ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 183

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
24 juni 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2014 van de Raad van 23 juni 2014 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië

1

 

*

Verordening (EU) nr. 690/2014 van de Raad van 23 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 691/2014 van de Raad van 23 juni 2014 tot uitvoering van artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 224/2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

6

 

*

Verordening (EU) nr. 692/2014 van de Raad van 23 juni 2014 betreffende beperkingen op de invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol

9

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 693/2014 van de Raad van 223 juni 2014 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië

15

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 694/2014 van de Commissie van 17 december 2013 tot aanvulling van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen voor het vaststellen van de soorten beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen ( 1 )

18

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 695/2014 van de Commissie van 23 juni 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

21

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2014/78/EU van de Commissie van 17 juni 2014 tot wijziging van de bijlagen I, II, III, IV en V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

23

 

*

Richtlijn 2014/81/EU van de Commissie van 23 juni 2014 tot wijziging van aanhangsel C van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van speelgoed, wat bisfenol A betreft ( 1 )

49

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2014/380/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 tot wijziging van Besluit 2011/137/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië

52

 

*

Besluit 2014/381/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 houdende wijziging van Besluit 2010/573/GBVB inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië

56

 

*

Uitvoeringsbesluit 2014/382/GBVB van de Raad van 23juni 2014 tot uitvoering van Besluit 2013/798/GBVB betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

57

 

*

Besluit 2014/383/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Afghanistan

60

 

*

Besluit 2014/384/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 tot wijziging van Besluit 2011/426/GBVB houdende benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

65

 

*

Besluit 2014/385/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten

66

 

*

Besluit 2014/386/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 betreffende beperkingen van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol

70

 

*

Uitvoeringsbesluit 2014/387/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 tot uitvoering van Besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

72

 

 

2014/388/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van de lijst van regio's en gebieden die in aanmerking komen voor financiering uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling in het kader van de grensoverschrijdende en transnationale onderdelen van de doelstelling Europese territoriale samenwerking voor de periode 2014-2020 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 3898)

75

 

 

2014/389/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 23 juni 2014 over aanvullende historische luchtvaartemissies en aanvullende luchtvaartemissierechten teneinde rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie ( 1 )

135

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 689/2014 VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad van 2 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (1), en met name artikel 16, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 2 maart 2011 Verordening (EU) nr. 204/2011 vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 16, lid 6, van Verordening (EU) nr. 204/2011 heeft de Raad de lijst in bijlage III bij die verordening opnieuw bezien.

(3)

De informatie ter identificatie van één entiteit op de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 204/2011 dient te worden geactualiseerd.

(4)

In het geval van twee entiteiten zijn er niet langer redenen om deze te handhaven op de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 204/2011.

(5)

Bijlage III bij Verordening (EU) nr. 204/2011 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Verordening (EU) nr. 204/2011 wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 58 van 3.3.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Bijlage III bij Verordening (EU) nr. 204/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De vermelding voor de entiteit „Capitana Seas Limited” wordt vervangen door de volgende vermelding:

 

„Naam

Identificatiegegevens

Redenen

Datum van opname in de lijst

36.

Capitana Seas Limited

 

Op de Britse Maagdeneilanden als vennootschap opgerichte entiteit die eigendom is van Saadi Kadhafi

12.4.2011”

2)

De vermeldingen voor de volgende entiteiten worden geschrapt:

Libyan Holding Company for Development and Investment;

Dalia Advisory Limited (LIA sub).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/3


VERORDENING (EU) Nr. 690/2014 VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,

Gezien Besluit 2011/137/GBVB van de Raad van 28 februari 2011 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (1),

Gezien het gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad (2) geeft uitvoering aan de maatregelen die waren vastgesteld bij Besluit 2011/137/GBVB.

(2)

Op 19 maart 2014 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VN) Resolutie 2146 (2014) (UNSCR 2146 (2014)) aangenomen, waarbij een verbod wordt ingesteld op het laden, vervoeren of ontladen van ruwe olie die zonder medeweten van het contactpunt van de Libische regering illegaal uit Libië is uitgevoerd door vaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren en die zijn aangewezen door het Sanctiecomité („aangewezen vaartuigen”).

(3)

UNSCR 2146 (2014) vereist ook het treffen van maatregelen om te verhinderen dat aangewezen vaartuigen havens binnenkomen en dat bunker- of leveringsdiensten of andere diensten worden verleend aan aangewezen vaartuigen, indien de aanwijzing door het Sanctiecomité dit zo heeft bepaald.

(4)

Voorts verbiedt UNSCR 2146 (2014) financiële transacties in verband met ruwe olie die illegaal uit Libië is uitgevoerd aan boord van aangewezen vaartuigen, indien de aanwijzing door het Sanctiecomité dit zo heeft bepaald. Aangezien UNSCR 2146 (2014) echter in bepaalde gevallen toelaat dat aangewezen vaartuigen havens binnenkomen, kunnen havengelden, ook met betrekking tot ruwe olie aan boord van dergelijke vaartuigen, in die gevallen worden aanvaard.

(5)

Om praktische redenen is het wenselijk dat de Commissie wordt gemachtigd de lijst van aangewezen vaartuigen waarop die maatregelen van toepassing zijn, te wijzigen op grond van de wijzigingen van bijlage V bij Besluit 2011/137/GBVB en op basis van door het Sanctiecomité gemaakte overwegingen in het kader van punten 11 en 12 van UNSCR 2146 (2014).

(6)

Op 23 juni 2014 werd Besluit 2011/137/GBVB gewijzigd bij Besluit 2014/380/GBVB van de Raad (3), teneinde uitvoering te geven aan die maatregelen.

(7)

Verordening (EU) nr. 204/2011 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 204/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 worden de volgende punten toegevoegd:

„h)   „aangewezen vaartuigen”: vaartuigen die zijn aangewezen door het Sanctiecomité als bedoeld in punt 11 van Resolutie 2146 (2014) van de VN-Veiligheidsraad, als opgesomd in bijlage V bij deze verordening;

i)   „contactpunt van de regering van Libië”: het contactpunt dat is aangewezen door de regering van Libië en gemeld bij het Sanctiecomité overeenkomstig punt 3 van Resolutie 2146 (2014) van de VN-Veiligheidsraad.”.

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 10 ter

1.   Er geldt een verbod op het laden, vervoeren of ontladen van ruwe olie uit Libië op aangewezen vaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, tenzij de bevoegde autoriteit van die lidstaat na overleg met het contactpunt van de regering van Libië daartoe toestemming verleent.

2.   Het is verboden aangewezen vaartuigen toe te laten in of aangewezen vaartuigen toegang te verlenen tot havens op het grondgebied van de Unie, indien het Sanctiecomité dit zo heeft bepaald.

3.   De in lid 2 vervatte maatregel is niet van toepassing indien de toegang tot een haven op het grondgebied van de Unie noodzakelijk is voor een inspectie, vanwege een noodsituatie of wanneer het vaartuig terugkeert naar Libië.

4.   Er geldt, indien het Sanctiecomité dit zo heeft bepaald, een verbod op het verlenen door onderdanen van de lidstaten of vanuit het grondgebied van de lidstaten van bunker- of leveringsdiensten of van andere diensten aan aangewezen vaartuigen, met inbegrip van de voorziening van brandstof of andere benodigdheden.

5.   De in bijlage IV vastgestelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen vrijstellingen toestaan van de bij lid 4 ingestelde maatregel indien dit noodzakelijk is om humanitaire redenen of om veiligheidsredenen, of wanneer het vaartuig terugkeert naar Libië. Elke vergunning van die aard dient schriftelijk te worden gemeld bij het Sanctiecomité en de Commissie.

6.   Er geldt, indien het Sanctiecomité dit zo heeft bepaald, een verbod op financiële transacties in verband met ruwe olie aan boord van aangewezen vaartuigen, met inbegrip van de verkoop van de ruwe olie of het aanwenden van de ruwe olie als krediet, alsook het afsluiten van een verzekering voor het vervoer van de ruwe olie. Dit verbod is niet van toepassing op het aannemen van havengeld in de in lid 3 bedoelde gevallen.”.

3)

Artikel 15 wordt vervangen door:

„Artikel 15

De Commissie wordt gemachtigd:

a)

bijlage IV te wijzigen op basis van door de lidstaten verstrekte informatie;

b)

bijlage V te wijzigen op grond van de wijzigingen van bijlage V bij Besluit 2011/137/GBVB en op basis van door het Sanctiecomité gemaakte overwegingen in het kader van punten 11 en 12 van UNSCR 2146 (2014).”.

4)

Bijlage V wordt toegevoegd, als vastgesteld in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxembourg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 58 van 3.3.2011, blz. 53.

(2)  Verordening (EU) nr. 204/2011 van de Raad van 2 maart 2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB L 58 van 3.3.2011, blz. 1).

(3)  Besluit van de Raad 2014/380/GBVB van 23 juni 2014 tot wijziging van Besluit 2011/137/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (zie bladzijde 52 van dit Publicatieblad).


BIJLAGE

„BIJLAGE V

LIJST VAN IN ARTIKEL 1, ONDER h), EN ARTIKEL 10 ter BEDOELDE VAARTUIGEN EN TOEPASSELIJKE MAATREGELEN ALS BEPAALD DOOR HET SANCTIECOMITÉ”

 


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 691/2014 VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

tot uitvoering van artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 224/2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 224/2014 van de Raad van 10 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (1), en met name artikel 17, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 10 maart 2014 Verordening (EU) nr. 224/2014 vastgesteld.

(2)

Op 9 mei 2014 heeft het Sanctiecomité dat is ingesteld op grond van Resolutie 2127 (2013) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, drie personen toegevoegd aan de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan bij de punten 30 en 32 van Resolutie 2134 (2014) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties opgelegde maatregelen.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 224/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening genoemde personen worden toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 224/2014.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 70 van 11.3.2014, blz. 1.


BIJLAGE

Personen bedoeld in artikel 1

1.   FRANÇOIS YANGOUVONDA BOZIZÉ

FAMILIENAAM: BOZIZÉ

VOORNAAM: François Yangouvonda

ALIAS: Bozize Yangouvonda

GEBOORTEDATUM EN –PLAATS: 14 oktober 1946/Mouila, Gabon

PASPOORT/IDENTIFICATIEGEGEVENS: Zoon van Martine Kofio

BESCHRIJVING/MOTIVERING: Heeft deelgenomen of steun verleend aan activiteiten die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) ondermijnen: Sedert de staatsgreep van 24 maart 2013 levert Bozizé financiële en materiële steun aan milities die het transitieproces willen saboteren en hem weer aan de macht willen brengen. François Bozizé was, met zijn medestanders, instigator van de aanval van 5 december 2013 op Bangui. Na die operatie van de zogenoemde anti-balaka, waarbij 700 doden vielen, verslechterde de situatie in het land zienderogen. Sindsdien zet hij zijn destabilisatiepogingen voort en tracht hij de anti-balakamilities te verenigen, om de onrust in de hoofdstad te bestendigen. Bozizé heeft geprobeerd grote groepen Centraal-Afrikaanse strijdkrachten die zich na de staatsgreep op het platteland hadden verspreid, te reorganiseren. Gewapende aanhangers waren betrokken bij vergeldingsacties tegen de moslimbevolking in het land. Bozizé heeft zijn milities opgeroepen verder wreedheden te begaan tegen het huidige regime en tegen de islamisten.

2.   NOURREDINE ADAM

FAMILIENAAM: ADAM

VOORNAAM: Nourredine

ALIAS: Nourredine Adam; Nureldine Adam; Nourreldine Adam; Nourreddine Adam

GEBOORTEDATUM EN –PLAATS: 1970/Ndele, CAR

Andere geboortedata: 1969, 1971

PASPOORT/IDENTIFICATIEGEGEVENS:

 

BESCHRIJVING/MOTIVERING: Heeft deelgenomen of steun verleend aan activiteiten die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de CAR ondermijnen: Noureddine is een van de oorspronkelijke leiders van de Séléka. Hij wordt aangeduid als generaal en als leider van een van de gewapende rebellengroepen van de Séléka, de Central PJCC, een groep die formeel bekend staat als Convention of Patriots for Justice and Peace, ook wel afgekort tot CPJP. Als voormalig hoofd van de „fundamentalistische” fractie van de Convention of Patriots for Justice and Peace (CPJP/F) was hij militair coördinator van de ex-Séléka bij offensieven tijdens de opstand in de Centraal-Afrikaanse Republiek van begin december 2012 tot maart 2013. Zonder Noureddine was de Séléka wellicht nooit in staat geweest de vroegere president van de CAR, François Bozizé, van macht te beroven. Na de aanstelling van Catherine Samba-Panza tot interim-president op 20 januari 2014 werd hij een van de voornaamste architecten van de tactische terugtrekking van de Séléka op Sibut, waarbij hij het plan koestert in het noorden van het land een islamitisch bolwerk te vestigen. Hij had zijn troepen kennelijk aangespoord zich te verzetten tegen de bevelen van de overgangsregering en van de militaire aanvoerders van de internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van de Centraal-Afrikaanse Republiek onder Afrikaanse leiding (MISCA). Noureddine is metterdaad aanvoerder van ex-Séléka, de voormalige Séléka-strijdkrachten die in september 2013 door Djotodia werden ontbonden, hij dirigeert operaties tegen christelijke gebieden en blijft de ex-Séléka in de CAR leiden en steunen.

Was betrokken bij het plannen, bevelen en plegen van schendingen van het internationale recht inzake de mensenrechten of van het internationale humanitaire recht: Toen de Séléka op 24 maart 2013 Bangui had ingenomen, werd Nourredine Adam minister voor veiligheid, en vervolgens directeur-generaal van het „Speciaal comité voor de verdediging van de democratische verworvenheden” (Comité extraordinaire de défense des acquis démocratiques — CEDAD, een nu verdwenen inlichtingendienst van de CAR). Nourredine Adam gebruikte het CEDAD als zijn eigen politieke politie; deze heeft zich schuldig gemaakt aan talrijke willekeurige arrestaties, folteringen en standrechtelijke executies. Voorts is Nourredine een spilfiguur geweest bij de bloedige operatie in Boy Rabe. In augustus 2013 werd Boy Rabe, een buurt die als bastion van de aanhangers van François Bozizé en diens stam geldt, door Sélékatroepen bestormd. Naar verluidt vermoordden zij tientallen burgers en trokken zij plunderend door het gebied, onder het voorwendsel verborgen wapens te zoeken. Toen ook andere buurten werden overvallen, vluchtten duizenden bewoners naar de internationale luchthaven, die wegens de aanwezigheid van Franse soldaten als veilige zone werd beschouwd, en bezetten zij de startbaan.

Heeft gewapende groepen en criminele netwerken gesteund door illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen: Begin 2013 heeft Nourredine Adam een belangrijke rol gespeeld in de netwerken die de ex-Séléka financieren. Hij reisde naar Saudi-Arabië, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten om er fondsen voor de opstand te werven. Hij trad voor een Tsjadische bende op als facilitator bij een diamantzwendel tussen de Centraal-Afrikaanse Republiek en Tsjaad.

3.   LEVY YAKETE

FAMILIENAAM: YAKETE

VOORNAAM: Levy

ALIAS: Levi Yakite; Levy Yakite

GEBOORTEDATUM EN –PLAATS: 14 augustus 1964/Bangui, CAR

Andere geboortedatum: 1965

PASPOORT/IDENTIFICATIEGEGEVENS: Zoon van Pierre Yakété en Joséphine Yamazon.

BESCHRIJVING/MOTIVERING: Heeft deelgenomen of steun verleend aan activiteiten die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de CAR ondermijnen: Op 17 december 2013 werd Yakete politiek coördinator van de pas opgerichte „People's Resistance Movement for Reforming of the Central African Republic”, de zogenoemde anti-balaka. Hij had rechtstreeks de hand in beslissingen van een rebellengroep die betrokken was bij het ondermijnen van de vrede, de stabiliteit en de veiligheid in de CAR, in het bijzonder op en sinds 5 december 2013. Wegens dergelijke activiteiten is de groep bovendien uitdrukkelijk geviseerd in de VNVR-Resoluties 2127, 2134 en 2149. Yakete wordt ervan beschuldigd mensen te hebben laten arresteren die met de Séléka verbonden zijn, te hebben opgeroepen tot geweld jegens personen die president Bozizé niet steunen, en jongeren te ronselen voor milities die tegenstanders van het regime met machetes te lijf gaan. Na maart 2013 bleef hij behoren tot de entourage van François Bozizé en sloot hij zich aan bij het Front voor herstel van de constitutionele orde in Centraal-Afrika (Front pour le Retour à l'Ordre Constitutionnel en CentrAfrique — FROCCA), dat de afgezette president met alle nodige middelen weer aan de macht wilde brengen. In de late zomer van 2013 reisde hij naar Kameroen en Benin, om er te ronselen voor de strijd tegen de Séléka. In september 2013 trachtte hij de operaties onder leiding van Bozizé-aanhangers in steden en dorpen in de buurt van Bossangoa weer onder zijn commando te krijgen. Yakete wordt ervan verdacht jonge werkloze christenen met machetes te wapenen, voor aanvallen tegen moslims.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/9


VERORDENING (EU) Nr. 692/2014 VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

betreffende beperkingen op de invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,

Gezien Besluit 2014/386/GBVB van de Raad (1) betreffende beperkingen op goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol,

Gezien het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Tijdens zijn bijeenkomst van 20 en 21 maart 2014 heeft de Europese Raad de inlijving van de Autonome Republiek van de Krim („de Krim”) en de stad Sebastopol („Sebastopol”) bij de Russische Federatie krachtig veroordeeld en heeft hij benadrukt deze niet te zullen erkennen. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht de juridische gevolgen van die inlijving te evalueren en economische, handels- en financiële beperkingen ten aanzien van de Krim voor te stellen, die snel kunnen worden uitgevoerd.

(2)

In haar resolutie van 27 maart 2014 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties haar engagement bevestigd voor de soevereiniteit, de politieke onafhankelijkheid, de eenheid en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen; daarbij heeft zij de ongeldigheid van het op 16 maart in de Krim gehouden referendum onderstreept, en alle staten opgeroepen geen enkele wijziging in de status van de Krim en Sebastopol te erkennen.

(3)

Op 23 juni 2014 heeft de Raad Besluit 2014/386/GBVB betreffende beperkingen op goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol vastgesteld, en betreffende het rechtstreeks of onrechtstreeks verstrekken van financiering of verlenen van financiële bijstand, alsmede verzekeringen en herverzekeringen, in verband met de invoer van die goederen, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol. Om de gevolgen van dergelijke beperkende maatregelen voor marktdeelnemers zoveel mogelijk te beperken, moeten uitzonderingen en overgangsperioden worden voorzien met betrekking tot de handel in goederen en bijbehorende diensten waarvoor transacties op grond van een handelscontract of aanvullende contracten nodig zijn; daarvoor moet een aanmeldingsprocedure gelden.

(4)

Deze maatregelen vallen onder het toepassingsgebied van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en derhalve is, om ervoor te zorgen dat zij in alle lidstaten op eenvormige wijze worden toegepast, regelgeving op het niveau van de Unie noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen.

(5)

Om ervoor te zorgen dat de in dit besluit vastgestelde maatregelen hun doel bereiken, dient het in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening, wordt verstaan onder:

a)   „vordering”: elke voor of na 25 juni 2014 ingediende vordering, ook wanneer deze de vorm van een rechtsvordering heeft, die voortvloeit uit of verband houdt met de uitvoering van een contract of transactie, en in het bijzonder:

i)

een vordering tot nakoming van elke verplichting die voortvloeit uit of verband houdt met een contract of transactie;

ii)

een vordering tot verlenging of uitbetaling van financiële garanties of contragaranties, ongeacht de vorm;

iii)

een vordering tot schadeloosstelling in verband met een contract of een transactie;

iv)

een reconventionele vordering;

v)

een vordering, ook via een exequatur, waarmee wordt beoogd erkenning of uitvoering van een rechterlijke of arbitrale uitspraak of van een gelijkwaardige beslissing te verkrijgen, ongeacht de plaats van uitspraak;

b)   „contract of transactie”: elke verrichting, ongeacht de vorm en het recht dat erop van toepassing is, die een of meer contracten of soortgelijke verplichtingen tussen al dan niet dezelfde partijen omvat; in dit verband worden onder „contract” tevens begrepen alle — ook de uit juridisch oogpunt op zichzelf staande — met name financiële garanties of contragaranties en kredieten, alsmede alle uit een dergelijke transactie voortkomende of daarmee verband houdende bepalingen;

c)   „goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol”: goederen die geheel en al verkregen zijn in de Krim en in Sebastopol of die daar hun laatste ingrijpende be- of verwerking hebben ondergaan, overeenkomstig, mutatis mutandis, de artikelen 23 en 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2);

d)   „grondgebied van de Unie”: het grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, onder de in het Verdrag bepaalde voorwaarden, met inbegrip van hun luchtruim;

e)   „bevoegde autoriteiten”: de bevoegde autoriteiten van de lidstaten als aangegeven op de websites die zijn opgesomd in de bijlage.

Artikel 2

Er geldt een verbod op:

a)

de invoer in de Europese Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol;

b)

het rechtstreeks of onrechtstreeks verstrekken van financiering of verlenen van financiële bijstand, alsmede verzekeringen en herverzekeringen in verband met de invoer van de onder a) bedoelde goederen.

Artikel 3

De in artikel 2 genoemde verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op:

a)

de uitvoering, tot en met 26 september 2014, van handelscontracten die zijn gesloten vóór 25 juni 2014, of van aanvullende contracten die voor de uitvoering van die contracten noodzakelijk zijn, mits de natuurlijke personen of rechtspersonen, de entiteit of het lichaam die of dat het contract wil uitvoeren, de activiteit of transactie ten minste tien werkdagen van tevoren heeft aangemeld bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin ze gevestigd zijn;

b)

goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol die bij de Oekraïense instanties zijn ingediend ter inspectie, waarvan de naleving van de voorwaarden voor het verlenen van het recht op preferentiële oorsprong zijn gecontroleerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 374/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3) of overeenkomstig de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne.

Artikel 4

Het is verboden om bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de verbodsbepalingen in artikel 2 worden omzeild.

Artikel 5

Handelingen van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen geven geen aanleiding tot enigerlei aansprakelijkheid van de betrokkenen, indien zij niet wisten en geen gegronde reden hadden om te vermoeden dat hun handelingen een inbreuk zouden vormen op de bij deze verordening ingestelde maatregelen.

Artikel 6

1.   Vorderingen in verband met contracten of transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavige verordening zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, in het bijzonder een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:

a)

in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad opgenomen natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen;

b)

natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die handelen voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) bedoelde personen, entiteiten of lichamen;

c)

natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die volgens een arbitraal, rechterlijk of administratief besluit de verbodsbepalingen in deze verordening hebben overtreden;

d)

natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, indien de vordering betrekking heeft op goederen waarvan de invoer is verboden krachtens artikel 2.

2.   In de procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, wordt het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eisende natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of het eisende lichaam geleverd.

3.   Dit artikel geldt onverminderd het recht van de in lid 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van contractuele verplichtingen in overeenstemming met onderhavige verordening.

Artikel 7

1.   De Commissie en de lidstaten stellen elkaar in kennis van de maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen en verstrekken elkaar alle relevante informatie waarover zij beschikken in verband met deze verordening, met name informatie met betrekking tot schendingen en handhavingsproblemen en uitspraken van nationale rechtbanken.

2.   De lidstaten stellen elkaar en de Commissie onverwijld in kennis van alle andere relevante informatie waarover zij beschikken die van invloed kan zijn op de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze verordening.

Artikel 8

1.   De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de regels ten uitvoer worden gelegd. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld na de inwerkingtreding van de verordening in kennis van de in lid 1 bedoelde regels, en stellen haar in kennis van alle latere wijzigingen.

Artikel 9

1.   De lidstaten wijzen de in deze verordening bedoelde bevoegde autoriteiten aan en identificeren hen op de in de bijlage vermelde websites. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van elke wijziging van het adres van de in de bijlage genoemde websites.

2.   De lidstaten delen de Commissie na de inwerkingtreding van deze verordening onverwijld mee wie hun bevoegde autoriteiten zijn en hoe deze kunnen worden bereikt, en delen haar alle latere wijzigingen mee.

3.   Waar deze verordening een meldingsplicht vaststelt, of een verplichting de Commissie te informeren of op een andere wijze met haar te communiceren, wordt daartoe gebruikgemaakt van het adres en de andere contactgegevens die zijn vermeld in de bijlage.

Artikel 10

Deze verordening is van toepassing:

a)

op het grondgebied van de Unie, met inbegrip van haar luchtruim;

b)

aan boord van vlieg- en vaartuigen die onder de rechtsbevoegdheid van een lidstaat vallen;

c)

op alle zich op of buiten het grondgebied van de Unie bevindende personen die onderdaan van een lidstaat zijn;

d)

op alle volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersonen, entiteiten of lichamen, binnen of buiten het grondgebied van de Unie;

e)

op alle rechtspersonen, entiteiten of lichamen ten aanzien van alle geheel of gedeeltelijk binnen de Unie verrichte zakelijke transacties.

Artikel 11

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  Besluit 2014/386/GBVB van de Raad van 23 juni 2014 betreffende beperkingen van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (zie bladzijde 70 van dit Publicatieblad).

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(3)  PB L 118 van 22.4.2014, blz. 1.


BIJLAGE

Websites voor informatie over de bevoegde autoriteiten en adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie

 

BELGIË

http://www.diplomatie.be/eusanctions

 

BULGARIJE

http://www.mfa.bg/en/pages/135/index.html

 

TSJECHIË

http://www.mfcr.cz/mezinarodnisankce

 

DENEMARKEN

http://um.dk/da/politik-og-diplomati/retsorden/sanktioner/

 

DUITSLAND

http://www.bmwi.de/DE/Themen/Aussenwirtschaft/aussenwirtschaftsrecht,did=404888.html

 

ESTLAND

http://www.vm.ee/est/kat_622/

 

IERLAND

http://www.dfa.ie/home/index.aspx?id=28519

 

GRIEKENLAND

http://www.mfa.gr/en/foreign-policy/global-issues/international-sanctions.html

 

SPANJE

http://www.exteriores.gob.es/Portal/es/PoliticaExteriorCooperacion/GlobalizacionOportunidadesRiesgos/Documents/ORGANISMOS%20COMPETENTES%20SANCIONES%20INTERNACIONALES.pdf

 

FRANKRIJK

http://www.diplomatie.gouv.fr/autorites-sanctions/

 

KROATIË

http://www.mvep.hr/sankcije

 

ITALIË

http://www.esteri.it/MAE/IT/Politica_Europea/Deroghe.htm

 

CYPRUS

http://www.mfa.gov.cy/sanctions

 

LETLAND

http://www.mfa.gov.lv/en/security/4539

 

LITOUWEN

http://www.urm.lt/sanctions

 

LUXEMBURG

http://www.mae.lu/sanctions

 

HONGARIJE

http://www.kulugyminiszterium.hu/kum/hu/bal/Kulpolitikank/nemzetkozi_szankciok/

 

MALTA

http://www.doi.gov.mt/EN/bodies/boards/sanctions_monitoring.asp

 

NEDERLAND

www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/internationale-vrede-en-veiligheid/sancties

 

OOSTENRIJK

http://www.bmeia.gv.at/view.php3?f_id=12750&LNG=en&version=

 

POLEN

http://www.msz.gov.pl

 

PORTUGAL

http://www.portugal.gov.pt/pt/os-ministerios/ministerio-dos-negocios-estrangeiros/quero-saber-mais/sobre-o-ministerio/medidas-restritivas/medidas-restritivas.aspx

 

ROEMENIË

http://www.mae.ro/node/1548

 

SLOVENIË

http://www.mzz.gov.si/si/zunanja_politika_in_mednarodno_pravo/zunanja_politika/mednarodna_varnost/omejevalni_ukrepi/

 

SLOWAKIJE

http://www.mzv.sk/sk/europske_zalezitosti/europske_politiky-sankcie_eu

 

FINLAND

http://formin.finland.fi/kvyhteistyo/pakotteet

 

ZWEDEN

http://www.ud.se/sanktioner

 

VERENIGD KONINKRIJK

https://www.gov.uk/sanctions-embargoes-and-restrictions

Adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie:

Europese Commissie

Dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid (FPI)

EEAS 02/309

1049 Brussel

BELGIË

E-mail: relex-sanctions@ec.europa.eu


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 693/2014 VAN DE RAAD

van 223 juni 2014

tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (1), en met name artikel 32, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 januari 2012 heeft de Raad Verordening (EU) nr. 36/2012 vastgesteld.

(2)

De informatie met betrekking tot één persoon op de lijst in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 36/2012 moet worden geactualiseerd.

(3)

Gezien de ernst van de situatie, moeten er twaalf personen worden toegevoegd aan de lijst van de aan beperkende maatregelen onderworpen natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten of lichamen die in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 36/2012 zijn vermeld.

(4)

Bijlage II bij Verordening (EU) nr. 36/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EU) nr. 36/2012 wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 16 van 19.1.2012, blz. 1.


BIJLAGE

1.

De vermelding met betrekking tot hieronder genoemde persoon in afdeling A van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 36/2012 wordt vervangen door de volgende vermelding:

 

Naam

Identificatiegegevens

Motivering

Datum van opneming op de lijst

„152.

Dr. Qadri (

Image

) (ook bekend als Kadri) Jamil (

Image

) (ook bekend als Jameel)

 

Voormalig viceminister-president voor Economische Zaken, voormalig minister van Binnenlandse Handel en Consumentenbescherming. Is als voormalig minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

16.10.2012”

2.

De volgende personen worden toegevoegd aan de lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten of lichamen die in afdeling A van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 36/2012 zijn vermeld:

 

Naam

Identificatiegegevens

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

180.

Ahmad al-Qadri

Geboortedatum: 1956

Minister van Landbouw en Landbouwhervorming. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

181.

Suleiman AlAbbas

 

Minister van Olie en Minerale Grondstoffen. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

182.

Kamal Eddin Tu'ma

Geboortedatum: 1959

Minister van Industrie. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

183.

Kinda al-Shammat

(alias Shmat)

Geboortedatum: 1973

Minister van Sociale Zaken. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

184.

Hassan Hijazi

Geboortedatum: 1964

Minister van Arbeid. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

185.

Ismael Ismael

(alias Ismail Ismail, of Isma'Il Isma'il)

Geboortedatum: 1955

Minister van Financiën. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

186.

Dr Khodr Orfali

(alias Khud/Khudr Urfali/Orphaly)

Geboortedatum: 1956

Minister van Economie en Buitenlandse Handel. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

187.

Samir Izzat Qadi Amin

Geboortedatum: 1966

Minister van Binnenlandse Handel en Consumentenbescherming. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

188.

Bishr Riyad Yazigi

Geboortedatum: 1972

Minister van Toerisme. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

189.

Dr Malek Ali

(alias Malik)

Geboortedatum: 1956

Minister van Hoger Onderwijs. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

190.

Hussein Arnous

(alias Arnus)

Geboortedatum: 1953

Minister van Openbare Werken. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

191.

Dr Hassib Elias Shammas

(alias Hasib)

Geboortedatum: 1957

Viceminister. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/18


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 694/2014 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2013

tot aanvulling van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen voor het vaststellen van de soorten beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (1), en met name artikel 4, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is van belang dat de in Richtlijn 2011/61/EU vervatte regels worden aangevuld met technische reguleringsnormen voor het vaststellen van de soorten beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi's) opdat bepaalde voorschriften van de richtlijn op eenvormige wijze op abi-beheerders worden toegepast.

(2)

Het is wenselijk een onderscheid te maken tussen situaties waarin een abi-beheerder het beheer voert over abi's van het open-end-type, van het closed-end-type of van beide types om de regels inzake liquiditeitsbeheer en de waarderingsprocedures van Richtlijn 2011/61/EU correct op abi-beheerders te kunnen toepassen.

(3)

De onderscheidende factor om uit te maken of een abi-beheerder het beheer voert over abi's van het open-end-type of van het closed-end-type, dient te zijn dat een abi van het open-end-type haar aandelen of rechten van deelneming bij haar beleggers inkoopt of aan haar beleggers terugbetaalt op verzoek van haar aandeelhouders of deelnemers voordat haar liquidatiefase aanvangt, en dat dit plaatsvindt volgens de procedures en frequentie die in haar reglement of statuten, haar prospectus of haar aanbiedingsdocumenten zijn vastgelegd. Een vermindering van het kapitaal van de abi als gevolg van uitkeringen volgens het reglement of de statuten, het prospectus of de aanbiedingsdocumenten van de abi, met inbegrip van een vermindering die bij een overeenkomstig dit reglement of deze statuten, dit prospectus of deze aanbiedingsdocumenten van de abi aangenomen resolutie van de aandeelhouders of deelnemers is toegestaan, mag niet in aanmerking worden genomen om vast te stellen of een abi al dan niet van het open-end-type is.

(4)

De relevante inkopen of terugbetalingen om vast te stellen of een abi-beheerder het beheer over abi's van het open-end-type of van het closed-end-type voert, zijn alleen die welke met de activa van de abi worden verricht. Voor het vaststellen of de abi al dan niet van het open-end-type is, mag derhalve geen rekening worden gehouden met het feit of de aandelen of rechten van deelneming van de abi op de secundaire markt kunnen worden verhandeld en niet door de abi worden ingekocht of terugbetaald.

(5)

Een abi-beheerder die tegelijkertijd één of meer abi's van het open-end-type en één of meer abi's van het closed-end-type beheert, dient op elke abi de specifieke regels toe te passen die op het betrokken type abi betrekking hebben.

(6)

Elke wijziging in het terugbetalingsbeleid van een abi die inhoudt dat de abi niet langer als een abi van het open-end-type of als een abi van het closed-end-type kan worden beschouwd, moet ertoe leiden dat de abi-beheerder niet langer de regels met betrekking tot het oude terugbetalingsbeleid van de door hem beheerde abi toepast, maar de regels gaat toepassen die op het nieuwe terugbetalingsbeleid van deze abi betrekking hebben.

(7)

Voor de toepassing van artikel 61, leden 3 en 4, van Richtlijn 2011/61/EU dient rekening te worden gehouden met de juridische structuren van de abi's van het closed-end-type die vóór 22 juli 2013 zijn opgericht. Ten tijde van de vaststelling van de richtlijn was er in de Unie geen geharmoniseerde definitie van de juridische structuur van abi's van het closed-end-type voorhanden en deze structuur liep dan ook uiteen van lidstaat tot lidstaat. Dit gegeven komt tot uiting in de tekst van de richtlijn, waarin bepaalde bestaande juridische structuren waarbij gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van de oorspronkelijke belegging geen terugbetalingsrechten kunnen worden uitgeoefend, als abi's van het closed-end-type worden aangemerkt. Artikel 61, leden 3 en 4, van Richtlijn 2011/61/EU voorzien in overgangsperioden gedurende dewelke bestaande abi-beheerders die het beheer voeren over abi's van het closed-end-type die in een gevorderd of eindstadium van hun beleggingscyclus verkeren, zoals blijkt uit hun vervaldatum of uit hun onvermogen om na 22 juli 2013 bijkomende beleggingen te doen, deze abi's voort mogen blijven beheren zonder over een vergunning te beschikken of zonder aan een groot deel van de richtlijn te hoeven voldoen. Om geen afbreuk te doen aan de in het licht van deze doelstelling en van de bovenbeschreven achtergrond bedoelde draagwijdte van die bepalingen, moet voor de toepassing van artikel 61, leden 3 en 4, van Richtlijn 2011/61/EU bijgevolg ook elke abi-beheerder die het beheer voert over abi's waarvan de aandelen of rechten van deelneming worden ingekocht of terugbetaald na een beginperiode van vijf jaar gedurende dewelke geen terugbetalingsrechten kunnen worden uitgeoefend, als een beheerder van een abi van het closed-end-type worden beschouwd.

(8)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA, European Securities and Markets Authority) bij de Commissie heeft ingediend.

(9)

De ESMA heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte Stakeholdergroep effecten en markten om advies verzocht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Soorten abi-beheerders

1.   Een abi-beheerder kan één of beide van de onderstaande vormen aannemen:

beheerder van (een) abi('s) van het open-end-type;

beheerder van (een) abi('s) van het closed-end-type.

2.   Een beheerder van een abi van het open-end-type wordt aangemerkt als een abi-beheerder die het beheer voert over een abi waarvan de aandelen of rechten van deelneming vóór de aanvang van de liquidatiefase ervan op verzoek van haar aandeelhouders of deelnemers direct of indirect met de activa van de abi worden ingekocht of terugbetaald volgens de procedures en frequentie die in het reglement of de statuten, het prospectus of de aanbiedingsdocumenten van de abi zijn vastgelegd.

Een vermindering van het kapitaal van de abi als gevolg van uitkeringen volgens het reglement of de statuten, het prospectus of de aanbiedingsdocumenten van de abi, met inbegrip van een vermindering die bij een overeenkomstig dit reglement of deze statuten, dit prospectus of deze aanbiedingsdocumenten aangenomen resolutie van de aandeelhouders of deelnemers is toegestaan, mag niet in aanmerking worden genomen om vast te stellen of de abi al dan niet van het open-end-type is.

Voor het vaststellen of de abi al dan niet van het open-end-type is, mag geen rekening worden gehouden met het feit of de aandelen of rechten van deelneming van de abi op de secundaire markt kunnen worden verhandeld en niet door de abi worden ingekocht of terugbetaald.

3.   Een beheerder van een abi van het closed-end-type is een abi-beheerder die het beheer voert over een abi die geen in lid 2 beschreven abi is.

4.   Wanneer een wijziging in het terugbetalingsbeleid van de abi resulteert in een wijziging van het type abi waarover een abi-beheerder het beheer voert, past de abi-beheerder op de betrokken abi de op het nieuwe abi-type betrekking hebbende regels toe.

5.   Voor de toepassing van artikel 61, leden 3 en 4, van Richtlijn 2011/61/EU wordt een abi-beheerder die het beheer voert over abi's waarvan de aandelen of rechten van deelneming vóór de aanvang van de liquidatiefase ervan op verzoek van haar aandeelhouders of deelnemers direct of indirect met de activa van de abi worden ingekocht of terugbetaald na een beginperiode van ten minste vijf jaar gedurende dewelke geen terugbetalingsrechten kunnen worden uitgeoefend, ook als een beheerder van een abi van het closed-end-type aangemerkt.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 695/2014 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

75,1

TR

61,5

ZZ

68,3

0707 00 05

MK

50,7

TR

85,3

ZZ

68,0

0709 93 10

TR

109,5

ZZ

109,5

0805 50 10

AR

109,3

BO

119,0

TR

141,7

ZA

123,1

ZZ

123,3

0808 10 80

AR

103,0

BR

76,7

CL

99,2

CN

130,3

NZ

130,7

US

223,4

ZA

120,8

ZZ

126,3

0809 10 00

TR

249,2

ZZ

249,2

0809 29 00

TR

310,3

ZZ

310,3

0809 30

MK

87,8

ZZ

87,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/23


UITVOERINGSRICHTLIJN 2014/78/EU VAN DE COMMISSIE

van 17 juni 2014

tot wijziging van de bijlagen I, II, III, IV en V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name op artikel 14, tweede alinea, onder c) en d),

In overleg met de betrokken lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Gelet op de toegenomen internationale handel en ter bescherming van planten, plantaardige producten en andere materialen is het, in verhouding tot het betrokken fytosanitaire risico, technisch gerechtvaardigd om de schadelijke organismen Agrilus anxius Gory en Anthonomus eugenii Cano op te nemen in bijlage I, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG.

(2)

Ter bescherming van de productie en de handel in planten, plantaardige producten en andere materialen is het, in verhouding tot het betrokken fytosanitaire risico, technisch gerechtvaardigd om de schadelijke organismen Agrilus planipennis Fairmaire, Citrus greening bacterium en Diaphorina citri Kuway te schrappen uit bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG en op te nemen in bijlage I, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG.

(3)

De aanwezigheid van de schadelijke organismen Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. en Trioza erytreae Del Guercio levert een onaanvaardbaar risico op voor de productie van en de handel in planten, plantaardige producten en andere materialen. Bijgevolg is het, in verhouding tot het fytosanitaire risico, technisch gerechtvaardigd om die schadelijke organismen te schrappen uit bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG en op te nemen in bijlage I. Uit door Portugal verstrekte gegevens blijkt dat die schadelijke organismen tegenwoordig in de Unie worden aangetroffen. Dientengevolge moeten zij worden opgenomen in bijlage I, deel A, rubriek II, bij Richtlijn 2000/29/EG.

(4)

Het is, in verhouding tot het fytosanitaire risico, technisch gerechtvaardigd om de schadelijke organismen Monilinia fructicola (Winter) Honey uit bijlage I, deel A, rubriek I, en Ciborinia camelliae Kohn uit bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG te schappen, aangezien zij zich in grote delen van de Unie hebben verspreid en er worden aangetroffen, er geen maatregelen bestaan om hen uit te roeien of hun verdere verspreiding tegen te gaan.

(5)

Het is, in verhouding tot het betrokken fytosanitaire risico, technisch gerechtvaardigd om het organisme Citrus vein enation woody gall, te schrappen uit bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG, gelet op de geringe waargenomen impact ervan.

(6)

Bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen kunnen onderstaande schadelijke organismen bevatten: Agrilus anxius Gory, Agrilus planipennis Fairmaire, Amauromyza maculosa (Malloch), Anthonomus eugenii Cano, Bemisia tabaci Genn. (niet-Europese populaties), Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al., Citrus greening bacterium, Diaphorina citri Kuway, Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev, Helicoverpa armigera (Hübner), Liriomyza huidobrensis (Blanchard), Liriomyza sativae (Blanchard), Liriomyza trifolii (Burgess), Spodoptera eridania (Cramer), Spodoptera frugiperda Smith, Spodoptera litura (Fabricius), Spodoptera littoralis (Boisd.) en Trioza erytreae Del Guercio; zij zijn of zullen worden opgenomen in bijlage I, deel A, of bijlage II, deel A, bij Richtlijn 2000/29/EG. Uit de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis blijkt dat de bijzondere eisen van bijlage IV, deel A, van Richtlijn 2000/29/EG ontoereikend zijn om het fytosanitaire risico ten gevolge van het binnenbrengen in de Unie en het in het verkeer brengen in de Unie van die planten, plantaardige producten en andere materialen tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Die bijzondere eisen moeten daarom worden gewijzigd en er moeten bijzondere eisen worden toegevoegd. Voor Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. moeten de in bijlage IV, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG uiteengezette bijzondere eisen eveneens worden gewijzigd om hen aan te passen aan de Unieregels met betrekking tot intern verkeer van dit schadelijke organisme.

(7)

Wat bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen betreft die niet in bijlage IV, deel A, bij Richtlijn 2000/29/EG zijn opgenomen, blijkt uit de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis dat het binnenbrengen en het in het verkeer brengen ervan in de Unie een onaanvaardbaar fytosanitair risico kan opleveren, omdat zij gastheer kunnen zijn voor de in overweging 6 bedoelde schadelijke organismen. Die planten, plantaardige producten en andere materialen moeten derhalve worden opgenomen in bijlage IV, deel A.

(8)

Bovendien moeten de in overweging 6 bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen aan een plantenziektekundig onderzoek worden onderworpen voordat zij in de Unie worden binnengebracht of in het verkeer worden gebracht. Die planten, plantaardige producten en andere materialen moeten daarom in bijlage V, delen A en B, bij Richtlijn 2000/29/EG worden opgenomen.

(9)

Uit frequente onderscheppingen bij de invoer van Manihot esculenta Crantz, Limnophila L., Eryngium L., en Capsicum L. is gebleken dat de bladeren van Manihot esculenta Crantz, de bladgroenten van Limnophila L. en Eryngium L. en de vruchten van Capsicum L. de in bijlagen I en II bij Richtlijn 2000/29/EG opgenomen schadelijke organismen kunnen bevatten. Daarom dienen die planten aan een plantenziektekundig onderzoek worden onderworpen voordat zij in de Unie worden binnengebracht, en mag hun invoer alleen worden toegestaan als zij vergezeld gaan van een fytosanitair certificaat. Bijgevolg dienen zij dan ook in bijlage V, deel B, rubriek I, van te worden opgenomen.

(10)

Rekening houdend met de herziene internationale norm voor fytosanitaire maatregelen nr. 15 „Regulation of wood packaging material in international trade” van de FAO, moet de huidige aanpak van Richtlijn 2000/29/EG voor het opleggen van verschillende eisen, die is gebaseerd op de vraag of het verpakkingsmateriaal voor hout daadwerkelijk wordt gebruikt of niet, worden afgeschaft, aangezien deze aanpak niet meer technisch gerechtvaardigd is. Bijlage IV, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(11)

Daarnaast moet hout dat wordt gebruikt om alle soorten ladingen vast te zetten of te ondersteunen, worden beschouwd als een soort verpakkingsmateriaal voor hout overeenkomstig de definities van de internationale norm voor fytosanitaire maatregelen nr. 15, aangezien er geen technische rechtvaardiging meer bestaat om het apart van andere soorten verpakkingsmateriaal voor hout te reglementeren. Bijlage IV, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(12)

De formulering van de fytosanitaire eisen die een warmtebehandeling van hout en van bast zonder andere delen voorzien, moet worden gewijzigd om te verduidelijken dat voor de vereiste verwarmingstijd aaneengesloten minuten worden bedoeld, en dat de vereiste temperatuur in het volledige profiel van het hout of van de bast zonder andere delen moet worden bereikt om schadelijke organismen die het hout besmetten, succesvol uit te roeien. Bijlage IV, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(13)

De GN-codes voor naaldhout in bijlage V, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG moeten worden bijgewerkt zodat zij naaldhout met een dikte van maximaal 6 mm omvatten, omdat dit volgens een recente analyse van het fytosanitaire risico een gevaar oplevert voor het binnenbrengen van Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al..

(14)

De namen Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith, Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw. en citrus greening bacterium moeten worden gewijzigd overeenkomstig de herziene wetenschappelijke benamingen van die organismen. Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith moet worden aangemerkt als Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.. Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw. moet worden aangemerkt als Solanum lycopersicum L.. De Citrus greening bacterium moet worden aangemerkt als Candidatus Liberibacter spp., de veroorzaker van Huanglongbing-ziekte bij citrusvruchten/citrus greening.

(15)

Richtlijn 2007/33/EG van de Raad (2) bevat maatregelen die moeten worden genomen tegen Europese populaties van het aardappelcysteaaltje (Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens om de verspreiding ervan vast te stellen, te voorkomen en te bestrijden. De huidige bepalingen van Richtlijn 2000/29/EG betreffende het aardappelcysteaaltje (Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens moeten worden bijgewerkt om over een te stemmen met de eisen van Richtlijn 2007/33/EG. De bijlagen IV en V bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

Bij Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie (3) zijn bepaalde gebieden erkend als beschermde gebieden ten aanzien van diverse schadelijke organismen. Verordening (EG) nr. 690/2008 is gewijzigd om rekening te houden met de laatste ontwikkelingen met betrekking tot de beschermde zones binnen de Unie en de volgende schadelijke organismen: citrus tristeza-virus (Europese stammen), Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al. en Grapevine flavescence dorée MLO. De bijlagen I tot en met V bij Richtlijn 2000/29/EG dienen daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat de eisen inzake beschermde gebieden ten aanzien van de desbetreffende schadelijke organismen met elkaar in overeenstemming zijn.

(17)

Daarnaast voldoen verschillende gebieden in de Unie die zijn erkend als beschermd gebied ten aanzien van bepaalde schadelijke organismen, niet langer aan de eisen, omdat die schadelijke organismen er nu worden aangetroffen. Het gaat om de volgende gebieden: de autonome gemeenschappen Castilla la Mancha, Murcia, Navarra en La Rioja en de comarca van de gemeente Calatayud (Aragon) en de provincie Guipuzcoa (Baskenland) (Spanje), Friuli-Venezia Giulia en de provincie Sondrio (Lombardije) (Italië), de gemeenten Ohrady, Topoľníky en Trhová Hradská (Slowakije) voor Erwinia amylovora (Burr.) Winsl. et al.; de regionale eenheid Argolida en Chania (Griekenland), Corsica (Frankrijk) en Algarve (Portugal) voor het citrus tristeza-virus (Europese stammen). Bijlage II, deel B, bijlage III, deel B, en bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(18)

Ter bescherming van de productie van en de handel in planten, plantaardige producten en andere materialen is het, in verhouding tot het betrokken fytosanitaire risico, technisch gerechtvaardigd om de schadelijke organismen Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu en Thaumatopoea processionea L. op te nemen in bijlage I, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG.

(19)

Uit door Ierland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk verstrekte gegevens blijkt dat het grondgebied van deze landen vrij is van Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu, en dat deze gebieden voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG voor de instelling van een beschermd gebied ten aanzien van dat schadelijke organisme. Bijlage I, deel B, en bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. Ook bijlage IV, deel B, en bijlage V, deel A, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen te worden gewijzigd om eisen in te voeren voor de verplaatsing van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen naar de beschermde gebieden.

(20)

Uit door Ierland en het Verenigd Koninkrijk verstrekte gegevens blijkt dat het grondgebied van Ierland en een deel van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk vrij zijn van Thaumatopoea processionea L., en dat deze gebieden voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG voor de instelling van een beschermd gebied ten aanzien van dat schadelijke organisme. Bijlage I, deel B, en bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. Ook bijlage IV, deel B, en bijlage V, deel A, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen te worden gewijzigd om eisen in te voeren voor de verplaatsing van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen naar de beschermde gebieden.

(21)

Uit een recente analyse van het fytosanitaire risico door Frankrijk blijkt dat Ips amitinus Eichhof geen onaanvaardbaar fytosanitair risico oplevert op Corsica (Frankrijk). Corsica moeten daarom worden geschrapt uit de lijst van beschermde gebieden ten aanzien van dit schadelijke organisme. Bijlage II, deel B, en bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(22)

Uit door het Verenigd Koninkrijk verstrekte gegevens blijkt dat Cryphonectria parasitica (Murrill) Barr niet op het eiland Man voorkomt en dat het eiland Man voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG voor de instelling van een beschermd gebied ten aanzien van dat schadelijke organisme. Bijlage II, deel B, en bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(23)

Uit een recente analyse van het fytosanitaire risico blijkt dat de huidige eisen voor het binnenbrengen en het in het verkeer brengen van planten, plantaardige producten en andere materialen in bepaalde beschermde gebieden ten aanzien van Cryphonectria parasitica (Murrill) Barr ontoereikend zijn om het desbetreffende fytosanitaire risico tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Die eisen dienen te worden bijgewerkt. Bijlage II, deel B, bijlage IV, deel B, bijlage V, deel A, rubriek II, en bijlage V, deel B, rubriek II, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(24)

Uit door Frankrijk en Italië verstrekte gegevens blijkt dat Picardië (departement Aisne) en Île de France (gemeenten Citry, Nanteuil-sur-Marne en Saâcy-sur-Marne) en Puglia vrij zijn van Grapevine flavescence dorée MLO en voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG voor de instelling van een beschermd gebied ten aanzien van dat schadelijke organisme. Bijlage II, deel B, en bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(25)

Uit door Zwitserland verstrekte gegevens blijkt dat Zwitserland (met uitzondering van het kanton Ticino en het Mesolcina-dal) vrij is van Grapevine flavescence dorée MLO. Zwitserland (met uitzondering van het kanton Ticino en het Mesolcina-dal) moet daarom worden toegevoegd aan de gebieden van waaruit Vitis L.-planten naar voor het organisme beschermde gebieden mogen worden ingevoerd. Bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(26)

Richtlijn 2000/29/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(27)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I, II, III, IV en V bij Richtlijn 2000/29/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 september 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 oktober 2014.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 17 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/464/EEG (PB L 156 van 16.6.2007, blz. 12).

(3)  Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie van 4 juli 2008 tot erkenning van beschermde gebieden in de Gemeenschap waar bijzondere plantenziekterisico's bestaan (PB L 193 van 22.7.2008, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlagen I, II, III, IV en V bij Richtlijn 2000/29/EG worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel A wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek I wordt als volgt gewijzigd:

onder a) wordt na punt 1 het volgende punt 1.1 ingevoegd:

„1.1.

Agrilus anxius Gory”;

onder a) wordt na punt 1.1 het volgende punt 1.2 ingevoegd:

„1.2.

Agrilus planipennis Fairmaire”;

onder a) wordt na punt 1.2 het volgende punt 1.3 ingevoegd:

„1.3.

Anthonomus eugenii Cano”;

onder a) wordt na punt 10.4 het volgende punt 10.5 ingevoegd:

„10.5.

Diaphorina citri Kuway”;

onder b) wordt voor punt 1 het volgende punt 0.1 ingevoegd:

„0.1.

Candidatus Liberibacter spp., de veroorzaker van Huanglongbing-ziekte bij citrusvruchten/citrus greening”

onder c) wordt punt 9 geschrapt;

ii)

rubriek II wordt als volgt gewijzigd:

onder a) wordt voor punt 0.1 het volgende punt 0.01 ingevoegd:

„0.01.

Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al.”;

onder a) wordt na punt 9 het volgende punt 10 ingevoegd:

„10.

Trioza erytreae Del Guercio”;

onder b) wordt de tekst „Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith” in punt 2 vervangen door „Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.”;

b)

deel B, onder a), wordt als volgt gewijzigd:

i)

na punt 1.1 wordt het volgende punt 1.2 ingevoegd:

„1.2.

Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu;

IRL, P, UK”

ii)

na punt 4 wordt het volgende punt 5 ingevoegd:

„5.

Thaumatopoea processionea L.

IRL, UK (met uitzondering van de lokale overheden Barnet; Brent; Bromley; Camden; City of London; City of Westminster; Croydon; Ealing; Elmbridge District; Epsom and Ewell District; Hackney; Hammersmith & Fulham; Haringey; Harrow; Hillingdon; Hounslow; Islington; Kensington & Chelsea; Kingston upon Thames; Lambeth; Lewisham; Merton; Reading; Richmond upon Thames; Runnymede District; Slough; South Oxfordshire; Southwark; Spelthorne District; Sutton; Tower Hamlets; Wandsworth and West Berkshire)”.

2)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel A wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek I wordt als volgt gewijzigd:

de tekst onder a) wordt als volgt gewijzigd:

punt 1.1 wordt geschrapt;

punt 8 wordt geschrapt;

punt 10 wordt geschrapt;

punt 31 wordt geschrapt;

onder b) wordt punt 1 geschrapt;

onder c) wordt punt 7 geschrapt;

onder d) wordt in punt 5.1 de tekst in de rechterkolom, „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.”, vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

ii)

rubriek II wordt als volgt gewijzigd:

onder b) wordt de tekst als volgt gewijzigd:

in punt 2 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de rechterkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

in punt 9 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de rechterkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

onder d) wordt de tekst als volgt gewijzigd:

punt 5 wordt geschrapt;

in punt 15 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de rechterkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

in punt 16 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de rechterkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

b)

deel B wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder a), punt 6, onder a), wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„EL, IRL, UK”;

ii)

onder b), punt 2, wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„E (met uitzondering van de autonome gemeenschappen Castilla la Mancha, Castilla y León, Extremadura, Murcia, Navarra en La Rioja, en de comarca van de gemeente Calatayud (Aragon) en de provincie Guipuzcoa (Baskenland)), EE, F (Corsica), IRL, I (Abruzzo, Basilicata, Calabria, Campania, Emilia-Romagna (de provincies Parma en Piacenza), Lazio, Liguria, Lombardia (met uitzondering van de provincies Mantova en Sondrio), Marche, Molise, Piemonte, Puglia, Sardinia, Sicilia, Toscana, Umbria, Valle d'Aosta, Veneto (met uitzondering van de provincies Rovigo en Venezia, de gemeenten Barbona, Boara Pisani, Castelbaldo, Masi, Piacenza d'Adige, S. Urbano, Vescovana in de provincie Padova en het gebied ten zuiden van autoweg A4 in de provincie Verona)), LV, LT, P, SI (met uitzondering van de regio's Gorenjska, Koroška, Maribor en Notranjska), SK (met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto, Ohrady, Okoč, Topoľníky en Trhová Hradská (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Dvory nad Žitavou (district Nové Zámky), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov)), FI, UK (Noord-Ierland, eiland Man en Kanaaleilanden)”;

iii)

onder c), komt punt 0.1 als volgt te luiden:

„0.1.

Cryphonectria parasitica (Murrill) Barr.

Hout, met uitzondering van hout dat vrij is van bast, bast zonder andere delen en voor opplant bestemde planten van Castanea Mill.

CZ, IRL, S, UK”;

iv)

onder d) wordt de tekst als volgt gewijzigd:

in punt 1 wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„EL (met uitzondering van de regionale eenheden Argolida en Chania), M, P (met uitzondering van Algarve en Madeira)”;

in punt 2 wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„CZ, FR (Alsace, Champagne-Ardenne, Picardie (departement Aisne), Ile de France (gemeenten Citry, Nanteuil-sur-Marne en Saâcy-sur-Marne) en Lorraine), I (Basilicata, Puglia en Sardinia)”.

3)

Bijlage III, deel B, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 1 wordt de tekst in de tweede kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„E (met uitzondering van de autonome gemeenschappen Castilla la Mancha, Castilla y León, Extremadura, Murcia, Navarra en La Rioja, en de comarca van de gemeente Calatayud (Aragon) en de provincie Guipuzcoa (Baskenland)), EE, F (Corsica), IRL, I (Abruzzo, Basilicata, Calabria, Campania, Emilia-Romagna (de provincies Parma en Piacenza), Lazio, Liguria, Lombardia (met uitzondering van de provincies Mantova en Sondrio), Marche, Molise, Piemonte, Puglia, Sardinia, Sicilia, Toscana, Umbria, Valle d'Aosta, Veneto (met uitzondering van de provincies Rovigo en Venezia, de gemeenten Barbona, Boara Pisani, Castelbaldo, Masi, Piacenza d'Adige, S. Urbano, Vescovana in de provincie Padova en het gebied ten zuiden van autoweg A4 in de provincie Verona)), LV, LT, P, SI (met uitzondering van de regio's Gorenjska, Koroška, Maribor en Notranjska), SK (met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto, Ohrady, Okoč, Topoľníky en Trhová Hradská (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Dvory nad Žitavou (district Nové Zámky), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov)), FI, UK (Noord-Ierland, eiland Man en Kanaaleilanden)”;

b)

in punt 2 wordt de tekst in de tweede kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„E (met uitzondering van de autonome gemeenschappen Castilla la Mancha, Castilla y León, Extremadura, Murcia, Navarra en La Rioja, en de comarca van de gemeente Calatayud (Aragon) en de provincie Guipuzcoa (Baskenland)), EE, F (Corsica), IRL, I (Abruzzo, Basilicata, Calabria, Campania, Emilia-Romagna (de provincies Parma en Piacenza), Lazio, Liguria, Lombardia (met uitzondering van de provincies Mantova en Sondrio), Marche, Molise, Piemonte, Puglia, Sardinia, Sicilia, Toscana, Umbria, Valle d'Aosta, Veneto (met uitzondering van de provincies Rovigo en Venezia, de gemeenten Barbona, Boara Pisani, Castelbaldo, Masi, Piacenza d'Adige, S. Urbano, Vescovana in de provincie Padova en het gebied ten zuiden van autoweg A4 in de provincie Verona)), LV, LT, P, SI (met uitzondering van de regio's Gorenjska, Koroška, Maribor en Notranjska), SK (met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto, Ohrady, Okoč, Topoľníky en Trhová Hradská (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Dvory nad Žitavou (district Nové Zámky), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov)), FI, UK (Noord-Ierland, eiland Man en Kanaaleilanden)”.

4)

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel A wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek I wordt als volgt gewijzigd:

punt 1.1 wordt vervangen door:

„1.1.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout van naaldbomen (Coniferales), exclusief hout van Thuja L. en Taxus L., met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van deze naaldbomen,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

hout van Libocedrus decurrens Torr. indien aangetoond kan worden dat het hout door middel van een warmtebehandeling met een temperatuur van ten minste 82 °C gedurende een periode van 7 tot 8 dagen bewerkt of tot potloden verwerkt is,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit Canada, China, Japan, de Republiek Korea, Mexico, Taiwan en de Verenigde Staten, landen waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. er voorkomt.

Officiële verklaring dat het hout:

a)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan. Ten bewijze daarvan moet het merkteken „HT” overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken zijn aangebracht op het hout of op de verpakking ervan en op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten,

of

b)

een adequate fumigatie heeft ondergaan volgens een specificatie die overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de minimumtemperatuur van het hout, de dosering (g/m3) en de blootstellingstijd (uur),

of

c)

op adequate wijze chemisch is geïmpregneerd onder druk met een product dat volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de druk (psi of kPa) en de concentratie (%),

en

officiële verklaring dat het hout na de behandeling tot en met de uitvoer uit het land dat de verklaring uitvaardigt, buiten het vluchtseizoen van de vector Monochamus is vervoerd, met inachtneming van een veiligheidsmarge van vier extra weken aan het begin en aan het einde van het verwachte vluchtseizoen, of (met uitzondering van hout dat schorsvrij is) met een beschermende afdekking is vervoerd die ervoor zorgt dat geen besmetting met Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. of de vector kan plaatsvinden.”;

punt 1.2 wordt vervangen door:

„1.2.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout van naaldbomen (Coniferales) in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van deze naaldbomen,

van oorsprong uit Canada, China, Japan, de Republiek Korea, Mexico, Taiwan en de Verenigde Staten, landen waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. er voorkomt.

Officiële verklaring dat het hout:

a)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan, waarvan melding moet worden gemaakt op de in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaten,

of

b)

een adequate fumigatie heeft ondergaan volgens een specificatie die overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de minimumtemperatuur van het hout, de dosering (g/m3) en de blootstellingstijd (uur),

en

officiële verklaring dat het hout na de behandeling tot en met de uitvoer uit het land dat de verklaring uitvaardigt, buiten het vluchtseizoen van de vector Monochamus is vervoerd, met inachtneming van een veiligheidsmarge van vier extra weken aan het begin en aan het einde van het verwachte vluchtseizoen, of (met uitzondering van hout dat schorsvrij is) met een beschermende afdekking is vervoerd die ervoor zorgt dat geen besmetting met Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. of de vector kan plaatsvinden.”;

punt 1.3 wordt vervangen door:

„1.3.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout van Thuja L. en Taxus L., met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van deze naaldbomen,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit Canada, China, Japan, de Republiek Korea, Mexico, Taiwan en de Verenigde Staten, landen waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. er voorkomt.

Officiële verklaring dat het hout:

a)

vrij van bast is,

of

b)

volgens een passend tijd- en temperatuurschema kunstmatig is gedroogd tot een vochtgehalte van minder dan 20 %, berekend op de droge stof. Ten bewijze daarvan moet het merkteken „kiln-dried”, „KD” of een ander internationaal erkend merkteken overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken zijn aangebracht op het hout of op de verpakking ervan,

of

c)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan. Ten bewijze daarvan moet het merkteken „HT” overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken zijn aangebracht op het hout of op de verpakking ervan en op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten,

of

d)

een adequate fumigatie heeft ondergaan volgens een specificatie die overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de minimumtemperatuur van het hout, de dosering (g/m3) en de blootstellingstijd (uur),

of

e)

op adequate wijze chemisch is geïmpregneerd onder druk met een product dat volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de druk (psi of kPa) en de concentratie (%).”;

punt 1.4 wordt geschrapt;

punt 1.5 wordt vervangen door:

„1.5.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout van naaldbomen (Coniferales), met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van deze naaldbomen,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), behalve stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit Kazachstan, Rusland en Turkije.

Officiële verklaring dat het hout:

a)

van oorsprong is uit gebieden waarvan bekend is dat zij vrij zijn van:

Monochamus spp. (niet-Europese)

Pissodes spp. (niet-Europese)

Scolytidae spp. (niet-Europese)

Het gebied moet worden vermeld op de in artikel 13, lid 1, punt ii) van deze richtlijn bedoelde certificaten, in het vak „plaats van oorsprong”,

of

b)

vrij van bast is en van boorgaten van larven van het geslacht Monochamus spp. (niet-Europese), in dit geval boorgaten met een diameter van meer dan 3 mm,

of

c)

volgens een passend tijd- en temperatuurschema kunstmatig is gedroogd tot een vochtgehalte van minder dan 20 %, berekend op de droge stof. Ten bewijze daarvan moet het merkteken „kiln-dried”, „KD” of een ander internationaal erkend merkteken overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken zijn aangebracht op het hout of op de verpakking ervan,

of

d)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan. Ten bewijze daarvan moet het merkteken „HT” overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken zijn aangebracht op het hout of op de verpakking ervan en op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten,

of

e)

een adequate fumigatie heeft ondergaan volgens een specificatie die overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de minimumtemperatuur van het hout, de dosering (g/m3) en de blootstellingstijd (uur),

of

f)

op adequate wijze chemisch is geïmpregneerd onder druk met een product dat volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de druk (psi of kPa) en de concentratie (%).”;

punt 1.6 wordt vervangen door:

„1.6.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout van naaldbomen (Coniferales), met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van deze naaldbomen,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit andere derde landen dan:

Kazachstan, Rusland en Turkije,

Europese landen,

Canada, China, Japan, de Republiek Korea, Mexico, Taiwan en de Verenigde Staten, landen waarvan bekend is dat Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. er voorkomt.

Officiële verklaring dat het hout:

a)

vrij van bast is en van boorgaten van larven van het geslacht Monochamus spp. (niet-Europese), in dit geval boorgaten met een diameter van meer dan 3 mm,

of

b)

volgens een passend tijd- en temperatuurschema kunstmatig is gedroogd tot een vochtgehalte van minder dan 20 %, berekend op de droge stof. Ten bewijze daarvan moet het merkteken „kiln-dried”, „KD” of een ander internationaal erkend merkteken overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken zijn aangebracht op het hout of op de verpakking ervan,

of

c)

een adequate fumigatie heeft ondergaan volgens een specificatie die overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de minimumtemperatuur van het hout, de dosering (g/m3) en de blootstellingstijd (uur),

of

d)

op adequate wijze chemisch is geïmpregneerd onder druk met een product dat volgens de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de druk (psi of kPa) en de concentratie (%),

of

e)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan. Ten bewijze daarvan moet het merkteken „HT” overeenkomstig de gangbare handelsgebruiken zijn aangebracht op het hout of op de verpakking ervan en op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten.”;

in de rechterkolom van punt 1.7 komt e) als volgt te luiden:

„e)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan, waarvan melding moet worden gemaakt op de in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaten.”;

punt 2 wordt vervangen door:

„2.

Verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van ruw hout met een dikte van ten hoogste 6 mm, verwerkt hout bij de productie waarvan gebruik is gemaakt van lijm, warmte en druk, of een combinatie daarvan, en stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout, afkomstig uit derde landen, behalve Zwitserland.

Het verpakkingsmateriaal van hout moet:

onderworpen zijn aan één van de goedgekeurde maatregelen die zijn vermeld in bijlage I bij Internationale Norm nr. 15 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen inzake „Guidelines for regulating wood packaging material in international trade” (Richtsnoeren voor de reglementering inzake verpakkingsmateriaal van hout in het internationale handelsverkeer), en

voorzien zijn van een merkteken dat is vastgesteld in bijlage II bij die Internationale Norm, ten bewijze dat het verpakkingsmateriaal een goedgekeurde fytosanitaire behandeling overeenkomstig de norm heeft ondergaan.”;

in punt 2.1 wordt de tekst in de linkerkolom vervangen door:

„Hout van Acer saccharum Marsh., ook wanneer het hout niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, met uitzondering van hout in de vorm van:

hout dat bestemd is voor de productie van fineerplaten,

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

van oorsprong uit Canada en de Verenigde Staten.”;

punt 2.3 wordt vervangen door:

„2.3.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout van Fraxinus L., Juglans ailantifolia Carr., Juglans mandshurica Maxim., Ulmus davidiana Planch. en Pterocarya rhoifolia Siebold & Zucc., met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van deze bomen,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

maar met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, en meubilair en andere voorwerpen van onbehandeld hout,

van oorsprong uit Canada, China, de Democratische Volksrepubliek Korea, Japan, Mongolië, de Republiek Korea, Rusland, Taiwan en de Verenigde Staten

Officiële verklaring dat:

a)

het hout van oorsprong is uit een gebied dat volgens de procedure van artikel 18, lid 2, erkend is als zijnde vrij van Agrilus planipennis Fairmaire. De naam van het gebied moet worden vermeld op het in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaat,

of

b)

de bast en ten minste 2,5 cm van het buitenste deel van het spint zijn verwijderd in een voorziening die een vergunning heeft en onder toezicht staat van de nationale plantenziektekundige dienst,

of

c)

het hout ioniserende straling heeft ondergaan om in het gehele hout een minimum geabsorbeerde stralingsdosis van 1 kGy te bereiken.”;

punt 2.4 wordt vervangen door:

„2.4.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen uit Fraxinus L., Juglans ailantifolia Carr., Juglans mandshurica Maxim., Ulmus davidiana Planch. en Pterocarya rhoifolia Siebold & Zucc.

van oorsprong uit Canada, China, de Democratische Volksrepubliek Korea, Japan, Mongolië, de Republiek Korea, Rusland, Taiwan en de Verenigde Staten

Officiële verklaring dat het hout van oorsprong is uit een gebied dat volgens de procedure van artikel 18, lid 2, erkend is als zijnde vrij van Agrilus planipennis Fairmaire. De naam van het gebied moet worden vermeld op het in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaat.”;

punt 2.5 wordt vervangen door:

„2.5.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermelde bast, zonder andere delen, en voorwerpen gemaakt van bast van Fraxinus L., Juglans ailantifolia Carr., Juglans mandshurica Maxim., Ulmus davidiana Planch. en Pterocarya rhoifolia Siebold & Zucc. van oorsprong uit Canada, China, de Democratische Volksrepubliek Korea, Japan, Mongolië, de Republiek Korea, Rusland, Taiwan en de Verenigde Staten

Officiële verklaring dat de bast van oorsprong is uit een gebied dat volgens de procedure van artikel 18, lid 2, erkend is als zijnde vrij van Agrilus planipennis Fairmaire. De naam van het gebied moet worden vermeld op het in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaat.”;

in punt 3 wordt de tekst in de linkerkolom vervangen door:

„Hout van Quercus L., met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval,

vaten, kuipen, tobben en ander kuiperswerk, alsmede delen daarvan, duigwerk daaronder begrepen, voorzover kan worden aangetoond dat het hout is verwerkt of vervaardigd met gebruikmaking van een warmtebehandeling waarbij een temperatuur van ten minste 176 °C is gehandhaafd gedurende 20 minuten,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit de Verenigde Staten.”;

na punt 3 worden de volgende punten 4.1, 4.2, en 4.3 ingevoegd:

„4.1.

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermeld hout van Betula L., met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van deze bomen,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden en meubilair en andere voorwerpen van onbehandeld hout, van oorsprong uit Canada en de Verenigde Staten, waarvan bekend is dat Agrilus anxius Gory er voorkomt.

Officiële verklaring dat:

a)

de bast en ten minste 2,5 cm van het buitenste deel van het spint zijn verwijderd in een voorziening die een vergunning heeft en onder toezicht staat van de nationale plantenziektekundige dienst,

of

b)

het hout ioniserende straling heeft ondergaan om in het gehele hout een minimum geabsorbeerde stralingsdosis van 1 kGy te bereiken.

4.2

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermelde houtplakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval, geheel of gedeeltelijk verkregen van Betula L.

Officiële verklaring dat het hout van oorsprong is uit een land dat bekend staat als zijnde vrij van Agrilus anxius Gory.

4.3

Al dan niet onder de GN-codes in bijlage V, deel B, vermelde bast en voorwerpen gemaakt van bast van Betula L., van oorsprong uit Canada en de Verenigde Staten, landen waarvan bekend is dat Agrilus anxius Gory er voorkomt.

Officiële verklaring dat de bast vrij is van hout.”;

in punt 5 wordt de tekst in de linkerkolom vervangen door:

„Hout van Platanus L., met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit Armenië of de Verenigde Staten.”;

in punt 6 wordt de tekst in de linkerkolom vervangen door:

„Hout van Populus L., met uitzondering van hout in de vorm van:

plakjes, spanen, kleine stukjes, zaagsel, schaafsel, resten en afval,

verpakkingsmateriaal voor hout in de vorm van pakkisten, kratten, trommels en dergelijke verpakkingsmiddelen, kabelhaspels, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden, stuwmateriaal (al dan niet gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen), met uitzondering van stuwmateriaal ter ondersteuning van zendingen hout dat van hetzelfde type hout is gefabriceerd als dat van de zending hout, dezelfde kwaliteit heeft, en aan dezelfde fytosanitaire voorschriften van de Unie voldoet als de zending hout,

doch met inbegrip van hout dat niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit landen van het Amerikaanse vasteland.”;

in de rechterkolom van punt 7.1 komt d) als volgt te luiden:

„d)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan, waarvan melding moet worden gemaakt op de in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaten.”;

in de rechterkolom van punt 7.2 komt c) als volgt te luiden:

„c)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan, waarvan melding moet worden gemaakt op de in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaten.”;

in punt 7.3 wordt de tekst in de rechterkolom vervangen door:

„Officiële verklaring dat de bast, zonder andere delen:

a)

een adequate fumigatie heeft ondergaan volgens een specificatie die overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure is goedgekeurd. Ten bewijze daarvan moet op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten melding worden gemaakt van het werkzame bestanddeel, de minimumtemperatuur van het hout, de dosering (g/m3) en de blootstellingstijd (uur),

of

b)

een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van de bast (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan, waarvan melding moet worden gemaakt op de in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaten,

en

een officiële verklaring dat het hout na de behandeling tot en met de uitvoer uit het land dat de verklaring uitvaardigt, buiten het vluchtseizoen van de vector Monochamus is vervoerd, met inachtneming van een veiligheidsmarge van vier extra weken aan het begin en aan het einde van het verwachte vluchtseizoen, of met een beschermende afdekking is vervoerd die ervoor zorgt dat geen besmetting met Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Bührer) Nickle et al. of de vector kan plaatsvinden.”;

punt 8 wordt geschrapt;

punt 11.4 wordt vervangen door:

„11.4.

Planten van Fraxinus L., Juglans ailantifolia Carr., Juglans mandshurica Maxim., Ulmus davidiana Planch. en Pterocarya rhoifolia Siebold & Zucc., met uitzondering van vruchten en zaden maar inclusief afgesneden takken met of zonder loof, van oorsprong uit Canada, China, de Democratische Volksrepubliek Korea, Japan, Mongolië, de Republiek Korea, Rusland, Taiwan en de Verenigde Staten

Officiële verklaring dat de planten van oorsprong zijn uit een gebied dat volgens de procedure van artikel 18, lid 2 erkend is als zijnde vrij van Agrilus planipennis Fairmaire. De naam van het gebied moet worden vermeld op het in artikel 13, lid 1, punt ii), bedoelde certificaat.”;

na punt 11.4 wordt het volgende punt 11.5 ingevoegd:

„11.5.

Planten van Betula L., met uitzondering van vruchten en zaden, maar inclusief afgesneden takken van Betula L, met of zonder loof

Officiële verklaring dat de planten van oorsprong zijn uit een land dat bekend staat als zijnde vrij van Agrilus anxius Gory.”;

de punten 15 en 16 worden geschrapt;

na punt 18 worden de volgende punten 18.1, 18.2, en 18.3 ingevoegd:

„18.1.

Planten van Aegle Corrêa, Aeglopsis Swingle, Afraegle Engl, Atalantia Corrêa, Balsamocitrus Stapf, Burkillanthus Swingle, Calodendrum Thunb., Choisya Kunth, Clausena Burm. f., Limonia L., Microcitrus Swingle., Murraya J. Koenig ex L., Pamburus Swingle, Severinia Ten., Swinglea Merr., Triphasia Lour. en Vepris Comm., met uitzondering van vruchten (maar inclusief zaden); en zaden van Citrus L., Fortunella Swingle en Poncirus Raf., en de hybriden daarvan, van oorsprong uit derde landen

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de planten in bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 18.2 en 18.3, een officiële verklaring dat de planten van oorsprong zijn uit een land dat volgens de procedure van artikel 18, lid 2, erkend is als zijnde vrij van Candidatus Liberibacter spp., de veroorzaker van Huanglongbing-ziekte bij citrusvruchten/citrus greening.

18.2.

Planten van Casimiroa La Llave, Clausena Burm. f., Vepris Comm, Zanthoxylum L., met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit derde landen

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 18.1 en 18.3, vermelde planten, een officiële verklaring dat:

a)

de planten van oorsprong zijn uit een land waarvan bekend is dat Trioza erytreae Del Guercio er niet voorkomt,

of

b)

de planten van oorsprong zijn uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Trioza erytreae Del Guercio, en dat is vermeld op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten onder de rubriek „Aanvullende verklaring”.

18.3.

Planten van Aegle Corrêa, Aeglopsis Swingle, Afraegle Engl., Amyris P. Browne, Atalantia Corrêa, Balsamocitrus Stapf, Choisya Kunth, Citropsis Swingle & Kellerman, Clausena Burm. f., Eremocitrus Swingle, Esenbeckia Kunth., Glycosmis Corrêa, Limonia L., Merrillia Swingle, Microcitrus Swingle, Murraya J. Koenig ex L., Naringi Adans., Pamburus Swingle, Severinia Ten., Swinglea Merr., Tetradium Lour., Toddalia Juss., Triphasia Lour., Vepris Comm., Zanthoxylum L., met uitzondering van vruchten en zaden, van oorsprong uit derde landen

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 18.1 en 18.2, vermelde planten, een officiële verklaring dat:

a)

de planten van oorsprong zijn uit een land waarvan bekend is dat Diaphorina citri Kuway er niet voorkomt,

of

b)

de planten van oorsprong zijn uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Diaphorina citri Kuway en dat is vermeld op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten onder de rubriek „Aanvullende verklaring”.”;

in punt 25.4, onder aa) en bb), worden de woorden „Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith” vervangen door „Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.”;

in punt 25.4.1 worden de woorden „Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith” in de rechterkolom vervangen door „Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.”;

in punt 25.6 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de linkerkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

punt 25.7 wordt vervangen door:

„25.7.

Planten van Capsicum annuum L., Solanum lycopersicum L., Musa L., Nicotiana L. en Solanum melongena L.., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van oorsprong uit landen waarvan bekend is dat Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. er voorkomt

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage III, deel A, punten 11 en 13, en in de punten 25.5 en 25.6 van de onderhavige rubriek vermelde planten, een officiële verklaring dat, in voorkomend geval:

a)

de planten van oorsprong zijn uit gebieden die bekend staan als zijnde vrij van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.,

of

b)

sedert het begin van de laatste volledige vegetatiecyclus op de planten op de plaats van productie geen symptomen van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. zijn waargenomen.”;

punt 27.1 wordt vervangen door:

„27.1.

Planten van Dendranthema (DC.) Des Moul., Dianthus L. en Pelargonium l'Hérit. ex Ait, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden

Officiële verklaring dat:

aa)

de planten van oorsprong zijn uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Helicoverpa armigera (Hübner) en Spodoptera littoralis (Boisd.),

of

a)

sedert de laatste volledige vegetatiecyclus op de plaats van productie geen tekenen van Helicoverpa armigera (Hübner) of Spodoptera littoralis (Boisd.) zijn waargenomen,

of

b)

de planten adequaat zijn behandeld om ze tegen vorengenoemde organismen te beschermen.”;

punt 27.2 wordt vervangen door:

„27.2.

Planten van Dendranthema (DC.) Des Moul, Dianthus L. en Pelargonium l'Hérit. ex Ait., met uitzondering van zaden

Onverminderd de eisen die gelden voor de in bijlage IV, deel A, rubriek I, punt 27.1, vermelde planten, een officiële verklaring dat:

aa)

de planten van oorsprong zijn uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Spodoptera eridania (Cramer), Spodoptera frugiperda Smith en Spodoptera litura (Fabricius),

of

a)

sedert het begin van de laatste volledige vegetatiecyclus op de plaats van productie geen tekenen van Spodoptera eridania (Cramer), Spodoptera frugiperda Smith, of Spodoptera litura (Fabricius) zijn waargenomen, of

of

b)

de planten adequaat zijn behandeld om ze tegen vorengenoemde organismen te beschermen.”;

in punt 28.1 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de linkerkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

in de rechterkolom van punt 32.1 wordt na c) de volgende tekst d) toegevoegd:

„of

d)

van oorsprong zijn van teeltmateriaal (explantaat) dat vrij is van Liriomyza sativae (Blanchard) en Amauromyza maculosa (Malloch); in vitro in een steriel medium zijn gekweekt, onder steriele omstandigheden die de mogelijkheid van besmetting met Liriomyza sativae (Blanchard) en Amauromyza maculosa (Malloch) uitsluiten; en onder steriele omstandigheden in doorzichtige containers zijn vervoerd.”;

in de rechterkolom van punt 32.3 wordt na c) de volgende tekst d) toegevoegd:

„of

d)

de planten van oorsprong zijn uit teeltmateriaal (explantaat) dat vrij is van Liriomyza huidobrensis (Blanchard) en Liriomyza trifolii (Burgess); in vitro zijn geteeld in een steriel medium, onder steriele omstandigheden die de mogelijkheid van besmetting met Liriomyza huidobrensis (Blanchard) en Liriomyza trifolii (Burgess) uitsluiten; en onder steriele omstandigheden in doorzichtige containers zijn vervoerd.”;

punt 33 wordt vervangen door:

„33.

Bewortelde planten, opgeplant of bestemd voor opplant, geteeld in de koude grond

Officiële verklaring dat:

a)

de plaats van productie bekend staat als zijnde vrij van Clavibacter michiganensis ssp. sepedonicus (Spieckermann et Kotthoff) Davis et al. en Synchytrium endobioticum (Schilbersky) Percival,

en

b)

de planten van oorsprong zijn van een perceel dat bekend staat als zijnde vrij van Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens.”;

in de rechterkolom van punt 36.1 wordt na c) de volgende tekst d) toegevoegd:

„of

d)

van oorsprong zijn van teeltmateriaal (explantaat) dat vrij is van Thrips palmi Karny; in vitro in een steriel medium zijn geteeld, onder steriele omstandigheden die de mogelijkheid van besmetting met Thrips palmi Karny uitsluiten; en onder steriele omstandigheden in doorzichtige containers zijn vervoerd.”;

na punt 36.2 wordt het volgende punt 36.3 ingevoegd:

„36.3.

Vruchten van Capsicum L. van oorsprong uit Belize, Costa Rica, de Dominicaanse Republiek, El Salvador, Guatemala, Honduras, Jamaica, Mexico, Nicaragua, Panama, Puerto Rico, de Verenigde Staten en Frans Polynesië, waarvan bekend is dat Anthonomus eugenii er voorkomt

Officiële verklaring dat de vruchten:

a)

van oorsprong zijn uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Anthonomus eugenii Cano, en dat is vermeld op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten onder de rubriek „Aanvullende verklaring”,

of

b)

van oorsprong zijn uit een plaats van productie die in het land van uitvoer door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Anthonomus eugenii Cano, en die vermeld is op de in artikel 13, lid 1, punt ii), van deze richtlijn bedoelde certificaten onder de rubriek „Aanvullende verklaring”, en bij officiële controles die op de plaats van productie en in de onmiddellijke nabijheid daarvan in de laatste twee maanden vóór de uitvoer ten minste eens in de maand zijn verricht, vrij is verklaard van Anthonomus eugenii Cano.”;

punt 38.1 wordt geschrapt;

in de rechterkolom van punt 45.1 wordt na c) de volgende tekst d) toegevoegd:

„of

d)

van oorsprong zijn van teeltmateriaal (explantaat) dat vrij is van Bemisia tabaci Genn. (niet-Europese populaties); in vitro zijn gekweekt in een steriel medium, onder steriele omstandigheden die de mogelijkheid van besmetting met Bemisia tabaci Genn. uitsluiten; (niet-Europese populaties); en onder steriele omstandigheden in doorzichtige containers zijn vervoerd.”;

in punt 45.3 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de linkerkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

in de rechterkolom van punt 46 wordt na c) de volgende tekst d) toegevoegd:

„of

d)

de planten afkomstig zijn van teeltmateriaal (explantaat) dat vrij is van Bemisia tabaci Genn. (niet-Europese populaties) en geen symptomen vertoonde van de betrokken schadelijke organismen; in vitro zijn gekweekt in een steriel medium, onder steriele omstandigheden die de mogelijkheid van besmetting met Bemisia tabaci Genn. uitsluiten; (niet-Europese populaties); en onder steriele omstandigheden in doorzichtige containers zijn vervoerd.”;

in punt 48 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de linkerkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

in de rechterkolom van punt 49.1 wordt na b) de volgende tekst c) toegevoegd:

„of

c)

de zaden een adequate fysieke behandeling tegen Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev hebben ondergaan en bij laboratoriumproeven met een representatief monster vrij zijn bevonden van het bovenbedoelde schadelijke organisme.”;

ii)

rubriek II wordt als volgt gewijzigd:

punt 10 wordt vervangen door:

„10.

Planten van Citrus L., Fortunella Swingle, Poncirus Raf., en de hybriden daarvan, met uitzondering van vruchten en zaden

Officiële verklaring dat:

a)

de planten van oorsprong zijn uit gebieden die bekend staan als zijnde vrij van Spiroplasma citri Saglio et al., Phoma tracheiphila (Petri), Kanchaveli et Gikashvili en citrus tristeza-virus (Europese stammen),

of

b)

de planten officieel zijn gecertificeerd in het kader van een certificeringsregeling waarbij wordt geëist dat zij in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat onder adequate omstandigheden in stand is gehouden en dat telkens officieel is getoetst op tenminste citrus tristeza-virus (Europese stammen), waarbij adequate proeven of methoden overeenkomstig internationale normen zijn gebruikt en die tijdens de groei steeds in een insectvrije kas of een geïsoleerde kooi hebben gestaan waarop geen symptomen van Spiroplasma citri Saglio et al., Phoma tracheiphila (Petri) Kanchaveli et Gikashvili en citrus tristeza-virus (Europese stammen) zijn waargenomen,

of

c)

de planten:

zijn verkregen in het kader van een certificeringsregeling waarbij wordt geëist dat zij in rechte lijn voortkomen uit materiaal dat onder adequate omstandigheden in stand is gehouden en dat officieel is getoetst op tenminste citrus tristeza-virus (Europese stammen), waarbij adequate proeven overeenkomstig internationale normen zijn gebruikt en daarbij vrij zijn bevonden van citrus tristeza-virus (Europese stammen) en op grond van officiële toetsingen die overeenkomstig de in dit streepje genoemde methoden zijn verricht, vrij zijn verklaard van citrus tristeza-virus (Europese stammen),

en

zijn gecontroleerd en sedert het begin van de laatste volledige vegetatiecyclus geen symptomen van Spiroplasma citri Saglio et al., Phoma tracheiphila (Petri) Kanchaveli et Gikashvili en citrus tristeza-virus zijn waargenomen.”;

na punt 10 wordt het volgende punt 10.1 ingevoegd:

„10.1.

Planten van Citrus L., Fortunella Swingle, Poncirus Raf., en de hybriden daarvan, en Casimiroa La Llave, Clausena Burm f., Vepris Comm., Zanthoxylum L., met uitzondering van vruchten en zaden

Officiële verklaring dat de planten van oorsprong zijn uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Trioza erytreae Del Guercio.”;

punt 18.1 wordt vervangen door:

„18.1.

Knollen van Solanum tuberosum L., bestemd voor opplant

Officiële verklaring dat:

a)

aan de eisen van de Unie inzake de bestrijding van Synchytrium endobioticum (Schilbersky) Percival is voldaan,

en

b)

ofwel de knollen afkomstig zijn van een gebied dat bekend staat als zijnde vrij van Clavibacter michiganensis ssp. sepedonicus (Spieckermann et Kotthoff) Davis et al., ofwel aan de eisen van de Unie inzake de bestrijding van Clavibacter michiganensis ssp. sepedonicus (Spieckermann et Kotthoff) Davis et al. is voldaan,

en

d)

aa)

de knollen van oorsprong zijn uit gebieden die bekend staan als zijnde vrij van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al., of

bb)

uit gebieden waarvan bekend is dat er Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. voorkomt, maar de knollen van oorsprong zijn van een plaats van productie die vrij van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. bevonden is of geacht wordt ervan vrij te zijn omdat een adequate behandeling voor de uitroeiing van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. is toegepast,

en

e)

de knollen van oorsprong zijn uit gebieden waarvan bekend is dat Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties) en Meloidogyne fallax Karssen er niet voorkomen, of gebieden waarvan bekend is dat Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties) en Meloidogyne fallax Karssen er voorkomen:

ofwel, de knollen van oorsprong zijn van een productieplaats die bij een jaarlijks onderzoek op grond van een visuele controle, op daartoe geschikte tijdstippen, van gastheerplanten, alsmede een visuele controle, onmiddellijk na de oogst van de op die productieplaats geteelde aardappelen, van zowel hele als doorgesneden knollen, vrij is bevonden van Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties) en Meloidogyne fallax Karssen, of

onmiddellijk na de oogst van de knollen een aselect monster is genomen dat door middel van een daartoe geschikte inductiemethode op symptomen is onderzocht dan wel in een laboratorium is getest, alsmede zowel hele als doorgesneden knollen visueel zijn gecontroleerd op daartoe geschikte tijdstippen maar in ieder geval op het ogenblik dat de colli of de containers, voordat zij in de handel worden gebracht, zijn gesloten overeenkomstig de in Richtlijn 66/403/EEG terzake vastgestelde voorschriften, en geen symptomen van Meloidogyne chitwoodi Golden et al. (alle populaties) en Meloidogyne fallax Karssen zijn waargenomen.”;

na punt 18.1 wordt het volgende punt 18.1.1 ingevoegd:

„18.1.1

Knollen van Solanum tuberosum L., bestemd voor opplant, met uitzondering van de overeenkomstig artikel 4, lid 4, onder b), van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad te planten knollen van Solanum tuberosum L.

Onverminderd de eisen van bijlage IV, deel A, rubriek II, punt 18.1, die gelden voor de knollen van Solanum tuberosum L., bestemd voor opplant, een officiële verklaring dat is voldaan aan de bepalingen van de Unie ter bestrijding van Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens.”;

in punt 18.3. worden de woorden „Pseudomonas solanacearum (Smith) Smith” in de rechterkolom vervangen door „Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.”;

punt 18.5 wordt vervangen door:

„18.5.

Knollen van Solanum tuberosum L., andere dan die bedoeld in bijlage IV, deel A, rubriek II, punten 18.1, 18.1.1, 18.2, 18.3 of 18.4

Uit een op de verpakking of, wanneer de aardappelen in bulk worden vervoerd, op het voertuig dat de aardappelen vervoert aangebracht registratienummer moet blijken dat de aardappelen door een officieel geregistreerde producent zijn geteeld of afkomstig zijn van officieel geregistreerde collectieve opslag- of verzendingscentra in het productiegebied, met de vermelding dat de knollen vrij zijn van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. en dat voldaan is aan:

a)

de voorschriften van de Unie inzake de bestrijding van Synchytrium endobioticum (Schilbersky) Percival,

en

b)

in voorkomend geval, de voorschriften van de Unie ter bestrijding van Clavibacter michiganensis ssp. sepedonicus (Spieckermann et Kotthoff) Davis et al.,

en

c)

de bepalingen van de Unie ter bestrijding van Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens.”;

na punt 18.6 wordt het volgende punt 18.6.1 ingevoegd:

„18.6.1

Planten met wortels, bestemd voor opplant, van Capsicum spp., Solanum lycopersicum L. en Solanum melongena L., andere dan bestemd voor opplant overeenkomstig artikel 4, lid 4, onder a), van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage IV, deel A, rubriek II, punt 18.6, bedoelde planten, een officiële verklaring dat is voldaan aan de bepalingen van de Unie ter bestrijding van Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens.”;

punt 18.7 wordt vervangen door:

„18.7.

Planten van Capsicum annuum L., Solanum lycopersicum L., Musa L., Nicotiana L., en Solanum melongena L., bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage IV, deel A, rubriek II, punt 18.6, bedoelde planten, een officiële verklaring dat, in voorkomend geval:

a)

de planten van oorsprong zijn uit gebieden die bekend staan als zijnde vrij van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.,

of

b)

sedert het begin van de laatste volledige vegetatiecyclus op de planten op de plaats van productie geen symptomen van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. zijn waargenomen.”;

punt 20 wordt vervangen door:

„20.

Planten van Dendranthema (DC.) Des Moul., Dianthus L. en Pelargonium l'Hérit. ex Ait, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden

Officiële verklaring dat:

aa)

de planten van oorsprong zijn uit een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Helicoverpa armigera (Hübner) en Spodoptera littoralis (Boisd.),

of

a)

sedert het begin van de laatste volledige vegetatiecyclus op de plaats van productie geen tekenen van Helicoverpa armigera (Hübner) of Spodoptera littoralis (Boisd.) zijn waargenomen,

of

b)

de planten een adequate behandeling hebben ondergaan om ze tegen vorengenoemde organismen te beschermen.”;

in de rechterkolom van punt 23 wordt na c) de volgende tekst d) toegevoegd:

„of

d)

de planten van oorsprong zijn uit teeltmateriaal (explantaat) dat vrij is van Liriomyza huidobrensis (Blanchard) en Liriomyza trifolii (Burgess), in vitro zijn gekweekt in een steriel medium, onder steriele omstandigheden die de mogelijkheid van besmetting met Liriomyza huidobrensis (Blanchard) en Liriomyza trifolii (Burgess) uitsluiten; en onder steriele omstandigheden in doorzichtige containers zijn vervoerd.”;

punt 24 wordt vervangen door:

„24.

Planten met wortels, opgeplant of bestemd voor opplant, geteeld in de koude grond

Er wordt aangetoond dat de plaats van productie bekend staat als zijnde vrij van Clavibacter michiganensis ssp. sepedonicus (Spieckermann et Kotthoff) Davis et al. en Synchytrium endobioticum (Schilbersky) Percival.”;

na punt 24 wordt het volgende punt 24.1 ingevoegd:

„24.1.

Planten met wortels, bestemd voor opplant, geteeld in de koude grond, van Allium porrum L., Asparagus officinalis L., Beta vulgaris L., Brassica spp. en Fragaria L.

en

bollen, knollen en wortelstokken, geteeld in de koude grond, van Allium ascalonicum L., Allium cepa L., Dahlia spp., Gladiolus Tourn. ex L., Hyacinthus spp., Iris spp., Lilium spp., Narcissus L. en Tulipa L., met uitzondering van planten, bollen, knollen en wortelstokken voor opplant overeenkomstig artikel 4, lid 4, onder a) of c), van Richtlijn 2007/33/EG van de Raad

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage IV, deel A, rubriek II, punt 24 bedoelde planten, wordt aangetoond dat is voldaan aan de bepalingen van de Unie ter bestrijding van Globodera pallida (Stone) Behrens en Globodera rostochiensis (Wollenweber) Behrens.”;

in punt 26.1 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de linkerkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

in punt 27 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” in de linkerkolom vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

in de rechterkolom van punt 28.1 wordt na b) de volgende tekst c) toegevoegd:

„of

c)

de zaden een adequate fysieke behandeling tegen Ditylenchus dipsaci (Kühn) Filipjev hebben ondergaan en bij laboratoriumproeven met een representatief monster vrij zijn bevonden van het bovenbedoelde schadelijke organisme.”;

b)

deel B wordt als volgt gewijzigd:

in de punten 4, 10 en 14.2 wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„EL, IRL, UK”;

in de punten 6.3 en 14.9 wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„CZ, IRL, S, UK”;

na punt 19 wordt het volgende punt 19.1 ingevoegd:

„19.1.

Planten van Castanea Mill., bestemd voor opplant:

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage III, deel A, punt 2, en bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 11.1 en 11.2, vermelde planten, een officiële verklaring dat de planten:

a)

permanent zijn geteeld op plaatsen van productie in landen waarvan bekend is dat Cryphonectria parasitica (Murrill) Barr er niet voorkomt,

of

b)

permanent zijn geteeld in een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Cryphonectria parasitica (Murrill) Barr,

of

c)

van oorsprong zijn uit de in de rechterkolom genoemde beschermde gebieden

CZ, IRL, S, UK”;

punt 20.3 wordt vervangen door:

„20.3.

Planten met wortels, opgeplant of bestemd voor opplant, geteeld in de koude grond

Er wordt aangetoond dat de planten van oorsprong zijn van een perceel dat bekend staat als zijnde vrij van Globodera pallida (Stone) Behrens.

FI, LV, SI, SK”;

in punt 21 wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„E (met uitzondering van de autonome gemeenschappen Castilla la Mancha, Castilla y León, Extremadura, Murcia, Navarra en La Rioja, en de comarca van de gemeente Calatayud (Aragon) en de provincie Guipuzcoa (Baskenland)), EE, F (Corsica), IRL, I (Abruzzo, Basilicata, Calabria, Campania, Emilia-Romagna (de provincies Parma en Piacenza), Lazio, Liguria, Lombardia (met uitzondering van de provincies Mantova en Sondrio), Marche, Molise, Piemonte, Puglia, Sardinia, Sicilia, Toscana, Umbria, Valle d'Aosta, Veneto (met uitzondering van de provincies Rovigo en Venezia, de gemeenten Barbona, Boara Pisani, Castelbaldo, Masi, Piacenza d'Adige, S. Urbano, Vescovana in de provincie Padova en het gebied ten zuiden van autoweg A4 in de provincie Verona)), LV, LT, P, SI (met uitzondering van de regio's Gorenjska, Koroška, Maribor en Notranjska), SK (met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto, Ohrady, Okoč, Topoľníky en Trhová Hradská (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Dvory nad Žitavou (district Nové Zámky), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov)), FI, UK (Noord-Ierland, eiland Man en Kanaaleilanden)”;

in punt 21.3 wordt de tekst in de derde kolom, beschermd(e) gebied(en), vervangen door:

„E (met uitzondering van de autonome gemeenschappen Castilla la Mancha, Castilla y León, Extremadura, Murcia, Navarra en La Rioja, en de comarca van de gemeente Calatayud (Aragon) en de provincie Guipuzcoa (Baskenland)), EE, F (Corsica), IRL, I (Abruzzo, Basilicata, Calabria, Campania, Emilia-Romagna (de provincies Parma en Piacenza), Lazio, Liguria, Lombardia (met uitzondering van de provincies Mantova en Sondrio), Marche, Molise, Piemonte, Puglia, Sardinia, Sicilia, Toscana, Umbria, Valle d'Aosta, Veneto (met uitzondering van de provincies Rovigo en Venezia, de gemeenten Barbona, Boara Pisani, Castelbaldo, Masi, Piacenza d'Adige, S. Urbano, Vescovana in de provincie Padova en het gebied ten zuiden van autoweg A4 in de provincie Verona)), LV, LT, P, SI (met uitzondering van de regio's Gorenjska, Koroška, Maribor en Notranjska), SK (met uitzondering van de gemeenten Blahová, Horné Mýto, Ohrady, Okoč, Topoľníky en Trhová Hradská (district Dunajská Streda), Hronovce en Hronské Kľačany (district Levice), Dvory nad Žitavou (district Nové Zámky), Málinec (district Poltár), Hrhov (district Rožňava), Veľké Ripňany (district Topoľčany), Kazimír, Luhyňa, Malý Horeš, Svätuše en Zatín (district Trebišov)), FI, UK (Noord-Ierland, eiland Man en Kanaaleilanden)”;

punt 31 wordt vervangen door:

„31.

Vruchten van Citrus L., Fortunella Swingle, Poncirus Raf. en de hybriden daarvan, van oorsprong uit BG, HR, SI, EL (regionale eenheden Argolida en Chania), P (Algarve en Madeira), E, F, CY en I

Onverminderd de bepaling in bijlage IV, deel A, rubriek II, punt 30.1, dat de oorsprong op de verpakking moet worden vermeld, moeten:

a)

de vruchten vrij zijn van bladeren en steeltjes; of

b)

wanneer het vruchten met bladeren en steeltjes betreft, zij vergezeld gaan van een officiële verklaring dat de vruchten verpakt zijn in gesloten containers die onder officieel toezicht zijn gesloten en die gedurende het transport door een voor deze vruchten erkend beschermd gebied gesloten blijven, en waarop een speciaal merkteken is aangebracht dat ook op het plantenpaspoort is aangegeven.

EL (met uitzondering van de regionale eenheden Argolida en Chania), M, P (met uitzondering van Algarve en Madeira)”;

punt 32 wordt vervangen door:

„32.

Planten van Vitis L., met uitzondering van vruchten en zaden

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage III, deel A, punt 15, bijlage IV, deel A, rubriek II, punt 17, en bijlage IV, deel B, punt 21.1, vermelde planten, een officiële verklaring dat:

a)

de planten van oorsprong zijn uit en geteeld zijn op een plaats van productie in een land waar Grapevine flavescence dorée MLO voor zover bekend niet voorkomt; of

b)

de planten van oorsprong zijn uit en geteeld zijn op een plaats van productie in een gebied dat vrij is van Grapevine flavescence dorée MLO, zoals door de nationale plantenziektekundige dienst is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen; of

c)

de planten van oorsprong zijn uit en geteeld zijn in Tsjechië, Frankrijk (Alsace, Champagne-Ardenne, Picardie (departement Aisne), Ile de France (gemeenten Citry, Nanteuil-sur-Marne en Saâcy-sur-Marne) en Lorraine), of Italië (Basilicata, Puglia en Sardinia); of

cc)

de planten van oorsprong zijn uit en geteeld zijn in Zwitserland (met uitzondering van het kanton Ticino en het Mesolcina-dal); of

d)

de planten van oorsprong zijn uit en geteeld zijn op een plaats van productie waar:

aa)

sedert het begin van de laatste twee volledige vegetatiecycli op de moederplanten geen symptomen van Grapevine flavescence dorée MLO zijn waargenomen; en

bb)

ofwel

i)

geen symptomen van Grapevine flavescence dorée MLO zijn waargenomen op de planten op de plaats van productie; of

ii)

de planten een heetwaterbehandeling hebben ondergaan bij ten minste 50 °C gedurende 45 minuten om de aanwezigheid van Grapevine flavescence dorée MLO te elimineren.

CZ, FR (Alsace, Champagne-Ardenne, Picardie (departement Aisne), Ile de France (gemeenten Citry, Nanteuil-sur-Marne en Saâcy-sur-Marne) en Lorraine), I (Basilicata, Puglia en Sardinia)”;

na punt 32 wordt het volgende punt 33 ingevoegd:

„33.

Planten van Castanea Mill., met uitzondering van planten in weefselcultuur, vruchten en zaden

Onverminderd de bepalingen die gelden voor de in bijlage III, deel A, punt 2, en bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 11.1 en 11.2, vermelde planten, een officiële verklaring dat:

a)

de planten permanent zijn geteeld op een plaats van productie in een land waar Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu niet voorkomt;

of

b)

de planten permanent zijn geteeld in een gebied dat door de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen vrij is bevonden van Dryocosmus kuriphilus Yasumatsu;

of

c)

de planten permanent zijn geteeld in een in de rechterkolom vermeld beschermd gebied.

IRL, P, UK”;

5)

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a)

deel A wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek I wordt als volgt gewijzigd:

punt 1.4 wordt vervangen door:

„1.4.

Planten van Fortunella Swingle, Poncirus Raf., en hybriden daarvan, Casimiroa La Llave, Clausena Burm. f., Vepris Comm., Zanthoxylum L. en Vitis L, met uitzondering van vruchten en zaden”;

punt 2.1 wordt vervangen door:

„2.1.

Planten, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van de geslachten Abies Mill., Apium graveolens L., Argyranthemum spp., Asparagus officinalis L., Aster spp., Brassica spp., Castanea Mill., Cucumis spp., Dendranthema (DC.) Des Moul., Dianthus L. en hybriden daarvan, Exacum spp., Fragaria L., Gerbera Cass., Gypsophila L., alle rassen Nieuw-Guinea-hybriden van Impatiens L., Lactuca spp., Larix Mill., Leucanthemum L., Lupinus L., Pelargonium l'Hérit. ex Ait., Picea A. Dietr., Pinus L., Platanus L., Populus L., Prunus laurocerasus L., Prunus lusitanica L., Pseudotsuga Carr., Quercus L., Rubus L., Spinacia L., Tanacetum L., Tsuga Carr., Verbena L. en andere planten van kruidachtige soorten, met uitzondering van planten van de familie Gramineae, bestemd voor opplant, en met uitzondering van bollen, stengelknollen, wortelstokken, zaden en knollen”;

In punt 2.4 worden de woorden „Lycopersicon lycopersicum (L.) Karsten ex Farw.” onder het derde streepje vervangen door „Solanum lycopersicum L.”;

punt 3 wordt vervangen door:

„3.

Bollen, stengelknollen, knollen en wortelstokken,van Camassia Lindl., Chionodoxa Boiss., Crocus flavus Weston 'Golden Yellow', Dahlia spp., Galanthus L., Galtonia candicans (Baker) Decne., minicultivars en de hybriden daarvan, van het geslacht Gladiolus Tourn. ex L., zoals Gladiolus callianthus Marais, Gladiolus colvillei Sweet, Gladiolus nanus hort., Gladiolus ramosus hort. en Gladiolus tubergenii hort., Hyacinthus L., Iris L., Ismene Herbert, Lilium spp., Muscari Miller, Narcissus L., Ornithogalum L., Puschkinia Adams, Scilla L., Tigridia Juss. en Tulipa L., bestemd voor opplant, geproduceerd door producenten die hun productie mogen verkopen aan personen die zich beroepshalve bezighouden met de productie van planten, met uitzondering van planten, plantaardige producten en ander materiaal die klaargemaakt zijn en gereed voor verkoop aan de eindverbruiker, en waaromtrent door de bevoegde overheidsinstantie is verzekerd dat de productie ervan duidelijk gescheiden is van die van andere producten.”;

ii)

rubriek II wordt als volgt gewijzigd:

punt 1.2 wordt vervangen door:

„1.2.

Planten, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, van Populus L., Beta vulgaris L. en Quercus spp., met uitzondering van Quercus suber”;

onder punt 1.3 worden na „Amelanchier Med.” de woorden „Castanea Mill.” ingevoegd;

onder punt 1.8 worden na „Beta vulgaris L.” de woorden „Castanea Mill.” ingevoegd;

b)

deel B wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek I wordt als volgt gewijzigd:

de punten 1 en 2 worden vervangen door:

„1.

Planten, bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden maar inclusief zaden van Cruciferae, Gramineae, Trifolium spp., van oorsprong uit Argentinië, Australië, Bolivia, Chili, Nieuw-Zeeland en Uruguay, de geslachten Triticum, Secale en X Triticosecale uit Afghanistan, India, Iran, Irak, Mexico, Nepal, Pakistan, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten, Citrus L., Fortunella Swingle en Poncirus Raf. en de hybriden daarvan, Capsicum spp., Helianthus annuus L., Solanum lycopersicum L., Medicago sativa L., Prunus L., Rubus L., Oryza spp., Zea mais L., Allium ascalonicum L., Allium cepa L., Allium porrum L., Allium schoenoprasum L. en Phaseolus L.

2.

Delen van planten, met uitzondering van vruchten en zaden van:

Castanea Mill., Dendranthema (DC.) Des Moul., Dianthus L., Gypsophila L., Pelargonium l'Herit. ex Ait, Phoenix spp., Populus L., Quercus L., Solidago L. en snijbloemen van Orchidaceae,

naaldbomen (Coniferales),

Acer saccharum Marsh., van oorsprong uit de Verenigde Staten en Canada,

Prunus L., van oorsprong uit niet-Europese landen,

Snijbloemen van Aster spp., Eryngium L., Hypericum L., Lisianthus L., Rosa L. en Trachelium L., van oorsprong uit niet-Europese landen,

bladgroenten van Apium graveolens L., Ocimum L., Limnophila L. en Eryngium L.,

bladeren van Manihot esculenta Crantz,

afgesneden takken van Betula L., met of zonder loof,

afgesneden takken van Fraxinus L., Juglans ailantifolia Carr., Juglans mandshurica Maxim., Ulmus davidiana Planch. en Pterocarya rhoifolia Siebold & Zucc., met of zonder loof, van oorsprong uit Canada, China, de Democratische Volksrepubliek Korea, Japan, Mongolië, de Republiek Korea, Rusland, Taiwan en de Verenigde Staten,

Amiris P. Browne, Casimiroa La Llave, Citropsis Swingle & Kellerman, Eremocitrus Swingle, Esenbeckia Kunth., Glycosmis Corrêa, Merrillia Swingle, Naringi Adans., Tetradium Lour., Toddalia Juss. en Zanthoxylum L.”;

na punt 2 wordt het volgende punt 2.1 ingevoegd:

„2.1.

Delen van planten van Aegle Corrêa, Aeglopsis Swingle, Afraegle Engl, Atalantia Corrêa, Balsamocitrus Stapf, Burkillanthus Swingle, Calodendrum Thunb., Choisya Kunth, Clausena Burm. f., Limonia L., Microcitrus Swingle., Murraya J. Koenig ex L., Pamburus Swingle, Severinia Ten., Swinglea Merr., Triphasia Lour. en Vepris Comm., met uitzondering van vruchten (maar inclusief zaden)”;

in punt 3 wordt het volgende streepje toegevoegd:

„—

Capsicum L.”;

de punten 5 en 6 worden vervangen door:

„5.

Bast, zonder andere delen, van:

naaldbomen (Coniferales), van oorsprong uit niet-Europese landen,

Acer saccharum Marsh, Populus L., en Quercus L. andere dan Quercus suber L.,

Fraxinus L., Juglans ailantifolia Carr., Juglans mandshurica Maxim., Ulmus davidiana Planch. en Pterocarya rhoifolia Siebold & Zucc. van oorsprong uit Canada, China, de Democratische Volksrepubliek Korea, Japan, Mongolië, de Republiek Korea, Rusland, Taiwan en de Verenigde Staten,

Betula L., van oorsprong uit Canada en de Verenigde Staten.

6.

Hout in de zin van artikel 2, lid 2, eerste alinea, dat:

a)

geheel of gedeeltelijk is verkregen uit één van de hieronder genoemde families, geslachten of soorten, met uitzondering van verpakkingsmateriaal van hout als omschreven in bijlage IV, deel A, rubriek I, punt 2:

Quercus L., ook wanneer het hout niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit de Verenigde Staten, met uitzondering van hout dat voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in GN-code 4416 00 00 onder b), voor zover kan worden aangetoond dat het hout is verwerkt of vervaardigd met gebruikmaking van een warmtebehandeling waarbij een temperatuur van ten minste 176 °C is gehandhaafd gedurende 20 minuten,

Platanus L., ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, van oorsprong uit Armenië of de Verenigde Staten,

Populus L., ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, van oorsprong uit landen van het Amerikaanse vasteland,

Acer saccharum Marsh., ook wanneer het hout niet zijn natuurlijke ronde oppervlak heeft behouden, van oorsprong uit Canada en de Verenigde Staten,

naaldbomen (Coniferales), ook wanneer het hout zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, van oorsprong uit niet-Europese landen, Kazachstan, Rusland en Turkije,

Fraxinus L., Juglans ailantifolia Carr., Juglans mandshurica Maxim., Ulmus davidiana Planch. en Pterocarya rhoifolia Siebold & Zucc., met inbegrip van hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, van oorsprong uit Canada, China, de Democratische Volksrepubliek Korea, Japan, Mongolië, de Republiek Korea, Rusland, Taiwan en de Verenigde Staten,

Betula L., met inbegrip van hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, van oorsprong uit Canada en de Verenigde Staten, en

b)

beantwoordt aan één van de volgende omschrijvingen zoals die zijn opgenomen in bijlage I, deel II, bij Verordening (EEG) nr. 2658/87:

GN-code

Omschrijving

4401 10 00

Brandhout, in de vorm van ronde en andere blokken, rijshout, takkenbossen en dergelijke

4401 21 00

Naaldhout in plakjes, spanen of kleine stukjes

4401 22 00

Ander hout dan naaldhout in plakjes, spanen of kleine stukjes

ex 4401 30 40

Zaagsel, niet geperst tot blokken, briketten, pellets of dergelijke vormen

ex 4401 30 80

Andere resten en afval, van hout, niet geperst tot blokken, briketten, pellets of dergelijke vormen

4403 10 00

Hout, onbewerkt, behandeld met verf, met creosoot of andere conserveringsmiddelen, niet ontschorst of ontdaan van spint, of vierkant behakt of bezaagd

4403 20

Naaldhout, onbewerkt, anders dan behandeld met verf, met creosoot of met andere conserveringsmiddelen, ook indien ontschorst, ontdaan van spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

4403 91

Eikenhout (Quercus spp.), onbewerkt, anders dan behandeld met verf, met creosoot of met andere conserveringsmiddelen, ook indien ontschorst, ontdaan van spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

ex 4403 99

Ander hout dan naaldhout (ander hout dan het in aanvullende aantekening 1 bij hoofdstuk 44 genoemde tropische hout of ander tropisch hout, eik (Quercus spp.), beuk (Fagus spp.) of berk (Betula L.)), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd, ander dan behandeld met verf, met creosoot of met andere conserveringsmiddelen

4403 99 51

Zaaghout van berken (Betula L.), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

4403 99 59

Berkenhout (Betula L.), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd, ander dan zaaghout

ex 4404

Gekloofde staken, palen en stokken van hout, aangepunt doch niet overlangs gezaagd

4406

Houten dwarsliggers en wisselhouten

4407 10

Naaldhout, overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm

4407 91

Eikenhout (Quercus spp.), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm

ex 4407 93

Hout van Acer saccharum Marsh, overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm

4407 95

Hout van es (Fraxinus spp.), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm

ex 4407 99

Ander hout dan naaldhout (ander hout dan het in aanvullende aantekening 1 bij hoofdstuk 44 genoemde tropische hout of ander tropisch hout, eik (Quercus spp.), beuk (Fagus spp.), esdoorn (Acer spp.), kers (Prunus spp.) of es (Fraxinus spp.), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of met vingerlasverbinding, met een dikte van meer dan 6 mm

4408 10

Fineerplaten van naaldhout (die verkregen door het snijden van gelaagd hout daaronder begrepen), platen voor de vervaardiging van triplex- en multiplexhout of voor ander op dergelijke wijze gelaagd hout, alsmede ander hout, overlangs gezaagd, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd, met verbinding aan de randen of in de lengte verbonden, met een dikte van niet meer dan 6 mm

4416 00 00

Vaten, kuipen, tobben en ander kuiperswerk, alsmede delen daarvan, van hout, duighout daaronder begrepen

9406 00 20

Geprefabriceerde bouwwerken van hout”

ii)

in rubriek II, punt 5, worden vóór de woorden „Dolichos Jacq.” de woorden „Castanea Mill.” ingevoegd.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/49


RICHTLIJN 2014/81/EU VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2014

tot wijziging van aanhangsel C van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van speelgoed, wat bisfenol A betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (1), en met name artikel 46, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2009/48/EG zijn algemene eisen vastgesteld voor stoffen die krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (2) zijn ingedeeld als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting („CMR-stoffen”). Dergelijke stoffen mogen niet worden gebruikt in speelgoed, in bestanddelen van speelgoed of in microstructureel afzonderlijke delen van speelgoed, behalve indien zij niet toegankelijk zijn voor kinderen, indien dit gebruik is toegestaan bij een besluit van de Commissie of indien zij aanwezig zijn in een concentratie die afzonderlijk gelijk is aan of lager is dan de desbetreffende concentratie die is vastgesteld voor de indeling van mengsels die deze stoffen bevatten als CMR-stoffen. Om de gezondheid van kinderen nader te beschermen kunnen zo nodig specifieke grenswaarden worden vastgesteld voor de aanwezigheid van dergelijke stoffen in speelgoed dat bestemd is voor gebruik door kinderen jonger dan drie jaar of ander speelgoed dat bedoeld is om in de mond genomen te worden.

(2)

De stof bisfenol A is een in grote hoeveelheden geproduceerde chemische stof die op grote schaal wordt gebruikt bij de productie van uiteenlopende consumentenproducten. Bisfenol A wordt als monomeer gebruikt bij de vervaardiging van polycarbonaatkunststoffen. Polycarbonaatkunststoffen worden onder meer gebruikt voor de vervaardiging van speelgoed. Bisfenol A is aangetroffen in bepaalde speelgoedartikelen.

(3)

Tot 19 juli 2013 waren de fundamentele veiligheidsvoorschriften betreffende de chemische eigenschappen van speelgoed in Richtlijn 88/378/EEG van de Raad van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de veiligheid van speelgoed (3) van toepassing. De Europese norm EN 71-9:2005+A1:2007 voorziet in een migratielimiet van 0,1 mg/l voor bisfenol A. Testmethoden hiervoor zijn opgenomen in de Europese normen EN 71-10:2005 en EN 71-11:2005. De speelgoedindustrie gebruikt de limieten en methoden in EN 71-9:2005+A1:2007, EN 71-10:2005 en EN 71-11:2005 als referentie om te waarborgen dat er geen onveilige blootstelling aan bisfenol A via speelgoed plaatsvindt. Het zijn echter geen geharmoniseerde normen.

(4)

Bisfenol A is krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 ingedeeld als giftig voor de voortplanting, categorie 2. Zolang er geen specifieke voorschriften zijn, mag bisfenol A in speelgoed aanwezig zijn in een concentratie die gelijk is aan of lager is dan de desbetreffende concentratie die is vastgesteld voor de indeling van mengsels die deze stof bevatten als CMR-stoffen, namelijk 5 % vanaf 20 juli 2013 en 3 % vanaf 1 juni 2015. Het kan niet worden uitgesloten dat de blootstelling van kleine kinderen aan bisfenol A bij die concentratie groter is dan de migratielimiet van 0,1 mg/l, zoals vastgesteld voor die stof in de Europese normen EN 71-9:2005+A1:2007, EN 71-10:2005 en EN 71-11:2005.

(5)

In 2003 en 2008 is bisfenol A uitgebreid beoordeeld op grond van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen (4). In het definitieve beoordelingsverslag, getiteld „Updated European Union Risk Assessment Report 4,4'-isopropylidenediphenol (bisphenol-A)”, werd onder meer vermeld dat bisfenol A in een aantal in vitro en in vivo uitgevoerde screeningtests een hormoonontregelende werking had en werd geconcludeerd dat nader onderzoek noodzakelijk was om een eind te maken aan de onduidelijkheid over de vraag of bisfenol A in geringe hoeveelheden schadelijke effecten op de ontwikkeling kan hebben. Toch is opname van de migratielimiet van 0,1 mg/l voor bisfenol A in Richtlijn 2009/48/EG gerechtvaardigd om kinderen, als kwetsbare groep consumenten met specifieke behoeften, een hoog beschermingsniveau tegen de risico's van chemische stoffen in speelgoed te bieden.

(6)

De effecten van bisfenol A worden beoordeeld door wetenschappelijke instanties, waaronder de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. De migratielimiet die bij deze richtlijn wordt vastgesteld, moet in de toekomst opnieuw worden bezien als nieuwe wetenschappelijke informatie beschikbaar komt.

(7)

Richtlijn 2009/48/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de veiligheid van speelgoed,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Aanhangsel C van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG komt als volgt te luiden:

„Aanhangsel C

Specifieke grenswaarden voor chemische stoffen die worden gebruikt in speelgoed dat bestemd is voor gebruik door kinderen jonger dan 36 maanden of in ander speelgoed dat bedoeld is om in de mond genomen te worden overeenkomstig artikel 46, lid 2

Stof

CAS-nr.

Grenswaarde

TCEP

115-96-8

5 mg/kg (gehaltelimiet)

TCPP

13674-84-5

5 mg/kg (gehaltelimiet)

TDCP

13674-87-8

5 mg/kg (gehaltelimiet)

Bisfenol A

80-05-7

0,1 mg/l (migratielimiet) overeenkomstig de methoden in EN 71-10:2005 en EN 71-11:2005”

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 21 december 2015 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 21 december 2015.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 170 van 30.6.2009, blz. 1.

(2)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(3)  PB L 187 van 16.7.1988, blz. 1.

(4)  PB L 84 van 5.4.1993, blz. 1.


BESLUITEN

24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/52


BESLUIT 2014/380/GBVB VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

tot wijziging van Besluit 2011/137/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 28 februari 2011 heeft de Raad Besluit 2011/137/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (1) vastgesteld.

(2)

Op 19 maart 2014 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 2146 (2014) (UNSCR 2146 (2014)) aangenomen, waarbij de lidstaten van de VN gemachtigd worden op volle zee vaartuigen te inspecteren die aangewezen zijn door het Comité dat opgericht is bij punt 24 van UNSCR 1970 (2011) („het Comité”).

(3)

UNSCR 2146 (2014) bepaalt dat de vlaggenstaten van aangewezen vaartuigen, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, de nodige maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat die vaartuigen ruwe olie laden, vervoeren of lossen die zonder medeweten van het contactpunt van de Libische regering illegaal uit Libië is uitgevoerd.

(4)

Voorts bepaalt UNSCR 2146 (2014) dat de VN-lidstaten, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, de nodige maatregelen moeten nemen om aangewezen vaartuigen te verbieden hun havens binnen te komen, tenzij dit voor een inspectie in geval van nood of in geval van terugkeer naar Libië noodzakelijk is.

(5)

Daarnaast bepaalt UNSCR 2146 (2014) dat, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, het verlenen van bunkerdiensten, zoals het verstrekken van brandstof of bevoorrading of andere diensten, aan aangewezen vaartuigen verboden moet worden, tenzij de verstrekking van dergelijke diensten nodig is voor humanitaire doeleinden, of in geval van terugkeer naar Libië.

(6)

UNSCR 2146 (2014) bepaalt tevens dat, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, er aan boord van aangewezen vaartuigen geen financiële transacties mogen plaatsvinden in verband met illegaal uit Libië uitgevoerde ruwe olie.

(7)

De Raad heeft overeenkomstig Besluit 2011/137/GBVB een volledige herziening uitgevoerd van de lijsten van personen en entiteiten in de bijlagen II en IV bij dat besluit.

(8)

De informatie ter identificatie van één entiteit op de lijst van personen en entiteiten in bijlage IV bij Besluit 2011/137/GBVB moet worden geactualiseerd.

(9)

Voor twee entiteiten zijn er geen redenen meer om ze op de lijst van personen en entiteiten in bijlage IV bij Besluit 2011/137/GBVB te houden.

(10)

Besluit 2011/137/GBVB dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2011/137/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 4 ter

1.   Overeenkomstig de punten 5 tot en met 9 van UNSCR 2146 (2014) mogen de lidstaten aangewezen vaartuigen op volle zee inspecteren met alle op deze specifieke omstandigheden afgestemde maatregelen, en met inachtneming van het internationaal humanitair recht en de internationale wetgeving inzake mensenrechten, waar van toepassing, om die inspecties uit te voeren en het desbetreffende vaartuig ertoe te bewegen de ruwe olie, met de toestemming van en in samenwerking met de Libische regering, naar Libië terug te transporteren.

2.   Alvorens een inspectie als bedoeld in lid 1 uit te voeren, vragen de lidstaten de vlaggenstaat van het vaartuig om toestemming.

3.   Lidstaten die een inspectie als bedoeld in lid 1 uitvoeren, brengen het Comité onverwijld verslag uit over de inspectie, met de relevante gegevens, waaronder hun inspanningen om de vlaggenstaat van het vaartuig om toestemming te vragen.

4.   Lidstaten die inspecties als bedoeld in lid 1 uitvoeren, zorgen ervoor dat dergelijke inspecties uitgevoerd worden door oorlogsschepen en schepen die eigendom zijn van of geëxploiteerd worden door een staat en alleen voor niet-commerciële overheidsdiensten worden gebruikt.

5.   Lid 1 doet geen afbreuk aan de rechten, plichten of verantwoordelijkheden van lidstaten met betrekking tot het internationaal recht, inclusief de rechten en plichten uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, zoals het algemene beginsel van de uitsluitende bevoegdheid van een vlaggenstaat over zijn vaartuigen op volle zee, met betrekking tot niet-aangewezen vaartuigen en in andere situaties dan bedoeld in dat lid.

6.   Bijlage V bevat de gegevens over de in lid 1 bedoelde vaartuigen die door het Comité overeenkomstig punt 11 van UNSCR 2146 (2014) zijn aangewezen.

Artikel 4 quater

1.   Een lidstaat die de vlaggenstaat is van een aangewezen vaartuig, verbiedt, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, het vaartuig ruwe olie te laden, te vervoeren of te lossen die zonder medeweten van het contactpunt van de Libische regering illegaal uit Libië is uitgevoerd, als bedoeld in punt 3 van UNSCR 2146 (2014).

2.   De lidstaten ontzeggen, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, aangewezen vaartuigen de toegang tot hun havens, tenzij dergelijke toegang vereist is voor een inspectie, of in geval van nood of in geval van terugkeer naar Libië.

3.   Het verlenen van bunkerdiensten, zoals het verstrekken van brandstof of bevoorrading of andere diensten, aan aangewezen vaartuigen door onderdanen van lidstaten of vanaf het grondgebied van de lidstaten, is, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, verboden.

4.   Lid 3 is niet van toepassing wanneer de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat bepaalt dat die diensten nodig zijn voor humanitaire doeleinden of dat het vaartuig moet terugkeren naar Libië. De betrokken lidstaat stelt het Comité daarvan in kennis.

5.   Financiële transacties door onderdanen van lidstaten of entiteiten binnen hun rechtsgebied, of vanaf het grondgebied van lidstaten met betrekking tot illegaal uit Libië uitgevoerde ruwe olie, aan boord van aangewezen vaartuigen, zijn, indien de aanwijzing door het Comité dit zo heeft bepaald, verboden.

6.   Bijlage V bevat de gegevens over de in de leden 1, 2, 3 en 5 bedoelde vaartuigen die zijn aangewezen door het Comité overeenkomstig punt 11 van UNSCR 2146 (2014).”.

2)

In artikel 8 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Raad wijzigt de bijlagen I, III en V op basis van de vaststellingen van het Comité.”.

3)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 9 ter

Wanneer het Comité een vaartuig aanwijst als bedoeld in artikel 4 ter, lid 1, en artikel 4 quater, leden 1, 2, 3 en 5, neemt de Raad dat vaartuig op in bijlage V.”.

Artikel 2

Bijlage I bij dit besluit wordt als bijlage V bij Besluit 2011/137/GBVB gevoegd.

Artikel 3

Bijlage IV bij Besluit 2011/137/GBVB wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij dit besluit.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 58 van 3.3.2011, blz. 53.


BIJLAGE I

„BIJLAGE V

LIJST VAN IN ARTIKEL 4 ter, LID 1, EN ARTIKEL 4 quater, LEDEN 1, 2, 3 EN 5, BEDOELDE VAARTUIGEN

…”


BIJLAGE II

Bijlage IV bij Besluit 2011/137/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

De vermelding voor de entiteit „Capitana Seas Limited” wordt vervangen door de volgende vermelding:

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum plaatsing op de lijst

„36.

Capitana Seas Limited

 

Op de Britse Maagdeneilanden als vennootschap opgerichte entiteit die in handen is van Saadi Kadhafi

12.4.2011”

2)

De vermeldingen voor de volgende entiteiten worden geschrapt:

Libyan Holding Company for Development and Investment;

Dalia Advisory Limited (LIA sub).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/56


BESLUIT 2014/381/GBVB VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

houdende wijziging van Besluit 2010/573/GBVB inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 27 september 2010 Besluit 2010/573/GBVB (1) vastgesteld.

(2)

De Raad heeft op 27 september 2013 Besluit 2013/477/GBVB (2) vastgesteld, waarbij, op basis van een toetsing van Besluit 2010/573/GBVB, de beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië werden verlengd tot en met 30 september 2014.

(3)

De Raad heeft besloten de beperkende maatregelen te verlengen tot en met 31 oktober 2014.

(4)

Besluit 2010/573/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 4 van Besluit 2010/573/GBVB wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Dit besluit is van toepassing tot en met 31 oktober 2014. Het wordt voortdurend getoetst. Het wordt zo nodig verlengd of gewijzigd indien de Raad oordeelt dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  Besluit 2010/573/GBVB van de Raad van 27 september 2010 inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië (PB L 253 van 28.9.2010, blz. 54).

(2)  Besluit 2013/477/GBVB van de Raad van 27 september 2013 houdende wijziging van Besluit 2010/573/GBVB inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië (PB L 257 van 28.9.2013, blz. 18).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/57


UITVOERINGSBESLUIT 2014/382/GBVB VAN DE RAAD

van 23juni 2014

tot uitvoering van Besluit 2013/798/GBVB betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,

Gezien Besluit 2013/798/GBVB van de Raad van 23 december 2013 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Centraal-Afrikaanse Republiek (1), en met name artikel 2 quater,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 23 december 2013 Besluit 2013/798/GBVB vastgesteld.

(2)

Op 9 mei 2014 heeft het Sanctiecomité dat is ingesteld op grond van Resolutie 2127 (2013) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, drie personen toegevoegd aan de lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan bij de punten 30 en 32 van Resolutie 2134 (2014) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties opgelegde maatregelen.

(3)

De bijlage bij Besluit 2013/798/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij dit besluit genoemde personen worden toegevoegd aan de lijst in de bijlage bij Besluit 2013/798/GBVB.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 352 van 24.12.2013, blz. 51.


BIJLAGE

Personen bedoeld in artikel 1

1.   FRANÇOIS YANGOUVONDA BOZIZÉ

FAMILIENAAM: BOZIZÉ

VOORNAAM: François Yangouvonda

ALIAS: Bozize Yangouvonda

GEBOORTEDATUM EN -PLAATS: 14 oktober 1946/Mouila, Gabon

PASPOORT/IDENTIFICATIEGEGEVENS: Zoon van Martine Kofio

BESCHRIJVING/MOTIVERING: Heeft deelgenomen of steun verleend aan activiteiten die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) ondermijnen: Sedert de staatsgreep van 24 maart 2013 levert Bozizé financiële en materiële steun aan milities die het transitieproces willen saboteren en hem weer aan de macht willen brengen. François Bozizé was, met zijn medestanders, instigator van de aanval van 5 december 2013 op Bangui. Na die operatie van de zogenoemde anti-balaka, waarbij 700 doden vielen, verslechterde de situatie in het land zienderogen. Sindsdien zet hij zijn destabilisatiepogingen voort en tracht hij de anti-balakamilities te verenigen, om de onrust in de hoofdstad te bestendigen. Bozizé heeft geprobeerd grote groepen Centraal-Afrikaanse strijdkrachten die zich na de staatsgreep op het platteland hadden verspreid, te reorganiseren. Gewapende aanhangers waren betrokken bij vergeldingsacties tegen de moslimbevolking in het land. Bozizé heeft zijn milities opgeroepen verder wreedheden te begaan tegen het huidige regime en tegen de islamisten.

2.   NOURREDINE ADAM

FAMILIENAAM: ADAM

VOORNAAM: Nourredine

ALIAS: Nourredine Adam; Nureldine Adam; Nourreldine Adam; Nourreddine Adam

GEBOORTEDATUM EN -PLAATS: 1970/Ndele, CAR

Andere geboortedata: 1969, 1971

PASPOORT/IDENTIFICATIEGEGEVENS:

 

BESCHRIJVING/MOTIVERING: Heeft deelgenomen of steun verleend aan activiteiten die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de CAR ondermijnen: Noureddine is een van de oorspronkelijke leiders van de Séléka. Hij wordt aangeduid als generaal en als leider van een van de gewapende rebellengroepen van de Séléka, de Central PJCC, een groep die formeel bekend staat als Convention of Patriots for Justice and Peace, ook wel afgekort tot CPJP. Als voormalig hoofd van de „fundamentalistische” fractie van de Convention of Patriots for Justice and Peace (CPJP/F) was hij militair coördinator van de ex-Séléka bij offensieven tijdens de opstand in de Centraal-Afrikaanse Republiek van begin december 2012 tot maart 2013. Zonder Noureddine was de Séléka wellicht nooit in staat geweest de vroegere president van de CAR, François Bozizé, van macht te beroven. Na de aanstelling van Catherine Samba-Panza tot interim-president op 20 januari 2014 werd hij een van de voornaamste architecten van de tactische terugtrekking van de Séléka op Sibut, waarbij hij het plan koestert in het noorden van het land een islamitisch bolwerk te vestigen. Hij had zijn troepen kennelijk aangespoord zich te verzetten tegen de bevelen van de overgangsregering en van de militaire aanvoerders van de internationale ondersteuningsmissie ten behoeve van de Centraal-Afrikaanse Republiek onder Afrikaanse leiding (MISCA). Noureddine is metterdaad aanvoerder van ex-Séléka, de voormalige Séléka-strijdkrachten die in september 2013 door Djotodia werden ontbonden, hij dirigeert operaties tegen christelijke gebieden en blijft de ex-Séléka in de CAR leiden en steunen.

Was betrokken bij het plannen, bevelen en plegen van schendingen van het internationale recht inzake de mensenrechten of van het internationale humanitaire recht: Toen de Séléka op 24 maart 2013 Bangui had ingenomen, werd Nourredine Adam minister voor Veiligheid, en vervolgens directeur-generaal van het „Speciaal comité voor de verdediging van de democratische verworvenheden” (Comité extraordinaire de défense des acquis démocratiques — CEDAD, een nu verdwenen inlichtingendienst van de CAR). Nourredine Adam gebruikte het CEDAD als zijn eigen politieke politie; deze heeft zich schuldig gemaakt aan talrijke willekeurige arrestaties, folteringen en standrechtelijke executies. Voorts is Nourredine een spilfiguur geweest bij de bloedige operatie in Boy Rabe. In augustus 2013 werd Boy Rabe, een buurt die als bastion van de aanhangers van François Bozizé en diens stam geldt, door Sélékatroepen bestormd. Naar verluidt vermoordden zij tientallen burgers en trokken zij plunderend door het gebied, onder het voorwendsel verborgen wapens te zoeken. Toen ook andere buurten werden overvallen, vluchtten duizenden bewoners naar de internationale luchthaven, die wegens de aanwezigheid van Franse soldaten als veilige zone werd beschouwd, en bezetten zij de startbaan.

Heeft gewapende groepen en criminele netwerken gesteund door illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen: Begin 2013 heeft Nourredine Adam een belangrijke rol gespeeld in de netwerken die de ex-Séléka financieren. Hij reisde naar Saudi-Arabië, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten om er fondsen voor de opstand te werven. Hij trad voor een Tsjadische bende op als facilitator bij een diamantzwendel tussen de Centraal-Afrikaanse Republiek en Tsjaad.

3.   LEVY YAKETE

FAMILIENAAM: YAKETE

VOORNAAM: Levy

ALIAS: Levi Yakite; Levy Yakite

GEBOORTEDATUM EN -PLAATS: 14 augustus 1964/Bangui, CAR

Andere geboortedatum: 1965

PASPOORT/IDENTIFICATIEGEGEVENS: Zoon van Pierre Yakété en Joséphine Yamazon.

BESCHRIJVING/MOTIVERING: Heeft deelgenomen of steun verleend aan activiteiten die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid in de CAR ondermijnen: Op 17 december 2013 werd Yakete politiek coördinator van de pas opgerichte „People's Resistance Movement for Reforming of the Central African Republic”, de zogenoemde anti-balaka. Hij had rechtstreeks de hand in beslissingen van een rebellengroep die betrokken was bij het ondermijnen van de vrede, de stabiliteit en de veiligheid in de CAR, in het bijzonder op en sinds 5 december 2013. Wegens dergelijke activiteiten is de groep bovendien uitdrukkelijk geviseerd in de VNVR-Resoluties 2127, 2134 en 2149. Yakete wordt ervan beschuldigd mensen te hebben laten arresteren die met de Séléka verbonden zijn, te hebben opgeroepen tot geweld jegens personen die president Bozizé niet steunen, en jongeren te ronselen voor milities die tegenstanders van het regime met machetes te lijf gaan. Na maart 2013 bleef hij behoren tot de entourage van François Bozizé en sloot hij zich aan bij het Front voor herstel van de constitutionele orde in Centraal-Afrika (Front pour le Retour à l'Ordre Constitutionnel en CentrAfrique — FROCCA), dat de afgezette president met alle nodige middelen weer aan de macht wilde brengen. In de late zomer van 2013 reisde hij naar Kameroen en Benin, om er te ronselen voor de strijd tegen de Séléka. In september 2013 trachtte hij de operaties onder leiding van Bozizé-aanhangers in steden en dorpen in de buurt van Bossangoa weer onder zijn commando te krijgen. Yakete wordt ervan verdacht jonge werkloze christenen met machetes te wapenen, voor aanvallen tegen moslims.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/60


BESLUIT 2014/383/GBVB VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Afghanistan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2, en artikel 33,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 juli 2013 heeft de Raad Besluit 2013/393/GBVB (1) vastgesteld, waarbij de heer Franz-Michael SKJOLD MELLBIN werd benoemd tot speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) in Afghanistan. Het mandaat van de SVEU eindigt op 30 juni 2014.

(2)

Het mandaat van de SVEU dient met 8 maanden te worden verlengd.

(3)

De SVEU zal het mandaat uitvoeren in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de in artikel 21 van het Verdrag uiteengezette doelstellingen van het extern optreden van de Unie kan belemmeren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie

Het mandaat van de heer Franz-Michael SKJOLD MELLBIN als SVEU in Afghanistan wordt verlengd tot en met 28 februari 2015. De Raad kan besluiten om het mandaat van de SVEU eerder te beëindigen op basis van een beoordeling door het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en een voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV).

Artikel 2

Beleidsdoelstellingen

De SVEU vertegenwoordigt de Unie en bevordert de beleidsdoelstellingen van de Unie in Afghanistan, in nauwe coördinatie met de vertegenwoordigers van de lidstaten in Afghanistan. Meer in het bijzonder dient de SVEU:

a)

bij te dragen aan de uitvoering van de Gezamenlijke Verklaring van de EU en Afghanistan en van de EU-strategie in Afghanistan 2014-2016, en in voorkomend geval, de EU-Afghanistan samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling;

b)

de politieke dialoog tussen de Unie en Afghanistan te ondersteunen;

c)

steun te verlenen aan de centrale rol die de Verenigde Naties (VN) spelen in Afghanistan, met bijzondere nadruk op het bijdragen tot een beter gecoördineerde internationale bijstand, waarbij de uitvoering van de conferentiecommuniqués van Bonn, Chicago en Tokio, alsmede de relevante VN-resoluties bevorderd wordt.

Artikel 3

Mandaat

Ter uitvoering van het mandaat zal de SVEU, in nauwe samenwerking met de vertegenwoordigers van de lidstaten in Afghanistan,

a)

de standpunten van de Unie over het politiek proces en de ontwikkelingen in Afghanistan uitdragen;

b)

nauwe contacten onderhouden met en steun verlenen aan de ontwikkeling van de desbetreffende Afghaanse instellingen, met name de regering, het parlement en de lokale overheden. Er moeten ook contacten onderhouden worden met andere Afghaanse politieke groeperingen en ander relevante actoren in Afghanistan, in het bijzonder actoren uit het maatschappelijk middenveld;

c)

nauwe contacten onderhouden met de internationale en regionale belanghebbenden in Afghanistan, met name de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN, de hoge civiele vertegenwoordiger van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en andere belangrijke partners en organisaties;

d)

advies geven in verband met de vorderingen in de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gezamenlijke Verklaring van de EU en Afghanistan, van de EU-strategie in Afghanistan 2014-2016, de EU-Afghanistan samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling en de conferentiecommuniqués van Bonn, Chicago en Tokio, met name op de volgende gebieden:

opbouw van civiele capaciteit, met name op subnationaal niveau,

goed bestuur en de oprichting van instellingen die noodzakelijk zijn voor de rechtsstaat, in het bijzonder een onafhankelijke rechterlijke macht,

hervorming van het kiesstelsel,

hervorming van de veiligheidssector, waaronder de verbetering van het gerechtelijk apparaat, het nationaal leger en de nationale politie, en met name de uitbouw van de civiele politie,

groeibevordering, met name door middel van landbouw en plattelandsontwikkeling,

naleving van Afghanistans internationale verplichtingen inzake mensenrechten, waaronder de eerbiediging van de rechten van personen die tot een minderheid behoren, alsmede de rechten van vrouwen en kinderen,

eerbiediging van de democratische beginselen en de rechtsstaat,

aanmoediging van de deelname van vrouwen aan het openbaar bestuur, aan de civiele samenleving en, overeenkomstig Resolutie 1325 van de VN-veiligheidsraad, aan het vredesproces,

eerbiediging van Afghanistans internationale verplichtingen, met inbegrip van samenwerking in de internationale inspanningen ter bestrijding van terrorisme, illegale drugshandel, mensenhandel en de verspreiding van wapens en massavernietigingswapens en daarmee verband houdende materialen,

bevordering van humanitaire hulp en de ordelijke terugkeer van vluchtelingen en intern ontheemden, en

verbetering van de doeltreffendheid van de aanwezigheid en de activiteiten van de Unie in Afghanistan, en bijdragen tot de opstelling van de regelmatige verslagen over de uitvoering van de EU-strategie in Afghanistan 2014-2016, waarom de Raad verzocht heeft;

e)

actief deelnemen aan de lokale coördinatieorganen zoals de Gemeenschappelijke coördinatie- en bewakingsraad en daarbij de niet-deelnemende lidstaten volledig op de hoogte houden van de besluiten die op deze niveaus genomen worden;

f)

advies verstrekken over de deelname en de standpunten van de Unie in internationale conferenties over Afghanistan;

g)

op een actieve manier regionale samenwerking bevorderen via desbetreffende initiatieven, zoals het proces van Istanbul en de regionale economische conferentie over Afghanistan (Regional Economic Conference on Afghanistan — RECCA);

h)

bijdragen tot de uitvoering van het mensenrechtenbeleid van de Unie en de EU-richtsnoeren voor de mensenrechten, met name ten aanzien van vrouwen en kinderen in door conflicten getroffen gebieden, voornamelijk door de ontwikkelingen op dat gebied te volgen en te sturen;

i)

voor zover van toepassing, steun verlenen aan een inclusief en door Afghanistan geleid vredesproces dat uitmondt in een politieke regeling die strookt met de criteria die tijdens de conferentie van Bonn zijn overeengekomen.

Artikel 4

Uitvoering van het mandaat

1.   De SVEU is, onder het gezag van de HV, verantwoordelijk voor de uitvoering van het mandaat.

2.   Het PVC onderhoudt een bevoorrechte relatie met de SVEU en vormt het eerste contactpunt van de SVEU met de Raad. Onverminderd de bevoegdheden van de HV zorgt het PVC binnen het kader van het mandaat voor strategische aansturing en politieke leiding ten behoeve van de SVEU.

3.   De SVEU werkt nauw samen met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de bevoegde afdelingen daarvan.

Artikel 5

Financiering

1.   Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 28 februari 2015 bedraagt 3 760 000 EUR.

2.   De uitgaven worden beheerd volgens de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.

3.   Voor het uitgavenbeheer wordt een overeenkomst gesloten tussen de SVEU en de Commissie. De SVEU legt van alle uitgaven verantwoording af aan de Commissie.

Artikel 6

Vorming en samenstelling van het team

1.   Binnen de grenzen van zijn mandaat en de daartoe vrijgemaakte financiële middelen is de SVEU verantwoordelijk voor de vorming van een team. In het team dient de door het mandaat vereiste deskundigheid inzake specifieke beleidsvraagstukken aanwezig te zijn. De SVEU houdt de Raad en de Commissie onmiddellijk en regelmatig op de hoogte van de samenstelling van het team.

2.   De lidstaten, de instellingen van de Unie en de EDEO kunnen voorstellen personeel te detacheren bij de SVEU. Het salaris van gedetacheerd personeel komt ten laste van respectievelijk de betrokken lidstaat, de betrokken instelling van de Unie of de EDEO. Deskundigen die door de lidstaten bij de instellingen van de Unie of de EDEO zijn gedetacheerd, kunnen eveneens aan de SVEU worden toegewezen. Internationaal aangeworven personeel moet de nationaliteit van een lidstaat hebben.

3.   Al het gedetacheerde personeel blijft onder het administratieve gezag van de detacherende lidstaat, van de detacherende instelling van de Unie of van de EDEO, en voert zijn taken uit en handelt in het belang van het mandaat van de SVEU.

Artikel 7

Voorrechten en immuniteiten van de SVEU en het personeel van de SVEU

De voorrechten, immuniteiten en andere garanties die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het goede verloop van de missie van de SVEU en van het personeel van de SVEU, worden met het ontvangende land, naargelang van het geval, overeengekomen. De lidstaten en de EDEO verlenen daartoe alle nodige steun.

Artikel 8

Beveiliging van gerubriceerde EU-informatie

De SVEU en de leden van zijn team leven de beveiligingsbeginselen en -minimumnormen na die zijn vastgelegd in Besluit 2013/488/EU van de Raad (2).

Artikel 9

Toegang tot informatie en logistieke steun

1.   De lidstaten, de Commissie en het secretariaat-generaal van de Raad zorgen ervoor dat de SVEU toegang krijgt tot alle relevante informatie.

2.   De delegaties van de Unie en/of de lidstaten verlenen, waar nodig, logistieke steun in de regio.

Artikel 10

Beveiliging

Overeenkomstig het beleid van de Unie inzake de veiligheid van personeel dat op grond van titel V van het Verdrag wordt ingezet in operaties buiten de Unie, neemt de SVEU alle redelijkerwijs haalbare maatregelen voor de beveiliging van het personeel dat rechtstreeks onder zijn gezag staat, in overeenstemming met zijn mandaat en de veiligheidssituatie in het geografisch gebied waarvoor hij verantwoordelijk is, met name:

a)

opstellen van een specifiek veiligheidsplan op basis van richtsnoeren van de EDEO, dat onder meer specifieke fysieke, organisatorische en procedurele beveiligingsmaatregelen voor het beheer van veilige personeelsbewegingen naar en binnen het geografisch gebied, het beheer van veiligheidsincidenten en een nood- en evacuatieplan van de missie behelst;

b)

ervoor zorgen dat alle buiten de Unie ingezette personeelsleden gedekt zijn door een op de omstandigheden in het geografisch gebied afgestemde verzekering tegen grote risico's;

c)

ervoor zorgen dat alle buiten de Unie ingezette leden van zijn team, ook het ter plaatse aangeworven personeel, voor of bij aankomst in het geografisch gebied een passende beveiligingsopleiding hebben genoten, gebaseerd op de risicoklasse waarin dat gebied is ingedeeld;

d)

ervoor zorgen dat alle naar aanleiding van de geregelde beveiligingsbeoordelingen overeengekomen aanbevelingen worden opgevolgd, en aan de HV, de Raad en de Commissie schriftelijk verslag uitbrengen over de uitvoering ervan en over andere veiligheidskwesties, in het kader van het voortgangsverslag en het verslag over de uitvoering van zijn mandaat.

Artikel 11

Verslagen

De SVEU brengt regelmatig verslag uit aan de HV en aan het PVC. De SVEU brengt zo nodig tevens verslag uit aan de werkgroepen van de Raad. De geregelde verslagen worden verspreid via het COREU-netwerk. De SVEU kan de Raad Buitenlandse Zaken verslagen voorleggen. Overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag kan de SVEU worden ingeschakeld bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement.

Artikel 12

Coördinatie

1.   De SVEU draagt bij aan de eenheid, de consistentie en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie en hij helpt ervoor te zorgen dat alle instrumenten van de Unie en alle acties van de lidstaten op coherente wijze worden ingezet teneinde de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken. De activiteiten van de SVEU worden gecoördineerd met die van de Commissie, alsook met die van de delegatie van de Unie in Pakistan. De SVEU brengt regelmatig verslag uit aan de missies van de lidstaten en de delegaties van de Unie.

2.   Ter plaatse worden nauwe contacten onderhouden met de hoofden van de delegaties van de Unie en de hoofden van de missies van de lidstaten. Zij doen alles wat in hun vermogen ligt om de SVEU bij te staan in de uitvoering van zijn mandaat. De SVEU geeft het hoofd van de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (EUPOL AFGHANISTAN) plaatselijke politieke sturing. De SVEU en de civiele operationele commandant plegen, indien nodig, overleg. De SVEU onderhoudt tevens contacten met andere internationale en regionale actoren ter plaatse.

Artikel 13

Ondersteuning bij vorderingen

De SVEU en zijn personeel bieden ondersteuning bij het verschaffen van gegevens in reactie op alle vorderingen en verplichtingen die voortvloeien uit de mandaten van de vorige SVEU's in Afghanistan, en zij bieden administratieve ondersteuning alsmede toegang tot de dossiers die voor dit doel relevant zijn.

Artikel 14

Evaluatie

De toepassing van dit besluit en de samenhang ervan met andere bijdragen van de Unie in de regio worden op gezette tijden geëvalueerd. De SVEU legt de HV, de Raad en de Commissie vóór eind november 2014 een uitvoerig verslag over de uitvoering van het mandaat voor.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2014.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 198 van 23.7.2013, blz. 47.

(2)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/65


BESLUIT 2014/384/GBVB VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

tot wijziging van Besluit 2011/426/GBVB houdende benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Bosnië en Herzegovina

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2, en artikel 33,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 juli 2011 heeft de Raad Besluit 2011/426/GBVB (1) houdende benoeming van de heer Peter SØRENSEN tot speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) in Bosnië en Herzegovina, vastgesteld. Het mandaat van de SVEU eindigt op 30 juni 2015.

(2)

Bij Besluit 2011/426/GBVB, laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2013/351/GBVB (2), wordt de SVEU een financieel referentiebedrag voor de periode van 1 september 2011 tot en met 30 juni 2014 ter beschikking gesteld. Voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 moet een nieuw financieel referentiebedrag worden vastgesteld.

(3)

De SVEU zal het mandaat uitvoeren in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het extern optreden van de Unie als uiteengezet in artikel 21 van het Verdrag kan belemmeren.

(4)

Besluit 2011/426/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2011/426/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 5, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 bedraagt 5 250 000 EUR.”.

2)

Aan artikel 13 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het uitvoerige eindverslag over de uitvoering van het mandaat wordt vóór maart 2015 ingediend.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2014.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 188 van 19.7.2011, blz. 30.

(2)  PB L 185 van 4.7.2013, blz. 7.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/66


BESLUIT 2014/385/GBVB VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2, en artikel 33,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 juni 2012 heeft de Raad het strategisch kader van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie vastgesteld.

(2)

Op 25 juli 2012 heeft de Raad Besluit 2012/440/GBVB (1) vastgesteld, waarbij de heer Stavros LAMBRINIDIS is benoemd tot speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de mensenrechten. Zijn mandaat eindigt op 30 juni 2014.

(3)

Het mandaat van de SVEU dient met 8 maanden te worden verlengd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie

Het mandaat van de heer Stavros LAMBRINIDIS als SVEU voor de mensenrechten wordt verlengd tot en met 28 februari 2015. De Raad kan besluiten om het mandaat van de SVEU eerder te beëindigen, op basis van een beoordeling door het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) en een voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV).

Artikel 2

Beleidsdoelstellingen

Het mandaat van de SVEU is gebaseerd op de beleidsdoelstellingen van de Unie met betrekking tot de mensenrechten, als verankerd in het Verdrag, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het strategisch kader van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie:

a)

het vergroten van de doeltreffendheid, de aanwezigheid en de zichtbaarheid van de Unie bij het beschermen en bevorderen van de mensenrechten in de wereld door met name de samenwerking en de politieke dialoog van de Unie met derde landen, relevante partners, het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld, internationale en regionale organisaties te verdiepen, en door in de betrokken internationale fora op te treden;

b)

het vergroten van de bijdrage van de Unie aan de versterking van de democratie, de institutionele opbouw, de rechtsstaat, goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden overal in de wereld;

c)

het verbeteren van de samenhang in het optreden van de Unie op gebied van mensenrechten en de integratie van de mensenrechten in alle sectoren van het externe optreden van de Unie.

Artikel 3

Mandaat

Ter verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen krijgt de SVEU het mandaat om:

a)

bij te dragen tot de uitvoering van het mensenrechtenbeleid van de Unie, in het bijzonder het strategisch kader van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie en het actieplan van de Europese Unie voor mensenrechten en democratie, onder meer door in dat opzicht aanbevelingen te formuleren;

b)

bij te dragen tot de toepassing van de richtsnoeren, instrumenten en actieplannen van de Unie met betrekking tot de mensenrechten en het internationaal humanitair recht;

c)

de mensenrechtendialoog met overheidsinstanties in derde landen en internationale en regionale organisaties, alsook met maatschappelijke organisaties en andere relevante actoren te versterken om de doeltreffendheid en de zichtbaarheid van het mensenrechtenbeleid van de Unie te waarborgen;

d)

bij te dragen tot een grotere samenhang en consistentie van de beleidsmaatregelen en acties van de Unie op het gebied van de bescherming en bevordering van de mensenrechten door met name een eigen inbreng te leveren voor de formulering van beleidsmaatregelen van de Unie ter zake.

Artikel 4

Uitvoering van het mandaat

1.   De SVEU is onder het gezag van de HV verantwoordelijk voor de uitvoering van het mandaat.

2.   Het PVC onderhoudt een bevoorrechte relatie met de SVEU en vormt het eerste contactpunt van de SVEU met de Raad. Onverminderd de bevoegdheden van de HV zorgt het PVC binnen het kader van het mandaat voor strategische aansturing en politieke leiding ten behoeve van de SVEU.

3.   De SVEU werkt volledig samen met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de bevoegde afdelingen daarvan om de samenhang en de consistentie van hun respectieve werkzaamheden op het gebied van de mensenrechten te verzekeren.

Artikel 5

Financiering

1.   Het financieel referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 28 februari 2015 bedraagt 550 000 EUR.

2.   Het financieel referentiebedrag voor de daaropvolgende periode voor de SVEU voor de mensenrechten wordt door de Raad vastgesteld.

3.   De uitgaven worden beheerd volgens de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.

4.   Voor het uitgavenbeheer wordt een overeenkomst gesloten tussen de SVEU en de Commissie. De SVEU legt van alle uitgaven verantwoording af aan de Commissie.

Artikel 6

Vorming en samenstelling van het team

1.   Binnen de grenzen van zijn mandaat en de daartoe vrijgemaakte financiële middelen is de SVEU verantwoordelijk voor de vorming van een team. In het team dient de door het mandaat vereiste deskundigheid inzake specifieke beleidsvraagstukken aanwezig te zijn. De SVEU brengt de Raad en de Commissie steeds onmiddellijk op de hoogte van de samenstelling van het team.

2.   De lidstaten, de instellingen van de Unie en de EDEO kunnen voorstellen personeel te detacheren bij de SVEU. Het salaris van gedetacheerd personeel komt ten laste van respectievelijk de betrokken lidstaat, de betrokken instelling van de Unie of de EDEO. Deskundigen die door de lidstaten bij de instellingen van de Unie of de EDEO zijn gedetacheerd, kunnen eveneens aan de SVEU worden toegewezen. Internationaal aangeworven personeel moet de nationaliteit van een lidstaat hebben.

3.   Al het gedetacheerde personeel blijft onder het administratieve gezag van de detacherende lidstaat, instelling van de Unie of van de EDEO, en voert zijn taken uit en handelt in het belang van het mandaat van de SVEU.

Artikel 7

Beveiliging van gerubriceerde EU-informatie

De SVEU en de leden van zijn team leven de beveiligingsbeginselen en -minimumnormen na die zijn vastgelegd in Besluit 2013/488/EU van de Raad (2).

Artikel 8

Toegang tot informatie en logistieke steun

1.   De lidstaten, de Commissie, de EDEO en het secretariaat-generaal van de Raad zorgen ervoor dat de SVEU toegang krijgt tot alle relevante informatie.

2.   De delegaties van de Unie en de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten, naargelang van het geval, verlenen de SVEU logistieke steun.

Artikel 9

Beveiliging

Overeenkomstig het beleid van de Unie inzake de veiligheid van personeel dat op grond van titel V van het Verdrag wordt ingezet in operaties buiten de Unie, neemt de SVEU alle redelijkerwijs haalbare maatregelen voor de beveiliging van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag van de SVEU staat, in overeenstemming met het mandaat en op basis van de veiligheidssituatie in het betrokken land, met name:

a)

opstellen van een specifiek veiligheidsplan op basis van richtsnoeren van de EDEO, dat onder meer specifieke fysieke, organisatorische en procedurele beveiligingsmaatregelen voor het beheer van veilige personeelsbewegingen naar en binnen het geografisch gebied, het beheer van veiligheidsincidenten en een nood- en evacuatieplan van de missie behelst;

b)

ervoor zorgen dat alle buiten de Unie ingezette personeelsleden gedekt zijn door een op de omstandigheden in het geografisch gebied afgestemde verzekering tegen grote risico's;

c)

ervoor zorgen dat alle buiten de Unie ingezette leden van zijn team, ook het ter plaatse aangeworven personeel, voor of bij aankomst in het geografisch gebied een passende beveiligingsopleiding hebben genoten, gebaseerd op de risicoklasse waarin dat gebied is ingedeeld;

d)

ervoor zorgen dat alle naar aanleiding van de geregelde beveiligingsbeoordelingen overeengekomen aanbevelingen worden opgevolgd, en aan de HV, de Raad, en de Commissie schriftelijk verslag uitbrengen over de uitvoering daarvan en over andere veiligheidskwesties in het kader van het voortgangsverslag en het verslag over de uitvoering van het mandaat.

Artikel 10

Verslagen

De SVEU brengt regelmatig verslag uit aan de HV en aan het PVC. De SVEU brengt zo nodig tevens verslag uit aan de bevoegde werkgroepen van de Raad, met name de werkgroep voor de mensenrechten. De geregelde verslagen worden verspreid via het COREU-netwerk. De SVEU kan de Raad Buitenlandse Zaken verslagen voorleggen. Overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag kan de SVEU worden ingeschakeld bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement.

Artikel 11

Coördinatie

1.   De SVEU draagt bij tot de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie en helpt ervoor te zorgen dat alle instrumenten van de Unie en van de lidstaten op consistente wijze worden ingezet om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken. De SVEU werkt samen met de lidstaten en de Commissie en, in voorkomend geval, met andere speciale vertegenwoordigers van de Europese Unie. De SVEU verstrekt regelmatig informatie aan de missies van de lidstaten en aan de delegaties van de Unie.

2.   Ter plaatse worden nauwe contacten onderhouden met de hoofden van de delegaties van de Unie, de missiehoofden van de lidstaten en, in voorkomend geval, de hoofden/commandanten van missies en operaties in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en andere speciale vertegenwoordigers van de Europese Unie, die alles doen wat in hun vermogen ligt om de SVEU bij te staan in de uitvoering van het mandaat.

3.   De SVEU onderhoudt tevens contacten en streeft naar complementariteit en synergieën met andere internationale en regionale actoren, zowel op het hoofdkwartier als op het terrein. De SVEU streeft zowel op het hoofdkwartier als op het terrein naar regelmatige contacten met maatschappelijke organisaties.

Artikel 12

Evaluatie

De toepassing van dit besluit en de samenhang ervan met andere bijdragen van de Unie in de regio worden op gezette tijden geëvalueerd. De SVEU legt de HV, de Raad en de Commissie vóór eind november 2014 een uitvoerig verslag over de uitvoering van het mandaat voor.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2014.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 200 van 27.7.2012, blz. 21.

(2)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/70


BESLUIT 2014/386/GBVB VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

betreffende beperkingen van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol, als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 6 maart 2014 veroordeelden de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Unie met klem de niet-uitgelokte schending van de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit door de Russische Federatie.

(2)

Op 17 maart 2014 heeft de Raad Besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (1) vastgesteld.

(3)

Tijdens zijn bijeenkomst van 20 en 21 maart 2014 heeft de Europese Raad de illegale inlijving van de Autonome Republiek van de Krim („de Krim”) en de stad Sebastopol („Sebastopol”) bij de Russische Federatie krachtig veroordeeld en heeft hij benadrukt deze niet te zullen erkennen. De Europese Raad was van oordeel dat bepaalde economische, handels- en financiële beperkingen ten aanzien van de Krim moeten worden voorgesteld, die snel kunnen worden uitgevoerd.

(4)

Op 27 maart 2014 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Resolutie 68/262 over de territoriale integriteit van Oekraïne aangenomen, waarin zij haar engagement bevestigt voor de soevereiniteit, de politieke onafhankelijkheid, de eenheid en de territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen, en aldus de ongeldigheid van het op 16 maart in de Krim gehouden referendum onderstreept, en alle staten oproept geen wijzigingen in de status van de Krim en Sebastopol te erkennen.

(5)

Tegen deze achtergrond is de Raad van oordeel dat de invoer in de Europese Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol moet worden verboden, met uitzondering van die goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol waaraan door de regering van Oekraïne een oorsprongscertificaat is verleend.

(6)

Om ervoor te zorgen dat de in dit besluit vastgestelde maatregelen hun doel bereiken, dient het in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan.

(7)

Om een aantal maatregelen uit te voeren, is een bijkomend optreden van de Unie vereist,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De invoer in de Unie van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol wordt verboden.

2.   Het is verboden rechtstreeks of onrechtstreeks financiering te verstrekken of financiële bijstand te verlenen, alsmede verzekeringen en herverzekeringen, in verband met de invoer van goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol.

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op goederen van oorsprong uit de Krim of Sebastopol die ter beschikking zijn gesteld voor onderzoek aan en gecontroleerd zijn door de Oekraïense autoriteiten en waaraan door de regering van Oekraïne een oorsprongscertificaat is verleend.

Artikel 3

De in artikel 1 bedoelde verbodsbepalingen laten onverlet dat tot en met 26 september 2014 contracten worden uitgevoerd die vóór 25 juni 2014 zijn gesloten, of aanvullende contracten die nodig zijn voor de uitvoering van deze verplichtingen en die uiterlijk 26 september 2014 moeten zijn gesloten en uitgevoerd.

Artikel 4

Het is verboden bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de verbodsbepalingen in artikel 1 worden omzeild.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Dit besluit is van toepassing tot en met 23 juni 2015.

Dit besluit wordt voortdurend geëvalueerd. Het wordt zo nodig verlengd of gewijzigd, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn verwezenlijkt.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 78 van 17.3.2014, blz. 16.


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/72


UITVOERINGSBESLUIT 2014/387/GBVB VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

tot uitvoering van Besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,

Gezien Besluit 2013/255/GBVB van de Raad van 31 juli 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (1), en met name artikel 30, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 31 mei 2013 Besluit 2013/255/GBVB vastgesteld.

(2)

De informatie met betrekking tot één persoon op de lijst in bijlage I bij Besluit 2013/255/GBVB moet worden geactualiseerd.

(3)

Gezien de ernst van de situatie, moeten 12 personen worden toegevoegd aan de lijst van de aan de beperkende maatregelen onderworpen natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten of lichamen die in bijlage I bij Besluit 2013/255/GBVB zijn vermeld.

(4)

Besluit 2013/255/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Besluit 2013/255/GBVB wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxembourg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 147 van 1.6.2013, blz. 14.


BIJLAGE

1.

De vermelding met betrekking tot de hieronder genoemde persoon in afdeling A van bijlage I bij Besluit 2013/255/GBVB wordt vervangen door de volgende vermelding:

 

Naam

Identificatiegegevens

Motivering

Datum van opneming op de lijst

152.

Dr. Qadri (

Image

) (ook bekend als Kadri) Jamil (

Image

) (ook bekend als Jameel)

 

Voormalig viceminister-president voor Economische Zaken, voormalig minister van Binnenlandse Handel en Consumentenbescherming. Is als voormalig minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

16.10.2012

2.

De volgende personen worden toegevoegd aan de lijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten of lichamen die in afdeling A van bijlage I bij Besluit 2013/255/GBVB zijn vermeld:

 

Naam

Identificatiegegevens

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

180.

Ahmad al-Qadri

Geboortedatum: 1956

Minister van Landbouw en Landbouwhervorming. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

181.

Suleiman Al Abbas

 

Minister van Olie en Minerale Grondstoffen. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

182.

Kamal Eddin Tu'ma

Geboortedatum: 1959

Minister van Industrie. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

183.

Kinda al-Shammat

(alias Shmat)

Geboortedatum: 1973

Minister van Sociale Zaken. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

184.

Hassan Hijazi

Geboortedatum: 1964

Minister van Arbeid. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

185.

Ismael Ismael

(alias Ismail Ismail, of Isma'Il Isma'il)

Geboortedatum: 1955

Minister van Financiën. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

186.

Dr Khodr Orfali

(alias Khud/Khudr Urfali/Orphaly)

Geboortedatum: 1956

Minister van Economie en Buitenlandse Handel. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

187.

Samir Izzat Qadi Amin

Geboortedatum: 1966

Minister van Binnenlandse Handel en Consumentenbescherming. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

188.

Bishr Riyad Yazigi

Geboortedatum: 1972

Minister van Toerisme. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

189.

Dr Malek Ali

(alias Malik)

Geboortedatum: 1956

Minister van Hoger Onderwijs. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

190.

Hussein Arnous

(alias Arnus)

Geboortedatum: 1953

Minister van Openbare Werken. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014

191.

Dr Hassib Elias Shammas

(alias Hasib)

Geboortedatum: 1957

Viceminister. Is als minister mede verantwoordelijk voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het regime.

24.6.2014


24.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 183/75


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 juni 2014

tot vaststelling van de lijst van regio's en gebieden die in aanmerking komen voor financiering uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling in het kader van de grensoverschrijdende en transnationale onderdelen van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” voor de periode 2014-2020

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 3898)

(2014/388/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (1), en met name artikel 3, lid 1, tweede alinea, en artikel 3, lid 3, eerste alinea,

Na raadpleging van het bij artikel 150, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (2) opgerichte Coördinatiecomité voor de Europese structuur- en investeringsfondsen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Fonds voor de regionale ontwikkeling (EFRO) ondersteunt de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” in bepaalde regio's van niveau 3 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (hierna „NUTS-niveau 3”) voor grensoverschrijdende samenwerking, en in alle regio's van niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (hierna „NUTS-niveau 2”) voor transnationale samenwerking, zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (3) als gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 31/2011 (4). Het is derhalve noodzakelijk om deze lijsten van in aanmerking komende regio's op te stellen.

(2)

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1299/2013 moet in de lijst van voor grensoverschrijdende samenwerking in aanmerking komende regio's ook worden vermeld welke regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen, en aan de buitengrenzen die onder de externe financieringsinstrumenten van de Unie vallen, zoals het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5) en de pretoetredingssteun (IPA II) zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(3)

Uit hoofde van artikel 3, lid 1, vijfde alinea, van Verordening (EU) nr. 1299/2013 kan deze lijst op verzoek van de betrokken lidstaat of lidstaten ook aan zeegrenzen gelegen regio's van NUTS-niveau 3 in ultraperifere gebieden die maximaal 150 km van elkaar verwijderd zijn, omvatten.

(4)

Op grond van artikel 3, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1299/2013 dienen in het besluit van de Commissie tot vaststelling van de lijsten van grensoverschrijdende en transnationale gebieden ter informatie ook de regio's van derde landen en gebieden, zoals bedoeld in artikel 3, leden 2 en 4, van die verordening, vermeld te worden.

(5)

Het is derhalve noodzakelijk de lijsten van grensoverschrijdende en transnationale gebieden die in aanmerking komen voor financiering van het EFRO op te stellen, ingedeeld naar samenwerkingsprogramma,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De regio's en gebieden die in aanmerking komen voor financiering uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in het kader van het grensoverschrijdende onderdeel van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” zijn vermeld in bijlage I.

Artikel 2

De regio's van NUTS-niveau 3 in de Unie die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking, maar die geen deel uitmaken van een grensoverschrijdend gebied als vermeld in bijlage I, en die zullen vallen onder de externe financiële instrumenten van de Unie, zoals het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 en de pretoetredingssteun (IPA II) zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014, zijn vermeld in bijlage II.

Artikel 3

De regio's en gebieden die in aanmerking komen voor financiering uit het EFRO in het kader van het transnationale onderdeel van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” zijn vermeld in bijlage III.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 16 juni 2014.

Voor de Commissie

Johannes HAHN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(2)  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(3)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 31/2011 van de Commissie van 17 januari 2011 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 13 van 18.1.2011, blz. 3).

(5)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27).

(6)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11).


BIJLAGE I

Lijst van gebieden die voor steun in aanmerking komen, opgesplitst per grensoverschrijdend samenwerkingsprogramma

2014TC16RFCB001

BE-DE-NL

(Interreg V-A) België-Duitsland-Nederland (Euregio Meuse-Rhin/Euregio Maas-Rijn/Euregio Maas-Rhein)

 

 

 

 

 

 

BE221

Arr. Hasselt

 (1)

 

BE222

Arr. Maaseik

 (1)

 

BE223

Arr. Tongeren

 (1)

 

BE332

Arr. Liège

 (1)

 

BE335

Arr. Verviers — communes francophones

 (1)

 

BE336

Bezirk Verviers — Deutschsprachige Gemeinschaft

 (1)

 

DEA26

Düren

 (1)

 

DEA28

Euskirchen

 (1)

 

DEA29

Heinsberg

 (1)

 

DEA2D

Städteregion Aachen

 (1)

 

DEB23

Eifelkreis Bitburg-Prüm

 (1)

 

DEB24

Vulkaneifel

 (1)

 

NL422

Midden-Limburg

 (1)

 

NL423

Zuid-Limburg

 (1)

 

 

 

 

2014TC16RFCB002

AT-CZ

(Interreg V-A) Oostenrijk-Tsjechische Republiek

 

 

 

 

 

 

AT121

Mostviertel-Eisenwurzen

 

 

AT123

Sankt Pölten

 

 

AT124

Waldviertel

 (1)

 

AT125

Weinviertel

 (1)

 

AT126

Wiener Umland/Nordteil

 (1)

 

AT130

Wien

 (1)

 

AT311

Innviertel

 (1)

 

AT312

Linz-Wels

 

 

AT313

Mühlviertel

 (1)

 

AT314

Steyr-Kirchdorf

 

 

CZ031

Jihočeský kraj

 (1)

 

CZ063

Kraj Vysočina

 (1)

 

CZ064

Jihomoravský kraj

 (1)

 

 

 

 

2014TC16RFCB003

SK-AT

(Interreg V-A) Slowakije-Oostenrijk

 

 

 

 

 

 

AT111

Mittelburgenland

 (1)

 

AT112

Nordburgenland

 (1)

 

AT121

Mostviertel-Eisenwurzen

 

 

AT122

Niederösterreich-Süd

 

 

AT123

Sankt Pölten

 

 

AT124

Waldviertel

 (1)

 

AT125

Weinviertel

 (1)

 

AT126

Wiener Umland/Nordteil

 (1)

 

AT127

Wiener Umland/Südteil

 (1)

 

AT130

Wien

 (1)

 

SK010

Bratislavský kraj

 (1)

 

SK021

Trnavský kraj

 (1)

 

 

 

 

2014TC16RFCB004

AT-DE

(Interreg V-A) Oostenrijk-Duitsland/Beieren (Bayern-Österreich)

 

 

 

 

 

 

AT311

Innviertel

 (1)

 

AT312

Linz-Wels

 

 

AT313

Mühlviertel

 (1)

 

AT314

Steyr-Kirchdorf

 

 

AT315

Traunviertel

 

 

AT321

Lungau

 

 

AT322

Pinzgau-Pongau

 (1)

 

AT323

Salzburg und Umgebung

 (1)

 

AT331

Außerfern

 (1)

 

AT332

Innsbruck

 (1)

 

AT333

Osttirol

 (1)

 

AT334

Tiroler Oberland

 (1)

 

AT335

Tiroler Unterland

 (1)

 

AT341

Bludenz-Bregenzer Wald

 (1)

 

AT342

Rheintal-Bodenseegebiet

 (1)

 

DE213

Rosenheim, Kreisfreie Stadt

 (1)

 

DE214

Altötting

 (1)

 

DE215

Berchtesgadener Land

 (1)

 

DE216

Bad Tölz-Wolfratshausen

 (1)

 

DE21D

Garmisch-Partenkirchen

 (1)

 

DE21F

Miesbach

 (1)

 

DE21G

Mühldorf a. Inn

 

 

DE21K

Rosenheim, Landkreis

 (1)

 

DE21M

Traunstein

 (1)

 

DE21N

Weilheim-Schongau

 

 

DE221

Landshut, Kreisfreie Stadt

 

 

DE222

Passau, Kreisfreie Stadt

 (1)

 

DE224

Deggendorf

 

 

DE225

Freyung-Grafenau

 (1)

 

DE227

Landshut, Landkreis

 

 

DE228

Passau, Landkreis

 (1)

 

DE229

Regen

 (1)

 

DE22A

Rottal-Inn

 (1)

 

DE22C

Dingolfing-Landau

 

 

DE272

Kaufbeuren, Kreisfreie Stadt

 (1)

 

DE273

Kempten (Allgäu), Kreisfreie Stadt

 (1)

 

DE274

Memmingen, Kreisfreie Stadt

 

 

DE27A

Lindau (Bodensee)

 (1)

 

DE27B

Ostallgäu

 (1)

 

DE27C

Unterallgäu

 

 

DE27E

Oberallgäu

 (1)

 

 

 

 

2014TC16RFCB005

ES-PT

(Interreg V-A) Spanje-Portugal (POCTEP)

 

 

 

 

 

 

ES111

A Coruña

 

 

ES112

Lugo

 

 

ES113

Ourense

 (1)

 

ES114

Pontevedra

 (1)

 

ES411

Ávila

 

 

ES413

León

 

 

ES415

Salamanca

 (1)

 

ES418

Valladolid

 

 

ES419

Zamora

 (1)

 

ES431

Badajoz

 (1)

 

ES432

Cáceres

 (1)

 

ES612

Cádiz

 (1)

 

ES613

Córdoba

 

 

ES615

Huelva

 (1)

 

ES618

Sevilla

 

 

PT111