ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 151

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
21 mei 2014


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad

1

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit nr. 534/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Tunesië

9

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit 2014/293/GBVB van de Raad van 15 april 2014 betreffende de ondertekening en de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali)

16

 

 

Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali)

18

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 535/2014 van de Commissie van 20 mei 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

22

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2014/294/GBVB van de Raad van 20 mei 2014 tot wijziging van Besluit 2013/233/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandsverlening inzake geïntegreerd grensbeheer in Libië (EUBAM Libië)

24

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

21.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 151/1


RICHTLIJN 2014/62/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 mei 2014

betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Als gezamenlijke munt van de lidstaten van de eurozone is de euro een belangrijke factor geworden in de economie van de Unie en het dagelijks leven van haar burgers. Sinds de invoering van de euro in 2002 beloopt de financiële schade als gevolg van valsemunterij echter ten minste 500 miljoen EUR, aangezien de munt een voortdurend doelwit is voor georganiseerde misdaadgroepen die actief zijn op het gebied van valsemunterij. Het is in het belang van de Unie als geheel om elke activiteit die de echtheid van de euro door middel van vervalsing in gevaar zou kunnen brengen, te bestrijden en te bestraffen.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn bevat minimumregels met betrekking tot de definitie van strafbare feiten en sancties op het gebied van valsemunterij van de euro en andere munten. Ze bevat tevens gemeenschappelijke bepalingen om dergelijke strafbare feiten harder te bestrijden, en het onderzoek van deze strafbare feiten te verbeteren, en om betere samenwerking in de strijd tegen valsemunterij te waarborgen.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn gelden de volgende definities:

a)

„munt”: bankbiljetten en muntstukken, die wettelijk in omloop mogen zijn, met inbegrip van eurobankbiljetten en euromunten, die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 974/98 wettig betaalmiddel zijn;

b)

„rechtspersoon”: ieder lichaam met rechtspersoonlijkheid krachtens het toepasselijke recht, met uitzondering van staten of overheidsinstanties bij de uitoefening van hun openbare macht en van publiekrechtelijke internationale organisaties.

Artikel 3

Strafbare feiten

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende handelingen, indien zij opzettelijk worden verricht, strafbaar worden gesteld als strafrechtelijk feit:

a)

het op bedrieglijke wijze vervaardigen of veranderen van munt, welk middel ook gebezigd moge zijn om het resultaat te verkrijgen;

b)

het bedrieglijk in omloop brengen van valse munt;

c)

het invoeren, uitvoeren, vervoeren, ontvangen of zich verschaffen van valse of vervalste munt waarvan men weet dat zij vals zijn, teneinde deze in omloop te brengen;

d)

het op bedrieglijke wijze vervaardigen, ontvangen, zich verschaffen of in bezit hebben van:

i)

werktuigen, voorwerpen, computerprogramma's en gegevens, en andere middelen welke naar hun aard bestemd zijn voor de vervaardiging van valse munt dan wel voor de verandering van munt, of

ii)

veiligheidskenmerken, zoals hologrammen, watermerken of andere muntbestanddelen die worden gebruikt om munt tegen valsemunterij te beveiligen.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in lid 1, onder a), b) en c), genoemde handelingen ook strafbaar zijn met betrekking tot bankbiljetten of munten die vervaardigd worden of vervaardigd zijn met gebruikmaking van de legale faciliteiten of materialen in strijd met de rechten van of de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten munt mogen uitgeven.

3.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in leden 1 en 2 genoemde handelingen ook strafbaar zijn met betrekking tot bankbiljetten en muntstukken die nog niet zijn uitgegeven, maar bestemd zijn om in omloop te worden gebracht als wettig betaalmiddel.

Artikel 4

Uitlokking, medeplichtigheid en poging

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van en medeplichtigheid aan een in artikel 3 genoemd strafbaar feit strafbaar worden gesteld als een strafbaar feit.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een poging om een strafbaar feit bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), b) of c), artikel 3, lid 2, of artikel 3, lid 3, in verband met handelingen bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), b) of c), te plegen, strafbaar wordt gesteld als een strafbaar feit.

Artikel 5

Sancties tegen natuurlijke personen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in de artikelen 3 en 4 bedoelde handelingen kunnen worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, lid 1, onder d), bedoelde strafbare feiten en de in artikel 3, leden 2 en 3, bedoelde strafbare feiten, in verband met handelingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), kunnen worden bestraft met een maximumsanctie die in gevangenisstraf voorziet.

3.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, lid 1, onder a), en de in artikel 3, lid 3, bedoelde strafbare feiten, in verband met handelingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), kunnen worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten minste acht jaar.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3, lid 1, onder b) en c), en de in artikel 3, lid 3, bedoelde strafbare feiten, in verband met handelingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b) en c), kunnen worden bestraft met een maximale gevangenisstraf van ten minste vijf jaar.

5.   Met betrekking tot de in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde strafbare feiten kunnen de lidstaten voorzien in andere doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties dan die bedoeld in lid 4 van dit artikel, met inbegrip van geldboetes en gevangenisstraffen, indien het valse geld te goeder trouw werd verkregen maar met kennis van het feit dat het vals geld betreft is doorgegeven.

Artikel 6

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor de in de artikelen 3 en 4 genoemde strafbare feiten, te zijnen voordele gepleegd door een persoon die individueel of als onderdeel van een orgaan van de rechtspersoon optreedt en bij de rechtspersoon een leidende positie bekleedt, gebaseerd op:

a)

een bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

b)

een gezag om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c)

een gezag om binnen de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.

2.   De lidstaten zorgen er eveneens voor dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld wanneer als gevolg van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon, strafbare feiten zoals bedoeld in de artikelen 3 en 4 konden worden gepleegd ten voordele van die rechtspersoon door een persoon die onder diens gezag staat.

3.   De aansprakelijkheid van een rechtspersoon krachtens de leden 1 en 2 van dit artikel sluit strafvervolging van natuurlijke personen die als dader, uitlokker of medeplichtige bij een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 3 en 4 betrokken zijn, niet uit.

Artikel 7

Sancties tegen rechtspersonen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om tegen een rechtspersoon die volgens artikel 6 aansprakelijk is gesteld, sancties te kunnen treffen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; deze sancties omvatten al dan niet strafrechtelijke geldboetes en kunnen andere maatregelen omvatten zoals:

a)

uitsluiting van het voordeel van een gunstige regeling van de overheid of van overheidssteun;

b)

tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten;

c)

plaatsing onder toezicht van de rechter;

d)

rechterlijk bevel tot ontbinding;

e)

tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbaar feit.

Artikel 8

Rechtsmacht

1.   Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 genoemde strafbare feiten, wanneer:

a)

het strafbaar feit geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied is gepleegd, of

b)

het strafbaar feit door een van zijn onderdanen is gepleegd.

2.   Iedere lidstaat die de euro als munt heeft, neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 genoemde strafbare feiten die buiten zijn grondgebied zijn gepleegd, ten minste wanneer deze betrekking hebben op de euro en wanneer

a)

de persoon die het strafbaar feit heeft gepleegd, zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt en niet is uitgeleverd, of

b)

valse eurobankbiljetten of euromunten die verband houden met het strafbaar feit op het grondgebied van die lidstaat zijn ontdekt.

Met het oog op de vervolging van de strafbare feiten bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 3, leden 2 en 3, wanneer die feiten verband houden met artikel 3, lid 1, onder a), alsook met uitlokking, medeplichtigheid en poging, neemt iedere lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zijn rechtsmacht niet afhangt van de voorwaarde dat de handelingen strafbaar zijn gesteld op de plaats waar zij zijn gepleegd.

Artikel 9

Onderzoeksbevoegdheden

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat doeltreffende onderzoeksbevoegdheden, zoals die welke worden gebruikt bij georganiseerde of andere zware criminaliteit, ter beschikking staan van personen, eenheden of diensten die bevoegd zijn voor het onderzoeken of vervolgen van de in de artikelen 3 en 4 genoemde strafbare feiten.

Artikel 10

Verplichte overlegging van valse eurobankbiljetten en euromunten ter analyse en opsporing van vervalsingen

De lidstaten zorgen ervoor dat tijdens gerechtelijke procedures onverwijld wordt toegestaan dat het nationale analysecentrum en het nationale analysecentrum voor muntstukken eurobankbiljetten en euromunten onderzoeken waarvan wordt vermoed dat zij vals zijn, met als doel analyse, identificatie en opsporing van verdere vervalsingen. De bevoegde autoriteiten leggen onverwijld de nodige exemplaren over en uiterlijk op het moment waarop er een definitieve beslissing over de gerechtelijke procedure is gewezen.

Artikel 11

Statistieken

De lidstaten verstrekken de Commissie ten minste om de twee jaar gegevens met betrekking tot het aantal strafbare feiten zoals bedoeld in de artikelen 3 en 4, en het aantal personen dat vervolgd en veroordeeld is voor in deze artikelen bedoelde strafbare feiten.

Artikel 12

Verslaglegging door de Commissie en evaluatie

De Commissie dient uiterlijk op 23 mei 2019 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van de richtlijn. In dit verslag wordt nagegaan in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen. Dit verslag gaat, indien nodig, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 13

Vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JBZ

Kaderbesluit 2000/383/JBZ wordt vervangen voor wat betreft de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn, onverminderd de verplichtingen van die lidstaten met betrekking tot de termijnen voor omzetting van Kaderbesluit 2000/383/JBZ in het nationale recht.

Voor de lidstaten die gebonden zijn door deze richtlijn, gelden verwijzingen naar Kaderbesluit 2000/383/JBZ als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 14

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 23 mei 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 15 mei 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 179 van 25.6.2013, blz. 9.

(2)  PB C 271 van 19.9.2013, blz. 42.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 mei 2014.

(4)  Verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (PB L 139 van 11.5.1998, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (PB L 181 van 4.7.2001, blz. 6).

(6)  Verordening (EG) nr. 1339/2001 van de Raad van 28 juni 2001 houdende uitbreiding van de werking van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, tot de lidstaten die de euro niet als munteenheid hebben aangenomen (PB L 181 van 4.7.2001, blz. 11).

(7)  Volkenbond, Recueil des Traités, nr. 2623 (1931), blz. 372.

(8)  Kaderbesluit 2000/383/JBZ van de Raad van 29 mei 2000 tot versterking, door middel van strafrechtelijke en andere sancties, van de bescherming tegen valsemunterij in verband met het in omloop brengen van de euro (PB L 140 van 14.6.2000, blz. 1).


BESLUITEN

21.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 151/9


BESLUIT Nr. 534/2014/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 mei 2014

tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan de Republiek Tunesië

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 212,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De betrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek Tunesië („Tunesië”) ontwikkelen zich in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB). De Euro-mediterrane Associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Tunesië, anderzijds (2) (de „associatieovereenkomst EU-Tunesië”), is op 1 maart 1998 in werking getreden. In het kader van deze associatieovereenkomst EU-Tunesië heeft Tunesië in 2008 de laatste hand gelegd aan de afschaffing van de tarieven voor industrieproducten, waarmee Tunesië het eerste land uit het zuidelijke Middellandse Zeegebied was dat een vrijhandelszone met de Unie tot stand bracht. De bilaterale politieke dialoog en economische samenwerking zijn verder ontwikkeld in het kader van de ENB-actieplannen, waarvan het meest recente in behandeling zijnde actieplan betrekking zal hebben op de periode 2013-2017.

(2)

De economie van Tunesië heeft sterk te lijden onder binnenlandse gebeurtenissen die verband houden met de gebeurtenissen die sinds eind 2010 in het zuidelijke Middellandse Zeegebied plaatsvinden en die bekendstaan als de „Arabische lente”, alsook onder de voortdurende onrust in de regio, in het bijzonder in het naburige Libië. Die gebeurtenissen en de zwakke wereldeconomie, en met name de recessie in de eurozone, die de voornaamste financiële en handelspartner van Tunesië is, sorteerden een zeer negatief effect op de Tunesische economie, hetgeen tot een groeivertraging en tot grote externe en budgettaire financieringstekorten heeft geleid.

(3)

Na de afzetting van president Ben Ali op 14 januari 2011 zijn op 23 oktober 2011 in Tunesië de eerste vrije en democratische verkiezingen gehouden. Sindsdien is er een nationale grondwetgevende vergadering opgericht en hoewel het politieke overgangsproces niet zonder moeilijkheden is verlopen, leveren de belangrijkste politieke actoren gezamenlijke inspanningen om hervormingen door te voeren die tot de totstandkoming van een volwaardig democratisch systeem moeten leiden.

(4)

De grondwet die door de Tunesische nationale grondwetgevende vergadering werd aangenomen, biedt vooruitgang op het gebied van de individuele rechten en vrijheden en op het gebied van gendergelijkheid, die het land de weg van de democratie en de rechtsstaat doet inslaan.

(5)

Sinds het begin van de Arabische lente heeft de Unie bij meerdere gelegenheden de toezegging gedaan Tunesië te zullen ondersteunen bij zijn economische en politieke hervormingsproces. Deze toezegging werd in november 2012 bevestigd in de conclusies van de vergadering van de associatieraad tussen de Unie en Tunesië. De politieke en economische steun van de Unie voor het hervormingsproces van Tunesië is in overeenstemming met het beleid van de Unie ten aanzien van het zuidelijke Middellandse Zeegebied, zoals vastgesteld in het kader van het ENB.

(6)

In het verlengde van de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad, die is aangenomen bij de vaststelling van Besluit nr. 778/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), moet macrofinanciële bijstand van de Unie een uitzonderlijk financieel instrument zijn van ongebonden en niet-toegewezen steun van de betalingsbalans, gericht op het herstellen van een houdbare externe financiële situatie van de begunstigde, en dienen ter ondersteuning van de uitvoering van een beleidsprogramma met krachtige aanpassings- en structurele hervormingsmaatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de betalingsbalanspositie, in het bijzonder tijdens de programmeringsperiode, en ter versterking van de uitvoering van gerelateerde overeenkomsten en samenwerkingsprogramma's met de Unie.

(7)

In april 2013 hebben de Tunesische autoriteiten en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) overeenstemming bereikt over een niet uit voorzorg gesloten stand-by-overeenkomst van 1 146 miljoen SDR (Special Drawing Rights — bijzondere trekkingsrechten) met een looptijd van drie jaar om het economische aanpassings- en hervormingsprogramma van Tunesië te ondersteunen. De doelstellingen van het IMF-programma stroken met het doel van de macrofinanciële bijstand van de Unie, namelijk het verlichten van betalingsbalansmoeilijkheden op korte termijn en het uitvoeren van krachtige aanpassingsmaatregelen die beantwoorden aan het doel van de macrofinanciële bijstand van de Unie.

(8)

De Unie heeft 290 miljoen EUR aan financiële steun beschikbaar gesteld voor de periode 2011-2013 in het kader van haar gewone samenwerkingsprogramma ter ondersteuning van de economische en politieke hervormingsagenda van Tunesië. Daarnaast is voor de periode 2011-2013 aan Tunesië 155 miljoen EUR toegewezen in het kader van het programma „Steun voor partnerschap, hervormingen en inclusieve groei” (Support for Partnership, Reform and Inclusive Growth — Spring).

(9)

In augustus 2013 heeft Tunesië, in het licht van de slechter wordende economische situatie en vooruitzichten, de Unie om macrofinanciële bijstand verzocht.

(10)

Daar Tunesië onder het ENB valt, moet het als een land worden beschouwd dat voor macrofinanciële bijstand van de Unie in aanmerking komt.

(11)

Aangezien er nog steeds sprake is van een aanzienlijk resterend extern financieringstekort op de betalingsbalans van Tunesië dat de door het IMF en andere multilaterale instellingen verstrekte middelen te boven gaat, en ondanks het feit dat Tunesië krachtige economische stabilisatie- en hervormingsprogramma's uitvoert, wordt de door de Unie aan Tunesië te verlenen macrofinanciële bijstand (de „macrofinanciële bijstand van de Unie”), onder de huidige uitzonderlijke omstandigheden, aangemerkt als een passende reactie op het verzoek van Tunesië om in samenhang met het IMF-programma de economische stabilisatie te ondersteunen. De macrofinanciële bijstand van de Unie zou de economische stabilisatie en de structurele-hervormingsagenda van Tunesië ondersteunen en tevens een aanvulling vormen op de middelen die in het kader van de financiële overeenkomst met het IMF beschikbaar worden gesteld.

(12)

De macrofinanciële bijstand van de Unie moet gericht zijn op het helpen herstellen van een houdbare externe financieringspositie voor Tunesië en aldus de economische en sociale ontwikkeling van het land ondersteunen.

(13)

De vaststelling van het bedrag van de macrofinanciële bijstand van de Unie is gebaseerd op een volledige kwantitatieve beoordeling van de resterende externe financieringsbehoeften van Tunesië, en bij de bepaling ervan is rekening gehouden met het vermogen van het land om zichzelf te financieren met eigen middelen, en met name met de internationale reserves waarover het beschikt. De macrofinanciële bijstand van de Unie moet complementair zijn met de programma's van het IMF en de Wereldbank en de door hen verstrekte middelen. Bij het vaststellen van het bedrag van de bijstand wordt ook rekening gehouden met verwachte financiële bijdragen van multilaterale donoren en met de noodzaak te zorgen voor een billijke verdeling van de lasten tussen de Unie en andere donoren, alsook met de reeds bestaande inzet van de andere externe financieringsinstrumenten van de Unie in Tunesië en met de meerwaarde die door de algehele betrokkenheid van de Unie wordt geboden.

(14)

De Commissie moet ervoor zorgen dat de macrofinanciële bijstand van de Unie juridisch en materieel verenigbaar is met de hoofdbeginselen, -doelstellingen en -maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van de verschillende onderdelen van het extern optreden en het relevante beleid van de Unie op andere terreinen.

(15)

De macrofinanciële bijstand van de Unie moet het externe beleid van de Unie jegens Tunesië ondersteunen. De diensten van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden moeten gedurende de macrofinanciële bijstandsoperatie nauw met elkaar samenwerken om het externe beleid van de Unie te coördineren en de consistentie ervan te waarborgen.

(16)

De macrofinanciële bijstand van de Unie moet Tunesië ondersteunen in zijn engagement met betrekking tot waarden die het land met de Unie deelt, waaronder democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, eerbiediging van de mensenrechten, duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, en ook zijn engagement met betrekking tot de beginselen van een open, op regels gebaseerde en eerlijke handel.

(17)

Eerbiediging door Tunesië van effectieve democratische mechanismen, waaronder een parlementair stelsel met meerdere partijen, de rechtsstaat en de mensenrechten, moet een randvoorwaarde zijn voor het verlenen van de macrofinanciële bijstand van de Unie. Daarnaast dienen de specifieke doelstellingen van de macrofinanciële bijstand van de Unie de doelmatigheid, transparantie en verantwoording van de beheersystemen voor overheidsfinanciën in Tunesië te bevorderen en bij te dragen aan structurele hervormingen die gericht zijn op de bevordering van duurzame en inclusieve groei, het scheppen van werkgelegenheid en begrotingsconsolidatie. Zowel het voldoen aan de randvoorwaarden als het verwezenlijken van die doelstellingen dienen regelmatig door de Commissie te worden gecontroleerd.

(18)

Om te verzekeren dat de financiële belangen van de Unie in het kader van de macrofinanciële bijstand van de Unie op efficiënte wijze worden beschermd, moet Tunesië passende maatregelen nemen in verband met de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden met betrekking tot deze bijstand. Daarnaast moet erin worden voorzien dat de Commissie controles en de Europese Rekenkamer audits verricht.

(19)

De uitkering van de macrofinanciële bijstand van de Unie laat de bevoegdheden van het Europees Parlement en de Raad onverlet.

(20)

Bedragen van de voorziening voor de macrofinanciële bijstand van de Unie moeten consistent zijn met de in het meerjarig financieel kader vastgestelde begrotingskredieten.

(21)

De macrofinanciële bijstand van de Unie moet door de Commissie worden beheerd. Teneinde te waarborgen dat het Europees Parlement en de Raad op de tenuitvoerlegging van dit besluit kunnen toezien, dient de Commissie hen regelmatig in te lichten over ontwikkelingen met betrekking tot de bijstand en hun daarbij de relevante documenten te verschaffen.

(22)

Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit besluit te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(23)

De macrofinanciële bijstand van de Unie dient onderworpen te zijn aan voorwaarden inzake economisch beleid, die in een memorandum van overeenstemming dienen te worden vastgelegd. Omwille van de efficiëntie en om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering te waarborgen, dient de Commissie te worden gemachtigd om met de Tunesische autoriteiten onderhandelingen over deze voorwaarden te voeren onder toezicht van het comité van vertegenwoordigers van de lidstaten waarin Verordening (EU) nr. 182/2011 voorziet. Krachtens die verordening moet in de regel de raadplegingsprocedure worden gebruikt in alle andere gevallen dan in die verordening zijn voorzien. Gezien de mogelijkerwijs belangrijke impact van bijstand van meer dan 90 miljoen EUR, past het dat voor deze verrichtingen de onderzoeksprocedure wordt gebruikt. Gezien het bedrag van de macrofinanciële bijstand van de Unie aan Tunesië, moet op de vaststelling van het memorandum van overeenstemming en voor het verlagen, schorsen of intrekken van de bijstand de onderzoeksprocedure worden toegepast,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De Unie stelt Tunesië macrofinanciële bijstand („de macrofinanciële bijstand van de Unie”) beschikbaar ten belope van ten hoogste 300 miljoen EUR om de economische stabiliteit en hervormingen van Tunesië te ondersteunen. De bijstand draagt bij aan het lenigen van de betalingsbalansbehoeften van Tunesië die in het kader van het IMF-programma zijn vastgesteld.

2.   Het volledige bedrag van de macrofinanciële bijstand van de Unie wordt in de vorm van leningen aan Tunesië verstrekt. De Commissie is bevoegd om namens de Unie de nodige financiële middelen te lenen op de kapitaalmarkten of van financiële instellingen teneinde de middelen vervolgens aan Tunesië door te lenen. De leningen hebben een looptijd van ten hoogste 15 jaar.

3.   De uitkering van de macrofinanciële bijstand van de Unie wordt door de Commissie beheerd op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomsten of afspraken tussen het IMF en Tunesië, en met de hoofdbeginselen en -doelstellingen van de economische hervormingen zoals die worden uiteengezet in de associatieovereenkomst EU-Tunesië en in het actieplan voor 2013-2017 dat in het kader van het ENB tussen de Unie en Tunesië is overeengekomen. De Commissie licht het Europees Parlement en de Raad regelmatig in over de ontwikkelingen inzake de macrofinanciële bijstand van de Unie, met inbegrip van de uitkeringen, en verstrekt aan die instellingen tijdig de relevante documenten.

4.   De macrofinanciële bijstand van de Unie wordt voor een periode van tweeënhalf jaar beschikbaar gesteld, met ingang van de eerste dag na de inwerkingtreding van het in artikel 3, lid 1, van dit besluit bedoelde memorandum van overeenstemming.

5.   Indien de financieringsbehoeften van Tunesië tijdens de periode van uitbetaling van de macrofinanciële bijstand van de Unie aanzienlijk verminderen ten opzichte van de oorspronkelijke prognoses, verlaagt de Commissie, handelend in overeenstemming met de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, het bedrag van de bijstand of schorst zij of trekt zij deze in.

Artikel 2

Eerbiediging door Tunesië van effectieve democratische mechanismen, waaronder een parlementair stelsel met meerdere partijen, de rechtsstaat en de mensenrechten, is een randvoorwaarde voor het verlenen van de macrofinanciële bijstand van de Unie.

Tijdens de volledige duur van de macrofinanciële bijstand van de Unie controleert de Commissie of aan deze randvoorwaarde is voldaan.

Dit artikel wordt toegepast overeenkomstig Besluit 2010/427/EU van de Raad (5).

Artikel 3

1.   De Commissie bereikt, overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, met de Tunesische autoriteiten overeenstemming over duidelijke voorwaarden inzake economisch beleid en financiële voorwaarden, gericht op structurele hervormingen en gezonde overheidsfinanciën, waaraan de macrofinanciële bijstand van de Unie onderworpen is en die worden vastgelegd in een memorandum van overeenstemming („het memorandum van overeenstemming”), dat een tijdschema bevat voor het voldoen van die voorwaarden. De in het memorandum van overeenstemming vastgelegde voorwaarden inzake economisch beleid en financiële voorwaarden stroken met de in artikel 1, lid 3, bedoelde overeenkomsten of afspraken, met inbegrip van de programma's voor macro-economische aanpassing en structurele hervorming die door Tunesië met de steun van het IMF worden uitgevoerd.

2.   Die voorwaarden zijn er in het bijzonder op gericht de doelmatigheid, transparantie en verantwoording van de beheersystemen voor overheidsfinanciën in Tunesië te bevorderen, met inbegrip van de systemen voor het beheer van het gebruik van de macrofinanciële bijstand van de Unie. Bij het bepalen van de beleidsmaatregelen moet ook terdege rekening worden gehouden met vooruitgang wat betreft het wederzijds openstellen van markten, de ontwikkeling van op regels gebaseerde, eerlijke handel en andere prioriteiten in het kader van het externe beleid van de Unie. De Commissie controleert regelmatig de vooruitgang met betrekking tot het verwezenlijken van die doelstellingen.

3.   De financiële voorwaarden van de macrofinanciële bijstand van de Unie worden in detail vastgelegd in een tussen de Commissie en de Tunesische autoriteiten te sluiten leningsovereenkomst.

4.   De Commissie onderzoekt op gezette tijden of de in artikel 4, lid 3, gestelde voorwaarden vervuld blijven, onder meer of het economische beleid van Tunesië verenigbaar is met de doelstellingen van de macrofinanciële bijstand van de Unie. De Commissie werkt daarbij nauw samen met het IMF en de Wereldbank en, indien nodig, met het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 4

1.   De macrofinanciële bijstand van de Unie wordt door de Commissie beschikbaar gesteld in drie leningstranches, mits aan de voorwaarden van lid 3 is voldaan. De omvang van elke tranche wordt in het memorandum van overeenstemming vastgelegd.

2.   Voor de bedragen van de macrofinanciële bijstand van de Unie worden, indien nodig, voorzieningen getroffen overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad (6).

3.   De Commissie besluit tot uitkering van de tranches mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de in artikel 2 gestelde randvoorwaarde;

b)

een bevredigende voortgang bij de uitvoering van een beleidsprogramma met krachtige maatregelen voor aanpassing en structurele hervorming, ondersteund door een niet uit voorzorg getroffen kredietregeling met het IMF, en

c)

het binnen een specifieke termijn uitvoering geven aan de voorwaarden inzake economisch beleid en de financiële voorwaarden die in het memorandum van overeenstemming zijn overeengekomen.

De tweede tranche wordt niet vroeger dan drie maanden na de uitkering van de eerste tranche uitbetaald. De derde tranche wordt niet vroeger dan drie maanden na de uitkering van de tweede tranche uitbetaald.

4.   Indien de in lid 3 bepaalde voorwaarden niet zijn vervuld, wordt de uitkering van de macrofinanciële bijstand van de Unie door de Commissie tijdelijk geschorst of ingetrokken. In die gevallen stelt zij het Europees Parlement en de Raad van de redenen van die schorsing of intrekking in kennis.

5.   De macrofinanciële bijstand van de Unie wordt uitbetaald aan de Centrale Bank van Tunesië. Met inachtneming van de in het memorandum van overeenstemming vast te leggen bepalingen, onder andere betreffende een bevestiging van de resterende budgettaire financieringsbehoefte, kunnen de middelen van de Unie aan het Tunesische ministerie van Financiën als eindbegunstigde worden overgemaakt.

Artikel 5

1.   De op de macrofinanciële bijstand van de Unie betrekking hebbende verrichtingen tot het opnemen en verstrekken van leningen worden uitgevoerd in euro met dezelfde valutadatum, en mogen de Unie niet blootstellen aan enige looptijdtransformatie, enig valuta- of renterisico, of enig ander commercieel risico.

2.   Indien de omstandigheden dit mogelijk maken en indien Tunesië daarom verzoekt, kan de Commissie de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat in de leningsvoorwaarden een clausule inzake vervroegde aflossing is opgenomen en dat in de voorwaarden verbonden aan de opgenomen leningen een overeenkomstige clausule voorkomt.

3.   De Commissie kan, indien de omstandigheden een gunstiger rente op de verstrekte lening mogelijk maken en indien Tunesië daarom verzoekt, besluiten de oorspronkelijk door Tunesië opgenomen leningen geheel of gedeeltelijk te herfinancieren of de desbetreffende financiële voorwaarden te herstructureren. Herfinanciering of herstructurering geschiedt onder de in lid 1 en in lid 4 gestelde voorwaarden en mag niet leiden tot een verlenging van de looptijd van de betrokken opgenomen leningen en evenmin tot een verhoging van het op de datum van herfinanciering of herstructurering nog uitstaand bedrag.

4.   Alle kosten die de Unie ter zake van de uit hoofde van dit besluit opgenomen of verstrekte leningen maakt, komen ten laste van Tunesië.

5.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de ontwikkelingen met betrekking tot de in de leden 2 en 3 bedoelde verrichtingen.

Artikel 6

1.   De macrofinanciële bijstand van de Unie wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (7) en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (8).

2.   De macrofinanciële bijstand van de Unie wordt onder direct beheer uitgevoerd.

3.   Het memorandum van overeenstemming en de leningsovereenkomst die met de Tunesische autoriteiten moeten worden overeengekomen, bevatten bepalingen die het volgende verzekeren:

a)

Tunesië gaat regelmatig na of de uit de algemene begroting van de Unie verstrekte financiering naar behoren is gebruikt, neemt passende maatregelen ter voorkoming van onregelmatigheden en fraude, en onderneemt zo nodig gerechtelijke stappen om de uit hoofde van dit besluit verstrekte middelen waaraan geen wettige bestemming is gegeven, terug te vorderen;

b)

de financiële belangen van de Unie worden beschermd, in het bijzonder met specifieke maatregelen met het oog op de preventie en de bestrijding van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden in verband met de macrofinanciële bijstand van de Unie, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad (9), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (10) en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11);

c)

de Commissie — met inbegrip van het Europees Bureau voor fraudebestrijding — en haar vertegenwoordigers worden uitdrukkelijk gemachtigd tot het uitvoeren van controles, waaronder controles en verificaties ter plaatse;

d)

de Commissie en de Europese Rekenkamer worden uitdrukkelijk gemachtigd om tijdens en na de periode waarin de macrofinanciële bijstand van de Unie beschikbaar is audits uit te voeren, met inbegrip van documentaudits en audits ter plaatse, zoals onder meer operationele beoordelingen, en

e)

de Unie heeft recht op vervroegde terugbetaling van de lening indien is vastgesteld dat Tunesië met betrekking tot het beheer van de macrofinanciële bijstand van de Unie fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit heeft gepleegd die de financiële belangen van de Unie schaadt.

4.   Tijdens de uitvoering van de macrofinanciële bijstand van de Unie houdt de Commissie door middel van operationele beoordelingen toezicht op de deugdelijkheid van de voor deze bijstand geldende financiële regelingen, administratieve procedures en interne en externe controlemechanismen van Tunesië.

Artikel 7

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 8

1.   De Commissie legt jaarlijks, uiterlijk op 30 juni, aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de tenuitvoerlegging van dit besluit in het voorgaande jaar, waaronder een evaluatie van die tenuitvoerlegging. In dat verslag:

a)

wordt de geboekte vooruitgang bij het uitvoeren van de macrofinanciële bijstand van de Unie onderzocht;

b)

worden de economische situatie en de vooruitzichten van Tunesië, alsook de bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 3, lid 1, bedoelde beleidsmaatregelen gemaakte vorderingen beoordeeld;

c)

wordt het verband gespecificeerd tussen de in het memorandum van overeenstemming vastgelegde economische beleidsvoorwaarden, de actuele economische en budgettaire prestaties van Tunesië en de besluiten van de Commissie tot uitkering van de tranches van de macrofinanciële bijstand van de Unie.

2.   Uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de in artikel 1, lid 4, bedoelde beschikbaarheidsperiode dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een ex post-evaluatieverslag in met een beoordeling van de resultaten en de doelmatigheid van de voltooide macrofinanciële bijstand van de Unie en van de mate waarin deze tot de doelstellingen van de bijstand heeft bijgedragen.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 15 mei 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 en besluit van de Raad van 6 mei 2014.

(2)  Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds (PB L 97 van 30.3.1998, blz. 2).

(3)  Besluit nr. 778/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan Georgië (PB L 218 van 14.8.2013, blz. 15).

(4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(5)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(6)  Verordening (EG, Euratom) nr. 480/2009 van de Raad van 25 mei 2009 tot instelling van een Garantiefonds (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 10).

(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(8)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).

(9)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

(10)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

21.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 151/16


BESLUIT 2014/293/GBVB VAN DE RAAD

van 15 april 2014

betreffende de ondertekening en de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 37, in samenhang met artikel 218, leden 5 en 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 8, lid 3, van Besluit 2013/34/GBVB van de Raad van 17 januari 2013 betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) (1) moeten de nadere regelingen wat betreft de deelname van derde staten worden vastgesteld in overeenkomsten gesloten op grond van artikel 37 van het Verdrag van de Europese Unie en overeenkomstig de procedure van artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(2)

Op 10 februari 2014 heeft de Raad een besluit vastgesteld houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen over een deelnameovereenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali), („de overeenkomst”).

(3)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) wordt hierbij namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst te ondertekenen teneinde de Unie daardoor te binden.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 15 april 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 14 van 18.1.2013, blz. 19.


21.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 151/18


VERTALING

OVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat inzake de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali)

DE EUROPESE UNIE („EU” of „Unie”),

enerzijds, en

DE ZWITSERSE BONDSSTAAT,

anderzijds,

hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,

REKENING HOUDEND MET:

Besluit 2013/34/GBVB van de Raad van 17 januari 2013 betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) (1);

de brief van 18 september 2013 van het hoofd van het federale departement van Buitenlandse Zaken van de Zwitserse Bondsstaat, waarin wordt aangeboden uitsluitend met civiele capaciteit bij te dragen aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali);

Besluit EUTM Mali/3/2013 van het Politiek en Veiligheidscomité van 12 november 2013 inzake de aanvaarding van bijdragen van derde staten aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) (2);

Besluit EUTM Mali/2/2013 van het Politiek en Veiligheidscomité van 12 november 2013 tot oprichting van het Comité van contribuanten aan de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) (3),

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Deelname aan de missie

1.   De Zwitserse Bondsstaat sluit zich aan bij Besluit 2013/34/GBVB en bij ieder ander besluit waarbij de Raad van de Europese Unie besluit EUTM Mali te verlengen overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst en eventuele vereiste uitvoeringsregelingen.

2.   De bijdrage van de Zwitserse Bondsstaat aan EUTM Mali doet geen afbreuk aan de autonome besluitvorming van de Unie.

3.   De Zwitserse Bondsstaat draagt er zorg voor dat zijn personeel dat aan EUTM Mali deelneemt, zijn taak uitoefent overeenkomstig:

Besluit 2013/34/GBVB en alle eventuele latere wijzigingen daarvan;

het missieplan;

de uitvoeringsmaatregelen.

4.   Personeel dat door de Zwitserse Bondsstaat bij EUTM Mali gedetacheerd wordt, laat zich bij de uitvoering van zijn taken en in zijn gedrag uitsluitend leiden door het belang van EUTM Mali.

5.   De Zwitserse Bondsstaat informeert de commandant van de EU-missie te gelegener tijd over elke wijziging in zijn deelneming aan de missie.

Artikel 2

Status van de strijdkrachten

1.   De status van het personeel dat door de Zwitserse Bondsstaat wordt geleverd voor EUTM Mali wordt geregeld in de op 4 april 2013 ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Mali betreffende de status in de Republiek Mali van de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) (4) (de „overeenkomst betreffende de status van de strijdkrachten”).

2.   Onverminderd de overeenkomst betreffende de status van de strijdkrachten oefent de Zwitserse Bondsstaat bevoegdheid uit ten aanzien van zijn personeel dat aan EUTM Mali deelneemt.

3.   De Zwitserse Bondsstaat is verantwoordelijk voor de afhandeling van schadevorderingen aangaande de deelname aan EUTM Mali, uit hoofde van of met betrekking tot leden van zijn personeel. De Zwitserse Bondsstaat is verantwoordelijk voor het overeenkomstig zijn wet- en regelgeving, nemen van, onder meer juridische of tuchtrechtelijke maatregelen, tegen leden van zijn personeel.

4.   De partijen komen overeen af te zien van al hun wederzijdse vorderingen, behoudens vorderingen uit overeenkomst, voor het geval dat middelen die eigendom zijn van of ingezet worden door een van de partijen schade oplopen, verloren gaan of vernield worden als gevolg van de uitoefening van hun taken in verband met activiteiten uit hoofde van deze overeenkomst, uitgezonderd in gevallen van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag.

5.   De Zwitserse Bondsstaat legt bij de ondertekening van deze overeenkomst een verklaring af inzake het afzien van schadevorderingen tegen een aan EUTM Mali deelnemende staat.

6.   De Unie draagt er zorg voor dat haar lidstaten bij de ondertekening van deze overeenkomst een verklaring afleggen inzake het afzien van schadevorderingen, wat betreft de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan EUTM Mali.

Artikel 3

Gerubriceerde informatie

De bepalingen van de Overeenkomst tussen de Zwitserse Bondsstaat en de Europese Unie betreffende de beveiligingsprocedures voor de uitwisseling van gerubriceerde gegevens (5), zijn van toepassing in het kader van EUTM Mali.

Artikel 4

Commandostructuur

1.   Zwitsers aan EUTM Mali deelnemend personeel blijft volledig onder het bevel van zijn nationale autoriteiten.

2.   De nationale autoriteiten dragen het operationeel en tactisch bevel en/of het operationeel en tactische toezicht over hun strijdkrachten en personeelsleden over aan de commandant van de EU-missie. De commandant van de EU-missie heeft het recht zijn gezag te delegeren.

3.   De Zwitserse Bondsstaat heeft bij de dagelijkse aansturing van de missie dezelfde rechten en verplichtingen als de deelnemende lidstaten van de EU.

4.   De commandant van de EU-missie kan te allen tijde — na overleg met de Zwitserse Bondsstaat — om de terugtrekking van de bijdrage van de Zwitserse Bondsstaat verzoeken.

5.   Een hoge militaire vertegenwoordiger (HMV) wordt door de Zwitserse Bondsstaat benoemd om zijn nationale contingent in EUTM Mali te vertegenwoordigen. De HMV overlegt met de commandant van de EU-missie over alle aangelegenheden die van invloed zijn op de missie en is verantwoordelijk voor de dagelijkse discipline van het contingent.

Artikel 5

Financiële aspecten

1.   De Zwitserse Bondsstaat draagt alle kosten in verband met zijn deelname aan EUTM Mali.

2.   In geval van overlijden, lichamelijk letsel, verlies of schade geleden door natuurlijke personen of rechtspersonen van de staat/staten waar de missie plaatsvindt, betaalt de Zwitserse Bondsstaat, wanneer zijn aansprakelijkheid is vastgesteld, schadevergoeding onder de voorwaarden, genoemd in de overeenkomst betreffende de status van de strijdkrachten.

3.   De Unie stelt de Zwitserse Bondsstaat vrij van elke financiële bijdrage in de gemeenschappelijke kosten van EUTM Mali.

Artikel 6

Regelingen voor de uitvoering van de overeenkomst

De voor de uitvoering van deze overeenkomst noodzakelijke technische en administratieve regelingen worden getroffen door de bevoegde autoriteiten van de Unie en de bevoegde autoriteiten van de Zwitserse Bondsstaat.

Artikel 7

Niet-naleving

Indien een van de partijen de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst niet naleeft, heeft de andere partij het recht om deze overeenkomst schriftelijk te beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand.

Artikel 8

Geschillenbeslechting

Geschillen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van deze overeenkomst worden langs diplomatieke weg tussen de partijen beslecht.

Artikel 9

Inwerkingtreding en beëindiging

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgend op de wederzijdse kennisgeving van de partijen dat de voor dat doel noodzakelijke interne procedures zijn voltooid.

2.   Deze overeenkomst wordt voorlopig toegepast vanaf de datum van de ondertekening ervan.

3.   Deze overeenkomst blijft van kracht zolang de deelname van de Zwitserse Bondsstaat aan de missie duurt.

4.   Elke partij kan deze overeenkomst beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij. De beëindiging is drie maanden na de datum van de kennisgeving een feit.

Gedaan te Brussel, achtentwintig april tweeduizend veertien, in twee exemplaren in het Engels.

Voor de Europese Unie

Voor de Zwitserse Bondsstaat


(1)  PB L 14 van 18.1.2013, blz. 19.

(2)  PB L 320 van 30.11.2013, blz. 33.

(3)  PB L 320 van 30.11.2013, blz. 31.

(4)  PB L 106 van 16.4.2013, blz. 2.

(5)  PB L 181 van 10.7.2008, blz. 58.


VERKLARINGEN

Verklaring voor de lidstaten van de EU

Bij de uitvoering van Besluit 2013/34/GBVB van de Raad van 17 januari 2013 betreffende de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali), zullen de lidstaten van de EU, voor zover hun nationale rechtsstelsel dit toelaat, zoveel mogelijk afzien van schadevorderingen tegen de Zwitserse Bondsstaat wegens lichamelijk letsel of dood van een lid van hun personeel, c.q. schade aan of verlies van middelen die hun eigendom zijn en die door EUTM Mali zijn gebruikt, wanneer het letsel, het overlijden, de schade of het verlies:

door personeel van de Zwitserse Bondsstaat werd veroorzaakt bij de uitvoering van zijn taken in het kader van EUTM Mali, behalve in gevallen van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag; of

is voortgevloeid uit het gebruik van middelen die eigendom zijn van de Zwitserse Bondsstaat en die middelen gebruikt werden in het kader van de missie, behalve in gevallen van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag van het uit de Zwitserse Bondsstaat afkomstige EUTM Mali personeel dat die middelen gebruikte.

Verklaring voor de Zwitserse Bondsstaat

Bij de uitvoering van Besluit 2013/34/GBVB van de Raad van 17 januari 2013 betreffende de militaire opleidingsmissie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali), zal de Zwitserse Bondsstaat, voor zover zijn nationale rechtsstelsel dit toelaat, zoveel mogelijk afzien van schadevorderingen tegen elke andere aan EUTM Mali deelnemende staat wegens lichamelijk letsel of dood van een lid van zijn personeel, c.q. schade aan of verlies van middelen die zijn eigendom zijn en die door EUTM Mali zijn gebruikt, wanneer het letsel, het overlijden, de schade of het verlies:

door personeel werd veroorzaakt bij de uitvoering van zijn taken in het kader van EUTM Mali, behalve in gevallen van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag; of

voortvloeide uit het gebruik van middelen die eigendom zijn van aan EUTM Mali deelnemende staten, op voorwaarde dat deze middelen ten behoeve van EUTM Mali zijn gebruikt, behalve in gevallen van grove nalatigheid of opzettelijk wangedrag van het EUTM Mali personeel dat deze middelen gebruikte.


VERORDENINGEN

21.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 151/22


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 535/2014 VAN DE COMMISSIE

van 20 mei 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

59,1

MA

41,3

MK

85,4

TR

59,9

ZZ

61,4

0707 00 05

AL

41,5

MK

42,4

TR

125,8

ZZ

69,9

0709 93 10

TR

108,6

ZZ

108,6

0805 10 20

EG

43,9

IL

74,1

MA

40,6

TR

72,3

ZA

53,8

ZZ

56,9

0805 50 10

TR

98,1

ZA

141,8

ZZ

120,0

0808 10 80

AR

95,6

BR

85,3

CL

96,8

CN

98,5

MK

32,3

NZ

141,6

US

194,6

UY

70,3

ZA

99,1

ZZ

101,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

21.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 151/24


BESLUIT 2014/294/GBVB VAN DE RAAD

van 20 mei 2014

tot wijziging van Besluit 2013/233/GBVB tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandsverlening inzake geïntegreerd grensbeheer in Libië (EUBAM Libië)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 mei 2013 heeft de Raad Besluit 2013/233/GBVB (1) tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandsverlening inzake geïntegreerd grensbeheer in Libië (EUBAM Libië) vastgesteld. Besluit 2013/233/GBVB verstrijkt op 21 mei 2015. Het daarin vastgestelde financiële referentiebedrag bestrijkt de periode van 22 mei 2013 tot en met 21 mei 2014.

(2)

Besluit 2013/233/GBVB dient te worden gewijzigd om de periode waarvoor het financiële referentiebedrag geldt, te verlengen tot en met 21 mei 2015.

(3)

EUBAM Libië zal worden uitgevoerd in het kader van een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, als vastgesteld in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2013/233/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 11 wordt lid 5 vervangen door:

„5.   Het hoofd van de missie zorgt voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie overeenkomstig Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (2).

(2)  PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1.”."

2)

In artikel 13 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met de missie voor de periode van 22 mei 2013 tot en met 21 mei 2014 moet dekken, bedraagt 30 300 000 EUR.

Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven in verband met de missie voor de periode van 22 mei 2014 tot en met 21 mei 2015 moet dekken, bedraagt 26 200 000 EUR.”.

3)

In artikel 15, leden 1 en 2, worden de verwijzingen naar „Besluit 2011/292/EU” vervangen door verwijzingen naar „Besluit 2013/488/EU”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

A. KYRIAZIS


(1)  Besluit 2013/233/GBVB van de Raad van 22 mei 2013 tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandsverlening inzake geïntegreerd grensbeheer in Libië (EUBAM Libië) (PB L 138 van 24.5.2013, blz. 15).