ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 317

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
4 november 2014


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

1

 

*

Verordening (EU, Euratom) nr. 1142/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen

28

 

*

Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten

35

 

*

Verordening (EU) nr. 1144/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad

56

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

4.11.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/1


VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 1141/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2014

betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 224,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Gezien het advies van de Rekenkamer (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 10, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 12, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „het Handvest”) dragen de politieke partijen op Europees niveau bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.

(2)

Volgens de artikelen 11 en 12 van het Handvest zijn het recht op vrijheid van vereniging op alle niveaus, bijvoorbeeld op politiek en maatschappelijk gebied, en het recht op vrijheid van meningsuiting, dat de vrijheid omvat een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen, grondrechten van iedere burger van de Unie.

(3)

Europese burgers dienen in staat te worden gesteld gebruik te maken van deze rechten teneinde volledig deel te nemen aan het democratisch proces van de Unie.

(4)

Werkelijk transnationale politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen vervullen een belangrijke rol door de stem van de burgers op Europees niveau te laten horen en zo de kloof tussen de politiek op nationaal niveau en die op Unieniveau te dichten.

(5)

Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen dienen te worden aangemoedigd en gesteund bij hun streven een stevige band tot stand te brengen tussen de Europese civiele samenleving en de instellingen van de Unie, met name het Europees Parlement.

(6)

De ervaringen die de Europese politieke partijen en de daaraan verbonden Europese politieke stichtingen hebben opgedaan bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad (5), en de door het Europees Parlement op 6 april 2011 aangenomen resolutie over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2004/2003 (6), wijzen uit dat het juridisch en financieel kader voor Europese politieke partijen en de daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moet worden verbeterd, willen zij als actoren binnen het meerlagig politiek systeem van de Unie zichtbaarder en doeltreffender kunnen worden.

(7)

Gelet op de opdracht die Europese politieke partijen volgens het Verdrag hebben, en ter vereenvoudiging van hun werk, dient voor Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen te worden voorzien in een specifieke Europese rechtsstatus.

(8)

Er moet een Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen („de Autoriteit”) worden opgericht, die zich zal bezighouden met de registratie van, het toezicht op en het opleggen van sancties aan Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Registratie moet als voorwaarde gelden voor het verkrijgen van de Europese rechtsstatus, die een aantal rechten en verplichtingen met zich meebrengt. Om belangenconflicten te vermijden, moet de Autoriteit onafhankelijk zijn.

(9)

De procedures die Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moeten volgen om uit hoofde van deze verordening een Europese rechtsstatus te verkrijgen, dienen te worden vastgesteld, evenals de procedures en criteria die in acht moeten worden genomen bij de besluitvorming inzake de toekenning van een dergelijke Europese rechtsstatus. Ook dienen de procedures te worden vastgesteld voor gevallen waarin een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting haar Europese rechtsstatus verspeelt, verliest of opgeeft.

(10)

Teneinde het toezicht op juridische entiteiten die aan zowel het recht van de Unie als het nationale recht onderworpen zijn te vergemakkelijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen met betrekking tot de werking van een door de Autoriteit te beheren register van Europese politieke partijen en stichtingen („het register”), met name wat betreft de in het register opgeslagen informatie en bewijsstukken. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(11)

Teneinde eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend inzake het systeem voor de toekenning van registratienummers en inzake standaarduittreksels die uit het register op verzoek beschikbaar worden gesteld door de Autoriteit aan derde partijen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(12)

Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen die als zodanig op Unieniveau erkenning willen in de vorm van een Europese rechtsstatus en middelen uit de algemene begroting van de Europese Unie willen ontvangen, dienen bepaalde beginselen in acht te nemen en aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen dienen met name de waarden te eerbiedigen waarop de Unie berust, zoals bedoeld in artikel 2 VEU.

(13)

Een besluit om een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting uit het register te schrappen wegens het niet eerbiedigen van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, dient uitsluitend te worden genomen indien die waarden op ernstige en manifeste wijze worden geschonden. Bij het nemen van een besluit tot schrapping uit het register, moet de Autoriteit het Handvest ten volle eerbiedigen.

(14)

De statuten van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting dienen een reeks basisbepalingen te bevatten. Het moet de lidstaten worden toegestaan om aanvullende eisen te stellen voor de statuten van de op hun grondgebied gevestigde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, mits die aanvullende eisen niet onverenigbaar zijn met deze verordening.

(15)

De Autoriteit dient op gezette tijden te controleren of Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen nog aan de voorwaarden en vereisten inzake de registratie voldoen. Besluiten inzake de eerbiediging van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, mogen alleen worden genomen volgens een speciaal hiervoor ontworpen procedure en na raadpleging van een comité van onafhankelijke vooraanstaande personen.

(16)

De Autoriteit is een orgaan van de Unie in de zin van artikel 263 VWEU.

(17)

De onafhankelijkheid en transparantie van het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen moet worden gewaarborgd.

(18)

Op basis van de hun toegekende Europese rechtsstatus moeten Europese politieke partijen en daaraan verbonden politieke stichtingen in alle lidstaten erkend worden en handelingsbevoegd zijn. Die erkenning en handelingsbevoegdheid brengt echter niet met zich mee dat zij ook kandidaten mogen voordragen voor nationale verkiezingen of verkiezingen voor het Europees Parlement of mogen deelnemen aan referendumcampagnes. Deze en soortgelijke rechten blijven tot de bevoegdheden van de lidstaten behoren.

(19)

De activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten geregeld worden door deze verordening en voor aangelegenheden die niet door deze verordening worden geregeld, door de relevante bepalingen van het nationale recht van de lidstaten. De rechtsstatus van een Europese politieke partij of van een Europese politieke stichting moet geregeld worden door deze verordening en door de geldende bepalingen van het nationale recht van de lidstaat waar de zetel ervan is gevestigd („lidstaat waar de zetel is gevestigd”). De lidstaat waar de zetel is gevestigd moet de mogelijkheid hebben om het toepasselijke recht vooraf te bepalen of de Europese politieke partijen en Europese stichtingen hierin een keuzemogelijkheid te bieden. De lidstaat waar de zetel is gevestigd moet tevens de mogelijkheid hebben om naast de eisen van deze verordening ook andere of aanvullende eisen te stellen, en mag bijvoorbeeld voorschriften vaststellen met betrekking tot de registratie en integratie van Europese politieke partijen in nationale administratieve en controlesystemen of voorschriften met betrekking tot de organisatie en de statuten, onder meer inzake aansprakelijkheid, mits dergelijke voorschriften niet onverenigbaar zijn met deze verordening.

(20)

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen moeten Europese rechtspersoonlijkheid krijgen, het kernelement van de Europese rechtsstatus. Om Europese rechtspersoonlijkheid te krijgen moeten zij voldoen aan bepaalde vereisten en procedures ter bescherming van de belangen van de lidstaat waar de zetel is gevestigd, de verzoekende partij voor de Europese rechtsstatus („de verzoekende partij”) en elke betrokken derde partij. Meer bepaald moet de bestaande nationale rechtspersoonlijkheid worden omgezet in Europese rechtspersoonlijkheid en moeten eventuele individuele rechten en verplichtingen uit hoofde van de nationale rechtspersoonlijkheid overgaan naar de nieuwe Europese juridische entiteit. Bovendien moet ten behoeve van de continuïteit van de activiteiten in garanties worden voorzien om te voorkomen dat de betrokken lidstaat ter zake van een dergelijke omzetting verbodsmaatregelen invoert. De lidstaat waar de zetel is gevestigd moet de mogelijkheid hebben om te preciseren welke soorten nationale rechtspersonen omgezet kunnen worden in een Europese rechtspersoon en heeft het recht zijn instemming met de verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid overeenkomstig deze verordening te weigeren totdat toereikende garanties worden geboden inzake, met name, de wettigheid van de statuten van de verzoekende partij overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat of de bescherming van schuldeisers of houders van andere rechten uit hoofde van de bestaande nationale rechtspersoonlijkheid.

(21)

Bij beëindiging van Europese rechtspersoonlijkheid moet voldaan worden aan bepaalde vereisten en procedures ter bescherming van de belangen van de Unie, de lidstaat waar de zetel is gevestigd, de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting en elke betrokken derde partij. Meer bepaald moet, als de Europese politieke partij of Europese politieke stichting rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, dit beschouwd worden als omzetting van Europese rechtspersoonlijkheid en moeten de individuele rechten en verplichtingen van de gewezen Europese juridische entiteit overgaan naar de nationale juridische entiteit. Bovendien moet ten behoeve van de continuïteit van de activiteiten in garanties worden voorzien om te voorkomen dat de betrokken lidstaat op een dergelijke omzetting verbodsmaatregelen toepast. Indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geen rechtspersoonlijkheid verkrijgt in de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, dient zij te worden ontbonden volgens het recht van de desbetreffende lidstaat en overeenkomstig de voorwaarde die bepaalt dat er geen winstoogmerk mag zijn. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement dienen met de betrokken lidstaat afspraken te kunnen maken inzake de beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid, met name om de terugvordering van middelen uit de algemene begroting van de Europese Unie en de inning van financiële sancties te waarborgen.

(22)

Indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting op ernstige wijze inbreuk maakt op het relevante nationale recht en indien het daarbij gaat om elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, moet de Autoriteit, na een verzoek van de betrokken lidstaat daartoe, besluiten de procedures van deze verordening toe te passen. Voorts moet de Autoriteit, na een verzoek daartoe van de lidstaat waar de zetel is gevestigd, besluiten om een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting die op ernstige wijze het relevante nationale recht op enig ander gebied heeft geschonden, uit het register te schrappen.

(23)

Alleen Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen die als zodanig zijn erkend en een Europese rechtsstatus hebben verkregen, dienen in aanmerking te komen voor financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie. Hoewel het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat de voorwaarden voor de vorming van een Europese politieke partij niet buitensporig zijn, maar door georganiseerde en serieuze transnationale allianties van politieke partijen en/of natuurlijke personen eenvoudig kunnen worden vervuld, moeten er vanwege de beperkte middelen die uit de algemene begroting van de Europese Unie kunnen worden toegekend, ook evenredige criteria worden vastgesteld waaruit objectief blijkt dat een Europese politieke partij Europese ambitie heeft en reële electorale steun geniet. Dergelijke criteria kunnen het best betrekking hebben op de uitslagen van de verkiezingen voor het Europees Parlement, waaraan de Europese politieke partijen of hun leden krachtens deze verordening moeten deelnemen, omdat deze uitslagen een nauwkeurige indicatie geven van het electorale draagvlak van een Europese politieke partij. Die criteria dienen de rol die het Europees Parlement overeenkomstig artikel 10, lid 2, VEU heeft als rechtstreekse vertegenwoordiging van de burgers van de Unie te weerspiegelen, alsook het doel van Europese politieke partijen om volledig deel te nemen aan het democratisch proces van de Unie en om actief bij te dragen tot de representatieve democratie van Europa, teneinde uitdrukking te geven aan de standpunten, meningen en politieke wensen van de burgers van de Unie. Daarom dienen alleen Europese politieke partijen die door ten minste één lid worden vertegenwoordigd in het Europees Parlement en alleen Europese politieke stichtingen die hiertoe een aanvraag indienen via een Europese politieke partij die door ten minste één van haar leden wordt vertegenwoordigd in het Europees Parlement in aanmerking te komen voor financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie.

(24)

Teneinde de financiering van Europese politieke partijen transparanter te maken en mogelijk misbruik van de financieringsregels te voorkomen, dient een lid van het Europees Parlement, uitsluitend voor financieringsdoeleinden, te worden beschouwd als lid van slechts één Europese politieke partij, en wel die waarbij zijn nationale of regionale politieke partij op de uiterste datum voor het indienen van financieringsaanvragen is aangesloten.

(25)

De procedures die Europese politieke partijen en de daaraan verbonden Europese politieke stichtingen moeten volgen bij het aanvragen van financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie dienen te worden vastgesteld, evenals de procedures, criteria en regels die in acht moeten worden genomen bij de besluitvorming inzake de toekenning van dergelijke financiering.

(26)

Teneinde de onafhankelijkheid, verantwoording en verantwoordelijkheid van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen te verbeteren, dienen bepaalde soorten donaties en bijdragen uit andere bronnen dan de algemene begroting van de Europese Unie te worden verboden of aan beperkingen te worden onderworpen. Elke beperking van het vrije verkeer van kapitaal in verband met dergelijke beperkingen zijn gerechtvaardigd uit hoofde van de bescherming van de openbare orde en zijn strikt noodzakelijk om die doelstellingen te bereiken.

(27)

Europese politieke partijen dienen campagnes voor de verkiezingen voor het Europees Parlement te kunnen financieren, waarbij de financiering en de beperking van de verkiezingsuitgaven voor de betrokken partijen en kandidaten in elke lidstaat door de nationale bepalingen dienen te worden geregeld.

(28)

Europese politieke partijen mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks andere politieke partijen financieren en met name geen nationale partijen en kandidaten. Europese politieke stichtingen mogen rechtstreeks noch onrechtstreeks Europese of nationale politieke partijen of kandidaten financieren. Bovendien mogen Europese politieke partijen en daaraan verbonden Europese politieke stichtingen geen referendumcampagnes financieren. Deze beginselen vloeien voort uit Verklaring nr. 11 ad artikel 191 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, die is gehecht aan de Slotakte van het Verdrag van Nice.

(29)

Er dienen specifieke regels en procedures te worden vastgesteld voor de verdeling van de kredieten die jaarlijks beschikbaar zijn op de algemene begroting van de Europese Unie, waarbij rekening wordt gehouden met enerzijds het aantal begunstigde partijen en anderzijds het aandeel van de gekozen leden in het Europees Parlement van iedere begunstigde Europese politieke partij en, bij uitbreiding, van de daaraan verbonden Europese politieke stichting. Deze regels dienen te voorzien in strikte maatregelen inzake transparantie, boekhouding, audit en financiële controle van de Europese politieke partijen en de daaraan verbonden Europese politieke stichtingen en in het opleggen van evenredige sancties, onder meer voor het geval een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting de waarden schendt waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU.

(30)

Om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze verordening inzake de financiering en uitgaven van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en inzake andere onderwerpen is het noodzakelijk doeltreffende controlemechanismen in het leven te roepen. De Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten moeten daarom samenwerken en alle dienstige informatie uitwisselen. Daarnaast moet samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten gestimuleerd worden, om te zorgen voor de effectieve en efficiënte controles van de verplichtingen uit hoofde van het toepasselijke nationale recht.

(31)

Het is noodzakelijk te voorzien in een duidelijke en krachtige sanctieregeling met afschrikkende werking, om ervoor te zorgen dat de verplichtingen betreffende de activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op doeltreffende, evenredige en eenvormige wijze worden nageleefd. Een dergelijke regeling moet het ne-bis-in-idembeginsel, krachtens hetwelk hetzelfde strafbaar feit niet twee keer mag worden bestraft, eerbiedigen. Voorts is het noodzakelijk de taken van de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement op het gebied van de controle op en de verificatie van de naleving van deze verordening te omschrijven, alsook de mechanismen voor de onderlinge samenwerking en de samenwerking met de autoriteiten van de lidstaten.

(32)

Om het Europees politiek bewustzijn van de burgers te bevorderen en het Europese verkiezingsproces transparanter te maken, mogen Europese politieke partijen de burgers tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement wijzen op hun banden met nationale politieke partijen en kandidaten.

(33)

Omwille van de transparantie en ter versterking van de democratische controle en verantwoording van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen dient informatie die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht en met name betrekking heeft op hun statuten, samenstelling, jaarrekeningen, donateurs en donaties, bijdragen en subsidies uit de algemene begroting van de Europese Unie, evenals informatie betreffende de besluiten van de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement inzake registratie, financiering en sancties, te worden bekendgemaakt. Het doeltreffendste middel om gelijke voorwaarden voor en eerlijke mededinging tussen politieke krachten te bevorderen en voor open, transparante en democratische wetgevings- en verkiezingsprocessen te zorgen, teneinde het vertrouwen van de burgers en kiezers in de Europese representatieve democratie te sterken, en meer in het algemeen corruptie en machtsmisbruik te voorkomen, is het tot stand brengen van een regelgevingskader dat waarborgt dat deze informatie openbaar wordt gemaakt.

(34)

In overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel dient de verplichting om de identiteit van donateurs die natuurlijke personen zijn, bekend te maken niet te gelden voor donaties van 1 500 EUR of minder per jaar en per donateur. Die verplichting dient evenmin te gelden voor donaties waarvan het jaarlijks bedrag meer dan 1 500 EUR bedraagt en minder dan of gelijk is aan 3 000 EUR, tenzij de donor vooraf schriftelijk met publicatie heeft ingestemd. Deze drempels zorgen voor een goede balans tussen enerzijds het fundamentele recht op bescherming van persoonsgegevens en anderzijds het legitieme openbaar belang van transparantie op het gebied van de financiering van Europese politieke partijen en stichtingen, overeenkomstig internationale aanbevelingen ter zake van de voorkoming van corruptie op het gebied van de financiering van politieke partijen en stichtingen. Openbaarmaking van donaties van meer dan 3 000 EUR per jaar per donateur moet een doeltreffende publieke toetsing van en controle op de betrekkingen tussen donoren en Europese politieke partijen waarborgen. Het evenredigheidsbeginsel gebiedt ook dat informatie over donaties jaarlijks moet worden bekendgemaakt, behalve wanneer het gaat om donaties tijdens verkiezingscampagnes voor het Europees Parlement of donaties van meer dan 12 000 EUR, waarvoor geldt dat deze zo snel mogelijk moeten worden bekendgemaakt.

(35)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn vervat in het Handvest, in het bijzonder de artikelen 7 en 8 daarvan, waarin is bepaald dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven en op bescherming van zijn persoonsgegevens, en zij moet dan ook worden uitgevoerd met volledige inachtneming van deze rechten en beginselen.

(36)

Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (8) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de Autoriteit, het Europees Parlement en het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen op grond van deze verordening.

(37)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig deze verordening.

(38)

Omwille van de rechtszekerheid dient te worden verduidelijkt dat de Autoriteit, het Europees Parlement, de Europese politieke partijen en de daaraan verbonden Europese politieke stichtingen, de nationale autoriteiten die bevoegd zijn om toezicht uit te oefenen op bepaalde aspecten van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, en andere relevante derde partijen die in deze verordening worden genoemd of waarin deze verordening voorziet, gelden als verantwoordelijk voor de verwerking in de zin van Verordening (EG) nr. 45/2001 of Richtlijn 95/46/EG. Ook dient de maximumperiode te worden vastgesteld gedurende welke de persoonsgegevens mogen worden bewaard die zijn verzameld om de wettigheid, regelmatigheid en transparantie van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, alsook die van de samenstelling van Europese politieke partijen te waarborgen. Als verantwoordelijke voor de verwerking moeten de Autoriteit, het Europees Parlement, de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, de bevoegde nationale autoriteiten en de relevante derde partijen alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit Verordening (EG) nr. 45/2001 en Richtlijn 95/46/EG, in het bijzonder die betreffende de rechtmatigheid van de verwerking, de beveiliging van de verwerkingsactiviteiten, de informatieverstrekking aan de betrokkene en het recht van de betrokkene op toegang tot zijn persoonsgegevens en op correctie en uitwissing daarvan.

(39)

Hoofdstuk III van Richtlijn 95/46/EG over beroep op de rechter, aansprakelijkheid en sancties is van toepassing op de gegevensverwerking in het kader van deze verordening. De bevoegde nationale autoriteiten of relevante derde partijen dienen overeenkomstig het toepasselijk nationaal recht aansprakelijk te zijn voor schade die zij veroorzaken. Daarnaast dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat aan de bevoegde nationale autoriteiten of relevante derde partijen passende sancties kunnen worden opgelegd voor overtredingen van deze verordening.

(40)

De technische ondersteuning van het Europees Parlement aan Europese politieke partijen dient op het beginsel van gelijke behandeling te zijn gebaseerd, tegen overlegging van een factuur en tegen betaling te worden verleend en regelmatig aan openbare verslaglegging te worden onderworpen.

(41)

De belangrijkste informatie over de toepassing van deze verordening dient aan het publiek beschikbaar te worden gesteld op een speciale website.

(42)

De rechterlijke toetsing berust bij het Hof van Justitie van de Europese Unie en draagt bij tot de correcte toepassing van deze verordening. Voorts moeten er voorzieningen getroffen worden om Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de gelegenheid te geven om te worden gehoord en corrigerende maatregelen te nemen, voordat hun een sanctie wordt opgelegd.

(43)

De lidstaten moeten zorgen voor nationale bepalingen die bijdragen aan een doeltreffende toepassing van deze verordening.

(44)

De lidstaten moeten voldoende tijd krijgen om bepalingen vast te stellen om te zorgen voor een soepele en doeltreffende toepassing van deze verordening. Er dient derhalve te worden voorzien in een overgangsperiode tussen het moment van inwerkingtreding en de toepassing van deze verordening.

(45)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd en heeft advies uitgebracht (10).

(46)

Aangezien er belangrijke wijzigingen en toevoegingen nodig zijn ten opzichte van de vigerende regels en procedures voor politieke partijen en politieke stichtingen op het niveau van de Unie, dient Verordening (EG) nr. 2004/2003 te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de voorwaarden vastgesteld betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (hierna: „Europese politieke partijen”) en politieke stichtingen op Europees niveau (hierna: „Europese politieke stichtingen”).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„politieke partij”: een vereniging van burgers:

die politieke doeleinden nastreeft, en

die erkend is door, of opgericht is in overeenstemming met, de rechtsorde van ten minste één lidstaat;

2.

„politieke alliantie”: een gestructureerde samenwerking tussen politieke partijen en/of burgers;

3.

„Europese politieke partij”: een „politieke alliantie” die politieke doeleinden nastreeft en in overeenstemming met de voorwaarden en procedures van deze verordening bij de conform artikel 6 opgerichte Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen is geregistreerd;

4.

„Europese politieke stichting”: een entiteit die formeel verbonden is met een Europese politieke partij, die in overeenstemming met de voorwaarden en procedures van deze verordening bij de Autoriteit is geregistreerd, en waarvan de activiteiten, binnen de doelstellingen en fundamentele waarden die de Unie nastreeft, het bereiken van de doelstellingen van de Europese politieke partij dichterbij kunnen helpen brengen door een of meer van de volgende taken uit te voeren:

a)

het maken van observaties en analyses, en het leveren van bijdragen aan het debat over Europese politieke aangelegenheden en het proces van Europese integratie;

b)

het ontwikkelen van activiteiten in verband met Europees overheidsbeleid, zoals het organiseren en mede mogelijk maken van studiebijeenkomsten, opleidingen, conferenties en studies over dergelijke aangelegenheden voor betrokkenen en belanghebbenden, waaronder jongerenorganisaties en andere vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld;

c)

het ontwikkelen van samenwerking ter bevordering van de democratie, ook in derde landen;

d)

het kader te vormen waarbinnen nationale politieke stichtingen, academici en andere relevante actoren op Europees niveau kunnen samenwerken;

5.

„regionaal parlement” of „regionale assemblee”: orgaan waarvan de leden ofwel een regionaal gekozen ambt vervullen ofwel politiek verantwoording schuldig zijn aan een gekozen vergadering;

6.

„financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie”: een subsidie toegekend conform deel 1, titel VI, dan wel een bijdrage toegekend conform titel VIII van deel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966//2012 van het Europees Parlement en de Raad (11) („het Financieel Reglement”);

7.

„donatie”: alle schenkingen in geld, alle giften in natura, levering onder de marktwaarde van alle goederen, diensten (waaronder leningen) of werken en/of andere transacties die een economisch voordeel vormen voor de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting, met uitzondering van bijdragen van leden en gebruikelijke door individuele personen op vrijwillige basis uitgevoerde politieke activiteiten;

8.

„bijdrage van leden”: elke betaling in geld, waaronder lidmaatschapsbijdragen, of elke bijdrage in natura, of levering onder de marktwaarde van goederen, diensten (waaronder leningen) of werken en/of andere transacties die, indien aan de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting verstrekt door één van hun leden, de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting economisch voordeel opleveren, met uitzondering van gebruikelijke door individuele personen op vrijwillige basis uitgevoerde politieke activiteiten;

9.

„jaarlijkse begroting” voor de toepassing van de artikelen 20 en 27: het totale bedrag van de uitgaven van een bepaald jaar, zoals vermeld in de jaarrekening van de betrokken Europese politieke partij of de betrokken Europese politieke stichting;

10.

„nationaal contactpunt”: een van de verbindingspunten aangewezen voor kwesties betreffende de centrale gegevensbank van uitsluitingen, als bedoeld in artikel 108 van het Financieel Reglement en artikel 144 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (12), of een andere persoon die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat specifiek is belast met de uitwisseling van informatie inzake de toepassing van deze verordening;

11.

„zetel”: de plaats waar de centrale administratie van de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting gevestigd is;

12.

„samenloop van inbreuken”: twee of meer inbreuken, begaan in het kader van één onrechtmatige handeling;

13.

„herhaalde inbreuk”: een inbreuk, gepleegd binnen vijf jaar nadat aan de overtreder een sanctie is opgelegd voor eenzelfde inbreuk.

HOOFDSTUK II

STATUUT VAN EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN EN EUROPESE POLITIEKE STICHTINGEN

Artikel 3

Voorwaarden voor registratie

1.   Een politieke alliantie kan onder de volgende voorwaarden een verzoek tot registratie als Europese politieke partij indienen:

a)

haar zetel is gevestigd in een lidstaat, zoals bepaald in haar statuten;

b)

zij of haar leden zijn of worden in ten minste een vierde van de lidstaten vertegenwoordigd door leden van het Europees Parlement, of leden van nationale dan wel regionale parlementen, of leden van regionale assemblees, of

zij of de bij haar aangesloten partijen hebben in ten minste een vierde van de lidstaten bij de laatste verkiezingen voor het Europees Parlement ten minste drie procent van de in ieder van die lidstaten uitgebrachte stemmen behaald;

c)

met name in haar programma en optreden respecteert zij de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren;

d)

zij of haar leden hebben deelgenomen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement of heeft publiekelijk haar voornemen te kennen gegeven om aan de volgende verkiezingen voor het Europees Parlement deel te nemen, en

e)

zij heeft geen winstoogmerk.

2.   Een verzoekende partij kan onder de volgende voorwaarden een verzoek tot registratie als Europese politieke stichting indienen:

a)

zij heeft banden met een overeenkomstig de voorwaarden en procedures van deze verordening geregistreerde politieke partij;

b)

haar zetel is gevestigd in een lidstaat, zoals bepaald in haar statuten;

c)

met name in haar programma en optreden respecteert zij de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren;

d)

haar doelstellingen vormen een aanvulling op de doelstellingen van de Europese politieke partij waarmee zij formeel verbonden is;

e)

haar raad van bestuur is samengesteld uit leden uit ten minste een vierde van de lidstaten, en

f)

zij heeft geen winstoogmerk.

3.   Aan een Europese politieke partij kan slechts één Europese politieke stichting formeel verbonden zijn. Elke Europese politieke partij en de daaraan verbonden Europese politieke stichting verzekert de scheiding tussen hun respectievelijke dagelijkse leiding, bestuursstructuren en financiële rekeningen.

Artikel 4

Goed bestuur van Europese politieke partijen

1.   De statuten van een Europese politieke partij zijn in overeenstemming met het geldende recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd en bevatten bepalingen betreffende:

a)

haar naam en logo, die duidelijk te onderscheiden zijn van die van elke bestaande Europese politieke partij of Europese politieke stichting;

b)

het adres van haar zetel;

c)

een politiek programma met haar doelstellingen;

d)

een verklaring overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder e), dat zij geen winstoogmerk heeft;

e)

indien van toepassing, de naam van de met de partij verbonden politieke stichting en een beschrijving van de formele band tussen beide;

f)

haar administratieve en financiële organisatie en procedures, waarin met name de organen en bureaus worden vermeld die bevoegd zijn tot administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging, alsmede de regels inzake het opstellen, de goedkeuring en de controle van jaarrekeningen, en

g)

de te volgen interne procedure bij haar vrijwillige ontbinding als Europese politieke partij.

2.   De statuten van een Europese politieke partij bevatten bepalingen inzake de interne organisatie van de partij, en hebben in ieder geval betrekking op:

a)

de modaliteiten voor toelating, uittreding en uitsluiting van haar partijleden, met de lijst van bij haar aangesloten partijen in bijlage bij de statuten;

b)

de rechten en plichten voor elk type lidmaatschap en de daarmee verband houdende stemrechten;

c)

de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en samenstelling van haar bestuursorganen, met voor elk van deze organen de criteria voor de selectie van kandidaten en de procedures voor hun benoeming en ontslag;

d)

haar interne-besluitvormingsproces, in het bijzonder de stemprocedures en quorumvereisten;

e)

haar houding ten aanzien van transparantie, met name inzake de boekhouding, rekeningen en donaties, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens, en

f)

de interne procedure voor het wijzigen van haar statuten.

3.   De lidstaat waar de zetel is gevestigd kan inzake de statuten aanvullende eisen stellen, mits die aanvullende eisen niet onverenigbaar zijn met deze verordening.

Artikel 5

Goed bestuur van Europese politieke stichtingen

1.   De statuten van een Europese politieke stichting zijn in overeenstemming met de geldende wetgeving van de lidstaat waar zij haar zetel heeft en bevatten ten minste bepalingen betreffende:

a)

haar naam en logo, die duidelijk te onderscheiden zijn van die van elke bestaande Europese politieke partij of Europese politieke stichting;

b)

het adres van haar zetel;

c)

een beschrijving van haar doelstellingen, die in overeenstemming zijn met de in artikel 2, punt 4, opgesomde activiteiten;

d)

een verklaring overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder f), dat zij geen winstoogmerk heeft;

e)

de naam van de met de stichting verbonden Europese politieke partij en een beschrijving van de formele band tussen beide;

f)

een lijst met haar organen, met voor elk van deze organen de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en samenstelling, evenals de procedure voor de benoeming en het ontslag van de leden en de beheerders van deze organen;

g)

haar administratieve en financiële organisatie en procedures, waarin met name de organen en bureaus worden vermeld die bevoegd zijn tot administratieve, financiële en juridische vertegenwoordiging, alsmede de regels inzake het opstellen, de goedkeuring en de controle van jaarrekeningen;

h)

de interne procedure voor het wijzigen van haar statuten, en

i)

de te volgen interne procedure bij haar vrijwillige ontbinding als Europese politieke stichting.

2.   De lidstaat waar de zetel is gevestigd mag inzake de statuten aanvullende eisen stellen, mits die aanvullende eisen niet onverenigbaar zijn met deze verordening.

Artikel 6

Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen

1.   Hierbij wordt een Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (de „Autoriteit”) opgericht, die zich zal bezighouden met de registratie van, het toezicht op en het opleggen van sancties aan Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig deze verordening.

2.   De Autoriteit heeft rechtspersoonlijkheid. Zij is onafhankelijk en oefent haar bevoegdheden uit in volledige overeenstemming met deze verordening.

De Autoriteit neemt besluiten inzake de registratie en de schrapping uit het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig de bij deze verordening vastgestelde procedures en voorwaarden. Voorts controleert de Autoriteit op gezette tijden of de geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden voor registratie en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), en artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), vastgestelde bepalingen inzake goed bestuur blijven voldoen.

De Autoriteit houdt in haar besluiten ten volle rekening met het fundamentele recht op vrijheid van vereniging en de noodzaak van pluriformiteit van de politieke partijen in Europa.

De Autoriteit wordt vertegenwoordigd door haar directeur, die namens de Autoriteit al haar beslissingen neemt.

3.   De directeur van de Autoriteit wordt voor een periode van vijf jaar, die niet verlengd kan worden, in onderlinge overeenstemming en na een openbare sollicitatieoproep benoemd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (gezamenlijk het „tot aanstelling bevoegde gezag”), op basis van voorstellen van een selectiecomité dat is samengesteld uit de secretarissen-generaal van die drie instellingen.

De directeur van de Autoriteit wordt gekozen op grond van zijn persoonlijke en professionele kwaliteiten. Hij is geen lid van het Europees Parlement, heeft geen kiezersmandaat en is geen werknemer of voormalig werknemer van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting. Er bestaat geen belangenconflict tussen de taak van de benoemde directeur als directeur van de Autoriteit en andere officiële taken, met name in verband met de toepassing van de bepalingen van deze verordening.

Wanneer de post van directeur vrijkomt door opzegging, pensionering, ontslag of overlijden wordt deze vervuld overeenkomstig dezelfde procedure.

In geval van normale opvolging of vrijwillig ontslag blijft de directeur in functie totdat de vervanger zijn functie opneemt.

Als de directeur van de Autoriteit niet langer aan de voor de uitoefening van zijn functie vereiste voorwaarden voldoet, kan hij worden ontslagen in onderlinge overeenstemming tussen ten minste twee van de drie in de eerste alinea genoemde instellingen en op basis van een verslag van het in de eerste alinea genoemde selectiecomité, opgesteld op eigen initiatief of op verzoek van een van de drie instellingen.

De directeur van de Autoriteit verricht zijn werkzaamheden in volledige onafhankelijkheid. Wanneer de directeur in naam van de Autoriteit optreedt, vraagt noch aanvaardt hij instructies van instellingen, regeringen, organen of instanties. De directeur van de Autoriteit onthoudt zich van elke handeling die onverenigbaar is met de aard van zijn taken.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie oefenen ten aanzien van de directeur gezamenlijk de bevoegdheden uit die krachtens het Statuut van de ambtenaren (en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie), zoals neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (13), aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn verleend. De drie instellingen kunnen gezamenlijk besluiten de uitoefening van de aan het tot aanstelling bevoegde gezag verleende bevoegdheden geheel of gedeeltelijk aan een van hen toe te vertrouwen, met uitzondering van het nemen van besluiten inzake benoeming of ontslag.

Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de directeur andere taken opdragen, mits deze niet onverenigbaar zijn met de werklast in verband met de uitvoering van zijn taken als directeur van de Autoriteit, noch aanleiding geven tot belangenconflicten of de volledige onafhankelijkheid van de directeur in gevaar brengen.

4.   De Autoriteit bevindt zich fysiek in het Europees Parlement, dat de Autoriteit de benodigde kantoorruimte ter beschikking stelt en zorgt voor faciliteiten voor administratieve ondersteuning.

5.   De directeur van de Autoriteit wordt bijgestaan door personeelsleden van een of meer instellingen van de Unie. Indien deze personeelsleden activiteiten verrichten voor de Autoriteit, handelen zij onder het exclusieve gezag van de directeur van de Autoriteit.

De aanstelling van de personeelsleden geeft geen aanleiding tot een belangenconflict tussen hun taken voor de Autoriteit en eventuele andere officiële taken. De personeelsleden onthouden zich van alle handelingen die onverenigbaar zijn met de aard van hun taken.

6.   De Autoriteit sluit overeenkomsten met het Europees Parlement en, indien passend, met andere instellingen over administratieve regelingen die nodig zijn met het oog op de uitvoering van haar taken, met name overeenkomsten inzake personeel, diensten en ondersteuning, als bedoeld in de leden 4, 5 en 8.

7.   In de algemene begroting van de Europese Unie worden de kredieten voor de uitgaven van de Autoriteit ter beschikking gesteld onder een afzonderlijke titel in de afdeling van het Europees Parlement. De kredieten zijn toereikend om het volledig en onafhankelijk functioneren van de Autoriteit te waarborgen. De directeur legt een ontwerpbegrotingsplan voor de Autoriteit voor aan het Europees Parlement. Dit ontwerpbegrotingsplan wordt openbaar gemaakt. Het Europees Parlement delegeert de functies van ordonnateur met betrekking tot deze kredieten aan de directeur van de Autoriteit.

8.   Verordening nr. 1 van de Raad (14) is van toepassing op de Autoriteit.

De voor het functioneren van de Autoriteit en het register vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

9.   De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement delen alle informatie die nodig is voor de uitvoering van hun respectieve bevoegdheden uit hoofde van deze verordening.

10.   De directeur dient jaarlijks een verslag in bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de activiteiten van de Autoriteit.

11.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat overeenkomstig artikel 263 VWEU de wettigheid na van de besluiten van de Autoriteit en is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van schade die door de Autoriteit is veroorzaakt, overeenkomstig de artikelen 268 en 340 VWEU. Ingeval de Autoriteit in strijd met deze verordening nalaat een besluit te nemen, kan overeenkomstig artikel 265 VWEU bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een beroep wegens nalaten worden ingesteld.

Artikel 7

Register voor Europese politieke partijen en stichtingen

1.   De Autoriteit zet een register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op en beheert dit register. Informatie uit het register is beschikbaar overeenkomstig artikel 32.

2.   Met het oog op de goede werking van het register is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 36 en binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van deze richtlijn gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a)

de informatie en ondersteunende documenten die de Autoriteit in bewaring heeft en waarvoor het register de aangewezen opslagplaats moet zijn, waaronder de statuten van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting, eventuele andere documenten die zijn ingediend in het kader van een registratieverzoek overeenkomstig artikel 8, lid 2, eventuele documenten ontvangen van de in artikel 15, lid 2, bedoelde lidstaat waar de zetel is gevestigd, en informatie over de identiteit van de personen die lid zijn van organen dan wel functies bekleden met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële of juridische vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder f), en artikel 5, lid 1, onder g);

b)

onder a) van dit lid bedoeld materiaal uit het register waarvoor het register bevoegd is, ter bevestiging van de wettigheid zoals vastgesteld door de Autoriteit uit hoofde van de bevoegdheden die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend. De Autoriteit is niet bevoegd tot verificatie van de naleving door een Europese politieke partij of Europese politieke stichting van enige verplichting of vereiste die aan de betrokken partij of stichting is opgelegd door de lidstaat waar haar zetel is gevestigd overeenkomstig de artikelen 4 en 5, en artikel 14, lid 2, en die een aanvulling vormen op de verplichtingen en vereisten die in deze verordening zijn neergelegd.

3.   De Commissie geeft bij uitvoeringshandelingen nadere invulling aan het systeem voor toekenning van registratienummers in het register en voor standaarduittreksels uit het register die door het register op verzoek beschikbaar worden gesteld aan derde partijen, met inbegrip van de inhoud van brieven en documenten. Dergelijke uittreksels omvatten geen persoonsgegevens andere dan de identiteit van de personen die lid zijn van organen dan wel functies bekleden met bevoegdheden op het gebied van administratieve, financiële of juridische vertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder f), en artikel 5, lid 1, onder g). Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 37 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 8

Registratieverzoek

1.   Een registratieverzoek wordt bij de Autoriteit ingediend. Een verzoek tot registratie als Europese politieke stichting kan alleen worden ingediend via de Europese politieke partij waar de verzoekende partij formeel bij is aangesloten.

2.   Het verzoek gaat vergezeld van:

a)

documenten waaruit blijkt dat de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, met inbegrip van een formele standaardverklaring opgesteld volgens het standaardformulier in de bijlage;

b)

de statuten van de partij of stichting, die de bepalingen bevatten zoals vereist in de artikelen 4 en 5, met inbegrip van de relevante bijlagen en, in voorkomend geval, de verklaring van de in artikel 15, lid 2, bedoelde lidstaat waar de zetel is gevestigd.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 36 en binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)

tot vaststelling van aanvullende informatie of ondersteunende documenten in verband met lid 2, die de Autoriteit in staat moeten stellen haar verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening in verband met het beheer van het register na te komen;

b)

tot wijziging van de formele standaardverklaring in de bijlage voor wat betreft de waar nodig door de verzoekende partij in te vullen gegevens, om te waarborgen dat de Autoriteit over voldoende informatie beschikt met betrekking tot de ondertekenaar, zijn of haar mandaat en de Europese politieke partij of Europese politieke stichting die hij of zij vertegenwoordigt met het oog op de indiening van de verklaring.

4.   Documentatie die bij de Autoriteit in het kader van het verzoek is ingediend wordt onverwijld gepubliceerd op de in artikel 32 bedoelde website.

Artikel 9

Behandeling van het verzoek en besluit van de Autoriteit

1.   Het verzoek wordt door de Autoriteit onderzocht om vast te stellen of de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden voor registratie als vastgelegd in artikel 3 en of de statuten de in artikel 4 en 5 voorgeschreven bepalingen bevatten.

2.   De Autoriteit neemt een besluit tot registratie van de verzoekende partij, tenzij zij vaststelt dat de verzoekende partij niet voldoet aan de in artikel 3 vastgelegde voorwaarden voor registratie of dat de statuten niet de in artikel 4 en 5 voorgeschreven bepalingen bevatten.

De Autoriteit publiceert haar besluit tot registratie van de verzoekende partij binnen een maand na ontvangst van het registratieverzoek of, indien de in artikel 15, lid 4, vastgelegde procedures van toepassing zijn, binnen vier maanden na ontvangst van het registratieverzoek.

Indien een verzoek onvolledig is, verzoekt de Autoriteit de verzoekende partij om de vereiste aanvullende informatie onverwijld in te dienen. De in de tweede alinea bedoelde termijn gaat pas in op de datum van ontvangst door de Autoriteit van een volledig verzoek.

3.   De in artikel 8, lid 2, onder a), bedoelde formele standaardverklaring wordt voldoende geacht om de Autoriteit in staat te stellen na te gaan of de verzoekende partij voldoet aan de voorwaarden in artikel 3, lid 1, onder c), dan wel in artikel 3, lid 2, onder c), al naargelang van het geval.

4.   Een besluit van de Autoriteit tot registratie van een verzoekende partij wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met de statuten van de betrokken partij of de stichting. Een besluit van de Autoriteit om een verzoekende partij niet te registreren wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met gedetailleerde redenen voor de afwijzing van het verzoek.

5.   Wijzigingen met betrekking tot de overeenkomstig artikel 8, lid 2, bij het registratieverzoek ingediende documenten of statuten, worden ter kennis gebracht van de Autoriteit, die de registratie bijwerkt overeenkomstig de procedures vastgelegd in artikel 15, leden 2 en 4, mutatis mutandis.

6.   De bijgewerkte lijst van bij de Europese politieke partij aangesloten partijen, die overeenkomstig artikel 4, lid 2, bij de statuten van de partij wordt gevoegd, wordt jaarlijks aan de Autoriteit toegezonden. Elke wijziging waardoor de Europese politieke partij mogelijk niet meer aan de eisen van artikel 3, lid 1, onder b), voldoet, wordt binnen vier weken na die wijziging ter kennis gebracht aan de Autoriteit.

Artikel 10

Verificatie van de naleving van de voorwaarden en vereisten van de registratie

1.   Onverminderd de in lid 3 vastgelegde procedure verifieert de Autoriteit op gezette tijden of de geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan de in artikel 3 neergelegde voorwaarden voor registratie en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), en artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), vastgestelde bepalingen inzake goed bestuur blijven voldoen.

2.   Indien de Autoriteit constateert dat niet langer wordt voldaan aan één of meer van de voorwaarden voor registratie of één of meer van de bepalingen inzake goed bestuur als bedoeld in lid 1, met uitzondering van de voorwaarden in artikel 3, lid 1, onder c), en artikel 3, lid 2, onder c), wordt de betreffende Europese politieke partij of stichting hiervan in kennis gesteld.

3.   Het Europees Parlement, de Raad of de Commissie kan bij de Autoriteit een verzoek indienen tot verificatie van de naleving door een specifieke Europese politieke partij of Europese politieke stichting van de in artikel 3, lid 1, onder c), en artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden. In dergelijke gevallen en in de in artikel 16, lid 3, onder a), bedoelde gevallen, vraagt de Autoriteit het overeenkomstig artikel 11 opgerichte comité van onafhankelijke vooraanstaande personen om advies ter zake. Het comité brengt zijn advies binnen twee maanden uit.

Indien de Autoriteit kennis krijgt van feiten die twijfel kunnen oproepen met betrekking tot de naleving door een specifieke Europese politieke partij of Europese politieke stichting van de in artikel 3, lid 1, onder c), en artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden, stelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hiervan in kennis, zodat deze instellingen een verzoek tot verificatie kunnen indienen als bedoeld in de eerste alinea. Onverminderd de eerste alinea maken het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hun voornemen kenbaar binnen twee maanden na ontvangst van deze informatie.

De in de eerste en tweede alinea uiteengezette procedures worden niet ingeleid binnen een periode van twee maanden voorafgaand aan de verkiezingen voor het Europees Parlement.

Rekening houdend met het advies van het comité besluit de Autoriteit of de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register wordt geschrapt. Het besluit van de Autoriteit wordt naar behoren gemotiveerd.

Een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register vanwege niet-naleving van de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden kan alleen worden goedgekeurd indien sprake is van ernstige en manifeste schending van deze voorwaarden. Bij het nemen van het besluit wordt de procedure van lid 4 gevolgd.

4.   Een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van een Europese politieke partij of stichting vanwege een ernstige en manifeste schending van de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden wordt ter kennis gegeven aan het Europees Parlement en de Raad. Het besluit treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van het besluit aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Autoriteit heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen maken. Indien het Europees Parlement en de Raad bezwaar maken, blijft de Europese politieke partij of stichting geregistreerd.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen tegen het besluit alleen bezwaar maken op grond van redenen die verband houden met de beoordeling van de naleving van de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), vastgelegde voorwaarden.

De betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting wordt meegedeeld dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register.

Het Europees Parlement en de Raad bepalen hun standpunt overeenkomstig hun respectievelijke besluitvormingsvoorschriften, vastgesteld in overeenstemming met de Verdragen. Een bezwaar is naar behoren gemotiveerd en wordt openbaar gemaakt.

5.   Een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting waartegen geen bezwaar is gemaakt overeenkomstig de in lid 4 vastgestelde procedure, wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, samen met de gedetailleerde redenen voor schrapping uit het register, en treedt drie maanden na de datum van publicatie in werking.

6.   Een Europese politieke stichting verliest automatisch haar status wanneer de Europese politieke partij waarmee de stichting verbonden is, uit het register wordt geschrapt.

Artikel 11

Comité van onafhankelijke vooraanstaande personen

1.   Hierbij wordt een comité van onafhankelijke vooraanstaande personen opgericht. Dit comité bestaat uit zes leden. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wijzen elk twee leden aan. De leden van het comité worden gekozen op grond van hun persoonlijke en professionele kwaliteiten. Zij zijn geen lid van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, hebben geen kiezersmandaat en zijn geen ambtenaren of andere personeelsleden van de Europese Unie of werknemer of voormalig werknemer van een Europese politieke partij of Europese politieke stichting.

De leden van het comité voeren hun taken onafhankelijk uit. Zij vragen noch aanvaarden instructies van instellingen, regeringen, organen of instanties en onthouden zich van elke handeling die onverenigbaar is met de aard van hun taken.

Het comité wordt vernieuwd binnen zes maanden na het einde van de eerste zitting van het Europees Parlement na de verkiezingen voor het Europees Parlement. Het mandaat van de leden is niet verlengbaar.

2.   Het comité stelt zijn eigen reglement van orde vast. De voorzitter van het comité wordt door de leden uit hun midden gekozen overeenkomstig het reglement van orde van het comité. De secretariaatswerkzaamheden en de financiering van het comité komen ten laste van het Europees Parlement. Het secretariaat van het comité valt onder de exclusieve bevoegdheid van het comité.

3.   Op verzoek van de Autoriteit geeft het comité advies over elke mogelijke ernstige en manifeste schending door een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c), en artikel 3, lid 2, onder c). Hiertoe kan het comité relevante documenten of bewijsstukken vragen van de Autoriteit, het Europees Parlement, de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting, andere politieke partijen, politieke stichtingen of andere belanghebbenden, en kan het comité verzoeken hun vertegenwoordigers te horen.

Het comité houdt in zijn adviezen ten volle rekening met het fundamentele recht op vrijheid van vereniging en de noodzaak van pluriformiteit van de politieke partijen in Europa.

De adviezen van het comité worden onverwijld voor het publiek toegankelijk gemaakt.

HOOFDSTUK III

RECHTSSTATUS VAN EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN EN EUROPESE POLITIEKE STICHTINGEN

Artikel 12

Rechtspersoonlijkheid

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bezitten Europese rechtspersoonlijkheid.

Artikel 13

Wettelijke erkenning en handelingsbevoegdheid

Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen zijn in alle lidstaten wettelijk erkend en handelingsbevoegd.

Artikel 14

Toepasselijk recht

1.   Op de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen is deze verordening van toepassing.

2.   Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening worden geregeld, of, wanneer een aangelegenheid hierbij slechts gedeeltelijk is geregeld, voor de aspecten die niet onder deze verordening vallen, gelden voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de desbetreffende bepalingen in het nationale recht van de lidstaat waar hun respectieve zetel is gevestigd.

Op activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in andere lidstaten is de relevante nationale wetgeving van deze lidstaten van toepassing.

3.   Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening of de desbetreffende bepalingen bedoeld in lid 2 worden geregeld, of, wanneer een aangelegenheid hierbij slechts gedeeltelijk is geregeld, voor de aspecten die er niet onder vallen, gelden voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen de bepalingen van hun respectieve statuten.

Artikel 15

Verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid

1.   Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting verkrijgt Europese rechtspersoonlijkheid op de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie van het door de Autoriteit in overeenstemming met artikel 9 genomen besluit tot registratie.

2.   Indien dit wordt vereist door de lidstaat waar de zetel is gevestigd van de verzoekende partij die om registratie als Europese politieke partij of Europese politieke stichting verzoekt, gaat het overeenkomstig artikel 8 ingediende verzoek vergezeld van een door die lidstaat afgegeven verklaring, waarin wordt gemeld dat de verzoekende partij heeft voldaan aan alle desbetreffende nationale vereisten voor indiening van het verzoek, en dat de statuten van de verzoekende partij in overeenstemming zijn met de desbetreffende bepalingen als bedoeld in de eerste alinea van artikel 14, lid 2.

3.   Indien de verzoekende partij rechtspersoonlijkheid bezit naar het recht van een lidstaat, beschouwt die lidstaat de verkrijging van Europese rechtspersoonlijkheid als omzetting van de nationale rechtspersoonlijkheid in een Europese rechtspersoonlijkheid. De Europese rechtspersoonlijkheid neemt de bestaande rechten en verplichtingen van de nationale rechtspersoonlijkheid, die zal ophouden te bestaan, in volle omvang over. De betrokken lidstaat stelt geen beperkende voorwaarden vast voor een dergelijke omzetting. De verzoekende partij behoudt haar vestiging in de betrokken lidstaat totdat een overeenkomstig artikel 9 genomen besluit is gepubliceerd.

4.   Indien de lidstaat waar de zetel van de verzoekende partij is gevestigd dit vereist, stelt de Autoriteit de datum van bekendmaking als bedoeld in lid 1 niet eerder vast dan na overleg met die lidstaat.

Artikel 16

Beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid

1.   Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting verliest haar Europese rechtspersoonlijkheid met de inwerkingtreding van het besluit van de Autoriteit tot schrapping ervan uit het register, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het besluit treedt in werking drie maanden na de bedoelde bekendmaking, tenzij de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting om een kortere periode verzoekt.

2.   Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting wordt uit het register geschrapt bij besluit van de Autoriteit:

a)

als gevolg van een overeenkomstig artikel 10, leden 2 tot en met 5, genomen besluit;

b)

in de situatie als bedoeld in artikel 10, lid 6;

c)

op verzoek van de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting, of

d)

in de in lid 3, eerste alinea, onder b), van dit artikel, bedoelde gevallen.

3.   Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting ernstig heeft tekortgeschoten bij de naleving van relevante verplichtingen uit hoofde van nationaal recht als bedoeld in artikel 14, lid 2, eerste alinea, kan de lidstaat waar haar zetel is gevestigd een naar behoren gemotiveerd verzoek tot schrapping uit het register indienen, waarin de onwettige handelingen en de specifieke niet nageleefde nationale vereisten gedetailleerd en uitputtend worden beschreven. In dergelijke gevallen zal de Autoriteit:

a)

voor aangelegenheden die uitsluitend of voornamelijk betrekking hebben op elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, een verificatieprocedure inleiden overeenkomstig artikel 10, lid 3. Artikel 10, leden 4, 5 en 6, zijn eveneens van toepassing;

b)

voor andere aangelegenheden, en indien uit het naar behoren gemotiveerde verzoek van de betrokken lidstaat blijkt dat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, besluiten om de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting uit het register te schrappen.

Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting ernstig heeft tekortgeschoten bij de naleving van relevante verplichtingen uit hoofde van nationaal recht als bedoeld in artikel 14, lid 2, tweede alinea, en indien de aangelegenheid uitsluitend of voornamelijk betrekking heeft op elementen die van invloed zijn op de eerbiediging van de waarden waarop de Europese Unie berust, als bedoeld in artikel 2 VEU, kan de betrokken lidstaat een verzoek tot de Autoriteit richten overeenkomstig de bepalingen in de eerste alinea van dit lid. De Autoriteit handelt overeenkomstig de eerste alinea van dit lid, onder a).

In alle gevallen handelt de Autoriteit zonder onnodige vertraging. De Autoriteit stelt de betrokken lidstaat en de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting op de hoogte van het gevolg dat is gegeven aan het met redenen omklede verzoek tot schrapping uit het register.

4.   De Autoriteit stelt de datum van de in lid 1 bedoelde publicatie vast na overleg met de lidstaat waar de zetel van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting is gevestigd.

5.   Indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, beschouwt die lidstaat dit als omzetting van de Europese rechtspersoonlijkheid in een nationale rechtspersoonlijkheid, waarbij de bestaande rechten en verplichtingen van de Europese rechtspersoonlijkheid in volle omvang overgaan. De lidstaat in kwestie stelt geen beperkende voorwaarden vast voor een dergelijke omzetting.

6.   Indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting geen rechtspersoonlijkheid verkrijgt naar het recht van de lidstaat waar haar zetel is gevestigd, wordt zij ontbonden volgens het toepasselijke recht van die lidstaat. De betrokken lidstaat mag eisen dat de ontbinding wordt voorafgegaan door de verkrijging door de betrokken partij of stichting van een nationale rechtspersoonlijkheid overeenkomstig lid 5.

7.   In alle situaties als bedoeld in de leden 5 en 6 waarborgt de betrokken lidstaat dat volledig wordt voldaan aan de in artikel 3 neergelegde voorwaarde inzake het ontbreken van een winstoogmerk. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement mogen met de betrokken lidstaat afspraken maken inzake de modaliteiten voor beëindiging van de Europese rechtspersoonlijkheid, met name om de terugvordering van middelen uit de algemene begroting van de Europese Unie en de inning van overeenkomstig artikel 27 opgelegde financiële sancties te waarborgen.

HOOFDSTUK IV

BEPALINGEN INZAKE FINANCIERING

Artikel 17

Voorwaarden voor financiering

1.   Een Europese politieke partij die overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en procedures is geregistreerd, die door ten minste één van haar leden in het Europees Parlement is vertegenwoordigd, en die zich niet in één van de in artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement bedoelde uitsluitingsgevallen bevindt, kan een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie indienen, overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die door de ordonnateur van het Europees Parlement in een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen zijn vastgesteld.

2.   Een Europese politieke stichting die is verbonden met een Europese politieke partij die overeenkomstig lid 1 een verzoek om financiering kan indienen, die overeenkomstig de in deze verordening vastgestelde voorwaarden en procedures is geregistreerd, en die zich niet in één van de in artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement bedoelde uitsluitingsgevallen bevindt, kan een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie indienen, overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die door de ordonnateur van het Europees Parlement in een oproep tot het indienen van voorstellen zijn neergelegd.

3.   Wanneer wordt bepaald wie overeenkomstig lid 1 van dit artikel en artikel 3, lid 1, onder b), in aanmerking komt voor financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie, wordt, evenals bij de toepassing van de bepalingen van artikel 19, lid 1, ervan uitgegaan dat een lid van het Europees Parlement slechts lid is van één Europese politieke partij, die, indien van toepassing, de partij is waartoe zijn of haar nationale of regionale politieke partij behoort op de uiterste datum voor het indienen van verzoeken voor financiering.

4.   Financiële bijdragen of subsidies uit de algemene begroting van de Europese Unie bedragen niet meer dan 85 % van de jaarlijkse vergoedbare kosten die in de begroting van een Europese politieke partij zijn opgenomen en niet meer dan 85 % van de subsidiabele kosten die een Europese politieke stichting heeft gemaakt. Europese politieke partijen mogen het ongebruikte deel van de toegekende bijdrage van de Unie binnen één jaar na de toekenning ervan gebruiken om vergoedbare kosten te dekken. Bedragen die na dit begrotingsjaar ongebruikt blijven, worden overeenkomstig het Financieel Reglement teruggevorderd.

5.   Binnen de in de artikelen 21 en 22 bepaalde beperkingen hebben uitgaven die door middel van een financiële bijdrage vergoed kunnen worden betrekking op administratieve kosten, kosten in verband met logistieke steun, bijeenkomsten, onderzoek, grensoverschrijdende evenementen, studies, voorlichting en publicaties, alsmede op kosten in verband met campagnes.

Artikel 18

Verzoek om financiering

1.   Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting die voldoet aan de voorwaarden van artikel 17, lid 1 of 2, en die voor financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie in aanmerking wenst te komen, dient na een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of een oproep tot het indienen van voorstellen een verzoek in bij het Europees Parlement.

2.   De Europese politieke partij en de Europese stichting moeten, op het ogenblik van hun verzoek, aan de in artikel 23 opgesomde verplichtingen voldoen en, vanaf de datum van het verzoek tot de afsluiting van het begrotingsjaar of het einde van de activiteit waarop de bijdrage of subsidie betrekking heeft, in het register opgenomen blijven; bovendien mogen zij aan geen van de in artikel 27, lid 1, en in artikel 27, lid 2, onder a), v) en vi), opgenomen sancties onderworpen zijn.

3.   Een Europese politieke stichting voegt haar jaarlijkse werkprogramma of actieplan bij haar aanvraag.

4.   De ordonnateur van het Europees Parlement neemt binnen drie maanden na de afsluiting van de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of de oproep tot het indienen van voorstellen een besluit en keurt de desbetreffende kredieten goed en beheert deze in overeenstemming met het Financieel Reglement.

5.   Een Europese politieke stichting kan alleen een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie indienen via de Europese politieke partij waaraan zij is verbonden.

Artikel 19

Criteria voor de toekenning en verdeling van middelen

1.   De kredieten die respectievelijk beschikbaar zijn voor de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen waaraan overeenkomstig artikel 18 bijdragen of subsidies zijn toegekend, worden jaarlijks als volgt verdeeld:

15 % wordt gelijkelijk verdeeld tussen de begunstigde Europese politieke partijen;

85 % wordt in verhouding tot het aantal gekozen leden in het Europees Parlement over de begunstigde Europese politieke partijen verdeeld.

Dezelfde verdeelsleutel wordt gebruikt voor het toekennen van financiering aan Europese politieke stichtingen, op grond van hun banden met een Europese politieke partij.

2.   De in lid 1 bedoelde verdeling wordt gebaseerd op het aantal gekozen leden in het Europees Parlement die lid zijn van de verzoekende Europese politieke partij op de uiterste datum voor indiening van financieringsverzoeken, rekening houdend met artikel 17, lid 3.

Na deze datum hebben wijzigingen van dit aantal geen invloed op het respectieve financieringsaandeel van Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen. Dit geldt onverminderd de vereiste in artikel 17, lid 1, dat een Europese politieke partij door ten minste één van haar leden in het Europees Parlement vertegenwoordigd is.

Artikel 20

Donaties en bijdragen

1.   Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen mogen donaties tot een waarde van 18 000 EUR per jaar per donor aanvaarden van natuurlijke personen of rechtspersonen.

2.   Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen leggen, bij het indienen van hun jaarrekeningen in overeenstemming met artikel 23, eveneens een lijst van donateurs over waarop zowel hun respectieve donaties als de aard en waarde van elk van de donaties worden vermeld. Dit lid geldt eveneens voor de bijdragen van partijen die lid zijn van Europese politieke partijen en van organisaties die lid zijn van Europese politieke stichtingen.

Voor donaties van natuurlijke personen met een waarde van meer dan 1 500 EUR en minder dan of gelijk aan 3 000 EUR, geeft de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting aan of de desbetreffende donoren vooraf schriftelijk toestemming hebben gegeven voor publicatie, overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder e).

3.   Donaties die Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen in de zes maanden voorafgaand aan verkiezingen voor het Europees Parlement ontvangen, worden wekelijks schriftelijk en in overeenstemming met lid 2 aan de Autoriteit gemeld.

4.   Afzonderlijke donaties ter waarde van meer dan 12 000 EUR die door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen zijn aangenomen, worden onmiddellijk schriftelijk en in overeenstemming met de bepalingen van lid 2 aan de Autoriteit gemeld.

5.   Een Europese politieke partij of Europese politieke stichting aanvaardt geen van de volgende zaken:

a)

anonieme donaties of bijdragen;

b)

donaties uit de begrotingen van fracties in het Europees Parlement;

c)

donaties van overheden van lidstaten of derde landen, of van ondernemingen waarop die overheid direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen, hetzij op grond van eigendom of financiële participatie, hetzij via de op de onderneming toepasselijke bepalingen, of

d)

donaties van particuliere entiteiten die gevestigd zijn in derde landen of van personen uit derde landen die niet stemgerechtigd zijn voor de verkiezingen voor het Europees Parlement.

6.   Een donatie die op grond van deze verordening niet is toegestaan, wordt binnen 30 dagen na ontvangst door de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting:

a)

aan de donateur of de namens hem optredende persoon terugbetaald, of

b)

indien terugbetaling niet mogelijk is, aan de Autoriteit en het Europees Parlement gemeld. De ordonnateur van het Europees Parlement stelt daarop een schuldvordering vast en geeft opdracht deze in te vorderen, overeenkomstig de artikelen 78 en 79 van het Financieel Reglement. De middelen worden als algemene ontvangsten in de afdeling van het Europees Parlement in de algemene begroting van de Europese Unie opgenomen.

7.   Een Europese politieke partij mag bijdragen van haar leden ontvangen. Deze bijdragen mogen echter niet meer bedragen dan 40 % van de jaarlijkse begroting van deze Europese politieke partij.

8.   Een Europese politieke stichting mag bijdragen van haar leden en van de Europese politieke partij waarmee zij is verbonden ontvangen. Deze bijdragen mogen echter niet meer bedragen dan 40 % van de jaarlijkse begroting van deze Europese politieke stichting en mogen niet afkomstig zijn uit middelen die een Europese politieke partij overeenkomstig deze verordening uit de algemene begroting van de Europese Unie heeft ontvangen.

De bewijslast berust bij de betrokken Europese politieke partij, die de herkomst van de voor de financiering van de daaraan verbonden Europese politieke stichting gebruikte middelen duidelijk in haar rekeningen aangeeft.

9.   Onverminderd de leden 7 en 8 mogen Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bijdragen van burgers die als lid bij hen zijn aangesloten aanvaarden tot een waarde van 18 000 EUR per jaar en per lid, indien dergelijke bijdragen door het betreffende lid in eigen naam worden gegeven.

Het in de eerste alinea neergelegde drempelbedrag is niet van toepassing indien het betreffende lid tevens een gekozen lid van het Europees Parlement, van een nationaal parlement of van een regionaal parlement of regionale vergadering is.

10.   Bijdragen die krachtens deze verordening niet zijn toegestaan worden terugbetaald overeenkomstig lid 6.

Artikel 21

Financiering van campagnes voor de verkiezingen voor het Europees Parlement

1.   Onder voorbehoud van het bepaalde in de tweede alinea kan de financiering van Europese politieke partijen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron worden gebruikt voor de financiering van campagnes die Europese politieke partijen voeren voor verkiezingen voor het Europees Parlement, waaraan zij of hun leden zoals voorgeschreven in artikel 3, lid 1, onder d), deelnemen.

Overeenkomstig artikel 8 van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (15) wordt voor alle politieke partijen, kandidaten en derde partijen de financiering en mogelijke beperking van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen voor het Europees Parlement, naast hun deelname aan die verkiezingen, in elke lidstaat door nationale bepalingen geregeld.

2.   Uitgaven in verband met de in lid 1 bedoelde campagnes worden duidelijk als zodanig vermeld in de jaarrekeningen van de Europese politieke partijen.

Artikel 22

Financieringsverbod

1.   Onverminderd artikel 21, lid 1, mag financiering van Europese politieke partijen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron niet worden gebruikt voor rechtstreekse of onrechtstreekse financiering van andere politieke partijen, met name niet voor nationale partijen of kandidaten. Op deze nationale politieke partijen en kandidaten blijven de nationale regelgevingen van toepassing.

2.   Financiering van Europese politieke stichtingen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron mag voor geen andere doeleinden worden gebruikt dan voor het financieren van hun activiteiten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 4, en voor uitgaven die rechtstreeks verband houden met de overeenkomstig artikel 5 in hun statuten genoemde doelstellingen. Deze mogen met name niet worden gebruikt voor rechtstreekse of onrechtstreekse financiering van verkiezingen, politieke partijen of kandidaten, of andere stichtingen.

3.   Financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen uit de algemene begroting van de Europese Unie of enige andere bron mag niet worden gebruikt voor het financieren van referendumcampagnes.

HOOFDSTUK V

CONTROLE EN SANCTIES

Artikel 23

Rekeningen en verplichtingen inzake controle en verslaglegging

1.   Ten laatste binnen zes maanden na afsluiting van het begrotingsjaar dienen de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen bij de Autoriteit, met kopie aan de ordonnateur van het Europees Parlement en aan het bevoegde nationale contactpunt in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd, de volgende documenten in:

a)

hun jaarrekeningen en begeleidende nota's met betrekking tot ontvangsten en uitgaven, en activa en passiva bij aanvang en bij afsluiting van het begrotingsjaar, overeenkomstig het toepasselijke recht in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd, alsmede hun jaarrekeningen op basis van de internationale standaarden voor jaarrekeningen als omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (16);

b)

een externe-auditverslag van de jaarrekeningen met betrekking tot zowel de betrouwbaarheid van die jaarrekeningen als de wettigheid en regelmatigheid van hun ontvangsten en uitgaven, dat is opgesteld door een onafhankelijke instantie of deskundige, en

c)

de overeenkomstig artikel 20, leden 2, 3 en 4, overgelegde lijst van donateurs en contribuanten en hun respectieve donaties of bijdragen.

2.   In geval van uitgaven die gezamenlijk zijn gedaan door Europese politieke partijen en nationale politieke partijen of door Europese politieke stichtingen en nationale politieke stichtingen, of met andere organisaties, worden de bewijsstukken die rechtstreeks of via deze derden betrekking hebben op de uitgaven van de Europese politieke partijen of de Europese politieke stichtingen bij de in lid 1 bedoelde jaarrekeningen gevoegd.

3.   De in lid 1, onder b), bedoelde onafhankelijke instanties of deskundigen worden gekozen door, krijgen hun opdracht van en worden betaald door het Europees Parlement. Zij worden naar behoren gemachtigd om volgens het toepasselijke recht in de lidstaat waar hun zetel is gevestigd rekeningen te controleren.

4.   Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken alle informatie die door de onafhankelijke instanties of deskundigen in het kader van hun controle wordt gevraagd.

5.   De onafhankelijke instanties of deskundigen stellen de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement in kennis van elk vermoeden van illegale activiteiten, fraude of corruptie die de financiële belangen van de Unie kunnen schaden. De Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement stellen de nationale contactpunten hiervan in kennis.

Artikel 24

Algemene regels op het gebied van controle

1.   Controle op de naleving door Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen wordt in samenwerking uitgevoerd door de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de bevoegde lidstaten.

2.   De Autoriteit controleert de naleving door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder wat betreft artikel 3, artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), artikel 9, leden 5 en 6, en de artikelen 20, 21 en 22.

De ordonnateur van het Europees Parlement controleert de naleving door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen die betrekking hebben op de financiering door de Unie, overeenkomstig het Financieel Reglement. Bij de uitvoering van die controle neemt het Europees Parlement de nodige maatregelen met het oog op de preventie en de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.

3.   De in lid 2 bedoelde controle door de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement strekt zich niet uit tot de naleving door Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit het toepasselijke nationaal recht voortvloeiende verplichtingen als bedoeld in artikel 14.

4.   De Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken alle informatie die wordt gevraagd door de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement, de Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) of de lidstaten, en die nodig is voor het uitvoeren van de controles waarvoor zij krachtens deze verordening verantwoordelijk zijn.

Desgevraagd en ten behoeve van de controle van de naleving van artikel 20 verstrekken de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen aan de Autoriteit informatie met betrekking tot bijdragen van individuele leden en de identiteit van die leden. Bovendien kan de Autoriteit in voorkomend geval van Europese politieke partijen verlangen dat zij ondertekende bevestigende verklaringen van leden die gekozen functies bekleden voorleggen ten behoeve van de controle van de naleving van de in artikel 3, lid 1, onder b), eerste alinea, neergelegde voorwaarde.

Artikel 25

Uitvoering en controle met betrekking tot financiering van de Unie

1.   Kredieten voor de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen worden vastgesteld volgens de jaarlijkse begrotingsprocedure en besteed volgens deze verordening en het Financieel Reglement.

De voorwaarden voor bijdragen en subsidies worden door de ordonnateur van het Europees Parlement in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen en de oproep tot het indienen van voorstellen vastgesteld.

2.   De controle op financiering afkomstig uit de algemene begroting van de Europese Unie en het gebruik ervan wordt overeenkomstig het Financieel Reglement uitgeoefend.

De controle geschiedt daarenboven op grond van een jaarlijkse audit door een externe en onafhankelijke instantie, als beschreven in artikel 23, lid 1.

3.   De Rekenkamer oefent haar controlerende bevoegdheden uit krachtens artikel 287 VWEU.

4.   Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen die op grond van deze verordening financieringen ontvangen, verstrekken de Rekenkamer op haar verzoek alle documenten of inlichtingen die voor de uitoefening van haar taak noodzakelijk zijn.

5.   In het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat het Europees Parlement en de Rekenkamer bevoegd zijn om aan de hand van stukken en ter plaatse controle uit te oefenen op een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting die respectievelijk een bijdrage of een subsidie uit de algemene begroting van de Europese Unie heeft ontvangen.

6.   De Rekenkamer en de ordonnateur van het Europees Parlement, of een andere door de ordonnateur van het Europees Parlement gemachtigde externe instantie, kunnen de nodige controles en verificaties ter plaatse uitvoeren om de wettigheid van de uitgaven te controleren en na te gaan of de bepalingen van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie zijn nageleefd, en, wat betreft de Europese politieke stichtingen, of het werkprogramma of de actie naar behoren is uitgevoerd. De betreffende Europese politieke partij of de Europese politieke stichting verstrekt alle hiervoor benodigde documenten en inlichtingen.

7.   Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (17) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (18) onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met bijdragen of subsidies uit hoofde van deze verordening, waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Deze controles kunnen eventueel leiden tot een besluit tot terugvordering door de ordonnateur van het Europees Parlement.

Artikel 26

Technische ondersteuning

Iedere vorm van technische ondersteuning door het Europees Parlement van Europese politieke partijen berust op het beginsel van gelijke behandeling. Zij wordt verleend volgens voorwaarden die niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor andere externe organisaties en verenigingen waaraan vergelijkbare voorzieningen ter beschikking kunnen worden gesteld en zij wordt verleend tegen overlegging van een factuur en tegen betaling.

Artikel 27

Sancties

1.   Overeenkomstig artikel 16 besluit de Autoriteit bij wijze van sanctie in elk van de volgende situaties tot schrapping van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting uit het register:

a)

indien de partij of de stichting in kwestie bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is veroordeeld voor onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden in de zin van artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement;

b)

indien na toepassing van de procedures van artikel 10, leden 2 tot en met 5, is vastgesteld dat de partij of de stichting niet langer voldoet aan een of meer van de in artikel 3, lid 1, onder a), c) en e), en in artikel 3, lid 2, vastgelegde voorwaarden, of

c)

indien een verzoek van een lidstaat tot schrapping uit het register op grond van ernstige niet-naleving van de uit nationaal recht voortvloeiende verplichtingen voldoet aan de in artikel 16, lid 3, onder b), vastgestelde vereisten.

2.   De Autoriteit legt in de volgende gevallen financiële sancties op:

a)

niet-kwantificeerbare inbreuken:

i)

indien niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 9, leden 5 of 6;

ii)

indien de aangegane verplichtingen niet worden nagekomen en niet wordt gehandeld overeenkomstig de informatie die de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting heeft verstrekt, als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), en artikel 5, lid 1, onder a), b), d) en e);

iii)

indien de lijst van donateurs en hun respectieve donaties niet wordt overgelegd overeenkomstig artikel 20, lid 2, of donaties niet worden gemeld overeenkomstig artikel 20, leden 3 en 4;

iv)

indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting haar verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 23, lid 1, of artikel 24, lid 4, niet is nagekomen;

v)

indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is veroordeeld voor onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden in de zin van artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement;

vi)

indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting op enig moment opzettelijk onjuiste of misleidende informatie heeft achtergehouden of geleverd, of indien de organen die op grond van deze verordening gemachtigd zijn de begunstigden van financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie aan audits of controles te onderwerpen fouten in de jaarrekeningen ontdekken die overeenkomstig de in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 gedefinieerde internationale standaarden voor jaarrekeningen worden beschouwd als weglatingen of onjuiste weergaves van informatie van materieel belang;

b)

kwantificeerbare inbreuken:

i)

indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting donaties en bijdragen heeft aanvaard die krachtens artikel 20, lid 1 of 5, niet zijn toegestaan, tenzij is voldaan aan de voorwaarden van artikel 20, lid 6;

ii)

indien niet wordt voldaan aan de vereisten van de artikelen 21 en 22.

3.   De ordonnateur van het Europees Parlement mag een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting uitsluiten van toekomstige financiering door de Unie voor een periode van maximaal vijf jaar, of maximaal 10 jaar indien sprake is van een herhaalde inbreuk binnen vijf jaar nadat de Europese politieke partij of Europese politieke stichting schuldig bevonden is aan de in lid 2, onder a), v) en vi), vermelde inbreuken. Dit laat de bevoegdheden van de ordonnateur van het Europees Parlement als vastgelegd in artikel 204 quindecies van het Financieel Reglement onverlet.

4.   Voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden de volgende financiële sancties opgelegd aan een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting:

a)

voor niet-kwantificeerbare inbreuken: een vast percentage van de jaarlijkse begroting van de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting:

5 %, of

7, 5% bij samenloop van inbreuken, of

20 % bij een herhaalde inbreuk, of

een derde van bovengenoemde percentages indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting de inbreuk uit eigen beweging heeft aangegeven voordat de Autoriteit een officieel onderzoek is gestart, zelfs in het geval van een samenloop van inbreuken of een herhaalde inbreuk, en de betrokken partij of stichting passende corrigerende maatregelen heeft genomen;

50 % van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting van het voorgaande jaar, indien de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is veroordeeld voor onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden in de zin van artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement;

b)

voor kwantificeerbare inbreuken: een vast percentage van het bedrag van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, overeenkomstig de volgende schaal, maar ten hoogste 10 % van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting:

100 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze 50 000 EUR of minder bedragen, of

150 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 50 000 EUR maar niet meer dan 100 000 EUR bedragen, of

200 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 100 000 EUR maar niet meer dan 150 000 EUR bedragen, of

250 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 150 000 EUR maar niet meer dan 200 000 EUR bedragen, of

300 % van de onregelmatige ontvangen of niet gemelde middelen, indien deze meer dan 200 000 EUR bedragen;

een derde van bovengenoemde percentages indien de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting de inbreuk uit eigen beweging heeft aangegeven voordat de Autoriteit en/of de ordonnateur van het Europees Parlement een officieel onderzoek is gestart, en de betrokken partij of stichting passende corrigerende maatregelen heeft genomen.

Voor de toepassing van bovengenoemde percentages wordt elke donatie of bijdrage afzonderlijk beoordeeld.

5.   Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting schuldig is aan een samenloop van inbreuken, begaan tegen deze verordening, wordt alleen een sanctie opgelegd voor de ernstigste van die inbreuken, tenzij anders bepaald in lid 4, onder a).

6.   Voor de in deze verordening vastgelegde sancties geldt een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de dag waarop de betreffende inbreuk werd gepleegd, of, indien sprake is van aanhoudende of herhaalde inbreuken, vanaf de datum waarop de inbreuken werden beëindigd.

Artikel 28

Samenwerking tussen de autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten

1.   Via de nationale contactpunten delen de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten informatie en stellen zij elkaar regelmatig op de hoogte van kwesties in verband met financieringsbepalingen, controles en sancties.

2.   Zij maken tevens afspraken over de praktische regelingen voor deze uitwisseling van informatie, en stellen daarbij onder andere regels vast inzake de bekendmaking van vertrouwelijke informatie of bewijs en de samenwerking tussen lidstaten.

3.   De ordonnateur van het Europees Parlement stelt de Autoriteit in kennis van bevindingen die aanleiding kunnen geven tot het opleggen van sancties overeenkomstig artikel 27, leden 2, 3 en 4, teneinde de Autoriteit de gelegenheid te geven passende maatregelen te treffen.

4.   De Autoriteit stelt de ordonnateur van het Europees Parlement in kennis van besluiten die zij heeft genomen met betrekking tot sancties, teneinde laatstgenoemde in staat te stellen hieraan een passend vervolg te geven overeenkomstig het Financieel Reglement.

Artikel 29

Corrigerende maatregelen en beginselen van goed bestuur

1.   Voordat het Europees Parlement een definitief besluit neemt inzake een van de in artikel 27 bedoelde sancties, stelt de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting in kwestie in de gelegenheid de maatregelen te treffen die nodig zijn om de situatie binnen een redelijke termijn, die normaal gesproken niet langer mag duren dan een maand, te verhelpen In het bijzonder geeft de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de gelegenheid tot het corrigeren van schrijf- en rekenfouten, het zo nodig verstrekken van aanvullende documenten of informatie of het rechtzetten van kleine tekortkomingen.

2.   Indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting heeft nagelaten binnen de in lid 1 voorgeschreven termijn corrigerende maatregelen te nemen, worden passende sancties overeenkomstig artikel 27 opgelegd.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing met betrekking tot de voorwaarden vastgelegd in artikel 3, lid 1, onder b) tot en met d), en in artikel 3, lid 2, onder c).

Artikel 30

Terugvordering

1.   Op basis van een besluit van de Autoriteit tot schrapping uit het register van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting, trekt de ordonnateur van het Europees Parlement een lopend besluit of lopende overeenkomst betreffende financiering van de Unie in of beëindigt dat besluit of die overeenkomst, behalve in gevallen als bedoeld in artikel 16, lid 2, onder c), en artikel 3, lid 1, onder b) en d). Tevens vordert hij de financiering van de Unie terug, met inbegrip van alle ongebruikte middelen van de Unie uit voorgaande jaren.

2.   Een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting waaraan een sanctie is opgelegd wegens een in artikel 27, lid 1 en lid 2, onder a), v) en vi), genoemde inbreuk, voldoet om die reden niet meer aan de voorwaarden van artikel 18, lid 2. De ordonnateur van het Europees Parlement beëindigt daarop het besluit of de overeenkomst tot toekenning op grond van deze verordening van een bijdrage of subsidie uit de begroting van de Europese Unie en vordert het bedrag terug dat op grond van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage of subsidie ten onrechte is uitbetaald, met inbegrip van alle ongebruikte EU-middelen uit voorgaande jaren.

Ingeval van dergelijke beëindiging blijven betalingen door de ordonnateur van het Europees Parlement beperkt tot de werkelijk door de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting gedane subsidiabele uitgaven tot aan de datum waarop het besluit tot beëindiging in werking treedt.

Dit lid is tevens van toepassing op de in artikel 16, lid 2, onder c), en artikel 3, lid 1, onder b) en d), bedoelde gevallen.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Informatieverstrekking aan de burgers

Behoudens het bepaalde in de artikelen 21 en 22 en hun eigen statuten en interne regelingen, nemen Europese politieke partijen alle passende maatregelen om voor de verkiezingen voor het Europees Parlement de burgers van de Unie in te lichten over de banden tussen de nationale politieke partijen en kandidaten en de betrokken Europese politieke partijen.

Artikel 32

Transparantie

1.   Het Europees Parlement publiceert, onder verantwoordelijkheid van zijn ordonnateur of onder die van de Autoriteit, op een speciaal daartoe gecreëerde website:

a)

de namen en statuten van alle geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, samen met de overeenkomstig artikel 8, bij het verzoek om registratie ingediende documenten, uiterlijk vier weken nadat de Autoriteit haar besluit heeft genomen, en de nadien krachtens artikel 9, leden 5 en 6, aan de Autoriteit meegedeelde wijzigingen;

b)

een lijst van de verzoeken die niet zijn ingewilligd, samen met de overeenkomstig artikel 8, bij het verzoek om registratie ingediende documenten en de redenen van de weigering, uiterlijk vier weken nadat de Autoriteit een besluit heeft genomen;

c)

een jaarlijks verslag met een tabel van de bedragen die zijn betaald aan de respectieve Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, per begrotingsjaar waarvoor bijdragen zijn ontvangen of subsidies zijn betaald uit de algemene begroting van de Europese Unie;

d)

de in artikel 23, lid 1, bedoelde jaarrekeningen en externe-auditverslagen alsook, voor Europese politieke stichtingen, de eindverslagen over de uitvoering van de werkprogramma's of acties;

e)

de overeenkomstig artikel 20, leden 2, 3 en 4, door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen gemelde namen van donateurs en hun donaties, met uitzondering van donaties van natuurlijke personen met een maximale waarde van 1 500 EUR per jaar en per donateur, welke worden gemeld als „kleine donaties”. Donaties van natuurlijke personen waarvan de waarde per jaar meer dan 1 500 EUR bedraagt en minder dan of gelijk is aan 3 000 EUR worden niet gepubliceerd zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe van de desbetreffende donateur. Indien geen voorafgaande toestemming is verleend, worden deze donaties gemeld als „kleine donaties”. Het totale bedrag van de kleine donaties en het aantal donateurs per kalenderjaar worden eveneens gepubliceerd;

f)

de in artikel 20, leden 7 en 8, bedoelde bijdragen, die de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen hebben gemeld overeenkomstig artikel 20, lid 2, met inbegrip van de identiteit van de aangesloten partijen of organisaties waarvan de bijdragen afkomstig zijn;

g)

de details van en redenen voor definitieve besluiten van de Autoriteit ingevolge artikel 27, met inbegrip van eventuele door het comité van onafhankelijke vooraanstaande personen overeenkomstig de artikelen 10 en 11 vastgestelde adviezen, met inachtneming van Verordening (EG) nr. 45/2001;

h)

de details van en de redenen voor definitieve besluiten van de ordonnateur van het Europees Parlement krachtens artikel 27;

i)

een beschrijving van de aan Europese politieke partijen verleende technische ondersteuning, en

j)

het in artikel 38 bedoelde evaluatieverslag van het Europees Parlement over de toepassing van deze verordening en de gefinancierde activiteiten.

2.   Het Europees Parlement publiceert de lijst van rechtspersonen die lid zijn van een Europese politieke partij, die overeenkomstig artikel 4, lid 2, bij de statuten van de partij wordt gevoegd en overeenkomstig artikel 9, lid 6, wordt bijgewerkt, alsmede het totale aantal individuele leden.

3.   Persoonsgegevens worden niet op de onder lid 1 bedoelde website gepubliceerd, tenzij publicatie verplicht is op grond van lid 1, onder a), e) of g).

4.   Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken potentiële leden en donateurs in een publiek toegankelijke privacyverklaring de krachtens artikel 10 van Richtlijn 95/46/EG vereiste informatie en wijzen hen erop dat hun persoonsgegevens door het Europees Parlement, de Autoriteit, OLAF, de Rekenkamer, de lidstaten of door hen gemachtigde externe organen en deskundigen worden verwerkt voor audit- en controledoeleinden, en dat hun persoonsgegevens op de in lid 1 bedoelde website bekendgemaakt zullen worden onder de in dit artikel vermelde voorwaarden. Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 45/2001 neemt de ordonnateur van het Europees Parlement deze informatie ook op in de in artikel 18, lid 1, bedoelde oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen of voorstellen.

Artikel 33

Bescherming van persoonsgegevens

1.   Bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening nemen de Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 11 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen Verordening (EG) nr. 45/2001 in acht. Bij de verwerking van persoonsgegevens gelden zij als verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 2, onder d), van die verordening.

2.   Bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening voldoen de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, de lidstaten, bij het uitoefenen van de controle op bepaalde aspecten van de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig artikel 24, en de onafhankelijke organen of deskundigen die bevoegd zijn om rekeningen te controleren overeenkomstig artikel 23, lid 1, aan Richtlijn 95/46/EG en de op grond daarvan vastgestelde nationale bepalingen. Bij de verwerking van persoonsgegevens gelden zij als verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 2, onder d), van die richtlijn.

3.   De Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 11 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen zien erop toe dat de persoonsgegevens die zij op grond van deze verordening verzamelen, uitsluitend worden gebruikt om te waarborgen dat de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en het lidmaatschap van Europese politieke partijen wettig, regelmatig en transparant zijn. Zij wissen alle voor dit doel verzamelde persoonsgegevens uiterlijk 24 maanden nadat de relevante delen ervan zijn gepubliceerd overeenkomstig artikel 32.

4.   De lidstaten en de onafhankelijke organen of deskundigen die gemachtigd zijn om rekeningen te controleren, gebruiken de persoonsgegevens die zij ontvangen alleen om toezicht uit te oefenen op de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen. Zij wissen deze persoonsgegevens overeenkomstig het toepasselijke nationale recht na de doorgifte daarvan overeenkomstig artikel 28.

5.   Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan de in lid 3 vastgestelde termijnen of de termijnen waarin het in lid 4 bedoelde toepasselijke nationale recht voorziet, indien dit nodig is in verband met juridische of administratieve procedures betreffende de financiering van een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting, of betreffende het lidmaatschap van een Europese politieke partij. Uiterlijk één week nadat voornoemde procedures met een definitief besluit worden afgerond of eventuele audits, beroepsprocedures, geschillen of claims zijn afgehandeld, worden dergelijke persoonsgegevens gewist.

6.   De in de leden 1 en 2 bedoelde voor de verwerking verantwoordelijke entiteiten nemen passende technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongewilde dan wel onrechtmatige vernietiging, ongewild verlies, wijziging of niet-toegestane verspreiding of toegang, met name wanneer de verwerking doorgifte van gegevens via een netwerk omvat, dan wel tegen enige andere vorm van onwettige verwerking.

7.   Het is de verantwoordelijkheid van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming erop toe te zien en te waarborgen dat de Autoriteit, het Europees Parlement en het in artikel 11 bedoelde comité van onafhankelijke vooraanstaande personen de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening eerbiedigen en beschermen. Elke betrokkene kan, onverminderd de mogelijkheden van beroep voor de rechter, een verzoek indienen bij de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming indien hij van oordeel is dat zijn recht op bescherming van zijn persoonsgegevens door de verwerking van die gegevens door de Autoriteit, het Europees Parlement of het comité is geschonden.

8.   De Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, de lidstaten en de onafhankelijke organen of deskundigen die gemachtigd zijn om krachtens deze verordening rekeningen te controleren, zijn overeenkomstig het toepasselijke nationale recht aansprakelijk voor schade die zij veroorzaken bij de verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening. De lidstaten waarborgen dat inbreuken op deze verordening, op Richtlijn 95/46/EG en op de op grond daarvan vastgestelde nationale bepalingen, en met name het frauduleus gebruik van persoonsgegevens, strafbaar worden gesteld met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

Artikel 34

Recht te worden gehoord

Alvorens de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement een besluit neemt dat de rechten van een Europese politieke partij, een Europese politieke stichting of een verzoekende partij als bedoeld in artikel 8 kan schaden, hoort zij/hij de vertegenwoordigers van de desbetreffende Europese politieke partij, Europese politieke stichting of verzoekende partij. De Autoriteit dan wel het Europees Parlement vermeldt naar behoren de redenen voor haar of zijn besluit.

Artikel 35

Beroepsmogelijkheden

Tegen de besluiten die krachtens deze verordening zijn genomen, kan beroep worden aangetekend bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, overeenkomstig de relevante bepalingen van het VWEU.

Artikel 36

Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 24 november 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de periode van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   De in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan op elk ogenblik door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een krachtens artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving ervan aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft aangetekend tegen de gedelegeerde handeling, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van deze termijn heeft meegedeeld geen bezwaar te zullen aantekenen. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 37

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 38

Evaluatie

Het Europees Parlement publiceert, na raadpleging van de Autoriteit, uiterlijk half 2018 een verslag over de toepassing van deze verordening en over de gefinancierde activiteiten. Eventuele in het statuut en de financieringsstelsels aan te brengen wijzigingen worden in voorkomend geval in het verslag vermeld.

De Commissie dient uiterlijk eind 2018 een verslag in over de toepassing van deze verordening, met, indien nodig, een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening.

Artikel 39

Doeltreffende toepassing

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze verordening doeltreffend wordt toegepast.

Artikel 40

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2004/2003 wordt ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Zij blijft echter van toepassing op rechtshandelingen en vastleggingen met betrekking tot de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau voor de begrotingsjaren 2014, 2015, 2016 en 2017.

Artikel 41

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De Commissie stelt uiterlijk op 1 juli 2015 de in artikel 7, lid 2, en artikel 8, lid 3, onder a), genoemde gedelegeerde handelingen vast.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2017. De in artikel 6 bedoelde Autoriteit wordt evenwel ingesteld per 1 september 2016. Na 1 januari 2017 geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen kunnen uitsluitend een financieringsaanvraag indienen uit hoofde van deze verordening voor activiteiten die in of na het begrotingsjaar 2018 van start gaan.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

B. DELLA VEDOVA


(1)  PB C 133 van 9.5.2013, blz. 90.

(2)  PB C 62 van 2.3.2013, blz. 77.

(3)  PB C 67 van 7.3.2013, blz. 1.

(4)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 29 september 2014.

(5)  Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB L 297 van 15.11.2003, blz. 1).

(6)  PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 46.

(7)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(8)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(9)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(10)  PB C 253 van 3.9.2013, blz. 12.

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(12)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).

(13)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(14)  Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385/58).

(15)  PB L 278 van 8.10.1976, blz. 5.

(16)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(17)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(18)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).


BIJLAGE

Door elke verzoekende partij in te vullen standaardverklaring

Ondergetekende, met een volledig mandaat van [naam van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting] verklaart hierbij dat:

[naam van de Europese politieke partij of Europese politieke stichting] zich ertoe verbindt te voldoen aan de in artikel 3, lid 1, onder c), of artikel 3, lid 2, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vermelde voorwaarden voor registratie, te weten eerbiediging, in het bijzonder in haar programma en in haar activiteiten, van de waarden waarop de Unie berust, als bedoeld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, namelijk eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren.

Rechtsgeldig ondertekend door:

Titel (mevrouw, de heer, …) naam en voornamen:

 

Functie binnen de organisatie die het verzoek tot registratie als een Europese politieke partij/Europese politieke stichting indient:

 

Plaats, datum:

 

Handtekening:

 


4.11.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/28


VERORDENING (EU, EURATOM) Nr. 1142/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2014

tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wat betreft de financiering van Europese politieke partijen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 322, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Politieke partijen op Europees niveau zijn een belangrijke factor voor integratie binnen de Unie.

(2)

Volgens artikel 10 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 12, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dragen de politieke partijen op Europees niveau bij tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie.

(3)

Op 4 november 2003 hebben het Europees Parlement en de Raad Verordening (EG) nr. 2004/2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (3) vastgesteld.

(4)

In zijn resolutie van 6 april 2011 over de toepassing van Verordening (EG) nr. 2004/2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (4) heeft het Europees Parlement in het licht van de opgedane ervaring een aantal verbeteringen voorgesteld met betrekking tot de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen.

(5)

Op 22 oktober 2014 hebben het Europees Parlement en de Raad Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 (5) vastgesteld die Verordening (EG) nr. 2004/2003 intrekt en nieuwe regels vastlegt voor onder meer de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau, in het bijzonder wat betreft de voorwaarden voor financiering, de toekenning en de verdeling van de financiering, donaties en bijdragen, de financiering van campagnes voor verkiezingen voor het Europees Parlement, vergoedbare uitgaven, een financieringsverbod, rekeningen, verslaglegging en audit, uitvoering en controle, sancties, samenwerking tussen de Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten, en transparantie.

(6)

Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (6) („het Financieel Reglement”) moet regels bevatten met betrekking tot bijdragen uit de algemene begroting van de Unie aan Europese politieke partijen zoals voorzien in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014. Door deze regels moeten politieke partijen op Europees niveau flexibeler kunnen omgaan met de termijnen voor het gebruiken van die bijdragen, hetgeen de aard van hun activiteiten vereist.

(7)

Het systeem van financiële steun voor Europese politieke partijen via een exploitatiesubsidie, zoals vastgelegd in artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement, sluit niet bij hun behoeften aan; in het bijzonder de verplichting om een jaarlijks werkprogramma in te dienen, is een vereiste die in geen enkele lidstaat in de wetgeving is opgenomen. De financiële steun voor Europese politieke partijen moet daarom in de vorm van een specifieke bijdrage worden toegekend om aan de specifieke behoeften van de Europese politieke partijen te voldoen. Gezien het feit dat Europese politieke stichtingen blijven vallen onder de subsidieregels van het Financieel Reglement, moet het evenwel mogelijk zijn dat de beperkte overdracht voor drie maanden die momenteel is vastgelegd in artikel 125, lid 6, van het Financieel Reglement, op hen van toepassing is.

(8)

Hoewel financiële steun wordt toegekend zonder dat een jaarlijks werkprogramma is vereist, moeten Europese politieke partijen achteraf aantonen dat de financiering van de Unie goed is gebruikt. De bevoegde ordonnateur moet met name controleren of de financiering is gebruikt om binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen vergoedbare uitgaven te betalen zoals vastgelegd in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen. Bijdragen voor Europese politieke partijen moeten worden gebruikt uiterlijk op het einde van het begrotingsjaar dat volgt op het begrotingsjaar van de toekenning ervan, waarna alle ongebruikte financiering door de bevoegde ordonnateur moet worden teruggevorderd.

(9)

Financiering van de Unie die is toegekend voor het financieren van de werkingskosten van de Europese politieke partijen mogen niet voor andere dan de in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaalde doeleinden worden gebruikt, en met name niet voor het rechtstreeks of onrechtstreeks financieren van andere entiteiten, zoals nationale politieke partijen. De Europese politieke partijen moeten de bijdragen gebruiken voor het betalen van een percentage van huidige en toekomstige uitgaven, en niet voor uitgaven of schulden die vóór het indienen van hun verzoek om een bijdrage zijn gemaakt.

(10)

Het toekennen van bijdragen moet ook worden vereenvoudigd en aangepast aan de specifieke kenmerken van de Europese politieke partijen, in het bijzonder door geen selectiecriteria toe te passen, het betalen van een enkele volledige voorfinanciering als algemene regel vast te leggen en door het mogelijk te maken vaste bedragen, forfaitaire financiering en financiering voor eenheidskosten te gebruiken.

(11)

De bijdragen uit de algemene begroting van de Unie moeten worden opgeschort, verlaagd of ingetrokken indien de Europese politieke partijen de verplichtingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 niet naleven.

(12)

Sancties die worden opgelegd op basis van zowel het Financieel Reglement als Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, moeten op coherente wijze worden toegepast met inachtneming van het „ne bis in idem”-beginsel. Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 mogen administratieve en/of financiële sancties zoals vastgelegd in het Financieel Reglement niet worden opgelegd wanneer reeds sancties zijn opgelegd op basis van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

(13)

Het Financieel Reglement dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 121, lid 2, wordt het volgende punt toegevoegd:

„j)

de in deel 2, titel VIII, bedoelde bijdragen voor Europese politieke partijen.”.

2)

Artikel 125 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tweede alinea van lid 3 wordt geschrapt;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   Als een politieke stichting in de zin van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad (7) aan het eind van een begrotingsjaar waarin zij een exploitatiesubsidie heeft ontvangen, meer inkomsten dan uitgaven heeft, mag, als afwijking van het in lid 4 van dit artikel vervatte winstverbod, een gedeelte van dit overschot dat overeenkomt met maximaal 25 % van de totale inkomsten voor het jaar in kwestie, worden overgedragen naar het volgende jaar, op voorwaarde dat dit geld vóór het einde van het eerste kwartaal van dat volgende jaar wordt opgebruikt.

3)

Aan deel 2 wordt de volgende titel toegevoegd:

„TITEL VIII

BIJDRAGEN VOOR EUROPESE POLITIEKE PARTIJEN

Artikel 204 bis

Algemene bepalingen

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder Europese politieke partijen: de entiteiten die als zodanig zijn geregistreerd overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

2.   Rechtstreekse financiële bijdragen uit de begroting kunnen aan Europese politieke partijen worden toegekend met het oog op hun bijdrage tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

Artikel 204 ter

Beginselen

1.   Bijdragen worden enkel gebruikt voor het vergoeden van het in artikel 17, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaalde percentage van de werkingskosten van Europese politieke partijen die rechtstreeks verband houden met de doelstellingen van deze partijen, zoals nader bepaald in artikel 17, lid 5, en artikel 21 van die verordening.

2.   Bijdragen mogen worden gebruikt voor het vergoeden van uitgaven met betrekking tot door Europese politieke partijen gesloten contracten op voorwaarde dat er geen belangenconflicten waren, toen de contracten werden gegund.

3.   Bijdragen worden niet gebruikt om rechtstreeks of onrechtstreeks een persoonlijk voordeel, in geld of in natura, toe te kennen aan een individueel lid of personeelslid van een Europese politieke partij. Bijdragen worden niet gebruikt voor het rechtstreeks of onrechtstreeks financieren van activiteiten van derden, in het bijzonder nationale politieke partijen of politieke stichtingen op Europees of nationaal niveau, ongeacht of dit nu in de vorm van subsidies, donaties, leningen of andere soortgelijke regelingen gebeurt. Bijdragen worden niet gebruikt voor een van de doeleinden die in artikel 22 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 zijn uitgesloten.

4.   Met betrekking tot bijdragen gelden het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, in overeenstemming met de in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vastgestelde criteria.

5.   Bijdragen worden jaarlijks door het Europees Parlement toegekend en overeenkomstig artikel 35, lid 2, van deze verordening en overeenkomstig artikel 32, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bekendgemaakt.

6.   Europese politieke partijen die een bijdrage ontvangen, ontvangen geen andere financiering uit de begroting, rechtstreeks noch onrechtstreeks. In het bijzonder zijn donaties uit de begrotingen van fracties in het Europees Parlement verboden. Uitgaven worden in geen geval tweemaal uit de begroting gefinancierd.

Artikel 204 quater

Begrotingsaspecten

Bijdragen worden betaald uit de afdeling van het Europees Parlement in de begroting. De kredieten die worden gereserveerd voor onafhankelijke externe auditinstanties of -deskundigen als bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 komen rechtstreeks ten laste van de begroting van het Europees Parlement.

Artikel 204 quinquies

Oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen

1.   Bijdragen worden toegekend op basis van een oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen, die jaarlijks, ten minste op de website van het Europees Parlement, wordt gepubliceerd.

2.   Aan een Europese politieke partij kan slechts één bijdrage per jaar worden toegekend.

3.   Een Europese politieke partij komt enkel in aanmerking voor een bijdrage als deze een verzoek om financiering indient overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen die in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen zijn vastgesteld.

4.   In de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen worden de toelatingscriteria bepaald waaraan de aanvrager moet voldoen, alsook de uitsluitingscriteria.

5.   In de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen wordt ten minste de aard bepaald van de uitgaven die door de bijdrage kunnen worden terugbetaald.

6.   Voor de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen is een geraamde begroting vereist.

Artikel 204 sexies

Toekenningsprocedure

1.   Verzoeken om bijdragen worden tijdig schriftelijk en eventueel in een beveiligd elektronisch formaat ingediend.

2.   Aan aanvragers die ten tijde van de procedure voor het toekennen van een bijdrage in een van de in artikel 106, lid 1, artikel 107 en artikel 109, lid 1, onder a), bedoelde situaties verkeren of op basis van artikel 108 in de centrale gegevensbank van uitsluitingen zijn opgenomen, worden geen bijdragen toegekend.

3.   Aanvragers moeten bewijzen dat zij in geen van de in lid 2 bedoelde situaties verkeren.

4.   Bijdragen worden toegekend op basis van een overeenkomst of besluit tot toekenning van een bijdrage, zoals bepaald in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen.

5.   De bevoegde ordonnateur kan door een commissie worden bijgestaan bij de beoordeling en de vaststelling van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage. De bevoegde ordonnateur stelt, met inachtneming van de beginselen van transparantie en gelijke behandeling, de regels vast met betrekking tot de samenstelling, benoeming en werking van een dergelijke commissie, alsook de regels ter voorkoming van belangenconflicten.

Artikel 204 septies

Beoordelingsprocedure

1.   Verzoeken worden op basis van de toekenningscriteria van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 geselecteerd uit de verzoeken die voldoen aan de toelatingscriteria en niet onder de uitsluitingscriteria vallen.

2.   De toelatingscriteria bepalen de voorwaarden waaraan een aanvrager moet voldoen om overeenkomstig de regels van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 in aanmerking te komen voor een bijdrage.

3.   In het besluit van de bevoegde ordonnateur met betrekking tot de verzoeken wordt ten minste het volgende vermeld:

a)

het voorwerp en het totale bedrag van de bijdrage;

b)

de naam van de geselecteerde aanvragers en de goedgekeurde bedragen;

c)

de namen van de afgewezen aanvragers en de redenen voor deze afwijzing.

4.   De bevoegde ordonnateur brengt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven. Indien het verzoek om financiering wordt afgewezen, of de gevraagde bedragen niet deels of volledig worden toegekend, deelt de bevoegde ordonnateur de redenen mee voor de afwijzing van het verzoek of het niet toekennen van de gevraagde bedragen, met name onder verwijzing naar de in de leden 1 en 2 genoemde toelatings- en toekenningscriteria. Indien het verzoek wordt afgewezen, stelt de bevoegde ordonnateur de aanvrager in kennis van de beschikbare administratieve en/of gerechtelijke beroepsmogelijkheden vastgelegd in artikel 97 van deze verordening.

Artikel 204 octies

Vorm van bijdragen

1.   Bijdragen kunnen de volgende vorm hebben:

a)

vergoeding van een percentage van de werkelijk gedane uitgaven die voor vergoeding in aanmerking komen;

b)

vergoeding op basis van eenheidskosten;

c)

vaste bedragen;

d)

forfaitaire financiering;

e)

een combinatie van de onder a) tot en met d) genoemde vormen.

2.   Enkel uitgaven die aan de criteria in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen voldoen en niet vóór de datum van indiening van het verzoek zijn gedaan, kunnen worden vergoed.

Artikel 204 nonies

Regels voor bijdragen

1.   Eenheidskosten worden gebruikt om alle of sommige specifieke categorieën vergoedbare uitgaven te dekken die vooraf duidelijk omschreven zijn op grond van een bedrag per eenheid.

2.   Vaste bedragen worden gebruikt om bepaalde uitgaven te dekken voor het uitvoeren van een specifieke activiteit van de Europese politieke partij. Het gebruik van vaste bedragen gebeurt enkel in combinatie met andere vormen van bijdragen.

3.   Forfaitaire financieringen worden gebruikt om door toepassing van een vooraf bepaald percentage vooraf duidelijk omschreven specifieke categorieën vergoedbare uitgaven te dekken.

4.   Het eventuele gebruik van vaste bedragen, forfaitaire financiering of eenheidskosten wordt in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen omschreven, met de respectieve bedragen en forfaits, wanneer van toepassing. De oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen bevat eveneens een omschrijving van de methodes om vaste bedragen, forfaitaire financiering of eenheidskosten te bepalen, die gebaseerd zijn op objectieve middelen zoals statistische gegevens, gecertificeerde of controleerbare historische gegevens van de Europese politieke partijen of hun gebruikelijke kostenberekeningsmethoden. Het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage omvat bepalingen op grond waarvan kan worden gecontroleerd of aan de voorwaarden voor vaste bedragen, forfaitaire financiering of eenheidskosten is voldaan.

Artikel 204 decies

Voorfinanciering

De bijdragen worden volledig betaald door middel van één enkele voorfinanciering, tenzij de bevoegde ordonnateur hierover in naar behoren gemotiveerde gevallen anders beslist.

Artikel 204 undecies

Zekerheidsstellingen

De bevoegde ordonnateur kan, wanneer hij of zij zulks in individuele gevallen en na een risicoanalyse passend en evenredig acht, van de Europese politieke partij een voorafgaande zekerheidsstelling verlangen om de aan de betaling van de voorfinanciering verbonden financiële risico's te beperken; dit kan enkel wanneer op basis van de risicoanalyse blijkt dat er een dreigend risico bestaat dat de Europese politieke partij zich in één van de in artikel 106, lid 1, onder a) en d), van deze verordening bedoelde situaties bevindt of wanneer een besluit van de krachtens artikel 6 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 opgerichte Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen („de Autoriteit”) is meegedeeld aan het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de genoemde verordening.

De bepalingen van artikel 134 van deze verordening inzake de zekerheidsstelling voor de voorfinanciering van subsidies is van overeenkomstige toepassing op zekerheidsstellingen die in de gevallen die in de eerste alinea van dit artikel worden genoemd, kunnen worden geëist voor de betaling van voorfinanciering aan Europese politieke partijen.

Artikel 204 duodecies

Gebruik van bijdragen

1.   Bijdragen worden gebruikt overeenkomstig artikel 204 ter.

2.   Elk gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen het begrotingsjaar waarop deze bijdrage betrekking heeft (jaar n), wordt gebruikt voor uiterlijk op 31 december van het jaar n + 1 gedane uitgaven die voor vergoeding in aanmerking komen. Het resterende gedeelte van de bijdrage, dat niet binnen die termijn is gebruikt, wordt overeenkomstig deel 1, titel IV, hoofdstuk 5, teruggevorderd.

3.   Europese politieke partijen nemen het in artikel 17, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 vastgestelde maximale medefinancieringspercentage in acht. De resterende bedragen van de bijdragen uit het voorgaande jaar worden niet gebruikt voor het gedeelte dat de Europese politieke partijen met hun eigen middelen moeten financieren. Bijdragen van derden aan gezamenlijke evenementen worden niet beschouwd deel uit te maken van de eigen middelen van een Europese politieke partij.

4.   Europese politieke partijen gebruiken het gedeelte van de bijdrage dat niet is gebruikt binnen het begrotingsjaar waarop die bijdrage betrekking heeft, alvorens bijdragen te gebruiken die na dat jaar zijn toegekend.

5.   Alle rente op de voorfinancieringsbetalingen wordt beschouwd als deel van de bijdrage.

Artikel 204 terdecies

Verslag over het gebruik van de bijdragen

1.   Overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 moet de Europese politieke partij haar jaarlijkse verslag over het gebruik van de bijdrage en haar jaarrekeningen ter goedkeuring indienen bij de bevoegde ordonnateur.

2.   Op basis van het jaarlijkse verslag en de jaarrekeningen bedoeld in lid 1 van dit artikel stelt de bevoegde ordonnateur zijn in artikel 66, lid 9, van deze verordening bedoeld jaarlijks activiteitenverslag op. Voor het opstellen van dat verslag mag hij of zij andere bewijsstukken gebruiken.

Artikel 204 quaterdecies

Betaling van het saldo

1.   Het bedrag van de bijdrage wordt pas definitief vastgesteld na de goedkeuring van het jaarlijkse verslag en de jaarrekeningen bedoeld in artikel 204 terdecies, lid 1, door de bevoegde ordonnateur. De goedkeuring van het jaarverslag en de jaarrekeningen laat latere controles door de Autoriteit onverlet.

2.   Ongebruikte voorfinanciering wordt pas definitief vastgesteld nadat het door de Europese politieke partij is gebruikt voor het betalen van vergoedbare uitgaven die voldoen aan de in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen gedefinieerde criteria.

3.   Indien de Europese politieke partij haar verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdrage niet nakomt, wordt de bijdrage opgeschort, verlaagd of ingetrokken nadat de Europese politieke partij in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen te formuleren.

4.   De bevoegde ordonnateur verifieert vóór de betaling van het saldo of de Europese politieke partij nog steeds in het in artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde register is opgenomen en vanaf de datum van haar verzoek tot het einde van het begrotingsjaar waarop de bijdrage betrekking heeft aan geen van de in artikel 27 van deze verordening genoemde sancties is onderworpen.

5.   Indien de Europese politieke partij niet langer in het in artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde register is opgenomen of aan een in artikel 27 van deze verordening genoemde sanctie is onderworpen, kan de bevoegde ordonnateur de bijdrage opschorten, verlagen of intrekken en het bedrag terugvorderen dat op grond van het besluit of de overeenkomst tot toekenning van een bijdrage ten onrechte was uitbetaald; dit beslist hij in verhouding tot de ernst van de fouten, onregelmatigheden, fraude of andere schendingen van de verplichtingen met betrekking tot het gebruik van de bijdrage en nadat de Europese politieke partij in de gelegenheid is gesteld haar opmerkingen te formuleren.

Artikel 204 quindecies

Controle en sancties

1.   In elk besluit of elke overeenkomst tot toekenning van een bijdrage wordt uitdrukkelijk bepaald dat het Europees Parlement, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Rekenkamer bevoegd zijn bij alle Europese politieke partijen, contractanten en subcontractanten die financiering van de Unie hebben ontvangen, controles op stukken en controles ter plaatse uit te voeren.

2.   De bevoegde ordonnateur kan de aanvragers overeenkomstig artikel 109 van deze verordening en artikel 27 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties opleggen.

3.   De in lid 2 bedoelde sancties kunnen ook worden opgelegd aan Europese politieke partijen die ten tijde van de indiening van het verzoek om een bijdrage of na ontvangst van de bijdrage valse verklaringen hebben afgelegd bij het verstrekken van de door de bevoegde ordonnateur gevraagde inlichtingen of die nalaten deze inlichtingen te verstrekken.

Artikel 204 sexdecies

Bewaren van gegevens

1.   Europese politieke partijen bewaren alle gegevens en bewijsstukken met betrekking tot de bijdrage tot vijf jaar na het indienen van het jaarlijkse eindverslag en de jaarrekeningen zoals bedoeld in artikel 204 terdecies, lid 1.

2.   Gegevens met betrekking tot audits, verhaalprocedures, geschillen of de afwikkeling van claims die voortvloeien uit het gebruik van de bijdrage, worden bewaard tot deze audits, verhaalprocedures, geschillen of claims tot een einde zijn gebracht.

Artikel 204 septdecies

Selectie van externe auditinstanties of -deskundigen

De in artikel 23 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bedoelde onafhankelijke externe auditinstanties of -deskundigen worden geselecteerd door middel van een openbare aanbestedingsprocedure. De looptijd van hun contract bedraagt ten hoogste vijf jaar. Na twee opeenvolgende termijnen worden zij geacht tegenstrijdige belangen te hebben die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de uitvoering van de audit.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2017. Artikel 125, lid 3, tweede alinea, en artikel 125, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, zoals deze luidden voordat de bij artikel 1 van deze verordening genoemde wijzigingen werden aangebracht, blijven van toepassing op rechtshandelingen en vastleggingen met betrekking tot de financiering van politieke partijen op Europees niveau die zijn vastgesteld tot en met 31 december 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

B. DELLA VEDOVA


(1)  PB C 4 van 8.1.2014, blz. 1.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 29 september 2014.

(3)  PB L 297 van 15.11.2003, blz. 1.

(4)  PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 46.

(5)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 1).”.


4.11.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/35


VERORDENING (EU) Nr. 1143/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2014

betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het verschijnen van uitheemse soorten, ongeacht of dat dieren, planten, schimmels of micro-organismen zijn, op nieuwe locaties is niet altijd zorgwekkend. Een aanzienlijke groep uitheemse soorten kunnen echter invasief worden en kunnen ernstige negatieve gevolgen hebben voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten, en kunnen ook andere economische en sociale gevolgen hebben, hetgeen voorkomen moet worden. In het milieu van de Unie en in andere Europese landen bevinden zich ongeveer 12 000 uitheemse soorten, waarvan ruwweg 10 % tot 15 % als invasief wordt beschouwd.

(2)

Invasieve uitheemse soorten vormen een van de voornaamste bedreigingen voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten, in het bijzonder in geografisch en evolutionair geïsoleerde ecosystemen, zoals kleine eilanden. De risico's die dergelijke soorten met zich meebrengen, kunnen groter worden door een toename van de wereldhandel, het vervoer, het toerisme en de klimaatverandering.

(3)

De bedreiging van invasieve uitheemse soorten voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten neemt verschillende vormen aan, zoals zeer ernstige gevolgen voor inheemse soorten en de structuur en werking van ecosystemen door de verandering van habitats, predatie, concurrentie, de overbrenging van ziekten, de vervanging van inheemse soorten in een significant deel van hun verspreidingsgebied en door genetische effecten als gevolg van kruisingen. Bovendien kunnen invasieve uitheemse soorten ook aanzienlijke nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid en de economie. Alleen levende soorten, en onderdelen die zich kunnen voortplanten, vormen een bedreiging voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten, de menselijke gezondheid of de economie, en alleen deze derhalve moeten worden onderworpen aan de beperkingen van deze verordening.

(4)

De Unie is als partij bij het Verdrag inzake biologische diversiteit, zoals goedgekeurd bij Besluit 93/626/EEG van de Raad (3), gebonden aan artikel 8, onder h), van dat Verdrag, op grond waarvan iedere verdragsluitende partij, voor zover mogelijk en passend „de binnenkomst van uitheemse soorten die bedreigend zijn voor ecosystemen, habitats of soorten dient te voorkomen dan wel deze te beheersen of uit te roeien”.

(5)

De Unie heeft als partij bij het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa, zoals goedgekeurd bij Besluit 82/72/EEG van de Raad (4), zich ertoe verplicht alle passende maatregelen te nemen om het behoud van de habitats van wilde plant- en diersoorten te verzekeren.

(6)

Ter ondersteuning van de doelstellingen van de Richtlijnen 2000/60/EG (5), 2008/56/EG (6) en 2009/147/EG (7) van het Europees Parlement en de Raad en van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (8), moet deze verordening regels vaststellen om de nadelige gevolgen van invasieve uitheemse soorten voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten en voor de menselijke gezondheid en de veiligheid te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen en de sociale en economische gevolgen ervan te verminderen.

(7)

Sommige soorten migreren van nature als reactie op veranderingen in het milieu. Zij moeten in hun nieuwe omgeving niet als uitheemse soorten worden beschouwd en moeten uitgesloten worden van het toepassingsgebied van deze verordening. Deze verordening moet alleen betrekking hebben op soorten die door menselijk tussenkomst in de Unie zijn geïntroduceerd.

(8)

Er bestaan momenteel meer dan 40 wetgevingshandelingen van de Unie over dierengezondheid met bepalingen inzake dierenziekten. Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (9) bevat voorts voorschriften over organismen die schadelijk zijn voor planten of plantaardige producten, en bevat Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) de wetgeving die van toepassing is op genetisch gemodificeerde organismen. Iedere nieuwe regel betreffende invasieve uitheemse soorten dient daarom aan te sluiten bij die wetgevingshandelingen van de Unie zonder deze te overlagen en zij dient niet van toepassing te zijn op de organismen waarop die wetgevingshandelingen specifiek betrekking hebben.

(9)

De Verordeningen (EG) nr. 1107/2009 (11) en (EU) nr. 528/2012 (12) van het Europees Parlement en de Raad, en Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad (13), bevatten regels voor de toelating van het gebruik van bepaalde uitheemse soorten voor specifieke doeleinden. Bij de inwerkingtreding van onderhavige verordening is het gebruik van bepaalde soorten overeenkomstig deze regelingen reeds toegelaten. Met het oog op een samenhangend juridisch kader moeten voor die doeleinden gebruikte soorten dus worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening.

(10)

Aangezien het aantal invasieve uitheemse soorten talrijk is, moet de groep van invasieve uitheemse soorten die als zorgwekkend voor de Unie wordt beschouwd, prioritair worden aangepakt. Daarom moet een lijst van invasieve uitheemse soorten die als zorgwekkend voor de Unie worden beschouwd („de Unielijst”), worden vastgesteld en regelmatig worden geactualiseerd. Een invasieve uitheemse soort moet als zorgwekkend voor de Unie worden beschouwd wanneer de schade die door de soort wordt veroorzaakt in de getroffen lidstaten zo aanzienlijk is dat specifieke in de gehele Unie toepasselijke maatregelen moeten worden getroffen, dus ook voor de lidstaten die nog niet getroffen zijn of die wellicht niet getroffen zullen worden. Om ervoor te zorgen dat de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten die worden aangewezen proportioneel blijven, moet de Unielijst geleidelijk worden vastgesteld en geactualiseerd, en gericht zijn op die soorten waarvan het opnemen in de Unielijst daadwerkelijk de nadelige gevolgen van die soorten zal voorkomen, tot een minimum beperken of matigen, en dit op een kosteneffectieve manier. Aangezien er ten aanzien van soorten binnen eenzelfde taxonomische groep vaak vergelijkbare milieuvoorschriften gelden en zij gelijkaardige risico's met zich mee kunnen brengen, moet het opnemen van taxonomische groepen in de Unielijst waar nodig worden toegestaan.

(11)

De criteria voor opname in de Unielijst vormen het belangrijkste toepassingsinstrument van deze verordening. Om een doeltreffend gebruik van middelen te verzekeren, moeten die criteria garanderen dat van de potentiële invasieve uitheemse soorten die momenteel bekend zijn, die met de meest significante nadelige gevolgen, in de lijst worden opgenomen. De Commissie moet bij het bij deze verordening ingestelde comité binnen één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een voorstel indienen voor een op die criteria gebaseerde Unielijst. Wanneer zij de Unielijst voorstelt, moet de Commissie dat comité in kennis stellen van de wijze waarop zij met die criteria rekening heeft gehouden. De criteria moeten een risicobeoordeling omvatten overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de verdragen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) betreffende het beperken van de handel in soorten.

(12)

Om onevenredige of buitensporige kosten voor een lidstaat te vermijden en om de meerwaarde van een middels deze nieuwe verordening uitgevoerd Unie-optreden te vrijwaren, moet de Commissie bij het voorstellen van de Unielijst en de daarmee samenhangende maatregelen rekening houden met de uitvoeringskosten voor de lidstaten, de kosten indien niet wordt ingegrepen, de kosteneffectiviteit en de sociaaleconomische aspecten. In dit verband moet bij het selecteren van de uitheemse invasieve soorten die moete worden opgenomen op de Unielijst bijzondere aandacht worden geschonken aan soorten die op grote schaal worden gebruikt en die in een lidstaat aanzienlijke maatschappelijke en economische voordelen opleveren, zonder de doelstellingen van deze verordening in het gedrang te brengen.

(13)

Met het oog op de naleving van de toepasselijke verdragen van de WTO en de coherente toepassing van deze verordening, moeten gemeenschappelijke criteria worden ontwikkeld voor de uitvoering van de risicobeoordeling. Die criteria moeten, indien mogelijk, gebaseerd zijn op bestaande nationale en internationale normen en het volgende omvatten: de verschillende aspecten van de kenmerken van de soorten, het risico op en de wijze van introductie in de Unie, de nadelige sociale, economische en biodiversiteitseffecten van de soort, de potentiële voordelen van het gebruik en de kosten van beperkingen afgewogen tegen de nadelige gevolgen, evenals op een inschatting van de potentiële kosten van de sociale, economische en milieuschade om het belang voor de Unie aan te tonen en verdere maatregelen te rechtvaardigen. Om het systeem progressief te ontwikkelen en op eerdere ervaringen voort te bouwen, moet de algemene aanpak uiterlijk op 1 juni 2021 worden geëvalueerd.

(14)

Sommige invasieve uitheemse soorten zijn opgenomen in bijlage B van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad (14), en de invoer daarvan in de Unie is verboden omdat hun invasieve karakter is erkend en de introductie in de Unie nadelige gevolgen heeft voor inheemse soorten. Het betreft de volgende soorten: Callosciurus erythraeus, Sciurus carolinensis, Oxyura jamaicensis, Lithobates (Rana) catesbeianus, Sciurus niger, Chrysemys picta en Trachemys scripta elegans. Met het oog op een coherent juridisch kader en een uniforme regelgeving betreffende invasieve uitheemse soorten op het niveau van de Unie, moet het opnemen van die invasieve uitheemse soorten op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten als een prioriteit worden beschouwd.

(15)

Preventie is vanuit milieuoogpunt gezien over het algemeen wenselijker en kosteneffectiever dan een reactie na de feiten, en moet derhalve als prioritair worden beschouwd. Daarom moet voorrang worden gegeven aan het in een lijst opnemen van invasieve uitheemse soorten die nog niet in de Unie aanwezig zijn of die in een vroeg stadium van invasie zijn, en van invasieve uitheemse soorten waarvan kan worden aangenomen dat zij de meest wezenlijke nadelige gevolgen zullen hebben. Aangezien nieuwe invasieve uitheemse soorten voortdurend in de Unie kunnen worden geïntroduceerd en de reeds aanwezige uitheemse soorten hun verspreidingsgebied vergroten, moet de Unielijst constant worden geëvalueerd en bijgewerkt.

(16)

Waar het soorten betreft die bepaalde lidstaten tot zorg strekken, maar die niet in staat zijn een levensvatbare populatie tot stand te brengen in een groot deel van de Unie, moet regionale samenwerking tussen die lidstaten worden overwogen. Indien de doelstellingen van deze verordening beter kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen op Unie-niveau, kunnen die soorten ook worden opgenomen in de Unielijst.

(17)

Bij het nastreven van de doelstellingen van deze verordening moet er rekening worden gehouden met de specifieke situatie van de ultraperifere regio's, en in het bijzonder met hun afgelegen locatie, hun insulaire karakter, en het unieke karakter van hun respectieve biodiversiteit. Daarom moeten de voorschriften van deze verordening, wat betreft het nemen van beperkende en preventieve maatregelen met betrekking tot voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, worden aangepast aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's, als omschreven in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met inachtneming van Besluiten 2010/718/EU (15) en 2012/419/EU (16) van de Europese Raad.

(18)

De risico's en gevaren van invasieve uitheemse soorten vormen een grensoverschrijdende uitdaging voor de gehele Unie. Het is derhalve van essentieel belang om op Unieniveau een verbod vast te stellen op het opzettelijk of door nalatigheid in de Unie invoeren, voortplanten, telen, kopen, verkopen, gebruikmaken, uitwisselen, houden en uitzetten van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, teneinde een vroegtijdig en consistent optreden in de gehele Unie te waarborgen om verstoringen op de interne markt te voorkomen evenals situaties waarin het optreden in de ene lidstaat wordt ondermijnd door het uitblijven van maatregelen in een andere lidstaat.

(19)

Om wetenschappelijk onderzoek en bewaringsactiviteiten ex situ mogelijk te maken moeten specifieke regels worden vastgesteld voor de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten die het voorwerp vormen van dergelijke activiteiten. Die activiteiten moeten worden uitgevoerd in gesloten instellingen waar de organismen in een gesloten omgeving worden gehouden en alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten ontsnappen of onrechtmatig worden vrijgelaten. In uitzonderlijke, met redenen omklede gevallen van dwingend algemeen belang, en met toestemming van de Commissie, moeten die regels ook van toepassing kunnen zijn op andere activiteiten, waaronder commerciële activiteiten. Bij de uitvoering van die regels moet bijzondere aandacht worden besteed aan het vermijden van eventuele nadelige gevolgen voor beschermde soorten en habitats, overeenkomstig het toepasselijke recht van de Unie.

(20)

Het kan gebeuren dat uitheemse soorten die nog niet erkend zijn als voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, aan de grenzen van de Unie opduiken of op het grondgebied van de Unie worden waargenomen. De lidstaten moeten daarom bepaalde noodmaatregelen kunnen nemen op basis van het beschikbaar wetenschappelijke bewijsmateriaal. Dankzij dergelijke noodmaatregelen kunnen onmiddellijk maatregelen worden genomen tegen invasieve uitheemse soorten waarvan de introductie, de vestiging en de verspreiding in die landen een risico kunnen vormen, terwijl de lidstaten de daadwerkelijke risico's van die soorten overeenkomstig de toepasselijke bepalingen in de toepasselijke verdragen van de WTO beoordelen, in het bijzonder om die soorten als voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te laten aanmerken. Nationale noodmaatregelen moeten worden gekoppeld aan de mogelijkheid noodmaatregelen te nemen op Unieniveau, om te voldoen aan de bepalingen van de toepasselijke verdragen van de WTO. Bovendien bieden noodmaatregelen op Unieniveau de Unie een mechanisme om, in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel, snel te handelen wanneer het directe gevaar aanwezig is dat een nieuwe invasieve uitheemse soort zal binnenkomen.

(21)

Een groot deel van de invasieve uitheemse soorten wordt onopzettelijk in de Unie geïntroduceerd. Daarom is het van cruciaal belang de routes waarlangs invasieve uitheemse soorten onopzettelijk worden geïntroduceerd, op een meer doeltreffende wijze te beheersen. Er moet op dit gebied geleidelijk worden opgetreden gezien de relatief beperkte ervaringen op dit gebied. De maatregelen moeten zowel verplichte als vrijwillige maatregelen omvatten, bijvoorbeeld de acties die worden voorgesteld in de richtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie voor de controle en het beheer van de bioaangroei van schepen. De maatregelen moeten voortbouwen op de ervaring in de Unie en de lidstaten met het beheersen van bepaalde routes, met inbegrip van maatregelen die zijn vastgesteld op grond van het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, dat is aangenomen in 2004. De Commissie moet derhalve alle nodige stappen ondernemen om de lidstaten ertoe aan te moedigen dit Verdrag te ratificeren.

(22)

Om een adequate kennisbasis te ontwikkelen waarmee de problemen met betrekking tot invasieve uitheemse soorten kunnen worden aangepakt, moeten de lidstaten zorgen voor onderzoek, monitoring van en toezicht op deze soorten. Aangezien surveillancesystemen het meest geschikt zijn om nieuwe invasieve inheemse soorten vroegtijdig te detecteren en de verspreiding van reeds gevestigde soorten te bepalen, moeten deze systemen zowel gerichte als algemene onderzoeken omvatten en profiteren van de betrokkenheid van verschillende sectoren en belanghebbenden (onder meer regionale en plaatselijke gemeenschappen). De surveillancesystemen moeten voortdurend aandacht schenken aan nieuwe invasieve uitheemse soorten in de gehele Unie en moeten met name zorgen voor een doelmatig en volledig beeld op het niveau van de Unie. Met het oog op efficiëntie en kosteneffectiviteit moet worden gebruikgemaakt van bestaande systemen voor douanecontrole, toezicht en monitoring die al zijn vastgesteld door Unie-recht, in het bijzonder in de Richtlijnen 92/43/EEG, 2000/60/EG, 2008/56/EG en 2009/147/EG.

(23)

Er moeten officiële controles van dieren en planten worden uitgevoerd om de opzettelijke introductie van invasieve uitheemse soorten te voorkomen. Levende dieren en planten moeten enkel de Unie worden binnengebracht via grenscontrole-entiteiten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (17), en Richtlijnen 91/496/EEG (18) en 97/78/EG (19) van de Raad of plaatsen van binnenkomst overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG. Om te zorgen voor efficiëntiewinsten en om te voorkomen dat er parallelle douanecontrolesystemen worden ontwikkeld, moeten bevoegde autoriteiten bij de eerste grenscontrole-entiteit of het eerste punt van binnenkomst verifiëren of deze soorten voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten zijn.

(24)

Na de introductie van invasieve uitheemse soorten zijn maatregelen voor de vroegtijdige detectie en snelle uitroeiing ervan van cruciaal belang om te voorkomen dat de invasieve uitheemse soorten zich vestigen en verspreiden. De meest doeltreffende en kosteneffectieve maatregel bestaat er vaak in de gehele populatie zo snel mogelijk uit te roeien, zolang het aantal exemplaren nog beperkt is. Indien het niet haalbaar is de populatie uit te roeien of de kosten voor de uitroeiing niet opwegen tegen de sociale, economische en milieuvoordelen op lange termijn, moeten maatregelen worden genomen om de populatie in te dammen en te beheersen. De beheersmaatregelen moeten evenredig zijn met de gevolgen voor het milieu en voldoende rekening houden met de biogeografische en klimatologische omstandigheden in de betrokken lidstaat.

(25)

Voorkomen moet worden dat de beheersmaatregelen nadelige gevolgen hebben voor het milieu alsook voor de menselijke gezondheid. De in sommige gevallen noodzakelijk geachte uitroeiing en beheersing van sommige invasieve uitheemse diersoorten kan bij de dieren pijn, spanning, angst of andere vormen van lijden veroorzaken, zelfs wanneer de beste technische middelen worden gebruikt. Daarom moeten de lidstaten en marktdeelnemers die betrokken zijn bij de uitroeiing, de beheersing of de indamming van invasieve uitheemse soorten, de nodige maatregelen nemen om de dieren tijdens het proces alle vermijdbare pijn, spanning, en lijden te besparen, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de beste praktijken ter zake, bijvoorbeeld de Richtsnoeren inzake dierenwelzijn van de Wereldorganisatie voor diergezondheid. Niet-letale methoden moeten in overweging worden genomen en alle genomen maatregelen moeten de gevolgen voor andere dan de doelsoorten tot een minimum beperken.

(26)

Over het algemeen brengen invasieve uitheemse soorten schade toe aan die ecosystemen en verminderen zij de veerkracht ervan. Er moeten derhalve evenredige herstelmaatregelen worden genomen om de veerkracht van de ecosystemen te versterken tegen invasies, de veroorzaakte schade te herstellen en te zorgen voor een betere staat van instandhouding van soorten en hun habitats in overeenstemming met de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG, een betere ecologische status van landoppervlaktewater, overgangswateren, kustwateren en grondwater in overeenstemming met Richtlijn 2000/60/EG, en een betere milieutoestand van het mariene milieu in overeenstemming met Richtlijn 2008/56/EG. De kosten van deze herstelmaatregelen moeten worden teruggevorderd overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(27)

Teneinde bij te dragen tot de daadwerkelijke toepassing van deze verordening, moet grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder met buurlanden, en coördinatie tussen lidstaten, in het bijzonder binnen eenzelfde biogeografische regio van de Unie, worden bevorderd.

(28)

Een systeem voor de aanpak van invasieve uitheemse soorten moet worden ondersteund door een gecentraliseerd informatiesysteem dat informatie over uitheemse soorten in de Unie ordent en toegang biedt tot gegevens over de aanwezigheid van soorten, de verspreiding en de ecologie ervan, de invasiegeschiedenis en alle andere noodzakelijke informatie ter ondersteuning van beleids- en beheersmaatregelen, en dat ook de uitwisseling van beste praktijken mogelijk maakt.

(29)

Bij Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (20) is een kader vastgesteld voor openbare raadpleging in verband met milieugerelateerde beslissingen. Bij de ontwikkeling van maatregelen ten aanzien van invasieve uitheemse soorten moet het publiek daadwerkelijk inspraak hebben en moeten de beleidsmakers met de standpunten en bekommernissen van het publiek rekening houden. Dit moet de verantwoordingsplicht en de transparantie van de besluitvorming vergroten en moet het publiek beter bewust maken van milieuvraagstukken en moet ook steun voor de genomen beslissingen vergroten.

(30)

Het is van belang dat de wetenschappelijke gemeenschap deelneemt, teneinde een adequate kennisbasis te bieden om de problemen in verband met invasieve uitheemse soorten te kunnen aanpakken. Een specifiek wetenschappelijk forum moet worden opgericht om advies te verlenen over de wetenschappelijke aspecten van de toepassing van deze verordening, in het bijzonder wat betreft het opstellen en actualiseren van de Unielijst, risicobeoordeling, de noodmaatregelen en de maatregelen voor snelle uitroeiing.

(31)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het vaststellen en actualiseren van de Unielijst, het formaat van de documenten die als bewijsstukken voor vergunningen dienen, het vaststellen van noodmaatregelen op het niveau van de Unie, de voorwaarde om specifieke bepalingen in de betrokken lidstaten toe te passen in geval van versterkte regionale samenwerking, de verwerping van beslissingen van de lidstaten om uitroeiingsmaatregelen niet toe te passen, en de technische formaten voor de verslaglegging aan de Commissie. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (21).

(32)

Teneinde rekening te kunnen houden met de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen op milieugebied, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het bepalen van hoe geconcludeerd kan worden dat invasieve uitheemse soorten in staat zijn om een levensvatbare populatie te vestigen en om zich te verspreiden, evenals voor het vaststellen van de gemeenschappelijke elementen voor de ontwikkeling van risicobeoordelingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(33)

Om de naleving van deze verordening te garanderen, is het van belang dat de lidstaten ontradende, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties opleggen voor inbreuken, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk, het beginsel van de terugvordering van kosten, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(34)

Door middel van de in het kader van deze verordening genomen maatregelen kunnen de lidstaten verplichtingen opleggen aan bezitters of gebruikers van uitheemse soorten, alsmede aan eigenaars en pachters van de betrokken grond.

(35)

Teneinde niet-commerciële eigenaren van gezelschapsdieren die tot een op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten opgenomen soort behoren, in staat te stellen hun gezelschapsdier tot het natuurlijke levenseinde van het dier te behouden, moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld, op voorwaarde dat alle maatregelen worden genomen om voortplanting of ontsnapping te voorkomen.

(36)

Om commerciële marktdeelnemers, met mogelijkerwijze gerechtvaardigde verwachtingen, bijvoorbeeld marktdeelnemers die een vergunning hebben ontvangen in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 708/2007, in staat te stellen hun voorraad voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten op te gebruiken nadat deze verordening in werking is getreden, is het gerechtvaardigd hen twee jaar tijd te geven om de exemplaren te slachten, op humane wijze op te ruimen, te verkopen of, indien van toepassing, over te dragen aan onderzoeksinstellingen of instellingen voor bewaring ex situ.

(37)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het voorkomen, tot een minimum beperken en matigen van de nadelige gevolgen van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten in de Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de effecten ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(38)

Het moet mogelijk zijn voor de lidstaten om regels inzake voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te handhaven of vast te stellen die strenger zijn dan die van deze verordening en om bepalingen zoals die inzake voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten van deze verordening toe te passen op voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten. Dergelijke maatregelen moeten verenigbaar zijn met het VWEU en moeten overeenkomstig het recht van de Unie ter kennis van de Commissie worden gebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening zijn regels vastgesteld om de nadelige gevolgen op de biodiversiteit van zowel de opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding in de Unie van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op alle invasieve uitheemse soorten.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

soorten die zonder menselijk ingrijpen hun natuurlijk verspreidingsgebied veranderen als gevolg van gewijzigde ecologische omstandigheden en klimaatverandering;

b)

genetisch gemodificeerde organismen, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2001/18/EG;

c)

ziekteverwekkers die dierziekten veroorzaken; voor de toepassing van deze verordening wordt onder dierziekte verstaan besmettingen en plagen bij dieren, die worden veroorzaakt door een of meer ziekteverwekkers die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen;

d)

de in de lijst van bijlagen I of II bij Richtlijn 2000/29/EG vermelde schadelijke organismen, en schadelijke organismen waarvoor overeenkomstig artikel 16, lid 3, van die richtlijn maatregelen zijn vastgesteld;

e)

soorten opgenomen in de lijst van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 708/2007, wanneer zij in aquacultuur worden gebruikt;

f)

micro-organismen die worden geproduceerd of ingevoerd voor gebruik in gewasbeschermingsmiddelen die al zijn toegelaten of waarvoor een beoordeling loopt in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1107/2009; of

g)

micro-organismen die worden geproduceerd of ingevoerd voor gebruik in biociden die al zijn toegelaten of waarvoor een beoordeling loopt in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 528/2012.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)   „uitheemse soort”: levende exemplaren van soorten, ondersoorten of lagere taxa van dieren, planten, schimmels of micro-organismen die zijn geïntroduceerd buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied, met inbegrip van alle delen, gameten, zaadcellen, eicellen of propagulen van die soorten alsook alle kruisingen, variëteiten of rassen, die kunnen overleven en zich vervolgens kunnen voortplanten;

2)   „invasieve uitheemse soort”: een uitheemse soort waarvan is vastgesteld dat de introductie of verspreiding ervan een bedreiging is of nadelige gevolgen heeft voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten;

3)   „voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soort”: een invasieve uitheemse soort waarvan de negatieve effecten zodanig zijn dat dat overeenkomstig artikel 4, lid 3, gezamenlijk optreden op het niveau van de Unie vereist is;

4)   „voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soort”: een andere invasieve uitheemse soort dan een voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soort waarvoor een lidstaat op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal, zelfs als dit nog niet volledig geverifieerd werd, van mening is dat de nadelige gevolgen van de vrijlating en verspreiding van die soort significant zijn voor zijn grondgebied of voor een deel ervan, en maatregelen op het niveau van die lidstaat vereisen;

5)   „biodiversiteit”: de variabiliteit onder levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; dit omvat diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen;

6)   „ecosysteemdiensten”: de directe en indirecte bijdragen van ecosystemen aan het menselijke welzijn;

7)   „introductie”: de verplaatsing, als gevolg van menselijk ingrijpen, van een soort buiten zijn natuurlijke verspreidingsgebied;

8)   „onderzoek”: beschrijvende of experimentele werkzaamheden onder gereguleerde omstandigheden ter verkrijging van nieuwe wetenschappelijke bevindingen of ter ontwikkeling van nieuwe producten, met inbegrip van de aanvangsfasen van identificatie, karakterisering en isolering van genetische kenmerken — met uitzondering van die kenmerken die een soort invasief maken — van invasieve uitheemse soorten enkel voor zover dit essentieel is om deze kenmerken bij niet-invasieve soorten te kunnen aanbrengen;

9)   „in gesloten omgeving houden”: het houden van een organisme in gesloten voorzieningen waaruit geen ontsnapping of verspreiding mogelijk is;

10)   „bewaring ex situ”: het bewaren van bestanddelen van de biologische diversiteit buiten hun natuurlijke habitat;

11)   „introductieroutes”: de routes en mechanismen van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;

12)   „vroegtijdige detectie”: de bevestiging van de aanwezigheid van een exemplaar of exemplaren van een invasieve uitheemse soort in het milieu voordat deze soort zich wijd heeft kunnen verspreiden;

13)   „uitroeiing”: de volledige en permanente verwijdering van de populatie van een invasieve uitheemse soort door middel van dodelijke of niet-dodelijke middelen;

14)   „populatiebeheersing”: dodelijke of niet-dodelijke op de populatie van een invasieve uitheemse soort toegepaste maatregelen, waarbij tegelijkertijd de gevolgen voor niet doelsoorten en hun habitats tot een minimum worden beperkt, met als doel het aantal exemplaren van de populatie van een invasieve uitheemse soort zo laag mogelijk te houden zodat — hoewel de soort niet kan worden uitgeroeid — de invasieve capaciteiten en de negatieve gevolgen voor de biodiversiteit, de aanverwante ecosysteemdiensten, voor de menselijke gezondheid of de economie tot een minimum worden beperkt;

15)   „indamming”: maatregelen om barrières te creëren die het risico dat de populatie van een invasieve uitheemse soort zich buiten het binnengedrongen gebied verspreidt, tot een minimum beperken;

16)   „wijdverspreid”: een invasieve uitheemse soort met een populatie die de vestigingsfase, waarin een populatie zichzelf in stand houdt, voorbij is en die zich verspreidt om een groot deel van het potentiële verspreidingsgebied waarin de soort kan overleven en zich kan voortplanten, te koloniseren;

17)   „beheer”: dodelijke of niet-dodelijke maatregelen om de populatie van een invasieve uitheemse soort uit te roeien, te beheersen of in te dammen, waarbij tegelijkertijd de gevolgen voor niet-doelsoorten en hun habitats tot een minimum worden beperkt.

Artikel 4

Lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten

1.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst vast van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten („de Unielijst”), op basis van de criteria van lid 3 van dit artikel. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandelingen worden uiterlijk op 2 januari 2016 aan het in artikel 27, lid 1, bedoelde comité voorgelegd.

2.   De Commissie voert minstens elke zes jaar een uitgebreide evaluatie van de Unielijst uit en actualiseert haar, in voorkomend geval, in de tussentijd overeenkomstig de in lid 1 bedoelde procedure, door:

a)

nieuwe invasieve uitheemse soorten toe te voegen;

b)

de in de lijst opgenomen soorten te verwijderen, indien die soorten niet langer voldoen aan een of meer van de criteria van lid 3.

3.   Invasieve uitheemse soorten worden uitsluitend opgenomen in de Unielijst als ze aan alle onderstaande criteria voldoen:

a)

uit het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal blijkt dat ze uitheems zijn op het grondgebied van de Unie, met uitsluiting van de ultraperifere regio's;

b)

uit het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal blijkt dat ze in staat zijn een leefbare populatie te vormen en zich onder de huidige omstandigheden en in voorzienbare omstandigheden als gevolg van klimaatverandering in de omgeving te verspreiden in één biogeografische regio die door meer dan twee lidstaten wordt gedeeld of in één mariene subregio, met uitsluiting van hun ultraperifere regio's;

c)

uit het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal blijkt dat ze waarschijnlijk aanzienlijke nadelige gevolgen zullen hebben voor de biodiversiteit of de aanverwante ecosysteemdiensten, en dat ze ook nadelige gevolgen kunnen hebben voor de menselijke gezondheid of de economie;

d)

een krachtens artikel 5, lid 1, uitgevoerde risicobeoordeling heeft aangetoond dat gecoördineerd optreden op Unieniveau nodig is om de introductie, vestiging of verspreiding van de soort te voorkomen;

e)

het is waarschijnlijk dat het opnemen van de soort in de Unielijst de nadelige gevolgen ervan daadwerkelijk zal voorkomen, tot een minimum beperken of matigen.

4.   De lidstaten kunnen bij de Commissie een verzoek indienen voor de opname van invasieve uitheemse soorten op de Unielijst. Deze verzoeken bevatten alle onderstaande elementen:

a)

de naam van de soort;

b)

een overeenkomstig artikel 5, lid 1, uitgevoerde risicobeoordeling;

c)

bewijsmateriaal dat aantoont dat aan de criteria van lid 3 van dit artikel is voldaan.

5.   Op de Unielijst worden in voorkomend geval de goederen vermeld waarmee de invasieve uitheemse soorten gewoonlijk geassocieerd worden, en hun codes van de gecombineerde nomenclatuur, zoals bepaald in Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (22), alsook de categorieën van goederen die op grond van artikel 15 van deze verordening aan officiële controles zijn onderworpen.

6.   Bij het vaststellen of actualiseren van de Unielijst past de Commissie de criteria van lid 3 toe, met inachtneming van de uitvoeringskosten voor de lidstaten, de kosten indien niet wordt ingegrepen, de kosteneffectiviteit en de sociaaleconomische aspecten. De Unielijst bevat prioritair de invasieve uitheemse soorten die:

a)

nog niet in de Unie aanwezig zijn, of in een vroeg stadium van invasie zijn, en die het meest waarschijnlijk significante nadelige gevolgen zullen hebben;

b)

reeds in de Unie gevestigd zijn en de meest significante nadelige gevolgen hebben.

7.   Wanneer de Commissie de Unielijst voorstelt, toont zij tevens aan dat de doelstellingen van deze verordening beter kunnen worden verwezenlijkt door maatregelen op het niveau van de Unie.

Artikel 5

Risicobeoordeling

1.   Voor de toepassing van artikel 4 wordt een risicobeoordeling uitgevoerd in verband met het huidige en potentiële verspreidingsgebied van de invasieve uitheemse soort, met inachtneming van de volgende aspecten:

a)

een beschrijving van de soort met vermelding van de taxonomische identiteit, het verleden en het natuurlijke en potentiële verspreidingsgebied ervan;

b)

een beschrijving van de voortplantings- en verspreidingspatronen en -dynamiek van de soort, met inbegrip van een beoordeling van de vraag of de voor voortplanting en verspreiding ervan noodzakelijke milieuomstandigheden aanwezig zijn;

c)

een beschrijving van de mogelijke introductieroutes van zowel opzettelijke als onopzettelijke introductie en verspreiding van de soort, waar van belang met inbegrip van de goederen waarmee de soort over het algemeen wordt geassocieerd;

d)

een grondige beoordeling van het risico van introductie, vestiging en verspreiding in relevante biogeografische regio's onder de huidige omstandigheden en als gevolg van te verwachten klimaatveranderingen;

e)

een beschrijving van het huidige verspreidingsgebied van de soort, met inbegrip van de vraag of de soort al aanwezig is in de Unie of in buurlanden, en een voorspelling van het waarschijnlijke toekomstige verspreidingsgebied;

f)

een beschrijving van de nadelige gevolgen voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten — met inbegrip van de nadelige gevolgen voor inheemse soorten, beschermde sites, bedreigde habitats, alsook voor de menselijke gezondheid, veiligheid, en de economie — en een beoordeling van de mogelijke toekomstige gevolgen rekening houdend met de beschikbare wetenschappelijke kennis;

g)

een raming van de potentiële kosten van schade;

h)

een beschrijving van de bekende toepassingen van de soort en de maatschappelijke en economische voordelen van die toepassingen.

2.   Wanneer de Commissie soorten voorstelt voor opname op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, voert zij de in lid 1 bedoelde risicobeoordeling uit.

Telkens wanneer een lidstaat een verzoek indient om een soort op te nemen in de Unielijst, is die lidstaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van de in lid 1 bedoelde risicobeoordeling. Waar nodig kan de Commissie de lidstaten bijstaan in de ontwikkeling van dergelijke risicobeoordelingen, voor zover die betrekking heeft op hun Europese dimensie.

3.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen om nader te bepalen welk type bewijsmateriaal voor de toepassing van artikel 4, lid 3, onder b), aanvaardbaar is, en om een gedetailleerde beschrijving te geven van de toepassing van de punten a) tot en met h) van lid 1 van dit artikel. De gedetailleerde beschrijving omvat onder meer de voor de risicobeoordeling toe te passen methodologie, met inachtneming van de toepasselijke nationale en internationale normen en de noodzaak prioriteit te verlenen aan maatregelen tegen invasieve uitheemse soorten die in verband gebracht worden met, of die potentieel de oorzaak zijn van, aanzienlijke nadelige gevolgen voor de biodiversiteit of aanverwante ecosysteemdiensten, alsmede voor de menselijke gezondheid of voor de economie, waarbij dergelijke nadelige gevolgen als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie zoals gebruikelijk overleg pleegt met deskundigen, onder andere uit de lidstaten, voordat zij deze gedelegeerde handelingen vaststelt.

Artikel 6

Bepalingen voor de ultraperifere gebieden

1.   Voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten zijn in de ultraperifere regio's niet onderworpen aan artikel 7 of aan de artikelen 13 tot en met 20.

2.   Uiterlijk op 2 januari 2017 keurt elke lidstaat met ultraperifere regio's voor elk van die regio's en in samenspraak met die regio's, een lijst goed van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten.

3.   Wat betreft de invasieve uitheemse soorten die zijn opgenomen in de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijsten, kunnen de lidstaten binnen de respectieve ultraperifere regio's de in de artikelen 7 tot en met 9, de artikelen 13 tot en met 17, en de artikelen 19 en 20 voorziene maatregelen toepassen, al naargelang het geval. Deze maatregelen zijn verenigbaar met het VWEU en worden overeenkomstig het recht van de Unie ter kennis van de Commissie gebracht.

4.   De lidstaten brengen de Commissie onmiddellijk op de hoogte van en informeren de overige lidstaten over de in lid 2 vermelde lijsten en eventuele bijgewerkte versies ervan.

HOOFDSTUK II

PREVENTIE

Artikel 7

Beperkingen

1.   De voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten mogen niet opzettelijk:

a)

op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht, ook niet door middel van doorvoer onder douanetoezicht;

b)

worden gehouden, ook niet in een gesloten omgeving;

c)

worden gekweekt, ook niet in een gesloten omgeving;

d)

naar, uit of binnen de Unie worden vervoerd, behalve om in het kader van uitroeiing naar voorzieningen te worden vervoerd;

e)

in de handel worden gebracht;

f)

worden gebruikt of uitgewisseld;

g)

worden toegestaan zich voort te planten, te worden gekweekt of geteeld, ook niet in een gesloten omgeving; of

h)

worden vrijgelaten in het milieu.

2.   Lidstaten ondernemen alle noodzakelijke stappen om de onopzettelijke introductie of verspreiding, met inbegrip van, in voorkomend geval, die door ernstige nalatigheid, van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te voorkomen.

Artikel 8

Vergunningen

1.   In afwijking van de beperkingen in artikel 7, lid 1, onder a), b), c), d), f) en g), en onder voorbehoud van lid 2 van dit artikel, stellen de lidstaten een vergunningssysteem vast op basis waarvan bepaalde instellingen voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten mogen onderzoeken of ex situ bewaren. Indien het gebruik van producten afkomstig van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten onvermijdelijk is om de menselijke gezondheid te bevorderen, kunnen de lidstaten ook de productie voor de wetenschap en het daaropvolgende geneeskundig gebruik in het vergunningssysteem opnemen.

2.   De lidstaten verlenen hun bevoegde autoriteiten de bevoegdheid de in lid 1 vermelde vergunningen te verlenen voor activiteiten met soorten die in gesloten omgeving gehouden worden en die aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:

a)

de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten worden gehouden en behandeld in gesloten omgevingen, overeenkomstig lid 3;

b)

de activiteit wordt uitgevoerd door personeel met de vereiste kwalificaties, zoals door de bevoegde autoriteiten voorgeschreven;

c)

het vervoer naar en van de gesloten omgeving vindt plaats onder in de vergunning vastgelegde omstandigheden die de ontsnapping van de invasieve uitheemse soorten onmogelijk maken;

d)

indien de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten dieren zijn, dan worden ze gemarkeerd, of waar nodig op een andere doeltreffende wijze geïdentificeerd, met behulp van methoden die geen vermijdbare pijn, spanning of lijden veroorzaken;

e)

het risico op ontsnapping, verspreiding of verwijdering wordt op doeltreffende wijze beheerst, rekening houdend met de identiteit, de biologie en de verspreidingsvormen van de soort, de activiteit en de beoogde gesloten omgeving, de interactie met het milieu en andere relevante factoren;

f)

een continu surveillancesysteem en een noodplan voor het geval dat exemplaren ontsnappen of zich verspreiden, met inbegrip van een uitroeiingsplan, worden opgesteld door de verzoeker. Het noodplan wordt door de bevoegde autoriteit goedgekeurd. Indien zich een ontsnapping of verspreiding voordoet, wordt het noodplan onmiddellijk uitgevoerd en kan de vergunning tijdelijk of definitief worden ingetrokken.

De in lid 1 bedoelde vergunning is beperkt tot een aantal invasieve uitheemse soorten en exemplaren dat de capaciteit van de gesloten omgeving niet overstijgt. Ze bevat de nodige restricties om het risico op ontsnapping of verspreiding van de betreffende soort te beperken. Ze vergezelt te allen tijde de betreffende invasieve uitheemse soort wanneer de soort binnen de Unie wordt gehouden, de Unie wordt binnengebracht en binnen de Unie wordt vervoerd.

3.   De exemplaren worden geacht in een gesloten omgeving te worden gehouden indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de exemplaren zijn fysiek geïsoleerd en ze kunnen niet ontsnappen, zich verspreiden of door onbevoegden worden verwijderd uit de omgeving waar ze worden gehouden;

b)

schoonmaak-, afvalbeheer- en onderhoudsprotocollen waarborgen dat er geen exemplaren of reproduceerbare onderdelen kunnen ontsnappen, zich verspreiden of door onbevoegden kunnen worden verwijderd;

c)

de exemplaren worden zodanig uit de omgeving verwijderd, afgevoerd, vernietigd of op humane wijze gedood, dat verspreiding of voortplanting buiten de omgeving waar ze gehouden worden onmogelijk is.

4.   Bij de vergunningaanvraag verstrekt de aanvrager alle noodzakelijke stukken om de bevoegde autoriteit in staat te stellen te beoordelen of aan de voorwaarden van leden 2 en 3 is voldaan.

5.   De lidstaten machtigen hun bevoegde autoriteiten om de vergunning op elk moment voorlopig of definitief in te trekken, indien zich onvoorziene gebeurtenissen voordoen waarvan de gevolgen voor de biodiversiteit of aanverwante ecosysteemdiensten nadelig zijn. De intrekking van een vergunning wordt gemotiveerd met wetenschappelijke argumenten of, indien de wetenschappelijke kennis ontoereikend is, op grond van het voorzorgsbeginsel, en met inachtneming van de nationale administratieve regels.

6.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het sjabloon vast van het document dat als bewijs dient voor de door de bevoegde autoriteit van een lidstaat verleende vergunning. Deze uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De lidstaten gebruiken dat sjabloon voor een begeleidend document bij de vergunning.

7.   De lidstaten maken voor alle overeenkomstig lid 1 van dit artikel verleende vergunningen onverwijld minstens de volgende, openbaar toegankelijke informatie op het internet bekend:

a)

de wetenschappelijke en gebruikelijke namen van de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten waarvoor de vergunning is verleend;

b)

het aantal of het volume van de betrokken exemplaren;

c)

het doeleinde waarvoor de vergunning is verleend; en

d)

de in Verordening (EEG) nr. 2658/87 bedoelde codes van de gecombineerde nomenclatuur.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteiten inspecties uitvoeren om te verzekeren dat de instellingen de voorwaarden van die verleende vergunningen naleven.

Artikel 9

Toelatingen

1.   De lidstaten kunnen in uitzonderlijke gevallen van dwingend algemeen belang, onder andere van sociale of economische aard, vergunningen verlenen die aan instellingen toestaan om andere activiteiten te verrichten dan de in artikel 8, lid 1, vermelde, behoudens toelating door de Commissie, overeenkomstig de in dit artikel vermelde procedure en onder de in artikel 8, leden 2 en 3, bepaalde voorwaarden.

2.   De Commissie zet een elektronisch toelatingssysteem op en beheert dit, en beslist over toelatingsaanvragen binnen 60 dagen na ontvangst van een aanvraag.

3.   Toelatingsaanvragen worden door de lidstaten via het in lid 2 bedoelde systeem ingediend.

4.   Een toelatingsaanvraag bevat het volgende:

a)

de gegevens van de instelling of groep van instellingen, met inbegrip van hun naam en adres;

b)

de wetenschappelijke en gebruikelijke namen van de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten waarvoor een toelating wordt aangevraagd;

c)

de in Verordening (EEG) nr. 2658/87 bedoelde codes van de gecombineerde nomenclatuur;

d)

het aantal of het volume van de betrokken exemplaren;

e)

de redenen voor de gevraagde toelating;

f)

een gedetailleerde omschrijving van de voorziene maatregelen om ontsnapping of verspreiding uit de voorzieningen waar de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soort in gesloten omgeving zal worden gehouden en behandeld onmogelijk te maken, alsook van de maatregelen om ervoor te zorgen dat een eventueel noodzakelijk vervoer van de soort gebeurt in omstandigheden die ontsnappingen uitsluiten;

g)

een beoordeling van het risico op ontsnapping van de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten waarvoor een toelating wordt aangevraagd, vergezeld van een beschrijving van de te nemen risicobeperkende maatregelen;

h)

een beschrijving van het voorziene surveillancesysteem en van het noodplan dat is opgezet om een mogelijke ontsnapping of verspreiding, indien nodig met inbegrip van een uitroeiingsplan, aan te pakken;

i)

een beschrijving van het op die instellingen toepasselijke nationale recht.

5.   Door de Commissie verleende de toelatingen worden ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat. Een toelating heeft betrekking op een specifieke instelling, ongeacht de overeenkomstig lid 4, onder a), gevolgde aanvraagprocedure, en bevat de in lid 4 bedoelde informatie en de duur van de toelating. Een toelating bevat tevens bepalingen inzake de levering aan de instelling van aanvullende of vervangende exemplaren voor gebruik in de activiteit waarvoor die toelating is aangevraagd.

6.   Nadat de Commissie een toelating heeft gegeven, mag de bevoegde autoriteit, overeenkomstig artikel 8, leden 4 tot en met 8, de in lid 1 bedoelde vergunning verlenen. De vergunning bevat alle in de door de Commissie verleende toelating vermelde bepalingen.

7.   De Commissie wijst een toelatingsaanvraag af indien aan een in deze verordening bepaalde toepasselijke verplichting niet wordt voldaan.

8.   De Commissie stelt de betrokken lidstaat zo spoedig mogelijk in kennis ingeval een toelatingsaanvraag afgewezen is op grond van lid 7, met vermelding van de redenen voor de afwijzing.

Artikel 10

Noodmaatregelen

1.   Wanneer een lidstaat over bewijs beschikt dat een invasieve uitheemse soort, die niet is opgenomen in de Unielijst maar waarvan de bevoegde autoriteiten op basis van voorlopig wetenschappelijk bewijs hebben vastgesteld dat de soort waarschijnlijk voldoet aan de criteria van artikel 4, lid 3, zich op zijn grondgebied bevindt of dat er een dreigend risico is voor de introductie ervan op zijn grondgebied, kan de lidstaat onmiddellijk noodmaatregelen nemen, door een in artikel 7, lid 1, vermelde beperking in te stellen.

2.   De lidstaat die op zijn grondgebied noodmaatregelen neemt die de toepassing van artikel 7, lid 1, onder a), d) of e), omvatten, stelt de Commissie en alle andere lidstaten onmiddellijk in kennis van de genomen maatregelen en van het bewijsmateriaal dat deze maatregelen rechtvaardigt.

3.   De betrokken lidstaat voert onverwijld — maar in ieder geval binnen 24 maanden na de datum waarop het besluit is genomen noodmaatregelen te nemen — en op basis van de beschikbare technische en wetenschappelijke informatie overeenkomstig artikel 5 een risicobeoordeling uit voor de invasieve uitheemse soort die het voorwerp vormt van de noodmaatregelen, teneinde deze soort op de Unielijst te plaatsen.

4.   Wanneer de Commissie de in lid 2 vermelde kennisgeving ontvangt of over ander bewijsmateriaal beschikt dat een invasieve uitheemse soort die niet is opgenomen in de Unielijst maar waarschijnlijk aan de criteria van artikel 4, lid 3, voldoet, zich op het grondgebied van de Unie bevindt of dat er een risico op introductie in het grondgebied van de Unie dreigt, concludeert de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen op basis van voorlopig wetenschappelijk bewijs of de soort waarschijnlijk aan die criteria zal voldoen en stelt zij noodmaatregelen voor de Unie vast die, voor beperkte tijd met betrekking tot de risico's die de soort vormt, een in artikel 7, lid 1, vermelde beperking in stellen wanneer zij concludeert dat aan de criteria van artikel 4, lid 3, waarschijnlijk zal worden voldaan. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   Wanneer de Commissie een in lid 4 bedoelde uitvoeringshandeling vaststelt, trekken de lidstaten de door hen genomen noodmaatregelen in of passen ze die aan, naargelang van het geval.

6.   Wanneer de Commissie de invasieve uitheemse soort opneemt in de Unielijst, trekken de lidstaten hun noodmaatregelen in of passen ze aan.

7.   Indien de Commissie de invasieve uitheemse soort op grond van de in lid 3 bedoelde risicobeoordeling niet in de Unielijst opneemt, trekken de lidstaten hun op grond van lid 1 genomen noodmaatregelen in, en kunnen zij die soort op grond van artikel 12, lid 1, opnemen in een nationale lijst van voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, en overeenkomstig artikel 11 versterkte regionale samenwerking in overweging nemen.

Artikel 11

Voor een regio zorgwekkende invasieve uitheemse soorten en inheemse soorten voor de Unie

1.   De lidstaten kunnen bepalen welke soorten uit de overeenkomstig artikel 12 vastgestelde nationale lijst van voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, inheems of uitheems voor de Unie, een versterkte regionale samenwerking vereisen.

2.   Op verzoek van de betrokken lidstaten faciliteert de Commissie overeenkomstig artikel 22, lid 1, de samenwerking en coördinatie tussen die lidstaten. De Commissie kan waar nodig, op grond van de gevolgen van bepaalde invasieve uitheemse soorten voor de biodiversiteit en aanverwante ecosysteemdiensten, alsook voor de menselijke gezondheid en de economie, door middel van uitvoeringshandelingen en op voorwaarde dat dit grondig onderbouwd is door middel van een omvattende analyse van de motivering voor een versterkte regionale samenwerking, opgesteld door de lidstaten, vereisen dat de betrokken lidstaten mutatis mutandis de artikelen 13, 14 en 16 en artikel 17 niettegenstaande artikel 18, alsook de artikelen 19 en 20, naargelang van het geval, op hun grondgebied of op een deel daarvan toepassen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   Voor een regio zorgwekkende invasieve uitheemse soorten die inheems zijn in een lidstaat, zijn op het grondgebied van die lidstaat niet onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 13, 14, 16, 17, 19, 20 en 24. De lidstaten waar die soorten inheems zijn, werken met de betrokken lidstaten samen voor de beoordeling van de in artikel 13 bedoelde introductieroutes en kunnen, in overleg met de andere lidstaten, relevante maatregelen nemen om volgens de procedure van artikel 22, lid 1, de verdere verspreiding van die soorten te vermijden.

Artikel 12

Voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten

1.   Lidstaten kunnen een nationale lijst van voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten opstellen. De lidstaten kunnen op hun grondgebied, naargelang van het geval, voor die invasieve uitheemse soorten maatregelen als bedoeld in de artikelen 7, 8, 13 tot en met 17, 19 en 20 toepassen. Deze maatregelen zijn verenigbaar met het VWEU en worden overeenkomstig het recht van de Unie ter kennis van de Commissie gebracht.

2.   De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van de soorten die zij beschouwen als voor een lidstaat zorgwekkende invasie uitheemse soorten, alsmede van de overeenkomstig lid 1 toegepaste maatregelen.

Artikel 13

Actieplannen betreffende de introductieroutes van invasieve uitheemse soorten

1.   De lidstaten voeren binnen 18 maanden nadat de Unielijst is aangenomen een omvattende analyse uit van de introductieroutes van onopzettelijke introductie of verspreiding van tenminste de voor de Unie zorgwekkende, invasieve uitheemse soorten op hun grondgebied, alsook in hun mariene wateren als omschreven in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG, en zij gaan na welke introductieroutes prioritaire maatregelen vereisen („prioritaire introductieroutes”) vanwege het aantal van de soorten of de potentiële schade die veroorzaakt wordt door de soorten die via die introductieroutes de Unie binnenkomen.

2.   Binnen drie jaar na de vaststelling van de Unielijst stelt elke lidstaat één enkel actieplan of een reeks actieplannen op en voert deze uit om de overeenkomstig lid 1 als prioritair aangeduide introductieroutes aan te pakken. Die actieplannen omvatten tijdschema's en beschrijven de vast te stellen maatregelen en, in voorkomend geval, vrijwillige acties en codes van goede praktijk, om de prioritaire introductieroutes aan te pakken en de onopzettelijke introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten in of binnen de Unie te voorkomen.

3.   De lidstaten zorgen voor coördinatie met het oog op het opstellen van één enkel actieplan of een reeks actieplannen die overeenkomstig artikel 22, lid 1, op het passende regionale niveau worden gecoördineerd. Bij afwezigheid van dergelijke regionale actieplannen, stellen de lidstaten actieplannen op voor hun grondgebied en voeren zij die uit, waarbij die actieplannen voor zover mogelijk op het passende regionale niveau worden gecoördineerd.

4.   De in lid 2 van dit artikel vermelde actieplannen omvatten met name maatregelen die gebaseerd zijn op een kosten-batenanalyse, teneinde:

a)

de bewustwording te versterken;

b)

de contaminatie van goederen, grondstoffen, voertuigen en materiaal met exemplaren van invasieve uitheemse soorten tot een minimum te beperken, onder meer door maatregelen om het vervoer van invasieve uitheemse soorten uit derde landen aan te pakken;

c)

adequate controles bij de grenzen van de Unie te verzekeren, los van de officiële controles op grond van artikel 15.

5.   De overeenkomstig lid 2 opgestelde actieplannen worden onverwijld aan de Commissie bezorgd. Minstens om de zes jaar evalueren de lidstaten hun actieplannen en bezorgen zij ze aan de Commissie.

HOOFDSTUK III

VROEGE DETECTIE EN SNELLE UITROEIING

Artikel 14

Surveillancesysteem

1.   Binnen 18 maanden nadat de Unielijst is aangenomen, zetten de lidstaten een surveillancesysteem op met betrekking tot voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, of integreren zij dit in hun bestaand systeem; dit surveillancesysteem verzamelt en registreert gegevens over het in het milieu voorkomen van invasieve uitheemse soorten via onder andere onderzoeks- en monitoringprocedures, teneinde de verspreiding van invasieve uitheemse soorten in of binnen de Unie te voorkomen.

2.   Het in lid 1 van dit artikel vermelde surveillancesysteem:

a)

beslaat het grondgebied van de lidstaten, met inbegrip van de territoriale zee, om de aanwezigheid en verspreiding van zowel nieuwe als reeds gevestigde voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te bepalen;

b)

is voldoende dynamisch om op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan snel de aanwezigheid in het milieu te detecteren van een voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soort waarvan de aanwezigheid voordien onbekend was;

c)

bouwt voort op, is verenigbaar met en vermijdt duplicatie met de toepasselijke bepalingen inzake beoordeling en monitoring in het recht van de Unie of krachtens internationale overeenkomsten, en maakt gebruik van de informatie die wordt verstrekt door de bestaande surveillance- en monitoringsystemen die zijn vastgesteld bij artikel 11 van Richtlijn 92/43/EEG, artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 11 van Richtlijn 2008/56/EG;

d)

houdt voor zover mogelijk rekening met de relevante grensoverschrijdende gevolgen en kenmerken.

Artikel 15

Officiële controles

1.   Uiterlijk op 2 januari 2016 beschikken de lidstaten over volledig functionerende structuren om de officiële controles uit te voeren die nodig zijn om te voorkomen dat voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten opzettelijk in de Unie worden geïntroduceerd. Deze officiële controles zijn van toepassing op de categorieën van goederen die vallen onder de codes van de gecombineerde nomenclatuur die in de op grond van artikel 4, lid 5, opgestelde Unielijst zijn vermeld.

2.   De bevoegde autoriteiten voeren de passende op risicobeoordeling gebaseerde controles uit op de in lid 1 bedoelde goederen, waarbij zij nagaan of die goederen:

a)

niet voorkomen op de Unielijst; of

b)

vallen onder een geldige vergunning als bedoeld in artikel 8.

3.   De in lid 2 van dit artikel vermelde controles, waarbij de documenten en de identiteit worden gecontroleerd en — zo nodig — een fysieke controle wordt uitgevoerd, vinden plaats bij het binnenbrengen in de Unie van de in lid 1 bedoelde goederen. Indien het recht van de Unie betreffende officiële controles reeds voor de in lid 1 bedoelde categorieën van goederen voorziet in specifieke officiële controles aan grenscontrole-entiteiten, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004 en Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG, of aan punten van binnenkomst, overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG, dragen de lidstaten de verantwoordelijkheid om de in lid 2 bedoelde controles uit te voeren over aan de bevoegde autoriteiten die zijn belast met de controle overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 882/2004 of de controle overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder g), van Richtlijn 2000/29/EG.

4.   De behandeling en opslag in vrije zones of vrije entrepots, het in het vrije verkeer brengen, de doorvoer, de opslag onder douaneverband, de behandeling onder douanetoezicht en de tijdelijke invoer van de in lid 1 bedoelde goederen vereist de aangifte bij de douaneautoriteiten door middel van de volgende documenten:

a)

het desbetreffende document van binnenkomst, op correcte wijze ingevuld door de in lid 3 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteiten, waaruit blijkt dat aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden is voldaan, indien de controles zijn uitgevoerd aan grenscontrole-entiteiten, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 882/2004, en de Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG, of aan punten van binnenkomst overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder j), van Richtlijn 2000/29/EG. De daarin aangegeven douaneprocedure wordt gevolgd; of

b)

indien de goederen volgens de wetgeving van de Unie niet aan officiële controles zijn onderworpen, andere documenten die staven dat de controles met gunstig resultaat zijn uitgevoerd en het daaruit volgende document van binnenkomst.

Deze documenten kunnen ook in elektronische vorm worden ingediend.

5.   Indien uit de controles blijkt dat deze verordening niet is nageleefd:

a)

schorsen de douaneautoriteiten de plaatsing onder een douaneregeling, of leggen zij beslag op de goederen;

b)

leggen de in lid 3 bedoelde bevoegde autoriteiten beslag op de goederen.

Wanneer op goederen beslag wordt gelegd, worden ze overgedragen aan de bevoegde autoriteit die belast is met de toepassing van deze verordening. Die autoriteit handelt overeenkomstig de nationale wetgeving. De lidstaten mogen specifieke functies delegeren aan andere autoriteiten.

6.   De tijdens de verificatie gemaakte kosten en de kosten die voortvloeien uit het niet naleven van de verordening, zijn ten laste van de natuurlijke of rechtspersoon uit de Unie die de goederen in de Unie heeft binnengebracht, tenzij de betrokken lidstaat anders bepaalt.

7.   De lidstaten zorgen voor procedures om de uitwisseling van relevante informatie te waarborgen en om de efficiënte en doeltreffende coördinatie en samenwerking tussen alle betrokken autoriteiten voor de in lid 2 vermelde verificaties te verzekeren.

8.   Op basis van goede praktijken ontwikkelt de Commissie samen met al de lidstaten richtsnoeren en opleidingsprogramma's om de identificatie en detectie van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, en het uitvoeren van efficiënte en doeltreffende controles, te vereenvoudigen.

9.   Indien overeenkomstig artikel 8 vergunningen zijn afgegeven, wordt in de douaneverklaring of in de toepasselijke kennisgevingen aan de grenscontrole-entiteit melding gemaakt van een geldige vergunning die de aangegeven goederen bestrijkt.

Artikel 16

Kennisgevingen van vroegtijdige detectie

1.   De lidstaten maken gebruik van het bij artikel 14 vastgestelde surveillancesysteem en de informatie die tijdens de in artikel 15 vermelde officiële controles is verzameld om de vroegtijdige detectie van de introductie of de aanwezigheid van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te bevestigen.

2.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld schriftelijk in kennis van de vroegtijdige detectie van de introductie of aanwezigheid van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten en informeren de andere lidstaten, in het bijzonder over:

a)

het voorkomen op hun grondgebied of een deel van hun grondgebied van soorten die zijn opgenomen op de Unielijst en waarvan voordien niet geweten was dat ze op hun grondgebied of een deel van hun grondgebied voorkwamen;

b)

het opnieuw voorkomen op hun grondgebied of een deel van hun grondgebied van soorten die zijn opgenomen in de Unielijst en waarvan eerder was gemeld dat ze waren uitgeroeid.

Artikel 17

Snelle uitroeiing in een vroeg stadium van invasie

1.   Na vroegtijdige detectie en uiterlijk drie maanden na het verzenden van de in artikel 16 vermelde kennisgeving van vroegtijdige detectie nemen de lidstaten uitroeiingsmaatregelen, stellen zij de Commissie in kennis van deze maatregelen en informeren zij de andere lidstaten.

2.   Bij het nemen van uitroeiingsmaatregelen zorgen de lidstaten ervoor dat de gebruikte methoden volstaan om de populatie van de betrokken invasieve uitheemse soort volledig en permanent te verwijderen, waarbij op gepaste wijze met de menselijke gezondheid en het milieu rekening wordt gehouden, in het bijzonder niet-doelsoorten en hun habitats, en ervoor wordt gezorgd dat dieren vermijdbare pijn, stress of lijden wordt bespaard.

3.   De lidstaten monitoren de doeltreffendheid van de uitroeiing. De lidstaten kunnen hiertoe gebruik maken van het in artikel 14 bedoelde surveillancesysteem. In het kader van de monitoring worden in voorkomend geval ook de gevolgen voor niet-doelsoorten beoordeeld.

4.   De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van de doeltreffendheid van de genomen maatregelen en stellen haar ervan in kennis wanneer een populatie van een voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soort uitgeroeid is. Zij verstrekken deze informatie tevens aan andere lidstaten.

Artikel 18

Afwijkingen van de verplichting tot snelle uitroeiing

1.   Binnen twee maanden na de in artikel 16 bedoelde detectie van een invasieve uitheemse soort, kan een lidstaat op basis van degelijk wetenschappelijk bewijs besluiten geen uitroeiingsmaatregelen uit te voeren indien aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er is aangetoond dat de uitroeiing technisch niet uitvoerbaar is omdat de beschikbare uitroeiingsmethoden niet kunnen worden toegepast in het milieu waar de invasieve uitheemse soort zich heeft gevestigd;

b)

uit een kosten-batenanalyse op basis van de beschikbare gegevens blijkt met redelijke zekerheid dat de kosten, op de lange termijn, uitzonderlijk hoog zullen zijn en niet in verhouding staan tot de voordelen van de uitroeiing;

c)

er zijn geen uitroeiingsmethoden beschikbaar of de beschikbare methoden hebben zeer ernstige nadelige gevolgen voor de menselijke gezondheid, het milieu of andere soorten.

De betrokken lidstaat stelt de Commissie onverwijld schriftelijk van zijn besluit in kennis. De kennisgeving gaat vergezeld van alle onder a), b) en c) van de eerste alinea vermeld bewijsmateriaal.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen beslissen om het besluit waarvan overeenkomstig de tweede alinea van lid 1 kennis is gegeven, te verwerpen, indien aan de in dat lid vastgelegde voorwaarden niet is voldaan.

3.   Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De ontwerpuitvoeringshandelingen worden binnen twee maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving van de lidstaat aan het in artikel 27, lid 1, bedoelde comité voorgelegd.

4.   Indien er in overeenstemming met lid 1 geen uitroeiingsmaatregelen worden uitgevoerd, zorgen de lidstaten ervoor dat indammingsmaatregelen worden genomen om te voorkomen dat de invasieve uitheemse soort zich naar andere lidstaten verspreidt.

5.   Indien de Commissie een overeenkomstig de tweede alinea van lid 1 van dit artikel ter kennis gebracht besluit verwerpt, voert de betrokken lidstaat de in artikel 17 bedoelde uitroeiingsmaatregelen onverwijld uit.

6.   Indien de Commissie een overeenkomstig de tweede alinea van lid 1 van dit artikel ter kennis gebracht besluit niet verwerpt, wordt de invasieve uitheemse soort onderworpen aan de in artikel 19 bedoelde beheersmaatregelen.

HOOFDSTUK IV

BEHEER VAN WIJDVERSPREIDE INVASIEVE UITHEEMSE SOORTEN

Artikel 19

Beheersmaatregelen

1.   Binnen 18 maanden nadat een invasieve uitheemse soort in de Unielijst is opgenomen beschikken de lidstaten over doeltreffende beheersmaatregelen voor de voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten waarvan de lidstaten hebben vastgesteld dat ze wijdverspreid zijn op hun grondgebied, zodat de gevolgen ervan voor de biodiversiteit, de aanverwante ecosysteemdiensten en, in voorkomend geval, de menselijke gezondheid of de economie tot een minimum worden beperkt.

Deze beheersmaatregelen zijn evenredig met de gevolgen voor het milieu en afgestemd op de specifieke omstandigheden van de lidstaten, zijn gebaseerd op een kosten-batenanalyse en omvatten tevens, voor zover haalbaar, de in artikel 20 bedoelde herstelmaatregelen. Zij worden op basis van de risico-evaluatie en hun kosteneffectiviteit naar prioriteit gerangschikt.

2.   De beheersmaatregelen bestaan uit dodelijke of niet-dodelijke fysieke, chemische of biologische maatregelen om een populatie van een invasieve uitheemse soort uit te roeien, te beheersen of in te dammen. De beheersmaatregelen omvatten, waar passend, maatregelen om de veerkracht van het ontvangende ecosysteem ten aanzien van bestaande en toekomstige invasies te versterken. Het commercieel gebruik van reeds gevestigde invasieve uitheemse soorten kan, indien strikt gemotiveerd, tijdelijk worden toegestaan als onderdeel van de beheersmaatregelen die zijn gericht op de uitroeiing, populatiebeheersing of indamming ervan, op voorwaarde dat alle passende controles aanwezig zijn om verdere verspreiding te vermijden.

3.   Bij de toepassing van beheersmaatregelen en het selecteren van de gebruikte methoden houden de lidstaten voldoende rekening met de menselijke gezondheid en het milieu, in het bijzonder niet-doelsoorten en hun habitats, en dat wanneer de maatregelen op dieren gericht zijn, deze dieren alle vermijdbare pijn, angst, en lijden wordt bespaard, zonder de doeltreffendheid van de beheersmaatregelen in gevaar te brengen.

4.   Het in artikel 14 bedoelde surveillancesysteem wordt ontworpen en gebruikt om de effectiviteit van de maatregelen op het gebied van uitroeiing, populatiebeheersing of indamming om de gevolgen voor de biodiversiteit, de aanverwante ecosysteemdiensten en, indien van toepassing, de menselijke gezondheid of de economie tot een minimum te beperken, te monitoren. In het kader van de monitoring worden in voorkomend geval ook de gevolgen beoordeeld voor niet-doelsoorten.

5.   Wanneer er een aanzienlijk risico is dat een voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soort zich zal verspreiden naar een andere lidstaat, stellen de lidstaten waar deze soort aanwezig is, de overige lidstaten en de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis. De betrokken lidstaten stellen zo nodig gezamenlijk overeengekomen beheersmaatregelen vast. Wanneer er ook verspreidingsgevaar naar derde landen bestaat, streeft de betrokken lidstaat ernaar de betrokken derde landen te informeren.

Artikel 20

Herstel van de beschadigde ecosystemen

1.   De lidstaten nemen passende herstelmaatregelen om het herstel van een door voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten aangetast, beschadigd of vernietigd ecosysteem te bevorderen, tenzij uit een kosten-batenanalyse op basis van de beschikbare gegevens met redelijke zekerheid blijkt dat de kosten van die maatregelen hoog zullen zijn en niet in verhouding staan tot de voordelen van herstel.

2.   De in lid 1 vermelde herstelmaatregelen omvatten in ieder geval:

a)

maatregelen om een verstoord ecosysteem beter in staat te stellen de gevolgen van verstoringen door de aanwezigheid van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten het hoofd te bieden, te absorberen, zich eraan aan te passen of ervan te herstellen;

b)

maatregelen om de preventie van een nieuwe invasie na een uitroeiingscampagne te ondersteunen.

HOOFDSTUK V

HORIZONTALE BEPALINGEN

Artikel 21

Terugvordering van kosten

Overeenkomstig het beginsel de vervuiler betaalt en onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (23), streven de lidstaten ernaar de kosten terug te vorderen van de maatregelen die nodig zijn om de negatieve gevolgen van invasieve uitheemse soorten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen, inclusief kosten voor het milieu en hulpbronnen en herstelkosten.

Artikel 22

Samenwerking en coördinatie

1.   Bij het naleven van hun verplichtingen op grond van deze verordening stellen de lidstaten alles in het werk om een nauwe coördinatie met alle betrokken lidstaten te waarborgen en maken zij, voor zover passend en uitvoerbaar, gebruik van bestaande structuren die in het kader van regionale en internationale overeenkomsten gevormd zijn. De betrokken lidstaten streven in het bijzonder naar coördinatie met andere lidstaten waarmee zij:

a)

mariene subregio's als bedoeld in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2008/56/EG delen, wat mariene soorten betreft;

b)

biogeografische subregio's als bedoeld in artikel 1, onder c), punt iii), van Richtlijn 92/43/EEG delen, wat niet-mariene soorten betreft;

c)

grenzen delen;

d)

een stroomgebied als bedoeld in artikel 2, punt 13, van Richtlijn 2000/60/EG delen, wat zoetwatersoorten betreft; of

e)

enig ander belang gemeen hebben.

Op verzoek van de betrokken lidstaat faciliteert de Commissie deze coördinatie.

2.   Bij het naleven van hun verplichtingen op grond van deze verordening streven de lidstaten, waar passend, naar samenwerking met derde landen, onder meer door gebruik te maken van bestaande structuren die in het kader van regionale of internationale overeenkomsten gevormd zijn, teneinde de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.

3.   De lidstaten kunnen ook bepalingen zoals deze van onder meer lid 1 van dit artikel toepassen met het oog op coördinatie en samenwerking met andere betrokken lidstaten voor wat betreft voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten die vermeld staan op een overeenkomstig artikel 12, lid 1, vastgestelde nationale lijst. Voor deze invasieve uitheemse soorten kunnen de lidstaten ook op het passende niveau samenwerkingsmechanismen vaststellen. Deze mechanismen kunnen de uitwisseling van informatie en gegevens bevatten, actieplannen in verband met introductieroutes en de uitwisseling van goede praktijken inzake beheer, beheersing en uitroeiing van invasieve uitheemse soorten, alsook systemen voor vroegtijdige waarschuwing en bewustmakings- en voorlichtingsprogramma's.

Artikel 23

Strengere nationale regels

De lidstaten kunnen strengere nationale regels behouden of vaststellen om de introductie, de vestiging en de verspreiding van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten te voorkomen. Die maatregelen zijn verenigbaar met het VWEU en worden overeenkomstig het recht van de Unie aan de Commissie ter kennis gebracht.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Rapportering en herziening

1.   Uiterlijk op 1 juni 2019, en daarna elke zes jaar bezorgen de lidstaten de Commissie door hen geactualiseerde informatie over het volgende:

a)

een beschrijving, of een geactualiseerde versie daarvan, van het overeenkomstig artikel 14 vastgestelde surveillancesysteem en van het overeenkomstig artikel 15 vastgestelde systeem voor officiële controles op uitheemse soorten die de Unie binnenkomen;

b)

de verspreiding van voor de Unie of voor een regio, overeenkomstig artikel 11, lid 2, zorgwekkende invasieve uitheemse soorten op hun grondgebied, met inbegrip van informatie over migratie- of voortplantingspatronen;

c)

informatie over de soorten die overeenkomstig artikel 12, lid 2, worden beschouwd als voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten;

d)

de actieplannen bedoeld in artikel 13, lid 2;

e)

geaggregeerde informatie voor het gehele nationale grondgebied over de overeenkomstig artikel 17 genomen uitroeiingsmaatregelen, de overeenkomstig artikel 19 uitgevoerde beheersmaatregelen, de doeltreffendheid ervan en de gevolgen ervan voor niet-doelsoorten;

f)

het aantal in artikel 8 bedoelde vergunningen en de reden waarom die zijn verleend;

g)

de maatregelen die zijn genomen om het publiek te informeren over de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten en andere acties die de burgers verzocht wordt te ondernemen;

h)

de krachtens artikel 8, lid 8, vereiste inspecties; en

i)

indien beschikbaar, informatie over de kostprijs van de maatregelen die zijn genomen om aan deze verordening te voldoen.

2.   Uiterlijk op 5 november 2015 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van en informeren zij de andere lidstaten over de bevoegde autoriteiten die met de toepassing van deze verordening zijn belast.

3.   Uiterlijk op 1 juni 2021 beoordeelt de Commissie de toepassing van deze verordening, met inbegrip van de Unielijst, de in artikel 13, lid 2, vermelde actieplannen, het surveillancesysteem, de douanecontroles, de uitroeiingsverplichting en de beheersverplichtingen en bezorgt zij het Europees Parlement en de Raad een verslag, dat vergezeld kan gaan van wetgevingsvoorstellen voor de wijziging van deze verordening, met inbegrip van wijzigingen aan de Unielijst. Bij die herziening wordt ook onderzocht of de uitvoeringsbepalingen inzake voor een regio zorgwekkende invasieve uitheemse soorten doeltreffend zijn, of het noodzakelijk en haalbaar is in de Unie inheemse soorten op te nemen in de Unielijst, en of verdere harmonisatie nodig is om de doeltreffendheid van de actieplannen en maatregelen van de lidstaten te verhogen.

4.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de technische rapporteringsformats vast teneinde de rapporteringsverplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in lid 1 genoemde informatie te vereenvoudigen en te stroomlijnen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 25

Informatieondersteuningssysteem

1.   De Commissie zet geleidelijk een informatieondersteuningssysteem op dat nodig is om de toepassing van deze verordening te vergemakkelijken.

2.   Dat systeem omvat uiterlijk op 2 januari 2016 een gegevensondersteuningsmechanisme dat bestaande gegevenssystemen over invasieve uitheemse soorten aan elkaar koppelt, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan informatie over voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, zodat de in artikel 24 bedoelde rapportering kan worden vergemakkelijkt.

Het in de eerste alinea bedoelde gegevensondersteuningsmechanisme wordt een hulpmiddel voor de Commissie en de lidstaten bij het verwerken van de relevante kennisgevingen die door artikel 16, lid 2, vereist worden.

3.   Uiterlijk op 2 januari 2019 wordt het in lid 2 vermelde gegevensondersteuningsmechanisme een mechanisme voor de uitwisseling van informatie over andere aspecten van de toepassing van deze verordening.

Het kan ook informatie bevatten over voor een lidstaat zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, en over introductieroutes, risicobeoordeling en beheer- en uitroeiingsmaatregelen, indien beschikbaar.

Artikel 26

Participatie van het publiek

Wanneer actieplannen op grond van artikel 13 worden opgesteld en beheersmaatregelen op grond van artikel 19, worden vastgesteld, zorgen de lidstaten ervoor dat het publiek tijdig en daadwerkelijk kan deelnemen aan de voorbereiding, wijziging of herziening ervan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de regelingen die reeds door de lidstaten zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2003/35/EG.

Artikel 27

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011, dat in zijn taken kan worden bijgestaan door het in artikel 28 bedoelde wetenschappelijk forum.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Indien het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 28

Wetenschappelijk forum

De Commissie verzekert de deelname van door de lidstaten aangewezen vertegenwoordigers van de wetenschappelijke wereld aan het verstrekken van advies over wetenschappelijke vraagstukken in verband met de toepassing van deze verordening, in het bijzonder wat betreft de artikelen 4, 5, 10 en 18. Die vertegenwoordigers komen bijeen in een wetenschappelijk forum. Het reglement van orde van dit forum wordt door de Commissie opgesteld.

Artikel 29

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 1 januari 2015. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de periode van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikel 5, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 5, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 30

Sancties

1.   De lidstaten stellen de bepalingen vast betreffende sancties die van toepassing zijn bij inbreuken op deze verordening. De lidstaten nemen alle vereiste handhavingsmaatregelen.

2.   De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

3.   De vastgestelde sancties kunnen onder meer omvatten:

a)

boetes;

b)

inbeslagname van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten die niet aan de voorschriften voldoen;

c)

onmiddellijke schorsing of intrekking van een overeenkomstig artikel 8 verleende vergunning.

4.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 2 januari 2016 in kennis van de in lid 1 bedoelde bepalingen en delen haar eventuele latere wijzigingen onverwijld mee.

Artikel 31

Overgangsbepalingen voor niet-commerciële eigenaren

1.   In afwijking van artikel 7, lid 1, onder b) en d), mogen eigenaren van gezelschapsdieren die niet worden gehouden voor commerciële doeleinden en die behoren tot de invasieve uitheemse soorten die zijn opgenomen in de Unielijst, deze dieren houden tot de natuurlijke dood ervan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de dieren werden al gehouden voor zij werden opgenomen in de Unielijst;

b)

de dieren worden in een gesloten omgeving gehouden en alle passende maatregelen zijn genomen om voortplanting of ontsnapping onmogelijk te maken.

2.   De bevoegde autoriteiten ondernemen alle stappen die redelijkerwijs van hen kunnen worden verlangd om door middel van bewustmaking en door de lidstaten georganiseerde opleidingsprogramma's niet-commerciële eigenaren te informeren over de risico's die het houden van de in lid 1 vermelde dieren meebrengt, en over de maatregelen die moeten worden genomen om het risico op voortplanting en ontsnapping tot een minimum te beperken.

3.   Niet-commerciële eigenaren die niet aan de voorwaarden van lid 1 kunnen voldoen, mogen de betrokken dieren niet langer bij zich houden. De lidstaten kunnen hun de mogelijkheid bieden dat de dieren bij hun weggehaald worden. In dat geval wordt de nodige aandacht aan het dierenwelzijn besteed.

4.   De dieren als vermeld in lid 3 kunnen worden gehouden in instellingen als vermeld in artikel 8 of in voorzieningen die met dat doel door de lidstaten zijn opgezet.

Artikel 32

Overgangsbepalingen voor commerciële voorraden

1.   Houders van een commerciële voorraad exemplaren van invasieve uitheemse soorten die zijn verworven voor zij werden opgenomen in de Unielijst, mogen die exemplaren tot maximaal twee jaar na het opnemen van de soort op die lijst houden en vervoeren voor verkoop of overdracht van levende exemplaren of reproduceerbare delen van deze soorten aan de in artikel 8 bedoelde instellingen voor onderzoek of bewaring ex situ, en voor geneeskundige activiteiten, mits de exemplaren in een gesloten omgeving gehouden en vervoerd worden en alle passende maatregelen zijn genomen om voortplanting of ontsnapping te voorkomen, of mogen die exemplaren slachten of op humane wijze doden ter uitputting van de voorraad.

2.   De verkoop of overdracht van levende exemplaren aan niet-commerciële gebruikers is toegestaan tot één jaar nadat de soorten werden opgenomen in de Unielijst, mits de exemplaren in een gesloten omgeving gehouden en vervoerd worden en alle passende maatregelen zijn genomen om voortplanting of ontsnapping onmogelijk te maken.

3.   Indien overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 708/2007 een vergunning is verleend voor een aquacultuursoort die daarna wordt opgenomen in de Unielijst, en de geldigheidsduur van die vergunning de in lid 1 van dit artikel vermelde periode overschrijdt, trekt de lidstaat overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 708/2007 de vergunning na afloop van de in lid 1 van dit artikel vermelde periode in.

Artikel 33

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

B. DELLA VEDOVA


(1)  PB C 177 van 11.6.2014, blz. 84.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 29 september 2014.

(3)  Besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1).

(4)  Besluit 82/72/EEG van de Raad van 3 december 1981 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa (PB L 38 van 10.2.1982, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(7)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(8)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(9)  Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1).

(11)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur (PB L 168 van 28.6.2007, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1).

(15)  Besluit 2010/718/EU van de Europese Raad van 29 oktober 2010 tot wijziging van de status van het eiland Saint-Barthélemy ten aanzien van de Europese Unie (PB L 325 van 9.12.2010, blz. 4).

(16)  Besluit 2012/419/EU van de Europese Raad van 11 juli 2012 tot wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie (PB L 204 van 31.7.2012, blz. 131).

(17)  Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).

(18)  Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56).

(19)  Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9).

(20)  Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).

(21)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(22)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(23)  Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56).


4.11.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/56


VERORDENING (EU) Nr. 1144/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 oktober 2014

inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties betreffende landbouwproducten uitgevoerd op de interne markt en in derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad (4) kan de Unie op de interne markt en in derde landen voorlichtings- en afzetbevorderingsacties uitvoeren voor landbouwproducten en de wijze waarop deze worden geproduceerd, alsook voor bepaalde levensmiddelen op basis van landbouwproducten.

(2)

Rekening houdend met de opgedane ervaring enerzijds en met de te verwachten ontwikkelingen in de landbouwsector en op de markten binnen en buiten de Unie anderzijds, dient de bij Verordening (EG) nr. 3/2008 vastgestelde regeling te worden herzien en doeltreffender en coherenter worden gemaakt. Verordening (EG) nr. 3/2008 dient derhalve te worden ingetrokken en door een nieuwe verordening te worden vervangen.

(3)

Het doel van dergelijke voorlichtings- en afzetbevorderingsacties is het concurrentievermogen van de landbouwsector in de Unie te vergroten en de mededinging zowel op de interne markt als in derde landen eerlijker te maken. Meer bepaald moeten de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de interne markt en in derde landen tot doel hebben de consumenten meer bewust te maken van de voordelen van landbouwproducten en -productiemethoden van de Unie en voor meer bekendheid en erkenning van de kwaliteitsregelingen van de Unie zorgen. Daarnaast moeten zij leiden tot verbetering van de concurrentiepositie en verhoging van de consumptie van landbouwproducten van de Unie, het profiel van die producten zowel binnen als buiten de Unie verhogen en het marktaandeel ervan vergroten, met speciale aandacht voor de markten in derde landen die het grootste groeipotentieel bieden. In geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen, moeten deze maatregelen de normale marktomstandigheden helpen herstellen. Die voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moeten een nuttige aanvulling op en versterking van de door de lidstaten uitgevoerde acties vormen. Teneinde hun doelstellingen te kunnen bereiken, moeten de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zowel binnen als buiten de Unie worden uitgevoerd.

(4)

De acties moeten ook tot doel hebben de authenticiteit van producten van de Unie te valoriseren met als doel de kennis van de consumenten over de eigenschappen van authentieke producten, in tegenstelling tot imitatie- en namaakproducten, te verbeteren, hetgeen in aanzienlijke mate zou bijdragen tot de kennis in de Unie en in derde landen over symbolen, vermeldingen en afkortingen die wijzen op deelname aan Europese, bij Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (5) vastgestelde kwaliteitsregelingen.

(5)

Tot de sterke punten van de Unie op het gebied van voedselproductie behoren de diversiteit van haar producten en de specifieke kenmerken ervan die met verschillende geografische gebieden en verschillende traditionele methoden verbonden zijn en unieke smaken bieden, met de verscheidenheid en authenticiteit waarnaar de consument steeds vaker op zoek is, zowel binnen als buiten de Unie.

(6)

Naast het geven van voorlichting over de intrinsieke kenmerken van de landbouwproducten en levensmiddelen van de Unie, kunnen de subsidiabele acties ook consumentvriendelijke boodschappen overbrengen, waarbij onder meer de nadruk wordt gelegd op voedingswaarde, smaak, traditie, diversiteit en cultuur.

(7)

De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties mogen niet afgestemd zijn op merken of oorsprongsgericht zijn. Om de kwaliteit en de doeltreffendheid van productdemonstraties, proeverijen en voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal te vergroten, moet het echter mogelijk zijn het handelsmerk en de oorsprong van een product te vermelden, op voorwaarde dat het non-discriminatiebeginsel geëerbiedigd wordt en de acties niet tot doel hebben de consumptie van een product uitsluitend vanwege de oorsprong ervan te stimuleren. Voorts dienen die acties te stroken met de algemene beginselen van het Unierecht en mogen zij niet leiden tot beperkingen van het vrije verkeer van landbouwproducten en levensmiddelen, die indruisen tegen artikel 34 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Er moeten specifieke regels worden vastgesteld met betrekking tot de zichtbaarheid van merknamen en oorsprongsvermeldingen in de hoofdboodschap van de Unie in het kader van een campagne.

(8)

De Unie voert hoofdzakelijk afgewerkte landbouwproducten uit, waaronder landbouwproducten die niet onder bijlage I bij het VWEU vallen. De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moeten bijgevolg ook worden opengesteld voor bepaalde producten die niet onder bijlage I bij het VWEU vallen. Dat zou stroken met de andere regelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), zoals de Europese kwaliteitsregelingen, die reeds voor deze producten zijn opengesteld.

(9)

De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties van de Unie met betrekking tot wijnen waarin het GLB voorziet, vertegenwoordigen een van de kernmaatregelen van de steunprogramma’s in de wijnbouwsector. Wat wijn betreft, mag alleen wijn met een oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding en wijn met aanduiding van het gebruikte druivenras in aanmerking komen voor de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties. In het geval van monoprogramma’s moet het desbetreffende programma ook betrekking hebben op een ander landbouwproduct of levensmiddel. Evenzo voorziet Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6) in de bevordering van de visserij- en aquacultuurproducten. Bijgevolg mogen visserij- en aquacultuurproducten die in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) zijn opgenomen alleen in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties in het kader van deze regeling indien zij verband houden met een ander landbouwproduct of levensmiddel.

(10)

Producten die onder de kwaliteitsregelingen van de Unie en onder door lidstaten erkende kwaliteitsregelingen vallen, moeten in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties, aangezien dergelijke regelingen de consument waarborgen bieden inzake de kwaliteit en de kenmerken van het product of het productieproces, meerwaarde opleveren voor de betrokken producten en hun marktkansen vergroten. Biologische productiemethoden en het logo voor kwaliteitsproducten van de landbouw die specifiek zijn voor de ultraperifere gebieden moeten eveneens in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties.

(11)

In de periode van 2001 tot 2011 was slechts 30 % van de middelen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties bestemd voor markten in derde landen, terwijl die markten een belangrijk groeipotentieel bieden. Er dienen regelingen te worden vastgesteld om de uitvoering van een groter aantal voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten van de Unie in derde landen te bevorderen, met name via het verlenen van een versterkte financiële ondersteuning.

(12)

Om te garanderen dat de uitgevoerde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties doeltreffend zijn, moeten deze in het kader van voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s worden geplaatst. Dergelijke programma’s werden tot dusverre ingediend door beroeps- en/of brancheorganisaties. Om het aantal voorgestelde acties te verhogen en de kwaliteit ervan te verbeteren, moeten ook producentenorganisaties en unies daarvan, groeperingen en instanties van de agrovoedingssector die tot doel hebben voorlichting te verstrekken en landbouwproducten te promoten, toegang krijgen tot deze programma’s.

(13)

De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties die door de Unie worden gecofinancierd, moeten een specifieke Uniedimensie hebben. Daarom en om een versnippering van middelen te vermijden en de zichtbaarheid van Europa via deze voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen te vergroten, dient een werkprogramma te worden vastgesteld waarin de strategische prioriteiten van deze acties op het vlak van beoogde doelgroepen, producten, regelingen of markten zijn bepaald, alsook de kenmerken van de voorlichtings- en afzetbevorderingsboodschappen. Bij het ontwerpen van het programma moet worden uitgegaan van de algemene en specifieke doelstellingen van deze verordening en moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden die zich aandienen op de markten en met de noodzaak om de door de lidstaten en de marktdeelnemers uitgevoerde acties aan te vullen en te versterken, zowel op de interne markt als in derde landen, teneinde een coherent afzetbevorderings- en voorlichtingsbeleid te waarborgen. Daarom moet de Commissie bij het ontwerpen van dat programma de lidstaten en de relevante belanghebbenden raadplegen.

(14)

Het werkprogramma moet onder meer voorzien in specifieke afspraken over de wijze waarop op ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen moet worden gereageerd. Daarnaast moet de Commissie in het bijzonder rekening houden met de vooraanstaande plaats die kmo’s innemen in de agrovoedingssector, met de sectoren waarvoor uitzonderingsmaatregelen gelden ingevolge de artikelen 219, 220 en 221 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) en, voor op derde landen gerichte acties, met de vrijhandelsovereenkomsten die onder het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Unie vallen. Bij het ontwerpen van dat programma dient de Commissie ook rekening te houden met de handicaps van berggebieden, eilanden en ultraperifere gebieden van de Unie.

(15)

Om ervoor te zorgen dat de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties doeltreffend worden uitgevoerd, moet de uitvoering ervan via een vergelijkende procedure aan uitvoeringsinstanties worden toevertrouwd. In gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is, moeten indienende organisaties echter de mogelijkheid hebben om rechtstreeks bepaalde delen van hun programma uit te voeren.

(16)

De Commissie moet op eigen initiatief voorlichtings- en afzetbevorderingsacties kunnen uitvoeren, onder meer in de vorm van missies op hoog niveau, in het bijzonder om bij te dragen aan het aanboren van nieuwe markten. Ook moet de Commissie eigen campagnes kunnen voeren om snel en doeltreffend te kunnen optreden in geval van ernstige marktverstoringen of verlies van vertrouwen bij de consument. De Commissie moet indien nodig de planning van haar eigen initiatieven herzien om dergelijke campagnes ten uitvoer te leggen. De toegewezen kredieten voor lopende mono- of multiprogramma’s op het gebied van voorlichting en afzetbevordering moeten niet worden verlaagd wanneer de Commissie in zo’n gevallen actie onderneemt.

(17)

Naast voorlichtings- en afzetbevorderingsacties moet de Commissie ook technische ondersteuningsdiensten op Unieniveau ontwikkelen en coördineren om de marktdeelnemers te helpen bij hun deelname aan gecofinancierde programma’s, de verwezenlijking van doeltreffende campagnes en de ontwikkeling van exportactiviteiten. Deze diensten moeten in het bijzonder bestaan in het opstellen van richtsnoeren om potentiële begunstigden te helpen aan de aan dit beleid verbonden regels en procedures te voldoen.

(18)

De inspanningen met betrekking tot de afzetbevordering van producten uit de Unie op de markten van derde landen worden soms geschaad door de concurrentie van imitatie- en namaakproducten. De door de Commissie ontwikkelde technische ondersteuningsdiensten moeten ook bestaan uit het adviseren van de sector over de bescherming van producten van de Unie tegen imitatie en vervalsing.

(19)

Vereenvoudiging van de regelgeving van het GLB is een belangrijke prioriteit voor de Unie. Deze benadering dient eveneens te worden toegepast voor deze verordening. In het bijzonder moeten de beginselen inzake het administratief beheer van voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s worden herzien met als doel deze beginselen te vereenvoudigen en de Commissie in staat te stellen de regels en procedures voor de indiening, evaluatie en selectie van programmavoorstellen vast te stellen. De Commissie dient er evenwel voor te zorgen dat de lidstaten tijdig informatie ontvangen over alle voorgestelde en geselecteerde programma’s. Die informatie moet met name betrekking hebben op het aantal ontvangen voorstellen, de betrokken lidstaten en sectoren en het resultaat van de evaluatie van die voorstellen.

(20)

De samenwerking tussen marktdeelnemers uit verschillende lidstaten draagt er in grote mate toe bij dat de meerwaarde van de Unie toeneemt en dat de diversiteit van de landbouwproducten van de Unie sterker wordt benadrukt. Hoewel voorrang werd verleend aan programma’s die gezamenlijk door indienende organisaties uit verschillende lidstaten zijn ontwikkeld, waren deze programma’s in de periode 2001-2011 goed voor slechts 16 % van de begroting voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties. Bijgevolg moeten met name betreffende het beheer van multiprogramma’s nieuwe bepalingen worden vastgesteld om de huidige moeilijkheden bij de uitvoering daarvan het hoofd te bieden.

(21)

Er moeten voorschriften voor de financiering van de acties worden vastgesteld. Als algemene regel geldt dat de financiering van de programma’s slechts gedeeltelijk ten laste van de Unie zou mogen vallen, om te waarborgen dat de betrokken indienende organisaties hun deel van de verantwoordelijkheid dragen. Bepaalde administratie- en personeelskosten, die geen verband houden met de uitvoering van het GLB, maken echter integrerend deel uit van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties en moeten dus in aanmerking kunnen komen voor financiering door de Unie.

(22)

Elke maatregel dient te worden gemonitord en geëvalueerd om de kwaliteit ervan te verbeteren en de resultaten ervan aan te tonen. In dit verband dient een lijst van indicatoren te worden vastgesteld en dient het effect van het afzetbevorderingsbeleid te worden getoetst aan de strategische doelstellingen. De Commissie dient een monitoring- en evaluatiekader voor dat beleid vast te stellen dat in overeenstemming is met het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader van het GLB.

(23)

Teneinde bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen. Deze bevoegdheidsdelegatie moet betrekking hebben op de aanvulling van de lijst in bijlage I bij deze verordening, de subsidiabiliteitscriteria voor de indienende organisaties, de voorwaarden voor de vergelijkende procedure voor de selectie van uitvoeringsinstanties, de specifieke voorwaarden voor de subsidiabiliteit van monoprogramma’s, de kosten van voorlichtings- en afzetbevorderingsacties en administratie- en personeelskosten en bepalingen die de overgang van Verordening (EG) nr. 3/2008 naar deze verordening faciliteren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(24)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om uitvoeringshandelingen vast te stellen met betrekking tot nadere regels inzake de zichtbaarheid van handelsmerken bij productdemonstraties of proeverijen en op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal en de zichtbaarheid van de oorsprong van producten op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal, de jaarlijkse werkprogramma’s, de selectie van monoprogramma’s, nadere regels op basis waarvan het een indienende organisatie kan worden toegestaan bepaalde delen van een monoprogramma zelf uit te voeren, de uitvoeringsregelingen, monitoring en controle van monoprogramma’s, de regels betreffende het sluiten van contracten in verband met de uitvoering van monoprogramma’s die zijn geselecteerd uit hoofde van deze verordening, en het gemeenschappelijk kader voor de effectbeoordeling van de programma’s en een specifiek indicatorsysteem. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(25)

Daar, gezien het verband tussen het afzetbevorderingsbeleid en de andere GLB-instrumenten en vanwege de meerjarige garantie van financiering door de Unie en de gerichtheid van die financiering op duidelijk afgelijnde prioriteiten, de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, doch beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt de voorwaarden vast waaronder de Unie middelen uit haar begroting kan gebruiken voor de volledige of gedeeltelijke financiering van op de interne markt of in derde landen uitgevoerde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties met betrekking tot landbouwproducten en bepaalde op basis van landbouwproducten geproduceerde levensmiddelen („voorlichtings- en afzetbevorderingsacties”).

Artikel 2

Algemene en specifieke doelstellingen van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties

1.   De algemene doelstelling van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties is het versterken van het concurrentievermogen van de landbouwsector van de Unie.

2.   De specifieke doelstellingen van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zijn:

a)

meer bekendheid geven aan de voordelen van de landbouwproducten van de Unie en de hoge normen die aan de productiemethoden in de Unie worden gesteld;

b)

het concurrentievermogen en de consumptie van landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen uit de Unie vergroten en het profiel ervan zowel binnen als buiten de Unie verhogen;

c)

de bekendheid met en erkenning van kwaliteitsregelingen van de Unie verhogen;

d)

het marktaandeel van landbouwproducten en bepaalde levensmiddelen uit de Unie vergroten, met specifieke aandacht voor de markten in derde landen die het grootste groeipotentieel bieden;

e)

de normale marktomstandigheden herstellen in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen.

Artikel 3

Beschrijving van de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties

De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties hebben tot doel:

a)

de aandacht te vestigen op de specifieke kenmerken van de landbouwproductiemethoden van de Unie uit het oogpunt van met name voedselveiligheid, traceerbaarheid, authenticiteit, etikettering, aspecten betreffende voedingswaarde en gezondheid, dierenwelzijn, milieuzorg en duurzaamheid en op de kenmerken van landbouwproducten en levensmiddelen, met name uit het oogpunt van hun kwaliteit, smaak, verscheidenheid of tradities;

b)

meer bekendheid te geven aan de authenticiteit van Europese beschermde oorsprongsbenamingen, beschermde geografische aanduidingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten.

Deze acties bestaan in het bijzonder uit PR-activiteiten en voorlichtingscampagnes en kunnen de vorm aannemen van deelname aan evenementen, beurzen en tentoonstellingen van nationaal, Europees of internationaal belang.

Artikel 4

Kenmerken van de acties

1.   De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zijn niet afgestemd op handelsmerken. De handelsmerken mogen evenwel zichtbaar zijn bij productdemonstraties of proeverijen en op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal, op voorwaarde dat het non-discriminatiebeginsel geëerbiedigd wordt en dat het algemene beginsel van de niet op handelsmerken afgestemde aard van de acties blijft gelden. Het non-discriminatiebeginsel houdt in dat gelijke behandeling en toegang voor alle merken van de indienende organisaties en gelijke behandeling van alle lidstaten gewaarborgd wordt. Elk merk is even zichtbaar en voor de grafische presentatie ervan wordt een kleiner formaat gebruikt dan voor de hoofdboodschap van de Unie voor de campagne. Er worden meerdere merken getoond, behalve in naar behoren gerechtvaardigde gevallen die verband houden met de specifieke situatie van de betrokken lidstaat.

2.   De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties zijn niet oorsprongsgericht. De acties hebben niet tot doel de consumptie van een product te stimuleren uitsluitend wegens de oorsprong ervan. De oorsprong van producten kan evenwel zichtbaar zijn op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal overeenkomstig de volgende regels:

a)

op de interne markt moet de vermelding van de oorsprong altijd ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap van de Unie voor de campagne;

b)

in derde landen mag de vermelding van de oorsprong op hetzelfde niveau staan als de hoofdboodschap van de Unie voor de campagne;

c)

voor producten die krachtens de in artikel 5, lid 4, onder a), bedoelde kwaliteitsregelingen zijn erkend, mag de oorsprong zoals die in de benaming is geregistreerd zonder beperkingen worden genoemd.

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen nadere regels vast voor:

a)

de zichtbaarheid van handelsmerken bij demonstraties of proeverijen of op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal als bedoeld in lid 1, alsook de eenvormige voorwaarden waaronder een afzonderlijk merk mag worden getoond; en

b)

de zichtbaarheid van de oorsprong van producten op voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal als bedoeld in lid 2.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 5

In aanmerking komende producten en regelingen

1.   Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties kunnen op de volgende producten betrekking hebben:

a)

de producten vermeld in bijlage I bij het VWEU, met uitzondering van tabak;

b)

de producten vermeld in bijlage I bij deze verordening;

c)

gedistilleerde dranken met een uit hoofde van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (10) beschermde geografische aanduiding.

2.   Teneinde met marktontwikkelingen rekening te houden, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de lijst in bijlage I bij deze verordening door levensmiddelen aan die lijst toe te voegen.

3.   Onverminderd lid 1:

a)

kunnen voorlichtings- en afzetbevorderingsacties alleen op wijn met een beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding en op wijn met vermelding van het druivenras betrekking hebben. In het geval van monoprogramma’s als bedoeld in artikel 6, lid 3, moet het desbetreffende programma eveneens betrekking hebben op andere in lid 1, onder a) of b), bedoelde producten;

b)

mogen de acties voor de interne markt voor in lid 1, onder c), bedoelde gedistilleerde dranken, voor wijn als bedoeld in dit lid, onder a), en voor bier, de consument enkel voorlichten over de in lid 4 genoemde regelingen en over verantwoorde consumptie van deze dranken;

c)

kunnen de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 bedoelde visserij- en aquacultuurproducten slechts in aanmerking komen voor voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s indien het desbetreffende programma ook betrekking heeft op andere in lid 1 bedoelde producten.

4.   Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties kunnen op de volgende regelingen betrekking hebben:

a)

de in Verordening (EU) nr. 1151/2012, in Verordening (EG) nr. 110/2008 en in artikel 93 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde kwaliteitsregelingen;

b)

de biologische productiewijze, als omschreven in Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (11);

c)

het logo van kwaliteitsproducten van de landbouw die specifiek zijn voor de ultraperifere gebieden, als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12);

d)

de kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 16, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13).

HOOFDSTUK II

UITVOERING VAN VOORLICHTINGS- EN AFZETBEVORDERINGSACTIES

AFDELING 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 6

Soorten acties

1.   De voorlichtings- en afzetbevorderingsacties hebben de volgende vorm:

a)

voorlichtings- en afzetbevorderingsprogramma’s („programma’s”), en

b)

de in artikel 9 bedoelde acties op initiatief van de Commissie.

2.   De programma’s bestaan uit een samenhangende reeks maatregelen en worden ten uitvoer gelegd gedurende een periode van minimaal een en maximaal drie jaar.

3.   Monoprogramma’s, waarvan de details zijn opgenomen in afdeling 2 van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend door één of meerdere in artikel 7, lid 1, onder a), c) of d), bedoelde indienende organisaties uit eenzelfde lidstaat.

4.   Multiprogramma’s, waarvan de details zijn opgenomen in afdeling 3 van dit hoofdstuk kunnen worden ingediend door:

a)

ten minste twee van de in artikel 7, lid 1, onder a), c) of d), bedoelde indienende organisaties, die allemaal uit ten minste twee lidstaten zijn;

b)

ofwel door een of meer organisaties van de Unie als bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b).

Artikel 7

Indienende organisaties

1.   Een programma kan worden ingediend door:

a)

beroeps- of brancheorganisaties die gevestigd zijn in een lidstaat en representatief zijn voor de betrokken sector of sectoren in die lidstaat, en in het bijzonder de brancheorganisaties als bedoeld in artikel 157 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en groeperingen als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, op voorwaarde dat zij representatief zijn voor de benaming die krachtens de laatstgenoemde verordening beschermd is en welke onder dat programma valt;

b)

beroeps- of brancheorganisaties van de Unie die representatief zijn voor de desbetreffende sector of sectoren op Unieniveau;

c)

producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties als bedoeld in de artikelen 152 en 156 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en die door een lidstaat zijn erkend;

d)

instanties van de agrovoedingssector die als doelstelling hebben het verstrekken van voorlichting over en het bevorderen van de afzet van landbouwproducten en waaraan de lidstaten een duidelijk omschreven openbaredienstverleningstaak op dit gebied hebben toevertrouwd; deze instanties moeten ten minste twee jaar voordat de in artikel 8, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen wordt uitgeschreven, wettelijk gevestigd zijn in de desbetreffende lidstaat.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de specifieke voorwaarden worden bepaald voor de indiening van een programma door elk van de in lid 1 bedoelde indienende organisaties, groeperingen en instanties. Die voorwaarden waarborgen met name dat die organisaties, groeperingen en instanties representatief zijn en dat het programma voldoende omvangrijk is.

Artikel 8

Jaarlijks werkprogramma

1.   De Commissie stelt elk jaar uitvoeringshandelingen vast waarin een jaarlijks werkprogramma wordt vastgelegd en waarin de te verwezenlijken operationele doelstellingen, de operationele prioriteiten, de verwachte resultaten, de uitvoeringsmethode en het totaalbedrag van het financieringsplan worden vastgesteld. Dat jaarlijks werkprogramma en in het bijzonder de operationele prioriteiten ervan moeten voldoen aan de algemene en specifieke doelstellingen van artikel 2. Het programma voorziet met name in specifieke tijdelijke regelingen om te reageren in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e). Het programma bevat ook de voornaamste evaluatiecriteria, een beschrijving van de te financieren acties, een indicatie van het voor elk soort actie toegewezen bedrag, een indicatief tijdschema voor de uitvoering en voor de subsidies, het maximumpercentage voor de financiële bijdrage van de Unie. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Het in lid 1 bedoelde werkprogramma wordt, voor mono- en voor multiprogramma’s, ten uitvoer gelegd aan de hand van de bekendmaking door de Commissie van oproepen tot het indienen van voorstellen overeenkomstig deel I, titel VI, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (14).

Artikel 9

Acties op initiatief van de Commissie

1.   De Commissie kan voorlichtings- en afzetbevorderingsacties als omschreven in artikel 3 uitvoeren, waaronder campagnes in geval van een ernstige marktverstoring, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e). Het kan met name gaan om missies op hoog niveau, deelname aan beurzen en tentoonstellingen van internationaal belang, door middel van stands of activiteiten om het imago van producten uit de Unie te bevorderen.

2.   De Commissie ontwikkelt technische ondersteuningsdiensten, met name om:

a)

de kennis van de verschillende markten te bevorderen, onder meer door middel van verkennende handelsbezoeken;

b)

een dynamisch professioneel netwerk ter flankering van het voorlichtings- en afzetbevorderingsbeleid in stand te houden, met inbegrip van het verstrekken van advies aan de sector op het gebied van de bescherming van hun producten tegen nagemaakte en vervalste producten in derde landen; en

c)

de kennis van de voorschriften van de Unie inzake de opzet en uitvoering van de programma’s te verbeteren.

Artikel 10

Verbod op dubbele financiering

Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties gefinancierd uit hoofde van deze verordening, komen niet in aanmerking voor enige andere financiering uit de begroting van de Unie.

AFDELING 2

Uitvoering en beheer van monoprogramma’s

Artikel 11

Selectie van monoprogramma’s

1.   De Commissie evalueert en selecteert voorstellen voor monoprogramma’s die werden ontvangen in antwoord op een in artikel 8, lid 2, bedoelde oproep tot het indienen van voorstellen. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarin de specifieke subsidiabiliteitsvoorwaarden met betrekking tot monoprogramma’s worden bepaald.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast, waarin de geselecteerde monoprogramma’s worden bepaald, alsook de eventuele wijzigingen daarvan en de bijbehorende begrotingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 12

Informatie over de selectie van monoprogramma’s

De Commissie verstrekt het in artikel 23 bedoelde comité, en derhalve de lidstaten, tijdig informatie over alle voorgestelde of geselecteerde programma’s.

Onverminderd Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, verstrekt de Commissie in het bijzonder:

a)

informatie over het aantal ontvangen voorstellen, de lidstaten waar de indienende organisaties zijn gevestigd, de betrokken sectoren en de beoogde markt of markten;

b)

informatie over het resultaat van de evaluatie van de voorstellen en een korte beschrijving ervan.

Artikel 13

Met de uitvoering van monoprogramma’s belaste instanties

1.   Na een naar behoren verrichte vergelijkende procedure kiezen de indienende organisaties de instanties die de geselecteerde monoprogramma’s uitvoeren, met name om een doeltreffende uitvoering van de acties te waarborgen.

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarin de voorwaarden worden bepaald voor de vergelijkende procedure voor de selectie van de in de eerste alinea, bedoelde uitvoeringsinstanties.

2.   In afwijking van lid 1 kan een indienende organisatie bepaalde delen van een programma zelf uitvoeren, mits wordt voldaan aan de voorwaarden inzake de ervaring van de indienende organisatie met het uitvoeren van dergelijke acties en mits de kosten van die acties in verhouding staan tot de normale markttarieven en evenredig zijn aan het aandeel van het door de indienende organisatie uitgevoerde deel van het programma in de totale kosten.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de nadere regels worden bepaald volgens welke de indienende organisatie kan worden toegestaan om bepaalde onderdelen van het programma zelf uit te voeren. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 14

Uitvoering, monitoring en controle van monoprogramma’s

1.   De betrokken lidstaten zijn verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de uit hoofde van artikel 11 geselecteerde monoprogramma’s en voor de daarmee samenhangende betalingen. De lidstaten zien erop toe dat het in het kader van deze programma’s geproduceerde voorlichtings- en afzetbevorderingsmateriaal in overeenstemming is met het recht van de Unie.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin de regelingen worden bepaald voor de uitvoering, monitoring en controle en de regels voor het sluiten van contracten voor de uitvoering van de uit hoofde van deze verordening geselecteerde monoprogramma’s. Die uitvoeringshandelingen worden overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De lidstaten zorgen voor de uitvoering van, en monitoren en controleren de monoprogramma’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (15) en in overeenstemming met de krachtens lid 1 vast te stellen uitvoeringshandelingen.

Artikel 15

Financiële bepalingen voor monoprogramma’s

1.   De financiële bijdrage van de Unie aan monoprogramma’s op de interne markt bedraagt 70 % van de subsidiabele uitgaven. De financiële bijdrage van de Unie aan monoprogramma’s bedraagt in derde landen 80 % van de subsidiabele uitgaven. De rest van de uitgaven komt uitsluitend ten laste van de indienende organisaties.

2.   De in lid 1 vermelde percentages worden verhoogd tot 85 % in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e).

3.   In afwijking van de leden 1 en 2, bedragen, voor in een lidstaat gevestigde indienende organisaties die op 1 januari 2014 of daarna financiële bijstand ontvangen overeenkomstig de artikelen 136 en 143 VWEU, de in lid 1 bedoelde percentages respectievelijk 75 % en 85 % en het in lid 2 bedoelde percentage 90 %.

De eerste alinea is uitsluitend van toepassing op programma’s waartoe de Commissie heeft besloten vóór de datum met ingang waarvan de betrokken lidstaat die financiële bijstand niet langer ontvangt.

4.   Overeenkomstig het in artikel 25 bedoelde gemeenschappelijke kader uitgevoerde studies om de resultaten van afzetbevorderings- en voorlichtingsacties te evalueren, komen in aanmerking voor financiering van de Unie onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor het desbetreffende monoprogramma.

5.   Overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 financiert de Unie volledig de kosten voor het raadplegen van deskundigen in het kader van de selectie van programma’s.

6.   Om een goede uitvoering van monoprogramma’s te garanderen stellen de indienende organisaties zekerheden.

7.   Overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 financiert de Unie voorlichtings- en afzetbevorderingsacties uitgevoerd op basis van monoprogramma’s.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen, waarin de specifieke voorwaarden worden bepaald inzake de subsidiabiliteit voor financiering van de Unie van de kosten voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties en, indien nodig, van de administratie- en personeelskosten.

AFDELING 3

Uitvoering en beheer van multiprogramma’s en van acties op initiatief van de commissie

Artikel 16

Vormen van financiering

1.   De financiering kan plaatsvinden in een of meer in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 vastgestelde vormen en bestaan uit:

a)

subsidies voor multiprogramma’s;

b)

contracten voor op initiatief van de Commissie uitgevoerde acties.

2.   Krachtens artikel 4, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 financiert de Unie voorlichtings- en afzetbevorderingsacties, uitgevoerd op basis van multiprogramma’s of op initiatief van de Commissie.

Artikel 17

Evaluatie van multiprogramma’s

De voorstellen voor multiprogramma’s worden geëvalueerd en geselecteerd op basis van de criteria die worden bekendgemaakt in de oproep tot het indienen van voorstellen als bedoeld in artikel 8, lid 2.

Artikel 18

Informatie over de uitvoering van multiprogramma’s

De Commissie verstrekt het in artikel 23 bedoelde comité, en derhalve de lidstaten, tijdig informatie over alle voorgestelde of geselecteerde programma’s.

Artikel 19

Financiële bepalingen voor multiprogramma’s

1.   De financiële bijdrage van de Unie voor multiprogramma’s bedraagt 80 % van de subsidiabele uitgaven. De rest van de uitgaven komt uitsluitend ten laste van de indienende organisaties.

2.   Het in lid 1 vermelde percentage wordt verhoogd tot 85 % in geval van ernstige marktverstoringen, verlies van vertrouwen bij de consument of andere specifieke problemen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder e).

3.   In afwijking van de leden 1 en 2, bedragen, voor in een lidstaat gevestigde indienende organisaties die op of na 1 januari 2014 financiële bijstand ontvangen overeenkomstig de artikelen 136 en 143 VWEU, de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages respectievelijk 85 % en 90 %.

De eerste alinea is uitsluitend van toepassing op programma’s waartoe de Commissie heeft besloten vóór de datum met ingang waarvan de betrokken lidstaat die financiële bijstand niet langer ontvangt.

Artikel 20

Plaatsing van opdrachten voor acties op initiatief van de Commissie

Voor elke plaatsing van opdrachten die door de Commissie wordt uitgevoerd in haar eigen naam of gezamenlijk met lidstaten, gelden de regels met betrekking tot het plaatsen van opdrachten die zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (16).

Artikel 21

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze afdeling gefinancierde acties, de financiële belangen van de Unie worden beschermd door de toepassing van preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door doeltreffende controles en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, door terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen en, voor zover van toepassing, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties.

2.   De Commissie of haar vertegenwoordigers en de Rekenkamer zijn bevoegd om audits te verrichten, op basis van documenten en ter plaatse, bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen.

3.   Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan onderzoeken instellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (17) en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (18), teneinde vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

4.   Onverminderd de leden 1, 2 en 3 bevatten uit de uitvoering van een programma uit hoofde van deze verordening voortvloeiende samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten bepalingen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid verlenen dergelijke audits en onderzoeken te verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

AFDELING 1

Delegatie van bevoegdheden en uitvoeringsbepalingen

Artikel 22

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 11, lid 1, artikel 13, lid 1, artikel 15, lid 8, en artikel 29, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 24 november 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 11, lid 1, artikel 13, lid 1, artikel 15, lid 8, en artikel 29, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden worden verlengd.

Artikel 23

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten dat is ingesteld bij artikel 229 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

AFDELING 2

Raadpleging, evaluatie en verslag

Artikel 24

Raadpleging

In het kader van de uitvoering van deze verordening kan de Commissie de krachtens Besluit 2013/767/EU van de Commissie (19) ingestelde groep voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld over kwaliteit en afzetbevordering raadplegen.

Artikel 25

Gemeenschappelijk kader voor de beoordeling van de impact van de acties

Overeenkomstig het in artikel 110 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde gemeenschappelijke monitoring- en evaluatiekader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin het gemeenschappelijke kader wordt bepaald voor de beoordeling van de impact van de uit hoofde van deze verordening gefinancierde voorlichtings- en afzetbevorderingsacties, alsook een indicatorsysteem. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 23, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Alle belanghebbende partijen delen de Commissie alle gegevens mee die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de impact van de acties.

Artikel 26

Verslag

1.   Uiterlijk op 31 december 2018 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een tussentijds verslag in over de toepassing van deze verordening. Dat tussentijds verslag omvat het gebruikspercentage in de verschillende lidstaten, eventueel vergezeld van passende voorstellen.

2.   Uiterlijk op 31 december 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening, eventueel vergezeld van passende voorstellen.

AFDELING 3

Staatssteun, intrekking, overgangsbepalingen, inwerkingtreding en datum van toepassing

Artikel 27

Staatssteun

In afwijking van artikel 211, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad (20), en op grond van artikel 42, eerste alinea, VWEU zijn de artikelen 107, 108 en 109 VWEU niet van toepassing op door de lidstaten, overeenkomstig deze verordening en in overeenstemming met de bepalingen ervan verrichte betalingen, noch op de uit parafiscale heffingen, verplichte bijdragen of andere financieringsinstrumenten afkomstige financiële bijdragen van de lidstaten voor programma’s die in aanmerking komen voor steun van de Unie en door de Commissie zijn geselecteerd overeenkomstig deze verordening.

Artikel 28

Intrekking

Verordening (EG) nr. 3/2008 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening moeten worden gelezen als verwijzingen naar deze verordening, overeenkomstig de concordantietabel in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 29

Overgangsbepalingen

1.   Verordening (EG) nr. 3/2008 blijft van toepassing op voorlichtings- en afzetbevorderingsacties waarvoor de Commissie vóór 1 december 2015 tot subsidiëring heeft besloten.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 22 gedelegeerde handelingen vast te stellen om een vlotte overgang van Verordening (EG) nr. 3/2008 naar deze verordening te garanderen.

Artikel 30

Inwerkingtreding en datum van toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 december 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 22 oktober 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

B. DELLA VEDOVA


(1)  Advies van 30 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van 2 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 15 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 oktober 2014.

(4)  Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (PB L 3 van 5.1.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(9)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(10)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).

(11)  Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).

(13)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(14)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(15)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(16)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).

(17)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(18)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(19)  Besluit 2013/767/EU van de Commissie van 16 december 2013 tot invoering van een kader voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld betreffende zaken die vallen onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Besluit 2004/391/EG (PB L 338 van 17.12.2013, blz. 115).

(20)  Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in bepaalde landbouwproducten (PB L 214 van 4.8.2006, blz. 7).


BIJLAGE I

In artikel 5, lid 1, onder b), bedoelde producten

a)

bier,

b)

chocolade en afgeleide producten,

c)

brood, gebak, cake, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren,

d)

dranken op basis van plantenextracten,

e)

deegwaren,

f)

zout,

g)

natuurlijke gommen en harsen,

h)

mosterdpasta,

i)

suikermaïs,

j)

katoen.


BIJLAGE II

Concordantietabel

als bedoeld in artikel 28

Verordening (EG) nr. 3/2008

Deze verordening

Artikel 1, lid 1, eerste alinea

Artikel 1

Artikel 1, lid 1, tweede alinea

Artikel 6, lid 1, onder a)

Artikel 1, lid 2

Artikel 4, leden 1 en 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikelen 3 en 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 8

Artikel 6, lid 1

Artikel 7

Artikel 6, lid 2

Artikel 7

Artikel 8

Artikelen 11, 12 en 17

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 9

Artikel 11

Artikel 13

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 14

Artikel 13, lid 1

Artikel 16, lid 1, onder b)

Artikel 13, lid 2, eerste alinea

Artikel 15, lid 1, artikel 15, lid 2 en artikel 15, lid 3 en artikel 19

Artikel 13, lid 2, tweede alinea

Artikel 13, lid 2, derde alinea

Artikel 13, leden 3, 4 en 5

Artikel 13, lid 6

Artikel 27

Artikel 14

Artikel 15, lid 5, artikel 15, lid 7 en artikel 16, lid 2

Artikelen 15 en 16

Artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 1, artikelen 11 en 13, artikel 14, lid 1, artikel 15, lid 8, artikelen 22, 23, 25 en 29

Artikel 17

Artikel 24

Artikel 18

Artikel 26

Artikel 19

Artikel 28

Artikel 20

Artikel 30