ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 227

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
31 juli 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden

69

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

31.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 227/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 807/2014 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2014

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (1), en met name artikel 2, lid 3, artikel 14, lid 5, artikel 16, lid 5, artikel 19, lid 8, artikel 22, lid 3, artikel 28, leden 10 en 11, artikel 29, lid 6, artikel 30, lid 8, artikel 33, lid 4, artikel 34, lid 5, artikel 35, lid 10, artikel 36, lid 5, artikel 45, lid 6, artikel 47, lid 6, en artikel 89,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1305/2013 bevat algemene voorschriften voor de uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) gefinancierde uniale bijstand voor plattelandsontwikkeling die de in deel twee van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) neergelegde gemeenschappelijke bepalingen voor de Europese structuur- en investeringsfondsen vervolledigen. Er moeten aanvullende voorschriften worden vastgesteld.

(2)

De lidstaten moeten specifieke voorwaarden vaststellen en toepassen met betrekking tot de toegang van jonge landbouwers tot bijstand, ingeval zij zich niet als enig bedrijfshoofd vestigen. Om een gelijke behandeling van de begunstigden te waarborgen ongeacht de rechtsvorm waarin zij zich op een landbouwbedrijf willen vestigen, moet worden bepaald dat de voorwaarden waaronder een rechtspersoon of een andere vennootschap als een „jonge landbouwer” kan worden aangemerkt, gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor een natuurlijke persoon. Er moet worden voorzien in een gratieperiode die lang genoeg is om een jonge landbouwer in de gelegenheid te stellen de nodige kwalificaties te verwerven.

(3)

Om ervoor te zorgen dat uit het Elfpo gefinancierde landbouw- en bosbouwuitwisselingsprogramma’s en bezoeken aan landbouw- en bosbouwbedrijven duidelijk worden omschreven en van soortgelijke acties in het kader van andere Unieregelingen worden afgebakend en tegelijk met de diversiteit van de nationale situaties rekening te houden, moeten de lidstaten de duur en inhoud van dergelijke programma’s en bezoeken in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s omschrijven. De inhoudelijke nadruk moet liggen op bepaalde terreinen die nauw verbonden zijn met de verwezenlijking van de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling.

(4)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de kenmerken van producentengroeperingen en de soorten acties waaraan bijstand kan worden verleend in het kader van de afzetbevorderingscomponent van de maatregel inzake kwaliteitsregelingen; in dit verband moeten bepaalde voorwaarden worden gesteld die concurrentieverstoring en discriminatie van producten voorkomen, en moeten handelsmerken van bijstand worden uitgesloten.

(5)

De in artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bedrijfsplannen moeten voldoende elementen bevatten om te kunnen nagaan of de doelstellingen van de geselecteerde concrete actie zijn verwezenlijkt. Met het oog op een gelijke behandeling van begunstigden in de gehele Unie en met het oog op een betere monitoring moet het productiepotentieel van het landbouwbedrijf als criterium voor de vaststelling van de in artikel 19, lid 4, van die verordening bedoelde grenzen worden gehanteerd.

(6)

Er moeten minimale milieueisen voor de bebossing van landbouwgrond worden vastgesteld die een niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, waaronder gebieden met een op een hoge natuurwaarde gerichte landbouw, voorkomen en die ervoor zorgen dat met de nodige weerstand tegen klimaatverandering rekening wordt gehouden. In een aangewezen Natura 2000-gebied moet de bebossing in overeenstemming zijn met de beheersdoelstellingen voor het betrokken gebied. In dit verband moet bijzondere aandacht worden besteed aan specifieke milieuvereisten in bepaalde gebieden zoals de voorkoming van bodemerosie. Er moeten strengere regels worden vastgesteld voor concrete bebossingsacties die tot de vorming van grotere bossen leiden teneinde rekening te houden met de impact van de omvang van deze concrete acties op de ecosystemen en om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de strategie voor groene infrastructuur (3) en de nieuwe EU-bosstrategie (4).

(7)

De voorwaarden die gelden voor verbintenissen inzake de extensivering van de veehouderij, het fokken van lokale rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan, en de instandhouding van de plantaardige genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd, moeten ervoor zorgen dat de verbintenissen zodanig worden omschreven dat zij stroken met de Unieprioriteiten voor plattelandsontwikkeling, en in het bijzonder met de noodzaak om het landschap en de kenmerken daarvan, de natuurlijke hulpbronnen, waaronder water, en de bodem en de genetische diversiteit te beschermen.

(8)

Gedefinieerd moet worden welke concrete acties in aanmerking kunnen komen voor bijstand voor de instandhouding, het duurzame gebruik en de duurzame ontwikkeling van genetische hulpbronnen in de landbouw.

(9)

Om een dubbele financiering van de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) bedoelde klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en daaraan gelijkwaardige praktijken uit te sluiten, om concurrentieverstoring onder landbouwers te vermijden en om een solide beheer van de Elfpo-middelen te waarborgen, moet worden bepaald dat de als gevolg van deze praktijken gemaakte extra kosten en gederfde inkomsten in mindering moeten worden gebracht op de desbetreffende betalingen.

(10)

De terreinen waarop dierenwelzijnsverbintenissen op basis van hogere normen voor productiemethoden kunnen worden aangegaan, moeten worden omschreven. Daarbij moet worden vermeden dat deze dierenwelzijnsverbintenissen en de standaardlandbouwpraktijken, en in het bijzonder vaccinaties ter voorkoming van ziekten, elkaar overlappen.

(11)

De korte toeleveringsketens en plaatselijke markten waarvoor bijstand kan worden verleend, moeten worden gespecificeerd. Om de twee begrippen duidelijk te kunnen afbakenen, moet voor korte toeleveringsketens het aantal intermediairs als criterium worden gehanteerd, terwijl dit voor de plaatselijke markten de afstand vanaf het landbouwbedrijf in kilometers, met inachtneming van de specifieke geografische kenmerken van het betrokken gebied, moet zijn tenzij een overtuigend alternatief criterium wordt gepresenteerd. De samenwerking tussen kleine marktdeelnemers moet er nadrukkelijk op zijn gericht de algemene nadelen van de versnippering in de plattelandsgebieden te overwinnen. Daarom moet deze beperkt blijven tot micro-ondernemingen en natuurlijke personen die op het punt staan een micro-onderneming op te starten op het moment van de aanvraag van de bijstand. Met het oog op een coherente aanpak bij de tenuitvoerlegging van de samenwerkingsmaatregel mag in het kader van die maatregel alleen bijstand worden verleend voor afzetbevorderingsactiviteiten die met korte toeleveringsketens en plaatselijke markten verband houden.

(12)

Om ervoor te zorgen dat de in artikel 38, lid 3, onder b), en artikel 39, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bijdragen met betrekking tot de rente op commerciële leningen die een onderling fonds heeft afgesloten, op een passend niveau wordt gehouden, moeten de minimale en de maximale looptijd van deze commerciële leningen respectievelijk een en vijf jaar bedragen.

(13)

Om een efficiënt gebruik van de Elfpo-middelen te waarborgen, moeten bepaalde soorten uitgaven in verband met leasecontracten, zoals de marge voor de leasinggever, de herfinancieringskosten, de overheadkosten en de verzekeringskosten, van bijstand worden uitgesloten. Om rekening te houden met het feit dat de financiële situatie en de staat van ontwikkeling van de landbouwsector van lidstaat tot lidstaat uiteenlopen, en met het oog op een solide financieel beheer van de Elfpo-middelen moeten de lidstaten worden verplicht in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s de voorwaarden te omschrijven waaronder tweedehands materieel voor bijstand in aanmerking kan komen. Overeenkomstig de Unieprioriteiten voor plattelandsontwikkeling mag alleen Elfpo-bijstand worden verleend voor investeringen in hernieuwbare energie met een hoge energie-efficiëntie en een hoog milieuprestatieniveau. Daartoe moeten de lidstaten minimumeisen op het gebied van de energie-efficiëntie vaststellen. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat aan de geldende criteria voor bio-energie wordt voldaan. Tevens dienen de lidstaten de overgang van de eerste naar de tweede generatie biobrandstoffen te ondersteunen en moeten zij de productie van geavanceerde biobrandstoffen bevorderen waarmee de broeikasgasemissies sterk worden verminderd met een gering risico op indirecte verandering in het grondgebruik en waarbij niet rechtstreeks met landbouwgrond voor de productie van voedingsmiddelen en veevoeder wordt geconcurreerd.

(14)

Er moeten voorwaarden worden vastgesteld voor de omzetting of aanpassing van verbintenissen in het kader van de maatregelen waarin de artikelen 28, 29, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voorzien, en de situaties waarin terugbetaling van de steun niet is vereist, moeten worden omschreven. Gewaarborgd moet worden dat de omzetting of aanpassing van verbintenissen alleen mogelijk is wanneer de milieudoelstellingen van de verbintenis in stand blijven of worden aangescherpt.

(15)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld voor de overgang van plattelandsontwikkelingssteun in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (6) of, in het geval van Kroatië, Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad (7), naar bijstand in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013. Aangezien een aantal overgangsbepalingen voor plattelandsontwikkeling al bij Verordening (EU) nr. 1310/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) is ingevoerd, moet de onderhavige verordening de voorwaarden vaststellen waaronder de uitgaven met betrekking tot de in de artikelen 52 en 63 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde maatregelen subsidiabel worden in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013. Bij deze verordening moeten ook de datums voor de indiening van de ex-postevaluaties van de programma’s en de samenvatting daarvan worden aangepast om rekening te houden met de in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1310/2013 opgenomen overgangsbepalingen met betrekking tot de uitvoering van de programma’s van de programmeringsperiode 2007-2013 in 2014.

(16)

Omdat Verordening (EU) nr. 1305/2013 in de plaats treedt van Verordening (EG) nr. 1698/2005, moeten de bij Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (9) vastgestelde uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden ingetrokken. Verordening (EG) nr. 1974/2006 moet derhalve worden ingetrokken.

(17)

Gelet op het feit dat de programmeringsperiode 2014-2020 bij de bekendmaking van de onderhavige verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie al van start is gegaan, moet de termijn voor de inwerkingtreding ervan zo veel mogelijk worden bekort. Daarom moet zij op de datum van bekendmaking ervan in werking treden en vanaf de eerste dag van de programmeringsperiode 2014-2020, namelijk 1 januari 2014, van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Toepassingsgebied

Bij deze verordening worden vastgesteld:

1.

bepalingen tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wat betreft:

a)

jonge landbouwers;

b)

landbouw- en bosbouwuitwisselingsprogramma’s en bezoeken aan landbouw- en bosbouwbedrijven;

c)

kwaliteitsregelingen — afzetbevordering;

d)

ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen;

e)

bebossing en de aanleg van beboste gebieden;

f)

agromilieu en -klimaat;

g)

instandhouding van genetische hulpbronnen in de land- en bosbouw;

h)

uitsluiting van dubbele financiering;

i)

dierenwelzijn;

j)

samenwerking;

k)

commerciële leningen aan onderlinge fondsen;

l)

investeringen;

m)

omzetting of aanpassing van verbintenissen;

n)

uitgebreide of nieuwe verbintenissen;

2.

specifieke overgangsvoorschriften tot vaststelling van de voorwaarden waaronder steun die de Commissie in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of, in het geval van Kroatië, in het kader van Verordening (EG) nr. 1085/2006, heeft goedgekeurd, kan worden geïntegreerd in de bijstand die in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt verleend, inclusief technische bijstand in het geval van Kroatië.

HOOFDSTUK II

BEPALINGEN TOT AANVULLING VAN DE VOORSCHRIFTEN VOOR PLATTELANDSONTWIKKELINGSMAATREGELEN

Artikel 2

Jonge landbouwer

1.   De lidstaten stellen voor een jonge landbouwer als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder n), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, die zich niet als enig bedrijfshoofd vestigt, specifieke voorwaarden voor diens toegang tot bijstand vast en passen deze toe, ongeacht de rechtsvorm van het desbetreffende bedrijf. Deze voorwaarden zijn gelijkwaardig aan die welke gelden voor een jonge landbouwer die zich als enig bedrijfshoofd vestigt. In alle gevallen behoudt een jonge landbouwer de zeggenschap over het bedrijf.

2.   Wanneer de bijstandsaanvraag betrekking heeft op een bedrijf dat in handen van een rechtspersoon is, heeft een jonge landbouwer in de zin van artikel 2, lid 1, onder n), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over de rechtspersoon wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico’s worden genomen. Indien meerdere natuurlijke personen, met inbegrip van personen die geen jonge landbouwer zijn, in het kapitaal of het beheer van de rechtspersoon deelnemen, moet de jonge landbouwer hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers een dergelijke daadwerkelijke, langdurige zeggenschap kunnen uitoefenen;

Indien over een rechtspersoon alleen of gezamenlijk zeggenschap wordt uitgeoefend door een andere rechtspersoon, zijn de in de eerste alinea vastgestelde eisen van toepassing op om het even welke natuurlijke persoon die zeggenschap heeft over die andere rechtspersoon.

3.   Bij de indiening van een bijstandsaanvraag in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 moet aan alle elementen van de definitie van jonge landbouwer in artikel 2, lid 1, onder n), van die verordening zijn voldaan. Voor de vervulling van de voorwaarden inzake de verwerving van vakbekwaamheid zoals gespecificeerd in het plattelandsontwikkelingsprogramma, kan evenwel een gratieperiode worden toegestaan van ten hoogste 36 maanden vanaf de datum waarop het individuele besluit tot verlening van de bijstand wordt genomen.

Artikel 3

Landbouw- en bosbouwuitwisselingsprogramma’s en bezoeken aan landbouw- en bosbouwbedrijven

De lidstaten leggen in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s de duur en de inhoud vast van de korte uitwisselingen op landbouw- en bosbouwbeheersniveau, alsmede voor bezoeken aan landbouw- en bosbouwbedrijven als bedoeld in artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013. Dergelijke programma’s en bezoeken staan vooral in het teken van duurzame landbouw- en bosbouwmethoden en/of -technieken, diversificatie op het landbouwbedrijf, de deelname van landbouwbedrijven aan korte toeleveringsketens, de ontwikkeling van nieuwe commerciële mogelijkheden en nieuwe technologieën en de verbetering van de veerkracht van bossen.

Artikel 4

Kwaliteitsregelingen — afzetbevordering

1.   Producentengroeperingen die in het kader van artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bijstand ontvangen, zijn entiteiten, ongeacht de rechtsvorm ervan, waarin marktdeelnemers die deelnemen aan een kwaliteitsregeling voor landbouwproducten, katoen of levensmiddelen als bedoeld in artikel 16, lid 1, van die verordening, zich verenigen voor een specifiek product dat onder een van die regelingen valt.

2.   Soorten acties die voor bijstand in het kader van artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 in aanmerking komen, hebben de volgende kenmerken:

a)

zij zijn bedoeld om de consumenten ertoe aan te zetten de producten te kopen die vallen onder een kwaliteitsregeling voor landbouwproducten, katoen of levensmiddelen als bedoeld in artikel 16, lid 1, van die verordening, terwijl op grond van de deelname aan die regeling bijstand in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma wordt ontvangen, en

b)

zij vestigen de aandacht op de met de betrokken kwaliteitsregeling samenhangende specifieke kenmerken of voordelen van de betrokken producten, met name de kwaliteit, specifieke productiemethoden, strenge normen op het gebied van dierenwelzijn en milieuvriendelijkheid.

3.   Subsidiabele acties zetten consumenten er niet toe aan een product te kopen wegens de bijzondere oorsprong ervan, behalve in het geval van producten die onder de kwaliteitsregelingen vallen die zijn ingesteld bij titel II van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (10), bij hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (11), bij hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 251/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12) en, voor wijn, bij deel II, titel II, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13). De oorsprong van het product mag worden vermeld indien de verwijzingen naar de oorsprong ondergeschikt zijn aan de hoofdboodschap.

4.   Er wordt geen bijstand in het kader van artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 verleend voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties die op commerciële handelsmerken betrekking hebben.

Artikel 5

Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen

1.   Het in artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bedrijfsplan bevat ten minste:

a)

in het geval van aanloopbijstand voor jonge landbouwers:

i)

een beschrijving van de uitgangssituatie van het landbouwbedrijf;

ii)

een beschrijving van de mijlpalen en streefwaarden voor de ontwikkeling van de activiteiten van het landbouwbedrijf;

iii)

nadere informatie over de voor de ontwikkeling van de activiteiten van het landbouwbedrijf vereiste acties, zoals investeringen, opleidingen en adviezen, met inbegrip van acties die gericht zijn op ecologische duurzaamheid en een efficiënt gebruik van hulpbronnnen;

b)

in het geval van aanloopbijstand voor niet-landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden:

i)

een beschrijving van de uitgangssituatie van de persoon of kleine of micro-onderneming die bijstand aanvraagt;

ii)

een beschrijving van de mijlpalen en streefwaarden voor de ontwikkeling van de nieuwe activiteiten van de persoon of het landbouwbedrijf of van de kleine of micro-onderneming;

iii)

nadere informatie over de voor de ontwikkeling van de activiteiten van de persoon of het landbouwbedrijf of kleine of micro-onderneming vereiste acties, zoals investeringen, opleidingen en adviezen;

c)

in het geval van aanloopbijstand voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven:

i)

een beschrijving van de uitgangssituatie van het landbouwbedrijf;

ii)

nadere informatie over de acties die de economische levensvatbaarheid ten goede kunnen komen, zoals investeringen, opleidingen en samenwerking, met inbegrip van acties die gericht zijn op ecologische duurzaamheid en efficiënt gebruik van hulpbronnen.

2.   De lidstaten stellen de in artikel 19, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde drempels vast op basis van het productiepotentieel van het landbouwbedrijf, gemeten als „standaardopbrengst” als gedefinieerd in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie (14), of een equivalent daarvan.

Artikel 6

Bebossing en de aanleg van beboste gebieden

In het kader van de maatregel inzake de bebossing en de aanleg van beboste gebieden als bedoeld in artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, gelden de volgende minimale milieuvereisten:

a)

bij de selectie van de aan te planten soorten, van de arealen en van de te gebruiken methoden worden een niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, zoals veen- en watergebieden, en negatieve effecten op gebieden met een hoge ecologische waarde, waaronder gebieden met een op een hoge natuurwaarde gerichte landbouw, vermeden. In een uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (15) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (16) aangewezen Natura 2000-gebied is alleen bebossing toegestaan die met de beheersdoelstellingen voor het betrokken gebied in overeenstemming is en met de met de tenuitvoerlegging van Natura 2000 belaste nationale autoriteit is overeengekomen;

b)

bij de selectie van de soorten, rassen, ecotypen en herkomst van de bomen wordt rekening gehouden met de nodige weerstand tegen klimaatverandering en natuurrampen en met de biotische, pedologische en hydrologische gesteldheid van het betrokken gebied, alsook met het potentiële invasieve karakter van de soorten onder lokale omstandigheden zoals omschreven door de lidstaten. De begunstigde wordt verplicht om het bos ten minste gedurende de periode waarover de premie voor gederfde landbouwinkomsten en onderhoud wordt betaald, te beschermen en ervoor te zorgen. Deze activiteiten bestaan onder meer uit het verzorgen en, indien nodig, uitdunnen of beweiden met het oog op de toekomstige ontwikkeling van het bos, het reguleren van de concurrentie met kruidachtige vegetatie en het voorkomen van een ophoping van brandgevoelig ondergroeimateriaal. De lidstaten stellen voor snelgroeiende soorten een minimum- en een maximumperiode vast voordat ze mogen worden geveld. De minimumperiode bedraagt ten minste acht jaar en de maximumperiode bedraagt ten hoogste twintig jaar;

c)

wanneer ervan kan worden uitgegaan dat de aanplant van meerjarige houtachtige planten vanwege moeilijke milieu- en klimaatomstandigheden, waaronder milieudegradatie, niet zal leiden tot de vorming van bosbedekking als gedefinieerd in de toepasselijke nationale wetgeving, kan de lidstaat de begunstigde toestaan om een andere houtachtige vegetatiebedekking aan te leggen en te onderhouden. De begunstigde biedt dan zorg en bescherming op het niveau dat voor bossen geldt;

d)

in het geval van concrete bebossingsacties die leiden tot de vorming van bossen die qua omvang boven een bepaalde, door de lidstaten vast te stellen drempel uitkomen, bestaat de concrete actie uit:

i)

hetzij de exclusieve aanplant van ecologisch aangepaste soorten en/of soorten die in het betrokken biogeografische gebied tegen klimaatverandering bestand zijn en waarvan niet in een effectbeoordeling is vastgesteld dat zij de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in gevaar brengen of de gezondheid van de mens nadelig beïnvloeden, of

ii)

hetzij een mix van drie soorten met:

hetzij ten minste 10 % loofbomen per gebied,

hetzij ten minste drie boomsoorten of -rassen, waarbij de minst voorkomende ten minste 10 % van het gebied beslaat.

Artikel 7

Agromilieu- en klimaatsteun

1.   Verbintenissen die in het kader van de in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde agromilieu- en -klimaatmaatregel zijn aangegaan op het gebied van de extensivering van de veehouderij, voldoen ten minste aan de volgende voorwaarden:

a)

het volledige beweide areaal van het bedrijf wordt zo beheerd en onderhouden dat over- en onderbeweiding worden voorkomen;

b)

voor de bepaling van de veedichtheid wordt uitgegaan van alle op het bedrijf gehouden grazende dieren dan wel, in het geval van een verbintenis ter beperking van de uitspoeling van voedingsstoffen, van alle voor de betrokken verbintenis relevante op het bedrijf gehouden dieren.

2.   Verbintenissen die in het kader van de in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde agromilieu- en -klimaatmaatregel zijn aangegaan op het gebied van het fokken van plaatselijke rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan en op het gebied van de instandhouding van de plantaardige genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd, voldoen aan de volgende eisen:

a)

er worden landbouwhuisdieren of plaatselijke rassen gefokt die genetisch aan een of meer traditionele productiesystemen of -omgevingen in het land zijn aangepast en voor de landbouw verloren dreigen te gaan, of

b)

plantaardige genetische hulpbronnen die van nature aan de plaatselijke en regionale omstandigheden zijn aangepast en door genetische erosie worden bedreigd, in stand te houden.

De volgende landbouwhuisdieren komen voor bijstand in aanmerking:

a)

runderen;

b)

schapen;

c)

geiten;

d)

paardachtigen;

e)

varkens;

f)

vogels.

3.   Van plaatselijke rassen wordt aangenomen dat zij voor de landbouw verloren dreigen te gaan, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

er is vastgesteld om hoeveel vrouwelijke fokdieren het op nationaal niveau gaat;

b)

dit aantal en de bedreigde status van de opgelijste rassen zijn door een naar behoren erkende relevante wetenschappelijke instantie gecertificeerd;

c)

een naar behoren erkende relevante technische instantie registreert het stamboek voor het betrokken ras en houdt het bij;

d)

de betrokken instanties beschikken over de nodige capaciteiten en kennis om de dieren van de betrokken rassen te kunnen identificeren.

De informatie waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan, wordt in het plattelandsontwikkelingsprogramma opgenomen.

4.   Van plantaardige genetische hulpbronnen wordt aangenomen dat zij door genetische erosie worden bedreigd, indien in het plattelandsontwikkelingsprogramma voldoende bewijs van de genetische erosie is opgenomen op basis van wetenschappelijke resultaten of indicatoren betreffende de vermindering van inheemse/oorspronkelijke lokale rassen, de diversiteit van de betrokken populaties en, voor zover zulks relevant is, wijzigingen van de op plaatselijk niveau overheersende landbouwmethoden.

5.   Activiteiten die onder de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde soort agromilieu- en -klimaatverbintenissen vallen, komen niet in aanmerking voor bijstand in het kader van artikel 28, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

Artikel 8

Instandhouding van genetische hulpbronnen in de land- en bosbouw

1.   In dit artikel wordt verstaan onder:

a)   „instandhouding in situ” in de landbouw: de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten of wilde rassen in hun natuurlijke omgeving en, in het geval van gedomesticeerde dierenrassen of gekweekte plantensoorten, in het agrarische milieu waar zij hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld;

b)   „instandhouding in situ” in de bosbouw: de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten in hun natuurlijke omgeving;

c)   „instandhouding op het landbouw- of bosbouwbedrijf”: instandhouding en ontwikkeling in situ op het niveau van het landbouw- of bosbouwbedrijf;

d)   „instandhouding ex situ”: de instandhouding van genetisch materiaal voor de land- of bosbouw buiten de natuurlijke habitat ervan;

e)   „verzameling ex situ”: een verzameling van genetisch materiaal voor de land- of bosbouw die buiten de natuurlijke habitat ervan wordt onderhouden.

2.   Concrete acties voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw en in de bosbouw die op grond van artikel 28, lid 9, en artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voor bijstand in aanmerking komen, omvatten het volgende:

a)

gerichte acties: acties ter bevordering van de instandhouding in situ en ex situ, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw en in de bosbouw, met inbegrip van de totstandbrenging van op internet gebaseerde inventarissen van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ in stand worden gehouden, de instandhouding op het landbouw- of bosbouwbedrijf daaronder begrepen, en van verzamelingen ex situ en databases;

b)

gecoördineerde acties: acties ter bevordering van de uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde organisaties in de lidstaten ten behoeve van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw of bosbouw in de Unie;

c)

begeleidende acties: voorlichtings-, verspreidings- en adviseringsacties waarbij niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden worden betrokken, opleidingen en de opstelling van technische verslagen.

Artikel 9

Uitsluiting van dubbele financiering van klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en daaraan gelijkwaardige praktijken

1.   Bij de berekening van de betalingen in het kader van de in artikel 28, lid 6, artikel 29, lid 4, en artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bijstand worden alleen de extra kosten en/of gederfde inkomsten in aanmerking genomen die het gevolg zijn van de verbintenissen die verder gaan dan de relevante praktijken die op grond van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verplicht zijn.

2.   Wanneer een agromilieu- of -klimaatverbintenis in het kader van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voor praktijken als bedoeld in bijlage IX, afdeling I, punten 3 en 4, en afdeling III, punt 7, bij Verordening (EU) nr. 1307/2013, en andere aan die bijlage toegevoegde praktijken, overeenkomstig artikel 43, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt gemeld als zijnde gelijkwaardig aan een of meer van de in het kader van artikel 43, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde praktijken, wordt de betaling voor de agromilieu- of -klimaatverbintenis in het kader van artikel 28, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 verlaagd met een vast bedrag dat overeenkomt met een deel van de vergroeningsbetaling in de lidstaat of regio voor elke vergroeningspraktijk zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 43, lid 12, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

Artikel 10

Dierenwelzijn

De dierenwelzijnsverbintenissen die voor bijstand in het kader van artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 in aanmerking komen, bevatten hogere normen voor productiemethoden op ten minste een van de volgende gebieden:

a)

water, voer en dierenverzorging in overeenstemming met de natuurlijke behoeften van de dieren;

b)

huisvestingsomstandigheden zoals meer beschikbare ruimte per dier, vloeroppervlakten, verrijkingsmateriaal, natuurlijk licht;

c)

toegang tot een buitenuitloop;

d)

praktijken waarmee verminking en/of castratie van dieren worden vermeden, en wanneer het in specifieke gevallen toch nodig wordt geacht een dier te verminken of te castreren, gebruik van anesthetica, analgetica en ontstekingsremmers of immunocastratie.

Artikel 11

Samenwerking

1.   De bijstand voor de oprichting en ontwikkeling van korte toeleveringsketens als bedoeld in artikel 35, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, heeft alleen betrekking op toeleveringsketens met niet meer dan een intermediair tussen landbouwer en consument.

2.   De bijstand voor de vorming en ontwikkeling van plaatselijke markten als bedoeld in artikel 35, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, heeft alleen betrekking op markten waarvoor:

a)

in het plattelandsontwikkelingsprogramma wordt vermeld binnen welke straal in kilometers, gerekend vanuit het bedrijf van oorsprong van het product, de verwerking en verkoop aan de eindverbruiker moeten plaatsvinden, of

b)

in het plattelandsontwikkelingsprogramma een overtuigend alternatief criterium wordt vermeld.

3.   In het kader van de concrete acties die op grond van artikel 35, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bijstand ontvangen, wordt onder kleine marktdeelnemer verstaan een micro-onderneming als gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (17), of een natuurlijke persoon die geen economische activiteit uitoefent op het ogenblik dat hij bijstand aanvraagt.

4.   De in artikel 35, lid 2, onder e), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde afzetbevorderingsactiviteiten komen alleen voor bijstand in aanmerking als deze betrekking hebben op korte toeleveringsketens en plaatselijke markten die voldoen aan de specificaties van de leden 1 en 2.

Artikel 12

Commerciële leningen aan onderlinge fondsen

Wanneer de uit het onderlinge fonds als bedoeld in de artikelen 38 en 39 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 te betalen vergoeding wordt gefinancierd uit een commerciële lening, bedraagt de looptijd van de lening minimaal een jaar en maximaal vijf jaar.

Artikel 13

Investeringen

Voor de toepassing van artikel 45 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 geldt het volgende:

a)

in het geval van leasing zijn andere kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, de met de herfinanciering gemoeide rentekosten, de overheadkosten en de verzekeringskosten, geen subsidiabele uitgaven;

b)

de lidstaten vermelden in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s de voorwaarden waaronder de uitgaven voor de aankoop van tweedehands materieel als subsidiabel kunnen worden beschouwd;

c)

de lidstaten schrijven voor dat investeringen in infrastructuur voor hernieuwbare energie die energie verbruiken of produceren en waarvoor bijstand wordt verleend, aan de minimumnormen voor energie-efficiëntie moeten voldoen, wanneer dergelijke normen op nationaal niveau bestaan;

d)

investeringen in installaties die primair tot doel hebben elektriciteit uit biomassa te produceren, komen niet voor bijstand in aanmerking tenzij een door de lidstaten te bepalen minimumpercentage van de warmte-energie wordt benut;

e)

de lidstaten stellen voor de verschillende soorten installaties drempels vast voor het maximumaandeel granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen die voor de productie van bio-energie, met inbegrip van biobrandstoffen, worden gebruikt. De bijstand voor bio-energieprojecten blijft beperkt tot bio-energie die voldoet aan de toepasselijke duurzaamheidscriteria die in de wetgeving van de Unie, waaronder in artikel 17, leden 2 tot en met 6, van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (18), zijn vastgelegd. In dit verband moet een algemene beoordeling deel uitmaken van de strategische milieubeoordeling van het plattelandsontwikkelingsprogramma.

Artikel 14

Omzetting of aanpassing van verbintenissen

1.   De lidstaten kunnen toestaan dat een verbintenis in het kader van artikel 28, 29, 33 of 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 gedurende de looptijd ervan in een andere verbintenis wordt omgezet, mits alle navolgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

de omzetting komt het milieu of het dierenwelzijn of beide in belangrijke mate ten goede;

b)

de bestaande verbintenis wordt aanzienlijk versterkt;

c)

het goedgekeurde plattelandsontwikkelingsprogramma voorziet in de betrokken verbintenissen.

Een nieuwe verbintenis wordt aangegaan voor de volledige, in de desbetreffende maatregel genoemde looptijd, ongeacht de al verstreken looptijd van de oorspronkelijke verbintenis.

2.   De lidstaten kunnen de mogelijkheid bieden om verbintenissen in het kader van de artikelen 28, 29, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 gedurende de looptijd ervan aan te passen op voorwaarde dat het goedgekeurde programma voor plattelandsontwikkeling daarin voorziet en de aanpassing naar behoren is gemotiveerd in het licht van de verwezenlijking van de doelstellingen van de oorspronkelijke verbintenis.

De begunstigde voldoet aan de eisen van de aangepaste verbintenis gedurende de resterende looptijd van de oorspronkelijke verbintenis.

Aanpassingen kunnen ook de vorm aannemen van een verlenging van de looptijd van de verbintenis.

Artikel 15

Situaties waarin geen terugbetaling is vereist

1.   Wanneer een begunstigde gedurende de looptijd van een verbintenis die is aangegaan als voorwaarde voor de verlening van bijstand, het areaal van zijn bedrijf vergroot, kunnen de lidstaten een regeling treffen om de verbintenis voor het resterende deel van de looptijd ervan uit te breiden tot het extra areaal of om de oorspronkelijke verbintenis van de begunstigde door een nieuwe verbintenis te vervangen. Hetzelfde geldt wanneer het areaal waarop de verbintenis betrekking heeft, binnen het bedrijf zelf wordt vergroot.

2.   Een verbintenis kan alleen onder de volgende voorwaarden worden uitgebreid tot het extra areaal als bedoeld in lid 1:

a)

het is in het belang van de milieudoelstelling van de verbintenis;

b)

het is gerechtvaardigd vanuit het oogpunt van de aard van de verbintenis, de duur van de resterende looptijd en de omvang van het extra areaal;

c)

het doet geen afbreuk aan de doeltreffendheid van controles op de naleving van de voorwaarden die aan de verlening van de bijstand verbonden zijn.

De oorspronkelijke duur van de verbintenis wordt aangehouden.

3.   Een nieuwe verbintenis kan overeenkomstig lid 1 in de plaats treden van de bestaande verbintenis mits zij op het gehele areaal in kwestie betrekking heeft en de daaraan verbonden voorwaarden niet minder ver gaan dan die van de oorspronkelijke verbintenis.

Wanneer de oorspronkelijke verbintenis door een nieuwe verbintenis wordt vervangen, wordt de nieuwe verbintenis aangegaan voor de volledige, in de desbetreffende maatregel gespecificeerde looptijd, ongeacht de al verstreken looptijd van de oorspronkelijke verbintenis.

HOOFDSTUK III

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 16

Subsidiabiliteit van de uitgaven

1.   Uitgaven die verband houden met juridische verbintenissen die in het kader van de in de artikelen 52 en 63 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 genoemde maatregelen in de programmeringsperiode 2007-2013 jegens begunstigden zijn aangegaan, komen voor een Elfpo-bijdrage in de programmeringsperiode 2014-2020 in aanmerking voor betalingen verricht:

a)

tussen 1 januari 2014 en 31 december 2015, indien de financiële toewijzing voor de betrokken maatregel uit het respectieve, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1698/2005 vastgestelde programma al is opgebruikt;

b)

na 31 december 2015.

2.   De in lid 1 bedoelde uitgaven komen onder de volgende voorwaarden in de programmeringsperiode 2014-2020 in aanmerking voor een Elfpo-bijdrage:

a)

in dergelijke uitgaven wordt voorzien in het respectieve plattelandsontwikkelingsprogramma voor de programmeringsperiode 2014-2020;

b)

het Elfpo-bijdragepercentage van de corresponderende maatregel in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zoals vastgesteld in bijlage I bij deze verordening, is van toepassing;

c)

de lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken concrete acties met een overgangskarakter duidelijk worden geïdentificeerd door middel van hun beheers- en controlesystemen.

Artikel 17

Kroatië

1.   Uitgaven die verband houden met juridische verbintenissen die Kroatië in het kader van het programma voor pretoetredingssteun inzake plattelandsontwikkeling (IPARD) jegens begunstigden is aangegaan voor concrete acties in het kader van de maatregelen die in artikel 171, lid 3, onder b), en artikel 171, lid 4, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 718/2007 van de Commissie (19) worden genoemd, komen voor een Elfpo-bijdrage in de programmeringsperiode 2014-2020 in aanmerking voor betalingen verricht:

a)

tussen 1 januari 2014 en 31 december 2016, indien de financiële toewijzing voor de betrokken maatregel uit het respectieve, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 718/2007 vastgestelde programma al is opgebruikt;

b)

na 31 december 2016.

2.   De in lid 1 bedoelde uitgaven komen onder de volgende voorwaarden in de programmeringsperiode 2014-2020 in aanmerking voor een Elfpo-bijdrage:

a)

in dergelijke uitgaven wordt voorzien in het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de programmeringsperiode 2014-2020;

b)

het Elfpo-bijdragepercentage van de corresponderende maatregel in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zoals vastgesteld in bijlage II bij deze verordening, is van toepassing;

c)

Kroatië zorgt ervoor dat de betrokken concrete acties met een overgangskarakter duidelijk worden geïdentificeerd door middel van zijn beheers- en controlesystemen.

3.   Uitgaven die na 31 december 2013 zijn verricht in verband met de activiteiten die voor de afsluiting van het IPARD-programma en voor de in artikel 191 van Verordening (EG) nr. 718/2007 bedoelde evaluatie achteraf noodzakelijk zijn, komen voor Elfpo-bijstand in het kader van de technische-bijstandscomponent van het programma in de programmeringsperiode 2014-2020 in aanmerking, mits het programma in dergelijke uitgaven voorziet.

Artikel 18

Ex-postevaluatie

1.   Het in artikel 86, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde verslag over de ex-postevaluatie wordt uiterlijk op 31 december 2016 bij de Commissie ingediend.

2.   De in artikel 87 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde samenvatting van de ex-postevaluaties wordt uiterlijk op 31 december 2017 voltooid.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1974/2006 wordt ingetrokken.

Zij blijft van toepassing voor concrete acties die worden uitgevoerd krachtens programma’s die de Commissie vóór 1 januari 2014 op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 heeft goedgekeurd.

Artikel 20

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.

(2)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(3)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s inzake Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal (COM(2013) 249 final).

(4)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s inzake een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector (COM(2013) 659 final).

(5)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(6)  Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82).

(8)  Verordening (EU) nr. 1310/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende bepaalde overgangsbepalingen inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft middelen en de verdeling ervan met betrekking tot 2014, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassing ervan in 2014 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 865).

(9)  Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 368 van 23.12.2006, blz. 15).

(10)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).

(11)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).

(12)  Verordening (EU) nr. 251/2014 van 26 februari 2014 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnproducten (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 14).

(13)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(14)  Verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 3).

(15)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(16)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(17)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(18)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(19)  Verordening (EG) nr. 718/2007 van de Commissie van 12 juni 2007 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) (PB L 170 van 29.6.2007, blz. 1).


BIJLAGE I

Tabel ter weergave van de onderlinge samenhang tussen de maatregelen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en de maatregelen van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of Verordening (EU) nr. 1303/2013

Maatregelen in het kader van Verordening (EG) nr. 1698/2005

Codes in de programmeringsperiode 2007-2013

Maatregelen in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of Verordening (EU) nr. 1303/2013

Codes in de programmeringsperiode 2014-2020

Artikel 20, onder a), i), en artikel 21: Opleiding en voorlichting

111

Artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

1

Artikel 20, onder a), ii), en artikel 22: Vestiging van jonge landbouwers

112

Artikel 19, lid 1, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

6

Artikel 20, onder a), iii), en artikel 23: Vervroegde uittreding

113

/

/

Artikel 20, onder a), iv), en artikel 24: Gebruik van adviesdiensten

114

Artikel 15, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

2

Artikel 20, onder a), v), en artikel 25: Oprichting van diensten ter ondersteuning van het bedrijfsbeheer, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten

115

Artikel 15, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

2

Artikel 20, onder b), i), en artikel 26: Modernisering van landbouwbedrijven

121

Artikel 17, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4

Artikel 20, onder b), ii), en artikel 27: Verbetering van de economische waarde van bossen

122

Artikel 21, lid 1, onder d), en artikel 21, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

8

Artikel 20, onder b), iii), en artikel 28: Verhoging van de toegevoegde waarde van land- en bosbouwproducten

123

Artikel 17, lid 1, onder b), en artikel 21, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4

8

Artikel 20, onder b), iv), en artikel 29: Samenwerking voor de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés en technologieën

124

Artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

16

Artikel 20, onder b), v), en artikel 30: Infrastructuur voor de ontwikkeling en aanpassing van de land- en de bosbouw

125

Artikel 17, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4

Artikel 20, onder b), vi): Preventieve en herstelacties

126

Artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

5

Artikel 20, onder c), i), en artikel 31: Voldoen aan de normen

131

/

/

Artikel 20, onder c), ii), en artikel 32: Voedselkwaliteitsregelingen

132

Artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013

3

Artikel 20, onder c), iii), en artikel 33: Voorlichting over en afzetbevordering voor producten die onder een voedselkwaliteitsregeling vallen

133

Artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013

3

Artikel 20, onder d), i), en artikel 34: Semizelfvoorzieningsbedrijven

141

Artikel 19, lid 1, onder a), iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

6

Artikel 20, onder d), ii), en artikel 35: Producentengroeperingen

142

Artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

9

Artikel 36, onder a), i): Betalingen voor natuurlijke handicaps in berggebieden

211

Artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

13

Artikel 36, onder a), ii): Betalingen in andere gebieden met handicaps dan berggebieden

212

Artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

13

Artikel 36, onder a), iii), en artikel 38: Natura 2000 en betalingen in verband met Richtlijn 2000/60/EG

213

Artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

12

Artikel 36, onder a), iv), en artikel 39: Agromilieubetalingen

214

Artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

10

11

Artikel 36, onder a), v), en artikel 40: Dierenwelzijnsbetalingen

215

Artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

14

Artikel 36, onder a), vi), en artikel 41: Niet-productieve investeringen

216

Artikel 17, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4

Artikel 36, onder b), i), en artikel 43: Eerste bebossing van landbouwgrond

221

Artikel 21, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

8

Artikel 36, onder b), ii), en artikel 44: Eerste totstandbrenging van boslandbouwsystemen op landbouwgrond

222

Artikel 21, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

8

Artikel 36, onder b), iii), en artikel 45: Eerste bebossing van andere dan landbouwgrond

223

Artikel 21, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

8

Artikel 36, onder b), iv), en artikel 46: Natura 2000-betalingen

224

Artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

12

Artikel 36, onder b), v), en artikel 47: Bosmilieubetalingen

225

Artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

15

Artikel 36, onder b), vi), en artikel 48: Herstel van bosbouwpotentieel en het ondernemen van preventieve acties

226

Artikel 21, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

8

Artikel 36, onder b), vii), en artikel 49: Niet-productieve investeringen

227

Artikel 21, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

8

Artikel 52, onder a), i), en artikel 53: Diversificatie van de de plattelandseconomie naar niet-agrarische activiteiten

311

Artikel 19, lid 1, onder a), ii), en artikel 19, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

6

Artikel 52, onder a), ii), en artikel 54: Steun voor de oprichting en ontwikkeling van ondernemingen

312

Artikel 19, lid 1, onder a), ii), en artikel 19, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

6

Artikel 52, onder a), iii), en artikel 55: Bevordering van toeristische activiteiten

313

Artikel 19, lid 1, onder a), ii), artikel 19, lid 1, onder b), en de artikelen 20 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

6

6

7

16

Artikel 52, onder b), i), en artikel 56: Basisvoorzieningen voor de plattelandseconomie en -bevolking

321

Artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

7

Artikel 52, onder b), ii) Dorpsvernieuwing en -ontwikkeling

322

Artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

7

Artikel 53, onder b), iii), en artikel 57: Instandhouding en opwaardering van het landelijke erfgoed

323

Artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

7

Artikel 52, onder c), en artikel 58: Opleiding en voorlichting

331

Artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

1

Artikel 52, onder d), en artikel 59: Verwerving van vakkundigheid, dynamisering en uitvoering

341

/

/

Artikel 63, onder a): Plaatselijke ontwikkelingsstrategieën

41 (411, 412, 413)

Artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1303/2013

19

Artikel 63, onder b): Uitvoering van samenwerkingsprojecten

421

Artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1303/2013

19

Artikel 63, onder c): Beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en dynamisering van het gebied

431

Artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1303/2013

19

Titel IV, hoofdstuk II: Technische bijstand

511

Artikelen 51 tot en met 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 Technische ondersteuning en netwerkvorming

20

Artikel 19, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013: Jaarlijkse betalingen aan landbouwers die aan de regeling voor kleine landbouwers deelnemen

6

Artikel 36, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013: Oogst-, dier- en plantverzekering

17

Artikel 36, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013: Onderlinge fondsen voor ongunstige weersomstandigheden, dier- of plantenziekten, plagen en milieuongevallen

17

Artikel 36, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013: Inkomensstabiliseringsinstrument

17


BIJLAGE II

Tabel ter weergave van de onderlinge samenhang tussen de maatregelen van Verordening (EG) nr. 718/2007 en de maatregelen van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of Verordening (EU) nr. 1303/2013

Maatregelen in het kader van Verordening (EG) nr. 718/2007

Codes in de programmeringsperiode 2007-2013

Maatregelen in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of Verordening (EU) nr. 1303/2013

Codes in de programmeringsperiode 2014-2020

Artikel 171, lid 2, onder a), en artikel 174: Investeringen in landbouwbedrijven met het oog op herstructurering en aanpassing aan de communautaire normen

101

Artikel 17, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4

Artikel 171, lid 2, onder c), en artikel 176: Investeringen in de verwerking en de afzet van landbouw- en visserijproducten met het oog op herstructurering en aanpassing aan de communautaire normen

103

Artikel 17, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4

Artikel 171, lid 3, onder b), en artikel 178: Voorbereiding en uitvoering van lokale strategieën voor plattelandsontwikkeling

202

Artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1303/2013

19

Artikel 171, lid 4, onder a), en artikel 179: Verbetering en ontwikkeling van de infrastructuur op het platteland

301

Artikel 20, lid 1, onder b) en d), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

7

Artikel 171, lid 4, onder b), en artikel 180: Diversifiëring en ontwikkeling van economische activiteiten op het platteland

302

Artikel 19, lid 1, onder a), ii), en artikel 19, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013

6

Artikel 182: Technische bijstand

501

Artikelen 51 tot en met 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013: Technische onder-steuning en netwerk-vorming

20


31.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 227/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 808/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 juli 2014

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (1), en met name artikel 8, lid 3, artikel 12, artikel 14, lid 6, artikel 41, artikel 54, lid 4, artikel 66, lid 5, artikel 67, artikel 75, lid 5, en artikel 76, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1305/2013 bevat algemene voorschriften voor de uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) gefinancierde uniale steun voor plattelandsontwikkeling die de in deel twee van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) neergelegde gemeenschappelijke bepalingen voor de Europese structuur- en investeringsfondsen vervolledigen. Met het oog op de soepele en uniforme werking van het bij deze verordening ingestelde rechtskader is de Commissie gemachtigd bepaalde regels vast te stellen voor de uitvoering daarvan.

(2)

Er moeten regels voor de presentatie van de inhoud van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s worden vastgesteld, met name op basis van de vereisten van artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1303/2013. Tevens moet worden vastgesteld welke van die regels voor de presentatie ook gelden voor in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten voor onbeperkte garanties en securitisatie ter verlening van capital relief die worden uitgevoerd door de Europese Investeringsbank („EIB”). Ook moeten regels voor de inhoud van de nationale kaders worden vastgesteld.

(3)

De procedures en termijnen voor de goedkeuring van de nationale kaders moeten worden vastgesteld.

(4)

Om de wijziging van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s te systematiseren, moeten regels voor de indiening ervan alsook voor de frequentie van wijzigingen worden vastgesteld. Dit moet worden gedaan om de administratieve lasten zo veel mogelijk te verlichten en tegelijk flexibiliteit te laten voor welomschreven noodgevallen en specifieke situaties.

(5)

Er moeten regels worden vastgesteld voor wijzigingen van de nationale kaders, waaronder van het tijdschema en met name met het oog op het faciliteren van de wijziging van nationale kaders van lidstaten met regionale programma’s.

(6)

Met het oog op een goed gebruik van de Elfpo-middelen moeten systemen met vouchers of systemen van gelijke werking voor de betaling van door de deelnemers gemaakte kosten voor acties voor kennisoverdracht en voorlichting worden ingevoerd om te waarborgen dat de terugbetaalde uitgaven duidelijk verband houden met een specifieke, subsidiabele opleiding of actie voor kennisoverdracht die de deelnemer heeft genoten.

(7)

Om ervoor te zorgen dat de dienstenaanbieder met de beste prijs-kwaliteitsverhouding wordt gekozen, moeten de autoriteiten of instanties die adviesdiensten aanbieden volgens de toepasselijke nationale voorschriften inzake openbare aanbestedingen worden geselecteerd.

(8)

Aangezien eindbetalingen slechts mogen worden gedaan indien het bedrijfsplan correct is uitgevoerd, moeten gezamenlijke parameters voor de beoordeling daarvan worden vastgesteld. Om voor jonge landbouwers die zich voor het eerst op een landbouwbedrijf vestigen de toegang tot andere maatregelen in het kader van de in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregel voor de ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen te vergemakkelijken, moeten voorts regels voor de opneming van meerdere maatregelen in de bedrijfsplannen alsook voor de goedkeuringsprocedure van de desbetreffende aanvragen worden vastgesteld.

(9)

Gezien de specifieke aard van verbintenissen in het kader van agromilieuklimaatmaatregelen en maatregelen inzake biologische landbouw en dierenwelzijn dient het de lidstaten te worden toegestaan de steun voor die verbintenissen te berekenen op basis van andere eenheden dan die welke in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn vastgesteld. Er moeten regels worden vastgesteld inzake de inachtneming van de toegestane maximumbedragen, de uitzondering voor betalingen per grootvee-eenheid en de omschakelingspercentages van verschillende categorieën dieren naar grootvee-eenheden.

(10)

Om ervoor te zorgen dat de extra kosten en de gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de in de artikelen 28 tot en met 31, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen op transparante en verifieerbare wijze worden berekend, moeten bepaalde gemeenschappelijke elementen voor de berekening worden vastgesteld die in alle lidstaten gelden.

(11)

Om overcompensatie en een toename van de administratieve lasten te voorkomen, moeten regels voor het combineren van bepaalde maatregelen worden vastgesteld.

(12)

Er moeten regels inzake de aanvang van de werking van de nationale netwerken voor het platteland alsook inzake de structuur ervan worden vastgesteld teneinde te waarborgen dat de netwerken doeltreffend en tijdig kunnen functioneren om de uitvoering van het programma te begeleiden.

(13)

Met het oog op de voorlichting en publiciteit over activiteiten op het gebied van plattelandsontwikkeling waarvoor steun uit het Elfpo wordt toegekend, heeft de beheersautoriteit verantwoordelijkheden na te komen, die in deze verordening nader moeten worden omschreven. De beheersautoriteit moet al haar voorlichtings- en publiciteitsinspanningen inpassen in één strategie en één website of één webportaal opzetten om de bekendheid met de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid te vergroten en de toegankelijkheid en de transparantie van de informatie over financieringsmogelijkheden te bevorderen. Er moeten regels worden vastgesteld inzake de verantwoordelijkheid van de begunstigden om informatie te verstrekken over de ten behoeve van hun projecten verleende Elfpo-steun.

(14)

Om de invoering van het gemeenschappelijke monitoring- en evaluatiesysteem te vergemakkelijken, moeten de gemeenschappelijke elementen van dat systeem, met inbegrip van de indicatoren en het evaluatieplan, worden vastgesteld.

(15)

De centrale elementen van het in artikel 75 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde jaarlijkse uitvoeringsverslag en de minimumeisen voor het in artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde evaluatieplan moeten worden vastgesteld.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor plattelandsontwikkeling,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening bevat voorschriften voor de uitvoering van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wat betreft de indiening van plattelandsontwikkelingsprogramma’s, procedures en termijnen voor de goedkeuring en wijziging van plattelandsontwikkelingsprogramma’s en nationale kaders, de inhoud van de nationale kaders, voorlichting en publiciteit over plattelandsontwikkelingsprogramma’s, de uitvoering van bepaalde plattelandsontwikkelingsmaatregelen, monitoring en evaluatie en verslaglegging.

Artikel 2

Inhoud van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s en de nationale kaders

De presentatie van de inhoud van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, van nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten voor onbeperkte garanties en securitisatie ter verlening van capital relief die worden uitgevoerd door de Europese Investeringsbank („EIB”) als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en van de nationale kaders als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt vastgesteld overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 3

Vaststelling van nationale kaders

De nationale kaders als bedoeld in artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden vastgesteld overeenkomstig artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

Artikel 4

Wijzigingen van plattelandsontwikkelingsprogramma’s

1.   Voorstellen tot wijziging van plattelandsontwikkelingsprogramma’s en specifieke programma’s voor het opzetten en het functioneren van de nationale netwerken voor het platteland bevatten met name de volgende informatie:

a)

de aard van de voorgestelde wijziging;

b)

de redenen en/of uitvoeringsproblemen die de wijziging rechtvaardigen;

c)

de verwachte effecten van de wijziging;

d)

de gevolgen van de wijziging voor de indicatoren;

e)

het verband tussen de wijziging en de in titel II, hoofdstuk II, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde partnerschapsovereenkomst.

2.   Programmawijzigingen van de in artikel 11, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde soort mogen in de loop van de programmeringsperiode niet meer dan drie keer worden voorgesteld.

Per kalenderjaar en per programma mag een verzamelwijzigingsvoorstel voor alle andere soorten wijzigingen samen worden ingediend, met uitzondering van het jaar 2023, waarin meerdere wijzigingsvoorstellen mogen worden ingediend voor wijzigingen die uitsluitend betrekking hebben op de aanpassing van het financiële plan, met inbegrip van eventuele wijzigingen van het indicatorplan die daaruit voortvloeien.

De eerste en de tweede alinea zijn niet van toepassing:

a)

indien noodmaatregelen moeten worden genomen wegens natuurrampen of rampzalige gebeurtenissen die officieel door de bevoegde nationale overheidsinstantie zijn erkend, of

b)

indien naar aanleiding van een wijziging van het rechtskader van de Unie een wijziging vereist is, of

c)

na de in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde evaluatie van de prestaties, of

d)

in geval van een wijziging van de in artikel 8, lid 1, onder h), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde voor elk jaar geplande Elfpo-steun die voortvloeit uit in artikel 58, lid 7, van die verordening bedoelde ontwikkelingen van de jaarlijkse verdeling per lidstaat.

3.   De lidstaten dienen hun laatste programmawijziging van de in artikel 11, onder a), iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde soort uiterlijk op 30 september 2020 bij de Commissie in.

Andere soorten programmawijzigingen worden uiterlijk op 30 september 2023 bij de Commissie ingediend.

4.   Indien een programmawijziging een van de gegevens wijzigt die in de in artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde tabel van het nationale kader zijn opgenomen, impliceert de goedkeuring van de programmawijziging de goedkeuring van de overeenkomstige herziening van die tabel.

Artikel 5

Wijziging van nationale kaders

1.   Artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en artikel 4, lid 1, onder b) en c), van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op wijzigingen van nationale kaders.

2.   Lidstaten die ervoor hebben gekozen nationale kaders in te dienen die de in artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde tabel bevatten, kunnen, rekening houdend met de mate van uitvoering van hun verschillende programma’s, op die tabel betrekking hebbende wijzigingen van het nationale kader bij de Commissie indienen.

3.   Nadat de Commissie de in lid 2 bedoelde wijzigingen heeft goedgekeurd, past zij de in artikel 8, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde financieringsplannen van de betreffende programma’s aan de herziene tabel aan, op voorwaarde dat:

a)

de totale Elfpo-bijdrage per programma voor de gehele programmeringsperiode niet wordt gewijzigd;

b)

de totale Elfpo-toewijzing aan de betrokken lidstaat niet wordt gewijzigd;

c)

de verdelingen over de jaren voor de programma’s niet worden gewijzigd wat de jaren vóór het jaar van de herziening betreft;

d)

de jaarlijkse Elfpo-toewijzing aan de betrokken lidstaat in acht wordt genomen;

e)

de totale Elfpo-bijdrage voor milieu- en klimaatgerelateerde maatregelen zoals bepaald in artikel 59, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 in acht wordt genomen.

4.   Behalve in geval van noodmaatregelen wegens natuurrampen of rampzalige gebeurtenissen die officieel door de bevoegde nationale overheidsinstantie zijn erkend, wijzigingen van het rechtskader, of uit de in artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde evaluatie van de prestaties voortvloeiende wijzigingen, mogen verzoeken tot wijziging van het in lid 2 bedoelde nationale kader slechts een keer per kalenderjaar vóór 1 april worden ingediend. In afwijking van artikel 4, lid 2, tweede alinea, mogen programmawijzigingen die uit een dergelijke herziening voortvloeien, worden ingediend naast een voor hetzelfde jaar ingediend verzamelwijzigingsvoorstel.

5.   De uitvoeringshandeling tot goedkeuring van de wijziging wordt tijdig goedgekeurd, zodat er voldoende tijd is om de respectieve vastleggingen in de begroting te wijzigen vóór het einde van het jaar waarin de herziening is ingediend.

Artikel 6

Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting

1.   De lidstaten mogen voorzien in de mogelijkheid om uitgaven voor de kosten in verband met de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers aan in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde acties inzake kennisoverdracht en voorlichting alsmede gerelateerde kosten voor de vervanging van landbouwers te dekken door een systeem van vouchers of een ander systeem van gelijke werking.

2.   Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde systemen bepalen de lidstaten:

a)

dat de geldigheidsduur van de voucher of het gelijkwaardige document niet meer dan een jaar mag bedragen;

b)

regels voor het verkrijgen van de vouchers of documenten van gelijke werking, met name dat deze aan een specifieke actie moeten zijn gekoppeld;

c)

de specifieke voorwaarden waaronder de vouchers kunnen worden terugbetaald aan de aanbieder van de opleiding of andere actie inzake kennisoverdracht en voorlichting.

Artikel 7

Selectie van autoriteiten of organisaties die adviesdiensten aanbieden

De in artikel 15, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde aanbestedingen volgen de toepasselijke voorschriften van de Unie en de lidstaten voor openbare aanbestedingen. Zij houden terdege rekening met de mate waarin de aanvragers over de in dat artikel bedoelde kwalificaties beschikken.

Artikel 8

Bedrijfsplannen

1.   Voor de toepassing van artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 beoordelen de lidstaten de voortgang met betrekking tot de in artikel 19, lid 4, van die verordening bedoelde bedrijfsplannen; in geval van steun in het kader van artikel 19, lid 1, onder a,) i) en ii), van die verordening, in termen van de deugdelijke uitvoering van de in artikel 5, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie (3) bedoelde acties.

2.   In geval van steun in het kader van artikel 19, lid 1, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 kunnen de lidstaten bepalen dat, wanneer het bedrijfsplan naar het gebruik van andere plattelandsontwikkelingsmaatregelen in het kader van die verordening verwijst, de goedkeuring van de steunaanvraag ook toegang geeft tot de steun in het kader van die maatregelen. Indien een lidstaat van die mogelijkheid gebruikmaakt, bepaalt hij dat de steunaanvraag de nodige informatie moet bevatten om de subsidiabiliteit in het kader van die maatregelen te beoordelen.

Artikel 9

Omschakeling van eenheden

1.   Indien de verbintenissen in het kader van de artikelen 28, 29 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn uitgedrukt in andere eenheden dan die welke in bijlage II bij die verordening zijn vastgesteld, mogen de lidstaten de betalingen berekenen op basis van die andere eenheden. In dat geval dragen de lidstaten er zorg voor dat de in die bijlage genoemde maximumbedragen die per jaar voor Elfpo-steun in aanmerking komen, in acht worden genomen.

2.   Met uitzondering van betalingen voor in artikel 28, lid 10, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde verbintenissen op het gebied van het fokken van plaatselijke rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan, kunnen betalingen op grond van de artikelen 28, 29 en 34 van die verordening niet worden verleend per grootvee-eenheid.

De omschakelingspercentages van de verschillende categorieën dieren naar grootvee-eenheden zijn vastgesteld in bijlage II.

Artikel 10

Standaardveronderstellingen over extra kosten en gederfde inkomsten

1.   De lidstaten kunnen het bedrag van de betalingen voor de in de artikelen 28 tot en met 31, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen of soorten concrete acties vaststellen op basis van standaardveronderstellingen over extra kosten en gederfde inkomsten.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de berekeningen en de overeenkomstige betalingen als bedoeld in lid 1:

a)

alleen elementen bevatten die verifieerbaar zijn;

b)

zijn gebaseerd op cijfers die op een passende expertise berusten;

c)

de bron van de gebruikte cijfers duidelijk aangeven;

d)

indien van toepassing gedifferentieerd zijn om rekening te houden met de regionale of plaatselijke terreingesteldheid en het werkelijke grondgebruik;

e)

geen elementen bevatten die op investeringskosten betrekking hebben.

Artikel 11

Combinatie van verbintenissen en combinatie van maatregelen

1.   Verscheidene agromilieuklimaatverbintenissen in het kader van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, verbintenissen op het gebied van biologische landbouw in het kader van artikel 29 van die verordening, dierenwelzijnsverbintenissen in het kader van artikel 33 van die verordening en bosmilieu- en klimaatverbintenissen in het kader van artikel 34 van die verordening mogen met elkaar worden gecombineerd mits zij elkaar aanvullen en onderling verenigbaar zijn. De lidstaten hechten de lijst van toegestane combinaties aan hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s.

2.   Wanneer maatregelen of verschillende verbintenissen in het kader van dezelfde of andere maatregelen als bedoeld in lid 1 worden gecombineerd, houden de lidstaten bij het bepalen van het steunniveau rekening met de specifieke gederfde inkomsten en extra kosten die het gevolg zijn van de combinatie.

3.   Wanneer een concrete actie onder twee of meer maatregelen of onder twee of meer soorten concrete acties valt, kunnen de lidstaten de uitgaven toerekenen aan de overheersende maatregel of soort concrete actie. Het specifieke bijdragepercentage van die overheersende maatregel of soort concrete actie is van toepassing.

Artikel 12

Nationaal netwerk voor het platteland

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het in artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde nationale netwerk voor het platteland is opgezet, functioneert en met de uitvoering van zijn actieplan begint uiterlijk twaalf maanden na de goedkeuring door de Commissie van het plattelandsontwikkelingsprogramma of, indien van toepassing, het specifieke programma voor het opzetten en het functioneren van het nationale netwerk voor het platteland.

2.   De structuur die nodig is voor het beheer van het nationale netwerk voor het platteland wordt vastgesteld hetzij binnen de nationale of regionale bevoegde autoriteiten, hetzij extern, door selectie volgens aanbestedingsprocedures, hetzij door een combinatie van beide. Die structuur moet het mogelijk maken ten minste de in artikel 54, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde activiteiten te verrichten.

3.   Indien een lidstaat kiest voor een specifiek programma voor het opzetten en het functioneren van het nationale netwerk voor het platteland, omvat dat programma de in bijlage I, deel 3, bij deze verordening bedoelde elementen.

Artikel 13

Voorlichting en publiciteit

1.   De beheersautoriteit legt een voorlichtings- en publiciteitsstrategie alsook eventuele wijzigingen daarvan ter informatie over aan het toezichtcomité. De strategie wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling van het plattelandsontwikkelingsprogramma overgelegd. De beheersautoriteit informeert het toezichtcomité ten minste een keer per jaar over de voortgang met de uitvoering van de voorlichtings- en publiciteitsstrategie en over haar analyse van de resultaten alsook over de voor het volgende jaar geplande voorlichting en publiciteit.

2.   In bijlage III zijn nadere regels inzake de verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit en de begunstigden op het gebied van voorlichting en publiciteit opgenomen.

Artikel 14

Monitoring- en evaluatiesysteem

1.   Het in artikel 67 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde gemeenschappelijke monitoring- en evaluatiesysteem omvat de volgende elementen:

a)

een interventielogica die de interacties tussen prioriteiten, aandachtsgebieden en maatregelen laat zien;

b)

een reeks gemeenschappelijke context-, resultaat- en outputindicatoren, met inbegrip van indicatoren ter vaststelling van gekwantificeerde doelstellingen voor aandachtsgebieden op het gebied van plattelandsontwikkeling en een reeks vooraf bepaalde indicatoren voor de evaluatie van de prestaties;

c)

gemeenschappelijke evaluatievragen, zoals beschreven in bijlage V;

d)

gegevensverzameling, -opslag, en -transmissie;

e)

regelmatige verslaglegging over monitoring- en evaluatieactiviteiten;

f)

het evaluatieplan;

g)

de ex-ante- en ex-postevaluaties en alle andere evaluatieactiviteiten in verband met het plattelandsontwikkelingsprogramma, met inbegrip van die welke vereist zijn ter nakoming van de in artikel 50, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en artikel 75, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde aanvullende voorschriften voor de in 2017 en 2019 in te dienen jaarlijkse uitvoeringsverslagen;

h)

steun om alle met monitoring en evaluatie belaste actoren in staat te stellen hun verplichtingen na te komen.

2.   De gemeenschappelijke reeks context-, resultaat- en outputindicatoren voor het plattelandsontwikkelingsbeleid is opgenomen in bijlage IV. In die bijlage is ook aangegeven welke indicatoren moeten worden gebruikt voor het vaststellen van kwantitatieve doelstellingen voor aandachtsgebieden op het gebied van plattelandsontwikkeling. De in bijlage II, punt 2, bij Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde mijlpalen en streefdoelen van het prestatiekader worden door de lidstaat vastgesteld aan de hand van de in bijlage IV, punt 5, bij deze verordening bedoelde vooraf vastgestelde prestatiekaderindicatoren dan wel door deze indicatoren te vervangen door en/of aan te vullen met andere ter zake relevante outputindicatoren die in het plattelandsontwikkelingsprogramma zijn vastgesteld.

3.   De in bijlage VI opgenomen documenten inzake technische ondersteuning maken deel uit van het monitoring- en evaluatiesysteem.

4.   Voor soorten concrete acties waarvoor in de in bijlage I, deel I, punt 11, onder c), bij deze verordening bedoelde tabel een mogelijke bijdrage aan de in artikel 5, eerste alinea, punt 2, onder a), artikel 5, eerste alinea, punt 5, onder a) tot en met d), en artikel 5, eerste alinea, punt 6, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde aandachtsgebieden is vermeld, bevat de in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde elektronische registratie van de concrete acties een vlag/vlaggen om de gevallen te markeren waarin een concrete actie een component heeft die aan een of meer van die aandachtsgebieden bijdraagt.

Artikel 15

Jaarlijks uitvoeringsverslag

De presentatie van het in artikel 75 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde jaarlijkse uitvoeringsverslag is vastgesteld in bijlage VII bij deze verordening.

Artikel 16

Evaluatieplan

De minimumeisen voor het in artikel 56, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde evaluatieplan zijn vastgesteld in bijlage I, deel 1, punt 9, bij deze verordening.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 juli 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487.

(2)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen (zie blz. 1 van dit Publicatieblad).


BIJLAGE I

DEEL 1

Presentatie van de inhoud van plattelandsontwikkelingsprogramma’s

1.   Titel van het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP)

2.   Lidstaat of bestuurlijke regio

a)

Geografisch gebied waarop het programma betrekking heeft

b)

Classificatie van de regio

3.   Ex-ante-evaluatie

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

a)

Beschrijving van het proces, met inbegrip van het tijdschema van de belangrijkste stappen en tussentijdse verslagen, met betrekking tot de belangrijkste fasen in de ontwikkeling van het POP;

b)

Gestructureerde tabel met de aanbevelingen van de ex-ante-evaluatie en de wijze waarop die zijn opgevolgd;

c)

Het volledige verslag van de ex-ante-evaluatie (met inbegrip van de vereisten van de strategische milieubeoordeling, SMB) wordt als bijlage bij het POP gevoegd.

4.   Sterke punten, zwakke punten, kansen en bedreigingen („SWOT”) en vaststelling van de behoeften

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

a)

SWOT-analyse met de volgende afdelingen:

i)

alomvattende beschrijving van de huidige situatie van het programmeringsgebied, op basis van gemeenschappelijke en programmaspecifieke contextindicatoren en andere kwalitatieve actuele informatie;

ii)

in het programmagebied geconstateerde sterke punten;

iii)

in het programmagebied geconstateerde zwakke punten;

iv)

in het programmagebied geconstateerde kansen;

v)

in het programmagebied geconstateerde bedreigingen;

vi)

gestructureerde tabel met de gegevens voor de gemeenschappelijke en programmaspecifieke contextindicatoren.

b)

Behoeftenbeoordeling, op basis van feitenmateriaal van de SWOT-analyse, voor elke Unieprioriteit voor plattelandsontwikkeling (hierna „prioriteit” genoemd) en aandachtsgebied en de drie horizontale doelstellingen (milieu, met inbegrip van de specifieke behoeften van de Natura 2000-gebieden volgens het prioritaire actiekader (1), matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, innovatie).

5.   Beschrijving van de strategie

a)

Een motivering van de geselecteerde behoeften waarop het POP moet inspelen, en de keuze van de doelstellingen, prioriteiten, aandachtsgebieden en de vaststelling van streefdoelen op basis van feitenmateriaal van de SWOT-analyse en de behoeftenbeoordeling. Indien van toepassing, een motivering van de in het programma opgenomen thematische subprogramma’s. De motivering moet met name aantonen dat aan de in artikel 8, lid 1, onder c), i) en iv), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde vereisten is voldaan.

b)

De combinatie en motivering van de plattelandsontwikkelingsmaatregelen voor elk aandachtsgebied, met inbegrip van de rechtvaardiging van de financiële toewijzingen voor de maatregelen en de toereikendheid van de financiële middelen voor het halen van de vastgestelde streefcijfers, als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013. De in de interventielogica opgenomen combinatie van maatregelen dient te zijn gebaseerd op het feitenmateriaal van de SWOT-analyse en de motivering en prioritering van de behoeften als bedoeld onder a).

c)

Een beschrijving van de wijze waarop de horizontale doelstellingen worden nagestreefd, met inbegrip van de in artikel 8, lid 1, onder c), v), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde specifieke vereisten.

d)

Een overzichtstabel van de interventielogica met de voor het POP geselecteerde prioriteiten en aandachtsgebieden, de kwantitatieve doelstellingen, en de combinatie van maatregelen die moeten worden gebruikt om deze te verwezenlijken, met inbegrip van de geplande uitgaven. De overzichtstabel wordt automatisch gegenereerd uit de in punt 5, onder b) en punt 11, verstrekte informatie, door middel van de in artikel 4, onder a) en b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 184/2014 van de Commissie (2) bedoelde kenmerken van het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling („SFC2014”).

e)

Een beschrijving van de capaciteit voor het verlenen van advies om aan te tonen dat de overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder c), vi), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vereiste maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat er voldoende capaciteit beschikbaar is voor het verlenen van advies over de regelgeving en over acties inzake innovatie.

6.   Beoordeling van de ex-ante-voorwaarden die de volgende gestructureerde tabellen omvat:

a)

Informatie over de beoordeling van de toepasselijkheid van de ex-ante-voorwaarden;

b)

Voor elke toepasselijke algemene en prioriteitsgebonden ex-ante-voorwaarde in een tabel:

i)

een beoordeling van de vervulling ervan;

ii)

een lijst van prioriteiten/aandachtsgebieden en maatregelen waarvoor de voorwaarde geldt. In deel 4 is een indicatieve lijst vastgesteld van prioriteiten/aandachtsgebieden en maatregelen die van bijzonder belang zijn voor elke ex-ante-voorwaarde;

iii)

een lijst van relevante criteria alsook een beoordeling van de vervulling ervan;

iv)

verwijzingen naar de strategieën, rechtshandelingen of andere ter zake relevante documenten, met inbegrip van verwijzingen naar de desbetreffende afdelingen of artikelen, die de vervulling van een bepaald criterium staven.

c)

Twee afzonderlijke tabellen, een voor toepasselijke algemene en een voor toepasselijke prioriteitsgebonden ex-ante-voorwaarden die helemaal niet of niet helemaal zijn vervuld, met in elk daarvan de volgende informatie:

i)

de niet vervulde criteria;

ii)

ter vervulling van elk van die criteria te ondernemen acties;

iii)

termijnen voor deze acties, en

iv)

voor de vervulling verantwoordelijke instanties.

7.   Beschrijving van het prestatiekader

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

a)

Indien relevant, informatie over de selectie van de indicatoren als bedoeld in artikel 14, lid 2, mijlpalen, belangrijkste stappen in de uitvoering, alsook van de toewijzing van de prestatiereserve. De vaststelling van de streefdoelen moet in het kader van de strategie worden gemotiveerd, overeenkomstig punt 5, onder a);

b)

Een tabel met voor elke prioriteit de toewijzing van de prestatiereserve, en voor elke indicator:

i)

streefdoelen voor 2023. Streefdoelen houden geen rekening met aanvullende nationale financiering als bedoeld in punt 12, en staatssteun in de vorm van aanvullende nationale financiering als bedoeld in punt 13;

ii)

mijlpalen voor 2018 op basis van de streefdoelen.

Wijkt het totale bedrag dat uit het Elfpo aan de prestatiereserve is toegewezen af van de evenredige verdeling (3) van de totale nationale toewijzing van de Elfpo-prestatiereserve in de partnerschapsovereenkomst aan alle nationale en regionale programma’s, met uitzondering van in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB en in artikel 54, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde specifieke programma’s voor het opzetten en het functioneren van de nationale netwerken voor het platteland, dan wordt een motivering van het uit de prestatiereserve toegewezen bedrag gegeven.

8.   Beschrijving van de geselecteerde maatregelen

1.

Beschrijving van de algemene voorwaarden, van toepassing op meer dan één maatregel, met inbegrip van, voor zover relevant, de definitie van plattelandsgebied, uitgangspunten, randvoorwaarden, beoogd gebruik van financieringsinstrumenten, beoogd gebruik van voorschotten, en gemeenschappelijke bepalingen voor investeringen, met inbegrip van de bepalingen van de artikelen 45 en 46 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

Indien relevant wordt de in artikel 11, lid 1, bedoelde lijst van toegestane combinaties van verbintenissen aan het POP gehecht.

2.

Beschrijving per maatregel met inbegrip van:

a)

rechtsgrondslag;

b)

algemene beschrijving van de maatregel met inbegrip van de interventielogica en de bijdrage ervan aan de aandachtsgebieden en horizontale doelstellingen;

c)

toepassingsgebied, steunniveau, in aanmerking komende begunstigden en, in voorkomend geval, de methodologie voor de berekening van het steunbedrag of -percentage, waar nodig uitgesplitst per submaatregel en/of soort concrete actie. Voor elke soort concrete actie, een specificatie van de subsidiabele kosten, de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de toepasselijke bedragen en steunpercentages en beginselen inzake de vaststelling van selectiecriteria;

d)

beschrijving van de verifieerbaarheid en controleerbaarheid van de maatregelen en/of soorten concrete acties:

i)

risico(’s) bij de uitvoering van de maatregelen en/of soort concrete acties;

ii)

matigingsacties;

iii)

algemene beoordeling van de maatregel en/of soort concrete acties.

Voor de maatregel in het kader van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 omvat de beschrijving een tabel die het verband tussen agromilieuklimaatverbintenissen en de methoden voor de verificatie en controle ervan illustreert.

e)

een beschrijving specifiek voor elke maatregel en/of elke soort concrete actie, als volgt:

1.   Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting (artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

omschrijving van de capaciteiten, in de vorm van personeelskwalificaties en regelmatige opleiding, waarover de organisaties die kennisoverdrachtsdiensten aanbieden, moeten beschikken om hun taken uit te voeren;

omschrijving van de looptijd en inhoud van landbouw- en bosbouwuitwisselingsprogramma’s en bezoeken aan landbouw- en bosbouwbedrijven als bedoeld in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014.

2.   Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten (artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

algemene beginselen ter waarborging van passende middelen in de vorm van geregeld opgeleid en gekwalificeerd personeel en ervaring op het gebied van adviesverstrekking en betrouwbaarheid op het gebied waarover advies wordt verstrekt. Identificatie van de elementen die onder het advies vallen.

3.   Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

vermelding van op nationaal niveau erkende subsidiabele kwaliteitsregelingen, met inbegrip van regelingen voor de certificering van landbouwbedrijven, voor landbouwproducten, katoen of levensmiddelen en bevestiging dat deze kwaliteitsregelingen voldoen aan de in artikel 16, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgestelde criteria;

vermelding van de subsidiabele vrijwillige landbouwproductcertificeringsregelingen, die door de lidstaat worden erkend als zijnde conform de richtsnoeren van de Unie inzake beste praktijken.

4.   Investeringen in materiële activa (artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

omschrijving van niet-productieve investeringen;

omschrijving van collectieve investeringen;

omschrijving van geïntegreerde projecten;

omschrijving en identificatie van de subsidiabele Natura 2000-gebieden en andere subsidiabele gebieden met een hoge natuurwaarde;

beschrijving van de gerichtheid van de steun op landbouwbedrijven overeenkomstig de ten aanzien van de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde prioriteit verrichte SWOT-analyse;

lijst van door het recht van de Unie gestelde nieuwe eisen ter nakoming waarvan steun kan worden verleend in het kader van artikel 17, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

indien relevant, de in artikel 13, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 bedoelde bedoelde minimumnormen voor energie-efficiëntie;

indien relevant, de in artikel 13, onder e), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 bedoelde drempelwaarden.

5.   Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen (artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

definitie van in artikel 19, lid 1, onder a) iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde kleine landbouwbedrijven;

vaststelling van de boven- en benedengrenzen als bedoeld in artikel 19, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

specifieke voorwaarden voor steun voor jonge landbouwers ingeval zij zich niet als enig bedrijfshoofd vestigen overeenkomstig artikel 2, leden 1 en 2, van Gedelgeerde Verordening (EU) nr. 807/2014;

informatie over de toepassing van de in artikel 2, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 bedoelde gratieperiode;

een samenvatting van de aan het bedrijfsplan gestelde eisen;

gebruik van de mogelijkheid verschillende maatregelen te laten combineren door middel van het bedrijfsplan, dat de jonge landbouwer dan toegang tot die maatregelen geeft;

activiteitengebieden waarnaar kan worden gediversifieerd.

6.   Basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden (artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

definitie van kleinschalige infrastructuur, met inbegrip van kleinschalige toeristische infrastructuur als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

indien van toepassing, de specifieke afwijking waarbij steun aan grootschaliger infrastructuur voor investeringen in breedband en hernieuwbare energie wordt toegestaan;

indien relevant, de in artikel 13, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 bedoelde bedoelde minimumnormen voor energie-efficiëntie;

vaststelling van de in artikel 13, onder e), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 bedoelde drempels.

7.   Investeringen in de ontwikkeling van bosgebieden en de verbetering van de levensvatbaarheid van bossen (artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

vaststelling en rechtvaardiging van de bedrijfsomvang waarboven steun afhankelijk is van de overlegging van een bosbeheerplan of van een gelijkwaardig instrument dat in overeenstemming is met duurzaam bosbeheer;

definitie van een „gelijkwaardig instrument”.

Bebossing en de aanleg van beboste gebieden

Identificatie van soorten, gebieden en te gebruiken methoden ter vermijding van niet-passende bebossing als bedoeld in artikel 6, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014, met inbegrip van de beschrijving van de milieu- en kimaatomstandigheden van de gebieden waar bebossing is gepland als bedoeld in artikel 6, onder b), van die verordening;

vaststelling van de in artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 bedoelde minimale milieueisen.

Invoering van boslandbouwsystemen

Specificatie van het minimale en maximale aantal bomen dat per hectare moet worden geplant en, wanneer volwassen, moet worden behouden en de te gebruiken bosbouwsoorten als bedoeld in artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

opgave van de verwachte milieuvoordelen van de ondersteunde systemen.

Preventie en herstel van schade door bosbranden en natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen

Indien relevant, de lijst van soorten van organismen die schadelijk zijn voor planten en een ramp kunnen veroorzaken;

identificatie van bosgebieden die worden geacht een gemiddeld tot hoog risico van bosbrand te hebben, op basis van de betreffende plannen voor bosbescherming;

in geval van preventieve acties tegen plagen en ziekten, een beschrijving van een ter zake relevante ramp die zich heeft voorgedaan, gestaafd door wetenschappelijk bewijs met inbegrip van, indien relevant, door wetenschappelijke organisaties gedane aanbevelingen voor het omgaan met plagen en ziekten.

Investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde van bosecosystemen

Omschrijving van soorten subsidiabele investeringen en de verwachte milieuresultaten en/of maatschappelijke belevingswaarde ervan.

8.   Oprichting van producentengroeperingen en -organisaties (artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

Beschrijving van de officiële procedure voor de erkenning van de groeperingen en organisaties.

9.   Agromilieuklimaatsteun (Artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

Identificatie en definitie van de relevante basiselementen; dit omvat de desbetreffende dwingende voorschriften die zijn vastgesteld uit hoofde van titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4), de relevante criteria en minimumactiviteiten die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5), de relevante minimumeisen voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, en andere relevante dwingende voorschriften die bij de nationale wetgeving zijn vastgesteld;

de minimumeisen voor meststoffen moeten onder meer de codes van goede landbouwmethoden die bij Richtlijn 91/676/EEG van de Raad (6) zijn ingevoerd voor de landbouwbedrijven buiten de kwetsbare zones in de zin van die richtlijn, en eisen betreffende de vervuiling met fosfor omvatten; de minimumeisen voor gewasbeschermingsmiddelen moeten onder meer de bij Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) ingevoerde algemene beginselen voor geïntegreerde plaagbestrijding, de eis in het bezit te zijn van een vergunning voor het gebruik van dergelijke producten, de eis de opleidingsverplichtingen na te komen, eisen betreffende een veilige opslag, eisen betreffende het controleren van de machines voor toediening van dergelijke producten en regels betreffende het gebruik van bestrijdingsmiddelen dicht bij water en op andere gevoelige locaties, zoals vastgelegd bij nationale wetgeving, omvatten;

een tabel ter illustratie van het verband tussen agromilieuklimaatverbintenissen en de relevante gebruikelijke landbouwpraktijken en de relevante elementen van het referentieniveau (uitgangselementen), d.w.z. goede landbouw- en milieuconditie en uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, andere relevante nationale/regionale eisen, en minimumactiviteiten;

lijst van lokale rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan en van plantaardige genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd;

een beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische veronderstellingen en parameters met inbegrip van een beschrijving van de voor elk specifiek type van verbintenis relevante minimumvereisten als bedoeld in artikel 28, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, die worden toegepast bij de berekeningen ter rechtvaardiging van extra kosten, gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenissen en het niveau van de transactiekosten; indien relevant houdt die methodologie rekening met de uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verleende steun, met inbegrip van de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, om dubbele financiering te voorkomen; in voorkomend geval, de omrekeningsmethode die overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor andere eenheden wordt gebruikt;

10.   Biologische landbouw (artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

identificatie en definitie van de relevante uitgangselementen; dit omvat de desbetreffende dwingende voorschriften die zijn vastgesteld uit hoofde van titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, de relevante criteria en minimumactiviteiten die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de relevante minimumeisen voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, en andere relevante dwingende voorschriften die bij de nationale wetgeving zijn vastgesteld;

een beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische veronderstellingen en parameters met inbegrip van een beschrijving van de voor elk specifiek type van verbintenis relevante basiseisen als bedoeld in artikel 29, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, die worden toegepast bij de berekeningen ter rechtvaardiging van extra kosten, gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenissen en het niveau van de transactiekosten; indien relevant, houdt die methodologie rekening met de uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verleende steun, met inbegrip van de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, om dubbele financiering te voorkomen. in voorkomend geval, de omrekeningsmethode die overeenkomstig artikel 9 van deze verordening voor andere eenheden wordt gebruikt.

11.   Betalingen in het kader van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water („KRW”) (artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

voor Natura 2000: de voor de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) aangewezen gebieden en de uit de corresponderende nationale en/of regionale beheerseisen voortvloeiende verplichtingen voor landbouwers;

indien andere afgebakende natuurbeschermingsgebieden met specifieke beperkingen op milieugebied worden gekozen om in het kader van deze maatregel te worden ondersteund, specificatie van de gebieden en de bijdrage aan de uitvoering van artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG;

voor betalingen in verband met de KRW: vaststelling van belangrijke wijzigingen in het soort landgebruik en beschrijving van de koppelingen met de programma’s van maatregelen van het in artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) („KRW”) bedoelde stroomgebiedbeheerplan;

identificatie en definitie van de uitgangselementen; voor Natura 2000-betalingen omvat dit de in artikel 94 en bijlage II van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde goede landbouw- en milieuconditie en de in artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde relevante criteria en minimumactiviteiten; voor KRW-betalingen omvat dit de uit hoofde van titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde dwingende normen en de uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde relevante criteria en minimumactiviteiten;

vermelding van het verband tussen de uitvoering van de maatregel en het prioritaire actiekader (artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG);

identificatie van de beperkingen/nadelen op basis waarvan betalingen kunnen worden toegekend en vermelding van verplichte praktijken;

een beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische veronderstellingen met inbegrip van de basisvereisten als bedoeld in artikel 30, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voor de Richtlijnen 92/43/EEG en 2009/147/EG en in artikel 30, lid 4, van die verordening voor de WKR, die worden toegepast bij de berekeningen ter rechtvaardiging van extra kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de nadelen in de betrokken gebieden in verband met de uitvoering van de Richtlijnen 92/43/EEG, 2009/147/EG en de KRW; indien relevant houdt die methodologie rekening met de overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 verleende betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, om dubbele financiering uit te sluiten.

12.   Betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen (artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

bepaling van het drempelniveau voor de oppervlakte per bedrijf, op basis waarvan de lidstaat de degressiviteit van betalingen berekent;

Aanwijzing van gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen

beschrijving van het voor de aanwijzing van de gebieden toegepaste niveau van de plaatselijke unit;

beschrijving van de toepassing van de methode met inbegrip van de in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde criteria voor de afbakening van de drie in dat artikel bedoelde categorieën gebieden met inbegrip van de beschrijving en de resultaten van de extra selectie voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen die geen berggebieden zijn.

13.   Dierenwelzijn (artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

vaststelling en identificatie van de nationale en uniale eisen die overeenkomen met de dwingende normen, zoals vastgesteld overeenkomstig titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

een beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte agronomische/zoötechnische veronderstellingen en parameters met inbegrip van een beschrijving van de voor elk specifiek type van verbintenis relevante basiseisen als bedoeld in artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, die worden toegepast bij de berekeningen ter rechtvaardiging van extra kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenissen.

14.   Bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding (artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

Omschrijving en motivering van de bedrijfsomvang waarboven steun afhankelijk is van de overlegging van een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument;

definitie van een „gelijkwaardig instrument”;

identificatie van relevante dwingende eisen die in de nationale bosbouwwetgeving of andere relevante nationale wetgeving zijn vastgelegd;

een beschrijving van de methodologie en de als referentiepunt gebruikte veronderstellingen en parameters met inbegrip van een beschrijving van de voor elk specifiek type van verbintenis relevante basiseisen als bedoeld in artikel 34, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, die worden toegepast bij de berekeningen ter rechtvaardiging van extra kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de aangegane verbintenissen.

15.   Samenwerking (artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

Specificatie van de kenmerken van proefprojecten, clusters, netwerken, korte toeleveringsketens en lokale markten.

16.   Risicobeheer (de artikelen 36, 37 en 38 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

Beschrijving van de mechanismen om overcompensatie te voorkomen.

Oogst-, dier- en plantverzekering

Beschrijving van de voorwaarden waaronder verzekeringsovereenkomsten voor steun in aanmerking komen, die ten minste het volgende omvat:

a)

gedekte bijzondere risico’s;

b)

gedekte bijzondere economische verliezen;

regels die moeten worden gebruikt voor de vaststelling van de berekening van het aandeel van de gemiddelde jaarproductie van een landbouwer dat is vernietigd.

Onderlinge fondsen voor ongunstige weersomstandigheden, dier- en plantenziekten, plagen en milieuongevallen

Beginselen voor financieringsregelingen, oprichting en het beheer van de onderlinge fondsen, met in het bijzonder:

a)

de lijst van ongunstige weersomstandigheden, dier- of plantenziekten, plagen of milieu-incidenten die aanleiding kunnen geven tot de betaling van vergoedingen aan landbouwers, in voorkomend geval met inbegrip van het geografische toepassingsgebied;

b)

de criteria om te beoordelen of een bepaalde gebeurtenis aanleiding geeft tot de betaling van vergoedingen aan landbouwers;

c)

de methoden voor de berekening van de extra kosten die in aanmerking komen als economische verliezen;

d)

de berekening van de administratieve lasten;

e)

de methode die moet worden gebruikt voor de vaststelling van de berekening van het aandeel van de gemiddelde jaarproductie van een landbouwer dat is vernietigd;

f)

eventuele grenswaarden voor het in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van kosten;

wanneer de bron van de financiële compensatie die het onderlinge fonds moet betalen een lening tegen marktvoorwaarden is, minimale en maximale duur van de commerciële lening.

Inkomensstabiliseringsinstrument

Beginselen voor financieringsregelingen, de oprichting en het beheer van de onderlinge fondsen, voor de toekenning van compensatiebetalingen aan landbouwers, waarin met name het volgende moet worden opgenomen:

a)

de berekening van de administratieve lasten;

b)

voor de vaststelling van de berekening van de inkomstendaling te volgen regels;

c)

eventuele grenswaarden voor het in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van kosten;

wanneer de bron van de financiële compensatie die het onderlinge fonds moet betalen een lening tegen marktvoorwaarden is, minimale en maximale duur van de commerciële lening.

17.   Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (Leader) (artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, de artikelen 43 en 44 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

beschrijving van de verplichte elementen van de vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (hierna „GGLO”) waaruit de LEADER-maatregel is samengesteld: voorbereidende steun, uitvoering van concrete acties in het kader van de GGLO-strategie, voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de plaatselijke groep (hierna „PG”), lopende kosten en dynamisering als bedoeld in artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

beschrijving van het gebruik van de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde LEADER-opstartkit als specifieke soort voorbereidende steun, indien relevant;

beschrijving van het in artikel 44, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde systeem voor doorlopende aanvragen voor LEADER-samenwerkingsprojecten;

de procedure en de termijn voor het selecteren van de strategieën voor plaatselijke ontwikkeling;

motivering van de selectie van geografische gebieden voor de uitvoering van de strategieën voor plaatselijke ontwikkeling, waarvan de bevolking buiten de in artikel 33, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 vastgestelde limieten valt;

coördinatie met de andere Europese structuur- en investeringsfondsen (hierna: „ESI-fondsen”) op het gebied van GGLO, met inbegrip van de mogelijke oplossing ten aanzien van het gebruik van de hoofdfondsoptie, en eventuele globale complementariteit tussen de ESI-fondsen voor de financiering van de voorbereidende steun;

het al dan niet bestaan van de mogelijkheid om voorschotten te betalen;

vaststelling van de taken van de beheersautoriteit, het betaalorgaan en de PG’s in het kader van LEADER, met name wat betreft een niet-discriminerende en transparante selectieprocedure en objectieve criteria voor de selectie van concrete acties als bedoeld in artikel 34, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

beschrijving van de geplande coördinatiemechanismen en gewaarborgde complementariteit met in het kader van andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling ondersteunde concrete acties, met name wat betreft:

investeringen in niet-agrarische activiteiten en aanloopsteun in het kader van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

investeringen in het kader van artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, en

samenwerking in het kader van artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, met name de uitvoering van strategieën voor plaatselijke ontwikkeling door publiek-private partnerschappen.

9.   Evaluatieplan, met de volgende afdelingen:

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

1.   Doelstellingen en toepassingsgebied

Een uiteenzetting van de doelstellingen en het voorwerp van het evaluatieplan, dat erop gericht is te waarborgen dat er voldoende en passende evaluatieactiviteiten worden ondernomen, met name om de informatie te verstrekken die nodig is voor programmasturing, voor de jaarlijkse uitvoeringsverslagen in 2017 en 2019 en de ex-postevaluatie, en om ervoor te zorgen dat de nodige gegevens voor de evaluatie van het POP beschikbaar zijn.

2.   Bestuur en coördinatie

Korte beschrijving van de monitoring- en evaluatieregelingen voor het POP, waarin de belangrijkste betrokken instanties en hun verantwoordelijkheden worden aangewezen. Toelichting van de wijze waarop evaluatieactiviteiten zijn gekoppeld met de uitvoering van het POP wat betreft de inhoud en het tijdschema.

3.   Evaluatieonderwerpen en -activiteiten

Indicatieve beschrijving van de geplande evaluatieonderwerpen en -activiteiten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de nakoming van de evaluatievereisten waarin is voorzien in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en Verordening (EU) nr. 1305/2013. Deze bevat de volgende gegevens:

a)

activiteiten die nodig zijn voor de evaluatie van de bijdrage van elke POP-prioriteit van de Unie als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 aan de in artikel 4 van die verordening vastgestelde plattelandsontwikkelingsdoelstellingen, de beoordeling van de resultaat- en impactindicatorwaarden, de analyse van de netto-effecten, thematische vraagstukken, met inbegrip van subprogramma’s, horizontale kwesties, nationale netwerken voor het platteland, bijdrage van de GGLO-strategieën;

b)

geplande ondersteuning voor evaluatie op PG-niveau;

c)

programmaspecifieke elementen zoals werkzaamheden die nodig zijn om methoden te ontwikkelen of specifieke beleidsdomeinen aan te pakken.

4.   Gegevens en informatie

Korte beschrijving van het systeem voor het registreren, onderhouden, beheren en rapporteren van statistische informatie over de uitvoering van de POP’s en het verstrekken van monitoringgegevens voor evaluatie. Identificatie van te gebruiken gegevensbronnen, ontbrekende gegevens, mogelijke institutionele kwesties met betrekking tot de gegevensverstrekking, en de voorgestelde oplossingen. Dit onderdeel moet aantonen dat er te gepasten tijde passende systemen voor gegevensbeheer operationeel zullen zijn.

5.   Tijdschema

Belangrijke mijlpalen van de programmeringsperiode, en indicatief overzicht van de tijd die nodig is om ervoor te zorgen dat de resultaten te gepasten tijde beschikbaar zijn.

6.   Communicatie

Bschrijving van de wijze waarop de evaluatiebevindingen zullen worden verspreid naar de ontvangers, met inbegrip van een beschrijving van de regelingen die zijn vastgesteld voor een follow-up van het gebruik van evaluatieresultaten.

7.   Middelen

Beschrijving van de middelen die nodig zijn en zijn gepland voor de uitvoering van het evaluatieplan, met inbegrip van een vermelding van de administratieve capaciteit, gegevens, financiële middelen, IT-behoeften. Beschrijving van de activiteiten voor capaciteitsopbouw die gepland zijn om ervoor te zorgen dat het evaluatieplan volledig kan worden uitgevoerd.

10.   Financieringsplan, bestaande uit afzonderlijke gestructureerde tabellen waarin het volgende wordt vermeld:

a)   De jaarlijkse Elfpo-bijdrage

i)

voor alle in artikel 59, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde soorten regio’s;

ii)

voor de in artikel 59, lid 4, onder f), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bedragen en de in artikel 58, lid 6, van die verordening bedoelde aan het Elfpo overgedragen middelen;

iii)

voor overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 aan de prestatiereserve toegewezen middelen;

b)   Het enig Elfpo-bijdragepercentage voor alle maatregelen uitgesplitst naar het soort regio als bedoeld in artikel 59, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

c)   De uitsplitsing per maatregel of soort concrete actie met een specifiek Elfpo-steunpercentage:

i)

de totale bijdrage van de Unie, het Elfpo-bijdragepercentage, en de indicatieve uitsplitsing van de totale bijdrage van de Unie per aandachtsgebied (10);

ii)

voor de in de artikelen 17 en 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde bedragen, de totale bijdrage van de Unie voorbehouden voor concrete acties als bedoeld in artikel 59, lid 6, van die verordening;

iii)

voor technische bijstand, de totale bijdrage van de Unie en het overeenkomstig artikel 51, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 gebruikte Elfpo-financieringspercentage;

iv)

voor uitgaven in verband met juridische verbintenissen ten aanzien van begunstigden die zijn gedaan in het kader van de maatregelen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en die niet corresponderen met uitgaven in de programmaperiode 2014-2020, de totale bijdrage van de Unie en het Elfpo-bijdragepercentage.

Wanneer een maatregel of een soort concrete actie met een specifiek Elfpo-bijdragepercentage bijdraagt aan de in artikel 38, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde financiële instrumenten wordt in de tabel afzonderlijk melding gemaakt van de bijdragepercentages voor financiële instrumenten en voor andere concrete acties en van een indicatief Elfpo-bedrag dat overeenkomt met de geplande bijdrage aan het financiële instrument.

Voor de in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregel komt de Elfpo-bijdrage die is voorbehouden voor onder het toepassingsgebied van artikel 59, lid 6, van die verordening vallende concrete acties overeen met de bijdrage van de maatregel aan de in artikel 5, leden 4 en 5, van die verordening vastgestelde prioriteiten.

d)   Voor elk subprogramma een indicatieve uitsplitsing per maatregel van de totale bijdrage van de Unie per maatregel.

11.   Indicatorplan, bestaande uit afzonderlijke gestructureerde tabellen waarin het volgende wordt vermeld:

a)

per aandachtsgebied, de kwantitatieve doelstellingen vergezeld van de geplande outputs en de geplande totale overheidsuitgaven van de voor het aandachtsgebied geselecteerde maatregelen;

b)

voor landbouw en bosbouw, de gedetailleerde berekening van de streefdoelen van de in artikel 5, punt 4, en artikel 5, punt 5, onder d) en e), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgestelde prioriteiten:

c)

kwalitatief, de aanvullende bijdrage van de maatregelen aan andere aandachtsgebieden.

12.   Aanvullende nationale financiering:

Voor maatregelen en concrete acties die binnen de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, een overzicht van de aanvullende nationale financiering per maatregel, in overeenstemming met artikel 82 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, met inbegrip van de bedragen per maatregel en vermelding van de naleving van de criteria uit hoofde van die verordening.

13.   Elementen die nodig zijn voor de toetsing aan de staatssteunregels:

Voor de maatregelen en concrete acties die buiten de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, de voor de uitvoering van de programma’s te gebruiken tabel van onder artikel 81, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vallende steunregelingen, met inbegrip van de titel van de steunregeling, evenals de Elfpo-bijdrage, nationale medefinanciering en de aanvullende nationale financiering. Tijdens de gehele looptijd van het programma moet compatibiliteit met de staatssteunregels van de Unie worden gewaarborgd.

De tabel gaat vergezeld van een verbintenis van de lidstaat om, indien vereist krachtens de staatsteunregels of specifieke voorwaarden in een besluit inzake staatsteun, zulke maatregelen afzonderlijk aan te melden uit hoofde van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

14.   Informatie over complementariteit met de volgende afdelingen:

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

1.

Beschrijving van de middelen voor de complementariteit en samenhang met:

andere instrumenten van de Unie en in het bijzonder met ESI-fondsen en pijler 1, met inbegrip van vergroening, en andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

indien een lidstaat ervoor heeft gekozen een nationaal programma en een reeks regionale programma’s als bedoeld in artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 in te dienen, informatie over de complementariteit daartussen.

2.

Indien relevant, informatie over de complementariteit met andere instrumenten van de Unie (11), met inbegrip van Life.

15.   Regelingen voor de uitvoering van het programma, met de volgende afdelingen:

Voor in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB zijn enkel de punten a), b) en c) van dit punt van toepassing

a)

de aanwijzing door de lidstaat van alle in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde autoriteiten en een beknopte beschrijving van de beheers- en controlestructuur van programma als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder m), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en regelingen in het kader van artikel 74, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

b)

de beoogde samenstelling van het toezichtcomité;

c)

de maatregelen om bekendheid aan het programma te geven, onder meer via het nationaal netwerk voor het platteland, onder referentie aan de in artikel 13 bedoelde voorlichtings- en publiciteitsstrategie;

d)

beschrijving van de mechanismen om samenhang te waarborgen met de in het kader van LEADER uitgevoerde strategieën voor plaatselijke ontwikkeling, in het kader van de in artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde samenwerkingsmaatregel beoogde activiteiten, de in artikel 20 van die verordening bedoelde maatregel inzake basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden, en andere ESI-fondsen;

e)

beschrijving van de in artikel 27, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde acties om de administratieve lasten voor begunstigden te beperken;

f)

beschrijving van het gebruik van technische bijstand met inbegrip van acties op het gebied van voorbereiding, beheer, monitoring, evaluatie, voorlichting en controle met betrekking tot het programma en de uitvoering ervan, alsook activiteiten die betrekking hebben op voorafgaande en latere programmeringsperioden als bedoeld in artikel 59, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

16.   Ondernomen acties om partners te betrekken

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

Lijst van de acties die zijn ondernomen om partners te betrekken, onderwerp en samenvatting van de resultaten van de desbetreffende raadplegingen.

17.   Nationaal netwerk voor het platteland

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

Beschrijving van:

a)

de procedure en het tijdschema voor de oprichting van het nationale netwerk voor het platteland (hierna: NPN);

b)

de geplande organisatie van het NPN, namelijk de wijze waarop bij plattelandsontwikkeling betrokken organisaties en overheidsdiensten, met inbegrip van de partners, als bedoeld in artikel 54, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, zullen worden betrokken en hoe de netwerkactiviteiten zullen worden gefaciliteerd.

c)

een beknopte beschrijving van de belangrijkste categorieën activiteiten die door het NPN moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de doelstellingen van het programma;

d)

de middelen die beschikbaar zijn voor de oprichting en werking van het NPN.

18.   Ex-antebeoordeling van de verifieerbaarheid, controleerbaarheid en het foutenrisico

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

verklaring door de beheersautoriteit en het betaalorgaan inzake de verifieerbaarheid en controleerbaarheid van in het kader van het POP ondersteunde maatregelen;

verklaring van het in artikel 62, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde functioneel onafhankelijke orgaan ter staving van de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid van de berekeningen van de standaardkosten, extra kosten en gederfde inkomsten.

19.   Overgangsregelingen

Niet van toepassing op in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nationale programma’s die gewijd zijn aan gezamenlijke instrumenten die worden uitgevoerd door de EIB

beschrijving van de overgangsbepalingen per maatregel;

indicatieve overdrachtstabel.

20.   Thematische subprogramma’s

20.1.   SWOT en identificatie van de behoeften

a)

Analyse op basis van de SWOT-methodolgie met de volgende afdelingen:

i)

alomvattende beschrijving van het thema van het subprogramma aan de hand van gemeenschappelijke en programmaspecifieke contextindicatoren en kwalitatieve informatie;

ii)

geconstateerde sterke punten met betrekking tot het thema van het subprogramma;

iii)

zwakke punten met betrekking tot het thema van het subprogramma;

iv)

kansen met betrekking tot het thema van het subprogramma;

v)

bedreigingen met betrekking tot het thema van het subprogramma;

b)

beoordeling van de behoeften, gebaseerd op feitenmateriaal van de SWOT-analyse, voor elke prioriteit en elk aandachtsgebied en de drie horizontale doelstellingen (milieu, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, innovatie) waaraan het thematische subprogramma bijdraagt.

20.2.   Beschrijving van de strategie

a)

Wanneer niet alle in punt 20, onder 1), b), geïdentificeerde behoeften door het thematische subprogramma kunnen worden aangepakt, een motivering van de behoeften die zijn geselecteerd om aan te pakken en van de keuze van de doelstellingen, prioriteiten en aandachtsgebieden op basis van feitenmateriaal van de SWOT-analyse en de behoeftenbeoordeling;

b)

de combinatie en motivering van de plattelandsontwikkelingsmaatregelen voor elk aandachtsgebied waaraan het thematische subprogramma bijdraagt, met inbegrip van de rechtvaardiging van de financiële toewijzingen aan de maatregelen en de toereikendheid van de financiële middelen voor het halen van de gestelde streefdoelen, als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013. De in de interventielogica opgenomen combinatie van maatregelen dient te zijn gebaseerd op het feitenmateriaal van de SWOT-analyse en, indien relevant, de motivering en prioritering van de behoeften als bedoeld onder a);

c)

een beschrijving van de wijze waarop de horizontale thema’s worden aangepakt, met inbegrip van de in artikel 8, lid 1, onder c), v), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde specifieke vereisten;

d)

een overzichtstabel van de interventielogica met de voor het subprogramma gekozen prioriteiten en aandachtsgebieden, de kwantitatieve doelstellingen, en de combinatie van ter verwezenlijking ervan toe te passen maatregelen met inbegrip van de geplande uitgaven. De overzichtstabel wordt automatisch gegenereerd uit de in punt 5, onder b), en punt 11, verstrekte informatie, door middel van de kenmerken van SFC2014.

20.3.   Indicatorplan, bestaande uit afzonderlijke gestructureerde tabellen waarin het volgende wordt vermeld:

a)

Per aandachtsgebied, kwantitatieve doelstellingen vergezeld van de geplande output en de geplande totale overheidsuitgaven van de voor het aandachtsgebied geselecteerde maatregelen;

b)

voor landbouw en bosbouw, de gedetailleerde berekening van de streefdoelen van de in artikel 5, punt 4, en artikel 5, punt 5, onder d) en e), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgestelde prioriteiten.

DEEL 2

Presentatie van de inhoud van nationale kaders

1.   Titel van het nationale kader

2.   Lidstaat

a)

Geografisch gebied waarop het kader betrekking heeft

b)

Classificatie van de regio’s

3.   Algemene presentatie van de verbanden tussen het nationale kader, de partnerschapsovereenkomst en de POP’s

4.   Tabel met een overzicht, per regio en per jaar, van de totale Elfpo -bijdrage aan de lidstaat voor de gehele periode

5.   Beschrijving van de maatregelen

1.

Beschrijving van de algemene voorwaarden, van toepassing op meer dan één maatregel, met inbegrip van, indien relevant, de definitie van plattelandsgebied, uitgangspunten, randvoorwaarden, beoogd gebruik van financieringsinstrumenten, beoogd gebruik van voorschotten.

2.

Beschrijving per maatregel met inbegrip van:

a)

Rechtsgrondslag;

b)

Algemene beschrijving van de maatregel met inbegrip van de algemene beginselen voor de interventielogica ervan en de bijdrage ervan aan de aandachtsgebieden en horizontale doelstellingen;

c)

Toepassingsgebied, steunniveau, in aanmerking komende begunstigden en, in voorkomend geval, de methodologie voor de berekening van het steunpercentage, waar nodig uitgesplitst per submaatregel en/of soort concrete actie. Voor elke soort concrete actie, een specificatie van de subsidiabele kosten, de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de toepasselijke bedragen en steunpercentages en beginselen inzake de vaststelling van selectiecriteria;

d)

Algemene beginselen voor de verifieerbaarheid en controleerbaarheid van de maatregelen en, indien relevant, de methodologie voor de berekening van het bedrag van de steun;

e)

Indien relevant, beschrijving specifiek voor elke in deel I, punt 8, onder 2), bedoelde maatregel.

6.   Indien relevant, aanvullende nationale financiering:

Voor maatregelen en concrete acties die binnen de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, een overzicht van de aanvullende nationale financiering per maatregel, in overeenstemming met artikel 82 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, met inbegrip van de vermelding van de naleving van de criteria uit hoofde van die verordening.

7.   Indien relevant, elementen die nodig zijn voor de toetsing aan de staatssteunregels

Voor de maatregelen en concrete acties die buiten de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen, de voor de uitvoering van de programma’s te gebruiken tabel van onder artikel 81, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vallende steunregelingen, met inbegrip van de titel en de referentie van de steunregeling, de Elfpo-bijdrage, nationale medefinanciering en de aanvullende nationale financiering. Tijdens de gehele looptijd van de betrokken programma’s moet compatibiliteit met de staatssteunregels van de Unie worden gewaarborgd.

De tabel gaat vergezeld van een verbintenis van de lidstaat dat, indien vereist krachtens de staatsteunregels of specifieke voorwaarden in een besluit inzake staatsteun, zulke maatregelen afzonderlijk zullen worden aangemeld uit hoofde van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

Verklaring of de maatregel/concrete actie onder een staatssteunmaatregel uit hoofde van het betrokken nationale kader of uit hoofde van de betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma’s valt.

DEEL 3

Presentatie van de inhoud van het NPN-programma

1.   Titel van het specifieke NPN-programma

2.   Lidstaat of bestuurlijke regio

a)

geografisch gebied waarop het programma betrekking heeft

b)

classificatie van de regio

3.   Ex-ante-evaluatie

a)

beschrijving van het proces, waaronder het tijdschema van de voornaamste stappen, tussentijdse verslagen, met betrekking tot de belangrijkste fasen in de ontwikkeling van het PNP-programma;

b)

Gestructureerde tabel met de aanbevelingen van de ex-ante-evaluatie en de wijze waarop die zijn opgevolgd;

c)

De volledige ex-ante-evaluatie wordt als bijlage bij het NPN-programma gevoegd.

4.   Evaluatieplan, met de volgende afdelingen

1.   Doelstellingen en voorwerp

Een uiteenzetting van de doelstellingen en het voorwerp van het evaluatieplan, dat erop gericht is te waarborgen dat er voldoende en passende evaluatieactiviteiten worden ondernomen, met name om de informatie te verstrekken die nodig is voor programmasturing, voor de jaarlijkse uitvoeringsverslagen in 2017 en 2019 en de ex-postevaluatie, en om ervoor te zorgen dat de nodige gegevens voor de evaluatie van het NPN-programma beschikbaar zijn.

2.   Bestuur en coördinatie

Korte beschrijving van de monitoring- en evaluatieregelingen voor het NPN-programma, waarin de belangrijkste betrokken instanties en hun verantwoordelijkheden worden aangewezen. Toelichting van de wijze waarop evaluatieactiviteiten zijn gekoppeld met de uitvoering van het NPN-programma wat betreft de inhoud en het tijdschema.

3.   Evaluatieonderwerpen en -activiteiten

Indicatieve beschrijving van de NPN-gerelateerde evaluatieonderwerpen en de geplande activiteiten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de nakoming van de evaluatievereisten waarin is voorzien in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en Verordening (EU) nr. 1305/2013. Deze beschrijving betreft de activiteiten die nodig zijn om de bijdrage van het programma aan de NPN-doelstellingen te evalueren, de beoordeling van de resultaatindicatorwaarden en de analyse van de netto-effecten. Programmaspecifieke elementen zoals werkzaamheden die nodig zijn om methodologieën te ontwikkelen of specifieke beleidsterreinen te bestrijken.

4.   Gegevens en informatie

Korte beschrijving van het systeem voor het registreren, onderhouden, beheren en rapporteren van statistische informatie over de uitvoering van het NPN-programma en het verstrekken van monitoringgegevens voor evaluatie. Identificatie van te gebruiken gegevensbronnen, ontbrekende gegevens, mogelijke institutionele kwesties met betrekking tot de gegevensverstrekking, en voorgestelde oplossingen. Dit onderdeel moet aantonen dat er te gepasten tijde passende systemen voor gegevensbeheer operationeel zullen zijn.

5.   Tijdschema

Belangrijke mijlpalen van de programmeringsperiode, en indicatief overzicht van de tijd die nodig is om ervoor te zorgen dat de resultaten te gepasten tijde beschikbaar zijn.

6.   Communicatie

Beschrijving van de wijze waarop de evaluatiebevindingen zullen worden verspreid naar de ontvangers, met inbegrip van een beschrijving van de regelingen die zijn vastgesteld voor een follow-up van het gebruik van evaluatieresultaten.

7.   Middelen

Beschrijving van de middelen die nodig zijn en zijn gepland voor de uitvoering van het evaluatieplan, met inbegrip van een vermelding van de administratieve capaciteit, gegevens, financiële middelen, IT-behoeften. Beschrijving van de activiteiten voor capaciteitsopbouw die gepland zijn om ervoor te zorgen dat het evaluatieplan volledig kan worden uitgevoerd.

5.   Financieringsplan, waarin het volgende wordt vermeld:

a)

De jaarlijkse Elfpo-bijdrage;

b)

de totale bijdrage van de Unie en het Elfpo-bijdragepercentage.

6.   Regelingen voor de uitvoering van het programma, met de volgende afdelingen:

a)

De aanwijzing door de lidstaat van alle in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde autoriteiten en een beknopte beschrijving van de beheers- en controlestructuur van het in artikel 8, lid 1, onder m), i), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde programma en regelingen in het kader van artikel 74, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

b)

de beoogde samenstelling van het toezichtcomité;

c)

beschrijving van het monitoring- en evaluatiesysteem.

7.   NPN

Beschrijving van:

a)

de procedure en het tijdschema voor de oprichting van het NPN;

b)

de geplande oprichting en werking van het NPN, namelijk de wijze waarop bij de plattelandsontwikkeling betrokken organisaties en overheidsdiensten, met inbegrip van het in artikel 54, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde partnerschap zullen worden betrokken en hoe de netwerkactiviteiten, zullen worden gefaciliteerd.

Indien een lidstaat ervoor heeft gekozen het NPN te ondersteunen middels het NPN-specifieke programma en regionale programma’s, informatie over de complementariteit daarvan;

c)

een beknopte beschrijving van de belangrijkste categorieën activiteiten die door het NPN moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de doelstellingen van het programma;

d)

de middelen die beschikbaar zijn voor de oprichting en werking van het NPN.

DEEL 4

Indicatieve lijst van prioriteiten/aandachtsgebieden en maatregelen van bijzonder belang voor de ex-antevoorwaarden (aan prioriteiten voor plattelandsontwikkeling gekoppeld en algemeen) als bedoeld in deel 1, punt 6, onder b), ii)

1.   SPECIFIEKE EX-ANTEVOORWAARDEN VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING

Unieprioriteit voor PO/GSK: thematische doelstelling (TD)

Ex-antevoorwaarden

Criteria waaraan moet worden voldaan

Toepasselijkheid op aandachtsgebieden, maatregelen

Zoals vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 1305/2013

Zoals vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 1305/2013

Zoals vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 1305/2013

PO-prioriteit 3: bevordering van de organisatie van de voedselketen, met inbegrip van de verwerking en afzet van landbouwproducten, dierenwelzijn en het risicobeheer in de landbouw

TD 5: bevorderen van de aanpassing aan klimaatverandering en risicopreventie en risicobeheer

3.1.

Risicopreventie en risicobeheer: het bestaan van nationale of regionale risicobeoordelingen voor rampenbeheersing, waarbij rekening wordt gehouden met de aanpassing aan klimaatverandering

Er bestaat een nationale of regionale risicobeoordeling met de volgende elementen:

Een beschrijving van het proces, de methodologie, de methoden en de niet-gevoelige gegevens die voor risicobeoordelingen worden gebruikt, en van de risicogebaseerde criteria voor het prioriteren van investeringen;

Een beschrijving van singlerisk- en mulitriskscenario’s;

Het in voorkomend geval rekening houden met de nationale strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering.

Aandachtsgebied: 3B

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 18, 24 en 36 tot en met 39 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

PO-prioriteit 4: herstel, instandhouding en verbetering van ecosystemen die verbonden zijn met de landbouw en de bosbouw

TD 5: bevorderen van de aanpassing aan klimaatverandering en risicopreventie en risicobeheer

TD 6: Behoud en bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen

4.1.

Goede landbouw- en milieuconditie (GLMC): op nationaal niveau zijn normen voor goede landbouw- en milieuconditie van de grond als bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgesteld

er zijn GLMC-normen vastgesteld in de nationale wetgeving en vermeld in de programma’s

Aandachtsgebied(en): 4A, 4B, 4C

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 28, 29 en 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4.2.

Minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen: in titel III, hoofdstuk I, artikel 28, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen worden vastgesteld op nationaal niveau

in de programma’s worden de in titel III, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen vermeld.

Aandachtsgebied(en): 4A, 4B, 4C

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

4.3.

Andere relevante nationale normen: er zijn relevante verplichte nationale normen vastgesteld voor de toepassing van titel III, hoofdstuk I, artikel 28, van Verordening (EU) nr. 1305/2013

in de programma’s worden de relevante verplichte nationale normen vermeld

Aandachtsgebied(en): 4A, 4B, 4C

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

PO-prioriteit 5: bevorderen van hulpbronnenefficiëntie en steunen van de overstap naar een koolstofarme en klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector

TD 4: steun voor de overstap naar een koolstofarme economie in alle bedrijfstakken

TD 6: Behoud en bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen

5.1.

Energie-efficiëntie: er zijn maatregelen genomen om kosteneffectieve verbeteringen van efficiëntie bij eindgebruik van energie en kosteneffectieve investeringen in energie-efficiëntie bij de bouw of renovatie van gebouwen te bevorderen.

De acties zijn:

Maatregelen om ervoor te zorgen dat er voor de energieprestatie van gebouwen minimumeisen zijn die in overeenstemming zijn met de artikelen 3, 4 en 5 van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad (12);

Maatregelen die nodig zijn om een systeem van certificering van de energieprestaties van gebouwen op te zetten, in overeenstemming met artikel 11 van Richtlijn 2010/31/EU;

Maatregelen om te zorgen voor strategische planning van energie-efficiëntie, in overeenstemming met artikel 3 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (13);

Maatregelen in overeenstemming met artikel 13 van Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) betreffende energie-efficiëntie en energiediensten, om te zorgen voor de levering van individuele meters aan eindafnemers, voor zover dit technisch mogelijk, financieel redelijk en in verhouding tot de potentiële energiebesparingen is.

Aandachtsgebied(en): 5B

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

5.2.

Watersector: Het bestaan van a) een waterprijsbeleid dat gebruikers voldoende prikkels biedt om de waterbronnen efficiënt te gebruiken en b) een voldoende bijdrage van de verschillende soorten watergebruik aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten, tegen een tarief dat is vastgesteld in het stroomgebiedbeheersplan voor investeringen ondersteund door de programma’s.

In sectoren die uit het Elfpo worden gesteund, heeft de lidstaat gezorgd voor een bijdrage van de diverse watergebruikssectoren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste streepje, van de kaderrichtlijn water, met inachtneming van de sociale effecten, de milieueffecten en de economische effecten van de terugwinning alsmede de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden.

Aandachtsgebied: 5A

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 17 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

5.3.

Hernieuwbare energie: er zijn maatregelen genomen om de productie en distributie van hernieuwbare energiebronnen te bevorderen (15).

Er is werk gemaakt van transparante steunregelingen, voorrang bij de toegang tot het net of gewaarborgde toegang en voorrang bij de dispatching, en er zijn standaardregels openbaar gemaakt voor het dragen en verdelen van de kosten van de technische aanpassingen, conform artikel 14, lid 1, en artikel 16, leden 2 en 3, van Richtlijn 2009/28/EG;

Een lidstaat heeft een nationaal actieplan voor hernieuwbare energie aangenomen dat in overeenstemming is met artikel 4 van Richtlijn 2009/28/EG.

Aandachtsgebied: 5C

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 17, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

PO-prioriteit 6: bevorderen van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden

TD 2: Verbetering van de toegang tot en het gebruik en de kwaliteit van informatie- en communicatietechnologieën (streefdoel breedband)

6.1.

NGN-infrastructuur (toegangsnetwerken van de volgende generatie): het bestaan van nationale of regionale NGN-plannen waarin rekening wordt gehouden met regionale acties om de doelstellingen van de Unie voor hogesnelheidsinternettoegang te bereiken, gericht op gebieden waar de markt er niet in slaagt om een open infrastructuur te leveren tegen een betaalbare prijs en van een kwaliteit die in overeenstemming is met de regels van de Unie inzake concurrentie en staatssteun, en toegankelijke diensten te bieden aan kwetsbare groepen.

Er bestaat een nationaal of regionaal NGN-plan met de volgende elementen:

een plan voor infrastructuurinvesteringen op basis van een economische analyse, dat rekening houdt met bestaande particuliere en openbare infrastructuur en de geplande investeringen;

duurzame investeringsmodellen die concurrentiebevorderend zijn en toegang geven tot open, betaalbare, hoogwaardige en toekomstbestendige infrastructuur en diensten;

maatregelen om particuliere investeringen te stimuleren.

Aandachtsgebied: 6C

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 20 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013


2.   ALGEMENE EX-ANTEVOORWAARDEN

Ex-antevoorwaarden

Criteria waaraan moet worden voldaan

Toepasselijkheid op aandachtsgebieden, maatregelen

Zoals vastgesteld in bijlage XI, deel II, bij Verordening (EU) nr. 1303/2013

Zoals vastgesteld in bijlage XI, deel II, bij Verordening (EU) nr. 1303/2013

1.   Bestrijding van discriminatie

Het bestaan van bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering en toepassing van anti-discriminatiewetgeving en -beleid van de Unie op het gebied van de ESI-fondsen.

Regelingen in overeenstemming met het institutionele en juridische kader van de lidstaten voor de betrokkenheid van de instanties die verantwoordelijk zijn voor de bevordering van gelijke behandeling van alle personen bij de voorbereiding en uitvoering van programma’s, waaronder het verstrekken van advies over de gelijkheid in ESI-fondsgerelateerde activiteiten.

Regelingen voor de opleiding van het personeel van de instanties die betrokken zijn bij het beheer van en de controle op de ESI-fondsen op het gebied van Uniewetgeving en -beleid inzake antidiscriminatie.

Aandachtsgebied: 6B

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 14, 15 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, LEADER

2.   Gendergelijkheid

Het bestaan van bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering en toepassing van de wetgeving inzake gendergelijkheid van de Unie en beleid op het gebied van de ESI-fondsen.

Regelingen in overeenstemming met het institutionele en juridische kader van de lidstaten voor de betrokkenheid van de instanties die verantwoordelijk zijn voor gendergelijkheid bij de voorbereiding en uitvoering van programma’s, waaronder het verstrekken van advies over de gelijkheid in ESI-fonds gelieerde activiteiten.

Regelingen voor de opleiding van het personeel van de instanties die betrokken zijn bij het beheer van en de controle op de ESI-fondsen op het gebied van Uniewetgeving en -beleid inzake gendergelijkheid en gendermainstreaming.

Aandachtsgebied(en): 6A, 6B

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 14, 15, 19, 20 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, LEADER

3.   Personen met een handicap

Het bestaan van bestuurlijke capaciteit voor de uitvoering en toepassing van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) op het gebied van de ESI-fondsen in overeenstemming met Besluit van de Raad 2010/48/EG (16).

Regelingen in overeenstemming met het institutionele en wettelijke kader van lidstaten voor de raadpleging en betrokkenheid van organen die verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de rechten van personen met een handicap of representatieve organisaties van personen met een handicap en andere relevante belanghebbenden in de hele voorbereidings- en uitvoeringsfase van programma’s;

Regelingen voor opleidingen voor het personeel van de instanties die betrokken zijn bij het beheer van en de controle op de ESI-fondsen op het vlak van uniaal en nationaal recht en beleid inzake handicaps, met inbegrip van toegankelijkheid en de praktische toepassing van het UNCRPD, als weergegeven in uniale en nationale wetgeving, waar passend.

Regelingen ter waarborging van de monitoring van de uitvoering van artikel 9 van de UNCRPD in verband met de ESI-fondsen in de hele voorbereidings- en uitvoeringsfase van de programma’s.

Aandachtsgebied(en): 6A, 6B

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 19, 20 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, LEADER

4.   Overheidsopdrachten

Het bestaan van regelingen voor de effectieve toepassing van de EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten op het gebied van de ESI-fondsen.

Regelingen voor de effectieve toepassing van Unievoorschriften inzake overheidsopdrachten middels gepaste mechanismen;

Regelingen ter waarborging van transparante gunningsprocedures voor contracten;

Regelingen voor opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van personeel dat bij de uitvoering van de ESI-fondsen betrokken is;

Regelingen om de administratieve capaciteit voor de uitvoering en toepassing van de regels van de Unie inzake overheidsopdrachten te waarborgen.

Aandachtsgebied(en): 2A, 5A, 5B, 5C, 6B

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 14, 15, 17, 19, 20, artikel 21, onder e), en artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, LEADER

5.   Staatssteun

Het bestaan van regelingen voor de effectieve toepassing van de Unievoorschriften inzake staatssteun op het vlak van de ESI-fondsen.

Regelingen voor de effectieve toepassing van de Unievoorschriften inzake staatssteun;

Regelingen voor opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van personeel dat bij de uitvoering van de ESI-fondsen betrokken is;

Regelingen om de administratieve capaciteit voor de uitvoering en toepassing van de regels van de Unie inzake staatssteun te waarborgen.

Alle aandachtsgebieden en maatregelen, voor zover de concrete acties in het kader ervan buiten de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag vallen

6.   Milieuwetgeving inzake milieueffectbeoordeling (MEB) en strategische milieubeoordeling (SMB)

Het bestaan van regelingen voor de effectieve toepassing van de EU-milieuwetgeving met betrekking tot MEB en SMB.

Regelingen voor de effectieve toepassing van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (17) (MEB) en van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (18) (SMB).

Regelingen voor opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van personeel dat bij de uitvoering van de MEB- en SMB-richtlijnen betrokken is;

Regelingen om een toereikende administratieve capaciteit te waarborgen.

Aandachtsgebied(en): 2A, 3A, 4A, 4B, 4C, 5A, 5B, 5C, 5D, 5E, 6A, 6C

Maatregelen uit hoofde van de artikelen 17, 19, 20, 21 en de artikelen 28 tot en met 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

7.   Statistische systemen en resultaatindicatoren

Het bestaan van een statistische basis voor evaluaties om de doeltreffendheid en het effect van de programma’s te beoordelen.

Het bestaan van een systeem van resultaatindicatoren voor het selecteren van acties die het best bijdragen aan de gewenste resultaten, om de voortgang te monitoren en om een effectbeoordeling uit te voeren.

Regelingen voor de tijdige verzameling en aggregatie van de statistische gegevens met de volgende elementen:

de identificatie van bronnen en mechanismen voor statistische validering;

regelingen voor publicatie en openbare toegankelijkheid van geaggregeerde gegevens;

Een doeltreffend systeem van resultaatindicatoren, waarbij:

voor elk programma resultaatindicatoren worden geselecteerd die informatie verschaffen over de motivering van de selectie van door het programma gefinancierde beleidsacties;

streefdoelen voor deze indicatoren worden vastgelegd;

voor elke indicator de volgende vereisten in acht worden genomen: robuustheid en statistische validering, een duidelijke normatieve interpretatie, responsiviteit ten aanzien van het beleid en tijdige verzameling van de gegevens;

Procedures worden vastgesteld om te waarborgen dat voor alle uit het programma gefinancierde concrete acties een doeltreffend systeem van indicatoren wordt vastgesteld.

Is van toepassing maar reeds vervuld, gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiesysteem (GMES)

DEEL 5

Codes van maatregelen en submaatregelen

Maatregel in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of Verordening (EU) nr. 1303/2013

Code van de maatregel in het kader van deze verordening

Submaatregel voor programmeringsdoeleinden

Code van de submaatregel in het kader van deze verordening

Artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

acties inzake kennisoverdracht en voorlichting

1

steun voor beroepsopleiding en maatregelen voor het aanleren van vaardigheden

1.1

steun voor demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties

1.2

steun voor korte uitwisselingen op landbouw- en bosbouwbeheersniveau alsmede voor bezoeken aan landbouw- en bosbouwbedrijven

1.3

Artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten

2

steun om voordeel te halen uit het gebruik van adviesdiensten

2.1

steun voor het opzetten van het bedrijfsbeheer, bedrijfsverzorgingsdiensten en adviesdiensten voor landbouw en bosbouw

2.2

steun voor de opleiding van adviseurs

2.3

Artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

3

steun voor toetreding tot kwaliteitsregelingen

3.1

steun voor door groepen producenten op de interne markt uitgevoerde voorlichtings- en afzetbevorderingsactiviteiten

3.2

Artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

investeringen in materiële activa

4

steun voor investeringen in landbouwbedrijven

4.1

steun voor investeringen in de verwerking/afzet en/of ontwikkeling van landbouwproducten

4.2

steun voor investeringen in infrastructuur, in verband met de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de land- en bosbouw

4.3

steun voor niet-productieve investeringen in verband met de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen

4.4

Artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

herstel van door een natuurramp beschadigd agrarisch productiepotentieel en invoering van passende preventie

5

steun voor investeringen in preventieve maatregelen gericht op het verminderen van de gevolgen van mogelijke natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden en rampzalige gebeurtenissen

5.1

steun voor investeringen voor het herstel van landbouwgronden en agrarisch productiepotentieel beschadigd door natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden en catastrofale gebeurtenissen

5.2

Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen

6

hulp bij het oprichten van een onderneming voor jonge landbouwers

6.1

aanloopsteun voor niet-agrarische activiteiten in plattelandsgebieden

6.2

aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven

6.3

steun voor investeringen in het creëren en ontwikkelen van niet-agrarische activiteiten

6.4

betalingen aan landbouwers die in aanmerking komen voor de regeling voor kleine landbouwers die hun bedrijf definitief overdragen aan een andere landbouwer

6.5

Artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden

7

steun voor het opstellen en bijwerken van plannen voor de ontwikkeling van gemeenten en dorpen in plattelandsgebieden en hun gemeentelijke basisdiensten, alsmede van beschermings- en beheersplannen betreffende Natura 2000-gebieden en andere gebieden met een hoge natuurwaarde

7.1

steun voor investeringen in het creëren, verbeteren of uitbreiden van alle soorten kleinschalige infrastructuur, met inbegrip van investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparing

7.2

steun voor breedbandinfrastructuur, met inbegrip van het creëren, verbeteren en uitbreiden ervan, passieve breedbandinfrastructuur en het verlenen van toegang tot breedband en openbare elektronische overheidsdiensten

7.3

steun voor investeringen in het opzetten, verbeteren of uitbreiden van lokale basisvoorzieningen voor de plattelandsbevolking, zoals recreatie en cultuur, en de daarmee samenhangende infrastructuur

7.4

steun voor investeringen voor openbaar gebruik in recreatieve infrastructuur, toeristische informatie en kleinschalige toeristische infrastructuur

7.5

steun voor studies/investeringen in het kader van onderhoud, herstel en opwaardering van het cultureel en natuurlijk erfgoed van dorpen, landschappen en locaties met hoge natuurwaarde, met inbegrip van bijbehorende sociaaleconomische aspecten, alsmede acties voor bewustwording van de omgeving

7.6

steun voor investeringen voor het verplaatsen van activiteiten en het verbouwen van gebouwen of andere voorzieningen die dicht bij rurale woongebieden gelegen zijn, met als doel de levenskwaliteit te verhogen of de milieuprestatie van deze woongebieden te verbeteren

7.7

andere

7.8

Artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen

8

steun voor bebossing/de aanleg van beboste gebieden

8.1

steun voor de invoering en de instandhouding van boslandbouwsystemen

8.2

steun voor de preventie van schade aan bossen door bosbranden en natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen

8.3

steun voor het herstel van schade aan bossen door bosbranden en natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen

8.4

steun voor investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde van bosecosystemen

8.5

steun voor investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, de mobilisering en de afzet van bosproducten

8.6

Artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

oprichting van producentengroeperingen en -organisaties

9

de oprichting van producentengroeperingen en organisaties in de sectoren land- en bosbouw

9

Artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

agromilieuklimaatsteun

10

betaling voor agromilieuklimaatverbintenissen

10.1

steun voor behoud en duurzaam gebruik en ontwikkeling van genetische hulpbronnen in de landbouw

10.2

Artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

biologische landbouw

11

betaling voor de overstap naar praktijken en methoden voor biologische landbouw

11.1

betaling voor het behoud van praktijken en methoden voor biologische landbouw

11.2

Artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

betalingen in het kader van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water

12

compensatiebetaling voor Natura 2000-landbouwgebieden

12.1

compensatiebetaling voor Natura 2000-bosgebieden

12.2

compensatiebetaling voor landbouwgebieden die vallen onder stroomgebiedbeheersplannen

12.3

Artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

13

compensatiebetaling in berggebieden

13.1

compensatiebetaling voor andere gebieden met ernstige natuurlijke beperkingen

13.2

compensatiebetaling voor andere gebieden met specifieke beperkingen

13.3

Artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

dierenwelzijn

14

betaling voor dierenwelzijn

14

Artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding

15

betaling voor bosmilieu- en klimaatverbintenissen

15.1

steun voor de instandhouding en bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw

15.2

Artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

samenwerking

16

steun voor de oprichting en werking van operationele groepen van het EIP voor de landbouwproductiviteit en -duurzaamheid

16.1

steun voor proefprojecten en voor de ontwikkeling van nieuwe producten, werkwijzen, processen en technologieën

16.2

samenwerking tussen operatoren in de organisatie van gezamenlijke werkprocessen en het delen van faciliteiten en middelen, en voor de ontwikkeling en marketing van toerisme

16.3

steun voor horizontale en verticale samenwerking tussen de spelers in de toeleveringsketen voor de oprichting en ontwikkeling van de korte toeleveringsketens en lokale markten en voor afzetbevorderingsactiviteiten in een lokale context met betrekking tot de ontwikkeling van de korte toeleveringsketens en lokale markten

16.4

steun voor ondernomen gezamenlijke actie met het oog op het verminderen van of aanpassing aan de klimaatverandering en voor een gezamenlijke aanpak van milieuprojecten en de lopende milieu-praktijken

16.5

steun van de samenwerking tussen spelers in de toeleveringsketen voor een duurzame levering van biomassa voor gebruik bij de vervaardiging en industriële processen voor verwerking van voedingsmiddelen en energie

16.6

steun voor niet-GGLO-strategieën

16.7

steun voor het opstellen van plannen voor bosbeheer of gelijkwaardige instrumenten

16.8

steun voor diversificatie van landbouwactiviteiten in activiteiten met betrekking tot gezondheidszorg, sociale integratie, door de gemeenschap ondersteunde landbouw en milieu- en voedingseducatie

16.9

andere

16.10

Artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

risicobeheer

17

oogst-, dier- en plantverzekeringspremie

17.1

onderlinge fondsen voor ongunstige weersomstandigheden, dier- en plantenziekten, plagen en milieuongevallen

17.2

inkomensstabiliseringsinstrument

17.3

Artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

financiering van aanvullende nationale rechtstreekse betalingen voor Kroatië

18

financiering van aanvullende nationale rechtstreekse betalingen voor Kroatië

18

Artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1303/2013

steun voor plaatselijke ontwikkeling in het kader van LEADER (GGLO)

19

voorbereidende steun

19.1

steun voor de uitvoering van concrete acties in het kader van de GGLO-strategie

19.2

voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de plaatselijke groep

19.3

steun voor werkingskosten en dynamisering

19.4

Artikelen 51 tot en met 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013

technische bijstand

20

steun voor technische bijstand (anders dan NPN)

20.1

steun voor de oprichting en de werking van het NPN

20.2

DEEL 6

Codes voor Unieprioriteiten voor plattelandsontwikkeling en aandachtsgebieden

Prioriteit

Artikel van Verordening (EU) nr. 1305/2013/code van het aandachtsgebied

Aandachtsgebied

Prioriteit 1: Bevorderen van kennisoverdracht en innovatie in de landbouwsector, de bosbouwsector en plattelandsgebieden

artikel 5, lid 1, onder a) = aandachtsgebied 1A

Het stimuleren van innovatie, samenwerking en de ontwikkeling van de kennisbasis in plattelandsgebieden

artikel 5, lid 1, onder b) = aandachtsgebied 1B

Het verstevigen van de banden tussen de landbouw, de voedselproductie en de bosbouwsector, en onderzoek en innovatie, mede met het oog op een beter milieubeheer en betere milieuprestaties;

artikel 5, lid 1, onder c) = aandachtsgebied 1C

Het stimuleren van een leven lang leren en beroepsopleiding in de landbouw- en de bosbouwsector

Prioriteit 2: Versterken van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en het concurrentievermogen van alle landbouwtypen in alle regio’s en het bevorderen van innovatieve landbouwtechnologieën en duurzaam bosbeheer

artikel 5, lid 2, onder a) = aandachtsgebied 2A

Het verbeteren van de economische prestaties van alle landbouwbedrijven en het faciliteren van de herstructurering en modernisering van landbouwbedrijven, met name met het doel de marktdeelname en -gerichtheid alsmede de landbouwdiversifiëring te vergroten

artikel 5, lid 2, onder b) = aandachtsgebied 2B

Het faciliteren van de instap van goedgeschoolde landbouwers in de landbouwsector, en in het bijzonder van de generatiewissel

Prioriteit 3: Bevorderen van de organisatie van de voedselketen, met inbegrip van de verwerking en afzet van landbouwproducten, dierenwelzijn en het risicobeheer in de landbouw

artikel 5, lid 3, onder a) = aandachtsgebied 3 A

Het verbeteren van het concurrentievermogen van de primaire producenten door hen beter te integreren in de agrovoedselketen met behulp van kwaliteitsregelingen, het toevoegen van waarde aan landbouwproducten, landbouwafzetbevordering op plaatselijke markten en korte toeleveringsketens, producentengroeperingen en -organisaties en brancheorganisaties

artikel 5, lid 3, onder b) = aandachtsgebied 3 B

Het steunen van risicopreventie en -beheer op het niveau van het landbouwbedrijf

Prioriteit 4: Herstel, instandhouding en verbetering van ecosystemen met betrekking tot landbouw en bosbouw

artikel 5, lid 4, onder a) = aandachtsgebied 4 A

Het herstellen, in stand houden en versterken van biodiversiteit, met inbegrip van Natura 2000-gebieden, en in gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen, en van landbouw met een hoge natuurwaarde, alsook van de toestand van de Europese landschappen,

artikel 5, lid 4, onder b) = aandachtsgebied 4 B

Het verbeteren van het waterbeheer, met inbegrip van het beheer van meststoffen en bestrijdingsmiddelen

artikel 5, lid 4, onder c) = aandachtsgebied 1C

Het voorkomen van bodemerosie en het verbeteren van bodembeheer

Prioriteit 5: Bevorderen van hulpbronnenefficiëntie en het steunen van de overstap naar een koolstofarme en klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voeding- en de bosbouwsector

artikel 5, lid 5, onder a) = aandachtsgebied 5 A

Het bevorderen van een efficiënter watergebruik door de landbouwsector

artikel 5, lid 5, onder b) = aandachtsgebied 5 B

Het bevorderen van een efficiënter energiegebruik in de landbouw- en de voedselverwerkingssector

artikel 5, lid 5, onder c) = aandachtsgebied 5C

Het faciliteren van de levering en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, van bijproducten, en afvalmateriaal en van residuen en andere non-foodgrondstoffen ten bate van de bio-economie

artikel 5, lid 5, onder b) = aandachtsgebied 5B

Het verminderen van broeikasgas- en ammoniakemissies door landbouwgas

artikel 5, lid 5, onder b) = aandachtsgebied 5E

Het bevorderen van koolstofbehoud en -vastlegging in de landbouw- en de bosbouwsector

Prioriteit 6: Bevorderen van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden

Artikel 5, lid 6, onder a) = aandachtsgebied 6A

Het faciliteren van de diversificatie, creatie en ontwikkeling van kleine ondernemingen, alsook van werkgelegenheid

artikel 5 lid 6, onder b) = aandachtsgebied 6 B

Het stimuleren van plaatselijke ontwikkeling in plattelandsgebieden

Artikel 5, lid 6, onder c) = aandachtsgebied 6C

Het verbeteren van de toegankelijkheid, het gebruik en de kwaliteit van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) in plattelandsgebieden.


(1)  Artikel 8, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 184/2014 van de Commissie van 25 februari 2014 tot vaststelling krachtens Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, van de voorwaarden voor het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling tussen de lidstaten en de Commissie en tot vaststelling krachtens Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”, van de nomenclatuur van de categorieën steunverlening van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (PB L 57 van 27.2.2014, blz. 7).

(3)  Op basis van de totale Elfpo-bijdrage aan elk van de betrokken programma’s.

(4)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(5)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(6)  Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).

(8)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(9)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(10)  De indicatieve uitsplitsing van de totale bijdrage van de Unie per aandachtsgebied moet worden gebruikt in het kader van de bijdrage van het plattelandsontwikkelingsprogramma aan de in artikel 15, lid 1, onder a) iv), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde thematische doelstellingen en doelstellingen op het gebied van klimaatverandering, in artikel 19, lid 5, en artikel 22, lid 6, van die verordening bedoelde schorsingen en, indien relevant, van de berekening van krachtens artikel 59, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voor te behouden bedragen.

(11)  Artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (Life) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).

(12)  Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

(13)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

(14)  Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64).

(15)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(16)  Besluit van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35).

(17)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(18)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).


BIJLAGE II

Omrekeningspercentages van dieren in grootvee-eenheden (GVE) zoals bedoeld in artikel 9, lid 2

Stieren, koeien en andere runderen ouder dan twee jaar en paardachtigen ouder dan zes maanden

1,0 GVE

Runderen vanaf zes maanden maar niet ouder dan twee jaar

0,6 GVE

Runderen jonger dan zes maanden

0,4 GVE

Schapen en geiten

0,15 GVE

Fokzeugen > 50 kg

0,5 GVE

Andere varkens

0,3 GVE

Legkippen

0,014 GVE

Ander pluimvee (1)

0,03 GVE

Omrekeningspercentages kunnen worden verhoogd, rekening houdend met wetenschappelijke gegevens die in de POP’s moeten worden toegelicht en gemotiveerd.

Andere categorieën dieren mogen bij uitzondering worden toegevoegd. Omrekeningspercentages voor zulke categorieën worden vastgesteld rekening houdend met de specifieke omstandigheden en wetenschappelijke gegevens die in de POP’s moeten worden toegelicht en gemotiveerd.


(1)  Voor deze categorie kunnen de omrekeningspercentages worden verlaagd, rekening houdend met wetenschappelijke gegevens die in de POP’s moeten worden toegelicht en gemotiveerd.


BIJLAGE III

In artikel 13 bedoelde voorlichting en publiciteit

DEEL 1

Voorlichtings- en publiciteitsacties

1.   Verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit

1.1.   Voorlichting- en publiciteitsstrategie

De beheersautoriteit waarborgt dat de voorlichtings- en publiciteitsacties worden uitgevoerd overeenkomstig haar voorlichtings- en publiciteitsstrategie, die op zijn minst het volgende omvat:

a)

de doelstellingen van de strategie en de doelgroepen ervan;

b)

een beschrijving van de inhoud van de voorlichtings- en publiciteitsacties;

c)

de indicatieve begroting van de strategie;

d)

een beschrijving van de administratieve diensten, met inbegrip van hun personele middelen, die met de uitvoering van de voorlichtings- en publiciteitsacties belast zijn;

e)

een beschrijving van de rol van het NPN en van de wijze waarop zijn in artikel 54, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde communicatieplan zal bijdragen aan de uitvoering van de strategie;

f)

een beschrijving van de wijze waarop voorlichtings- en publiciteitsacties zullen worden beoordeeld in termen van zichtbaarheid en bekendheid met het beleidskader, programma’s en concrete acties, en met de rol van het Elfpo en de Unie;

g)

een jaarlijkse actualisering waarin de in het volgende jaar te nemen voorlichtings- en publiciteitsactiviteiten worden uiteengezet.

1.2.   Voorlichting voor de potentiële begunstigden

De beheersautoriteit ziet erop toe dat de potentiële begunstigden toegang hebben tot relevante informatie, indien van toepassing met inbegrip van bijgewerkte informatie, waarbij rekening wordt gehouden met de toegankelijkheid van elektronische of andere communicatiediensten voor sommige potentiële begunstigden, over ten minste het volgende:

a)

de financieringsmogelijkheden en oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van de POP’s;

b)

de administratieve procedures die moeten worden gevolgd om in aanmerking te komen voor financiering in het kader van een POP;

c)

de procedures voor de behandeling van financieringsaanvragen;

d)

de subsidiabiliteitsvoorwaarden en/of de criteria voor de selectie van de te financieren projecten en voor de evaluatie ervan;

e)

de namen van personen of contactpunten op nationaal, regionaal of lokaal niveau die de werking van POP’s en de criteria voor het selecteren en evalueren van concrete acties kunnen toelichten;

f)

de taak van de begunstigden het publiek te informeren over het doel van de concrete actie en de steun die uit het Elfpo voor de concrete actie wordt verstrekt, overeenkomstig deel 1, afdeling 2. De beheersautoriteit kan potentiële begunstigden verzoeken in hun aanvraag indicatieve communicatieactiviteiten voor te stellen die in verhouding staan tot de omvang van de concrete actie.

g)

de procedures voor het onderzoek van klachten op grond van artikel 74, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

1.3.   Voorlichting van het grote publiek

De beheersautoriteit informeert het publiek over de inhoud van het POP, de goedkeuring ervan door de Commissie en de actualiseringen ervan, de belangrijkste verwezenlijkingen bij de uitvoering van het programma en de afsluiting ervan, alsook de bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de Unieprioriteiten zoals vastgesteld in de partnerschapsovereenkomst.

De beheersautoriteit zorgt voor de oprichting van één website of één portaalsite met de in de punten 1.1 en 1.2 en de eerste alinea van dit punt bedoelde informatie. De oprichting van die website mag de soepele uitvoering van het Elfpo niet verstoren en de toegang van potentiële begunstigden en belanghebbenden tot de informatie niet beperken. De in deel 2, punt 1, genoemde elementen maken deel uit van de acties om het grote publiek voor te lichten.

1.4.   Betrokkenheid van instanties die als doorgeefluik functioneren

De beheersautoriteit zorgt ervoor dat bij de op potentiële begunstigden gerichte voorlichtingsacties instanties worden betrokken die als doorgeefluik kunnen fungeren, en met name

a)

partners als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

b)

de centra voor voorlichting over Europa en de vertegenwoordigingen van de Commissie en de voorlichtingsbureaus van het Europees Parlement in de lidstaten;

c)

onderwijs- en onderzoeksinstellingen.

1.5.   Kennisgeving van de toewijzing van steun

De beheersautoriteit zorgt ervoor dat de begunstigden in de kennisgeving van de toekenning van de steun wordt meegedeeld dat de actie wordt gefinancierd in het kader van een door het Elfpo medegefinancierd programma voor plattelandsontwikkeling en om welke maatregel en prioriteit van het POP het gaat.

2.   Verantwoordelijkheden van de begunstigden

2.1.   Bij alle voorlichtings- en communicatieacties van de begunstigden wordt duidelijk gemaakt dat voor de concrete actie steun is verleend uit het Elfpo:

a)

door weergave van het embleem van de Unie;

b)

door te verwijzen naar de steun uit het Elfpo.

Wanneer een voorlichtingsactie betrekking heeft op een of meer concrete acties die door meer dan één fonds worden medegefinancierd, kan de in onder b) bedoelde verwijzing worden vervangen door een verwijzing naar de ESI-fondsen.

2.2.   Tijdens de uitvoering van een concrete actie licht de begunstigde het publiek voor over de uit het Elfpo ontvangen steun:

a)

door op zijn website voor professioneel gebruik, indien hij die heeft en er sprake is van een verband tussen het doel van de website en de aan de concrete actie verleende steun, een korte beschrijving van de concrete actie in verhouding tot het niveau van de steun te geven, met inbegrip van de doelstellingen en resultaten ervan, en daarbij de nadruk op de financiële steun van de Unie te leggen;

b)

voor niet onder punt c) vallende concrete acties waarvoor de totale overheidssteun meer dan 10 000 EUR bedraagt en afhankelijk van de gefinancierde concrete actie (bijvoorbeeld voor concrete acties in het kader van artikel 20 inzake dorpsvernieuwing of concrete acties in het kader van LEADER), door ten minste een affiche met informatie over de concrete actie (ten minste A3-formaat), die de financiële steun van de Unie onder de aandacht brengt, aan te brengen op een voor het publiek gemakkelijk zichtbare plaats, zoals bij de ingang van een gebouw. Wanneer een concrete actie in het kader van een POP leidt tot een investering (bijvoorbeeld in een landbouw- of voedingsmiddelenbedrijf) waarvan de totale overheidssteun meer dan 50 000 EUR bedraagt, brengt de begunstigde een informatieplaquette over het project aan die de financiële steun van de Unie onder de aandacht brengt. Ook bij de gebouwen van een in het kader van LEADER gefinancierde plaatselijke groep wordt een informatieplaquette aangebracht;

c)

door op een voor het publiek goed zichtbare plek een tijdelijk bord van aanzienlijk formaat aan te brengen voor elke concrete actie die in de financiering van infrastructuur of bouwwerkzaamheden bestaat en waarvoor de totale overheidssteun meer dan 500 000 EUR bedraagt.

Uiterlijk drie maanden na de voltooiing van een concrete actie plaatst de begunstigde een permanente plaat of permanent bord van aanzienlijk formaat op een voor het publiek goed zichtbare plek, wanneer het volgende van toepassing is:

i)

de totale overheidssteun voor de concrete actie bedraagt meer dan 500 000 EUR;

ii)

de concrete actie bestaat in de aankoop van een fysiek object of de financiering van infrastructuur of van bouwprojecten.

Op dit bord wordt de naam en het belangrijkste doel van de concrete actie vermeld en wordt de door de Unie verleende financiële steun onder de aandacht gebracht.

De borden, affiches, plaquettes en websites bevatten een beschrijving van het project/de concrete actie en de in deel 2, punt 1, bedoelde elementen. Die elementen beslaan ten minste 25 % van het oppervlak van het bord, de plaquette of de webpagina.

DEEL 2

Technische kenmerken van voorlichtings- en publiciteitsacties

1.   Logo en slogan

Van elke voorlichtings- en publiciteitsactie maken de volgende elementen deel uit:

a)

het embleem van de Unie volgens de grafische normen op http://europa.eu/abc/symbols/emblem/download_en.htm, vergezeld van een verklaring van de rol van de Unie aan de hand van de volgende vermelding:

„Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling: Europa investeert in zijn platteland”.

b)

voor de door Leader gefinancierde acties en maatregelen, het Leader-logo:

++ Leader-logo++

2.   Voorlichtings- en communicatiemateriaal

Op de titelpagina van publicaties (zoals brochures, folders en nieuwsbrieven) en op affiches over maatregelen en acties die worden medegefinancierd door het Elfpo, moet de deelneming door de Unie duidelijk zijn vermeld en moet het embleem van de Unie zijn aangebracht wanneer ook een nationaal of regionaal embleem is gebruikt. Publicaties moeten verwijzingen bevatten naar de instantie die verantwoordelijk is voor de inhoud, en naar de beheersautoriteit die is aangewezen voor de uitvoering van de betrokken Elfpo- en/of nationale steun.

Voor informatie die beschikbaar wordt gesteld met elektronische middelen (websites, databases voor potentiële begunstigden) of in de vorm van audiovisueel materiaal, is de eerste alinea van overeenkomstige toepassing.

Websites over het Elfpo moeten:

a)

ten minste op de thuispagina melding maken van de bijdrage van het Elfpo;

b)

een hyperlink naar de website van de Commissie over het Elfpo bevatten.


BIJLAGE IV

In artikel 14, lid 2, bedoelde gemeenschappelijke reeks context-, resultaat- en outputindicatoren

1.   Contextindicatoren

C1.

Bevolking

C2.

Leeftijdsopbouw

C3.

Gebied

C4.

Bevolkingsdichtheid

C5.

Arbeidsparticipatie (1)

C6.

Percentage zelfstandigen

C7.

Percentage werklozen

C8.

Bbp per inwoner (1)

C9.

Armoedecijfer (1)

C10.

Structuur van de economie

C11.

Werkgelegenheidsstructuur

C12.

Arbeidsproductiviteit per economische sector

C13.

Werkgelegenheid per economische activiteit

C14.

Arbeidsproductiviteit in de landbouw

C15.

Arbeidsproductiviteit in de bosbouw

C16.

Arbeidsproductiviteit in de voedingsmiddelenindustrie

C17.

Landbouwbedrijven (boerderijen)

C18.

Landbouwareaal

C19.

Landbouwgrond met biologische landbouw

C20.

Geïrrigeerde grond

C21.

Grootvee-eenheden

C22.

Landbouwarbeidskrachten

C23.

Leeftijdsopbouw van bedrijfsleiders

C24.

Agrarische opleiding van bedrijfsleiders

C25.

Agrarisch factorinkomen (1)

C26.

Inkomen uit de landbouwbedrijfsuitoefening (1)

C27.

Totale factorproductiviteit in landbouw (1)

C28.

Bruto-investeringen in vaste activa in de landbouw

C29.

Bossen en andere beboste grond

C30.

Toeristische infrastructuur

C31.

Bodemgebruik

C32.

Probleemgebieden

C33.

Landbouwintensiteit

C34.

Natura 2000-gebieden

C35.

Index akker- en weidevogels (1)

C36.

Staat van instandhouding van habitats in de landbouw (grasland)

C37.

HNW-landbouw (1) (HNW = hoge natuurwaarde)

C38.

Beschermde bossen

C39.

Wateronttrekking in de landbouw (1)

C40.

Waterkwaliteit (1)

C41.

Organisch materiaal in bouwland (1)

C42.

Bodemerosie door water (1)

C43.

Productie van hernieuwbare energie door de land- en bosbouw

C44.

Energiegebruik in landbouw, bosbouw en voedingsindustrie

C45.

Emissies uit landbouw (1)

2.   Resultaatindicatoren

R1

:

percentage landbouwbedrijven met POP-steun voor investeringen in herstructurering of modernisering (aandachtsgebied 2A)

R2

:

Verandering van de landbouwproductie op ondersteunde landbouwbedrijven/JAE (jaar-arbeidseenheid) (aandachtsgebied 2A) (2)

R3

:

percentage landbouwbedrijven met door POP ondersteund zakelijk ontwikkelingsplan/investeringen voor jonge landbouwers (aandachtsgebied 2B)

R4

:

percentage landbouwbedrijven dat steun ontvangt om deel te nemen aan kwaliteitsregelingen, lokale markten en korte toeleveringsketens, en producentengroeperingen/-organisaties (aandachtsgebied 3A)

R5

:

percentage landbouwbedrijven dat deelneemt aan regelingen inzake risicobeheer (aandachtsgebied 3B)

R6

:

percentage bos of andere beboste gebieden onder beheerscontracten voor ondersteuning van de biodiversiteit (aandachtsgebied 4A)

R7

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten ter ondersteuning van de biodiversiteit en/of landschappen (aandachtsgebied 4A)

R7

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van het waterbeheer (aandachtsgebied 4B)

R9

:

percentage bosgrond onder beheerscontracten ter verbetering van het waterbeheer (aandachtsgebied 4B)

R10

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van bodembeheer en/of ter voorkoming van bodemerosie (aandachtsgebied 4C)

R10

:

percentage bosbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van bodembeheer en/of ter voorkoming van bodemerosie (aandachtsgebied 4C)

R12

:

percentage geïrrigeerde grond waarvoor op efficiëntere irrigatiesystemen wordt overgeschakeld (aandachtsgebied 5A)

R13

:

Toename van de doelmatigheid van het watergebruik in de landbouw in door POP ondersteunde projecten (aandachtsgebied 5A) (2)

R14

:

Toename van de doelmatigheid van het energiegebruik in de landbouw en levensmiddelenverwerking in door POP ondersteunde projecten (aandachtsgebied 5B) (2)

R15

:

Hernieuwbare energie uit ondersteunde projecten (aandachtsgebied 5C) (2)

R16

:

percentage GVE (grootvee-eenheden) betrokken bij investeringen in veehouderij met het oog op het verminderen van de uitstoot van bkg (broeikasgas) en/of ammoniak (aandachtsgebied 5D)

R17

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten gericht op het verminderen van de uitstoot van bkg en/of ammoniak (aandachtsgebied 5D)

R18

:

Verminderde uitstoot van methaan en distikstofoxide (aandachtsgebied 5D) (2)

R19

:

Verminderde uitstoot van ammoniak (aandachtsgebied 5D) (2)

R20

:

percentage landbouw- en bosgrond onder beheerscontracten die bijdragen aan koolstofvastlegging en -behoud (aandachtsgebied 5E)

R21

:

In de ondersteunde projecten gecreëerde banen (aandachtsgebied 6A)

R22

:

percentage van de plattelandsbevolking dat onder strategieën voor plaatselijke ontwikkeling valt (aandachtsgebied 6B)

R23

:

percentage van de plattelandsbevolking dat voordeel haalt uit verbeterde diensten/infrastructuur (aandachtsgebied 6B)

R24

:

In de ondersteunde projecten gecreëerde banen (aandachtsgebied 6B)

R25

:

percentage van de plattelandsbevolking dat voordeel haalt uit nieuwe of verbeterde diensten/infrastructuur (informatie- en communicatietechnologie - ICT) (aandachtsgebied 6C)

Gecursiveerde indicatoren zijn ook doelindicatoren zoals vermeld onder punt 4.

3.   PO-outputindicatoren

Aantal

Outputindicatoren

Codes van de maatregelen (artikelen van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of Verordening (EU) nr. 1303/2013)

O.1

Totale overheidsuitgaven  (3)

Alle maatregelen

O.2

Totale investering

4 (artikel 17), 5 (artikel 18), 6.4 (artikel 19), 7.2 tot en met 7.8 (artikel 20), 8.5 en 8.6 (artikel 21) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.3

Aantal gesteunde acties/concrete acties

1 (artikel 14), 2 (artikel 15), 4 (artikel 17), 7 (artikel 20), 8.5 en 8.6 (artikel 21), 9 (artikel 27), 17.2 en 17.3 (artikel 36) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.4

Aantal ondersteunde bedrijven/begunstigden

3 (artikel 16), 4.1 (artikel 17), 5 (artikel 18), 6 (artikel 19), 8.1 tot en met 8.4 (artikel 21), 11 (artikel 29), 12 (artikel 30), 13 (artikel 31), 14 (artikel 33), 17.1 (artikel 36) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.5

Totale oppervlakte (ha)

4 (artikel 17), 8.1 tot en met 8.5 (artikel 21), 10 (artikel 28), 11 (artikel 29), 12 (artikel 30), 13 (artikel 31), 15 (artikel 34) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.6

Ondersteund fysiek gebied (ha)

10 (artikel 28) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.7

Aantal gesteunde contracten

10 (artikel 28), 15 (artikel 34) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.8

Aantal ondersteunde grootvee-eenheden (GVE)

14 (artikel 33), 4 (artikel 17) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.9

Aantal landbouwbedrijven dat deelneemt aan ondersteunde regelingen

9 (artikel 27), 16.4 (artikel 35), 17.2 en 17.3 (artikel 36) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.10

Aantal landbouwers dat pay-outs ontvangt

17.2 en 17.3 (artikel 36) (Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.11

Aantal gegeven opleidingsdagen

1 (artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.12

Aantal deelnemers aan een opleiding

1 (artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.13

Aantal geadviseerde begunstigden

2 (artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.14

Aantal opgeleide adviseurs

2 (artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.15

Bevolking die voordeel haalt uit verbeterde diensten/infrastructuur (IT of andere)

7 (artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.16

Aantal door EIP ondersteunde groepen, aantal door EIP gesteunde acties en aantal en soort partners in EIP-groepen

16 (artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.17

Aantal ondersteunde samenwerkingsoperaties (anders dan EIP)

16 (artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.18

Bevolking die valt onder plaatselijke groepen

19 (artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

O.19

Aantal gekozen plaatselijke groepen

19 (artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

O.20

Aantal ondersteunde LEADER-projecten

19 (artikel 35, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

O.21

Aantal gesteunde samenwerkingsprojecten

19 (artikel 35, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

O.22

Aantal en soort initiatiefnemers van projecten

19 (artikel 35, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

O.23

Uniek identificatienummer van de bij het samenwerkingsproject betrokken plaatselijke groep

19 (artikel 35, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

O.24

Aantal thematische en analytische uitwisselingen, opgezet met de steun van NPN

Netwerken (artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.25

Aantal NPN-communicatiemiddelen

Netwerken (artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

O.26

Aantal ENPO-activiteiten waaraan het NPN heeft deelgenomen

Netwerken (artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

4.   Doelindicatoren

D1

:

percentage uitgaven in het kader van de artikelen 14, 15 en 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 ten opzichte van de totale uitgaven voor het POP (aandachtsgebied 1A)

D2

:

Totaal aantal in het kader van de samenwerkingsmaatregel gesteunde concrete acties inzake samenwerking (artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1305/2013) (groepen, netwerken/clusters, proefprojecten...) (aandachtsgebied 1B)

D3

:

Totaal aantal in het kader van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 opgeleide deelnemers (aandachtsgebied 1C)

D4

:

percentage landbouwbedrijven met POP-steun voor investeringen in herstructurering of modernisering (aandachtsgebied 2A)

D5

:

percentage landbouwbedrijven met POP-ondersteunde zakelijke ontwikkelingsplannen/investeringen voor jonge landbouwers (aandachtsgebied 2B)

D6

:

percentage landbouwbedrijven dat steun ontvangt om deel te nemen aan kwaliteitsregelingen, lokale markten en korte toeleveringsketens, en producentengroeperingen/-organisaties (aandachtsgebied 3A)

D7

:

percentage landbouwbedrijven dat deelneemt aan regelingen inzake risicobeheer (aandachtsgebied 3B)

D8

:

percentage bos/andere beboste gebied onder beheerscontracten ter ondersteuning van de biodiversiteit (aandachtsgebied 4A)

R9

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten ter ondersteuning van de biodiversiteit en/of landschappen (aandachtsgebied 4A)

D10

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van het waterbeheer (aandachtsgebied 4B)

D11

:

percentage bosbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van het waterbeheer (aandachtsgebied 4B)

D12

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van bodembeheer en/of ter voorkoming van bodemerosie (aandachtsgebied 4C)

D13

:

percentage bosbouwgrond onder beheerscontracten ter verbetering van bodembeheer en/of ter voorkoming van bodemerosie (aandachtsgebied 4C)

D14

:

percentage geïrrigeerde grond waarvoor op efficiëntere irrigatiesystemen wordt overgeschakeld (aandachtsgebied 5A)

D15

:

Totale investering voor energie-efficiëntie (aandachtsgebied 5B)

D16

:

Totale investering in productie van hernieuwbare energie (aandachtsgebied 5C)

D17

:

percentage GVE’s waarop investeringen in het beheer van de veestapel met het oog op het verminderen van de uitstoot van bkg en/of ammoniak betrekking hebben (aandachtsgebied 5D)

D18

:

percentage landbouwgrond onder beheerscontracten gericht op het verminderen van de uitstoot van bkg en/of ammoniak (aandachtsgebied 5D)

D19

:

percentage landbouwgrond en bosgrond onder beheerscontracten die bijdragen aan koolstofvastlegging en -behoud (aandachtsgebied 5E)

D20

:

In de ondersteunde projecten gecreëerde banen (aandachtsgebied 6A)

D21

:

percentage van de plattelandsbevolking dat onder strategieën voor plaatselijke ontwikkeling valt (aandachtsgebied 6B)

D22

:

percentage van de plattelandsbevolking dat voordeel haalt uit verbeterde diensten/infrastructuren (aandachtsgebied 6B)

D23

:

In de ondersteunde projecten gecreëerde banen (aandachtsgebied 6B)

D24

:

percentage van de plattelandsbevolking dat voordeel haalt uit nieuwe of verbeterde diensten/infrastructuren (ICT) (aandachtsgebied 6C)

5.   Voorgestelde prestatiekaderindicatoren

 

Indicatoren

Gerelateerde outputindicator

Prioriteit 2 (P2):

Totale overheidsuitgaven P2 (EUR)

O.1

Aantal landbouwbedrijven met POP-steun voor investeringen in de herstructurering en modernisering (aandachtsgebied 2a) + bedrijven met POP-ondersteunde zakelijke ontwikkelingsplannen/investeringen voor jonge landbouwers (aandachtsgebied 2B)

O.4

Prioriteit 3

(P3)

Totale overheidsuitgaven P3 (EUR)

O.1

Aantal landbouwbedrijven dat steun ontvangt om deel te nemen aan kwaliteitsregelingen, lokale markten/korte toeleveringsketens, en producentengroeperingen (aandachtsgebied 3A)

O.4, O.9

Aantal landbouwbedrijven dat deelneemt aan regelingen inzake risicobeheer (aandachtsgebied 3B)

O.4, O.9

Prioriteit 4

(P4)

Totale overheidsuitgaven P4 (EUR)

O.1

Landbouwgrond onder beheerscontracten die bijdragen aan biodiversiteit (aandachtsgebied 4A) + het verbeteren van het waterbeheer (aandachtsgebied 4B) + het verbeteren van het bodembeheer en het voorkomen van bodemerosie (aandachtsgebied 4C)

O.5

Prioriteit 5

(P5)

Totale overheidsuitgaven P5 (EUR)

O.1

Aantal concrete acties inzake investeringen op het gebied van energiebesparing en energie-efficiëntie (aandachtsgebied 5B) + bij de productie van hernieuwbare energie (aandachtsgebied 5C)

O.3

Landbouwgrond en bosgrond onder beheer om koolstofvastlegging/-behoud te bevorderen (aandachtsgebied 5E) + landbouwgrond onder beheerscontracten die zijn gericht op vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en/of ammoniak (aandachtsgebied 5D) + geïrrigeerde grond waarvoor op efficiëntere irrigatiesystemen wordt overgeschakeld (aandachtsgebied 5A)

O.5

Prioriteit 6

(P6)

Totale overheidsuitgaven P6 (EUR)

O.1

Aantal gesteunde concrete acties ter verbetering van de basisdiensten en infrastructuur in plattelandsgebieden (aandachtsgebieden 6B en 6C)

O.3

Bevolking die valt onder plaatselijke groepen (aandachtsgebied 6B)

O.18


(1)  Contextindicatoren waarin GLB-impactindicatoren zijn opgenomen

(2)  Aanvullende resultaatindicatoren

(3)  Deze indicator komt overeen met de in artikel 5, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de Commissie van 7 maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij met betrekking tot methoden voor steun op het gebied van klimaatverandering, het vaststellen van mijlpalen en streefdoelen in het prestatiekader en de nomenclatuur van de categorieën steunverlening voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 69 van 8.3.2014, blz. 65) vastgestelde prestatiekaderindicator.


BIJLAGE V

Gemeenschappelijke evaluatievragen voor plattelandsontwikkeling

Aandachtsgebiedgebonden evaluatievragen

Voor elk in het POP opgenomen aandachtsgebied moet de desbetreffende vraag worden beantwoord in de in 2017 en 2019 in te dienen uitgebreide jaarlijkse uitvoeringsverslagen (hierna „JUV’s”) en in het verslag over de ex-postevaluatie.

1.

Aandachtsgebied 1A: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP innovatie, samenwerking en de ontwikkeling van de kennisbasis in plattelandsgebieden ondersteund?

2.

Aandachtsgebied 1B: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP bijgedragen aan het verstevigen van de banden tussen landbouw, voedselproductie en bosbouw en onderzoek en innovatie, waaronder met het oog op beter milieubeheer en betere milieuprestaties?

3.

Aandachtsgebied 1C: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP een leven lang leren en beroepsopleiding in de landbouw- en bosbouwsector ondersteund?

4.

Aandachtsgebied 2A: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP bijgedragen aan het verbeteren van de economische prestaties, de herstructurering en modernisering van ondersteunde landbouwbedrijven, met name door hun marktdeelname en landbouwdiversifiëring te verhogen?

5.

Aandachtsgebied 2B: In hoeverre hebben de steunmaatregelen in het kader van het POP de instap van goedgeschoolde landbouwers in de landbouwsector en met name, de generatiewissel ondersteund?

6.

Aandachtsgebied 3A: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP bijgedragen aan het verbeteren van het concurrentievermogen van de primaire producenten door hen beter te integreren in de levensmiddelenketen met behulp van kwaliteitsregelingen, het toevoegen van waarde aan landbouwproducten, bevordering van afzet in plaatselijke markten en van korte toeleveringsketens, producentengroeperingen en brancheorganisaties?

7.

Aandachtsgebied 3B: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP risicopreventie en -beheer op landbouwbedrijfsniveau ondersteund?

8.

Aandachtsgebied 4A: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP het herstel, de instandhouding en verbetering van de biodiversiteit, waaronder in Natura 2000-gebieden, gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen en HNW-landbouw, en de toestand van het Europese landschap ondersteund?

9.

Aandachtsgebied 4B: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP de verbetering van het waterbeheer, met inbegrip van het beheer van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen ondersteund?

10.

Aandachtsgebied 4C: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP de preventie van bodemerosie en de verbetering van bodembeheer ondersteund?

11.

Aandachtsgebied 5A: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP bijgedragen aan een efficiënter watergebruik in de landbouw?

12.

Aandachtsgebied 5B: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP bijgedragen aan een efficiënter energiegebruik in de landbouw en de levensmiddelenverwerking?

13.

Aandachtsgebied 5C: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP bijgedragen aan de levering en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, van bijproducten, afvalstoffen, residuen en andere non-foodgrondstoffen ten behoeve van de bio-economie?

14.

Aandachtsgebied 5D: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP bijgedragen aan het verminderen van bkg en ammoniakemissies door de landbouw?

15.

Aandachtsgebied 5E: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP koolstofbehoud en -vastlegging in de land- en bosbouw ondersteund?

16.

Aandachtsgebied 6A: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP de diversifiëring, creatie en ontwikkeling van kleine ondernemingen en banenschepping ondersteund?

17.

Aandachtsgebied 6B: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP de plaatselijke ontwikkeling in plattelandsgebieden ondersteund?

18.

Aandachtsgebied 6C: In hoeverre hebben steunmaatregelen in het kader van het POP de toegankelijkheid, het gebruik en de kwaliteit van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) in plattelandsgebieden verbeterd?

Evaluatievragen met betrekking tot andere aspecten van het POP

De volgende vragen moeten worden beantwoord in de in 2017 en 2019 in te dienen uitgebreide JUV’s en in het verslag over de evaluatie achteraf.

19.

In hoeverre hebben de synergieën tussen prioriteiten en aandachtsgebieden de effectiviteit van het POP verbeterd?

20.

In hoeverre heeft de technische bijstand bijgedragen aan het verwezenlijken van de in artikel 59 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en artikel 51, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgestelde doelstellingen?

21.

In hoeverre heeft het NPN bijgedragen aan het verwezenlijken van de in artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgestelde doelstellingen?

Evaluatievragen met betrekking tot doelstellingen op Unieniveau

De volgende vragen moeten worden beantwoord in het in 2019 in te dienen uitgebreide JUV en in het verslag over de evaluatie achteraf.

22.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan het verwezenlijken van de Europa 2020-kerndoelstelling om het percentage werkenden in de leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 tot ten minste 75 % te verhogen?

23.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan het verwezenlijken van de Europa 2020-kerndoelstellng om 3 % van het bbp van de EU te investeren in onderzoek en ontwikkeling en innovatie?

24.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering en aan het verwezenlijken van de Europa 2020-kerndoelstelling om de broeikasgasemissies met ten minste 20 % te verlagen ten opzichte van de niveaus van 1990, of met 30 % als de omstandigheden juist zijn, om het aandeel hernieuwbare energie in het finale energieverbruik met 20 % te verhogen en de energie-efficiëntie met 20 % te doen stijgen?

25.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan de verwezenlijking van de Europa 2020-kerndoelstelling om het aantal Europeanen dat onder de armoedegrens leeft te verlagen?

26.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan het verbeteren van het milieu en aan het verwezenlijken van de biodiversiteitsstrategiedoelstelling van de EU om het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten een halt toe te roepen en ze te herstellen?

27.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan de GLB-doelstelling om het concurrentievermogen van de landbouw te bevorderen?

28.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan de GLB-doelstelling om duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie te waarborgen?

29.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan de GLB-doelstelling om een evenwichtige territoriale ontwikkeling van plattelandseconomieën en -gemeenschappen te realiseren, onder meer door het scheppen en behouden van werkgelegenheid?

30.

In hoeverre heeft het POP bijgedragen aan het bevorderen van innovatie?


BIJLAGE VI

Belangrijkste elementen van documenten inzake technische ondersteuning voor het monitoring- en evaluatiesysteem

Een van de belangrijkste elementen van het monitoring- en evaluatiesysteem voor plattelandsontwikkeling is de technische ondersteuning die de lidstaten, evaluatoren en andere belanghebbenden bij de evaluatie wordt geboden om evaluatiecapaciteit op te bouwen en de kwaliteit en consistentie van de evaluatieactiviteiten te verhogen. De Commissie zal in samenwerking met de lidstaten documenten inzake technische ondersteuning uitbrengen die de volgende onderwerpen bestrijken:

1.

Fiches voor elk van de gemeenschappelijke indicatoren, met een definitie van de indicator; het verband met de interventielogica; de meeteenheid; de voor het verkrijgen van waarden gebruikte methodologie; de vereiste gegevens en de gegevensbronnen; informatie inzake gegevensverzameling, met inbegrip van de verantwoordelijke instantie en de frequentie van de gegevensverzameling; verslagleggingsvereisten.

2.

Methodologische richtsnoeren om de lidstaten en evaluatoren te ondersteunen bij het vervullen van de vereisten van het monitoring- en evaluatiesysteem, die verscheidene onderdelen beslaan, waaronder evaluatiemethodologieën en -benaderingen, en ondersteuning met betrekking tot specifieke kwesties als de evaluatie van GGLO.

3.

Richtsnoeren over de ex-ante-evaluatie van POP’s die het doel van ex-ante-evaluatie, het proces en de rollen van de betrokken actoren, en de reikwijdte van de exercitie behandelen en methodologische ondersteuning inzake geschikte benaderingen en methoden en een instrumentarium van indicatieve modellen bieden.

4.

Richtsnoeren voor de opstelling van de evaluatieplannen die het doel en de voordelen van een evaluatieplan, de elementen die moeten worden opgenomen, en aanbevelingen inzake passende processen voor de opstelling ervan omvatten. Ze bevatten overwegingen in verband met het beheer en de uitvoering alsook indicatieve modellen voor aspecten van de exercitie.

5.

Richtsnoeren inzake het gebruik en de ontwikkeling van vervangende indicatoren, in het bijzonder op regionale POP’s gericht, die het doel en de kenmerken van vervangende indicatoren beschrijven en gegevens en methoden aanwijzen die kunnen worden gebruikt wanneer vervangende indicatoren nodig zijn.

6.

Richtsnoeren voor het indicatorplan die de op te nemen elementen, de toe te passen regels en de modeltabellen omvatten.

7.

Richtsnoeren inzake monitoring die de in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen op te nemen elementen, de toe te passen regels en de modeltabellen omvatten.

8.

Richtsnoeren voor de beoordeling van de waarden voor de aanvullende resultaatindicatoren, die de identificatie van de betrokken populatie van projecten, steekproefstrategieën, passende methodologieën, gegevensbronnen en beoordelingstechnieken behandelen.

9.

Richtsnoeren voor het beoordelen van de impact van POP’s, die het doel en gebruik van impactindicatoren, verbanden tussen plattelandsontwikkelingsbeleid en andere beleidsterreinen en factoren die de impactindicatorwaarden beïnvloeden, en voorgestelde methoden om het netto-effect van steunmaatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling behelzen.

10.

Richtsnoeren voor het beantwoorden van gemeenschappelijke evaluatievragen voor plattelandsontwikkeling, die verbanden met de interventielogica en gemeenschappelijke indicatoren omvatten en aanvullende gegevens, beoordelingscriteria en een reeks mogelijke benaderingen aanreiken die kunnen worden gebruikt om de vragen te beantwoorden.

11.

Richtsnoeren over de ex-postevaluaties van de POP’s 2014-2020, die betrekking hebben op het doel, het proces en de reikwijdte van de exercitie, methodologische ondersteuning bieden en goede praktijken aanwijzen, en indicatieve modellen voor aspecten van de exercitie bevatten.


BIJLAGE VII

Structuur en inhoud van jaarlijkse uitvoeringsverslagen (als bedoeld in artikel 50 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en artikel 75 van Verordening (EU) nr. 1305/2013)

1.   Belangrijke informatie over de uitvoering van het programma en de prioriteiten ervan

a)   Financiële gegevens

Gegevens over de financiële uitvoering met, voor elke maatregel en elk aandachtsgebied, een overzicht van de gedane en in de uitgavendeclaraties gedeclareerde uitgaven. Zij omvatten de totale gedane overheidsuitgaven alsook de financiële terugvorderingen en financiële correcties van de lidstaten in het vorige kalenderjaar.

b)   De gemeenschappelijke en programmaspecifieke indicatoren en gekwantificeerde streefwaarden

Informatie over de uitvoering van het POP zoals gemeten door gemeenschappelijke en specifieke indicatoren, met inbegrip van de geboekte vooruitgang met betrekking tot de voor elk aandachtsgebied gestelde doelstellingen en met betrekking tot de gerealiseerde output ten opzichte van de geplande output zoals vastgesteld in het indicatorplan. Te beginnen bij het in 2017 in te dienen jaarlijkse evaluatieverslag, de verwezenlijkingen in de richting van de in het prestatiekader vastgestelde mijlpalen (tabel F). Aanvullende informatie over de fase van de uitvoering van het POP wordt verstrekt aan de hand van gegevens over financiële verbintenissen per maatregel en aandachtsgebied en de daarmee verband houdende verwachte vooruitgang in de richting van de doelstellingen.

Tabellen:

Tabel A Vastgelegde uitgaven per maatregel en aandachtsgebied

Tabel B: Gerealiseerde outputindicatoren per maatregel en aandachtsgebied

Tabel C: Uitsplitsing voor relevante outputs en maatregelen per type gebied, geslacht en/of leeftijd

Tabel D: Vooruitgang richting doelstellingen

Tabel E: Monitoring van overgangsmaatregelen

Tabel F: Verwezenlijking van de prestatiekaderindicatoren

2.   De voortgang bij de uitvoering van het evaluatieplan wordt als volgt voorgesteld:

a)

Beschrijving van eventuele wijzigingen in het evaluatieplan in het POP in de loop van het jaar, met de motivering ervan.

b)

Een beschrijving van de in de loop van het jaar verrichte evaluatieactiviteiten (met betrekking tot afdeling 3 van het evaluatieplan) (*).

c)

Een beschrijving van de activiteiten die zijn verricht in verband met de levering en het beheer van de gegevens (met betrekking tot punt 4 van het evaluatieplan) (*).

d)

Een lijst van voltooide evaluaties, met inbegrip van verwijzingen naar de plaats waar zij online zijn gepubliceerd.

e)

Een overzicht van de voltooide evaluaties, met de nadruk op de bevindingen ervan.

f)

Een beschrijving van de met betrekking tot de publicatie van evaluatiebevindingen verrichte communicatieactiviteiten (met betrekking tot afdeling 6 van het evaluatieplan) (*).

g)

Een beschrijving van de follow-up van de evaluatieresultaten (met betrekking tot afdeling 6 van het evaluatieplan) (*).

(*)

Er moet worden verwezen naar het evaluatieplan, eventuele moeilijkheden bij de uitvoering moeten worden beschreven, samen met gekozen of voorgestelde oplossingen.

3.   Kwesties die van invloed zijn op de prestaties van het programma en de genomen maatregelen

Beschrijving van de door de beheersautoriteit en het toezichtcomité ondernomen stappen om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de uitvoering van het programma te waarborgen met name wat betreft kwesties die zich hebben voorgedaan bij het beheer van het programma en eventuele genomen corrigerende maatregelen, in het bijzonder naar aanleiding van opmerkingen van de Commissie.

4.   Stappen die zijn ondernomen om voorschriften inzake technische bijstand en publiciteit van het programma uit te voeren

a)

In het geval dat het opzetten en het functioneren van het NPN behoort tot het onderdeel technische bijstand moeten de ondernomen stappen en de stand van zaken met betrekking tot het opzetten van het NPN en de uitvoering van het actieplan in het verslag worden beschreven.

b)

Maatregelen om bekendheid aan het programma te geven (artikel 13 van deze verordening).

5.   Maatregelen die zijn genomen om te voldoen aan de ex-antevoorwaarden (in 2017 en 2016 indien van toepassing)

Beschrijvingen van per prioriteit/aandachtsgebied/maatregel ondernomen acties om te voldoen aan de prioriteitgebonden en algemene ex-antevoorwaarden die op het moment van de vaststelling van het POP niet of slechts gedeeltelijk waren vervuld. Hierbij moet worden verwezen naar de criteria die niet of slechts gedeeltelijk zijn nageleefd, naar elke strategie, rechtshandeling of elk ander ter zake relevant document, met inbegrip van verwijzingen naar de desbetreffende afdelingen en artikelen, en naar de voor de naleving verantwoordelijk instanties. Indien nodig kunnen de lidstaten toelichtingen of extra informatie verstrekken ter aanvulling van die beschrijving.

6.   Beschrijving van de uitvoering van subprogramma’s

De in 2017 en 2019 in te dienen JUV’s moeten ook informatie bevatten over de uitvoering zoals gemeten door gemeenschappelijke en specifieke indicatoren met inbegrip van de ten aanzien van de in het indicatorplan van het subprogramma vastgestelde doelstellingen alsook ten aanzien van de gerealiseerde output en uitgaven ten opzichte van de in het subprogramma geplande output en vastgestelde uitgaven.

7.   Beoordeling van de informatie en van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma

De in 2017 en 2019 in te dienen JUV’s moeten ook de volgende uit de evaluatieactiviteiten voortvloeiende informatie omvatten:

Rapportage en kwantificering van de resultaten van het programma, met name door middel van een beoordeling van de aanvullende resultaatindicatoren, en relevante evaluatievragen.

De in 2019 in te dienen JUV’s moeten ook de volgende uit de evaluatieactiviteiten voortvloeiende informatie omvatten:

Rapportage over de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma en de bijdrage aan het verwezenlijken van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, onder meer door de nettobijdrage van het programma aan wijzigingen van de GLB-impactindicatorwaarden te beoordelen, en relevante evaluatievragen.

8.   Uitvoering van acties om rekening te houden met de in de artikelen 6, 7 en 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 vastgestelde beginselen

De in 2017 en 2019 in te dienen JUV’s moeten ook de volgende informatie omvatten:

a)   Bevordering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en non-discriminatie (artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

Beoordeling van de acties die zijn genomen om ervoor te zorgen dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief worden meegewogen en bevorderd tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma’s, onder meer op het vlak van monitoring, verslaglegging en evaluatie.

b)   Duurzame ontwikkeling (artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

Beoordeling van de acties die zijn ondernomen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen en de uitvoering van het Elfpo in overeenstemming zijn met het beginsel van duurzame ontwikkeling en met de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 91, lid 1, van het Verdrag verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van het milieu, waarbij het beginsel „de vervuiler betaalt” wordt toegepast.

Bovendien wordt informatie verstrekt over de steun voor doelstellingen op het gebied van klimaatverandering (klimaatverandering volgen).

c)   De rol van de in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde partners bij de uitvoering van het programma

Beoordeling van de acties die zijn ondernomen om ervoor te zorgen dat de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde partners bij de opstelling van voortgangsverslagen en gedurende de hele uitvoering van het programma worden betrokken, onder meer door deelname aan de toezichtcomités voor de programma’s overeenkomstig artikel 48 van die verordening en aan activiteiten van het NPN.

9.   De vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een geïntegreerde benadering

De in 2019 in te dienen JUV’s moeten ook de volgende informatie omvatten:

Beschrijving van de vorderingen bij het waarborgen van een geïntegreerde benadering om het Elfpo en andere financiële instrumenten van de Unie te gebruiken ter ondersteuning van de territoriale ontwikkeling van plattelandsgebieden, waaronder door middel van strategieën voor plaatselijke ontwikkeling.

10.   Verslag over de tenuitvoerlegging van de financiële instrumenten (artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1303/2013)

De JUV’s omvatten als bijlage ook:

een specifiek verslag over de concrete acties die financieringsinstrumenten omvatten. De inhoud van dit verslag is vastgesteld in artikel 46, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en de indiening ervan geschiedt door middel van het ESI-fondsenmodel.


31.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 227/69


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 809/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 juli 2014

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 58, lid 4, artikel 62, lid 2, onder a) tot en met f) en onder h), artikel 63, lid 5, artikel 77, lid 8, artikel 78, artikel 96, lid 4, en artikel 101, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1306/2013 bevat basisvoorschriften voor onder meer de door de lidstaten na te leven verplichtingen om de financiële belangen van de Unie te beschermen. Om ervoor te zorgen dat het nieuwe, bij die verordening vastgestelde rechtskader soepel functioneert en op uniforme wijze wordt toegepast, is aan de Commissie de bevoegdheid verleend om bepaalde voorschriften vast te stellen voor administratieve controles en controles ter plaatse, de meting van arealen, de gevallen waarin steunaanvragen en betalingsaanvragen kunnen worden gecorrigeerd, de toepassing en berekening van een gedeeltelijke of volledige intrekking en de terugvordering van onverschuldigde betalingen en sancties, de toepassing en berekening van administratieve sancties, eisen met betrekking tot het geautomatiseerde gegevensbestand, steunaanvragen en betalingsaanvragen en aanvragen voor betalingsrechten, waaronder de uiterste datum voor de indiening van die aanvragen, de uitvoering van controles, de overdracht van bedrijven, betalingen van voorschotten, de uitvoering van controles in het kader van de randvoorwaarden, de berekening en toepassing van administratieve sancties bij niet-naleving van de randvoorwaarden, en technische specificaties die nodig zijn voor een uniforme toepassing van de basisvoorschriften inzake het geïntegreerd beheers- en controlesysteem („geïntegreerd systeem”) wat de randvoorwaarden betreft.

(2)

De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om te zorgen voor een goede werking van het beheers- en controlesysteem wanneer meer dan één betaalorgaan verantwoordelijk is voor een en dezelfde begunstigde.

(3)

Wanneer de bevoegde autoriteit de begunstigde nog niet over fouten in de steunaanvraag of betalingsaanvraag heeft geïnformeerd en geen controle ter plaatse heeft aangekondigd, moeten de begunstigden hun steunaanvraag of betalingsaanvraag te allen tijde geheel of gedeeltelijk kunnen intrekken. In bepaalde door de nationale autoriteiten te erkennen gevallen moeten begunstigden ook de mogelijkheid krijgen om kennelijke fouten in de steun- of betalingsaanvragen en bewijsstukken te corrigeren of aan te passen.

(4)

Er moeten nadere bepalingen worden vastgesteld om te zorgen voor een billijke toepassing van de verschillende verlagingen ten aanzien van een of meer steunaanvragen of betalingsaanvragen van dezelfde begunstigde. Er moet derhalve een volgorde voor de berekening van de diverse mogelijke verlagingen worden vastgesteld voor elke regeling inzake rechtstreekse betalingen of onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregel.

(5)

Met het oog op een uniforme toepassing van het beginsel van goede trouw in de gehele Unie moet met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen worden bepaald onder welke voorwaarden op dit beginsel een beroep kan worden gedaan, onverminderd de behandeling van de betrokken uitgaven in het kader van de goedkeuring van de rekeningen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(6)

Geregeld moet worden wat de gevolgen zijn van de overdracht van een volledig bedrijf waarvoor bepaalde verplichtingen gelden op grond van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen of de onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

(7)

Om de Commissie in staat te stellen het geïntegreerd systeem doeltreffend te monitoren, moeten de lidstaten haar jaarlijkse controlegegevens en -statistieken toezenden. Evenzo moeten de lidstaten jaarlijks statistieken verstrekken over de controles op de naleving van de niet onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen, waaronder de resultaten van dergelijke controles. Bovendien moet de Commissie in voorkomend geval worden geïnformeerd over maatregelen die de lidstaten met betrekking tot de randvoorwaarden hebben genomen.

(8)

Overeenkomstig artikel 75 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kunnen de lidstaten voorschotten voor rechtstreekse betalingen betalen onder bepaalde voorwaarden, waaronder de afronding van de administratieve controles en controles ter plaatse voor het betrokken aanvraagjaar. In artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) is bepaald dat het aanpassingspercentage dat overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is vastgesteld, van toepassing dient te zijn op rechtstreekse betalingen boven een bepaalde drempel. Overeenkomstig artikel 26, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kan de Commissie evenwel, op basis van nieuwe informatie waarover zij beschikt, het aanpassingspercentage voor rechtstreekse betalingen tot 1 december aanpassen. Bijgevolg is het mogelijk dat het eventueel in het kader van de financiële discipline toe te passen aanpassingspercentage op 16 oktober nog niet bekend is. Bij de saldobetaling vanaf 1 december moet rekening worden gehouden met het op dat moment geldende aanpassingspercentage in het kader van de financiële discipline.

(9)

Het algemene kader dient te worden vastgesteld voor de invoering van vereenvoudigde procedures voor de communicatie tussen de begunstigde en de nationale autoriteiten. Dat kader dient met name te voorzien in de mogelijkheid gebruik te maken van elektronische middelen. Er dient echter gewaarborgd te worden dat in het bijzonder de aldus verstrekte gegevens volkomen betrouwbaar zijn en dat de betrokken procedures zonder enige discriminatie tussen begunstigden worden toegepast. Om het beheer voor de begunstigden en voor de nationale autoriteiten te vereenvoudigen, moet het voorts voor de bevoegde autoriteiten mogelijk zijn om rechtstreeks gebruik te maken van de informatie waarover de nationale autoriteiten beschikken, zonder dat de begunstigde wordt verplicht om dergelijke informatie in het kader van de verificatie van het recht op bepaalde betalingen te verstrekken.

(10)

Om effectieve controles mogelijk te maken in de lidstaten die besluiten dat alle steunaanvragen voor rechtstreekse betalingen en betalingsaanvragen voor onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen moeten worden gecombineerd in de in artikel 72, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde verzamelaanvraag, moet worden bepaald dat steunaanvragen of betalingsaanvragen die op enigerlei wijze areaalgebonden zijn, slechts eenmaal per jaar in één verzamelaanvraag mogen worden ingediend.

(11)

De lidstaten moeten voor de indiening van de verzamelaanvraag een uiterste datum vaststellen, die niet later mag zijn dan 15 mei teneinde een tijdige verwerking en controle van de steunaanvraag en de betalingsaanvragen mogelijk te maken. In verband met de bijzondere klimaatgesteldheid in Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden moet het deze lidstaten echter worden toegestaan een latere datum vast te stellen, die niet later mag zijn dan 15 juni. Bovendien moet het mogelijk zijn te voorzien in incidentele afwijkingen voor het geval dat in de toekomst de klimaatgesteldheid in een bepaald jaar een dergelijke afwijking nodig maakt.

(12)

In de verzamelaanvraag moeten begunstigden niet alleen de oppervlakte cultuurgrond, maar ook hun betalingsrechten aangeven en daarbij alle informatie voegen die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun en/of bijstand kan worden gemaakt. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan om van bepaalde verplichtingen af te wijken wanneer de in een jaar toe te wijzen betalingsrechten nog niet definitief zijn vastgesteld.

(13)

Om de begunstigden met betrekking tot hun plannen voor het areaalgebruik zo veel mogelijk flexibiliteit te bieden, moet hun worden toegestaan om hun verzamelaanvraag of betalingsaanvraag te wijzigen tot de data waarop normaliter de inzaai plaatsvindt, mits alle bijzondere voorschriften in het kader van de verschillende steunregelingen of bijstandsmaatregelen in acht worden genomen en mits voor het gedeelte van de verzamelaanvraag of betalingsaanvraag waarop de wijziging betrekking heeft, de bevoegde autoriteit de begunstigde nog niet over fouten in die aanvraag heeft geïnformeerd en evenmin kennis heeft gegeven van de te verrichten controle ter plaatse waarbij vervolgens fouten aan het licht zijn gekomen. Na dergelijke wijzigingen moet de mogelijkheid worden geboden om de desbetreffende bewijsstukken of contracten die moeten worden ingediend, aan te passen.

(14)

Omdat begunstigden verantwoordelijk blijven voor de indiening van een correcte steunaanvraag of betalingsaanvraag, moeten zij in voorkomend geval de nodige correcties en wijzigingen in het vooraf opgestelde formulier aanbrengen.

(15)

Bij steunaanvragen in het kader van areaalgebonden steunregelingen en/of betalingsaanvragen in het kader van areaalgebonden bijstandsmaatregelen moeten aan de begunstigde een vooraf opgesteld formulier in elektronische vorm en het corresponderende grafische materiaal worden verstrekt middels een softwareapplicatie op basis van een geografisch informatiesysteem (GIS) (hierna „geospatiaal steunaanvraagformulier” genoemd). Geospatiale steunaanvraagformulieren zullen helpen voorkomen dat begunstigden bij de aangifte van hun landbouwareaal fouten maken, en zullen de efficiëntie van de administratieve kruiscontroles ten goede komen. Daarnaast zal de nauwkeurigere ruimtelijke informatie die met de geospatiale steunaanvraagformulieren beschikbaar komt, ervoor zorgen dat de voor de monitoring en evaluatie benodigde gegevens betrouwbaarder zijn. Daarom moet worden verlangd dat al die steunaanvragen en/of betalingsaanvragen vanaf een bepaalde datum op basis van een elektronisch geospatiaal steunaanvraagformulier worden ingediend. Wanneer begunstigden niet in staat zijn om zo’n formulier te gebruiken, moet de bevoegde autoriteit hun echter een alternatief bieden waarmee zij een steunaanvraag en/of betalingsaanvraag kunnen indienen. De bevoegde autoriteit moet er in elk geval voor zorgen dat de aangegeven arealen worden gedigitaliseerd.

(16)

Alle specifieke informatie over de productie van hennep of over vrijwillige gekoppelde steun of over de gewasspecifieke betaling voor katoen moet tegelijk met de verzamelaanvraag worden verstrekt of eventueel later, wanneer dit vanwege de aard van de informatie raadzaam is. Voorts moet worden bepaald dat in de verzamelaanvraag ook de arealen moeten worden aangegeven waarvoor geen steun wordt aangevraagd. Aangezien het van belang is om over nadere informatie over bepaalde soorten areaalgebruik te beschikken, moet informatie over die soorten gebruik apart worden opgegeven, terwijl andere soorten onder één rubriek kunnen worden opgegeven.

(17)

Begunstigden die ecologisch aandachtsgebied op het landbouwareaal moeten hebben om voor de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken (de „vergroeningsbetaling”) in aanmerking te komen, moeten het ecologisch aandachtsgebied opgeven met hun steunaanvraag voor areaalgebonden steunregelingen. Wanneer een deel van de verplichtingen inzake de ecologische aandachtsgebieden op regionaal niveau of collectief ten uitvoer wordt gelegd, moet de aangifte van de ecologische aandachtsgebieden worden aangevuld met een aparte aangifte van de ecologische aandachtsgebieden die op regionaal niveau of collectief ten uitvoer worden gelegd.

(18)

Om een effectieve monitoring en controle mogelijk te maken, moet de aanvraag voor deelname aan de regeling inzake kleine landbouwers een verwijzing bevatten naar de verzamelaanvraag die diezelfde begunstigde heeft ingediend. Om effectieve controles met betrekking tot de bijzondere voorwaarden voor de regeling inzake kleine landbouwers mogelijk te maken, moet alle nodige informatie worden verstrekt middels de vereenvoudigde aanvraagprocedure waarin artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voorziet. Voorts moet worden verduidelijkt dat begunstigden die besluiten om zich uit de regeling inzake kleine landbouwers terug te trekken, moeten worden verplicht om de bevoegde autoriteit daarvan tijdig in kennis te stellen teneinde een soepele overgang naar de betalingen uit hoofde van de titels III en IV van Verordening (EU) nr. 1307/2013 mogelijk te maken.

(19)

Om controles op de naleving van de randvoorwaarden mogelijk te maken, moet ook een steunaanvraagformulier worden ingediend door begunstigden die landbouwareaal tot hun beschikking hebben, maar geen steun of bijstand aanvragen die onder de verzamelaanvraag valt. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan om begunstigden van deze verplichting vrij te stellen wanneer de autoriteiten al over de informatie beschikken.

(20)

Met het oog op de vereenvoudiging van de aanvraagprocedures en overeenkomstig artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten de lidstaten de begunstigden voor zover mogelijk vooraf opgestelde formulieren verstrekken met de informatie die nodig is om de begunstigde in staat te stellen een correcte steunaanvraag of betalingsaanvraag in te dienen. Het moet mogelijk zijn dat de begunstigde alleen hoeft te bevestigen dat er geen veranderingen zijn opgetreden ten opzichte van de steunaanvraag en/of betalingsaanvraag van het voorgaande jaar.

(21)

Er moeten gemeenschappelijke bepalingen worden vastgesteld voor de specifieke informatie die in een steunaanvraag voor vee of een betalingsaanvraag moet worden opgenomen wanneer een lidstaat voor de toepassing van diergebonden vrijwillige gekoppelde steun of diergebonden plattelandsontwikkelingsmaatregelen kiest.

(22)

Overeenkomstig artikel 53, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie (3) zijn betalingen in het kader van diergebonden vrijwillige gekoppelde steun of diergebonden plattelandsontwikkelingsmaatregelen alleen mogelijk voor dieren die naar behoren geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (4) of Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad (5). Daarom moeten begunstigden die op grond van de betrokken steunregelingen of bijstandsmaatregelen een steunaanvraag of betalingsaanvraag indienen, tijdig toegang krijgen tot de desbetreffende informatie.

(23)

Om betalingsrechten te kunnen vaststellen, is het voor de lidstaten van essentieel belang dat een begunstigde de aanvraag voor betalingsrechten op tijd indient. Daarom moet een uiterste datum voor de indiening ervan worden vastgesteld.

(24)

Er moeten regels worden vastgesteld voor de situaties waarin onverschuldigde betalingsrechten zijn toegewezen, met name als gevolg van een te hoge aangifte, of waarin de waarde van de betalingsrechten op een onjuist niveau is vastgesteld, bijvoorbeeld omdat zij op basis van een onjuist referentiebedrag is berekend. Er moet duidelijk worden gemaakt dat een aanpassing van het aantal en/of de waarde van betalingsrechten niet tot een systematische herberekening van de resterende betalingsrechten mag leiden. In bepaalde gevallen komen ten onrechte toegewezen betalingsrechten overeen met zeer geringe bedragen, waarvan de terugvordering evenwel aanzienlijke kosten en een administratieve last meebrengen. Omwille van de vereenvoudiging en om een passend evenwicht te vinden tussen enerzijds de kosten en de administratieve last en anderzijds het terug te vorderen bedrag, moet een minimumbedrag worden vastgesteld waaronder geen terugvordering hoeft plaats te vinden.

(25)

De naleving van de bepalingen betreffende de steunregelingen en de bijstandsmaatregelen die onder het geïntegreerd systeem vallen, moet doeltreffend worden gemonitord. Daartoe en met het oog op een geharmoniseerd monitoringniveau in alle lidstaten moeten de criteria en de technische procedures voor de uitvoering van de administratieve controles en de controles ter plaatse nader worden beschreven ten aanzien van de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen die voor de regelingen inzake rechtstreekse betalingen, de plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden zijn vastgesteld.

(26)

Er moet worden verduidelijkt dat wanneer een foto-interpretatie wordt verricht, bijvoorbeeld bij een controle ter plaatse of bij het bijwerken van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen, en deze foto-interpretatie geen uitsluitsel geeft, veldcontroles moeten plaatsvinden.

(27)

De aankondiging van controles ter plaatse op de subsidiabiliteit of op de naleving van de randvoorwaarden mag alleen worden toegestaan als daarmee het doel van de controles niet in gevaar komt, en er moeten in elk geval passende termijnen gelden. Voorts moet, ingeval specifieke sectorale regelgeving inzake besluiten of normen die voor de randvoorwaarden relevant zijn, in onaangekondigde controles ter plaatse voorziet, die regelgeving in acht worden genomen.

(28)

Er moet worden bepaald dat de lidstaten de verschillende controles in voorkomend geval dienen te combineren. Voor bepaalde bijstandsmaatregelen moeten de controles ter plaatse echter over het jaar worden gespreid om de naleving van de verbintenissen te kunnen verifiëren. De duur van een controle ter plaatse moet tot het noodzakelijke minimum worden beperkt. Wanneer subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen of verplichtingen echter aan een bepaalde tijdsperiode zijn gekoppeld, kunnen voor een controle ter plaatse extra bezoeken aan een begunstigde op een later tijdstip vereist zijn. Voor dergelijke gevallen moet worden bepaald dat de duur van de controle ter plaatse en het aantal bezoeken tot het noodzakelijke minimum moeten worden beperkt.

(29)

Er moet voor worden gezorgd dat elk geconstateerd geval van niet-naleving een adequate follow-up krijgt en in aanmerking wordt genomen bij de toekenning van de betalingen. In dit verband moet bij het verifiëren van de naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden ook rekening worden gehouden met alle mogelijke gevallen van niet-naleving die door niet rechtstreeks met de controles belaste instanties, diensten en organisaties worden gerapporteerd. Voorts moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten die met het toekennen van de betalingen zijn belast alle relevante bevindingen in het kader van de controles van de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen aan elkaar meedelen. Dit beginsel moet worden uitgebreid tot alle door publieke of particuliere certificeringsautoriteiten gedane bevindingen met betrekking tot begunstigden die ervoor hebben gekozen hun vergroeningsverplichtingen te vervullen via onder een certificeringsregeling vallende gelijkwaardige praktijken, welke bevindingen moeten worden gemeld aan de met de toekenning van de vergroeningsbetaling belaste autoriteit. Tot slot moeten, wanneer de controles in verband met plattelandsontwikkelingsmaatregelen op gelijkwaardige praktijken betrekking hebben, de resultaten van zulke controles onderling worden uitgewisseld zodat zij in aanmerking kunnen worden genomen wanneer later wordt beoordeeld of aan de voorwaarden voor het ontvangen van vergroeningsbetalingen is voldaan.

(30)

Met het oog op een effectieve opsporing van niet-naleving bij de administratieve controles moeten voorschriften worden vastgesteld voor met name de inhoud van de kruiscontroles. Elk geval van niet-naleving moet een follow-up krijgen door middel van een passende procedure.

(31)

Als een referentieperceel is vermeld in steunaanvragen of betalingsaanvragen van twee of meer begunstigden die steun en/of bijstand op grond van dezelfde steunregeling of steunmaatregel aanvragen en de te hoog aangegeven of overlappende oppervlakte binnen de tolerantie voor de meting van landbouwpercelen blijft, moet de lidstaat eenvoudigheidshalve kunnen besluiten tot een evenredige vermindering van de betrokken oppervlakten. De betrokken begunstigden moeten echter het recht hebben beroep aan te tekenen tegen een dergelijk besluit.

(32)

Het minimum aantal begunstigden bij wie in het kader van de verschillende steunregelingen en bijstandsmaatregelen controles ter plaatse moeten worden verricht, dient te worden bepaald.

(33)

De steekproef in het kader van de controles ter plaatse van de areaalgebonden steunregelingen moet worden getrokken volgens een gestratificeerde steekproefmethode om ervoor te zorgen dat de administratieve lasten in proportie blijven en om het aantal ter plaatse te controleren begunstigden op een redelijk niveau te houden. De gestratificeerde steekproefmethode moet een aselect gedeelte omvatten om een representatief foutenpercentage te verkrijgen. De steekproef voor controles ter plaatse voor de vergroeningsbetaling, de steunregelingen voor dieren of de plattelandsontwikkelingsmaatregelen moet evenwel deels worden getrokken op basis van een risicoanalyse. De bevoegde autoriteit moet zich bij het vaststellen van de risicofactoren toespitsen op de sectoren met het hoogste foutenrisico. Om voor een relevante en doelmatige risicoanalyse te zorgen, moet de doeltreffendheid van de risicoanalyse elk jaar worden beoordeeld en verhoogd door de relevantie van elke risicofactor te bepalen, de resultaten van de op aselecte wijze gekozen steekproef en die van de op de risicoanalyse gebaseerde steekproef met elkaar te vergelijken en rekening te houden met de specifieke situatie in de lidstaten en de aard van de niet-naleving.

(34)

In bepaalde gevallen is het van belang controles ter plaatse uit te voeren voordat alle aanvragen zijn ontvangen. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan voor het einde van de aanvraagperiode een gedeeltelijke selectie uit te voeren van de steekproef voor controles.

(35)

Voor een doeltreffende controle ter plaatse is het van belang dat het personeel dat de controles uitvoert, wordt geïnformeerd over de reden om de betrokken begunstigde voor de controle ter plaatse te selecteren. De lidstaten moeten de informatie hierover bijhouden.

(36)

De constatering van belangrijke gevallen van niet-naleving tijdens de controles ter plaatse moet tot gevolg hebben dat het volgende jaar meer controles ter plaatse worden verricht om een aanvaardbare mate van zekerheid omtrent de juistheid van de betrokken steunaanvragen en betalingsaanvragen te verkrijgen.

(37)

Er moet worden vastgesteld onder welke voorwaarden een verlaging van het minimumniveau van de controles ter plaatse voor bepaalde steunregelingen en bijstandsmaatregelen als gerechtvaardigd kan worden beschouwd op grond van een goed werkend beheers- en controlesysteem en foutenpercentages die op een aanvaardbaar niveau blijven.

(38)

Om gedegen monitoring en doeltreffende controle te waarborgen moeten de controles ter plaatse van areaalgebonden steunregelingen en plattelandsontwikkelingsmaatregelen betrekking hebben op alle aangegeven landbouwpercelen. De controle ter plaatse ten aanzien van bepaalde plattelandsontwikkelingsmaatregelen moet ook betrekking hebben op niet-landbouwgrond. Om de tenuitvoerlegging van het geïntegreerd systeem te faciliteren, moet worden toegestaan dat de daadwerkelijke meting van landbouwpercelen wordt beperkt tot een aselecte steekproef van 50 % van de aangegeven landbouwpercelen. De resultaten van de steekproefsgewijze metingen moeten worden geëxtrapoleerd naar de rest van de populatie of de metingen moeten worden uitgebreid naar alle aangegeven landbouwpercelen.

(39)

Er moeten voorschriften inzake de onderdelen van de controles ter plaatse, de verificatie van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de methoden voor oppervlaktemeting en de meetinstrumenten die de lidstaten voor de controles ter plaatse moeten gebruiken, worden vastgesteld teneinde te waarborgen dat de kwaliteit van de meting gelijkwaardig is aan die welke de op het niveau van de Unie vastgestelde technische normen voorschrijven.

(40)

De voorwaarden waaronder controles ter plaatse door middel van teledetectie mogen worden uitgevoerd, moeten worden vastgesteld en bepaald dient te worden dat er veldcontroles moeten worden verricht wanneer foto-interpretatie geen duidelijke resultaten oplevert. Zo is het mogelijk dat door weersomstandigheden niet voor alle percelen beeldmateriaal van voldoende kwaliteit voorhanden is om alle subsidiabiliteitsvoorwaarden te verifiëren of de oppervlaktemeting te verrichten. In dergelijke gevallen moet de controle ter plaatse worden uitgevoerd of aangevuld met traditionele middelen. Voorts moet worden bepaald dat de verificatie van de naleving van alle subsidiabiliteitsvoorwaarden, verbintenissen en andere verplichtingen met dezelfde nauwkeurigheid dient te worden verricht als een met traditionele middelen verrichte controle ter plaatse.

(41)

Om de nationale autoriteiten en alle bevoegde autoriteiten van de Unie in staat te stellen vervolgactiviteiten te ontplooien naar aanleiding van de verrichte controles ter plaatse, moeten de bijzonderheden over de controles worden opgetekend in een controleverslag. De begunstigde of een vertegenwoordiger dient in de gelegenheid te worden gesteld het verslag te ondertekenen. In het geval van controles ter plaatse door middel van teledetectie moet het de lidstaten echter worden toegestaan te bepalen dat deze gelegenheid enkel wordt geboden wanneer de controle een niet-naleving aan het licht brengt. Ongeacht de aard van de controle ter plaatse moet bij ontdekking van een niet-naleving een kopie van het verslag aan de begunstigde worden verstrekt.

(42)

Op grond van Verordening (EG) nr. 1082/2003 van de Commissie (6) zijn bijzondere controlebepalingen vastgesteld. Wanneer controles op grond van die verordening worden verricht, moeten de resultaten daarvan ten behoeve van het geïntegreerd systeem in het controleverslag worden opgenomen.

(43)

Voor de lidstaten die ervoor kiezen een steunregeling voor dieren of diergebonden bijstandsmaatregel toe te passen, moet worden bepaald op welke tijdstippen de controles ter plaatse moeten worden verricht en wat zij minimaal moeten inhouden voor in het kader van die steunregelingen en bijstandsmaatregelen aangevraagde steun of bijstand. Voor een doeltreffende controle op de juistheid van de aangiften in de steunaanvragen of de betalingsaanvragen en van de meldingen aan het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren is het van essentieel belang dergelijke controles ter plaatse uit te voeren. De controles ter plaatse in het kader van steunregelingen voor dieren of diergebonden bijstandsmaatregelen moeten met name betrekking hebben op de verificatie van de naleving van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, de juistheid van de vermeldingen in het register en, indien van toepassing, op de dierpaspoorten.

(44)

Om de bevoegde nationale autoriteiten en alle bevoegde autoriteiten van de Unie in staat te stellen vervolgactiviteiten te ontplooien naar aanleiding van de verrichte controles ter plaatse, moeten de bijzonderheden over de controles worden opgetekend in een controleverslag. De begunstigde of een vertegenwoordiger dient in de gelegenheid te worden gesteld het verslag te ondertekenen tijdens de controle. Ongeacht de aard van de controle ter plaatse moet bij ontdekking van niet-naleving een kopie van het verslag aan de begunstigde worden verstrekt.

(45)

Voor de toepassing van artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten voorschriften worden vastgesteld voor de toepassing van het door de lidstaten te gebruiken systeem voor de controle op het tetrahydrocannabinolgehalte van hennep.

(46)

In dat verband moet voor vezelhennep worden bepaald hoeveel tijd moet verlopen tussen de bloei en de oogst om op doeltreffende wijze te kunnen voldoen aan de voor vezelhennep geldende controleverplichtingen.

(47)

Er zijn gedetailleerdere regels nodig voor de organisatie van de administratieve controles en de controles ter plaatse en voor de berekening van administratieve sancties in het kader van niet onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

(48)

Gezien de bijzondere kenmerken van die maatregelen moeten de administratieve controles de naleving van de uniale of nationale wetgeving en van het toepasselijke plattelandsontwikkelingsprogramma betreffen en alle subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen omvatten die door zulke controles kunnen worden geverifieerd. Om de realisatie van concrete investeringsacties te controleren, moeten de administratieve controles normaal ook een bezoek aan de gesteunde concrete actie of aan de locatie van de investering omvatten.

(49)

Controles ter plaatse moeten worden georganiseerd op grond van op aselecte wijze en op basis van een risicoanalyse getrokken steekproeven. Het aandeel van de aselecte steekproef moet hoog genoeg zijn om een representatief foutenpercentage te verkrijgen.

(50)

Om voldoende controles te waarborgen is het noodzakelijk een minimumcontroleniveau voor de controles ter plaatse vast te stellen. Wanneer de controles belangrijke gevallen van niet-naleving aan het licht brengen, moet dit niveau worden verhoogd. Evenzo moeten de lidstaten het niveau kunnen verlagen wanneer de foutenpercentages onder de materialiteitsdrempel liggen en de beheers- en controlesystemen naar behoren functioneren.

(51)

De inhoud van de controles ter plaatse moet worden vastgesteld teneinde een uniforme toepassing van die controles te waarborgen.

(52)

Er moeten controles achteraf van concrete investeringsacties worden verricht om de nakoming van het in artikel 71 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) bedoelde duurzaamheidsvereiste te controleren. De basis voor die controles en de inhoud ervan moeten worden bepaald.

(53)

De ervaring heeft geleerd dat er specifieke controlebepalingen nodig zijn voor bepaalde specifieke plattelandsontwikkelingsmaatregelen en voor uitgaven in verband met technische bijstand op initiatief van de lidstaten.

(54)

Krachtens Verordening (EU) nr. 1306/2013 hoeven er geen administratieve sancties te worden opgelegd wanneer de niet-naleving van gering belang is, waaronder begrepen het geval waarin de niet-naleving een drempelwaarde niet overschrijdt. Met betrekking tot bepaalde plattelandsontwikkelingsmaatregelen moeten voorschriften worden vastgesteld voor het als van gering belang aanmerken van een niet-naleving, met inbegrip van het bepalen van een kwantitatieve drempel die is uitgedrukt als een percentage van de subsidiabele waarde van de bijstand. Deze drempel, waarboven een evenredige administratieve sanctie moet gelden, moet worden vastgesteld.

(55)

Om de nakoming van de verschillende verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden te monitoren moet een controlesysteem met passende administratieve sancties worden ingevoerd. Het is in dit verband noodzakelijk dat verschillende autoriteiten binnen de lidstaten informatie uitwisselen over, met name, de steunaanvragen, de controlesteekproeven en de resultaten van de controles ter plaatse. Aangegeven dient te worden wat de basiselementen van een dergelijk systeem moeten zijn.

(56)

Bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden ingevoerd voor begunstigen die rechtstreekse betalingen op grond van Verordening (EU) nr. 1307/2013, steun voor de wijnsector op grond van de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) en de jaarlijkse premies op grond van artikel 21, lid 1, onder a) en b), artikel 28 tot en met 31, artikel 33 en artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9) ontvangen en is voorzien in een systeem voor verlagingen en uitsluitingen voor het geval dat niet aan die verplichtingen wordt voldaan. De nadere voorschriften voor dat stelsel moeten worden vastgesteld.

(57)

De controles op de naleving van de randvoorwaarden mogen worden afgerond voordat of nadat de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde betalingen en jaarlijkse premies zijn ontvangen. Met name wanneer zulke controles niet kunnen worden afgerond vóór die betalingen en jaarlijkse premies zijn ontvangen, moet het bedrag dat de begunstigde als gevolg van een administratieve sanctie verschuldigd is, worden teruggevorderd overeenkomstig de onderhavige verordening of door verrekening.

(58)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de autoriteiten die in de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het systeem voor de controle op de naleving van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden.

(59)

Het minimumpercentage controles op de nakoming van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden moet worden bepaald. Dat controlepercentage moet worden vastgesteld op ten minste 1 % van het totale aantal in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde begunstigden binnen het bevoegdheidsterrein van elke controleautoriteit, welke 1 % moet worden geselecteerd op basis van een passende risicoanalyse.

(60)

Met het oog op de berekening van de steekproef voor controles moet de lidstaten, in het specifieke geval van een groep personen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 flexibiliteit worden geboden om te bepalen of de groep als een geheel of elk van de leden ervan individueel moet worden beschouwd.

(61)

De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen het minimumpercentage controles te realiseren op het niveau van elke bevoegde controleautoriteit, op het niveau van het betaalorgaan of op het niveau van een besluit of norm of een groep besluiten of normen.

(62)

Indien in de voor het besluit of de normen geldende specifieke regelgeving in minimumpercentages controles is voorzien, moeten de lidstaten die percentages in acht nemen. Het moet de lidstaten echter worden toegestaan een uniform percentage toe te passen voor de controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden. Indien de lidstaten voor deze mogelijkheid kiezen, moet elk geval van niet-naleving dat bij controles ter plaatse op grond van de sectorale regelgeving wordt ontdekt, in het kader van de randvoorwaarden worden gemeld en aan vervolgactie worden onderworpen.

(63)

Met het oog op vereenvoudiging moet, wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden in verband met Richtlijn 96/22/EG van de Raad (10) betreft, met de toepassing van een specifiek steekproefniveau van de monitoringplannen worden geacht te zijn voldaan aan het vereiste van het bij de onderhavige verordening vastgestelde minimumpercentage.

(64)

De lidstaten moet de nodige flexibiliteit worden geboden om het minimumpercentage controles te bereiken door de resultaten van andere controles ter plaatse te gebruiken of door begunstigden te vervangen.

(65)

Om te voorkomen dat het controlesysteem wordt verzwakt, met name wat de steekproeftrekking voor controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden betreft, mogen in het kader van de in artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde de-minimisregel verrichte follow-upcontroles niet worden meegerekend bij de vaststelling van de in het kader van de randvoorwaarden minimaal te controleren steekproef.

(66)

De constatering van een belangrijke mate van niet-naleving met betrekking tot de randvoorwaarden moet tot gevolg hebben dat het volgende jaar meer controles ter plaatse worden verricht om een aanvaardbare mate van zekerheid omtrent de juistheid van de betrokken steunaanvragen te verkrijgen. De extra controles moeten worden toegespitst op de desbetreffende besluiten of normen.

(67)

Wat de toepassing van de de-minimisregel uit hoofde van artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 betreft, is het belangrijk het percentage begunstigden vast te stellen dat moet worden gecontroleerd om na te gaan dat de geconstateerde niet-naleving is gecorrigeerd.

(68)

De steekproef voor controles op de naleving van de randvoorwaarden moet deels op basis van een risicoanalyse en deels aselect worden getrokken. De bevoegde autoriteit moet de risicofactoren vaststellen aangezien zij in een betere positie verkeert om de desbetreffende risicofactoren te kiezen. Om een relevante en doelmatige risicoanalyse te waarborgen, moet de doeltreffendheid van de risicoanalyse elk jaar worden beoordeeld en verhoogd door de relevantie van elke risicofactor te bepalen, de resultaten van de op aselecte wijze gekozen steekproef en die van de op de risicoanalyse gebaseerde steekproef met elkaar te vergelijken en rekening te houden met de specifieke situatie in de lidstaten.

(69)

De steekproeftrekking voor controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden kan worden verbeterd door de lidstaten de mogelijkheid te geven bij de risicoanalyse rekening te houden met de deelneming door begunstigden aan het in artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde bedrijfsadviseringssysteem en met de deelneming door begunstigden aan ter zake relevante certificeringssystemen. Wanneer rekening wordt gehouden met de deelneming aan die systemen, moet echter worden aangetoond dat de begunstigden die eraan deelnemen, minder risico opleveren dan de begunstigden die er niet aan deelnemen.

(70)

In bepaalde gevallen is het van belang controles ter plaatse met betrekking tot de randvoorwaarden uit te voeren vóór alle aanvragen zijn ontvangen. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan vóór het einde van de aanvraagperiode een gedeeltelijke selectie uit te voeren van de steekproef voor de controles.

(71)

Als algemene regel geldt dat de steekproef voor controles op de naleving van de randvoorwaarden moet worden getrokken uit de totale populatie van de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde begunstigden die onder de verantwoordelijkheid van de betrokken bevoegde controleautoriteit valt. In afwijking van deze regel mogen de steekproeven afzonderlijk worden geselecteerd uit elk van de drie categorieën begunstigden. Het moet de lidstaten worden toegestaan de steekproef voor controles te trekken op basis van de steekproeven van de begunstigden die zijn geselecteerd voor een controle ter plaatse met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria. Een combinatie van de procedures moet voorts enkel worden toegestaan voor zover deze het controlesysteem doeltreffender maakt.

(72)

In het geval dat een groep personen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voor de controles ter plaatse wordt geselecteerd, moet worden gewaarborgd dat alle leden ervan worden gecontroleerd op de naleving van de relevante eisen en normen.

(73)

Voor de controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden zijn doorgaans verscheidene bezoeken aan hetzelfde landbouwbedrijf noodzakelijk. Om de last te verminderen die de controles niet alleen voor de begunstigden maar ook voor de overheidsdiensten betekenen, moet het mogelijk zijn de controles tot één bezoek te beperken. Het tijdstip van dat bezoek moet worden verduidelijkt. De lidstaten moeten er evenwel voor zorgen dat voor de eisen en normen binnen hetzelfde kalenderjaar een representatieve en doeltreffende controle wordt uitgevoerd.

(74)

De beperking van de controles ter plaatse tot een steekproef van ten minste de helft van de betrokken percelen mag geen evenredige verlaging van de mogelijke sanctie inhouden.

(75)

Om de controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden te vereenvoudigen en een beter gebruik te maken van de bestaande controlecapaciteit, moet het mogelijk zijn controles op het niveau van de landbouwbedrijven te vervangen door administratieve controles mits die controles ten minste even doeltreffend zijn als wanneer controles ter plaatse waren verricht.

(76)

Voorts dient het voor de lidstaten mogelijk te zijn om bij de uitvoering van controles ter plaatse in het kader van de randvoorwaarden gebruik te maken van objectieve indicatoren die specifiek zijn voor bepaalde eisen of normen. Die indicatoren moeten evenwel rechtstreeks verband houden met de eisen of normen waarvoor zij gelden, en betrekking hebben op alle te controleren elementen.

(77)

De controles ter plaatse moeten worden uitgevoerd in het kalenderjaar waarin de betrokken steunaanvragen en betalingsaanvragen zijn ingediend. Bij aanvragers van steun in het kader van de steunregelingen in de wijnsector uit hoofde van de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, moeten die controles worden uitgevoerd op een tijdstip binnen de in artikel 97, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aangegeven periode.

(78)

Er moeten regels worden vastgesteld voor gedetailleerde, specifieke verslagen over controles op de naleving van de randvoorwaarden. De gespecialiseerde inspecteurs in het veld moeten daarin melding maken van hun bevindingen en de ernst van die bevindingen weergeven om het betaalorgaan in staat te stellen de betrokken verlagingen vast te stellen of in voorkomend geval tot uitsluiting van de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde betalingen en jaarlijkse premies te besluiten.

(79)

Voor een doeltreffende controle ter plaatse is het van belang dat het personeel dat de controles uitvoert, wordt geïnformeerd over de reden om de betrokken begunstigde voor de controle ter plaatse te selecteren. De lidstaten moeten de informatie hierover bijhouden.

(80)

Met het oog op de toepassing van adequate verlagingen wanneer de bevindingen dat rechtvaardigen, moeten gegevens over de resultaten van de controles op de naleving van de randvoorwaarden ter beschikking worden gesteld van alle betaalorganen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de verschillende betalingen waarop voorschriften op het gebied van de randvoorwaarden van toepassing zijn.

(81)

De begunstigden moeten in kennis worden gesteld van alle mogelijke gevallen van niet-naleving die bij een controle ter plaatse worden geconstateerd. Er moet een bepaalde termijn worden vastgesteld waarbinnen de begunstigden die informatie moeten ontvangen. Het mag voor de betrokken begunstigden echter niet mogelijk zijn als gevolg van de overschrijding van die termijn aan de gevolgen van een geconstateerde niet-naleving te ontsnappen.

(82)

Met betrekking tot de de-minimisregel of het systeem voor vroegtijdige waarschuwing als bedoeld in respectievelijk artikel 97, lid 3, en artikel 99, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, moet worden verduidelijkt dat de verplichting om de begunstigde te informeren over corrigerende actie niet geldt indien de begunstigde al onmiddellijke actie heeft ondernomen.

(83)

Er moeten eisen met betrekking tot de correctie van de betrokken niet-naleving worden vastgesteld voor situaties waarin een lidstaat besluit geen administratieve sancties op te leggen voor niet-naleving als bedoeld in artikel 97, lid 3, en artikel 99, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

(84)

Om de communicatie tussen de bij de controle betrokken partijen te verbeteren, moet worden bepaald dat de relevante bewijsstukken op verzoek worden toegezonden aan of toegankelijk worden gemaakt voor het betaalorgaan of de coördinerende autoriteit.

(85)

De administratieve sanctie moet worden toegepast op het totale bedrag van de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 genoemde betalingen die aan de begunstigde zijn verleend of moeten worden verleend, in het kader van de in de loop van het kalenderjaar van de bevinding ingediende steunaanvragen of betalingsaanvragen. Met name voor aanvragers van steun in het kader van de steunregelingen in de wijnsector uit hoofde van de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, moet de administratieve sanctie worden toegepast op het totale steunbedrag dat is ontvangen in het kader van de aanvraag voor steunregelingen uit hoofde van die artikelen. Wat de maatregel inzake herstructurering en omschakeling betreft, moet het totaalbedrag worden gedeeld door drie.

(86)

In het geval van een groep personen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, moet de verlaging vanwege niet-naleving door een lid van de groep worden berekend overeenkomstig de desbetreffende bepalingen inzake de randvoorwaarden. Bij de toepassing van het daaruit voortvloeiende verlagingspercentage moet rekening worden gehouden met het feit dat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden individueel zijn en moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen. Het moet echter aan de lidstaten worden overgelaten om te beslissen of die verlaging moet worden toegepast op de groep of enkel op de leden die in gebreke zijn gebleven.

(87)

De nadere procedurele en technische voorschriften voor de berekening en toepassing van administratieve sancties met betrekking tot de randvoorwaarden moeten worden vastgesteld.

(88)

Verlagingen en uitsluitingen moeten worden gedifferentieerd naargelang van de ernst van de niet-naleving en moeten gaan tot de volledige uitsluiting van de begunstigde van alle in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vermelde betalingen in het volgende kalenderjaar.

(89)

Het Comité voor rechtstreekse betalingen en het Comité voor plattelandsontwikkeling hebben geen advies uitgebracht binnen de door de voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

De onderhavige verordening bevat uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 op de volgende gebieden:

a)

de kennisgevingen die door de lidstaten aan de Commissie moeten worden gedaan overeenkomstig hun verplichtingen om de financiële belangen van de Unie te beschermen;

b)

door de lidstaten uit te voeren administratieve controles en controles ter plaatse met betrekking tot de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen;

c)

het minimumniveau van de controles ter plaatse en de verplichting om dat niveau te verhogen of de mogelijkheid om het te verlagen;

d)

de rapportage over de verrichte controles en verificaties en de resultaten daarvan;

e)

de autoriteiten die voor het verrichten van de nalevingscontroles verantwoordelijk zijn, en de inhoud van dergelijke controles;

f)

de specifieke controlemaatregelen en methoden voor de bepaling van het tetrahydrocannabinolgehalte van hennep;

g)

het opzetten en toepassen van een systeem voor de verificatie van erkende brancheorganisaties in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen;

h)

gevallen waarin steunaanvragen en betalingsaanvragen of andere kennisgevingen, aanvragen of verzoeken na de indiening ervan kunnen worden gecorrigeerd en aangepast;

i)

de toepassing en berekening van de gedeeltelijke of volledige intrekking van betalingen;

j)

terugvordering van onverschuldigde betalingen, sancties, ten onrechte toegewezen betalingsrechten en de toepassing van rente;

k)

de toepassing en de berekening van de administratieve sancties;

l)

het als van gering belang aanmerken van een niet-naleving;

m)

steunaanvragen en betalingsaanvragen en aanvragen voor betalingsrechten, waaronder de uiterste datum voor de indiening van aanvragen, de eisen ten aanzien van de minimale informatie die in de aanvraag moet worden opgenomen, bepalingen inzake de wijziging of de intrekking van steunaanvragen, de vrijstelling van de verplichting om steunaanvragen in te dienen, en bepalingen die de lidstaten de mogelijkheid bieden om vereenvoudigde procedures toe te passen;

n)

de uitvoering van controles op de nakoming van verplichtingen en op de juistheid en volledigheid van de informatie in de steunaanvraag of betalingsaanvraag, waaronder voorschriften betreffende de meettoleranties voor de controles ter plaatse;

o)

technische specificaties die nodig zijn voor de uniforme toepassing van titel V, hoofdstuk II, van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

p)

de overdracht van bedrijven;

q)

de betaling van voorschotten;

r)

de uitvoering van controles op de naleving van de verplichtingen inzake randvoorwaarden, met onder meer het in aanmerking nemen van de deelname van landbouwers aan het bedrijfsadviseringssysteem en de deelname van landbouwers aan een certificeringssysteem;

s)

de berekening en toepassing van administratieve sancties in het kader van de randvoorwaarden, met inbegrip van sancties ten aanzien van begunstigden die uit een groep personen bestaan.

Artikel 2

Uitwisseling van informatie over steunaanvragen, bijstandsaanvragen, betalingsaanvragen en andere aangiften

1.   Met het oog op een goed beheer van de steunregelingen en bijstandsmaatregelen en wanneer, binnen een lidstaat, meer dan een betaalorgaan belast is met het beheer van rechtstreekse betalingen en plattelandsontwikkelingsmaatregelen ten aanzien van dezelfde begunstigde, neemt de betrokken lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de steunaanvragen, bijstandsaanvragen, betalingsaanvragen en andere aangiften gevraagde informatie, in voorkomend geval, ter beschikking van alle betrokken betaalorganen wordt gesteld.

2.   Wanneer controles niet door het bevoegde betaalorgaan worden uitgevoerd, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat dit betaalorgaan voldoende informatie over de verrichte controles en de resultaten ervan ontvangt. Het betaalorgaan bepaalt zijn behoeften aan informatie.

Artikel 3

Intrekking van steunaanvragen, bijstandsaanvragen, betalingsaanvragen en andere aangiften

1.   Een steunaanvraag, bijstandsaanvraag, betalingsaanvraag of andere verklaring kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk schriftelijk worden ingetrokken. De bevoegde autoriteit registreert dat een dergelijke intrekking heeft plaatsgevonden.

Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 21, lid 3, geboden mogelijkheden, kan hij bepalen dat de melding aan het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren van een dier dat het bedrijf heeft verlaten, een schriftelijke intrekking kan vervangen.

2.   Indien de bevoegde autoriteit de begunstigde reeds in kennis heeft gesteld van gevallen van niet-naleving in de in lid 1 bedoelde documenten of indien zij hem heeft geïnformeerd over haar voornemen een controle ter plaatse te verrichten of indien een controle ter plaatse een niet-naleving aan het licht brengt, is intrekking van de gedeelten van de documenten waarop de niet-naleving betrekking heeft, niet toegestaan.

3.   Intrekkingen overeenkomstig lid 1 brengen begunstigden terug in de positie waarin zij zich bevonden vóór de indiening van de documenten in kwestie of een gedeelte daarvan.

Artikel 4

Correcties en aanpassingen van kennelijke fouten

Steunaanvragen, bijstandsaanvragen of betalingsaanvragen en eventuele door de begunstigde verstrekte bewijsstukken mogen te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd en aangepast in geval van kennelijke fouten die door de bevoegde autoriteit worden erkend op basis van een algemene beoordeling van het specifieke geval en mits de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld.

De bevoegde autoriteit mag kennelijke fouten slechts erkennen indien deze gemakkelijk kunnen worden geconstateerd bij een administratieve controle van de informatie in de in de eerste alinea bedoelde documenten.

Artikel 5

Toepassing van verlagingen, weigeringen, intrekkingen en sancties

Indien een geval van niet-naleving waarvoor overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie (11) sancties moeten worden toegepast ook onderworpen is aan intrekkingen of sancties overeenkomstig titel II, hoofdstukken III en IV, of overeenkomstig titel III van die verordening:

a)

worden de verlagingen, weigeringen, intrekkingen en sancties waarin is voorzien in titel II, hoofdstukken III en IV, of titel III van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 toegepast ten aanzien van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen of de onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen;

b)

worden de sancties waarin is voorzien in titel IV, hoofdstuk II, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 toegepast op het totale bedrag van de overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan de betrokken begunstigde te verlenen betalingen waarvoor de onder a) bedoelde verlagingen, weigeringen, intrekkingen of sancties niet gelden.

De in de eerste alinea bedoelde verlagingen, weigeringen, intrekkingen en sancties worden toegepast overeenkomstig artikel 6 van de onderhavige verordening, onverminderd aanvullende sancties uit hoofde van andere bepalingen van uniaal of nationaal recht.

Artikel 6

Volgorde van verlagingen, weigeringen, intrekkingen en sancties ten aanzien van elke regeling inzake rechtstreekse betalingen of plattelandsontwikkelingsmaatregel

1.   Het bedrag van de betaling die in het kader van een in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde regeling aan een begunstigde moet worden toegekend wordt door de lidstaten vastgesteld volgens de voorwaarden die zijn vastgesteld overeenkomstig die verordening en overeenkomstig de programma’s voor de ultraperifere gebieden van de Unie en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee die respectievelijk bij de Verordeningen (EU) nr. 228/2013 (12) en (EU) nr. 229/2013 (13) van het Europees Parlement en de Raad voor de betrokken regeling inzake rechtstreekse steun zijn vastgesteld.

2.   Voor elke in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde regeling en voor elke onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregel zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 worden de verlagingen, intrekkingen en sancties, indien van toepassing, in de volgende volgorde berekend:

a)

de in titel II, hoofdstuk IV, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde verlagingen en sancties, met uitzondering van de in artikel 16 van die verordening bedoelde sancties, worden toegepast op elk geval van niet-naleving;

b)

het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt a), dient als basis voor de berekening van de in titel III van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde weigeringen;

c)

het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt b) dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 moeten worden toegepast in geval van te late indiening;

d)

het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt c) dient als basis voor de berekening van verlagingen die overeenkomstig artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 moeten worden toegepast in geval van niet-aangifte van landbouwpercelen;

e)

het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt d), dient als basis voor de berekening van de in titel III van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde intrekkingen;

f)

het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van punt e), dient als basis voor de toepassing van:

i)

de in artikel 51, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;

ii)

de in artikel 51, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;

iii)

de in artikel 65, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;

iv)

de in artikel 65, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging;

v)

de lineaire verlaging die moet worden toegepast ingeval de overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 te verrichten betalingen het overeenkomstig artikel 42, lid 2, van die verordening vastgestelde nationale maximum overschrijden.

3.   Het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van lid 2, onder f), dient als basis voor de toepassing van:

a)

de in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verlaging van betalingen;

b)

het overeenkomstig artikel 7, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde percentage van de lineaire verlaging;

c)

het in artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aanpassingspercentage.

4.   Het uit de toepassing van lid 3 voortvloeiende bedrag van de betaling dient als basis voor de berekening van de verlagingen die overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 wegens niet-naleving van de randvoorwaarden moeten worden toegepast.

Artikel 7

Terugvordering van onverschuldigde betalingen

1.   In geval van een onverschuldigde betaling betaalt de begunstigde het betrokken bedrag terug, in voorkomend geval verhoogd met de overeenkomstig lid 2 berekende rente.

2.   De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de in de terugvorderingsopdracht voor de begunstigde vastgestelde betalingstermijn, die niet meer dan 60 dagen mag bedragen, en de datum van de terugbetaling dan wel verrekening.

Het toe te passen rentetarief wordt berekend overeenkomstig het nationale recht, maar mag niet lager zijn dan het rentetarief dat geldt bij de terugvordering van bedragen op grond van nationale bepalingen.

3.   De in lid 1 bedoelde terugbetalingsverplichting geldt niet indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde autoriteit of van een andere autoriteit en indien de fout niet redelijkerwijs door de begunstigde kon worden ontdekt.

Heeft de fout evenwel betrekking op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, dan geldt de eerste alinea slechts indien het terugvorderingsbesluit niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

Artikel 8

Overdracht van bedrijven

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)   „overdracht van een bedrijf”: de verkoop, verhuring of welke soortgelijke transactie ook van de betrokken productie-eenheden;

b)   „cedent”: de begunstigde wiens bedrijf wordt overgedragen aan een andere begunstigde;

c)   „overnemer”: de begunstigde aan wie het bedrijf wordt overgedragen.

2.   Indien een bedrijf in zijn geheel aan een andere begunstigde wordt overgedragen nadat een steunaanvraag, bijstandsaanvraag of betalingsaanvraag is ingediend en voordat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de steun of bijstand is voldaan, wordt aan de cedent geen steun of bijstand toegekend voor het overgedragen bedrijf.

3.   De door de cedent aangevraagde steun of betaling wordt toegekend aan de overnemer mits:

a)

de overnemer binnen een door de lidstaten te bepalen termijn de bevoegde autoriteit van de overdracht in kennis stelt en om betaling van de steun en/of bijstand verzoekt;

b)

de overnemer alle door de bevoegde autoriteit verlangde bewijzen levert;

c)

ten aanzien van het overgedragen bedrijf aan alle voorwaarden voor toekenning van de steun en/of bijstand wordt voldaan.

4.   Zodra de overnemer overeenkomstig lid 3, onder a), de bevoegde autoriteit van de overdracht in kennis heeft gesteld en om betaling van de steun en/of bijstand heeft verzocht:

a)

gaan alle rechten en verplichtingen van de cedent die voortvloeien uit de juridische band die als gevolg van de steunaanvraag, bijstandsaanvraag of betalingsaanvraag tussen de cedent en de bevoegde autoriteit is ontstaan, over op de overnemer;

b)

worden alle voor de toekenning van de steun en/of bijstand vereiste handelingen die de cedent vóór de overdracht heeft verricht en alle aangiften die de cedent vóór de overdracht heeft gedaan, aan de overnemer toegeschreven voor de toepassing van de betrokken voorschriften van de Unie;

c)

wordt het overgedragen bedrijf in voorkomend geval voor het betrokken aanvraagjaar als een afzonderlijk bedrijf beschouwd.

5.   De lidstaten kunnen, waar dat passend is, besluiten de steun en/of bijstand aan de cedent toe te kennen. In dat geval:

a)

wordt geen steun of bijstand toegekend aan de overnemer;

b)

zorgen de lidstaten voor een overeenkomstige toepassing van de leden 2, 3 en 4.

Artikel 9

Kennisgevingen

1.   Voor alle regelingen inzake rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsmaatregelen, en regelingen voor technische bijstand en steun voor de wijnsector als bedoeld in de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 stellen de lidstaten de Commissie, uiterlijk op 15 juli van elk jaar, in kennis van de controlegegevens en controlestatistieken over het voorgaande kalenderjaar, en met name, van het volgende:

a)

gegevens over individuele begunstigden met betrekking tot steunaanvragen en betalingsaanvragen, arealen en dieren die zijn aangegeven en/of waarvoor steun en/of bijstand is aangevraagd, resultaten van de administratieve controles, controles ter plaatse en controles achteraf;

b)

indien van toepassing, de resultaten van de controles met betrekking tot de randvoorwaarden, met inbegrip van de toepasselijke verlagingen en uitsluitingen.

Deze kennisgeving geschiedt langs elektronische weg op basis van de door de Commissie ter beschikking gestelde technische specificaties voor het doorsturen van de controlegegevens en controlestatistieken.

2.   Uiterlijk op 15 juli 2015 zenden de lidstaten de Commissie een verslag toe over de mogelijkheden waarvoor is gekozen wat de controle op de naleving van de randvoorwaarden betreft en over de bevoegde controle-instanties welke voor die controles verantwoordelijk zijn. Latere wijzigingen met betrekking tot de informatie in dat verslag worden onverwijld meegedeeld.

3.   Uiterlijk op 15 juli van elk jaar zenden de lidstaten de Commissie een verslag toe over de maatregelen die zijn genomen met het oog op het beheer en de controle van de vrijwillige gekoppelde steun met betrekking tot het vorige kalenderjaar.

4.   De in het kader van het geïntegreerd systeem opgestelde computergegevens worden gebruikt ter ondersteuning van de in het kader van de sectorale regelgeving aan de Commissie toe te zenden informatie.

TITEL II

GEÏNTEGREERD BEHEERS- EN CONTROLESYSTEEM

HOOFDSTUK I

Algemene voorschriften

Artikel 10

Voorschotten voor rechtstreekse betalingen

De lidstaten kunnen aan begunstigden voorschotten voor rechtstreekse betalingen voor de steunaanvragen voor een bepaald jaar betalen zonder toepassing van het aanpassingspercentage voor financiële discipline als bedoeld in artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1307/2013. Bij de betaling van het saldo die vanaf 1 december aan de begunstigden wordt toegekend, wordt rekening gehouden met het aanpassingspercentage in het kader van de financiële discipline die op dat moment van toepassing is op het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen in het desbetreffende kalenderjaar.

HOOFDSTUK II

Steunaanvragen en betalingsaanvragen

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 11

Vereenvoudiging van procedures

1.   Tenzij in de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 of de onderhavige verordening anders is bepaald, kunnen de lidstaten toestaan of verlangen dat enigerlei mededelingen overeenkomstig de onderhavige verordening van de begunstigde aan de autoriteiten en omgekeerd worden gedaan met behulp van elektronische middelen, op voorwaarde dat dit niet tot discriminatie tussen begunstigden leidt en passende maatregelen worden genomen om met name te waarborgen dat:

a)

de begunstigde ondubbelzinnig wordt geïdentificeerd;

b)

de begunstigde aan alle in het kader van de betrokken regeling inzake rechtstreekse betalingen of de betrokken plattelandsontwikkelingsmaatregel gestelde eisen voldoet;

c)

de verzonden gegevens betrouwbaar zijn met het oog op een goed beheer van de betrokken regeling inzake rechtstreekse betalingen of de betrokken plattelandsontwikkelingsmaatregel. Wanneer wordt gebruikgemaakt van de gegevens in het in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 9, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 gedefinieerde geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren, biedt dat gegevensbestand de mate van zekerheid en implementatie die voor een goed beheer van de betrokken regeling inzake rechtstreekse betalingen of de betrokken plattelandsontwikkelingsmaatregel nodig is;

d)

indien begeleidende documenten niet langs elektronische weg kunnen worden verzonden, die documenten door de bevoegde autoriteiten worden ontvangen binnen dezelfde termijnen als die voor verzending zonder elektronische middelen.

2.   Wat de indiening van steunaanvragen of betalingsaanvragen betreft, kunnen de lidstaten onder de in lid 1 bepaalde voorwaarden voorzien in vereenvoudigde procedures voor het geval dat de autoriteiten reeds over bepaalde gegevens beschikken, en met name voor het geval dat de situatie niet is veranderd sinds de meest recente indiening van een steunaanvraag of betalingsaanvraag in het kader van de betrokken regeling inzake rechtstreekse betalingen of de betrokken plattelandsontwikkelingsmaatregel overeenkomstig artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013. De lidstaten kunnen besluiten gegevens uit gegevensbronnen van de nationale autoriteiten voor de steunaanvragen en betalingsaanvragen te gebruiken. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat die gegevensbronnen de mate van zekerheid bieden die voor een goed beheer van de gegevens nodig is teneinde de betrouwbaarheid, integriteit en veiligheid van die gegevens te waarborgen.

3.   Indien mogelijk, kan de bevoegde autoriteit de informatie die wordt verlangd in samen met de steunaanvraag of betalingsaanvraag in te dienen bewijsstukken, rechtstreeks bij de bron van de informatie inwinnen.

Artikel 12

Algemene bepalingen met betrekking tot de verzamelaanvraag en de indiening van bijstandsaanvragen in het kader van plattelandsontwikkelingsmaatregelen

1.   Wanneer lidstaten op grond van artikel 72, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bepalen dat de steunaanvragen voor rechtstreekse betalingen en betalingsaanvragen voor plattelandsontwikkelingsmaatregelen in de verzamelaanvraag worden opgenomen, dan zijn de artikelen 20, 21 en 22 van de onderhavige verordening van overeenkomstige toepassing op de bijzondere eisen die voor de steunaanvraag en/of betalingsaanvraag op grond van de betrokken regelingen of maatregelen zijn vastgesteld.

2.   Een begunstigde die steun en/of bijstand in het kader van een van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen of plattelandsontwikkelingsmaatregelen aanvraagt, mag slechts een verzamelaanvraag per jaar indienen.

3.   De lidstaten voorzien in passende procedures voor de indiening van bijstandsaanvragen in het kader van plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

Artikel 13

Uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag, steunaanvragen of betalingsaanvragen

1.   De lidstaten stellen de uiterste datums voor het indienen van de verzamelaanvraag, steunaanvragen of betalingsaanvragen vast. De uiterste datums zijn niet later dan 15 mei van elk jaar. Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden mogen echter een latere datum vaststellen die niet later is dan 15 juni.

Bij de vaststelling van de uiterste datums houden de lidstaten er rekening mee hoeveel tijd het kost voordat alle betrokken gegevens voor een behoorlijk administratief en financieel beheer van de steun en/of bijstand beschikbaar zijn, en zorgen zij ervoor dat doeltreffende controles kunnen worden geprogrammeerd.

2.   Overeenkomstig de in artikel 78, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde procedure mogen de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde uiterste datums op een latere datum worden vastgesteld in bepaalde zones die aan uitzonderlijke klimatologische onderhevig zijn.

Artikel 14

Inhoud van de verzamelaanvraag of betalingsaanvraag

1.   De verzamelaanvraag of betalingsaanvraag bevat alle informatie die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun en/of bijstand kan worden gemaakt, en met name:

a)

de identiteit van de begunstigde;

b)

details van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen en/of de plattelandsontwikkelingsmaatregelen in kwestie;

c)

ten behoeve van de basisbetalingsregeling, de identificatie van de betalingsrechten volgens het in artikel 7 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde identificatie- en registratiesysteem;

d)

de voor de ondubbelzinnige identificatie van alle landbouwpercelen van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, uitgedrukt in hectaren tot twee cijfers achter de komma, de ligging ervan en, indien nodig, nadere specificaties inzake het gebruik van de landbouwpercelen;

e)

in voorkomend geval, de gegevens die de ondubbelzinnige identificatie mogelijk maken van niet-landbouwgrond waarvoor bijstand in het kader van plattelandsontwikkelingsmaatregelen wordt aangevraagd;

f)

in voorkomend geval, de bewijsstukken die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun en/of bijstand uit hoofde van de betrokken regeling en/of maatregel kan worden gemaakt;

g)

een verklaring van de begunstigde dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die voor de betrokken regelingen inzake rechtstreekse betalingen en/of de betrokken plattelandsontwikkelingsmaatregelen gelden;

h)

in voorkomend geval, een vermelding van de begunstigde dat hij valt onder de in artikel 9, lid 2, eerste en tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lijst van niet-landbouwbedrijven of -activiteiten.

2.   Ten behoeve van de identificatie van de betalingsrechten als bedoeld in lid 1, onder c), wordt op de overeenkomstig artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan de begunstigden verstrekte vooraf opgestelde formulieren melding gemaakt van de identificatie van de betalingsrechten volgens het in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde identificatie- en registratiesysteem.

3.   Voor het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling kunnen de lidstaten afwijken van het onderhavige artikel en van artikel 17 van de onderhavige verordening wat de betalingsrechten betreft.

Artikel 15

Wijzigingen van de verzamelaanvraag of betalingsaanvraag

1.   Na de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag of betalingsaanvraag kunnen individuele landbouwpercelen of individuele betalingsrechten worden toegevoegd of aangepast in de verzamelaanvraag of betalingsaanvraag, op voorwaarde dat aan de eisen in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen of de plattelandsontwikkelingsmaatregelen in kwestie is voldaan.

Voor individuele landbouwpercelen of betalingsrechten die reeds in de verzamelaanvraag zijn aangegeven, mogen onder dezelfde voorwaarden wijzigingen met betrekking tot het grondgebruik of de regeling inzake rechtstreekse betalingen of de plattelandsontwikkelingsmaatregel worden aangebracht.

Indien de in de eerste en de tweede alinea bedoelde wijzigingen gevolgen hebben voor in te dienen bewijsstukken of contracten, mogen die bewijsstukken of contracten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

2.   Overeenkomstig lid 1 aangebrachte wijzigingen worden uiterlijk op 31 mei van het betrokken jaar schriftelijk meegedeeld aan de bevoegde autoriteit, behalve in het geval van Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden, waar zij uiterlijk op 15 juni van het betrokken jaar worden meegedeeld.

In afwijking van de eerste alinea mogen de lidstaten een vroegere uiterste datum voor de mededeling van wijzigingen vaststellen. Deze datum mag evenwel niet vroeger zijn dan 15 kalenderdagen na de overeenkomstig artikel 13, lid 1, vastgestelde uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag of betalingsaanvraag.

3.   Indien de bevoegde autoriteit de begunstigde reeds in kennis heeft gesteld van een geval van niet-naleving in de verzamelaanvraag of betalingsaanvraag of indien zij de begunstigde heeft geïnformeerd over haar voornemen een controle ter plaatse te verrichten of indien een controle ter plaatse niet-naleving aan het licht heeft gebracht, zijn wijzigingen als bedoeld in lid 1 niet toegestaan voor de landbouwpercelen waarop de niet-naleving betrekking heeft.

Artikel 16

Correctie van de vooraf opgestelde formulieren

Bij de indiening van het formulier van de verzamelaanvraag, steunaanvraag en/of betalingsaanvraag corrigeert de begunstigde het in artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde vooraf opgestelde formulier indien zich een wijziging, met name een overdracht van betalingsrechten overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, heeft voorgedaan, of indien bepaalde informatie op het vooraf opgestelde formulier onjuist is.

Afdeling 2

Steunaanvragen voor areaalgebonden steunregelingen en betalingsaanvragen voor areaalgebonden bijstandsmaatregelen

Artikel 17

Specifieke eisen met betrekking tot steunaanvragen voor areaalgebonden steunregelingen en betalingsaanvragen voor areaalgebonden bijstandsmaatregelen

1.   Ten behoeve van de identificatie van alle landbouwpercelen van het bedrijf en/of niet-landbouwgrond als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder d) en e), verstrekt de bevoegde autoriteit de begunstigde het vooraf opgestelde formulier en het bijbehorende grafische materiaal als bedoeld in artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 door middel van een GIS-gebaseerde interface, die de verwerking van de ruimtelijke en alfanumerieke gegevens van de aangegeven percelen mogelijk maakt (hierna „geospatiaal steunaanvraagformulier” genoemd).

2.   Lid 1 is:

a)

met ingang van het aanvraagjaar 2016 van toepassing op een aantal begunstigden dat overeenkomt met het aantal dat nodig is om ten minste 25 % van de totale oppervlakte te dekken die het voorgaande jaar voor de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling is vastgesteld;

b)

met ingang van het aanvraagjaar 2017 van toepassing op een aantal begunstigden dat overeenkomt met het aantal dat nodig is om ten minste 75 % van de totale oppervlakte te dekken die het voorgaande jaar voor de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling is vastgesteld;

c)

met ingang van het aanvraagjaar 2018 van toepassing op alle begunstigden.

3.   Wanneer de begunstigde niet in staat is om de steunaanvraag en/of betalingsaanvraag in te dienen aan de hand van het geospatiale steunaanvraagformulier, verstrekt de bevoegde autoriteit de begungstigde:

a)

hetzij de vereiste technische bijstand;

b)

hetzij de vooraf opgestelde formulieren en het bijbehorende grafische materiaal op papier. In dit geval brengt de bevoegde autoriteit de van de begunstigde ontvangen informatie over in het geospatiale steunaanvraagformulier.

4.   De aan de begunstigde verstrekte vooraf opgestelde formulieren specificeren het subsidiabele maximumareaal per referentieperceel overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a) en b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 en de oppervlakte die het voorgaande jaar per landbouwperceel is vastgesteld in het kader van de basisbetalingsregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling en/of de areaalgebonden plattelandsontwikkelingsmaatregel.

Het overeenkomstig artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan de begunstigde verstrekte grafische materiaal geeft de grenzen en de unieke identificatie van de referentiepercelen als bedoeld in artikel 5, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 en de grenzen van de landbouwpercelen die in het voorgaande jaar zijn vastgesteld aan teneinde de begunstigde in staat te stellen de omvang en ligging van elk landbouwperceel correct aan te geven. Met ingang van het aanvraagjaar 2016 geeft het ook het type, de omvang en de ligging van de in het voorgaande jaar vastgestelde ecologische aandachtsgebieden aan.

5.   De oppervlakte van elk landbouwperceel en, in voorkomend geval, het type, de omvang en de ligging van de ecologische aandachtsgebieden worden door de begunstigde ondubbelzinnig geïdentificeerd en opgegeven. Met betrekking tot de vergroeningsbetaling specificeert de begunstigde ook het gebruik van de aangegeven landbouwpercelen.

Hiertoe kan de begunstigde de reeds in het vooraf opgestelde formulier verstrekte informatie bevestigen. Wanneer de informatie over de oppervlakte, de ligging of de grens van het landbouwperceel of, in voorkomend geval, de omvang en ligging van de ecologische aandachtsgebieden onjuist of onvolledig is, corrigeert de begunstigde het vooraf opgestelde formulier of brengt hij er wijzigingen in aan.

Op basis van de door de begunstigden in het vooraf opgestelde formulier verstrekte correcties of aanvullingen beoordeelt de bevoegde autoriteit of een bijwerking van het corresponderende referentieperceel nodig is, gelet op artikel 5, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014.

6.   Wanneer de begunstigde gelijkwaardige praktijken overeenkomstig artikel 43, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verricht middels verbintenissen die zijn aangegaan overeenkomstig artikel 39, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (14) of artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, wordt de verbintenis vermeld in de steunaanvraag onder verwijzing naar de corresponderende betalingsaanvraag.

Wanneer de begunstigde gelijkwaardige praktijken verricht middels nationale of regionale milieucertificeringsregelingen overeenkomstig artikel 43, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zijn de leden 4 en 5 van het onderhavige artikel van overeenkomstige toepassing op het vooraf opgestelde formulier en de verklaring van de begunstigde.

Bij de regionale of collectieve tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en voor het deel van de verplichtingen inzake ecologische aandachtsgebieden waaraan de begunstigden individueel moeten voldoen, wordt door de aan die regionale of collectieve tenuitvoerlegging deelnemende begunstigden, voor elk landbouwperceel, het type, de omvang en de ligging van het ecologisch aandachtsgebied ondubbelzinnig geïdentificeerd en opgegeven overeenkomstig artikel 5 van het onderhavige artikel. In hun steunaanvraag of betalingsaanvraag verwijzen de begunstigden naar de verklaring van een regionale of collectieve tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 18 van de onderhavige verordening.

7.   Voor overeenkomstig artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voor de productie van hennep gebruikte arealen bevat de verzamelaanvraag:

a)

alle informatie die nodig is voor de identificatie van de met hennep ingezaaide percelen, met een opgave van de gebruikte henneprassen;

b)

een opgave van de gebruikte hoeveelheden zaaizaad (kilogram per hectare);

c)

de overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad (15), en met name artikel 12 daarvan, op de verpakking van het zaaizaad gebruikte officiële etiketten of andere door de betrokken lidstaat als gelijkwaardig erkende documenten.

In afwijking van lid 1, onder c), worden de etiketten, indien de inzaai na de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag plaatsvindt, uiterlijk op 30 juni ingediend. In het geval dat de etiketten ook bij andere nationale autoriteiten moeten worden ingediend, kunnen de lidstaten bepalen dat die etiketten aan de begunstigde worden teruggegeven nadat zij overeenkomstig dat punt zijn ingediend. Op de teruggegeven etiketten wordt vermeld dat zij voor een aanvraag zijn gebruikt.

8.   Voor de gewasspecifieke betaling voor katoen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bevat de verzamelaanvraag:

a)

de naam van het ras van het gebruikte katoenzaad;

b)

in voorkomend geval, de naam en het adres van de erkende brancheorganisatie waarvan de begunstigde lid is.

9.   Arealen die niet worden gebruikt voor de in de titels III, IV en V van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde steunregelingen of voor de steunmaatregelen in de wijnsector als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1308/2013 worden aangegeven in een of meer rubrieken „andere vormen van grondgebruik”.

Artikel 18

Verklaring van een regionale of collectieve tenuitvoerlegging

Voor elke regionale of collectieve tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, lid 5 of lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt een verklaring van een regionale of collectieve tenuitvoerlegging ingediend ter aanvulling van de steunaanvraag of betalingsaanvraag van elke deelnemende begunstigde.

De verklaring bevat alle nodige aanvullende informatie om de nakoming van de verplichtingen met betrekking tot de regionale of collectieve tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, lid 5 of lid 6, van die verordening te verifiëren, en met name:

a)

de unieke identificatie van elke deelnemende begunstigde;

b)

het minimumpercentage waaraan elke deelnemende begunstigde individueel moet voldoen als bedoeld in artikel 46, lid 6, tweede alinea, van die verordening;

c)

de totale oppervlakte van de aaneengesloten structuren van aangrenzende ecologische aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 46, lid 5, van die verordening of van het gemeenschappelijke ecologische aandachtsgebied als bedoeld in artikel 46, lid 6, van die verordening, ten aanzien waarvan verplichtingen collectief worden nagekomen;

d)

vooraf vastgesteld grafisch materiaal met de grenzen en de unieke identificatie van de referentiepercelen om de aaneengesloten structuren van aangrenzende ecologische aandachtsgebieden of het gemeenschappelijke ecologisch aandachtsgebied ondubbelzinnig te identificeren en de grenzen ervan aan te geven.

In het geval van regionale tenuitvoerlegging kan, mits het in artikel 46, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bedoelde uitgewerkte plan alle in de tweede alinea van dit artikel genoemde informatie bevat, de in de eerste alinea bedoelde verklaring worden vervangen door een verwijzing naar het plan.

In het geval van een collectieve tenuitvoerlegging wordt de in de eerste alinea bedoelde verklaring aangevuld met de in artikel 47, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bedoelde schriftelijke overeenkomst.

Artikel 19

Aanvragen met betrekking tot deelname aan en terugtrekking uit de regeling voor kleine landbouwers

1.   In 2015 ingediende aanvragen voor deelname aan de in artikel 62, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regeling voor kleine landbouwers bevatten een verwijzing naar de voor het aanvraagjaar 2015 door dezelfde begunstigde ingediende verzamelaanvraag en, in voorkomend geval, een verklaring van de begunstigde dat hij kennis heeft genomen van de in artikel 64 van die verordening vastgestelde bijzondere voorwaarden met betrekking tot de regeling voor kleine landbouwers.

De lidstaten kunnen besluiten dat de in de eerste alinea bedoelde aanvraag samen met of als onderdeel van de verzamelaanvraag moet worden ingediend.

2.   Met ingang van het aanvraagjaar 2016 voorzien de lidstaten in de vereenvoudigde aanvraagprocedure als bedoeld in artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

3.   De in de in lid 2 bedoelde aanvraagprocedure te gebruiken vooraf opgestelde formulieren berusten op de informatie die wordt verstrekt in de voor het aanvraagjaar 2015 ingediende verzamelaanvraag en bevatten met name:

a)

alle aanvullende informatie die nodig is om te voldoen aan artikel 64 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, in voorkomend geval, alle aanvullende informatie die nodig is om te bevestigen dat de begunstigde nog steeds voldoet aan artikel 9 van die verordening;

b)

een verklaring van de begunstigde dat hij op de hoogte is van de in artikel 64 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde bijzondere voorwaarden met betrekking tot de regeling voor kleine landbouwers.

Wanneer lidstaten opteren voor de in artikel 63, lid 2, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde betalingsmethode zonder de derde alinea daarvan toe te passen, worden de vooraf opgestelde formulieren, in afwijking van de eerste alinea van dit lid, verstrekt overeenkomstig afdeling 1 van dit hoofdstuk.

4.   Begunstigden die besluiten zich in een jaar na 2015 uit de regeling voor kleine landbouwers terug te trekken overeenkomstig artikel 62, lid 1, tweede alinea, of artikel 62, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, stellen de bevoegde autoriteit in kennis van hun terugtrekking op de door de lidstaat vastgestelde wijze.

Afdeling 3

Andere aanvragen

Artikel 20

Specifieke bepalingen inzake steunaanvragen

Een begunstigde die geen steun aanvraagt in het kader van een areaalgebonden steunregeling, maar steun aanvraagt in het kader van een andere in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde regeling of in het kader van een steunregeling in de wijnsector overeenkomstig de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 geeft, in het geval dat hij beschikt over landbouwgrond, de betrokken arealen aan in zijn steunaanvraagformulier overeenkomstig artikel 17 van de onderhavige verordening.

Een begunstigde voor wie alleen verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden gelden als bedoeld in de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 geeft in zijn steunaanvraagformulier de arealen aan waarover hij beschikt voor elk kalenderjaar waarin die verplichtingen gelden.

De lidstaten kunnen de begunstigden evenwel van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde verplichting vrijstellen indien de betrokken informatie aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar wordt gesteld in het kader van andere beheers- en controlesystemen die compatibiliteit met het geïntegreerd systeem als bedoeld in artikel 61 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 waarborgen.

Artikel 21

Eisen met betrekking tot de steunaanvraag voor vee en betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen

1.   Een steunaanvraag voor vee als bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 15, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 of een betalingsaanvraag in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 14, van die verordening bevat alle informatie die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun en/of bijstand kan worden gemaakt, en met name:

a)

de identiteit van de begunstigde;

b)

een verwijzing naar de verzamelaanvraag indien deze reeds is ingediend;

c)

het aantal dieren van elk type waarvoor een steunaanvraag voor vee of een betalingsaanvraag wordt ingediend en, voor runderen, hun identificatiecode;

d)

in voorkomend geval, de verbintenis van de begunstigde om de onder c) bedoelde dieren gedurende een door de lidstaat vastgestelde periode op zijn bedrijf te houden en een opgave van de plaats of plaatsen waar deze dieren zullen worden aangehouden, en van de betrokken periode;

e)

in voorkomend geval, de bewijsstukken die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun of bijstand uit hoofde van de betrokken regeling of maatregel kan worden gemaakt;

f)

een verklaring van de begunstigde dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die voor de betrokken steun en/of bijstand gelden.

2.   Elke houder van dieren heeft het recht om van de bevoegde autoriteit zonder beperkingen, met redelijke tussenpozen en binnen een niet al te lange termijn informatie te verkrijgen over de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren opgeslagen gegevens die betrekking hebben op hem en zijn dieren. Bij de indiening van zijn steunaanvraag voor vee of zijn betalingsaanvraag verklaart de begunstigde dat die gegevens juist en volledig zijn, dan wel corrigeert hij de onjuiste gegevens of vult hij de ontbrekende gegevens aan.

3.   De lidstaten kunnen besluiten dat sommige van de in lid 1 bedoelde gegevens niet in de steunaanvraag voor vee of de betalingsaanvraag hoeven te worden opgenomen indien zij reeds aan de bevoegde autoriteit zijn meegedeeld.

4.   De lidstaten kunnen procedures invoeren die het mogelijk maken de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren opgenomen gegevens te gebruiken ten behoeve van de steunaanvraag voor vee of de betalingsaanvraag, mits het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren de mate van zekerheid en implementatie biedt die voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen of bijstandsmaatregelen op het niveau van de individuele dieren nodig is.

De in de eerste alinea bedoelde procedures kunnen bestaan in een systeem waarbij een begunstigde steun en/of bijstand kan aanvragen voor alle dieren die op een door de lidstaat te bepalen datum of gedurende een door de lidstaat te bepalen periode op basis van de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren opgenomen gegevens voor steun en/of bijstand in aanmerking komen.

In dat geval nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te waarborgen dat:

a)

de in de tweede alinea bedoelde datum of periode duidelijk zijn aangegeven en aan de begunstigde zijn meegedeeld, overeenkomstig de voor de betrokken steunregelingen en/of bijstandsmaatregel geldende voorschriften;

b)

het de begunstigde bekend is dat alle potentieel subsidiabele dieren die niet correct geïdentificeerd of geregistreerd overeenkomstig de identificatie- en registratieregeling voor dieren blijken te zijn, worden beschouwd als in artikel 31 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 bedoelde dieren waarvoor een niet-naleving is geconstateerd.

5.   De lidstaten kunnen bepalen dat sommige van de in lid 1 bedoelde gegevens kunnen of moeten worden verstrekt via een instantie of instanties die door hen is of zijn erkend. De begunstige blijft evenwel verantwoordelijk voor de verstrekte gegevens.

Afdeling 4

Specifieke bepalingen inzake betalingsrechten

Artikel 22

Toewijzing of verhoging van de waarde van betalingsrechten

1.   Aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten of verhoging van de waarde van betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling overeenkomstig artikel 20, artikel 24, artikel 30, met uitzondering van lid 7, onder e), en artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden uiterlijk ingediend op een door de listaten vast te stellen datum. De vastgestelde datum is echter niet later dan 15 mei van het betrokken kalenderjaar.

Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden mogen echter een latere datum vaststellen die niet later is dan 15 juni van het betrokken kalenderjaar.

2.   De lidstaten kunnen bepalen dat de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten tegelijk met de steunaanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling wordt ingediend.

Artikel 23

Intrekking van ten onrechte toegewezen betalingsrechten

1.   Indien na de toewijzing van betalingsrechten aan de begunstigden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 blijkt dat het aantal toegewezen betalingsrechten te hoog was, vervalt het aantal te veel toegewezen betalingsrechten aan de in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde nationale reserve of regionale reserves.

Wanneer de in de eerste alinea bedoelde fout door de bevoegde autoriteit of door een andere autoriteit is gemaakt en de fout niet redelijkerwijs door de begunstigde had kunnen worden ontdekt, wordt de waarde van de resterende betalingsrechten welke aan die begunstigde zijn toegewezen, dienovereenkomstig aangepast.

Wanneer de begunstigde aan wie te veel betalingsrechten zijn toegekend inmiddels betalingsrechten aan andere begunstigden heeft overgedragen, geldt de in de eerste alinea bedoelde verplichting ook voor overnemers naar evenredigheid van het aantal betalingsrechten dat aan hen is overgdragen, indien de begunstigde aan wie de betalingsrechten aanvankelijk waren toegewezen niet over voldoende betalingsrechten beschikt om het aantal onterecht toegewezen betalingsrechten te compenseren.

2.   Indien na de toewijzing van betalingsrechten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 aan de begunstigden blijkt dat de door een begunstigde voor 2014 ontvangen betalingen als bedoeld in artikel 26, lid 2, eerste alinea, van die verordening, of de waarde van de betalingsrechten waarover de begunstigde op de datum van de indiening van zijn aanvraag voor 2014 beschikte als bedoeld in artikel 26, lid 3, eerste alinea, van die verordening, of de waarde per eenheid van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 26, lid 5, van die verordening, of de verhoging van de waarde per eenheid van betalingsrechten als bedoeld in artikel 30, lid 10, van die verordening, of de totale waarde van de steun die een begunstigde heeft ontvangen voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan de uitvoering van de basisbetalingsregeling als bedoeld in artikel 40, lid 3, eerste alinea van die verordening, te hoog waren, wordt de op de onjuiste grondslag gebaseerde waarde van die betalingsrechten voor de betrokken begunstigde dienovereenkomstig aangepast.

Deze aanpassing vindt ook plaats voor betalingsrechten die inmiddels aan andere begunstigden zijn overgedragen.

De waarde van de verlaging vervalt aan de in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde nationale reserve of regionale reserves.

3.   Indien na de toewijzing van betalingsrechten aan begunstigden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 blijkt dat zowel de in lid 1 als de in lid 2 bedoelde situatie op dezelfde begunstigde van toepassing waren, wordt de waarde van alle in lid 2 bedoelde betalingsrechten aangepast voordat de onterecht toegewezen betalingsrechten overeenkomstig lid 1 aan de nationale reserve of de regionale reserves vervallen.

4.   De overeenkomstig het onderhavige artikel vastgestelde aanpassingen van het aantal en/of de waarde van de betalingsrechten mogen niet leiden tot een systematische herberekening van de resterende betalingsrechten.

5.   De lidstaten kunnen besluiten de ten onrechte toegewezen betalingsrechten niet in te trekken indien de totale waarde van die betalingsrechten zoals vermeld in het elektronisch register voor de identificatie en de registratie van betalingsrechten op het tijdstip dat de verificaties met het oog op het aanbrengen van de overeenkomstig het onderhavige artikel vastgestelde aanpassingen plaatsvinden, niet meer dan 50 EUR bedragen voor een van de jaren waarin de basisbetalingsregeling overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt uitgevoerd.

Onverschuldigde bedragen die zijn betaald voor de aanvraagjaren vóór de aanpassingen worden teruggevorderd overeenkomstig artikel 7 van de onderhavige verordening. Bij het vaststellen van dergelijke onverschuldigde bedragen wordt rekening gehouden met het effect van de in het onderhavige artikel bedoelde aanpassingen op het aantal en, in voorkomend geval, de waarde van de betalingsrechten voor alle betrokken jaren.

TITEL III

CONTROLES

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 24

Algemene beginselen

1.   De in de onderhavige verordening vastgestelde administratieve controles en controles ter plaatse worden zo uitgevoerd dat een doeltreffende verificatie het volgende wordt gewaarborgd:

a)

de juistheid en volledigheid van de in de steunaanvraag, bijstandsaanvraag, betalingsaanvraag of andere verklaring verstrekte informatie;

b)

de naleving van alle subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen voor de betrokken steunregeling en/of bijstandsmaatregel, de voorwaarden voor de verlening van steun en/of bijstand of van een vrijstelling van verplichtingen;

c)

de in het kader van de randvoorwaarden relevante eisen en normen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de naleving van alle toepasselijke voorwaarden die in het recht van de Unie, in toepasselijk nationaal recht en in uitvoeringsregelingen of in het plattelandsontwikkelingsprogramma zijn vastgesteld, kunnen worden gecontroleerd aan de hand van een reeks door de lidstaten vast te stellen verifieerbare indicatoren.

3.   Op basis van de resultaten van de administratieve controles en controles ter plaatse worden beoordeeld of problemen die aan het licht zijn gekomen in het algemeen ook voor andere, vergelijkbare concrete acties en begunstigden of voor andere instanties een risico kunnen meebrengen. De beoordeling moet tevens duidelijkheid verschaffen over de oorzaken van dergelijke situaties, over eventueel vereist nader onderzoek en over de noodzakelijke corrigerende en preventieve maatregelen.

4.   De bevoegde autoriteit verricht fysieke veldinspecties ingeval foto-interpretatie van orthobeelden (satelliet- of luchtfotografie) geen resultaten opleveren die het mogelijk maken ten genoegen van de bevoegde autoriteit definitieve conclusies te trekken over de subsidiabiliteit of de correcte omvang van het areaal dat aan een administratieve controle of een controle ter plaatse is onderworpen.

5.   Dit hoofdstuk is van toepassing op alle in het kader van de onderhavige verordening verrichte controles en onverminderd de specifieke regels in de titels IV en V. Lid 3 is evenwel niet van toepassing op titel V.

Artikel 25

Aankondiging van controles ter plaatse

Controles ter plaatse mogen worden aangekondigd op voorwaarde dat het doel of de doeltreffendheid ervan daardoor niet in het gedrang komt. De periode tussen aankondiging en controle wordt strikt beperkt tot het noodzakelijke minimum en bedraagt niet meer dan 14 dagen.

Voor controles ter plaatse met betrekking tot steunaanvragen voor vee of betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen bedraagt de periode tussen aankondiging en controle evenwel, behalve in deugdelijk gemotiveerde gevallen, niet meer dan 48 uur. Voorts gelden in het geval dat de regelgeving inzake de besluiten en normen die relevant zijn voor de randvoorwaarden, voorschrijft dat controles ter plaatse onaangekondigd moeten worden uitgevoerd, die voorschriften ook in het geval van controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden.

Artikel 26

Tijdstip van de controles ter plaatse

1.   Indien passend worden de controles ter plaatse in het kader van de onderhavige verordening tegelijk met andere controles uit hoofde van het recht van de Unie verricht.

2.   Voor de toepassing van de onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen worden de controles ter plaatse over het jaar gespreid op basis van een analyse van de risico’s die de verschillende verbintenissen in het kader van elke maatregel voor plattelandsontwikkeling opleveren.

3.   Bij de controles ter plaatse wordt nagegaan of wordt voldaan aan alle subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen in het kader van de steunregelingen of bijstandsmaatregelen waarvoor een begunstigde is geselecteerd overeenkomstig artikel 34.

De duur van de controles ter plaatse wordt strikt beperkt tot het noodzakelijke minimum.

4.   Wanneer bepaalde subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen enkel tijdens een bepaalde periode kunnen worden gecontroleerd, kunnen voor de controles ter plaatse extra bezoeken op een later tijdstip nodig zijn. In een dergelijk geval worden de controles ter plaatse zo gecoördineerd dat het aantal en de duur van dergelijke bezoeken aan een begunstigde tot het vereiste minimimum worden beperkt. Waar passend kunnen dergelijke bezoeken ook worden uitgevoerd door middel van teledetectie overeenkomstig artikel 40.

Wannneer extra bezoeken in verband met als ecologisch aandachtsgebied aangegeven braakliggend land, akkerranden, bufferstroken, stroken subsidiabele hectaren langs bosranden, vanggewassen en/of plantendek vereist zijn, heeft 50 % van het aantal extra bezoeken betrekking op dezelfde, op basis van een risicoanalyse geselecteerde begunstigde, en de resterende 50 % op andere aanvullend geselecteerde begunstigden. Die andere begunstigden worden aselect gekozen uit alle begunstigden die braakliggend land, akkerranden, bufferstroken, stroken subsidiabele hectaren langs bosranden, vanggewassen en/of plantendek als ecologisch aandachtsgebied hebben aangegeven en zulke bezoeken kunnen worden beperkt tot de oppervlakten die als braakliggend land, akkerranden, bufferstroken, stroken subsidiabele hectaren langs bosranden, vanggewassen en/of plantendek zijn aangegeven.

Wanneer extra bezoeken vereist zijn, is artikel 25 van toepassing op elk extra bezoek.

Artikel 27

Uitwisseling van controleresultaten

In voorkomend geval houden administratieve controles en controles ter plaatse inzake subsidiabiliteit rekening met door andere instanties, diensten en organisaties gemelde vermoedelijke gevallen van niet-naleving.

De lidstaten zorgen ervoor dat alle bevindingen die worden gedaan in het kader van de controles op de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen in het kader van de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde regelingen en/of bijstand in het kader van onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen worden uitgewisseld met de betrokken bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de toekenning van de corresponderende betaling. De lidstaten zorgen er ook voor dat de in artikel 38 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bedoelde openbare of particuliere certificeringsinstanties de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de toekenning van de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in kennis stellen van elke bevinding die relevant is voor de correcte toekenning van een dergelijke betaling aan begunstigden die ervoor hebben geopteerd hun verplichtingen in het kader van de gelijkwaardigheid door certificering na te komen.

Wanneer de administratieve controles of controles ter plaatse met betrekking tot de onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen betrekking hebben op gelijkwaardige praktijken als bedoeld in artikel 43, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013,worden de resultaten van die controles uitgewisseld met het oog op de follow-up ervan in verband met de toekenning van de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken.

HOOFDSTUK II

Administratieve controles binnen het geïntegreerd systeem

Artikel 28

Administratieve controles

1.   De in artikel 74 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde administratieve controles, met inbegrip van kruiscontroles, maken de opsporing van niet-nalevingen, in het bijzonder de geautomatiseerde opsporing daarvan met behulp van computermiddelen, mogelijk. De controles omvatten alle elementen waarvoor het mogelijk en passend is deze met administratieve controles te controleren. Zij waarborgen dat:

a)

aan de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen in het kader van de steunregeling of bijstandsmaatregel is voldaan;

b)

er geen sprake is dubbele financiering middels andere regelingen van de Unie;

c)

de steunaanvraag of betalingsaanvraag volledig is en binnen de relevante termijn is ingediend en, in voorkomend geval, dat er bewijsstukken zijn ingediend waaruit blijkt dat er aanspraak op steun en/of bijstand kan worden gemaakt;

d)

in voorkomend geval, langetermijnverbintenissen worden nagekomen.

2.   Met betrekking tot steunregelingen voor dieren en diergebonden bijstandsmaatregelen kunnen de lidstaten, indien passend, bewijsstukken van andere diensten, instanties of organisaties gebruiken om de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen na te gaan, op voorwaarde dat de betrokken dienst, instantie of organisatie werkt volgens normen die toereikend zijn om de naleving daarvan te kunnen controleren.

Artikel 29

Kruiscontroles

1.   In voorkomend geval, omvatten de administratieve controles kruiscontroles:

a)

op de aangegeven betalingsrechten, respectievelijk de aangegeven landbouwpercelen om te voorkomen dat dezelfde steun of bijstand meer dan eenmaal voor hetzelfde kalenderjaar of aanvraagjaar wordt toegekend en dat steun die in het kader van de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 en bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (16) genoemde areaalgebonden steunregelingen wordt verleend, ten onrechte wordt gecumuleerd met bijstand die wordt verleend in het kader van areaalgebonden bijstandsmaatregelen als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 21, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014.

b)

met betrekking tot de betalingsrechten om na te gaan of deze bestaan en of is voldaan aan de voorwaarden om voor de betrokken steun in aanmerking te komen;

c)

door de in de verzamelaanvraag en/of betalingsaanvraag aangegeven landbouwpercelen te vergelijken met de informatie in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen per referentieperceel overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 om na te gaan of de arealen als zodanig in aanmerking komen voor de regeling inzake rechtstreekse betalingen en/of de plattelandsontwikkelingsmaatregel;

d)

door de betalingsrechten te vergelijken met de geconstateerde oppervlakte om na te gaan of de betalingsrechten gepaard gaan met ten minste een gelijk aantal subsidiabele hectaren als omschreven in artikel 32, leden 2 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

e)

met gebruikmaking van het systeem voor de identificatie en registratie van dieren om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden om voor de betrokken steun en/of bijstand in aanmerking te komen, en om te voorkomen dat dezelfde steun en/of bijstand meer dan eenmaal voor hetzelfde kalenderjaar of aanvraagjaar wordt toegekend;

f)

door de verklaring van de begunstigde in de verzamelaanvraag dat hij lid is van een erkende brancheorganisatie, te vergelijken met de in artikel 17, lid 8, van de onderhavige verordening bedoelde informatie en de door de betrokken erkende brancheorganisaties verstrekte informatie teneinde na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bepaalde verhoging van de steun;

g)

om de naleving van de criteria voor de erkenning van brancheorganisaties en de lijst van hun leden ten minste om de vijf jaar te controleren.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), worden, wanneer het geïntegreerd systeem voorziet in geospatiale steunaanvraagformulieren, de kruiscontroles verricht als een ruimtelijke intersectie van de aangegeven gedigitaliseerde oppervlakte met het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen. Voorts worden kruiscontroles verricht om dubbele aangifte van dezelfde oppervlakte te voorkomen.

2.   Uit de kruiscontroles voortvloeiende indicaties omtrent niet-naleving geven aanleiding tot een vervolgactie in de vorm van een andere passende administratieve procedure en, zo nodig, een controle ter plaatse.

3.   Indien een referentieperceel het voorwerp uitmaakt van een steunaanvraag en/of betalingsaanvraag door twee of meer begunstigden in het kader van dezelfde steunregeling of bijstandsmaatregel en wanneer de aangegeven landbouwpercelen elkaar ruimtelijk overlappen of wanneer de totale aangegeven oppervlakte het overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder a) en b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 vastgestelde subsidiabele maximumareaal overschrijdt met een verschil dat binnen de overeenkomstig artikel 38 van de onderhavige verordening met betrekking tot dat referentieperceel vastgestelde meettolerantie valt, kan de lidstaat besluiten tot een evenredige verlaging van de betrokken arealen, tenzij een begunstigde aantoont dat te zijnen nadele een van de andere betrokken begunstigden zijn arealen te hoog heeft aangegeven.

HOOFDSTUK III

Controles ter plaatse in het kader van het geïntegreerd systeem

Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 30

Controlepercentage voor andere areaalgebonden steunregelingen dan de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken

Voor andere areaalgebonden steunregelingen dan de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken overeenkomstig titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 (hierna „de vergroeningsbetaling” genoemd) betreft de steekproef voor controles ter plaatse die elk jaar worden uitgevoerd ten minste:

a)

5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. De lidstaten zorgen ervoor dat de steekproef voor controles ten minste 5 % van alle begunstigden bevat die voornamelijk landbouwarealen aangeven die bestaan uit op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat gehouden arealen, als bedoeld in artikel 10, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014;

b)

5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de herverdelingsbetaling overeenkomstig titel III, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

c)

5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen overeenkomstig titel III, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

d)

5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de betaling voor jonge landbouwers overeenkomstig titel III, hoofdstuk 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

e)

5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor areaalgebonden betalingen in het kader van vrijwillige gekoppelde steun overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

f)

5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de betaling in het kader van de regeling voor kleine landbouwers overeenkomstig titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

g)

30 % van de arealen aangegeven voor de productie van hennep overeenkomstig artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

h)

5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de gewasspecifieke betaling voor katoen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

Artikel 31

Controlepercentage voor de vergroeningsbetaling

1.   Voor de vergroeningsbetaling betreft de steekproef voor de controles ter plaatse die elk jaar worden uitgevoerd:

a)

5 % van alle begunstigden die de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken (hierna „de vergroeningspraktijken” genoemd) in acht moeten nemen en die geen deel uitmaken van de onder b) en c), bedoelde te controleren populaties (hierna „de voor vergroening te controleren populaties” genoemd). Deze steekproef omvat tegelijk ten minste 5 % van alle begunstigden met gebieden met ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in zones als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (17) of Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (18) en andere kwetsbare gebieden als bedoeld in artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

b)

3 % van:

i)

hetzij alle voor de vergroeningsbetaling in aanmerking komende begunstigden die zowel van de verplichtingen inzake gewasdiversificatie als van de verplichtingen inzake ecologische aandachtsgebieden zijn vrijgesteld doordat zij de in artikel 44 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde drempelwaarden niet halen, en die niet aan de in artikel 45 van die verordening bedoelde verplichtingen onderworpen zijn;

ii)

hetzij, in de jaren waarin artikel 44 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 niet van toepassing is in een lidstaat, de voor de vergroeningsbetaling in aanmerking komende begunstigden die zowel van de verplichtingen inzake gewasdiversificatie als van de verplichtingen inzake ecologische aandachtsgebieden zijn vrijgesteld doordat zij de in artikel 44 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde drempelwaarden niet halen, en die niet aan de in artikel 45, lid 1, van die verordening bedoelde verbintenissen onderworpen zijn;

c)

5 % van alle begunstigden die de vergroeningspraktijken in acht moeten nemen en gebruikmaken van nationale of regionale certificeringsregelingen als bedoeld in artikel 43, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

d)

5 % van alle begunstigden die deelnemen aan een regionale tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

e)

5 % van de collectieve tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

f)

100 % van de aaneengesloten structuren van aangrenzende ecologische aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 46, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014;

g)

100 % van de begunstigden die verplicht zijn tot heromzetting van land in blijvend grasland overeenkomstig artikel 42 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014;

h)

20 % van de begunstigden die verplicht zijn tot heromzetting van land in blijvend grasland overeenkomstig artikel 44, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014.

2.   Begunstigden die de vergroeningspraktijken in acht nemen in de vorm van gelijkwaardige praktijken overeenkomstig artikel 43, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 of die deelnemen aan de regeling voor kleine landbouwers overeenkomstig artikel 61 van die verordening of die voor het hele bedrijf voldoen aan de in artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (19) vastgestelde verplichtingen inzake biologische landbouw maken geen deel uit van de steekproef voor controles en tellen niet mee in de in het onderhavige artikel vastgestelde controlepercentages.

3.   Wanneer de ecologische aandachtsgebieden niet zijn geïdentificeerd in het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen als bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013, wordt het in lid 1, onder a), c) en e), vastgestelde controlepercentage aangevuld met 5 % van alle begunstigden van de respectieve steekproef voor controles die een ecologisch aandachtsgebied op hun landbouwareaal moeten hebben overeenkomstig artikel 43 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

De eerste alinea is echter niet van toepassing wanneer het beheers- en controlesysteem waarborgt dat alle ecologische aandachtsgebieden vóór betaling worden geïdentificeerd en, in voorkomend geval, worden opgenomen in het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014.

Artikel 32

Controlepercentage voor plattelandsontwikkelingsmaatregelen

1.   De steekproef voor de controles ter plaatse die elk jaar worden uitgevoerd betreft ten minste 5 % van alle begunstigden die een aanvraag indienen in het kader van een plattelandsontwikkelingsmaatregel. Voor de in artikel 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen bedraagt het controlepercentage van elke individuele maatregel ten minste 5 %.

Die steekproef vertegenwoordigt ook ten minste 5 % van de begunstigden van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 die gelijkwaardige praktijken als bedoeld in artikel 43, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen.

2.   In afwijking van lid 1 kan in het geval van groepen personen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, elk individueel lid van dergelijke groepen worden beschouwd als een begunstigde in het kader van de berekening van het in lid 1 vastgestelde controlepercentage.

3.   Met betrekking tot begunstigden van overeenkomstig artikel 21, lid 1, onder a), en de artikelen 28, 29 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 of artikel 36, onder a), iv) en v), onder b), i), iii) en v), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 verleende meerjarige steun en bijstand waarmee betalingen over een periode van meer dan vijf jaar zijn gemoeid, kunnen de lidstaten besluiten om na het vijfde betalingsjaar ten minste 2,5 % van de begunstigden te controleren.

De eerste alinea is van toepassing op bijstand die in het kader van artikel 28, lid 6, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt verleend na het vijfde jaar van de betaling voor de betrokken verbintenis.

4.   In het kader van lid 3 gecontroleerde begunstigden worden niet meegerekend voor de toepassing van lid 1.

Artikel 33

Controlepercentage voor steunregelingen voor dieren

1.   Voor steunregelingen voor dieren betreft de steekproef voor de controles ter plaatse die elk jaar worden verricht voor elk van de steunregelingen ten minste 5 % van alle begunstigden die een aanvraag in het kader van de betrokken steunregeling indienen.

Indien het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren echter niet de mate van zekerheid en implementatie biedt die nodig is voor een goed beheer van de betrokken steunregeling, dan wordt dit percentage voor de betrokken steunregeling verhoogd tot 10 %.

De geselecteerde steekproef voor controles betreft ten minste 5 % van alle dieren waarvoor steun wordt aangevraagd per steunregeling.

2.   In voorkomend geval betreft de steekproef voor de controles ter plaatse die elk jaar worden verricht 10 % van de andere diensten, instanties of organisaties die bewijsmateriaal leveren op basis waarvan wordt nagegaan of aan de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen als bedoeld in artikel 28, lid 2 is voldaan.

Artikel 34

Selectie van de steekproef voor controles

1.   Aanvragen of aanvragers die bij de indiening of na de administratieve controles niet ontvankelijk blijken of niet voor betaling in aanmerking blijken te komen, maken geen deel uit van de te controleren populatie.

2.   Voor de toepassing van de artikelen 30 en 31 wordt de steekproefselectie als volgt verricht:

a)

tussen 1 en 1,25 % van de begunstigden die een aanvraag indienen voor de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt aselect gekozen uit alle begunstigden die een aanvraag voor die regelingen indienen;

b)

tussen 1 en 1,25 % van de voor vergroening te controleren populatie wordt aselect gekozen uit alle begunstigden die zijn gekozen overeenkomstig het bepaalde onder a). Indien nodig om dat percentage te bereiken worden op aselecte wijze extra begunstigden gekozen uit de voor vergroening te controleren populatie;

c)

het resterende aantal begunstigden in de steekproef voor controles als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder a), wordt geselecteerd op basis van een risicoanalyse;

d)

alle overeenkomstig het bepaalde onder a), b) en c), van deze alinea geselecteerde begunstigden mogen worden beschouwd als een deel van de steekproeven voor controles waarin is voorzien bij artikel 30, onder b) tot en met e), g) en h). Waar nodig om de minimumpercentages te verrichten controles te bereiken, worden extra begunstigden op aselecte wijze gekozen uit hun respectieve te controleren populaties;

e)

alle overeenkomstig het bepaalde onder a) tot en met d), van deze alinea geselecteerde begunstigden mogen worden beschouwd als een deel van de steekproef voor controles waarin is voorzien bij artikel 30, onder a). Waar nodig om het minimumpercentage controles te halen, worden extra begunstigden op aselecte wijze gekozen uit alle begunstigden die een aanvraag voor de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 indienen;

f)

het minimum aantal begunstigden als bedoeld in artikel 30, onder f), wordt op aselecte wijze gekozen uit alle begunstigden die een aanvraag indienen voor de betaling in het kader van de regeling voor kleine landbouwers overeenkomstig titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

g)

het in artikel 31, lid 1, onder b), bedoelde minimum aantal begunstigden wordt op basis van een risicoanalyse geselecteerd uit alle voor de vergroeningsbetaling in aanmerking komende begunstigden die zowel van de verplichtingen inzake gewasdiversificatie als van de verplichtingen inzake ecologische aandachtsgebieden zijn vrijgesteld doordat zij de in artikel 44 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde drempelwaarden niet halen, en die niet aan de in artikel 45, lid 1, van die verordening bedoelde verplichtingen onderworpen zijn;

h)

tussen 20 en 25 % van het minimum aantal begunstigden als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder c), d) en h), wordt op aselecte wijze gekozen uit alle overeenkomstig het bepaalde onder b), van deze alinea geselecteerde begunstigden. Waar nodig om dat percentage te bereiken, worden extra begunstigden op aselecte wijze gekozen uit alle overeenkomstig het bepaalde onder a), van deze alinea geselecteerde begunstigden. Het resterende aantal begunstigden als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder c), d) en h), wordt op basis van een risicoanalyse geselecteerd uit alle overeenkomstig het bepaalde onder c), van deze alinea geselecteerde begunstigden. Waar nodig om de minimumpercentages te verrichten controles te bereiken, worden op basis van een risicoanalyse extra begunstigden geselecteerd uit hun respectieve te controleren populaties;

i)

tussen 20 en 25 % van het minimum aantal collectieve tenuitvoerleggingen als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder e), wordt op aselecte wijze gekozen uit alle collectieve tenuitvoerleggingen overeenkomstig artikel 46, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. Het resterende aantal collectieve tenuitvoerleggingen als bedoeld in artikel 31, lid 1, onder e), wordt op basis van een risicoanalyse geselecteerd.

De controle ter plaatse met betrekking tot de overeenkomstig het bepaalde onder d), e) en h), geselecteerde extra begunstigden alsook de overeenkomstig het bepaalde onder f) en g), geselecteerde begunstigden mag worden beperkt tot de steunregeling waarvoor zij zijn geselecteerd als het minimumpercentage te verrichten controles van de andere steunregelingen waarvoor zij een aanvraag hebben ingediend, al is bereikt.

De controle ter plaatse met betrekking tot de overeenkomstig artikel 31, lid 3, en overeenkomstig het bepaalde onder h) van de eerste alinea geselecteerde extra begunstigden mag worden beperkt tot de vergroeningspraktijken waarvoor zij zijn geselecteerd als de minimumpercentages te verrichten controles van de andere steunregelingen en vergroeningspraktijken die zij in acht moeten nemen, al zijn bereikt.

Voor de toepassing van artikel 31 waarborgen de lidstaten de representativiteit van de steekproef voor controles met betrekking tot de verschillende praktijken.

3.   Voor de toepassing van de artikelen 32 en 33 wordt eerst tussen 20 en 25 % van het minimum aantal ter plaatse te controleren begunstigden op aselecte wijze gekozen. Het resterende aantal ter plaatse te controleren begunstigden wordt op basis van een risicoanalyse geselecteerd.

Voor de toepassing van artikel 32 kunnen de lidstaten op grond van de risicoanalyse specifieke plattelandsontwikkelingsmaatregelen selecteren die voor de begunstigden gelden.

4.   Indien het aantal ter plaatse te controleren begunstigden groter is dan het in de artikelen 30 tot en met 33 genoemde minimum aantal begunstigen mag de extra steekproef voor ten hoogste 25 % uit op aselecte wijze gekozen begunstigden bestaan.

5.   Elk jaar wordt de doeltreffendheid van de risicoanalyse beoordeeld en de risicoanalyse zelf bijgewerkt door:

a)

de relevantie van elke risicofactor te bepalen;

b)

de resultaten van de op de risicoanalyse gebaseerde steekproef en die van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde op aselecte wijze gekozen steekproef met elkaar te vergelijken wat betreft het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte, of door de resultaten van de op de risicoanalyse gebaseerde steekproef en die van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde op aselecte wijze gekozen steekproef met elkaar te vergelijken wat betreft het verschil tussen het aangegeven aantal dieren en het geconstateerde aantal dieren;

c)

rekening te houden met de specifieke situatie en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van de relevantie van de risicofactoren in de lidstaat;

d)

rekening te houden met de aard van de niet-naleving die aanleiding geeft tot een verhoging van het te controleren percentage overeenkomstig artikel 35.

6.   De bevoegde autoriteit houdt bij waarom een begunstigde voor een controle ter plaatse is geselecteerd. De met de controle ter plaatse belaste inspecteur wordt vóór het begin van de controle ter plaatse over de desbetreffende redenen geïnformeerd.

7.   In voorkomend geval mag vóór de uiterste datum als bedoeld in artikel 13 op basis van de beschikbare informatie een gedeeltelijke selectie van de steekproef voor controles worden gemaakt. De voorlopige steekproef wordt aangevuld wanneer alle desbetreffende steunaanvragen of betalingsaanvragen beschikbaar zijn.

Artikel 35

Verhoging van het te controleren percentage

Indien controles ter plaatse een belangrijke niet-naleving in het kader van een bepaalde steunregeling of bijstandsmaatregel in een regio of deel van een regio aan het licht brengen, verhoogt de bevoegde autoriteit het percentage begunstigden bij wie het volgende jaar een controle ter plaatse moet worden verricht, op passende wijze.

Artikel 36

Verlaging van het te controleren percentage

1.   De in het onderhavige hoofdstuk vastgestelde controlepercentages mogen enkel worden verlaagd voor de in dit artikel bedoelde steunregelingen of bijstandsmaatregelen.

2.   In afwijking van artikel 30, onder a), b) en f), mogen de lidstaten, ten aanzien van de basisbetalingsregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling, de herverdelingsbetaling en de regeling voor kleine landbouwers, besluiten het minimumniveau van de controles ter plaatse die elk jaar worden uitgevoerd per regeling tot 3 % te verlagen.

De eerste alinea is enkel van toepassing indien er een systeem van ruimtelijke intersectie van alle steunaanvragen met het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen is overeenkomstig artikel 17, lid 2, en indien er kruiscontroles op alle steunaanvragen worden verricht om dubbele aangifte van hetzelfde areaal te voorkomen tijdens het jaar dat voorafgaat aan de toepassing van die alinea.

Voor de aanvraagjaren 2015 en 2016 bedraagt het foutenpercentage in de aselecte steekproef die ter plaatse is gecontroleerd niet meer dan 2 % in de twee voorgaande begrotingsjaren. Die foutenpercentages worden door de lidstaten overeenkomstig de op het niveau van de Unie opgestelde methodologie gecertificeerd.

3.   In afwijking van artikel 30, onder a), b), en f), mogen de lidstaten ten aanzien van de basisbetalingsregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling, de herverdelingsbetaling en de regeling voor kleine landbouwers besluiten de steekproef voor controles te verlagen tot de overeenkomstig artikel 34, lid 2, eerste alinea, onder a), geselecteerde steekproef, indien er controles worden verricht op basis van de orthobeelden die voor de actualisering van het in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde systeem voor de identificatie van landbouwpercelen worden gebruikt.

De eerste alinea is enkel van toepassing indien de lidstaten een systematische actualisering van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen verrichten en binnen een periode van ten hoogste drie jaar alle begunstigden in het gehele door dit systeem bestreken gebied controleren, waarbij de actualisering per jaar betrekking heeft op ten minste 25 % van de in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen geregistreerde subsidiabele hectaren. Dat minimale dekkingspercentage geldt evenwel niet voor lidstaten met minder dan 150 000 in het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen geregistreerde subsidiabele hectaren.

In de drie jaar voorafgaande aan de toepassing van de eerste alinea hebben de lidstaten het betrokken systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen volledig geactualiseerd.

De voor de actualisering gebruikte orthobeelden zijn op de datum van het gebruik ervan voor de actualisering van het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen niet ouder dan 15 maanden.

De kwaliteit van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen, zoals deze in de twee jaren vóór de toepassing van de eerste alinea is gebleken uit de overeenkomstig artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 verrichte beoordeling, is zodanig dat doeltreffend kan worden nagegaan of aan de voorwaarden voor de steunverlening wordt voldaan.

Het in de eerste alinea bedoelde besluit mag op nationaal of op regionaal niveau worden genomen. Voor de toepassing van deze alinea omvat een regio het gehele door een of meer autonome systemen voor de identificatie van de landbouwpercelen bestreken gebied.

Lid 2, derde alinea, is van overeenkomstige toepassing.

4.   In afwijking van artikel 32, lid 1, mogen de lidstaten besluiten het minimumniveau van de controles ter plaatse die elk kalenderjaar worden uitgevoerd te verlagen tot 3 % van de begunstigden die een aanvraag indienen in het kader van onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

De eerste alinea is echter niet van toepassing op begunstigden die gelijkwaardige praktijken toepassen als bedoeld in artikel 43, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

5.   De leden 2, 3 en 4 zijn enkel van toepassing indien is voldaan aan de algemene voorwaarden voor het verlagen van het overeenkomstig artikel 62, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 door de Commissie vastgestelde minimumniveau van de controles ter plaatse. Wanneer niet langer aan deze voorwaarden of aan de in de leden 2 of 3 van het onderhavige artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan, trekken de lidstaten onmiddellijk hun besluit om het minimumniveau van de controles ter plaatse te verlagen in en passen zij met ingang van het daaropvolgende aanvraagjaar het in artikel 30, onder a), b), en f), en/of artikel 32 vastgestelde minimumniveau van de controles ter plaatse toe voor de betrokken steunregelingen of bijstandsmaatregelen.

6.   In afwijking van artikel 30, onder g), kan, wanneer een lidstaat een systeem van voorafgaande vergunningen voor de teelt van hennep invoert, het minimumniveau van de controles ter plaatse worden verlaagd tot 20 % van de voor de productie van hennep als bedoeld in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 aangegeven arealen.

In dat geval stelt de lidstaat de Commissie in kennis van zijn nadere regels en voorwaarden met betrekking tot zijn systeem van voorafgaande vergunningen in het jaar vóór de toepassing van het verlaagde te controleren percentage. Elke wijziging van die nadere regels of voorwaarden wordt onverwijld aan de Commissie meegedeeld.

Afdeling 2

Controles ter plaatse inzake steunaanvragen in het kader van de areaalgebonden steunregelingen en betalingsaanvragen voor areaalgebonden bijstandsmaatregelen

Artikel 37

Onderdelen van de controles ter plaatse

1.   Controles ter plaatse betreffen alle landbouwpercelen waarvoor steun wordt aangevraagd in het kader van in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde regelingen en/of waarvoor bijstand wordt aangevraagd in het kader van onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

Met betrekking tot de controle van de in artikel 21, lid 1, onder a), en de artikelen 30 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde plattelandsontwikkelingsmaatregelen betreffen de controles ter plaatse ook alle niet-landbouwgrond waarvoor bijstand wordt aangevraagd.

Op basis van de controleresultaten beoordeelt de bevoegde autoriteit of een bijwerking van de corresponderende referentiepercelen nodig is, gelet op artikel 5, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014.

2.   De controles ter plaatse omvatten een oppervlaktemeting en een verificatie van de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen die betrekking hebben op het door de begunstigden in het kader van de in lid 1 bedoelde steunregelingen en/of bijstandsmaatregelen aangegeven areaal.

Voor begunstigden die rechtstreekse betalingen in het kader van de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde regelingen aanvragen en van wie de landbouwarealen voornamelijk bestaan uit op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat gehouden arealen, omvat de controle ter plaatse ook een verificatie van de op die arealen verrichte minimumactiviteit als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

3.   Controles ter plaatse met betrekking tot vergroeningspraktijken omvatten alle door de begunstigde na te komen verplichtingen. In voorkomend geval wordt ter plaatse ook gecontroleerd of de arealen vallen binnen de in de artikelen 44 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde drempelwaarden voor de vrijstelling van de praktijken. Dit lid is ook van toepassing op de met betrekking tot nationale of regionale milieucertificeringsregelingen als bedoeld in artikel 43, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 uitgevoerde controles ter plaatse.

Wanneer de controle ter plaatse betrekking heeft op een regionale tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, omvat deze ook een oppervlaktemeting en een verificatie van de inachtneming van de verplichtingen die door de lidstaten aan de begunstigden of groepen begunstigden zijn opgelegd.

Wanneer een controle ter plaatse betrekking heeft op een collectieve tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 betreft, omvat deze:

a)

een verificatie van de naleving van de overeenkomstig artikel 47, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 vastgestelde criteria om als bedrijven in elkaars onmiddellijke nabijheid te worden beschouwd;

b)

een oppervlaktemeting en een verificatie van de naleving van de criteria voor de aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden;

c)

in voorkomend geval, de door de lidstaat aan de begunstigden of groepen van begunstigden opgelegde aanvullende verplichtingen;

d)

de naleving van de individuele vergroeningsverplichtingen door de aan de collectieve tenuitvoerlegging deelnemende begunstigde.

Artikel 38

Oppervlaktemeting

1.   Alle landbouwpercelen worden aan subsidiabiliteitscontroles onderworpen, maar de daadwerkelijke oppervlaktemeting van het landbouwperceel in het kader van een controle ter plaatse kan worden beperkt tot een aselecte steekproef van ten minste 50 % van de landbouwpercelen waarvoor een steunaanvraag en/of betalingsaanvraag is ingediend in het kader van de areaalgebonden steunregelingen en/of plattelandsontwikkelingsmaatregelen. Wanneer bij deze steekproefcontrole een niet-naleving aan het licht komt, worden alle landbouwpercelen gemeten of worden de conclusies van de gemeten steekproef geëxtrapoleerd.

De eerste alinea geldt niet voor landbouwpercelen die moeten worden gecontroleerd in het kader van de toepassing van de voorschriften inzake ecologische aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

2.   De oppervlakte van de landbouwpercelen wordt gemeten met behulp van een middel dat, naar is aangetoond, een meting waarborgt van een kwaliteit die ten minste gelijkwaardig is aan die welke is voorgeschreven in geldende technische normen die zijn opgesteld op het niveau van de Unie.

3.   De bevoegde autoriteit mag gebruikmaken van teledetectie overeenkomstig artikel 40 en, indien mogelijk, van GNSS-technieken (Global Navigation Satellite System - wereldwijd satellietnavigatiesysteem).

4.   Er wordt een uniforme buffertolerantie voor alle met behulp van GNNS-technieken en/of orthobeelden verrichte oppervlaktemetingen vastgesteld. Hiertoe worden de gebruikte meetinstrumenten voor ten minste een valideringsklasse van de buffertolerantie onder de uniforme waarde gevalideerd. De uniforme tolerantiewaarde mag echter niet meer dan 1,25 m bedragen.

Voor elk landbouwperceel is de maximumtolerantie in absolute waarde niet groter dan 1,0 ha.

Voor de in artikel 21, lid 1, onder a), en de artikelen 30 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen mogen de lidstaten echter, voor zover het om bosgebied gaat, passende toleranties vaststellen, die in geen geval groter zijn dan tweemaal de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde tolerantie.

5.   Bij de meting kan de totale oppervlakte van een landbouwperceel in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat het volledig subsidiabel is. Is dit niet het geval, dan wordt de subsidiabele netto-oppervlakte in aanmerking genomen. Daartoe kan in voorkomend geval het pro-ratasysteem als bedoeld in artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 worden toegepast.

6.   Voor de berekening van het aandeel van de verschillende gewassen voor de gewasdiversificatie als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt het daadwerkelijk door een gewas ingenomen areaal overeenkomstig artikel 40, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 in aanmerking genomen voor de meting. Op arealen waarop een combinatieteelt wordt toegepast, wordt het totale areaal dat wordt ingenomen door een combinatieteelt overeenkomstig artikel 40, lid 3, eerste en tweede alinea, van die verordening of door een menggewas overeenkomstig artikel 40, lid 3, derde alinea, van die verordening in aanmerking genomen.

7.   Wanneer artikel 17, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 kan leiden tot een kunstmatige opsplitsing van de oppervlakte van aan elkaar grenzende landbouwpercelen met een homogene soort grondbedekking in afzonderlijke landbouwpercelen, wordt de meting van deze oppervlakte van aan elkaar grenzende landbouwpercelen met een homogene soort grondbedekking gecombineerd in een enkele meting van de betrokken percelen lanbouwgrond.

8.   In voorkomend geval worden op het landbouwperceel twee afzonderlijke metingen verricht, één op het landbouwperceel voor de toepassing van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en één op een ruimtelijk verschillend overlappend landbouwperceel, voor de toepassing van de overige areaalgebonden steunregelingen en/of plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

Artikel 39

Verificatie van de subsidiabiliteitsvoorwaarden

1.   Of de landbouwpercelen voor de steun in aanmerking komen, wordt geverifieerd met behulp van passende middelen. Die verificatie omvat in voorkomend geval ook een verificatie van het gewas. Daartoe worden zo nodig aanvullende bewijzen verlangd.

2.   Voor begraasbaar blijvend grasland dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken en waar gewassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen kan in voorkomend geval de verminderingscoëfficiënt van artikel 32, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden toegepast op de overeenkomstig artikel 38 van de onderhavige verordening gemeten subsidiabele oppervlakte. Wanneer een oppervlakte gezamenlijk wordt gebruikt, verdelen de bevoegde autoriteiten deze oppervlakte over de betrokken begunstigden in verhouding tot het gedeelte dat zij gebruiken of mogen gebruiken.

3.   Door de lidstaten als ecologisch aandachtsgebied opgegeven landschapselementen die op grond van de artikelen 9 en 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 niet tot het subsidiabele areaal behoren worden geverifieerd volgens dezelfde beginselen als die welke van toepassing zijn op het subsidiabele areaal.

4.   Indien de lidstaten in het kader van de controle van plattelandsontwikkelingsmaatregelen bepalen dat bepaalde onderdelen van een controle ter plaatse op basis van een steekproef mogen worden uitgevoerd, waarborgt die steekproef een controleniveau dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert. De lidstaten stellen de criteria voor de selectie van de steekproef vast. Indien de steekproefsgewijze controle een niet-naleving aan het licht brengt, worden de omvang en het bereik van de steekproef dienovereenkomstig uitgebreid.

Artikel 40

Controles door middel van teledetectie

Wanneer een lidstaat controles ter plaatse door middel van teledetectie verricht, doet de bevoegde autoriteit het volgende:

a)

zij verricht een foto-interpretatie van orthobeelden (satelliet- of luchtfotografie) van alle landbouwpercelen per steunaanvraag en/of betalingsaanvraag die moeten worden gecontroleerd met het doel de soorten grondbedekking, en in voorkomend geval de soort gewas, te herkennen en de oppervlakte te meten;

b)

zij verricht een fysieke veldinspectie van alle landbouwpercelen waarvoor op basis van de foto-interpretatie niet ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan worden geconcludeerd dat de aangifte juist is;

c)

zij verricht alle controles die nodig zijn om de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen te verifiëren die verband houden met de landbouwpercelen;

d)

zij neemt alternatieve maatregelen voor de oppervlaktemeting overeenkomstig artikel 38, lid 1, van percelen waarvoor geen beeldmateriaal beschikbaar is.

Artikel 41

Controleverslag

1.   Over elke controle ter plaatse die in het kader van deze afdeling wordt verricht, wordt een controleverslag opgesteld dat het mogelijk maakt de verrichte controle nader te onderzoeken en conclusies over de naleving van de subsidiabiliteitscriteria, de normen en andere verplichtingen te trekken. Dit verslag bevat met name de volgende informatie:

a)

de gecontroleerde steunregelingen of bijstandsmaatregelen en de gecontroleerde steunaanvragen of betalingsaanvragen;

b)

de aanwezige personen;

c)

de gecontroleerde landbouwpercelen, de gemeten landbouwpercelen, in voorkomend geval, met vermelding van het meetresultaat per perceel, en de gebruikte meettechnieken;

d)

in voorkomend geval, de resultaten van de meting van niet-landbouwgrond waarvoor steun in het kader van plattelandsontwikkelingsmaatregelen is aangevraagd en de gebruikte meetmethoden;

e)

of de begunstigde vooraf op de hoogte is gebracht van de controle en, zo ja, hoelang van tevoren;

f)

gegevens over eventuele specifieke controles die in het kader van afzonderlijke steunregelingen of bijstandsmaatregelen moeten worden verricht;

g)

gegevens over eventuele andere verrichte controles;

h)

gegevens over elke geconstateerde niet-naleving waarvoor wederzijdse kennisgeving met betrekking tot andere steunregelingen, bijstandsmaatregelen en/of de randvoorwaarden vereist kan zijn;

i)

gegevens over elke geconstateerde niet-naleving waarvoor een follow-up in de daaropvolgende jaren vereist kan zijn.

2.   De begunstigde wordt in de gelegenheid gesteld het verslag tijdens de controle te ondertekenen om zijn aanwezigheid bij de controle te bevestigen, en er opmerkingen aan toe te voegen. Wanneer de lidstaten gebruikmaken van een tijdens de controle met behulp van elektronische middelen opgesteld controleverslag, voorziet de bevoegde autoriteit in de mogelijkheid van een elektronische handtekening van de begunstigde of wordt het controleverslag onverwijld aan de begunstigde toegezonden om hem in de gelegenheid te stellen het verslag te ondertekenen en eventuele opmerkingen toe te voegen. Indien een niet-naleving wordt vastgesteld, ontvangt de begunstigde een kopie van het controleverslag.

De lidstaten kunnen besluiten dat de begunstigde in het geval van een controle ter plaatse door middel van teledetectie als bedoeld in artikel 40, niet in de gelegenheid wordt gesteld het controleverslag te ondertekenen indien de controle door middel van teledetectie geen niet-naleving aan het licht heeft gebracht. Indien als gevolg van een dergelijke controle een niet-naleving wordt ontdekt, wordt gelegenheid tot ondertekening van het verslag gegeven voordat de bevoegde autoriteit uit de bevindingen haar conclusies trekt over de eventueel daaruit voortvloeiende verlagingen, weigeringen, intrekkingen of sancties.

Afdeling 3

Controles ter plaatse van steunaanvragen voor vee en betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen

Artikel 42

Controles ter plaatse

1.   De controles ter plaatse omvatten een verificatie of aan alle subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen is voldaan en betreffen alle dieren waarvoor steunaanvragen of betalingsaanvragen zijn ingediend in het kader van de te controleren steunregelingen voor dieren of diergebonden bijstandsmaaatregelen.

Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 21, lid 1, onder d), een periode heeft vastgesteld, wordt voor de respectieve steunregeling voor dieren of diergebonden bijstandsmaatregelen ten minste 50 % van het in artikel 32 of 33 vastgestelde minimumpercentage controles ter plaatse gespreid over die periode.

Wanneer de lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 21, lid 3, geboden mogelijkheid worden ook de potentieel subsidiabele dieren als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 17), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 gecontroleerd.

De controles ter plaatse omvatten met name een controle om na te gaan of het aantal op het bedrijf aanwezige dieren waarvoor steunaanvragen en/of betalingsaanvragen zijn ingediend en, indien van toepassing, het aantal potentieel subsidiabele dieren overeenstemmen met het aantal in de registers ingeschreven dieren en met het aantal dieren dat aan het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren is gemeld.

2.   De controles ter plaatse omvatten ook controles:

a)

op de juistheid en coherentie van de inschrijvingen in het register en van de meldingen aan het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren op basis van een steekproef van bewijsstukken zoals aankoop- en verkoopfacturen, slachtverklaringen, veterinaire certificaten en, in voorkomend geval, dierpaspoorten of verplaatsingsdocumenten, ten aanzien van de dieren waarvoor steunaanvragen of betalingsaanvragen zijn ingediend in de zes maanden vóór de controle ter plaatse; worden echter anomalieën ontdekt, dan wordt de controle uitgebreid tot de periode van twaalf maanden vóór de controle ter plaatse;

b)

om na te gaan of alle op het bedrijf aanwezige runderen of schapen/geiten met oormerken zijn geïdentificeerd en, in voorkomend geval vergezeld gaan van dierpaspoorten of verplaatsingsdocumenten en of zij zijn ingeschreven in het register en naar behoren zijn gemeld aan het geautomatiseerde gegevensbestand voor dieren.

De in de eerste alinea, onder b), bedoelde controles mogen op basis van een aselecte steekproef worden verricht. Wanneer deze steekproefcontrole een niet-naleving aan het licht brengt, worden alle dieren gecontroleerd of worden de conclusies van de steekproef geëxtrapoleerd.

Artikel 43

Controleverslag over steunregelingen voor dieren en diergebonden bijstandsmaatregelen

1.   Over elke controle ter plaatse die in het kader van deze afdeling wordt verricht, wordt een controleverslag opgesteld dat een nader onderzoek van de verrichte controles mogelijk maakt. Dit verslag bevat met name de volgende informatie:

a)

de gecontroleerde steunregelingen voor dieren en/of diergebonden bijstandsmaatregelen en de gecontroleerde steunaanvragen voor vee en/of betalingsaanvragen;

b)

de aanwezige personen;

c)

het getelde aantal dieren van elke soort en, in voorkomend geval, de nummers van de oormerken, de gecontroleerde inschrijvingen in het register en in de geautomatiseerde gegevensbestanden voor dieren en de gecontroleerde bewijsstukken evenals het resultaat van de controles en, in voorkomend geval, de bijzondere opmerkingen betreffende individuele dieren en/of hun identificatiecode;

d)

of de begunstigde van het voorgenomen bezoek in kennis is gesteld en, zo ja, hoelang van tevoren. Met name wanneer de in artikel 25 bedoelde limiet van 48 uur wordt overschreden, wordt de reden daarvoor in het controleverslag vermeld;

e)

gegevens over eventuele specifieke controles die in het kader van steunregelingen voor dieren en/of diergebonden bijstandsmaatregelen moeten worden verricht;

f)

gegevens over eventuele andere te verrichten controles.

2.   De begunstigde wordt in de gelegenheid gesteld het verslag tijdens de controle te ondertekenen om zijn aanwezigheid bij de controle te bevestigen en er opmerkingen aan toe te voegen. Wanneer de lidstaten gebruikmaken van een tijdens de controle met behulp van elektronische middelen opgesteld controleverslag, voorziet de bevoegde autoriteit in de mogelijkheid van een elektronische handtekening van de begunstigde of wordt het controleverslag onverwijld aan de begunstigde toegezonden om hem de gelegenheid te geven het verslag te ondertekenen en eventuele opmerkingen toe te voegen. Indien een niet-naleving wordt vastgesteld, ontvangt de begunstigde een kopie van het controleverslag.

3.   Wanneer een lidstaat een controle ter plaatse op grond van de onderhavige verordening verricht samen met een controle op grond van Verordening (EG) nr. 1082/2003, wordt het controleverslag aangevuld met de verslagen overeenkomstig artikel 2, lid 5, van die verordening.

4.   Indien de overeenkomstig de onderhavige verordening verrichte controles ter plaatse niet-nalevingen van titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 of Verordening (EG) nr. 21/2004 aan het licht brengen, wordt onverwijld een kopie van het in het onderhavige artikel bedoelde controleverslag toegezonden aan de voor de toepassing van die verordeningen verantwoordelijke autoriteiten.

HOOFDSTUK IV

Specifieke regels

Artikel 44

Regels inzake controleresultaten met betrekking tot regionale of collectieve ecologische aandachtsgebieden

In het geval van regionale of collectieve tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 46, lid 5 of lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt de geconstateerde oppervlakte van de gemeenschappelijke aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden aan elke deelnemer toegewezen in verhouding tot zijn aandeel in de gemeenschappelijke ecologische aandachtsgebieden op basis van zijn verklaring uit hoofde van artikel 18 van deze verordening.

Voor de toepassing van artikel 26 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 op elke deelnemer aan een regionale of collectieve tenuitvoerlegging, is het geconstateerde ecologische aandachtsgebied de som van het toegewezen aandeel van de gemeenschappelijke ecologische aandachtsgebieden dat is vastgesteld als bedoeld in de eerste alinea van dit artikel en de met betrekking tot de individuele verplichting geconstateerde ecologische aandachtsgebieden.

Artikel 45

Controle op het gehalte aan tetrahydrocannabinol van geteelde hennep

1.   Voor de toepassing van artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zetten de lidstaten het in bijlage I bij de onderhavige verordening beschreven systeem voor de vaststelling van het gehalte aan tetrahydrocannabinol (hierna „THC” genoemd) van de geteelde gewassen op.

2.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat houdt de dossiers met de bevindingen inzake het THC-gehalte bij. Deze dossiers omvatten voor elk ras ten minste de gegevens inzake het tot op twee decimalen nauwkeurige, in procent uitgedrukte THC-gehalte van elk monster, de gebruikte procedure, het aantal uitgevoerde tests, een vermelding van het punt waar het monster is genomen en de op nationaal niveau getroffen maatregelen.

3.   Indien het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximale THC-gehalte, maken de lidstaten met betrekking tot dat ras in het volgende aanvraagjaar gebruik van de in bijlage I bij de onderhavige verordening opgenomen procedure B. Deze procedure wordt tevens gedurende de daaropvolgende aanvraagjaren gebruikt, tenzij bij alle analyses van het betrokken ras een THC-gehalte wordt geconstateerd dat lager ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximum.

Indien tijdens het tweede jaar het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximale THC-gehalte, stelt de lidstaat de Commissie in kennis van de machtiging om de handel in dit ras overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad (20) te verbieden. Deze kennisgeving wordt uiterlijk op 15 november van het betrokken aanvraagjaar toegezonden. Met ingang van het daaropvolgende aanvraagjaar komt het ras waarvoor een dergelijk verzoek is ingediend, niet in aanmerking voor rechtstreekse betalingen in de betrokken lidstaat.

4.   Hennep wordt gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder geteeld in normale groeiomstandigheden in overeenstemming met de plaatselijke gebruiken, zodat de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde controles kunnen worden verricht.

De lidstaat kan echter toestemming geven om hennep te oogsten na het begin van de bloei maar vóór het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei, mits de controleurs aangeven op welke representatieve delen van elk betrokken perceel het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld om volgens de in bijlage I vastgestelde methode te kunnen worden gecontroleerd.

5.   De in lid 3 bedoelde kennisgevingen worden gedaan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie (21).

TITEL IV

NIET-AREAALGEBONDEN EN NIET-DIERGEBONDEN PLATTELANDSONTWIKKELINGSMAATREGELEN

HOOFDSTUK I

Inleidende bepaling

Artikel 46

Toepassingsgebied

Deze titel is van toepassing op uitgaven in het kader van de maatregelen als bedoeld in de artikelen 14 tot en met 20, artikel 21, lid 1, met uitzondering van de jaarlijkse premies uit hoofde van de punten a) en b), artikel 27, artikel 28, lid 9, de artikelen 35 en 36 en artikel 51, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en artikel 20, artikel 36, onder a), vi), onder b), ii), vi) en vii), artikel 36, onder b), i) en iii), voor zover het de aanlegkosten betreft, en de artikelen 52 en 63 van Verordening (EG) nr. 1698/2005.

HOOFDSTUK II

Controles

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 47

Bijstandsaanvragen, betalingsaanvragen en andere verklaringen

1.   De lidstaten voorzien in passende procedures voor het indienen van bijstandsaanvragen, betalingsaanvragen en andere verklaringen met betrekking tot niet-areaalgebonden of niet-diergebonden plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

2.   Voor maatregelen uit hoofde van artikel 15, lid 1, onder b), artikel 16, lid 1, artikel 19, lid 1, onder c), en artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 dient de begunstigde een jaarlijkse betalingsaanvraag in.

Afdeling 2

Bepalingen inzake controles

Artikel 48

Administratieve controles

1.   Alle bijstandsaanvragen, betalingsaanvragen en andere verklaringen die een begunstigde of een derde moet indienen, worden onderworpen aan administratieve controles die alle elementen betreffen waarvoor het mogelijk en passend is deze met administratieve controles te controleren. De procedures schrijven voor dat de verrichte controlewerkzaamheden, de verificatieresultaten en de ten aanzien van afwijkingen genomen maatregelen moeten worden geregistreerd.

2.   De administratieve controles van bijstandsaanvragen waarborgen dat de concrete actie voldoet aan de toepasselijke verplichtingen die zijn vastgesteld in uniaal of nationaal recht of in het plattelandsontwikkelingsprogramma, met inbegrip van die inzake overheidsopdrachten, staatssteun en andere toepasselijke dwingende normen en eisen. De controles omvatten met name een verificatie van:

a)

de subsidiabiliteit van de begunstigde;

b)

de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen van de concrete actie waarvoor steun is aangevraagd;

c)

de naleving van de selectiecriteria;

d)

de subsidiabiliteit van de kosten van de concrete actie, met inbegrip van de inachtneming van de kostencategorie of de rekenmethode die moet worden gebruikt als de concrete actie of een deel ervan onder artikel 67, lid 1, onder b), c) en d), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 valt;

e)

voor de in artikel 67, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde kosten, met uitsluiting van bijdragen in natura en afschrijvingskosten, de redelijkheid van de ingediende kosten. De kosten worden geëvalueerd met behulp van een geschikt evaluatiesysteem op basis van elementen zoals referentiekosten, een vergelijking van verschillende offertes of een evaluatiecomité.

3.   De administratieve controles van betalingsaanvragen omvatten met name, en voor zover dat voor de betrokken aanvraag dienstig is, een verificatie van:

a)

de voltooide concrete actie vergeleken met de concrete actie waarvoor de bijstandsaanvraag was ingediend en de bijstand was toegekend;

b)

de gemaakte kosten en verrichte betalingen.

4.   De administratieve controles omvatten ook procedures ter voorkoming van een onregelmatige dubbele financiering waarbij ook in het kader van andere uniale of nationale regelingen of de vorige programmeringsperiode financiering wordt verkregen. Wanneer er ook sprake is van financiering uit andere bronnen, wordt er bij die controles op toegezien dat de in totaal ontvangen bijstand niet hoger is dan de toegestane maximumbedragen of maximale bijstandspercentages.

5.   Als onderdeel van de administratieve controles van investeringsacties wordt ten minste één bezoek gebracht aan de gesteunde concrete actie of de locatie van de investering om de uitvoering van de investering te controleren.

De bevoegde autoriteit kan echter om gegronde redenen besluiten om van een dergelijk bezoek af te zien, bijvoorbeeld omdat:

a)

de concrete actie al is opgenomen in de steekproef voor een overeenkomstig artikel 49 te verrichten controle ter plaatse;

b)

de bevoegde autoriteit de concrete actie in kwestie als een kleine investering beschouwt;

c)

de bevoegde autoriteit de kans dat niet aan de bijstandsvoorwaarden is voldaan of dat de investering niet is gedaan, gering acht.

Het in de tweede alinea bedoelde besluit en de motivering ervan worden geregistreerd.

Artikel 49

Controles ter plaatse

1.   De lidstaten organiseren controles ter plaatse van goedgekeurde concrete acties op basis van een passende steekproeftrekking. Deze controles worden voor zover mogelijk uitgevoerd vóór de eindbetaling voor een concrete actie.

2.   De controleurs die de controle ter plaatse verrichten, zijn niet betrokken bij administratieve controles van dezelfde concrete actie.

Artikel 50

Controlepercentage en steekproeftrekking voor controles ter plaatse

1.   De uitgaven waarop de controles ter plaatse betrekking hebben, bedragen ten minste 5 % van de in artikel 46 bedoelde uitgaven die uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden medegefinancierd en die het betaalorgaan elk kalenderjaar moet betalen.

Wanneer voor een ter plaatse gecontroleerde concrete actie een voorschot of tussentijdse betalingen zijn ontvangen, worden die betalingen in mindering gebracht op de ter plaatse gecontroleerde uitgaven als bedoeld in de eerste alinea.

2.   Enkel binnen het betrokken kalenderjaar uitgevoerde controles worden meegeteld voor het bereiken van het in lid 1 bedoelde minimumniveau.

Betalingsaanvragen die na de administratieve controles niet subsidiabel zijn bevonden, worden niet meegeteld voor het bereiken van het in lid 1 bedoelde minimumniveau.

3.   Enkel controles die aan alle vereisten van de artikelen 49 en 51 voldoen, worden meegeteld voor het bereiken van het in lid 1 bedoelde minimumniveau.

4.   Bij de trekking van de in het kader van lid 1 te controleren steekproef van goedgekeurde concrete acties wordt met name rekening gehouden met:

a)

de noodzaak een passende variatie naar soort en omvang van de concrete acties te controleren;

b)

de eventueel bij nationale of uniale controles geconstateerde risicofactoren;

c)

de bijdrage van de soort concrete actie aan het foutenrisico bij de uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma;

d)

de noodzaak van een evenwichtige spreiding over de maatregelen en soorten concrete acties;

e)

de noodzaak om tussen 30 % en 40 % van de uitgaven op aselecte wijze te kiezen.

5.   Wanneer de controles ter plaatse een belangrijke niet-naleving in de context van een bijstandsmaatregel of soort concrete actie aan het licht brengen, verhoogt de bevoegde autoriteit het controlepercentage voor de betrokken maatregel of soort concrete actie het volgende kalenderjaar tot een passend niveau.

6.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten besluiten om het minimumniveau van de controles ter plaatse die elk kalenderjaar worden uitgevoerd als bedoeld in lid 1 te beperken tot 3 % van het door het Elfpo medegefinancierde bedrag.

De lidstaten kunnen de eerste alinea enkel toepassen indien is voldaan aan de algemene voorwaarden voor het verlagen van het overeenkomstig artikel 62, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 door de Commissie vastgestelde minimumniveau van de controles ter plaatse.

Wanneer niet meer aan een van de in de tweede alinea bedoelde voorwaarden wordt voldaan, trekken de lidstaten onmiddellijk hun besluit om het minimumniveau van de controles ter plaatse te beperken in. Zij passen het in lid 1 bedoelde minimumniveau van de controles ter plaatse toe met ingang van het volgende kalenderjaar.

Artikel 51

Inhoud van de controles ter plaatse

1.   De controles ter plaatse omvatten een verificatie of de concrete actie is uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke regels en betreffen alle subsidiabiliteitscriteria, normen en andere verplichtingen met betrekking tot de voorwaarden voor de toekenning van bijstand die ten tijde van het bezoek kunnen worden gecontroleerd. Zij garanderen dat de concrete actie in aanmerking komt voor Elfpo-steun.

2.   Bij de controles ter plaatse wordt de juistheid van de door de begunstigde opgegeven gegevens geverifieerd door deze te toetsen aan achterliggende documenten.

Dit omvat een verificatie of de door de begunstigde ingediende betalingsaanvragen worden onderbouwd door boekhoudkundige of andere stukken, waarbij de juistheid van de gegevens in de betalingsaanvraag ook, indien nodig, aan de hand van gegevens of commerciële documenten die in het bezit zijn van derden wordt gecontroleerd.

3.   De controles ter plaatse omvatten een verificatie of het gebruik of beoogde gebruik van de concrete actie strookt met het gebruik dat in de bijstandsaanvraag is beschreven en waarvoor de bijstand is verleend.

4.   Behoudens uitzonderlijke omstandigheden die door de bevoegde autoriteiten naar behoren worden geregistreerd en toegelicht, wordt als onderdeel van de controles ter plaatse een bezoek gebracht aan de plaats waar een concrete actie wordt uitgevoerd of, indien de concrete actie van immateriële aard is, aan de initiatiefnemer van de concrete actie.

Artikel 52

Controles achteraf

1.   Investeringsacties worden achteraf gecontroleerd op de naleving van verbintenissen in het kader van artikel 71 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 of beschreven in het programma voor plattelandsontwikkeling.

2.   De controles achteraf betreffen voor elk kalenderjaar ten minste 1 % van de Elfpo-uitgaven voor concrete investeringsacties waarvoor de in lid 1 bedoelde verbintenissen nog gelden en waarvoor de eindbetaling uit het Elfpo is verricht. Alleen de controles die tot het eind van het kalenderjaar in kwestie zijn verricht, tellen mee.

3.   De overeenkomstig lid 1 te controleren steekproef van concrete acties wordt gebaseerd op een analyse van de risico’s en de financiële impact van de verschillende concrete acties, soorten concrete acties of maatregelen. Tussen 20 en 25 % de steekproef wordt op aselecte wijze gekozen.

Artikel 53

Controleverslag

1.   Over elke controle ter plaatse die in het kader van deze afdeling wordt verricht, wordt een controleverslag opgesteld dat een nader onderzoek van de verrichte controles mogelijk maakt. Dit verslag bevat met name de volgende informatie:

a)

de gecontroleerde maatregelen, aanvragen of betalingsaanvragen;

b)

de aanwezige personen;

c)

of de begunstigde van het voorgenomen bezoek in kennis is gesteld en, zo ja, hoelang van tevoren;

d)

de resultaten van de controles en eventuele bijzondere waarnemingen;

e)

eventuele verdere te verrichten controles.

2.   Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op controles achteraf in het kader van deze afdeling.

3.   De begunstigde wordt in de gelegenheid gesteld het verslag tijdens de controle te ondertekenen om zijn aanwezigheid bij de controle te bevestigen en er opmerkingen aan toe te voegen. Wanneer de lidstaten gebruikmaken van een tijdens de controle met behulp van elektronische middelen opgesteld controleverslag, voorziet de bevoegde autoriteit in de mogelijkheid van een elektronische handtekening van de begunstigde of wordt het controleverslag onverwijld aan de begunstigde toegezonden om hem de gelegenheid te geven het verslag te ondertekenen en eventuele opmerkingen toe te voegen. Indien een niet-naleving wordt vastgesteld, ontvangt de begunstigde een kopie van het controleverslag.

Afdeling 3

Bepalingen inzake controles voor specifieke maatregelen

Artikel 54

Acties inzake kennisoverdracht en voorlichting

De bevoegde autoriteit verifieert de nakoming van het vereiste dat organisaties die kennisoverdrachtsdiensten en voorlichtingsdiensten aanbieden, beschikken over de passende capaciteiten zoals voorgeschreven in artikel 14, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013. De bevoegde autoriteit verifieert de inhoud en de duur van de landbouw- en bosbouwuitwisselingsprogramma’s overeenkomstig artikel 14, lid 5, van die verordening. Deze verificaties worden uitgevoerd aan de hand van administratieve controles en steekproefsgewijze controles ter plaatse.

Artikel 55

Bedrijfsadviesdiensten, bedrijfsbeheersdiensten en bedrijfsverzorgingsdiensten

Voor de in artikel 15, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde concrete acties verifieert de bevoegde autoriteit nakoming van het vereiste dat de autoriteiten of de organisaties die worden geselecteerd om advies te verstrekken, beschikken over de passende middelen en dat de selectie volgens een aanbestedingsprocedure is verlopen zoals voorgeschreven in artikel 15, lid 3, van die verordening. Deze verificatie wordt uitgevoerd aan de hand van administratieve controles en steekproefsgewijze controles ter plaatse.

Artikel 56

Kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

Ten aanzien van de maatregel waarin artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voorziet, kunnen de bevoegde autoriteiten in voorkomend geval van andere diensten, instanties of organisaties ontvangen bewijsmateriaal gebruiken om na te gaan of de verplichtingen en subsidiabiliteitscriteria in acht zijn genomen. De bevoegde autoriteit vergewist zich ervan dat de dienst, instantie of organisatie werkt volgens normen waarmee afdoende kan worden gecontroleerd of de verplichtingen en subsidiabiliteitscriteria in acht zijn genomen. Daartoe verricht de bevoegde autoriteit administratieve controles en steekproefsgewijze controles ter plaatse.

Artikel 57

Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen

Voor de in artikel 19, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde concrete acties verifieert de bevoegde autoriteit aan de hand van administratieve controles en steekproefsgewijze controles ter plaatse de naleving van:

a)

het bedrijfsplan overeenkomstig artikel 19, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en artikel 8 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 808/2014 (22), van de Commissie, met inbegrip van in het geval van jonge landbouwers het vereiste dat zij voldoen aan de definitie van actieve landbouwer als bedoeld in artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

b)

de regel inzake de extra termijn voor het voldoen aan de voorwaarden op het gebied van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 (23) van de Commissie.

Artikel 58

Oprichting van producentengroeperingen en -organisaties

Ten aanzien van de maatregel waarin artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voorziet, erkennen de lidstaten de producentengroepering nadat zij zijn nagegaan of de groepering voldoet aan de criteria van lid 1 van dat artikel en aan de nationale regelgeving. Na de erkenning gaat de bevoegde autoriteit middels administratieve controles en ten minste eenmaal in de periode van vijf jaar middels een controle ter plaatse na of te allen tijde aan de erkenningscriteria en het bedrijfsplan overeenkomstig artikel 27, lid 2, van die verordening wordt voldaan.

Artikel 59

Risicobeheer

Wat de specifieke steun als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 betreft, verifieert de bevoegde autoriteit, middels administratieve controles en steekproefsgewijze controles ter plaatse met name:

a)

of de landbouwers voor steun in aanmerking kwamen overeenkomstig artikel 36, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

b)

bij het controleren van aanvragen voor betalingen door onderlinge fondsen als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 1305/2013, of de compensatie volledig is betaald aan de aangesloten landbouwers overeenkomstig artikel 36, lid 3, van die verordening.

Artikel 60

Leader

1.   De lidstaten leggen een passend systeem van toezicht op de plaatselijke groepen ten uitvoer.

2.   Voor de op grond van artikel 35, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 gedane uitgaven kunnen de lidstaten de in artikel 48 van de onderhavige verordening bedoelde administratieve controles bij formeel besluit delegeren aan plaatselijke groepen. De lidstaten blijven er echter verantwoordelijk voor dat wordt geverifieerd of deze plaatselijke groepen beschikken over de voor dat werk benodigde administratieve en controlecapaciteit.

In geval van de in de eerste alinea bedoelde delegatie voeren de bevoegde autoriteiten regelmatige controles van de plaatselijke groepen uit, met inbegrip van boekhoudkundige controles en het steekproefsgewijs nogmaals uitvoeren van administratieve controles.

Ook verrichten de bevoegde autoriteiten de in artikel 49 van deze verordening bedoelde controles ter plaatse. Ten aanzien van de steekproef voor controles voor uitgaven in verband met Leader geldt ten minste het in artikel 50 van deze verordening bedoelde percentage.

3.   Voor de op grond van artikel 35, lid 1, onder a), d) en e), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en artikel 35, lid 1, onder b) en c), van die verordening gedane uitgaven worden, wanneer de plaatselijke groep zelf de begunstigde van de bijstand is, de administratieve controles verricht door personen die onafhankelijk zijn van de betrokken plaatselijke groep.

Artikel 61

Rentesubsidies en subsidies voor garantievergoedingen

1.   Voor de op grond van artikel 69, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 gedane uitgaven hebben de administratieve controles en controles ter plaatse betrekking op de begunstigde en hangen deze af van de uitvoering van de betrokken concrete actie. Bij de risicoanalyse overeenkomstig artikel 50 van deze verordening wordt de betrokken concrete actie ten minste eenmaal en op basis van de contante waarde van de subsidie in aanmerking genomen.

2.   De bevoegde autoriteit zorgt er middels administratieve controles en zo nodig middels bezoeken op locatie aan de bemiddelende financiële instellingen en bij de begunstigde voor dat de betalingen aan de bemiddelende financiële instellingen in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Unie en met de overeenkomst tussen het betaalorgaan en de bemiddelende financiële instelling.

3.   Indien rentesubsidies of subsidies voor garantievergoedingen met financieringsinstrumenten worden gecombineerd in een enkele concrete actie waarmee dezelfde eindontvangers worden beoogd, verricht de bevoegde autoriteit slechts controles op het niveau van de eindontvangers in de in artikel 40, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde gevallen.

Artikel 62

Technische bijstand op initiatief van de lidstaten

Ten aanzien van de op grond van artikel 51, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 gedane uitgaven zijn de artikelen 48 tot en met 51 en artikel 53 van de onderhavige verordening van overeenkomstige toepassing.

In artikel 48 bedoelde administratieve controles en in artikel 49 bedoelde controles ter plaatse worden uitgevoerd door een entiteit die functioneel onafhankelijk is van de entiteit die de betaling van de technische bijstand autoriseert.

HOOFDSTUK III

Onverschuldigde betalingen en administratieve sancties

Artikel 63

Gedeeltelijke of volledige intrekking van de bijstand en administratieve sancties

1.   De betalingen worden berekend op basis van de tijdens de in artikel 48 bedoelde administratieve controles subsidiabel bevonden bedragen.

De bevoegde autoriteit onderzoekt de van de begunstigde ontvangen betalingsaanvraag en bepaalt de subsidiabele bedragen. Zij bepaalt:

a)

welk bedrag op basis van de betalingsaanvraag en het bijstandsbesluit aan de begunstigde moet worden betaald;

b)

welk bedrag na een onderzoek naar de subsidiabiliteit van de uitgaven in de betalingsaanvraag aan de begunstigde moet worden betaald.

Indien het overeenkomstig de tweede alinea, onder a), bepaalde bedrag meer dan 10 % hoger is dan het overeenkomstig die alinea, onder b), bepaalde bedrag, wordt op het overeenkomstig b) bepaalde bedrag een administratieve sanctie toegepast. Het bedrag van de sanctie is gelijk aan het verschil tussen die twee bedragen maar gaat niet verder dan de volledige intrekking van de bijstand.

Er worden echter geen sancties toegepast indien de begunstigde ten genoegen van de bevoegde autoriteit kan aantonen geen schuld te hebben aan de opneming van het niet-subsidiabele bedrag in de aanvraag of indien de bevoegde autoriteit anderszins van oordeel is dat de betrokken begunstigde geen schuld treft.

2.   De in lid 1 bedoelde administratieve sanctie is van overeenkomstige toepassing op niet-subsidiabele uitgaven die worden ontdekt tijdens de in artikel 49 bedoelde controles ter plaatse. In dat geval worden de cumulatieve uitgaven die voor de betrokken concrete actie zijn verricht, onderzocht. Dit doet geen afbreuk aan de resultaten van de vorige controles ter plaatse die op de betrokken concrete acties zijn verricht.

TITEL V

CONTROLESYSTEEM EN ADMINISTRATIEVE SANCTIES MET BETREKKING TOT DE RANDVOORWAARDEN

HOOFDSTUK I

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 64

Definities

Voor de toepassing van de technische specificaties die nodig zijn voor de toepassing van het controlesysteem en administratieve sancties met betrekking tot de randvoorwaarden, wordt verstaan onder:

a)   „gespecialiseerde controle-instanties”: de nationale bevoegde controleautoriteiten als bedoeld in artikel 67 van de onderhavige verordening, die verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de naleving van de in artikel 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde regels;

b)   „besluit”: elk van de afzonderlijke richtlijnen en verordeningen die zijn vermeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013;

c)   „jaar van de constatering van de niet-naleving”: het kalenderjaar waarin de administratieve controle of controle ter plaatse is verricht;

d)   „terreinen van de randvoorwaarden”: elk van de drie verschillende terreinen als bedoeld in artikel 93, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de instandhouding van blijvend grasland als bedoeld in artikel 93, lid 3, van die verordening.

HOOFDSTUK II

Controle

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 65

Controlesysteem voor de randvoorwaarden

1.   De lidstaten zetten een systeem op dat doeltreffende controle op de inachtneming van de randvoorwaarden garandeert. Dat systeem voorziet met name in:

a)

wanneer de bevoegde autoriteit niet het betaalorgaan is, het doorgeven van de nodige informatie over de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde begunstigden, door het betaalorgaan aan de gespecialiseerde controle-instanties en/of, voor zover van toepassing, via de coördinerende autoriteit;

b)

de methoden die moeten worden toegepast om de steekproeven voor controles te selecteren;

c)

aanwijzingen omtrent de aard en omvang van de te verrichten controles;

d)

controleverslagen waarin met name melding van elke ontdekte niet-naleving wordt gemaakt en de ernst, de omvang, het permanente karakter en de herhaling daarvan worden beoordeeld;

e)

wanneer de bevoegde controleautoriteit niet het betaalorgaan is, het doorgeven van de controleverslagen door de gespecialiseerde controle-instanties aan het betaalorgaan of aan de coördinerende autoriteit of aan beide;

f)

de toepassing van het stelsel van verlagingen en uitsluitingen door het betaalorgaan.

2.   De lidstaten kunnen voorzien in een procedure volgens welke de begunstigde aan het betaalorgaan de elementen meldt die nodig zijn om de voor hem geldende eisen en normen te bepalen.

Artikel 66

Uitbetaling van de steun in verband met controles op de naleving van de randvoorwaarden

Met betrekking tot controles op de naleving van de randvoorwaarden wordt, wanneer zulke controles niet kunnen worden afgerond vóór de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde betalingen en jaarlijkse premies door de betrokken begunstigde zijn ontvangen, het verschuldigde bedrag dat door de begunstigde moet worden betaald als gevolg van een administratieve sanctie, teruggevorderd overeenkomstig artikel 7 van deze verordening of door verrekening.

Artikel 67

Verantwoordelijkheid van de bevoegde controleautoriteit

1.   De verantwoordelijkheden van de bevoegde controleautoriteiten zijn als volgt:

a)

de gespecialiseerde controle-instanties zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de controles op de naleving van de betrokken eisen en normen;

b)

de betaalorganen zijn verantwoordelijk voor de vaststelling van administratieve sancties in individuele gevallen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 en hoofdstuk III van deze titel.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten besluiten dat de controles met betrekking tot alle of bepaalde eisen, normen, besluiten of terreinen van de randvoorwaarden door het betaalorgaan moeten worden uitgevoerd, mits de lidstaat garandeert dat de controles ten minste even doeltreffend zijn als bij uitvoering door een gespecialiseerde controle-instantie.

Afdeling 2

Controles ter plaatse

Artikel 68

Minimumpercentage controles

1.   De bevoegde controleautoriteit voert voor de eisen en normen waarvoor zij verantwoordelijk is, controles ter plaatse uit bij ten minste 1 % van het totale aantal in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde begunstigden die onder haar ressorteren.

In afwijking van de eerste alinea kan in het geval van groepen personen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, elk individueel lid van dergelijke groepen voor de berekening van de in de eerste alinea vastgestelde steekproef voor controles worden beschouwd als een begunstigde.

Het in de eerste alinea bedoelde minimumpercentage controles mag worden bereikt op het niveau van elke bevoegde controleautoriteit of op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen. Wanneer de controles niet door het betaalorgaan worden uitgevoerd, mag dat minimumpercentage evenwel worden bereikt op het niveau van elk betaalorgaan.

Indien in de voor het besluit of de normen geldende regelgeving reeds een minimumpercentage controles is vastgesteld, wordt in de betrokken gevallen dat percentage toegepast in plaats van het in de eerste alinea bedoelde minimumpercentage. Als andere mogelijkheid kunnen de lidstaten besluiten dat niet-nalevingen die bij controles ter plaatse op grond van de voor de besluiten en normen geldende regelgeving buiten de in de eerste alinea bedoelde steekproef worden ontdekt, worden gemeld aan de bevoegde controleautoriteit die verantwoordelijk is voor het betrokken besluit of de betrokken norm, en worden onderworpen aan een vervolgactie door die autoriteit. De bepalingen van dit hoofdstuk en van titel III, hoofdstukken I, II en III, zijn van toepassing.

Wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden in verband met Richtlijn 96/22/EG betreft, wordt met de toepassing van een specifiek steekproefniveau van de monitoringplannen geacht te zijn voldaan aan het vereiste van het in de eerste alinea bedoelde minimumpercentage.

2.   In afwijking van lid 1 mag de lidstaat, om het in dat lid bedoelde minimumpercentage controles op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen te bereiken:

a)

gebruikmaken van de resultaten van controles ter plaatse die uit hoofde van de voor deze besluiten en normen geldende regelgeving bij de geselecteerde begunstigden worden verricht, of

b)

geselecteerde begunstigden vervangen door begunstigden die ter plaatse worden gecontroleerd uit hoofde van de voor deze besluiten en normen geldende regelgeving, mits deze begunstigden begunstigden als bedoeld in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn.

In dergelijke gevallen omvatten de controles ter plaatse alle randvoorwaardenaspecten van de desbetreffende besluiten of normen. Voorts zorgt de lidstaat ervoor dat deze controles ter plaatse ten minste even effectief zijn als die van de bevoegde controleautoriteiten.

3.   Bij de vaststelling van het minimumpercentage controles als bedoeld in lid 1 van het onderhavige artikel, wordt geen rekening gehouden met de vereiste maatregelen als bedoeld in artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

4.   Indien de controles ter plaatse een belangrijke mate van niet-naleving van een bepaald besluit of een bepaalde norm aan het licht brengen, wordt het aantal in de volgende controleperiode voor dat besluit of die norm te verrichten controles ter plaatse verhoogd. Ten aanzien van een bepaald besluit kan de bevoegde controleautoriteit besluiten om die extra controles ter plaatse te beperken tot de eisen die het meest zijn overtreden.

5.   Wanneer een lidstaat besluit gebruik te maken van de optie waarin is voorzien in artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden op een steekproef van 20 % van die begunstigden de nodige maatregelen toegepast om te verifiëren of de begunstigden de betrokken situatie van niet-naleving hebben verholpen.

Artikel 69

Selectie van de steekproef voor controles

1.   De selectie van elk van de steekproeven met overeenkomstig artikel 68 te controleren landbouwbedrijven wordt naargelang van het geval gebaseerd op een risicoanalyse overeenkomstig de geldende regelgeving of op een aan de eisen of normen aangepaste risicoanalyse. Die risicoanalyse mag worden verricht op het niveau van de individuele landbouwbedrijven of op het niveau van categorieën landbouwbedrijven of geografische gebieden.

Bij de risicoanalyse mag rekening worden gehouden met één van of allebei de volgende omstandigheden:

a)

de deelneming door de begunstigde aan het krachtens artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 opgezette bedrijfsadviseringssysteem;

b)

de deelneming door de begunstigde aan een certificeringssysteem indien het betrokken systeem relevant is voor de betrokken eisen en normen.

Een lidstaat mag op basis van een risicoanalyse besluiten om begunstigden die deelnemen aan een in de tweede alinea, onder b), bedoeld certificeringssysteem, uit te sluiten van de op een risicoanalyse gebaseerde steekproef voor controles. Als het certificeringssysteem slechts een deel van de eisen en normen omvat die de begunstigde in het kader van de randvoorwaarden moet naleven, worden op de eisen en normen die niet onder het certificeringssysteem vallen, passende risicofactoren toegepast.

Als uit de analyse van de controleresultaten blijkt dat de eisen of normen in een in de tweede alinea, onder b), bedoeld certificeringssysteem met een significante regelmaat niet worden nageleefd, dan worden de risicofactoren voor de betrokken eisen of normen opnieuw beoordeeld.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op controles die worden uitgevoerd naar aanleiding van niet-nalevingen die op enige andere wijze onder de aandacht van de bevoegde controleautoriteit zijn gebracht. Het is echter wel van toepassing op controles die worden verricht als follow-up in het kader van artikel 97, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

3.   Om voor het element van representativiteit te zorgen, wordt tussen 20 % en 25 % van het in artikel 68, lid 1, eerste alinea, bedoelde minimum aantal begunstigden bij wie een controle ter plaatse moet worden verricht, aselect gekozen. Indien het aantal ter plaatse te controleren begunstigden groter is dan dat minimum aantal mag de extra steekproef voor ten hoogste 25 % uit op aselecte wijze gekozen begunstigden bestaan.

4.   Waar dat passend is, mag vóór het einde van de betrokken aanvraagperiode op basis van de beschikbare informatie een deel van de steekproef voor controles worden geselecteerd. De voorlopige steekproef wordt aangevuld wanneer alle desbetreffende aanvragen beschikbaar zijn.

5.   De steekproef met overeenkomstig artikel 68, lid 1, te controleren begunstigden mag worden geselecteerd uit de steekproeven met begunstigden die reeds overeenkomstig de artikelen 30 tot en met 34 zijn geselecteerd en voor wie de desbetreffende eisen of normen gelden. Deze mogelijkheid geldt echter niet voor de controle van begunstigden in het kader van de in de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde steunregelingen in de wijnsector.

6.   In afwijking van artikel 68, lid 1, mag een afzonderlijke steekproef van minimaal 1 % ter plaatse te controleren begunstigden worden geselecteerd uit elk van de volgende populaties begunstigden die overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan de verplichtingen inzake randvoorwaarden onderworpen zijn:

a)

begunstigden die rechtstreekse betalingen ontvangen in het kader van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

b)

begunstigden die steun in de wijnsector ontvangen in het kader van de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

c)

begunstigden die de jaarlijkse premies ontvangen in het kader van artikel 21, lid 1, onder a) en b), en de artikelen 28 tot en met 31, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

7.   Indien op basis van de op het niveau van de landbouwbedrijven verrichte risicoanalyse wordt geconcludeerd dat niet-begunstigden een groter risico opleveren dan de in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde begunstigden, dan mogen deze begunstigden worden vervangen door niet-begunstigden. In dat geval bereikt het totale aantal gecontroleerde landbouwers niettemin het in artikel 68, lid 1, van deze verordening bepaalde controlepercentage. Dergelijke vervangingen moeten naar behoren worden gemotiveerd en gedocumenteerd.

8.   De in de leden 5 en 6 beschreven procedures mogen worden gecombineerd wanneer een dergelijke combinatie het controlesysteem doeltreffender maakt.

Artikel 70

Constatering van de naleving van de eisen en normen

1.   Waar toepasselijk, wordt de naleving van de eisen en normen geconstateerd met behulp van de middelen die zijn bepaald in de voor de betrokken eis of norm geldende regelgeving.

2.   In andere gevallen wordt, waar dat passend is, voor de constatering elk door de bevoegde controleautoriteit bepaald geschikt middel gebruikt dat een precisie garandeert die ten minste overeenkomt met die welke volgens de nationale bepalingen voor officiële constateringen is vereist.

3.   Waar dat passend is, mogen voor de controles ter plaatse teledetectietechnieken worden toegepast.

Artikel 71

Onderdelen van de controles ter plaatse

1.   Bij de uitvoering van de controles op de in artikel 68, lid 1, bedoelde steekproef zorgt de bevoegde controleautoriteit ervoor dat alle geselecteerde begunstigden worden gecontroleerd ten aanzien van hun naleving van de eisen en normen die onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde controleautoriteit vallen.

Onverminderd de eerste alinea geldt dat, indien het minimumpercentage controles overeenkomstig artikel 68, lid 1, derde alinea, wordt bereikt op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen, de geselecteerde begunstigden worden gecontroleerd ten aanzien van hun naleving van het betrokken besluit, de betrokken norm of de betrokken groep besluiten of normen.

Wanneer een groep van personen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt geselecteerd in de in artikel 68, lid 1, van deze verordening bedoelde steekproef, waarborgt de bevoegde controleautoriteit dat alle leden van de groep worden gecontroleerd ten aanzien van hun naleving van de eisen of normen die onder hun verantwoordelijkheid vallen.

In het algemeen wordt elke voor een controle ter plaatse geselecteerde begunstige gecontroleerd op een tijdstip waarop de naleving van het merendeel van de eisen en normen waarvoor hij is geselecteerd, kan worden gecontroleerd. De lidstaten garanderen evenwel dat gedurende het jaar een passende mate van controle voor alle eisen en normen wordt gerealiseerd.

2.   De controles ter plaatse hebben, voor zover van toepassing, betrekking op alle landbouwgrond van het bedrijf. De feitelijke veldinspectie als onderdeel van een controle ter plaatse mag evenwel worden beperkt tot een steekproef die ten minste de helft omvat van de landbouwpercelen op het bedrijf waarvoor de eis of norm geldt, mits die steekproef ten aanzien van de eisen en normen een controleniveau garandeert dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert.

De eerste alinea doet geen afbreuk aan de berekening en de toepassing van de administratieve sanctie als bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 en in hoofdstuk III van deze titel. Indien de in de eerste alinea bedoelde steekproefsgewijze controle een niet-naleving aan het licht brengt, wordt de steekproef van landbouwpercelen die feitelijk worden geïnspecteerd, uitgebreid.

Voorts kan, indien dat in de voor het besluit of de normen geldende regelgeving zo is bepaald, de feitelijke inspectie inzake de naleving van de eisen en normen als onderdeel van een controle ter plaatse worden beperkt tot een representatieve steekproef uit de te controleren objecten. De lidstaten zorgen er echter voor dat de controles worden uitgevoerd voor alle eisen en normen waarvan de naleving op het tijdstip van het bezoek kan worden gecontroleerd.

3.   De in lid 1 bedoelde controles worden in de regel uitgevoerd als onderdeel van één controlebezoek. Ze bestaan uit een verificatie van de eisen en normen waarvan de naleving ten tijde