ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 257

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
28 augustus 2014


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG

73

 

*

Verordening (EU) nr. 911/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 over meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee ( 1 )

115

 

*

Verordening (EU) nr. 912/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor het regelen van de financiële verantwoordelijkheid in verband met scheidsgerechten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie partij is

121

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2014/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning

135

 

*

Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad ( 1 )

146

 

*

Richtlijn 2014/91/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) wat bewaartaken, beloningsbeleid en sancties betreft ( 1 )

186

 

*

Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties ( 1 )

214

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

28.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/1


VERORDENING (EU) Nr. 909/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 juli 2014

betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Centrale effectenbewaarinstellingen (central securities depository — CSD) dragen, samen met centrale tegenpartijen (central counterparties — CTP’s), in grote mate bij tot het aanhouden van infrastructuren voor transactieverwerking die de financiële markten veiliger maken en de marktdeelnemers het vertrouwen geven dat effectentransacties behoorlijk en tijdig worden uitgevoerd, ook tijdens perioden van extreme spanning.

(2)

Wegens hun sleutelpositie in het afwikkelingsproces zijn de door CSD’s geëxploiteerde systemen voor de afwikkeling van effectentransacties systeemrelevant voor de werking van de effectenmarkten. De door CSD’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen, die een belangrijke rol spelen in de systemen voor effectenhouderschap via welke de deelnemers aan die systemen de door de beleggers aangehouden effecten rapporteren, fungeren ook als een essentieel instrument om de integriteit van een uitgifte te controleren, in die zin dat onrechtmatige uitgiften van nieuwe of intrekking van bestaande effecten worden tegengegaan, wat van groot belang is voor het in stand houden van het beleggersvertrouwen. Bovendien zijn door CSD’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen nauw betrokken bij het aantrekken van zekerheden voor monetairbeleidtransacties alsook bij het aantrekken van zekerheden tussen kredietinstellingen en zijn zij bijgevolg belangrijke actoren bij het zekerheidsstellingsproces.

(3)

Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) heeft tot gevolg gehad dat effectenafwikkelingssystemen minder hinder ondervinden van insolventieprocedures tegen deelnemers aan die systemen, maar ook andere risico’s die zich in effectenafwikkelingssystemen voordoen, alsook de risico’s in verband met insolventie of verstoring van de werking van de CSD’s die effectenafwikkelingssystemen exploiteren, moeten worden aangepakt. Een aantal CSD’s is aan krediet- en liquiditeitsrisico’s onderhevig doordat zij bancaire nevendiensten bij afwikkeling verrichten.

(4)

De ontwikkeling van koppelingsovereenkomsten tussen CSD’s heeft tot een toename van het aantal grensoverschrijdende afwikkelingen geleid, wat de vraag doet rijzen of CSD’s zonder gemeenschappelijke prudentiële regels bestand zijn tegen de door CSD’s uit andere lidstaten gelopen risico’s waarmee zij te maken krijgen. Bovendien is gebleken dat, ondanks de toename van het aantal grensoverschrijdende afwikkelingen, marktgedreven veranderingen met het oog op een sterker geïntegreerde markt voor CSD-diensten, zeer traag verlopen. Een open interne markt voor effectenafwikkeling moet elke belegger in de Unie in staat stellen in alle Unie-effecten te beleggen met hetzelfde gemak en met behulp van dezelfde methoden als voor binnenlandse effecten. Toch blijven de afwikkelingsmarkten in de Unie over de nationale grenzen heen gefragmenteerd en blijven grensoverschrijdende afwikkelingen duurder, wegens de uiteenlopende nationale regels inzake afwikkeling en activiteiten van CSD’s en de beperkte concurrentie tussen CSD’s. Die fragmentatie werkt belemmerend en creëert bijkomende risico’s en kosten bij grensoverschrijdende afwikkeling. Gezien het systeemrelevante karakter van CSD’s moet de onderlinge concurrentie worden bevorderd om marktdeelnemers de mogelijkheid te geven een aanbieder te kiezen en om de afhankelijkheid van één bepaalde infrastructuurleverancier te beperken. Bij het ontbreken van gelijke verplichtingen voor marktexploitanten en gemeenschappelijke prudentiële normen voor CSD’s, zullen de uiteenlopende maatregelen die waarschijnlijk op nationaal niveau zullen worden genomen, een rechtstreekse negatieve impact hebben op de veiligheid, efficiëntie en concurrentie in de afwikkelingsmarkten in de Unie. Het is noodzakelijk die significante belemmeringen voor de werking van de interne markt op te heffen en concurrentieverstoringen te vermijden, en te voorkomen dat in de toekomst dergelijke belemmeringen en verstoringen optreden. Met het oog op het correcte functioneren van de interne markt moet er een geïntegreerde markt voor effectenafwikkeling worden gecreëerd, waar geen onderscheid bestaat tussen nationale en grensoverschrijdende effectentransacties. Bijgevolg moet de passende rechtsgrondslag voor deze verordening artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zijn, zoals geïnterpreteerd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

(5)

Het is noodzakelijk in een verordening een aantal aan de marktdeelnemers op te leggen uniforme verplichtingen betreffende bepaalde aspecten van de afwikkelingscyclus en afwikkelingsdiscipline vast te stellen en voor CSD’s die effectenafwikkelingssystemen exploiteren in een geheel van gemeenschappelijke vereisten te voorzien. De rechtstreeks toepasselijke regels van een verordening moeten waarborgen dat alle marktdeelnemers en CSD’s aan dezelfde rechtstreeks toepasselijke verplichtingen, normen en regels zijn onderworpen. Een verordening moet de veiligheid en efficiëntie van de afwikkeling in de Unie vergroten door divergentie van nationale regels als gevolg van de omzetting van een richtlijn te voorkomen. Een verordening moet de reguleringscomplexiteit voor de marktdeelnemers en CSD’s als gevolg van uiteenlopende nationale regels verminderen, en moet de CSD’s in staat stellen hun diensten grensoverschrijdend te verrichten zonder dat zij aan verschillende gehelen van nationale vereisten dienen te voldoen, bijvoorbeeld betreffende vergunningverlening, toezicht, organisatie of risico’s in verband met CSD’s. Een verordening die gelijke vereisten aan CSD’s oplegt, moet ook bijdragen tot de opheffing van concurrentieverstoringen.

(6)

Op 20 oktober 2010 heeft de Raad voor financiële stabiliteit opgeroepen tot robuustere basismarktinfrastructuren en gevraagd om herziening en verbetering van de bestaande normen. In april 2012 hebben het Committee on Payments and Settlement Systems (CPSS) van de Bank for International Settlements (BIS) en de International Organisation of Securities Commissions (IOSCO) mondiale normen voor financiëlemarktinfrastructuren goedgekeurd. Die normen zijn in de plaats gekomen van de BIS-recommendations uit 2001, die in 2009 door het Europees Stelsel van centrale banken en het Comité van Europese effectenregelgevers (CESR) door middel van niet-bindende richtsnoeren zijn aangepast. Rekening houdend met het mondiale karakter van de financiële markten en het systeemrelevante karakter van CSD’s moet er worden gezorgd voor internationale convergentie van de prudentiële vereisten waaraan zij onderworpen zijn. Deze verordening moet aansluiten bij de bestaande, door het CPSS en de IOSCO ontwikkelde beginselen voor financiëlemarktinfrastructuren. De Commissie en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten — ESMA), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (5), moeten er, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, bij het opstellen van de technische regulerings- en uitvoeringsnormen en van de richtsnoeren en aanbevelingen die in deze verordening worden bedoeld, alsmede bij het voorstellen van een herziening daarvan op toezien dat deze sporen met de bestaande normen en de toekomstige ontwikkelingen ervan.

(7)

De Raad heeft in zijn conclusies van 2 december 2008 beklemtoond dat de veiligheid en de soliditeit van de effectenafwikkelingssystemen moeten worden versterkt en dat juridische belemmeringen voor transactieverwerking in de Unie moeten worden aangepakt.

(8)

Een van de basistaken van het ESCB is de vlotte werking van betalingssystemen te bevorderen. In dat verband oefenen de leden van het ESCB controle uit door te zorgen voor efficiënte en gezonde clearing- en betalingssystemen. De leden van het ESCB treden vaak als afwikkelende instantie voor de geldzijde van effectentransacties op. Zij zijn tevens aanzienlijke cliënten van CSD’s, die vaak de zekerheidsstelling voor monetairbeleidtransacties behandelen. De leden van het ESCB moeten, doordat zij worden geraadpleegd, nauw bij het gebeuren worden betrokken bij vergunningverlening aan en toezicht op CSD’s, de erkenning van CSD’s uit derde landen en de goedkeuring van bepaalde CSD-koppelingen. Om het ontstaan van parallelregelingen tegen te gaan, moeten zij ook, doordat zij worden geraadpleegd, nauw bij het gebeuren worden betrokken bij de opstelling van technische regulerings- en uitvoeringsnormen alsook van richtsnoeren en aanbevelingen, al blijft de primaire verantwoordelijkheid voor de vaststelling van die technische normen, richtsnoeren en aanbevelingen bij de Commissie en de ESMA berusten, overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. Deze verordening moet de verantwoordelijkheden van de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken voor het waarborgen van efficiënte en gezonde clearing- en betalingssystemen binnen de Unie en andere landen onverlet laten. Deze verordening mag de leden van het ESCB niet beletten de informatie te raadplegen die relevant is voor de uitoefening van hun taken, waaronder de controle op CSD’s en andere financiëlemarktinfrastructuren.

(9)

De leden van het ESCB, alle andere organen die soortgelijke functies vervullen in bepaalde lidstaten, of andere publieke instanties die belast zijn met of een rol spelen in het beheer van de overheidsschuld in de Unie, mogen zelf een aantal diensten, zoals het exploiteren van een effectenafwikkelingssysteem, verrichten, waardoor zij als een CSD kunnen worden beschouwd. Dergelijke entiteiten moeten, indien zij optreden als CSD zonder dat zij een afzonderlijke entiteit hebben opgericht, vrijgesteld zijn van de vergunnings- en toezichtvereisten, van bepaalde organisatorische vereisten en van kapitaal- en beleggingsvereisten, maar moeten aan de resterende prudentiële vereisten voor CSD’s onderworpen blijven. Indien dergelijke entiteiten van een lidstaat optreden als CSD’s, mogen zij hun diensten niet in andere lidstaten aanbieden. Aangezien de leden van het ESCB voor de afwikkeling als afwikkelende instantie optreden, moeten ook zij worden vrijgesteld van de in titel IV van deze verordening opgenomen vereisten.

(10)

Behoudens andersluidende bepaling moet deze verordening gelden voor de afwikkeling van transacties in alle financiële instrumenten en activiteiten van CSD’s. Deze verordening moet voorts andere wetgeving van de Unie betreffende specifieke financiële instrumenten, zoals Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) en in overeenstemming met die richtlijn vastgestelde maatregelen, onverlet laten.

(11)

De girale vastlegging van effecten is, met name in een context van toenemende complexiteit van houderschaps- en overdrachtmethoden, een belangrijke stap naar een verhoging van de efficiëntie van afwikkeling en een verzekering van de integriteit van een effectenuitgifte. Omwille van de veiligheid voorziet deze verordening in de girale vastlegging van alle overdraagbare effecten die zijn toegelaten tot de handel of die worden verhandeld op de handelsplatforms die zijn gereglementeerd bij Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) en Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8). Deze verordening mag geen bepaalde methode opleggen voor de initiële girale vastlegging, die moet kunnen plaatsvinden na immobilisatie of na onmiddellijke dematerialisatie. Op grond van deze verordening moet niet worden opgelegd welk soort instelling effecten bij uitgifte giraal moet vastleggen, maar ze moet veeleer uiteenlopende actoren, met inbegrip van registrators, toestaan die functie te vervullen. Zodra transacties in die effecten echter worden uitgevoerd op bij Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 gereglementeerde handelsplatforms, of als zekerheid worden gesteld onder de in Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) neergelegde voorwaarden, moeten die effecten in een giraal systeem van de CSD worden vastgelegd om er onder meer voor te zorgen dat al die effecten in een effectenafwikkelingssysteem kunnen worden afgewikkeld. Immobilisatie en dematerialisatie mogen niet gepaard gaan met verlies van rechten voor houders van effecten en moeten op zodanige wijze worden uitgevoerd dat gewaarborgd wordt dat dezen hun rechten kunnen uitoefenen.

(12)

Om te zorgen voor afwikkelingsveiligheid moet elke deelnemer aan een effectenafwikkelingssysteem dat bepaalde financiële instrumenten, namelijk effecten, geldmarktinstrumenten, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging en emissierechten, koopt of verkoopt, zijn verplichting op de voorgenomen afwikkelingsdatum afwikkelen.

(13)

Langere afwikkelingstermijnen voor transacties in effecten veroorzaken onzekerheid en verhoogd risico voor deelnemers aan effectenafwikkelingssystemen. Uiteenlopende afwikkelingstermijnen in de lidstaten belemmeren reconciliatie en zijn een bron van vergissingen voor uitgevende instellingen, beleggers en intermediairs. Het is bijgevolg noodzakelijk een gemeenschappelijke afwikkelingstermijn te bepalen die bevorderlijk zou zijn voor het vaststellen van de voorgenomen afwikkelingsdatum en voor het implementeren van maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline. De voorgenomen afwikkelingsdatum voor transacties in effecten die worden uitgevoerd op de bij Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 gereglementeerde handelsplatforms mag niet later vallen dan op de tweede werkdag nadat de transactie plaatsvindt. Voor complexe, uit verschillende transacties bestaande operaties, zoals cessie-retrocessie-overeenkomsten (repo-overeenkomsten) of effectenuitleenovereenkomsten, dient die vereiste van toepassing te zijn op de eerste transactie waarbij een overdracht van effecten plaatsvindt. Die vereiste is niet van toepassing op transacties die onderhands tussen de betrokken partijen worden geregeld, maar op bij Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 gereglementeerde handelsplatforms worden uitgevoerd, noch op transacties die op bilaterale basis worden uitgevoerd, maar die aan een bij Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 gereglementeerd handelsplatform worden gerapporteerd, aangezien deze per definitie niet gestandaardiseerd zijn. Bovendien mag deze vereiste niet van toepassing zijn op de eerste transactie indien de bewuste effecten voor het eerst giraal worden vastgelegd.

(14)

CSD’s en andere marktinfrastructuren moeten maatregelen nemen om mislukte afwikkelingsoperaties te voorkomen en aan te pakken. Het is van essentieel belang dat die regels in de Unie uniform zijn en rechtstreeks worden toegepast. Met name moeten CSD’s en andere marktinfrastructuren verplicht zijn procedures in te voeren die hen in staat stellen passende maatregelen te nemen om elke deelnemer die systematisch mislukte afwikkelingsoperaties veroorzaakt, te schorsen en zijn identiteit openbaar te maken, mits die deelnemer de mogelijkheid heeft om opmerkingen te maken voordat die beslissing wordt genomen.

(15)

Een van de meest efficiënte manieren om mislukte afwikkelingsoperaties aan te pakken, is de nalatige deelnemer tot uitvoering van de oorspronkelijke overeenkomst te verplichten. Deze verordening moet voorzien in uniforme regels betreffende boeten en bepaalde aspecten van de buy-intransactie voor alle effecten, geldmarktinstrumenten, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging en emissierechten, zoals timing en prijsstelling. Die regels moeten worden afgestemd op de specifieke kenmerken van de verschillende effectenmarkten, op bepaalde handelsplatforms zoals mkb-groeimarkten als omschreven in Richtlijn 2014/65/EU en op bepaalde complexe operaties zoals zeer kortlopende repo-overeenkomsten of effectenuitleenovereenkomsten, om een nadelige invloed op de liquiditeit en de efficiëntie van de effectenmarkten te vermijden. De regels inzake afwikkelingsdiscipline moeten op een manier worden toegepast waarbij voor alle betrokken financiële instrumenten het afwikkelen van transacties binnen de beoogde afwikkelingstermijn wordt aangemoedigd.

(16)

De procedures en de boeten voor mislukte afwikkelingsoperaties moeten in verhouding staan tot de omvang en de ernst van de mislukte operatie, en zo zijn opgebouwd dat de liquiditeit van de betrokken financiële instrumenten beschermd en gehandhaafd wordt. Met name marktmakingactiviteiten spelen een cruciale rol bij het verzekeren van de liquiditeit van de markten in de Unie, met name voor minder liquide effecten. Maatregelen om mislukte afwikkelingsoperaties te voorkomen en op te vangen moeten worden afgewogen tegen de noodzaak om de liquiditeit van die effecten te behouden en te beschermen. Geldboetes voor nalatige deelnemers moeten zo mogelijk ter compensatie aan de niet-nalatige cliënten worden gecrediteerd en mogen in geen geval een inkomstenbron voor de betrokken CSD worden. CSD’s moeten de marktinfrastructuren ten behoeve waarvan zij CSD-diensten verrichten raadplegen over de uitvoering van de in deze verordening neergelegde maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline.

(17)

In de meeste gevallen moet een buy-inproces worden ingeleid indien de financiële instrumenten niet binnen vier werkdagen na de beoogde afwikkelingsdatum worden geleverd. Voor niet-liquide financiële instrumenten is het evenwel passend dat de termijn die van toepassing is voor de inleiding van de buy-inproces wordt verlengd tot maximaal zeven werkdagen. Om te beslissen of een financieel instrument als niet-liquide kan worden aangemerkt, wordt gebruikgemaakt van technische reguleringsnormen en wordt rekening gehouden met de reeds in Verordening (EU) nr. 600/2014 verrichte beoordelingen. Indien hierover een beslissing wordt genomen, moet de termijn voor de inleiding van de buy-inproces worden verlengd tot maximaal zeven werkdagen.

(18)

Het is passend dat mkb-groeimarkten de flexibiliteit wordt geboden om niet over te gaan tot de toepassing van het buy-inproces tot maximaal 15 dagen na uitvoering van de transactie, teneinde rekening te houden met de beperkte liquiditeit van deze markten en met name ruimte te laten voor de activiteit van marktmakers in deze markten. De specifiek op mkb-groeimarkten van toepassing zijnde maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline dienen uitsluitend te gelden voor de op die markten uitgevoerde transacties. Zoals wordt aangestipt in het werkdocument van de diensten van de Commissie van 7 december 2011 bij de mededeling van de Commissie met de titel „Een actieplan ter verbetering van de toegang tot financiering voor kmo’s”, zou het mkb, als alternatief voor bankleningen, in ruimere mate toegang moeten krijgen tot de kapitaalmarkt, en daarom is het wenselijk dat de regels meer op de behoeften van die mkb-groeimarkten worden toegesneden.

(19)

Het moet voor CSD’s mogelijk zijn om met betrekking tot meervoudige afwikkelingsinstructies toe te zien op de uitvoering van een buy-in voor dezelfde financiële instrumenten en met dezelfde verlengingstermijn, teneinde het aantal buy-ins te beperken voor zover dit verenigbaar is met de vereisten van deze verordening.

(20)

Aangezien het hoofddoel van deze verordening is een aantal rechtstreeks aan de marktdeelnemers op te leggen juridische verplichtingen in te voeren die er onder meer in bestaan alle effecten giraal bij een CSD vast te leggen zodra die effecten op bij Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 gereglementeerde handelsplatforms worden verhandeld of onder de voorwaarden van Richtlijn 2002/47/EG als zekerheid worden gesteld, en hun verplichtingen uiterlijk af te wikkelen op de tweede werkdag nadat de transactie plaatsvindt, en aangezien CSD’s verantwoordelijk zijn voor de exploitatie van effectenafwikkelingssystemen en de toepassing van maatregelen die tijdige afwikkeling in de Unie waarborgen, is het van essentieel belang ervoor te zorgen dat alle CSD’s veilig en gezond zijn en te allen tijde aan de in deze verordening neergelegde stringente vereisten inzake organisatie, bedrijfsvoering en prudentie, met inbegrip van alle redelijke maatregelen ter beperking van fraude en onzorgvuldigheid, voldoen. Uniforme en rechtstreeks toepasselijke regels betreffende de vergunningverlening aan en het doorlopend toezicht op CSD’s zijn bijgevolg een essentieel uitvloeisel van en gecorreleerd met de bij deze verordening aan de marktdeelnemers opgelegde wettelijke verplichtingen. Het is daarom noodzakelijk regels betreffende vergunningverlening aan en toezicht op CSD’s in dezelfde handeling als de aan de marktdeelnemers opgelegde verplichtingen op te nemen.

(21)

Rekening houdend met het feit dat CSD’s onderworpen moeten zijn aan gemeenschappelijke vereisten en om de bestaande belemmeringen voor grensoverschrijdende afwikkeling op te heffen, moet elke vergunninghoudende CSD de vrijheid genieten diensten te verrichten op het grondgebied van de Unie, ook wanneer zij daartoe een bijkantoor opricht. Met het oog op een passend niveau van veiligheid bij het verrichten van diensten door CSD’s in een andere lidstaat, moet voor dergelijke CSD’s, indien zij voornemens zijn bepaalde in deze verordening voorziene diensten te verrichten of een bijkantoor in een ontvangende lidstaat op te richten, een in deze verordening neergelegde specifieke procedure gelden.

(22)

Binnen een Unie- afwikkelingsmarkt zonder grenzen is het noodzakelijk de bevoegdheden van de verschillende bij de toepassing van deze verordening betrokken autoriteiten vast te stellen. De lidstaten moeten specifiek de bevoegde autoriteiten aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van deze verordening en die over de voor de uitoefening van hun taken benodigde toezichts- en onderzoeksbevoegdheden moeten beschikken. Een CSD moet een vergunning hebben en onder toezicht staan van de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst, die in de juiste positie verkeert en bevoegd moet zijn om na te gaan hoe CSD’s dagelijks opereren, om regelmatige toetsingen te verrichten en om passende actie te ondernemen wanneer dat nodig is. De betrokken bevoegde autoriteit moet echter in een zo vroeg mogelijk stadium met andere relevante autoriteiten overleg plegen en samenwerken, onder meer met de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de controle op elk door de CSD geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem, de centrale banken die de meest relevante vereffeningsvaluta’s uitgeven, in voorkomend geval, de betrokken centrale banken die als afwikkelende instantie voor elk effectenafwikkelingssysteem optreden, en ook, in voorkomend geval, de bevoegde autoriteiten van andere groepsentiteiten. Een dergelijke samenwerking houdt tevens in dat de betrokken autoriteiten informatie uitwisselen en onmiddellijk op de hoogte gesteld worden bij een noodsituatie die van invloed zijn op de liquiditeit en de stabiliteit van het financiële stelsel in alle lidstaten waar de CSD of een van haar deelnemers gevestigd is.

(23)

Indien een CSD haar diensten in een andere lidstaat verricht, moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de mogelijkheid hebben om de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst te verzoeken om alle informatie betreffende de activiteiten van de CSD die voor de verzoekende autoriteit van belang is. Om een doeltreffende coördinatie van het toezicht mogelijk te maken, zou die informatie in het bijzonder betrekking kunnen hebben op de diensten die ten behoeve van in de lidstaat van ontvangst gevestigde CSD-gebruikers worden verricht of op de instrumenten of valuta’s waarmee wordt gewerkt. Het kan tevens gaan om informatie omtrent nadelige ontwikkelingen, resultaten van risicobeoordelingen en herstelmaatregelen. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst moet ook toegang krijgen tot alle informatie die de CSD periodiek aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst rapporteert.

(24)

Indien een CSD haar diensten verricht in een andere lidstaat dan de lidstaat waar zij gevestigd is, onder meer door de oprichting van een bijkantoor, heeft de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst de primaire verantwoordelijkheid voor het toezicht op die CSD. Indien de activiteiten van een CSD in een lidstaat van ontvangst van substantieel belang zijn geworden voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in die lidstaat van ontvangst, moeten de bevoegde autoriteiten en de relevante autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst samenwerkingsregelingen vaststellen voor het toezicht op de activiteiten van die CSD in de lidstaat van ontvangst. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst moet ook kunnen besluiten dat deze samenwerkingsregelingen voorzien in multilaterale samenwerking, met inbegrip van samenwerking op collegiaal niveau, tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de bevoegde autoriteiten en de relevante autoriteiten van de betrokken lidstaten van ontvangst. Dergelijke samenwerkingsregelingen mogen echter niet worden beschouwd als colleges van toezichthouders als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1095/2010. Een lidstaat of groep van lidstaten mag als platform voor CSD- en afwikkelingsdiensten niet direct of indirect worden gediscrimineerd. Bij het uitvoeren van hun taken uit hoofde van deze verordening mogen autoriteiten ondernemingen uit andere lidstaten niet direct of indirect discrimineren. Behoudens deze verordening mag aan een CSD van een bepaalde lidstaat geen beperking of verbod worden opgelegd betreffende het afwikkelen van financiële instrumenten in de valuta van een andere lidstaat of in de valuta van een derde land.

(25)

Deze verordening mag de lidstaten niet beletten in hun nationale recht een specifiek kader vast te stellen voor de dagelijkse samenwerking op nationaal niveau tussen de bevoegde autoriteit van de CSD en relevante autoriteiten. Een dergelijk nationaal rechtskader moet sporen met de richtsnoeren betreffende toezichtspraktijken en samenwerking tussen autoriteiten die de ESMA uit hoofde van deze verordening kan uitvaardigen.

(26)

Elke rechtspersoon die aan de definitie van een CSD beantwoordt, dient van de bevoegde nationale autoriteiten een vergunning te verkrijgen alvorens zijn activiteiten te beginnen. Rekening houdend met verschillende zakenmodellen, moet een CSD worden gedefinieerd onder verwijzing naar bepaalde kerndiensten, die bestaan uit afwikkeling, hetgeen de exploitatie van een effectenafwikkelingssysteem, notarisdiensten en diensten voor het aanhouden van centrale effectenrekeningen inhoudt. Een CSD moet ten minste een effectenafwikkelingssysteem exploiteren en één andere kerndienst verrichten. Deze combinatie van diensten is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat CSD’s bij effectenafwikkeling hun rol kunnen vervullen en om de integriteit van een effectenuitgifte te waarborgen. Entiteiten die geen effectenafwikkelingssystemen exploiteren, zoals registrators, overdrachtagenten of publiekrechtelijke overheden, lichamen die verantwoordelijk zijn voor een registratiesysteem dat op grond van Richtlijn 2003/87/EG is opgericht, of CTP’s die bij Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (10) zijn gereglementeerd, beantwoorden niet aan de definitie van een CSD.

(27)

CSD’s moeten beschikken over herstelplannen om de continuïteit van hun kritieke activiteiten te waarborgen. Onverminderd Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (11) moeten de bevoegde autoriteiten ervoor zorgen dat er voor elke CSD een deugdelijk afwikkelingsplan wordt opgesteld en gehandhaafd, overeenkomstig het relevante nationale recht van de lidstaten.

(28)

Om te kunnen beschikken over betrouwbare gegevens over de omvang van effectenafwikkeling die plaatsvindt buiten effectenafwikkelingssystemen, en om te waarborgen dat kan worden toegezien en ingespeeld op optredende risico’s, moeten alle instellingen die geen CSD’s zijn en die effectentransacties afwikkelen buiten een effectenafwikkelingssysteem hun afwikkelingsactiviteiten rapporteren aan de betrokken bevoegde autoriteiten. De ontvangende bevoegde autoriteiten moeten die informatie vervolgens toezenden aan de ESMA, en zij moeten de ESMA inlichten over alle risico’s die ten gevolge van die afwikkelingsactiviteiten kunnen ontstaan. Voorts moet de ESMA toezien op deze afwikkelingsactiviteiten en rekening houden met de risico’s die eruit zouden kunnen voortvloeien.

(29)

Om te vermijden dat CSD’s risico’s nemen bij andere activiteiten dan die waarvoor overeenkomstig deze verordening de vergunningsplicht geldt, moeten de activiteiten van vergunninghoudende CSD’s beperkt zijn tot het verrichten van diensten waarvoor hun vergunning geldt of die gemeld zijn in het kader van deze verordening, en mogen zij geen deelneming, als omschreven in deze verordening onder verwijzing naar Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (12), of, directe of indirecte, eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of het kapitaal in andere instellingen dan instellingen die soortgelijke diensten verrichten, aanhouden, tenzij een deelneming door de voor de CSD bevoegde autoriteit is goedgekeurd omdat zij het risicoprofiel van de CSD’s niet in aanzienlijke mate verhoogt.

(30)

Om de veilige werking van effectenafwikkelingssystemen te waarborgen, mogen zij slechts door aan deze verordening onderworpen CSD’s of centrale banken die als CSD’s optreden worden geëxploiteerd.

(31)

Onverminderd de specifieke vereisten van het fiscaal recht van de lidstaten, moeten CSD’s bij hun kerndiensten nevendiensten kunnen verrichten die de veiligheid, de efficiëntie en de transparantie van de effectenmarkten helpen te vergroten en geen te groot risico voor hun kerndiensten vormen. Een enuntiatieve lijst van deze diensten is vastgesteld in deze verordening, om CSD’s de mogelijkheid te bieden op toekomstige marktontwikkelingen in te spelen. Indien de verrichting van die diensten betrekking heeft op verplichtingen inzake bronbelasting en rapportage aan de belastingautoriteiten, zal daarbij het recht van de betrokken lidstaten worden nageleefd. Conform artikel 114, lid 2, van het VWEU geldt de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen uit hoofde van artikel 114, lid 1, niet voor fiscale bepalingen. In zijn arrest van 29 april 2004 in zaak C-338/01 Commissie/Raad (13) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de woorden „fiscale bepalingen” op zodanige wijze moeten worden uitgelegd, „dat zij niet alleen betrekking hebben op de bepalingen tot vaststelling van de belastingplichtigen, de belastbare handelingen, de heffingsgrondslag, de tarieven en de vrijstellingen van de directe en indirecte belastingen, maar ook op de bepalingen betreffende de wijze van invordering van deze belastingen”. Deze verordening heeft daarom geen betrekking op regelingen voor de invordering van belastingen waarvoor een afzonderlijke rechtsgrondslag zou moeten worden gebruikt.

(32)

Een CSD die voornemens is een kerndienst aan een derde partij uit te besteden, of een nieuwe, niet in deze verordening vermelde kerndienst of nevendienst te verrichten, een ander effectenafwikkelingssysteem te exploiteren, een andere afwikkelende instantie te gebruiken of CSD-koppelingen in te stellen die aanzienlijke risico’s met zich brengen, moet een vergunning aanvragen volgens dezelfde procedurevereisten als voor de initiële vergunning, met dien verstande dat de bevoegde autoriteit de aanvragende CSD binnen drie maanden ervan in kennis moet stellen of de vergunning is verleend of geweigerd. Voor CSD-koppelingen die geen aanzienlijke risico’s met zich brengen, of interoperabele koppelingen van CSD’s die hun met die interoperabele koppelingen verband houdende diensten aan overheidsinstanties, zoals de leden van het ESCB, uitbesteden, moet geen verplichting tot voorafgaande vergunning gelden; de betrokken CSD’s dienen de koppelingen wel aan hun bevoegde autoriteiten te melden.

(33)

Indien een CSD voornemens is haar diensten uit te breiden tot niet-bancaire nevendiensten die uitdrukkelijk in deze verordening worden vermeld en waarmee geen verhoging van het risicoprofiel van de CSD is gemoeid, moet zij dat kunnen doen, na kennisgeving aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst.

(34)

In derde landen gevestigde CSD’s dienen hun diensten te kunnen aanbieden in de Unie, onder meer door de oprichting van een bijkantoor. Teneinde bij verrichting van CSD-diensten door dergelijke CSD’s een passend veiligheidsniveau te garanderen, dienen CSD’s uit derde landen die voornemens zijn bepaalde in deze verordening vermelde diensten te verrichten of een bijkantoor in de Unie op te richten, door de ESMA te worden erkend. CSD’s in derde landen moeten ook bij ontbreken van die erkenning koppelingen met in de Unie gevestigde CSD’s kunnen instellen, mits de betrokken bevoegde autoriteit daartegen geen bezwaar heeft. Gezien het mondiale karakter van de financiële markten kan de erkenning van CSD’s van derde landen het best door de ESMA geschieden. De ESMA moet de mogelijkheid hebben om CSD’s van derde landen alleen te erkennen als de Commissie besluit dat zij onderworpen zijn aan een wettelijk en toezichthoudend kader dat feitelijk gelijkwaardig is aan het kader waarin deze verordening voorziet, als zij daadwerkelijk een vergunning houden en er in hun land van vestiging toezicht en controle op hen wordt uitgeoefend en er samenwerkingsregelingen tussen de ESMA, de bevoegde autoriteiten en de relevante autoriteiten van de CSD’s zijn getroffen. Erkenning door de ESMA moet afhankelijk zijn van een daadwerkelijke gelijkwaardige erkenning van het prudentiële kader dat van toepassing is op CSD’s die in de Unie zijn gevestigd en die op grond van deze verordening een vergunning houden.

(35)

Rekening houdend met de complexiteit en het systeemrelevante karakter van de CSD’s en van de diensten die zij verrichten, moeten transparante bestuursregels waarborgen dat directieleden, leden van het leidinggevend orgaan, aandeelhouders en deelnemers die in een positie verkeren zeggenschap, zoals gedefinieerd onder verwijzing naar Richtlijn 2013/34/EU, uit te oefenen over de exploitatie van de CSD, geschikt zijn om een deugdelijk en prudent beheer van de CSD te garanderen.

(36)

In de lidstaten worden er verschillende bestuursstructuren gehanteerd. In de meeste gevallen wordt een monistische of een dualistische bestuursstructuur gehanteerd. De definities in deze verordening zijn erop gericht alle bestaande structuren te bestrijken zonder een bepaalde structuur te bepleiten. Zij zijn alleen bedoeld om regelgeving te kunnen vaststellen met als doel bepaalde resultaten te bereiken, ongeacht het nationale vennootschapsrecht dat in elke lidstaat op een instelling van toepassing is. De definities moeten derhalve de algemene verdeling van bevoegdheden overeenkomstig het nationale vennootschapsrecht onverlet laten.

(37)

Transparante bestuursregels moeten waarborgen dat de belangen van de aandeelhouders, het management en het personeel van de CSD, enerzijds, en de belangen van de gebruikers ten behoeve van wie de CSD’s uiteindelijk diensten verrichten, anderzijds, in aanmerking worden genomen. Die bestuursregels moeten gelden onverminderd het eigendomsmodel van de CSD. Voor elk door de CSD geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem moeten gebruikerscomités worden opgericht om gebruikers in staat te stellen het leidinggevend orgaan van de CSD te adviseren over de zaken die het meest van belang zijn voor hen; deze comités moeten de nodige instrumenten krijgen om hun taak te kunnen vervullen. In het gebruikerscomité moeten de belangen van de verschillende gebruikers van CSD’s, onder wie de houders van verschillende soorten instrumenten, zijn vertegenwoordigd.

(38)

CSD’s moeten de mogelijkheid hebben de exploitatie van hun diensten uit te besteden mits de risico’s die voortvloeien uit de uitbestedingsregelingen beheerd worden. Rekening houdend met het belang van de aan de CSD’s toevertrouwde taken moet deze verordening erin voorzien dat CSD’s hun verantwoordelijkheden niet aan derden overdragen door middel van de contractuele uitbesteding van hun activiteiten aan derden. Uitbesteding van die activiteiten moet onderworpen zijn aan strikte voorwaarden die de verantwoordelijkheid van de CSD’s voor hun activiteiten in stand houden en waarborgen dat het toezicht en de controle op de CSD’s niet worden geschaad. Uitbesteding door een CSD van haar activiteiten aan overheden moet onder bepaalde voorwaarden van die vereisten kunnen worden vrijgesteld.

(39)

Deze verordening mag lidstaten die systemen voor rechtstreeks effectenhouderschap toestaan niet beletten in hun nationale recht te bepalen dat andere partijen dan CSD’s bepaalde taken uitvoeren of mogen uitvoeren die in bepaalde andere systemen van effectenhouderschap per definitie door CSD’s worden uitgevoerd, en nader te omschrijven hoe die taken moeten worden uitgevoerd. Meer bepaald doet zich in sommige lidstaten de situatie voor dat rekeningbeheerders of deelnemers in door CSD’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen hun boekingen in door CSD’s aangehouden effectenrekeningen vermelden zonder zelf rekeningaanbieders te zijn. Gezien de behoefte aan rechtszekerheid omtrent de boekingen die in CSD-rekeningen worden verricht, moet de specifieke rol van die andere partijen in deze verordening worden erkend. Daarom zou het onder bepaalde omstandigheden en onder strikte wettelijke voorwaarden ook mogelijk moeten zijn de verantwoordelijkheid door de CSD en de andere betrokken partij te laten delen, of die andere partij de exclusieve verantwoordelijkheid te geven voor bepaalde aspecten van het aanhouden van effectenrekeningen bovenaan de houderschapsketen, op voorwaarde dat die andere partij aan adequate regelgeving en toezicht is onderworpen. De mate waarin verantwoordelijkheid wordt gedeeld, mag niet aan beperkingen worden onderworpen.

(40)

Bedrijfsvoeringsregels moeten zorgen voor transparantie in de relaties tussen CSD’s en hun gebruikers. In het bijzonder moeten CSD’s beschikken over openbaar gemaakte, transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria voor deelname aan het effectenafwikkelingssysteem, op grond waarvan beperking van de toegang door deelnemers slechts mogelijk is op basis van de daarmee gepaard gaande risico’s. Er moet voor de bevoegde autoriteiten een snelle en passende voorziening in rechte beschikbaar worden gesteld voor het aanpakken van elke ongerechtvaardigde weigering van CSD’s om hun diensten ten behoeve van deelnemers te verrichten. CSD’s moeten de prijzen en vergoedingen voor hun diensten openbaar maken. Ten behoeve van open en niet-discriminerende toegang tot hun diensten en gezien de significante marktmacht die CSD’s op het grondgebied van hun respectieve lidstaat nog steeds genieten, mogen CSD’s niet van hun openbaar gemaakt prijsstellingsbeleid met betrekking tot haar kerndiensten kunnen afwijken, en moeten zij een gescheiden boekhouding voeren voor de kosten en opbrengsten die verband houden met elk van hun kerndiensten en met hun nevendiensten. Die deelnamebepalingen completeren en versterken het recht van marktdeelnemers om gebruik te maken van een afwikkelingssysteem in een andere lidstaat op grond van Richtlijn 2014/65/EU.

(41)

Om een efficiënte registratie, afwikkeling en betaling te vergemakkelijken, moeten CSD’s in hun procedures voor communicatie met de deelnemers en marktinfrastructuren waarmee zij samenwerken plaats inruimen voor de op hun vakgebied bestaande internationale open communicatieprocedures en normen voor het versturen van berichten en referentiegegevens.

(42)

Rekening houdend met de centrale rol van effectenafwikkelingssystemen op de financiële markten, moeten CSD’s, wanneer zij hun diensten verrichten, alles in het werk stellen om de tijdige afwikkeling van effectentransacties en de integriteit van de effectenuitgifte te garanderen. Deze verordening mag het nationale recht van de lidstaten betreffende het houderschap van effecten en de regelingen betreffende de integriteit van effectenuitgiften niet doorkruisen. Met het oog op een betere bescherming van de activa van hun deelnemers en die van hun cliënten, moeten CSD’s bij deze verordening wel worden verplicht de effectenrekeningen die voor elke deelnemer worden aangehouden, van elkaar te scheiden, en desgevraagd ook de rekeningen van de cliënten van de deelnemer gescheiden te houden, waarbij in de mogelijkheid wordt voorzien deze verdere scheiding alleen ter beschikking te stellen tegen een hoger tarief, dat ten laste komt van de cliënten van de deelnemer die om verdere scheiding verzoeken. Van CSD’s en hun deelnemers moet worden verlangd dat ze voorzien in omnibus-scheiding van cliënten en vermogensscheiding per individuele cliënt, zodat cliënten het niveau van scheiding kunnen kiezen dat zij geschikt voor hun behoeften achten.

Hiervan dient slechts te worden afgeweken indien een CSD en haar deelnemers uit hoofde van andere beleidsbepalingen, in het bijzonder in verband met de efficiënte en transparante invordering van belastingen, verplicht zijn te voorzien in vermogensscheiding per individuele cliënt voor burgers, ingezetenen en rechtspersonen die zijn gevestigd in een lidstaat waar, op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, een dergelijke vermogensscheiding per individuele cliënt vereist is krachtens het nationale recht van de lidstaat dat de effectenuitgifte regelt, dit uitsluitend ten aanzien van burgers, ingezetenen en rechtspersonen die zijn gevestigd in die lidstaat. CSD’s moeten ervoor zorgen dat die vereisten voor elk door hen geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem afzonderlijk gelden. Onverminderd de verrichting van nevendiensten mogen CSD’s niet voor eigen rekening gebruikmaken van effecten die aan een deelnemer toebehoren tenzij die deelnemer daar uitdrukkelijk toestemming voor heeft gegeven; zij mogen ook niet anderszins voor eigen rekening gebruikmaken van de effecten die hun niet toebehoren. Daarnaast moet een CSD van de deelnemers verlangen dat zij van hun cliënten elke voorafgaande toestemming hebben verkregen die nodig is.

(43)

Overboekingsopdrachten die overeenkomstig de regels van effectenafwikkelingssystemen in die systemen worden ingevoerd, dienen krachtens Richtlijn 98/26/EG juridisch afdwingbaar te zijn en moeten aan derden kunnen worden tegengeworpen. Aangezien Richtlijn 98/26/EG echter niet specifiek verwijst naar CSD’s die effectenafwikkelingssystemen exploiteren, dient de verordening CSD’s er duidelijkheidshalve toe te verplichten het ogenblik of de ogenblikken te bepalen waarop overboekingsopdrachten in hun systemen worden ingevoerd en overeenkomstig het bepaalde in die richtlijn onherroepelijk worden. Voorts dienen CSD’s, met het oog op meer rechtszekerheid, hun deelnemers in kennis te stellen van het tijdstip waarop de overboeking van gelden en effecten in een effectenafwikkelingssysteem juridisch afdwingbaar en geldig wordt ten aanzien van derden overeenkomstig, naargelang van het geval, het nationale recht ter zake. CSD’s dienen ook alle redelijke stappen te zetten om ervoor te zorgen dat overboekingen van effecten en gelden niet later dan aan het eind van de werkdag van de daadwerkelijke datum van de afwikkeling, juridisch afdwingbaar en ten aanzien van derden geldig worden.

(44)

Om afwikkelingsrisico’s ten gevolge van de insolventie van de afwikkelende instantie te vermijden, moet een CSD, wanneer dat praktisch en mogelijk is, de geldzijde van de effectentransactie afwikkelen via bij de centrale bank geopende rekeningen. Als deze optie niet mogelijk of praktisch is, moet een CSD in staat zijn af te wikkelen via rekeningen die zijn geopend bij een kredietinstelling welke is opgericht overeenkomstig de voorwaarden van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (14) en volgens de specifieke vergunningsprocedure en prudentiële vereisten van titel IV van deze verordening.

(45)

Bancaire activiteiten bij afwikkeling die krediet- en liquiditeitsrisico’s met zich brengen, mogen alleen worden verricht door CSD’s of worden uitbesteed aan entiteiten die een vergunning hebben om bancaire nevendiensten bij CSD-activiteiten als neergelegd in deze verordening te verrichten.

(46)

Om de efficiëntie die voortvloeit uit de verrichting van zowel CSD- als bankdiensten binnen dezelfde groep van ondernemingen te garanderen, mogen de vereisten van deze verordening niet beletten dat kredietinstellingen tot dezelfde groep van ondernemingen behoren als de CSD. Het is raadzaam om regelingen te treffen waarbij CSD’s toestemming kunnen krijgen om vanuit dezelfde rechtspersoon of vanuit een afzonderlijke rechtspersoon die wel of geen deel kan uitmaken van een groep van ondernemingen die uiteindelijk door dezelfde moederonderneming wordt gecontroleerd, nevendiensten aan hun deelnemers en aan andere entiteiten aan te bieden. Indien een kredietinstelling die niet een centrale bank is, als afwikkelende instantie optreedt, moet zij ten behoeve van de deelnemers van de CSD de in deze verordening vastgestelde onder de vergunning vallende diensten kunnen verrichten, maar mag zij geen andere bankdiensten vanuit dezelfde rechtspersoon aanbieden, dit om de blootstelling van het afwikkelingssysteem aan de risico’s die voortvloeien uit het falen van de kredietinstelling te beperken.

(47)

Aangezien Richtlijn 2013/36/EU niet specifiek ingaat op intradag-kredietrisico’s en liquiditeitsrisico’s die voortvloeien uit de verrichting van bancaire nevendiensten bij afwikkeling, moeten kredietinstellingen en CSD’s die dergelijke diensten verrichten ook worden onderworpen aan specifieke strengere vereisten inzake beperking van het krediet- en het liquiditeitsrisico, waaronder een op risicoanalyse gebaseerde kapitaalopslag die een afspiegeling vormt van de relevante risico’s. Zulke strengere vereisten inzake beperking van het krediet- en het liquiditeitsrisico moeten stroken met de mondiale normen voor financiëlemarktinfrastructuren en met de beginselen die zijn opgenomen in het in april 2013 door het Bazels Comité voor bankentoezicht gepubliceerde document met de titel „Monitoring tools for intraday liquidity management”.

(48)

Sommige CSD’s die ook als kredietinstelling optreden, zijn onderworpen aan eigenvermogens- en rapportagevereisten die betrekking hebben op kredietinstellingen en die zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (15) en in Richtlijn 2013/36/EU. Gezien het systeemrelevante karakter van deze CSD’s dienen de strengste vereisten uit het recht van de Unie te gelden om de gecumuleerde toepassing van de verschillende Unieregels, bijvoorbeeld in verband met de rapportage van eigenvermogensvereisten, te vermijden. Op alle gebieden waarop mogelijke overlapping van de vereisten wordt geconstateerd, moeten de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) („EBA”) opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (16), en ESMA een advies over de passende toepassing van de handelingen van de Unie uitbrengen, conform respectievelijk artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

(49)

Naast de in Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU voorziene eigenvermogensvereisten moeten kredietinstellingen en CSD’s worden onderworpen aan een kapitaalopslag die een afspiegeling vormt van de risico’s, waaronder het krediet- en het liquiditeitsrisico, die gepaard gaan met de verlening van intradag-krediet aan, onder meer, de deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem of andere gebruikers van CSD-diensten.

(50)

Om te waarborgen dat specifieke maatregelen ter beperking van het krediet- en het liquiditeitsrisico volledig worden nageleefd, moeten de bevoegde autoriteiten kunnen verlangen dat CSD’s meer dan een kredietinstelling aanwijzen wanneer zij op grond van de beschikbare gegevens kunnen aantonen dat de blootstellingen van de ene kredietinstelling aan de concentratie van krediet- en liquiditeitsrisico’s niet volledig beperkt zijn. Ook CSD’s moeten meer dan één kredietinstelling kunnen aanwijzen.

(51)

Het toezicht op de naleving van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en van Richtlijn 2013/36/EU en van de bij deze verordening vastgestelde specifieke prudentiële vereisten door de aangewezen kredietinstellingen of vergunninghoudende CSD’s om bancaire nevendiensten bij afwikkeling te verrichten, moet worden toevertrouwd aan de bevoegde autoriteiten die worden genoemd in Verordening (EU) nr. 575/2013 Met het oog op de consistente toepassing van de toezichtnormen is het wenselijk dat de ECB rechtstreeks toezicht houdt op de bancaire diensten van CSD’s die door hun omvang en aard een aanzienlijk risico inhouden voor de financiële stabiliteit van de Unie rechtstreeks op grond van de voorwaarden die in Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (17) zijn voorzien aangaande het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen. Deze verordening moet Verordening (EU) nr. 1024/2013 onverlet laten.

(52)

Een kredietinstelling of CSD met vergunning voor het verrichten van bancaire nevendiensten bij afwikkeling moet voldoen aan alle huidige of toekomstige op kredietinstellingen toepasselijke Uniewetgeving. Deze verordening dient Richtlijn 2014/59/EU, alsmede alle toekomstige wetgevingshandelingen van de Unie betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en andere financiële instellingen, onverlet te laten.

(53)

Om een voldoende mate van veiligheid en continuïteit van door CSD’s verrichte diensten te garanderen, moeten voor CSD’s specifieke uniforme en rechtstreeks toepasselijke prudentiële en kapitaalvereisten gelden die hun juridische, operationele en beleggingsrisico’s beperken.

(54)

De veiligheid van de tussen twee CSD’s getroffen koppelingsregelingen moet onderworpen zijn aan specifieke vereisten om de toegang van hun respectieve deelnemers tot andere effectenafwikkelingssystemen mogelijk te maken. Het verrichten van bancaire nevendiensten vanuit een afzonderlijke rechtspersoon mag CSD’s niet beletten die diensten te ontvangen, met name wanneer zij aan een door een andere CSD geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem deelnemen. Het is bijzonder belangrijk dat alle potentiële risico’s die uit de koppelingsregelingen voortvloeien, zoals krediet-, liquiditeits-, organisatorische of alle andere relevante risico’s voor CSD’s volledig beperkt zijn. Voor interoperabele koppelingen is het belangrijk dat bij gekoppelde effectenafwikkelingssystemen overboekingsopdrachten op hetzelfde moment het systeem binnenkomen en onherroepelijk zijn, en dat gelijkwaardige regels worden toegepast voor het ogenblik waarop overboekingenvan effecten en gelden een definitief karakter krijgen. Dezelfde beginselen moeten gelden voor CSD’s die voor het afwikkelen een gemeenschappelijke informatietechnologie (IT)-infrastructuur gebruiken.

(55)

Om efficiënt toezicht door de bevoegde autoriteiten op de werkzaamheden van de CSD’s mogelijk te maken, dienen voor de CSD’s strenge voorschriften inzake het bijhouden van gegevens te gelden. De CSD’s dienen gedurende ten minste tien jaar alle vastleggingen en gegevens over alle mogelijke door hen verrichte diensten bij te houden, waaronder transactiegegevens over diensten van zekerhedenbeheer met verwerking van repo-overeenkomsten of effectenuitleenovereenkomsten. Met het oog op de naleving van de vastleggingsvereiste moeten de CSD’s wellicht een gemeenschappelijk format voor de aanlevering van transactiegegevensdoor hun cliënten definiëren, overeenkomstig alle krachtens deze verordening vastgestelde desbetreffende technische regulerings- en uitvoeringsnormen.

(56)

In veel lidstaten zijn uitgevende instellingen wettelijk verplicht bepaalde soorten effecten, met name aandelen, binnen hun nationale CSD’s uit te geven. Om deze belemmering voor de vlotte werking van de uniale posttransactionele markt op te heffen en uitgevende instellingen in staat te stellen de meest efficiënte wijze van beheer van hun effecten te kiezen, moeten uitgevende instellingen het recht hebben om voor de vastlegging van hun effecten en het ontvangen van alle betrokken CSD-diensten elke in de Unie gevestigde CSD te kiezen. Aangezien harmonisatie van het nationale vennootschapsrecht niet is begrepen in de werkingssfeer van deze verordening, moet dat nationale vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht dat de uitgifte van effecten regelt, van toepassing blijven en dienen regelingen te worden getroffen opdat aan de voorschriften van dat nationale vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht kan worden voldaan bij de uitoefening van het recht op keuze van een CSD. In het nationale vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht dat de uitgifte van effecten regelt, wordt de relatie tussen de uitgevende instelling en de houder of eventuele derde partij geregeld, alsmede de respectieve rechten en plichten die aan de effecten zijn verbonden, zoals stemrecht, dividend en beheersdaden („corporate actions”). Een weigering van dienstverlening aan een uitgevende instelling kan alleen gerechtvaardigd worden op basis van een diepgaande risicobeoordeling of indien de CSD geen uitgiftediensten verricht voor effecten waarvan de uitgifte bij het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de betrokken lidstaat wordt geregeld. Aan de bevoegde autoriteiten moet een snelle en passende voorziening in rechte ter beschikking worden gesteld voor het aanpakken van elke ongerechtvaardigde weigering van CSD’s om hun diensten aan uitgevende instellingen te verstrekken.

(57)

Gelet op de toename van het grensoverschrijdend houderschap en de grensoverschrijdende overdracht van effecten, welke door deze verordening nog zal worden bevorderd, is het bijzonder urgent en van het grootste belang dat er heldere regels worden vastgesteld betreffende het recht dat van toepassing zal zijn op eigendomsaspecten met betrekking tot effecten die worden aangehouden in rekeningen welke worden beheerd door CSD’s. Dit is evenwel een horizontaal vraagstuk dat verder reikt dan het toepassingsgebied van deze verordening en eventueel in toekomstige wetgevingshandelingen van de Unie kan worden geregeld.

(58)

De Europese Gedragscode voor clearing en afwikkeling van 7 november 2006 heeft een vrijwillig kader in het leven geroepen om toegang tussen CSD’s en andere marktinfrastructuren mogelijk te maken. De posttransactionele sector blijft echter volgens nationale scheidingslijnen gefragmenteerd, waardoor grensoverschrijdende transacties nodeloos duur zijn. Het is noodzakelijk uniforme voorwaarden voor koppelingen tussen CSD’s en voor toegang tussen CSD’s en andere marktinfrastructuren vast te stellen. Om CSD’s in staat te stellen hun deelnemers toegang tot andere markten te verlenen, moeten zij het recht hebben om deelnemer te worden aan een andere CSD of om een andere CSD te verzoeken speciale functies voor toegang tot laatstgenoemde CSD te ontwikkelen. Een dergelijke toegang moet worden toegekend op grond van billijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden en mag alleen worden geweigerd indien dit de vlotte en ordelijke werking van de financiële markten in gevaar brengt, of systeemrisico’s veroorzaakt. Een snelle en passende voorziening in rechte moet voor de bevoegde autoriteiten beschikbaar worden gesteld om elke ongerechtvaardigde weigering van een CSD om toegang aan een andere CSD te verlenen, aan te pakken. Indien CSD-koppelingen aanmerkelijke afwikkelingsrisico’s inhouden, moeten zij aan vergunningsplicht en intensiever toezicht door de betrokken bevoegde autoriteiten zijn onderworpen.

(59)

CSD’s moeten tevens toegang hebben tot de transactiestroom van een CTP of een handelsplatform en die marktinfrastructuren moeten toegang hebben tot de door CSD’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen. Die toegang kan slechts worden geweigerd indien de vlotte en ordelijke werking van de financiële markten erdoor in het gedrang komt of een systeemrisico ontstaat, en mag niet worden afgewezen op grond van verlies van marktaandeel.

(60)

De bevoegde autoriteiten moeten kunnen beschikken over een snelle en passende voorziening in rechte om elke ongerechtvaardigde weigering van CSD’s of marktinfrastructuren om toegang te bieden tot hun diensten aan te pakken. Deze verordening is een aanvulling op de in Verordening (EU) nr. 648/2012 en in Verordening (EU) nr. 600/2014 vervatte toegangsregelingen tussen handelsplatforms, CTP’s, en CSD’s die noodzakelijk zijn om een concurrerende interne markt in diensten voor transactieverwerking tot stand te brengen. De ESMA en de Commissie moeten de ontwikkeling van de transactieverwerkingsinfrastructuur nauwlettend blijven volgen en, indien nodig, optreden om concurrentieverstoringen op de interne markt te voorkomen.

(61)

Een gedegen prudentieel en bedrijfsvoeringskader voor de financiële sector moet op strenge toezicht- en sanctieregelingen berusten. Daartoe moeten toezichthoudende autoriteiten voldoende bevoegdheden bezitten en moeten zij op basis van afschrikkende sanctieregelingen tegen onwettige bedrijfsvoering kunnen optreden. Een evaluatie die is verricht van bestaande sanctiebevoegdheden en de praktische toepassing daarvan ter bevordering van de convergentie van de sancties binnen het gehele scala van toezichtactiviteiten, is te vinden in de mededeling van de Commissie van 8 december 2010, getiteld „Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector”.

(62)

Om de vereisten van deze verordening effectief te doen naleven door CSD’s, als afwikkelende instantie aangewezen kredietinstellingen, de leden van hun leidinggevende organen en alle andere personen die daadwerkelijk zeggenschap uitoefenen over hun bedrijf of alle andere personen, moeten de bevoegde autoriteiten derhalve administratieve sancties en andere maatregelen kunnen toepassen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(63)

Om afschrikking en consistente toepassing van de sancties in alle lidstaten te waarborgen, moet deze verordening voorzien in een lijst van de voornaamste administratieve sancties en andere maatregelen waarover de bevoegde autoriteiten moeten kunnen beschikken, in de bevoegdheid om die sancties en andere maatregelen op te leggen aan alle natuurlijke of rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor een inbreuk, in een lijst van belangrijke criteria bij het bepalen van het niveau en de soort van sancties en andere maatregelen en in niveaus van administratieve geldboetes. Bij administratieve geldboetes moet rekening worden gehouden met factoren zoals geconstateerd financieel voordeel ten gevolge van de inbreuk, de ernst en de duur van de inbreuk, verzwarende of verzachtende omstandigheden, het feit dat administratieve geldboetes een afschrikkend effect moeten hebben en, in voorkomend geval, een korting wegens samenwerking met de bevoegde autoriteit moeten omvatten. Bij de vaststelling en bekendmaking van sancties moeten de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”) neergelegde grondrechten worden nageleefd, in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven (artikel 7), het recht op bescherming van persoonsgegevens (artikel 8) en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht (artikel 47).

(64)

Om potentiële inbreuken aan het licht te brengen, moeten er doeltreffende mechanismen worden ingevoerd ter stimulering van het melden van potentiële of feitelijke inbreuken op deze verordening bij de bevoegde autoriteiten. Die mechanismen moeten toereikende waarborgen omvatten voor de personen die potentiële of feitelijke inbreuken op deze verordening melden en voor de personen die van die inbreuken worden beschuldigd. Er dienen passende procedures te worden ingesteld met het oog op de inachtneming van het recht van de beschuldigde persoon op bescherming van de persoonsgegevens, het recht op verdediging en om te worden gehoord voordat een definitieve beslissing wordt genomen die gevolgen heeft voor die persoon, en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte tegen elke beslissing of maatregel die gevolgen heeft voor die persoon.

(65)

Deze verordening dient de wettelijke bepalingen van de lidstaten inzake strafrechtelijke sancties onverlet te laten.

(66)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (18) regelt de in de lidstaten krachtens de onderhavige verordening uitgevoerde verwerking van persoonsgegevens. Elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten van de lidstaten moet sporen met de regels betreffende de overdracht van persoonsgegevens zoals vastgesteld bij Richtlijn 95/46/EG. Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (19) regelt de krachtens de onderhavige verordening door de ESMA uitgevoerde verwerking van persoonsgegevens. Elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de ESMA moet sporen met de regels betreffende de overdracht van persoonsgegevens zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 45/2001.

(67)

Deze verordening strookt met de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het bijzonder in het Handvest zijn erkend, in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op de bescherming van persoonsgegevens, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het recht om niet tweemaal voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft en de vrijheid van ondernemerschap, en moet in overeenstemming met die rechten en beginselen worden toegepast.

(68)

ESMA moet bij de toepassing van deze verordening een centrale rol vervullen door een consistente toepassing van de Unieregels door de bevoegde autoriteiten te waarborgen en door meningsverschillen tussen hen te beslechten.

(69)

ESMA moet in een jaarlijks verslag aan de Commissie de tendensen en mogelijke risico’s van de onder deze verordening vallende markten evalueren. Die verslagen dienen ten minste een beoordeling te bevatten van de afwikkelingsefficiëntie, de interne afwikkelingsoperaties, de grensoverschrijdende verrichting van diensten, de gronden op basis waarvan toegangsrechten zijn afgewezen alsook alle andere aanzienlijke belemmeringen voor mededinging in posttransactionele financiële diensten, waaronder alle belemmeringen die voortvloeien uit ongepast gebruik van regelingen voor vergunningverlening, gepastheid van bij mislukte afwikkelingsoperaties opgelegde sancties, in het bijzonder de noodzaak van extra flexibiliteit voor sancties bij mislukte afwikkelingsoperaties met betrekking tot niet-liquide financiële instrumenten, de toepassing van de regelgeving van de lidstaten inzake burgerlijke aansprakelijkheid bij een verlies dat aan CSD’s kan worden toegeschreven, de voorwaarden voor het voorzien in bancaire nevendiensten, vereisten inzake de bescherming van effecten van deelnemers en die van hun cliënten, en het stelsel van sancties; daarnaast kan het verslag, indien noodzakelijk, aanbevelingen voor preventieve of verhelpende maatregelen bevatten. De ESMA dient eveneens collegiale toetsingen („peer reviews”) te verrichten met betrekking tot de door de bevoegde autoriteiten uit hoofde van deze verordening verrichte werkzaamheden, binnen een passende termijn en overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) nr. 1095/2010. Aangezien CSD’s systeemrelevant zijn en nu voor het eerst op Unieniveau worden gereguleerd, is het passend om voor te schrijven dat die collegiale toetsing in eerste instantie om de drie jaar plaatsvindt, althans wat betreft het toezicht op CSD’s die gebruikmaken van de vrijheid om diensten te verrichten of die deelnemen in een interoperable koppeling.

(70)

Het zou efficiënt en passend zijn om de ESMA, als instelling met hooggespecialiseerde deskundigheid betreffende effecten en effectenmarkten, te belasten met het opstellen van aan de Commissie voor te leggen ontwerpen van technische regulerings- en uitvoeringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden. Indien zulks is bepaald, moet de ESMA tevens nauw samenwerken met de leden van het ESCB en de EBA.

(71)

Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU en de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 en van Verordening (EU) nr. 1095/2010 technische reguleringsnormen vast te stellen ten aanzien van de nadere maatregelen inzake afwikkelingsdiscipline, de verslaglegging van interne afwikkelingsoperaties, informatie en andere elementen die door een CSD in haar vergunningsaanvraag moeten worden opgenomen, de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten van een CSD hun goedkeuring kunnen hechten aan deelneming in het kapitaal van sommige juridische entiteiten, de informatie die de verschillende autoriteiten elkaar verstrekken bij het toezicht op CSD’s, de informatie die de aanvragende CSD aan de ESMA in haar erkenningsaanvraag dient te verstrekken, de elementen van de bestuursregelingen voor CSD’s, de nadere regels voor de vastleggingen die door de CSD’s moeten worden bewaard, de risico’s die CSD’s in aanmerking dienen te nemen in het kader van een algehele risicobeoordeling en die de bevoegde autoriteiten in aanmerking dienen te nemen bij de afweging van de gronden tot weigering van een verzoek om toegang, de elementen van de procedure voor toegang voor deelnemers en uitgevende instellingen tot CSD’s, voor toegang tussen CSD’s en tussen CSD’s en andere marktinfrastructuren, de details van de maatregelen die door de CSD’s moeten worden genomen ter handhaving van de integriteit van de uitgifte, de beperking van de operationele en investeringsrisico’s en van de risico’s die uit de CSD-koppelingen voortkomen, de nadere regels voor de kapitaalvereisten voor CSD’s, de nadere regels voor het aanvragen van een vergunning om bancaire nevendiensten te verrichten, de kapitaalopslag en de prudentiële vereisten inzake krediet- en liquiditeitsrisico’s voor CSD’s en de aangewezen kredietinstellingen die gemachtigd zijn om bancaire nevendiensten te verrichten.

(72)

Aan de Commissie moet tevens de bevoegdheid worden toegekend om door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 VWEU en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 technische uitvoeringsnormen vast te stellen ten aanzien van standaardformulieren en modellen voor verslaglegging over interne afwikkelingsoperaties, voor de vergunningsaanvraag door CSD’s, voor de informatieverstrekking tussen verschillende bevoegde autoriteiten met het oog op het toezicht op CSD’s, voor de betrokken samenwerkingsregelingen tussen de autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst, voor de formats van de vastleggingen die door de CSD’s moeten worden bewaard, voor de procedures in gevallen waarin een deelnemer of een uitgevende instelling de toegang tot een CSD is ontzegd of waarin CSD’s onderling of ten aanzien van andere marktinfrastructuren de toegang is ontzegd, en voor de raadpleging van verschillende autoriteiten vóór vergunningverlening aan een afwikkelende instantie.

(73)

Teneinde de in deze verordening vastgestelde doelstellingen te bereiken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van specifieke bijzonderheden betreffende bepaalde definities, parameters voor de berekening van de geldboetes voor de deelnemers die mislukte afwikkelingsoperaties veroorzaken, en de criteria op grond waarvan de bedrijfsactiviteiten van een CSD in een lidstaat van ontvangst als van substantieel belang voor die lidstaat moeten worden beschouwd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(74)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om, ten aanzien van de erkenning van CSD’s van derde landen beslissingen te nemen over de beoordeling van regels van derde landen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (20).

(75)

Bij de beoordeling van de desbetreffende regels van derde landen dient te worden gekozen voor een evenredige, op resultaten gebaseerde aanpak, waarbij de klemtoon ligt op de naleving van de toepasselijke Unievoorschriften en, in voorkomend geval, de inachtneming van internationale normen. Voorwaardelijke of tussentijdse erkenning is ook mogelijk indien er geen aanzienlijke verschillen zijn die voorspelbare nadelige effecten op Uniemarkten zouden hebben.

(76)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vaststellen van uniforme vereisten voor afwikkeling en voor CSD’s, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(77)

Het is noodzakelijk Richtlijn 98/26/EG te wijzigen om haar in overeenstemming te brengen met Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad (21), waarbij aangewezen effectenafwikkelingssystemen niet langer aan de Commissie, maar aan de ESMA ter kennis worden gebracht.

(78)

Rekening houdend met het feit dat deze verordening is gericht op harmonisatie van de maatregelen op Unieniveau om mislukte afwikkelingen te voorkomen en aan te pakken, en zij voor dergelijke maatregelen een ruimer toepassingsgebied vaststelt dan bij Verordening (EU) nr. 236/2012 van het Europees Parlement en de Raad (22), dient artikel 15 van die verordening te worden ingetrokken.

(79)

CSD’s die diensten verrichten welke uitdrukkelijk worden vermeld in deze verordening, dienen te worden vrijgesteld van de toepassing van Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014. Om ervoor te zorgen dat entiteiten die beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, onder Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 vallen, en teneinde concurrentieverstoring tussen verschillende soorten verrichters van dergelijke diensten te voorkomen, moeten CSD’s die in het kader van hun nevendiensten beleggingsdiensten en -activiteiten verrichten, aan de voorschriften van Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 worden onderworpen.

(80)

De toepassing van de vergunnings- en erkenningsvereisten van deze verordening moet worden uitgesteld om in de Unie of in derde landen gevestigde CSD’s voldoende tijd te geven om de bij deze verordening bepaalde vergunning en erkenning van hun activiteiten aan te vragen. In afwachting van een uit hoofde van deze verordening vast te stellen besluit betreffende de vergunning en de erkenning van CSD’s en hun activiteiten, met inbegrip van CSD-koppelingen, dienen de respectieve nationale regels voor de vergunning en de erkenning van CSD’s van kracht te blijven.

(81)

Het is tevens noodzakelijk de toepassing uit te stellen van de voorschriften aangaande afwikkelingsdiscipline en die aangaande de rapportageverplichting van afwikkelingsinternalisatoren tot wanneer alle gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die dergelijke voorschriften nader omschrijven, van kracht zijn, evenals van de voorschriften voor girale vastlegging van bepaalde effecten en afwikkeling van verplichtingen in effectenafwikkelingssystemen uiterlijk op de tweede werkdag na de transactie, om marktdeelnemers die effecten in papieren vorm aanhouden of langere afwikkelingstermijnen hanteren voldoende tijd te geven om aan die vereisten te voldoen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden uniforme vereisten voor de afwikkeling van financiële instrumenten in de Unie en regels voor de organisatie en het beheer van centrale effectenbewaarinstellingen (central securities depositories, CSD’s) vastgesteld teneinde veilige, efficiënte en vlotte afwikkeling te bevorderen.

2.   Tenzij anders bepaald in deze verordening, is deze verordening van toepassing op de afwikkeling van alle financiële instrumenten en activiteiten van CSD’s.

3.   Deze verordening laat bepalingen van het Unierecht betreffende specifieke financiële instrumenten, met name Richtlijn 2003/87/EG, onverlet.

4.   De artikelen 10 tot en met 20, 22 tot en met 24, artikel 27, artikel 28, lid 6, artikel 30, lid 4, de artikelen 46 en 47, de bepalingen van titel IV en de in deze verordening vervatte voorschriften om aan de bevoegde of de relevante autoriteiten te rapporteren of hun instructies uit te voeren, zijn niet van toepassing op de leden van het ESCB, andere nationale organen van lidstaten die soortgelijke functies vervullen, of op andere overheidsorganen van de lidstaten die belast zijn met of een rol spelen bij het beheer van overheidsschuld in de Unie ten aanzien van een CSD waarvan het beheer rechtstreeks door de bovengenoemde organen plaatsvindt onder de verantwoordelijkheid van hetzelfde beheersorgaan, dat toegang heeft tot de gelden van die organen en dat geen afzonderlijke entiteit is.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „centrale effectenbewaarinstelling” of „CSD”: een rechtspersoon die een effectenafwikkelingssysteem als bedoeld in punt 3 van afdeling A van de bijlage exploiteert en ten minste één andere kerndienst als bedoeld in afdeling A van de bijlage verstrekt;

2.   „CSD van een derde land”: een in een derde land gevestigde rechtspersoon die een dienst verleent die met de in punt 3 van afdeling A van de bijlage bedoelde kerndienst te vergelijken is en ten minste één andere kerndienst als vermeld in afdeling A van de bijlage uitvoert;

3.   „immobilisatie”: het bij elkaar brengen van alle fysieke effecten in een CSD, zodat opeenvolgende overboekingen in girale vorm kunnen plaatsvinden;

4.   „gedematerialiseerde vorm”: het feit dat financiële instrumenten alleen in girale vorm bestaan;

5.   „CSD die het verzoek ontvangt”: CSD die van een andere CSD een verzoek om toegang tot haar diensten middels een CSD-koppeling ontvangt;

6.   „verzoekende CSD”: de CSD die een andere CSD verzoekt om toegang tot haar diensten middels een CSD-koppeling;

7.   „afwikkeling”: de voltooiing van een effectentransactie waar deze is gesloten met het doel verplichtingen van de partijen bij die transactie te vervullen middels de overboeking van geld of effecten dan wel van beide;

8.   „financiële instrumenten” of „effecten”: financiële instrumenten als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 15), van Richtlijn 2014/65/EU;

9.   „overboekingsopdracht”: een overboekingsopdracht als gedefinieerd onder i), tweede streepje, van artikel 2 van Richtlijn 98/26/EG;

10.   „effectenafwikkelingssysteem”: een systeem overeenkomstig artikel 2, onder a), eerste, tweede en derde streepje, van Richtlijn 98/26/EG, dat niet wordt geëxploiteerd door een centrale tegenpartij waarvan het bedrijf bestaat uit de uitvoering van overboekingsopdrachten;

11.   „afwikkelingsinternalisator”: elke instelling, waaronder een instelling met een vergunning in de zin van Richtlijn 2013/36/EU of van Richtlijn 2014/65/EU, die voor rekening van cliënten of voor eigen rekening, en anders dan via een effectenafwikkelingssysteem, overboekingsopdrachten uitvoert;

12.   „voorgenomen afwikkelingsdatum”: door de partijen bij een effectentransactie overeengekomen datum waarop afwikkeling moet plaatsvinden, welke als zodanig in het effectenafwikkelingssysteem wordt ingevoerd;

13.   „afwikkelingstermijn”: de tijdsperiode tussen de transactiedatum en de voorgenomen afwikkelingsdatum;

14.   „werkdag”: werkdag in de zin van artikel 2, onder n), van Richtlijn 98/26/EG;

15.   „mislukte afwikkelingsoperatie”: het niet of gedeeltelijk optreden van afwikkeling van een effectentransactie op de voorgenomen afwikkelingsdatum, wegens een gebrek aan effecten of geld en ongeacht de onderliggende reden;

16.   „centrale tegenpartij” of „CTP”: een CTP zoals omschreven in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012;

17.   „bevoegde autoriteit”: de autoriteit die door elke lidstaat wordt aangewezen in overeenstemming met artikel 11, tenzij anders bepaald in deze verordening;

18.   „relevante autoriteit”: een autoriteit als bedoeld in artikel 12;

19.   „deelnemer”: elke deelnemer, in de zin van artikel 2, onder f), van Richtlijn 98/26/EG aan een effectenafwikkelingssysteem;

20.   „deelneming”: deelneming in de zin van de eerste zin van artikel 2, punt 2), van Richtlijn 2013/34/EU of de directe of indirecte eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming;

21.   „zeggenschap”: de relatie tussen twee ondernemingen als omschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU;

22.   „dochteronderneming”: een dochteronderneming in de zin van artikel 2, lid 10, en artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU;

23.   „lidstaat van herkomst”: de lidstaat waarin een CSD gevestigd is;

24.   „lidstaat van ontvangst”: de lidstaat, met uitzondering van de lidstaat van herkomst, waar een CSD een bijkantoor heeft of CSD-diensten verricht;

25.   „bijkantoor”: een kantoor, met uitzondering van het hoofdkantoor, dat een onderdeel is van een CSD, dat geen rechtspersoonlijkheid heeft en dat CSD-diensten verricht waarvoor de CSD een vergunning heeft;

26.   „wanbetaling”, met betrekking tot een deelnemer: een situatie waarin een insolventieprocedure, in de zin van artikel 2, onder j), van Richtlijn 98/26/EG, tegen een deelnemer wordt geopend;

27.   „levering tegen betaling”: een effectenafwikkelingsmechanisme dat een overboeking van effecten verbindt met een overboeking van geld op een zodanige wijze dat de levering van effecten uitsluitend optreedt indien de overeenkomstige overboeking van geld optreedt en vice versa;

28.   „effectenrekening”: een rekening waarop effecten mogen worden gecrediteerd of gedebiteerd;

29.   „CSD -koppeling”: een regeling tussen CSD’s waarbij een CSD een deelnemer aan het effectenafwikkelingssysteem van een andere CSD wordt teneinde de overboeking van effecten van de deelnemers van de laatstgenoemde CSD naar de deelnemers van de eerstgenoemde CSD te vergemakkelijken, of een regeling waarbij een CSD indirect toegang tot een andere CSD heeft via een intermediair. CSD-koppelingen omvatten standaardkoppelingen, op maat gemaakte koppelingen, indirecte koppelingen en interoperabele koppelingen;

30.   „standaardkoppeling”: een CSD-koppeling waarbij een CSD een deelnemer aan het effectenafwikkelingssysteem van een andere CSD wordt onder dezelfde voorwaarden als elke andere deelnemer aan het door die andere CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem;

31.   „op maat gemaakte koppeling”: een CSD-koppeling waarbij aan een CSD die een deelnemer aan het effectenafwikkelingssysteem van een andere CSD wordt, specifieke diensten worden verstrekt ter aanvulling van de diensten die normaliter door die CSD aan deelnemers aan het effectenafwikkelingssysteem worden verstrekt;

32.   „indirecte koppeling”: een regeling tussen een CSD en een derde partij die als niet-CSD deelneemt aan het effectenafwikkelingssysteem van een andere CSD. Deze koppeling wordt ingesteld door een CSD teneinde de overboeking van effecten van de deelnemers van een andere CSD naar eigen deelnemers te vergemakkelijken;

33.   „interoperabele koppeling”: een CSD-koppeling waarbij de CSD’s overeenkomen gemeenschappelijke technische oplossingen voor afwikkeling in te stellen in de door hen geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen;

34.   „internationale open communicatieprocedures en -normen”: internationaal aanvaarde normen voor communicatieprocedures, zoals gestandaardiseerde formats voor verzending van berichten en gegevensweergave, die op billijke, open en niet-discriminerende basis beschikbaar zijn voor alle betrokkenen;

35.   „overdraagbare effecten”: effecten als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 44), van Richtlijn 2014/65/EU;

36.   „aandelen”: aandelen als bedoeld in punt 44, onder a), van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU;

37.   „geldmarktinstrumenten”: geldmarktinstrumenten als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 17), van Richtlijn 2014/65/EU;

38.   „rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging”: rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging als bedoeld in punt 3) van deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU;

39.   „emissierecht”: emissierecht als omschreven in punt 11) van deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, uitgezonderd derivaten van emissierechten;

40.   „gereglementeerde markt”: gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21), van Richtlijn 2014/65/EU;

41.   „multilaterale handelsfaciliteit” of „mtf” (multilateral trading facility): multilaterale handelsfaciliteit in de zin van artikel 4, lid 1, punt 22), van Richtlijn 2014/65/EU;

42.   „handelsplatform”: handelsplatform als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 24), van Richtlijn 2014/65/EU;

43.   „afwikkelende instantie”: afwikkelende instantie in de zin van artikel 2, onder d), van Richtlijn 98/26/EG;

44.   „mkb-groeimarkt”: een mkb-groeimarkt als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 12), van Richtlijn 2014/65/EU;

45.   „leidinggevend orgaan”: het (de) overeenkomstig nationaal recht aangewezen orgaan (organen) van een CSD, dat (die) gemachtigd is (zijn) de strategie, doelstellingen en algemene leiding van de CSD vast te stellen, en fungeert (fungeren) als toezichthouder op en bewaker van de besluitvorming van het management. Dit omvat personen die daadwerkelijk het beleid van de CSD bepalen.

Ingeval een leidinggevend orgaan uit hoofde van het nationale recht bestaat uit verschillende organen met specifieke taken, zijn de voorschriften van deze verordening alleen van toepassing op leden van het leidinggevend orgaan die op grond van het toepasselijke nationale recht respectievelijk bevoegd zijn;

46.   „directie”: de natuurlijke personen die binnen een CSD uitvoerende functies vervullen en die aan het leidinggevend orgaan verantwoording en rekenschap moeten afleggen voor het dagelijks bestuur van de CSD.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 67 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende maatregelen ter nadere omschrijving van de in de punten 1 tot en met 4 van afdeling B van de bijlage bedoelde niet-bancaire nevendiensten en van de in afdeling C van de bijlage bedoelde bancaire nevendiensten.

TITEL II

EFFECTENAFWIKKELING

HOOFDSTUK I

Giralisering

Artikel 3

Giralisering

1.   Onverminderd lid 2, zorgt elke in de EU gevestigde uitgevende instelling die effecten uitgeeft of heeft uitgegeven welke tot de handel zijn toegelaten of welke op handelsplatforms worden verhandeld, ervoor dat die effecten in girale vorm worden weergegeven na immobilisatie of na een rechtstreekse uitgifte van de effecten in gedematerialiseerde vorm.

2.   Bij een transactie in effecten die op een handelsplatform wordt verricht, worden de betrokken effecten op of vóór de voorgenomen afwikkelingsdatum giraal vastgelegd bij een CSD, tenzij zij reeds op die manier zijn vastgelegd.

Bij overdracht van effecten ingevolge een financiëlezekerheidsovereenkomst in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van Richtlijn 2002/47/EG, worden die effecten op of vóór de voorgenomen afwikkelingsdatum giraal vastgelegd bij een CSD, tenzij zij reeds op die manier zijn vastgelegd.

Artikel 4

Handhaving

1.   De autoriteiten van de lidstaten waar de uitgevende instelling die effecten uitgeeft gevestigd is, zorgen ervoor dat artikel 3, lid 1, wordt toegepast.

2.   De autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op de handelsplatforms, waaronder de bevoegde autoriteiten die overeenkomstig artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (23) zijn benoemd, zorgen ervoor dat artikel 3, lid 2, eerste alinea, van deze verordening wordt toegepast indien de in artikel 3, lid 1, van deze verordening bedoelde effecten worden verhandeld op handelsplatforms.

3.   De autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van Richtlijn 2002/47/EG zorgen ervoor dat artikel 3, lid 2, tweede alinea, van deze verordening wordt toegepast indien de in artikel 3, lid 1, van deze verordening bedoelde effecten worden overgedragen ingevolge een financiëlezekerheidsovereenkomst in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van Richtlijn 2002/47/EG.

HOOFDSTUK II

Afwikkelingstermijnen

Artikel 5

Voorgenomen afwikkelingsdatum

1.   Elke deelnemer aan een effectenafwikkelingssysteem die in dat systeem voor eigen rekening of namens een derde transacties in effecten, geldmarktinstrumenten, rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging en emissierechten afwikkelt, wikkelt die transacties op de voorgenomen afwikkelingsdatum af.

2.   Ten aanzien van in lid 1 bedoelde transacties in effecten die worden verricht op handelsplatforms, valt de voorgenomen afwikkelingsdatum niet later dan op de tweede werkdag nadat de transactie plaatsvindt. Dat voorschrift is niet van toepassing op afzonderlijk onderhandelde maar op een handelsplatform verrichte transacties, op bilateraal verrichte maar aan een handelsplatform gemelde transacties, of op de eerste transactie indien voor de betrokken effecten initiële vastlegging in girale vorm overeenkomstig artikel 3, lid 2, geldt.

3.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat lid 1 wordt toegepast.

De voor toezicht op handelsplatforms bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat lid 2 wordt toegepast.

HOOFDSTUK III

Afwikkelingsdiscipline

Artikel 6

Maatregelen om mislukte afwikkelingsoperaties te voorkomen

1.   Handelsplatforms stellen procedures vast die het mogelijk maken relevante gegevens over transacties in de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten te bevestigen op de datum waarop de transactie wordt uitgevoerd.

2.   Niettegenstaande het in lid 1 neergelegde voorschrift, nemen beleggingsondernemingen die op grond van artikel 5 van Richtlijn 2014/65/EU zijn gemachtigd, in voorkomend geval maatregelen tot beperking van het aantal mislukte afwikkelingsoperaties.

Deze maatregelen omvatten ten minste regelingen tussen de beleggingsonderneming en haar professionele cliënten zoals bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 2014/65/EU, met het oog op de onmiddellijke mededeling van een toewijzing van effecten aan de transactie, bevestiging van die toewijzing en bevestiging van de aanvaarding of verwerping van de voorwaarden, tijdig vóór de voorgenomen afwikkelingsdatum.

De ESMA geeft in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB richtsnoeren, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, over de te gebruiken gestandaardiseerde procedures en protocollen voor het voldoen aan het in de tweede alinea van dit lid bedoelde voorschrift.

3.   Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert, stelt een CSD procedures vast die de afwikkeling van transacties in de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten op de voorgenomen afwikkelingsdatum vergemakkelijken, met een minimale blootstelling van haar deelnemers aan tegenpartijrisico en liquiditeitsrisico en met een laag aantal mislukte afwikkelingsoperaties. Door middel van passende mechanismen bevordert zij een snelle afwikkeling op de voorgenomen afwikkelingsdatum.

4.   Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert, stelt een CSD maatregelen vast ter aanmoediging en bevordering van de tijdige afwikkeling van transacties door haar deelnemers. CSD’s vereisen dat deelnemers hun transacties op de voorgenomen afwikkelingsdatum afwikkelen.

5.   ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de maatregelen die beleggingsondernemingen overeenkomstig lid 2, eerste alinea, moeten nemen, van de nadere gegevens van de procedures ter vergemakkelijking van de afwikkeling als bedoeld in lid 3 en van de nadere gegevens van de maatregelen ter aanmoediging en bevordering van de tijdige afwikkeling van transacties als bedoeld in lid 4.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 7

Maatregelen om mislukte afwikkelingsoperaties aan te pakken

1.   Een CSD stelt voor elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert, een systeem in om mislukte afwikkelingen van transacties in de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten te monitoren. Zij verstrekt aan de bevoegde autoriteit en aan de relevante autoriteiten regelmatig rapporten betreffende het aantal mislukte afwikkelingsoperaties en informatie over mislukte afwikkelingsoperaties en alle andere relevante informatie, met inbegrip van de door CSD’s en hun deelnemers voorgenomen maatregelen ter verbetering van de afwikkelingsefficiëntie. De CSD’s stellen jaarlijks een anonieme samenvatting van die rapporten ter beschikking van het publiek. De bevoegde autoriteiten delen met de ESMA alle relevante informatie over mislukte afwikkelingsoperaties.

2.   Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat een CSD exploiteert, stelt zij procedures vast die de afwikkeling vergemakkelijken van transacties in de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten die niet op de voorgenomen afwikkelingsdatum zijn afgewikkeld. Die procedures voorzien in een sanctiemechanisme dat dient als doeltreffende afschrikking voor deelnemers die mislukte afwikkelingsoperaties veroorzaken.

Voor zij de in de eerste alinea bedoelde procedures instelt, raadpleegt de CSD de betrokken handelsplatformen en CTP’s ten aanzien waarvan zij afwikkelingsdiensten verricht.

Het in de eerste alinea bedoelde sanctiemechanisme omvat geldboetes voor deelnemers die mislukte afwikkelingsoperaties veroorzaken („nalatige deelnemers”). Geldboetes worden berekend op dagbasis voor een periode waarin elke werkdag wordt meegerekend dat een transactie later dan de voorgenomen afwikkelingsdatum wordt afgerekend tot aan het einde van de in lid 3 bedoelde buy-inproces, maar die eindigt met de feitelijke afwikkelingsdatum.

De geldboetes dienen niet als bron van inkomsten voor de CSD.

3.   Onverminderd het in lid 2 bedoelde sanctiemechanisme en het recht om de transactie bilateraal te annuleren, begint, indien een nalatige deelnemer de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten niet binnen vier werkdagen na de voorgenomen afwikkelingsdatum („verlengingstermijn”) aan de ontvangende deelnemer levert, een buy-inproces waarbij die instrumenten voor afwikkeling beschikbaar zijn en binnen een passende termijn aan de ontvangende deelnemer worden geleverd.

Indien de transactie betrekking heeft op een financieel instrument dat wordt verhandeld op een mkb-groeimarkt, bedraagt de verlengingstermijn vijftien dagen tenzij de mkb-groeimarkt besluit een kortere termijn toe te passen.

4.   Op het in lid 3 bedoelde voorschrift gelden de volgende vrijstellingen:

a)

afhankelijk van het type activa en de liquiditeit van de betrokken financiële instrumenten, kan de verlengingstermijn van vier werkdagen worden verlengd tot ten hoogste zeven werkdagen indien een kortere verlengingstermijn de vlotte en ordelijke werking van de betrokken financiële markten zou aantasten;

b)

voor verrichtingen die bestaan uit verschillende transacties waaronder repo-overeenkomsten voor effecten of effectenuitleenovereenkomsten voor effecten, is het buy-inproces als bedoeld in lid 3 niet van toepassing indien de termijn van die verrichtingen kort genoeg is en het buy-inproces ondoeltreffend maakt.

5.   Onverminderd lid 7 zijn de vrijstellingen als bedoeld in lid 4 niet van toepassing op aandelentransacties indien deze transacties zijn gecleard door een CTP.

6.   Ingeval de ten tijde van de transactie overeengekomen prijs van de aandelen hoger is dan de prijs die voor de uitvoering van de buy-in wordt betaald, wordt, onverminderd het in lid 2 bedoelde sanctiemechanisme, het prijsverschil door de nalatige deelnemer aan de ontvangende deelnemer betaald, en zulks uiterlijk op de tweede werkdag na de levering van de financiële instrumenten ten gevolge van de buy-in.

7.   Indien de buy-in mislukt of niet mogelijk is, kan de ontvangende deelnemer kiezen voor een geldelijke schadevergoeding, dan wel de uitvoering van de buy-in uitstellen tot een passende latere datum („uitstelperiode”). Indien de betreffende financiële instrumenten aan het einde van de uitstelperiode niet aan de ontvangende deelnemer zijn geleverd, dan wordt een geldelijke schadevergoeding betaald.

Een geldelijke schadevergoeding wordt uiterlijk betaald op de tweede werkdag na het verstrijken van ofwel het in lid 3 bedoelde buy-inproces ofwel van de uitstelperiode, indien voor de uitstelperiode was gekozen,.

8.   Alle bedragen, met inbegrip van de uit de buy-in voortvloeiende uitvoeringsprovisies, welke overeenkomstig de leden 3, 4 en 5 door de entiteit die de buy-in uitvoert, zijn betaald, worden door de nalatige deelnemer aan genoemde entiteit terugbetaald. Deze provisies worden duidelijk aan de deelnemers bekendgemaakt.

9.   CSD’s, CTP’s en handelsplatforms stellen procedures vast die hen in staat stellen om, in overleg met hun bevoegde autoriteiten, elke deelnemer die consequent en systematisch nalaat de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten op de voorgenomen afwikkelingsdatum te leveren, te schorsen en diens identiteit openbaar te maken, uitsluitend na die deelnemer in de gelegenheid te hebben gesteld opmerkingen te maken en op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten van de CSD, CTP’s en handelsplatforms, en die van de betrokken deelnemer hiervan in kennis zijn gesteld. Ingeval van schorsing van een deelnemer gaan CSD’s, CTP’s en handelsplatforms, naast het voorafgaande overleg met de betrokken bevoegde autoriteit, over tot onmiddellijke kennisgeving hiervan aan deze bevoegde autoriteiten. De bevoegde autoriteit stelt de relevante autoriteiten onmiddellijk van de schorsing van een deelnemer in kennis.

De openbaarmaking van schorsingen mag geen persoonsgegevens in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 95/46/EG bevatten.

10.   De leden 2 tot en met 9 zijn als volgt van toepassing op alle transacties in de in artikel 5, lid 1, bedoelde financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel of op een handelsplatform worden verhandeld of door een CTP worden gecleard, waarbij het volgende van toepassing is:

a)

Voor door een CTP geclearde transacties is de CTP de entiteit die de buy-in uitvoert overeenkomstig de leden 3 tot en met 8.

b)

Voor transacties die niet door een CTP worden gecleard, maar op een handelsplatform worden uitgevoerd, neemt het handelsplatform in zijn reglement van orde een verplichting voor zijn leden en zijn deelnemers op om de in de leden 3 tot en met 8 bedoelde maatregelen toe te passen.

c)

Voor alle andere transacties dan die bedoeld onder a) en b) van deze alinea, bepalen CSD’s in hun reglement van orde dat de in de leden 3 tot en met 8 bedoelde maatregelen op hun deelnemers van toepassing zijn.

Een CSD verstrekt CTP’s en handelsplatforms de afwikkelingsgegevens die zij nodig hebben om aan hun verplichtingen uit hoofde van dit lid te kunnen voldoen.

Onverminderd de punten a), b)en c) van de eerste alinea, kunnen CSD’s toezicht houden op de uitvoering van de buy-ins als bedoeld in deze punten ten aanzien van meervoudige afwikkelingsinstructies, met betrekking tot dezelfde financiële instrumenten en met dezelfde vervaltermijn van de uitvoeringsperiode, teneinde het aantal uit te voeren buy-ins en, daarmee samenhangend, het effect op de prijzen van de betrokken financiële instrumenten, te beperken.

11.   De leden 2 tot en met 9 zijn niet van toepassing op nalatige deelnemers die CTP’s zijn.

12.   De leden 2 tot en met 9 zijn niet van toepassing indien tegen de nalatige deelnemer insolventieprocedures zijn geopend.

13.   Dit artikel is niet van toepassing indien het belangrijkste handelsplatform voor aandelen zich in een derde land bevindt. De plaats van het belangrijkste handelsplatform voor aandelen wordt bepaald overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 236/2012.

14.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 67 gedelegeerde handelingen vast te stellen om parameters te bepalen voor de berekening, op basis van het type activa en de liquiditeit van het financieel instrument en de transactiecategorie, van een afschrikkend en evenredig niveau van in de derde alinea van lid 2 bedoelde geldboetes dat een hoge mate van afwikkelingsdiscipline en de soepele en ordelijke werking van de betrokken financiële markten zal garanderen.

15.   De ESMA ontwikkelt in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB ontwerpen van technische reguleringsnormen tot specificatie van:

a)

de nadere regels betreffende het monitoringsysteem voor mislukte afwikkelingsoperaties en de in lid 1 bedoelde rapporten betreffende mislukte afwikkelingsoperaties;

b)

de processen voor de inning en herverdeling van geldboetes en alle andere mogelijke opbrengsten van dergelijke sancties overeenkomstig lid 2;

c)

de nadere regels voor de werking van het passende buy-inproces als bedoeld in lid 3 tot en met 8, waaronder passende termijnen om het financiële instrument te leveren na het buy-inproces als bedoeld in lid 3. Bij de vaststelling van die termijnen wordt rekening gehouden met het type van activa en de liquiditeit van de financiële instrumenten;

d)

de omstandigheden waaronder de verlengingsperiode kan worden uitgebreid volgens type van activa en liquiditeit van de financiële instrumenten, overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in lid 4, onder a), rekening houdend met de criteria voor het beoordelen van de liquiditeit uit hoofde van artikel 2, lid 1, punt 17), van Verordening (EU) nr. 600/2014;

e)

type van verrichtingen en hun specifieke termijnen als bedoeld in lid 4, onder c), waardoor buy-in ondoeltreffend wordt;

f)

een methode voor de berekening van de in lid 7 bedoelde geldelijke schadevergoeding;

g)

de in lid 9 bedoelde omstandigheden, onder dewelke een deelnemer wordt geacht consequent en systematisch na te laten de financiële instrumenten te leveren, en

h)

de nodige afwikkelingsgegevens bedoeld in de tweede alinea van lid 10.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 8

Handhaving

1.   De bevoegde autoriteit van de CSD die het effectenafwikkelingssysteem exploiteert, de relevante autoriteit die verantwoordelijk is voor de controle op het betrokken effectenafwikkelingssysteem, alsook de autoriteiten die bevoegd zijn voor het toezicht op handelsplatforms, beleggingsondernemingen en CTP’s, hebben de bevoegdheid voor het garanderen van de naleving van de artikelen 6 en 7 door de instellingen die onder hun toezicht staan, en voor het monitoren van de opgelegde boeten. De respectieve bevoegde autoriteiten werken zo nodig nauw samen. De lidstaten delen de ESMA mee welke bevoegde autoriteiten zijn aangewezen als onderdeel van de nationale toezichtstructuur.

2.   Om consistente, efficiënte en effectieve toezichtpraktijken binnen de Unie in verband met de artikelen 6 en 7 van deze verordening te waarborgen, kan de ESMA, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, richtsnoeren uitvaardigen in overeenstemming met artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

3.   Inbreuken op de onder deze titel opgenomen regels hebben geen invloed op de geldigheid van onderhandse contracten betreffende financiële instrumenten, noch op de mogelijkheid voor de betrokken partijen om naleving van de bepalingen van een onderhands contract betreffende financiële instrumenten af te dwingen.

HOOFDSTUK IV

Interne afwikkeling

Artikel 9

Afwikkelingsinternalisatoren

1.   Afwikkelingsinternalisatoren brengen elk kwartaal aan de bevoegde autoriteiten van hun plaats van vestiging verslag uit over het totale volume en de waarde van alle effectentransacties die zij buiten een effectenafwikkelingssysteem afwikkelen.

De bevoegde autoriteiten sturen onverwijld de informatie die zij uit hoofde van de eerste alinea hebben ontvangen door naar de ESMA en brengen de ESMA op de hoogte van elk mogelijk risico dat voortvloeit uit die afwikkelingsactiviteit.

2.   De ESMA kan, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen ontwikkelen tot nadere bepaling van de inhoud van die verslaglegging.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

3.   De ESMA ontwikkelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, modellen en procedures voor de verslaglegging en de toezending van informatie bedoeld in lid 1.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

TITEL III

CENTRALE EFFECTENBEWAARINSTELLINGEN

HOOFDSTUK I

Vergunningverlening aan en toezicht op CSD’s

Afdeling 1

Voor de vergunningverlening aan en toezicht op CSD’s verantwoordelijke autoriteiten

Artikel 10

Bevoegde autoriteit

Onverminderd de in artikel 12, lid 1, bedoelde controle door de leden van ESCB, verkrijgt een CSD een vergunning bij en staat zij onder toezicht van de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst.

Artikel 11

Aanwijzing van de bevoegde autoriteit

1.   Elke lidstaat wijst de bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de taken uit hoofde van deze verordening met betrekking tot de vergunningverlening aan en het toezicht op de op zijn grondgebied gevestigde CSD’s, en stelt de ESMA daarvan in kennis.

Indien een lidstaat meer dan één bevoegde autoriteit aanwijst, bepaalt hij hun respectieve taken en wijst hij, indien dat in deze verordening specifiek wordt vermeld, één autoriteit aan die bevoegd is voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, de relevante autoriteiten, de ESMA en de EBA.

2.   De ESMA publiceert op haar website een lijst van de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteiten.

3.   De bevoegde autoriteiten beschikken over de voor de uitoefening van hun functies vereiste de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden.

Artikel 12

Relevante autoriteiten

1.   De volgende autoriteiten zijn, indien dat in deze verordening specifiek wordt vermeld, betrokken bij de vergunningverlening aan en het toezicht op CSD’s:

a)

de autoriteit die verantwoordelijk is voor de controle op het door de CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem in de lidstaat waarvan het recht op dat effectenafwikkelingssysteem van toepassing is;

b)

de centrale banken in de Unie die de belangrijkste valuta’s waarin afwikkeling plaatsvindt, uitgeven;

c)

in voorkomend geval, de centrale bank in de Unie in de boeken waarvan de geldzijde van de door een CSD geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem wordt afgewikkeld.

2.   De ESMA publiceert op haar website de lijst van de in lid 1 bedoelde relevante autoriteiten.

3.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin nader wordt bepaald onder welke omstandigheden de in lid 1, onder b), bedoelde valuta’s van de Unie als de belangrijkste worden aangemerkt, en welke efficiënte praktische regelingen voor het opzetten van een efficiënt overleg van de in de onder b) en c) van dat lid bedoelde relevante autoriteiten moeten worden getroffen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 13

Uitwisseling van informatie

1.   De bevoegde autoriteiten, relevante autoriteiten en de ESMA verstrekken elkaar desgevraagd en onverwijld de informatie die nodig is voor de uitoefening van hun taken uit hoofde van deze verordening.

2.   De bevoegde autoriteiten, relevante autoriteiten, de ESMA en andere instanties of natuurlijke personen en rechtspersonen die bij de vervulling van hun taken uit hoofde van deze verordening vertrouwelijke informatie ontvangen, gebruiken deze uitsluitend bij de vervulling van hun taken.

Artikel 14

Samenwerking tussen autoriteiten

1.   De bevoegde autoriteiten, de relevante autoriteiten en de ESMA werken nauw samen, onder andere door alle voor de toepassing van deze verordening relevante informatie met elkaar uit te wisselen. Waar passend en relevant, zijn bij die samenwerking andere overheidsinstanties en organen betrokken, met name die welke uit hoofde van Richtlijn 2003/87/EG zijn opgericht of aangesteld.

Om te zorgen voor consistente, efficiënte en effectieve toezichtpraktijken binnen de Unie, met inbegrip van samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en relevante autoriteiten, bij de verschillende voor de toepassing van deze verordening vereiste beoordelingen, kan de ESMA, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, richtsnoeren tot de bevoegde autoriteiten richten overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

2.   De bevoegde autoriteiten houden bij de vervulling van hun algemene taken, op basis van de beschikbare informatie, terdege rekening met de gevolgen die hun besluiten kunnen hebben voor de stabiliteit van het financiële stelsel in alle andere betrokken lidstaten, met name in de in artikel 15 bedoelde noodsituaties.

Artikel 15

Noodsituaties

Onverminderd de in artikel 6, lid 3, van Richtlijn 98/26/EG bedoelde kennisgevingsprocedure stellen de bevoegde autoriteiten en de relevante autoriteiten de ESMA, het bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad (24) vastgestelde ESRB en elkaar onmiddellijk op de hoogte van elke noodsituatie betreffende een CSD, met inbegrip van alle ontwikkelingen op de financiële markten die een schadelijk effect kunnen hebben op de marktliquiditeit, de stabiliteit van de valuta waarin de afwikkeling haar beslag krijgt, de integriteit van het monetaire beleid of de stabiliteit van het financiële stelsel in elk van de lidstaten waar de CSD of een van haar deelnemers gevestigd is.

Afdeling 2

Voorwaarden en procedures voor vergunningverlening aan CSD’s

Artikel 16

Vergunningverlening aan een CSD

1.   Elke rechtspersoon die aan de omschrijving van een CSD beantwoordt, vraagt bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd is, een vergunning aan alvorens met haar activiteiten te beginnen.

2.   In die vergunning worden de in afdeling A van de bijlage bedoelde kerndiensten en de uit hoofde van afdeling B toegestane niet-bancaire nevendiensten gespecificeerd die de CSD mag verlenen.

3.   Een CSD voldoet te allen tijde aan de vergunningsvoorwaarden.

4.   Een CSD en haar onafhankelijke auditeurs stellen de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van alle wezenlijke wijzigingen die van invloed zijn op de naleving van de voorwaarden voor vergunning.

Artikel 17

Voorwaarden voor de verlening van een vergunning

1.   De aanvragende CSD dient een vergunningsaanvraag in bij haar bevoegde autoriteit.

2.   Daarbij wordt alle nodige informatie verstrekt op grond waarvan de bevoegde autoriteit zich ervan kan vergewissen dat de aanvragende CSD op het moment van de vergunningverlening alle nodige regelingen heeft getroffen om haar in deze verordening neergelegde verplichtingen na te komen. De vergunningsaanvraag bevat een programma van de operaties waarin de beoogde soorten bedrijfsactiviteiten en de structurele organisatie van de CSD worden beschreven.

3.   Binnen 30 werkdagen na ontvangst van de aanvraag beoordeelt de bevoegde autoriteit of de aanvraag volledig is. Als de aanvraag niet volledig is, stelt de bevoegde autoriteit een termijn vast waarbinnen de aanvragende CSD aanvullende informatie moet verstrekken. De bevoegde autoriteit stelt de aanvragende CSD in kennis wanneer de aanvraag als volledig wordt beschouwd.

4.   Vanaf het moment waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd, zendt de bevoegde autoriteit alle in de aanvraag opgenomen informatie aan de relevante autoriteiten en raadpleegt zij die autoriteiten over de kenmerken van het door de aanvragende CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem. Elke relevante autoriteit kan de bevoegde autoriteit binnen drie maanden na ontvangst van de informatie van haar standpunt in kennis stellen.

5.   Indien de aanvragende CSD voornemens is diensten als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 2, van Richtlijn 2014/65/EU te verrichten naast de niet-bancaire nevendiensten die uitdrukkelijk in afdeling B van de bijlage worden vermeld, zendt de bevoegde autoriteit alle informatie uit de aanvraag naar de in artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde autoriteit, en overlegt zij met die autoriteit over het vermogen van de aanvragende CSD om aan de vereisten van Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 te voldoen.

6.   Vóór de verlening van een vergunning aan een aanvragende CSD raadpleegt de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaat in de volgende gevallen:

a)

de CSD is een dochteronderneming van een CSD waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

b)

de CSD is een dochteronderneming van de moederonderneming van een CSD waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend;

c)

over de CSD wordt zeggenschap uitgeoefend door dezelfde natuurlijke of rechtspersonen die zeggenschap uitoefenen over een andere CSD waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend.

7.   De in lid 6 bedoelde raadpleging heeft betrekking op het volgende:

a)

de geschiktheid van de in artikel 27, lid 6, bedoelde aandeelhouders en personen en de reputatie en ervaring van de in artikel 27, lid 1 en lid 4, bedoelde personen die daadwerkelijk het beleid van de CSD bepalen, indien de CSD en een CSD waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, die aandeelhouders en personen met elkaar gemeen hebben;

b)

de vraag of de onder a), b) en c), van lid 6 bedoelde betrekkingen tussen de CSD waaraan in een andere lidstaat vergunning is verleend, en de aanvragende CSD geen invloed hebben op het vermogen van de aanvragende CSD om aan de vereisten van deze verordening te voldoen.

8.   Binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag deelt de bevoegde autoriteit de aanvragende CSD aan de hand van een volledig gemotiveerde beslissing schriftelijk mee of de vergunning is verleend of geweigerd.

9.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de informatie die de aanvragende CSD in de vergunningsaanvraag aan de bevoegde autoriteit moet verstrekken.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

10.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om standaardformulieren, modellen en procedures voor de vergunningsaanvraag vast te stellen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 18

Gevolgen van de vergunning

1.   De activiteiten van de vergunninghoudende CSD zijn beperkt tot het verrichten van diensten die onder haar vergunning vallen of waarvan overeenkomstig artikel 19, lid 8, kennis is gegeven.

2.   Effectenafwikkelingssystemen mogen alleen worden geëxploiteerd door vergunninghoudende CSD’s, met inbegrip van centrale banken die als CSD’s optreden.

3.   Een vergunninghoudende CSD mag enkel een deelneming hebben in een rechtspersoon waarvan de activiteiten beperkt zijn tot het verrichten van diensten als bedoeld in de afdelingen A en B van de bijlage, tenzij de deelneming door de voor de CSD bevoegde autoriteit is goedgekeurd omdat het risicoprofiel van de CSD er niet in aanzienlijke mate door wordt verhoogd.

4.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de criteria die door de bevoegde autoriteiten in acht moeten worden genomen wanneer zij hun goedkeuring hechten aan de deelneming van een CSD in een andere rechtspersoon dan die welke de in de afdelingen A en B van de bijlage vermelde diensten verrichten. Dergelijke criteria zijn bijvoorbeeld of de door die rechtspersoon verrichte diensten complementair zijn met de door een CSD verrichte diensten, en de mate waarin de CSD wordt blootgesteld aan aansprakelijkheden die uit dergelijke deelneming voortkomen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 19

Uitbreiding en uitbesteding van activiteiten en diensten

1.   Een vergunninghoudende CSD dient bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, een vergunningsaanvraag in indien zij overeenkomstig artikel 30 een kerndienst aan een derde wil uitbesteden of haar activiteiten wil uitbreiden tot een of meer van de volgende activiteiten:

a)

niet onder de initiële vergunning vallende bijkomende kerndiensten als bedoeld in afdeling A van de bijlage;

b)

niet onder de initiële vergunning vallende nevendiensten die zijn toegestaan uit hoofde van, maar niet uitdrukkelijk worden vermeld in afdeling B van de bijlage;

c)

de exploitatie van een ander effectenafwikkelingssysteem;

d)

de afwikkeling van de gehele of de gedeeltelijke geldzijde van haar effectenafwikkelingssysteem in de boeken van een andere afwikkelende instantie;

e)

het instellen van een interoperabele koppeling, daaronder begrepen die met CSD’s van derde landen.

2.   Bij de vergunningverlening uit hoofde van lid 1 wordt de procedure van artikel 17 gevolgd.

De bevoegde autoriteit stelt de aanvragende CSD binnen drie maanden na de indiening van een volledige aanvraag ervan in kennis of de vergunning is verleend of geweigerd.

3.   In de Unie gevestigde CSD’s die voornemens zijn een interoperabele koppeling in te stellen, dienen bij hun bevoegde autoriteiten een vergunningsaanvraag in als voorgeschreven in lid 1, onder e). Die autoriteiten raadplegen elkaar over de goedkeuring van de CSD-koppeling. In geval van uiteenlopende besluiten kan de zaak, indien beide autoriteiten het hierover eens zijn, worden doorverwezen naar de ESMA, die mag handelen in overeenstemming met de haar uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

4.   De in lid 3 bedoelde autoriteiten weigeren de CSD-koppeling alleen indien deze een bedreiging zou vormen voor de soepele en ordelijke werking van de financiële markten of tot een systeemrisico zou leiden

5.   Interoperabele koppelingen van CSD’s die sommige van hun met die koppelingen verband houdende diensten overeenkomstig artikel 30, lid 5, aan een publiekrechtelijke entiteit uitbesteden en andere dan de in lid 1, onder e), bedoelde CSD-koppelingen zijn niet onderworpen aan vergunningverlening uit hoofde van dat punt maar worden vóór de ingebruikname ervan gemeld aan de bevoegde en de relevante autoriteiten van de CSD’s die alle nodige informatie ontvangen om te kunnen beoordelen of aan de vereisten van artikel 48 is voldaan.

6.   Een in de Unie ingestelde en vergunninghoudende CSD kan overeenkomstig de voorwaarden en procedures van dit artikel een koppeling met CSD’s van een derde land in stand houden of instellen. Wanneer koppelingen worden ingesteld met CSD’s in derde landen, moet de bevoegde autoriteit aan de hand van de door de aanvragende CSD verstrekte informatie kunnen beoordelen of die koppelingen aan de voorschriften van artikel 48, of aan daarmee gelijkwaardige voorschriften, voldoen.

7.   De bevoegde autoriteit van de aanvragende CSD verlangt van die CSD dat zij de gemelde CSD-koppeling opheft indien deze koppeling niet aan de in artikel 48 voorziene vereisten voldoet en hierdoor een bedreiging zou vormen voor de soepele en ordelijke werking van de financiële markten of tot een systeemrisico zou leiden. Indien een bevoegde autoriteit een CSD tot het opheffen van een CSD-koppeling verplicht, volgt zij de in artikel 20, leden 2 en 3, neergelegde procedure.

8.   De uitdrukkelijk in afdeling B van de bijlage vermelde bijkomende nevendiensten zijn niet vergunningsplichtig, maar worden pas verleend nadat de bevoegde autoriteit ervan in kennis is gesteld.

Artikel 20

Intrekking van een vergunning

1.   Onverminderd eventuele verhelpende maatregelen of maatregelen uit hoofde van titel V, trekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, de vergunning in elk van de volgende omstandigheden in, indien de CSD:

a)

binnen twaalf maanden geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning, uitdrukkelijk van de vergunning afstand doet of gedurende de voorafgaande zes maanden geen diensten of activiteiten heeft verricht;

b)

de vergunning door het afleggen van valse verklaringen of op andere onrechtmatige wijze heeft verkregen;

c)

niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend en binnen een bepaalde termijn de door de bevoegde autoriteit gevraagde verhelpende maatregelen niet heeft genomen;

d)

de in deze verordening of, indien van toepassing, in Richtlijn 2014/65/EU of Verordening (EU) nr. 600/2014 neergelegde vereisten ernstig of stelselmatig heeft geschonden.

2.   Zodra zij kennis krijgt van een van de in lid 1 bedoelde omstandigheden, raadpleegt de bevoegde autoriteit de relevante autoriteiten en, indien van toepassing, de in artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde autoriteit over de noodzaak om de vergunning in te trekken.

3.   De ESMA en elke relevante autoriteit en, indien van toepassing, de in artikel 67 van Richtlijn2014/65/EU bedoelde autoriteit kunnen te allen tijde verlangen dat de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, nagaat of de CSD nog steeds voldoet aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend.

4.   De bevoegde autoriteit kan de intrekking van de vergunning beperken tot een bepaalde dienst, een bepaalde activiteit of een bepaald financieel instrument.

5.   In geval van intrekking van de vergunning als bedoeld in lid 1, zorgt een CSD voor de vaststelling, toepassing en handhaving van een passende procedure voor een tijdige en ordelijke afwikkeling en overboeking van de activa van cliënten en deelnemers naar een andere CSD.

Artikel 21

CSD-register

1.   Door de bevoegde autoriteiten uit hoofde van de artikelen 16, 19 en 20 genomen beslissingen worden onmiddellijk aan de ESMA meegedeeld.

2.   Centrale banken stellen de ESMA onverwijld in kennis van de effectenafwikkelingssystemen die zij exploiteren.

3.   De naam van elke CSD die met inachtneming van deze verordening haar bedrijf uitoefent en waaraan uit hoofde van artikel 16, artikel 19 of artikel 25 vergunning of erkenning is verleend, wordt opgenomen in een register waarin de diensten en, indien van toepassing, klassen van financiële instrumenten worden gespecificeerd waarvoor de CSD een vergunning heeft verkregen. Het register omvat de bijkantoren die door de CSD in andere lidstaten worden geëxploiteerd, de CSD-koppelingen en de uit hoofde van artikel 31 vereiste informatie — indien de lidstaten gebruik hebben gemaakt van de in dat artikel voorziene mogelijkheid. De ESMA maakt het register beschikbaar op haar speciale website en houdt dat register up-to-date.

Afdeling 3

Toezicht op CSD’s

Artikel 22

Toetsing en evaluatie

1.   Ten minste jaarlijks toetst de bevoegde autoriteit de regelingen, strategieën, processen en mechanismen die door een CSD met betrekking tot de naleving van deze verordening worden geïmplementeerd en evalueert zij de risico’s waaraan de CSD is of kan worden blootgesteld, of die zij schept voor de vlotte werking van effectenmarkten.

2.   De bevoegde autoriteit verplicht de CSD om aan de bevoegde autoriteit een adequaat herstelplan voor te leggen teneinde de continuïteit van haar kritieke activiteiten te waarborgen.

3.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat een deugdelijk afwikkelingsplan wordt vastgesteld en gehandhaafd voor elke CSD, om minstens de continuïteit van haar kerntaken te waarborgen, waarbij rekening gehouden wordt met de omvang, het systeemrelevante karakter, het wezen, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken CSD en met eventuele relevante afwikkelingsplannen die overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU zijn vastgesteld.

4.   De bevoegde autoriteit bepaalt de frequentie en grondigheid van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie, waarbij zij rekening houdt met de omvang, het systeemrelevante karakter, de aard, de schaal en de complexiteit van de activiteiten van de betrokken CSD. De toetsing en de evaluatie worden ten minste eenmaal per jaar geactualiseerd.

5.   De bevoegde autoriteit onderwerpt de CSD aan inspecties ter plaatse.

6.   Bij het verrichten van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie raadpleegt de bevoegde autoriteit in een vroeg stadium de relevante autoriteiten, in het bijzonder wat de werking van de door de CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen betreft, en, indien van toepassing, de in artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde autoriteit.

7.   De bevoegde autoriteit stelt regelmatig en ten minste eenmaal per jaar de relevante autoriteiten en, indien van toepassing, de in artikel 67 van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde autoriteit in kennis van de resultaten, waaronder de eventuele verhelpende maatregelen of boeten, van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie.

8.   Bij het verrichten van de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie verstrekken de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de CSD’s welke tot elkaar in verhouding staan op een wijze als bedoeld in artikel 17, lid 6, onder a), b) en c), aan elkaar alle relevante informatie die hun taken kan vergemakkelijken.

9.   De bevoegde autoriteiten vereisen dat een CSD die niet aan de vereisten van deze verordening voldoet in een vroeg stadium de noodzakelijke maatregelen of stappen neemt om iets aan de situatie te doen.

10.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:

a)

de informatie die de CSD voor de in lid 1 bedoelde toetsing en evaluatie aan de bevoegde autoriteit moet verstrekken;

b)

de informatie die de bevoegde autoriteit aan de in lid 7 bedoelde relevante autoriteiten moet verstrekken;

c)

de informatie die de in lid 8 bedoelde bevoegde autoriteiten aan elkaar moeten verstrekken.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

11.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om standaardformulieren, modellen en procedures voor de verstrekking van informatie als bedoeld in de eerste alinea van lid 10 vast te stellen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Afdeling 4

Verrichting van diensten in een andere lidstaat

Artikel 23

Vrije dienstverrichting in een andere lidstaat

1.   Een vergunninghoudende CSD mag de in de bijlage bedoelde diensten op het grondgebied van de Unie verrichten, onder andere door het oprichten van een bijkantoor, op voorwaarde dat die diensten onder de vergunning vallen.

2.   Een vergunninghoudende CSD die voornemens is de in de punten 1 en 2 van afdeling A van de bijlage bedoelde kerndiensten te verrichten met betrekking tot de in artikel 49, lid 1, bedoelde financiële instrumenten waarvan de uitgifte door het recht van een andere lidstaat wordt beheerst, of die in een andere lidstaat een bijkantoor willen oprichten, is aan de in de leden 3 tot en met 7 omschreven procedure onderworpen.

3.   Elke CSD die voor de eerste maal op het grondgebied van een andere lidstaat de in lid 2 bedoelde diensten wil verrichten, of die het aanbod van die diensten wil uitbreiden, deelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst de volgende informatie mee:

a)

de lidstaat waarin de CSD voornemens is werkzaamheden uit te oefenen;

b)

een operationeel programma waarin met name wordt aangegeven welke diensten de CSD voornemens is te verstrekken;

c)

de valuta of valuta’s die de CSD voornemens is te verwerken;

d)

indien er sprake is van een bijkantoor, de organisatiestructuur van het bijkantoor en de namen van de verantwoordelijken voor de leiding van het bijkantoor;

e)

in voorkomend geval, een beoordeling van de maatregelen die de CSD zich voorneemt te nemen om de naleving van het in artikel 49, lid 1, bedoelde nationale recht door haar gebruikers mogelijk te maken.

4.   Binnen drie maanden na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie doet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst mededeling van die informatie aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst tenzij zij, rekening houdend met de beoogde dienstverstrekking, redenen heeft om te twijfelen aan de adequaatheid van de administratieve structuur of de financiële situatie van de CSD die haar diensten in de lidstaat van ontvangst wil verrichten.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst stelt de relevante autoriteiten van die lidstaat onverwijld in kennis van mededelingen die zij uit hoofde van de eerste alinea ontvangt.

5.   Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst overeenkomstig lid 4 besluit alle in lid 3 bedoelde informatie niet aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst mee te delen, verschaft zij aan de betrokken CSD de redenen voor die weigering binnen drie maanden na ontvangst van alle informatie, en stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst in kennis van haar beslissing met betrekking tot lid 6, onder a). Wanneer ingevolge een dergelijk verzoek informatie wordt verstrekt, brengt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst de in lid 6, onder a), bedoelde mededeling niet uit.

6.   De CSD mag de in lid 2 bedoelde diensten in de lidstaat van ontvangst beginnen te verrichten onder de volgende voorwaarden:

a)

bij ontvangst van een mededeling van de bevoegde autoriteit in de lidstaat van ontvangst waarbij deze autoriteit de ontvangst van de in lid 4 bedoelde mededeling bevestigt en, in voorkomend geval, de in lid 3, onder e), bedoelde toelichting goedkeurt;

b)

bij gebreke van enige ontvangst van een mededeling, na drie maanden vanaf de datum van verzending van de in lid 4 bedoelde mededeling.

7.   In geval van wijziging van de overeenkomstig lid 3 meegedeelde informatie stelt de CSD ten minste één maand vóór het aanbrengen van de wijziging de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst schriftelijk van die wijziging in kennis. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst wordt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst eveneens onverwijld van deze wijziging in kennis gesteld.

Artikel 24

Samenwerking tussen autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van ontvangst en het „peer review”-systeem

1.   Indien een in een lidstaat vergunninghoudende CSD in een andere lidstaat een bijkantoor heeft opgericht, werken de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst nauw met elkaar samen bij het uitvoeren van hun bij deze verordening vastgestelde taken, met name tijdens inspecties ter plaatse in dat bijkantoor. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst kunnen bij het uitoefenen van hun verantwoordelijkheden inspecties ter plaatse uitvoeren in dat bijkantoor, nadat zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst respectievelijk de lidstaat van herkomst, daarvan in kennis hebben gesteld.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst of van ontvangst kunnen CSD’s die diensten verrichten overeenkomstig artikel 23, ertoe verplichten periodiek aan hen rapporteren over hun activiteiten in die lidstaat van ontvangst, onder meer voor de verzameling van statistieken. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verstrekken deze periodieke verslagen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, op verzoek van de laatstgenoemden.

3.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de CSD doet, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst onverwijld mededeling van de identiteit van de uitgevende instellingen en van deelnemers aan het effectenafwikkelingssysteem dat wordt geëxploiteerd door de CSD die in die lidstaat van ontvangst diensten verricht, en van alle andere relevante informatie betreffende de activiteiten van die CSD in de lidstaat van ontvangst.

4.   Indien, gelet op de situatie van de effectenmarkten in de lidstaat van ontvangst, de activiteiten van een CSD van substantieel belang zijn geworden voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in die lidstaat van ontvangst, treffen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst en de relevante autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van ontvangst samenwerkingsregelingen voor het toezicht op de activiteiten van die CSD in de lidstaat van ontvangst.

Indien een CSD van substantieel belang is geworden voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in meer dan één lidstaat van ontvangst, kan de lidstaat van herkomst beslissen dat die samenwerkingsregelingen colleges van toezichthouders moeten omvatten.

5.   Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst duidelijke en aantoonbare redenen heeft om aan te nemen dat een CSD die overeenkomstig artikel 23 op haar grondgebied diensten verricht, niet voldoet aan de verplichtingen die uit de bepalingen van deze verordening voortvloeien, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en de ESMA van die bevindingen in kennis.

Indien de CSD, in weerwil van door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst genomen maatregelen of omdat die maatregelen ontoereikend blijken te zijn, blijft handelen in strijd met de verplichtingen die uit de bepalingen van deze verordening voortvloeien, neemt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst daarover geïnformeerd te hebben, alle passende maatregelen die nodig zijn om de bepalingen van deze verordening op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst te doen naleven. De ESMA wordt onverwijld van die maatregelen in kennis gesteld.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en de lidstaat van herkomst kunnen de zaak doorverwijzen naar de ESMA, die mag handelen in overeenstemming met de haar uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

6.   Onverminderd artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 organiseert en leidt de ESMA na overleg met de leden van het ESCB minstens om de drie jaar een „peer review” van het toezicht op CSD’s die gebruikmaken van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 23 in een andere lidstaat diensten te verrichten, of om aan een interoperabele koppeling deel te nemen.

In verband met de in de eerste alinea bedoelde „peer review” wint de ESMA in voorkomend geval tevens het standpunt of advies in van de in artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 bedoelde Stakeholdergroep effecten en markten.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 67 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot maatregelen om de criteria te bepalen op grond waarvan de bedrijfsactiviteiten van een CSD in een lidstaat van ontvangst kunnen worden geacht van substantieel belang te zijn voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in die lidstaat van ontvangst.

8.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen met het oog op de vaststelling van standaardformulieren, modellen en procedures voor de in de leden 1, 3 en 5 bedoelde samenwerking.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Afdeling 5

Betrekkingen met derde landen

Artikel 25

Derde landen

1.   CSD’s van een derde land kunnen de in de bijlage bedoelde diensten verrichten op het grondgebied van de Unie, onder andere door het oprichten van een bijkantoor.

2.   Niettegenstaande lid 1 is een vergunninghoudende CSD van een derde land die voornemens is de in de punten 1 en 2 van afdeling A van de bijlage bedoelde kerndiensten te verrichten met betrekking tot financiële instrumenten waarvan de uitgifte wordt geregeld door de wetsbepalingen van een lidstaat, zoals bedoeld in artikel 49, lid 1, tweede alinea, of die voornemens is in een lidstaat een bijkantoor op te richten, onderworpen aan de in de leden 4 tot en met 11 van dit artikel omschreven procedure.

3.   Een in de Unie gevestigde vergunninghoudende CSD mag een koppeling met een CSD van een derde land instellen of handhaven overeenkomstig artikel 48.

4.   Na overleg met de in lid 5 bedoelde autoriteiten kan de ESMA een CSD van een derde land die erkenning voor het verlenen van de in lid 2 bedoelde diensten heeft aangevraagd, erkennen indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de Commissie heeft een besluit genomen overeenkomstig lid 9;

b)

de CSD van een derde land is daadwerkelijk aan vergunningsplicht, toezicht en controle of, indien het effectenafwikkelingssysteem door een centrale bank wordt geëxploiteerd, aan controle onderworpen waardoor volledige naleving van de in dat derde land geldende prudentiële vereisten gewaarborgd is;

c)

er zijn uit hoofde van lid 10 samenwerkingsregelingen getroffen tussen de ESMA en de in dat derde land verantwoordelijke autoriteiten („verantwoordelijke autoriteiten in een derde land”);

d)

de CSD van een derde land neemt in voorkomend geval de noodzakelijke maatregelen om het haar gebruikers mogelijk te maken het toepasselijke nationale recht van de lidstaat waarin de CSD van een derde land voornemens is CSD-diensten te verrichten, na te leven, met inbegrip van het in artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde recht, en de adequaatheid van die maatregelen is bevestigd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de CSD van het derde land CSD-diensten wil verrichten.

5.   Bij de beoordeling of de in lid 4 bedoelde voorwaarden zijn vervuld, raadpleegt de ESMA:

a)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de CSD van het derde land voornemens is CSD-diensten te verrichten, in het bijzonder over de vraag hoe de CSD van het derde land voornemens is de in lid 4, onder d), bedoelde vereiste na te leven;

b)

de relevante autoriteiten;

c)

de verantwoordelijke autoriteiten in een derde land die bevoegd zijn voor de vergunningen van, het toezicht op en de controle op CSD’s.

6.   De in lid 2 bedoelde CSD van een derde land dient haar erkenningsaanvraag bij de ESMA in.

In de aanvraag moet de CSD de ESMA alle informatie verstrekken die noodzakelijk wordt geacht voor haar erkenning. Binnen 30 werkdagen na de ontvangst van de aanvraag beoordeelt de ESMA of de aanvraag volledig is. Als de aanvraag niet volledig is, stelt de ESMA een termijn vast waarbinnen de aanvragende CSD bijkomende informatie moet verstrekken.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarin de CSD van een derde land voornemens is CSD-diensten te verrichten, beoordelen of de CSD van het derde land de in lid 4, onder d), bedoelde wetsbepalingen naleeft, en delen de ESMA, binnen drie maanden na ontvangst van alle nodige gegevens van de ESMA, onder opgave van alle redenen in een besluit mee of aan dit vereiste al dan niet is voldaan.

Het erkenningsbesluit is gebaseerd op de criteria die zijn neergelegd in lid 4.

Binnen zes maanden na de indiening van een volledige aanvraag deelt de ESMA aan de hand van een volledig gemotiveerd besluit de aanvragende CSD schriftelijk mee of de erkenning is verleend of geweigerd.

7.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarin de CSD van een derde land, erkend op grond van lid 4, CSD-diensten verricht, kunnen, in nauwe samenwerking met de ESMA, de verantwoordelijke autoriteiten van het derde land verzoeken:

a)

periodiek te rapporteren over de activiteiten van de CSD van het derde land in die lidstaten van ontvangst, onder meer voor het verzamelen van statistieken;

b)

binnen een passende termijn, de identiteit mee te delen van de uitgevende instellingen en deelnemers aan het effectenafwikkelingssysteem dat door de CSD van het derde land die diensten verricht in die lidstaat van ontvangst, wordt geëxploiteerd en alle andere relevante informatie te verstrekken betreffende de activiteiten van die CSD in de lidstaat van ontvangst.

8.   De ESMA toetst, na overleg met de in lid 5 bedoelde autoriteiten, de erkenning van de CSD van een derde land in geval van uitbreidingen door die CSD in de Unie van haar diensten overeenkomstig de in de leden 4, 5 en 6 neergelegde procedure.

De ESMA trekt de erkenning van die CSD in indien de in lid 4 neergelegde voorwaarden niet langer zijn vervuld, dan wel in de in artikel 20 bedoelde omstandigheden.

9.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te bepalen dat de wettelijke en toezichthoudende regelingen van een derde land dienen te waarborgen dat in dat land vergunninghoudende CSD’s voldoen aan wettelijk bindende vereisten die daadwerkelijk gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening neergelegde vereisten, dat die CSD’s doorlopend onderworpen zijn aan efficiënt toezicht, efficiënte controle en effectieve handhaving in dat derde land, en dat het wettelijke kader van dat derde land voorziet in een effectief gelijkwaardig systeem voor de erkenning van uit hoofde van wettelijke regelingen van derde landen vergunninghoudende CSD’s. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 68, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Bij het bepalen als bedoeld in de eerste alinea, kan de Commissie ook in overweging nemen of de wettelijke en toezichthoudende regelingen van een derde land voldoen aan de internationaal overeengekomen CPSS/IOSCO-normen, voor zover deze laatste niet in strijd zijn met de bij deze verordening neergelegde vereisten.

10.   De ESMA treft overeenkomstig artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 samenwerkingsregelingen met de verantwoordelijke autoriteiten van een derde land waarvan het wettelijk en toezichtskader overeenkomstig lid 9 als gelijkwaardig aan deze verordening is erkend. In die regelingen wordt ten minste het volgende gespecificeerd:

a)

het mechanisme voor de uitwisseling van informatie tussen de ESMA, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en de verantwoordelijke autoriteiten van een derde land, met inbegrip van toegang tot alle door de ESMA gevraagde informatie met betrekking tot CSD’s die in derde landen een vergunning hebben en in het bijzonder toegang tot informatie in de in lid 7 bedoelde gevallen;

b)

het mechanisme voor snelle kennisgeving aan de ESMA indien een verantwoordelijke autoriteit van een derde land van oordeel is dat een CSD waarop zij toezicht uitoefent inbreuk maakt op de voorwaarden van haar vergunning of van andere geldende rechtsregels;

c)

de procedures met betrekking tot de coördinatie van toezichtactiviteiten, met inbegrip van, in voorkomend geval, inspecties ter plaatse.

Indien een samenwerkingsovereenkomst voorziet in overdrachten van persoonsgegevens door een lidstaat, wordt daarbij voldaan aan de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG, en indien een samenwerkingsovereenkomst voorziet in overdrachten van persoonsgegevens door de ESMA, wordt daarbij voldaan aan de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001.

11.   Indien een CSD van een derde land overeenkomstig de leden 4 tot en met 8 is erkend, kan zij de in de bijlage bedoelde diensten verrichten op het grondgebied van de Unie, onder andere door het oprichten van een bijkantoor.

12.   De ESMA ontwikkelt in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB ontwerpen van technische reguleringsnormen om te bepalen welke informatie de aanvragende CSD aan de ESMA moet verstrekken bij het indienen van haar erkenningsaanvraag uit hoofde van lid 6.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

HOOFDSTUK II

Vereisten voor CSD’s

Afdeling 1

Organisatorische vereisten

Artikel 26

Algemene bepalingen

1.   Een CSD heeft robuuste bestuursregelingen, waaronder een duidelijke organisatiestructuur met welomschreven, transparante en consistente verantwoordelijkheden, efficiënte processen voor het identificeren, het beheren, het monitoren en het rapporteren van de risico’s waaraan zij blootstaat of blootgesteld kan worden, en een adequaat beleid inzake beloning en interne controlemechanismen, met inbegrip van deugdelijke administratieve en boekhoudkundige procedures.

2.   Een CSD stelt beleid en procedures vast die voldoende doeltreffend zijn om de naleving van deze verordening te waarborgen, met inbegrip van de naleving van alle bepalingen van deze verordening door de directieleden en de werknemers van de CSD.

3.   Een CSD is belast met het aanhouden en beheren van effectieve schriftelijke organisatorische en administratieve regelingen om potentiële belangenconflicten tussen haarzelf, met inbegrip van haar directieleden, werknemers, leden van het leidinggevend orgaan of alle personen die direct of indirect met haar verbonden zijn, en haar deelnemers of hun cliënten te identificeren en te beheersen. De CSD is belast met het aanhouden en implementeren van adequate procedures om mogelijke belangenconflicten op te lossen.

4.   Een CSD maakt haar bestuursregelingen en haar operationele regels openbaar.

5.   Een CSD heeft passende procedures voor haar werknemers om langs een speciaal kanaal potentiële inbreuken op deze verordening intern te rapporteren.

6.   Een CSD is aan regelmatige en onafhankelijke audits onderworpen. De resultaten van die audits worden meegedeeld aan het leidinggevend orgaan en ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteit en, indien passend rekening houdend met potentiële belangenconflicten tussen de leden van het gebruikerscomité en de CSD, van het gebruikerscomité.

7.   Indien een CSD deel uitmaakt van een groep van ondernemingen die andere CSD’s of in titel IV bedoelde kredietinstellingen omvat, stelt zij nadere beleidslijnen en procedures vast om te bepalen hoe de in dit artikel neergelegde vereisten op de groep en op de verschillende entiteiten in de groep van toepassing zijn.

8.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling, op CSD-niveau en op groepsniveau, zoals vermeld in lid 7, van:

a)

de monitoringinstrumenten voor de in lid 1 bedoelde risico’s waaraan CSD’s blootstaan;

b)

de verantwoordelijkheden van de belangrijkste personeelsleden met betrekking tot de in lid bedoelde risico’s van de CSD’s;

c)

de in lid 3 bedoelde potentiële belangenconflicten;

d)

de in lid 6 bedoelde auditmethoden, en

e)

de omstandigheden waarin het, rekening houdend met potentiële belangenconflicten tussen de leden van het gebruikerscomité en de CSD, passend zou zijn de bevindingen van de audits overeenkomstig lid 6 te delen met het gebruikerscomité.

De ESMA legt deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 27

Directie, leidinggevend orgaan en aandeelhouders

1.   De directie van een CSD heeft voldoende goede naam en ervaring om voor de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de CSD te zorgen.

2.   Een CSD heeft een leidinggevend orgaan waarvan ten minste een derde van de leden, maar niet minder dan twee leden, onafhankelijk zijn.

3.   De vergoeding van de onafhankelijke en andere niet tot de directie behorende leden van het leidinggevend orgaan mag niet gekoppeld zijn aan de zakelijke prestaties van de CSD.

4.   Het leidinggevend orgaan bestaat uit geschikte leden die als voldoende betrouwbaar bekendstaan en een passende combinatie van vaardigheden, ervaring en kennis van de entiteit en van de markt hebben. De niet tot de directie behorende leden van het leidinggevend orgaan stellen een streefcijfer vast voor de vertegenwoordiging van het ondervertegenwoordigde geslacht in het leidinggevend orgaan en stippelen een beleid uit om het aantal vertegenwoordigers van het ondervertegenwoordigde geslacht te vergroten en op die manier het streefcijfer te halen. Het streefcijfer, het beleid en de tenuitvoerlegging ervan worden openbaar gemaakt.

5.   Een CSD stelt overeenkomstig de nationale wetgeving ter zake duidelijk de taken en verantwoordelijkheden van het leidinggevend orgaan vast. Een CSD stelt desgevraagd de notulen van de vergaderingen van het leidinggevend orgaan ter beschikking van de bevoegde autoriteit en van de controleur.

6.   De aandeelhouders van de CSD en personen die in een positie verkeren om direct of indirect zeggenschap over het management van de CSD uit te oefenen, zijn geschikt om voor de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de CSD te zorgen.

7.   Een CSD is belast met:

a)

het verstrekken aan de bevoegde autoriteit en het openbaar maken van informatie betreffende de eigendom van de CSD, en meer bepaald de identiteit en de omvang van de belangen van alle partijen die in een positie verkeren om zeggenschap uit te oefenen over het bedrijf van de CSD;

b)

het verstrekken van informatie aan en het vragen van de goedkeuring van de bevoegde autoriteit voor elk besluit tot overdracht van eigendomsrechten die aanleiding geeft tot een wijziging in de identiteit van de personen die zeggenschap uitoefenen over het bedrijf van de CSD. Na de goedkeuring van de bevoegde autoriteit te hebben ontvangen, maakt de CSD de overdrachten van eigendomsrechten openbaar.

Natuurlijke personen of rechtspersonen stellen de CSD en de voor de CSD bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van een besluit om eigendomsrechten te verwerven of af te stoten als gevolg waarvan de identiteit van de personen die zeggenschap over het bedrijf van de CSD uitoefenen, verandert.

8.   Binnen 60 werkdagen na de ontvangst van de in lid 7 bedoelde informatie neemt de bevoegde autoriteit een besluit over de voorgestelde wijzigingen in de zeggenschap over de CSD. De bevoegde autoriteit weigert de voorgestelde wijzigingen in de zeggenschap over de CSD goed te keuren indien er objectieve en aantoonbare gronden zijn om aan te nemen dat deze wijzigingen een bedreiging zouden vormen voor het gezonde en prudente management van de CSD of voor het vermogen van de CSD om aan deze verordening te voldoen.

Artikel 28

Gebruikerscomité

1.   Een CSD richt voor elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert, gebruikerscomités op die bestaan uit vertegenwoordigers van uitgevende instellingen en van deelnemers aan die effectenafwikkelingssystemen. Het management van de CSD mag geen enkele directe invloed uitoefenen op het advies van het gebruikerscomité.

2.   Een CSD bepaalt op niet-discriminerende wijze het mandaat voor elk opgericht gebruikerscomité, de nodige bestuursregelingen om de onafhankelijkheid ervan te waarborgen en de toepasselijke operationele procedures, alsmede de toelatingscriteria en het verkiezingsmechanisme voor leden van het gebruikerscomité. De bestuursregelingen zijn publiek beschikbaar en waarborgen dat het gebruikerscomité rechtstreeks aan het leidinggevend orgaan rapporteert, en regelmatig vergadert.

3.   Gebruikerscomités adviseren het leidinggevend orgaan over belangrijke regelingen die gevolgen hebben voor hun leden, met inbegrip van de criteria voor het toelaten van uitgevende instellingen of deelnemers tot hun effectenafwikkelingssystemen en op dienstniveau.

4.   Gebruikerscomités kunnen een niet-bindend advies uitbrengen aan het leidinggevend orgaan met een uitvoerige toelichting op de prijsstellingsstructuur van de CSD.

5.   Onverminderd het recht van de bevoegde autoriteiten om naar behoren te worden geïnformeerd, zijn de leden van het gebruikerscomité gehouden tot vertrouwelijkheid. Indien de voorzitter van een gebruikerscomité constateert dat een lid een feitelijk of potentieel belangenconflict heeft met betrekking tot een bepaalde kwestie, mag dat lid niet over die kwestie stemmen.

6.   Een CSD stelt de bevoegde autoriteit en het gebruikerscomité onmiddellijk in kennis van alle beslissingen van het leidinggevend orgaan om het advies van het gebruikerscomité niet te volgen. Het gebruikerscomité kan de bevoegde autoriteit inlichten omtrent eventuele domeinen waarvoor het van mening is dat het advies van het gebruikerscomité niet is gevolgd.

Artikel 29

Bewaren van vastleggingen

1.   Een CSD bewaart ten minste tien jaar al haar vastleggingen over de verrichte diensten en activiteiten, met inbegrip van de in de afdelingen B en C van de bijlage bedoelde nevendiensten, zodat de bevoegde autoriteit de naleving van de vereisten uit hoofde van deze verordening kan monitoren.

2.   Een CSD stelt de in lid 1 bedoelde vastleggingen beschikbaar op verzoek van de bevoegde autoriteit, van relevante autoriteiten en van eventuele andere overheidsinstanties die op grond van het Unierecht of het nationale recht van haar lidstaat van herkomst, toegang mogen verlangen tot dergelijke vastleggingen, met het oog op het vervullen van hun mandaat.

3.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de regels voor de in lid 1 bedoelde vastleggingen die moeten worden bewaard om de naleving door de CSD’s van de bepalingen van deze verordening te monitoren.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

4.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot bepaling van het format van de in lid 1 bedoelde vastleggingen die moeten worden bewaard om de naleving door de CSD’s van de bepalingen van deze verordening te monitoren.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 30

Uitbesteding

1.   Indien een CSD diensten of activiteiten aan een derde uitbesteedt, blijft zij volledig verantwoordelijk voor het vervullen van al haar verplichtingen uit hoofde van deze verordening en neemt zij te allen tijde de volgende voorwaarden in acht:

a)

uitbesteding heeft geen delegatie van haar verantwoordelijkheid tot gevolg;

b)

de relatie van de CSD met en de verplichtingen van de CSD tegenover haar deelnemers of uitgevende instellingen worden niet gewijzigd;

c)

de voorwaarden voor de vergunning van de CSD veranderen niet daadwerkelijk;

d)

uitbesteding vormt geen beletsel voor de uitoefening van de toezicht- en de controlefunctie, ook niet voor toegang ter plaatse om alle relevante informatie te verkrijgen die nodig is om die functies te vervullen;

e)

uitbesteding leidt er niet toe dat de CSD de systemen en controles noodzakelijk voor het beheren van de door haar gelopen risico’s, worden ontnomen;

f)

de CSD behoudt de deskundigheid en middelen noodzakelijk voor het doorlopend evalueren van de kwaliteit van de verrichte diensten, de organisatie- en kapitaaltoereikendheid van de dienstverrichter, voor het effectief toezien op de uitbestede diensten en voor het risicomanagement in verband met de uitbesteding;

g)

de CSD heeft directe toegang tot de relevante informatie over de uitbestede diensten;

h)

de dienstverrichter werkt in verband met de uitbestede activiteiten met de bevoegde autoriteit en de relevante autoriteiten samen;

i)

de CSD zorgt ervoor dat de dienstverrichter voldoet aan de bij de betrokken wetgeving op de gegevensbescherming vastgestelde normen die zouden gelden als de dienstverrichters in de Unie gevestigd zouden zijn. De CSD is verantwoordelijk voor het waarborgen dat die normen in een contract tussen de partijen worden opgenomen en dat die normen in stand worden gehouden.

2.   De CSD bepaalt in een schriftelijke overeenkomst haar rechten en verplichtingen en die van de dienstverrichter. De uitbestedingovereenkomst staat toe dat de CSD de overeenkomst beëindigt.

3.   Een CSD en een dienstverrichter stellen op verzoek van de bevoegde autoriteit en de relevante autoriteiten alle informatie beschikbaar die noodzakelijk is om hen in staat te stellen te beoordelen of bij de uitbestede activiteiten de vereisten van deze verordening in acht worden genomen.

4.   Voor uitbesteding van een kerndienst moet overeenkomstig artikel 19 bij de bevoegde autoriteit een vergunning worden aangevraagd.

5.   De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing indien een CSD sommige van haar diensten of activiteiten aan een publiekrechtelijke entiteit uitbesteedt en die uitbesteding wordt beheerst door een specifiek wettelijk, regelgevend en operationeel kader dat gezamenlijk door de publiekrechtelijke entiteit en de betrokken CSD is overeengekomen en geformaliseerd en door de bevoegde entiteiten op basis van de in deze verordening vastgestelde vereisten is goedgekeurd.

Artikel 31

Dienstverrichting door andere partijen dan CSD’s

1.   Niettegenstaande artikel 30 en indien zulks naar nationaal recht is vereist, kan het giraal vastleggen in door CSD’s aangehouden effectenrekeningen door andere personen dan de CSD worden uitgevoerd.

2.   Lidstaten die overeenkomstig lid 1 andere partijen dan CSD’s toestaan bepaalde in afdeling A van de bijlage vermelde kerndiensten te verrichten, stellen in hun nationaal recht de in dat geval toepasselijke voorschriften vast. Tot die voorschriften behoren de bepalingen van deze verordening, die voor zowel de CSD als, in voorkomend geval, de andere betrokken partij gelden.

3.   Lidstaten die overeenkomstig lid 1 andere partijen dan CSD’s toestaan bepaalde in afdeling A van de bijlage vermelde kerndiensten te verrichten, verstrekken de ESMA alle relevante informatie betreffende het verrichten van deze diensten, met inbegrip van hun desbetreffende nationaal recht.

De ESMA neemt die informatie in het in artikel 21 bedoelde CSD-register op.

Afdeling 2

Regels inzake bedrijfsvoering

Artikel 32

Algemene bepalingen

1.   Een CSD heeft welomschreven doelstellingen die haalbaar zijn, onder meer op het gebied van minimumdienstniveaus, risicomanagementverwachtingen en zakelijke prioriteiten.

2.   Een CSD heeft transparante regels voor klachtenafhandeling.

Artikel 33

Vereisten voor deelname

1.   Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert heeft een CSD openbaargemaakte criteria voor deelname die eerlijke en open toegang mogelijk maken voor alle rechtspersonen die deelnemer willen worden. Die criteria zijn transparant, objectief, en niet discriminerend om eerlijke en open toegang tot de CSD te waarborgen, waarbij rekening wordt gehouden met de risico’s voor de financiële stabiliteit en de ordelijke werking van de markten. Criteria die de toegang beperken, zijn alleen toegestaan voor zover het de bedoeling is op die manier een gespecificeerd risico voor de CSD op gerechtvaardigde wijze te beheersen.

2.   Een CSD behandelt verzoeken om toegang onmiddellijk door uiterlijk binnen één maand een antwoord op die verzoeken te verstrekken en stelt de procedures voor de behandeling van toegangsverzoeken publiek beschikbaar.

3.   Een CSD weigert een deelnemer die aan de in lid 1 bedoelde criteria voldoet alleen toegang op basis van een deugdelijke schriftelijke motivering en een diepgaande risicobeoordeling.

Bij een weigering heeft de verzoekende deelnemer het recht een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de CSD die toegang heeft geweigerd.

Die bevoegde autoriteit onderzoekt de klacht naar behoren door de redenen van de weigering te beoordelen, en verstrekt de verzoekende deelnemer een gemotiveerd antwoord.

Die bevoegde autoriteit raadpleegt bij haar beoordeling van de klacht de bevoegde autoriteit van de plaats van vestiging van de verzoekende deelnemer. Indien de autoriteit van de verzoekende deelnemer het met de verstrekte beoordeling oneens is, is elk van de twee bevoegde autoriteiten gerechtigd de zaak door te verwijzen naar de ESMA, die mag handelen in overeenstemming met de haar uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

Indien de weigering door de CSD om toegang aan de verzoekende deelnemer te verlenen ongerechtvaardigd wordt bevonden, gelast de bevoegde autoriteit van de CSD die de toegang heeft geweigerd, die CSD aan de verzoekende deelnemer toegang te verlenen.

4.   Een CSD heeft objectieve en transparante procedures voor de schorsing en het ordelijke vertrek van deelnemers die niet langer aan de in lid 1 bedoelde deelnamecriteria voldoen.

5.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de risico’s waarmee CSD’s rekening moet houden wanneer zij een diepgaande risicobeoordeling uitvoeren, en waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden wanneer zij de redenen van een weigering overeenkomstig lid 3 beoordelen, alsmede van de elementen van de in lid 3 bedoelde procedure.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

6.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om standaardformulieren en modellen voor de in lid 3 bedoelde procedure vast te stellen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 34

Transparantie

1.   Een CSD maakt voor elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert, en voor elk van de andere kerndiensten die zij verricht, de prijzen en vergoedingen in verband met de in afdeling A van de bijlage vermelde kerndiensten die zij verrichten, openbaar. Zij maakt de prijzen en vergoedingen, ook de kortingen en terugbetalingen en de voorwaarden om van die reducties te profiteren, voor elke verrichte dienst en functie afzonderlijk bekend. Zij staat haar cliënten afzonderlijke toegang tot de specifieke verrichte diensten toe.

2.   Een CSD publiceert haar prijslijst om de vergelijking van het aanbod te vergemakkelijken en cliënten in staat te stellen bedacht te zijn op de prijs die zij voor het gebruik van de diensten zullen moeten betalen.

3.   Een CSD is voor haar kerndiensten gebonden aan haar gepubliceerd prijsstellingsbeleid.

4.   Een CSD verstrekt aan haar cliënten informatie waardoor de facturen met de gepubliceerde prijslijsten kunnen worden vergeleken.

5.   Een CSD maakt aan alle cliënten de gegevens bekend die zij nodig hebben om de aan de verrichte diensten verbonden risico’s te kunnen beoordelen.

6.   Een CSD verantwoordt afzonderlijk de kosten en opbrengsten van de verrichte kerndiensten en maakt die informatie aan de bevoegde autoriteit bekend.

7.   Een CSD verantwoordt de kosten en opbrengsten van de verrichte nevendiensten in hun geheel en maakt die informatie aan de bevoegde autoriteit bekend.

8.   Om te zorgen voor een effectieve toepassing van de mededingingsregels van de Unie en, onder meer, gevallen van kruissubsidiëring van nevendiensten door kerndiensten vast te kunnen stellen, houdt een CSD een analytische boekhouding van haar activiteiten bij. In deze analytische boekhouding worden ten minste de met elk van haar kerndiensten verband houdende kosten en opbrengsten gescheiden van de met nevendiensten verband houdende kosten en opbrengsten.

Artikel 35

Procedures voor communicatie met deelnemers en andere marktinfrastructuren

CSD’s gebruiken in hun procedures voor communicatie met deelnemers aan de effectenafwikkelingssystemen die zij exploiteren en met de marktinfrastructuren waarmee zij in verbinding staan, internationale open communicatieprocedures en -normen voor berichtenverkeer en referentiedata om een efficiënte vastlegging, betaling en afwikkeling te vergemakkelijken.

Afdeling 3

Vereisten voor CSD-diensten

Artikel 36

Algemene bepalingen

Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat een CSD exploiteert, heeft zij passende regels en procedures, met inbegrip van robuuste boekhoudkundige praktijken en controles, om de integriteit van effectenuitgiftes te helpen te waarborgen, en de risico’s in verband met de veilige bewaring en afwikkeling van transacties in effecten te beperken en te beheersen.

Artikel 37

Integriteit van de uitgifte

1.   Een CSD neemt passende reconciliatiemaatregelen om na te gaan of het aantal effecten die een effectenuitgifte of een deel van een effectenuitgifte uitmaken dat bij de CSD is ingediend, gelijk is aan de som van de effecten die in de effectenrekeningen van de deelnemers aan het door de CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem en, waar van toepassing, op bij de CSD aangehouden eigenaarsrekeningen zijn vastgelegd. Die reconciliatiemaatregelen worden ten minste dagelijks uitgevoerd.

2.   In voorkomend geval en ingeval voor een bepaalde effectenuitgifte andere entiteiten, zoals de uitgevende instelling, registrators, uitgifteagenten, overdrachtagenten, gemeenschappelijke bewaarinstellingen, andere CSD’s of andere entiteiten, bij het reconciliatieproces zijn betrokken, zorgen de CSD en die entiteiten voor adequate samenwerkings- en informatie-uitwisselingsmaatregelen zodat de integriteit van de uitgifte wordt gehandhaafd.

3.   Effectenkredieten, debetsaldo’s of effectenschepping zijn niet mogelijk in een door een CSD geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem.

4.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de reconciliatiemaatregelen die een CSD uit hoofde van de leden 1, 2 en 3 moet nemen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 38

Bescherming van effecten van deelnemers en die van hun cliënten

1.   Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat een CSD exploiteert, houdt zij vastleggingen en rekeningen aan die haar in staat stellen te allen tijde en onverwijld in de bij haar aangehouden rekeningen de effecten van elke deelnemer te scheiden van die van elke andere deelnemer en, in voorkomend geval, van de eigen activa van de CSD.

2.   Een CSD houdt vastleggingen en rekeningen aan die elke deelnemer in staat stellen zijn effecten te scheiden van die van zijn cliënten.

3.   Een CSD houdt vastleggingen en rekeningen aan die elke deelnemer in staat stellen in één effectenrekening de effecten aan te houden die behoren tot verschillende van zijn cliënten („omnibus-scheiding van cliënten”).

4.   Een CSD houdt vastleggingen en rekeningen aan die een deelnemer in staat stellen de effecten van elk van zijn cliënten te scheiden, indien en zoals door die deelnemer vereist („vermogensscheiding per individuele cliënt”).

5.   Een deelnemer biedt zijn cliënten ten minste de keuze tussen de omnibus-scheiding en de vermogensscheiding per individuele cliënt, en deelt hen mee welke kosten en risico’s aan beide opties verbonden zijn.

Een CSD en haar deelnemers voorzien echter in vermogensscheiding per individuele cliënt voor burgers en ingezetenen en rechtspersonen die zijn gevestigd in een lidstaat waar dit vereist is uit hoofde van het nationaal recht van die lidstaat dat de uitgifte van de effecten regelt, in de versie die geldt op 17 september 2014. Die verplichting blijft van toepassing zolang het nationaal recht niet wordt gewijzigd of ingetrokken en de doelstellingen ervan geldig blijven.

6.   CSD’s en hun deelnemers maken bekend welk beschermingsniveau en welke kosten verbonden zijn aan de verschillende niveaus van vermogensscheiding die zij aanbieden, en bieden deze diensten tegen redelijke commerciële voorwaarden aan. De bijzonderheden over de verschillende scheidingsniveaus omvatten een beschrijving van de belangrijkste juridische implicaties van de respectieve scheidingsniveaus die worden aangeboden, met inbegrip van informatie over het insolventierecht dat in het relevante rechtsgebied van kracht is.

7.   Een CSD gebruikt effecten die haar niet toebehoren voor geen enkel doel. Een CSD mag echter de effecten van een deelnemer gebruiken wanneer zij voordien de uitdrukkelijke toestemming van die deelnemer heeft verkregen. De CSD verlangt van haar deelnemers dat zij voordien van hun cliënten elke toestemming hebben verkregen die nodig is.

Artikel 39

Het definitieve karakter van de afwikkeling

1.   Een CSD zorgt ervoor dat het door haar geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem de deelnemers adequate bescherming biedt. lidstaten merken de door CSD’s ingestelde overeenkomsten als effectenafwikkelingssystemen aan en melden deze aan volgens de procedures bedoeld in artikel 2, onder a), van Richtlijn 98/26/EG.

2.   Een CSD ziet erop toe dat in elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert, het tijdstip van invoering van overboekingsopdrachten en het ogenblik waarop deze opdrachten niet meer in dat effectenafwikkelingssysteem kunnen worden herroepen, overeenkomstig de artikelen 3 en 5 van Richtlijn 98/26/EG worden gedefinieerd.

3.   Een CSD maakt de regels betreffende het definitieve karakter van overboekingen van effecten en gelden in een effectenafwikkelingssysteem bekend.

4.   De leden 2 en 3 zijn van toepassing onverminderd de bepalingen die gelden voor CSD-koppelingen en onverminderd artikel 48, lid 8.

5.   Een CSD onderneemt alle redelijke stappen om ervoor te zorgen dat, overeenkomstig de regels bedoeld in lid 3, overboekingen van effecten en gelden definitief worden als bedoeld in lid 3, hetzij per direct, hetzij intradag, en in ieder geval niet later dan aan het eind van de werkdag die overeenkomt met de daadwerkelijke afwikkelingsdatum.

6.   Wanneer de CSD de in artikel 40, lid 2, bedoelde diensten aanbiedt, zorgt zij ervoor dat de geldopbrengsten van effectenafwikkelingen uiterlijk aan het einde van de werkdag die overeenkomt met de voorgenomen afwikkelingsdatum, voor de ontvangers beschikbaar zijn voor gebruik.

7.   Alle effectentransacties tegen geld tussen directe deelnemers naar een door een CSD geëxploiteerd effectenafwikkelingssysteem die in dat effectenafwikkelingssysteem worden afgewikkeld, worden op basis van levering tegen betaling afgewikkeld.

Artikel 40

Afwikkeling van de geldzijde

1.   Voor transacties die luiden in de valuta van het land waar de afwikkeling plaatsvindt, wikkelt een CSD, indien dat praktisch en mogelijk is, de betalingen in contanten van haar effectenafwikkelingssysteem af via rekeningen die zijn geopend bij een centrale bank die de betrokken valuta uitgeeft.

2.   Indien het niet praktisch en mogelijk is op rekeningen bij de centrale bank af te wikkelen, zoals bepaald in lid 1, kan een CSD aanbieden de betalingen in contanten voor al haar effectenafwikkelingssystemen of een deel ervan via bij een kredietinstelling geopende rekeningen of via haar eigen rekeningen af te wikkelen. Indien een CSD aanbiedt op bij een kredietinstelling geopende rekeningen of via haar eigen rekeningen af te wikkelen, neemt zij daarbij de bepalingen van titel IV in acht.

3.   Een CSD zorgt ervoor dat de aan marktdeelnemers verstrekte informatie over de risico’s en de kosten die verbonden zijn aan afwikkelingen op bij een kredietinstelling geopende rekeningen of via haar eigen rekeningen, duidelijk, eerlijk en niet misleidend is. Een CSD verstrekt aan cliënten of mogelijke cliënten desgevraagd voldoende informatie om de risico’s en de kosten te kunnen identificeren en beoordelen die verbonden zijn aan afwikkelingen op bij een kredietinstelling geopende rekeningen of via haar eigen rekeningen.

Artikel 41

Regels en procedures bij wanbetaling van een deelnemer

1.   Voor elk effectenafwikkelingssysteem dat een CSD exploiteert, heeft zij effectieve en welomschreven regels en procedures om de wanbetaling van een of meer van haar deelnemers te beheren en ervoor te zorgen dat de CSD tijdig actie kan ondernemen om de verliezen en de liquiditeitsdruk te beperken en haar verplichtingen te blijven nakomen.

2.   Een CSD maakt haar wanbetalingsregels en de procedures ter zake openbaar.

3.   Een CSD verricht met haar deelnemers en andere betrokken stakeholders periodiek tests en evaluaties van haar wanbetalingsprocedures om ervoor te zorgen dat deze praktisch en doeltreffend zijn.

4.   Om consistente toepassing van dit artikel te waarborgen, kan de ESMA in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB richtsnoeren uitvaardigen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Afdeling 4

Prudentiële vereisten

Artikel 42

Algemene vereisten

Een CSD stelt een gezond risicomanagementkader vast om op veelomvattende wijze juridische, zakelijke, operationele en andere directe of indirecte risico’s te beheersen, met inbegrip van maatregelen ter beperking van fraude en nalatigheid.

Artikel 43

Juridische risico’s

1.   In verband met haar vergunningverlening en toezicht en om haar cliënten te informeren, heeft een CSD voor alle effectenafwikkelingssystemen die zij exploiteert, regels en voor alle andere diensten die zij verricht, procedures en contracten die duidelijk en begrijpelijk zijn.

2.   Een CSD stelt haar regels, procedures en contracten zo op dat zij, ook bij wanbetaling van een deelnemer, in alle betrokken jurisdicties afdwingbaar zijn.

3.   Een CSD die onder verschillende rechtstelsels haar bedrijf uitoefent, neemt alle redelijke maatregelen om in alle rechtstelsels de risico’s die voortvloeien uit potentiële collisie te identificeren en te beperken.

Artikel 44

Algemeen zakelijk risico

Een CSD heeft robuuste management- en controlesystemen en IT-instrumenten om algemene zakelijke risico’s, met inbegrip van verliezen als gevolg van het slecht uitvoeren van de zakelijke strategie, kasstromen en exploitatiekosten te identificeren, te monitoren en te beheersen.

Artikel 45

Operationele risico’s

1.   Inclusief voor alle effectenafwikkelingssystemen die zij exploiteert, identificeert een CSD bronnen van zowel intern als extern operationeel risico en beperkt zij de impact daarvan tot een minimum door de inzet van passende IT-instrumenten, -controles en -procedures te gebruiken.

2.   Een CSD houdt passende IT-instrumenten aan die een hoge mate van beveiliging en operationele betrouwbaarheid waarborgen en een toereikende capaciteit hebben. De IT-instrumenten zijn berekend op de complexiteit, de diversiteit en het soort diensten en activiteiten die worden verricht teneinde te garanderen dat strenge normen in acht worden genomen op het gebied van beveiliging en de integriteit en vertrouwelijkheid van de bewaarde informatie.

3.   Voor diensten die zij verricht en voor elk effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert, draagt een CSD zorg voor het vaststellen, implementeren en aanhouden van een adequaat bedrijfscontinuïteitsbeleid en noodherstelplan om te zorgen voor het behoud van haar diensten, het tijdig herstel van de bedrijfsactiviteiten en de vervulling van de verplichtingen van de CSD bij gebeurtenissen die een significant risico op verstoring van transacties inhouden.

4.   Het in lid 3 bedoelde plan maakt het mogelijk alle transacties en posities van deelnemers op het ogenblik van de verstoring te herstellen, zodat de deelnemers aan een CSD hun bedrijvigheid met zekerheid kunnen voortzetten en de afwikkeling op de geplande datum kunnen uitvoeren, onder meer door ervoor te zorgen dat kritieke IT-systemen na de verstoring meteen weer operationeel zijn. Daarbij dient in een tweede verwerkingslocatie te worden voorzien met voldoende middelen, capaciteit en functionaliteit, en passende personeelsvoorziening.

5.   De CSD plant en geeft uitvoering aan een programma van tests voor de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde regelingen.

6.   Een CSD is belast met het identificeren, monitoren en beheersen van de risico’s die belangrijke deelnemers aan het effectenafwikkelingssysteem dat zij exploiteert alsook dienstverrichters en aanbieders van hulpprogramma’s en andere CSD’s of andere marktinfrastructuren voor haar bedrijfsactiviteiten kunnen inhouden. Zij verstrekt desgevraagd de bevoegde en de relevante autoriteiten informatie over eventuele geïdentificeerde risico’s.

Zij stelt de bevoegde autoriteit en de relevante autoriteiten ook onverwijld in kennis van eventuele operationele incidenten als gevolg van dergelijke risico’s.

7.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in de leden 1 tot en met 6 bedoelde operationele risico’s, en de methoden om die risico’s te testen, aan te pakken of te beperken, met inbegrip van het bedrijfscontinuïteitsbeleid en de noodherstelplannen bedoeld in de leden 3 en 4 en de methoden om die te beoordelen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 46

Beleggingsbeleid

1.   Een CSD houdt haar financiële activa aan bij centrale banken, vergunninghoudende kredietinstellingen of vergunninghoudende CSD’s.

2.   Een CSD heeft indien dit vereist is onmiddellijk toegang tot haar activa.

3.   Een CSD belegt haar financiële middelen uitsluitend in geld of in zeer liquide financiële instrumenten met een minimaal markt- en kredietrisico. Het moet mogelijk zijn die beleggingen snel te gelde te maken met een minimaal negatief effect op de prijs.

4.   Het bedrag aan kapitaal, met inbegrip van de ingehouden winst en reserves, van een CSD dat niet overeenkomstig lid 3 is belegd, wordt niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 47, lid 1.

5.   Een CSD ziet erop toe dat haar algehele risicoblootstelling met betrekking tot elke individuele vergunninghoudende krediet of vergunninghoudende CSD waar zij haar financiële activa aanhoudt, binnen aanvaardbare concentratielimieten blijft.

6.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de EBA en de leden van het ESCB ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 3 vermelde financiële instrumenten die als zeer liquide instrumenten met een zeer laag markt- en kredietrisico kunnen worden beschouwd, de in lid 2 bedoelde passende termijn voor toegang tot activa en de in lid 5 vermelde concentratiegrenzen. Deze ontwerpen van technische reguleringsnormen worden, in voorkomend geval, in overeenstemming gebracht met de technische reguleringsnormen die overeenkomstig artikel 47, lid 8, van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn aangenomen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 47

Kapitaalvereisten

1.   Het kapitaal samen met de ingehouden winst en de reserves van een CSD is evenredig met de risico’s die uit de activiteiten van de CSD voortkomen. Het is te allen tijde voldoende om:

a)

te waarborgen dat de CSD adequaat wordt beschermd tegen operationele, juridische, bewarings-, beleggings- en zakelijke risico’s zodat de CSD als bedrijf met winstcapaciteit en winstvooruitzichten diensten kan blijven verrichten;

b)

in een reeks stressscenario’s gedurende een passende tijdspanne van ten minste zes maanden een ordelijke afbouw of herstructurering van de activiteiten van de CSD te waarborgen.

2.   Een CSD houdt een plan aan voor:

a)

het aantrekken van extra kapitaal voor het geval dat haar aandelenkapitaal de in lid 1 neergelegde vereisten nadert of daaronder daalt;

b)

het verzekeren van een ordelijke afbouw of sanering van haar bedrijfsactiviteiten en diensten indien de CSD niet in staat is nieuw kapitaal aan te trekken.

Het plan wordt door het leidinggevend orgaan of door een ter zake bevoegd comité van dit orgaan goedgekeurd, en regelmatig geactualiseerd. Telkens wanneer het plan is geactualiseerd, wordt het toegezonden aan de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit kan de CSD verzoeken aanvullende maatregelen te nemen of andere voorzieningen te treffen indien zij het plan van de CSD ontoereikend acht.

3.   De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de ESMA en met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de vereisten inzake het kapitaal, de ingehouden winst en de reserves van een CSD als bedoeld in lid 1.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Afdeling 5

Vereisten voor CSD-koppelingen

Artikel 48

CSD-koppelingen

1.   Alvorens een CSD-koppeling in te stellen en, zodra de CSD-koppeling is ingesteld, doorlopend, dragen alle betrokken CSD’s zorg voor het identificeren, beoordelen, monitoren en beheren van alle potentiële bronnen van risico die voor henzelf en voor hun deelnemers uit de CSD-koppeling voortvloeien, en nemen zij passende maatregelen om deze risico’s te beperken.

2.   CSD’s die koppelingen willen instellen, dienen bij de voor de verzoekende CSD bevoegde autoriteit een vergunningsaanvraag in als vereist uit hoofde van artikel 19, lid 1, onder e), of stellen de voor de verzoekende CSD bevoegde en relevante autoriteiten in kennis als vereist uit hoofde van artikel 19, lid 5.

3.   Een koppeling biedt adequate bescherming aan de gekoppelde CSD’s en hun deelnemers, met name ten aanzien van mogelijke kredietneming door CSD’s en de concentratie- en liquiditeitsrisico’s als gevolg van de koppelingsregeling.

Een koppeling wordt ondersteund door een passende contractuele regeling waarin de rechten en verplichtingen van de gekoppelde CSD’s en, indien nodig, van de deelnemers van de CSD’s worden vastgesteld. Een contractuele regeling met jurisdictieoverschrijdende implicaties voorziet in een ondubbelzinnige keuze van het recht dat elk aspect van de activiteiten van de koppeling beheerst.

4.   Bij een voorlopige overboeking van effecten tussen gekoppelde CSD’s is heroverboeking van effecten voordat de eerste overboeking definitief is, verboden.

5.   Een CSD die een indirecte koppeling of een intermediair gebruikt om een CSD-koppeling met een andere CSD te exploiteren, is belast met het meten, monitoren en beheersen van de bijkomende risico’s die uit het gebruik van die indirecte koppeling of intermediair voortvloeien, en neemt passende maatregelen om deze risico’s te beperken.

6.   Gekoppelde CSD’s beschikken over robuuste reconciliatieprocedures om te waarborgen dat hun vastleggingen accuraat zijn.

7.   Koppelingen tussen CSD’s maken, indien dit praktisch en mogelijk is, afwikkeling van transacties op basis van levering tegen betaling tussen deelnemers aan gekoppelde CSD’s mogelijk. De gedetailleerde motivering voor elke CSD-koppeling die geen afwikkeling op basis van levering tegen betaling toelaat, worden aan de betrokken en de bevoegde autoriteiten meegedeeld.

8.   Interoperabele effectenafwikkelingssystemen en CSD’s die een gemeenschappelijke afwikkelingsinfrastructuur gebruiken, stellen identieke momenten vast voor:

a)

de invoering van overboekingsopdrachten in het systeem;

b)

de onherroepelijkheid van overboekingsopdrachten.

De in de eerste alinea bedoelde effectenafwikkelingssystemen en CSD’s passen gelijkwaardige regels toe voor het ogenblik waarop overboekingen van gelden en effecten een definitief karakter krijgen.

9.   Uiterlijk op 18 september 2019 zijn alle interoperabele koppelingen tussen in de lidstaten actieve CSD’s koppelingen die, indien van toepassing, afwikkeling op basis van levering tegen betaling ondersteunen.

10.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de in lid 3 bedoelde voorwaarden waaronder elke soort koppelingsregeling adequate bescherming aan de gekoppelde CSD’s en hun deelnemers biedt, in het bijzonder indien een CSD voornemens is aan het door een andere CSD geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem deel te nemen, de monitoring en behandeling van bijkomende risico’s als bedoeld in lid 5 die uit het gebruik van intermediairs voortvloeien, de reconciliatiemethoden als bedoeld in lid 6, de gevallen waarin afwikkeling van transacties op basis van levering tegen betaling via CSD-koppelingen praktisch en mogelijk is als bedoeld in lid 7, en de methoden voor beoordeling daarvan.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

HOOFDSTUK III

Toegang tot CSD’s

Afdeling 1

Toegang van uitgevende instellingen tot CSD’s

Artikel 49

Vrijheid om bij een in de Unie vergunninghoudende CSD te emitteren

1.   Een uitgevende instelling heeft het recht de CSD en de lidstaat te kiezen waar zij haar effecten die tot de handel op gereglementeerde markten of mtf’s zijn toegelaten, of op handelsplatforms worden verhandeld, laat vastleggen, op voorwaarde dat die CSD aan de voorwaarden van artikel 23 voldoet.

Onverminderd het in de eerste alinea bedoelde recht van de uitgevende instelling, blijft het vennootschapsrecht of ander vergelijkbaar recht van de lidstaat dat de uitgifte van de effecten beheerst, van toepassing.

De lidstaten zorgen ervoor dat een lijst met de belangrijkste bepalingen ter zake uit hun nationale recht als bedoeld in de tweede alinea, wordt opgesteld. De bevoegde autoriteiten brengen de lijst uiterlijk op 18 december 2014 ter kennis van de ESMA. De ESMA publiceert de lijst uiterlijk op 18 januari 2015.

De CSD mag, tenzij door beide partijen anders is overeengekomen, op regiebasis een redelijke commerciële vergoeding in rekening brengen voor het verrichten van diensten aan uitgevende instellingen.

2.   Indien een uitgevende instelling een verzoek om vastlegging van haar effecten bij een CSD indient, behandelt de CSD dit verzoek onmiddellijk en op niet-discriminerende wijze en verstrekt zij binnen drie maanden een antwoord aan de uitgevende instelling die het verzoek heeft ingediend.

3.   Een CSD mag weigeren diensten voor een uitgevende instelling te verrichten. Het weigeren van het verrichten van diensten is alleen gebaseerd op een diepgaande risicobeoordeling of indien de CSD niet de in punt 1 van afdeling A van de bijlage bedoelde diensten verricht voor effecten waarvan de uitgifte bij het vennootschapsrecht of andere vergelijkbaar recht van de betrokken lidstaat wordt geregeld.

4.   Onverminderd Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (25) en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (26), stelt een CSD, indien zij weigert diensten te verrichten voor een uitgevende instelling, de verzoekende uitgevende instelling schriftelijk van alle redenen voor haar weigering in kennis.

Bij een weigering heeft de verzoekende uitgevende instelling het recht een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de CSD die weigert haar diensten te verrichten.

De verantwoordelijke autoriteit van die CSD onderzoekt naar behoren de klacht door de door de CSD opgegeven redenen voor de weigering te beoordelen en verstrekt de verzoekende deelnemer een gemotiveerd antwoord.

De bevoegde autoriteit van de CSD raadpleegt bij haar beoordeling van de klacht de bevoegde autoriteit van de plaats van vestiging van de verzoekende uitgevende instelling. Indien de bevoegde autoriteit van de plaats van vestiging van de verzoekende uitgevende instelling het met de beoordeling oneens is, is elk van de twee bevoegde autoriteiten gerechtigd de zaak door te verwijzen naar de ESMA, die mag handelen in overeenstemming met de haar uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

Indien de weigering door de CSD om haar diensten voor een uitgevende instelling te verrichten, ongerechtvaardigd wordt bevonden, gelast de verantwoordelijke bevoegde autoriteit de CSD haar diensten voor de verzoekende uitgevende instelling te verrichten.

5.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de risico’s waarmee CSD’s rekening moet houden wanneer zij een diepgaande risicobeoordeling uitvoeren en waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden wanneer zij de redenen van een weigering overeenkomstig de leden 3 en 4 beoordelen, alsmede van de elementen van de in lid 4 bedoelde procedure.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

6.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om standaardformulieren en modellen voor de in lid 4 bedoelde procedure vast te stellen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Afdeling 2

Toegang tussen CSD’s

Artikel 50

Standaardkoppelingstoegang

Een CSD heeft het recht een deelnemer van een andere CSD te worden en een standaardkoppeling met die CSD in te stellen in overeenstemming met artikel 33 mits de CSD-koppeling overeenkomstig artikel 19, lid 5, vooraf is gemeld.

Artikel 51

Op maat gemaakte koppelingstoegang

1.   Indien een CSD een andere CSD verzoekt een op maat gemaakte koppeling in te stellen om tot deze laatste toegang te hebben, verwerpt de CSD die het verzoek ontvangt dat verzoek enkel op basis van risico-overwegingen. Zij wijst een verzoek niet af op grond van verlies van marktaandeel.

2.   De CSD die het verzoek ontvangt, mag, tenzij door beide partijen anders is overeengekomen, aan de verzoekende CSD op regiebasis een redelijke commerciële vergoeding in rekening brengen voor het beschikbaar stellen van de op maat gemaakte koppelingstoegang.

Artikel 52

Procedure voor CSD-koppelingen

1.   Wanneer een CSD uit hoofde van de artikelen 50 en 51 een verzoek om toegang tot een andere CSD indient, behandelt die laatste dit verzoek onmiddellijk en verstrekt zij binnen drie maanden een antwoord aan de verzoekende CSD.

2.   Een CSD weigert een verzoekende CSD alleen toegang indien die toegang een bedreiging zou vormen voor de soepele en ordelijke werking van de financiële markten of tot een systeemrisico zou leiden. Een dergelijke weigering is enkel op een diepgaande risicobeoordeling gebaseerd.

Indien een CSD toegang weigert, geeft zij aan de verzoekende CSD alle redenen op voor haar weigering.

Bij een weigering heeft de verzoekende CSD het recht een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de CSD die toegang heeft geweigerd.

De bevoegde autoriteit van de CSD die het verzoek ontvangt, onderzoek de klacht naar behoren door de redenen voor de weigering te beoordelen, en verstrekt aan de verzoekende CSD een gemotiveerd antwoord.

De bevoegde autoriteit van de CSD die het verzoek ontvangt, raadpleegt bij haar beoordeling van de klacht de bevoegde autoriteit van de verzoekende CSD en de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde relevante autoriteit van de verzoekende CSD. Indien een van de autoriteiten van de verzoekende CSD het met de verstrekte beoordeling oneens is, mag elk van de autoriteiten de zaak verwijzen naar de ESMA, die mag handelen in overeenstemming met de haar uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

Indien de weigering van de CSD om toegang aan de verzoekende CSD te verlenen ongerechtvaardigd wordt bevonden, gelast de bevoegde autoriteit van de CSD die het verzoek ontvangt, deze CSD toegang te verlenen aan de verzoekende CSD.

3.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de risico’s waarmee CSD’s rekening moet houden wanneer zij een diepgaande risicobeoordeling uitvoeren, en waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden wanneer zij de redenen van een weigering overeenkomstig lid 2 beoordelen, alsmede van de elementen van de in lid 2 bedoelde procedure.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

4.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om standaardformulieren en modellen voor de in de leden 1 en 2 bedoelde procedures vast te stellen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Afdeling 3

Toegang tussen een CSD en een andere marktinfrastructuur

Artikel 53

Toegang tussen een CSD en een andere marktinfrastructuur

1.   Een CTP en een handelsplatform verstrekken op verzoek van een CSD aan die CSD op niet-discriminerende en transparante basis hun transactiestroom en mogen daarvoor de verzoekende CSD op regiebasis een redelijke commerciële vergoeding in rekening brengen, tenzij door beide partijen anders is overeengekomen.

Een CSD verleent aan een CTP of een handelsplatform op niet-discriminerende en transparante basis toegang tot haar effectenafwikkelingssysteem en mag voor die toegang op regiebasis een redelijke commerciële vergoeding in rekening brengen, tenzij door beide partijen anders is overeengekomen.

2.   Wanneer een partij in overeenstemming met lid 1 een verzoek om toegang tot een andere partij indient, wordt dit verzoek onmiddellijk behandeld en wordt binnen drie maanden een antwoord aan de verzoekende partij verstrekt.

3.   De partij die het verzoek ontvangt, weigert de toegang enkel indien die toegang een bedreiging zou vormen voor de soepele en ordelijke werking van de financiële markten of tot een systeemrisico zou leiden. Zij wijst een verzoek niet af op grond van verlies van marktaandeel.

Een partij die toegang weigert, stelt de verzoekende partij op basis van een diepgaande risicobeoordeling schriftelijk in kennis van alle redenen voor die weigering. Bij een weigering heeft de verzoekende partij het recht een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de partij die toegang heeft geweigerd.

De bevoegde autoriteit van de partij die het verzoek ontvangt en de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde relevante autoriteit onderzoeken naar behoren de klacht door de redenen van de weigering te beoordelen en verstrekken de verzoekende partij een met redenen omkleed antwoord.

De bevoegde autoriteit van de partij die het verzoek ontvangt, raadpleegt bij haar beoordeling van de klacht de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij en de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde relevante autoriteit van de verzoekende partij. Indien een van de autoriteiten van de verzoekende partij het met de verstrekte beoordeling oneens is, is elk van hen gerechtigd de zaak te verwijzen naar de ESMA, die mag handelen in overeenstemming met de haar uit hoofde van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 verleende bevoegdheden.

Indien de weigering door een partij om toegang te verlenen ongerechtvaardigd wordt bevonden, gelast de verantwoordelijke bevoegde autoriteit die partij, binnen drie maanden toegang te verlenen tot haar diensten.

4.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de risico’s waarmee CSD’s rekening moet houden wanneer zij een diepgaande risicobeoordeling uitvoeren, en waarmee de bevoegde autoriteiten rekening moeten houden wanneer zij de redenen van een weigering overeenkomstig lid 3 beoordelen, alsmede van de elementen van de in lid 3 bedoelde procedure.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

5.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen om standaardformulieren en modellen voor de in de leden 2 en 3 bedoelde procedures vast te stellen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

TITEL IV

HET VERRICHTEN VAN BANCAIRE NEVENDIENSTEN AAN DEELNEMERS VAN CSD’S

Artikel 54

Vergunning en aanwijzing om bancaire nevendiensten te verrichten

1.   Een CSD verricht zelf geen in afdeling C van de bijlage bedoelde bancaire nevendiensten tenzij zij een aanvullende vergunning heeft verkregen om dergelijke diensten overeenkomstig dit artikel te verrichten.

2.   Een CSD die voornemens is de geldzijde van haar gehele of gedeeltelijke effectenafwikkelingssysteem overeenkomstig artikel 40, lid 2, af te wikkelen, of anderszins bancaire nevendiensten als bedoeld in lid 1 wenst te verrichten, heeft een vergunning verkregen om hetzij:

a)

dergelijke diensten zelf aan te bieden onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden, hetzij

b)

voor dat doel een of meer kredietinstellingen aan te wijzen die overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning hebben verkregen.

3.   Indien een CSD bancaire nevendiensten wil verrichten vanuit dezelfde rechtspersoon als die welke het effectenafwikkelingssysteem exploiteert, wordt de in lid 2 bedoelde vergunning alleen verleend indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de CSD heeft overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning als kredietinstelling verkregen;

b)

de CSD voldoet aan de in artikel 59, leden 1, 3 en 4, vermelde prudentiële vereisten en aan de in artikel 60 vermelde toezichtsvereisten;

c)

de onder a) van deze alinea bedoelde vergunning wordt alleen gebruikt voor het verrichten van de in afdeling C van de bijlage bedoelde bancaire nevendiensten en niet voor het verrichten van enige andere activiteiten;

d)

de CSD is onderworpen aan een bijkomende kapitaalopslag die een afspiegeling vormt van de risico’s, met inbegrip van het krediet- en het liquiditeitsrisico, welke voortvloeien uit het verlenen van intradag-krediet aan, onder meer, deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem of andere gebruikers van CSD-diensten;

e)

de CSD brengt aan de bevoegde autoriteit ten minste maandelijks en als onderdeel van de openbaarmaking zoals voorgeschreven in het kader van Deel Acht van Verordening (EU) nr. 575/2013, jaarlijks verslag uit over de omvang en de beheersing van intradag-liquiditeitsrisico’s, overeenkomstig artikel 59, lid 4, onder j), van deze verordening, en

f)

de CSD heeft de bevoegde autoriteit een deugdelijk herstelplan voorgelegd ter waarborging van de continuïteit van haar kritieke activiteiten, ook in situaties waarin het liquiditeits- of het kredietrisico zich als gevolg van het verrichten van bancaire nevendiensten concretiseert.

In geval van collusie tussen de bepalingen die zijn opgenomen in deze richtlijn, in Verordening (EU) nr. 575/2013 en in Richtlijn 2013/36/EU, houdt de onder de eerste alinea, onder a), bedoelde CSD zich aan de strengere vereisten inzake prudentieel toezicht. De gevallen van tegenstrijdige bepalingen worden toegelicht in de technische reguleringsnormen bedoeld in artikel 47 en artikel 59 van deze verordening.

4.   Indien een CSD een kredietinstelling wil aanwijzen om bancaire nevendiensten te verrichten vanuit een afzonderlijke rechtspersoon die al dan niet deel kan uitmaken van een groep van ondernemingen die onder de uiteindelijke zeggenschap van dezelfde moederonderneming staan, wordt de in lid 2 bedoelde vergunning alleen verleend mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de afzonderlijke rechtspersoon heeft over overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning als kredietinstelling verkregen;

b)

de afzonderlijke rechtspersoon voldoet aan de in artikel 59, leden 1, 3 en 4, neergelegde prudentiële vereisten en aan de in artikel 60 neergelegde toezichtsvereisten;

c)

de afzonderlijke rechtspersoon verricht zelf geen van de in afdeling A van de bijlage bedoelde kerndiensten;

d)

de onder a) bedoelde vergunning wordt alleen gebruikt voor het verrichten van de in afdeling C van de bijlage bedoelde bancaire nevendiensten en niet voor het verrichten van enige andere activiteiten;

e)

de afzonderlijke rechtspersoon is onderworpen aan een bijkomende kapitaalopslag die een afspiegeling vormt van de risico’s, met inbegrip van het krediet- en het liquiditeitsrisico, welke voortvloeien uit het verlenen van intradag-krediet aan, onder meer, deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem of andere gebruikers van CSD-diensten;

f)

de afzonderlijke rechtspersoon brengt aan de bevoegde autoriteit ten minste maandelijks en als onderdeel van de openbaarmaking als voorgeschreven in het kader van Deel Acht van Verordening (EU) nr. 575/2013, jaarlijks verslag uit over de omvang en het beheer van het intradag-liquiditeitsrisico, overeenkomstig artikel 59, lid 4, onder j), van deze verordening, en

g)

de afzonderlijke rechtspersoon heeft de bevoegde autoriteit een deugdelijk herstelplan voorgelegd ter waarborging van de continuïteit van haar kritieke activiteiten, ook in situaties waarin het liquiditeits- of het kredietrisico zich als gevolg van het vanuit een afzonderlijke rechtspersoon verrichten van bancaire nevendiensten concretiseert.

5.   Lid 4 is niet van toepassing op in lid 2, onder b), bedoelde kredietinstellingen die aanbieden de betalingen in contanten voor een deel van het effectenafwikkelingssystemen van de CSD af te wikkelen, indien de op jaarbasis berekende totale waarde van de afwikkeling van die betalingen in contanten via bij die kredietinstellingen geopende rekeningen minder bedraagt dan één procent van de totale waarde van alle effectentransacties tegen contanten die in de boeken van de CSD worden afgewikkeld, en niet meer dan 2,5 miljard EUR per jaar bedraagt.

De bevoegde autoriteit controleert ten minste één keer per jaar dat de in de eerste alinea bepaalde drempel in acht wordt genomen en stelt de ESMA van haar bevindingen in kennis. Indien de bevoegde autoriteit constateert dat de drempel is overschreden, verzoekt zij de betrokken CSD een vergunning aan te vragen overeenkomstig lid 4. De betrokken CSD dient het vergunningsaanvraag binnen zes maanden in.

6.   De bevoegde autoriteit kan een CSD voorschrijven meer dan één kredietinstelling aan te wijzen, of een kredietinstelling aan te wijzen en daarnaast zelf diensten te verrichten overeenkomstig lid 2, onder a), van dit artikel, indien zij van oordeel is dat de blootstelling van één kredietinstelling aan de concentratie van risico’s uit hoofde van artikel 59, leden 3 en 4, niet voldoende beperkt is. De aangewezen kredietinstellingen worden als afwikkelende instantie beschouwd.

7.   Een CSD die een vergunning heeft verkregen voor het verrichten van bancaire nevendiensten en een overeenkomstig lid 2, onder b), aangewezen kredietinstelling voldoen te allen tijde aan de voorwaarden die nodig zijn voor het verkrijgen van een vergunning krachtens deze verordening en stellen de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van alle aanzienlijke wijzigingen die gevolgen hebben voor de voorwaarden voor vergunningverlening.

8.   De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de ESMA en met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen ter bepaling van de bijkomende op risico gebaseerde kapitaalopslag als bedoeld in lid 3, onder d), en lid 4, onder e).

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Artikel 55

Procedure voor verlening en weigering van een vergunning voor het verlenen van bancaire nevendiensten

1.   De CSD dient haar aanvraag voor een vergunning voor het aanwijzen van een kredietinstelling of voor het verrichten van bancaire nevendiensten als vereist uit hoofde van artikel 54 in bij de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst.

2.   De aanvraag bevat alle nodige informatie op grond waarvan de bevoegde autoriteit zich ervan kan vergewissen dat de CSD en, indien van toepassing, de aangewezen kredietinstelling op het tijdstip van de vergunning alle nodige regelingen hebben getroffen om te voldoen aan de in deze verordening neergelegde verplichtingen. De aanvraag bevat een operationeel programma met de beoogde bancaire nevendiensten, de organisatiestructuur, in voorkomend geval, van de betrekkingen tussen de CSD en, indien van toepassing, de aangewezen kredietinstellingen en de wijze waarop die CSD of, indien van toepassing, de aangewezen kredietinstelling voornemens is aan de in artikel 59, leden 1, 3 en 4, neergelegde prudentiële vereisten en aan de andere in artikel 54 neergelegde voorwaarden te voldoen.

3.   De bevoegde autoriteit past de procedure van artikel 17, leden 3 en 8, toe.

4.   Vanaf het tijdstip waarop de aanvraag als volledig wordt beschouwd, zendt de bevoegde autoriteit alle in de aanvraag opgenomen informatie toe aan de volgende autoriteiten:

a)

de relevante autoriteiten;

b)

de bevoegde autoriteit bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 40), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

de bevoegde autoriteiten in de lidstaten waar de CSD interoperabele koppelingen met een andere CSD heeft ingesteld, tenzij de CSD interoperabele koppelingen als bedoeld in artikel 19, lid 5, heeft ingesteld;

d)

de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van ontvangst waar de activiteiten van de CSD van substantieel belang zijn voor de werking van de effectenmarkten en de bescherming van de beleggers in de zin van artikel 24, lid 4;

e)

de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de deelnemers van de CSD die gevestigd zijn in de drie lidstaten met de grootste afwikkelingswaarden binnen het afwikkelingssysteem van de CSD, op geaggregeerde basis gedurende een periode van één jaar;

f)

de ESMA, en

g)

de EBA.

5.   De in lid 4, onder a) tot en met e), bedoelde autoriteiten brengen binnen 30 dagen na ontvangst van de in lid 4 bedoelde informatie een gemotiveerd advies over de vergunning uit. Indien een autoriteit niet binnen de in het vorige lid vastgestelde termijn advies uitbrengt, wordt zij geacht positief te adviseren.

Indien ten minste een van de in lid 4, onder a) tot en met e), bedoelde autoriteiten een gemotiveerd negatief advies uitbrengt, legt de bevoegde autoriteit die de vergunning wil verlenen, binnen 30 dagen aan de in lid 4, onder a) tot en met e), bedoelde autoriteiten een gemotiveerd besluit voor ter weerlegging van het negatief advies.

Indien een van de in lid 4, onder a) tot en met e), bedoelde autoriteiten 30 dagen na kennisgeving van dat besluit een negatief advies uitbrengt, en de bevoegde autoriteit de vergunning alsnog wil verlenen, wordt de zaak voorgelegd aan de ESMA voor bijstand uit hoofde van artikel 31, onder c), van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Indien de zaak 30 dagen na te zijn voorgelegd aan de ESMA niet is geschikt, dan neemt de bevoegde autoriteit die de vergunning wil verlenen, het definitieve besluit en stelt zij de in lid 4, onder a) tot en met e), bedoelde autoriteiten uitvoerig schriftelijk van haar motivering in kennis.

Indien de bevoegde autoriteit de vergunning wil weigeren, wordt de zaak niet aan de ESMA voorgelegd.

In negatieve adviezen worden schriftelijk de volledige en gedetailleerde redenen opgegeven waarom niet aan de vereisten van deze verordening of van andere delen van het Unierecht wordt voldaan.

6.   Indien de ESMA van oordeel is dat de bevoegde autoriteit een vergunning heeft verleend die wellicht niet in overeenstemming is met het Unierecht, handelt zij overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

7.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB en met de EBA, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de informatie die de CSD aan de bevoegde autoriteit moet verstrekken teneinde de vergunningen voor het verrichten van bancaire nevendiensten van afwikkeling te verkrijgen.

De ESMA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

8.   De ESMA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de leden van het ESCB en met de EBA, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen tot vaststelling van standaardformulieren, modellen en procedures voor de raadpleging van de in lid 4 bedoelde autoriteiten voordat de vergunning wordt verleend.

De ESMA legt die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 vast te stellen.

Artikel 56

Uitbreiding van bancaire nevendiensten

1.   Een CSD die voornemens is de bancaire nevendiensten waarvoor zij een kredietinstelling aanwijst, of die zij zelf verricht overeenkomstig artikel 54, uit te breiden, dient een verzoek om uitbreiding in bij de bevoegde autoriteit van haar lidstaat van herkomst.

2.   Het verzoek om uitbreiding is onderworpen aan de procedure van artikel 55.

Artikel 57

Intrekking van een vergunning

1.   Onverminderd eventuele verhelpende maatregelen of maatregelen uit hoofde van titel V, trekt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de CSD, de in artikel 54 bedoelde vergunningen in elk van de volgende omstandigheden in:

a)

indien de CSD binnen twaalf maanden geen gebruik heeft gemaakt van de vergunning, uitdrukkelijk afstand doet van de vergunning of indien de aangewezen kredietinstelling gedurende de voorafgaande zes maanden geen diensten of activiteiten heeft verricht;

b)

indien de CSD de vergunning door het afleggen van valse verklaringen of op andere onrechtmatige wijze heeft verkregen;

c)

indien de CSD of de aangewezen kredietinstelling niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend en niet binnen een bepaalde termijn de door de bevoegde autoriteit gevraagde verhelpende maatregelen heeft genomen;

d)

indien de CSD of de aangewezen kredietinstelling ernstig en systematisch de in deze verordening neergelegde vereisten heeft geschonden.

2.   Zodra een bevoegde autoriteit kennis krijgt van een van de in lid 1 bedoelde omstandigheden, raadpleegt zij onmiddellijk de in artikel 55, lid 4, bedoelde autoriteiten over de noodzaak om de vergunning in te trekken.

3.   De ESMA, elke onder a) van artikel 12, lid 1, bedoelde autoriteit en elke in artikel 60, lid 1, bedoelde autoriteit of, respectievelijk, de in artikel 55, lid 4, bedoelde autoriteiten kunnen op elk moment de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de CSD, verzoeken na te gaan of de CSD en, indien van toepassing, de aangewezen kredietinstelling nog steeds voldoen aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend.

4.   De bevoegde autoriteit kan de intrekking beperken tot een bepaalde dienst, een bepaalde activiteit of een bepaald financieel instrument.

5.   In geval van intrekking van de vergunning als bedoeld in lid 1, zorgen een CSD en de aangewezen kredietinstelling voor de invoering, toepassing en instandhouding van een adequate procedure voor een tijdige en ordelijke afwikkeling en overboeking van de activa van cliënten en deelnemers naar een andere afwikkelende instantie.

Artikel 58

CSD-register

1.   De door de bevoegde autoriteiten op grond van de artikelen 54, 56 en 57 genomen besluiten worden aan de ESMA ter kennis gebracht.

2.   De ESMA neemt in het register dat zij overeenkomstig artikel 21, lid 3, beschikbaar moet stellen, de volgende informatie op:

a)

de naam van elke CSD die onderworpen is geweest aan een besluit op grond van artikel 54, 56 of 57;

b)

de naam van elke aangewezen kredietinstelling;

c)

de lijst van bancaire nevendiensten die een aangewezen kredietinstelling of een CSD die uit hoofde van artikel 54 een vergunning heeft verkregen ten behoeve van de deelnemers van een CSD mag verrichten.

3.   De bevoegde autoriteiten stellen de ESMA uiterlijk op 16 december 2014 in kennis van die entiteiten die bancaire nevendiensten verlenen overeenkomstig de vereisten van het nationale recht.

Artikel 59

Prudentiële vereisten voor kredietinstellingen of CSD’s die een vergunning hebben verkregen voor het verrichten van bancaire nevendiensten

1.   Een uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder b), aangewezen kredietinstelling of een CSD die uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder a), een vergunning heeft verkregen voor het verrichten van bancaire nevendiensten, verricht uitsluitend de in afdeling C van de bijlage bedoelde diensten die onder de vergunning vallen.

2.   Een uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder b), aangewezen kredietinstelling of een CSD die uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder a), een vergunning heeft verkregen voor het verrichten van bancaire nevendiensten, voldoet aan alle huidige of toekomstige op kredietinstellingen toepasselijke wetgeving.

3.   Een uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder b), aangewezen kredietinstelling of een CSD die uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder a), een vergunning heeft verkregen voor het verrichten van bancaire nevendiensten, voldoet met betrekking tot elk effectenafwikkelingssysteem ten aanzien van de kredietrisico’s die met die diensten verband houden, aan de volgende specifieke prudentiële vereisten:

a)

zij stelt een robuust kader in voor het beheer van de overeenkomstige kredietrisico’s;

b)

zij gaat frequent en regelmatig na uit welke bronnen dergelijke kredietrisico’s voortvloeien, meet en monitort de overeenkomstige kredietblootstellingen en gebruikt passende risicobeheersinstrumenten om die risico’s te beheersen;

c)

zij zorgt voor volledige dekking van de overeenkomstige kredietblootstellingen met betrekking tot individuele geldnemende deelnemers met gebruikmaking van zekerheden en andere gelijkwaardige financiële middelen;

d)

indien zekerheden worden gebruikt voor het beheer van het overeenkomstige kredietrisico, aanvaardt zij zeer liquide zekerheden met een minimaal krediet- en marktrisico; in specifieke situaties kan zij andere categorieën van zekerheden gebruiken indien een passende waarderingscorrectie wordt toegepast;

e)

zij zorgt voor de invoering en toepassing van passend conservatieve waarderingscorrecties en concentratielimieten voor de waarde van zekerheden die zijn gesteld om de onder c) bedoelde kredietblootstellingen te dekken, met inachtneming van de doelstelling dat zekerheden snel te gelde moeten kunnen worden gemaakt met een minimaal negatief effect op de prijs;

f)

zij stelt limieten aan haar overeenkomstige kredietblootstellingen;

g)

zij analyseert en plant de wijze waarop potentiële resterende kredietblootstellingen dienen te worden aangepakt, en stelt regels en procedures vast om die plannen uit te voeren;

h)

zij verstrekt alleen krediet aan deelnemers die een kasrekening bij haar hebben;

i)

zij voorziet in een effectieve procedure voor de terugbetaling van intradag-krediet en ontmoedigt overnight-krediet door het toepassen van sanctietarieven met een voldoende afschrikkende werking.

4.   Een uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder b), aangewezen kredietinstelling of een CSD die uit hoofde van artikel 54, lid 2, onder a), een vergunning heeft verkregen voor het verrichten van bancaire nevendiensten, voldoet met betrekking tot elk effectenafwikkelingssysteem ten aanzien van de liquiditeitsrisico’s die met die diensten verband houden, aan de volgende specifieke prudentiële vereisten:

a)

zij heeft een robuust kader en robuuste instrumenten om voor alle valuta’s van het effectenafwikkelingssysteem waarvoor zij als afwikkelende instantie optreedt, haar liquiditeitsrisico’s, met inbegrip van de intradag-liquiditeitsrisico’s, te meten, te monitoren en te beheren;

b)

zij meet en monitort doorlopend en tijdig, en ten minste dagelijks, haar liquiditeitsbehoeften en het niveau van de liquide activa die zij aanhoudt; daarbij bepaalt zij de waarde van haar beschikbare liquide activa, rekening houdend met passende correcties van de waardering van die activa;

c)

zij heeft voldoende liquide middelen in alle betrokken valuta’s om in een breed scala van stressscenario’s tijdig afwikkelingsdiensten te kunnen verstrekken, waarbij de genoemde scenario’s onder meer maar niet uitsluitend betrekking hebben op het liquiditeitsrisico als gevolg van wanbetaling bij ten minste een deelnemer, met inbegrip van de respectieve moederonderneming en dochterondernemingen, met betrekking tot welke zij haar grootste blootstelling heeft;

d)

zij beperkt de overeenkomstige liquiditeitsrisico’s met gekwalificeerde liquide middelen in elke valuta, zoals contanten bij de centrale bank van uitgifte en andere kredietwaardige financiële instellingen, gecommitteerde kredietlijnen of vergelijkbare overeenkomsten, zeer liquide zekerheden of beleggingen die gemakkelijk beschikbaar zijn en in contanten kunnen worden omgezet middels vooraf vastgestelde financieringsregelingen die zeer betrouwbaar zijn, zelfs onder extreme maar plausibele marktomstandigheden, en zij identificeert, meet en monitort het liquiditeitsrisico dat voortvloeit uit de diverse financiële instellingen waarvan zij voor de beheersing van haar liquiditeitsrisico’s gebruik maakt;

e)

indien zij gebruik maakt van vooraf vastgestelde financieringsregelingen, kiest zij alleen kredietwaardige financiële instellingen als liquiditeitsverstrekkers; zij voert voor elk van de betrokken liquiditeitsverstrekkers, met inbegrip van haar moederonderneming en dochterondernemingen, passende concentratiegrenzen in en past die daarop toe;

f)

zij gaat na en test door middel van regelmatige en rigoureuze stresstests of de betrokken middelen toereikend zijn;

g)

zij analyseert en plant de wijze waarop onvoorziene en potentieel ongedekte liquiditeitstekorten kunnen worden ondervangen en stelt regels en procedures vast om die plannen uit te voeren;

h)

onverminderd de selectiecriteria van de centrale bank heeft zij, indien dit haalbaar en mogelijk is, toegang tot rekeningen en andere diensten van centrale banken om het beheersen van haar liquiditeitsrisico’s te verbeteren; kredietinstellingen in de Unie deponeren de betrokken kassaldi op speciale rekeningen bij centrale banken van uitgifte in de Unie;

i)

zij heeft vooraf vastgestelde, zeer betrouwbare regelingen om ervoor te zorgen dat zij de zekerheden die haar door een in gebreke blijvende cliënt zijn verstrekt, tijdig kan liquideren;

j)

zij brengt bij de in artikel 60, lid 1, bedoelde autoriteiten regelmatig verslag uit over de wijze waarop zij haar liquiditeitsrisico’s, met inbegrip van de intradag-liquiditeitsrisico’s, meet, monitort en beheert, en zij maakt dit openbaar.

5.   De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met de ESMA en met de leden van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere omschrijving van de kaders en instrumenten voor het monitoren van, het meten van, het beheersen van, het verslag uitbrengen over en het openbaar maken van het in lid 3 bedoelde kredietrisico, respectievelijk het in lid 4 bedoelde liquiditeitsrisico, met inbegrip van de in die leden bedoelde intradag-risico’s. Deze ontwerpen van technische reguleringsnormen worden in voorkomend geval in overeenstemming gebracht met de technische reguleringsnormen die overeenkomstig artikel 46, lid 3, van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn vastgesteld.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 18 juni 2015 aan de Commissie voor.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid gedelegeerd om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 vast te stellen.

Artikel 60

Toezicht op aangewezen kredietinstellingen en CSD’s die een vergunning hebben verkregen om bancaire nevendiensten te verrichten

1.   Onverminderd de artikelen 17 en 22 van deze verordening zijn de bevoegde autoriteiten als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 40, Verordening (EU) nr. 575/2013 belast met het verlenen van een vergunning als kredietinstelling aan de uit hoofde van de onderhavige verordening aangewezen kredietinstellingen en CSD’s die uit hoofde van de onderhavige verordening een vergunning hebben verkregen om bancaire nevendiensten te verrichten, en met het daarop in hun hoedanigheid van kredietinstelling uitoefenen van toezicht onder de voorwaarden bepaald in Verordening (EU) nr. 575/2013 en in Richtlijn 2013/36/EU.

De in de eerste alinea bedoelde bevoegde autoriteiten zijn ook belast met het toezicht op de naleving, door de in die alinea bedoelde aangewezen kredietinstellingen en CSD’s, van de in artikel 59 van de onderhavige verordening bedoelde prudentiële vereisten.

De in de eerste alinea bedoelde bevoegde autoriteiten beoordelen regelmatig en ten minste jaarlijks of de aangewezen kredietinstelling of de CSD die een vergunning heeft gekregen om bancaire nevendiensten te verrichten, artikel 59 naleeft, en brengt het resultaat van het door haar uit hoofde van dit lid uitgeoefende toezicht, met inbegrip van eventuele verhelpende maatregelen of boeten, ter kennis van de voor de CSD bevoegde autoriteit, die op haar beurt de in artikel 55, lid 4, bedoelde autoriteiten inlicht.

2.   De voor de CSD bevoegde autoriteit toetst en evalueert, na raadpleging van de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten, ten minste jaarlijks het volgende:

a)

in het in artikel 54, lid 2, onder b), bedoelde geval, of alle noodzakelijke regelingen tussen de aangewezen kredietinstellingen en de CSD hen in staat stellen de in deze verordening neergelegde en op hen rustende verplichtingen na te komen;

b)

in het in artikel 54, lid 2, onder a), bedoelde geval, of de regelingen met betrekking tot de vergunning om bancaire nevendiensten te verrichten de CSD in staat stellen de in deze verordening neergelegde en op haar rustende verplichtingen na te komen.

De voor de CSD bevoegde autoriteit stelt regelmatig en ten minste jaarlijks de in artikel 55, lid 4, bedoelde autoriteiten in kennis van de resultaten, met inbegrip van verhelpende maatregelen of boeten, van de in dit lid bedoelde toetsing en evaluatie.

Indien een CSD overeenkomstig artikel 54 een vergunninghoudende kredietinstelling aanwijst, zorgt de CSD, met het oog op de bescherming van de deelnemers aan het door haar geëxploiteerde effectenafwikkelingssysteem, ervoor dat zij bij de door haar aangewezen kredietinstelling toegang heeft tot alle voor de toepassing van deze verordening noodzakelijke informatie, en rapporteert zij alle inbreuken op de verordening aan de bevoegde autoriteit van de CSD en aan de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten.

3.   Teneinde te garanderen dat binnen de Unie consequent, efficiënt en effectief toezicht wordt uitgeoefend op kredietinstellingen en CSD’s die een vergunning hebben verkregen om bancaire nevendiensten te verrichten, kan de EBA, in nauwe samenwerking met de ESMA en met de leden van het ESCB, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren tot de bevoegde autoriteiten richten.

TITEL V

SANCTIES

Artikel 61

Administratieve sancties en andere maatregelen

1.   Onverminderd het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, stellen de lidstaten regels vast met betrekking tot de administratieve sancties en andere maatregelen welke in de artikel 63 bepaalde omstandigheden van toepassing zijn op personen die verantwoordelijk zijn voor inbreuken op de bepalingen van deze verordening, zorgen zij ervoor dat hun bevoegde autoriteiten die sancties en maatregelen kunnen opleggen en nemen zij alle maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat ze ten uitvoer worden gelegd. Die sancties en andere maatregelen zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

De lidstaten kunnen besluiten geen regels vast te stellen met betrekking tot administratieve sancties als vermeld in de eerste alinea indien de in die alinea vermelde inbreuken uiterlijk op 18 september 2016 reeds onderhevig zijn aan strafsancties in hun nationaal recht. Indien zij een dergelijk besluit nemen, stellen de lidstaten de Commissie en de ESMA gedetailleerd in kennis van de toepasselijke delen van hun strafrecht.

Uiterlijk op 18 september 2016 stellen de lidstaten de Commissie en de ESMA in kennis van de in de eerste alinea bedoelde regels. De lidstaten stellen de Commissie en de ESMA zonder onnodig uitstel in kennis van alle eventuele latere wijzigingen van die regels.

2.   De bevoegde autoriteiten zijn in staat administratieve sancties en andere maatregelen op te leggen, aan CSD’s, aangewezen kredietinstellingen, en, behoudens de op niet bij deze verordening geharmoniseerde gebieden in nationaal recht bepaalde voorwaarden, de leden van hun leidinggevende organen en alle andere personen die hun bedrijf feitelijk leiden, alsook aan elke rechtspersoon of natuurlijke persoon die naar nationaal recht voor een inbreuk verantwoordelijk wordt gehouden.

3.   Bij de uitoefening van hun bevoegdheden tot het opleggen van sancties in de in artikel 63 bepaalde omstandigheden werken de bevoegde autoriteiten nauw met elkaar samen om ervoor te zorgen dat de administratieve sancties en andere maatregelen tot de met deze verordening nagestreefde resultaten leiden, en coördineren zij hun optreden om bij grensoverschrijdende gevallen overeenkomstig artikel 14 ieder dubbel of overlappend opleggen van administratieve sancties en andere maatregelen te voorkomen.

4.   Wanneer de lidstaten er overeenkomstig lid 1 voor hebben gekozen strafrechtelijke sancties vast te stellen voor de in artikel 63 bedoelde inbreuken op de bepalingen van deze verordening, zorgen zij ervoor dat er passende maatregelen voorhanden zijn waardoor de bevoegde autoriteiten over alle noodzakelijke bevoegdheden beschikken om met de gerechtelijke autoriteiten in hun jurisdictie contacten te onderhouden om specifieke informatie te ontvangen over strafrechtelijke onderzoeken naar of ingeleide procedures wegens mogelijke inbreuken op deze verordening, en die informatie te verstrekken aan andere bevoegde autoriteiten en de ESMA, teneinde te voldoen aan hun verplichting om onderling en met de ESMA samen te werken voor de toepassing van deze verordening.

5.   De bevoegde autoriteiten kunnen ook met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten samenwerken met het oog op het vergemakkelijken van de inning van geldboetes.

6.   De lidstaten verstrekken de ESMA jaarlijks geaggregeerde informatie met betrekking tot alle sancties en andere maatregelen die overeenkomstig lid 1 zijn opgelegd. De ESMA publiceert deze informatie in een jaarverslag.

Wanneer de lidstaten er overeenkomstig lid 1 voor hebben gekozen strafrechtelijke sancties vast te stellen voor inbreuken op de bepalingen die in artikel 63 bedoelde bepalingen, verstrekken hun bevoegde autoriteiten de ESMA jaarlijks anonieme en geaggregeerde gegevens met betrekking tot alle ingestelde strafrechtelijke onderzoeken en alle opgelegde strafrechtelijke sancties. De ESMA publiceert de gegevens over opgelegde strafrechtelijke sancties in een jaarverslag.

7.   Indien de bevoegde autoriteit een administratieve sanctie of een administratieve maatregel of een strafrechtelijke sanctie openbaar heeft gemaakt, stelt zij de ESMA tegelijkertijd daarvan in kennis.

8.   De bevoegde autoriteiten oefenen hun taken en bevoegdheden overeenkomstig hun nationale kaders uit op een van de volgende wijzen:

a)

rechtstreeks;

b)

in samenwerking met andere autoriteiten;

c)

onder hun verantwoordelijkheid door middel van delegatie aan entiteiten waaraan overeenkomstig deze verordening taken zijn gedelegeerd, of

d)

bij verzoek aan de bevoegde gerechtelijke autoriteiten.

Artikel 62

Bekendmaking van besluiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten op hun officiële websites, zonder onnodige vertraging, alle beslissingen bekendmaken waarbij een administratieve sanctie of andere maatregel is opgelegd wegens inbreuk op deze verordening, nadat de persoon aan wie de sanctie is opgelegd van die beslissing in kennis is gesteld. Daarbij wordt ten minste informatie bekendgemaakt over de aard van de inbreuk en de identiteit van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd.

Indien tegen de beslissing om een sanctie of een andere maatregel op te leggen beroep openstaat bij de relevante gerechtelijke autoriteit of bij andere relevante autoriteiten, maken de bevoegde autoriteiten zonder onnodige vertraging op hun officiële websites eveneens informatie bekend over een eventueel ingesteld beroep en het resultaat van de behandeling daarvan. Bovendien wordt een beslissing tot nietigverklaring van een eerdere beslissing tot oplegging van een sanctie of maatregel eveneens bekendgemaakt.

Indien de bekendmaking van de identiteit van de rechtspersonen of van de persoonsgegevens van de natuurlijke personen echter na een per geval uitgevoerde beoordeling van de evenredigheid van die bekendmaking door de bevoegde autoriteit onevenredig wordt geacht, of indien bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend onderzoek in gevaar brengt, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten:

a)

de bekendmaking van de beslissing waarbij de sanctie of andere maatregel wordt opgelegd uitstellen totdat de redenen voor niet-bekendmaking vervallen;

b)

de beslissing om de sanctie of andere maatregel op te leggen op basis van anonimiteit en conform het nationale recht bekendmaken, indien de persoonsgegevens daardoor doeltreffend worden beschermd;

c)

de beslissing om een sanctie of een andere maatregel op te leggen in het geheel niet bekendmaken indien de hierboven onder a) en b) vermelde opties als ontoereikend worden beschouwd om te waarborgen:

i)

dat de stabiliteit van de financiële markten niet in gevaar wordt gebracht;

ii)

dat de bekendmaking van dergelijke beslissingen evenredig is met de maatregelen die als weinig ingrijpend worden beschouwd.

In het geval van een besluit tot bekendmaking van een sanctie of een andere maatregel op basis van anonimiteit kan de bekendmaking van de betrokken gegevens voor een redelijke periode worden uitgesteld indien beoogd wordt dat de redenen voor bekendmaking op basis van anonimiteit in die periode zullen vervallen.

De bevoegde autoriteiten stellen de ESMA op de hoogte van alle administratieve sancties die overeenkomstig de derde alinea, onder c), zijn opgelegd maar niet bekend zijn gemaakt, met inbegrip van een eventueel ingesteld beroep en het resultaat van de behandeling daarvan. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de informatie en de definitieve uitspraak in verband met een opgelegde strafrechtelijke sanctie ontvangen en doen toekomen aan de ESMA. De ESMA houdt, uitsluitend ten behoeve van uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale database van de aan haar meegedeelde sancties bij. Die database is uitsluitend toegankelijk voor bevoegde autoriteiten en wordt bijgewerkt op basis van de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie.

2.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat alle informatie die overeenkomstig dit artikel wordt bekendgemaakt, gedurende een periode van ten minste vijf jaar na de bekendmaking op hun officiële website blijft staan. De bekendgemaakte persoonsgegevens blijven niet langer op de officiële website van de bevoegde autoriteit staan dan nodig is overeenkomstig de toepasselijke regels voor gegevensbescherming.

Artikel 63

Sancties wegens inbreuken

1.   Dit artikel is van toepassing op de volgende bepalingen van deze verordening:

a)

het verrichten van in de afdelingen A, B en C van de bijlage bedoelde diensten in strijd met de artikelen 16, 25 en 54;

b)

het verkrijgen van de uit hoofde van de artikelen 16 en 54 vereiste vergunningen door het afleggen van valse verklaringen of op andere onrechtmatige wijze als bepaald in artikel 20, lid 1, onder b), en in artikel 57, lid 1, onder b);

c)

verzuim van CSD’s het vereiste kapitaal aan te houden, dus in strijd met artikel 47, lid 1;

d)

verzuim van CSD’s de organisatorische vereisten na te leven, dus in strijd met de artikelen 26 tot en met 30;

e)

verzuim van CSD’s de bedrijfvoeringsregels na te leven, dus in strijd met de artikelen 32 tot en met 35;

f)

verzuim van CSD’s de vereisten voor CSD-diensten na te leven, dus in strijd met de artikelen 37 tot en met 41;

g)

verzuim van CSD’s de prudentiële vereisten na te leven, dus in strijd met de artikelen 43 tot en met 47;

h)

verzuim van CSD’s de vereisten voor CSD-koppelingen na te leven, dus in strijd met artikel 48;

i)

onterecht weigeren door CSD’s van verschillende soorten toegang, dus in strijd met de artikelen 49 tot en met 53;

j)

verzuim van aangewezen kredietinstellingen de specifieke prudentiële vereisten in verband met kredietrisico’s na te leven, dus in strijd met artikel 59, lid 3;

k)

verzuim van aangewezen kredietinstellingen de specifieke prudentiële vereisten in verband met liquiditeitsrisico’s na te leven, dus in strijd met artikel 59, lid 4.

2.   Onverminderd de toezichtsbevoegdheden van de bevoegde autoriteiten, hebben, bij een in dit artikel bedoelde inbreuk, de bevoegde autoriteiten conform het nationale recht de bevoegdheid om ten minste de volgende administratieve sancties en andere maatregelen op te leggen:

a)

een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon en de aard van de inbreuk worden vermeld, overeenkomstig artikel 62;

b)

een bevel waarbij de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon wordt gelast de gedraging te staken en af te zien van herhaling van die gedraging;

c)

intrekking van de uit hoofde van artikel 16 of 54 verleende vergunningen, overeenkomstig artikel 20 of 57;

d)

een tijdelijk of, bij ernstige inbreuken, permanent verbod voor een lid van het leidinggevend orgaan van de instelling of enig andere natuurlijke persoon die voor de inbreuk verantwoordelijk wordt gehouden, om leidinggevende functies in de instelling te bekleden;

e)

maximale administratieve geldelijke sancties van ten minste tweemaal het bedrag van de ten gevolge van de inbreuk behaalde winst, indien dat bedrag kan worden vastgesteld;

f)

indien het een natuurlijke persoon betreft, maximale administratieve geldelijke sancties van ten minste 5 miljoen EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, de overeenkomstige waarde in de nationale valuta op de datum waarop deze verordening wordt vastgesteld;

g)

in het geval van een rechtspersoon, maximale administratieve geldelijke sancties van ten minste 20 miljoen EUR of 10 % van de totale jaaromzet van de rechtspersoon in het voorgaande boekjaar volgens de meest recente jaarrekening die door het leidinggevend orgaan is goedgekeurd; indien de rechtspersoon een moederonderneming is of een dochteronderneming van de moederonderneming die overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, is de toepasselijke totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet of de overeenkomstig de toepasselijke jaarrekeningenrichtlijnen daarmee corresponderende soort inkomsten volgens de meest recente door het leidinggevend orgaan van de uiteindelijke moederonderneming goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening.

3.   De bevoegde autoriteiten kunnen andere dan de in lid 2 bedoelde sanctiebevoegdheden hebben en voor de administratieve geldelijke sancties hogere niveaus vaststellen dan de in dat lid vastgestelde sancties.

Artikel 64

Effectieve toepassing van sancties

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort en het niveau van de administratieve sancties of andere maatregelen, met alle relevante omstandigheden rekening houden, in voorkomend geval daaronder begrepen:

a)

de ernst en de duur van de inbreuk;

b)

de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon;

c)

de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon, bijvoorbeeld zoals deze blijkt uit de totale omzet van de verantwoordelijke rechtspersoon of het jaarinkomen van de verantwoordelijke natuurlijke persoon;

d)

de grootte van de door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon behaalde winsten, vermeden verliezen of de verliezen voor derden ten gevolge van de inbreuk, voor zover die zijn vast te stellen;

e)

de mate van medewerking met de bevoegde autoriteit door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon, onverminderd de noodzaak te zorgen voor terugbetaling van de door die persoon behaalde winsten of vermeden verliezen;

f)

eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon.

Artikel 65

Melding van inbreuken

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten effectieve mechanismen instellen om te stimuleren dat potentiële of feitelijke inbreuken op deze verordening aan hen worden gemeld.

2.   De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste:

a)

specifieke procedures voor de ontvangst van meldingen inzake potentiële of feitelijke inbreuken en de follow-up daarvan, met inbegrip van het instellen van veilige communicatiekanalen voor dergelijke meldingen;

b)

passende bescherming voor werknemers van instellingen die potentiële of feitelijke inbreuken melden welke in de instelling zijn gepleegd, tegen ten minste vergelding, discriminatie of andere soorten oneerlijke behandeling;

c)

bescherming van de persoonsgegevens van zowel de persoon die de potentiële of feitelijke inbreuken meldt als de natuurlijke persoon die naar vermoed wordt voor een inbreuk verantwoordelijk zou zijn, conform de beginselen van Richtlijn 95/46/EG;

d)

bescherming, in elke fase van de procedure, van de identiteit van zowel de persoon die de inbreuken meldt, als de natuurlijke persoon die naar vermoed wordt voor een inbreuk verantwoordelijk zou zijn, tenzij openbaarmaking krachtens het nationale recht is vereist in het kader van verder onderzoek of een daarop volgende administratieve of gerechtelijke procedure.

3.   De lidstaten eisen dat de instellingen over passende procedures beschikken opdat hun werknemers in staat zijn inbreuken intern via een specifiek, onafhankelijk en zelfstandig kanaal te melden.

Dat kanaal kan ook worden ingericht via door de sociale partners getroffen regelingen. Dezelfde bescherming als bedoeld in lid 2, onder b), c) en d), is van toepassing.

Artikel 66

Recht van beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat besluiten en maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, naar behoren gemotiveerd worden en dat daartegen beroep bij een rechtbank openstaat. Het recht beroep in te stellen bij een rechtbank geldt indien er geen besluit is genomen binnen zes maanden na indiening van een vergunningaanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens bevat.

TITEL VI

DELEGATIE VAN BEVOEGDHEDEN, UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN, OVERGANGS-, WIJZIGINGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 67

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 2, lid 2, artikel 7, lid 14, en artikel 24, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie toegekend met ingang van 17 september 2014.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 2, artikel 7, lid 14, en artikel 24, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 2, lid 2, artikel 7, lid 14, en artikel 24, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 68

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Europees Comité voor het effectenbedrijf, dat is ingesteld bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie (27). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 69

Overgangsbepalingen

1.   De bevoegde autoriteiten delen uiterlijk op 16 december 2014 aan de ESMA mee welke instellingen als CSD werkzaam zijn.

2.   CSD’s vragen alle voor de toepassing van deze verordening noodzakelijke vergunningen aan en melden de betrokken CSD-koppelingen aan binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van alle technische reguleringsnormen uit hoofde van de artikelen 17, 26, 45, 47 en 48, en, indien toepasselijk, de artikelen 55 en 59.

3.   CSD’s van derde landen die voornemens zijn hun diensten te verrichten op grond van artikel 25, vragen erkenning aan bij de ESMA binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de technische reguleringsnormen uit hoofde van de artikelen 12, 17, 25, 26, 45, 47 en 48, en, indien toepasselijk, de artikelen 55 en 59 of, indien die later valt, na de datum van inwerkingtreding van het in artikel 25, lid 9, bedoelde uitvoeringsbesluit.

4.   In afwachting van het uit hoofde van deze verordening vast te stellen besluit betreffende de vergunning en de erkenning van CSD’s en hun activiteiten, met inbegrip van CSD-koppelingen, blijven de respectieve nationale regels inzake vergunning en erkenning van CSD’s van toepassing.

5.   De CSD’s die door de in artikel 1, lid 4, bedoelde entiteiten worden geëxploiteerd, voldoen uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde technische reguleringsnormen aan de vereisten van deze verordening.

Artikel 70

Wijzigingen van Richtlijn 98/26/EG

Richtlijn 98/26/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2, onder a), eerste alinea, wordt het derde streepje vervangen door:

„—

die door de lidstaat waarvan het recht toepasselijk is, onverminderd strengere algemeen toepasselijke voorwaarden die door de nationale wet worden voorgeschreven, als systeem is aangemerkt en bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten is aangemeld, nadat die lidstaat zich ervan heeft vergewist dat de regels van het systeem adequaat zijn.”.

2)

Aan artikel 11 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   Uiterlijk 18 maart 2015 stellen de lidstaten de maatregelen vast die noodzakelijk zijn om te voldoen aan artikel 2, eerste alinea, onder a), derde streepje, maken deze bekend en delen deze aan de Commissie mee.”.

Artikel 71

Wijzigingen van Richtlijn 2014/65/EU

Richtlijn 2014/65/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2, lid 1, wordt punt o) vervangen door:

„o)

CSD’s, behalve als voorzien in artikel 73 van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad (28).

(28)  Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).”."

2)

Aan artikel 4, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

„64.   „centrale effectenbewaarinstelling” of „CSD”: een centrale effectenbewaarinstelling als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 909/2014.”.

3)

In bijlage I, Deel B, wordt punt 1) vervangen door:

„1.

Het bewaren en beheren van financiële instrumenten voor rekening van cliënten, met inbegrip van bewaarneming en daarmee samenhangende diensten zoals contanten- en/of zekerhedenbeheer en met uitsluiting van het verstrekken en aanhouden van effectenrekeningen bovenaan de houderschapsketen („centrale dienst voor het aanhouden van effectenrekeningen”), als bedoeld in punt 2 van afdeling A van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 909/2014.”.

Artikel 72

Wijziging van Verordening (EU) nr. 236/2012

Artikel 15 van Verordening (EU) nr. 236/2012 wordt geschrapt.

Artikel 73

Toepassing van Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014

CSD’s die overeenkomstig artikel 16 van deze verordening een vergunning hebben verkregen, hebben geen vergunning uit hoofde van Richtlijn 2014/65/EU nodig om de diensten te verrichten die uitdrukkelijk in de afdelingen A en B van de bijlage worden vermeld.

Indien een CSD die overeenkomstig artikel 16 van deze verordening een vergunning heeft verkregen, een of meer beleggingsactiviteiten verricht naast het verrichten van uitdrukkelijk in de afdelingen A en B van de bijlage vermelde diensten, zijn Richtlijn 2014/65/EU, met uitzondering van de artikelen 5 tot en met 8, artikel 9, leden 1, 2, 4 en 6, en de artikelen 10 tot en met 13 en Verordening (EU) nr. 600/2014 van toepassing.

Artikel 74

Verslagen

1.   De ESMA dient, in samenwerking met de EBA en de bevoegde en de relevante autoriteiten, bij de Commissie jaarlijkse verslagen in waarin beoordelingen van tendensen, potentiële risico’s en zwakke plekken en, indien noodzakelijk, aanbevelingen voor preventieve of verhelpende maatregelen op de markten voor diensten die onder deze verordening vallen, worden verricht. Die verslagen omvatten ten minste een beoordeling van de volgende elementen:

a)

de afwikkelingsefficiëntie voor binnenlandse en grensoverschrijdende operaties voor elke lidstaat op basis van het aantal en het volume van mislukte afwikkelingsoperaties, het bedrag van de geldstraffen bedoeld in artikel 7, lid 2, het aantal en de volumes van de buy-intransacties bedoeld in artikel 7, leden 3 en 4, en alle andere relevante criteria;

b)

het passende karakter van de geldboetes voor mislukte afwikkelingsoperaties, in het bijzonder de behoefte aan extra flexibiliteit voor bij mislukte afwikkeling opgelegde sancties met betrekking tot niet-liquide financiële instrumenten bedoeld in artikel 7, lid 4;

c)

het meten van afwikkeling die niet in de door CSD’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen plaatsvindt, op basis van het aantal en het volume van transacties en alle andere relevante criteria, op basis van de uit hoofde van artikel 9 ontvangen informatie;

d)

de grensoverschrijdende verrichting van onder deze verordening vallende diensten, op basis van het aantal en de soorten CSD-koppelingen, het aantal buitenlandse deelnemers aan de door CSD’s geëxploiteerde effectenafwikkelingssystemen, het aantal en het volume van transacties waarbij die deelnemers betrokken zijn, het aantal buitenlandse uitgevende instellingen die hun effecten bij een CSD vastleggen overeenkomstig artikel 49 en enige andere relevante criteria;

e)

de behandeling van toegangsverzoeken als bedoeld in de artikelen 47, 52 en 53, om na te gaan waarom toegangsverzoeken van CSD’s, CTP’s en handelsplatforms, worden geweigerd, en hoe de geconstateerde risico’s in de toekomst kunnen worden beperkt teneinde toegangsverzoeken ingewilligd te krijgen, alsook van andere aanzienlijke belemmeringen van de mededinging in posttransactionele financiële diensten;

f)

de behandeling van de aanvragen die volgens de in artikel 23, leden 3 tot en met 7, en artikel 25, leden 4 tot en met 10, bedoelde procedures worden ingediend;

g)

indien toepasselijk, de bevindingen van de „peer review” voor grensoverschrijdend toezicht in artikel 24, lid 6, en de vraag of dergelijke peer reviews in de toekomst minder vaak zouden kunnen plaatsvinden, alsmede of uit die bevindingen een behoefte aan meer formele colleges van toezichthouders kan worden afgeleid;

h)

de toepassing van de regels van de lidstaten inzake burgerlijke aansprakelijkheid bij een verlies dat aan een CSD’s kan worden toegeschreven;

i)

de procedures en voorwaarden volgens welke CSD’s een vergunning hebben verkregen om kredietinstellingen aan te wijzen of zelf bancaire nevendiensten te verrichten overeenkomstig de artikelen 54 en 55, met inbegrip van een beoordeling van de gevolgen die dergelijk verrichten kan hebben op de financiële stabiliteit en de mededinging bij het verrichten van afwikkeling en bancaire nevendiensten in de Unie;

j)

de toepassing van de in artikel 38 bedoelde regels inzake de bescherming van effecten van deelnemers en die van hun cliënten, in het bijzonder de regels in artikel 38, lid 5;

k)

de toepassing van sancties en in het bijzonder de behoefte aan verdere harmonisatie van de administratieve sancties voor de inbreuk op de in deze verordening neergelegde voorschriften.

2.   De in lid 1 bedoelde verslagen betreffende een kalenderjaar worden uiterlijk op 30 april van het volgende kalenderjaar aan de Commissie toegezonden.

Artikel 75

Toetsing

Uiterlijk op 18 september 2019 toetst de Commissie deze verordening en stelt zij er een algemeen verslag over op. Dat verslag omvat in het bijzonder een beoordeling van de in artikel 74, lid 1, onder a) tot en met k), bedoelde kwesties, een beoordeling of er andere aanzienlijke belemmeringen van de mededinging in de onder deze verordening vallende financiële diensten zijn die onafdoende worden ondervangen en een beoordeling van de potentiële behoefte aan andere maatregelen om de gevolgen van het falen van CSD’s voor belastingbetalers te beperken. De Commissie legt dat verslag voor aan het Europees Parlement en aan de Raad, samen met eventuele passende voorstellen.

Artikel 76

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Artikel 3, lid 1, is van toepassing vanaf 1 januari 2023 op effecten die zijn uitgegeven na die datum en vanaf 1 januari 2025 op alle effecten.

3.   Artikel 5, lid 2, is van toepassing vanaf 1 januari 2015.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid, is artikel 5, lid 2, in het geval van een handelsplatform dat toegang heeft tot een CSD als bedoeld in artikel 30, lid 5, van toepassing ten minste zes maanden voordat deze CSD haar activiteiten aan de toepasselijke publiekrechtelijke entiteit uitbesteedt, en in elk geval vanaf 1 januari 2016.

4.   De in artikel 6, leden 1 tot en met 4, bedoelde afwikkelingsdisciplinemaatregelen zijn van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie krachtens artikel 6, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling.

5.   De in artikel 7, leden 1 tot en met 13, bedoelde afwikkelingsdisciplinemaatregelen en de in artikel 72 neergelegde wijziging zijn van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie krachtens artikel 7, lid 15, vastgestelde gedelegeerde handeling.

Op een mtf die aan de in artikel 33, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU neergelegde criteria voldoet, is artikel 7, lid 3, tweede alinea, van deze verordening van toepassing:

a)

tot de definitieve beslissing over haar registratieaanvraag overeenkomstig artikel 33 van Richtlijn 2014/65/EU, of

b)

indien een mtf geen aanvraag tot registratie overeenkomstig artikel 33 van Richtlijn 2014/65/EU heeft ingediend, tot 13 juni 2017.

6.   De in artikel 9, lid 1, bedoelde verslagleggingsmaatregelen zijn van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie krachtens artikel 9, lid 3, aangenomen uitvoeringshandeling.

7.   Verwijzingen in deze verordening naar Richtlijn 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 600/2014 worden vóór 3 januari 2017 gelezen als verwijzingen naar Richtlijn 2004/39/EG in overeenstemming met de concordantietabel in bijlage IV bij Richtlijn 2014/65/EU voor zover de concordantietabel bepalingen bevat die verwijzen naar Richtlijn 2004/39/EG.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

S. GOZI


(1)  PB C 310 van 13.10.2012, blz. 12.

(2)  PB C 299 van 4.10.2012, blz. 76.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 15 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 juli 2014.

(4)  Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45).

(5)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

(6)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(7)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(8)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).

(9)  Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43).

(10)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(11)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(12)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(13)  Arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2004 in zaak C-338/01, Commissie tegen Raad ([2004] I-04829).

(14)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(15)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(16)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(17)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

(18)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(19)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(20)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(21)  Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 98/26/EG, 2002/87/EG, 2003/6/EG, 2003/41/EG, 2003/71/EG, 2004/39/EG, 2004/109/EG, 2005/60/EG, 2006/48/EG, 2006/49/EG en 2009/65/EG wat de bevoegdheden van de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) betreft (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120).

(22)  Verordening (EU) nr. 236/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 betreffende short selling en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps (PB L 86 van 24.3.2012, blz. 1).

(23)  Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).

(24)  Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

(25)  Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).

(26)  Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie van 1 augustus 2006 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de definitie van politiek prominente personen en wat betreft de technische criteria voor vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures en voor vrijstellingen op grond van occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten (PB L 214 van 4.8.2006, blz. 29).

(27)  Besluit 2001/528/EG van de Commissie van 6 juni 2001 tot instelling van het Europees Comité voor het effectenbedrijf (PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45).


BIJLAGE

LIJST VAN DIENSTEN

AFDELING A

Kerndiensten van centrale effectenbewaarinstellingen

1.

Initiële vastlegging van effecten in een giraal systeem („notariële dienst”);

2.

Verstrekken en aanhouden van effectenrekeningen bovenaan de houderschapsketen („centrale dienst voor het aanhouden van effectenrekeningen”);

3.

Exploiteren van een effectenafwikkelingssysteem („afwikkelingsdienst”).

AFDELING B

Niet-bancaire nevendiensten van CSD’s die geen krediet- of liquiditeitsrisico inhouden

Door CSD’s verrichte diensten die bijdragen tot het vergroten van de veiligheid, efficiëntie en transparantie van de effectenmarkt, die onder meer, maar niet uitsluitend de onderstaande diensten kunnen omvatten:

1.

Diensten in verband met de afwikkelingsdienst, zoals:

a)

organiseren van een effectenuitleenmechanisme als agent onder deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem;

b)

verlenen van diensten voor zekerhedenbeheer als agent voor deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem;

c)

afwikkelingsmatching, instructierouting, transactiebevestiging, transactieverificatie.

2.

Diensten in verband met de notariële diensten en centrale diensten voor het aanhouden van effectenrekeningen, zoals:

a)

diensten in verband met aandeelhoudersregisters;

b)

het ondersteunen van de verwerking van beheersdaden („corporate actions”), met inbegrip van fiscale diensten, informatiediensten en diensten in verband met algemene vergaderingen;

c)

diensten in verband met nieuwe uitgiften, met inbegrip van de toewijzing en het beheer van ISIN-codes en soortgelijke codes;

d)

instructierouting en -verwerking, innen en verwerken van vergoedingen en daarmee verband houdende rapportage.

3.

Het instellen van CSD-koppelingen, het aanbieden, aanhouden of exploiteren van effectenrekeningen in verband met de afwikkelingsdienst, andere nevendiensten.

4.

Andere diensten, zoals:

a)

verlenen van algemene diensten voor zekerhedenbeheer als agent;

b)

rapportage uit hoofde van de regelgeving;

c)

verstrekken van informatie, gegevens en statistieken aan markt/censusbureaus of andere gouvernementele of intergouvernementele entiteiten;

d)

verlenen van IT-diensten.

AFDELING C

Bancaire nevendiensten

Bancaire diensten die rechtstreeks verband houden met de in de afdelingen A en B vermelde kern- of nevendiensten, zoals:

a)

verstrekken van kasrekeningen aan en het aanvaarden van deposito’s van deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem en houders van effectenrekeningen, in de zin van punt 1 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU;

b)

verstrekken van geldkrediet tot uiterlijk de volgende werkdag, voorfinanciering van beheersdaden („corporate actions”) en uitlenen van effecten aan houders van effectenrekeningen, in de zin van punt 2 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU;

c)

betalingsdiensten rond de verwerking van geld- en valutatransacties, in de zin van punt 4 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU

d)

garanties en vastleggingen in verband met uitlening en lening van effecten, in de zin van punt 6 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU

e)

kasverrichtingen rond buitenlandse valuta en overdraagbare effecten die verband houden met het langetermijnbeheer voor de deelnemers in de zin van punt 7, b) en e), van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU.


28.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/73


VERORDENING (EU) Nr. 910/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 juli 2014

betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het opbouwen van vertrouwen in de online-omgeving is essentieel voor economische en sociale ontwikkeling. Een gebrek aan vertrouwen, met name ten gevolge van een ogenschijnlijk gebrek aan rechtszekerheid, leidt ertoe dat consumenten, bedrijven en overheden aarzelen om transacties elektronisch uit te voeren en van nieuwe diensten gebruik te maken.

(2)

Deze verordening heeft tot doel het vertrouwen in elektronische transacties in de interne markt te vergroten door te voorzien in een gemeenschappelijke grondslag voor veilige elektronische interactie tussen burgers, bedrijven en overheden, en bijgevolg ook de doeltreffendheid van publieke en private onlinediensten, e-business en elektronische handel in de Unie te verhogen.

(3)

Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) had betrekking op elektronische handtekeningen zonder een uitgebreid grens- en sectoroverschrijdend kader te bieden voor veilige, betrouwbare en gebruiksvriendelijke elektronische transacties. Deze verordening voorziet in een versterking en uitbreiding van de verworvenheden van die richtlijn.

(4)

In de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 met de titel „Een digitale Agenda voor Europa” werden de fragmentatie van de digitale markt, het gebrek aan interoperabiliteit en de toename van cybercriminaliteit aangewezen als de grootste belemmeringen voor de opkomst van de digitale economie. In haar verslag over het EU-burgerschap 2010 „Het wegnemen van de belemmeringen voor de rechten van EU-burgers” benadrukt de Commissie verder de noodzaak van het oplossen van de belangrijkste problemen die de burgers van de Unie verhinderen ten volle gebruik te maken van de voordelen van een digitale eengemaakte markt en grensoverschrijdende digitale diensten.

(5)

In zijn conclusies van 4 februari 2011 en 23 oktober 2011 heeft de Europese Raad de Commissie verzocht tegen 2015 een digitale eengemaakte markt te creëren om snelle vorderingen te maken op sleutelgebieden van de digitale economie en om een volledig geïntegreerde digitale eengemaakte markt te bevorderen door het grensoverschrijdend gebruik van onlinediensten te vergemakkelijken, met bijzondere aandacht voor de facilitering van veilige elektronische identificatie en authenticatie.

(6)

In zijn conclusies van 27 mei 2011 heeft de Raad de Commissie verzocht bij te dragen tot de digitale interne markt door de juiste voorwaarden te scheppen voor de wederzijdse erkenning van cruciale mogelijkheden scheppende voorzieningen over de grenzen heen, zoals elektronische identificatie, elektronische documenten, elektronische handtekeningen en elektronische leveringsdiensten en voor interoperabele e-overheidsdiensten in de gehele EU.

(7)

In zijn resolutie van 21 september 2010 over de voltooiing van de interne markt voor e-handel (4) heeft het Europees Parlement het belang onderstreept van de veiligheid van elektronische diensten, vooral van elektronische handtekeningen, en van de noodzaak om een publieke sleutelinfrastructuur op pan-Europees niveau te creëren, en heeft de Commissie verzocht een toegangspoort voor Europese valideringsinstanties op te zetten om de grensoverschrijdende interoperabiliteit van elektronische handtekeningen te waarborgen en de veiligheid van transacties via internet te verhogen.

(8)

Bij Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) wordt van de lidstaten vereist dat zij „één-loketten” opzetten zodat alle procedures en formaliteiten betreffende de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit eenvoudig, op afstand en met elektronische middelen, via het juiste één-loket en met de juiste instanties kunnen worden afgewikkeld. Veel onlinediensten die via één-loketten toegankelijk zijn, vergen elektronische identificatie, authenticatie en een elektronische handtekening.

(9)

In de meeste gevallen kunnen burgers hun elektronische identificatie niet gebruiken om zich te authenticeren in een andere lidstaat omdat de nationale stelsels voor elektronische identificatie van hun land niet erkend worden in andere lidstaten. Door deze elektronische belemmering kunnen dienstverleners de voordelen van de interne markt niet ten volle benutten. Wederzijds erkende elektronische identificatiemiddelen zullen het grensoverschrijdend verlenen van talrijke diensten op de interne markt faciliteren en bedrijven in staat stellen op een grensoverschrijdende basis activiteiten te ondernemen zonder daarbij veel belemmeringen te ondervinden in hun contacten met overheidsinstanties.

(10)

In Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) wordt een netwerk van voor e-gezondheid verantwoordelijke nationale autoriteiten opgezet. Om de veiligheid en de continuïteit van grensoverschrijdende gezondheidszorg te verbeteren, moet het netwerk richtsnoeren opstellen voor de grensoverschrijdende toegang tot elektronische gezondheidsgegevens en -diensten, ook door het ondersteunen van „gemeenschappelijke identificatie- en authenticatiemaatregelen, teneinde de overdraagbaarheid van gegevens bij grensoverschrijdende gezondheidszorg te bevorderen”. De wederzijdse erkenning van elektronische identificatie en authenticatie is essentieel om voor de Europese burger grensoverschrijdende gezondheidszorg realiteit te maken. Wanneer mensen voor een behandeling naar het buitenland reizen, moeten hun medische gegevens in het land van behandeling toegankelijk zijn. Dat vergt een degelijk, veilig en betrouwbaar kader voor elektronische identificatie.

(11)

Deze verordening dient te worden toegepast in volledige overeenstemming met de beginselen inzake de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (7). In dit verband en met inachtneming van het bij deze verordening vastgelegde beginsel inzake wederzijdse erkenning, mag authenticatie voor een onlinedienst alleen betrekking hebben op de verwerking van die identificatiegegevens die toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn om toegang tot die onlinedienst te verlenen. Voorts moeten de in Richtlijn 95/46/EG gestelde eisen inzake vertrouwelijkheid en beveiliging van de verwerking worden geëerbiedigd door de verleners van vertrouwensdiensten en het toezichthoudend orgaan.

(12)

Een van de doelstellingen van deze verordening is het wegnemen van bestaande belemmeringen voor het grensoverschrijdende gebruik van elektronische identificatiemiddelen die in de lidstaten worden gebruikt om daarmee ten minste ten behoeve van publieke diensten te authenticeren. Deze verordening heeft niet tot doel systemen voor elektronisch identiteitsbeheer en bijbehorende infrastructuren in de lidstaten te beïnvloeden. Het doel van deze verordening is te waarborgen dat veilige elektronische identificatie en authenticatie voor de toegang tot grensoverschrijdende onlinediensten van de lidstaten mogelijk is.

(13)

De lidstaten moeten de vrijheid behouden om ten behoeve van elektronische identificatie middelen voor toegang tot onlinediensten te gebruiken of in te voeren. De lidstaten moeten ook kunnen beslissen of zij de private sector bij het aanbieden van deze middelen wensen te betrekken. De lidstaten dienen niet te worden verplicht hun stelsels voor elektronische identificatie aan de Commissie te melden. Het staat de lidstaten vrij om alle, sommige dan wel geen van de stelsels voor elektronische identificatie die op nationaal niveau worden gebruikt om ten minste toegang te krijgen tot publieke onlinediensten of specifieke diensten, aan de Commissie te melden.

(14)

In deze verordening moet een aantal voorwaarden worden vastgesteld om te bepalen welke elektronische identificatiemiddelen moeten worden erkend en hoe de stelsels voor elektronische identificatie moeten worden aangemeld. Deze voorwaarden moeten de lidstaten helpen het noodzakelijke vertrouwen in elkaars stelsels voor elektronische identificatie op te bouwen en elektronische identificatiemiddelen die onder hun aangemelde stelsels vallen, wederzijds te erkennen. Het beginsel van wederzijdse erkenning moet worden toegepast als het stelsel voor elektronische identificatie van de aanmeldende lidstaat voldoet aan de voorwaarden voor aanmelding en de aanmelding is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het beginsel van wederzijdse erkenning dient echter alleen op authenticatie voor een onlinedienst betrekking te hebben. De toegang tot deze onlinediensten en de daadwerkelijke verlening ervan aan de aanvrager moeten nauw verbonden zijn aan het recht om dergelijke diensten af te nemen onder de in de nationale wetgeving gestelde voorwaarden.

(15)

De verplichting tot erkenning van elektronische identificatiemiddelen moet alleen betrekking hebben op die middelen waarvan het identiteitsbetrouwbaarheidsniveau overeenstemt met het niveau dat gelijk is aan of hoger is dan het voor de bewuste onlinedienst vereiste niveau. Voorts dient deze verplichting alleen te gelden als de openbare instantie in kwestie het betrouwbaarheidsniveau „substantieel” of „hoog” gebruikt voor de toegang tot die onlinedienst. De lidstaten moeten overeenkomstig het Unierecht de vrijheid behouden om elektronische identificatiemiddelen met lagere identiteitsbetrouwbaarheidsniveaus te erkennen.

(16)

Het betrouwbaarheidsniveau moet de mate van vertrouwen weergeven die in een elektronisch identificatiemiddel kan worden gesteld voor het vaststellen van de identiteit van een persoon, en moet zodoende zekerheid geven dat de persoon die beweert een bepaalde identiteit te hebben ook daadwerkelijk degene is aan wie deze identiteit is toegekend. Het betrouwbaarheidsniveau hangt af van de mate van vertrouwen die elektronische identificatiemiddelen bieden voor de opgegeven of beweerde identiteit van een persoon, rekening houdend met processen (bijvoorbeeld het bewijzen van de identiteit,verificatie, en authenticatie), beheersactiviteiten (bijvoorbeeld de entiteit die elektronische identificatiemiddelen uitgeeft en de procedure voor uitgifte van dergelijke middelen) en geïmplementeerde technische beheersmaatregelen. Diverse technische definities en beschrijvingen van betrouwbaarheidsniveaus danken hun bestaan aan door de Unie gefinancierde Grootschalige Proefprojecten, standaardisering en internationale activiteiten. In het bijzonder refereren het Grootschalige Proefproject STORK en ISO 29115 aan, onder meer, de niveaus 2, 3 en 4, met welke niveaus ten zeerste rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van minimale technische vereisten, standaarden en procedures voor de betrouwbaarheidsniveaus laag, substantieel en hoog in de zin van deze verordening, terwijl gezorgd moet worden voor een consequente toepassing van deze verordening, met name wat betreft betrouwbaarheidniveau hoog voor het bewijzen van de identiteit voor het afgeven van gekwalificeerde certificaten. De vereisten moeten technologieneutraal zijn. Het moet mogelijk zijn aan de noodzakelijke veiligheidsvereisten te voldoen door middel van verschillende technologieën.

(17)

De lidstaten dienen de private sector aan te moedigen vrijwillig gebruik te maken van elektronische identificatiemiddelen die onder een aangemeld stelsel vallen, indien identificatie bij onlinediensten of elektronische transacties nodig is. De mogelijkheid om zulke elektronische identificatiemiddelen te gebruiken stelt de particuliere sector in staat gebruik te maken van elektronische identificatie en authenticatie, waar in diverse lidstaten in ieder geval voor publieke diensten reeds vaak gebruik van gemaakt wordt, en maakt het voor bedrijven en burgers gemakkelijker om grensoverschrijdende toegang te krijgen tot hun onlinediensten. Om het gebruik van dergelijke elektronische identificatiemiddelen door de private sector over de grenzen heen te vergemakkelijken, moet de mogelijkheid tot authenticatie die elke lidstaat biedt, beschikbaar zijn voor buiten het grondgebied van die lidstaat gevestigde vertrouwende partijen uit de private sector, en wel onder dezelfde voorwaarden als in die lidstaat gevestigde vertrouwende partijen. Bijgevolg mag de aanmeldende lidstaat ten aanzien van vertrouwende partijen uit de private sector voorwaarden voor toegang tot de authenticatiemiddelen bepalen. Die voorwaarden voor toegang kunnen vermelden of de authenticatiemiddelen voor het aangemelde stelsel voor elektronische identificatie op dat moment beschikbaar zijn voor vertrouwende partijen uit de private sector.

(18)

Deze verordening dient te voorzien in de aansprakelijkheid van de aanmeldende lidstaat, de partij die de elektronische identificatiemiddelen verstrekt en de partij die de authenticatieprocedure uitvoert, wanneer zij niet voldoen aan de verplichtingen ter zake in deze verordening. Deze verordening moet echter worden uitgevoerd volgens de nationale voorschriften inzake aansprakelijkheid. De verordening beïnvloedt derhalve niet deze nationale voorschriften inzake, bijvoorbeeld, de definitie van schade of het bepalen van de toepasselijke procedureregels, waaronder inzake de bewijslast.

(19)

De veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie is van cruciaal belang voor een betrouwbare grensoverschrijdende wederzijdse erkenning van elektronische identificatiemiddelen. In dit verband moeten de lidstaten samenwerken op het gebied van de veiligheid en interoperabiliteit van de stelsels voor elektronische identificatie op Unieniveau. Wanneer in stelsels voor elektronische identificatie wordt geëist dat de vertrouwende partijen specifieke hardware of software gebruiken op nationaal niveau, dan wordt de betrokken lidstaten in het kader van de grensoverschrijdende interoperabiliteit verzocht dergelijke vereisten en daarmee verband houdende kosten niet op te leggen aan vertrouwende partijen die buiten hun grondgebied gevestigd zijn. In dat geval moeten binnen de grenzen van het interoperabiliteitskader passende oplossingen worden besproken en ontwikkeld. Niettemin zijn technische vereisten die voortvloeien uit de inherente specificaties van nationale elektronische identificatiemiddelen en die waarschijnlijk gevolgen zullen hebben voor de houders van dergelijke elektronische middelen (bv. smartcards), onvermijdelijk.

(20)

De samenwerking tussen lidstaten moet de technische interoperabiliteit van de aangemelde stelsels voor elektronische identificatie faciliteren teneinde een sterk vertrouwen en een op het risiconiveau afgestemde beveiliging te bevorderen. Het uitwisselen van informatie en het delen van goede praktijken tussen lidstaten met het oog op hun wederzijdse erkenning, is bevorderlijk voor een dergelijke samenwerking.

(21)

Deze verordening dient ook te voorzien in een algemeen wetgevingskader voor het gebruik van vertrouwensdiensten. Zij mag echter geen algemene verplichting scheppen om elektronische vertrouwensdiensten te gebruiken of om een toegangspunt voor alle bestaande vertrouwensdiensten te installeren. De verordening mag met name niet voorzien in de verlening van diensten die uitsluitend binnen gesloten systemen gebruikt worden tussen een welbepaalde groep deelnemers, en die geen gevolgen hebben voor derden. Systemen die zijn opgezet bij bedrijven of overheden voor het beheer van interne procedures waarbij gebruik wordt gemaakt van vertrouwensdiensten, behoren bijvoorbeeld niet onder deze verordening te vallen. Alleen vertrouwensdiensten die aan het publiek verleend worden en gevolgen hebben voor derden moeten voldoen aan de vereisten van deze verordening. Ook mag deze verordening geen betrekking hebben op aspecten die verband houden met de totstandkoming en geldigheid van contracten of andere juridische verbintenissen waaraan in het nationale recht of het Unierecht vormvereisten worden gesteld. Daarenboven dient zij de nationale vormvereisten voor openbare registers, met name handelsregisters en kadasters onverlet te laten.

(22)

Teneinde bij te dragen tot het algemene grensoverschrijdende gebruik van vertrouwensdiensten, moet het mogelijk zijn deze in alle lidstaten in gerechtelijke procedures als bewijsmiddel te gebruiken. De rechtsgevolgen van vertrouwensdiensten moeten worden vastgesteld door het nationale recht, tenzij in deze verordening anders wordt bepaald.

(23)

Voor zover deze verordening een verplichting schept om een vertrouwensdienst te erkennen, is het alleen mogelijk een dergelijke vertrouwensdienst niet te erkennen als de geadresseerde van de verplichting deze om technische redenen, waarop hij geen rechtstreekse invloed kan uitoefenen, niet kan lezen of verifiëren. Die verplichting hoeft evenwel op zich niet te betekenen dat een openbare instantie de voor de technische leesbaarheid van alle bestaande vertrouwensdiensten benodigde hardware en software moet verwerven.

(24)

De lidstaten mogen in overeenstemming met het Unierecht nationale bepalingen in verband met vertrouwensdiensten invoeren of handhaven, voor zover die diensten niet volledig worden geharmoniseerd door deze verordening. Het vrije verkeer in de interne markt van vertrouwensdiensten die aan deze verordening voldoen, moet evenwel gewaarborgd worden.

(25)

De lidstaten moeten de vrijheid behouden om naast de vertrouwensdiensten die deel uitmaken van de gesloten lijst waarin deze verordening voorziet, andere soorten vertrouwensdiensten te definiëren om deze op nationaal niveau als gekwalificeerde vertrouwensdienst te erkennen.

(26)

Vanwege het hoge tempo van de technologische veranderingen dient deze verordening te voorzien in een aanpak die open staat voor innovatie.

(27)

De verordening moet technologieneutraal zijn. De rechtsgevolgen waarin de verordening voorziet, moeten bereikt kunnen worden met om het even welk technologisch middel, op voorwaarde dat voldaan is aan de vereisten van deze verordening.

(28)

Om het vertrouwen van in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en de consumenten in de interne markt te bevorderen en het gebruik van vertrouwensdiensten en producten te stimuleren, dienen de noties van gekwalificeerde vertrouwensdiensten en gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten te worden geïntroduceerd om eisen en verplichtingen aan te duiden die ertoe dienen de beveiliging van welke gebruikte of geleverde gekwalificeerde vertrouwensdiensten en producten dan ook op hoog niveau te waarborgen.

(29)

In overeenstemming met de verplichtingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, goedgekeurd door Besluit 2010/48/EG van de Raad (8), in het bijzonder artikel 9 van dat verdrag, moeten personen met een handicap in staat zijn de geleverde vertrouwensdiensten en de producten voor de eindgebruiker die bij het leveren van deze diensten gebruikt worden, op gelijke voet als andere consumenten te gebruiken. Daarom moeten, waar dat haalbaar is, vertrouwensdiensten en eindgebruikersproducten die worden gebruikt bij de verlening van deze diensten toegankelijk worden gemaakt voor personen met een handicap. De haalbaarheidsbeoordeling moet onder andere op technische en economische overwegingen gebaseerd zijn.

(30)

De lidstaten dienen een of meer toezichthoudende organen aan te wijzen voor het verrichten van de toezichtactiviteiten uit hoofde van deze verordening. De lidstaten moeten eveneens kunnen besluiten om, in onderlinge overeenstemming met een andere lidstaat, een toezichthoudend orgaan aan te wijzen op het grondgebied van die andere lidstaat.

(31)

Toezichthoudende organen moeten samenwerken met gegevensbeschermingsinstanties, bijvoorbeeld door hen te informeren over de resultaten van audits van gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten wanneer er aanwijzingen zijn dat inbreuk op voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens is gepleegd. De verstrekking van informatie moet in het bijzonder betrekking hebben op beveiligingsincidenten en inbreuken op persoonsgegevens.

(32)

Alle verleners van vertrouwensdiensten zijn ertoe gehouden goede praktijkervaringen op beveiligingsgebied toe te passen, aangepast aan de risico’s die verbonden zijn aan hun activiteiten, om het vertrouwen van gebruikers in de eengemaakte markt te bevorderen.

(33)

De bepalingen inzake het gebruik van pseudoniemen in certificaten dienen de lidstaten niet te beletten op grond van het Unierecht of het nationale recht te verlangen dat personen zich legitimeren.

(34)

Alle lidstaten moeten zich houden aan gemeenschappelijke essentiële toezichtvereisten om een vergelijkbaar niveau van veiligheid van gekwalificeerde vertrouwensdiensten te verzekeren. Om de consequente toepassing van deze vereisten in de gehele Unie te vergemakkelijken, moeten de lidstaten vergelijkbare procedures invoeren en informatie over hun toezichtactiviteiten en de beste praktijken in het veld uitwisselen.

(35)

Alle verleners van vertrouwensdiensten moeten zich houden aan de vereisten van deze verordening, in het bijzonder wat betreft veiligheid en betrouwbaarheid, zodat de zorgvuldigheid, transparantie en verantwoording van hun activiteiten worden gewaarborgd. Gelet op de soort diensten die verleners van vertrouwensdiensten verlenen, dient echter met betrekking tot deze vereisten onderscheid te worden gemaakt tussen gekwalificeerde en niet-gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten.

(36)

De instelling van een toezichtregeling voor alle verleners van vertrouwensdiensten moet zorgen voor een gelijk speelveld met betrekking tot de veiligheid en verantwoording van hun activiteiten en diensten, hetgeen bijdraagt aan de bescherming van de gebruikers en aan de werking van de interne markt. Niet-gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten moeten worden onderworpen aan eenvoudige en reactieve toezichtactiviteiten achteraf die worden gerechtvaardigd door de aard van hun diensten en activiteiten. Het toezichthoudend orgaan mag daarom geen algemene verplichting hebben om toezicht te houden op niet-gekwalificeerde dienstverleners. Het toezichthoudend orgaan dient alleen op te treden wanneer het ervan in kennis wordt gesteld (bijvoorbeeld door de niet-gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten zelf, door een ander toezichthoudend orgaan, door een kennisgeving van een gebruiker of een zakenpartner of op basis van zijn eigen onderzoek) dat een niet-gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten niet voldoet aan de vereisten van deze verordening.

(37)

Deze verordening moet voorzien in de aansprakelijkheid van alle verleners van vertrouwensdiensten. De verordening voorziet meer bepaald in de aansprakelijkheidsregeling in het kader waarvan alle verleners van vertrouwensdiensten aansprakelijk moeten zijn voor schade die wordt toegebracht aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon wegens niet-naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening. Teneinde de beoordeling te vergemakkelijken van het financiële risico dat verleners van vertrouwensdiensten misschien moeten dragen of dat zij zouden moeten dekken met verzekeringspolissen, laat deze richtlijn toe dat verleners van vertrouwensdiensten, onder bepaalde voorwaarden, beperkingen verbinden aan het gebruik van de door hen verleende diensten en dat zij niet aansprakelijk zijn voor schade die het gevolg is van het gebruik van diensten dat deze beperkingen te buiten gaat. De klanten moeten vooraf terdege worden geïnformeerd over de beperkingen. Deze beperkingen moeten herkenbaar zijn voor een derde partij, bijvoorbeeld doordat er informatie over de beperkingen wordt opgenomen in de voorwaarden met betrekking tot de verleende dienst, of via andere herkenbare middelen. Om uitvoering te geven aan deze beginselen, moet deze verordening overeenkomstig de nationale aansprakelijkheidsregels worden toegepast. Daarom laat deze verordening die nationale regels inzake bijvoorbeeld de definitie van schade, opzet, nalatigheid, of de toepasselijke procedurele regels, onverlet.

(38)

Het is van essentieel belang dat inbreuken op de veiligheid en beoordelingen van de veiligheidsrisico’s worden gemeld zodat in het geval van een inbreuk of verlies van integriteit de juiste informatie aan de betrokken partijen kan worden verstrekt.

(39)

Om de Commissie en de lidstaten in staat te stellen de doeltreffendheid van het bij deze verordening ingevoerde aanmeldingsmechanisme voor inbreuken te beoordelen, moet de toezichthoudende organen worden verzocht beknopte informatie te verstrekken aan de Commissie en aan het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa).

(40)

Om de Commissie en de lidstaten in staat te stellen de doeltreffendheid te beoordelen van het versterkte toezichtmechanisme waarin deze verordening voorziet, moet de toezichtorganen worden verzocht verslag uit te brengen over hun activiteiten. Dit zou bevorderlijk zijn voor de uitwisseling van goede praktijken tussen toezichtorganen en zou de garantie bieden dat de essentiële toezichtvereisten in alle lidstaten consequent en efficiënt worden vervuld.

(41)

Om de duurzaamheid van gekwalificeerde vertrouwensdiensten te waarborgen en het vertrouwen van de gebruikers in de continuïteit van gekwalificeerde vertrouwensdiensten te stimuleren, moeten de toezichthoudende organen, voor het geval dat gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten hun activiteiten beëindigen, nagaan of er maatregelen betreffende beëindigingsplannen bestaan en of die correct worden toegepast.

(42)

Om het toezicht op gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten te vergemakkelijken, bijvoorbeeld wanneer een verlener zijn diensten aanbiedt op het grondgebied van een andere lidstaat en daar niet aan toezicht onderworpen is, of wanneer de computers van een verlener zich bevinden op het grondgebied van een andere lidstaat dan die waar hij gevestigd is, moet een systeem voor wederzijdse bijstand tussen de toezichtorganen in de lidstaten worden opgezet.

(43)

Om te waarborgen dat de gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten alsook de door hen verleende diensten voldoen aan de voorschriften van deze verordening, moet een conformiteitsbeoordeling worden verricht door een conformiteitsbeoordelingsorgaan en moeten de daaruit resulterende conformiteitsbeoordelingsrapporten door de gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten aan het toezichthoudende orgaan worden voorgelegd. Telkens wanneer het toezichthoudende orgaan verlangt dat een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten een ad-hocconformiteitsbeoordelingsrapport indient, dient het in het bijzonder het beginsel van behoorlijk bestuur te eerbiedigen, mede omvattende de verplichting tot motivering van zijn besluiten, alsook het evenredigheidsbeginsel. Het toezichthoudende orgaan moet derhalve zijn besluit waarbij het een ad-hocconformiteitsbeoordeling vereist, naar behoren met redenen omkleden.

(44)

Deze verordening heeft tot doel te zorgen voor een samenhangend kader dat met betrekking tot vertrouwensdiensten in een hoog niveau van veiligheid en rechtszekerheid voorziet. In dit verband moet de Commissie, met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling van producten en diensten, in voorkomend geval streven naar synergie met bestaande toepasselijke Europese en internationale systemen zoals Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (9) waarin de eisen inzake accreditatie van conformiteitsbeoordelingsorganen en markttoezicht op producten worden opgesomd.

(45)

Omwille van een doelmatig initiatieproces dat ertoe strekt gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten en de door hen verleende gekwalificeerde vertrouwensdiensten in vertrouwenslijsten op te nemen, moeten voorbereidende interacties tussen kandidaat-gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten en het bevoegde toezichthoudende orgaan worden bevorderd teneinde de zorgvuldigheid die tot het verlenen van gekwalificeerde vertrouwensdiensten moet leiden, te faciliteren.

(46)

Vertrouwenslijsten zijn essentieel voor het opbouwen van vertrouwen tussen marktdeelnemers, aangezien zij informatie bevatten over de gekwalificeerde status van de dienstverlener op het moment van het toezicht.

(47)

Vertrouwen in en gebruiksgemak van onlinediensten zijn voor gebruikers van wezenlijk belang om maximaal te kunnen profiteren van en bewust te vertrouwen op elektronische diensten. Daartoe moet een EU-vertrouwensmerk worden ingevoerd ter aanduiding van de door gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten verleende gekwalificeerde vertrouwensdiensten. Dankzij dat EU-vertrouwensmerk voor gekwalificeerde vertrouwensdiensten zouden gekwalificeerde vertrouwensdiensten duidelijk kunnen worden onderscheiden van andere vertrouwensdiensten, wat tot transparantie in de markt zou bijdragen. Het gebruik van een EU-vertrouwensmerk door gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten zou vrijwillig moeten zijn en geen aanleiding mogen geven tot andere vereisten dan die welke in deze verordening vastgelegd zijn.

(48)

Hoewel een hoog beveiligingsniveau nodig is om de wederzijdse erkenning van elektronische handtekeningen te waarborgen, moeten in specifieke gevallen, zoals in het kader van Beschikking 2009/767/EG van de Commissie (10), elektronische handtekeningen met een lagere veiligheidsgarantie ook aanvaard worden.

(49)

In deze verordening moet als beginsel worden gesteld dat het rechtsgevolg van een elektronische handtekening niet moet worden ontkend op grond van het feit dat de handtekening elektronisch is of niet aan de eisen voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen voldoet. Het nationaal recht moet echter bepalen welk rechtsgevolg elektronische handtekeningen hebben, met uitzondering van de in deze verordening vastgestelde voorschriften dat een gekwalificeerde elektronische handtekening hetzelfde rechtsgevolg dient te hebben als een handgeschreven handtekening.

(50)

Aangezien bevoegde autoriteiten in de lidstaten momenteel verschillende formats voor geavanceerde elektronische handtekeningen gebruiken om hun documenten elektronisch te ondertekenen, moet worden gewaarborgd dat ten minste een aantal formats voor geavanceerde elektronische handtekeningen technisch ondersteund kunnen worden door de lidstaten wanneer zij elektronisch ondertekende documenten ontvangen. Evenzo is het nodig om, wanneer bevoegde autoriteiten in de lidstaten gebruikmaken van geavanceerde elektronische zegels, te waarborgen dat zij ten minste een aantal formats voor geavanceerde elektronische zegels ondersteunen.

(51)

Het zou voor de ondertekenaar mogelijk moeten zijn om middelen voor het aanmaken van een gekwalificeerde elektronische handtekening toe te vertrouwen aan een derde, mits passende mechanismen en procedures worden toegepast om te waarborgen dat uitsluitend de ondertekenaar controle heeft over het gebruik van de aanmaakgegevens van zijn elektronische handtekening, en mits door gebruik te maken van dit middel de vereisten inzake gekwalificeerde elektronische handtekeningen worden nageleefd.

(52)

Het aanmaken van elektronische handtekeningen op afstand, waarbij de omgeving waarin de elektronische handtekening wordt aangemaakt, door een verlener van vertrouwensdiensten namens de ondertekenaar wordt beheerd, zal wellicht toenemen gezien de talrijke economische voordelen ervan. Om er evenwel voor te zorgen dat die elektronische handtekeningen dezelfde juridische erkenning krijgen als elektronische handtekeningen die zijn aangemaakt in een volledig door de gebruiker beheerde omgeving, dienen de verleners van diensten voor elektronische handtekeningen op afstand specifieke veiligheidsprocedures toe te passen wat betreft beheer en administratie, en gebruik te maken van betrouwbare systemen en producten, met inbegrip van beveiligde elektronische communicatiekanalen, om te waarborgen dat de omgeving waarin de elektronische handtekening wordt aangemaakt betrouwbaar is en dat uitsluitend de ondertekenaar controle heeft over het gebruik ervan. Indien een gekwalificeerde elektronische handtekening is aangemaakt door gebruik te maken van een middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen op afstand, dienen de in deze verordening vastgelegde vereisten voor gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten van toepassing te zijn.

(53)

De schorsing van gekwalificeerde certificaten is een ingeburgerde operationele praktijk van verleners van vertrouwensdiensten in een aantal lidstaten en heeft het tijdelijk verlies van geldigheid van een certificaat tot gevolg, hetgeen is te onderscheiden van de intrekking van certificaten. Ten behoeve van de rechtszekerheid moet de geschorste status van een certificaat steeds duidelijk worden aangegeven. Daarom moeten verleners van vertrouwensdiensten de verantwoordelijkheid hebben om de status van het certificaat en, in geval van schorsing, de precieze tijdsduur van de schorsing, duidelijk aan te geven. Deze verordening dient het gebruik van schorsing niet aan de lidstaten of aan de verleners van vertrouwensdiensten op te leggen; de verordening dient evenwel te voorzien in transparantieregels in de gevallen waarin die praktijk gangbaar is.

(54)

De grensoverschrijdende interoperabiliteit en erkenning van gekwalificeerde certificaten vormt een noodzakelijke voorwaarde voor grensoverschrijdende erkenning van gekwalificeerde elektronische handtekeningen. Derhalve dienen voor gekwalificeerde certificaten geen dwingende vereisten te gelden die strenger zijn dan de in deze verordening vastgestelde vereisten. Op nationaal niveau moet het evenwel mogelijk zijn specifieke kenmerken, zoals unieke identificatiegegevens, in gekwalificeerde certificaten te doen opnemen, mits die specifieke kenmerken de grensoverschrijdende interoperabiliteit en erkenning van gekwalificeerde certificaten en elektronische handtekeningen niet hinderen.

(55)

Een op internationale normen gebaseerde IT-veiligheidscertificering, zoals ISO 15408 en verwante evaluatiemethoden en regelingen voor wederzijdse erkenning, is een belangrijk instrument voor de verificatie van gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen, en dient te worden gestimuleerd. Innovatieve oplossingen en diensten zoals mobiel ondertekenen en ondertekenen in de cloud berusten echter op technische en organisatorische oplossingen voor gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen waarvoor nog geen beveiligingsstandaarden voorhanden zijn of waarvoor de eerste IT-veiligheidscertificeringsprocedure nog loopt. Het beveiligingsniveau van dergelijke gekwalificeerde apparatuur voor het aanmaken van elektronische handtekeningen kan worden geëvalueerd door gebruik te maken van alternatieve processen, maar enkel indien dergelijke veiligheidsnormen niet beschikbaar zijn of indien de eerste IT-veiligheidsbeoordeling aan de gang is. Deze processen dienen vergelijkbaar te zijn met de standaarden voor IT-veiligheidscertificering, voor zover het om gelijke beveiligingsniveaus gaat. Deze processen zouden baat kunnen hebben bij onderlinge evaluatie.

(56)

In deze verordening moeten vereisten worden vastgesteld voor gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen vastgelegd om de functionaliteit van geavanceerde elektronische handtekeningen te waarborgen. Deze verordening hoeft niet de hele systeemomgeving waarbinnen dergelijke middelen functioneren te bestrijken. De werkingssfeer van de certificering van gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van handtekeningen dient derhalve te worden beperkt tot de hardware en de systeemprogrammatuur die worden gebruikt voor het beheer en de bescherming van de voor het aanmaken van de handtekening in dat middel aangemaakte, opgeslagen of verwerkte gegevens. Als aangegeven in de toepasselijke standaarden moeten toepassingen voor het aanmaken van handtekeningen buiten de werkingssfeer van de verplichte certificering vallen.

(57)

Om de rechtszekerheid wat betreft de geldigheid van de handtekening te zeker te stellen, is het van essentieel belang de componenten van een gekwalificeerde elektronische handtekening te specificeren, die moeten worden beoordeeld door de vertrouwende partij die de validering uitvoert. Bovendien moet het specificeren van de eisen aan gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die een gekwalificeerde valideringsdienst kunnen leveren aan vertrouwende partijen die niet bereid of in staat zijn om de validering van gekwalificeerde elektronische handtekeningen zelf uit te voeren, de private en de publieke sector stimuleren om in dergelijke diensten te investeren. Beide elementen moeten de validering van gekwalificeerde elektronische handtekeningen eenvoudig en handzaam maken voor alle partijen op het niveau van de Unie.

(58)

Wanneer voor een transactie een gekwalificeerd elektronisch zegel van een rechtspersoon vereist is, moet een gekwalificeerde elektronische handtekening van de gemachtigd vertegenwoordiger van de rechtspersoon gelijkelijk aanvaardbaar zijn.

(59)

Elektronische zegels moeten dienen als bewijs dat een elektronisch document door een rechtspersoon is afgegeven, door zekerheid omtrent de oorsprong en integriteit van het document te garanderen.

(60)

Verleners van vertrouwensdiensten die gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels afgeven, dienen de maatregelen toe te passen die nodig zijn om de identiteit te kunnen vaststellen van de natuurlijke persoon die optreedt als vertegenwoordiger van de rechtspersoon waaraan het gekwalificeerd certificaat voor het elektronische zegel wordt uitgereikt, indien dat op nationaal niveau in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure noodzakelijk is.

(61)

Deze verordening moet ervoor zorgen dat informatie langdurig bewaard blijft teneinde zeker te stellen dat elektronische handtekeningen en elektronische zegels gedurende lange tijd rechtsgeldig blijven en te garanderen dat zij gevalideerd kunnen worden ongeacht toekomstige technologische veranderingen.

(62)

Omwille van de veiligheid van gekwalificeerde elektronische tijdstempels moet deze verordening het gebruik van een geavanceerd elektronisch zegel, een geavanceerde elektronische handtekening of andere, gelijkwaardige methoden voorschrijven. Verwacht kan worden dat door innovatie nieuwe technologieën ontstaan die een gelijkwaardig beveiligingsniveau bieden voor tijdstempels. Telkens wanneer gebruik wordt gemaakt van een andere methode dan een geavanceerd elektronisch zegel of een geavanceerde elektronische handtekening, moet de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten in het conformiteitsbeoordelingsrapport aantonen dat die andere methode een gelijkwaardig beveiligingsniveau garandeert en voldoet aan de in deze verordening vastgestelde verplichtingen.

(63)

Elektronische documenten zijn van belang voor de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende elektronische transacties op de interne markt. In deze verordening moet als beginsel worden vastgelegd dat het rechtsgevolg van een elektronisch document niet moet worden ontkend op grond van het feit het elektronisch is, zodat een elektronische transactie niet zal worden geweigerd alleen omdat een document een document in elektronische vorm is.

(64)

Met betrekking tot de formats van geavanceerde elektronische handtekeningen en zegels moet de Commissie voortbouwen op bestaande praktijken, standaarden en wetgeving, in het bijzonder Besluit 2011/130/EU van de Commissie (11).

(65)

Behalve voor de authenticatie van het door de rechtspersoon afgegeven document, kunnen elektronische zegels worden gebruikt voor de authenticatie van alle digitale activa van de rechtspersoon, zoals softwarecode of servers.

(66)

Het is van essentieel belang dat wordt voorzien in een juridisch kader ter facilitering van de grensoverschrijdende erkenning van bestaande nationale juridische regelingen met betrekking tot diensten voor elektronisch aangetekende bezorging. Dat kader zou voor verleners van vertrouwensdiensten in de Unie ook nieuwe afzetmogelijkheden kunnen openen voor het aanbieden van nieuwe pan-Europese diensten voor elektronisch aangetekende bezorging.

(67)

Diensten voor authenticatie van websites vormen een middel waarmee websitebezoekers er zeker van kunnen zijn dat het om de website van een werkelijk bestaande, legitieme entiteit gaat. Die diensten dragen bij tot toenemend vertrouwen in online zaken doen, aangezien een geauthentiseerde website het vertrouwen van de gebruikers zal genieten. Het verlenen en gebruikmaken van diensten voor authenticatie van websites gebeurt volledig op vrijwillige basis. Echter, om van authenticatie van websites een middel te maken om het vertrouwen te bevorderen, de gebruikers betere ervaringen te bezorgen en de groei in de interne markt te bevorderen, moet deze verordening evenwel voorzien in minimumverplichtingen inzake veiligheid en aansprakelijkheid voor dienstverleners en voor de door hen verleende diensten. Daartoe is rekening gehouden met de resultaten van bestaande initiatieven van de sector, zoals Certification Authorities/Browsers Forum — CA/B Forum. Daarnaast dient deze verordening geen beletsel te vormen voor het gebruik van andere, niet onder deze verordening vallende middelen of methoden voor authenticatie van een website, noch te voorkomen dat verleners van diensten voor websiteauthenticatie uit derde landen hun diensten aanbieden aan afnemers in de Unie. Door dienstverleners uit derde landen aangeboden diensten voor authenticatie van websites dienen evenwel enkel te worden erkend als overeenkomstig deze verordening gekwalificeerde diensten als de Unie en het vestigingsland van de dienverlener een internationale overeenkomst hebben gesloten.

(68)

Overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) inzake vestiging laat het begrip „rechtspersonen” de marktdeelnemers vrij in de keuze van de rechtsvorm die zij voor hun activiteiten geschikt achten. Bijgevolg slaat „rechtspersonen” in de zin van het VWEU op alle entiteiten die zijn opgericht naar of worden beheerst door het recht van een lidstaat, ongeacht hun rechtsvorm.

(69)

De instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie worden aangemoedigd onder deze verordening vallende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten te erkennen met als doel administratieve samenwerking, en daarbij vooral te profiteren van bestaande goede werkwijzen en de resultaten van lopende projecten op onder deze verordening vallende gebieden.

(70)

Om bepaalde uitvoerige technische aspecten van deze verordening op een flexibele en snelle manier aan te vullen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden overgedragen wat betreft de criteria waaraan de organen die verantwoordelijk zijn voor de certificering van gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen moeten voldoen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(71)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Commissie, in het bijzonder voor het specificeren van referentienummers voor standaarden waarvan het gebruik aanleiding zou zijn voor een vermoeden van overeenstemming met bepaalde vereisten die zijn vastgesteld in deze verordening. Die bevoegdheden moeten in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad worden uitgeoefend (12).

(72)

Bij de vaststelling van gedelegeerde of uitvoeringshandelingen dient de Commissie terdege rekening te houden met de standaarden en technische specificaties als opgesteld door Europese en internationale organisaties en organen voor normalisatie, in het bijzonder het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI), de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO), en de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU), met het oog op het waarborgen van een hoog niveau van veiligheid en interoperabiliteit van elektronische identificatie en vertrouwensdiensten.

(73)

Omwille van de rechtszekerheid en duidelijkheid moet Richtlijn 1999/93/EG worden ingetrokken.

(74)

Om rechtszekerheid te waarborgen voor marktdeelnemers die reeds van aan natuurlijke personen afgegeven gekwalificeerde certificaten gebruikmaken in overeenstemming met Richtlijn 1999/93/EG, moet een voldoende ruime overgangsperiode worden vastgesteld. Ook moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld voor middelen voor het veilig aanmaken van handtekeningen waarvan de overeenstemming overeenkomstig Richtlijn 1999/93/EG is vastgesteld, evenals voor certificatiedienstverleners die voor 1 juli 2016 gekwalificeerde certificaten afgeven. Ook moet de Commissie tot slot voorzien worden van de middelen die nodig zijn om de uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen vóór die datum vast te stellen.

(75)

De toepassingsdata in deze verordening veranderen niets aan bestaande verplichtingen die lidstaten reeds krachtens het Unierecht, en in het bijzonder Richtlijn 2006/123/EG, hebben.

(76)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang van het optreden, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen vaststellen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als bedoeld in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(77)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werd geraadpleegd in overeenstemming met artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (13) en heeft op 27 september 2012 advies uitgebracht (14),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Met het oog op het goede functioneren van de interne markt, en daarbij strevend naar een adequaat niveau van veiligheid van elektronische identificatiemiddelen en vertrouwensdiensten, worden bij deze verordening:

a)

de voorwaarden vastgesteld waaronder lidstaten elektronische identificatiemiddelen van natuurlijke personen en rechtspersonen erkennen die onder een aangemeld stelsel voor elektronische identificatie van een andere lidstaat vallen,

b)

regels vastgesteld voor vertrouwensdiensten, met name voor elektronische transacties, en

c)

een juridisch kader vastgesteld voor elektronische handtekeningen, elektronische zegels, elektronische tijdstempels, elektronische documenten, diensten voor elektronisch aangetekende bezorging en certificatendiensten voor websiteauthenticatie.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op stelsels voor elektronische identificatie die zijn aangemeld door een lidstaat en op verleners van vertrouwensdiensten die in de Unie zijn gevestigd.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op de verlening van vertrouwensdiensten die uitsluitend in systemen die gesloten zijn als gevolg van nationaal recht of overeenkomsten tussen een welbepaalde groep deelnemers.

3.   Deze verordening doet geen afbreuk aan nationaal of Unierecht dat betrekking heeft op de totstandkoming en geldigheid van contracten of andere wettelijke of procedurele verplichtingen inzake vormvereisten.

Artikel 3

Definities

Voor de doelstellingen van deze verordening, zijn de volgende definities van toepassing:

1.   „elektronische identificatie”: het proces van het gebruiken van persoonsidentificatiegegevens in elektronische vorm die op unieke wijze een natuurlijke persoon of rechtspersoon, of een natuurlijke persoon die een rechtspersoon vertegenwoordigt, aanduiden;

2.   „elektronisch identificatiemiddel”: een materiële en/of immateriële eenheid die persoonsidentificatiegegevens bevat en die gebruikt wordt voor authenticatie bij een onlinedienst;

3.   „persoonsidentificatiegegevens”: een reeks gegevens aan de hand waarvan de identiteit van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, of een natuurlijke persoon die een rechtspersoon vertegenwoordigt, kan worden vastgesteld;

4.   „stelsel voor elektronische identificatie”: een stelsel voor elektronische identificatie waarbinnen elektronische identificatiemiddelen worden uitgegeven aan natuurlijke personen, rechtspersonen of natuurlijke personen die rechtspersonen vertegenwoordigen;

5.   „authenticatie”: een elektronisch proces dat de bevestiging van de elektronische identificatie van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, of van de oorsprong en integriteit van gegevens in elektronische vorm mogelijk maakt;

6.   „vertrouwende partij”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die vertrouwt op een elektronische identificatie of een vertrouwensdienst;

7.   „openbare instantie”: een staat, regionale of lokale overheden, publiekrechtelijke instellingen en samenwerkingsverbanden bestaand uit één of meer van deze overheidsinstanties of een of meer van deze publiekrechtelijke instellingen, of een private entiteit die door ten minste een van deze autoriteiten, publiekrechtelijke instellingen of verenigingen is gemachtigd tot het verlenen van openbare diensten, wanneer zij in die hoedanigheid optreden;

8.   „publiekrechtelijke instelling”: een instelling volgens de definitie in punt 4 van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (15);

9.   „ondertekenaar”: een natuurlijke persoon die een elektronische handtekening aanmaakt;

10.   „elektronische handtekening”: gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die door de ondertekenaar worden gebruikt om te ondertekenen;

11.   „geavanceerde elektronische handtekening”: een elektronische handtekening die voldoet aan de eisen in artikel 26;

12.   „gekwalificeerde elektronische handtekening”: een geavanceerde elektronische handtekening die is aangemaakt met een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen en die gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen;

13.   „gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen”: unieke gegevens die door de ondertekenaar worden gebruikt om een elektronische handtekening aan te maken;

14.   „certificaat voor elektronische handtekeningen”: een elektronische attestering die valideringsgegevens voor elektronische handtekeningen aan een natuurlijke persoon koppelt en ten minste de naam of het pseudoniem van die persoon bevestigt;

15.   „gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen”: een certificaat voor elektronische handtekeningen, dat is afgegeven door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten en voldoet aan de eisen van bijlage I;

16.   „vertrouwensdienst”: een elektronische dienst die gewoonlijk tegen betaling wordt verricht en het onderstaande inhoudt:

a)

het aanmaken, verifiëren en valideren van elektronische handtekeningen, elektronische zegels of elektronische tijdstempels, diensten voor elektronisch aangetekende bezorging en op deze diensten betrekking hebbende certificaten of

b)

het aanmaken, verifiëren en valideren van certificaten voor authenticatie van websites, of

c)

het bewaren van elektronische handtekeningen, zegels of certificaten die op deze diensten betrekking hebben;

17.   „gekwalificeerde vertrouwensdienst”: een vertrouwensdienst die voldoet aan de toepasselijke eisen zoals vastgelegd in deze verordening;

18.   „conformiteitsbeoordelingsinstantie”: een instantie omschreven in artikel 2, punt 13, van Verordening (EG) nr. 765/2008, die in overeenstemming met die verordening geaccrediteerd is om een conformiteitsbeoordeling te verrichten van een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten en van de door hem verleende vertrouwensdiensten;

19.   „verlener van vertrouwensdiensten”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of meer vertrouwensdiensten verleent als een gekwalificeerde of als een niet-gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten;

20.   „gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten”: een verlener van vertrouwensdiensten die één of meerdere gekwalificeerde vertrouwensdiensten verleent en van het toezichthoudende orgaan de status van gekwalificeerde heeft gekregen;

21.   „product”: software of hardware, of relevante componenten van hardware of software, die bedoeld zijn om te worden gebruikt voor de verlening van vertrouwensdiensten;

22.   „middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen”: geconfigureerde software of hardware die wordt gebruikt om een elektronische handtekening aan te maken;

23.   „gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen”: een middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen dat voldoet aan de eisen van bijlage II;

24.   „aanmaker van een zegel”: een rechtspersoon die een elektronisch zegel aanmaakt;

25.   „elektronisch zegel”: gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die worden gebruikt om de oorsprong en integriteit daarvan te waarborgen;

26.   „geavanceerd elektronisch zegel”: een elektronisch zegel dat voldoet aan de eisen in artikel 36;

27.   „gekwalificeerd elektronisch zegel”: een geavanceerd elektronisch zegel dat aangemaakt is door een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische zegels en dat gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische zegels;

28.   „gegevens voor het aanmaken van elektronische zegels”: unieke gegevens die door de aanmaker van het elektronische zegel worden gebruikt om een elektronisch zegel aan te maken;

29.   „certificaat voor elektronische zegels”: een elektronische attestering die valideringsgegevens van elektronische zegels aan een rechtspersoon verbindt en de naam van die rechtspersoon bevestigt;

30.   „gekwalificeerd certificaat voor elektronische zegels”: een certificaat voor een elektronische zegel dat is afgegeven door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten en voldoet aan de eisen van bijlage III;

31.   „middel voor het aanmaken van elektronische zegels”: geconfigureerde software of hardware die wordt gebruikt om een elektronisch zegel aan te maken;

32.   „gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische zegels”: een middel voor het aanmaken van elektronische zegels dat mutatis mutandis voldoet aan de eisen van bijlage II;

33.   „elektronische tijdstempel”: gegevens in elektronische vorm die andere gegevens in elektronische vorm verbinden aan een bepaald tijdstip en die bewijzen dat die laatstgenoemde gegevens op dat tijdstip bestonden;

34.   „gekwalificeerde elektronische tijdstempel”: een elektronische tijdstempel die voldoet aan de in artikel 42 vastgelegde eisen;

35.   „elektronisch document”: elke inhoud die is opgeslagen in elektronische vorm, in het bijzonder tekst of geluid, beeld of audiovisuele opname;

36.   „dienst voor elektronisch aangetekende bezorging”: een dienst die het mogelijk maakt gegevens via elektronische middelen tussen derden te verzenden en die bewijs verschaft ten aanzien van het hanteren van de verzonden gegevens, met inbegrip van bewijs van het verzenden en ontvangen van de gegevens, en die de verzonden gegevens beschermt tegen het risico van verlies, diefstal, beschadiging of onbevoegde wijzigingen;

37.   „gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging”: een dienst voor elektronisch aangetekende bezorging die voldoet aan de in artikel 44 vastgestelde eisen;

38.   „certificaat voor websiteauthenticatie”: attestering die het mogelijk maakt de authenticiteit van een website vast te stellen en die de website verbindt aan de natuurlijke of rechtspersoon aan wie het certificaat is afgegeven;

39.   „gekwalificeerd certificaat voor websiteauthenticatie”: certificaat voor websiteauthenticatie dat is afgegeven door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten en voldoet aan de eisen van bijlage IV;

40.   „valideringsgegevens”: gegevens die worden gebruikt om een elektronische handtekening of elektronisch zegel te valideren;

41.   „validering”: proces waarmee wordt nagegaan of en bevestigd dat een elektronische handtekening of een elektronisch zegel geldig is.

Artikel 4

Internemarktbeginsel

1.   Aan de verlening van vertrouwensdiensten op het grondgebied van een lidstaat door een verlener van vertrouwensdiensten die in een andere lidstaat gevestigd is mogen geen beperkingen worden opgelegd om redenen die behoren tot de gebieden waarop deze verordening betrekking heeft.

2.   Producten en vertrouwensdiensten die aan deze verordening voldoen, kunnen in de interne markt in het vrije verkeer worden gebracht.

Artikel 5

Gegevensverwerking en -bescherming

1.   De verwerking van persoonsgegevens geschiedt in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG.

2.   Onverminderd het rechtsgevolg dat dat aan het gebruik van pseudoniemen op grond van het nationaal recht wordt toegekend, wordt het gebruik ervan in elektronische transacties niet verboden.

HOOFDSTUK II

ELEKTRONISCHE IDENTIFICATIE

Artikel 6

Wederzijdse erkenning

1.   Wanneer een elektronische identificatie met gebruikmaking van een elektronisch identificatiemiddel en authenticatie vereist is op grond van nationaal recht of door gangbare bestuursrechtelijke praktijk om toegang te krijgen tot een onlinedienst aangeboden door een openbare instantie in een lidstaat, moet het elektronisch identificatiemiddel dat uitgegeven is in een andere lidstaat worden erkend in de eerste lidstaat ten behoeve van de grensoverschrijdende onlineauthenticatie van die dienst, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

het elektronisch identificatiemiddel is uitgegeven op grond van een stelsel voor elektronische identificatie dat is opgenomen in de lijst die de Commissie uit hoofde van artikel 9 heeft bekendgemaakt;

b)

het betrouwbaarheidsniveau van het elektronisch identificatiemiddel is gelijk aan of hoger dan het betrouwbaarheidsniveau dat de bevoegde openbare instantie als voorwaarde stelt voor onlinetoegang tot die dienst in de eerste lidstaat, mits het betrouwbaarheidsniveau van dat elektronisch identificatiemiddel in overeenstemming is met het betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog;

c)

de openbare instantie in kwestie gebruikt het betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog voor de toegang tot die onlinedienst.

Die erkenning vindt plaats uiterlijk twaalf maanden nadat de Commissie de lijst als bedoeld in de eerste alinea, onder a), heeft bekendgemaakt.

2.   Een elektronisch identificatiemiddel dat is uitgegeven op grond van een stelsel voor elektronische identificatie opgenomen in de lijst die op grond van artikel 9 door de Commissie is gepubliceerd en het betrouwbaarheidsniveau laag heeft, kan door openbare instanties worden erkend ten behoeve van de grensoverschrijdende authenticatie voor de onlinediensten die door die instanties worden geleverd.

Artikel 7

Voorwaarden voor het in aanmerking komen voor de aanmelding van stelsels voor elektronische identificatie

Een stelsel voor elektronische identificatie komt in aanmerking voor aanmelding overeenkomstig artikel 9, lid 1, indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

het elektronische identificatiemiddel dat onder het stelsel voor elektronische identificatie valt wordt uitgegeven:

i)

door de aanmeldende lidstaat;

ii)

op grond van een mandaat van de aanmeldende lidstaat; of

iii)

onafhankelijk van de aanmeldende lidstaat, en wordt door die lidstaat erkend;

b)

de elektronische identificatiemiddelen uit hoofde van het stelsel voor elektronische identificatie kunnen worden gebruikt om toegang te verkrijgen tot ten minste één door een openbare instantie geleverde dienst waarvoor elektronische identificatie vereist is in de aanmeldende lidstaat;

c)

het stelsel voor elektronische identificatie en de uit hoofde ervan uitgegeven elektronische identificatiemiddelen voldoen aan de eisen van op zijn minst één van de betrouwbaarheidsniveaus, opgenomen in de in artikel 8, lid 3, vermelde uitvoeringshandeling;

d)

de aanmeldende lidstaat waarborgt dat de persoonsidentificatiegegevens die de persoon in kwestie op unieke wijze kenmerken op het moment van uitgifte van het elektronische identificatiemiddel op grond van dat stelsel, conform de technische specificaties, normen en procedures voor het respectieve betrouwbaarheidsniveau zoals neergelegd in de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 8, lid 3, worden gekoppeld aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 3, punt 1;

e)

de partij die het elektronische identificatiemiddel uitgeeft op grond van dat stelsel, zorgt ervoor dat het elektronische identificatiemiddel wordt gekoppeld aan de persoon bedoeld in punt d) van dat artikel, in overeenstemming met de technische specificaties, normen en procedures voor het respectieve betrouwbaarheidsniveau zoals neergelegd in de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 8, lid 3;

f)

de aanmeldende lidstaat zorgt voor de beschikbaarheid van onlineauthenticatie, zodat iedere vertrouwende partij die op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigd is, de mogelijkheid heeft de ontvangen persoonsidentificatiegegevens in elektronische vorm te bevestigen.

Voor andere vertrouwende partijen dan openbare instanties mag de aanmeldende lidstaat voorwaarden stellen voor toegang tot die authenticatie. Grensoverschrijdende authenticatie is kosteloos wanneer zij wordt uitgevoerd voor een door een openbare instantie verleende onlinedienst.

De lidstaten leggen geen specifieke onevenredige technische eisen op aan vertrouwende partijen die voornemens zijn een dergelijke authenticatie uit te voeren indien dergelijke eisen de interoperabiliteit van de aangemelde stelsels voor elektronische identificatie tegenhouden of in aanzienlijke mate belemmeren;

g)

ten minste zes maanden voor de aanmelding bedoeld in artikel 9, lid 1, verstrekt de aanmeldende lidstaat met het oog op de verplichting van artikel 12, lid 5, de andere lidstaten een beschrijving van dat stelsel, in overeenstemming met de procedurele voorschriften die zijn vastgesteld bij de in artikel 12, lid 7, bedoelde uitvoeringshandelingen;

h)

het stelsel voor elektronische identificatie voldoet aan de eisen van de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 12, lid 8.

Artikel 8

Betrouwbaarheidsniveaus van stelsels voor elektronische identificatie

1.   Een stelsel voor elektronische identificatie dat is aangemeld krachtens artikel 9, lid 1, omschrijft betrouwbaarheidsniveaus laag, substantieel en/of hoog voor op grond van dat stelsel uitgegeven elektronische identificatiemiddelen.

2.   De betrouwbaarheidsniveaus laag, substantieel en hoog voldoen respectievelijk aan de volgende criteria:

a)

het betrouwbaarheidsniveau laag betreft een elektronisch identificatiemiddel in het kader van een stelsel voor elektronische identificatie, dat een beperkte mate van vertrouwen in iemands opgegeven of beweerde identiteit biedt, en wordt toegekend onder verwijzing naar technische specificaties, normen en procedures die daarmee verband houden, onder meer technische controles die tot doel hebben het risico van misbruik of wijziging van identiteit te verkleinen;

b)

het betrouwbaarheidsniveau substantieel betreft een elektronisch identificatiemiddel in het kader van een stelsel voor elektronische identificatie, dat een substantiële mate van vertrouwen in iemands opgegeven of beweerde identiteit biedt, en wordt toegekend onder verwijzing naar technische specificaties, normen en procedures die daarmee verband houden, onder meer technische controles die tot doel hebben het risico van misbruik of wijziging van identiteit te verkleinen;

c)

het betrouwbaarheidsniveau hoog betreft een elektronisch identificatiemiddel in het kader van een stelsel voor elektronische identificatie, dat een hogere mate van vertrouwen in iemands opgegeven of beweerde identiteit biedt dan een elektronisch identificatiemiddel met betrouwbaarheidsniveau substantieel, en wordt toegekend onder verwijzing naar technische specificaties, normen en procedures die daarmee verband houden, onder meer technische controles die tot doel hebben het risico van misbruik of wijziging van identiteit te voorkomen.

3.   Uiterlijk op 18 september 2015, rekening houdend met de geldende internationale normen en behoudens lid 2, stelt de Commissie bij uitvoeringshandeling minimale technische specificaties, normen en procedures vast aan de hand waarvan de betrouwbaarheidsniveaus laag, substantieel en hoog worden bepaald voor de elektronische identificatiemiddelen als bedoeld in lid 1.

Deze minimale technische specificaties, normen en procedures worden vastgesteld onder verwijzing naar de betrouwbaarheid en kwaliteit van de volgende elementen:

a)

de procedure om de identiteit van de natuurlijke of rechtspersoon die om uitgifte van het elektronisch identificatiemiddel verzoekt, te bewijzen en te verifiëren;

b)

de procedure voor de uitgifte van het aangevraagde elektronische identificatiemiddel;

c)

het authenticatiemechanisme, door middel waarvan de natuurlijke of rechtspersoon het elektronische identificatiemiddel gebruikt om zijn identiteit te bevestigen tegenover een vertrouwende partij;

d)

de entiteit die het elektronische identificatiemiddel uitgeeft;

e)

ieder ander orgaan dat betrokken is bij de uitgifte van het elektronische identificatiemiddel en

f)

de technische en veiligheidsspecificaties van het uitgegeven elektronische identificatiemiddel.

Die uitvoeringsbesluiten worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 9

Aanmelding

1.   De aanmeldende lidstaat geeft de Commissie onverwijld kennis van de volgende informatie en van eventuele latere wijzigingen daarvan:

a)

een beschrijving van het stelsel voor elektronische identificatie, met inbegrip van de betrouwbaarheidsniveaus daarvan en de uitgever of de uitgevers van elektronische identificatiemiddelen in het kader van het stelsel;

b)

de toepasselijke toezichtregeling en informatie over de aansprakelijkheidsregeling met betrekking tot onderstaande:

i)

de partij die het elektronische identificatiemiddel uitgeeft, en

ii)

de partij die de authenticatieprocedure uitvoert;

c)

de autoriteit of autoriteiten die verantwoordelijk is/zijn voor het stelsel voor elektronische identificatie;

d)

informatie over de entiteit of entiteiten die de registratie van de unieke persoonsidentificatiegegevens beheert/beheren;

e)

een beschrijving van de manier waarop aan de vereisten van de in artikel 12, lid 8, bedoelde uitvoeringshandelingen wordt voldaan;

f)

een beschrijving van de authenticatie bedoeld in artikel 7, onder f);

g)

regelingen voor de opschorting of intrekking van het aangemelde stelsel voor elektronische identificatie of de authenticatie of de delen waarvan de integriteit is geschonden.

2.   Eén jaar na de datum van toepassing van de in artikel 8, lid 3, en artikel 12, lid 8, bedoelde uitvoeringshandelingen maakt de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie een lijst bekend van de stelsels voor elektronische identificatie die zijn aangemeld overeenkomstig lid 1 van dit artikel alsmede de basisinformatie in verband hiermee.

3.   Indien de Commissie een aanmelding ontvangt nadat de periode als bedoeld in lid 2 verstreken is, maakt zij binnen twee maanden na de datum van ontvangst van die aanmelding in het Publicatieblad van de Europese Unie de wijzigingen van de in lid 2 bedoelde lijst bekend.

4.   Een lidstaat kan bij de Commissie een verzoek indienen om een door die lidstaat aangemelde stelsel voor elektronische identificatie van de in lid 2 bedoelde lijst te verwijderen. De Commissie zal de desbetreffende wijzigingen binnen een maand na de datum van ontvangst van het verzoek van de lidstaat in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaken.

5.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de omstandigheden, formaten en procedures voor aanmeldingen in het kader van lid 1 definiëren. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 10

Inbreuk op de beveiliging

1.   Wanneer er inbreuk wordt gepleegd op het overeenkomstig artikel 9, lid 1, aangemelde stelsel voor elektronische identificatie of op de in artikel 7, onder f), bedoelde authenticatie of wanneer de integriteit ervan deels wordt geschonden zodat de betrouwbaarheid van de grensoverschrijdende authenticatie van dat stelsel in gevaar komt, moet de aanmeldende lidstaat onverwijld de grensoverschrijdende authenticatie of de delen waarvan de integriteit geschonden is, opschorten of intrekken, en de andere lidstaten en de Commissie hiervan op de hoogte stellen.

2.   Wanneer de in lid 1 bedoelde inbreuk of schending hersteld is, herstelt de aanmeldende lidstaat de grensoverschrijdende authenticatie en stelt hij de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld op de hoogte.

3.   Indien de in lid 1 bedoelde inbreuk of schending niet binnen drie maanden na de opschorting of intrekking is verholpen, stelt de aanmeldende lidstaat de andere lidstaten en de Commissie op de hoogte van de intrekking van het stelsel voor elektronische identificatie.

De Commissie maakt de overeenkomstige wijzigingen aan de in artikel 9, lid 2, bedoelde lijst zonder onnodige vertraging bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 11

Aansprakelijkheid

1.   De aanmeldende lidstaat is aansprakelijk voor aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon met opzet of door nalatigheid toegebrachte schade die is te wijten aan een verzuim zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 7, onder d) en f), in een grensoverschrijdende transactie na te leven.

2.   De partij die de elektronische identificatiemiddelen verstrekt, is aansprakelijk voor aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon met opzet of door nalatigheid toegebrachte schade die te wijten is aan een verzuim de verplichting bedoeld in artikel 7, onder e), in een grensoverschrijdende transactie na te leven.

3.   De partij die de authenticatieprocedure uitvoert, is aansprakelijk voor aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon met opzet of door nalatigheid toegebrachte schade die te wijten is aan een verzuim de verplichting bedoeld in artikel 7, onder f), in een grensoverschrijdende transactie na te leven.

4.   De leden 1, 2 en 3 worden toegepast in overeenstemming met de nationale rechtsregels aangaande aansprakelijkheid.

5.   De leden 1, 2 en 3 doen niet af aan de aansprakelijkheid uit hoofde van nationale wetgeving van partijen bij een transactie waarin elektronische identificatiemiddelen worden gebruikt die onder het krachtens artikel 9, lid 1, aangemelde stelsel voor elektronische identificatie vallen.

Artikel 12

Samenwerking en interoperabiliteit

1.   De krachtens artikel 9, lid 1, aangemelde nationale stelsels voor elektronische identificatie zijn interoperabel.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt een interoperabiliteitskader opgezet.

3.   Het interoperabiliteitskader voldoet aan de volgende criteria:

a)

het is erop gericht technologieneutraal te zijn en discrimineert niet tussen specifieke nationale technische oplossingen voor elektronische identificatie binnen de lidstaat;

b)

het volgt, zo mogelijk, Europese en internationale normen;

c)

het bevordert de toepassing van het beginsel van privacy by design; en

d)

het waarborgt dat persoonsgegevens overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG worden verwerkt.

4.   Het interoperabiliteitskader bestaat uit:

a)

een vermelding van de technische minimumeisen met betrekking tot de betrouwbaarheidsniveaus van artikel 8;

b)

het relateren van nationale betrouwbaarheidsniveaus van aangemelde stelsels voor elektronische identificatie aan de betrouwbaarheidsniveaus volgens artikel 8;

c)

een verwijzing naar technische minimumeisen voor interoperabiliteit;

d)

een verwijzing naar een minimaal pakket persoonsidentificatiegegevens die een natuurlijke of rechtspersoon op unieke wijze vertegenwoordigen, beschikbaar vanaf stelsels voor elektronische identificatie;

e)

procedureregels;

f)

regelingen voor geschillenbeslechting; en

g)

gemeenschappelijke operationele veiligheidsnormen.

5.   De lidstaten werken op onderstaande gebieden samen:

a)

de interoperabiliteit van de uit hoofde van artikel 9, lid 1, aangemelde stelsels voor elektronische identificatie en de stelsels voor elektronische identificatie die de lidstaten voornemens zijn aan te melden; en

b)

de veiligheid van de stelsels voor elektronische identificatie.

6.   De samenwerking tussen de lidstaten bestaat uit:

a)

de uitwisseling van informatie, ervaring en goede werkwijzen wat betreft stelsels voor elektronische identificatie en in het bijzonder wat betreft de technische vereisten inzake het niveau van interoperabiliteit en betrouwbaarheid;

b)

de uitwisseling van informatie, ervaring en goede werkwijzen wat betreft het werken met betrouwbaarheidsniveaus van stelsels voor elektronische identificatie volgens artikel 8;

c)

onderlinge evaluatie van stelsels voor elektronische identificatie die onder deze verordening vallen; en

d)

onderzoek naar ontwikkelingen ter zake in de sector van de elektronische identificatie.

7.   De Commissie stelt uiterlijk op 18 maart 2015, door middel van uitvoeringshandelingen, de nodige procedurele voorschriften vast om de in lid 5 en lid 6 bedoelde samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken teneinde een hoog op het risiconiveau afgestemde niveau van vertrouwen en veiligheid te waarborgen.

8.   De Commissie stelt uiterlijk op 18 september 2015, volgens de criteria in lid 3 en met inachtneming van de resultaten van de samenwerking tussen de lidstaten, uitvoeringshandelingen vast aangaande het lid 4 uitgewerkte interoperabiliteitskader ten behoeve van de vaststelling van eenduidige voorwaarden ter uitvoering van de in lid 1 bedoelde verplichting.

9.   De in de leden 7 en 8 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK III

VERTROUWENSDIENSTEN

AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 13

Aansprakelijkheid en bewijslast

1.   Onverminderd lid 2 zijn verleners van vertrouwensdiensten aansprakelijk voor opzettelijk of uit onachtzaamheid toegebrachte schade aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die is te wijten aan een verzuim de verplichtingen uit hoofde van deze verordening na te leven.

De bewijslast voor het aantonen van opzet of nalatigheid van een niet gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten ligt bij de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die zich op de in de eerste alinea 1 bedoelde schade beroept.

De opzet of nalatigheid van een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten wordt vermoed tenzij die gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten bewijst dat in de eerste alinea bedoelde schade is ontstaan zonder dat er sprake was van opzet of nalatigheid van die gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten.

2.   Indien verleners van vertrouwensdiensten hun klanten van te voren goed informeren over de beperkingen bij het gebruik van de aangeboden diensten en als deze beperkingen voor derden herkenbaar zijn, zijn verleners van vertrouwensdiensten niet aansprakelijk voor schade die ontstaat door gebruikmaking van diensten die de aangegeven beperkingen overschrijden.

3.   De leden 1 en 2 worden toegepast volgens de nationale voorschriften inzake aansprakelijkheid.

Artikel 14

Internationale aspecten

1.   Vertrouwensdiensten verstrekt door in een derde land gevestigde verleners van vertrouwensdiensten worden rechtens erkend als gelijkwaardig aan gekwalificeerde vertrouwensdiensten verstrekt door gekwalificeerde, in de Unie gevestigde verleners van vertrouwensdiensten, indien de vertrouwensdiensten die afkomstig zijn uit het derde land worden erkend op grond van een overeenkomst, gesloten tussen de Unie en het betrokken derde land of een internationale organisatie overeenkomstig artikel 218 VWEU.

2.   In lid 1 bedoelde overeenkomsten regelen in het bijzonder dat:

a)

de voorschriften die gelden voor in de Unie gevestigde gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten en de door hen geleverde gekwalificeerde vertrouwensdiensten worden nageleefd door verleners van vertrouwensdiensten in het derde land of de internationale organisaties waarmee de overeenkomst is gesloten, en door de vertrouwensdiensten die zij verlenen;

b)

de door in de Unie gevestigde, gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten geleverde gekwalificeerde vertrouwensdiensten worden erkend als wettelijk gelijkwaardig aan vertrouwensdiensten van verleners van vertrouwensdiensten in het derde land of de internationale organisatie waarmee de overeenkomst is gesloten.

Artikel 15

Toegankelijkheid voor personen met een handicap

Waar dat haalbaar is, zullen vertrouwensdiensten en eindgebruikersproducten die worden gebruikt bij de verlening van deze diensten toegankelijk worden gemaakt voor personen met een handicap.

Artikel 16

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

AFDELING 2

Toezicht

Artikel 17

Toezichthoudend orgaan

1.   De lidstaten wijzen een toezichthoudend orgaan aan dat gevestigd is op hun grondgebied of, in overeenstemming met een andere lidstaat, een in die andere lidstaat gevestigd toezichthoudend orgaan. Dat orgaanis verantwoordelijk voor toezichthoudende taken in de aanwijzende lidstaat.

Toezichthoudende organen krijgen de noodzakelijke bevoegdheden en toereikende middelen voor de uitvoering van hun opdrachten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de namen en adressen mee van de door hen aangewezen toezichthoudende organen.

3.   De rol van het toezichthoudend orgaan is:

a)

toezicht te houden op gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die gevestigd zijn in de aanwijzende lidstaat om door middel van toezichthoudende activiteiten vooraf en achteraf te waarborgen dat deze gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten en de door hen verleende gekwalificeerde vertrouwensdiensten voldoen aan de eisen in deze verordening;

b)

indien nodig tegen niet-gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die gevestigd zijn in de aanwijzende lidstaat op te treden door middel van toezichthoudende activiteiten achteraf, wanneer het orgaan verneemt dat deze niet-gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten of de door hen verleende vertrouwensdiensten niet zouden voldoen aan de vereisten van deze verordening.

4.   Met het oog op de doeleinden van lid 3 en behoudens de aldaar aangegeven beperkingen bestaan de taken van het toezichthoudend orgaan in het bijzonder in:

a)

samenwerking met andere toezichthoudende organen en bijstandsverlening aan deze organen overeenkomstig artikel 18;

b)

analyse van de conformiteitsbeoordelingsverslagen bedoeld in artikel 20, lid 1, en artikel 21, lid 1;

c)

andere toezichthoudende organen en het publiek overeenkomstig artikel 19, lid 2, op de hoogte brengen van veiligheidsinbreuken of integriteitsverlies;

d)

aan de Commissie verslag uitbrengen over zijn hoofdactiviteiten, overeenkomstig lid 6;

e)

audits uitvoeren of een conformiteitsbeoordelingsinstantie verzoeken een conformiteitsbeoordeling te doen van de gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten overeenkomstig artikel 20, lid 2;

f)

samenwerken met de gegevensbeschermingsinstanties en in het bijzonder deze instanties zonder onnodige vertraging informeren over de resultaten van de audits van gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten indien er aanwijzingen zijn dat er regels inzake bescherming van persoonsgegevens zijn overtreden;

g)

de status van gekwalificeerde toekennen aan verleners van vertrouwensdiensten en aan de door hen verleende diensten, en deze status intrekken, overeenkomstig de artikelen 20 en 21;

h)

het voor de nationale vertrouwenslijst verantwoordelijke orgaan, bedoeld in artikel 22, lid 3, op de hoogte brengen van zijn besluiten om de status van gekwalificeerde toe te kennen of in te trekken, tenzij dit orgaan ook het toezichthoudend orgaan is;

i)

indien de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten zijn activiteiten beëindigt, nagaan of er bepalingen bestaan over beëindigingsplannen en of deze correct worden toegepast, ook inzake de vraag hoe informatie toegankelijk wordt gehouden overeenkomstig artikel 24, lid 2, onder h);

j)

eisen dat verleners van vertrouwensdiensten iedere niet-naleving van de in deze verordening vastgestelde voorschriften rechtzetten.

5.   De lidstaten mogen vereisen dat het toezichthoudende orgaan een vertrouwensinfrastructuur opzet, onderhoudt en geregeld aanpast in overeenstemming met de voorwaarden uit hoofde van het nationale recht.

6.   Elk toezichthoudend orgaan legt de Commissie jaarlijks uiterlijk op 31 maart een verslag voor over zijn hoofdactiviteiten in het voorgaande kalenderjaar, evenals een samenvatting van inbreukmeldingen die van verleners van vertrouwensdiensten ontvangen zijn overeenkomstig artikel 19, lid 2.

7.   De Commissie stelt het in lid 6 bedoelde jaarverslag voor de lidstaten beschikbaar.

8.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de formaten en procedures voor het in lid 6 bedoelde verslag definiëren. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 18

Wederzijdse bijstand

1.   Toezichthoudende organen moeten samenwerken met het oog op de uitwisseling van goede praktijken.

Een toezichthoudend orgaan verleent een ander toezichthoudend orgaan bij ontvangst van diens gemotiveerd verzoek bijstand, zodat de activiteiten van toezichthoudende organen op consistente wijze kunnen worden uitgevoerd. Wederzijdse bijstand kan in het bijzonder betrekking hebben op informatieverzoeken en toezichthoudende maatregelen, zoals verzoeken om inspecties uit te voeren in verband met de conformiteitsbeoordelingsverslagen bedoeld in de artikelen 20 en 21.

2.   Een toezichthoudend orgaan tot welk een verzoek om bijstand wordt gericht, mag dat verzoek om alle onderstaande redenen weigeren:

a)

het toezichthoudend orgaan is niet bevoegd om de gevraagde bijstand te leveren;

b)

de gevraagde bijstand staat niet in verhouding tot de toezichthoudende activiteiten van het toezichthoudend orgaan, uitgevoerd overeenkomstig artikel 17;

c)

het aanbieden van de gevraagde bijstand zou onverenigbaar zijn met deze verordening.

3.   Indien van toepassing kunnen lidstaten hun toezichthoudende organen toestaan gezamenlijke onderzoeken uit te voeren waarbij personeelsleden van toezichthoudende organen van andere lidstaten betrokken zijn. De regelingen en procedures voor dergelijke gezamenlijke acties worden door de betrokken lidstaten overeenkomstig hun wetgeving overeengekomen en vastgelegd.

Artikel 19

Veiligheidseisen die van toepassing zijn op verleners van vertrouwensdiensten

1.   Gekwalificeerde en niet gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten treffen passende technische en organisatorische maatregelen om de risico’s te beheren in verband met de veiligheid van de door hen verleende vertrouwensdiensten. Deze maatregelen waarborgen, rekening houdend met de meest recente technologische ontwikkelingen, een veiligheidsniveau dat in verhouding staat tot de mate van risico. In het bijzonder worden maatregelen getroffen om de gevolgen van veiligheidsincidenten te voorkomen en tot een minimum te beperken alsmede om belanghebbenden op de hoogte te stellen van de negatieve gevolgen van dergelijke incidenten.

2.   Gekwalificeerde en niet gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten stellen, zonder onnodige vertragingen maar in ieder geval binnen 24 uur nadat zij hiervan op de hoogte zijn geraakt, het toezichthoudende orgaan, en, waar passend, andere relevante organen zoals het bevoegde nationale orgaan voor informatieveiligheid of de gegevensbeschermingsautoriteit op de hoogte van iedere veiligheidsinbreuk of ieder integriteitsverlies met aanzienlijke gevolgen voor de verleende vertrouwensdienst of voor de persoonsgegevens die daarmee worden beheerd.

Indien de veiligheidsinbreuk of het integriteitsverlies naar verwachting negatieve gevolgen zal hebben voor een natuurlijke persoon of een rechtspersoon aan wie een vertrouwensdienst is verleend, stelt de verlener van de vertrouwensdienst ook de natuurlijke persoon of de rechtspersoon onmiddellijk in kennis van de veiligheidsinbreuk of het integriteitsverlies.

Indien van toepassing, in het bijzonder indien een veiligheidsinbreuk of integriteitsverlies twee of meer lidstaten treft, stelt het op de hoogte gestelde toezichthoudende orgaan de toezichthoudende organen in andere betrokken lidstaten en Enisa op de hoogte.

Het op de hoogte gestelde toezichthoudende orgaan informeert het publiek, of eist dat de verlener van vertrouwensdiensten dat doet, indien het van oordeel is dat bekendmaking van de veiligheidsinbreuk of het integriteitsverlies in het algemene belang is.

3.   Het toezichthoudende orgaan bezorgt het Enisa eenmaal per jaar een samenvatting van meldingen van inbreuken op beveiliging en integriteitsverlies die zijn ontvangen van verleners van vertrouwensdiensten.

4.   De Commissie kan middels uitvoeringshandelingen:

a)

de in lid 1 bedoelde maatregelen nader specificeren, en

b)

de formaten en procedures, met inbegrip van termijnen, definiëren die van toepassing zijn voor de doeleinden van lid 2.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

AFDELING 3

Vertrouwensdiensten

Artikel 20

Toezicht op gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten

1.   Gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten worden minstens eens in de 24 maanden op hun kosten onderworpen aan een audit door een conformiteitsbeoordelingsorgaan. Het doel van deze audit is te bevestigen dat de gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten en de gekwalificeerde vertrouwensdiensten die door hen worden verleend, voldoen aan de in deze verordening vastgestelde eisen. De gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten dienen het conformiteitsbeoordelingsverslag binnen de termijn van drie werkdagen na ontvangst in bij het toezichthoudend orgaan.

2.   Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan het toezichthoudend orgaan op elk tijdstip een audit houden van, of een conformiteitsbeoordelingsorgaan verzoeken een conformiteitsbeoordeling uit te voeren ten aanzien van de gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten, en wel op kosten van deze verleners van vertrouwensdiensten, om te bevestigen dat zij en de gekwalificeerde vertrouwensdiensten die door hen verleend worden, voldoen aan de in deze verordening vastgestelde vereisten. Indien er sprake blijkt te zijn van een inbreuk op de regels voor de bescherming van persoonsgegevens brengt het toezichthoudend orgaan de instanties voor gegevensbescherming op de hoogte van de resultaten van de audits.

3.   Indien het toezichthoudend orgaan van de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten vereist dat deze het niet naleven van de eisen uit hoofde van deze verordening rechtzet en indien deze verlener niet aan dat verzoek tegemoet komt, en indien van toepassing binnen een door het toezichthoudend orgaan bepaalde tijdspanne, kan het toezichthoudend orgaan, gelet op in het bijzonder de mate, de duur en de gevolgen van die niet-naleving, de status van gekwalificeerde van die verlener of van de door hem verleende betrokken dienst intrekken en het in artikel 22, lid 3, bedoelde orgaan daarvan op de hoogte brengen met als doel de actualisering van de in artikel 22, lid 1, bedoelde vertrouwenslijsten. Het toezichthoudend orgaan stelt de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten in kennis van het feit dat zijn status van gekwalificeerde of de status van gekwalificeerde van de betrokken dienst is ingetrokken.

4.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor onderstaande normen:

a)

accreditering van de conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het conformiteitsbeoordelingsverslag bedoeld in lid 1;

b)

auditregels volgens welke conformiteitsbeoordelingsinstanties hun conformiteitsbeoordeling van de gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten, bedoeld in lid 1, uitvoeren.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 21

Aanvang voor het aanbieden van een gekwalificeerde vertrouwensdienst

1.   Indien verleners van vertrouwensdiensten die niet over de status gekwalificeerd beschikken de intentie hebben gekwalificeerde vertrouwensdiensten te gaan leveren, dienen zij bij het toezichthoudend orgaan een kennisgeving van hun voornemen in, evenals een door een conformiteitsbeoordelingsorgaan afgegeven conformiteitsbeoordelingsverslag.

2.   Het toezichthoudend orgaan verifieert of de verlener van vertrouwensdiensten en de door hem verleende vertrouwensdiensten in overeenstemming met de in deze verordening vastgestelde eisen zijn, en in het bijzonder met de eisen die worden gesteld aan gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten en aan de gekwalificeerde vertrouwensdiensten die zij verlenen.

Indien het toezichthoudend orgaan tot het oordeel komt dat de verlener van vertrouwensdiensten en de door hem verleende vertrouwensdiensten in overeenstemming met de in de eerste alinea bedoelde eisen zijn, kent het toezichthoudend orgaan de status van gekwalificeerde toe aan de verlener van vertrouwensdiensten en aan de door hem verleende vertrouwensdiensten en stelt het het in artikel 22, lid 3, bedoelde orgaan in kennis zodatde in artikel 22, lid 1, bedoelde vertrouwenslijsten bijgewerkt worden, en wel binnen drie maanden na kennisgeving overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

Indien de verificatie niet binnen drie maanden na de kennisgeving is afgerond, brengt het toezichthoudend orgaan de verlener van vertrouwensdiensten op de hoogte van de redenen voor de vertraging en van de termijn waarbinnen de verificatie zal zijn afgerond.

3.   Gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten mogen beginnen met het verlenen van de gekwalificeerde vertrouwensdienst nadat de status van gekwalificeerde is opgenomen in de in artikel 22, lid 1, bedoelde vertrouwenslijsten.

4.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de formaten en procedures omschrijven voor de doeleinden van de leden 1 en 2. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 22

Vertrouwenslijsten

1.   Elke lidstaat stelt vertrouwenslijsten op met onder meer informatie over de gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten waarvoor hij verantwoordelijk is, samen met informatie over de gekwalificeerde vertrouwensdiensten die door hen verleend worden, en hij houdt deze lijsten bij en maakt deze bekend.

2.   De lidstaten dragen zorg voor het op een veilige manier opstellen, bijhouden en publiceren van elektronisch ondertekende of verzegelde vertrouwenslijsten, als bedoeld in lid 1, in een vorm die geschikt is voor automatische verwerking.

3.   De lidstaten verschaffen de Commissie onverwijld informatie over het orgaan dat verantwoordelijk is voor het opstellen, onderhouden en publiceren van nationale vertrouwenslijsten en gegevens over waar deze lijsten gepubliceerd zijn, over het certificaat dat gebruikt wordt om de vertrouwenslijsten te ondertekenen of te verzegelen, en over alle wijzigingen daarin.

4.   De Commissie maakt via een beveiligd kanaal de in lid 3 bedoelde informatie in elektronisch ondertekende of verzegelde en voor automatische verwerking geschikte vorm publiek beschikbaar.

5.   Uiterlijk op 18 september 2015 specificeert de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de in lid 1 bedoelde informatie en omschrijft zij de technische specificaties en formaten van vertrouwenslijsten die gelden voor de toepassing van lid 1 tot en met 4. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 23

Vertrouwensmerk van de EU voor gekwalificeerde vertrouwensdiensten

1.   Nadat de in artikel 21, lid 2, tweede alinea, bedoelde status van gekwalificeerde is aangegeven op de in artikel 22, lid 1, bedoelde vertrouwenslijst, kunnen gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten het vertrouwensmerk van de EU gebruiken om de gekwalificeerde vertrouwensdiensten die zij leveren op een eenvoudige, herkenbare en duidelijke manier aan te geven.

2.   Wanneer gekwalificeerde dienstverleners gebruikmaken van het vertrouwensmerk van de EU voor de in lid 1 bedoelde gekwalificeerde vertrouwensdiensten, zorgen zij ervoor dat op hun website een koppeling naar de desbetreffende vertrouwenslijst beschikbaar is.

3.   De Commissie bepaalt uiterlijk op 1 juli 2015, via uitvoeringshandelingen, de specificaties van het formulier, en in het bijzonder de presentatie, samenstelling, omvang en vormgeving van het vertrouwensmerk van de EU voor gekwalificeerde vertrouwensdiensten. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 24

Eisen aan gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten

1.   Wanneer een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten een gekwalificeerd certificaat voor een vertrouwensdienst afgeeft, moet hij met daartoe geschikte middelen en overeenkomstig de nationale wetgeving de identiteit en in voorkomend geval de specifieke attributen verifiëren van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie het gekwalificeerde certificaat wordt afgegeven.

De in de eerste alinea bedoelde informatie wordt door de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten geverifieerd, hetzij rechtstreeks, hetzij door een beroep te doen op een derde partij, overeenkomstig de nationale wetgeving:

a)

door de fysieke aanwezigheid van de natuurlijke persoon of een gemachtigde afgevaardigde van de rechtspersoon, of

b)

op afstand, door middel van elektronische identificatiemiddelen, waarbij voorafgaand aan de afgifte van het gekwalificeerd certificaat de fysieke aanwezigheid van de natuurlijke persoon of de gemachtigde afgevaardigde van de rechtspersoon werd gewaarborgd, en die voldoen aan de vereisten van artikel 8 wat betreft de betrouwbaarheidsniveaus „substantieel” of „hoog”, of

c)

door middel van een certificaat van een gekwalificeerde elektronische handtekening of van een gekwalificeerd elektronisch zegel afgegeven overeenkomstig punt a) of b), of

d)

door middel van andere op nationaal niveau erkende identificatiemethoden die een mate van betrouwbaarheid verschaffen die gelijkwaardig is als fysieke aanwezigheid. Dat gelijkwaardige betrouwbaarheidsniveau wordt bevestigd door een conformiteitsbeoordelingsinstantie.

2.   Een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die gekwalificeerde vertrouwensdiensten verleent:

a)

stelt het toezichthoudende orgaan in kennis van veranderingen in de verlening van gekwalificeerde vertrouwensdiensten en een intentie om deze activiteiten te staken;

b)

neemt personeelsleden, en, waar van toepassing, onderaannemers in dienst die over de noodzakelijke deskundigheid, betrouwbaarheid, ervaring, en kwalificaties beschikken, en die een passende opleiding hebben genoten met betrekking tot regels inzake beveiliging en bescherming van persoonsgegevens, en past administratieve en managementprocedures toe die voldoen aan Europese of internationale normen;

c)

zorgt ervoor dat hij, in verband met het risico op de in artikel 13 bedoelde aansprakelijkheid voor schade, voldoende financiële middelen ter beschikking heeft en/of sluit, overeenkomstig het nationale recht, een toereikende aansprakelijkheidsverzekering af;

d)

verstrekt aan personen die gebruik wensen te maken van een gekwalificeerde vertrouwensdienst duidelijke en volledige informatie over de precieze voorwaarden betreffende het gebruik van die dienst, met inbegrip van eventuele beperkingen op het gebruik ervan, alvorens een contractuele verbintenis aan te gaan;

e)

maakt gebruik van betrouwbare systemen en producten die beschermd zijn tegen wijziging en die de technische veiligheid en betrouwbaarheid waarborgen van de processen die zij ondersteunen;

f)

maakt gebruik van betrouwbare systemen voor de opslag van aan hem verstrekte gegevens in verifieerbare vorm, zodat:

i)

de gegevens uitsluitend publiek beschikbaar zijn indien de persoon op wie de gegevens betrekking hebben, hiervoor toestemming heeft gegeven,

ii)

alleen bevoegde personen de opgeslagen gegevens kunnen invoeren en wijzigen,

iii)

de authenticiteit van de gegevens kan worden gecontroleerd;

g)

neemt passende maatregelen tegen vervalsing en diefstal van gegevens;

h)

legt gedurende een passende periode, ook nadat de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten zijn activiteiten heeft gestaakt, alle relevante informatie vast met betrekking tot de gegevens die de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten heeft afgegeven en ontvangen, en houdt deze informatie toegankelijk, met name om ten behoeve van gerechtelijke procedures bewijzen te kunnen leveren en om de continuïteit van de dienst te waarborgen. Dit vastleggen mag elektronisch plaatsvinden;

i)

heeft een geactualiseerd beëindigingsplan om de continuïteit van de dienst te verzekeren in overeenstemming met de door het toezichthoudende orgaan op grond van artikel 17, lid 4, onder i), geverifieerde bepalingen;

j)

zorgt voor wettelijke verwerking van persoonsgegevens in overeenstemming met Richtlijn 95/46/EG;

k)

legt, indien het gaat om gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die gekwalificeerde certificaten afgeven, een certificatendatabank aan en houdt deze actueel.

3.   Indien een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die gekwalificeerde certificaten afgeeft, beslist een certificaat in te trekken, dan registreert hij deze intrekking in zijn certificatendatabank en maakt hij de ingetrokken status van het certificaat tijdig, en in elk geval binnen 24 uur na ontvangst van het verzoek, bekend. De intrekking wordt onmiddellijk na de bekendmaking ervan van kracht.

4.   Wat lid 3 betreft, verstrekken gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die gekwalificeerde certificaten afgeven, aan elke vertrouwende partij informatie over de geldigheid of ingetrokken status van door hen afgegeven gekwalificeerde certificaten. Deze informatie is op elk moment, en ook na de geldigheidsduur van het certificaat, in ieder geval per certificaat beschikbaar in een geautomatiseerde vorm die betrouwbaar, kosteloos en efficiënt is.

5.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake betrouwbare systemen en producten, die voldoen aan de vereisten uit hoofde van lid 2, onder e) en f). Indien betrouwbare systemen en producten aan dergelijke normen voldoen, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in dit artikel bepaalde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

AFDELING 4

Elektronische handtekeningen

Artikel 25

Rechtsgevolgen van elektronische handtekeningen

1.   Het rechtsgevolg van een elektronische handtekening en de toelaatbaarheid ervan als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures mogen niet worden ontkend louter op grond van het feit dat de handtekening elektronisch is of niet aan de eisen voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen voldoet.

2.   Een gekwalificeerde elektronische handtekening heeft hetzelfde rechtsgevolg als een handgeschreven handtekening.

3.   Een gekwalificeerde elektronische handtekening die op een in een lidstaat afgegeven gekwalificeerd certificaat is gebaseerd, wordt in alle andere lidstaten als een gekwalificeerde elektronische handtekening erkend.

Artikel 26

Eisen voor geavanceerde elektronische handtekeningen

Een geavanceerde elektronische handtekening voldoet aan de volgende eisen:

a)

zij is op unieke wijze aan de ondertekenaar verbonden;

b)

zij maakt het mogelijk de ondertekenaar te identificeren;

c)

zij komt tot stand met gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen die de ondertekenaar, met een hoog vertrouwensniveau, onder zijn uitsluitende controle kan gebruiken, en

d)

zij is op zodanige wijze aan de daarmee ondertekende gegevens verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord.

Artikel 27

Elektronische handtekeningen in openbare diensten

1.   Indien een lidstaat een geavanceerde elektronische handtekening vereist voor het gebruik van een door of namens een openbare instantie aangeboden onlinedienst, erkent die lidstaat geavanceerde elektronische handtekeningen, geavanceerde elektronische handtekeningen gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen, en gekwalificeerde elektronische handtekeningen, op zijn minst in de formaten of gebruikmakend van methoden die zijn gedefinieerd in de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandelingen.

2.   Indien een lidstaat een op een gekwalificeerd certificaat gebaseerde geavanceerde elektronische handtekening vereist voor het gebruik van een door of namens een openbare instantie aangeboden onlinedienst, erkent die lidstaat geavanceerde elektronische handtekeningen gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat en gekwalificeerde elektronische handtekeningen, op zijn minst in de formaten of gebruikmakend van de methoden die zijn gedefinieerd in de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandelingen.

3.   De lidstaten vereisen voor grensoverschrijdend gebruik bij een door een openbare instantie aangeboden onlinedienst geen elektronische handtekening van een hoger betrouwbaarheidsniveau dan een gekwalificeerde elektronische handtekening.

4.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake geavanceerde elektronische handtekeningen. Indien een geavanceerde elektronische handtekening aan die normen voldoet, wordt zij geacht in overeenstemming te zijn met de in de leden 1 en 2 van dit artikel en in artikel 26, bedoelde vereisten voor geavanceerde elektronische handtekeningen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Uiterlijk op 18 september 2015, rekening houdend met bestaande praktijken, normen en rechtshandelingen van de Unie, definieert de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen referentieformaten van geavanceerde elektronische handtekeningen of referentiemethoden wanneer alternatieve formaten worden gebruikt. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 28

Gekwalificeerde certificaten voor elektronische handtekeningen

1.   Gekwalificeerde certificaten voor elektronische handtekeningen voldoen aan de in bijlage I vastgestelde eisen.

2.   Voor gekwalificeerde certificaten voor elektronische handtekeningen gelden geen dwingende eisen die strenger zijn dan de in bijlage I vastgestelde eisen.

3.   Gekwalificeerde certificaten voor elektronische handtekeningen kunnen facultatieve aanvullende specifieke attributen hebben. Die attributen hebben geen invloed op de interoperabiliteit en de erkenning van gekwalificeerde elektronische handtekeningen.

4.   Indien een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen na initiële activering wordt ingetrokken, verliest het zijn geldigheid vanaf het moment van de intrekking en kan de status ervan in geen geval worden hersteld.

5.   Behoudens de hierna volgende voorwaarden kunnen lidstaten nationale regels vaststellen inzake de tijdelijke schorsing van een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen:

a)

indien een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen tijdelijk is geschorst, verliest dit certificaat gedurende de periode van de schorsing zijn geldigheid;

b)

de periode van schorsing wordt duidelijk aangegeven in de certificatendatabank en de schorsingsstatus is, gedurende de schorsingsperiode, zichtbaar vanuit de dienst die informatie over de status van het certificaat geeft.

6.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake gekwalificeerde certificaten voor elektronische handtekeningen. Indien een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen aan dergelijke normen voldoet, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in bijlage I vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 29

Eisen voor gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen

1.   Gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen dienen te voldoen aan de in bijlage II vastgestelde eisen.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen. Indien een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen aan dergelijke normen voldoet, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in bijlage II vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 30

Certificering van gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen

1.   De overeenstemming van gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen met de in bijlage II vastgestelde eisen wordt gecertificeerd door geschikte, daartoe door de lidstaten aangewezen openbare of private organen.

2.   De lidstaten verstrekken aan de Commissie de namen en adressen van de in lid 1 bedoelde openbare of private organen. De Commissie stelt deze informatie beschikbaar aan de lidstaten.

3.   De in lid 1 bedoelde certificering is gebaseerd op een van de volgende elementen:

a)

een veiligheidsbeoordeling uitgevoerd in overeenstemming met een van de normen inzake de veiligheidsbeoordeling van producten op het gebied van informatietechnologie die zijn opgenomen in de overeenkomstig de tweede alinea vastgestelde lijst, of

b)

een ander proces dan het in punt a) vermelde, op voorwaarde dat dit proces vergelijkbare beveiligingsniveaus hanteert, en dat het in lid 1 bedoelde openbare of private orgaan de Commissie van het proces in kennis stelt. Dat proces mag alleen worden gebruikt als er geen in punt a) bedoelde normen zijn of wanneer een in punt a) bedoelde veiligheidsbeoordeling gaande is.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst vast voor de veiligheidsbeoordeling van producten op het gebied van onder a) bedoelde informatietechnologie. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 47 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het opstellen van specifieke criteria waaraan de aangewezen organen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel moeten voldoen.

Artikel 31

Publicatie van een lijst van gecertificeerde gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie onverwijld, en uiterlijk één maand na het voltooien van de certificering, informatie over gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen die zijn gecertificeerd door de organen zoals bedoeld in artikel 30, lid 1. Zij bezorgen de Commissie ook onverwijld, en uiterlijk één maand na het annuleren van de certificering, informatie over middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen die niet meer gecertificeerd zijn.

2.   De Commissie stelt op basis van de ontvangen informatie een lijst op van gecertificeerde gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen, publiceert deze lijst en houdt haar bij.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen formaten en procedures omschrijven die gelden voor de toepassing van lid 1. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 32

Eisen voor de validering van gekwalificeerde elektronische handtekeningen

1.   Het valideringsproces voor een gekwalificeerde elektronische handtekening bevestigt de geldigheid van een gekwalificeerde elektronische handtekening, op voorwaarde dat:

a)

het certificaat dat de handtekening ondersteunt op het tijdstip van ondertekening een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen was overeenkomstig bijlage I;

b)

het gekwalificeerd certificaat werd afgegeven door een gekwalificeerd verlener van vertrouwensdiensten en op het tijdstip van ondertekening geldig was;

c)

de gegevens voor het valideren van de handtekening overeenstemmen met de gegevens die aan de vertrouwende partij zijn verstrekt;

d)

de unieke reeks gegevens die in het certificaat verwijst naar de ondertekenaar, correct wordt doorgegeven aan de vertrouwende partij;

e)

de vertrouwende partij duidelijk wordt gewezen op het eventuele gebruik van een pseudoniem op het tijdstip van ondertekening;

f)

de elektronische handtekening werd aangemaakt met behulp van een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen;

g)

de integriteit van de ondertekende gegevens niet is aangetast;

h)

op het tijdstip van ondertekening voldaan was aan de in artikel 26, bedoelde eisen.

2.   Het systeem dat is gebruikt voor het valideren van de gekwalificeerde elektronische handtekening verstrekt het juiste resultaat van het valideringsproces aan de vertrouwende partij en stelt deze in de gelegenheid om veiligheidsproblemen te identificeren.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake de validering van gekwalificeerde elektronische handtekeningen. Indien de validering van gekwalificeerde elektronische handtekeningen aan dergelijke normen voldoet, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in lid 1 vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 33

Gekwalificeerde valideringsdienst voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen

1.   Een gekwalificeerde valideringsdienst voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen kan uitsluitend worden verleend door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die:

a)

validering verstrekt overeenkomstig artikel 32, lid 1, en

b)

de vertrouwende partijen in staat stelt om het resultaat van het valideringsproces op een geautomatiseerde, betrouwbare en efficiënte manier, voorzien van de geavanceerde elektronische handtekening of het geavanceerde elektronische zegel van de verlener van de gekwalificeerde valideringsdienst, te ontvangen.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake de in lid 1 bedoelde gekwalificeerde valideringsdienst. Indien de dienst voor de validering van gekwalificeerde elektronische handtekeningen aan dergelijke normen voldoet, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in lid 1 vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 34

Gekwalificeerde bewaringsdienst voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen

1.   Een gekwalificeerde bewaringsdienst voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen kan uitsluitend worden verleend door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die procedures en technologieën hanteert welke het mogelijk maken de betrouwbaarheid van de gekwalificeerde elektronische handtekeningen te verlengen tot na de technologische geldigheidsduur.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake de gekwalificeerde bewaringsdienst voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen. Indien de voorzieningen voor de gekwalificeerde bewaringsdienst voor gekwalificeerde elektronische handtekeningen aan dergelijke normen voldoen, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in lid 1 vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

AFDELING 5

Elektronische zegels

Artikel 35

Rechtsgevolgen van elektronische zegels

1.   Het rechtsgevolg van een elektronisch zegel en de toelaatbaarheid ervan als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures mogen niet worden ontkend louter op grond van het feit dat het zegel elektronisch is of niet aan de eisen voor gekwalificeerde elektronische zegels voldoet.

2.   Voor een gekwalificeerd elektronisch zegel geldt het vermoeden van integriteit van de gegevens en van juistheid van de oorsprong van de gegevens waaraan het gekwalificeerd elektronisch zegel is verbonden.

3.   Een gekwalificeerd elektronisch zegel dat op een in een lidstaat afgegeven gekwalificeerd certificaat is gebaseerd, wordt in alle andere lidstaten als een gekwalificeerd elektronisch zegel erkend.

Artikel 36

Eisen voor geavanceerde elektronische zegels

Een geavanceerd elektronisch zegel voldoet aan de volgende eisen:

a)

het is op unieke wijze aan de aanmaker van het zegel verbonden;

b)

het maakt het mogelijk de aanmaker van het zegel te identificeren;

c)

het komt tot stand met gebruikmaking van gegevens voor het aanmaken van elektronische zegels die de aanmaker van het zegel met een hoog vertrouwensniveau onder zijn controle kan gebruiken voor het aanmaken van elektronische zegels;

d)

het is op zodanige wijze aan de gegevens waarop zij betrekking heeft verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord.

Artikel 37

Elektronische zegels in openbare diensten

1.   Indien een lidstaat een geavanceerd elektronisch zegel vereist voor het gebruik van een door of namens een openbare instantie aangeboden onlinedienst, erkent die lidstaat geavanceerde elektronische zegels, geavanceerde elektronische zegels gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische zegels en gekwalificeerde elektronische zegels, op zijn minst in de formaten of gebruikmakend van methoden die zijn gedefinieerd in de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandelingen.

2.   Indien een lidstaat een op een gekwalificeerd certificaat gebaseerd geavanceerd elektronisch zegel vereist voor het gebruik van een door of namens een openbare instantie aangeboden onlinedienst, erkent die lidstaat geavanceerde elektronische zegels gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat en gekwalificeerde elektronische zegels, op zijn minst in de formaten of gebruikmakend van methoden die zijn gedefinieerd in de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandelingen.

3.   De lidstaten vragen voor grensoverschrijdend gebruik bij een door een openbare instantie aangeboden onlinedienst geen elektronisch zegel van een hoger betrouwbaarheidsniveau dan het gekwalificeerde elektronische zegel.

4.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake geavanceerde elektronische zegels. Indien een geavanceerd elektronisch zegel aan die normen voldoet, wordt het geacht in overeenstemming te zijn met de in de leden 1 en 2 van dit artikel, en in artikel 36, bedoelde vereisten voor geavanceerde elektronische zegels. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   Uiterlijk op 18 september 2015, en rekening houdend met bestaande praktijken, normen en rechtshandelingen van de Unie, definieert de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen referentieformaten van geavanceerde elektronische zegels of referentiemethoden indien alternatieve formaten worden gebruikt. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 38

Gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels

1.   Gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels voldoen aan de in bijlage III vastgestelde eisen.

2.   Voor gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels gelden geen dwingende eisen die strenger zijn dan de in bijlage III vastgestelde eisen.

3.   Gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels kunnen facultatieve aanvullende specifieke attributen hebben. Die attributen hebben geen invloed op de interoperabiliteit en de erkenning van gekwalificeerde elektronische zegels.

4.   Indien een gekwalificeerd certificaat voor elektronische zegels na initiële activering wordt ingetrokken, verliest het zijn geldigheid vanaf het moment van de intrekking en kan de status ervan in geen geval worden hersteld.

5.   Behoudens de hierna volgende voorwaarden kunnen lidstaten nationale regels vaststellen inzake de tijdelijke schorsing van gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels:

a)

indien een gekwalificeerd certificaat voor elektronische zegels tijdelijk is geschorst, verliest dit certificaat gedurende de periode van de schorsing zijn geldigheid;

b)

de periode van schorsing wordt duidelijk aangegeven in de certificatendatabank en de schorsingsstatus is, gedurende de schorsingsperiode, zichtbaar vanuit de dienst die informatie geeft over de status van het certificaat.

6.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers opstellen voor normen inzake gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels. Indien een gekwalificeerd certificaat voor elektronisch zegels aan dergelijke normen voldoet, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in bijlage III vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 39

Gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische zegels

1.   Artikel 29 is van overeenkomstige toepassing op eisen voor gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische zegels.

2.   Artikel 30 is van overeenkomstige toepassing op de certificatie van gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische zegels.

3.   Artikel 31 is van overeenkomstige toepassing op de publicatie van een lijst van gecertificeerde gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische zegels.

Artikel 40

Validering en bewaring van gekwalificeerde elektronische zegels

De artikelen 32, 33 en 34 zijn van overeenkomstige toepassing op de validering en bewaring van gekwalificeerde elektronische zegels.

AFDELING 6

Elektronisch tijdstempel

Artikel 41

Rechtsgevolg van elektronische tijdstempels

1.   Het rechtsgevolg van een elektronisch tijdstempel en de toelaatbaarheid ervan als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures mogen niet worden ontkend louter op grond van het feit dat het stempel elektronisch is of niet aan de eisen voor gekwalificeerde elektronische tijdstempels voldoet.

2.   Voor een gekwalificeerd elektronisch tijdstempel geldt het vermoeden van de juistheid van de aangegeven datum en het aangegeven tijdstip, en van de integriteit van de gegevens waaraan de datum en het tijdstip zijn gekoppeld.

3.   Een gekwalificeerd elektronisch tijdstempel, afgegeven in een lidstaat, wordt in alle lidstaten als een gekwalificeerd elektronisch tijdstempel erkend.

Artikel 42

Eisen voor gekwalificeerde elektronische tijdstempels

1.   Een gekwalificeerd elektronisch tijdstempel voldoet aan de volgende eisen:

a)

het tijdstempel koppelt de datum en het tijdstip op zodanige wijze aan gegevens dat onmerkbare wijziging van de gegevens redelijkerwijs kan worden uitgesloten;

b)

het stempel is gebaseerd op een nauwkeurige tijdsbron die aan de gecoördineerde universele tijd gekoppeld is; en

c)

het stempel wordt ondertekend met behulp van een geavanceerde elektronische handtekening of verzegeld met een geavanceerd elektronisch zegel van de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten, of met behulp van een andere gelijkwaardige methode.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers opstellen voor normen inzake de koppeling van datum en tijdstip aan gegevens en voor nauwkeurige tijdsbronnen. Indien de koppeling van datum en tijdstip aan gegevens en de nauwkeurige tijdsbron aan dergelijke normen voldoen, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in lid 1 vastgestelde eisen.Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

AFDELING 7

Diensten voor elektronisch aangetekende bezorging

Artikel 43

Rechtsgevolg van een dienst voor elektronisch aangetekende bezorging

1.   Het rechtsgevolg en toelaatbaarheid als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures van gegevens die via een dienst voor elektronisch aangetekende bezorging verstuurd en ontvangen worden, mogen niet worden ontkend louter op grond van het feit dat de dienst elektronisch is of niet aan de eisen voor de gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging voldoet.

2.   Voor gegevens die via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging worden verstuurd en ontvangen, geldt het vermoeden van integriteit van de gegevens, van de verzending van die gegevens door de geïdentificeerde afzender, van de ontvangst daarvan door de geïdentificeerde geadresseerde, en van de nauwkeurigheid van de datum en het tijdstip van verzending en van ontvangst, zoals aangegeven door de gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging.

Artikel 44

Eisen voor gekwalificeerde diensten voor elektronisch aangetekende bezorging

1.   Gekwalificeerde diensten voor elektronisch aangetekende bezorging voldoen aan de volgende eisen:

a)

zij worden verleend door een of meer gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten;

b)

zij bevestigen op een hoog vertrouwensniveau de identiteit van de zender;

c)

zij bevestigen de identiteit van de geadresseerde, alvorens de gegevens te bezorgen;

d)

het verzenden en ontvangen van gegevens wordt beveiligd door een geavanceerde elektronische handtekening of een geavanceerd elektronisch zegel van een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten, en wel op zodanige wijze dat onmerkbare wijziging van gegevens kan worden uitgesloten;

e)

de verzender en de geadresseerde van de gegevens worden op duidelijke wijze in kennis gesteld van eventuele wijzigingen van de gegevens die nodig zijn voor het verzenden of ontvangen van de gegevens;

f)

de datum en het tijdstip van verzenden, ontvangen en wijzigen van gegevens worden aangegeven met een gekwalificeerd elektronisch tijdstempel.

Wanneer gegevens overgedragen worden tussen twee of meer gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten, zijn de eisen onder a) tot en met f) van toepassing op alle gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake processen voor het verzenden en ontvangen van gegevens. Indien het proces voor het verzenden en ontvangen van gegevens aan dergelijke normen voldoet, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in lid 1 vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

AFDELING 8

Authenticatie van websites

Artikel 45

Eisen voor gekwalificeerde certificaten voor websiteauthenticatie

1.   Gekwalificeerde certificaten voor authenticatie van websites voldoen aan de in bijlage IV vastgestelde eisen.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen referentienummers vaststellen voor normen inzake gekwalificeerde certificaten voor de authenticatie van websites. Indien een gekwalificeerd certificaat voor de authenticatie van websites aan dergelijke normen voldoet, wordt aangenomen dat er overeenstemming is met de in bijlage IV vastgestelde eisen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 48, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

ELEKTRONISCHE DOCUMENTEN

Artikel 46

Rechtsgevolgen van elektronische documenten

Het rechtsgevolg van een elektronisch document en de toelaatbaarheid ervan als bewijsmiddel in gerechtelijke procedures mogen niet worden ontkend louter op grond van het feit dat het document elektronisch is.

HOOFDSTUK V

BEVOEGDHEIDSDELEGATIES EN UITVOERINGSBEPALINGEN

Artikel 47

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 30, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde duur met ingang van 17 september 2014.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 30, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 30, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 48

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 49

Evaluatie

De Commissie evalueert de toepassing van deze verordening en brengt daarover uiterlijk op 1 juli 2020 verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad. De Commissie evalueert met name of het gepast is het toepassingsgebied van deze verordening dan wel de specifieke bepalingen ervan, met inbegrip van artikel 6, artikel 7, onder f), en de artikelen 34, 43, 44 en 45 te wijzigen, rekening houdend met de ervaring met de toepassing van deze verordening, alsook met technologische, marktgebonden en juridische ontwikkelingen.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

Daarnaast dient de Commissie elke vier jaar na het in de eerste alinea bedoelde verslag een verslag over de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in bij het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 50

Intrekking

1.   Richtlijn 1999/93/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 juli 2016.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 51

Overgangsmaatregelen

1.   Veilige middelen voor het aanmaken van handtekeningen waarvan de overeenstemming bepaald is overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Richtlijn 1999/93/EG, worden beschouwd als gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen in de zin van de onderhavige verordening.

2.   Gekwalificeerde certificaten voor natuurlijke personen in de zin van Richtlijn 1999/93/EG worden, totdat zij verlopen, beschouwd als gekwalificeerde certificaten voor elektronische handtekeningen in de zin van onderhavige verordening.

3.   Een certificatiedienstverlener die gekwalificeerde certificaten overeenkomstig Richtlijn 1999/93/EG afgeeft, dient zo spoedig mogelijk, maar niet later dan 1 juli 2017, een conformiteitsbeoordelingsverslag in bij het toezichthoudend orgaan. Tot de indiening van dat conformiteitsbeoordelingsverslag en de voltooiing van de beoordeling ervan door het toezichthoudend orgaan wordt die certificatiedienstverlener beschouwd als een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten in de zin van deze verordening.

4.   Indien een certificatiedienstverlener die gekwalificeerde certificaten overeenkomstig Richtlijn 1999/93/EG afgeeft, niet binnen de in lid 3 bedoelde termijn een conformiteitsbeoordelingsverslag indient bij het toezichthoudend orgaan, wordt die certificatiedienstverlener vanaf 2 juli 2017 niet beschouwd als gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten in de zin van deze verordening.

Artikel 52

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing vanaf 1 juli 2016, met uitzondering van onderstaande:

a)

artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 12, lid 2 tot en met 9, artikel 17, lid 8, artikel 19, lid 4, artikel 20, lid 4, artikel 21, lid 4, artikel 22, lid 5, artikel 23, lid 3, artikel 24, lid 5, artikel 27, lid 4 en lid 5, artikel 28, lid 6, artikel 29, lid 2, artikel 30, lid 3 en lid 4, artikel 31, lid 3, artikel 32, lid 3, artikel 33, lid 2, artikel 34, lid 2, artikel 37, lid 4 en lid 5, artikel 38, lid 6, artikel 42, lid 2, artikel 44, lid 2, artikel 45, lid 2, en artikelen 47 en 48 zijn van toepassing met ingang van 17 september 2014;

b)

artikel 7, artikel 8, leden 1 en 2, de artikelen 9, 10, 11 en artikel 12, lid 1, zijn van toepassing vanaf de datum van toepassing van de in artikel 8, lid 3, en artikel 12, lid 8, bedoelde uitvoeringshandelingen;

c)

artikel 6 is van toepassing vanaf drie jaar na de datum van toepassing van de in artikel 8, lid 3, en artikel 12, lid 8, bedoelde uitvoeringshandelingen.

3.   Indien het aangemelde stelsel voor elektronische identificatie voorkomt in de lijst die de Commissie krachtens artikel 9 bekendmaakt, en wel vóór de datum in lid 2, onder c), van dit artikel, wordt het elektronische identificatiemiddel in het kader van dat stelsel krachtens artikel 6 erkend binnen twaalf maanden na de bekendmaking van dat stelsel, maar niet vóór de datum in lid 2, onder c), van dit artikel.

4.   Niettegenstaande lid 2, onder c), van dit artikel kan een lidstaat besluiten dat elektronische identificatiemiddelen in het kader van een stelsel voor elektronische identificatie, krachtens artikel 9, lid 1, door een andere lidstaat aangemeld, in de eerste lidstaat worden erkend met ingang van de datum van toepassing van de in artikel 8, lid 3, en artikel 12, lid 8, bedoelde uitvoeringshandelingen. De betrokken lidstaten stellen de Commissie daarvan in kennis. De Commissie maakt deze informatie openbaar.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2014.

Voor het Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

S. GOZI


(1)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 73.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 3 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 juli 2014.

(3)  Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (PB L 13 van 19.1.2000, blz. 12).

(4)  PB C 50 E van 21.2.2012, blz. 1.

(5)  Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).

(6)  Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

(7)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(8)  Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35).

(9)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

(10)  Beschikking 2009/767/EG van de Commissie van 16 oktober 2009 inzake maatregelen voor een gemakkelijker gebruik van elektronische procedures via het „één-loket” in het kader van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (PB L 274 van 20.10.2009, blz. 36).

(11)  Besluit 2011/130/EU van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de grensoverschrijdende verwerking van documenten die door de bevoegde autoriteiten elektronisch zijn ondertekend krachtens Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt (PB L 53 van 26.2.2011, blz. 66).

(12)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(13)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(14)  PB C 28 van 30.1.2013, blz. 6.

(15)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).


BIJLAGE I

EISEN VOOR GEKWALIFICEERDE CERTIFICATEN VOOR ELEKTRONISCHE HANDTEKENINGEN

Gekwalificeerde certificaten voor elektronische handtekeningen bevatten:

a)

een vermelding, ten minste in een vorm die geschikt is voor automatische verwerking, dat het certificaat afgegeven is als een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen;

b)

een reeks gegevens die ondubbelzinnig verwijzen naar de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die de gekwalificeerde certificaten afgeeft, met inbegrip van ten minste de lidstaat waarin de verlener is gevestigd en

voor een rechtspersoon: de naam en, indien van toepassing, het registratienummer zoals vermeld in de officiële registers,

voor een natuurlijke persoon: de naam van de persoon;

c)

op zijn minst de naam van de ondertekenaar of een pseudoniem; als er een pseudoniem wordt gebruikt, wordt dat duidelijk aangegeven;

d)

gegevens voor de validering van elektronische handtekeningen, die overeenkomen met de gegevens voor het aanmaken van de elektronische handtekening;

e)

informatie over begin en einde van de geldigheidsduur van het certificaat;

f)

de identiteitscode van het certificaat, die uniek moet zijn voor de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten;

g)

de geavanceerde elektronische handtekening of het geavanceerde elektronische zegel van de afgevende gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten;

h)

de locatie waar het certificaat ter ondersteuning van de geavanceerde elektronische handtekening of het geavanceerde elektronische zegel als bedoeld onder g) gratis beschikbaar is;

i)

de locatie van de diensten waar informatie kan worden opgevraagd over de geldigheidsstatus van het gekwalificeerde certificaat;

j)

indien de gegevens voor het aanmaken van een elektronische handtekening die gekoppeld zijn aan de gegevens voor de validering van de elektronische handtekening zich bevinden in een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen, een passende vermelding hiervan, ten minste in een vorm die geschikt is voor automatische verwerking.


BIJLAGE II

EISEN VOOR GEKWALIFICEERDE MIDDELEN VOOR HET AANMAKEN VAN ELEKTRONISCHE HANDTEKENINGEN

1.

Gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen waarborgen via passende technieken en procedures dat ten minste:

a)

de vertrouwelijkheid van de gegevens die worden gebruikt om elektronische handtekeningen aan te maken redelijkerwijs gewaarborgd is;

b)

de gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen in de praktijk slechts één keer kunnen voorkomen;

c)

de gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen met redelijke zekerheid niet kunnen worden afgeleid en dat de elektronische handtekening op betrouwbare wijze beschermd is tegen vervalsing met de thans beschikbare technologie;

d)

de gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen door de legitieme ondertekenaar op betrouwbare wijze kunnen worden beschermd tegen gebruik door anderen.

2.

Gekwalificeerde middelen voor het aanmaken van elektronische handtekeningen laten de te ondertekenen gegevens ongewijzigd en beletten niet dat die gegevens vóór ondertekening aan de ondertekenaar worden voorgelegd.

3.

Het genereren of beheren van de gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen namens de ondertekenaar kan alleen worden uitgevoerd door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten.

4.

Onverminderd punt 1, onder d), mogen gekwalificeerde verleners van vertrouwensdiensten die namens de ondertekenaar gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen beheren, de gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen alleen dupliceren voor back-updoeleinden, op voorwaarde dat aan de volgende eisen wordt voldaan:

a)

de beveiliging van de gedupliceerde gegevensverzamelingen moet van hetzelfde niveau zijn als de beveiliging van de originele gegevensverzamelingen;

b)

het aantal gedupliceerde gegevensverzamelingen mag niet hoger zijn dan het minimum dat nodig is om de continuïteit van de dienst te waarborgen.


BIJLAGE III

EISEN VOOR GEKWALIFICEERDE CERTIFICATEN VOOR ELEKTRONISCHE ZEGELS

Gekwalificeerde certificaten voor elektronische zegels bevatten:

a)

een vermelding, ten minste in een vorm die geschikt is voor automatische verwerking, dat het certificaat is afgegeven als een gekwalificeerd certificaat voor elektronische zegels;

b)

een reeks gegevens die ondubbelzinnig verwijzen naar de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die de gekwalificeerde certificaten afgeeft, met inbegrip van ten minste de lidstaat waar die dienstverlener is gevestigd en

voor een rechtspersoon: de naam en, indien van toepassing, het registratienummer zoals vermeld in de officiële registers,

voor een natuurlijke persoon: de naam van de persoon;

c)

ten minste de naam van de aanmaker van het zegel en, indien van toepassing, het registratienummer zoals vermeld in de officiële registers;

d)

gegevens voor de validering van elektronische zegels, die overeenkomen met de gegevens voor het aanmaken van elektronische zegels;

e)

informatie over begin en einde van de geldigheidsduur van het certificaat;

f)

de identiteitscode van het certificaat, die uniek moet zijn voor de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten;

g)

de geavanceerde elektronische handtekening of het geavanceerde elektronische zegel van de afgevende gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten;

h)

de locatie waar het certificaat ter ondersteuning van de geavanceerde elektronische handtekening of het geavanceerde elektronische zegel als bedoeld onder g) gratis beschikbaar is;

i)

de locatie van de diensten waar informatie kan worden opgevraagd over de geldigheidsstatus van het gekwalificeerde certificaat;

j)

indien de gegevens voor het aanmaken van elektronische zegels die gekoppeld zijn aan de gegevens voor de validering voor elektronische zegels zich bevinden in een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische zegels, een passende vermelding hiervan, ten minste in een vorm die geschikt is voor automatische verwerking.


BIJLAGE IV

EISEN VOOR GEKWALIFICEERDE CERTIFICATEN VOOR WEBSITE-AUTHENTICATIE

Gekwalificeerde certificaten voor websiteauthenticatie moeten het volgende bevatten:

a)

een vermelding, ten minste in een vorm die geschikt is voor automatische verwerking, dat het certificaat afgegeven is als een gekwalificeerd certificaat voor websiteauthenticatie;

b)

een reeks gegevens die ondubbelzinnig verwijzen naar de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten die de gekwalificeerde certificaten afgeeft, met inbegrip van ten minste de lidstaat waar die dienstverlener is gevestigd en

voor een rechtspersoon: de naam en, indien van toepassing, het registratienummer zoals vermeld in de officiële registers,

voor een natuurlijke persoon: de naam van de persoon;

c)

voor natuurlijke personen: op zijn minst de naam van de persoon aan wie het certificaat is afgegeven, of een pseudoniem. Indien een pseudoniem wordt gebruikt, wordt dat duidelijk aangegeven;

voor rechtspersonen: ten minste de naam van de rechtspersoon aan wie het certificaat is afgegeven en, indien van toepassing, het registratienummer zoals vermeld in de officiële registers;

d)

elementen van het adres, met inbegrip van ten minste de plaats en de staat, van de natuurlijke of rechtspersoon aan wie het certificaat is afgegeven en, indien van toepassing, zoals vermeld in de officiële registers;

e)

de domeinnaam/-namen die wordt/worden geëxploiteerd door de natuurlijke of rechtspersoon aan wie het certificaat is afgegeven;

f)

informatie over begin en einde van de geldigheidsduur van het certificaat;

g)

de identiteitscode van het certificaat, die uniek moet zijn voor de gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten;

h)

de geavanceerde elektronische handtekening of het geavanceerde elektronische zegel van de afgevende gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten;

i)

de locatie waar het certificaat ter ondersteuning van de geavanceerde elektronische handtekening of het geavanceerde elektronische zegel als bedoeld onder h) gratis beschikbaar is;

j)

de locatie van de valideringsstatusdiensten voor certificaten die gebruikt kunnen worden om informatie over de geldigheidsstatus van het gekwalificeerde certificaat te raadplegen.


28.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/115


VERORDENING (EU) Nr. 911/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 juli 2014

over meerjarenfinanciering voor acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad (3) is een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid („het Agentschap”) opgericht teneinde een hoog, uniform en efficiënt niveau van veiligheid op zee en van voorkoming van verontreiniging door schepen te waarborgen.

(2)

Naar aanleiding van ongevallen in de wateren van de Unie, met name die met de olietankers „Erika” en „Prestige”, is het Agentschap bij Verordening (EG) nr. 724/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 belast met taken op het gebied van de voorkoming en bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging.

(3)

Bij Verordening (EU) nr. 100/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 werd het Agentschap belast met taken op het gebied van de bestrijding van door olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee en werden de diensten van het Agentschap uitgebreid tot landen die een verzoek om toetreding tot de Unie hebben ingediend en tot de partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid.

(4)

Bij Verordening (EG) nr. 2038/2006 van het Europees Parlement en de Raad (6) is er een meerjarenfinanciering vastgesteld voor de acties van het Agentschap op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging, welke op 31 december 2013 afliep.

(5)

Gezien het mogelijk verwoestende ecologisch effect en de buitengewoon hoge economische kosten van verontreinigingen, alsook de sociaaleconomische gevolgen van dergelijke incidenten op andere sectoren zoals toerisme en visserij, dient het Agentschap over voldoende middelen te beschikken om de hem toegewezen taken op het gebied van de bestrijding van door olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee uit te voeren. Deze taken zijn belangrijk bij het voorkomen van verdere schade van financiële en niet-financiële aard.

(6)

Om de taken op het gebied van de voorkoming en bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging te kunnen uitvoeren, heeft de raad van bestuur van het Agentschap op 22 oktober 2004 een actieplan inzake de paraatheid voor en bestrijding van olieverontreiniging goedgekeurd, waarin de activiteiten van het Agentschap op het gebied van oliebestrijding zijn vastgelegd; in dit actieplan wordt gestreefd naar het optimaal gebruik van de financiële middelen waarover het Agentschap beschikt. Op 12 juni 2007 heeft de raad van bestuur een actieplan inzake de paraatheid voor en bestrijding van verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen goedgekeurd. Overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1406/2002 worden beide actieplannen elk jaar in het kader van het jaarlijkse werkprogramma van het Agentschap bijgewerkt.

(7)

Er moet rekening worden gehouden met de bestaande overeenkomsten betreffende verontreiniging door ongelukken, die wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied vergemakkelijken, alsook met de toepasselijke internationale verdragen en overeenkomsten voor de bescherming van de Europese zeegebieden tegen verontreinigingsincidenten, die de partijen verplichten alle passende maatregelen te nemen om zich voor te bereiden en te reageren op incidenten met olieverontreiniging.

(8)

De in de actieplannen gespecificeerde verontreinigingsbestrijdingsactiviteiten van het Agentschap hebben betrekking op activiteiten op het gebied van informatie, samenwerking en coördinatie, ook met betrekking tot verontreiniging van de zee door gevaarlijke en schadelijke stoffen. Deze bestrijdingsactiviteiten bestaan vooral uit operationele bijstand aan de getroffen lidstaten of derde landen die met de Unie een regionaal zeegebied delen („getroffen staten”), door het op verzoek ter beschikking stellen van aanvullende verontreinigingsbestrijdingsschepen voor het bestrijden van door schepen veroorzaakte olieverontreiniging, alsook van door olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee. Het Agentschap dient in het bijzonder aandacht te besteden aan die gebieden die als het meest kwetsbaar zijn geïdentificeerd, zonder enig ander gebied dat aandacht verdient te verwaarlozen.

(9)

De werkzaamheden van het Agentschap op het gebied van bestrijding van verontreiniging dienen te voldoen aan de bestaande samenwerkingsregelingen voor wederzijdse bijstand in geval van ongevallen die verontreiniging van de zee tot gevolg hebben. De Unie is toegetreden tot verschillende regionale organisaties en bereidt de toetreding tot andere regionale organisaties voor.

(10)

De acties van het Agentschap dienen te worden afgestemd op de activiteiten in het kader van de bilaterale en de regionale verdragen waar de Unie partij is. Bij een ongeval dat verontreiniging van de zee tot gevolg heeft dient het Agentschap bijstand te verlenen aan de getroffen staten onder leiding waarvan de opruimingsoperaties worden uitgevoerd.

(11)

Het Agentschap dient een actieve rol te spelen bij het in stand houden en het verder ontwikkelen van de Europese satellietdienst voor toezicht op olieverontreiniging (CleanSeaNet) voor het toezicht, de snelle opsporing van verontreiniging en de identificatie van de verantwoordelijke schepen of olie- en gasinstallaties, bijvoorbeeld in geval van olielozingen door schepen en operationele lozingen of olielekkages van booreilanden. Deze dienst zal ervoor zorgen dat er meer gegevens beschikbaar zijn en dat de bestrijding van verontreiniging efficiënter en tijdiger gebeurt.

(12)

De aanvullende middelen die het Agentschap verstrekt aan de getroffen staten dienen beschikbaar te worden gesteld via het Uniemechanisme voor civiele bescherming dat is vastgesteld bij Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (7).

(13)

De informatie met betrekking tot publieke en particuliere mechanismen voor de bestrijding van verontreiniging en aanverwante bestrijdingscapaciteit in de diverse regio’s van de Unie moet door de lidstaten ter beschikking worden gesteld via het Gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem (Common Emergency Communication and Information System — CECIS), dat bij Beschikking 2007/779/EG, Euratom van de Raad (8) is opgericht, zodra deze informatie voor dit doel beschikbaar is.

(14)

Om de operationele bijstand van het Agentschap efficiënter te maken met het oog op de uitbreiding van het mandaat van het Agentschap voor de bestrijding van verontreinigingen zodat deze ook derde landen bestrijkt die met de Unie een regionaal zeegebied delen, moet het Agentschap alles in het werk stellen om deze derde landen aan te sporen om hun informatie samen te voegen en om met elkaar samen te werken bij het onderhouden door het Agentschap van de lijst van reactiemechanismen en aanverwante bestrijdingscapaciteit.

(15)

Om de doeltreffendheid van de verontreinigingsbestrijdingsactiviteiten van het Agentschap te verbeteren zouden de lidstaten het Agentschap in kennis moeten stellen van voor deze activiteiten relevante wetenschappelijke studies die zij hebben uitgevoerd naar het effect van chemische stoffen die als dispergeermiddel worden gebruikt.

(16)

Om nauwgezette uitvoering van de actieplannen van het Agentschap te garanderen, moet worden voorzien in een uitvoerbaar en rendabel systeem waarmee het Agentschap met name het verlenen van operationele bijstand aan de getroffen staten kan financieren.

(17)

Daarom moet er op basis van een meerjarige verbintenis financiële zekerheid worden geboden ten behoeve van de financiering van de taken waarmee het Agentschap is belast op het gebied van de bestrijding van verontreiniging en aanverwante acties. De omvang van die meerjarige verbintenis moet binnen een kader van budgettaire beperkingen een weergave zijn van de uitbreiding van de bevoegdheid van het Agentschap op het gebied van bestrijdingsactiviteiten en ook van de noodzaak dat het Agentschap de hem toegewezen middelen efficiënter moet gebruiken. De bedragen die de Unie jaarlijks bijdraagt, dienen door het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig de begrotingsprocedure te worden vastgelegd. Het is bijzonder belang dat de Commissie halverwege de termijn het vermogen van het Agentschap evalueert om op doeltreffende en kosteneffectieve wijze uitvoering te geven aan zijn verantwoordelijkheden op het gebied van de bestrijding van door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee.

(18)

De bedragen voor de financiering van verontreinigingsbestrijding dienen te worden toegekend voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020, in lijn met het nieuwe meerjarig financieel kader dat is opgenomen in Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (9). Er moeten derhalve financiële middelen worden verstrekt voor dezelfde periode.

(19)

De steun van het Agentschap aan staten die een verzoek om toetreding tot de Unie hebben ingediend en aan de partnerlanden van het Europese nabuurschapsbeleid, dient te worden gefinancierd via bestaande Unieprogramma’s voor die staten en landen en derhalve geen deel uit te maken van de meerjarige financiering van het Agentschap.

(20)

Om de financiële toewijzing te optimaliseren en te kunnen inspelen op veranderingen in de activiteiten ter bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging, moet de specifieke behoefte aan actie permanent worden gevolgd zodat de jaarlijkse financiële verbintenissen kunnen worden aangepast.

(21)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1406/2002 dient het Agentschap in zijn jaarverslag verslag uit te brengen over de financiële uitvoering van de meerjarige financiering van het Agentschap.

(22)

Het is passend om de continuïteit van de financieringssteun zeker te stellen die wordt verstrekt onder de actie aangaande het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van bestrijding van door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte mariene verontreiniging, en om de looptijd van onderhavige verordening in lijn te brengen met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013. De onderhavige verordening dient derhalve met ingang van 1 januari 2014 van toepassing te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.   In deze verordening zijn de nadere regelingen voor de financiële bijdrage van de Unie tot de begroting van het Europees Agentschap voor de maritieme veiligheid vastgesteld, met name voor de uitvoering van de taken waarmee het Agentschap is belast op het gebied van de bestrijding van door schepen alsmede olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Verordening (EG) nr. 1406/2002.

2.   De activiteiten van het Agentschap op het gebied van bestrijding van verontreinigingen ontslaan de kuststaten niet van hun verantwoordelijkheid om passende mechanismen ter bestrijding van verontreiniging voorhanden te hebben.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „olie”: petroleum in enige vorm, met inbegrip van ruwe olie, stookolie, bezinksel, olieafval en geraffineerde producten, zoals bedoeld in het Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging van 1990 van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO);

b)   „gevaarlijke en schadelijke stoffen”: elke stof andere dan olie waarbij, indien deze in zee terechtkomt, het risico bestaat dat deze gevaren voor de menselijke gezondheid oplevert, levende hulpbronnen en zeeorganismen aantast, faciliteiten beschadigt of een belemmering vormt voor andere vormen van legitiem gebruik van de zee, zoals bedoeld in het Protocol inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij verontreiniging door gevaarlijke en schadelijke stoffen van 2000 van de IMO;

c)   „olie- en gasinstallatie”: een stationaire vaste of mobiele voorziening, of een combinatie van voorzieningen die permanent onderling zijn verbonden door bruggen of andere structuren, die voor offshore olie- of gasactiviteiten of in het kader van deze activiteiten worden gebruikt; olie- en gasinstallaties omvatten mobiele offshore boorinstallaties enkel indien deze in offshore wateren verankerd liggen met het oog op boringen, productie of andere activiteiten die verband houden met offshore olie- of gasactiviteiten, evenals infrastructuur en voorzieningen die worden gebruikt om olie en gas aan land of naar onshore terminals te brengen.

Artikel 3

Toepassingsgebied

De financiële bijdrage van de Unie als bedoeld in artikel 1 wordt toegewezen aan het Agentschap voor de financiering van acties op het gebied van de bestrijding van mariene verontreiniging veroorzaakt door schepen en olie- en gasinstallaties als bedoeld in het overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder k), van Verordening (EG) nr. 1406/2002 opgestelde gedetailleerd plan, en in het bijzonder acties met betrekking tot:

a)

operationele bijstand en het verstrekken van aanvullende middelen, zoals oproepbare verontreinigingsbestrijdingsschepen, satellietfoto’s en uitrusting, op verzoek van de getroffen lidstaten, zulks overeenkomstig artikel 2, lid 3, onder d), en artikel 2, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1406/2002, in het geval van onopzettelijke of opzettelijke verontreiniging van de zee veroorzaakt door schepen of olie- en gasinstallaties;

b)

samenwerking, coördinatie en het verstrekken van technische en wetenschappelijke bijstand aan de lidstaten en de Commissie in het kader van de desbetreffende activiteiten van het Uniemechanisme voor civiele bescherming, aan de IMO en aan de relevante regionale organisaties;

c)

informatie, in het bijzonder het verzamelen, analyseren en verspreiden van beproefde methoden, vakkennis, technieken en innovaties voor het bestrijden van door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee.

Artikel 4

Financiering door de Unie

1.   Het Agentschap ontvangt binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader de kredieten die het nodig heeft om zich op doeltreffende en kosteneffectieve wijze te kwijten van zijn taken op het gebied van bestrijding van door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee.

2.   De financiële middelen voor de uitvoering van de in artikel 3 bedoelde taken voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 bedragen 160 500 000 EUR, uitgedrukt in lopende prijzen.

3.   De jaarlijkse kredieten moeten door het Europees Parlement en de Raad binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader worden vastgesteld, waarbij de noodzakelijke financiering van de operationele bijstand aan de lidstaten overeenkomstig artikel 3, onder a), gewaarborgd moet zijn.

Artikel 5

Toezicht op de bestaande capaciteit

1.   Voor het bepalen van de vereisten voor het verstrekken van operationele bijstand door het Agentschap, bijvoorbeeld in de vorm van extra verontreinigingsbestrijdingsschepen naast de capaciteit van de lidstaten, en om de efficiëntie van deze bijstand te verbeteren, houdt het Agentschap een lijst bij van publieke en, indien beschikbaar, particuliere mechanismen voor de bestrijding van verontreiniging en aanverwante bestrijdingscapaciteit die in de diverse regio’s van de Unie beschikbaar zijn.

2.   Het Agentschap houdt deze lijst bij op basis van door de lidstaten verstrekte informatie. Voor het bijhouden van die lijst streeft het Agentschap ernaar informatie te verkrijgen over mechanismen voor de bestrijding van verontreiniging en aanverwante bestrijdingscapaciteit uit derde landen die met de Unie een regionaal zeegebied delen.

3.   De raad van bestuur van het Agentschap houdt rekening met deze lijst en andere informatie met betrekking tot de verontreinigingsbestrijdingsdoelstellingen die genoemd worden in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1406/2002, zoals de informatie in risicobeoordelingen en wetenschappelijke studies naar het effect van chemische stoffen die als dispergeermiddel worden gebruikt, alvorens te beslissen over de verontreinigingsbestrijdingsactiviteiten van het Agentschap in het kader van de jaarlijkse werkprogramma’s van het Agentschap. In dit verband besteedt het Agentschap in het bijzonder aandacht aan de gebieden die als het meest kwetsbaar zijn aangemerkt, zonder enig ander gebied dat aandacht verdient te verwaarlozen.

Artikel 6

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   De Commissie en het Agentschap zien erop toe dat bij de tenuitvoerlegging van uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties de financiële belangen van de Unie worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale handelingen, zulks door de uitvoering van doeltreffende controles en inspecties en, indien er onregelmatigheden worden vastgesteld, de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde bedragen en door het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (10), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (11) en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12).

2.   Voor de uit hoofde van deze verordening gefinancierde maatregelen van de Unie wordt onder onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 verstaan: elke schending van een bepaling van het recht van de Unie of niet-nakoming van een contractuele verplichting als gevolg van een handelen of nalaten van de contractant die een nadelig effect heeft of zou hebben op de algemene begroting van de Unie of op door haar beheerde budgetten door een ongerechtvaardigde uitgave.

3.   De Commissie en het Agentschap zorgen er in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden voor dat bij de financiering van acties van de Unie krachtens deze verordening een optimale kosteneffectiviteit wordt bereikt.

Artikel 7

Evaluatie na halve looptijd

1.   Uiterlijk op 31 december 2017 dient de Commissie, op basis van de door het Agentschap verstrekte informatie, bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de uitvoering van deze verordening. In dat verslag, dat wordt opgesteld onverminderd de rol van de raad van bestuur van het Agentschap, wordt uiteengezet welke resultaten zijn bereikt met de in artikel 4 vermelde bijdrage van de Unie en worden meer bepaald de verbintenissen en uitgaven voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 vermeld.

2.   De Commissie beoordeelt in dit verslag het vermogen van het Agentschap om zijn verantwoordelijkheden op doeltreffende en kosteneffectieve wijze na te komen. Op basis van deze beoordeling en in overweging nemende dat het Agentschap de aan hem toegewezen taken moet uitvoeren, stelt de Commissie, indien nodig, Voor de periode 2018-2020 een passende aanpassing van ten hoogstens 8 % voor van de meerjarige financiële middelen die aan het Agentschap zijn toegewezen voor het uitvoeren van de in artikel 3 genoemde taken. Deze eventuele aanpassing moet binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader blijven en zij laat de jaarlijkse begrotingsprocedures of de komende herziening van het meerjarig financieel kader onverlet.

3.   Dit verslag bevat informatie over de sociaaleconomische, ecologische en financiële gevolgen, voor zover aanwezig, van de paraatheid van het Agentschap met betrekking tot door schepen en olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee.

4.   Op basis van dit verslag kan de Commissie bovendien, indien nodig, relevante wijzigingen op deze verordening voorstellen, met name om rekening te houden met de wetenschappelijke vooruitgang op het vlak van bestrijding van door schepen en door olie- en gasinstallaties veroorzaakte verontreiniging van de zee, waaronder verontreiniging veroorzaakt door olie of gevaarlijke en schadelijke stoffen, alsook met wijzigingen in de instrumenten voor oprichting van regionale organisaties wier activiteiten onder de activiteiten van het Agentschap betreffende verontreinigingsbestrijding vallen en waartoe de Unie is toegetreden.

Artikel 8

Inwerkingtreding en datum van toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

S. GOZI


(1)  PB C 327 van 12.11.2013, blz. 108.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 15 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad van 23 juli 2014.

(3)  Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 724/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 129 van 29.4.2004, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 100/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1406/2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 39 van 9.2.2013, blz. 30).

(6)  Verordening (EG) nr. 2038/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 over meerjarenfinanciering voor de acties van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op het gebied van de bestrijding van door schepen veroorzaakte verontreiniging (PB L 394 van 30.12.2006, blz. 1).

(7)  Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).

(8)  Beschikking 2007/779/EG, Euratom van de Raad van 8 november 2007 tot vaststelling van een communautair mechanisme voor civiele bescherming (PB L 314 van 1.12.2007, blz. 9).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(10)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(11)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(12)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).


28.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/121


VERORDENING (EU) Nr. 912/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 juli 2014

tot vaststelling van een kader voor het regelen van de financiële verantwoordelijkheid in verband met scheidsgerechten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten die zijn ingesteld bij internationale overeenkomsten waarbij de Europese Unie partij is

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn buitenlandse directe investeringen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek komen te vallen. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder e), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is de Unie exclusief bevoegd ten aanzien van de gemeenschappelijke handelspolitiek en kan zij partij zijn bij internationale overeenkomsten die bepalingen over buitenlandse directe investeringen bevatten.

(2)

Overeenkomsten die voorzien in bescherming van investeringen kunnen een mechanisme bevatten voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten, dat een investeerder uit een derde land de mogelijkheid biedt om een vordering in te stellen tegen een staat waar hij een investering heeft gedaan. De beslechting van geschillen tussen investeerders en staten kan leiden tot toewijzing van geldelijke schadevergoeding. Bovendien zullen in dergelijke zaken onvermijdelijk aanzienlijke kosten moeten worden gemaakt in het kader van de arbitrageprocedure en het voeren van verweer in een dergelijke zaak.

(3)

De internationale verantwoordelijkheid voor een behandeling die voorwerp is van geschillenbeslechting volgt de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten. Bijgevolg is de Unie in beginsel verantwoordelijk voor het voeren van verweer tegen vorderingen waarbij een schending wordt gesteld van regels die zijn opgenomen in een overeenkomst ten aanzien waarvan de Unie exclusief bevoegd is, ongeacht of de betrokken behandeling door de Unie zelf of door een lidstaat is toegekend.

(4)

Overeenkomsten van de Unie dienen aan buitenlandse investeerders hetzelfde hoge beschermingsniveau te bieden als op grond van het Unierecht en de gemeenschappelijke algemene beginselen van het recht van de lidstaten aan investeerders van binnen de Unie wordt geboden, doch niet een hoger beschermingsniveau. Overeenkomsten van de Unie dienen te waarborgen dat de wetgevingsbevoegdheden van de Unie en haar recht om regelgeving vast te stellen worden geëerbiedigd en beschermd.

(5)

Wanneer de Unie, als entiteit met rechtspersoonlijkheid, internationaal verantwoordelijk is voor de toegekende behandeling, wordt van haar verwacht dat zij, conform het internationaal recht, een aan de eiser toegewezen schadevergoeding betaalt en de kosten van het geschil voor haar rekening neemt. Toekenning van een schadevergoeding aan de eiser kan echter voortvloeien uit een door de Unie zelf of uit een door een lidstaat toegekende behandeling. Het zou dan ook niet billijk zijn om schadevergoedingen en de kosten van arbitrage uit de begroting van de Unie te betalen wanneer de behandeling door een lidstaat is toegekend, tenzij de behandeling in kwestie wordt voorgeschreven door het recht van de Unie. Het is daarom noodzakelijk dat de financiële verantwoordelijkheid, krachtens het recht van de Unie, wordt verdeeld tussen de Unie zelf en de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling, welke is toegekend op basis van bij deze verordening vastgestelde criteria.

(6)

In zijn resolutie van 6 april 2011 over het toekomstig Europees internationaal investeringsbeleid heeft het Europees Parlement expliciet gevraagd om het mechanisme waarin in deze verordening is voorzien, op te zetten. Bovendien heeft de Raad in zijn conclusies van 25 oktober 2010 over een alomvattend Europees beleid inzake internationale investeringen de Commissie verzocht de kwestie te bestuderen.

(7)

De financiële verantwoordelijkheid moet worden toegewezen aan de entiteit die verantwoordelijk is voor de behandeling die strijdig met de toepasselijke bepalingen van de overeenkomst is bevonden. Derhalve moet de Unie zelf de financiële verantwoordelijkheid dragen wanneer de behandeling in kwestie is toegekend door een instelling, orgaan of agentschap van de Unie. De betrokken lidstaat moet de financiële verantwoordelijkheid dragen wanneer de betrokken behandeling is toegekend door die lidstaat. Wanneer de lidstaat evenwel handelt op een wijze die wordt voorgeschreven door het recht van de Unie, bijvoorbeeld bij het omzetten van een door de Unie vastgestelde richtlijn, moet de Unie zelf de financiële verantwoordelijkheid dragen voor zover de behandeling in kwestie door het recht van de Unie wordt voorgeschreven. Deze verordening moet tevens voorzien in de mogelijkheid dat individuele zaken zowel behandeling die is toegekend door een lidstaat als behandeling die wordt voorgeschreven door het recht van de Unie betreffen en moet alle door de lidstaten en door de Unie genomen maatregelen bestrijken. In dergelijke zaken moeten de lidstaten en de Unie de financiële verantwoordelijkheid dragen voor de specifieke behandeling die hetzij door de Unie hetzij door een van de lidstaten is toegekend.

(8)

De Unie moet altijd als verweerder optreden, wanneer een geschil uitsluitend betrekking heeft op een behandeling die door een instelling, orgaan of agentschap van de Unie is toegekend, zodat de Unie de uit het geschil voortvloeiende potentiële financiële verantwoordelijkheid draagt overeenkomstig bovengenoemde criteria.

(9)

Wanneer een lidstaat de potentieel uit een geschil voortvloeiende financiële verantwoordelijkheid zou dragen, is het billijk en passend dat deze als verweerder optreedt om ten aanzien van de door hem aan de investeerder toegekende behandeling verweer te voeren. De in deze verordening vastgelegde regelingen moeten erin voorzien dat de begroting van de Unie en de niet-financiële middelen van de Unie niet, zelfs niet tijdelijk, worden belast door de kosten van procesvoering of door een arbitraal vonnis waarbij de betrokken lidstaat in het ongelijk wordt gesteld.

(10)

Lidstaten kunnen er desondanks de voorkeur aan geven dat de Unie in dit type geschillen als de verweerder optreedt, bijvoorbeeld om redenen van technische deskundigheid. De lidstaten moeten daarom de mogelijkheid hebben om, onverminderd hun financiële verantwoordelijkheid, ervan af te zien als de verweerder op te treden.

(11)

Teneinde te waarborgen dat de belangen van de Unie goed worden gewaarborgd, is het essentieel dat de Unie in uitzonderlijke omstandigheden zelf als de verweerder optreedt in geschillen die betrekking hebben op een door een lidstaat toegekende behandeling. Deze omstandigheden zijn beperkt tot zaken waarin het geschil ook betrekking heeft op een door de Unie toegekende behandeling, wanneer de door een lidstaat toegekende behandeling kennelijk wordt voorgeschreven door het recht van de Unie en waarin een soortgelijke behandeling wordt aangevochten in een gerelateerde vordering tegen de Unie in de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation — WTO), indien er een panel is samengesteld en de vordering betrekking heeft op hetzelfde specifieke juridische vraagstuk en er moet worden gezorgd voor een consistente argumentatie in de WTO-zaak.

(12)

Wanneer de Unie optreedt als de verweerder in gevallen waarin maatregelen van lidstaten betrokken zijn, moet de Commissie het verweer op zodanige wijze voeren dat de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden beschermd.

(13)

Besluiten over de vraag of de Unie dan wel een lidstaat moet optreden als de verweerder, moeten worden genomen binnen het in deze verordening bepaalde kader. Het is passend dat de Commissie het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk informeert over de manier waarop dit kader wordt toegepast.

(14)

Deze verordening dient te voorzien in enkele praktische regelingen voor het voeren van arbitrageprocedures in geschillen die betrekking hebben op een door een lidstaat toegekende behandeling. Die regelingen moeten erop gericht zijn zo goed mogelijk met het geschil om te gaan en er tevens voor te zorgen dat van de verplichting tot loyale samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) in acht wordt genomen en dat de belangen van de betrokken lidstaat worden verdedigd en beschermd.

(15)

Voor zaken waarin de Unie optreedt als de verweerder, moeten deze regelingen voorzien in zeer nauwe samenwerking, met inbegrip van de onverwijlde kennisgeving van alle beduidende procedurele stappen, de verstrekking van de relevante documenten, frequent overleg en deelname aan de delegatie in de procedure.

(16)

Wanneer een lidstaat optreedt als de verweerder is het passend dat hij, in overeenstemming met de verplichting tot loyale samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 3, VEU, de Commissie op de hoogte houdt van ontwikkelingen in de zaak en in het bijzonder zorgt voor tijdige informatieverstrekking over alle beduidende procedurele stappen, de verstrekking van de relevante documenten, frequent overleg en deelname aan de delegatie in de procedure. Ook moet de Commissie toereikende gelegenheid krijgen om een als gevolg van het geschil gerezen rechtsvraag, of enig ander element dat voor de Unie van belang is, toe te lichten.

(17)

Onverminderd de uitkomst van de arbitrageprocedure moet een lidstaat te allen tijde kunnen aanvaarden dat hij financieel verantwoordelijk is indien een schadevergoeding moet worden betaald. In een dergelijk geval moeten de lidstaat en de Commissie afspraken kunnen maken voor de periodieke betaling van kosten en voor de betaling van een eventuele schadevergoeding. Een dergelijke aanvaarding houdt niet in dat de lidstaat aanvaardt dat de vordering waarover een geschil bestaat, gegrond is. De Commissie moet in een dergelijk geval een besluit kunnen vaststellen waarbij wordt verlangd dat de lidstaat een voorziening treft voor zulke kosten. Indien het gerecht de eiser veroordeelt in de kosten van de Unie, moet de Commissie ervoor zorgen dat alle vooruitbetaalde kosten onverwijld aan de betrokken lidstaat worden terugbetaald.

(18)

In sommige gevallen kan het passend zijn een schikking te treffen om kostbare en onnodige arbitrage te voorkomen. Er moet een procedure worden vastgesteld voor het treffen van zulke schikkingen. Die procedure moet de Commissie, handelend overeenkomstig de onderzoeksprocedure, toestaan om een zaak waarin de financiële verantwoordelijkheid van de Unie betrokken is, te schikken wanneer dit in het belang van de Unie is. Wanneer het geschil ook betrekking heeft op een door een lidstaat toegekende behandeling, is het passend dat de Unie in een geschil alleen zou kunnen schikken indien de schikking geen enkel financieel of begrotingsgevolg zou hebben voor de betrokken lidstaat. In dergelijke zaken is het passend dat de Commissie en de betrokken lidstaat nauw samenwerken en overleg plegen. De lidstaat moet het recht behouden om de zaak te allen tijde te schikken, mits hij de volledige financiële verantwoordelijkheid aanvaardt en mits de schikking verenigbaar is met het recht van de Unie.

(19)

Wanneer de Unie in een arbitraal vonnis in het ongelijk wordt gesteld, moet de bij dit vonnis toegewezen schadevergoeding zonder uitstel worden betaald. De Commissie moet regelingen treffen voor de betaling van dergelijke schadevergoedingen, tenzij een lidstaat de financiële verantwoordelijkheid al heeft aanvaard.

(20)

De Commissie moet nauw overleg plegen met de betrokken lidstaat, om overeenstemming te bereiken over de verdeling van de financiële verantwoordelijkheid. Wanneer de Commissie bepaalt dat een lidstaat verantwoordelijk is, en de lidstaat deze beslissing niet accepteert, moet de Commissie de toegewezen schadevergoeding betalen, maar moet zij tevens een besluit tot de lidstaat richten waarin zij deze verzoekt de begroting van de Unie aan te vullen met de bedragen in kwestie, vermeerderd met de toepasselijke rente. De verschuldigde rente is de rente die is vastgesteld op grond van artikel 78, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2). Artikel 263 VWEU is van toepassing in gevallen waarin een lidstaat van mening is dat het besluit niet voldoet aan de in deze verordening geformuleerde criteria.

(21)

De begroting van de Unie moet dekking bieden voor de uitgaven die voortvloeien uit overeenkomsten met bepalingen over buitenlandse directe investeringen waarbij de Unie partij is, en waarin is voorzien in beslechting van geschillen tussen investeerders en staten. Voor zover lidstaten financieel verantwoordelijk zijn op grond van deze verordening, moet de Unie in de gelegenheid zijn hetzij eerst de bijdragen van de betrokken lidstaat te ontvangen voordat zij de desbetreffende uitgave doet, hetzij eerst de uitgave in kwestie doen en daarna door de betrokken lidstaat worden terugbetaald. Gebruikmaking van beide budgettaire behandelingsmechanismen moet mogelijk zijn, naargelang wat haalbaar is qua timing. Voor beide mechanismen moeten de door de betrokken lidstaat betaalde bijdragen of terugbetalingen worden behandeld als interne bestemmingsontvangsten van de begroting van de Unie. De kredieten naar aanleiding van deze interne bestemmingsontvangsten moeten niet alleen de uitgaven in kwestie dekken, maar tevens kunnen worden toegewezen aan andere onderdelen van de begroting van de Unie waaruit de oorspronkelijke kredieten voor bekostiging van de uitgaven in kwestie volgens het tweede mechanisme afkomstig waren.

(22)

Om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend.

(23)

De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot artikel 9, leden 2 en 3, artikel 13, lid 1, artikel 14, lid 8, artikel 15, lid 3, en artikel 16, lid 3, moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (3).

(24)

Voor de vaststelling van besluiten die ertoe strekken dat de Unie optreedt als de verweerder op grond van artikel 9, lid 2, moet de raadplegingsprocedure worden gebruikt aangezien het noodzakelijk is dat de Unie in die zaken het verweer overneemt, maar de lidstaten moeten daarover nog altijd controle uitoefenen. Voor de vaststelling van besluiten inzake de schikking van geschillen overeenkomstig artikel 15, lid 3, moet de raadplegingsprocedure worden gebruikt, aangezien deze besluiten hoogstens een tijdelijk effect op de begroting van de Unie zullen hebben, omdat de betrokken lidstaat verplicht zal zijn om alle financiële verantwoordelijkheid te aanvaarden die uit het geschil voortvloeit, en vanwege de in de verordening neergelegde gedetailleerde criteria voor de aanvaardbaarheid van zulke schikkingen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Onverminderd de verdeling van de bevoegdheden volgens het VWEU, is deze verordening van toepassing op de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten op grond van een overeenkomst waarbij de Unie partij is of waarbij de Unie en de lidstaten partij zijn, die in gang wordt gezet door een eiser uit een derde land. Met name de vaststelling en toepassing van deze verordening mogen de door de Verdragen afgebakende bevoegdheden niet aantasten, ook niet met betrekking tot de door de lidstaten of de Unie toegekende behandeling die door een eiser wordt aangevochten in de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten in het kader van een overeenkomst.

2.   Ter informatie zal de Commissie een lijst van de overeenkomsten waarop deze verordening van toepassing is, in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaken en bijhouden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „overeenkomst”: een internationale overeenkomst met bepalingen over buitenlandse directe investeringen waarbij de Unie partij is of waarbij de Unie en de lidstaten partij zijn en die voorziet in beslechting van geschillen tussen investeerders en staten;

b)   „kosten voortvloeiend uit de arbitrage”: de vergoedingen voor en kosten van het scheidsgerecht en de arbitrage-instelling, alsmede de kosten van vertegenwoordiging en de vergoedingen die aan de eiser worden toegekend door het scheidsgerecht, zoals vertaalkosten, kosten van juridische en economische analyse en andere relevante kosten met betrekking tot de arbitrageprocedure;

c)   „geschil”: een door een eiser tegen de Unie of een lidstaat ingestelde vordering in het kader van een overeenkomst, waarover een scheidsgerecht uitspraak zal doen;

d)   „beslechting van geschillen tussen investeerders en staten”: een in een overeenkomst opgenomen mechanisme volgens welke een eiser vorderingen tegen de Unie of een lidstaat kan instellen;

e)   „lidstaat”: een of meer lidstaten van de Europese Unie;

f)   „betrokken lidstaat”: de lidstaat die de behandeling heeft toegekend waarvan wordt gesteld dat zij strijdig is met de overeenkomst;

g)   „financiële verantwoordelijkheid”: een verplichting tot betaling van een som geld die door een scheidsgerecht is opgelegd of die als onderdeel van een schikking is overeengekomen, met inbegrip van de kosten in verband met de arbitrage;

h)   „schikking”: een akkoord tussen enerzijds de Unie of een lidstaat, of beide, en anderzijds een eiser, waarbij de eiser ermee instemt zijn vordering niet verder geldend te maken, in ruil voor de betaling van een som geld of een andere maatregel dan de betaling van geld, met inbegrip van situaties waarin de schikking wordt vastgelegd in een vonnis van een scheidsgerecht;

i)   „scheidsgerecht”: een persoon die of een orgaan dat in het kader van een overeenkomst is aangewezen om uitspraak te doen in een geschil tussen een investeerder en staat;

j)   „eiser”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een vordering kan instellen op basis van een procedure voor beslechting van geschillen tussen investeerders en staten op grond van een overeenkomst, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de vorderingen van de eiser in het kader van de overeenkomst rechtmatig zijn overgedragen;

k)   „het recht van de Unie”: het VWEU en het VEU, alsmede alle in artikel 288, tweede, derde en vierde alinea, VWEU bedoelde rechtshandelingen van de Unie, alsmede internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is of waarbij de Unie en de lidstaten partij zijn. Uitsluitend voor de toepassing van deze verordening wordt onder „het recht van de Unie” niet verstaan de bepalingen in de overeenkomst inzake investeringsbescherming;

l)   „voorgeschreven door het recht van de Unie”: de behandeling waarbij de betrokken lidstaat de gestelde schending van de overeenkomst alleen had kunnen vermijden door een verplichting krachtens het recht van de Unie te veronachtzamen, zoals wanneer de lidstaat geen discretie of beoordelingsmarge heeft wat betreft de te bereiken resultaten.

HOOFDSTUK II

VERDELING VAN DE FINANCIËLE VERANTWOORDELIJKHEID

Artikel 3

Verdelingscriteria

1.   De financiële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit een geschil in het kader van een overeenkomst, wordt verdeeld volgens de onderstaande criteria:

a)

de Unie draagt de financiële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit een behandeling welke is toegekend door de instellingen, organen of agentschappen van de Unie;

b)

de betrokken lidstaat draagt de financiële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit een behandeling welke is toegekend door die lidstaat;

c)

bij wijze van uitzondering op punt b) draagt de Unie de financiële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit een behandeling welke door een lidstaat is toegekend, wanneer deze behandeling was voorgeschreven door het recht van de Unie.

Niettegenstaande punt c) van de eerste alinea, is de betrokken lidstaat financieel verantwoordelijk indien hij krachtens het recht van de Unie verplicht is te handelen om de onverenigbaarheid van een eerdere handeling met het recht van de Unie te corrigeren, tenzij deze eerdere handeling werd voorgeschreven door het recht van de Unie.

2.   In de in deze verordening bepaalde gevallen stelt de Commissie een besluit vast waarin zij de financiële verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaat vaststelt, in overeenstemming met de criteria van lid 1. Het Europees Parlement en de Raad worden van een dergelijk besluit in kennis gesteld.

3.   Niettegenstaande lid 1 van dit artikel, draagt de betrokken lidstaat de financiële verantwoordelijkheid indien:

a)

hij de potentiële financiële verantwoordelijkheid in overeenstemming met artikel 12 heeft aanvaard, of

b)

hij een schikking treft overeenkomstig artikel 15.

4.   Niettegenstaande lid 1 van dit artikel, draagt de Unie de financiële verantwoordelijkheid indien zij overeenkomstig artikel 4 als de verweerder optreedt.

HOOFDSTUK III

BESLECHTING VAN GESCHILLEN

AFDELING 1

Voeren van geschillen over een door de Unie toegekende behandeling

Artikel 4

Behandeling toegekend door de Unie

1.   De Unie treedt als de verweerder op wanneer het geschil betrekking heeft op een behandeling die is toegekend door de instellingen, organen of agentschappen van de Unie.

2.   Wanneer de Commissie een verzoek om overleg ontvangt, of een bericht waarin een eiser zijn voornemen uit om in overeenstemming met de een overeenkomst een arbitrageprocedure in te leiden, stelt zij het Europees Parlement en de Raad hier onmiddellijk van in kennis.

AFDELING 2

Voeren van geschillen over een door een lidstaat toegekende behandeling

Artikel 5

Behandeling toegekend door een lidstaat

Deze afdeling is van toepassing op geschillen die betrekking hebben op een behandeling die volledig of gedeeltelijk is toegekend door een lidstaat.

Artikel 6

Samenwerking en overleg tussen de Commissie en de betrokken lidstaat

1.   In overeenstemming met het beginsel van loyale samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 3, VEU doen de Commissie en de betrokken lidstaat al het nodige om de belangen van de Unie en de betrokken lidstaat te verdedigen en te beschermen.

2.   De Commissie en de betrokken lidstaat plegen overleg over hoe met geschillen naar aanleiding van deze verordening moet worden omgegaan, indachtig de in deze verordening en de overeenkomst in kwestie gestelde termijnen, en wisselen waar passend informatie uit over de wijze waarop met de geschillen dient te worden omgegaan.

Artikel 7

Verzoek om overleg

1.   Wanneer de Commissie van een eiser overeenkomstig een overeenkomst een verzoek om overleg ontvangt, stelt zij de betrokken lidstaat hier onmiddellijk van op de hoogte. Wanneer een lidstaat is geïnformeerd over een verzoek om overleg of een dergelijk verzoek heeft ontvangen, stelt hij de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

2.   Vertegenwoordigers van de betrokken lidstaat en van de Commissie maken deel uit van de delegatie van de Unie in het overleg.

3.   De betrokken lidstaat en de Commissie verstrekken elkaar onverwijld alle informatie die relevant is voor de zaak.

4.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van dergelijke verzoeken om overleg.

Artikel 8

Kennisgeving van een voornemen om een arbitrageprocedure in te leiden

1.   Wanneer de Commissie een bericht ontvangt waarin een eiser zijn voornemen uit om, in overeenstemming met een overeenkomst, een arbitrageprocedure in te leiden, stelt zij de betrokken lidstaat hier onmiddellijk van in kennis. Wanneer een eiser te kennen geeft voornemens te zijn een arbitrageprocedure tegen de Unie of tegen een lidstaat in te leiden, stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad hiervan binnen 15 werkdagen na ontvangst van het desbetreffende bericht in kennis, alsmede van de naam van de eiser, de bepalingen van de overeenkomst die zouden zijn overtreden, de betrokken economische sector, de behandeling die in overtreding zou zijn met de overeenkomst en de hoogte van de geëiste schadevergoeding.

2.   Wanneer een lidstaat een bericht ontvangt waarin een eiser zijn voornemen tot inleiding van een arbitrageprocedure uit, stelt hij de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

3.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van dergelijke kennisgevingen van voornemens om een arbitrageprocedure in te leiden.

Artikel 9

Status van verweerder

1.   De betrokken lidstaat treedt op als de verweerder, behalve wanneer er sprake is van een van de volgende situaties:

a)

de Commissie heeft, na overleg uit hoofde van artikel 6, binnen 45 dagen na ontvangst van het bericht of de kennisgeving bedoeld in artikel 8, een besluit vastgesteld uit hoofde van lid 2 of lid 3 van dit artikel, of

b)

de lidstaat heeft, na overleg uit hoofde van artikel 6, de Commissie binnen 45 dagen na ontvangst van het bericht of de kennisgeving bedoeld in artikel 8 schriftelijk bevestigd dat hij niet voornemens is op te treden als verweerder.

Indien zich een van de in de punten a) of b) bedoelde situaties voordoet, treedt de Unie op als de verweerder.

2.   Op basis van een volledige, evenwichtige en feitelijke analyse en een juridische onderbouwing, die aan de lidstaten worden voorgelegd, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen, in overeenstemming met de raadplegingsprocedure bedoeld in artikel 22, lid 2, besluiten dat de Unie dient op te treden als de verweerder, wanneer er sprake is van een van de volgende situaties:

a)

de Unie zal de gehele of gedeeltelijke potentiële financiële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit het geschil dragen overeenkomstig de criteria in artikel 3, of

b)

het geschil heeft ook betrekking op een behandeling die door instellingen, organen of agentschappen van de Unie is toegekend.

3.   Op basis van een volledige, evenwichtige en feitelijke analyse en een juridische onderbouwing, die aan de lidstaten worden voorgelegd, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen, in overeenstemming met de in artikel 22, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure besluiten dat de Unie dient op te treden als de verweerder indien een soortgelijke behandeling wordt aangevochten in een gerelateerde vordering tegen de Unie in de WTO, indien er een panel is samengesteld en de vordering betrekking heeft op hetzelfde specifieke juridische vraagstuk en er moet worden gezorgd voor een consistente argumentatie in de WTO-zaak.

4.   Wanneer de Commissie uit hoofde van dit artikel handelt, zorgt zij ervoor dat bij de verdediging van de Unie de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden beschermd.

5.   De Commissie en de betrokken lidstaat treden onmiddellijk na ontvangst van het bericht of de kennisgeving als bedoeld in artikel 8 in overleg uit hoofde van artikel 6, over hoe overeenkomstig dit artikel om te gaan met het geschil. De Commissie en de betrokken lidstaat waarborgen dat alle termijnen die in de overeenkomst zijn vastgelegd, in acht worden genomen.

6.   Wanneer de Unie optreedt als de verweerder, overeenkomstig de leden 2 en 5, overlegt de Commissie met de betrokken lidstaat over ieder betoog of iedere opmerking, alvorens deze te voltooien en in te dienen. Vertegenwoordigers van de betrokken lidstaat maken, op hun verzoek en op kosten van die lidstaat, deel uit van de delegatie van de Unie op de hoorzitting, en de Commissie houdt terdege rekening met het belang van de lidstaat.

7.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk op de hoogte van elk geschil waarin dit artikel wordt toegepast, en over de wijze van toepassing van dit artikel.

Artikel 10

Het voeren van een arbitrageprocedure door een lidstaat

1.   Indien een lidstaat als de verweerder optreedt, geldt in alle fasen van het geschil, ook eventueel bij nietigverklaring, beroep of herziening, dat die lidstaat overeenkomstig artikel 6:

a)

de Commissie tijdig de relevante documenten verstrekt die betrekking hebben op de procedure;

b)

de Commissie tijdig informeert over alle belangrijke procedurele stappen, en desgevraagd in overleg treedt met de Commissie opdat terdege rekening kan worden gehouden met elke rechtsvraag en elk ander element dat voor de Unie van belang is en dat in het kader van het geschil aan de orde is en dat door de Commissie genoemd wordt in een aan de lidstaat verstrekte niet-bindende schriftelijke analyse, en

c)

toestaat dat vertegenwoordigers van de Commissie, op haar verzoek en op haar kosten, deel uitmaken van de delegatie die de lidstaat vertegenwoordigt.

2.   De Commissie verstrekt de lidstaat alle relevante documenten die betrekking hebben op de procedure, om een zo effectief mogelijke verdediging te waarborgen.

3.   Zodra een arbitraal vonnis is gewezen, stelt de lidstaat de Commissie daarvan op de hoogte. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad op de hoogte.

Artikel 11

Het voeren van een arbitrageprocedure door de Unie

1.   Overeenkomstig artikel 6 zijn de volgende bepalingen van toepassing op alle arbitrageprocedures waarin de Unie als de verweerder optreedt ten aanzien van alle geschillen waarin de potentiële financiële verantwoordelijkheid geheel of gedeeltelijk door een lidstaat zou worden gedragen:

a)

de Commissie neemt alle nodige maatregelen om de belangen van de betrokken lidstaat te verdedigen en te beschermen;

b)

de betrokken lidstaat verleent de Commissie alle benodigde bijstand;

c)

de Commissie verstrekt de betrokken lidstaat de relevante documenten die betrekking hebben op de procedure, houdt de lidstaat op de hoogte van alle belangrijke procedurele stappen en treedt in elk geval wanneer de betrokken lidstaat dit verlangt, met die lidstaat in overleg, om een zo effectief mogelijke verdediging te waarborgen;

d)

de Commissie en de betrokken lidstaat bereiden het verweer voor in nauwe onderlinge samenwerking, en

e)

de delegatie van de Unie bij de procedure omvat de Commissie en vertegenwoordigers van de betrokken lidstaat, tenzij de betrokken lidstaat de Commissie laat weten dat hij niet het voornemen heeft deel uit te maken van de delegatie van de Unie bij de procedure.

2.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de ontwikkelingen in de in lid 1 bedoelde arbitrageprocedures.

Artikel 12

Aanvaarding van potentiële financiële verantwoordelijkheid door de betrokken lidstaat, wanneer de Unie de verweerder is

Wanneer de Unie als de verweerder optreedt in een geschil waarin een lidstaat de potentiële financiële verantwoordelijkheid geheel of gedeeltelijk moet dragen, kan de betrokken lidstaat te allen tijde de uit de arbitrage voortvloeiende financiële verantwoordelijkheid aanvaarden. De betrokken lidstaat en de Commissie kunnen daartoe regelingen treffen die onder andere betrekking hebben op:

a)

mechanismen voor de periodieke betaling van kosten voortvloeiend uit de arbitrage;

b)

mechanismen voor de betaling van schadevergoedingen waartoe de Unie is veroordeeld.

HOOFDSTUK IV

SCHIKKING VAN GESCHILLEN WANNEER DE UNIE DE VERWEERDER IS

Artikel 13

Schikking van geschillen betreffende door de Unie toegekende behandelingen

1.   Als de Commissie van mening is dat schikking van een geschil over een uitsluitend door de Unie toegekende behandeling in het belang van de Unie is, kan zij een uitvoeringshandeling ter goedkeuring van de schikking vaststellen. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 22, lid 3.

2.   Indien er bij een schikking mogelijk sprake is van andere handelingen dan de betaling van een som geld, zijn de relevante procedures voor dergelijk handelen van toepassing.

Artikel 14

Schikking van geschillen betreffende door een lidstaat geheel dan wel gedeeltelijk toegekende behandelingen waarbij de Unie wenst te schikken

1.   Wanneer de Unie de verweerder is in een geschil betreffende een behandeling die volledig of gedeeltelijk door een lidstaat is toegekend, en de Commissie van mening is dat schikking van het geschil in het financieel belang van de Unie zou zijn, overlegt zij eerst met de betrokken lidstaat op grond van artikel 6. Ook de lidstaat kan het initiatief nemen tot een dergelijk overleg met de Commissie.

2.   Als de Commissie en de betrokken lidstaat overeenkomen het geschil te schikken, spant de betrokken lidstaat zich in om met de Commissie tot overeenstemming te komen over de noodzakelijke elementen voor de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van de schikking.

3.   Wanneer de Unie de verweerder is in een geschil naar aanleiding waarvan een lidstaat financieel verantwoordelijk zou worden gesteld en waarin er geen sprake is van financiële verantwoordelijkheid van de Unie, kan alleen de betrokken lidstaat het geschil op grond van artikel 15 schikken.

4.   Wanneer de Unie de verweerder is op grond van artikel 9, lid 1, onder b), kan de Commissie, na overleg uit hoofde van artikel 6, lid 1, besluiten tot een schikking van het geschil indien dat de financiële belangen van de Unie dient. Bij het nemen van zulk besluit verstrekt de Commissie een volledige, evenwichtige en feitelijke analyse alsmede een juridische onderbouwing van de financiële belangen van de Unie.

5.   Wanneer de Unie de verweerder is in een geschil op grond van artikel 9, lid 2, waarin enkel de financiële verantwoordelijkheid van de Unie in het geding is en waarin geen sprake is van financiële verantwoordelijkheid van een lidstaat, kan de Commissie besluiten het geschil te schikken.

6.   Wanneer de Unie de verweerder is in een geschil overeenkomstig artikel 9, lid 2, waarin de financiële verantwoordelijkheid van de Unie en van een lidstaat in het geding is, kan de Commissie het geschil niet schikken zonder de instemming van de betrokken lidstaat. De betrokken lidstaat kan een volledige analyse van de gevolgen van de voorgestelde schikking voor zijn financiële belangen voorleggen. Indien de lidstaat niet instemt met schikking van het geschil kan de Commissie niettemin tot schikking besluiten, mits die schikking geen enkel financieel of begrotingsgevolg heeft voor de betrokken lidstaat gebaseerd op een volledige en evenwichtige feitelijke analyse alsmede een juridische onderbouwing waarin rekening is gehouden met de analyse van de lidstaat en de financiële belangen van de Unie en de betrokken lidstaat zijn aangetoond. In dat geval is artikel 19 niet van toepassing.

7.   De voorwaarden van de schikking krachtens de leden 4, 5 en 6 mogen geen andere handelingen van de betrokken lidstaat dan de betaling van een som geld omvatten.

8.   De op grond van het onderhavige artikel vastgestelde schikkingen dienen te worden goedgekeurd door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 15

Schikking van geschillen betreffende uitsluitend door een lidstaat toegekende behandelingen waarbij de lidstaat wenst te schikken

1.   Wanneer de Unie de verweerder is in een geschil dat uitsluitend een door een lidstaat toegekende behandeling betreft, kan de betrokken lidstaat voorstellen het geschil te schikken wanneer:

a)

de betrokken lidstaat elke potentiële financiële verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de schikking, aanvaardt;

b)

de schikkingsregeling uitsluitend kan worden ingeroepen tegen de betrokken lidstaat, en

c)

de voorwaarden van de schikking verenigbaar zijn met het recht van de Unie.

2.   De Commissie en de betrokken lidstaat treden in overleg om het voornemen van de lidstaat tot schikking van het geschil, te evalueren.

3.   De betrokken lidstaat stelt de Commissie in kennis van de ontwerpschikkingsregeling. De Commissie wordt geacht de ontwerpschikkingsregeling te hebben aanvaard, tenzij zij, binnen negentig dagen na de kennisgeving van de ontwerpschikkingsregeling door de lidstaat, door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld overeenkomstig de raadplegingsprocedure bedoeld in artikel 22, lid 2, anders besluit omdat de ontwerpschikking niet aan alle in lid 1 van dit artikel vermelde voorwaarden voldoet. Wordt de ontwerpschikking aanvaard, dan doet de Commissie alles wat nodig is om uitwerking te geven aan de schikkingsregelingen.

Artikel 16

Schikking van geschillen betreffende gedeeltelijk door een lidstaat toegekende behandelingen waarbij die lidstaat wenst te schikken

1.   Wanneer de Unie de verweerder is in een geschil betreffende een behandeling die gedeeltelijk door een lidstaat is toegekend, en de lidstaat van mening is dat schikking van het geschil in zijn financieel belang zou zijn, overlegt hij eerst met de Commissie overeenkomstig artikel 6.

2.   Als de Commissie en de betrokken lidstaat overeenkomen het geschil te schikken, spant de betrokken lidstaat zich in om met de Commissie tot overeenstemming te komen over de noodzakelijke elementen voor de onderhandelingen over en de tenuitvoerlegging van de schikking.

3.   Indien de Commissie niet instemt met de schikking van het geschil, kan zij besluiten tot weigering van de schikking op grond van een volledige en evenwichtige feitelijke analyse en juridische onderbouwing, door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 22, lid 3, vastgesteld.

HOOFDSTUK V

BETALING VAN BIJ EINDVONNIS TOEGEWEZEN SCHADEVERGOEDINGEN OF SCHIKKINGSBEDRAGEN

Artikel 17

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing wanneer de Unie als de verweerder optreedt in een geschil.

Artikel 18

Procedure voor de betaling van bij vonnis toegewezen schadevergoedingen of schikkingsbedragen

1.   Een eiser waaraan bij eindvonnis op grond van een overeenkomst een schadevergoeding is toegewezen, kan bij de Commissie een verzoek tot betaling van die schadevergoeding indienen. De Commissie betaalt de toegewezen schadevergoeding tenzij de betrokken lidstaat op grond van artikel 12 de financiële verantwoordelijkheid heeft aanvaard, in welk geval de lidstaat de schadevergoeding dient te betalen.

2.   Wanneer een schikking overeenkomstig artikel 13 of artikel 14 niet in een vonnis is vastgelegd, kan de eiser bij de Commissie een verzoek tot betaling van het schikkingsbedrag indienen. De Commissie betaalt het schikkingsbedrag binnen de in de schikkingsovereenkomst vastgelegde termijnen.

Artikel 19

Procedure wanneer er geen overeenstemming is over de financiële verantwoordelijkheid

1.   Wanneer de Unie als verweerder optreedt overeenkomstig artikel 9 en de Commissie van mening is dat de bij vonnis toegewezen schadevergoeding, het schikkingsbedrag in kwestie of de uit de arbitrage voortvloeiende kosten op basis van de in artikel 3, lid 1, neergelegde criteria geheel of gedeeltelijk door de betrokken lidstaat moeten worden betaald, is de procedure van de leden 2 tot en met 5 van dit artikel van toepassing.

2.   De Commissie en de betrokken lidstaat treden onverwijld met elkaar in overleg om tot overeenstemming te komen over de financiële verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaat, en van de Unie voor zover van toepassing.

3.   Binnen drie maanden na ontvangst door de Commissie van het verzoek tot betaling van de toegewezen schadevergoeding of van het schikkingsbedrag dan wel de uit de arbitrage voortvloeiende kosten, neemt de Commissie een tot de betrokken lidstaat gericht besluit, waarin zij het door deze lidstaat te betalen bedrag vaststelt. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van een dergelijk besluit en van de financiële motivering ervan.

4.   Tenzij de betrokken lidstaat binnen twee maanden na de inwerkingtreding van het in lid 3 bedoelde besluit bezwaar aantekent tegen het besluit van de Commissie, compenseert de betrokken lidstaat de begroting van de Unie binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het besluit van de Commissie voor de betaling van de bij vonnis toegewezen schadevergoeding of het schikkingsbedrag dan wel de uit de arbitrage voortvloeiende kosten. De betrokken lidstaat is rente verschuldigd tegen het rentetarief dat van toepassing is op andere sommen geld die aan de begroting van de Unie verschuldigd zijn.

5.   Als de betrokken lidstaat bezwaar aantekent ende Commissie het niet eens is met het bezwaar van de lidstaat, neemt de Commissie binnen zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift van de lidstaat een besluit, waarin zij verlangt dat de betrokken lidstaat het door de Commissie betaalde bedrag vergoedt, tezamen met rente tegen het rentetarief dat van toepassing is op andere sommen geld die aan de begroting van de Unie verschuldigd zijn.

6.   De door de Commissie overeenkomstig lid 3 en lid 5 genomen besluiten worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 20

Vooruitbetaling van de uit de arbitrage voortvloeiende kosten

1.   De Commissie kan een besluit nemen waarbij zij de betrokken lidstaat verzoekt om vooraf financiële bijdragen te leveren aan de begroting van de Unie in verband met voorzienbare of gemaakte uit de arbitrage voortvloeiende kosten. Een dergelijk besluit over financiële bijdragen is evenredig en houdt rekening met de in artikel 3 neergelegde criteria.

2.   Voor zover het scheidsgerecht de eiser veroordeelt in de kosten van de Unie in verband met de arbitrage, en de betrokken lidstaat periodiek kosten voortvloeiend uit deze arbitrage heeft betaald, zorgt de Commissie ervoor dat de lidstaat die deze kosten vooruit heeft betaald, daarvoor wordt vergoed, tezamen met de rente tegen het rentetarief dat van toepassing is op andere sommen geld die aan de Uniebegroting verschuldigd zijn.

Artikel 21

Betaling door een lidstaat

Terugbetalingen of betalingen door een lidstaat aan de begroting van de Unie, voor de betaling van een bij vonnis toegewezen schadevergoeding, een schikkingsbedrag of kosten voortvloeiend uit de arbitrage, met inbegrip van de in artikel 20, lid 1, bedoelde kosten, worden beschouwd als interne bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012. Zij mogen worden gebruikt ter dekking van uitgaven die voortvloeien uit overeenkomsten die zijn gesloten in overeenstemming met artikel 218 VWEU en die voorzien in de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten, of worden toegewezen aan de begroting waaruit kredieten zijn bekostigd die oorspronkelijk waren verstrekt om een bij vonnis toegewezen schadevergoeding, een schikkingsbedrag of kosten voortvloeiend uit de arbitrage te betalen.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor investeringsovereenkomsten, dat is ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1219/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 23

Rapportage en toetsing

1.   De Commissie dient regelmatig een gedetailleerd verslag over de uitvoering van deze verordening in bij het Europees Parlement en bij de Raad. Dit verslag bevat alle relevante informatie, waaronder de lijst van de tegen de Unie of de lidstaten ingestelde vorderingen, gerelateerde procedures en vonnissen, en de financiële gevolgen voor de begroting van de Unie. Het eerste verslag wordt uiterlijk 18 september 2019 ingediend. De daaropvolgende verslagen worden vervolgens om de drie jaar ingediend.

2.   De Commissie dient jaarlijks bij het Europees Parlement en de Raad een lijst in met verzoeken om overleg van eisers, vorderingen en arbitragevonnissen.

3.   De Commissie kan ook samen met het in lid 1 bedoelde verslag en op basis van de bevindingen van de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een voorstel tot wijziging van deze verordening indienen.

Artikel 24

Geschillen uit hoofde van overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn gesloten

Wat betreft geschillen inzake onder artikel 1 vallende overeenkomsten die vóór 17 september 2014 zijn gesloten, is deze verordening enkel van toepassing op geschillen ten aanzien waarvan na 17 september 2014 een arbitrageverzoek is ingediend en dat betrekking heeft op een behandeling die na 17 september 2014 de inwerkingtreding van de verordening is toegekend.

Artikel 25

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

S. GOZI


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 juli 2014.

(2)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(4)  Verordening (EU) nr. 1219/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot vaststelling van overgangsregelingen voor bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten tussen lidstaten en derde landen (PB L 351 van 20.12.2012, blz. 40).


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

De vaststelling en toepassing van deze verordening laten de in de Verdragen vastgelegde bevoegdheidsverdeling onverlet en mogen niet worden uitgelegd als een geval van gedeelde bevoegdheid van de Unie op gebieden waarop de bevoegdheid van de Unie niet is uitgeoefend.


RICHTLIJNEN

28.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/135


RICHTLIJN 2014/89/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 juli 2014

tot vaststelling van een kader voor maritieme ruimtelijke planning

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, artikel 100, lid 2, artikel 192, lid 1, en artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De grote en snel groeiende vraag naar maritieme ruimte voor allerlei doeleinden, zoals installaties voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen, exploratie en exploitatie van aardolie en aardgas, zeevaart en visserijactiviteiten, behoud van ecosystemen en biodiversiteit, winning van grondstoffen, toerisme, aquacultuurinstallaties en het cultureel erfgoed dat zich onder water bevindt, alsook de vele factoren die de druk op de natuurlijke hulpbronnen van kustgebieden doen toenemen, maken een geïntegreerde benadering van planning en beheer noodzakelijk.

(2)

Een dergelijke benadering van het beheer van de oceanen en maritiem bestuur is uitgewerkt in het geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie („het GMB”), inclusief de milieupijler daarvan: Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad (4). Het GMB heeft ten doel de duurzame ontwikkeling van zeeën en oceanen te ondersteunen en te komen tot een gecoördineerde, coherente en transparante besluitvorming met betrekking tot het sectorale beleid van de Unie dat gevolgen heeft voor de oceanen, zeeën, eilanden, kustgebieden en ultraperifere gebieden en de maritieme sectoren, onder meer door middel van strategieën voor specifieke zeebekkens en macroregionale strategieën, waarbij tevens een goede milieutoestand zoals beschreven in Richtlijn 2008/56/EG moet worden bereikt.

(3)

Het GMB wijst maritieme ruimtelijke planning aan als een breed inzetbaar beleidsinstrument dat overheden en belanghebbenden in staat stelt een gecoördineerde, geïntegreerde en grensoverschrijdende benadering te hanteren. De toepassing van een ecosysteemgerichte benadering zal bijdragen tot het bevorderen van de duurzame ontwikkeling en groei van maritieme en kusteconomieën en de duurzame exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van zeeën en kusten.

(4)

Maritieme ruimtelijke planning ondersteunt en vergemakkelijkt de uitvoering van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei („de Europa 2020-strategie”) die door de Europese Raad in zijn conclusies van 17 juni 2010 is onderschreven en die erop gericht is een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en sociale cohesie tot stand te brengen, met inbegrip van de bevordering van een meer concurrerende, hulpbronefficiënte en groenere economie. De kust- en maritieme sectoren beschikken over een groot potentieel voor duurzame groei en zijn van cruciaal belang voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie.

(5)

In haar mededeling getiteld „Blauwe groei — Kansen voor duurzame mariene en maritieme groei” heeft de Commissie gewezen op een reeks lopende initiatieven van de Unie die bedoeld zijn om de Europa 2020-strategie ten uitvoer te leggen en zij somt ook een aantal activiteiten op, op grond waarvan de „Blauwe groei”-initiatieven zich in de toekomst zouden kunnen concentreren en die op passende wijze zouden kunnen worden ondersteund door meer vertrouwen en zekerheid voor investeerders, die worden gecreëerd door middel van maritieme ruimtelijke planning.

(6)

Met Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (5) is de toepassing van maritieme ruimtelijke planning en geïntegreerd kustbeheer ondersteund en vergemakkelijkt. Met de Europese structuur- en investeringsfondsen, met inbegrip van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (6), zal het mogelijk worden om bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van deze richtlijn voor de periode 2014-2020.

(7)

Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982 („Unclos”) stelt in de aanhef dat vraagstukken over het gebruik van de oceanische ruimte onderling nauw verweven zijn en als één geheel moeten worden gezien. Ruimtelijke planning van de oceanische ruimte vormt een logische voortzetting en structurering van de verplichtingen en de uitoefening van de krachtens Unclos verleende rechten en is een praktisch instrument dat de lidstaten kan helpen om aan hun verplichtingen te voldoen.

(8)

Om de duurzame co-existentie van gebruiksfuncties en in voorkomend geval een passende toewijzing van de maritieme ruimte aan de verschillende relevante gebruiksfuncties te bevorderen, dient een kader te worden ingesteld dat ten minste de door de lidstaten uit te voeren vaststelling en toepassing van maritieme ruimtelijke planning omvat, hetgeen moet resulteren in plannen.

(9)

Maritieme ruimtelijke planning zal bijdragen aan het doeltreffende beheer van maritieme activiteiten en het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen van zeeën en kusten, door een kader te scheppen voor consistente, transparante, duurzame en wetenschappelijke besluitvorming. Om de doelstellingen te verwezenlijken moeten in deze richtlijn verplichtingen worden vastgelegd om een maritiem planningsproces op te stellen dat moet leiden tot een maritiem ruimtelijke plan of maritieme ruimtelijke plannen; in een dergelijk planningsproces moet rekening worden gehouden met de wisselwerkingen tussen land en zee, en moet de samenwerking tussen de lidstaten worden bevorderd. Onverminderd het bestaande acquis van de Unie op het vlak van energie, vervoer, visserij en milieu mogen met deze richtlijn geen nieuwe verplichtingen worden opgelegd, met name in verband met de concrete keuzen van de lidstaten over de manier waarop het sectorale beleid op deze gebieden wordt gevoerd, maar moet deze richtlijn er veeleer op gericht zijn via het planningsproces bij te dragen aan het nastreven van dit beleid.

(10)

Met het oog op de consistentie en de juridische duidelijkheid moet de geografische werkingssfeer van maritieme ruimtelijke planning worden omschreven overeenkomstig de bestaande wetgevingsinstrumenten van de Unie en het internationale zeerecht, in het bijzonder Unclos. De bevoegdheden van de lidstaten in verband met maritieme grenzen en jurisdictie worden niet gewijzigd door deze richtlijn.

(11)

Het is passend dat de Unie een kader schept voor maritieme ruimtelijke planning; de lidstaten blijven echter verantwoordelijk en bevoegd voor het ontwerpen en bepalen, met betrekking tot hun mariene wateren, van de vorm en inhoud van die plannen, met inbegrip van institutionele afspraken en, waar toepasselijk, de toewijzing van maritieme ruimte aan respectievelijk verschillende activiteiten en gebruiksfuncties.

(12)

Om recht te doen aan de evenredigheid en de subsidiariteit, en om extra administratieve lasten zo veel mogelijk te beperken, moet bij de omzetting en uitvoering van deze richtlijn zoveel mogelijk worden voortgebouwd op bestaande nationale, regionale en lokale regelgeving en mechanismen, met inbegrip van die welke zijn opgenomen in Aanbeveling 2002/413/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) of Besluit 2010/631/EU van de Raad (8).

(13)

In mariene wateren staan de ecosystemen en de natuurlijke hulpbronnen van zeeën onder aanzienlijke druk. Menselijke activiteiten, maar ook klimaatveranderingseffecten, natuurrampen en kustlijndynamiek in de vorm van erosie en accretie, kunnen ernstige gevolgen hebben voor de economische groei en ontwikkeling van kustgebieden alsook voor zee-ecosystemen, hetgeen kan leiden tot een verslechtering van de toestand van het milieu, biodiversiteitsverlies en aantasting van ecosysteemdiensten. Bij het opstellen van maritieme ruimtelijke plannen dient terdege met deze verschillende pressiefactoren rekening te worden gehouden. Bovendien kunnen gezonde mariene ecosystemen en de vele diensten die zij leveren, mits deze in de planningsbesluiten worden meegenomen, substantiële voordelen opleveren op het stuk van voedselproductie, recreatie en toerisme, mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering, regulering van de kustlijndynamiek en rampenpreventie.

(14)

Ter bevordering van de duurzame groei van maritieme economieën, de duurzame ontwikkeling van mariene gebieden en het duurzame gebruik van natuurlijke mariene hulpbronnen, dient bij maritieme ruimtelijke planning een in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG bedoelde ecosysteemgerichte benadering te worden gehanteerd met als doel zeker te stellen dat de druk die door alle activiteiten gezamenlijk wordt veroorzaakt, beperkt blijft tot een met het bereiken van een goede milieutoestand verenigbaar niveau en dat het vermogen van de mariene ecosystemen om door de mens veroorzaakte veranderingen op te vangen niet in het gedrang komt, terwijl wordt bijgedragen aan het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten door de huidige en toekomstige generaties. Daarnaast moet een ecosysteemgerichte benadering worden toegepast op een wijze die is afgestemd op de specifieke ecosystemen en andere bijzonderheden van de verschillende mariene regio’s en waarbij de werkzaamheden in het kader van de regionale zeeverdragen, welke voortbouwen op bestaande kennis en ervaringen, in overweging worden genomen. De benadering maakt tevens adaptief beheer mogelijk waardoor verfijning en verdere ontwikkeling zeker wordt gesteld naarmate ervaring en kennis, rekening houdend met de beschikbaarheid van gegevens en informatie over zeebekkens om deze aanpak uit te voeren, toeneemt. De lidstaten dienen het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen in acht te nemen, als uiteengezet in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(15)

Maritieme ruimtelijke planning zal onder meer bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (10), Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (11), Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (12), Beschikking nr. 884/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad (13), Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (14), Richtlijn 2008/56/EG, onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie van 3 mei 2011 met als titel „Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020”, de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 met als titel „Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa”, de mededeling van de Commissie van 16 april 2013 met als titel „Een EU-strategie inzake aanpassing aan de klimaatverandering” en de mededeling van de Commissie van 21 januari 2009 met als titel „Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018”, alsook, waar passend, de doelstellingen van het regionaal beleid van de Unie, inclusief strategieën voor specifieke zeebekkens en macroregionale strategieën.

(16)

Mariene activiteiten en kustactiviteiten zijn vaak nauw met elkaar verweven. Bij maritieme ruimtelijke planning moet rekening worden gehouden met de wisselwerkingen tussen land en zee teneinde het duurzame gebruik van de maritieme ruimte te bevorderen. Daarom kan maritieme ruimtelijke planning een zeer nuttige rol spelen bij het bepalen van richtsnoeren in verband met het duurzame en geïntegreerde beheer van menselijke activiteiten op zee, de instandhouding van het leefmilieu, de kwetsbaarheid van ecosystemen aan de kust, erosie en sociale en economische factoren. Maritieme ruimtelijke planning moet erop gericht zijn om de maritieme dimensie van bepaalde gebruiksfuncties of activiteiten aan de kust en de effecten daarvan te combineren, en uiteindelijk een geïntegreerde en strategische visie mogelijk te maken.

(17)

Deze kaderrichtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van ruimtelijke planning op land, waaronder systemen voor ruimtelijke planning van het vasteland vallen die worden gebruikt om het gebruik van land- en kustgebieden te plannen. Indien de lidstaten ruimtelijke planning van het vasteland op kustwateren of delen daarvan toepassen, mag deze richtlijn niet van toepassing te zijn op deze wateren.

(18)

Maritieme ruimtelijke planning moet de volledige cyclus bestrijken van het vaststellen van problemen en mogelijkheden, informatievergaring, planning, besluitvorming, uitvoering, herziening of actualisering, en bewaking van de uitvoering, en er dient bij maritieme ruimtelijke planning terdege rekening te worden gehouden met de wisselwerkingen tussen land en zee en de beste beschikbare kennis. Er dient optimaal gebruik te worden gemaakt van de mechanismen waarin bestaande of toekomstige wetgeving voorziet, met inbegrip van Besluit 2010/477/EU van de Commissie (15) en het „Mariene kennis 2020”-initiatief van de Commissie.

(19)

Maritieme ruimtelijke planning heeft vooral als doel duurzame ontwikkeling te bevorderen, het gebruik van maritieme ruimte voor verschillende gebruiksfuncties op zee in kaart te brengen en de verschillende gebruiksvormen van de ruimte en conflicten in mariene gebieden te beheren. Maritieme ruimtelijke planning is tevens gericht op het vaststellen en aanmoedigen van gebruik voor verschillende doeleinden, in overeenstemming met de desbetreffende nationale beleidsmaatregelen en wetgeving. Daartoe dienen de lidstaten er ten minste voor te zorgen dat één of meer planningsprocessen resulteren in een alomvattend plan waarin de verschillende gebruiksvormen van de maritieme ruimte zijn aangegeven, rekening houdend met langetermijnveranderingen als gevolg van klimaatverandering.

(20)

De lidstaten dienen overleg te plegen en hun plannen te coördineren met de relevante lidstaten en zij dienen samen te werken met de autoriteiten in derde landen in de betrokken mariene regio, in overeenstemming met de rechten en plichten van de betrokken lidstaten en derde landen uit hoofde van het Europees en internationaal recht. Doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten onderling en met naburige derde landen vereist dat de bevoegde instanties in elke lidstaat worden geïdentificeerd. De lidstaten moeten bijgevolg de bevoegde instantie of instanties aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Gezien de verschillen tussen de onderscheiden mariene regio’s of subregio’s en kustgebieden is het niet wenselijk in deze richtlijn tot in de details de vorm te bepalen die deze samenwerkingsmechanismen zouden moeten aannemen.

(21)

Het beheer van mariene gebieden is complex en er zijn verschillende bestuurlijke niveaus, marktdeelnemers en andere belanghebbenden bij betrokken. Om op doeltreffende wijze duurzame ontwikkeling te bevorderen, is het van wezenlijk belang dat belanghebbenden, overheden en het publiek in een passende fase van de voorbereiding van maritieme ruimtelijke plannen in het kader van deze richtlijn worden geraadpleegd in overeenstemming met de relevante Uniewetgeving. Artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (16) geeft een goed voorbeeld van een regeling voor openbare raadpleging.

(22)

De lidstaten kunnen door middel van maritieme ruimtelijke plannen de administratieve lasten en kosten die aan hun acties ter uitvoering van andere relevante EU-wetgeving zijn verbonden, verminderen. De tijdschema’s voor maritieme ruimtelijke plannen dienen derhalve indien mogelijk overeen te stemmen met de tijdschema’s van andere relevante besluiten, met name: Richtlijn 2009/28/EG, die voorschrijft dat het aandeel van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto eindverbruik van energie in 2020 ten minste 20 % bedraagt en die de coördinatie van toestemmings-, certificerings- en vergunningsprocedures, met inbegrip van ruimtelijke planning, als een belangrijke bijdrage tot het bereiken van de streefcijfers van de Unie voor energie uit hernieuwbare bronnen aanmerkt; Richtlijn 2008/56/EG en deel A, punt 6, van de bijlage bij Besluit 2010/477/EU, die van de lidstaten verlangen dat zij het nodige doen om tegen 2020 een goede milieutoestand in het mariene milieu te bereiken of te handhaven en die maritieme ruimtelijke planning aanwijzen als een instrument ter ondersteuning van de ecosysteemgerichte benadering van het beheer van menselijke activiteiten die vereist is om een goede milieutoestand te bereiken; Beschikking nr. 884/2004/EG die voorschrijft dat er uiterlijk in 2020 een trans-Europees vervoersnet tot stand wordt gebracht door de integratie van de Europese infrastructuurnetwerken voor vervoer over land, ter zee en via de lucht.

(23)

Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (17) stelt dat milieueffectbeoordelingen belangrijke instrumenten zijn voor het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding en goedkeuring van plannen en programma’s. Als maritieme ruimtelijke plannen waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten meebrengen, vallen zij onder Richtlijn 2001/42/EG. Indien maritieme ruimtelijke plannen Natura 2000-gebieden omvatten, kan de milieueffectbeoordeling worden gecombineerd met de vereisten van artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG om overlapping te voorkomen.

(24)

Teneinde zeker te stellen dat maritieme ruimtelijke plannen zijn gebaseerd op betrouwbare gegevens en om extra administratieve lasten te vermijden, is het van essentieel belang dat de lidstaten gebruikmaken van de best beschikbare gegevens en informatie, door de relevante belanghebbenden aan te sporen informatie te delen en met gebruikmaking van bestaande instrumenten voor gegevensvergaring, bijvoorbeeld het instrumentarium dat is ontwikkeld in de context van het „Mariene kennis 2020”- initiatief en Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (18).

(25)

De lidstaten moeten de Commissie kopieën van hun maritieme ruimtelijke plannen en iedere bijgewerkte versie daarvan toesturen om haar in staat te stellen de uitvoering van deze richtlijn te bewaken. De Commissie zal de door de lidstaten verstrekte informatie en de bestaande informatie die krachtens Uniewetgeving beschikbaar komt, gebruiken om het Europees Parlement en de Raad geïnformeerd te houden over de vooruitgang die bij de uitvoering van deze richtlijn wordt geboekt.

(26)

Een tijdige omzetting van deze richtlijn is van cruciaal belang, aangezien de EU een aantal beleidsinitiatieven heeft aangenomen die uiterlijk in 2020 moeten worden uitgevoerd en die middels deze richtlijn worden ondersteund en aangevuld.

(27)

Niet aan zee grenzende lidstaten zouden onevenredig en onnodig belast worden indien zij deze richtlijn moeten omzetten en uitvoeren. Deze lidstaten moeten derhalve worden vrijgesteld van de verplichting om deze richtlijn om te zetten en uit te voeren,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn stelt een kader vast voor maritieme ruimtelijke planning dat erop gericht is de duurzame groei van maritieme economieën, de duurzame ontwikkeling van mariene gebieden en het duurzame gebruik van natuurlijke mariene hulpbronnen te bevorderen.

2.   Binnen het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie voorziet dat kader in de vaststelling en uitvoering door de lidstaten van maritieme ruimtelijke planning, teneinde bij te dragen aan de in artikel 5 omschreven doelstellingen, waarbij rekening wordt gehouden met de wisselwerking tussen land en zee en betere grensoverschrijdende samenwerking, in overeenstemming met de desbetreffende bepaling van Unclos.

Artikel 2

Werkingssfeer

1.   Deze richtlijn is van toepassing op mariene wateren van de lidstaten, onverminderd andere wetgeving van de Unie. Zij is niet van toepassing op kustwateren of delen daarvan die onder de ruimtelijke planning op land van een lidstaat vallen, mits dit in de maritieme ruimtelijke plannen kenbaar is gemaakt.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op activiteiten die uitsluitend de landsverdediging of de nationale veiligheid dienen.

3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om, met betrekking tot de mariene wateren, de reikwijdte en dekkingsgraad van hun maritieme ruimtelijke plannen te ontwerpen en vast te stellen. Deze richtlijn is niet van toepassing op ruimtelijke planning op het land.

4.   Deze richtlijn laat de soevereine rechten en jurisdictie van de lidstaten over de mariene wateren die voortvloeien uit het desbetreffende internationale recht, en in het bijzonder Unclos, onverlet. De toepassing van deze richtlijn heeft in het bijzonder geen invloed op het trekken en het afbakenen van zeegrenzen door de lidstaten overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Unclos.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.   „geïntegreerd maritiem beleid” (GMB): beleid van de Unie dat ten doel heeft een gecoördineerde en samenhangende besluitvorming te bevorderen om de duurzame ontwikkeling, de economische groei en de sociale samenhang van de lidstaten te maximaliseren, en in het bijzonder ten aanzien van de kust- en eilandgebieden en de ultraperifere regio’s in de Unie alsook de maritieme sectoren, door middel van een samenhangend maritiem beleid en internationale samenwerking op dat vlak;

2.   „maritieme ruimtelijke planning”: een proces in het kader waarvan de betreffende autoriteiten van de lidstaat menselijke activiteiten in mariene gebieden analyseren en organiseren om ecologische, economische en sociale doelstellingen te bereiken;

3.   „mariene regio”: de in artikel 4 van Richtlijn 2008/56/EG genoemde mariene regio;

4.   „mariene wateren”: de wateren met hun zeebodem en ondergrond als omschreven in artikel 3, punt 1, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG en de kustwateren als omschreven in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2000/60/EG en hun zeebodem en ondergrond.

HOOFDSTUK II

MARITIEME RUIMTELIJKE PLANNING

Artikel 4

Vaststelling en uitvoering van maritieme ruimtelijke planning

1.   Elke lidstaat stelt maritieme ruimtelijke planning vast en voert deze uit.

2.   De lidstaten houden daarbij rekening met de wisselwerking tussen land en zee.

3.   Het hieruit voortvloeiende plan of de hieruit voortvloeiende plannen wordt respectievelijk worden ontwikkeld en opgesteld in overeenstemming met de door de lidstaten bepaalde institutionele en bestuursniveaus. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om de vorm en de inhoud van dat plan of die plannen te ontwerpen en te bepalen.

4.   Maritieme ruimtelijke planning heeft ten doel bij te dragen aan de in artikel 5 genoemde doelstellingen en voldoet aan de in de artikelen 6 en 8 omschreven eisen.

5.   Bij de vaststelling van maritieme ruimtelijke planning houden de lidstaten terdege rekening met de bijzonderheden van de mariene regio’s, de relevante bestaande en toekomstige activiteiten en gebruiksfuncties en het effect daarvan op het milieu, alsook met de natuurlijke rijkdommen, en zij houden tevens rekening met de wisselwerking tussen land en zee.

6.   De lidstaten mogen bestaand nationaal beleid, bestaande nationale regelingen of bestaande nationale mechanismen, waarvan de invoering vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn was voltooid of gaande was, gebruiken of daarop voortbouwen, mits deze in overeenstemming zijn met de eisen van deze richtlijn.

Artikel 5

Doelstellingen van maritieme ruimtelijke planning

1.   Bij de vaststelling en uitvoering van maritieme ruimtelijke planning houden de lidstaten rekening met economische, sociale en ecologische aspecten teneinde duurzame ontwikkeling en groei in de maritieme sector te ondersteunen, waarbij zij een ecosysteemgerichte benadering hanteren, en de co-existentie van relevante activiteiten en gebruiksfuncties te bevorderen.

2.   Door middel van hun maritieme ruimtelijke plannen beogen de lidstaten bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van energiesectoren op zee, van zeevervoer, en van de visserij- en aquacultuursectoren, en ook aan het behoud, de bescherming en de verbetering van het milieu, met inbegrip van de weerstand tegen effecten van klimaatverandering. lidstaten kunnen voorts andere doelstellingen nastreven, zoals de bevordering van duurzaam toerisme en de duurzame winning van grondstoffen.

3.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te bepalen hoe de verschillende doelstellingen worden weergeven en gewogen in hun maritieme ruimtelijke plan of plannen.

Artikel 6

Minimumeisen voor maritieme ruimtelijke planning

1.   De lidstaten stellen procedurele stappen vast om bij te dragen aan de in artikel 5 genoemde doelstellingen, en houden daarbij rekening met relevante activiteiten en gebruiksfuncties in mariene wateren.

2.   Daarbij moeten de lidstaten:

a)

rekening houden met de wisselwerking tussen land en zee;

b)

rekening houden met ecologische, economische en sociale aspecten, alsook met veiligheidsaspecten;

c)

ernaar streven de samenhang tussen maritieme ruimtelijke planning en het daaruit voortvloeiende plan of de daaruit voortvloeiende plannen en andere processen, zoals geïntegreerd kustbeheer of gelijkwaardige formele of informele processen, te bevorderen;

d)

de betrokkenheid van de belanghebbenden overeenkomstig artikel 9 garanderen;

e)

het gebruik van de best beschikbare gegevens organiseren overeenkomstig artikel 10;

f)

zorgen voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 11;

g)

de samenwerking met derde landen bevorderen overeenkomstig artikel 12.

3.   Maritieme ruimtelijke plannen worden door de lidstaten herzien zoals door hen bepaald, maar ten minste elke tien jaar.

Artikel 7

De wisselwerking tussen land en zee

1.   Om rekening te houden met de wisselwerking tussen land en zee overeenkomstig artikel 4, lid 2, kunnen lidstaten gebruikmaken van andere formele of informele processen, zoals geïntegreerd kustbeheer, als dit geen onderdeel vormt van het proces van maritieme ruimtelijke planning als zodanig. Het resultaat wordt opgenomen in de maritieme ruimtelijke plannen van de lidstaten.

2.   Onverminderd artikel 2, lid 3, beogen de lidstaten door middel van hun maritieme ruimtelijke planning de samenhang van het daaruit voortvloeiende plan of de daaruit voortvloeiende plannen met andere relevante processen te bevorderen.

Artikel 8

Opstellen van maritieme ruimtelijke plannen

1.   Bij de vaststelling en uitvoering van maritieme ruimtelijke planning stellen de lidstaten maritieme ruimtelijke plannen op waarin de ruimtelijke en temporele verdeling van bestaande en toekomstige activiteiten en gebruiksfuncties in hun mariene wateren worden geïdentificeerd, teneinde bij te dragen aan de in artikel 5 omschreven doelstellingen.

2.   Daarbij nemen de lidstaten overeenkomstig artikel 2, lid 3, de relevante wisselwerkingen van activiteiten en gebruiksfuncties in aanmerking. Onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten kunnen mogelijke activiteiten, gebruiksfuncties en belangen het volgende omvatten:

aquacultuurgebieden;

visgronden;

installaties en infrastructuren voor de exploratie, exploitatie en winning van aardolie, van aardgas en andere energiebronnen, van mineralen en van aggregaten, en voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen;

scheepvaartroutes en maritieme verkeersstromen;

militaire oefengebieden;

gebieden voor de instandhouding van de natuur en soorten, en beschermde gebieden;

gebieden waar grondstoffen worden gewonnen;

wetenschappelijk onderzoek;

de tracés van onderzeese kabels en pijpleidingen;

toeristische activiteiten;

cultureel erfgoed onder water.

Artikel 9

Publieksparticipatie

1.   De lidstaten voorzien in mogelijkheden voor publieksparticipatie door alle belanghebbende partijen te informeren en door de relevante belanghebbenden en autoriteiten en het publiek in kwestie in een vroeg stadium van de ontwikkeling van maritieme ruimtelijke plannen te raadplegen, overeenkomstig de relevante bepalingen van de wetgeving van de Unie.

2.   De lidstaten zorgen er tevens voor dat de desbetreffende belanghebbenden en autoriteiten en het publiek in kwestie toegang hebben tot de plannen, zodra ze zijn afgerond.

Artikel 10

Gebruik en uitwisseling van gegevens

1.   De lidstaten organiseren het gebruik van de best beschikbare gegevens en beslissen hoe ze de uitwisseling van informatie die noodzakelijk is voor maritieme ruimtelijke plannen organiseren.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens kunnen onder meer de volgende elementen omvatten:

a)

milieugerelateerde, maatschappelijke en economische gegevens die zijn vergaard in overeenstemming met wetgeving van de Unie met betrekking tot de in de artikel 8 bedoelde activiteiten;

b)

mariene fysische gegevens met betrekking tot het zeewater.

3.   Bij de uitvoering van lid 1 maken de lidstaten gebruik van de relevante instrumenten en hulpmiddelen, inclusief degene die al beschikbaar zijn in het kader van het GMB van de EU en ander EU-beleid op dit vlak, zoals genoemd in Richtlijn 2007/2/EG.

Artikel 11

Samenwerking tussen de lidstaten

1.   Als onderdeel van het planning- en beheerproces werken de lidstaten die aan mariene wateren grenzen samen met als doel de coherentie en coördinatie van de maritieme ruimtelijke plannen in de hele betrokken mariene regio te waarborgen. Bij die samenwerking wordt aandacht geschonken aan met name kwesties van transnationale aard.

2.   De in lid 1 bedoelde samenwerking wordt met name nagestreefd door:

a)

bestaande regionale institutionele samenwerkingsstructuren zoals regionale zeeverdragen; en/of

b)

netwerken of structuren van bevoegde instanties van de lidstaten; en/of

c)

elke andere methode die voldoet aan de voorschriften van lid 1, bijvoorbeeld in het kader van zeebekkenstrategieën.

Artikel 12

Samenwerking met derde landen

Lidstaten streven ernaar om indien mogelijk een samenwerking tot stand te brengen met derde landen bij hun maatregelen met betrekking tot maritieme ruimtelijke planning in de desbetreffende mariene regio’s, overeenkomstig het internationale recht en verdragen, bijvoorbeeld door middel van bestaande internationale fora of regionale institutionele samenwerking.

HOOFDSTUK III

TENUITVOERLEGGING

Artikel 13

Bevoegde autoriteiten

1.   Elke lidstaat wijst de instantie of instanties aan die bevoegd is of zijn voor de uitvoering van deze richtlijn.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van die bevoegde instanties alsmede de in de bijlage vermelde gegevens.

3.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle wijzigingen in de overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie, binnen zes maanden nadat die wijziging van kracht is geworden.

Artikel 14

Monitoring en rapportage

1.   De lidstaten sturen de Commissie en andere betrokken lidstaten kopieën van de maritieme ruimtelijke plannen, met inbegrip van de relevante bestaande toelichtingen over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, en alle latere bijgewerkte versies, en wel binnen drie maanden na de publicatie ervan.

2.   De Commissie dient uiterlijk een jaar na de termijn voor de vaststelling van de maritieme ruimtelijke plannen en elke vier jaar daarna bij het Europees Parlement en de Raad een voortgangsverslag in waarin de bij de uitvoering van deze richtlijn geboekte vooruitgang wordt geschetst.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 15

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 18 september 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De in artikel 13, lid 1, bedoelde instantie of instanties wordt of worden uiterlijk op 18 september 2016 aangewezen.

3.   De in artikel 4 bedoelde maritieme ruimtelijke plannen worden zo snel mogelijk vastgesteld, maar uiterlijk op 31 maart 2021.

4.   De verplichting om deze richtlijn om te zetten en uit te voeren, geldt niet voor lidstaten die niet aan zee grenzen.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 17

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

S. GOZI


(1)  PB C 341 van 21.11.2013, blz. 67.

(2)  PB C 356 van 5.12.2013, blz. 124.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 23 juli 2014.

(4)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (hierna de „kaderrichtlijn mariene strategie”) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(5)  Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2011 tot vaststelling van een programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid (PB L 321 van 5.12.2011, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).

(7)  Aanbeveling 2002/413/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa (PB L 148 van 6.6.2002, blz. 24).

(8)  Besluit 2010/631/EU van de Raad van 13 september 2010 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol inzake het geïntegreerd beheer van kustgebieden in het Middellandse Zeegebied bij het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee (PB L 279 van 23.10.2010, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2011/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(10)  Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59).

(11)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(12)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(13)  Beschikking nr. 884/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (PB L 167 van 30.4.2004, blz. 1).

(14)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(15)  Besluit 2010/477/EU van de Commissie van 1 september 2010 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren (PB L 232 van 2.9.2010, blz. 14).

(16)  Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17).

(17)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).

(18)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).


BIJLAGE

BEVOEGDE INSTANTIES

1.

Naam en adres van de bevoegde instantie of instanties — officiële naam en officieel adres van de aangewezen bevoegde instantie/instanties.

2.

Rechtsvorm — beknopte omschrijving van de rechtsvorm van de bevoegde instantie of instanties.

3.

Verantwoordelijkheden — beknopte omschrijving van de juridische en administratieve verantwoordelijkheden van de bevoegde instantie of instanties en van haar of hun rol ten aanzien van de betrokken mariene wateren.

4.

Samenstelling — indien de bevoegde instantie of instanties optreedt/optreden als coördinerend orgaan voor andere bevoegde instanties, is een lijst van die organisaties vereist, evenals een samenvatting van de institutionele verhoudingen die met het oog op de coördinatie zijn vastgesteld.

5.

Regionale coördinatie — er is een samenvatting vereist van de mechanismen die zijn ingesteld met het oog op de coördinatie tussen lidstaten wier onder deze richtlijn vallende mariene wateren deel uitmaken van dezelfde mariene regio of subregio.


28.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 257/146


RICHTLIJN 2014/90/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 juli 2014

inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Gezien de mondiale dimensie van scheepvaart dient de Unie het internationale regelgevingskader voor maritieme veiligheid toe te passen en te steunen. De internationale verdragen inzake maritieme veiligheid verplichten de vlaggenstaten ertoe ervoor te zorgen dat de aan boord van schepen aanwezige uitrusting voldoet aan bepaalde veiligheidsvereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie en de prestaties alsmede de desbetreffende certificaten uit te reiken. Daartoe hebben de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de internationale en Europese normalisatie-organisaties gedetailleerde prestatie- en beproevingsnormen voor bepaalde soorten uitrusting van zeeschepen ontwikkeld.

(2)

De instanties in de vlaggenstaten hebben op basis van de internationale instrumenten een aanzienlijke beslissingsruimte. Bij gebrek aan harmonisatie leidt dit tot verschillende veiligheidsniveaus van producten waarvan de bevoegde nationale instanties hebben verklaard dat ze voldoen aan deze verdragen en normen, en de soepele werking van de interne markt wordt hierdoor belemmerd aangezien de lidstaten moeilijk kunnen aanvaarden dat in een andere lidstaat gecertificeerde uitrusting zonder nadere controle wordt geplaatst aan boord van schepen die onder hun vlag varen.

(3)

Harmonisatie door de Unie kan ervoor zorgen dat deze problemen worden opgelost. In Richtlijn 96/98/EG van de Raad (3) werden daarom gemeenschappelijke regels vastgelegd die waren gericht op het wegwerken van verschillen in de tenuitvoerlegging van internationale normen door middel van een duidelijk afgebakende reeks vereisten en uniforme certificeringsprocedures.

(4)

Het recht van de Unie omvat diverse andere instrumenten waarin vereisten en voorwaarden zijn vastgelegd en waarmee onder meer het vrije verkeer van goederen op de interne markt of milieuvoorschriften worden gewaarborgd voor bepaalde producten, die gelijkaardig zijn aan uitrusting die aan boord van schepen wordt gebruikt, maar die niet voldoen aan de internationale normen die aanzienlijk kunnen afwijken van de interne wetgeving van de Unie en aan een permanente ontwikkeling onderhevig zijn. De lidstaten kunnen deze producten derhalve niet overeenkomstig de desbetreffende internationale verdragen inzake maritieme veiligheid certificeren. Voor uitrusting die overeenkomstig de internationale veiligheidsnormen aan boord van EU-schepen dient te worden geplaatst, dient daarom uitsluitend deze richtlijn te gelden, die in ieder geval als lex specialis dient te worden beschouwd. Voorts dient er een specifiek markering te worden vastgesteld waarmee wordt aangegeven dat uitrusting die van dit merk is voorzien, voldoet aan de vereisten die zijn vastgelegd in de desbetreffende internationale verdragen en instrumenten die in werking zijn getreden.

(5)

De internationale instrumenten voorzien in gedetailleerde prestatie- en beproevingsnormen voor de uitrusting van zeeschepen, en bieden soms de mogelijkheid maatregelen vast te stellen waarmee van de bindende vereisten wordt afgeweken, maar die in bepaalde omstandigheden geschikt zijn voor het bereiken van het doel van die vereisten. Het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS) voorziet in de mogelijkheid vervangende ontwerpen en voorzieningen die individuele lidstaten op hun eigen verantwoordelijkheid kunnen toepassen.

(6)

Ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 96/98/EG heeft aangetoond dat het nodig is om aanvullende maatregelen te nemen om de uitvoerings- en handhavingsmechanismen van die richtlijn te versterken en het regelgevingskader te vereenvoudigen, waarbij dient te worden gewaarborgd dat de IMO-vereisten in de hele Unie op geharmoniseerde wijze worden toegepast en ten uitvoer worden gelegd.

(7)

Er dienen derhalve vereisten te worden vastgelegd op basis waarvan uitrusting van zeeschepen kan voldoen aan de veiligheidsnormen van de toepasselijke internationale instrumenten, met inbegrip van de desbetreffende beproevingsnormen, om ervoor te zorgen dat uitrusting die aan deze vereisten voldoet vrij op de interne markt kan circuleren en aan boord van schepen kan worden geplaatst die onder de vlag van een willekeurige lidstaat varen.

(8)

Teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie in de ontwikkeling van uitrusting van zeeschepen moet alles in het werk worden gesteld om het gebruik van open normen te bevorderen, zodat deze vrij of tegen betaling van een forfaitair bedrag beschikbaar zijn en door eenieder kunnen worden gekopieerd, verspreid en kosteloos of tegen betaling van een forfaitair bedrag kunnen worden gebruikt.

(9)

Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) voorziet in gemeenschappelijke beginselen en referentiebepalingen die bedoeld zijn om in alle sectorale wetgeving te worden toegepast, zodat een coherente basis voor de herziening of herschikking van die wetgeving wordt gecreëerd. Dat besluit vormt een algemeen, horizontaal kader voor toekomstige wetgeving tot harmonisering van de voorwaarden voor het verhandelen van producten, en is een referentietekst voor de bestaande wetgeving. Dit algemene kader biedt passende oplossingen voor de problemen die bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 96/98/EG zijn vastgesteld. De definities en referentiebepalingen van Besluit nr. 768/2008/EG dienen derhalve in deze richtlijn te worden geïntegreerd, waarbij de aanpassingen dienen te worden verricht die op grond van de specifieke kenmerken van de sector uitrusting van zeeschepen nodig zijn.

(10)

Om de markttoezichtautoriteiten te voorzien van aanvullende, specifieke middelen waarmee zij hun taken gemakkelijker kunnen uitvoeren, kan een elektronisch label te gelegener tijd de stuurwielmarkering aanvullen of vervangen.

(11)

De verantwoordelijkheden van de marktdeelnemers moeten worden vastgelegd op een wijze die evenredig en niet-discriminerend is voor marktdeelnemers die in de Unie zijn gevestigd, waarbij er rekening mee dient te worden gehouden dat een aanzienlijk deel van de uitrusting van zeeschepen die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt wellicht nooit op het grondgebied van de lidstaten zal worden ingevoerd en gedistribueerd.

(12)

Aangezien uitrusting van zeeschepen overal ter wereld tijdens de bouw of de reparatie aan boord van schepen kan worden geplaatst, is markttoezicht uitermate moeilijk en bieden grenscontroles geen doeltreffende steun. Daarom moeten de verplichtingen van de lidstaten en van de marktdeelnemers in de Unie duidelijk worden omschreven. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat alleen conforme uitrusting wordt geplaatst op schepen die hun vlag voeren en dat aan deze verplichting wordt voldaan door de uitgifte, de goedkeuring of de vernieuwing van de certificaten van die schepen door de overheid van de vlaggenstaat overeenkomstig de internationale verdragen alsmede via de nationale markttoezichtregelingen die zijn ingevoerd uit hoofde van het nationale markttoezichtkader dat is vastgesteld in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5). De lidstaten dienen bij het naleven van deze verplichtingen te worden ondersteund via de door de Commissie ter beschikking gestelde informatiesystemen voor de beoordeling en aanmelding van en het toezicht op instanties die bevoegd zijn conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten, door middel van het uitwisselen van informatie over goedgekeurde uitrusting van zeeschepen, ingetrokken of geweigerde aanvragen en non-conformiteit van uitrusting.

(13)

In de eerste plaats dient het aanbrengen van de stuurwielmarkering door de fabrikant of, in voorkomend geval, de importeur, conform de verplichtingen die hun bij deze richtlijn worden opgelegd, de garantie te bieden dat de uitrusting aan de normen voldoet en in de handel kan worden gebracht om op EU-schepen te worden geplaatst. Voorts zijn enkele bepalingen nodig opdat de stuurwielmarkering na aanbrenging als veiligheidsgarantie functioneel en geldig blijft en opdat de taak van de nationale markttoezichtautoriteiten doeltreffend kan worden vervuld. De fabrikant of, indien van toepassing, de importeur of distributeur dient de bevoegde instanties volledige en betrouwbare informatie te verstrekken over de uitrusting waarop hij het merk heeft aangebracht om de blijvende veiligheid van de uitrusting van zeeschepen te garanderen. De fabrikant dient te worden verplicht tot samenwerking met de markttoezichtautoriteiten, met inbegrip van wat betreft de normen die hij bij de fabricage en certificering van uitrusting heeft gehanteerd, en dient de nodige zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot uitrusting van zeeschepen die hij op de markt brengt. Een buiten de Unie gevestigde fabrikant dient met het oog op de samenwerking met de bevoegde nationale instanties een gemachtigde aan te wijzen.

(14)

Naleving van de internationale beproevingsnormen kan het best worden aangetoond door middel van conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals vastgelegd in Besluit nr. 768/2008/EG. De fabrikanten dienen echter alleen de beschikking te krijgen over conformiteitsbeoordelingsprocedures die voldoen aan de vereisten van de internationale instrumenten.

(15)

Als wordt vermoed dat de vereisten niet zijn nageleefd, dient dat door middel van een billijke en doeltreffende procedure te worden onderzocht. Daartoe dienen de lidstaten te worden aangemoedigd alle maatregelen te nemen die bevorderlijk zijn voor een grondige en objectieve beoordeling van de risico’s. Als de Commissie ervan overtuigd is dat er aan deze voorwaarde is voldaan, is zij niet verplicht om deze beoordeling te herhalen bij de controle van de beperkende maatregelen van de lidstaten met betrekking tot niet-conforme uitrusting.

(16)

Bij het onderzoeken van de aangemelde instanties dient de Commissie de lidstaten op de hoogte te houden en dient zoveel mogelijk met hen samen te werken zonder afbreuk te doen aan haar onafhankelijke rol.

(17)

Wanneer de toezichtautoriteiten van een lidstaat van oordeel zijn dat uitrusting van zeeschepen die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, een risico kan vormen voor de maritieme veiligheid, de gezondheid of het milieu, moeten zij de betreffende uitrusting beoordelen of testen. Indien blijkt dat er sprake is van een risico, moet de lidstaat de betreffende marktdeelnemer verzoeken de nodige corrigerende maatregelen te nemen of zelfs de betreffende uitrusting uit de handel te nemen of terug te roepen.

(18)

Het gebruik van uitrusting van zeeschepen waarop geen stuurwielmarkering is aangebracht, dient in uitzonderlijke omstandigheden te worden toegestaan, in het bijzonder als een schip in een haven of installatie buiten de Unie geen uitrusting met de stuurwielmarkering kan verkrijgen of als uitrusting met de stuurwielmarkering niet op de markt verkrijgbaar is.

(19)

Er dient voor te worden gezorgd dat de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn niet in het gedrang komt door het gebrek aan internationale normen of door ernstige tekortkomingen of onregelmatigheden in bestaande normen, met inbegrip van beproevingsnormen, voor specifieke uitrustingsonderdelen van zeeschepen die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Tevens moet worden bepaald voor welke specifieke uitrustingsonderdelen van zeeschepen elektronische labels geschikt zouden kunnen zijn. Voorts moet een niet-essentieel element van deze richtlijn regelmatig worden geactualiseerd, te weten de verwijzingen naar normen als bedoeld in bijlage III, en wel op het moment dat er nieuwe normen beschikbaar worden. Aan de Commissie moet derhalve de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om onder bepaalde voorwaarden voorlopige geharmoniseerde technische specificaties en beproevingsnormen vast te leggen en deze verwijzingen aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(20)

Om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze richtlijn worden bereikt, dienen de internationale instrumenten op uniforme wijze op de interne markt ten uitvoer te worden gelegd. Daarom moeten voor elk uitrustingsonderdeel waarvoor de goedkeuring van de vlaggenstaat op grond van de internationale verdragen is vereist de vereisten betreffende het ontwerp, de constructie en de prestaties alsmede de in de internationale instrumenten voor die uitrusting vastgelegde beproevingsnormen op een duidelijke en tijdige wijze worden bepaald en moeten er gemeenschappelijke criteria en procedures, met inbegrip van termijnen, voor de tenuitvoerlegging van deze vereisten en normen worden vastgelegd door de aangemelde instanties, de autoriteiten van de lidstaten en de marktdeelnemers, met inbegrip van marktdeelnemers die verantwoordelijk zijn voor het plaatsen van uitrusting aan boord van een EU-schip. Tevens dient ervoor te worden gezorgd dat de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn niet in het gedrang komt door tekortkomingen in de desbetreffende technische specificaties en beproevingsnormen of ingeval de IMO heeft verzuimd passende normen vast te stellen voor uitrusting van zeeschepen die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.

(21)

De geactualiseerde versie van de internationale instrumenten moet automatisch worden toegepast, behalve wat beproevingsnormen betreft. Teneinde het gevaar te beperken dat het opnemen van nieuwe beproevingsnormen in de Uniewetgeving vanuit het oogpunt van de duidelijkheid en de rechtszekerheid onevenredig grote problemen met zich meebrengt voor de Unievloot en de marktdeelnemers, mogen nieuwe beproevingsnormen niet automatisch in werking treden, maar dienen zij door de Commissie uitdrukkelijk te worden aangegeven.

(22)

Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(23)

Ter facilitering van een geharmoniseerde, snelle en eenvoudige uitvoering van deze richtlijn, moeten uitvoeringshandelingen uit hoofde van deze richtlijn worden vastgesteld in de vorm van verordeningen van de Commissie.

(24)

Overeenkomstig de vaste praktijk kan het in deze richtlijn bedoelde comité overeenkomstig zijn reglement van orde een nuttige rol spelen bij het onderzoeken van kwesties in verband met de toepassing van deze richtlijn die door zijn voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde worden gesteld.

(25)

Wanneer kwesties die verband houden met deze richtlijn, andere dan de uitvoering ervan of inbreuken erop, onderzocht worden, bijvoorbeeld in een deskundigenvergadering van de Commissie, moet het Europees Parlement overeenkomstig de heersende praktijk volledige informatie en documentatie ontvangen, alsook, voor zover passend, een uitnodiging om vergaderingen bij te wonen.

(26)

De Commissie krijgt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad (7) bijstand van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid bij de tenuitvoerlegging van de desbetreffende bindende rechtshandelingen van de Unie en bij het uitvoeren van de taken waarmee de Commissie in het kader daarvan is belast.

(27)

De bevoegde autoriteiten en alle marktdeelnemers doen al het nodige om de schriftelijke communicatie te vergemakkelijken, overeenkomstig de internationale praktijk, met als doel gemeenschappelijke communicatiemiddelen te vinden.

(28)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het verbeteren van de veiligheid op zee en het voorkomen van mariene verontreiniging door de uniforme toepassing van de desbetreffende internationale instrumenten betreffende uitrusting die aan boord van schepen wordt geplaatst, en het waarborgen van het vrije verkeer van dergelijke uitrusting binnen de Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang van de te nemen maatregelen beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(29)

De te nemen maatregelen behelzen een vergaande aanpassing van de bepalingen van Richtlijn 96/98/EG. In het belang van de duidelijkheid dient die richtlijn derhalve te worden ingetrokken en te worden vervangen door deze richtlijn,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

De doelstelling van deze richtlijn is de veiligheid op zee te verbeteren en de verontreiniging van de zee te voorkomen door de uniforme toepassing van de relevante internationale instrumenten met betrekking tot uitrusting die aan boord van EU-zeeschepen wordt geplaatst, alsmede het waarborgen van het vrije verkeer van dergelijke uitrusting binnen de Unie.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.   „uitrusting van zeeschepen”: uitrusting die overeenkomstig artikel 3 binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt;

2.   „EU-schip”: een schip dat onder de vlag van een lidstaat vaart en waarop de internationale verdragen van toepassing zijn;

3.   

„internationale verdragen”

: de volgende verdragen die met inbegrip van hun verplicht toepasbare protocollen en codes zijn aangenomen onder auspiciën van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), die in werking zijn getreden en waarin specifieke vereisten zijn vastgelegd voor de goedkeuring door de vlaggenstaat van uitrusting die aan boord van schepen wordt geplaatst:

het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee van 1972 (COLREG),

het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973 (MARPOL),

het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS);

4.   

„beproevingsnormen”

: de beproevingsnormen voor uitrusting van zeeschepen opgesteld door:

de Internationale Maritieme Organisatie (IMO),

de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO),

de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC),

de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN),

het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (Cenelec),

de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU),

het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI),

de Commissie, overeenkomstig artikel 8 en artikel 27, lid 6, van deze richtlijn,

de regelgevende instanties die zijn erkend in de overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning waarbij de Unie partij is;

5.   „internationale instrumenten”: de relevante internationale verdragen, met inbegrip van de resoluties en circulaires van de IMO die uitvoering geven aan de geactualiseerde versie van deze verdragen, alsmede de beproevingsnormen;

6.   „stuurwielmarkering”: het in artikel 9 bedoelde en in bijlage I weergegeven symbool of, indien van toepassing, het in artikel 11 bedoelde elektronische label;

7.   „aangemelde instantie”: een organisatie die door de bevoegde nationale instantie van een lidstaat is aangewezen overeenkomstig artikel 17;

8.   „op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van uitrusting van zeeschepen op de markt in de Unie;

9.   „in de handel brengen”: het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van uitrusting van zeeschepen;

10.   „fabrikant”: een natuurlijke of rechtspersoon die uitrusting van zeeschepen vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen, en deze onder zijn naam of handelsmerk verhandelt;

11.   „gemachtigde”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken te vervullen;

12.   „importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die uitrusting van zeeschepen uit een derde land in de Unie in de handel brengt;

13.   „distributeur”: een natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, verschillend van de fabrikant of de importeur, die uitrusting van zeeschepen op de markt aanbiedt;

14.   „marktdeelnemers”: de fabrikant, de gemachtigde, de importeur en de distributeur;

15.   „accreditatie”: accreditatie als gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

16.   „nationale accreditatie-instantie”: nationale accreditatie-instantie als gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

17.   „conformiteitsbeoordeling”: het door de aangemelde instanties overeenkomstig artikel 15 uitgevoerde proces waarmee wordt aangetoond dat uitrusting van zeeschepen al of niet voldoet aan de vereisten van deze richtlijn;

18.   „conformiteitsbeoordelingsinstantie”: een instantie die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verricht, zoals onder meer ijken, testen, certificeren en inspecteren;

19.   „terugroepen”: maatregel waarmee wordt beoogd uitrusting van zeeschepen terug te doen keren die al aan boord van EU-schepen is geplaatst of is aangekocht met de bedoeling deze aan boord van EU-schepen te plaatsen;

20.   „uit de handel nemen”: maatregel waarmee wordt beoogd te voorkomen dat uitrusting van zeeschepen die zich in de toeleveringsketen bevindt, op de markt wordt aangeboden;

21.   „EU-conformiteitsverklaring”: verklaring die overeenkomstig artikel 16 is afgegeven door de fabrikant;

22.   „product”: een uitrustingsonderdeel van zeeschepen.

Artikel 3

Werkingssfeer

1.   Deze richtlijn is van toepassing op uitrusting die aan boord van een schip van de Unie is of wordt geplaatst en waarvoor de goedkeuring van de bevoegde instantie van de vlaggenstaat op grond van de internationale instrumenten is vereist, ongeacht of het schip zich in de Unie bevindt op het moment waarop de uitrusting erop wordt geplaatst.

2.   Niettegenstaande het feit dat de in lid 1 bedoelde uitrusting kan vallen binnen de werkingssfeer van andere instrumenten van Unierecht dan deze richtlijn, is op die uitrusting, voor de in artikel 1 uiteengezette doelstellingen, uitsluitend deze richtlijn van toepassing.

Artikel 4

Vereisten voor uitrusting van zeeschepen

1.   Uitrusting van zeeschepen die op of na de in de tweede alinea van artikel 39, lid 1, vermelde datum aan boord van een EU-schip is geplaatst, voldoet aan de in de internationale instrumenten vastgelegde vereisten betreffende het ontwerp, de constructie en de prestaties die van toepassing waren op het moment waarop die uitrusting aan boord is geplaatst.

2.   Overeenstemming van uitrusting van zeeschepen met de vereisten waarnaar in punt 1 wordt verwezen, wordt uitsluitend aangetoond aan de hand van de beproevingsnormen en de conformiteitsbeoordelingsprocedures die zijn vermeld in artikel 15.

3.   De internationale instrumenten zijn van toepassing onverminderd de conformiteitscontroleprocedure als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad (8).

4.   De in de leden 1 en 2 bedoelde vereisten en normen worden op uniforme wijze overeenkomstig artikel 35, lid 2, toegepast.

Artikel 5

Toepassing

1.   Wanneer de lidstaten overeenkomstig de internationale verdragen certificaten uitreiken, bekrachtigen of vernieuwen voor schepen die onder hun vlag varen, zorgen zij ervoor dat de uitrusting van zeeschepen aan boord van die schepen voldoet aan de vereisten van deze richtlijn.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat uitrusting van zeeschepen aan boord van schepen die onder hun vlag varen voldoet aan de vereisten in de internationale instrumenten die van toepassing zijn op uitrusting die al aan boord is geplaatst. Teneinde er zorg voor te dragen dat deze maatregelen op uniforme wijze worden toegepast, worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden toegekend overeenkomstig artikel 35, lid 3.

Artikel 6

Werking van de interne markt

De lidstaten mogen het in de handel brengen of het plaatsen van uitrusting van zeeschepen aan boord van een EU-schip niet verbieden, noch mogen zij weigeren om de desbetreffende certificaten uit te reiken aan schepen die onder hun vlag varen of om deze certificaten te vernieuwen, als die uitrusting voldoet aan deze richtlijn.

Artikel 7

Omvlaggen van een schip naar een lidstaat

1.   Een niet-EU-schip dat wordt omgevlagd naar een lidstaat, wordt door de ontvangende lidstaat onderworpen aan een inspectie, waarbij wordt gecontroleerd of de toestand waarin de uitrusting verkeert in overeenstemming is met de veiligheidscertificaten en hetzij in overeenstemming is met deze richtlijn en voorzien is van de stuurwielmarkering, hetzij ten genoegen van de bevoegde nationale instantie van de lidstaat gelijkwaardig is aan de uitrusting die overeenkomstig deze richtlijn is gecertificeerd met ingang van 18 september 2016.

2.   Ingeval niet kan worden vastgesteld op welke datum uitrusting is geplaatst aan boord van zeeschepen, kunnen de lidstaten adequate gelijkwaardigheidseisen vaststellen, rekening houdend met de relevante internationale instrumenten.

3.   De uitrusting wordt vervangen tenzij de stuurwielmarkering op de uitrusting is aangebracht of de bevoegde nationale instantie die uitrusting gelijkwaardig acht.

4.   Voor uitrusting van zeeschepen die op grond van dit artikel als gelijkwaardig wordt beschouwd, geeft de lidstaat een certificaat af dat te allen tijde bij de uitrusting wordt bewaard. Met dit certificaat geeft de lidstaat die vlaggenstaat is toestemming om de uitrusting aan boord van het schip te houden en worden eventuele beperkingen of bepalingen betreffende het gebruik van de uitrusting opgelegd.

Artikel 8

Normen voor uitrusting van zeeschepen

1.   Onverminderd Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), als gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad (10), zet de Unie zich ervoor in dat de IMO en normalisatie-instellingen passende internationale normen ontwikkelen, waaronder gedetailleerde technische specificaties en beproevingsnormen, voor uitrusting van zeeschepen waarvan het gebruik of de installatie aan boord van schepen nodig wordt geacht om de maritieme veiligheid en de voorkoming van mariene verontreiniging te verbeteren. De Commissie controleert deze ontwikkeling regelmatig.

2.   Bij gebrek aan een internationale norm voor een specifiek uitrustingsonderdeel van zeeschepen wordt, in uitzonderlijke omstandigheden die naar behoren, aan de hand van een passende analyse, gerechtvaardigd zijn met het oog op het wegnemen van een ernstige en onaanvaardbare bedreiging voor de maritieme veiligheid, de gezondheid of het milieu, en rekening houdend met eventuele lopende werkzaamheden op het niveau van de IMO, aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 37 geharmoniseerde technische specificaties en beproevingsnormen vast te stellen voor dat specifieke uitrustingsonderdeel van zeeschepen.

Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding van deze gedelegeerde handelingen deskundigen, onder meer uit de lidstaten, raadpleegt.

Deze technische specificaties en beproevingsnormen worden voorlopig toegepast totdat de IMO een norm voor dat specifieke uitrustingsonderdeel van zeeschepen vaststelt.

3.   In uitzonderlijke omstandigheden die naar behoren, aan de hand van een passende analyse, gerechtvaardigd zijn, en indien zulks noodzakelijk is voor het wegnemen van een vastgestelde onaanvaardbare bedreiging voor de maritieme veiligheid, de gezondheid of het milieu ingevolge een ernstige tekortkoming of onregelmatigheid in een bestaande norm voor een specifiek uitrustingsonderdeel van zeeschepen als bepaald door de Commissie overeenkomstig artikel 35, lid 2 of lid 3, en rekening houdend met eventuele lopende werkzaamheden op het niveau van de IMO, wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om door middel van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 37 geharmoniseerde technische specificaties en beproevingsnormen voor dat specifieke uitrustingsonderdeel van zeeschepen vast te stellen, voor zover dat nodig is om enkel de ernstige tekortkoming of onregelmatigheid te verhelpen.

Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding van deze gedelegeerde handelingen deskundigen, onder meer uit de lidstaten, raadpleegt.

Die technische specificaties en beproevingsnormen worden voorlopig toegepast totdat de IMO de toepasselijke norm voor dat specifieke uitrustingsonderdeel van zeeschepen heeft herzien.

4.   De overeenkomstig de leden 2 en 3 vastgestelde technische specificaties en normen worden gratis ter beschikking gesteld door de Commissie.

HOOFDSTUK 2

DE STUURWIELMARKERING

Artikel 9

De stuurwielmarkering

1.   Op uitrusting van zeeschepen waarvan overeenkomstig de desbetreffende conformiteitsbeoordelingsprocedures is aangetoond dat deze voldoet aan de vereisten van deze richtlijn, wordt de stuurwielmarkering aangebracht.

2.   De stuurwielmarkering mag niet op andere producten worden aangebracht.

3.   De vorm van de stuurwielmarkering is als weergegeven in bijlage I.

4.   Het gebruik van de stuurwielmarkering is onderhevig aan de algemene beginselen die zijn vervat in de leden 1 en 3 tot en met 6 van artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008, waarbij elke verwijzing naar de CE-markering als verwijzing naar de stuurwielmarkering wordt beschouwd.

Artikel 10

Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de stuurwielmarkering

1.   De stuurwielmarkering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het product of op het gegevensplaatje aangebracht en, in voorkomend geval, ingebed in de software ervan. Wanneer dit gezien de aard van het product niet mogelijk of niet gerechtvaardigd is, wordt de stuurwielmarkering aangebracht op de verpakking en in de begeleidende documenten.

2.   De stuurwielmarkering wordt aan het einde van de productiefase aangebracht.

3.   De stuurwielmarkering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien genoemde instantie betrokken is bij de fase van de productiecontrole, en door het jaar dat het merk is aangebracht.

4.   Het identificatienummer van de aangemelde instantie wordt aangebracht door die instantie zelf dan wel overeenkomstig haar instructies door de fabrikant of diens gemachtigde.

Artikel 11

Elektronisch label

1.   Om het markttoezicht te vergemakkelijken en de namaak van specifieke uitrustingsonderdelen van zeeschepen als bedoeld in lid 3 te voorkomen, kunnen fabrikanten de stuurwielmarkering aanvullen met of vervangen door een passend en betrouwbaar type elektronisch label. In dat geval zijn de artikelen 9 en 10 van overeenkomstige toepassing.

2.   De Commissie voert een kosten-batenanalyse uit met betrekking tot het gebruik van het elektronische label als aanvulling op of ter vervanging van de stuurwielmarkering.

3.   De Commissie kan overeenkomstig artikel 37 gedelegeerde handelingen vaststellen ter bepaling van de specifieke uitrustingsonderdelen van zeeschepen waarvoor elektronische labels geschikt zouden zijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding van deze gedelegeerde handelingen deskundigen, onder meer uit de lidstaten, raadpleegt.

4.   Aan de Commissie worden uitvoeringsbevoegdheden toegekend om in de vorm van verordeningen van de Commissie en overeenkomstig de in artikel 38, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure passende technische criteria met betrekking tot het ontwerp, de prestaties, het aanbrengen en het gebruik van elektronische labels vast te stellen.

5.   Voor overeenkomstig lid 3 bepaalde uitrusting kan de stuurwielmarkering, binnen drie jaar na de datum van vaststelling van de in lid 4 bedoelde passende technische criteria, worden aangevuld met een passend en betrouwbaar type elektronisch label.

6.   Voor overeenkomstig lid 3 bepaalde uitrusting kan de stuurwielmarkering, binnen vijf jaar na de datum van vaststelling van de in lid 4 bedoelde passende technische criteria, worden vervangen door een passend en betrouwbaar type elektronisch label.

HOOFDSTUK 3

VERPLICHTINGEN VAN MARKTDEELNEMERS

Artikel 12

Verplichtingen van fabrikanten

1.   Indien zij de stuurwielmarkering aanbrengen, zijn fabrikanten er verantwoordelijk voor te waarborgen dat de uitrusting van zeeschepen waarop het merk is aangebracht, is ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de technische specificaties en normen die overeenkomstig artikel 35, lid 2, zijn geïmplementeerd, en voldoen zij aan de verplichtingen die zijn vastgelegd in de leden 2 tot en met 9 van dit artikel.

2.   De fabrikanten stellen de vereiste technische documentatie op en laten de toepasselijke conformiteitsbeoordelingsprocedures uitvoeren.

3.   Wanneer met de conformiteitsbeoordelingsprocedure is aangetoond dat de uitrusting van zeeschepen aan de toepasselijke vereisten voldoet, stellen de fabrikanten overeenkomstig artikel 16 een EU-conformiteitsverklaring op en brengen zij overeenkomstig de artikelen 9 en 10 de stuurwielmarkering aan.

4.   De fabrikanten bewaren de technische documentatie en de in artikel 16 genoemde EU-conformiteitsverklaring gedurende een periode van ten minste tien jaar nadat de stuurwielmarkering is aangebracht, en in geen geval korter dan de verwachte levensduur van de betrokken uitrusting van zeeschepen.

5.   De fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van hun serieproductie voortdurend te waarborgen. Zij houden rekening met veranderingen in het ontwerp of in de kenmerken van de uitrusting van zeeschepen en veranderingen in de vereisten in de internationale instrumenten als bedoeld in artikel 4, op basis waarvan de overeenstemming van uitrusting van zeeschepen wordt bevestigd. Als het op grond van bijlage II nodig is, laten de fabrikanten een nieuwe conformiteitsbeoordeling uitvoeren.

6.   De fabrikanten zorgen ervoor dat op hun producten een type-, partij- of serienummer, dan wel een ander identificatiemiddel is aangebracht, of wanneer dit door de omvang of aard van het product niet mogelijk is, dat de vereiste informatie op de verpakking of in een bij het product gevoegd document, dan wel, naargelang het geval, op beide wijzen, is vermeld.

7.   De fabrikanten vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerde handelsmerk en het contactadres op het product, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het product gevoegd document, dan wel, naargelang het geval, op beide wijzen. Het adres geeft één enkele plaats aan waar de fabrikant kan worden gecontacteerd.

8.   De fabrikanten zorgen ervoor dat bij het product instructies en alle nodige informatie voor het veilig aan boord installeren en het veilige gebruik van het product worden geleverd, indien van toepassing met inbegrip van beperkingen ten aanzien van het gebruik, die de gebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, alsmede alle andere documentatie die op grond van de internationale instrumenten of beproevingsnormen is vereist.

9.   Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een product waarop zij de stuurwielmarkering hebben aangebracht niet in overeenstemming is met de toepasselijke vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie en de prestaties en de beproevingsnormen die worden toegepast overeenkomstig artikel 35, leden 2 en 3, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product in overeenstemming te brengen of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Voorts brengen de fabrikanten, indien het product een risico vertoont, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

10.   De fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde autoriteit aan deze autoriteit onverwijld alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het product aan te tonen, in een taal die voor deze autoriteit gemakkelijk te begrijpen of aanvaardbaar is, verlenen die autoriteit overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 765/2008 onverwijld toegang tot hun bedrijfsruimten om markttoezichtactiviteiten te verrichten en verstrekken onverwijld monsters of verlenen toegang tot monsters overeenkomstig artikel 25, lid 4, van deze richtlijn. Op verzoek van die autoriteit verlenen zij medewerking aan maatregelen ter voorkoming van de risico’s van de door hen in de handel gebrachte producten.

Artikel 13

Gemachtigden

1.   Als een fabrikant niet op het grondgebied van ten minste één lidstaat is gevestigd, wijst hij door middel van een schriftelijk mandaat een gemachtigde voor de Unie aan en vermeldt hij in het mandaat de naam en het contactadres van de gemachtigde.

2.   De naleving van de in artikel 12, lid 1, neergelegde verplichtingen en de opstelling van technische documentatie maken geen deel uit van het mandaat van de gemachtigde.

3.   Een gemachtigde voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Het mandaat stelt de gemachtigde in staat ten minste de volgende taken te verrichten:

a)

hij houdt de EU-conformiteitsverklaring en de technische documentatie ter beschikking van de nationale toezichtautoriteiten gedurende ten minste tien jaar nadat de stuurwielmarkering is aangebracht, en in geen geval korter dan de verwachte levensduur van de betrokken uitrusting van zeeschepen;

b)

hij verstrekt een bevoegde autoriteit op grond van een met redenen omkleed verzoek alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het product aan te tonen;

c)

hij verleent op verzoek van de bevoegde instanties medewerking aan eventueel genomen maatregelen ter uitschakeling van de risico’s van producten die onder zijn mandaat vallen.

Artikel 14

Andere marktdeelnemers

1.   Importeurs vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerde handelsmerk en het contactadres op het product, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het product gevoegd document, dan wel, naargelang het geval, op beide wijzen.

2.   Importeurs en distributeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde autoriteit aan deze autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van een product aan te tonen, in een taal die voor deze autoriteit gemakkelijk te begrijpen of aanvaardbaar is. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan maatregelen ter voorkoming van de risico’s van de door hen in de handel gebrachte producten.

3.   Een importeur of distributeur wordt voor de toepassing van deze richtlijn als een fabrikant beschouwd en voldoet aan de in artikel 12 vermelde verplichtingen van de fabrikant wanneer hij uitrusting van zeeschepen onder zijn eigen naam of merknaam in de handel brengt dan wel aan boord van een EU-schip plaatst of reeds in de handel gebrachte uitrusting van zeeschepen zodanig wijzigt dat de conformiteit met de toepasselijke eisen in het gedrang kan komen.

4.   Gedurende ten minste tien jaar nadat de stuurwielmarkering is aangebracht, en in geen geval korter dan de verwachte levensduur van de betrokken uitrusting van zeeschepen moeten marktdeelnemers, op verzoek, aan de markttoezichtautoriteiten kunnen mededelen:

a)

welke marktdeelnemer een product aan hen heeft geleverd;

b)

aan welke marktdeelnemer zij een product hebben geleverd.

HOOFDSTUK 4

CONFORMITEITSBEOORDELING EN AANMELDING VAN CONFORMITEITSBEOORDELINGSINSTANTIES

Artikel 15

Conformiteitsbeoordelingsprocedures

1.   De conformiteitsbeoordelingsprocedures staan in bijlage II.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de fabrikant of diens gemachtigde de conformiteitsbeoordeling van een specifiek uitrustingsonderdeel van zeeschepen laat uitvoeren door een aangemelde instantie, met gebruikmaking van een van de opties die de Commissie heeft vastgelegd door middel van uitvoeringshandelingen die zij overeenkomstig de in artikel 38, lid 2, vermelde onderzoeksprocedure heeft vastgesteld, waarbij hij een van de volgende procedures kan kiezen:

a)

als er een EG-typeonderzoek (module B) wordt verricht, wordt alle uitrusting van zeeschepen, voorafgaande aan het in de handel brengen, onderworpen aan:

productiekwaliteitsborging (module D), of

productkwaliteitsborging (module E), of

productkeuring (module F);

b)

Voor uitrusting van zeeschepen die per stuk of in kleine hoeveelheden en niet in serie- of massaproductie wordt vervaardigd, mag de conformiteitsbeoordelingsprocedure de EG-eenheidskeuring (module G) zijn.

3.   De Commissie houdt via het daartoe ter beschikking gestelde informatiesysteem een actuele lijst bij van goedgekeurde uitrusting van zeeschepen en ingetrokken of geweigerde aanvragen en stelt deze ter beschikking van belanghebbenden.

Artikel 16

EU-conformiteitsverklaring

1.   In de EU-conformiteitsverklaring wordt vermeld dat aangetoond is dat aan de vereisten in artikel 4 is voldaan.

2.   De structuur van de EU-conformiteitsverklaring komt overeen met het model in bijlage III bij Besluit nr. 768/2008/EG. De verklaring omvat de elementen die zijn vastgelegd in de betrokken modules van bijlage II bij deze richtlijn en wordt actueel gehouden.

3.   Door de EU-conformiteitsverklaring op te stellen, aanvaardt de fabrikant de in artikel 12, lid 1, vermelde verantwoordelijkheid en verplichtingen.

4.   Als uitrusting van zeeschepen aan boord van een EU-schip wordt geplaatst, ontvangt het schip een exemplaar van de EU-conformiteitsverklaring die van toepassing is op de betrokken uitrusting en deze wordt aan boord bewaard totdat de genoemde uitrusting van het schip wordt verwijderd. De EU-conformiteitsverklaring wordt door de fabrikant vertaald in de taal of talen die worden vereist door de lidstaat die vlaggenstaat is, waaronder ten minste één taal die in de zeetransportsector courant wordt gebruikt.

5.   Een afschrift van de EU-conformiteitsverklaring wordt verstrekt aan de aangemelde instantie of aan de instanties die de betrokken conformiteitsbeoordelingsprocedures heeft respectievelijk hebben verricht.

Artikel 17

Aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties

1.   De lidstaten melden de instanties die bevoegd zijn om uit hoofde van deze richtlijn conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten aan bij de Commissie en de andere lidstaten via het door de Commissie daartoe ter beschikking gestelde informatiesysteem.

2.   De aangemelde instanties voldoen aan de vereisten van bijlage III.

Artikel 18

Aanmeldende autoriteiten

1.   De lidstaten wijzen een aanmeldende autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en het toezicht op de aangemelde instanties, met inbegrip van de naleving van artikel 20.

2.   De aangemelde instanties worden ten minste om de twee jaar gecontroleerd. De Commissie kan beslissen om als waarnemer aan de controle deel te nemen.

3.   De lidstaten kunnen bepalen dat de in lid 1 bedoelde beoordeling en controle moeten worden uitgevoerd door een nationale accreditatie-instantie.

4.   Wanneer de aanmeldende autoriteit de beoordeling, de aanmelding of het toezicht, bedoeld in lid 1 delegeert of op andere wijze toevertrouwt aan een instantie die geen overheidsinstantie is, is deze instantie een rechtspersoon en voldoet zij mutatis mutandis aan de vereisten die zijn vastgesteld in bijlage V. Voorts treft deze instantie maatregelen om de aansprakelijkheid voor haar activiteiten te dekken.

5.   De aanmeldende autoriteit is volledig aansprakelijk voor de taken die de in lid 4 vermelde instantie verricht.

6.   De aanmeldende autoriteit voldoet aan de vereisten die zijn vastgesteld in bijlage V.

Artikel 19

Informatieverplichting voor aanmeldende autoriteiten

1.   De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van hun procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op dergelijke instanties, en van alle wijzigingen daarvan.

2.   De Commissie maakt deze informatie via het daartoe ter beschikking gestelde informatiesysteem openbaar.

Artikel 20

Dochterondernemingen van, en uitbesteding door, aangemelde instanties

1.   Wanneer de aangemelde instantie specifieke taken in verband met de conformiteitsbeoordeling uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de vereisten in bijlage III voldoet, en brengt zij de aanmeldende autoriteit hiervan op de hoogte.

2.   Aangemelde instanties nemen de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze gevestigd zijn.

3.   Activiteiten mogen uitsluitend met instemming van de klant worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd.

4.   Aangemelde instanties houden de relevante documenten aangaande de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en aangaande de door de onderaannemer of dochteronderneming uit hoofde van deze richtlijn uitgevoerde werkzaamheden ter beschikking van de aanmeldende autoriteit.

Artikel 21

Wijzigingen van de aanmelding

1.   Wanneer een aanmeldende autoriteit heeft geconstateerd of vernomen dat een aangemelde instantie niet langer aan de vereisten van bijlage III voldoet of haar verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn niet nakomt, wordt de aanmelding door de aanmeldende autoriteit beperkt, opgeschort of ingetrokken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan die eisen of het niet-nakomen van die verplichtingen. Zij brengt de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte via het daartoe door de Commissie ter beschikking gestelde informatiesysteem.

2.   Wanneer de aanmelding wordt beperkt, opgeschort of ingetrokken, of de aangemelde instantie haar activiteiten heeft gestaakt, doet de aanmeldende lidstaat het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die instantie hetzij door een andere aangemelde instantie worden behandeld, hetzij aan de verantwoordelijke aanmeldende autoriteiten en markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 22

Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties

1.   De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij op basis van de beschikbare of aan haar verstrekte informatie twijfelt over de bekwaamheid van een aangemelde instantie of over de vraag of een aangemelde instantie nog aan de eisen voldoet en haar verantwoordelijkheden nakomt.

2.   De aanmeldende lidstaat verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken instantie.

3.   Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.

4.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een aangemelde instantie niet of niet langer aan de aanmeldingseisen voldoet, brengt zij de aanmeldende lidstaat daarvan onverwijld op de hoogte en verzoekt zij deze lidstaat, onverwijld de nodige corrigerende maatregelen te nemen en zo nodig de aanmelding in te trekken.

Artikel 23

Operationele verplichtingen van aangemelde instanties

1.   Aangemelde instanties voeren conformiteitsbeoordelingen uit of laten die uitvoeren volgens de procedures in artikel 15.

2.   Wanneer een aangemelde instantie vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 12, verlangt zij van die fabrikant dat hij onverwijld passende corrigerende maatregelen neemt en verleent zij geen conformiteitscertificaat.

3.   Wanneer een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit na verlening van een conformiteitcertificaat vaststelt dat een product niet meer conform is, verlangt zij van de fabrikant dat hij onverwijld passende corrigerende maatregelen neemt en zo nodig schort zij het certificaat op of trekt zij dit in. Wanneer er geen corrigerende maatregelen worden genomen of de genomen maatregelen niet het vereiste effect hebben, wordt het certificaat door de aangemelde instantie naar gelang het geval beperkt, opgeschort of ingetrokken.

Artikel 24

Verplichting voor aangemelde instanties om informatie te verstrekken

1.   Aangemelde instanties brengen de aanmeldende autoriteit op de hoogte van:

a)

elke weigering, beperking, opschorting of intrekking van conformiteitcertificaten;

b)

omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor aanmelding;

c)

informatieverzoeken over conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangen;

d)

op verzoek, de binnen de werkingssfeer van hun aanmelding verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbesteding.

2.   Aangemelde instanties verstrekken de Commissie en de lidstaten op verzoek relevante informatie over negatieve en positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten. Aangemelde instanties verstrekken de andere aangemelde instanties die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde producten verrichten informatie over negatieve conformiteitsbeoordelingsresultaten, en op verzoek ook over positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten.

HOOFDSTUK 5

MARKTTOEZICHT IN DE UNIE, CONTROLE VAN PRODUCTEN, VRIJWARINGSBEPALINGEN

Artikel 25

EU-markttoezichtkader

1.   De lidstaten houden toezicht op de markt voor uitrusting van zeeschepen overeenkomstig het EU-markttoezichtkader dat is vastgelegd in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008, behoudens de leden 2 en 3 van dit artikel.

2.   Bij de nationale markttoezichtinfrastructuur en -programma’s wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de sector uitrusting van zeeschepen, met inbegrip van de diverse procedures die in het kader van de conformiteitsbeoordelingen worden uitgevoerd, en in het bijzonder de verantwoordelijkheden die de bevoegde instantie van de vlaggenstaat op grond van de internationale verdragen draagt.

3.   In het kader van markttoezicht kunnen zowel documenten als al of niet aan boord van schepen geplaatste uitrusting van zeeschepen, waarop de stuurwielmarkering is aangebracht, worden gecontroleerd. Controle van uitrusting van zeeschepen die al aan boord is geplaatst, blijft beperkt tot onderzoek dat kan worden verricht terwijl de betrokken uitrusting volledig functioneel aan boord blijft.

4.   Als de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat, als omschreven in Verordening (EG) nr. 765/2008, steekproeven willen nemen, kunnen zij, wanneer dit redelijk en haalbaar is, de fabrikant verzoeken om de nodige monsters beschikbaar te stellen of op zijn kosten toegang te geven tot de monsters.

Artikel 26

Procedure voor uitrusting van zeeschepen die op nationaal niveau een risico vertoont

1.   Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat voldoende redenen hebben om aan te nemen dat onder deze richtlijn vallende uitrusting van zeeschepen een risico voor de maritieme veiligheid, de gezondheid of het milieu vormt, voeren zij een beoordeling van de betrokken uitrusting van zeeschepen uit in het licht van alle in deze richtlijn vastgestelde eisen. De betrokken marktdeelnemers werken op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.

Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij deze beoordeling vaststellen dat de uitrusting van zeeschepen niet aan de vereisten van deze richtlijn voldoet, verlangen zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om de uitrusting van zeeschepen overeenkomstig die vereisten te brengen of binnen een door hen vast te stellen redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, uit de handel te nemen of terug te roepen.

De markttoezichtautoriteiten brengen de bevoegde aangemelde instantie hiervan op de hoogte.

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in de tweede alinea van dit lid genoemde maatregelen.

2.   Wanneer de markttoezichtautoriteiten van mening zijn dat de niet-conformiteit niet tot hun nationale grondgebied of tot schepen die onder hun vlag varen beperkt is, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten, via het door de Commissie voor markttoezichtdoeleinden ter beschikking gestelde informatiesysteem, op de hoogte van de resultaten van de krachtens lid 1 uitgevoerde beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben verlangd.

3.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken producten die hij in de Unie op de markt heeft aangeboden, of, afhankelijk van het geval, aan boord van EU-schepen heeft geplaatst of voor dergelijke plaatsing heeft geleverd.

4.   Wanneer de betrokken marktdeelnemer niet binnen de door de markttoezichtautoriteiten overeenkomstig lid 1, tweede alinea, vastgestelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt of op andere wijze verzuimt aan de verplichtingen van deze richtlijn te voldoen, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden of het plaatsen aan boord van schepen die onder hun vlag varen van de uitrusting van zeeschepen te verbieden of te beperken, dan wel het product uit de handel te nemen of terug te roepen.

De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen op de hoogte.

5.   De in lid 4 bedoelde informatie over de door de markttoezichtautoriteiten genomen maatregelen omvat alle bekende bijzonderheden, in het bijzonder de gegevens die nodig zijn om de niet-conforme uitrusting van zeeschepen te identificeren en om de oorsprong van het product, de aard van de beweerde niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de genomen nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die worden aangevoerd door de betrokken marktdeelnemer. De markttoezichtautoriteiten vermelden in het bijzonder of de niet-conformiteit een van de volgende redenen heeft:

a)

de uitrusting van zeeschepen voldoet niet aan de toepasselijke vereisten van artikel 4 op het gebied van het ontwerp, de constructie en de prestaties;

b)

bij de conformiteitsbeoordelingsprocedure is niet voldaan aan de beproevingsnormen waarnaar in artikel 4 wordt verwezen;

c)

tekortkomingen in deze beproevingsnormen.

6.   De andere lidstaten dan die welke de procedure in gang heeft gezet, brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie over de niet-conformiteit van de uitrusting van zeeschepen waarover zij beschikken, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.

7.   Indien binnen vier maanden na de ontvangst van de in lid 4 bedoelde informatie aangaande de door de markttoezichtautoriteiten genomen maatregelen geen bezwaar tegen een voorlopige maatregel van een lidstaat is ingebracht door een lidstaat of de Commissie, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de betrokken uitrusting van zeeschepen onmiddellijk de passende beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van het product op hun markt.

Artikel 27

EU-vrijwaringsprocedure

1.   Wanneer na voltooiing van de procedure in artikel 26, leden 3 en 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat de nationale maatregel eventueel in strijd is met de wetgeving van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en voert zij een evaluatie van de betreffende nationale maatregel uit. Aan de hand van de resultaten van die evaluatie besluit de Commissie of de betreffende nationale maatregel gerechtvaardigd is.

2.   Voor de toepassing van lid 1, indien de Commissie er van overtuigd is dat de procedure voor het aannemen van de nationale maatregel geschikt is om het risico grondig en objectief te beoordelen en dat de nationale maatregel voldoet aan artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008, kan zij zich beperken tot het onderzoeken van de geschiktheid en evenredigheid van de nationale maatregel met betrekking tot het genoemde risico.

3.   De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer of marktdeelnemers daarvan onmiddellijk op de hoogte.

4.   Indien de betreffende nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om de uitrusting van zeeschepen die niet in overeenstemming is uit de handel te nemen en indien nodig terug te roepen. Zij brengen de Commissie daarvan op de hoogte.

5.   Als de betreffende nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregel in.

6.   Indien de niet-conformiteit van de uitrusting van zeeschepen wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de beproevingsnormen als bedoeld in artikel 4, kan de Commissie, met het oog op het verwezenlijken van de doelstelling van deze richtlijn, volgens de in artikel 38, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, door middel van uitvoeringshandelingen een nationale vrijwaringsmaatregel bevestigen, aanpassen of intrekken.

De Commissie is daarnaast bevoegd om volgens de procedure van artikel 37 door middel van gedelegeerde handelingen voorlopige geharmoniseerde vereisten en beproevingsnormen voor een specifiek uitrustingsonderdeel van zeeschepen vast te stellen. De criteria van artikel 8, lid 3, zijn van overeenkomstige toepassing. Deze vereisten en beproevingsnormen worden door de Commissie gratis ter beschikking gesteld.

7.   Als de betrokken beproevingsnorm een Europese norm is, brengt de Commissie de betrokken Europese normalisatie-instantie of -instanties op de hoogte en legt zij de aangelegenheid voor aan het bij artikel 5 van Richtlijn 98/34/EG ingestelde comité. Dit comité raadpleegt de relevante Europese normalisatie-instantie of -instanties en brengt onverwijld advies uit.

Artikel 28

Conforme producten die toch een risico voor de maritieme veiligheid, de gezondheid of het milieu met zich brengen

1.   Indien een lidstaat na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig artikel 26, lid 1, vaststelt dat uitrusting van zeeschepen die voldoen aan deze richtlijn, toc