|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
57e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 620/2014 van de Commissie van 4 juni 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen betreffende informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van ontvangst, overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ) |
|
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2014/346/EU |
|
|
|
* |
|
|
|
III Andere handelingen |
|
|
|
|
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
12.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 620/2014 VAN DE COMMISSIE
van 4 juni 2014
tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen betreffende informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van ontvangst, overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (1), en met name artikel 50, lid 7, daarvan,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om voor een doeltreffende en tijdige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst te zorgen, dienen die autoriteiten in het kader van hun respectieve toezichtsbevoegdheden op wederzijdse basis informatie uit te wisselen. Daarom moeten standaardformulieren, sjablonen en werkprocedures, met inbegrip van termijnen, worden vastgesteld voor de uitwisseling van informatie gedurende „going concern”-situaties en situaties van liquiditeitsspanning. Tevens dienen voor de informatie die op gezette tijden moet worden uitgewisseld geharmoniseerde frequenties en uiterste inleverdata te worden vastgesteld, waarbij moet worden vastgelegd of de informatie halfjaarlijks of jaarlijks moet worden verstrekt. Om ervoor te zorgen dat de actueelste informatie wordt uitgewisseld, moeten de bevoegde autoriteiten de informatie echter, voor zover praktisch mogelijk, eerder dan bij het verstrijken van de uiterste inleverdata doorgeven. |
|
(2) |
Onverminderd de in deze verordening vastgestelde procedure voor de normale uitwisseling van informatie, dienen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst elkaar onverwijld in kennis te stellen van eventuele situaties die afbreuk kunnen doen aan de financiële stabiliteit of de werking van een bijkantoor, en dienen zij elkaar alle wezenlijke en relevante informatie met betrekking tot die situatie te verstrekken. |
|
(3) |
Gelet op de verschillen in omvang, complexiteit en belang van de bijkantoren die in de lidstaten van ontvangst opereren, is het van belang om bij de informatie-uitwisseling het evenredigheidsbeginsel toe te passen. Daartoe moet de noodzaak dat de bevoegde autoriteiten in de lidstaten van ontvangst uitgebreidere informatie ontvangen indien deze autoriteiten verantwoordelijk zijn voor bijkantoren die overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU als significant zijn aangemerkt, tot uitdrukking komen in de voor het uitwisselen van deze informatie gebruikte formulieren, sjablonen en frequenties. |
|
(4) |
Om te zorgen voor een efficiënte doorgifte van informatie aan de relevante personen alsook de vertrouwelijkheid van de informatie moeten de bevoegde autoriteiten zich belasten met het opstellen, delen en regelmatig actualiseren van lijsten van contactpersonen. |
|
(5) |
De uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van ontvangst is niet tot de in artikel 50 van Richtlijn 2013/36/EU gespecificeerde soorten informatie, en daarom tot de soorten informatie die in deze verordening worden gespecificeerd, beperkt. Met name stelt Richtlijn 2013/36/EU bepalingen vast voor de uitwisseling van informatie over controles ter plaatse, kennisgevingen met betrekking tot de uitoefening van het recht van vestiging en de vrijheid van dienstverrichting, en door de bevoegde autoriteiten genomen maatregelen, met inbegrip van voorzorgsmaatregelen, ten aanzien van bijkantoren en hun moederondernemingen. Deze verordening moet daarom geen vereisten voor uitwisseling van informatie op die gebieden vaststellen. |
|
(6) |
In de standaardformulieren, sjablonen en procedures moet tevens aandacht worden besteed aan uitwisselingen van informatie in verband met de uitoefening van werkzaamheden in een lidstaat van ontvangst door middel van het verlenen van grensoverschrijdende diensten. |
|
(7) |
Gezien de aard van grensoverschrijdende diensten, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst geconfronteerd met een gebrek aan informatie met betrekking tot bedrijfsactiviteiten die in hun rechtsgebied worden uitgeoefend, en is het van essentieel belang procedures vast te stellen voor het delen van informatie om de financiële stabiliteit te waarborgen en te kunnen controleren of aan de voorwaarden voor vergunningverlening is voldaan en inzonderheid te kunnen controleren of instellingen diensten in overeenstemming met de verstrekte kennisgevingen verrichten. Ondanks het belang van dergelijke informatie moet, gezien de noodzaak om potentiële last bij de verzameling ervan en de verspreiding ervan onder alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst te vermijden, de informatie op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst worden verstrekt veeleer dan op geregelde basis gedeeld. |
|
(8) |
Gezien het feit dat het soort informatie dat tussen de bevoegde autoriteiten moet worden uitgewisseld nauwkeurig beschreven is in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie (2), moet deze uitvoeringsverordening als het noodzakelijke uitvloeisel van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 worden beschouwd. |
|
(9) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit — EBA) aan de Commissie heeft voorgelegd. |
|
(10) |
De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening gebaseerd is, de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen ingewonnen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden standaardformulieren, sjablonen en procedures vastgesteld voor de informatie-uitwisselingsvereisten die het monitoren kunnen vergemakkelijken van instellingen waarvan het werkterrein zich middels een bijkantoor of bijkantoren dan wel bij de uitoefening van het vrij verrichten van diensten uitstrekt tot één of meer andere lidstaten dan de lidstaat van hun hoofdkantoor.
Deze verordening is van toepassing met betrekking tot de informatie waarin is voorzien in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014.
Artikel 2
Inleverdatum en frequentie van informatie-uitwisselingen betreffende instellingen die via een bijkantoor opereren
1. Informatie betreffende situaties van niet-naleving van wet- of regelgevingsvereisten, de toepassing van toezichtsmaatregelen of andere administratieve maatregelen of het opleggen van administratieve of strafrechtelijke sancties wordt onverwijld verstrekt en niet later dan 14 kalenderdagen na vaststelling door de bevoegde autoriteiten van de situatie van niet-naleving, van de toepassing van de toezichts- of andere administratieve maatregel, of de oplegging van de administratieve of de strafrechtelijke sanctie.
2. Indien een bijkantoor overeenkomstig artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU als significant wordt aangemerkt, wordt kwantitatieve informatie betreffende liquiditeit en informatie betreffende bevindingen op basis van het toezicht op liquiditeit door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die toezicht houden op dit significant bijkantoor halfjaarlijks en niet later dan de volgende inleverdatums verstrekt:
|
a) |
28 februari van elk jaar op basis van de positie zoals op 31 december van het voorgaande jaar, |
|
b) |
31 augustus van elk jaar op basis van de positie zoals op 30 juni laatstleden. |
3. Andere informatie dan die waarvan sprake in de leden 1 en 2 wordt jaarlijks niet later dan 30 april van elk jaar verstrekt op basis van de stand van zaken op 31 december van het voorafgaande jaar, met uitzondering van informatie over het bestuur en de eigendom van een instelling, die op basis van de meest actuele beschikbare informatie wordt verstrekt.
Artikel 3
Operationele procedures voor de doorgifte van informatie tussen bevoegde autoriteiten
1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst houden voor elke instelling een geactualiseerde lijst bij van de relevante contactpunten, met inbegrip van contactpunten in noodgevallen, voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaten van ontvangst, en zij delen deze lijst met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst onverwijld in kennis van hun contactpunten en eventuele wijzigingen daarvan. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaten van ontvangst controleren de lijst van contactpunten eens per jaar.
2. De informatie wordt in schriftelijke of elektronische vorm uitgewisseld en wordt gericht aan de relevante contactpersonen die in de in lid 1 vermelde lijst van contactpunten worden genoemd, tenzij een bevoegde autoriteit die om informatie verzoekt een andere contactpersoon aangeeft.
3. Indien informatie in elektronische vorm wordt uitgewisseld, worden veilige communicatiekanalen gebruikt tenzij de bevoegde autoriteiten het passend achten onbeveiligde communicatiekanalen te gebruiken.
4. De volgende informatie kan mondeling worden verstrekt en vervolgens in schriftelijke of elektronische vorm worden bevestigd:
|
a) |
informatie betreffende de niet-naleving van wet- of regelgevingsvereisten; |
|
b) |
informatie betreffende de toepassing van toezichts- of andere administratieve maatregelen; |
|
c) |
informatie betreffende het opleggen van administratieve of strafrechtelijke sancties; |
|
d) |
informatie betreffende een situatie van liquiditeitsspanning. |
5. De bevoegde autoriteiten bevestigen de ontvangst van informatie. Indien de informatie in elektronische vorm met gebruikmaking van een veilig communicatiekanaal is verstrekt, wordt de ontvangst ervan via hetzelfde kanaal bevestigd. Bevestiging is niet vereist voor informatie die mondeling is verstrekt of is verstrekt via een veilig communicatiekanaal dat de afzender in staat stelt bevestiging te ontvangen dat de ontvanger de informatie heeft ontvangen.
6. Indien overeenkomstig artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU een college van toezichthouders is opgericht en indien alle bijkantoren van de instelling als significant worden beschouwd, zijn de leden 1 tot en met 5 van dit artikel niet van toepassing. In dergelijke gevallen wordt de informatie uitgewisseld middels de procedure die is vastgesteld in de schriftelijke regelingen waarvan sprake in artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2013/36/EU.
Artikel 4
Te gebruiken formulieren en sjablonen voor informatie-uitwisselingen betreffende instellingen die via een bijkantoor opereren
1. Kwantitatieve informatie waarvan sprake in artikel 2, lid 2, wordt uitgewisseld middels de sjabloon als gespecificeerd in deel 1 van bijlage I en wordt verstrekt in de vorm als gespecificeerd in die sjabloon.
2. Andere kwantitatieve informatie betreffende de liquiditeit en solvabiliteit van een instelling dan die waarvan sprake in lid 1, wordt uitgewisseld middels de sjabloon als gespecificeerd in deel 2 van bijlage I en wordt verstrekt in de vorm als gespecificeerd in die sjabloon.
3. Kwantitatieve informatie met betrekking tot het volume van de diensten die worden aangeboden via de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting wordt verstrekt middels de sjabloon als gespecificeerd in deel 3 van bijlage I en wordt verstrekt in de vorm die door de bevoegde autoriteit die de informatie verstrekt passend wordt geacht.
4. Kwantitatieve informatie met betrekking tot de marktaandelen van een bijkantoor dat gevestigd is in een lidstaat van ontvangst wordt uitgewisseld middels de sjabloon als gespecificeerd in deel 4 van bijlage I en wordt verstrekt in de vorm die door de bevoegde autoriteit die de informatie verstrekt passend wordt geacht.
5. Niet-kwantitatieve informatie anders dan de informatie waarvan sprake in de leden 6, 7 en 8 wordt uitgewisseld middels de betrokken sjablonen en wordt als volgt verstrekt in de vorm die door de bevoegde autoriteit die de informatie verstrekt passend wordt geacht:
|
a) |
de sjabloon als gespecificeerd in deel 2 van bijlage I wordt gebruikt voor informatie betreffende de liquiditeit en solvabiliteit van een instelling; |
|
b) |
de sjabloon als gespecificeerd in deel 3 van bijlage I wordt gebruikt voor informatie betreffende grensoverschrijdende verrichting van diensten; |
|
c) |
de sjabloon als gespecificeerd in deel 4 van bijlage I wordt gebruikt voor informatie betreffende een in een lidstaat van ontvangst gevestigd bijkantoor; |
|
d) |
de sjabloon als gespecificeerd in deel 5 van bijlage I wordt gebruikt voor informatie betreffende depositogarantiestelsels. |
6. Niet-kwantitatieve informatie als gespecificeerd in deel 6 van bijlage I betreffende het bestuur en de eigendom van een instelling, haar liquiditeits- en financieringsbeleid, liquiditeits- en financieringsnoodplannen en voorzieningen voor noodsituaties wordt verstrekt in de vorm die door de bevoegde autoriteit die de informatie verstrekt passend wordt geacht. De informatie wordt verstrekt in de vorm van een aanhangsel bij de andere informatie die met gebruikmaking van de in de delen 1 tot en met 5 van bijlage I gespecificeerde sjablonen wordt uitgewisseld.
7. Informatie betreffende alle situaties van niet-naleving van wet- of regelgevingsvereisten, de toepassing van toezichts- of andere administratieve maatregelen of de oplegging van administratieve of strafrechtelijke sancties waarvan sprake in artikel 2, lid 1, wordt verstrekt in de vorm die door de bevoegde autoriteit die de informatie verstrekt passend wordt geacht.
8. Informatie betreffende de aanwijzing van een instelling als mondiaal systeemrelevante instelling of als andere systeemrelevante instelling in de zin van artikel 131, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU wordt verstrekt in de vorm die door de bevoegde autoriteit die de informatie verstrekt passend wordt geacht.
Artikel 5
Ad-hocverzoeken om informatie door bevoegde autoriteiten
1. Verzoeken om informatie die niet uitgewisseld dient te worden ingevolge Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 wordt in geschreven of elektronische vorm doorgegeven aan de relevante contactpersonen als vastgesteld in de lijst van contactpersonen als bedoeld in artikel 3, lid 1, van deze verordening.
2. Een bevoegde autoriteit die een verzoek indient waarvan sprake in lid 1 legt uit hoe de informatie het toezicht op of de monitoring van een instelling, het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan een instelling of de bescherming van de stabiliteit van het financiële systeem waarschijnlijk zal vergemakkelijken. Die bevoegde autoriteit specificeert een redelijke termijn waarbinnen het antwoord moet worden verstrekt rekening houdend met de aard en de urgentie van het verzoek en de gevraagde informatie.
3. Een bevoegde autoriteit die een verzoek als bedoeld in lid 1 ontvangt, verstrekt de gewenste informatie onverwijld en stelt alles in het werk om binnen de in het verzoek aangegeven termijn te antwoorden. Indien die bevoegde autoriteit niet in staat is om binnen die termijn te antwoorden, stelt zij de verzoekende bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van de termijn waarbinnen zij de informatie zal verstrekken.
Als de gevraagde informatie niet beschikbaar is, zal de bevoegde autoriteit die een verzoek als bedoeld in lid 1 ontvangt de bevoegde autoriteit die het verzoek indient dienovereenkomstig informeren.
Artikel 6
Informatie-uitwisseling betreffende grensoverschrijdende dienstverleners
De bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst waarin een instelling haar werkzaamheden verricht in het kader van de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting die de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verzoeken om met betrekking tot die diensten de informatie te verstrekken die is vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 richten het verzoek in schriftelijke of elektronische vorm tot de relevante contactpersoon als vastgesteld in de in artikel 3, lid 1, bedoelde lijst van contactpunten. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verstrekken die informatie binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek.
Artikel 7
Informatie-uitwisseling betreffende instellingen die opereren via een bijkantoor in geval van liquiditeitsspanning waardoor de instelling of het bijkantoor zelf wordt getroffen
In een situatie van liquiditeitsspanning gebruiken de bevoegde autoriteiten de sjabloon als gespecificeerd in bijlage II bij deze verordening en volgen zij de procedures waarin artikel 3 van deze verordening voorziet om de informatie uit te wisselen als vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 juni 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie van 12 maart 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de informatie die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst en van ontvangst aan elkaar verstrekken (PB L 148 van 20.5.2014, blz. 6).
(3) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
BIJLAGE I
DEEL I
HALFJAARLIJKS SPECIFIEK
Sjabloon voor de informatie met betrekking tot liquiditeit en bevindingen uit hoofde van het toezicht betreffende individuele instellingen die halfjaarlijkse moet worden uitgewisseld met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht houden op een significant bijkantoor
|
Betrokken wetgeving |
Artikel 4, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie |
|
Frequentie van de informatie-uitwisseling |
Halfjaarlijks |
|
Bevoegde autoriteit: |
|
|
Naam instelling: |
|
|
Referentiedatum (30/06/jjjj of 31/12/jjjj): |
|
|
Datum van indiening (dd/mm/jjjj) |
|
|
Informatie verstrekt op geconsolideerde basis (ja/neen) |
Vul „ja” in als de informatie in deze sjabloon op geconsolideerde basis en niet op het niveau van de instelling wordt verstrekt |
|
Informatiegroep |
Informatieonderdeel |
Verwijzing naar COREP/FINREP-sjablonen, indien van toepassing, of naar andere sjablonen |
Informatiewaarde (in cijfers of vrije tekst) |
Opmerkingen |
|
Liquiditeit |
Liquiditeitsdekkingsratio (in nationale valuta) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
Liquiditeitsdekkingsratio (wezenlijke valuta 1, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
|
Liquiditeitsdekkingsratio (wezenlijke valuta 2, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
|
Liquiditeitsdekkingsratio (wezenlijke valuta 3, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
|
[voeg in voorkomend geval a.u.b. meer rijen in voor verdere wezenlijke valuta] |
|
|
|
|
|
Netto stabiele financieringsratio (in nationale valuta) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
|
Netto stabiele financieringsratio (wezenlijke valuta 1, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
|
Netto stabiele financieringsratio (wezenlijke valuta 2, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
|
Netto stabiele financieringsratio (wezenlijke valuta 3, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|
|
[voeg in voorkomend geval a.u.b. meer rijen in voor verdere wezenlijke valuta] |
|
|
|
|
|
Componenten van de liquiditeitsbuffer van de instelling, inclusief |
|
|||
|
Contanten |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Deposito's bij centrale banken |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Effecten met een risicogewicht van 0 % |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Effecten met een risicogewicht van 20 % |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Obligaties van niet-financiële ondernemingen |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Andere activa met een zeer hoge of uiterst hoge liquiditeit en kredietwaardigheid, met inachtneming van de in artikel 481, lid 2, van de CRR genoemde criteria |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit met betrekking tot liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie] |
|
|
|
Totaal bezwaarde activa |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Totaal onbezwaarde activa |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Totaal ontvangen bezwaarde zekerheden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Totaal ontvangen onbezwaarde zekerheden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|
|
Ratio kredieten/deposito's |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens FINREP] |
|
|
|
Beschrijving van alle binnenlandse liquiditeitsratio's die voor de instelling gelden als onderdeel van macroprudentiële beleidsmaatregelen van de bevoegde autoriteiten of de aangewezen autoriteit, zij het in de vorm van bindende vereisten, richtsnoeren, aanbevelingen, waarschuwingen enz., met inbegrip van de definitie van die ratio's |
[Definitie en berekeningsformule, te verstrekken door de bevoegde autoriteit] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie] |
|
|
|
Beschrijving van alle materiële tekortkomingen in het liquiditeitsrisicobeheer van de instelling waarvan de bevoegde autoriteiten kennis hebben en die gevolgen kunnen hebben voor bijkantoren, alle toezichtmaatregelen die zijn ingesteld met betrekking tot die tekortkomingen, en de mate waarin de instelling die toezichtmaatregelen in acht neemt |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
NB: de niet-naleving van de minimumregelgevingsvereisten en alle door de toezichthoudende autoriteit ingestelde corrigerende maatregelen worden buiten het kader van dit sjabloon voor de regelmatige uitwisseling van informatie gemeld in overeenstemming met artikel 2, lid 3, van de TUN. |
|
|
Algehele beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel en het risicobeheer van een instelling, met name met betrekking tot de in de lidstaat van ontvangst gevestigde bijkantoren |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
|
Beschrijving van alle specifieke liquiditeitsvereisten die van toepassing zijn krachtens artikel 105 van Richtlijn 2013/36/EU |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
|
Informatie over alle belemmeringen voor de overdracht van contanten en zekerheden naar of vanuit de bijkantoren van de instelling |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
DEEL 2
JAARLIJKS SPECIFIEK
Sjabloon voor jaarlijks uit te wisselen informatie over de liquiditeit en solvabiliteit van individuele instellingen
|
Betrokken wetgeving |
Artikelen 4, lid 1, 5 en 11 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 |
|
Frequentie van de informatie-uitwisseling |
Jaarlijks |
|
Bevoegde autoriteit: |
|
|
Naam instelling: |
|
|
Referentiedatum (31/12/jjjj): |
|
|
Datum van indiening (dd/mm/jjjj) |
|
|
Informatie verstrekt op geconsolideerde basis (ja/neen) |
Vul „ja” in als de informatie in deze sjabloon op geconsolideerde basis en niet op het niveau van de instelling wordt verstrekt |
|
Informatiegroep |
Informatieonderdeel |
Verwijzing naar COREP/FINREP-sjablonen, indien van toepassing, of naar andere sjablonen |
Informatiewaarde (in cijfers of vrije tekst) |
Opmerkingen |
||||||
|
Liquiditeit |
Liquiditeitsdekkingsratio (in nationale valuta) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
||||||
|
Liquiditeitsdekkingsratio (valuta1, specifieer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|||||||
|
Liquiditeitsdekkingsratio (wezenlijke valuta 2, specifieer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|||||||
|
Liquiditeitsdekkingsratio (wezenlijke valuta 3, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|||||||
|
[voeg in voorkomend geval a.u.b. meer rijen in voor verdere wezenlijke valuta] |
|
|
|
|||||||
|
Netto stabiele financieringsratio (in nationale valuta) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|||||||
|
Netto stabiele financieringsratio (wezenlijke valuta 1, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|||||||
|
Netto stabiele financieringsratio (wezenlijke valuta 2, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|||||||
|
Netto stabiele financieringsratio (wezenlijke valuta 3, specificeer) |
[Op basis van de vereisten van de TUN inzake de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering, maar op de kalibratie volgens de nationale specificaties totdat deze door de kalibratie volgens de CRR wordt vervangen] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie totdat de ratio's in COREP beschikbaar zijn] |
|
|||||||
|
[voeg in voorkomend geval a.u.b. meer rijen in voor verdere wezenlijke valuta] |
|
|
|
|||||||
|
Componenten van de liquiditeitsbuffer van de instelling, inclusief |
|
|||||||||
|
Contanten |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Deposito's bij centrale banken |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Effecten met een risicogewicht van 0 % |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Effecten met een risicogewicht van 20 % |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Obligaties van niet-financiële ondernemingen |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Andere activa met een zeer hoge of uiterst hoge liquiditeit en kredietwaardigheid, met inachtneming van de in artikel 481, lid 2, van de CRR genoemde criteria |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit m.b.t. liquiditeitsdekking en stabiele financiering |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie] |
|
|||||||
|
Totaal bezwaarde activa |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Totaal onbezwaarde activa |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Totaal ontvangen bezwaarde zekerheden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Totaal ontvangen onbezwaarde zekerheden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
waarvan voor de centrale bank toelaatbaar |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage m.b.t. bezwaring van activa |
[Waarde op basis van de TUN] |
|
|||||||
|
Ratio kredieten/deposito's |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens FINREP] |
|
|||||||
|
Beschrijving van alle binnenlandse liquiditeitsratio's die voor een instelling gelden als onderdeel van macroprudentiële beleidsmaatregelen van de bevoegde autoriteiten of de aangewezen autoriteit, zij het in de vorm van bindende vereisten, richtsnoeren, aanbevelingen, waarschuwingen enz., met inbegrip van de definitie van die ratio's |
[Definitie en berekeningsformule, te verstrekken door de bevoegde autoriteit] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie] |
|
|||||||
|
Beschrijving van alle materiële tekortkomingen in het liquiditeitsrisicobeheer van de instelling waarvan de bevoegde autoriteiten kennis hebben en die gevolgen kunnen hebben voor bijkantoren, eventuele toezichtmaatregelen die zijn ingesteld met betrekking tot die tekortkomingen, en de mate waarin de instelling die toezichtmaatregelen in acht neemt |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
NB: de niet-naleving van de minimumregelgevingsvereisten en alle door de toezichthoudende autoriteit ingestelde corrigerende maatregelen worden buiten het kader van dit sjabloon voor de regelmatige uitwisseling van informatie gemeld in overeenstemming met artikel 2, lid 3, van de TUN. |
|||||||
|
Algehele beoordeling van het liquiditeitsrisicoprofiel en het risicobeheer van een instelling, met name met betrekking tot de in de lidstaat van ontvangst gevestigde bijkantoren |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|||||||
|
Beschrijving van alle specifieke liquiditeitsvereisten die van toepassing zijn krachtens artikel 105 van Richtlijn 2013/36/EU |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|||||||
|
Informatie over alle belemmeringen voor de overdracht van contanten en zekerheden naar of vanuit de bijkantoren van de instelling |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|||||||
|
Solvabiliteit |
Informatie betreffende de vraag of de instelling aan de volgende vereisten voldoet:
|
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
NB: de niet-naleving van de minimumregelgevingsvereisten en alle door de toezichthoudende autoriteit ingestelde corrigerende maatregelen worden buiten het kader van dit sjabloon voor de regelmatige uitwisseling van informatie gemeld in overeenstemming met artikel 2, lid 3, van de TUN. |
||||||
|
De tier 1-kernkapitaalratio van de instelling als bedoeld in artikel 92, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
De tier 1-kapitaalratio van de instelling als bedoeld in artikel 92, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
De totale kapitaalratio van de instelling als bedoeld in artikel 92, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
Het totaal van de risicoposten van de instelling als bedoeld in artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
De eigenvermogensvereisten die overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing zijn in de lidstaat van herkomst, rekening houdend met alle overeenkomstig artikel 458 van die verordening vastgestelde of erkende maatregelen en, in voorkomend geval, rekening houdend met de overgangsregelingen van in deel tien van die verordening |
[Definitie en berekeningsformule, te verstrekken door bevoegde autoriteit] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
Hoogte van de kapitaalconserveringsbuffer die de instelling overeenkomstig artikel 129 van Richtlijn 2013/36/EU moet aanhouden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
De hoogte van elke instellingsspecifieke contracyclische kapitaalbuffer die de instelling overeenkomstig artikel 130 van Richtlijn 2013/36/EU moet aanhouden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
De hoogte van elke systeemrisicobuffer die de instelling overeenkomstig artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU moet aanhouden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
De hoogte van elke MSI-buffer of ASI-buffer die de instelling overeenkomstig artikel 131, leden 4 en 5, van Richtlijn 2013/36/EU moet aanhouden |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
|
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
De hoogte van alle aanvullendeigenvermogensvereisten die overeenkomstig artikel 104, lid 1, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU zijn opgelegd en van alle andere vereisten die overeenkomstig dat artikel zijn opgelegd met betrekking tot de solvabiliteit van een instelling |
Op basis van de vereisten van de TUN inzake rapportage aan de toezichthoudende autoriteit |
[Waarde volgens COREP] |
Informatie die is verstrekt aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor |
|||||||
|
Hefboomfinanciering |
Door de instelling overeenkomstig artikel 451 van Verordening (EU) nr. 575/2013 verstrekte informatie over haar hefboomratio en over de wijze waarop zij het risico van buitensporige hefboomfinanciering beheert |
|
[Link naar de door de instelling bekendgemaakte informatie] |
|
||||||
DEEL 3
JAARLIJKS — DIENSTEN
Sjabloon voor de uit te wisselen informatie betreffende grensoverschrijdende dienstverleners
|
Betrokken wetgeving |
Artikel 16 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 |
|
Frequentie van de informatie-uitwisseling |
Jaarlijks op verzoek |
|
Bevoegde autoriteit: |
|
|
Naam instelling: |
|
|
Referentiedatum (31/12/jjjj): |
|
|
Datum van indiening (dd/mm/jjjj) |
|
|
Informatie verstrekt op geconsolideerde basis (ja/neen) |
Vul „ja” in als de informatie in deze sjabloon op geconsolideerde basis en niet op het niveau van de instelling wordt verstrekt |
|
Informatiegroep |
Informatieonderdeel |
Verwijzing naar COREP/FINREP-sjablonen, indien van toepassing, of andere verwijzing |
Informatiewaarde (in cijfers of vrije tekst) |
Opmerkingen |
|
Informatie betreffende grensoverschrijdende dienstverleners |
De omvang van de van ingezetenen van de lidstaat van ontvangst aangetrokken deposito's |
[Definitie en berekeningsformule, te verstrekken door de bevoegde autoriteit] |
[Waarde, aangegeven in miljoenen in de toepasselijke valuta van de instelling op basis van nationale verslaglegging, en specificatie] |
|
|
De omvang van de aan ingezetenen in de lidstaat van ontvangst verstrekte leningen |
[Definitie en berekeningsformule, te verstrekken door de bevoegde autoriteit] |
[Waarde, aangegeven in miljoenen in de toepasselijke valuta van de instelling op basis van nationale verslaglegging, en specificatie] |
|
|
|
De volgende informatieonderdelen hebben betrekking op de in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU vermelde activiteiten waarvan de instelling te kennen heeft gegeven dat zij deze in de lidstaat van ontvangst wenst uit te oefenen door middel van het verrichten van diensten |
|
|||
|
De vorm waarin de instelling de werkzaamheden uitvoert |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
|
De voornaamste werkzaamheden onder de werkzaamheden die de instelling in de lidstaat van ontvangst uitoefent |
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
||
|
Antwoord op de vraag of de werkzaamheden die in de door de instelling in de overeenkomstig artikel 39 van Richtlijn 2013/36/EU afgegeven kennisgeving als kernactiviteiten zijn aangemerkt, door een instelling worden uitgeoefend |
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
||
DEEL 4
INFORMATIE PER BIJKANTOOR — VAN LIDSTAAT VAN ONTVANGST
Sjabloon voor de informatie die moet worden uitgewisseld betreffende in lidstaten van ontvangst gevestigde bijkantoren
|
Betrokken wetgeving |
Artikel 15 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 |
|
Frequentie van de informatie-uitwisseling |
Jaarlijks |
|
Bevoegde autoriteit: |
|
|
Naam bijkantoor: |
|
|
Naam instelling: |
|
|
Referentiedatum (31/12/jjjj): |
|
|
Datum van indiening (dd/mm/jjjj) |
|
|
Informatiegroep |
Informatieonderdeel |
Verwijzing naar COREP/FINREP-sjablonen, indien van toepassing, of naar andere sjablonen |
Informatiewaarde (in cijfers of vrije tekst) |
Opmerkingen |
|
Informatie betreffende in lidstaten gevestigde bijkantoren |
Marktaandeel van het bijkantoor aan leningen |
[Definitie en berekeningsformule, te verstrekken door de bevoegde autoriteit] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie. Deze waarde wordt niet verstrekt indien zij niet meer bedraagt dan 2 % van de totale leningen in de lidstaat van ontvangst] |
|
|
Marktaandeel van het bijkantoor aan deposito's |
[Definitie en berekeningsformule, te verstrekken door de bevoegde autoriteit] |
[Waarde op basis van nationale verslaglegging en specificatie. Deze waarde wordt niet verstrekt indien zij niet meer bedraagt dan 2 % van de totale deposito's in de lidstaat van ontvangst] |
|
|
|
Beschrijving van de systeemrisico's die van het bijkantoor of zijn activiteiten uitgaan in de lidstaat van ontvangst, inclusief beoordeling van het waarschijnlijke effect van een opschorting of beëindiging van de activiteiten van het bijkantoor op de liquiditeit van het systeem, de betalingssystemen, de clearing- en afwikkelingssystemen |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
|
Belemmeringen voor de overdracht van contanten en zekerheden naar of vanuit het bijkantoor |
|
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
DEEL 5
JAARLIJKS ALGEMEEN — DGS
Sjabloon voor uit te wisselen informatie betreffende depositogarantiestelsels
|
Betrokken wetgeving |
Artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 |
|
Frequentie van de informatie-uitwisseling |
Jaarlijks |
|
Bevoegde autoriteit: |
|
|
Naam instelling: |
|
|
Referentiedatum (31/12/jjjj): |
|
|
Datum van indiening (dd/mm/jjjj) |
|
|
Informatie verstrekt op geconsolideerde basis (ja/neen) |
Vul „ja” in als de informatie in deze sjabloon op geconsolideerde basis en niet op het niveau van een instelling wordt verstrekt |
|
Informatiegroep |
Informatieonderdeel |
Informatiewaarde (in cijfers of vrije tekst) |
Opmerkingen |
|
Depositogarantiestelsel |
Naam van het depositogarantiestelsel waartoe de instelling behoort |
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
Maximale dekking die het depositogarantiestelsel per in aanmerking komend deposito biedt |
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
|
Reikwijdte van de dekking, de soorten betrokken deposito's en alle uitsluitingen van de dekking, met inbegrip van producten en soorten deposito's |
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
|
Financieringsregelingen van het depositogarantiestelsel, met name informatie over de vraag of het om een ex ante of een ex post gefinancierd stelsel gaat en over de omvang van het stelsel |
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
|
|
Contactgegevens van de beheerder van het depositogarantiestelsel |
[Vrij tekstveld voor de gegevens op de rapportagedatum. Indien er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de vorige rapportageperiode, kunnen de bevoegde autoriteiten naar eerder verstrekte informatie verwijzen of deze bijwerken] |
|
DEEL 6
JAARLIJKS AANVULLEND
Bijkomende informatie die moet worden uitgewisseld betreffende het beheer en de eigendom van individuele instellingen, hun liquiditeits- en financieringsbeleid, liquiditeits- en financieringsnoodplannen en toebereidselen voor noodsituaties
|
Betrokken wetgeving |
De artikelen 3, 4, lid 3, en 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 |
|
Frequentie van de informatie-uitwisseling |
Jaarlijks |
|
Bevoegde autoriteit: |
|
|
Naam instelling: |
|
|
Referentiedatum (31/12/jjjj): |
|
|
Datum van indiening (dd/mm/jjjj) |
|
|
Informatie verstrekt op geconsolideerde basis (ja/neen) |
Vul „ja” in als de informatie in deze sjabloon op geconsolideerde basis en niet op het niveau van een instelling wordt verstrekt |
Bijkomende informatie die moet worden uitgewisseld betreffende het beheer en de eigendom van de instelling en toebereidselen voor noodsituaties
|
1. |
Huidige organisatiestructuur van de instelling, met inbegrip van haar bedrijfsonderdelen en haar betrekkingen met entiteiten binnen de groep |
|
2. |
Contactgegevens voor noodgevallen: contactgegevens van contactpersonen bij de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het beheer van noodsituaties en communicatieprocedures die gelden in noodsituaties |
Bijkomende informatie die moet worden uitgewisseld met de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst die toezicht uitoefenen op een significant bijkantoor
|
1. |
Actuele samenstelling van het leidinggevend orgaan en de directie, met inbegrip van de toewijzing van verantwoordelijkheid voor het toezicht op het bijkantoor |
|
2. |
Actuele lijst van aandeelhouders en vennoten met gekwalificeerde deelnemingen, op basis van door de kredietinstelling in overeenstemming met artikel 26, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU verstrekte informatie |
|
3. |
Liquiditeits- en financieringsbeleid van de instelling, met inbegrip van beschrijvingen van de financieringsregelingen van haar bijkantoren, alle regelingen voor steunverlening binnen de groep en procedures voor gecentraliseerd kasbeheer („cash pooling”) |
|
4. |
Noodplannen inzake liquiditeit en financiering van de instelling, met inbegrip van informatie over de veronderstelde stressscenario's |
BIJLAGE II
Sjabloon voor de uitwisseling van informatie in geval van liquiditeitsspanning
|
Betrokken wetgeving |
Artikel 17 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 van de Commissie |
|
Bevoegde autoriteit: |
|
|
Naam orgaan: |
|
|
Ingediend op (dd/mm/jj): |
|
|
Informatie verstrekt op geconsolideerde basis (ja/neen) |
Vul „ja” in als de informatie in dit sjabloon op geconsolideerde basis en niet op het niveau van de instelling wordt verstrekt |
AFDELING 1
Beschrijving van de situatie van liquiditeitsspanning
|
Vraag/Gewenste informatie |
Antwoord/Waarde |
|
Heeft zich liquiditeitsspanning voorgedaan of zal zich in de komende maand of daarna (a.u.b. tijdspanne specificeren) waarschijnlijk liquiditeitsspanning voordoen? |
[Vrij tekstveld] |
|
Beschrijving van de situatie met inbegrip van de onderliggende oorzaak van de situatie van spanning |
[Vrij tekstveld] |
|
Wat zijn de volgende stappen? Wat zou er moeten gebeuren dat de bevoegde autoriteit zou aangaan? |
[Vrij tekstveld] |
|
Zijn er calamiteitenplannen, zoals noodfinancieringsplannen in werking gesteld? |
[Vrij tekstveld] |
|
Verwachte impact van de situatie op het besmettingsrisico in de banksector van de lidstaat van herkomst in de komende 3 tot 6 maanden? |
[Vrij tekstveld] |
|
Verwachte impact van de situatie op de instelling, onder meer de kritieke economische functies ervan, in de komende 3 tot 6 maanden? |
[Vrij tekstveld] |
|
Verwachte impact van de situatie in de komende 3 tot 6 maanden op de activiteiten van het bijkantoor? |
[Vrij tekstveld] |
AFDELING 2
Maatregelen en herstel
|
Welke maatregelen zijn tot dusver door de instelling of de bevoegde autoriteit genomen om de oorzaak van de spanning te limiteren? Verstrek bijzonderheden over de impact die deze maatregelen hebben gehad: |
||
|
Maatregel/genomen door |
Impact |
|
|
vrije tekst |
vrije tekst |
|
|
vrije tekst |
vrije tekst |
|
|
vrije tekst |
vrije tekst |
|
|
Welke maatregelen worden door de instelling of de bevoegde autoriteit gepland om de oorzaak van de liquiditeitsspanning te limiteren? Verstrek bijzonderheden over het tijdschema voor het nemen van die maatregelen en de verwachte impact ervan: |
||
|
Maatregel/te nemen door |
Tijdschema |
Impact |
|
vrije tekst |
vrije tekst |
vrije tekst |
|
vrije tekst |
vrije tekst |
vrije tekst |
|
vrije tekst |
vrije tekst |
vrije tekst |
|
Wat zijn de toekomstige mijlpalen en de drempelniveaus voor verdere maatregelen? |
||
|
[Vrij tekstveld] |
||
|
Gelieve de maatregelen op te lijsten die door de instelling of de bevoegde autoriteit ter verbetering van de liquiditeitspositie zijn genomen. Verstrek bijzonderheden over de kwantitatieve impact ervan. |
||
|
Maatregel/genomen door |
Impact |
|
|
vrije tekst |
vrije tekst |
|
|
vrije tekst |
vrije tekst |
|
|
vrije tekst |
vrije tekst |
|
|
Gelieve de door de instelling of de bevoegde autoriteit ter verbetering van de liquiditeitspositie geplande maatregelen op te lijsten. Verstrek bijzonderheden over het tijdschema daarvoor en de verwachte impact. |
||
|
Maatregel/te nemen door |
Tijdschema |
Impact |
|
vrije tekst |
vrije tekst |
vrije tekst |
|
vrije tekst |
vrije tekst |
vrije tekst |
|
vrije tekst |
vrije tekst |
vrije tekst |
|
Wat zijn de toekomstige mijlpalen en de drempelniveaus voor verdere maatregelen? |
||
|
[Vrij tekstveld] |
||
|
Gelieve daarnaast de laatst beschikbare kwantitatieve informatie inzake liquiditeit te verstrekken als gespecificeerd in artikel 4, lid 1, onder c) t/m h), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 524/2014 (zie ook de in de delen 1 of 2 van bijlage I gespecificeerde sjablonen) |
||
|
12.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172/26 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 621/2014 VAN DE COMMISSIE
van 11 juni 2014
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 juni 2014.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MK |
53,3 |
|
TR |
71,7 |
|
|
ZZ |
62,5 |
|
|
0707 00 05 |
MK |
36,9 |
|
TR |
105,3 |
|
|
ZZ |
71,1 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
68,1 |
|
TR |
113,5 |
|
|
ZA |
27,3 |
|
|
ZZ |
69,6 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
104,4 |
|
TR |
120,8 |
|
|
ZA |
126,5 |
|
|
ZZ |
117,2 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
103,5 |
|
BR |
77,8 |
|
|
CL |
94,3 |
|
|
CN |
98,7 |
|
|
NZ |
135,2 |
|
|
US |
183,9 |
|
|
UY |
168,2 |
|
|
ZA |
99,1 |
|
|
ZZ |
120,1 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
250,0 |
|
ZZ |
250,0 |
|
|
0809 29 00 |
TR |
377,6 |
|
ZZ |
377,6 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
12.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172/28 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 26 mei 2014
betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie op de 103e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie zal worden ingenomen in verband met de wijzigingen van de Code van het Verdrag betreffende maritieme arbeid
(2014/346/EU)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 218, lid 9, in samenhang met artikel 153, lid 1, onder b), en artikel 153, lid 2, onder b),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006, van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), hierna „het Verdrag” genoemd, stelt minimale arbeids- en leefomstandigheden vast voor alle zeevarenden op schepen die de vlag voeren van een land dat het Verdrag heeft bekrachtigd. |
|
(2) |
Het uit hoofde van het Verdrag ingestelde „Bijzonder Tripartiet Comité”, hierna „het Comité” genoemd, heeft tijdens zijn vergadering van 7 tot en met 11 april 2014 wijzigingen van de Code van het Verdrag hierna „wijzigingen” genoemd, aangenomen. De wijzigingen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de 103e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie, die plaatsvindt van 28 mei tot en met 12 juni 2014. |
|
(3) |
De wijzigingen betreffen de aansprakelijkheid van reders in verband met schadevorderingen bij overlijden en letsel, en de achterlating van zeevarenden. |
|
(4) |
Gedeelten van de regels van het Verdrag en de wijzigingen vallen onder de bevoegdheid van de Unie en betreffen aangelegenheden waarvoor de Unie regels heeft vastgesteld. De wijzigingen zullen een wisselwerking hebben met het bestaande acquis, in het bijzonder op het gebied van sociaal beleid en vervoer. Meer specifiek zijn de meeste verdragsbepalingen geregeld in Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 en tot wijziging van Richtlijn 1999/63/EG (1). De uitvoering van het Verdrag in de Unie wordt verder gewaarborgd door Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (2), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2013/38/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), en Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) betreffende de vlaggenstaat en tot handhaving van de bijlage bij Richtlijn 2009/13/EG. |
|
(5) |
De tijdens de Internationale Arbeidsconferentie goedgekeurde wijzigingen van de Code van het Verdrag worden van kracht voor alle Leden, overeenkomstig en onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel XV van het Verdrag. Hieruit volgt dat de wijzigingen van de Code van het Verdrag betreffende maritieme arbeid een rechtshandeling vormen van een krachtens een internationale overeenkomst opgerichte instantie, die rechtsgevolgen heeft. |
|
(6) |
In het licht van het bovenstaande moet de Raad overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU het standpunt vaststellen dat namens de Unie moet worden ingenomen ten aanzien van aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen en waarvoor de Unie regels heeft aangenomen, en de lidstaten machtigen gezamenlijk op te treden in het belang van de Unie, die geen lid van de IAO is (5), |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Het standpunt van de Unie op de 103e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie bestaat erin dat zij, ten aanzien van aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen en waarvoor de Unie regels heeft aangenomen, de goedkeuring steunt van de wijzigingen van de Code van het Verdrag die het Comité tijdens zijn vergadering van 7 tot en met 11 april 2014 heeft aangenomen. De tekst van de wijzigingen is bij dit besluit gevoegd.
2. Het standpunt van de Unie als bedoeld in lid 1 wordt ingenomen door de lidstaten, die bij de goedkeuring van de wijzigingen van de Code van het Verdrag op de 103e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie gezamenlijk optreden in het belang van de Unie.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 26 mei 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
Ch. VASILAKOS
(1) PB L 124 van 20.5.2009, blz. 30.
(2) PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57.
(3) Richtlijn 2013/38/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG betreffende havenstaatcontrole (PB L 218van 14.8.2013, blz. 1).
(4) Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006 (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1).
(5) Advies 2/91 van het Europees Hof van Justitie van 19 maart 1993, Jurispr. 1993-I, bladzijde 1061, punt 26.
BIJLAGE
EERSTE VERGADERING VAN HET BIJZONDER TRIPARTIET COMITÉ DAT IS OPGERICHT DOOR DE RAAD VAN BEHEER OVEREENKOMSTIG ARTIKEL XIII VAN HET VERDRAG BETREFFENDE MARITIEME ARBEID VAN 2006 (VMA 2006)
Tekst aangenomen door het Bijzonder Tripartiet Comité dat is opgericht door de Raad van Beheer overeenkomstig artikel XIII van het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 (VMA)
Voorstel voor wijzigingen van de Code met betrekking tot voorschrift 2.5 van het VMA 2006
A. Voorstellen met betrekking tot norm A2.5
In de rubriek „Norm A2.5 — Repatriëring”, wordt „A2.5” vervangen door „A2.5.1”.
Na punt 9 van norm A2.5, wordt de volgende titel en tekst ingevoegd:
„Norm A2.5.2 — Financiële zekerheid
|
1. |
Ter uitvoering van het tweede lid van voorschrift 2.5, worden bij deze norm voorschriften vastgesteld teneinde te voorzien in een snel en doeltreffend systeem van financiële zekerheid om zeevarenden bij te staan in het geval zij worden achtergelaten. |
|
2. |
Voor de toepassing van deze norm wordt een zeevarende geacht te zijn achtergelaten wanneer de reder, in strijd met de vereisten van dit Verdrag of de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden:
|
|
3. |
Ieder lid ziet erop toe dat voor schepen die zijn vlag voeren een stelsel van financiële zekerheid bestaat dat aan de vereisten van deze norm voldoet. Het stelsel van financiële zekerheid kan een socialezekerheidsstelsel, verzekering of nationaal fonds zijn, of een soortgelijke regeling. De vorm ervan wordt door het lid bepaald na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden. |
|
4. |
Het stelsel van financiële zekerheid biedt voor achtergelaten zeevarenden op een schip dat de vlag van het lid voerde, rechtstreekse toegang, voldoende dekking en onverwijlde financiële bijstand overeenkomstig deze norm. |
|
5. |
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b), wordt onder het noodzakelijke onderhoud en de noodzakelijke ondersteuning verstaan: adequate voeding, huisvesting, drinkwatervoorraad, essentiële brandstof om op het schip te kunnen overleven en noodzakelijke gezondheidszorg. |
|
6. |
Elk lid verlangt dat schepen die zijn vlag voeren, en waarop het eerste en het tweede lid van voorschrift 5.1.3, van toepassing zijn, een certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord hebben dat is afgegeven door de aanbieder van de financiële zekerheid. Een kopie van dit document wordt op een opvallende, voor de zeevarenden toegankelijke plaats aan boord opgehangen. Wanneer er meer dan één aanbieder van financiële zekerheid is, wordt het document van elke aanbieder meegenomen aan boord. |
|
7. |
Het certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid bevat de op grond van aanhangsel A2-I vereiste informatie. Het wordt in het Engels opgesteld, of gaat vergezeld van een vertaling in het Engels. |
|
8. |
De bijstand van het stelsel van financiële zekerheid wordt op verzoek van de zeevarende of de door hem aangewezen vertegenwoordiger, die zijn verzoek met de nodige motivering van zijn aanspraak overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid ondersteunt, onmiddellijk verleend. |
|
9. |
Rekening houdend met voorschriften 2.2 en 2.5, is de uit hoofde van het stelsel van financiële zekerheid geboden bijstand toereikend om de volgende uitgaven te dekken:
|
|
10. |
De kosten van repatriëring omvatten het vervoer met passende en snelle vervoersmiddelen, normaliter per vliegtuig, maaltijden en huisvesting van de zeevarende vanaf het tijdstip van verlating van het schip tot de aankomst thuis van de zeevarende, de noodzakelijke gezondheidszorg, de reis en het vervoer van persoonlijke bezittingen en eventuele andere redelijke kosten of lasten die voortvloeien uit de achterlating. |
|
11. |
De financiële zekerheid blijft in stand tot aan het eind van haar geldigheidsduur, tenzij de aanbieder van de financiële zekerheid de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat ten minste 30 dagen voor de annulering ervan in kennis heeft gesteld. |
|
12. |
Indien de aanbieder van de verzekering of van een andere vorm van financiële zekerheid in overeenstemming met deze norm een betaling aan een zeevarende doet, verkrijgt hij, tot de hoogte van het betaalde bedrag en overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, door subrogatie, overdracht of anderszins, de rechten die de zeevarende zou hebben genoten. |
|
13. |
Niets in deze norm doet afbreuk aan de verhaalsrechten van de verzekeraar of de aanbieder van financiële zekerheid tegenover derden. |
|
14. |
De bepalingen in deze norm zijn niet bedoeld als exclusieve bepalingen; andere rechtsmiddelen, vorderingen of voorzieningen die de achtergelaten zeevarende ter beschikking staan, blijven onverlet. De nationale wet- en regelgeving kan bepalen dat met de in het kader van deze norm te betalen bedragen, bedragen kunnen worden verrekend die uit andere bronnen worden ontvangen op grond van rechten, vorderingen of voorzieningen die aanleiding kunnen geven tot compensatie in het kader van deze norm.”. |
B. Voorstel met betrekking tot leidraad B2.5
Aan het eind van leidraad B2.5, wordt de volgende titel en tekst ingevoegd:
„Leidraad B2.5.3 — Financiële zekerheid
|
1. |
Bij de toepassing van het achtste lid van norm A2.5.2, moet, in gevallen waarin meer tijd nodig is voor het controleren van de geldigheid van bepaalde onderdelen van de aanvraag van de zeevarende of de door hem aangewezen vertegenwoordiger, worden gewaarborgd dat de zeevarende onmiddellijk het deel van de gevraagde bijstand ontvangt dat als gerechtvaardigd wordt beschouwd.”. |
C. Voorstel voor een nieuw aanhangsel
Vóór aanhangsel A5-I wordt het volgende aanhangsel ingevoegd:
„AANHANGSEL A2-I
Bewijs van financiële zekerheid uit hoofde van het tweede lid van voorschrift 2.5
In het certificaat of een ander bewijsstuk uit hoofde van het zevende lid van norm A2.5.2, is de volgende informatie opgenomen:
|
a) |
naam van het schip; |
|
b) |
haven van registratie van het schip; |
|
c) |
roepnaam van het schip; |
|
d) |
IMO-nummer van het schip; |
|
e) |
naam en adres van de aanbieders van de financiële zekerheid; |
|
f) |
contactgegevens van de persoon of entiteit die verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om steun van zeevarenden; |
|
g) |
naam van de reder; |
|
h) |
geldigheidsduur van de financiële zekerheid, en |
|
i) |
een verklaring van de aanbieder van de financiële zekerheid dat de financiële zekerheid voldoet aan de voorschriften van norm A2.5.2.”. |
D. Voorstellen met betrekking tot aanhangsels A5-I, A5-II en A5-III
Aan het einde van aanhangsel A5-I wordt het volgende punt toegevoegd:
„Financiële zekerheid voor repatriëring.”.
In aanhangsel A5-II wordt onder de titel Verklaring naleving maritieme arbeid — Deel I, na punt 14 het volgende punt ingevoegd:
|
„15. |
Financiële zekerheid voor repatriëring (voorschrift 2.5).”. |
In aanhangsel A5-II wordt onder de titel Verklaring naleving maritieme arbeid — deel II na punt 14 het volgende punt ingevoegd:
|
„15. |
Financiële zekerheid voor repatriëring (voorschrift 2.5).”. |
Aan het einde van aanhangsel A5-III wordt de volgende tekst toegevoegd:
„Financiële zekerheid voor repatriëring.”.
Voorstel voor wijzigingen van de Code met betrekking tot voorschrift 4.2 van het VMA 2006
A. Voorstellen met betrekking tot norm A4.2
In de titel „Norm A4.2 — Aansprakelijkheid van de reder” wordt „A4.2” vervangen door „A4.2.1”.
Na het zevende lid van norm A4.2 wordt de volgende tekst toegevoegd:
|
„8. |
De nationale wet- en regelgeving waarborgt dat het in het eerste lid, onderdeel b), van deze norm bedoelde stelsel van financiële zekerheid voor contractuele vorderingen, zoals gedefinieerd in norm A4.2.2, aan de volgende eisen voldoet:
|
|
9. |
De nationale wet- en regelgeving waarborgt dat zeevarenden vooraf worden geïnformeerd indien de financiële zekerheid van een reder wordt geannuleerd of beëindigd. |
|
10. |
De nationale wet- en regelgeving waarborgt dat de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat vooraf door de aanbieder van de financiële zekerheid wordt geïnformeerd indien de financiële zekerheid van een reder wordt geannuleerd of beëindigd. |
|
11. |
Elk lid verlangt dat schepen die zijn vlag voeren, een certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid aan boord hebben dat is afgegeven door de aanbieder van de financiële zekerheid. Een kopie van dit document wordt op een opvallende, voor de zeevarenden toegankelijke plaats aan boord opgehangen. Wanneer er meer dan één aanbieder van financiële zekerheid is, wordt het document van elke aanbieder meegenomen aan boord. |
|
12. |
De financiële zekerheid blijft in stand tot aan het eind van haar geldigheidsduur, tenzij de aanbieder van de financiële zekerheid de bevoegde autoriteit van de vlaggenstaat ten minste 30 dagen voor de annulering ervan in kennis heeft gesteld. |
|
13. |
De financiële zekerheid wordt gesteld voor de betaling van alle contractuele vorderingen die ontstaan tijdens de periode waarvoor het document geldig is. |
|
14. |
Het certificaat of ander bewijsstuk van financiële zekerheid bevat de op grond van aanhangsel A4-I vereiste informatie. Het wordt in het Engels opgesteld, of gaat vergezeld van een vertaling in het Engels.”. |
Aan norm A4.2 wordt de volgende titel en tekst toegevoegd:
„Norm A4.2.2 — Behandeling van contractuele vorderingen
|
1. |
Voor de toepassing van het achtste lid van norm A4.2.1, en van onderhavige norm, wordt onder de term „contractuele vordering” verstaan een schadevordering in verband met het overlijden of een langdurige arbeidsongeschiktheid van zeevarenden als gevolg van een bedrijfsongeval, beroepsziekte of bedrijfsrisico, als vervat in de nationale wetgeving, de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden of collectieve arbeidsovereenkomst. |
|
2. |
Het stelsel van financiële zekerheid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b), van norm A4.2.1, kan een socialezekerheidsstelsel, verzekering of fonds zijn, of een soortgelijke regeling. De vorm ervan wordt door het lid bepaald na overleg met de betrokken organisaties van reders en zeevarenden. |
|
3. |
Nationale wet- en regelgeving waarborgt dat is voorzien in doeltreffende regelingen voor snelle en eerlijke procedures, die onpartijdigheid garanderen bij het ontvangen, behandelen en afwikkelen van contractuele vorderingen met betrekking tot de vergoeding als bedoeld in het achtste lid van norm A4.2.1.”. |
B. Voorstellen met betrekking tot leidraad B4.2
In de titel „Leidraad B4.2 — Aansprakelijkheid van de reder” wordt „B4.2” vervangen door „B4.2.1”.
In het eerste lid 1 van leidraad B4.2 wordt „Norm A4.2” vervangen door „Norm A4.2.1”.
Na het derde lid van onderhavige leidraad B4.2 wordt de volgende titel en tekst ingevoegd:
„Leidraad B4.2.2 — Behandeling van contractuele vorderingen
|
1. |
In nationale wet- en regelgeving moet worden bepaald dat de partijen bij de uitbetaling van compensatie op grond van een contractuele schadevordering gebruik kunnen maken van het in Aanhangsel B4-I omschreven model van ontvangst- en vrijgaveformulier.”. |
C. Voorstellen voor nieuwe aanhangsels
Na aanhangsel A2-I wordt het volgende aanhangsel ingevoegd:
„AANHANGSEL A4-I
Bewijs van financiële zekerheid uit hoofde van voorschrift 4.2
In het certificaat of een ander bewijsstuk van de financiële zekerheid uit hoofde van het veertiende lid van norm A4.2.1, is de volgende informatie opgenomen:
|
a) |
naam van het schip; |
|
b) |
haven van registratie van het schip; |
|
c) |
roepnaam van het schip; |
|
d) |
IMO-nummer van het schip; |
|
e) |
naam en adres van de aanbieders van de financiële zekerheid; |
|
f) |
contactgegevens van de persoon of entiteit die verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om steun van zeevarenden; |
|
g) |
naam van de reder; |
|
h) |
geldigheidsduur van de financiële zekerheid, en |
|
i) |
een verklaring van de aanbieder van de financiële zekerheid dat de financiële zekerheid voldoet aan de vereisten van norm A4.2.1.”. |
Na aanhangsel A4-I wordt het volgende aanhangsel ingevoegd:
„AANHANGSEL B4-I
Model ontvangst- en vrijgaveformulier als bedoeld in leidraad B4.2.2
schip (naam, haven van registratie en IMO-nummer):
Incident (datum en plaats):
Zeevarende/wettelijk erfgenaam en/of rechthebbende:
Reder:
Ik, [zeevarende] [wettig erfgenaam en/of rechthebbende] (*1) bevestig hierbij de ontvangst van de som van [valuta en bedrag] ter genoegdoening van de verplichting van de reder tot betaling van contractuele compensatie voor lichamelijk letsel en/of overlijden overeenkomstig de voorwaarden van mijn arbeidsovereenkomst/de arbeidsovereenkomst voor zeevarenden en onthef hierbij de reder van zijn verplichtingen in het kader van de genoemde voorwaarden.
De betaling geschiedt zonder erkenning van aansprakelijkheid voor eventuele andere vorderingen en wordt aanvaard zonder enige afbreuk te doen aan [mijn recht] [het recht van de wettelijke erfgenaam/rechthebbende] om een vordering in te stellen in geval van nalatigheid, onrechtmatige daad, schending van de statutaire plicht of om op enige andere beschikbare wijze verhaal te halen met betrekking tot het bovengenoemde incident.
Datum:
Zeevarende/wettelijk erfgenaam en/of rechthebbende:
Handtekening:
Voor ontvangst:
Reder/vertegenwoordiger van de reder:
Handtekening:
Aanbieder van de financiële zekerheid:
Handtekening:
D. Voorstellen met betrekking tot aanhangsels A5-I, A5-II en A5-III
Aan het einde van aanhangsel A5-I wordt het volgende punt toegevoegd:
„Financiële zekerheid in verband met de aansprakelijkheid van de reder.”.
In aanhangsel A5-II wordt onder de titel Verklaring naleving maritieme arbeid — Deel I als laatste punt het volgende ingevoegd:
|
„16. |
Financiële zekerheid in verband met de aansprakelijkheid van de reder (voorschrift 4.2).”. |
In aanhangsel A5-II wordt onder de titel Verklaring naleving maritieme arbeid — Deel II als laatste punt het volgende ingevoegd:
|
„16. |
Financiële zekerheid in verband met de aansprakelijkheid van de reder (voorschrift 4.2).”. |
Aan het einde van Aanhangsel A5-III wordt de volgende tekst toegevoegd:
„Financiële zekerheid in verband met de aansprakelijkheid van de reder.”.
(*1) Doorhalen wat niet van toepassing is.”.”
III Andere handelingen
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
|
12.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172/36 |
BESCHIKKING VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA
Nr. 496/13/COL
van 11 december 2013
betreffende de financiering van concerthal en congrescentrum Harpa (IJsland)
DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA („DE AUTORITEIT”),
GEZIEN de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-Overeenkomst”), en met name artikel 61, lid 3, onder c), en Protocol nr. 26,
GEZIEN de Overeenkomst tussen de EVA-Staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie („de Toezichtovereenkomst”), en met name artikel 24,
GEZIEN Protocol nr. 3 van de Toezichtovereenkomst („Protocol nr. 3”), en met name artikel 7, lid 3, van deel II.
NA de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben uitgenodigd hun opmerkingen te maken (1) en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
I. FEITEN
1. PROCEDURE
|
(1) |
Op 19 september 2011 ontving de Autoriteit een klacht (feit nr. 608967) dat de IJslandse staat („de staat”) en de gemeente Reykjavik („de gemeente”) van congres- en restaurant-/cateringdiensten in concerthal en congrescentrum Harpa („Harpa”) zouden subsidiëren (2). |
|
(2) |
Nadat zij van de IJslandse autoriteiten alle relevante informatie had ontvangen en de zaak in een vergadering op 5 juni 2012 had besproken (3) besloot de Autoriteit bij Beschikking nr. 128/13/COL van 20 maart 2013 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure naar mogelijke staatssteun bij de financiering van concerthal en congrescentrum Harpa („Beschikking nr. 128/13/COL” of „de beschikking tot inleiding van de procedure”). |
|
(3) |
In een brief van 28 mei 2013 (feit nr. 673762) dienden de IJslandse autoriteiten opmerkingen in over de beschikking van de Autoriteit. De zaak werd ook door de Autoriteit en de IJslandse autoriteiten besproken tijdens de pakketvergadering in Reykjavik op 4 juni 2013. |
|
(4) |
Op 8 augustus 2013 werd Beschikking nr. 128/13/COL gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het EER-supplement. Belanghebbenden kregen een maand de tijd om op de beschikking tot inleiding van de procedure van de Autoriteit te reageren. De Autoriteit heeft geen opmerkingen van belanghebbende partijen ontvangen. |
2. BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL
2.1. Algemeen
|
(5) |
In Beschikking nr. 128/13/COL onderzocht de Autoriteit de financiering van concerthal en congrescentrum Harpa. Harpa is een multifunctioneel gebouw in het centrum van Reykjavik, dat momenteel eigendom is van de IJslandse staat (54 %) en de gemeente Reykjavik (46 %), die gezamenlijk bijdragen aan de bekostiging ervan. |
2.2. Achtergrond
|
(6) |
In 1999 kondigde de burgemeester van Reykjavik samen met vertegenwoordigers van de IJslandse regering aan dat in het centrum van Reykjavik een concertgebouw en congrescentrum zou worden gebouwd. Eind 2002 tekenden de IJslandse staat en de gemeente een overeenkomst voor het project en het jaar daarop werd de onderneming Austurhöfn-TR ehf. opgericht om toezicht te houden op het project (4). |
|
(7) |
In het oorspronkelijke bedrijfsmodel voor Harpa zou een particuliere partij de verantwoordelijkheid dragen voor de bouw en de exploitatie van het gebouw, en in ruil daarvoor jaarlijkse bijdragen van de staat en de gemeente ontvangen. In april 2004 kondigde het handelscentrum van de overheid een prekwalificatieprocedure voor het project aan en in 2005 kwam een beoordelingscommissie tot de conclusie dat van de vier ontvangen inschrijvingen die van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Portus ehf. het gunstigst was. Vervolgens sloten de IJslandse staat en de gemeente met Portus een overeenkomst („de projectovereenkomst”) voor de bouw en de exploitatie van een concerthal en congrescentrum (5). In 2008 kreeg de geselecteerde particuliere partner na de financiële ineenstorting echter met ernstige financiële problemen te kampen en moest hij zich uit het project terugtrekken. Daardoor kwam de bouw van Harpa stil te liggen. |
|
(8) |
Toen de particuliere partner zich uit het project terugtrok, was de bouw van Harpa al ongeveer halverwege, en moesten de IJslandse autoriteiten dus een besluit over de toekomst van Harpa nemen. Volgens de IJslandse autoriteiten waren er destijds in wezen drie opties (6):
|
|
(9) |
Ook was duidelijk dat een „half voltooid” gebouw van de grootte van Harpa in het hart van de stad op de lange termijn problemen zou veroorzaken en dat waarde verloren zou gaan. Het leek daarom geen mogelijkheid om het project te staken, omdat al grote bedragen waren uitgegeven om het project te beginnen en een doorstart in een later stadium bijzonder kostbaar en gecompliceerd zou zijn. Derhalve besloten de burgemeester van Reykjavik en de minister van Onderwijs in februari 2009 gezamenlijk dat de staat en de gemeente het project zouden afbouwen zonder de particuliere partner (7). |
|
(10) |
Austurhöfn-TR ehf. nam het project daarop over en de plannen werden herzien om goedkoper te kunnen bouwen en te besparen op het ontwerp van het gebouw. In een persbericht van de staat en de gemeente werd verklaard dat de overname een tijdelijke oplossing was, en dat het eigendom en de financiering van Harpa zouden worden herzien wanneer de economie zich zou hebben hersteld. De projectovereenkomst werd in 2010 gewijzigd en in overeenstemming gebracht met het nieuwe beheer van het project en de terugtrekking van de particuliere partner (8), waarna de bouw werd hervat. Landsbankinn schreef in feite een groot deel van de investeringskosten af, waarbij het volledige aandelenkapitaal verloren ging. In 2011 werd de bouw van Harpa voltooid en het gebouw werd op 20 augustus 2011 officieel geopend. |
|
(11) |
Tot voor kort waren diverse besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid betrokken bij de exploitatie van Harpa, met name Portus ehf., dat verantwoordelijk was voor het onroerend goed van Harpa en de exploitatie, en Situs ehf., dat verantwoordelijk was voor andere gebouwen die in hetzelfde gebied gepland waren. Portus had twee dochterondernemingen: Totus ehf., dat eigenaar was van het onroerend goed zelf, en Ago ehf., dat verantwoordelijk was voor de volledige exploitatie van Harpa en het onroerend goed van Totus huurde. Situs had ook twee dochterondernemingen: Hospes ehf., dat eigenaar en exploitant zou worden van een in het gebied te bouwen hotel, en Custos ehf., dat eigenaar en exploitant zou worden van alle andere gebouwen in het gebied. |
|
(12) |
Om de exploitatiekosten echter zoveel mogelijk te beperken en de efficiëntie te vergroten, besloot de directie van Austurhöfn-TR ehf. in december 2012 om de exploitatiestructuur van Harpa te vereenvoudigen door de meeste van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid die bij de exploitatie betrokken waren te laten fuseren tot één enkele onderneming. Daartoe richtten de staat en de gemeente de onderneming Harpa Concert and Conference Centre ehf. (i. Harpa tónlistar- og ráðstefnuhús ehf.) op, die de volledige exploitatie van Harpa ging verzorgen. De vereenvoudiging van Harpa's infrastructuur is onderdeel van een langetermijnplan voor een duurzaam houdbare exploitatie van Harpa. |
2.3. Doelstelling van het Harpa-project
|
(13) |
Volgens de IJslandse autoriteiten moet Harpa uitgroeien tot een forum voor diverse en ambitieuze muziek en voor het culturele leven in IJsland, en het beste uitdragen dat IJslandse artiesten op een bepaald moment te bieden hebben, met speciale nadruk op diverse muziekevenementen. Harpa moet verder een broedplaats worden voor innovatie in de IJslandse cultuur- en muziekwereld, waarbij de nadruk zal komen te liggen op internationale contacten, zodat Harpa zich zal ontwikkelen tot een volwaardige locatie voor optredens van buitenlandse artiesten in IJsland. |
|
(14) |
Daarnaast moet Harpa een forum worden voor allerlei soorten nationale en internationale congressen, vergaderingen en bijeenkomsten, en moet het de positie van IJsland als locatie voor internationale congressen versterken door een aanbod van diensten en congresruimte dat de vergelijking met congresfaciliteiten in andere landen kan doorstaan. Ook moet Harpa het toerisme in IJsland bevorderen en het stadscentrum van Reykjavik versterken, een centrumfunctie voor alle IJslanders in het gebied vervullen en uitgroeien tot een interessante bestemming voor bezoekers uit IJsland en het buitenland, die moeten afkomen op het gebouw zelf en de aangeboden diensten, de architectuur van het gebouw en de daar tentoongestelde kunst. |
|
(15) |
Het IJslands Symfonieorkest, de IJslandse Opera en de Reykjavik Big Band hebben langlopende contracten afgesloten voor het gebruik van bepaalde faciliteiten in Harpa. Ook worden congressen in Harpa gehouden, naast diverse artistieke evenementen, waaronder pop- en rockconcerten van zowel IJslandse als buitenlandse artiesten. Andere activiteiten in Harpa, zoals catering, restaurants, een muziekwinkel en een meubelzaak, worden geëxploiteerd door commerciële partijen die accommodatie in Harpa huren. Deze accommodatie wordt op marktvoorwaarden aan de commerciële partijen verhuurd en daarvoor werden uitnodigingen tot inschrijving georganiseerd, waarna het beste bod werd geaccepteerd. |
|
(16) |
Vóór de bouw van Harpa waren er in IJsland geen concertzalen met een goede akoestiek en plaats voor meer dan 300 bezoekers die zowel het IJslands Symfonieorkest als de IJslandse Opera konden huisvesten. Daarom waren de IJslandse autoriteiten van mening dat het nodig was om een cultuurgebouw te realiseren waar de burgers van IJsland zouden kunnen genieten van muziek en kunst. Met betrekking tot congresaccommodatie waren er in IJsland volgens de IJslandse autoriteiten geen geschikte congrescentra of -faciliteiten voor grote conferenties. |
2.4. Faciliteiten in Harpa
|
(17) |
Harpa beslaat 28 000 vierkante meter en ligt bij de oude haven van Reykjavik op het adres Austurbakki 2. Het gebouw is ontworpen door het Deense Henning Larsen Architects, in samenwerking met het IJslandse architectenbureau Batteríið arkitektar. De kunstenaar Ólafur Elíasson ontwierp de glazen constructie rondom het gebouw in samenwerking met de architecten. Artec Consultants Inc is verantwoordelijk voor de akoestiek, de geluidsisolatie en het ontwerp van het theater en de geluidsinstallatie. |
|
(18) |
In het ontwerp van het gebouw werd gestreefd naar diversiteit en goede faciliteiten voor alle soorten concerten en congressen. Daarmee kregen de IJslanders de beschikking over een accommodatie die vóór die tijd in IJsland ontbrak. Harpa heeft al prijzen gewonnen voor zijn concertfaciliteiten en werd door het magazine Gramophone uitgeroepen tot een van de beste concertzalen van het nieuwe millennium. Het magazine Travel + Leisure noemde het de „Best Performance venue 2011”. Ook won Harpa in 2013 de prijs van de Europese Unie voor hedendaagse architectuur, de Mies van der Rohe-prijs (9). |
|
(19) |
Hierna volgt een overzicht van de verschillende zalen in Harpa (10):
|
|
(20) |
Er zijn in Harpa zeven kleinere conferentiezalen met ruimte voor 8 tot 250 personen. Daarnaast zijn er in Harpa diverse publieke ruimten die bij gelegenheid voor exposities en recepties worden verhuurd om de inkomsten van de onderneming te vergroten. De vergaderzalen kunnen in kleinere zalen worden opgesplitst. In alle vergaderzalen zijn technische voorzieningen aanwezig. Zij zijn uitgerust met een projector, apparatuur voor teleconferenties en een geluidssysteem. |
2.5. Financiering van de exploitatie van Harpa
|
(21) |
Zoals reeds aangegeven is Harpa via Austurhöfn-TR ehf. volledig eigendom van de IJslandse staat en de gemeente. De verplichtingen van de staat en de gemeente zijn vastgelegd in artikel 13 van de projectovereenkomst uit 2006 (11). De jaarlijkse betalingen van de staat en de gemeente worden gedekt door hun respectieve begrotingen. Volgens de staatsbegroting voor 2011 zou de jaarlijkse bijdrage van de staat naar verwachting 424,4 miljoen ISK bedragen. Voor het jaar 2012 werd gerekend op een staatsbijdrage van 553,6 miljoen ISK. Alle overheidsbijdragen aan Harpa worden gedragen naar rato van de deelneming in het project, wat betekent dat de staat 54 % betaalt en de gemeente 46 %. De bijdragen worden ook geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex. |
|
(22) |
Naast de bijdragen uit de begrotingen van de staat en de gemeente hebben de IJslandse overheid en de gemeente Reykjavik een kortlopende lening voor de exploitatie van Harpa verstrekt in afwachting van de afronding van de langetermijnfinanciering die nodig is om de kosten van het project volledig te dekken. Vanaf 2013 bedroeg het totale bedrag van de lening 794 miljoen ISK met een rente van 5 % en een opslag van 200 bp. De lening moest vóór 15 februari 2013 worden afgelost. Op 6 maart 2013 tekenden de gemeente, de staat en Harpa Concert and Conference Centre ehf. een overeenkomst waarin werd bepaald dat het overbruggingskrediet zou worden omgezet in aandelenkapitaal van Harpa omdat voor die tijd geen kapitaal in de onderneming was ingebracht. In dezelfde overeenkomst zegden de staat en de gemeente aanvullende tijdelijke jaarlijkse betalingen aan Harpa toe. Daarbij ging het om een bedrag van 160 miljoen ISK per jaar in de jaren 2013-2016, in eerste instantie om de onroerendgoedbelasting voor Harpa te dekken, omdat deze veel hoger uitviel dan verwacht (12). In de tweede plaats waren er in verband met Harpa ook andere onvoorziene kosten. |
|
(23) |
De staat en de gemeente verstrekken maandelijks gelden om leningverplichtingen in verband met Harpa af te lossen. Omdat het project zichzelf moet kunnen bedruipen, moet de winst alle exploitatiekosten dekken. De gelden van de eigenaren zijn daarom volgens de IJslandse autoriteiten uitsluitend bedoeld om uitstaande leningen te dekken (13). |
|
(24) |
Op 16 april 2013 werd een nieuwe overeenkomst gesloten („de projectovereenkomst uit 2013”), die in de plaats van de gewijzigde projectovereenkomst kwam (14). Volgens de nieuwe overeenkomst blijft de bijdrage van de gemeente en de staat een onvoorwaardelijke betaling die wordt uitgekeerd in maandelijkse termijnen van hetzelfde bedrag, 595 miljoen ISK per jaar, over een periode van 35 jaar, met ingang van maart 2011. Wanneer het jaarlijkse bedrag wordt aangepast volgens de stijging van de consumentenprijsindex per maart 2013, komt het jaarlijks te betalen bedrag uit op 1 023 339 932 ISK (15). |
|
(25) |
Volgens de concept-jaarrekening van Austurhöfn-TR ehf. voor het jaar 2012 zou de onderneming naar verwachting een aanzienlijk exploitatieverlies lijden, overeenkomend met een totale negatieve EBITDA van 406,5 miljoen ISK. Het congresgedeelte van Harpa kwam uit op een negatieve EBITDA van 120 miljoen ISK in 2012 en hetzelfde geldt voor „andere artistieke evenementen” (negatieve EBITDA van 131 miljoen ISK). De concept-jaarrekening en de analyse van de baten voor het jaar 2013 gaan ook uit van een aanzienlijk exploitatieverlies, een totale negatieve EBITDA van circa 348 miljoen ISK, waarbij de exploitatie van zowel de congresactiviteiten als die van „andere artistieke evenementen” verliesgevend is (16). |
2.6. Kostentoerekening en boekhoudkundige scheiding
|
(26) |
Volgens de oorspronkelijke projectovereenkomst moest er op financieel gebied een scheiding bestaan tussen de verschillende ondernemingen die betrokken zijn bij de exploitatie van Harpa en tussen de verschillende exploitaties en activiteiten: 13.11.1. De particuliere partner waarborgt te allen tijde dat er op financieel gebied een scheiding bestaat tussen de onroerendgoedonderneming, de exploitatie-onderneming, Hringur en de particuliere partner. Elke entiteit wordt met betrekking tot de financiële zaken afzonderlijk beheerd en geëxploiteerd. 13.11.2. De particuliere partner waarborgt te allen tijde dat er op financieel gebied voldoende scheiding bestaat, dat wil zeggen een gescheiden boekhouding, tussen de betalingen voor werkzaamheden en andere exploitaties en activiteiten binnen het CC. De particuliere partner is gedurende de looptijd te allen tijde in staat op verzoek van de klant aan te tonen dat een dergelijke financiële scheiding bestaat.”. |
|
(27) |
De exploitatie van Harpa is een aantal categorieën onderverdeeld: 1) het IJslands Symfonieorkest, 2) de IJslandse Opera, 3) overige artistieke evenementen, 4) het congresbedrijf, 5) operaties, 6) kaartverkoop, 7) facilitair bedrijf en 8) beheerskosten. Al deze categorieën kosten vallen nu onder Harpa — tónlistar- og ráðstefnuhús ehf. en de kosten en baten die aan elk van deze categorieën worden toegerekend, worden in de begroting onder de relevante categorie opgenomen. Gemeenschappelijke exploitatiekosten, waaronder salarissen, huisvesting (verwarming en elektriciteit) en administratieve kosten worden volgens een kostentoerekeningsmodel over de categorieën verdeeld (17). |
|
(28) |
Voor een nadere beschrijving van de maatregel wordt verwezen naar Beschikking van de Autoriteit nr. 128/13/COL (18). |
3. REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE
|
(29) |
In Beschikking nr. 128/13/COL maakte de Autoriteit een voorlopige beoordeling over de vraag of de financiering van Harpa staatssteun is en, indien dat het geval is, of de steun verenigbaar is met de bepalingen over staatssteun in de EER-Overeenkomst. |
|
(30) |
Volgens de IJslandse autoriteiten is met de financiering van Harpa geen staatssteun gemoeid, omdat terdege is gewaarborgd dat er voor de verschillende activiteiten binnen de concerthal en het congrescentrum gescheiden boekhoudingen worden gevoerd. Ter staving van dit argument hebben de IJslandse autoriteiten rapporten ingediend van twee accountantskantoren betreffende de boekhoudkundige scheiding van de ondernemingen die bij de exploitatie van Harpa betrokken zijn. De IJslandse autoriteiten hebben ook een prijsanalyse meegedeeld, waarin zij een vergelijking hebben gemaakt met (in omvang en capaciteit) vergelijkbare congresfaciliteiten in Reykjavik. Voorts betoogden de IJslandse autoriteiten dat de congresactiviteiten positief bijdragen aan de andere activiteiten in Harpa en dat, zonder deze congresactiviteiten, de kosten die ten laste zouden vallen van andere activiteiten aanzienlijk hoger zouden zijn. |
|
(31) |
Naar het voorlopige oordeel van de Autoriteit gold de financiering van Harpa echter als staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. De volgende aspecten werden in Beschikking nr. 128/13/COL genoemd:
|
|
(32) |
Bovendien betwijfelde de Autoriteit of de staatssteun als verenigbaar met de EER-Overeenkomst zou kunnen worden aangemerkt. Volgens artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst kunnen steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen als verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst worden beschouwd, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt en de mededingingsvoorwaarden in de EER niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De IJslandse autoriteiten hadden verklaard dat het hoofddoel van de betrokken maatregel het bevorderen van de cultuur was, door de bouw van een concerthal die onderdak kon bieden aan zowel het IJslands Symfonieorkest als de IJslandse Opera. De Autoriteit kon accepteren dat de bouw en exploitatie van een faciliteit voor een symfonieorkest en een opera, gezien de culturele doelstelling, kon worden aangemerkt als steun ter bevordering van cultuur. |
|
(33) |
De Autoriteit kon tevens accepteren dat infrastructuur zoals Harpa ook kan worden gebruikt om onderdak te bieden aan diverse commerciële activiteiten zoals restaurants, cafés, winkels, congressen en popconcerten. Om de mededinging echter niet te verstoren, dienden bepaalde garantiemechanismen te worden opgezet om te verhinderen dat er kruissubsidiëring plaatsvindt tussen de commerciële activiteiten en de culturele activiteiten die subsidie ontvangen. De Autoriteit kwam tot de voorlopige conclusie dat zij betwijfelde of de IJslandse autoriteiten hadden voorzien in de nodige garantiemechanismen om te waarborgen dat een dergelijke kruissubsidiëring niet zou plaatsvinden. Bijgevolg had de Autoriteit, na haar voorlopige beoordeling, twijfel of de bouw en exploitatie van Harpa op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst verenigbaar kan worden verklaard. |
4. OPMERKINGEN VAN DE IJSLANDSE AUTORITEITEN
|
(34) |
Blijkens hun opmerkingen waren de IJslandse autoriteiten van mening dat met de financiering van de exploitatie van Harpa geen staatssteun is gemoeid omdat zij goed hebben gewaarborgd dat de ondernemingen voor de verschillende activiteiten binnen Harpa gescheiden boekhoudingen voeren (21). |
|
(35) |
De IJslandse autoriteiten bestrijden niet dat de financiële bijdragen aan Harpa met staatsmiddelen worden bekostigd en aan de staat toerekenbaar zijn. Zij stellen echter dat Harpa niet kan worden beschouwd als een onderneming in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. Volgens de IJslandse autoriteiten is Harpa een infrastructuur en een cultuurgebouw, gericht op behoud en bevordering van cultuur en IJslands erfgoed, en kan het daarom niet worden gezien als een aanbieder van goederen en diensten op een concurrerende markt. Verder zijn de IJslandse autoriteiten van mening dat in dit geval niet wordt voldaan aan de voorwaarde betreffende een economisch voordeel omdat is gewaarborgd dat het commerciële deel van Harpa niet wordt gefinancierd met staatsmiddelen, die uitsluitend worden toegekend aan culturele activiteiten. Ten aanzien van de gevolgen voor de mededinging en het handelsverkeer tussen de partijen bij de overeenkomst merken de IJslandse autoriteiten tot slot op dat rekening moet worden gehouden met de geografische ligging van IJsland en dat het niet waarschijnlijk is dat publiek uit andere lidstaten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst speciaal naar IJsland zal reizen om concerten of soortgelijke evenementen bij te wonen. |
|
(36) |
De IJslandse autoriteiten benadrukken dat de exploitatie van Harpa over het geheel bezien niet van commerciële aard is. Zij stellen dat Harpa niet zou zijn opgericht door een particuliere onderneming en niet kan worden vergeleken met een particuliere groep ondernemingen. Volgens de IJslandse autoriteiten blijkt uit de feiten derhalve duidelijk dat het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie in dit geval zijn beperkingen heeft. |
|
(37) |
Na overleg met de directie van Harpa hebben de IJslandse autoriteiten voorgesteld om de structuur die wordt gehanteerd om kruissubsidiëring te voorkomen niet de vorm zal krijgen van afzonderlijke ondernemingen of verplichte aanbestedingen van de congresactiviteiten. De IJslandse autoriteiten hebben er vertrouwen in dat andere maatregelen geschikter zijn en minder problemen zullen veroorzaken bij de exploitatie van het gebouw. Ongeacht of de staatsmiddelen die worden gebruikt voor de financiering en de exploitatie van Harpa nu worden beschouwd als staatssteun die verenigbaar is met de staatssteunregels of in het geheel niet als staatssteun worden beschouwd, zijn de IJslandse autoriteiten het er dus mee eens dat maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat steun de mededinging in de congressector onrechtmatig verstoort. |
|
(38) |
De IJslandse autoriteiten zijn het met de Autoriteit eens dat moet worden gewaarborgd dat de congresactiviteiten financieel onafhankelijk zijn van de overige exploitatie van Harpa en dat moet worden voorzien in waarborgen om kruissubsidiëring tussen de beide delen te voorkomen. Om een goede scheiding tussen de commerciële activiteiten en andere activiteiten te waarborgen en om subsidiëring van de eerstgenoemde in alle gevallen te voorkomen, zijn twee belangrijke maatregelen getroffen:
|
|
(39) |
De IJslandse autoriteiten hebben een ontwerpvoorstel ingediend voor een volledige scheiding van de boekhoudingen van het congresbedrijf van Harpa. Daarin wordt rekening gehouden met de nieuwe methode voor de toerekening van kosten en baten (24). Onderstaande tabel geeft een beeld van de voorgestelde boekhoudkundige scheiding binnen Harpa (25):
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(40) |
Met betrekking tot de huurgelden hebben de IJslandse autoriteiten de Autoriteit een vergelijking verstrekt van de huur die door andere congresfaciliteiten in IJsland in rekening wordt gebracht. Daaruit blijkt dat de huur van het congresbedrijf hoger is dan de vergelijkbare marktconforme huur voor retailklanten. Volgens de IJslandse autoriteiten zou de huurprijs voor een wholesale-exploitant zoals het congresbedrijf normaal gesproken aanzienlijk lager zijn dan wat een retailklant zou betalen. Daarom stellen de IJslandse autoriteiten voor om een marge van 25 % (korting) toe te passen (26). Volgens de IJslandse autoriteiten moet een dergelijke lage marge waarborgen dat het congresbedrijf in vergelijking met andere marktpartijen een correcte prijs betaalt. |
|
(41) |
Volgens de IJslandse autoriteiten is het begrijpelijk dat een investering als Harpa, net als elk ander groot investeringsproject, in de eerste paar jaar van zijn exploitatie niet met winst draait. Uit het nieuwe model voor de toerekening van kosten en baten blijkt echter dat het commerciële gedeelte geleidelijk winstgevender zal worden en de eigenaren van Harpa in de komende paar jaar een rendement op hun investering zal opleveren. Uit het nieuwe model blijkt ook dat tot op heden waarschijnlijk een onevenredig hoog deel van de gemeenschappelijke kosten ten laste van het congresbedrijf is gekomen. |
|
(42) |
Mocht de Autoriteit van mening zijn dat de maatregel staatssteun is, dan menen de IJslandse autoriteiten ten slotte dat die steun verenigbaar met artikel 61, lid 3, van de EER-Overeenkomst kan worden geacht, gelet op de doelstellingen van de maatregel, onder meer om cultuur en het IJslands erfgoed te behouden en te bevorderen. In dit verband hebben de IJslandse autoriteiten de Autoriteit ook verzocht te beoordelen of dergelijke steun kan worden beschouwd als financiering van een dienst van algemeen economisch belang („DAEB”). |
II. BEOORDELING
1. IS ER SPRAKE VAN STAATSSTEUN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 61, LID 1, EER?
|
(43) |
Artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst luidt als volgt: „Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten van de EG, de EVA-Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.”. |
|
(44) |
Dit betekent dat een maatregel staatssteun is in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst wanneer aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de maatregel i) wordt door de staat of uit staatsmiddelen bekostigd, ii) verschaft de begunstigde een economisch voordeel, iii) is selectief en iv) heeft invloed op het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen en kan de mededinging vervalsen (27). |
|
(45) |
In de volgende hoofdstukken wordt de bekostiging door de staat van de financiering van Harpa aan deze criteria getoetst. |
1.1. Staatsmiddelen
|
(46) |
Volgens artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst moet een maatregel door de staat of uit staatsmiddelen worden bekostigd, wil zij staatssteun zijn. |
|
(47) |
Allereerst merkt de Autoriteit op dat zowel plaatselijke als regionale overheden als gelijkwaardig aan de staat worden beschouwd (28). Derhalve vallen onder de staat in de zin van artikel 61, lid 1, alle organen van het staatsbestuur, van de centrale overheid tot de gemeente of het laagste bestuurlijke niveau, alsmede overheidsbedrijven en -instanties. Daarnaast worden gemeentelijke middelen beschouwd als staatsmiddelen in de zin van artikel 61 van de EER-Overeenkomst (29). |
|
(48) |
Aangezien de IJslandse staat en de gemeente Reykjavik gezamenlijk het jaarlijkse tekort afdekken van de onderneming die Harpa exploiteert, door jaarlijks uit hun begroting een bepaald bedrag bij te dragen, worden hierbij staatsmiddelen gebruikt. Bovendien is bij de omzetting van leningen in aandelenkapitaal ook sprake van een overdracht van staatsmiddelen aangezien de staat en de gemeente afstand zouden doen van hun recht om een volledige aflossing van de uitstaande leningen te ontvangen. Aan het eerste criterium van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst wordt derhalve voldaan. |
1.2. Onderneming
|
(49) |
Een maatregel is staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst wanneer door de maatregel een onderneming een bepaald voordeel geniet. Ondernemingen zijn entiteiten die economische activiteiten uitoefenen, ongeacht hun rechtspersoonlijkheid en de wijze waarop zij worden gefinancierd (30). Onder een economische activiteit wordt verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt (31). Entiteiten die niet commercieel actief zijn, in die zin dat zij geen goederen en diensten op een bepaalde markt aanbieden, zijn daarentegen geen ondernemingen. |
|
(50) |
Zoals aangegeven in Beschikking nr. 128/13/COL is de Autoriteit van mening dat zowel de bouw als de exploitatie van infrastructuur een economische activiteit op zich vormen (en dus onder de staatssteunregels vallen) indien die infrastructuur wordt — of zal worden — gebruikt om goederen of diensten op een markt aan te bieden (32). In dit geval is het de bedoeling dat in Harpa congressen, evenals muzikale, culturele en „overige artistieke evenementen” zullen plaatsvinden op commerciële basis, d.w.z. voor het aanbieden van diensten op de markt. Deze zienswijze is door het Hof van Justitie van de Europese Unie („het Hof van Justitie”) bevestigd in de zaak-Leipzig/Halle (33). Derhalve kan bij infrastructuur op verschillende niveaus steun worden toegekend: bouw, exploitatie en gebruik van de faciliteiten (34). |
|
(51) |
Zoals reeds opgemerkt, vinden in Harpa concerten plaats van het IJslands Symfonieorkest en de IJslandse Opera, alsmede diverse andere artistieke evenementen en congressen. Volgens de IJslandse autoriteiten is alleen het congresbedrijf binnen Harpa's exploitatie een economische activiteit. Alle overige activiteiten zouden daarom als niet-economisch moeten worden aangemerkt. |
|
(52) |
Sommige activiteiten in Harpa, waaronder met name congressen, theatervoorstellingen, popconcerten enz., kunnen aanzienlijke aantallen klanten aantrekken, waarbij zij concurreren met particuliere congrescentra, theaters of andere muziekzalen. Daarom stelt de Autoriteit zich op het standpunt dat concerthal en congrescentrum Harpa en de onderneming die betrokken is bij de exploitatie daarvan, voor zover zij commerciële activiteiten ontplooien, als een onderneming moeten worden aangemerkt (35). |
1.3. Voordeel
|
(53) |
Een maatregel is staatssteun in de zin van artikel 61 van de EER-Overeenkomst wanneer de maatregel de begunstigde een economisch voordeel verschaft. |
|
(54) |
Met betrekking tot de financiering van de bouw van Harpa kan staatssteun worden uitgesloten indien wordt voldaan aan het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie (36). De IJslandse autoriteiten hebben zich in dit geval echter verzet tegen de toepassing van het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie omdat zij van mening zijn dat de exploitatie van Harpa over het geheel bezien niet commercieel van aard is. Volgens de IJslandse autoriteiten zou Harpa niet zijn opgericht door een particuliere onderneming en kan het derhalve niet worden vergeleken met een particuliere groep ondernemingen. De IJslandse autoriteiten zijn derhalve van mening dat het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie in dit geval zijn beperkingen heeft. |
|
(55) |
Met betrekking tot de bouw van Harpa hoopten de staat en de gemeente volgens de IJslandse autoriteiten aanvankelijk dat een particuliere investeerder de totstandkoming van het project zou financieren. Door de financiële crisis kon het project echter niet zonder overheidsgeld worden uitgevoerd. De rechtstreekse subsidies van de staat en de gemeente zouden dus noodzakelijk zijn geweest omdat er anders onvoldoende middelen beschikbaar zouden zijn om het project te financieren. De Autoriteit is derhalve van mening dat de publieke financiering van de bouw van een Harpa een economisch voordeel zou vormen — en dus steun -, omdat het project zonder die financiering namelijk niet zou zijn gerealiseerd. De deelname van de staat en de gemeente was daarom van wezenlijk belang voor het Harpa-project als geheel. |
|
(56) |
Wanneer een entiteit zowel commerciële als niet-commerciële activiteiten ontplooit, zo blijkt uit de beschikkingspraktijk van de Autoriteit, moet worden voorzien in een systeem van kostentoerekening dat waarborgt dat de commerciële activiteiten niet worden gefinancierd met de staatsmiddelen die zijn toegekend aan de activiteiten zonder winstoogmerk (37). Dit beginsel is ook opgenomen in de transparantierichtlijn. De transparantierichtlijn is niet rechtstreeks van toepassing op deze zaak omdat de totale nettojaaromzet van Harpa in de afgelopen twee jaar niet hoger is geweest de drempel die wordt omschreven in artikel 5, lid 1, onder d), van de richtlijn (38). De Autoriteit is echter van mening dat ook hier moet worden gehandeld in overeenstemming met de beginselen van uitoefening van economische activiteiten onder commerciële voorwaarden met gescheiden boekhoudingen, en van duidelijke vaststelling van de uitgangspunten voor de toerekening van kosten die voor de gescheiden boekhoudingen gelden. |
|
(57) |
Zoals hierboven onder I.2 aangegeven is de exploitatie van Harpa opgesplitst in verschillende categorieën, bijvoorbeeld het huisvesten van het IJslands Symfonieorkest en de IJslandse Opera, maar ook het fungeren als locatie voor andere artistieke evenementen en congressen. Pas nadat de Autoriteit Beschikking nr. 128/13/COL had vastgesteld, hebben de IJslandse autoriteiten echter goed gewaarborgd dat de boekhoudingen van de verschillende activiteiten binnen Harpa helder en consistent gescheiden zijn. Het eenvoudigweg verdelen van de verliezen op de exploitatie van het gebouw en van gezamenlijke administratieve kosten over de verschillende activiteiten van Harpa op basis van het geschatte gebruik en andere criteria, zoals gebruikelijk was tijdens de eerste jaar van de exploitatie van Harpa, kan niet worden beschouwd als een heldere scheiding van boekhoudingen als bedoeld in de EER-wetgeving. Deze situatie had dan ook kunnen leiden tot kruissubsidiëring tussen de culturele activiteiten en de economische activiteiten binnen Harpa. |
|
(58) |
Zoals aangegeven in I.4 hebben de IJslandse autoriteiten een aantal maatregelen genomen om de boekhoudingen van de commerciële en de niet-commerciële activiteiten binnen Harpa te scheiden (39). De maatregelen voorzien onder meer in een nieuwe methode voor de toerekening van kosten en baten, en in het voeren van een gescheiden boekhouding voor het congresbedrijf van Harpa. Hoewel deze nieuwe regelingen het voordeel van de bij de exploitatie van Harpa betrokken ondernemingen beperken tot het noodzakelijke minimum voor de exploitatie van de infrastructuur, kan een voordeel voor het congresbedrijf niet volledig worden uitgesloten. |
|
(59) |
Bovendien wordt aan de bij de exploitatie van Harpa betrokken ondernemingen een voordeel in de vorm van winstderving verleend wanneer de staat en de gemeente geen rendement verlangen op hun investering in de concerthal en het congrescentrum, voor zover die ondernemingen commerciële activiteiten uitoefenen, zoals het aanbieden van accommodatie voor congressen. Elke ondernemer of investeerder zal normaliter verlangen dat zijn investering in een commerciële onderneming rendement oplevert. Wanneer dat rendement wordt geëist, moet de onderneming daarvoor kosten maken. Wanneer een onderneming in staatseigendom geen normaal rendement voor zijn eigenaar oplevert, betekent dat feitelijk dat de onderneming een voordeel geniet wanneer de eigenaar van die winst afziet (40). |
1.4. Voordeel getoetst aan Altmark
|
(60) |
De IJslandse autoriteiten stellen zich op het standpunt dat de financiering van de bouw en de exploitatie van Harpa behoort te worden aangemerkt als de bekostiging van een dienst van algemeen economisch belang en dat aan de vier cumulatieve criteria van de „Altmark-toets” wordt voldaan. Dat betekent dat de maatregel geen staatssteun is in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. |
|
(61) |
Het arrest van het Hof van Justitie in de zaak-Altmark geeft meer duidelijkheid over de vraag wanneer een compensatie voor openbare diensten geen staatssteun is omdat er geen sprake van een voordeel is (41). Om te voorkomen dat een dergelijke compensatie in een specifiek geval als staatssteun wordt aangemerkt, moet worden voldaan aan vier cumulatieve voorwaarden die gewoonlijk de Altmark-criteria worden genoemd (42). |
|
(62) |
De vier voorwaarden luiden als volgt: i) de begunstigde van een mechanisme voor overheidsfinanciering voor een dienst van algemeen economisch belang moet formeel met de desbetreffende taak van algemeen economisch belang belast zijn en zijn verplichtingen moeten duidelijk omschreven zijn, ii) de parameters op basis waarvan de compensatie zal worden berekend, moeten vooraf op objectieve en doorzichtige wijze worden vastgesteld, om te vermijden dat de compensatie een economisch voordeel bevat waardoor de begunstigde onderneming ten opzichte van concurrerende ondernemingen kan worden bevoordeeld, iii) de compensatie mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de dienst van algemeen economisch belang geheel of gedeeltelijk te dekken, waarbij rekening wordt gehouden met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen, en iv) wanneer de begunstigde niet gekozen is in het kader van een openbare aanbesteding, moet de compensatie worden vastgesteld op basis van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming zou hebben moeten maken om deze verplichtingen na te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de opbrengsten en een redelijke winst. |
|
(63) |
EER-staten beschikken in algemene zin over een redelijke mate van vrijheid bij het aanmerken van een dienst als een DAEB, voor zover zij daarbij aansluiten bij de relevante jurisprudentie, waarin de algemene beginselen uiteen worden gezet. Uit artikel 59, lid 2, van de EER-Overeenkomst blijkt dat ondernemingen waaraan de verrichting van DAEB's wordt opgedragen ondernemingen met een „bijzondere taak” zijn (43). |
|
(64) |
Volgens de richtsnoeren van de Autoriteit over de toepassing van de regels voor staatssteun op compensatie die wordt toegekend voor de verrichting van diensten van algemeen economisch belang (44) moet de belasting met de publieke taak plaatsvinden door middel van een besluit, dat, afhankelijk van de wetgeving van de EVA-staten, de vorm kan hebben van een wetgevings- of bestuursrechtelijk instrument, of van een contract. Deze belasting kan ook in meerdere besluiten worden vastgelegd. Op basis van de benadering die de Commissie en de Autoriteit in dit soort zaken hebben gevolgd, dienen het besluit of de reeks besluiten ten minste het volgende te bevatten:
|
|
(65) |
De openbaredienstverplichtingen van Harpa zijn, volgens de IJslandse autoriteiten, duidelijk omschreven in zijn eigenaarsbeleid. Volgens dat eigenaarsbeleid heeft Harpa tot doel: i) het fungeren als forum voor het muzikale en culturele leven in IJsland, ii) het versterken van de positie van IJsland als locatie voor congressen, iii) het versterken van de positie van de reissector in IJsland en iv) het bevorderen van het leven in het stadscentrum van Reykjavik. Daarnaast wordt in het eigenaarsbeleid bepaald dat de activiteiten van Harpa zelfvoorzienend moeten zijn en dat er buiten de in de projectovereenkomst vastgestelde bijdragen niet op andere wijze aan Harpa behoort te worden bijgedragen. In het eigenaarsbeleid wordt echter niets geregeld over de duur van de openbaredienstverplichtingen en het voorziet evenmin in parameters voor de berekening, de controle en de herziening van de compensatie of in regelingen om overcompensatie te vermijden en terug te betalen. Daarom wordt naar de mening van de Autoriteit niet voldaan aan het eerste Altmark-criterium. |
|
(66) |
Bovendien zou volgens de projectovereenkomst de bijdrage van de staat en de gemeente een vast jaarlijks bedrag zijn (595 miljoen ISK), dat op elke uitbetalingsdatum zou worden herzien op basis van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Vanwege de financiële situatie van Harpa zijn er echter aanzienlijke tijdelijke financiële bijdragen van de eigenaren van Harpa geweest, evenals regelingen voor het omzetten van leningen (45). Anders dan de IJslandse autoriteiten menen, lijkt de compensatie voor de vermeende openbaredienstverplichting derhalve niet vooraf objectief en transparant te zijn vastgesteld. Bovendien kan de Autoriteit gelet op de niet-transparante aard van de steun (het afdekken van het jaarlijkse tekort van Harpa, de mogelijke kruissubsidiëring en het feit dat geen redelijk rendement op investeringen wordt verlangd) alleen maar concluderen dat de IJslandse autoriteiten niet goed hebben gewaarborgd dat de compensatie niet hoger dan noodzakelijk was. |
|
(67) |
Tot slot merkt de Autoriteit op dat de exploitant van Harpa niet is geselecteerd middels een openbare aanbesteding en dat de IJslandse autoriteiten de Autoriteit geen informatie hebben verstrekt op basis waarvan kan worden geverifieerd of de door Harpa gemaakte kosten overeenkomen met de kosten van een gemiddelde goed geleide en adequaat uitgeruste onderneming, zoals wordt vereist door het vierde Altmark-criterium. |
|
(68) |
Op grond van het bovenstaande concludeert de Autoriteit derhalve dat de financiering van Harpa niet voldoet aan alle Altmark-criteria en daarom niet kan worden aangemerkt als de financiering van een dienst van algemeen economisch belang. |
1.5. Selectiviteit
|
(69) |
Een maatregel is staatssteun in de zin van artikel 61 van de EER-Overeenkomst indien zij selectief is. |
|
(70) |
De IJslandse autoriteiten bekostigen de ondernemingen die betrokken zijn bij de exploitatie van Harpa. Deze gelden worden gebruikt om de verliezen af te dekken die worden geleden op de verschillende activiteiten binnen Harpa, waaronder economische activiteiten, zoals de organisatie van congressen. Dit compensatiesysteem, waarbij kruissubsidiëring kan optreden, is niet beschikbaar voor andere ondernemingen die in IJsland of daarbuiten actief zijn op de congresmarkt. |
|
(71) |
Gelet op het bovenstaande is de Autoriteit van mening dat de ondernemingen die bij de exploitatie van Harpa betrokken zijn in vergelijking met hun concurrenten op de markt een selectief economisch voordeel genieten. |
1.6. Vervalsing van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen overeenkomstsluitende partijen
|
(72) |
Tot slot wordt de maatregel beschouwd als staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst indien zij de mededinging kan vervalsen en het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen van de EER-Overeenkomst ongunstig kan beïnvloeden. |
|
(73) |
In de jurisprudentie wordt het enkele feit dat een maatregel de positie van een onderneming versterkt ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het handelsverkeer binnen de EER als voldoende reden beschouwd om te concluderen dat de maatregel het handelsverkeer tussen overeenkomstsluitende partijen ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging tussen in andere EER-landen gevestigde ondernemingen kan verstoren (46). De staatsmiddelen die aan de bij de exploitatie van Harpa betrokken ondernemingen zijn toegekend om hun verliezen af te dekken, vormen een voordeel dat de positie van Harpa versterkt in vergelijking met die van andere ondernemingen die op dezelfde markt actief zijn. |
|
(74) |
Hoewel de meeste activiteiten die in Harpa plaatsvinden lokaal van aard zijn, kunnen in Harpa ook grote en middelgrote evenementen plaatsvinden. Daarom kan een effect op de mededinging en het handelsverkeer tussen overeenkomstsluitende partijen niet worden uitgesloten (47). Hoewel het volgens de IJslandse autoriteiten tamelijk onwaarschijnlijk is dat meer dan enkele, als het er al zoveel zijn, van de evenementen die in Harpa worden georganiseerd van een zodanig belang voor inwoners van buurlanden zijn dat zij een lange reis naar Reykjavik zouden willen maken om bij de evenementen aanwezig te zijn en het dus onwaarschijnlijk zou zijn dat evenementen in Harpa zouden concurreren met soortgelijke gebouwen in buurlanden. |
|
(75) |
Aangezien de markt voor de organisatie van internationale evenementen openstaat voor concurrentie tussen aanbieders van faciliteiten en organisatoren van evenementen, die doorgaans activiteiten verrichten waarvoor handelsverkeer tussen EER-staten bestaat, mag beïnvloeding van het handelsverkeer worden aangenomen. Gezien het karakter van de congressector is in dit geval beïnvloeding van het handelsverkeer tussen bepaalde aangrenzende EER-staten zelfs nog waarschijnlijker. Bovendien heeft het Gerecht onlangs in zijn beschikking inzake het Ahoy-complex in Nederland bepaald dat er geen reden was om de markt tot het grondgebied van die lidstaat te beperken (48). |
|
(76) |
Derhalve is de Autoriteit net als in de beschikking tot inleiding van de procedure van mening dat steun aan Harpa de mededinging en het handelsverkeer binnen de EER kan verstoren. |
1.7. Conclusie met betrekking tot het bestaan van staatssteun
|
(77) |
Gelet op bovenstaande overwegingen concludeert de Autoriteit dat met de onderzochte maatregel, te weten de financiering van Harpa, elementen van staatssteun gemoeid zijn in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst. Gelet hierop, moet derhalve worden bezien of de maatregel als verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst kan worden aangemerkt. |
2. PROCEDUREVOORSCHRIFTEN
|
(78) |
Krachtens artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 wordt „de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA […] van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen voldoende tijdig op de hoogte […] gebracht om haar in staat te stellen haar opmerkingen kenbaar te maken. […] De betrokken staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat [de] procedure tot een eindbeslissing heeft geleid”. |
|
(79) |
De IJslandse autoriteiten hebben de steunmaatregelen niet bij de Autoriteit aangemeld. Bovendien hebben de IJslandse autoriteiten door de bouw en de exploitatie van Harpa deze maatregelen van kracht laten worden voordat de Autoriteit een eindbeschikking heeft vastgesteld. De Autoriteit concludeert derhalve dat de IJslandse autoriteiten hun verplichtingen krachtens artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol nr. 3 niet zijn nagekomen. De toekenning van de desbetreffende steun is derhalve onrechtmatig. |
3. BEOORDELING VAN DE VERENIGBAARHEID
|
(80) |
Steunmaatregelen die onder artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst vallen, zijn in het algemeen niet verenigbaar met de werking van de EER-Overeenkomst, tenzij zij vallen onder een van de uitzonderingen van artikel 61, lid 2 of 3, of van artikel 59, lid 2, van de EER-Overeenkomst, noodzakelijk en evenredig zijn en de mededinging niet buitensporig verstoren. De IJslandse autoriteiten stellen dat elke steun aan het project verenigbaar zou zijn met artikel 61, lid 3, van de EER-Overeenkomst. |
|
(81) |
De EER-Overeenkomst kent geen bepaling die overeenkomt met artikel 107, lid 3, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Niettemin erkent de Autoriteit dat steunmaatregelen van de staten om culturele redenen kunnen worden goedgekeurd op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst (49). |
|
(82) |
Op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst kan steun om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen als verenigbaar met de EER-Overeenkomst worden beschouwd wanneer door deze maatregelen de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt en de mededinging in de EER niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. De Autoriteit moet derhalve beoordelen of de toekenning van steun aan de diverse activiteiten in Harpa kan worden gerechtvaardigd als steun voor de bevordering van cultuur op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst. |
|
(83) |
Opgemerkt moet worden dat de uitgangspunten uit artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst zijn toegepast in zaken die enigszins vergelijkbaar zijn met onderhavig geval (50). De IJslandse autoriteiten hebben verklaard dat het hoofddoel van de betrokken maatregel het bevorderen van de cultuur was, middels de bouw van een concerthal die onderdak kon bieden aan zowel het IJslands Symfonisch Orkest als de IJslandse Opera. Soortgelijke multifunctionele cultuurcentra bestaan al in de meeste andere Europese steden. Harpa is bedoeld als IJslands nationale concerthal met de nodige culturele infrastructuur die in IJsland ontbrak, en zal fungeren als centrum voor de ontwikkeling en bevordering van de podiumkunst in IJsland. Daarmee draagt Harpa bij aan de ontwikkeling van culturele kennis en biedt het zijn publiek toegang tot culturele, educatieve en recreatieve waarden (51). |
|
(84) |
Gelet op het bovenstaande meent de Autoriteit dat, gezien zijn culturele doel, de bouw en de exploitatie van een symfonie- en operagebouw kan worden aangemerkt als steun voor de bevordering van cultuur in de zin van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst. De Autoriteit heeft echter twijfel geuit over de vraag of toegekende steun om congresactiviteiten te subsidiëren kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 61, lid 3, onder c), en dat moet daarom afzonderlijk worden beoordeeld. |
|
(85) |
Ten aanzien van noodzaak, de evenredigheid en de vraag of de maatregel de mededinging kan verstoren, merkt de Autoriteit het volgende op: zoals reeds opgemerkt was de belangrijkste reden voor de bouw van Harpa de duidelijke behoefte aan een geschikte concerthal voor zowel het IJslands Symfonieorkest als de IJslandse Opera. Gelet op de schaal van het project is het begrijpelijk dat een infrastructuur als Harpa ook wordt gebruikt voor diverse commerciële activiteiten, waaronder restaurants, cafés, winkels, congressen en popconcerten. Om echter te voorkomen dat de mededinging wordt verstoord, dienen bepaalde garantiemechanismen te worden opgezet, die moeten verhinderen dat er kruissubsidiëring plaatsvindt tussen de commerciële activiteiten en de zwaar gesubsidieerde culturele activiteiten. |
|
(86) |
In Beschikking nr. 128/13/COL beschreef de Autoriteit drie manieren waarop de IJslandse autoriteiten zouden kunnen waarborgen dat er geen kruissubsidiëring plaatsvond tussen de commerciële activiteiten en de culturele activiteiten in Harpa (52). Ten eerste merkte de Autoriteit op dat dit doel zou kunnen worden bereikt door de voor de commerciële activiteiten bestemde faciliteiten uit te besteden en daarmee te waarborgen dat de exploitant een marktprijs betaalt voor de faciliteiten en niet van kruissubsidiëring profiteert. In de tweede plaats hadden de IJslandse autoriteiten een aparte rechtspersoon voor de commerciële activiteiten kunnen oprichten. De derde optie uit de beschikking tot inleiding van de procedure van de Autoriteit was om de economische activiteiten voldoende van de niet-commerciële activiteiten te scheiden door het invoeren van een goed systeem van kostentoerekening en gescheiden boekhoudingen waarmee een redelijk rendement wordt gewaarborgd. |
|
(87) |
De IJslandse autoriteiten hebben benadrukt dat voor de exploitatie van Harpa een zekere mate van flexibiliteit nodig is omdat de culturele evenementen naast de congresactiviteiten moeten bestaan en er diverse momenten zijn waarop deze twee hoofdactiviteiten met elkaar in conflict zouden komen, tenzij de supervisie en planning op zeer samenhangende wijze zouden plaatsvinden. Daarmee zouden de administratieve lasten toenemen en extra beperkingen en kosten voor de toch al moeilijke exploitatie van Harpa ontstaan wanneer een nieuwe exploitant zijn intrede in het gebouw zou doen, ongeacht of dit een particuliere exploitant of een aparte overheidsonderneming zou worden. Na overleg met de directie van Harpa hebben de IJslandse autoriteiten daarom geconcludeerd dat de derde mogelijkheid, dus het scheiden van de economische en de niet-commerciële activiteiten van Harpa, in combinatie met de invoering van een goed systeem voor kostentoerekening en gescheiden boekhoudingen het meest levensvatbaar was, gelet op de hierboven omschreven omstandigheden. |
|
(88) |
Zoals reeds aangegeven, wordt bij de gescheiden boekhoudingen en de nieuwe methode voor de toerekening van kosten en baten die door de eigenaren van Harpa zijn ingevoerd rekening gehouden met de richtsnoeren van de transparantierichtlijn. Voor alle culturele activiteiten en huurders en voor de congresactiviteiten worden speciale boekhoudingen (afdelingen) gevoerd, waarmee wordt gewaarborgd dat interne rekeningen voor verschillende activiteiten worden bijgehouden. Bovendien hebben de IJslandse autoriteiten gewaarborgd dat een bepaald deel van Harpa's vaste en gemeenschappelijke kosten worden toegerekend aan elk afzonderlijk onderdeel van de exploitatie, gebaseerd op het werkelijke gebruik en de commerciële activiteiten. Daarnaast wordt het congresbedrijf een marktconforme huur in rekening gebracht voor kantoorruimte en andere faciliteiten (53). Met de door de IJslandse autoriteiten genomen maatregelen kan daadwerkelijk worden gewaarborgd dat er geen kruissubsidiëring zal plaatsvinden tussen de commerciële en de culturele activiteiten in Harpa. |
|
(89) |
Volgens de voorlopige jaarrekening voor 2013 zal het congresbedrijf naar verwachting een marginale winst boeken van 9 574 000 ISK. Naar verwachting zal deze winst in 2016 zijn opgelopen tot meer dan 23 miljoen ISK. Uit het nieuwe model voor de toerekening van kosten en baten blijkt derhalve dat het commerciële gedeelte geleidelijk winstgevender zal worden en de eigenaren van Harpa in de komende paar jaar een rendement op hun investering zal opleveren. |
|
(90) |
Met betrekking tot het tekort van het congresbedrijf in de eerste exploitatiejaren van Harpa meent ook de Autoriteit dat het begrijpelijk is dat een investering als Harpa, net als elk ander groot investeringsproject, in de eerste jaren van de exploitatie geen winst maakt. Het afdekken van een exploitatietekort in de eerste jaren van de commerciële exploitatie kan daarom worden gezien als een noodzakelijke aanloopkost, conform het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie. Bovendien lijken de gescheiden boekhoudingen en de nieuwe methode voor de toerekening van kosten en baten er op te wijzen dat het grote tekort van de commerciële delen van Harpa dat in de beschikking tot opening van de procedure van de Autoriteit werd onderzocht, een negatieve EBITDA van 120 miljoen ISK over het jaar 2012, niet noodzakelijkerwijs een goede afspiegeling was van de werkelijke financiële situatie van het congresbedrijf. |
|
(91) |
Bovendien hebben de IJslandse autoriteiten laten zien dat Harpa niet alleen bestaande faciliteiten zal aanvullen met extra capaciteit, maar er ook voor zal zorgen dat de diversiteit aan culturele en commerciële evenementen in Reykjavik zal toenemen, en bijzonder gunstig zal zijn voor de culturele ontwikkeling en het grote publiek in IJsland. De steun moet daarom als doelgericht worden beschouwd en de financiering van die steun door de overheid is derhalve gerechtvaardigd. |
|
(92) |
Gelet op de ligging van Harpa en op het feit dat de meeste activiteiten die er plaatsvinden lokaal van aard zijn, is daarnaast het effect op de mededinging en het handelsverkeer tussen overeenkomstsluitende partijen beperkt, hoewel het, zoals reeds aangegeven, niet kan worden uitgesloten (54). |
|
(93) |
Om bovengenoemde redenen is aangetoond dat de betrokkenheid van de staat en de gemeente bij de financiering van Harpa zowel noodzakelijk als evenredig is, en geen ongerechtvaardigde vervalsing van de mededinging vormt. Bovendien hebben de IJslandse autoriteiten door de volledige scheiding van de boekhoudingen van het commerciële en het niet-commerciële deel van Harpa gewaarborgd dat hun bijdragen aan de culturele aspecten van de exploitatie van Harpa geen negatieve overloopeffecten zullen hebben. De financiering van Harpa is daarom verenigbaar met de staatssteunregels van de EER-Overeenkomst. |
4. CONCLUSIE
|
(94) |
Gelet op bovenstaande overwegingen concludeert de Autoriteit dat de financiering van Harpa staatssteun is die verenigbaar is met de werking van de EER-Overeenkomst in de zin van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst. |
|
(95) |
De IJslandse autoriteiten worden erop gewezen dat alle wijzigingsplannen voor de financiering van Harpa, waaronder een eventuele verhoging van de subsidies van de staat of de gemeente met meer dan 20 %, bij de Autoriteit moeten worden aangemeld, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:
Artikel 1
De financiering van concerthal en congrescentrum Harpa is verenigbaar met de EER-Overeenkomst.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot IJsland.
Artikel 3
Slechts de tekst in de Engelse taal van deze beschikking is authentiek.
Gedaan te Brussel, 11 december 2013.
Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA
Oda Helen SLETNES
Voorzitter
Sverrir Haukur GUNNLAUGSSON
Lid van het College
(1) Beschikking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 128/13/COL van 20 maart 2013 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure naar mogelijke staatssteun bij de financiering van concerthal en congrescentrum Harpa, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C 229 van 8.8.2013, blz. 18 en EER-supplement nr. 44 van 8.8.2013, blz. 5).
(2) In deze beschikking wordt onder „Harpa” zowel het gebouw als de daar aanwezige faciliteiten verstaan.
(3) Voor een uitvoeriger beschrijving van de correspondentie wordt verwezen naar de overwegingen 2-5 van Beschikking van de Autoriteit nr. 128/13/COL.
(4) Nadere informatie over Austurhöfn-TR ehf. is te vinden op zijn website: http://www.austurhofn.is/.
(5) Projectovereenkomst tussen Austurhofn-TR ehf. en Eignarhaldsfelagid Portus ehf., ondertekend op 9 maart 2006.
(6) Zie de brief van de IJslandse autoriteiten van 28 mei 2013 (feit nr. 673762).
(7) Verklaring van het Ministerie van Cultuur en Onderwijs, online beschikbaar op http://www.menntamalaraduneyti.is/frettir/Frettatilkynningar/nr/4833.
(8) Gewijzigde en herziene projectovereenkomst tussen Austurhofn-TR ehf. en Eignarhaldsfelagid Portus ehf., ondertekend op 19 januari 2010.
(9) Persbericht online beschikbaar op http://europa.eu/rapid/press-release_IP-13-376_en.htm.
(10) Zoals omschreven in de brief van de IJslandse autoriteiten van 28 mei 2013 (feit nr. 673762). Nadere informatie over de zalen en vergaderruimten in Harpa is online te vinden op http://harpa.is/harpa/salir-og-skipulag.
(11) Gewijzigd en herzien in 2010.
(12) Momenteel dient voor de rechtbank in Reykjavik een geding over de onroerendgoedbelasting voor Harpa en de vraag of deze op de juiste taxaties is gebaseerd.
(13) Zie het memorandum van de directeur van Harpa van 24 september 2012 (feit nr. 648320).
(14) Overeenkomst tussen de IJslandse staat, de gemeente Reykjavik en Harpa tónlistar og ráðstefnuhúss ehf. inzake de exploitatie en de activiteiten van concerthal en congrescentrum Harpa van 16 april 2013.
(15) Ibid.
(16) Zie het rapport van KPMG van 7 februari 2013 (feit nr. 662444).
(17) Ibid.
(18) Met name naar deel 3 van de beschikking.
(19) Zie het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel SA. 33618 — Zweden — Arena in Uppsala (PB C 152 van 30.5.2012, blz. 18), punt 19.
(20) Zie Beschikking van het Gerecht van 26 januari 2012 in zaak T-90/09, Mojo Concerts BV en Amsterdam Music Dome Exploitatie BV/Commissie (PB C 89 van 24.3.2012, blz. 36), punt 45.
(21) Zie voetnoot 6.
(22) De nieuwe software (Microsoft Dynamics Nav) werd in januari 2013 ingevoerd. Zie het memorandum van de financieel directeur van Harpa van 21 mei 2013 (feit nr. 673770).
(23) Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en de financiële doorzichtigheid binnen bepaalde ondernemingen (PB L 318 van 17.11.2006, blz. 17), verwerkt in punt 1, onder a), van bijlage XV bij de EER-Overeenkomst.
(24) Naar de Autoriteit heeft begrepen, zullen de nieuwe methode voor de toerekening van kosten en baten en het model met gescheiden boekhoudingen terug zijn te vinden in de jaarrekening van Harpa over 2013.
(25) Alle cijfers luiden in duizend ISK.
(26) Volgens de IJslandse autoriteiten is in vergelijkbare sectoren een marge tussen 20 en 30 % gebruikelijk.
(27) Volgens vaste rechtspraak moet aan alle voorwaarden uit het artikel worden voldaan, wil een maatregel als steun kunnen worden aangemerkt, zie arrest van het Hof van 21 maart 1990 in zaak C-142/87, België/Commissie („Tubemeuse”), Jurispr. 1990, blz. I-959.
(28) Zie artikel 2 van de transparantierichtlijn (Richtlijn 2006/111/EG).
(29) Zie Besluit van de Autoriteit nr. 55/05/COL, hoofdstuk II.3, blz. 19 met nadere verwijzingen, gepubliceerd in PB L 324 van 23.11.2006, blz. 11 en EER-supplement nr. 56 van 23.11.2006, blz. 1.
(30) Conclusie van 15 januari 1991 in zaak C-41/90, Klaus Höfner en Fritz Elser/Macroton, Jurispr. 1991, blz. I-1979, punt 21-23 en arrest van het Hof van 21 februari 2008 in zaak E-5/07, Private Barnehagers Landsforbund/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Jurispr. EVA-Hof 2008, blz. 61, punt 78.
(31) Arrest van het Hof van 10 januari 2006 in zaak C-222/04, Ministero dell'Economica e delle Finanze/Cassa di Risparmio di Firenze SpA, Jurispr. 2006, blz. I-289, punt 108.
(32) Zie voetnoot 19.
(33) Arrest van het Hof van 19 december 2012 in zaak C-288/11 P, Mitteldeutsche Flughafen en Flughafen Leipzig-Halle/Europese Commissie, punt 40-43, nog niet gepubliceerd.
(34) Zie het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel SA.33728 — Denemarken — Financiering van een nieuwe multi-arena in Kopenhagen (PB C 152 van 30.5.2012, blz. 6), punt 24.
(35) Zie het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel N 293/2008 — Hongarije — Culturele steun voor multifunctionele lokale culturele centra, musea, openbare bibliotheken (PB C 66 van 20.3.2009, blz. 22), punt 19.
(36) Zie het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel SA. 33728 — Denemarken — Financiering van een nieuwe multi-arena in Kopenhagen (PB C 152 van 30.5.2012, blz. 6), punt 25.
(37) Zie Beschikking van de Autoriteit nr. 343/09/COL inzake de onroerendgoedtransacties van de gemeente Time met betrekking tot de kadastrale percelen nrs. 1/152, 1/301, 1/630, 4/165, 2/70, 2/32 (PB L 123 van 12.5.2011, blz. 72, EER-Supplement nr. 27 van 12.5.2011, blz. 1) en Beschikking van de Autoriteit nr. 91/13/COL van 27.2.2013 inzake de financiering van gemeentelijke afvalinzamelaars, punt 34, online beschikbaar op http://www.eftasurv.int/media/decisions/91-13-COL.pdf.
(38) Zie voetnoot 23.
(39) Naar de Autoriteit heeft begrepen, zullen deze maatregelen zichtbaar worden in de jaarrekening van Harpa over 2013.
(40) Conclusie van 16 april 1986 in zaak C-234/84, Koninkrijk Belgie/Commissie, Jurispr. 1986, blz. I-2263, punt 14.
(41) Conclusie van 14 januari 2003 in zaak C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg/Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, Jurispr. 2003, blz. I-7747.
(42) Zie de punten 87 tot en met 93 van bovengenoemd arrest.
(43) Zie bijvoorbeeld arrest van het Hof van 30 januari 1974 in zaak C-127/73, BRT/SABAM, Jurispr. 1974, blz. 51, punten 19-20.
(44) Zie de richtsnoeren van de Autoriteit betreffende de toepassing van de staatssteunregels op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB L 161 van 13.6.2013, blz. 12 en EER-supplement nr. 34 van 13.6.2013, blz. 1), online beschikbaar op http://www.eftasurv.int/media/state-aid-guidelines/Part-VI---Compensation-granted-for-the-provision-of-services-of-general-economic-interest.pdf.
(45) Omzetting van leningen in aandelenkapitaal.
(46) Arrest van 20 mei 1999 in zaak E-6/98, Noorwegen/Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Jurispr. EVA-Hof 1999, blz. 76, punt 59, conclusie van 18 juni 1980 in zaak C-730/79, Philip Morris Holland/Commissie, Jurispr. 1980, blz. 2671, punt 11.
(47) Zie het besluit van de Commissie van 2 mei 2013 betreffende steunmaatregel SA. 33618 — Zweden — Arena in Uppsala (nog niet gepubliceerd), punt 45.
(48) Zie voetnoot 20.
(49) Zie bijvoorbeeld punt 7 (met nadere verwijzingen) van de richtsnoeren van de Autoriteiten over staatssteun voor cinematografisch en ander audiovisueel werk, beschikbaar op de website van de Autoriteit op http://www.eftasurv.int/state-aid/legal-framework/state-aid-guidelines/.
(50) Zie het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel N 122/2010 — Hongarije — Staatssteun aan het Donau-cultuurpaleis (PB C 147 van 18.5.2011, blz. 3) en het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel N 293/2008 — Hongarije — Culturele steun voor multifunctionele lokale culturele centra, musea, openbare bibliotheken (PB C 66 van 20.3.2009, blz. 22).
(51) Zie het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel SA 33241 — Cyprus — Staatssteun aan het Cultureel Centrum van Cyprus (PB C 377 van 23.12.2011, blz. 11), punt 36-39.
(52) Zie punt 64 van de beschikking.
(53) Voor de marktconforme huur en de vergoeding voor het gebruik van gemeenschappelijke diensten werd gekeken naar de bedragen die particuliere partijen in vergelijkbare situaties in rekening zouden brengen.
(54) Zie het besluit van de Commissie van 2 mei 2013 betreffende steunmaatregel SA. 33618 — Zweden — Arena in Uppsala (nog niet gepubliceerd), punt 59.
|
12.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172/52 |
BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA
nr. 91/14/COL
van 26 februari 2014
betreffende de Noorse regionalesteunkaart 2014-2020 (Noorwegen)
DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (HIERNA „DE AUTORITEIT” GENOEMD),
GEZIEN:
de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd), en met name de artikelen 61, 62 en 63 en Protocol nr. 26,
de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „de toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Bij brief van 31 januari 2014 hebben de Noorse autoriteiten hun regionalesteunkaart die van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020 zal gelden (hierna de „regionalesteunkaart” genoemd) overeenkomstig punt 156 van de richtsnoeren van de Autoriteit inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (hierna de „richtsnoeren regionale steun” genoemd) (1) aangemeld. Volgens deze richtsnoeren moeten de EVA-staten die voornemens zijn om regionale steun toe te kennen regionalesteunkaarten aanmelden. |
|
(2) |
In dit besluit beoordeelt de Autoriteit de verenigbaarheid van de aangemelde kaart met de richtsnoeren regionale steun in overeenstemming met punt 157 van deze richtsnoeren. De kaart zelf houdt geen staatssteun in de zin van artikel 61 van de EER-overeenkomst in. De goedkeuring van de kaart door de Autoriteit vormt geen toestemming om steun te verlenen. De goedgekeurde steunkaart vormt, samen met de richtsnoeren regionale steun, echter wel het kader voor de toekenning van regionale investeringssteun. In dat opzicht maakt de kaart integrerend deel uit van de richtsnoeren regionale steun (2). |
2. REGIO'S DIE OP GROND VAN HET CRITERIUM VAN DE BEVOLKINGSDICHTHEID IN AANMERKING KOMEN
2.1. INLEIDING
|
(3) |
De Noorse autoriteiten hebben enkel regio's aangemeld die in aanmerking komen voor een afwijking uit hoofde van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst. Gezien het betrekkelijk hoge bbp per hoofd van de bevolking komt geen enkele Noorse regio in aanmerking voor de afwijking van artikel 61, lid 3, onder a), van de EER-overeenkomst (3). |
|
(4) |
In Noorwegen komen de statistische regio's van niveau 3 overeen met de provincies en de statistische regio's van niveau 5 met de gemeenten. |
|
(5) |
Noorwegen telt momenteel 19 provincies en 428 gemeenten. |
|
(6) |
Noorwegen heeft acht provincies met een bevolkingsdichtheid van minder dan 12,5 inwoners per km2 (4). Dit zijn de volgende:
|
|
(7) |
In totaal tellen deze acht provincies 1 255 027 inwoners (5), wat 25,51 % van de Noorse bevolking is. Derhalve is het nationale bevolkingsaandeel voor Noorwegen voor de betrokken periode 25,51 % (6). |
2.2. FLEXIBELE AANPAK ZOALS TOEGESTAAN KRACHTENS PUNT 149 VAN DE RICHTSNOEREN REGIONALE STEUN
2.2.1. Vier volledig opgenomen provincies
|
(8) |
De Noorse autoriteiten hebben de volgende vier provincies aangemeld die volledig voor regionale investeringssteun in aanmerking komen:
|
2.2.2. Gedeeltelijk opgenomen provincies
|
(9) |
De overige vier provincies zijn slechts gedeeltelijk op de aangemelde kaart opgenomen. De Noorse autoriteiten hebben verklaard dat de verschillende provincies in Noorwegen zeer heterogeen zijn. In sommige provincies liggen centrale regio's met een hoge bevolkingsdichtheid en bloeiende economische activiteiten, maar eveneens gebieden met een lage bevolkingsdichtheid die met ontvolking te kampen hebben. Dit geldt zowel voor provincies met een bevolkingsdichtheid van meer dan 12,5 inwoners per km2 als voor provincies met minder dan dit aantal. Daarom betogen de Noorse autoriteiten dat een steungebied dat uitsluitend op statistische regio's van niveau 3 is gebaseerd niet overeenstemt met de reële uitdagingen waar Noorwegen in bepaalde regio's voor staat. De Noorse autoriteiten hebben derhalve de flexibele benadering van punt 149 van de richtsnoeren regionale steun toegepast bij het afbakenen van de gebieden die voor regionale steun in aanmerking komen. |
2.2.3. Uitgeruilde gemeenten
|
(10) |
Tabel 1 geeft aan welke gemeenten in dunbevolkte provincies van de regionalesteunkaart zijn uitgesloten (hierna „uitgeruilde gemeenten” genoemd). Tabel 1
|
|
(11) |
Deze uitgeruilde gemeenten hebben in totaal 350 555 inwoners. |
2.2.4. Ingeruilde gemeenten
|
(12) |
Tabel 2 geeft aan welke gemeenten in dichtbevolkte provincies in de regionalesteunkaart zijn opgenomen (hierna „ingeruilde gemeenten” genoemd). Tabel 2
|
|
(13) |
Deze ingeruilde gemeenten hebben in totaal 349 002 inwoners. |
2.3. OVERZICHT VAN DE IN DE AANGEMELDE REGIONALESTEUNKAART OPGENOMEN GEMEENTEN
|
(14) |
Tabel 3 biedt een overzicht van alle gemeenten die in de regionalesteunkaart zijn opgenomen. Tabel 3
|
|
(15) |
In totaal omvat de regionalesteunkaart 281 gemeenten. |
2.4. BEOORDELING VAN DE FLEXIBELE AANPAK
|
(16) |
Punt 149 van de richtsnoeren regionale steun bevat drie eisen waaraan moet zijn voldaan om gebieden in provincies met een bevolkingsdichtheid van meer dan 12,5 inwoners per km2 in te ruilen. |
|
(17) |
Ten eerste mag de ruil, zoals bepaald in punt 142 van de richtsnoeren regionale steun, niet leiden tot een toename van de bevolking die door de steun wordt bestreken. Het geprenotificeerde steungebied telt 1 253 474 inwoners, of 25,48 % van de totale bevolking van Noorwegen. Dit is dus minder dan het in punt 142 van de richtsnoeren regionale steun vastgestelde nationale bevolkingsplafond van 25,51 %. De Autoriteit concludeert derhalve dat aan deze voorwaarde is voldaan. |
|
(18) |
Ten tweede moeten de delen van de provincies die voor flexibiliteit in aanmerking komen, een bevolkingsdichtheid hebben van minder dan 12,5 inwoners per km2 op provinciaal niveau. Zoals blijkt uit tabel 2 is voor de ingeruilde gemeenten op provinciaal niveau aan deze voorwaarde voldaan. |
|
(19) |
Ten derde moeten de ingeruilde gemeenten aan elkaar grenzende gebieden zijn die grenzen aan de provincies met een bevolkingsdichtheid van minder dan 12,5 inwoners per km2. De Autoriteit komt tot de conclusie dat de ingeruilde gemeenten aan deze voorwaarde voldoen, zoals aangegeven op de kaart in de bijlage bij dit besluit (7). |
3. STEUNINTENSITEITEN
|
(20) |
In alle in aanmerking komende gebieden zal een algemeen steunplafond van 15 % brutosubsidie-equivalent (BSE) gelden, dat wordt aangevuld met een verhoging van 20 % voor kleine ondernemingen of 10 % voor middelgrote ondernemingen. Deze steunintensiteiten zijn in overeenstemming met de drempels die in de punten 154 en 155 van de richtsnoeren regionale steun zijn vastgesteld. |
4. GELDIGHEIDSDUUR EN HERZIENING
|
(21) |
In overeenstemming met punt 156 van de richtsnoeren regionale steun zal de aangemelde kaart van 1 juli 2014 tot 31 december 2020 geldig zijn. Indien nodig kan de aangemelde kaart, zoals bepaald in punt 161 van de richtsnoeren regionale steun, in juni 2016 aan een tussentijdse evaluatie worden onderworpen om vast te stellen welke gebieden in aanmerking kunnen komen voor regionale steun op grond van artikel 61, lid 1, onder a), van de EER-overeenkomst en wat de hoogte is van de steunintensiteit die overeenstemt met hun bbp per hoofd van de bevolking. |
|
(22) |
Dit besluit doet bovendien niets af aan de bevoegdheid van de Autoriteit om de kaart overeenkomstig artikel 1, lid 1, van deel I van Protocol nr. 3 bij de toezichtovereenkomst zo nodig vóór het eind van deze periode te herzien. |
5. CONCLUSIE — DE REGIONALESTEUNKAART IS VERENIGBAAR MET DE RICHTSNOEREN REGIONALE STEUN
|
(23) |
Op basis van bovenstaande beoordeling is de Autoriteit van mening dat de Noorse regionalesteunkaart voor de periode 2014-2020 verenigbaar is met de beginselen die zijn neergelegd in de richtsnoeren regionale steun, aangezien het bestreken gebied het in punt 142 van de richtsnoeren regionale steun bepaalde in aanmerking komende aandeel van de bevolking niet overschrijdt. De ingeruilde gebieden voldoen ook aan de overige voorwaarden van punt 149 van de richtsnoeren regionale steun, aangezien wat de steunintensiteiten betreft, de in de punten 154 en 155 van de richtsnoeren regionale steun vastgestelde drempels in acht worden genomen, en aangezien de looptijd niet langer is dan de geldigheidsduur van de richtsnoeren regionale steun als vastgesteld in punt 156 van deze richtsnoeren. |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De Noorse regionalesteunkaart 2014-2020 is verenigbaar met de beginselen die zijn neergelegd in de richtsnoeren regionale steun. De kaart, zoals vastgesteld in de bijlage bij dit besluit, maakt integrerend deel uit van de richtsnoeren regionale steun.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.
Artikel 3
Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.
Gedaan te Brussel, 26 februari 2014.
Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA
Oda Helen SLETNES
Voorzitter
Frank BÜCHEL
Lid van het College
(1) Vastgesteld bij Beschikking nr. 407/13/COL van 23 oktober 2013, nog niet bekendgemaakt.
(2) Richtsnoeren regionale steun, punt 157.
(3) Richtsnoeren regionale steun, punt 142, onder a), en punten 143 en 144.
(4) Richtsnoeren regionale steun, punt 149. In overeenstemming met punt 142, voetnoot 47, van de richtsnoeren regionale steun hebben de Noorse autoriteiten bevolkingsgegevens van 31 december 2010 gebruikt.
(5) De bevolkingscijfers in dit besluit zijn gebaseerd op de van Noorwegen ontvangen gegevens in de aanmelding.
(6) Richtsnoeren regionale steun, punt 142. In overeenstemming met punt 140 van de richtsnoeren regionale steun is het bevolkingsaantal in het steungebied kleiner dan in de niet voor steun in aanmerking komende gebieden (de niet voor steun in aanmerking komende gebieden tellen in totaal 3 666 831 inwoners).
(7) De Autoriteit merkt op dat er langs de Zweedse grens een gebied is waar drie gemeenten, Rømskog, Marker en Aremark (in de provincie Østfold), niet aan de in aanmerking komende gebieden in de provincie Hedmark grenzen, maar op een afstand van minder dan tien kilometer daarvandaan liggen. Volgens de Autoriteit mogen deze drie gemeenten in Østfold desondanks worden beschouwd als grenzend aan de andere voor steun in aanmerking komende gebieden in de zin van punt 147 van de richtsnoeren regionale steun. De Autoriteit stelt voorts vast dat de bevolkingsdichtheid van Rømskog, Marker en Aremark laag is (6,9 per km2).
BIJLAGE
REGIONALESTEUNKAART 2014-2020
Rectificaties
|
12.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172/59 |
Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1242/2013 van de Commissie van 25 november 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Cordero Segureño (BGA))
( Publicatieblad van de Europese Unie L 323 van 4 december 2013 )
Bladzijde 6, in de bijlage:
in plaats van:
„Categorie 1.2. Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt, enz.)”,
te lezen:
„Categorie 1.1. Vers vlees (en verse slachtafvallen)”.
|
12.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 172/60 |
Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 275/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility
( Publicatieblad van de Europese Unie L 80 van 19 maart 2014 )
In de inhoud en op bladzijde 1, titel:
in plaats van:
„Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 275/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility”,
te lezen:
„Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 275/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen”.
Bladzijde 1, tweede aanhaling:
in plaats van:
„Gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de Connecting Europe Facility, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 680/2007 en Verordening (EG) nr. 67/2010 (1), en met name artikel 21,”,
te lezen:
„Gezien Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 680/2007 en Verordening (EG) nr. 67/2010 (1), en met name artikel 21,”.
Bladzijde 1, overweging 7, eerste zin:
in plaats van:
„De programmaondersteunende acties in artikel 5, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1316/2013, bestaande uit uitgaven van de Commissie voor technische en administratieve bijstand voor het beheer van de Connecting Europe Facility en beperkt tot 1 % van de financiële toewijzing, vallen niet onder de werkprogramma's.”,
te lezen:
„De programmaondersteunende acties in artikel 5, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1316/2013, bestaande uit uitgaven van de Commissie voor technische en administratieve bijstand voor het beheer van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en beperkt tot 1 % van de financiële toewijzing, vallen niet onder de werkprogramma's.”.