reactietijd in ernstige noodsituaties;

c)

de verbetering van de samenwerking tussen de civielebeschermingsdiensten van de lidstaten en de Commissie;

d)

het vaststellen en delen van opgedane ervaringen;

e)

het toetsen van de tenuitvoerlegging van opgedane ervaringen.

4.   De algemene prioriteiten van het oefenprogramma worden in een omvattend lange-termijnplan uiteengezet. Daarin zijn elementen van relevante rampscenario's en capaciteiten opgenomen.

5.   De Commissie:

a)

ontwikkelt het strategische kader en het omvattende lange-termijnplan, in samenwerking met de lidstaten, rekening houdend met het programma Opgedane ervaringen en andere relevante informatie;

b)

stelt de doelstellingen van de oefeningen vast, alsook hun rol met betrekking tot andere componenten van het Uniemechanisme; en

c)

doet een jaarlijks voorstel in het werkprogramma voor specifieke oefenprioriteiten overeenkomstig het omvattende lange-termijnplan.

HOOFDSTUK 10

PROGRAMMA OPGEDANE ERVARINGEN

Artikel 33

Toezicht, analyse en evaluatie

1.   De Commissie en de lidstaten wisselen gegevens, informatie en evaluaties uit die noodzakelijk zijn voor het toezicht, de analyse en de evaluatie van alle relevante civielebeschermingsacties binnen het Uniemechanisme.

2.   De Commissie zet een gegevensbank op en beheert deze, ten gebruike van de lidstaten en de Commissie, voor het verzamelen en uitwisselen van gegevens, voor het verspreiden van opgedane ervaringen en om een overzicht te hebben over de stand van tenuitvoerlegging.

3.   De Commissie faciliteert het vaststellen van opgedane ervaringen met de relevante belanghebbenden, onder meer door de organisatie van vergaderingen.

Artikel 34

Bevordering van de tenuitvoerlegging

1.   De Commissie garandeert dat de ervaringen die door de Commissie, de lidstaten en de relevante belanghebbenden zijn geïdentificeerd, in het besluitvormingsproces ingang vinden voor de verdere ontwikkeling van het Uniemechanisme.

2.   Meer bepaald dragen de opgedane ervaringen bij tot het vaststellen van:

a)

de prioriteiten van het opleidingsprogramma, waar passend met inbegrip van de inhoud en de curricula van de opleidingscursussen en het oefenprogramma;

b)

de prioriteiten van de jaarlijkse oproepen tot preventie- en paraatheidsprojecten; en

c)

de prioriteiten van de planningsactiviteiten als bedoeld in artikel 10 van Besluit nr. 1313/2013/EU.

3.   De Commissie brengt regelmatig verslag uit over het programma Opgedane ervaringen, door de relevante ervaringen op te sommen, de geplande corrigerende maatregelen, de verantwoordelijkheden en tijdsschema's en de status van tenuitvoerlegging van de ervaringen.

4.   De lidstaten brengen regelmatig verslag uit over de vooruitgang die is geboekt met de tenuitvoerlegging van de opgedane ervaringen onder hun nationale verantwoordelijkheid.

HOOFDSTUK 11

OPERATIONELE PROCEDURES VOOR RAMPENRESPONS

Artikel 35

Verzoeken tot steun en respons

1.   Wanneer een ramp plaatsvindt binnen de Unie, of een ramp dreigt, voert de Commissie, na ontvangst van een verzoek tot steun via GNCIS, zoals passend en zonder verwijl de acties uit waarin is voorzien bij artikel 15, lid 3, van Besluit nr. 1313/2013/EU.

2.   Wanneer een ramp plaatsvindt buiten de Unie, of een ramp dreigt, waarvoor civielebeschermingsbijstand noodzakelijk kan zijn, kan de Commissie het derde land in kennis stellen van de mogelijkheden om tot steun te verzoeken in het kader van het Uniemechanisme.

3.   Een lidstaat die of derde land dat getroffen of bedreigd wordt door een ramp, richt, indien het land om steun wil verzoeken in het kader van het Uniemechanisme, een schriftelijk verzoek tot civielebeschermingsbijstand aan het ERCC via zijn bevoegde nationale autoriteiten. Indien het land of steun wil verzoeken via het Uniemechanisme, de Verenigde Naties en de agentschappen ervan, of enige andere internationale organisatie als bedoeld in bijlage VII, richten zij een schriftelijk verzoek tot civielebeschermingsbijstand aan het ERCC.

4.   Het land dat om bijstand verzoekt, verstrekt het ERCC alle relevante informatie over de situatie en met name over specifieke behoeften, de verlangde ondersteuning en de betrokken locatie.

5.   Het land dat om bijstand verzoekt, informeert het ERCC over het tijdskader, het punt van binnenkomst, de locatie waarvoor de bijstand is gevraagd, en het operationele contactpunt ter plaatse dat de ramp beheert.

6.   Het ERCC bereidt voor zover mogelijk specifieke inzetplannen voor voor elk verzoek tot steun. Deze plannen omvatten aanbevelingen voor de verlening van de bijstand, met inbegrip van uitnodigingen voor het inzetten van modules, teams voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteiten en deskundigen die zijn geregistreerd in de EERC, en een evaluatie van eventuele kritieke behoeften. De specifieke inzetplannen volgen de structuur en de vorm als aangegeven in bijlage VI en zijn gebaseerd op de algemene vooraf opgestelde plannen waarnaar wordt verwezen in artikel 15, lid 3, onder c), en artikel 16, lid 3, onder b), van Besluit nr. 1313/2013/EU, waarmee de meest relevante typen van rampenrisico's worden bestreken en rekening wordt gehouden met de risicoscenario's in de risico-evaluaties van de lidstaten. De specifieke inzetplannen worden doorgezonden naar alle lidstaten.

7.   Met de volgende criteria (waarvan de prioriteit kan worden afgewogen volgens de specifieke kenmerken van het verzoek tot steun) wordt rekening gehouden bij het selecteren van de capaciteiten in de EERC:

a)

beschikbaarheid;

b)

geschiktheid;

c)

locatie/nabijheid;

d)

geraamde vervoerstijd en kosten;

e)

eerdere ervaring;

f)

eerder gebruik van het middel;

g)

andere relevante criteria, zoals taalcapaciteiten, culturele verwantschap.

8.   Tenzij anders overeengekomen met de lidstaten, vraagt het ERCC de lidstaten niet om specifieke capaciteiten uit de EERC in te zetten in gebieden met een gewapend conflict, of waar een dreiging van gewapend conflict bestaat, of waar andere toestanden heersen die de gezondheid en veiligheid van de interventieteams in gevaar brengen.

9.   De lidstaten die een uitnodiging krijgen om capaciteiten uit de EERC in te zetten, stellen het ERCC overeenkomstig artikel 11, lid 7, van Besluit nr. 1313/2013/EU in kennis van hun uiteindelijke besluit tot inzet. Het ERCC specificeert het tijdsbestek waarbinnen de lidstaat in beginsel wordt geacht te antwoorden. Deze termijn wordt gebaseerd op de aard van de ramp en bedraagt in geen enkel geval minder dan twee uren.

10.   Het verzoekende land informeert het ERCC op welk aanbod van steun het is ingegaan.

11.   Indien steun nodig is om een kritieke behoefte aan te pakken en deze steun niet, of niet in voldoende mate, beschikbaar is in de EERC, stelt de Commissie alle nationale contactpunten via het GNCIS onmiddellijk in kennis van de beschikbare financiële steun van de Unie voor vervoer, krachtens artikel 23, lid 3, onder b), van Besluit nr. 1313/2013/EU.

12.   Wat de verzoeken om interventieteams en middelen betreft, brengt het ERCC de lidstaten op de hoogte van de door het verzoekende land gemaakte keuze. De lidstaten die de steun verlenen, informeren het ERCC geregeld over de verzending van de interventieteams en middelen, met inbegrip van alle capaciteiten die onderdeel zijn van het EERC.

13.   De Commissie kan een deskundigenteam selecteren, aanwijzen en uitzenden voor steunverlening ter plaatse overeenkomstig artikel 17 van Besluit nr. 1313/2013/EU.

Artikel 36

Deskundigenopdrachten

1.   De uitgezonden deskundigen vervullen de taken die zijn beschreven in artikel 8, onder d), van Besluit nr. 1313/2013/EU. Zij brengen periodiek verslag uit bij de autoriteiten van het verzoekende land en bij het ERCC.

2.   Het ERCC houdt de lidstaten op de hoogte van de voortgang van de opdracht van de deskundigen.

3.   Het verzoekende land informeert het ERCC geregeld over de voortgang van de lopende activiteiten ter plaatse.

4.   In het geval van interventies in derde landen licht de leider van het interventieteam het ERCC regelmatig in over het verloop van de activiteiten die op de plaats van de noodsituatie worden ontplooid.

5.   Het ERCC verzamelt alle ontvangen informatie en verspreidt deze bij de contactpunten en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

Artikel 37

Operationele terugtrekking

1.   De verzoekende lidstaat of een van de lidstaten die bijstand verlenen, brengt het ERCC en de uitgezonden deskundigen en interventieteams op de hoogte wanneer hun bijstand niet langer is vereist of niet langer kan worden verleend. De daadwerkelijke terugtrekking wordt op passende wijze georganiseerd door het verzoekende land en de lidstaten. Het ERCC wordt hiervan op de hoogte gehouden.

2.   In derde landen rapporteert de leider van het interventieteam zo spoedig mogelijk aan het ERCC indien hij van oordeel is, na terdege overleg te hebben gepleegd met het verzoekende land, dat de bijstand niet langer is vereist of de doeltreffende verlening van de bijstand wordt belemmerd. Het ERCC zendt deze informatie door naar de delegatie van de Unie in dat land en naar de relevante diensten van de Commissie, de EDEO, en de lidstaten. Het ERCC garandeert in overleg met het verzoekende land de daadwerkelijke terugtrekking van de uitgezonden deskundigen en de interventieteams.

Artikel 38

Rapportage en opgedane ervaringen

1.   De bevoegde autoriteiten van het verzoekende land en van de lidstaten die bijstand hebben verleend, en de uitgezonden deskundigen, kunnen hun conclusies over alle aspecten van de interventie bekendmaken aan het ERCC. Een beknopt verslag over de verstrekte bijstand en eventuele opgedane ervaringen wordt door het ERCC opgesteld.

2.   Onverminderd de artikelen 33 en 34 houden het ERCC en de lidstaten toezicht op de tenuitvoerlegging van de opgedane ervaringen teneinde de bijstandsinterventies in het kader van het Uniemechanisme te optimaliseren.

Artikel 39

Kosten

1.   Tenzij anders is overeengekomen, draagt het verzoekende land de kosten van de door de lidstaten verleende bijstand.

2.   De lidstaat die bijstand verleent, kan, met name gelet op de aard van de noodsituatie en de omvang van de schade, de bijstand geheel of ten dele kosteloos aanbieden. Dat land kan ook op elk moment afzien van de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van zijn kosten.

3.   Tenzij anders is overeengekomen, verstrekt het verzoekende land voor de duur van de interventie kost en logies aan de bijstandsteams en, indien hun voorraden en benodigdheden op raken, zorgt het op eigen kosten voor bevoorrading. De bijstandsteams dienen evenwel in het beginstadium, gedurende een redelijke periode al naar gelang van de gebruikte middelen, logistiek onafhankelijk te zijn en in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, en zij stellen het ERCC hiervan in kennis.

4.   De kosten voor het uitzenden van deskundigen en relevante logistieke steun worden geregeld overeenkomstig artikel 22, onder a), van Besluit nr. 1313/2013/EU. Deze kosten komen in aanmerking voor steun van de Unie.

Artikel 40

Schadevergoedingen

1.   De verzoekende lidstaat ziet ervan af, bijstandverlenende lidstaten om vergoeding te verzoeken voor schade die aan zijn eigendom of personeel is berokkend, indien die schade het gevolg is van de overeenkomstig het Uniemechanisme en dit besluit plaatsvindende bijstandsinterventie, tenzij is bewezen dat deze schade het gevolg is van fraude of ernstig wangedrag.

2.   Indien derden schade hebben geleden als gevolg van een bijstandsinterventie, werken het verzoekende land en de bijstandverlenende lidstaat samen om de vergoeding van die schade te vergemakkelijken, overeenkomstig de bestaande wetgeving en relevante kaders.

HOOFDSTUK 12

PROCEDURE VOOR DE INZET VAN TEAMS VAN DESKUNDIGEN

Artikel 41

Categorieën deskundigen

De lidstaten rangschikken de deskundigen in de volgende categorieën:

a)

technische deskundigen;

b)

evaluatiedeskundigen;

c)

coördinatiedeskundigen;

d)

leiders van interventieteams.

Artikel 42

Taken en functies

1.   De technische deskundigen zijn in staat om advies te verstrekken over specifieke, zeer technische onderwerpen en de daarmee samenhangende risico's en zijn beschikbaar voor opdrachten.

2.   De evaluatiedeskundigen zijn in staat om een evaluatie te maken van de situatie en advies te verlenen over de te nemen maatregelen en zijn beschikbaar voor opdrachten.

3.   Tot de coördinatiedeskundigen behoren in voorkomend geval plaatsvervangende leiders van interventieteams, personeel voor logistiek en communicatie en ander noodzakelijk personeel. Indien daarom wordt verzocht, kunnen de technische deskundigen en de evaluatiedeskundigen in het coördinatieteam worden opgenomen om de leider van het interventieteam voor de gehele duur van de opdracht bij te staan.

4.   De leider van het interventieteam is belast met de leiding van het evaluatie- en coördinatieteam gedurende de interventie. De leider van het interventieteam neemt terdege contact op met de autoriteiten van het getroffen land, met het ERCC, en de contactpersoon van het ERCC, met andere internationale organisaties, alsook, indien bijstandsinterventies plaatsvinden in het kader van het Uniemechanisme buiten de lidstaten, met de delegatie van de Unie in dat land.

5.   Deskundigen die worden ingezet voor paraatheidsopdrachten, kunnen door de Commissie in overeenstemming met hun aanwijzende lidstaat worden gemachtigd een van de functies als bedoeld in artikel 41 op zich te nemen, en zij zijn in staat advies te geven en verslag uit te brengen inzake adequate paraatheidsmaatregelen, onder meer met betrekking tot bestuurlijke capaciteit, de noodzaak van vroegtijdige waarschuwing, opleiding, oefeningen en bewustmaking.

6.   Deskundigen die worden ingezet voor preventie-opdrachten, kunnen door de Commissie in overeenstemming met hun aanwijzende lidstaat worden gemachtigd een van de functies als bedoeld in artikel 41 op zich te nemen, en zij zijn in staat advies te geven en verslag uit te brengen inzake adequate preventiemaatregelen en de capaciteit voor risicobeheer.

Artikel 43

Deskundigengegevensbank

1.   De gegevens betreffende de deskundigen worden door de Commissie verzameld in een deskundigengegevensbank en via het GNCIS toegankelijk gemaakt.

2.   De deskundigen die zijn opgenomen in de EERC, worden specifiek geïdentificeerd in de gegevensbank als bedoeld in lid 1.

Artikel 44

Opleidingsvereisten

De deskundigen volgen indien nodig het overeenkomstig artikel 26 opgezette opleidingsprogramma.

Artikel 45

Aanwijzing

Bij een verzoek tot steun zijn de lidstaten verantwoordelijk voor de aanwijzing van beschikbare deskundigen en voor het melden van hun contactgegevens bij het ERCC.

Artikel 46

Inzet en dienstencontract

1.   Het ERCC is in staat om de aangewezen deskundigen, nadat zij door de lidstaten voor een specifieke opdracht zijn aangewezen, op zeer korte termijn in te zetten en uit te zenden.

2.   De Commissie ondertekent met elke deskundige een dienstencontract dat de volgende elementen omvat:

a)

de doelstellingen van de opdracht;

b)

het mandaat;

c)

de beoogde duur van de opdracht;

d)

informatie over de lokale contactpersonen;

e)

de dekking door de verzekering;

f)

de dagvergoeding om uitgaven te dekken;

g)

de specifieke betalingsvoorwaarden;

h)

richtsnoeren voor technische deskundigen, evaluatiedeskundigen, coördinatiedeskundigen en leiders van interventieteams.

HOOFDSTUK 13

VERVOERSSTEUN

Artikel 47

Vormen van vervoerssteun

Vervoerssteun kan de vorm aannemen van:

a)

pooling of delen van vervoerscapaciteiten;

b)

vaststellen en faciliteren van de toegang voor de lidstaten tot vervoersmiddelen op de commerciële markt en/of van andere oorsprong; of

c)

verstrekken van steun van de Unie aan de lidstaten via subsidies of via vervoersdiensten die door particuliere of andere entiteiten worden verstrekt.

Artikel 48

Procedure voor vervoerssteun via het Uniemechanisme

1.   De procedures waarin is voorzien bij de artikelen 49 en 50, zijn van toepassing indien een verzoek tot vervoerssteun wordt gedaan.

2.   Verzoeken moeten door de in artikel 56 bedoelde bevoegde instantie schriftelijk aan de Commissie worden gericht. Zij moeten de in deel A van bijlage VIII bedoelde informatie bevatten.

3.   Bij pooling van vervoersfaciliteiten kan een lidstaat de leiding nemen en voor de volledige operatie om financiële steun van de Unie verzoeken.

4.   Alle verzoeken tot vervoerssteun in het kader van dit besluit en verwante reacties en uitwisselingen van informatie tussen de lidstaten en de Commissie worden gemeld bij en verwerkt door het ERCC.

5.   Verzoeken worden via het GNCIS of e-mail doorgezonden. Per fax of e-mail of via het GNCIS ingediende verzoeken waarbij ook om financiering door de Gemeenschap wordt gevraagd, worden aanvaard mits de door de bevoegde instantie ondertekende originelen vervolgens onverwijld naar de Commissie worden gezonden.

6.   De Commissie kan echter een elektronisch uitwisselingssysteem instellen voor alle uitwisselingen met begunstigden, met inbegrip van de sluiting van subsidieovereenkomsten, de kennisgeving van subsidiebesluiten en eventuele wijzigingen daarbij, krachtens artikel 179 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (5).

Artikel 49

Verzoek om vervoerssteun

1.   De Commissie stelt na ontvangst van een verzoek tot steun de contactpunten die door de lidstaten volgens artikel 9, lid 7, van Besluit nr. 1313/2013/EU zijn aangewezen, onverwijld daarvan in kennis.

2.   In de kennisgeving kan de Commissie indien gewenst de lidstaten uitnodigen details te verstrekken over eventuele vervoersmiddelen die zij aan de verzoekende lidstaat ter beschikking kunnen stellen, of over enige andere alternatieve oplossing die zij kunnen voorstellen, om aan de behoeften van het verzoekende land tegemoet te komen. De Commissie kan een maximumtermijn vaststellen om deze informatie te verstrekken.

3.   Na kennisgeving aan de contactpunten door de Commissie als bedoeld in lid 1 komt het gevraagde vervoer in aanmerking voor medefinanciering door de Unie, onverminderd artikel 53.

Artikel 50

Antwoorden op verzoeken om vervoerssteun

1.   De lidstaten die vervoerssteun kunnen verstrekken, stellen de Commissie zo spoedig mogelijk in kennis, uiterlijk 24 uur na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in artikel 49, tenzij in die kennisgeving iets anders is bepaald, van alle vervoersmiddelen die zij op vrijwillige basis beschikbaar kunnen stellen in antwoord op het verzoek tot steun, voor pooling of ter identificatie van vervoersmiddelen. Deze informatie omvat eveneens de elementen waarin is voorzien in deel B van bijlage VIII, alsook informatie over eventuele financiële voorwaarden of beperkingen.

2.   De Commissie bundelt de informatie over de beschikbare vervoersmiddelen en stuurt die zo snel mogelijk door naar de verzoekende lidstaat.

3.   Behalve de in lid 2 bedoelde informatie stuurt de Commissie de lidstaten ook alle andere informatie die zij heeft over elders, zoals op de commerciële markt, beschikbare vervoersmiddelen en vergemakkelijkt zij de toegang van de lidstaten tot die aanvullende vervoersmiddelen.

4.   De verzoekende lidstaat licht de Commissie in over de door hem gekozen vervoersoplossingen en neemt contact op met de lidstaten die de steun geven of met de door de Commissie geïdentificeerde marktdeelnemer.

5.   De Commissie stelt alle lidstaten in kennis van de keuze van de verzoekende lidstaat. Dat land brengt de Commissie regelmatig op de hoogte van de vorderingen bij het verlenen van de civielebeschermingsbijstand.

Artikel 51

Verzoek om subsidie

1.   Wanneer een mogelijke vervoersoplossing is gevonden door een lidstaat, maar financiering door de Unie nodig is om het vervoer van de civielebeschermingsbijstand mogelijk te maken, kan de lidstaat de Unie om een subsidie vragen.

2.   De lidstaat geeft in zijn verzoek het percentage van financiering door de Unie aan waarom hij verzoekt, maximaal 55 % van de subsidiabele kosten voor vervoersactiviteiten overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU, en maximaal 85 % van de subsidiabele kosten voor vervoersactiviteiten overeenkomstig artikel 23, lid 3, onder a) en b), van Besluit nr. 1313/2013/EU. De Commissie stelt alle lidstaten onverwijld in kennis van het verzoek.

3.   De Commissie kan raampartnerschapsovereenkomsten opzetten met de relevante bevoegde autoriteiten van de lidstaten als bedoeld in artikel 178 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012.

Artikel 52

Verzoek om vervoersdiensten

1.   In gevallen waarin de om vervoerssteun verzoekende lidstaat geen vervoersoplossing heeft gevonden, kan hij de Commissie vragen met een particuliere of andere onderneming een contract voor een vervoersdienst te sluiten om zijn civielebeschermingsbijstand naar het getroffen land te vervoeren.

2.   Na ontvangst van een verzoek als bedoeld in lid 1 stelt de Commissie onverwijld alle lidstaten van het verzoek in kennis en licht zij de om een vervoersdienst verzoekende lidstaat in over eventuele beschikbare oplossingen en de kosten hiervan.

3.   Op basis van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie-uitwisseling geeft de lidstaat een schriftelijke bevestiging van zijn verzoek om een vervoersdienst en van zijn belofte de Commissie overeenkomstig artikel 54 terug te betalen. De lidstaat geeft aan welk percentage van de kosten hij zal terugbetalen. Dit percentage bedraagt minimaal 45 % voor vervoersactiviteiten volgens artikel 23, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU, en 15 % voor vervoersactiviteiten volgens artikel 23, lid 3, onder a) en b), van Besluit nr. 1313/2013/EU.

4.   De lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van alle veranderingen in het verzoek om een vervoersdienst.

Artikel 53

Besluit inzake Uniefinanciering van vervoerssteun

1.   Om te bepalen of de criteria van artikel 23, lid 1, onder d), van Besluit nr. 1313/2013/EU en de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/212 van het Europees Parlement en de Raad (6) zijn nageleefd, wordt rekening gehouden met het volgende:

a)

de informatie in het door de lidstaat overeenkomstig artikel 48, lid 2, ingediende verzoek om financiering door de Unie;

b)

de door het getroffen land gemelde behoeften;

c)

de behoeften zoals deze eventueel worden beoordeeld door de deskundigen die tijdens de noodsituatie verslag uitbrengen aan de Commissie;

d)

andere door de lidstaten en internationale organisaties verstrekte relevante en betrouwbare informatie waarover de Commissie ten tijde van haar besluit beschikt;

e)

de efficiëntie en doeltreffendheid van de vervoersoplossingen die de tijdige verstrekking van de civielebeschermingsbijstand moeten garanderen;

f)

de mogelijkheden van lokale aanbestedingen;

g)

andere maatregelen van de Commissie.

2.   De lidstaten verstrekken alle aanvullende informatie die nodig is om te beoordelen of aan de in artikel 23, lid 1, onder d), van Besluit nr. 1313/2013/EU genoemde criteria is voldaan. De lidstaten stellen de Commissie zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een verzoek van de Commissie om dergelijke informatie op de hoogte.

3.   De Commissie geeft het bedrag aan van de te betalen voorfinanciering, die kan oplopen tot 85 % van de totale financiële bijdrage van de Unie die is gevraagd, naargelang van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen. Er wordt geen voorfinanciering toegekend voor subsidies die vallen beneden de drempel van geringe subsidies als vastgesteld in artikel 185 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012, tenzij de om financiële steun verzoekende lidstaat kan aantonen dat het uitblijven van voorfinanciering de tenuitvoerlegging van de activiteiten in gevaar zou brengen.

4.   Het besluit over financiële steun wordt onverwijld meegedeeld aan de lidstaat die om financiële steun verzocht. Het wordt ook aan alle andere lidstaten meegedeeld.

5.   Individuele verzoeken tot vervoerssubsidie waarvoor de verlangde Uniebijdrage lager is dan 2 500 EUR, komen niet in aanmerking voor medefinanciering van de Unie, behalve indien zij worden gedekt door de raampartnerschapsovereenkomsten als bedoeld in artikel 51, lid 3.

Artikel 54

Terugbetaling van Uniefinanciering van vervoerssteun

Voor de door de Commissie volgens de procedure van artikel 52 gemaakte kosten stuurt de Commissie de lidstaten die van de financiering door de Unie hebben geprofiteerd, binnen 90 dagen na de voltooiing van de vervoersoperatie waarvoor financiële steun van de Unie werd toegekend, een invorderingsopdracht over een bedrag dat overeenkomt met de bepalingen van het besluit van de Commissie over het verzoek om een vervoersdienst en dat ten minste 15 % van de vervoerkosten uitmaakt, voor vervoersactiviteiten overeenkomstig artikel 23, lid 3, van Besluit nr. 1313/2013/EU, en ten minste 45 % voor vervoersactiviteiten overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Besluit nr. 1313/2013/EU.

Artikel 55

Schadevergoedingen

De lidstaat die om vervoerssteun verzoekt, vraagt de Commissie geen schadevergoeding voor schade aan zijn eigendommen of voor schade voor zijn personeel wanneer die schade het gevolg is van het verstrekken van vervoerssteun in het kader van dit besluit, tenzij bewezen is dat de schade het gevolg is van fraude of grove schuld.

Artikel 56

Aanwijzing van bevoegde autoriteiten

De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die gemachtigd zijn om financiële steun uit hoofde van dit besluit bij de Commissie te vragen en van de Commissie te ontvangen en stellen de Commissie daar binnen 60 dagen na de kennisgeving van dit besluit van in kennis. Wijzigingen in die informatie worden onverwijld ter kennis van de Commissie gebracht.

Kennisgevingen aan bevoegde autoriteiten die door de lidstaten worden gedaan overeenkomstig artikel 12 van Beschikking 2007/606/EG, Euratom, blijven echter geldig tot verder informatie van de betrokken lidstaat wordt ontvangen.

HOOFDSTUK 14

SLOTBEPALINGEN

Artikel 57

Intrekking

De Beschikkingen 2004/277/EG, Euratom en 2007/606/EG, Euratom worden ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken beschikkingen gelden als verwijzingen naar onderhavig besluit en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

Artikel 58

Geadresseerden

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 16 oktober 2014.

Voor de Commissie

Kristalina GEORGIEVA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924.

(2)  Beschikking 2004/277/EG, Euratom van de Commissie van 29 december 2003 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Beschikking 2001/792/EG, Euratom van de Raad tot vaststelling van een communautair mechanisme ter vergemakkelijking van versterkte samenwerking bij bijstandsinterventies in het kader van civiele bescherming (PB L 87 van 25.3.2004, blz. 20).

(3)  Beschikking 2007/606/EG, Euratom van de Commissie van 8 augustus 2007 tot vaststelling van regels voor de uitvoering van de bepalingen over vervoer in Beschikking 2007/162/EG, Euratom van de Raad tot instelling van een financieringsinstrument voor civiele bescherming (PB L 241 van 14.9.2007, blz. 17).

(4)  Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde (PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).

(6)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).


BIJLAGE I

GNCIS

Image

Tekst van het beeld

Image

Tekst van het beeld

BIJLAGE II

ALGEMENE VEREISTEN VOOR MODULES EN TEAMS VOOR TECHNISCHE BIJSTAND EN ONDERSTEUNING

1.   Pompen met hoog debiet

Taken

Pompwerkzaamheden:

in overstroomde gebieden,

om water te leveren ter ondersteuning bij brandbestrijding.

Capaciteiten

Pompwerkzaamheden met mobiele pompen met middelhoog en hoog debiet:

met een totale capaciteit van minstens 1 000 m3/uur; en

waarmee bij een gereduceerde pompcapaciteit een hoogteverschil van 40 m kan worden overbrugd.

De mogelijkheden van deze pompen zijn:

ze kunnen worden ingezet in moeilijk toegankelijke gebieden en terreinen,

ze kunnen modderig water pompen dat maximaal 5 % vaste elementen bevat met brokken tot 40 mm groot,

ze kunnen gedurende langere operaties water pompen tot maximaal 40 °C,

ze kunnen water aanvoeren over een afstand van 1 000  m.

Belangrijkste onderdelen

Pompen met middelhoog en hoog debiet.

Slangen en koppelingen die compatibel zijn met verschillende normen, waaronder de Storz-norm.

Voldoende personeel om de werkzaamheden uit te voeren, indien nodig op continue basis.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

Inzetbaar gedurende maximaal 21 dagen.

2.   Waterzuivering

Taken

Voorziening met drinkwater afkomstig van oppervlaktewater, overeenkomstig de toepasselijke normen en ten minste op het niveau van de WHO-normen.

Waterkwaliteitscontrole aan de uitgang van de zuiveringsinstallatie.

Capaciteiten

Zuivering van 225 000 liter water per dag.

Opslagcapaciteit equivalent aan de productie van een halve dag.

Belangrijkste onderdelen

Mobiele waterzuiveringseenheid.

Mobiele watertank.

Mobiel veldlaboratorium.

Koppelingen die compatibel zijn met verschillende normen, inclusief de Storz-norm.

Voldoende personeel om de werkzaamheden uit te voeren, indien nodig op continue basis.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

Inzetbaar gedurende een periode van maximaal twaalf weken.

3.   Middelzware stedelijke zoek- en reddingsoperaties

Taken

Opsporen, lokaliseren en redden van slachtoffers (1) die onder puin liggen (bijvoorbeeld bij ingestorte gebouwen en verkeersongevallen).

De nodige levensreddende eerste hulp bieden tot aan de overdracht voor verdere behandeling.

Capaciteiten

De module moet in staat zijn de volgende taken te verrichten, rekening houdend met erkende internationale richtsnoeren, zoals de INSARAG-richtsnoeren:

opsporen met speurhonden en/of technische zoekapparatuur,

redden, inclusief tillen,

snijden van beton,

gebruik van reddingstouw,

eenvoudig stutten,

opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen (2),

gevorderde levensondersteunende behandeling (3).

Vermogen om gedurende zeven dagen 24 uur per dag op een locatie te werken.

Belangrijkste onderdelen

Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel).

Opsporing (technische opsporing en/of opsporing met speurhonden; opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen).

Redden (breken en doorgangen maken, snijden, tillen en vervoeren, stutten, gebruik van reddingstouw).

Medische verzorging van slachtoffers, personeel en reddingshonden.

Zelfvoorziening

Ten minste gedurende een operatie van zeven dagen.

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Binnen 32 uur operationeel in het getroffen land.

4.   Zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties

Taken

Opsporen, lokaliseren en redden van slachtoffers (4) die onder puin liggen (bijvoorbeeld bij ingestorte gebouwen en verkeersongevallen).

De nodige levensreddende eerste hulp bieden tot aan de overdracht voor verdere behandeling.

Capaciteiten

De module moet in staat zijn de volgende taken te verrichten, rekening houdend met erkende internationale richtsnoeren, zoals de INSARAG-richtsnoeren:

opsporen met speurhonden en technische zoekapparatuur,

redden, inclusief tillen van zware lasten,

snijden van gewapend beton en constructiestaal,

gebruik van reddingstouw,

uitgebreid stutten,

opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen (5),

gevorderde levensondersteunende behandeling (6).

Vermogen om gedurende tien dagen 24 uur per dag op meer dan één locatie te werken.

Belangrijkste onderdelen

Leidinggeven (commando, contact/coördinatie, planning, media/verslaggeving, evaluatie/analyse, veiligheid van mensen en materieel).

Opsporen (technische opsporing, opsporing met speurhonden, opsporen en onschadelijk maken van gevaarlijke stoffen).

Redden (breken en doorgangen maken, snijden, tillen en vervoeren, stutten, gebruik van reddingstouw).

Medische verzorging van slachtoffers, personeel en reddingshonden (7).

Zelfvoorziening

Ten minste gedurende een operatie van tien dagen.

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Binnen 48 uur operationeel in het getroffen land.

5.   Module voor de bestrijding van bosbranden met helikopters

Taken

Bijdragen aan het blussen van grote bos- en vegetatiebranden door middel van brandbestrijding vanuit de lucht.

Capaciteiten

Drie helikopters met een capaciteit van elk 1 000 liter.

Continu inzetbaar.

Belangrijkste onderdelen

Drie helikopters met bemanning, waarbij telkens ten minste twee helikopters tegelijk operationeel kunnen zijn.

Technisch personeel.

4 wateremmers of 3 waterstortuitrustingen.

1 onderhoudsset.

1 stel reserveonderdelen.

2 reddingstakels.

Communicatieapparatuur.

Zelfvoorziening

De bepalingen van artikel 12, lid 1, onder f) en g), zijn van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 3 uur na aanvaarding van het aanbod.

6.   Module voor de bestrijding van bosbranden met vliegtuigen

Taken

Bijdragen aan het blussen van grote bos- en vegetatiebranden door middel van brandbestrijding vanuit de lucht.

Capaciteiten

Twee vliegtuigen met een capaciteit van elk 3 000 liter.

Continu inzetbaar.

Belangrijkste onderdelen

Twee vliegtuigen.

Minstens vier bemanningen.

Technisch personeel.

Veldonderhoudsuitrusting.

Communicatieapparatuur.

Zelfvoorziening

De bepalingen van artikel 12, lid 1,onder f) en g), zijn van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 3 uur na aanvaarding van het aanbod.

7.   Voorste medische post

Taken

Indelen van de patiënten (triage) op de plaats van de ramp.

Stabiliseren van de toestand en voorbereiding van de patiënten voor vervoer naar de meest geschikte medische faciliteit voor definitieve behandeling.

Capaciteiten

Triage van minstens 20 patiënten per uur.

Medisch team dat per 24 uur 50 patiënten kan stabiliseren, werkend in tweeploegendienst.

Medische voorraad voor de behandeling van 100 lichtgewonde patiënten per 24 uur.

Belangrijkste onderdelen

Medisch team voor ploegendienst van 12 uur:

triage: 1 verpleegkundige en/of 1 arts,

intensieve verzorging: 1 arts en 1 verpleegkundige,

ernstige maar niet-levensbedreigende letsels: 1 arts en 2 verpleegkundigen,

evacuatie: 1 verpleegkundige,

gespecialiseerd ondersteunend personeel, 4.

Tenten:

tent(en) met onderling verbonden vertrekken voor triage, medische verzorging en evacuatie,

tent(en) voor het personeel.

Commandopost.

Opslagruimte voor logistieke en medische voorraad.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

Operationeel één uur na aankomst op de locatie.

8.   Voorste medische post met operatieruimte

Taken

Indelen van de patiënten (triage) op de plaats van de ramp.

Uitvoeren van levensreddende chirurgische ingrepen.

Stabiliseren van de toestand en voorbereiding van de patiënten voor vervoer naar de meest geschikte medische faciliteit voor definitieve behandeling.

Capaciteiten

Triage van minstens 20 patiënten per uur.

Medisch team dat per 24 uur 50 patiënten kan stabiliseren, werkend in tweeploegendienst.

Medisch team dat levensreddende chirurgische ingrepen kan verrichten op 12 patiënten per 24 uur activiteit, werkend in tweeploegendienst.

Medische voorraad voor de behandeling van 100 lichtgewonde patiënten per 24 uur.

Belangrijkste onderdelen

Medisch team voor ploegendienst van 12 uur:

triage: 1 verpleegkundige en/of 1 arts,

intensieve verzorging: 1 arts en 1 verpleegkundige,

chirurgie: 3 chirurgen, 2 operatieassistenten, 1 anesthesist, 1 anesthesieassistent,

ernstige maar niet-levensbedreigende letsels: 1 arts en 2 verpleegkundigen,

evacuatie: 1 verpleegkundige,

gespecialiseerd ondersteunend personeel, 4.

Tenten:

tent(en) met onderling verbonden vertrekken voor triage, medische verzorging en evacuatie,

tent(en) voor het uitvoeren van operaties,

tent(en) voor het personeel.

Commandopost.

Opslagruimte voor logistieke en medische voorraad.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

Operationeel één uur na aankomst op de locatie.

9.   Veldhospitaal

Taken

Verschaffen van eerste en/of verdere trauma- en medische behandeling, met inachtneming van de erkende internationale richtsnoeren voor het gebruik van veldhospitalen in het buitenland, zoals de richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie of het Rode Kruis.

Capaciteiten

10 bedden voor patiënten met zware trauma's met mogelijkheid tot uitbreiding van de capaciteit.

Belangrijkste onderdelen

Medisch team voor:

triage,

intensieve verzorging,

chirurgie,

ernstige maar niet-levensbedreigende letsels,

evacuatie,

gespecialiseerd ondersteunend personeel,

en ten minste de volgende personeelsleden: huisarts, urgentieartsen, orthopeed, kinderarts, anesthesist, apotheker, verloskundige, medisch directeur, laborant, radiologisch laborant.

Tenten:

voor de medische activiteiten geschikte tenten,

tenten voor het personeel.

Commandopost.

Opslagruimte voor logistieke en medische voorraad.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk zeven dagen na de oproep.

Operationeel 12 uur na aankomst op de locatie.

Ten minste gedurende 15 dagen operationeel.

10.   Luchtevacuatie van gewonde rampenslachtoffers

Taken

Vervoer van rampenslachtoffers naar gezondheidsinrichtingen voor medische behandeling.

Capaciteiten

Capaciteit voor het vervoer van 50 patiënten per 24 uur.

Dag en nacht inzetbaar.

Belangrijkste onderdelen

Helikopters/vliegtuigen met brancards.

Zelfvoorziening

De bepalingen van artikel 12, lid 1, onder f) en g), zijn van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

11.   Tijdelijke noodopvang

Taken

Verschaffen van noodopvang, inclusief personeel voor de opbouw, hoofdzakelijk in het beginstadium van een ramp in coördinatie met de bestaande structuren, lokale autoriteiten en internationale organisaties tot het moment van overdracht aan de lokale autoriteiten of humanitaire organisaties, voor het geval de capaciteit gedurende langere tijd nodig blijft.

In het geval van een overdracht moet het betrokken (lokale en/of internationale) personeel vóór de terugtrekking van de module geschoold worden.

Capaciteiten

Tentenkamp voor de opvang van 250 personen (50 tenten).

Belangrijkste onderdelen

Rekening houdend met erkende internationale en EU-normen:

tenten met verwarming (voor winterse omstandigheden) en veldbedden met slaapzak en/of deken,

stroomgeneratoren en verlichting,

sanitair en hygiënefaciliteiten,

drinkwatervoorziening, overeenkomstig de WHO-normen,

ontmoetingsruimte voor de belangrijkste sociale activiteiten.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

In het algemeen dient de interventie maximaal vier tot zes weken te duren, of is waar nodig begonnen met de overdracht.

12.   Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering (CBRN)

Taken

Uitvoering/bevestiging van de eerste evaluatie, inclusief:

beschrijving van gevaren of risico's,

afbakening van het besmette gebied,

evaluatie of bevestiging van de reeds genomen beschermende maatregelen.

Uitvoering van gekwalificeerde bemonstering.

Aanduiding van het besmette gebied.

Inschatting van de situatie, monitoring, dynamische risicobeoordeling, inclusief aanbevelingen voor waarschuwingen of andere maatregelen.

Ondersteuning geven voor onmiddellijke risicovermindering.

Capaciteiten

Identificatie van de chemische stoffen en detectie van de radiologische gevaren met een combinatie van draagbare, mobiele en laboratoriumapparatuur voor:

detectie van alfa-, beta- en gammastraling en identificatie van bekende isotopen,

identificatie en, indien mogelijk, uitvoering van semikwantitatieve analysen op bekende toxische industriële chemische stoffen en bekende middelen voor chemische oorlogsvoering.

Verzamelen, hanteren en bereiden van biologische, chemische en radiologische monsters voor verdere analyse elders (8).

Toepassen van een passend wetenschappelijk model voor de risicoprognose en bevestiging van het model door doorlopende monitoring.

Ondersteuning geven voor onmiddellijke risicovermindering:

risicobeheersing,

risiconeutralisatie,

technische bijstand aan andere teams of modules.

Belangrijkste onderdelen

Mobiel chemisch en radiologisch veldlaboratorium.

Draagbare of mobiele detectieapparatuur.

Apparatuur voor veldbemonstering.

Systemen voor dispersiemodellering.

Mobiel weerstation.

Markeermateriaal.

Referentiedocumenten en toegang tot relevante wetenschappelijke expertise.

Zekere en veilige opsluiting van monsters en afval.

Decontaminatiefaciliteiten voor het personeel.

Deskundig personeel en beschermingsuitrusting bestand tegen werken in een besmette en/of zuurstofarme omgeving, in voorkomend geval inclusief gasdichte pakken.

Technische apparatuur voor risicobeheersing en -neutralisatie.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

13.   Zoek- en reddingsoperaties bij CBRN-gevaren

Taken

Speciale zoek- en reddingsoperaties waarbij het personeel beschermende pakken draagt.

Capaciteiten

Speciale zoek- en reddingsoperaties met beschermende pakken, overeenkomstig de eisen voor de modules voor respectievelijk middelzware en zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties.

Drie gelijktijdig in het kritische gebied werkende personen.

Continue interventie gedurende 24 uur.

Belangrijkste onderdelen

Markeermateriaal.

Zekere en veilige opsluiting van afval.

Decontaminatiefaciliteiten voor het personeel en de geredde slachtoffers.

Deskundig personeel en beschermingsuitrusting bestand tegen zoek- en reddingsoperaties in een besmette omgeving, overeenkomstig de eisen voor de modules voor respectievelijk middelzware en zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties.

Technische apparatuur voor risicobeheersing en -neutralisatie.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

14.   Bestrijding van bosbranden op de grond

Taken

Bijdragen tot het blussen van grote bos- en vegetatiebranden met apparatuur op de grond.

Capaciteiten

Vermogen om gedurende zeven dagen 24 uur per dag te werken.

Vermogen om te werken in moeilijk toegankelijke gebieden.

Vermogen om minstens 2 km lange lijnen brandslangen met pompen te installeren en/of continu verdedigingslinies te installeren.

Belangrijkste onderdelen

Brandweerlieden opgeleid om bovengenoemde taken uit te voeren, die een aanvullende veiligheidsopleiding hebben gevolgd, rekening houdend met de verschillende soorten branden waarvoor de module kan worden ingezet.

Draagbare apparatuur installeren voor het leggen van verdedigingslijnen.

Brandslangen, draagbare tanks en pompen voor het aanleggen van brandbestrijdingslijnen.

Aanpassingsstukken voor de aansluiting van brandslangen, ook volgens de Storz-norm.

Rugzakken voor watertransport.

Uitrusting die met een touw of windas uit een helikopter kan neergelaten worden.

Evacuatieprocedures voor de brandweer moeten met het ontvangende land worden afgesproken.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 6 uur na aanvaarding van het aanbod.

Continu inzetbaar gedurende zeven dagen.

15.   Bosbrandbestrijding met voertuigen op de grond

Taken

Bijdragen tot het blussen van grote bos- en vegetatiebranden met brandweerwagens.

Capaciteiten

Voldoende personeel en voertuigen voor continue inzet van minstens 20 brandweerlieden tegelijk.

Belangrijkste onderdelen

Brandweerlieden opgeleid om bovengenoemde taken uit te voeren.

4 terreinvoertuigen.

Alle voertuigen met een tankinhoud van minstens 2 000 liter.

Aanpassingsstukken voor de aansluiting van brandslangen, ook volgens de Storz-norm.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 6 uur na aanvaarding van het aanbod.

Continu inzetbaar gedurende zeven dagen.

Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.

16.   Bestrijding van overstromingen

Taken

Versterking van bestaande structuren en bouw van nieuwe dammen om verdere overstromingen van rivieren, waterbekkens en waterwegen met een stijgend waterpeil te voorkomen.

Capaciteiten

Vermogen om water op te stuwen tot een hoogte van minstens 0,8 m met gebruikmaking van:

materiaal voor de bouw van dammen met een lengte van minstens 1 000  m,

andere ter plaatse beschikbaar gestelde materialen.

Vermogen om bestaande dijken te versterken.

Vermogen om op minstens drie locaties tegelijk te functioneren in een voor vrachtwagens toegankelijk gebied.

Inzetbaar 24/7.

Controle en onderhoud van dammen en dijken.

Vermogen om met plaatselijk personeel samen te werken.

Belangrijkste onderdelen

Materiaal voor het bouwen van waterdichte dammen over een totale afstand van 1 000  m (zand moet door de plaatselijke autoriteiten beschikbaar worden gesteld).

Folie/kunststoflagen (zo nodig om een bestaande dam waterdicht te maken, naargelang van de constructie van de dam).

Machine voor het vullen van zandzakken.

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.

Vermogen om gedurende minstens tien dagen operationeel te zijn.

17.   Redding van overstromingsslachtoffers met behulp van boten

Taken

Zoek- en reddingsacties en bijstand aan mensen die geblokkeerd zitten in een overstromingssituatie, met gebruikmaking van boten.

Levensreddende hulp bieden en waar nodig verstrekken van essentiële hulpgoederen.

Capaciteiten

Vermogen om mensen in stedelijke en rurale gebieden op te sporen.

Vermogen om mensen in een overstromingsgebied te redden, met inbegrip van eerste medische hulp.

Vermogen samen te werken met zoekacties vanuit de lucht (helikopters en vliegtuigen).

Vermogen te voorzien in de eerste hulpbehoeften in overstromingsgebieden:

vervoer van artsen, geneesmiddelen, enz.

voedsel en water.

De module moet over minstens 5 boten beschikken en in totaal 50 mensen kunnen vervoeren, het personeel van de module niet inbegrepen.

De boten moeten bestand zijn tegen koude klimaatomstandigheden en stroomopwaarts een snelheid van minstens 10 knopen kunnen ontwikkelen.

Inzetbaar 24/7.

Belangrijkste onderdelen

Boten ontworpen voor:

ondiep stromend water (> 0,5 m),

gebruik bij winderig weer,

gebruik dag en nacht,

gebruik overeenkomstig internationale veiligheidsnormen, met inbegrip van zwemvesten voor de passagiers.

Reddingswerkers voor snelle redding bij noodsituaties in het water. (Geen duikoperaties, uitsluitend redding aan de oppervlakte.)

Zelfvoorziening

Artikel 12 is van toepassing.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.

Inzetbaar op het land of op zee. Inzet vanuit de lucht uitsluitend in degelijk gemotiveerde gevallen.

Vermogen om gedurende minstens tien dagen operationeel te zijn.

Teams voor technische bijstand en ondersteuning

Algemene vereisten voor teams voor technische bijstand en ondersteuning

Taken

Voorzien in of zorgen voor:

steun voor het opzetten en beheren van kantoren,

ICT-steun,

logistieke steun en steun voor verblijf,

vervoerssteun ter plaatse.

Capaciteiten

In staat tot ondersteuning van evaluatie-, coördinatie- en/of paraatheidsteams, een coördinatiecentrum voor operaties ter plaatse, of te worden gecombineerd met een civielebeschermingsmodule als bedoeld in artikel 12, lid 2, onder c).

Belangrijkste onderdelen

De volgende ondersteunende componenten die alle operaties ter plaatse en de functies van de coördinatiecentra mogelijk maken, rekening houdend met erkende internationale normen zoals VN-normen:

steun voor het opzetten en beheren van kantoren,

ICT-steun,

logistieke steun en steun voor verblijf,

vervoerssteun ter plaatse.

De componenten moeten in diverse eenheden kunnen worden opgesplitst om een flexibele aanpassing aan de behoeften van een specifieke interventie mogelijk te maken.

Inzet

Klaar voor vertrek uiterlijk 12 uur na aanvaarding van het aanbod.


(1)  Levende slachtoffers.

(2)  Basiscapaciteit, meer uitgebreide capaciteiten zijn opgenomen in de module „Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering”.

(3)  Patiëntenverzorging (eerste hulp en medische stabilisering) vanaf het moment van de redding tot aan de overdracht van het slachtoffer.

(4)  Levende slachtoffers.

(5)  Basiscapaciteit, meer uitgebreide capaciteiten zijn opgenomen in de module „Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering”.

(6)  Patiëntenverzorging (eerste hulp en medische stabilisering) vanaf het moment van de redding tot aan de overdracht van het slachtoffer.

(7)  Afhankelijk van de voorwaarden voor medische en diergeneeskundige vergunningen.

(8)  Indien mogelijk moet bij dit proces rekening worden gehouden met de eisen van het om hulp verzoekende land ten aanzien van het bewijsmateriaal.


BIJLAGE III

BEGINCONFIGURATIE VAN DE EERC

Modules

Module

Aantal modules dat tegelijk inzetbaar is (1)

HCP (Pompen met hoog debiet)

6

MUSAR (Middelzware stedelijke zoek- en reddingsoperaties — één in koude klimaatsomstandigheden)

6

WP (Waterzuivering)

2

FFFP (Module voor de bestrijding van bosbranden met vliegtuigen)

2

AMP (Voorste medische post)

2

ETC (Tijdelijk noodkamp)

2

HUSAR (Zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties)

2

CBRNDET (Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering)

2

GFFF (Bestrijding van bosbranden op de grond)

2

GFFF-V (Bestrijding van bosbranden met voertuigen op de grond)

2

CBRNUSAR (Stedelijke zoek- en reddingsoperaties in chemische, biologische, radiologische en nucleaire context)

1

AMP-S (Voorste medische post met operatieruimte)

1

FC (Bedwinging van overstromingen)

2

FRB (Redding van overstromingsslachtoffers met behulp van boten)

2

MEVAC (Luchtevacuatie van gewonde rampenslachtoffers)

1

FHOS (Veldhospitaal)

2

FFFH (Module voor de bestrijding van bosbranden met helicopters)

2


TAST (Teams voor technische bijstand en ondersteuning)

Teams voor technische bijstand en ondersteuning

Aantal TAST dat tegelijk inzetbaar is (1)

TAST (Teams voor technische bijstand en ondersteuning)

2


Andere responscapaciteiten

Andere responscapaciteit

Aantal andere responscapaciteiten dat tegelijk inzetbaar is (1)

Teams voor zoek- en reddingsoperaties in de bergen

2

Teams voor zoek- en reddingsoperaties op het water

2

Teams voor zoek- en reddingsoperaties in grotten

2

Teams met speciale zoek- en reddingsuitrusting, bv. zoekrobots

2

Teams met onbemande luchtvoertuigen

2

Teams voor respons op ongevallen op zee

2

Structurele ingenieursteams, voor het uitvoeren van schade- en veiligheidsevaluaties, het vaststellen of gebouwen moeten worden afgebroken of hersteld, evaluatie van infrastructuur, stutten voor een korte periode

2

Evacuatiesteun: met inbegrip van teams voor informatiebeheer en logistiek

2

Brandbestrijding: advies-/evaluatieteams

2

Teams voor chemische, biologische, radiologische en nucleaire decontaminatie

2

Mobiele laboratoria voor noodsituaties op milieugebied

2

Communicatieteams of platforms om in afgelegen gebieden snel de communicatie te herstellen

2

Luchtambulance voor medische evacuatie en helicopter voor medische evacuatie afzonderlijk voor zowel binnen Europa als wereldwijd

2

Extra opvangcapaciteit: eenheden voor 250 personen (50 tenten); incl. zelfvoorzieningseenheid voor het behandelende personeel

100

Extra capaciteit opvang-sets: eenheden voor 2 500 personen (500 dekkleden); met instrumentenset mogelijk lokaal te bezorgen

6

Waterpompen met een pompcapaciteit van minimaal 800 l/min

100

Stroomaggregaten 5-150 kW

Stroomaggregaten > 150 kW

100

10

Capaciteiten inzake mariene verontreiniging

wanneer noodzakelijk

Andere responscapaciteiten die noodzakelijk zijn om geïdentificeerde risico's aan te pakken (1)

wanneer noodzakelijk


(1)  Om deze beschikbaarheid te verzekeren is het mogelijk een groter aantal capaciteiten in de EERC (bv. bij rotatie) te registreren. Indien de lidstaten meer capaciteiten beschikbaar stellen, kan evenzo een groter aantal in de EERC worden geregistreerd


BIJLAGE IV

VEREISTEN VOOR KWALITEIT EN INTEROPERABILITEIT VAN DE EERC

Voor modules, alsook voor teams voor technische bijstand en ondersteuning zijn de vereisten van bijlage II van toepassing in de beginconfiguratie. In de toekomst worden de vereisten voor kwaliteit en interoperabiliteit door de Commissie in samenwerking met de lidstaten herzien, met als doel de beschikbaarheid van de responscapaciteiten in de EERC verder te verbeteren, inclusief de responstermijnen.

Voor andere responscapaciteiten en deskundigen worden de vereisten voor kwaliteit en interoperabiliteit eveneens vastgesteld door de Commissie in samenwerking met de lidstaten.


BIJLAGE V

CERTIFICATIE- EN REGISTRATIEPROCEDURE VOOR DE EERC — INFORMATIE-ELEMENTEN

INFORMATIE-ELEMENTEN

De te verstrekken informatie-elementen voor de aanvraag van de certificatie- en registratieprocedure voor een bepaald middel in de EERC omvatten de volgende elementen en voorts elke andere informatie die de Commissie noodzakelijk acht:

1.

zelfevaluatie waaruit blijkt dat het middel voldoet aan de vereisten voor kwaliteit voor dit soort middelen;

2.

factsheet van de module, met inbegrip van een team voor technische bijstand en ondersteuning, andere responsactiviteit of deskundige (GNCIS factsheets);

3.

bevestiging dat alle noodzakelijke regelingen zijn getroffen om te garanderen dat de relevante autoriteit en de nationale contactpunten voortdurend in staat zijn om verzoeken tot inzet zonder verwijl te behandelen in het licht van hun middelen die in de EERC zijn geregistreerd;

4.

bevestiging dat alle noodzakelijke regelingen zijn getroffen, inclusief de noodzakelijke financiële regelingen, om te garanderen dat het middel dat in de EERC is geregistreerd, onmiddellijk kan worden ingezet na een verzoek tot inzet door de Commissie;

5.

precieze duur van de voorlopige vastlegging in de EERC (minimaal één jaar, maximaal drie jaar, behalve voor deskundigen, waar de duur kan teruggaan tot slechts zes maanden);

6.

informatie over de gegarandeerde maximale inzettermijn (maximaal 12 uur na aanvaarding van het aanbod);

7.

de geografische locatie van het middel, de indicatieve locatie van de inzet (luchthaven, enz.), het normale geografische bereik van de inzet, alsook geografische beperkingen, voor zover van toepassing;

8.

operationele standaardprocedures van de module, met inbegrip van een team voor technische bijstand en ondersteuning, of een andere responscapaciteit (bv. richtsnoeren voor operationele standaardprocedures van modules);

9.

alle relevante informatie voor het afhandelen van het vervoer, zoals maten, gewichten, vluchtbeperkingen, enz., vervoerswijzen die de voorkeur genieten; indien relevant: toegang tot havens;

10.

enige andere beperking of te voorziene voorwaarden voor de inzet;

11.

een „ervaringendossier”, met samenvattingen van vroegere inzetten van de module, andere responscapaciteit of deskundige; deelname aan oefeningen van het Uniemechanisme, opleiding van kernpersoneel (teamleiders, hun plaatsvervangers) via het Uniemechanisme, naleving van internationale normen voor zover relevant (bv. INSARAG, WHO, Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maan-verenigingen, enz.);

12.

een zelfevaluatie van de behoeften tot aanpassing en de daarmee verbonden kosten;

13.

alle noodzakelijke contactgegevens;

14.

een attestatie waaruit blijkt dat de module, met inbegrip van een team voor technische bijstand en ondersteuning, andere responscapaciteit, of deskundige de vereisten voor kwaliteit naleeft (en de certificatieprocedure met succes heeft doorgemaakt).

Module

Factsheets, operationele standaardprocedures, opleiding

Modules oefening op het terrein

Modules simulatieoefening

HCP (Pompen met hoog debiet)

x

x

x

MUSAR (Middelzware stedelijke zoek- en reddingsoperaties)

x

x) indien niet IEC (*)

x

WP (Waterzuivering)

x

x

x

FFFP (Module voor de bestrijding van bosbranden met vliegtuigen)

x

 

x

AMP (Voorste medische post)

x

x

x

ETC (Tijdelijk noodkamp)

x

 

x

HUSAR (Zware stedelijke zoek- en reddingsoperaties)

x

x) indien niet IEC (*)

x

CBRNDET (Chemische, biologische, radiologische en nucleaire detectie en bemonstering)

x

x

x

GFFF (Bestrijding van bosbranden op de grond)

x

 

x

GFFF-V (Bestrijding van bosbranden met voertuigen op de grond)

x

 

x

CBRNUSAR (Stedelijke zoek- en reddingsoperaties in chemische, biologische, radiologische en nucleaire context)

x

x

x

AMP-S (Voorste medische post met operatieruimte)

x

 

x

FC (Bedwinging van overstromingen)

x

 

x

FRB (Redding van overstromingsslachtoffers met behulp van boten)

x

x

x

MEVAC (Luchtevacuatie van gewonde rampenslachtoffers)

x

 

x

FHOS (Veldhospitaal)

x

 

x

FFFH (Module voor de bestrijding van bosbranden met helicopters)

x

 

x

TAST (Teams voor technische bijstand)

x

x

x


(*)  IEC staat voor INSARAG External Classification.


BIJLAGE VI

SCHEMA VOOR SPECIFIEKE INZETPLANNEN VAN HET ERCC

Specifieke inzetplannen van het ERCC voor [ramp]

Beschrijving van het interventiescenario

Analyse van de situatie — coördinatie ter plaatse

Verwijzing naar vooraf ontwikkelde algemene interventiescenario's

Terugtrekkingsscenario's

Selectiecriteria voor EERC-middelen

Verwijzing naar de veiligheidssituatie ter plaatse

Verwijzing naar vooraf bepaalde selectiecriteria: beschikbaarheid, geschiktheid, locatie/nabijheid, vervoerstermijnen en kosten, enz.

Indicatie van de urgentie

Geografische afbakening en andere vooraf bepaalde afbakeningen

Geactualiseerde informatie over de status van het mechanisme

Verzoeken, aanbiedingen, EUCP-team, vervoerspooling

Aanbevelingen inzake

Verstrekking van bijstand

Kritieke behoeften

Andere relevante elementen, voor zover beschikbaar, zoals logistiek, douane, geadresseerden.


BIJLAGE VII

RELEVANTE INTERNATIONALE ORGANISATIES

In deze bijlage worden de relevante internationale organisaties opgesomd als bedoeld in artikel 16, lid 1, van Besluit nr. 1313/2013/EU. Civiele beschermingsbijstand van de Unie kan worden aangevraagd via om het even welk van deze relevante internationale organisaties.

1.

Internationale Organisatie voor Migratie (IOM)

2.

Internationale Federatie van de nationale verenigingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan (IFRC)

3.

Organisatie voor het verbod van chemische wapens (OPCW)


BIJLAGE VIII

VERVOERSSTEUN

DEEL A

Informatie die moet worden verstrekt door de lidstaten wanneer zij om vervoerssteun verzoeken

1.

Ramp/noodsituatie; getroffen land.

2.

Verwijzingen naar berichten van het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (Emergency Response Coordination Centre — ERCC).

3.

Land/autoriteiten die om vervoerssteun verzoeken.

4.

Aard van de vervoerssteun waarom wordt verzocht: (kies een van de vermelde mogelijkheden):

A.   Identificatie van de vervoersmiddelen die beschikbaar zijn via andere lidstaten (pooling)

JA/NEEN

B.   Identificatie van de vervoersmiddelen die beschikbaar zijn op de commerciële markt (vervoerscontractant van de Europese Commissie) of andere middelen

JA/NEEN

C.   Financiële steun in de vorm van een vervoerssubsidie

JA/NEEN

5.

Uiteindelijke ontvanger/begunstigde van de vervoerde hulpgoederen.

6.

Informatie over de te vervoeren civiele beschermingsbijstand, waaronder een nauwkeurige beschrijving van de goederen (gewicht, grootte, volume, vloeroppervlak), de verpakking (met verwijzing naar verpakkingsnormen voor vervoer door de lucht, over land of over zee), gevaarlijke goederen, kenmerken van de voertuigen (totaal gewicht, grootte, volume, vloeroppervlak), en andere voorschriften op juridisch, hygiënisch, gezondheids- of douanegebied die van belang zijn voor het vervoer en de levering van de bijstand.

Informatie over het aantal personeelsleden/passagiers dat vervoerd moet worden.

7.

Informatie over de wijze waarop deze bijstand tegemoetkomt aan de behoeften van het getroffen land onder verwijzing naar het verzoek van het getroffen land of de beoordeling van de behoeften, meer bepaald in het licht van de kritieke behoeften die zijn vastgesteld.

8.

Informatie over de situatie met betrekking tot deze bijstand door het getroffen land of de coördinerende autoriteit (aanvaard/in afwachting van aanvaarding).

9.

Vereiste/geplande route voor het vervoer.

10.

Plaats/haven van lading en plaatselijk contactpunt.

11.

Plaats/haven van lossing en plaatselijk contactpunt. Indien beschikbaar, informatie over de personen die het lossen en de douaneafwikkeling op de plaats/haven van lossing zullen regelen.

12.

Contactpunt voor douanedocumentatie/formaliteiten.

13.

Datum/tijdstip waarop de bijstand/passagiers klaar voor vervoer vanuit de haven van lading is/zijn.

14.

Informatie over mogelijkheden de bijstand/passagiers naar een andere plaats/haven van lading/centrum voor verder vervoer te brengen.

15.

Aanvullende informatie (indien gewenst), indien beschikbaar, plaats van levering, adres en contactgegevens van de geadresseerde.

16.

Informatie over mogelijke bijdragen aan de vervoerskosten.

17.

Informatie over andere vervoersoplossingen die reeds werden vastgesteld.

18.

Informatie over een verzoek om medefinanciering door de Unie (indien van toepassing).

19.

Naam en contactgegevens van de verantwoordelijke persoon van de organisatie die om vervoerssteun verzoekt.

DEEL B

Informatie die moet worden verstrekt door de lidstaten of de Commissie wanneer zij vervoerssteun aanbieden

1.

Ramp/noodsituatie, getroffen land.

2.

Verstrekkend land/verstrekkende organisatie.

3.

Verwijzingen naar berichten van het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties (Emergency Response Coordination Centre — ERCC) en van de lidstaat of de organisatie die om vervoerssteun verzoekt.

4.

Technische gegevens van het vervoersaanbod, waaronder beschikbare soorten vervoersmiddelen, data en tijdstippen van vervoer, aantal benodigde bewegingen of vluchten.

5.

Bijzonderheden, beperkingen en modaliteiten betreffende de civiele beschermingsbijstand die moet worden vervoerd, zoals gewicht, omvang, volume, vloeroppervlak, verpakking, eventuele gevaarlijke goederen, voorbereiding voertuig, vereisten met betrekking tot de behandeling, personeel/passagiers die de reis maken en andere voorschriften op juridisch, hygiënisch, gezondheids- of douanegebied die van belang zijn voor het vervoer.

6.

Voorgestelde route voor het vervoer.

7.

Plaats/haven van lading en plaatselijk contactpunt.

8.

Plaats/haven van lossing en plaatselijk contactpunt.

9.

Contactpunt voor douanedocumentatie/formaliteiten.

10.

Datum/tijdstip waarop de bijstand/passagiers klaar voor vervoer vanuit de haven van lading moet/moeten zijn.

11.

Informatie over een eventueel verzoek de bijstand/passagiers naar een andere plaats/haven van lading/vervoersknooppunt te brengen.

12.

Datum/tijdstip waarop de bijstand/passagiers in de plaats/haven van lading verwacht wordt/worden.

13.

Eventueel aanvullende informatie.

14.

Informatie over een mogelijk verzoek om bijdragen in de vervoerskosten, financiële bijdragen en gegevens over eventuele bijzondere voorwaarden of restricties met betrekking tot het aanbod.

15.

Naam en contactgegevens van de verantwoordelijke persoon van de organisatie die vervoerssteun aanbiedt.


BIJLAGE IX

CONCORDANTIETABEL

Beschikking 2004/277/EG, Euratom

Beschikking 2007/606/EG, Euratom

Dit besluit

Artikel 1

 

Artikel 1

Artikel 2

 

Artikel 2

Artikel 3, lid 1 (1)

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

 

Artikel 10, lid 1

Artikel 10, lid 3

Artikel 3 bis, lid 1

Artikel 3 bis, lid 2

Artikel 3 bis, lid 3

Artikel 3 bis, lid 4

 

Artikel 13, lid 1

Artikel 13, lid 2

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 3 ter

 

Artikel 12

Artikel 3 quater

 

Artikel 13, lid 4

Artikel 4

 

Artikel 5

 

Artikel 3, lid 2

Artikel 6

 

Artikel 7

 

Artikel 8

 

Artikel 4

Artikel 9

 

Artikel 10

 

Artikel 5

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 3

 

Artikel 6, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 6, lid 3

Artikel 12

 

Artikel 7

Artikel 13

 

Artikel 14

 

Artikel 10, lid 1 en artikel 10, lid 3

Artikel 15

 

Artikel 41

Artikel 16, lid 1

Artikel 16, lid 2

Artikel 16, lid 3

Artikel 16, lid 4

 

Artikel 42, lid 1

Artikel 42, lid 2

Artikel 42, lid 3

Artikel 42, lid 4

Artikel 17

 

Artikel 43

Artikel 18

 

Artikel 44

Artikel 19

 

Artikel 45

Artikel 20

 

Artikel 46

Artikel 21

 

Artikel 26

Artikel 22

 

Artikel 27, lid 1

Artikel 23

 

Artikel 26, lid 1, derde zin

Artikel 24

 

Artikel 32, lid 3

Artikel 25

 

Artikel 29

Artikel 26

 

Artikel 30

Artikel 27, lid 1

Artikel 27, lid 2

Artikel 27, lid 3

 

Artikel 31, eerste zin

Artikel 27, lid 3

Artikel 31, tweede zin

Artikel 28

 

Artikel 29, lid 1

Artikel 29, lid 2

Artikel 29, lid 3

Artikel 29, lid 4

Artikel 29, lid 5

Artikel 29, lid 6

Artikel 29, lid 7

Artikel 29, lid 8

Artikel 29, lid 9

Artikel 29, lid 10

Artikel 29, lid 11

 

Artikel 35, lid 3, eerste zin

Artikel 35, lid 2

Artikel 35, lid 4 en artikel 35, lid 5

Artikelen 35, lid 1

Artikel 35, lid 10

Artikel 35, lid 12

Artikel 46, lid 1

Artikel 30

 

Artikel 31

 

Artikel 32, lid 1

Artikel 32, lid 2

Artikel 32, lid 3

Artikel 32, lid 4

Artikel 32, lid 5

Artikel 32, lid 6

 

Artikel 36, lid 1

Artikel 36, lid 2

Artikel 36, lid 2

Artikel 36, lid 3

Artikel 36, lid 4

Artikel 36, lid 5

Artikel 33

 

Artikel 37

Artikel 34

 

Artikel 38

Artikel 35

 

Artikel 39

Artikel 36

 

Artikel 40

Artikel 37

 

Artikel 58

 

Artikel 1

Artikel 1

 

Artikel 2

Artikel 2

 

Artikel 3, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 4

Artikel 3, lid 5

Artikel 48, lid 1

Artikel 48, lid 2

Artikel 48, lid 4

Artikel 48, lid 5

 

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 49, lid 1

Artikel 49, lid 2

Artikel 49, lid 2, tweede zin; Artikel 50, lid 1, eerste zin

 

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 3

Artikel 5, lid 4

Artikel 5, lid 5

Artikel 5, lid 6

Artikel 50, lid 1

Artikel 50, lid 2

Artikel 50, lid 3

Artikel 50, lid 4

Artikel 50, lid 5

 

Artikel 6

Artikel 51

 

Artikel 7

Artikel 52

 

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 3

Artikel 8, lid 4

Artikel 8, lid 5

Artikel 53, lid 1

Artikel 53, lid 2

Artikel 53, lid 3

Artikel 53, lid 4

 

Artikel 9

 

Artikel 10

Artikel 54

 

Artikel 11

Artikel 55

 

Artikel 12

Artikel 56

 

Artikel 13

Artikel 58

 

Bijlage

Bijlage VIII

Bijlage I (2)

 

Bijlage I

Bijlage II (3)

 

Bijlage II

Bijlage III (4)

 

Bijlage II, op het einde


(1)  De artikelen 3 bis, 3 ter, en 3 quater werden toegevoegd bij Beschikking 2008/73/EG, Euratom van de Commissie (PB L 20 van 24.1.2008, blz. 23) tot wijziging van Beschikking 2004/277/EG, Euratom.

(2)  Bijlage I als ingevoerd bij Beschikking 2008/73/EG, Euratom tot wijziging van Beschikking 2004/277/EG, Euratom.

(3)  Bijlage II als gewijzigd bij Besluit 2010/481/EU, Euratom van de Commissie (PB L 236 van 7.9.2010, blz. 5) tot wijziging van Beschikking 2004/277/EG, Euratom.

(4)  Bijlage III als ingevoerd bij Beschikking 2008/73/EG, Euratom tot wijziging van Beschikking 2004/277/EG, Euratom.


6.11.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 320/46


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 24 oktober 2014

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur aan absorberende hygiëneproducten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 7735)

(Voor de EER relevante tekst)

(2014/763/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (1), en met name artikel 8, lid 2,

Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 kan de EU-milieukeur worden toegekend aan producten die gedurende hun volledige levenscyclus een verminderd milieueffect hebben.

(2)

In Verordening (EG) nr. 66/2010 is bepaald dat per productgroep specifieke EU-milieukeurcriteria moeten worden vastgesteld.

(3)

De criteria, alsmede de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en controle moeten, rekening houdend met de innovatiecyclus voor deze productgroep, vier jaar geldig zijn vanaf de datum van vaststelling van dit besluit.

(4)

Omdat het verbruik van materialen in belangrijke mate aan de totale milieueffecten van absorberende hygiëneproducten bijdraagt, is het passend om voor deze productgroep criteria voor de EU-milieukeur vast te stellen. De criteria moeten met name het duurzaam verkrijgen van grondstoffen, een beperkt gebruik van gevaarlijke stoffen en hoogwaardige en zeer performante producten bevorderen die geschikt zijn voor gebruik en zijn ontworpen om de afvalproductie tot een minimum te beperken.

(5)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 16 van Verordening (EG) nr. 66/2010 ingestelde comité.

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De productgroep „absorberende hygiëneproducten” omvat babyluiers, inlegverbanden, tampons en borstcompressen die na gebruik worden weggegooid en bestaan uit een mix van natuurlijke vezels en polymeren, met een vezelgehalte van minder dan 90 gewichtspercent (behalve voor tampons).

2.   De productgroep omvat geen incontinentieproducten of andere producten die onder Richtlijn 93/42/EEG van de Raad vallen (2).

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1.   „cellulosepulp”: vezelmateriaal dat hoofdzakelijk uit cellulose bestaat en is verkregen door de ontsluiting en bleking van lignocellulosehoudend materiaal met behulp van één of meer chemische oplossingen op waterbasis;

2.   „optische witmakers” en „fluorescerende witmaker”: alle additieven die uitsluitend worden gebruikt om het materiaal wit te maken of te bleken;

3.   „kunststoffen”: synthetische polymeren waaraan additieven of andere stoffen kunnen zijn toegevoegd, die kunnen worden gemodelleerd en als voornaamste structurele component van afgewerkte materialen en voorwerpen kunnen worden gebruikt;

4.   „synthetische polymeren”: macromoleculaire stoffen, andere dan cellulosepulp, die hetzij door een polymerisatieproces, hetzij door chemische modificatie van natuurlijke of synthetische macromoleculen, hetzij door microbiële fermentatie zijn verkregen;

5.   „superabsorberende polymeren”: synthetische polymeren die zijn ontworpen om in verhouding tot hun eigen massa grote hoeveelheden vloeistof te absorberen en vast te houden.

Artikel 3

Om krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 voor de EU-milieukeur in aanmerking te komen, moet het product tot de productgroep „absorberende hygiëneproducten” zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit, behoren en moet het product aan de criteria en aan de hieraan gerelateerde eisen inzake beoordeling en controle in de bijlage voldoen.

Artikel 4

De criteria voor de productgroep „absorberende hygiëneproducten” en de eisen inzake beoordeling en controle zijn vier jaar geldig vanaf de datum van vaststelling van dit besluit.

Artikel 5

Het voor administratieve doeleinden aan de productgroep „absorberende hygiëneproducten” toegekende codenummer is „047”.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 24 oktober 2014.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1.

(2)  Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1).


BIJLAGE

EISEN INZAKE BEOORDELING EN CONTROLE

Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is verklaringen, documentatie, analysen, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan, kunnen deze bescheiden afkomstig zijn van de aanvrager en/of diens leverancier.

Bevoegde instanties erkennen bij voorkeur volgens ISO 17025 geaccrediteerde tests, en controles door organen die krachtens EN 45011 of een gelijkwaardige internationale norm zijn geaccrediteerd.

Eventueel mogen andere dan de bij elk criterium vermelde testmethoden worden gebruikt indien deze door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt, als gelijkwaardig worden aanvaard.

Indien nodig kunnen de bevoegde instanties om aanvullende documentatie verzoeken en onafhankelijke controles uitvoeren.

Voorwaarde is dat het product voldoet aan alle respectieve wettelijke eisen van het land (de landen) waar het in de handel zal worden gebracht. De aanvrager bevestigt in een verklaring dat het product aan deze eis voldoet.

CRITERIA VOOR DE EU-MILIEUKEUR

Criteria voor toekenning van de EU-milieukeur voor absorberende hygiëneproducten:

1.

Omschrijving

2.

Pluispulp

3.

Synthetische cellulosevezels (met inbegrip van viscose, modal, lyocell, cupro en triacetaat)

4.

Katoen en andere natuurlijke cellulose-zaadvezels

5.

Kunststoffen en superabsorberende polymeren

6.

Overige materialen en componenten

7.

Verboden of beperkte stoffen en mengsels

8.

Materiaalefficiëntie tijdens vervaardiging

9.

Richtsnoeren voor verwijdering

10.

Gebruiksgeschiktheid en kwaliteit

11.

Sociale aspecten

12.

Informatie op de EU-milieukeur

De criteria voor de EU-milieukeur zijn een afspiegeling van de op de markt aanwezige absorberende hygiëneproducten met de beste milieuprestaties.

Criterium 1. Beschrijving van het product

Er wordt een beschrijving van het product en de verpakking ervan (productnaam, classificatie, functionaliteiten) verstrekt, alsmede informatie over alle volgende kenmerken:

het totale gewicht van het product en de verpakking ervan,

de in het product gebruikte componenten, materialen en toegevoegde middelen met het respectieve gewicht ervan en, indien van toepassing, de CAS-nummers.

Informatie over het gewicht van het product moet ook op de verpakking worden weergegeven.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een monster van het product verstrekken en een verslag met de technische beschrijving en het gewicht van het product en van elke gebruikte component, materiaal en toegevoegd middel.

Criterium 2. Pluispulp

2.1.   Herkomst

Voor alle pulpvezels zijn geldige handelsketencertificaten vereist, afgegeven op basis van een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem zoals FSC, PEFC of gelijkwaardig.

Voor minimaal 25 % van de pulpvezels zijn geldige certificaten van duurzaam bosbeheer vereist, afgegeven op basis van een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem zoals FSC, PEFC of gelijkwaardig.

Voor het overige aandeel pulpvezels is een controlesysteem vereist dat garandeert dat het materiaal afkomstig is uit een legale bron en voldoet aan andere eisen van het certificatiesysteem met betrekking tot ongecertificeerd materiaal.

De certificerende instanties die certificaten met betrekking tot bosbeheer en/of handelsketens afgeven, moeten door het certificatiesysteem worden geaccrediteerd/erkend.

Beoordeling en controle

De aanvrager verkrijgt van de pulpproducent(en) geldige, onafhankelijk afgegeven handelsketencertificaten die waaruit blijkt dat de houtvezels zijn gekweekt volgens beginselen van duurzaam bosbeheer en/of afkomstig zijn uit legale en gecontroleerde bronnen. FSC, PEFC en gelijkwaardige systemen worden aanvaard als een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem.

2.2.   Bleken

De in het product gebruikte pulp wordt niet met behulp van chloorgas gebleekt. De totale emissie van AOX als gevolg van pulpvervaardiging bedraagt ten hoogste 0,170 kg/ADT.

Beoordeling en controle

De aanvrager verstrekt een verklaring van de pulpproducent dat geen chloorgas is gebruikt, en een testverslag waaruit blijkt dat de grenswaarde voor AOX is nageleefd. ISO 9562 en de gelijkwaardige norm EPA 1650C worden als testmethoden aanvaard, vergezeld van gedetailleerde berekeningen waaruit blijkt dat aan deze eis is voldaan, gestaafd met bijbehorende documentatie.

De documentatie ter staving geeft de meetfrequentie aan. AOX wordt alleen gemeten bij processen waarbij voor het bleken van de pulp chloorverbindingen worden gebruikt.

Metingen worden verricht op ongefilterde monsters waarin nog geen bezinking is opgetreden, hetzij na behandeling in de fabriek, hetzij na behandeling in een openbare zuiveringsinstallatie.

De meetperiode moet twaalf maanden productie bedragen. Metingen moeten maandelijks worden verricht op representatieve samengestelde monsters (24 uur samengesteld).

Bij een nieuwe of herbouwde fabriek of een wijziging in het proces op de productieplaats moeten gedurende acht opeenvolgende weken nadat de fabriek operationeel is geworden, wekelijks metingen worden verricht. De metingen moeten representatief zijn voor de desbetreffende productieperiode.

2.3.   Optische witmakers en kleurmiddelen

Optische witmakers en kleurmiddelen, met inbegrip van fluorescerende witmakers, mogen niet opzettelijk aan de pulp worden toegevoegd.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van de leverancier verstrekken dat aan de voorwaarden is voldaan.

2.4.   CZV-emissie en emissie van fosforverbindingen (P) in water en emissie van zwavelverbindingen (S) en NOx in de lucht als gevolg van de productie

De emissies in lucht en water ten gevolge van de pulpproductie worden uitgedrukt in punten (PCZV, PP, PS, PNOx). De punten worden berekend door de werkelijke emissies te delen door de referentiewaarden in tabel 1.

Geen van de afzonderlijke punten PCZV, PP, PS en PNOx mag hoger zijn dan 1,5.

Het totale aantal punten (Ptotaal = PCZV + PP + PS + PNOx) mag niet hoger zijn dan 4,0.

Voor iedere gebruikte pulp „i” worden de hiermee samenhangende gemeten emissies (uitgedrukt in kg/luchtgedroogde ton — ADT) gewogen aan de hand van het aandeel van iedere gebruikte pulp (pulp „i” met betrekking tot luchtgedroogde ton pulp) en opgeteld. Tabel 1 bevat de referentiewaarden voor iedere gebruikte pulpsoort en voor de papierproductie. Ten slotte worden de totale emissies gedeeld door de totale referentiewaarde zoals berekend volgens de volgende formule voor CZV:

Formula

Tabel 1

Referentiewaarden voor emissies van verschillende soorten pulp

Pulpkwaliteit

Referentiewaarden (kg/ADT)

CZVref

Pref

Sref

NOxref

Gebleekte chemische pulp (behalve sulfiet)

18,0

0,045 (*)

0,6

1,6

Gebleekte chemische pulp (sulfiet)

25,0

0,045

0,6

1,6

CTMP

15,0

0,01

0,2

0,3

In geval van gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit in dezelfde fabriek worden de S- en NOx-emissies als gevolg van de opwekking van elektriciteit afgetrokken van de totale hoeveelheid. Het aandeel van de emissies ten gevolge van de opwekking van warmte wordt als volgt berekend: [MWh(warmte) — MWh(warmte)afgezet]/[MWh(warmte) + 2 × MWh(elektriciteit)]

waarbij

MWh(elektriciteit) staat voor de elektriciteit die wordt geproduceerd in de fabriek waar gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte plaatsvindt,

MWh(warmte) staat voor de nuttige warmte die wordt geproduceerd tijdens de gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte,

MWh(warmte)afgezet staat voor de nuttige warmte die buiten de pulpfabriek wordt gebruikt.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet gedetailleerde berekeningen verstrekken waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan, alsmede hiermee samenhangende documentatie ter staving die testverslagen moet omvatten waarbij van de volgende testmethoden gebruik wordt gemaakt:

CZV: ISO 6060, EPA SM 5220D of HACH 8000,

P: ISO 6878, SM4500, APAT IRSA CNR 4110 of Dr Lange LCK 349,

S(oxid.): EPA 8 of gelijkwaardig,

S(red.): EPA 8, EPA 16A of gelijkwaardig,

S-gehalte in olie: ISO 8754 of EPA 8,

S-gehalte in kolen: ISO 351 of EPA 8,

NOx: ISO 11564 of EPA 7E.

De documentatie ter staving moet een indicatie van de meetfrequentie en de berekening van de punten voor CZV, P, S en NOx bevatten. Alle emissies van S en NOx die tijdens de productie van pulp en papier plaatsvinden, moeten zijn opgenomen, met inbegrip van stoom die buiten de productieplaats wordt geproduceerd, met uitzondering van de emissies die verband houden met de productie van elektriciteit.

De metingen moeten omvatten: terugwinningsinstallaties, kalkovens, stoomketels en verbrandingsovens voor sterk ruikende gassen. Er moet rekening worden gehouden met diffuse emissies.

Gemelde emissiewaarden voor S in de lucht moeten zowel geoxideerde als gereduceerde S-emissies omvatten (dimethylsulfide, methylmercaptaan, hydrogeensulfide en soortgelijke emissies). De S-emissies met betrekking tot warmteopwekking uit olie, kolen en overige externe brandstoffen met een S-gehalte dat bekend is, kunnen worden berekend in plaats van gemeten en moeten in aanmerking worden genomen.

Metingen van lozingen in water moeten op ongefilterde monsters worden verricht waarin nog geen bezinking is opgetreden, hetzij na behandeling in de fabriek, hetzij na behandeling in een openbare zuiveringsinstallatie.

De meetperiode moet twaalf maanden productie bedragen. Metingen van CZV en P moeten maandelijks plaatsvinden, metingen van S en NOx jaarlijks. In plaats daarvan zijn permanente metingen aanvaardbaar indien deze ten minste eenmaal per jaar door een derde partij worden gecontroleerd.

Bij een nieuwe of herbouwde fabriek of een wijziging in het proces op de productieplaats moeten gedurende acht opeenvolgende weken nadat de fabriek operationeel is geworden, wekelijks metingen worden verricht. De metingen moeten representatief zijn voor de desbetreffende productieperiode.

2.5.   Emissies van CO2 als gevolg van de productie

De emissies van CO2 uit niet-hernieuwbare bronnen mogen niet hoger zijn dan 450 kg per ton geproduceerd pulp, inclusief de uitstoot als gevolg van elektriciteitsproductie (zowel op als buiten het bedrijfsterrein). Bij de berekening van de CO2-emissies uit brandstoffen wordt gebruikgemaakt van de referentie-emissiewaarden in tabel 2.

Tabel 2

Referentiewaarden voor emissies van CO2 uit verschillende energiebronnen

Brandstof

CO2-emissies, fossiel

Eenheid

Steenkool

95

g CO2 fossiel/MJ

Ruwe aardolie

73

g CO2 fossiel/MJ

Stookolie 1

74

g CO2 fossiel/MJ

Stookolie 2-5

77

g CO2 fossiel/MJ

LPG

69

g CO2 fossiel/MJ

Aardgas

56

g CO2 fossiel/MJ

Elektriciteit van het net

400

g CO2 fossiel/kWh

Beoordeling en controle

De aanvrager moet gedetailleerde berekeningen verstrekken waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan, alsmede hiermee samenhangende documentatie ter staving.

De aanvrager moet gegevens verstrekken over de emissies van kooldioxide in de lucht. Deze moeten alle bronnen van niet-hernieuwbare brandstoffen bij de productie van pulp omvatten, met inbegrip van de emissies bij de productie van elektriciteit (zowel op als buiten het bedrijfsterrein).

De meetperiode moet twaalf maanden productie bedragen. De metingen moeten jaarlijks plaatsvinden.

Bij een nieuwe of herbouwde fabriek of een wijziging in het proces op de productieplaats moeten gedurende acht opeenvolgende weken nadat de fabriek operationeel is geworden, wekelijks metingen worden verricht. De uitkomsten worden ook ingediend na twaalf maanden productie. De metingen moeten representatief zijn voor de desbetreffende productieperiode.

De hoeveelheid energie afkomstig van hernieuwbare bronnen (1) die wordt ingekocht en gebruikt voor de productieprocessen, telt niet mee voor de berekening van de CO2-uitstoot. De aanvrager moet passende documentatie verstrekken om te bewijzen dat deze soort energie werkelijk in de fabriek wordt gebruikt of extern wordt ingekocht.

Criterium 3. Synthetische cellulosevezels (met inbegrip van viscose, modal, lyocell, cupro en triacetaat)

3.1.   Herkomst

a)

Voor alle pulpvezels zijn geldige handelsketencertificaten vereist, afgegeven op basis van een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem zoals FSC, PEFC of gelijkwaardig.

Voor minimaal 25 % van de pulpvezels zijn geldige certificaten van duurzaam bosbeheer vereist, afgegeven op basis van een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem zoals FSC, PEFC of gelijkwaardig.

Voor het overige aandeel pulpvezels is een controlesysteem vereist dat garandeert dat het materiaal afkomstig is uit een legale bron en voldoet aan andere eisen van het certificatiesysteem met betrekking tot ongecertificeerd materiaal.

De certificerende instanties die certificaten met betrekking tot bosbeheer en/of handelsketens afgeven, moeten door het certificatiesysteem worden geaccrediteerd/erkend.

b)

Dissolving cellulose gemaakt van katoenlinters moet voldoen aan criterium 4.1 voor katoen (herkomst en traceerbaarheid).

Beoordeling en controle

a)

De aanvrager verkrijgt van de pulpproducent(en) geldige, onafhankelijk afgegeven handelsketencertificaten waaruit blijkt dat de houtvezels zijn gekweekt volgens beginselen van duurzaam bosbeheer en/of afkomstig zijn uit legale en gecontroleerde bronnen. FSC, PEFC en gelijkwaardige systemen worden aanvaard als een onafhankelijk, door derden beheerd certificatiesysteem.

b)

De aanvraag moet het bewijs leveren dat is voldaan aan criterium 4.1 voor katoen (herkomst en traceerbaarheid).

3.2.   Bleken

De voor de productie van vezels gebruikte pulp mag niet met behulp van chloorgas worden gebleekt. De uiteindelijke totale hoeveelheid adsorbeerbare gehalogeneerde organische verbindingen (AOX) en organisch verbonden chloor (OCl) is niet meer dan:

0,170 kg/ADT, gemeten in het afvalwater van de pulpvervaardiging (AOX), of

150 ppm, gemeten in de afgewerkte vezels (OCl).

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van de pulpleverancier verstrekken dat geen chloorgas wordt gebruikt, en een testverslag waaruit blijkt dat ofwel de grenswaarde voor AOX ofwel de grenswaarde voor OCl is nageleefd volgens de geëigende testmethode:

ISO 9562 of het gelijkwaardige EPA 1650C voor AOX;

ISO 11480 voor OCl.

De meetfrequentie voor AOX moet overeenkomstig criterium 2.2 voor pluispulp worden vastgesteld.

3.3.   Optische witmakers en kleurmiddelen

Optische witmakers en kleurmiddelen, met inbegrip van fluorescerende witmakers, Moge niet opzettelijk aan de vezels worden toegevoegd.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van de leverancier verstrekken dat aan de eisen is voldaan.

3.4.   Vezelproductie

a)

Meer dan 50 % van de pulp die voor de vervaardiging van vezels wordt gebruikt, moet van fabrieken voor dissolving cellulose worden verkregen die waarde terugwinnen uit hun afgewerkte procesvloeistoffen door:

ter plaatse elektriciteit en stoom op te wekken, of

chemische bijproducten te vervaardigen.

b)

In het productieproces van viscose en modalvezels moeten de volgende grenswaarden voor de emissie van zwavelverbindingen in de lucht worden nageleefd:

Tabel 3

Zwavelemissiewaarden voor viscose en modalvezels

Vezelsoort

Zwavelemissies in de lucht: grenswaarde (g/kg)

Stapelvezel

30

Filamentvezel

 

Wastunnel

40

Geïntegreerd wassen

170

Noot: grenswaarden zijn uitgedrukt in een jaarlijks gemiddelde.

Beoordeling en controle

a)

De aanvrager moet ervoor zorgen dat de vezelproducenten een lijst verstrekken van de pulpleveranciers die voor de vezelproductie zijn gebruikt, en van het aandeel dat elk van hen heeft geleverd. Er moeten documentatie ter staving en bewijzen worden verstrekt dat het voorgeschreven deel van de leveranciers geschikte apparatuur voor energieopwekking of systemen voor het terugwinnen en vervaardigen van bijproducten op de betrokken productieplaatsen heeft geïnstalleerd.

b)

De aanvrager moet gedetailleerde documentatie en testverslagen verstrekken waaruit blijkt dat aan dit criterium is voldaan, alsmede een verklaring dat aan het criterium is voldaan.

Criterium 4. Katoen en andere natuurlijke cellulose-zaadvezels

4.1.   Herkomst en traceerbaarheid

a)

Katoen moet worden geteeld overeenkomstig de eisen van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (2), het National Organic Programme (NOP) van de Verenigde Staten of gelijkwaardige wettelijke verplichtingen die door handelspartners van de Unie zijn vastgesteld. De biologische katoen mag biologisch geteelde katoen en biologische overgangskatoen bevatten.

b)

Volgens criterium 4.1, onder a), geteelde katoen die voor de vervaardiging van absorberende hygiëneproducten wordt gebruikt, moet vanaf het controlepunt van de productienorm traceerbaar zijn.

Beoordeling en controle

a)

Biologische katoen moet blijkens certificering door een onafhankelijke controle-instantie zijn geproduceerd overeenkomstig de productie- en controlevoorschriften van Verordening (EG) nr. 834/2007, van het National Organic Programme (NOP) van de Verenigde Staten of van andere handelspartners. Voor elk land van herkomst moeten er in jaarlijkse controles plaatsvinden.

b)

De aanvrager moet aantonen dat hij voor de jaarlijkse hoeveelheid katoen die voor de productie van eindproduct(en) is ingekocht, en volgens elke productlijn op jaarbasis voldoet aan de eisen met betrekking tot de katoeninhoud: Hij moet transactiegegevens of facturen verstrekken waarmee de op jaarbasis van boeren of producentengroepen ingekochte hoeveelheid katoen wordt gedocumenteerd, alsmede het totale gewicht van de gecertificeerde balen.

4.2.   Bleken

Katoen mag niet met behulp van chloorgas worden gebleekt.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van de leverancier verstrekken dat geen chloorgas wordt gebruikt.

4.3.   Optische witmakers en kleurmiddelen

Optische witmakers en kleurmiddelen, met inbegrip van fluorescerende witmakers, mogen niet opzettelijk aan de katoen worden toegevoegd.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van de leverancier verstrekken dat aan de eisen is voldaan.

Criterium 5. Kunststoffen en superabsorberende polymeren

5.1.   Productie van synthetische polymeren en kunststoffen

Alle fabrieken waar synthetische polymeren en kunststoffen worden vervaardigd die in het product worden gebruikt, moeten systemen in gebruik hebben genomen voor:

waterbesparing (bv. voor de bewaking van de waterstroom in een installatie en de doorstroming van water in gesloten systemen);

geïntegreerd afvalbeheer ter optimalisering van preventie, hergebruik, recycling, terugwinning en definitieve afvoer van afval (bv. voor scheiding van verschillende soorten afval);

optimalisatie van de energie-efficiëntie en het energiebeheer (bv. voor hergebruik van de stoom die wordt gegenereerd tijdens de productie van SAP's).

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van de leveranciers verstrekken dat aan de eis wordt voldaan. De verklaring moet worden gestaafd door een verslag met een gedetailleerde beschrijving van de procedures die de leveranciers op elke betrokken locatie hanteren om aan de eis te voldoen.

5.2.   Additieven in kunststoffen

a)

Het gehalte aan lood, cadmium, zeswaardig chroom en verbindingen daarvan moet lager zijn dan 0,01 % (100 ppm) van de massa van elke kunststof en synthetische polymeer in het product.

b)

Geen van de in kunststoffen gebruikte additieven in concentraties van meer dan 0,10 % naar gewicht mag zijn ingedeeld met een van de hieronder genoemde gevarenaanduidingen, overeenkomstig de indelingsregels van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (3):

kankerverwekkend, mutageen, giftig voor de voortplanting, categorieën 1A, 1B en 2 (H340, H350, H350i, H360F, H360D, H360FD, H360Fd, H360Df),

acuut toxisch, categorieën 1 en 2 (H300, H310, H330, H304),

toxisch voor specifieke organen (STOT), categorie 1 (H370, H372),

gevaarlijk voor het aquatisch milieu, categorieën 1 en 2 (H400, H410, H411).

Beoordeling en controle

a), b) De aanvrager moet een verklaring van de leveranciers verstrekken dat aan de eisen wordt voldaan. Ook moet een lijst van toegevoegde stoffen worden verstrekt, inclusief concentraties en bijbehorende gevarenaanduidingen/waarschuwingszinnen, gestaafd met veiligheidsinformatiebladen.

Teneinde opvolging en controle van de verstrekte documentatie te vergemakkelijken, kan een willekeurige steekproef van leveranciers worden onderzocht. De leverancier moet daartoe toegang tot productiefaciliteiten, magazijnen en dergelijke inrichtingen verschaffen. Alle verstrekte en gedeelde documentatie en informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

5.3.   Superabsorberende polymeren

a)

Acrylamide (CAS-nummer: 79-06-1) wordt niet opzettelijk aan het product toegevoegd.

b)

In het product gebruikte superabsorberende polymeren mogen maximaal 1 000 ppm residuale monomeren bevatten die met de bij criterium 7 genoemde gevarenaanduidingen voor uitgesloten of beperkte stoffen of mengsels zijn ingedeeld. Voor natriumpolyacrilaat vertegenwoordigen zij het totaal van niet verbonden acrylzuur en crosslinkers.

c)

In het product gebruikte superabsorberende polymeren mogen maximaal 10 % (gewicht/gewicht) in water oplosbare extracten bevatten en deze moeten aan criterium 7 voor uitgesloten of beperkte stoffen of mengsels voldoen. Voor natriumpolyacrilaat vertegenwoordigen zij monomeren en oligomeren van acrylzuur met een lager moleculegewicht dan de superabsorberende polymeer overeenkomstig ISO 17190.

Beoordeling en controle

a)

De aanvrager moet een verklaring verstrekken dat deze stof niet is gebruikt.

b)

De aanvrager moeten een verklaring van de leverancier verstrekken waarin de samenstelling van de in het product gebruikte superabsorberende polymeren wordt gedocumenteerd. Dit gebeurt door middel van productveiligheidsinformatiebladen, waarin de volledige naam, het CAS-nummer en de in het product opgenomen residuale monomeren zijn vermeld, overeenkomstig de eis ingedeeld, alsmede de hoeveelheden ervan. De aanbevolen testmethoden zijn ISO 17190 en WSP 210. De voor de analysen toegepaste methoden worden omschreven met vermelding van de namen van de laboratoria waar de analysen zijn uitgevoerd.

c)

De aanvrager moet een verklaring van de leverancier verstrekken waarin de hoeveelheid in water oplosbare extracten in de superabsorberende polymeren wordt gespecificeerd. De aanbevolen testmethoden zijn ISO 17190 en WSP 270. De voor de analysen toegepaste methoden moeten worden omschreven en de analyselaboratoria moeten worden vermeld.

Criterium 6. Overige materialen en componenten

6.1.   Kleefstoffen

Kleefstoffen mogen geen van de volgende stoffen bevatten:

colofoniumharsen (CAS-nummers 8050-09-7, 8052-10-6, 73138-82-6),

diisobutylftalaat (DIBP, CAS-nummer 84-69-5),

diisononylftalaat (DINP, CAS-nummer 28553-12-0),

formaldehyde (CAS-nummer 50-00-0).

Deze eis is niet van toepassing indien die stoffen niet opzettelijk aan het materiaal of het eindproduct zijn toegevoegd en in de kleefstoffen aanwezig zijn in concentraties van minder dan 100 ppm (0,010 % gewicht).

Voor formaldehyde bedraagt het maximale gehalte dat wordt gegenereerd tijdens de kleefstofproductie 250 ppm, gemeten in nieuw geproduceerde polymeerdispersie. Het gehalte aan vrije formaldehyde in uitgeharde kleefstof (lijm) mag niet hoger zijn dan 10 ppm. Deze eis geldt niet voor warmhardende kleefstoffen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van de leverancier verstrekken dat aan de voorwaarden is voldaan. Veiligheidsinformatiebladen mogen als bewijs worden gebruikt. Er moeten testresultaten voor formaldehyde worden ingediend, behalve voor warmhardende kleefstoffen.

6.2.   Inkten en kleurstoffen

Het product en de homogene onderdelen ervan mogen niet worden gekleurd. Uitzonderingen op deze eis gelden voor:

tamponkoorden, verpakkingsmaterialen en kleefband,

titaniumdioxide in polymeren en viscose,

materialen die niet rechtstreeks in contact met de huid komen, mogen worden gekleurd als de kleurstof bepaalde functies vervult (bv. door de zichtbaarheid van het product door witte of lichte kleding heen te verminderen, plakstrips aan te duiden of de mate van vochtigheid aan te geven).

Inkten en kleurstoffen moeten ook voldoen aan criterium 7 voor uitgesloten of beperkte stoffen of mengsels.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring verstrekken en zorgt ervoor dat de leveranciers een verklaring verstrekken, dat aan de eisen is voldaan. Indien kleurstoffen worden gebruikt, wordt de aanwezigheid ervan gerechtvaardigd door aan te geven welke specifieke functie zij vervullen.

6.3.   Geurstoffen

a)

Producten die in de handel worden gebracht als voor kinderen ontworpen en bedoelde producten, moeten, evenals tampons en borstcompressen, vrij zijn van geurstoffen.

b)

Stoffen of mengsels die als geurstof aan het product worden toegevoegd, moeten zijn vervaardigd en behandeld volgens de gedragscode van de International Fragrance Association (IFRA). De code is te vinden op de website van de IFRA: http://www.ifraorg.org. De fabrikant moet de aanbevelingen van de IFRA-normen volgen betreffende het verbod op, het beperkte gebruik van en de gespecificeerde criteria inzake de zuiverheid van materialen.

c)

Elke gebruikte geurstof moet ook aan criterium 7 voor uitgesloten of beperkte stoffen of mengsels voldoen, ongeacht de concentratie in het eindproduct.

d)

Geurstoffen en bestanddelen van geurstofmengsels waarvan het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (4) heeft vastgesteld dat ze contactallergeen zijn, en geurstoffen waarvan de aanwezigheid overeenkomstig bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5) moet worden vermeld in de lijst met bestanddelen, mogen niet worden gebruikt. Ook het gebruik van nitromuskus en polycyclische muskus is niet toegestaan.

e)

Indien het product geurstoffen bevat, moet dit op de verpakking worden vermeld. Verder moeten geurstoffen en bestanddelen van geurstofmengsels waarvan het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid heeft vastgesteld dat ze bij mensen contactallergeen zijn en waarvan het gebruik niet wordt beperkt door criterium 6.3, onder c) en d), apart worden vermeld.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring verstrekken dat aan alle eisen van de punten a) t/m e) wordt voldaan, indien van toepassing gestaafd met een verklaring van de geurstofproducent. Wanneer geurstoffen worden gebruikt, moet tevens de lijst van gebruikte geurstoffen worden verstrekt, alsmede een zichtbaar bewijs dat de voorgeschreven informatie aanwezig is op de verpakking.

6.4.   Lotions

a)

In maandverband, tampons en compressen mogen geen lotions worden toegepast. Het gebruik van lotions in andere producten wordt aangeduid op de verpakking.

b)

Lotions die in andere producten dan, tampons en borstcompressen worden gebruikt, moeten aan criterium 6.3 voor geurstoffen en criterium 7 voor uitgesloten of beperkte stoffen of mengsels voldoen, ongeacht de concentratie in het eindproduct.

c)

De volgende stoffen mogen niet worden gebruikt: triclosan, parabenen, formaldehyde en formaldehydedonoren.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring verstrekken dat aan alle eisen wordt voldaan, indien van toepassing gestaafd met een verklaring van de lotionproducent. Wanneer lotions worden gebruikt, wordt tevens een zichtbaar bewijs verstrekt dat de voorgeschreven informatie aanwezig is op de verpakking.

6.5.   Silicone

a)

Wanneer componenten van het product met silicone worden behandeld, ziet de fabrikant erop toe dat werknemers worden beschermd tegen de oplosmiddelen.

b)

Noch octamethylcyclotetrasiloxaan D4 (CAS 556-67-2), noch decamethylcyclopentasiloxaan D5 (CAS 541-02-6) mag aanwezig zijn in chemische producten die voor de siliconebehandeling van componenten worden gebruikt. Deze eis is niet van toepassing indien D4 en D5 niet opzettelijk aan het materiaal of het eindproduct zijn toegevoegd en in de silicone aanwezig zijn in concentraties van minder dan 100 ppm (0,01 % gewicht).

Beoordeling en controle

a)

De aanvrager moet informatie verstrekken over de gebruikte methode van siliconebehandeling en documentatie waaruit blijkt dat werknemers worden beschermd.

b)

De aanvrager moet een verklaring van de leverancier verstrekken dat aan deze voorwaarde is voldaan.

6.6.   Nanozilverdeeltjes

Nanozilverdeeltjes mogen niet opzettelijk aan het product of aan een homogeen onderdeel of materiaal ervan worden toegevoegd.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaringverstrekken en ervoor zorgen dat de leveranciers een verklaring verstrekken, dat aan deze eis is voldaan.

Criterium 7. Verboden of beperkte stoffen en mengsels

7.1.   Gevaarlijke stoffen en mengsels

De EU-milieukeur kan niet worden toegekend als het product of een artikel daarvan, als gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (6), of een homogeen onderdeel ervan, stoffen of mengsels bevat die voldoen aan de criteria voor indeling met de in tabel 4 gespecificeerde gevarenaanduidingen of waarschuwingszinnen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 of Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (7), en evenmin als het stoffen of mengsels bevat als bedoeld in artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006, tenzij deze specifiek hiervan zijn vrijgesteld.

De meest recente door de Unie aangenomen indelingsregels hebben voorrang op de opgesomde gevarenindelingen en waarschuwingszinnen. Aanvragers moeten er derhalve op toezien dat alle indelingen zijn gebaseerd op de meest recente indelingsregels.

De gevarenaanduidingen en waarschuwingszinnen in tabel 4 verwijzen in het algemeen naar stoffen. Indien echter geen informatie over de stoffen kan worden verkregen, gelden de indelingsregels voor mengsels.

Uitgesloten van criterium 7.1 zijn stoffen of mengsels waarvan de eigenschappen tijdens het productieproces veranderen en die daardoor niet meer biologisch beschikbaar zijn, of waarvan de chemische samenstelling verandert waardoor het eerder vastgestelde gevaar niet meer van toepassing is. Hiertoe behoren bijvoorbeeld gemodificeerde polymeren en monomeren of additieven, die covalent binden in kunststoffen.

De maximale concentraties van stoffen of mengsels waaraan in tabel 4 vermelde gevarenaanduidingen of waarschuwingszinnen kunnen worden of zijn toegekend, die voldoen aan de criteria voor indeling in de gevarenklassen of -categorieën, en van stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57, onder a), b) of c), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, mogen de algemene en specifieke maximale concentraties die zijn vastgesteld op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1272/2008, niet overschrijden. Indien specifieke maximale concentraties worden vastgesteld, hebben deze voorrang op de algemene maximale concentraties.

Tabel 4

Gevarenaanduidingen en bijbehorende waarschuwingszinnen

Gevarenaanduiding (1)

Waarschuwingszin (2)

H300 Dodelijk bij inslikken

R28

H301 Giftig bij inslikken

R25

H304 Kan dodelijk zijn als de stof bij inslikken in de luchtwegen terechtkomt

R65

H310 Dodelijk bij contact met de huid

R27

H311 Giftig bij contact met de huid

R24

H330 Dodelijk bij inademing

R23/26

H331 Giftig bij inademing

R23

H340 Kan genetische schade veroorzaken

R46

H341 Verdacht van het veroorzaken van genetische schade

R68

H350 Kan kanker veroorzaken

R45

H350i Kan kanker veroorzaken bij inademing

R49

H351 Verdacht van het veroorzaken van kanker

R40

H360F Kan de vruchtbaarheid schaden

R60

H360D Kan het ongeboren kind schaden

R61

H360FD Kan de vruchtbaarheid schaden. Kan het ongeboren kind schaden

R60/61/60-61

H360Fd Kan de vruchtbaarheid schaden. Wordt ervan verdacht het ongeboren kind te schaden

R60/63

H360Df Kan het ongeboren kind schaden. Wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid te schaden

R61/62

H361f Wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid te schaden

R62

H361d Wordt ervan verdacht het ongeboren kind te schaden

R63

H361fd Wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid te schaden. Wordt ervan verdacht het ongeboren kind te schaden

R62-63

H362 Kan schadelijk zijn via de borstvoeding

R64

H370 Veroorzaakt schade aan organen

R39/23/24/25/26/27/28

H371 Kan schade aan organen veroorzaken

R68/20/21/22

H372 Veroorzaakt schade aan organen bij langdurige of herhaalde blootstelling

R48/25/24/23

H373 Kan schade aan organen veroorzaken bij langdurige of herhaalde blootstelling

R48/20/21/22

H400 Zeer giftig voor in het water levende organismen

R50

H410 Zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen

R50-53

H411 Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen

R51-53

H412 Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen

R52-53

H413 Kan langdurige schadelijke gevolgen voor in het water levende organismen hebben

R53

EUH059 Gevaarlijk voor de ozonlaag

R59

EUH029 Vormt giftig gas in contact met water

R29

EUH031 Vormt giftig gas in contact met zuren

R31

EUH032 Vormt zeer giftig gas in contact met zuren

R32

EUH070 Giftig bij oogcontact

R39-41

H317 (subcategorie 1A): Kan een allergische huidreactie veroorzaken (bij concentratie ≥ 0,1 % w/w) (3)

R43

H317 (subcategorie 1B): Kan een allergische huidreactie veroorzaken (bij concentratie ≥ 1,0 % w/w) (3)

H334: Kan bij inademing allergie- of astmasymptomen of ademhalingsmoeilijkheden veroorzaken

R42

Beoordeling en controle

De aanvrager moet de materiaalstaat van het product verstrekken, inclusief een lijst met alle artikelen en homogene onderdelen ervan.

De aanvrager moet een screening uitvoeren op de aanwezigheid van stoffen en mengsels die mogelijk moeten worden ingedeeld met de bij dit criterium genoemde gevarenaanduidingen of waarschuwingszinnen. De aanvrager moet een verklaring verstrekken dat voor het product, elk artikel ervan en/of ieder homogeen onderdeel ervan aan dit criterium wordt voldaan.

Aanvragers moeten de meest geschikte vormen van controle kiezen. De belangrijkste vormen van controle zijn de volgende:

homogene onderdelen en bijbehorende behandelingen of onzuiverheden (bv. een superabsorberende polymeerlaag): er moeten veiligheidsinformatiebladen worden verstrekt voor de materialen waaruit dat deel van het product is samengesteld en voor stoffen en mengsels die zijn gebruikt in de formule en behandeling van de materialen die in het uiteindelijke onderdeel resteren boven een grenswaarde van 0,10 % w/w, tenzij een lagere algemene of specifieke maximale concentratie van toepassing is op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

chemische formules die worden gebruikt om een specifieke functie aan het product of aan componenten van het product toe te kennen (bv. lijmen en kleefstoffen, kleurstoffen): er moeten veiligheidsinformatiebladen worden verstrekt voor stoffen en mengsels die worden gebruikt in de samenstelling van het eindproduct of voor stoffen en mengsels die worden toegepast en achterblijven in componenten van het product.

Die verklaring bevat hiermee verband houdende documentatie, zoals door de leveranciers ondertekende verklaringen van overeenstemming, met betrekking tot de niet-indeling van de stoffen, mengsels of materialen in de gevarenklassen bij de in tabel 4 vermelde gevarenaanduidingen of waarschuwingszinnen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008, voor zover dit ten minste kan worden bepaald aan de hand van de informatie die voldoet aan de in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 genoemde eisen.

De verstrekte informatie moet betrekking hebben op de vorm of fysieke staat van de stoffen of mengsels zoals gebruikt in het eindproduct.

De volgende technische informatie moet ter staving van de verklaring van indeling of niet-indeling voor elk van de stoffen en mengsels worden verstrekt:

i)

voor stoffen die niet zijn geregistreerd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 of die waarvoor nog geen geharmoniseerde CLP-indeling geldt: informatie die voldoet aan de in bijlage VII bij die verordening vastgestelde eisen;

ii)

voor stoffen die zijn geregistreerd uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en die niet voldoen aan de voorwaarden voor CLP-indeling: informatie op basis van het REACH-dossier waarin de niet-ingedeelde status van de stof wordt bevestigd;

iii)

voor stoffen met een geharmoniseerde indeling of stoffen die zelf zijn ingedeeld: veiligheidsinformatiebladen, indien beschikbaar. Indien deze niet beschikbaar zijn of als de stof zelf is ingedeeld, moet informatie worden verstrekt die relevant is voor de gevarenindeling van de stoffen overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006;

iv)

in het geval van mengsels: veiligheidsinformatiebladen, indien beschikbaar. Indien deze niet beschikbaar zijn, moet de berekening van de mengselindeling worden verstrekt overeenkomstig de regels uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1272/2008, aangevuld met informatie die relevant is voor de gevarenindeling van de mengsels overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006.

Veiligheidsinformatiebladen moeten worden ingevuld volgens de richtsnoeren in de hoofdstukken 2, 3, 9, 10, 11 en 12 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 (voorschriften voor de samenstelling van veiligheidsinformatiebladen). Onvolledige veiligheidsinformatiebladen moeten worden aangevuld met informatie uit verklaringen van leveranciers van chemische stoffen.

Informatie over de intrinsieke eigenschappen van stoffen kan worden verkregen op andere wijzen dan met tests, bijvoorbeeld door het gebruik van alternatieve methoden, zoals in-vitromethoden, via kwantitatieve structuuractiviteitmodellen of door het gebruik van groepering of de „read-across”-aanpak overeenkomstig bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 1907/2006. Het uitwisselen van relevante gegevens in de toeleveringsketen wordt sterk aangemoedigd.

7.2.   Stoffen die in de lijst zijn opgenomen overeenkomstig artikel 59, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006

Er wordt geen afwijking toegestaan van het verbod in artikel 6, lid 6, van Verordening (EG) nr. 66/2010 voor stoffen die zijn geïdentificeerd als zeer zorgwekkende stoffen en zijn opgenomen in de lijst waarin is voorzien in artikel 59, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006, die voorkomen in mengsels, in een voorwerp of in een homogeen deel van het product in concentraties hoger dan 0,10 % gewicht.

Beoordeling en controle

Op de datum van aanvraag wordt verwezen naar de meest recente lijst van zeer zorgwekkende stoffen. De aanvrager moet een verklaring verstrekken dat aan criterium 7.2 wordt voldaan, alsmede hiermee samenhangende documentatie, waaronder door de leveranciers van de materialen ondertekende verklaringen van overeenstemming en kopieën van relevante veiligheidsinformatiebladen voor stoffen of mengsels overeenkomstig bijlage II van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor stoffen of mengsels. De maximale concentraties moeten worden opgegeven in de veiligheidsinformatiebladen op grond van artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor stoffen en mengsels.

Criterium 8. Materiaalefficiëntie tijdens vervaardiging

De hoeveelheid afval die tijdens de vervaardiging en verpakking van de producten wordt gegenereerd, verminderd met het aandeel dat wordt hergebruikt of in nuttige materialen en/of energie wordt omgezet, mag niet meer bedragen dan:

10 % gewicht van de eindproducten voor tampons,

5 % gewicht van de eindproducten voor alle overige producten.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet bewijzen verstrekken van de hoeveelheid afval die niet in het productieproces is hergebruikt of niet in materialen en/of energie is omgezet.

Er moeten berekeningen volgens ISO 14025 worden getoond en de aanvrager moet daarbij alle volgende parameters presenteren betreffende:

het gewicht van het product en de verpakking,

alle afvalstromen die tijdens de vervaardiging worden gegenereerd, en

de respectieve behandelingsprocessen (bv. recycling, verbranding), waaronder de aandelen teruggewonnen en verwijderd afval.

De nettohoeveelheid afval wordt berekend als het verschil tussen de hoeveelheid geproduceerd afval en de hoeveelheid teruggewonnen afval.

Criterium 9. Richtsnoeren voor verwijdering

De producenten moeten met tekst of visuele symbolen op de verpakking aangeven:

dat het product niet in het toilet mag worden weggespoeld,

hoe het product correct wordt weggegooid.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een monster van de verpakking verstrekken.

Criterium 10. Gebruiksgeschiktheid en kwaliteit

De doelmatigheid/kwaliteit van het product moet bevredigend zijn en ten minste gelijkwaardig aan die van reeds in de handel zijnde producten. De gebruiksgeschiktheid moet worden getest voor de kenmerken en parameters in tabel 5. Waar minimale prestaties zijn vastgesteld, moeten deze daadwerkelijk worden behaald.

Tabel 5

Kenmerken en parameters van de gebruiksgeschiktheid van het te testen product

Kenmerk

Testvereiste (minimale prestatie)

Babyluiers

Maandverband

Tampons

Borstcompressen

Gebruikstests

U1.

Absorptie en doorlekbescherming (**)

Consumentenpanel (doorlekken bij minder dan 5 % van het productgebruik)

U2.

Droge huid

Consumentenpanel (80 % van de testers beoordeelt de productprestatie als bevredigend)

Niet van toepassing

NET als voor babyluiers

U3.

Pasvorm en comfort

Consumentenpanel (80 % van de testers beoordeelt de productprestatie als bevredigend)

U4.

Totale prestatie

Consumentenpanel (80 % van de testers beoordeelt de productprestatie als bevredigend)

Technische tests

T1.

Absorptie en doorlekbescherming

Absorptiepercentage en absorptie voor doorlekken

Synginamethode

Geen aanbevolen methode

T2.

Droge huid

TEWL (transepidermaal vochtverlies), methode van opnieuw natmaken of corneometrische test

Niet van toepassing

Geen aanbevolen methode

Beoordeling en controle

Er moet een testverslag worden verstrekt over de gebruikstests en de technische tests waarin de testmethoden, de testresultaten en de gebruikte gegevens worden beschreven. Tests worden uitgevoerd door laboratoria die zijn gecertificeerd voor het uitvoeren van kwaliteitsbeheersystemen, intern of extern.

De tests moeten worden uitgevoerd voor het specifieke type en de maat van de producten waarvoor de EU-milieukeur wordt aangevraagd. Indien echter kan worden aangetoond dat producten dezelfde prestaties leveren, kan het voldoende zijn om slechts één maat of een representatieve reeks maten per productontwerp te testen. Om reproduceerbare resultaten te bereiken, moet speciale zorg worden besteed aan het nemen van monsters, het vervoer en de opslag van de producten. Aanbevolen wordt de producten niet te blinderen of in een neutrale verpakking te stoppen, omdat dit de prestaties van de producten en/of de verpakking zou kunnen beïnvloeden.

De testinformatie moet aan de bevoegde instanties worden bekendgemaakt waarbij de vertrouwelijkheid wordt gerespecteerd. De testresultaten moeten duidelijk worden toegelicht en gepresenteerd in voor de gebruiker van de gegevens begrijpelijke taal, eenheden en symbolen. Daarbij moeten de volgende elementen worden gespecificeerd: plaats en datum van de tests; criteria voor de selectie van de geteste producten alsmede de representativiteit ervan; de gekozen testkenmerken en, indien van toepassing, de redenen waarom sommige niet zijn opgenomen; de gebruikte testmethoden en de eventuele beperkingen ervan. Er worden duidelijke richtsnoeren gegeven voor het gebruik van de testresultaten.

Aanvullende richtsnoeren voor gebruikerstests

De samenstelling van de steekproef, het testontwerp, de werving van het consumentenpanel en de analyse van de testresultaten moeten in overeenstemming zijn met statistische standaardpraktijken (AFNOR Q 34-019, ASTM E1958-07e1 of gelijkwaardig).

Elk product moet op basis van een vragenlijst worden beoordeeld. De test moet ten minste 72 uur duren, indien mogelijk een volledige week, en moet onder de normale gebruiksomstandigheden van het product worden uitgevoerd.

Het aanbevolen aantal testers is minimaal 30. Alle individuele deelnemers aan het onderzoek moeten huidige gebruikers van de specifieke soort/maat van het geteste product zijn.

Wanneer het product niet speciaal is ontworpen voor mannen of vrouwen, is de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke deelnemers 1:1.

Aan het onderzoek moet een gemengde groep individuen meedoen die in de juiste verhoudingen verschillende groepen consumenten in de markt vertegenwoordigen. Leeftijd, land en geslacht moeten duidelijk worden vermeld.

Zieken en mensen met een chronische huidaandoening mogen niet aan de test deelnemen. Indien deelnemers in de loop van het gebruikersonderzoek ziek worden, wordt dit op de vragenlijst vermeld en worden de antwoorden niet in aanmerking genomen bij de beoordeling.

Voor de aspecten droge huid, pasvorm en comfort, en totale prestatie moet 80 % van de testende consumenten de prestaties als bevredigend te beoordelen, hetgeen bijvoorbeeld kan betekenen dat de consument een score van 60 of hoger toekent (op een kwantitatieve schaal van 1 t/m 100) of dat het product is beoordeeld als goed of zeer goed (op een kwalitatieve schaal met vijf opties: zeer slecht, slecht, gemiddeld, goed, zeer goed). Wat aspect absorptie en doorlekbescherming betreft, mag doorlekken slechts bij minder dan 5 % van de geteste producten voorkomen.

De resultaten moeten statistisch worden geëvalueerd nadat het gebruikersonderzoek is voltooid.

Externe factoren, zoals merken, marktaandelen en advertenties, die een uitwerking kunnen hebben op de waargenomen prestaties van het product, moeten worden bekendgemaakt.

Aanvullende eisen voor technische tests:

De testmethoden moeten zoveel mogelijk zijn gebaseerd op voor het product relevante, reproduceerbare en strikte methoden.

Er moeten minimaal vijf monsters worden getest. De gemiddelde resultaten moeten worden gemeld met vermelding van de standaarddeviatie.

Gewicht, afmetingen en ontwerpkenmerken van het product moeten overeenkomstig criterium 1 worden beschreven en verstrekt.

Criterium 11. Sociale aspecten

Aanvragers moeten erop toezien dat de principes beginselen en rechten met betrekking tot werk, als beschreven in de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het Global Compact-initiatief van de Verenigde Naties en de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de OESO, op alle productiebedrijven in de toeleveringsketen die worden gebruikt voor de vervaardiging van het product of de producten onder licentie, worden nageleefd. Ten behoeve van de controle moet naar de volgende fundamentele arbeidsnormen van de IAO worden verwezen:

029

Dwangarbeid

087

Vrijheid van vereniging en bescherming van het recht zich te organiseren

098

Recht van organisatie en collectieve onderhandelingen

100

Gelijke beloning

105

Afschaffing van dwangarbeid

111

Discriminatie (in beroep en beroepsuitoefening)

138

Verdrag betreffende de minimumleeftijd

155

Veiligheid en gezondheid op het werk

182

Uitbanning van de ernstigste vormen van kinderarbeid

Deze normen moeten op alle productieplaatsen in de toeleveringsketen worden bekendgemaakt die worden gebruikt om het eindproduct te vervaardigen.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet aantonen dat de naleving door derden is gecontroleerd met behulp van onafhankelijke controles of bewijsstukken, waaronder bezoeken ter plaatse, afgelegd door controleurs tijdens het milieukeurcontroleproces, voor de productieplaatsen in de toeleveringsketen van de producten onder licentie. Dit moet op het moment van aanvraag gebeuren en vervolgens tijdens de licentieperiode als nieuwe productieplaatsen in gebruik worden genomen.

Criterium 12. Informatie op de EU-milieukeur

Het logo van de EU-milieukeur moet op de verpakking van het product worden aangebracht. Kader 2 van de EU-milieukeur moet de volgende tekst bevatten:

„Minder gevolgen van het gebruik van hulpbronnen”

„Beperkt gebruik van gevaarlijke stoffen”

„Prestatie- en kwaliteitstests doorstaan”

Op de verpakking moet bovendien de volgende tekst worden vermeld: „Meer informatie over waarom aan dit product de EU-milieukeur is toegekend, vindt u op http://ec.europa.eu/environment/ecolabel/”.

Beoordeling en controle

De aanvrager moet een verklaring van overeenstemming en visueel bewijs verstrekken.


(*)  In de berekening wordt uitgegaan van de netto-emissies van P. De P die van nature in houtgrondstoffen en in water voorkomt, kan van de totale emissies van P worden afgetrokken. Er wordt een aftrek tot 0,010 kg/ADT aanvaard.

(1)  Als gedefinieerd in Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(2)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(4)  SCCS Opinion on Fragrance allergens in cosmetic products, juni 2012 http://ec.europa.eu/health/scientific_committees/consumer_safety/docs/sccs_o_102.pdf

(5)  Verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 59).

(6)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(7)  Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 196 van 16.8.1967, blz. 1).

(1)  Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008.

(2)  Overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG en Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1).

(3)  Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 286/2011 van de Commissie van 10 maart 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, met het oog op de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang (PB L 83 van 30.3.2011, blz. 1).

(**)  Deze eis geldt niet voor inlegkruisjes zonder kern die bedoeld zijn als bescherming van damesondergoed (lichte inlegkruisjes).