ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 150

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
20 mei 2014


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad

1

 

*

Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie ( 1 )

59

 

*

Verordening (EU) nr. 512/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 912/2010 tot oprichting van het Europees GNSS-Agentschap

72

 

*

Verordening (EU) nr. 513/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer en tot intrekking van Besluit nr. 2007/125/JBZ van de Raad

93

 

*

Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie en inzake het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing

112

 

*

Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG

143

 

*

Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad

168

 

*

Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 ( 1 )

195

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2014/283/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 april 2014 tot sluiting namens de Europese Unie van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan bij het Verdrag inzake biodiversiteit ( 1 )

231

 

 

Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit

234

 

 

2014/284/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 april 2014 betreffende het sluiten van de Vrijwillige Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie

250

 

 

Vrijwillige Partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie

252

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

20.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/1


VERORDENING (EU) Nr. 510/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, en artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1216/2009 van de Raad (3) en Verordening (EG) nr. 614/2009 van de Raad (4) moeten als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, en in het bijzonder het daarin geïntroduceerde onderscheid tussen gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, worden aangepast. Voorts zijn aanpassingen nodig om de duidelijkheid en transparantie van de bestaande teksten te verbeteren.

(2)

Tot 31 december 2013 was Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (5) het voornaamste instrument van het gemeenschappelijk landbouwbeleid („het GLB”) waarin door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt voorzien.

(3)

In het kader van de hervorming van het GLB is Verordening (EG) nr. 1234/2007 met ingang van 1 januari 2014 vervangen door Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6). Om met die verordening rekening te houden moeten de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 worden aangepast teneinde de samenhang tussen de handelsregelingen met derde landen voor landbouwproducten enerzijds en van de door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen anderzijds te behouden.

(4)

Bepaalde landbouwproducten worden gebruikt voor de vervaardiging van zowel verwerkte landbouwproducten als goederen die niet in bijlage I bij het VWEU zijn genoemd. Niet alleen in het kader van het GLB maar ook in dat van de gemeenschappelijke handelspolitiek zijn maatregelen nodig om rekening te houden met de gevolgen die de handel in dergelijke producten en goederen heeft voor het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel 39 VWEU en met het effect van maatregelen tot uitvoering van artikel 43 VWEU op de economische positie van die producten en goederen, aangezien de kosten voor de aankoop van landbouwproducten in de Unie en op de wereldmarkt uiteenlopen.

(5)

Teneinde rekening te houden met de uiteenlopende situaties van de landbouw en van de levensmiddelenindustrie in de Unie, wordt in de Unie onderscheid gemaakt tussen landbouwproducten die in bijlage I bij het VWEU zijn genoemd en verwerkte landbouwproducten die niet in die bijlage zijn opgenomen. In bepaalde derde landen waarmee de Unie overeenkomsten heeft gesloten, wordt dat onderscheid niet altijd gemaakt. Daarom moet, wanneer in een internationale overeenkomst is voorzien in de gelijkstelling van deze twee soorten producten, worden voorzien in een uitbreiding van de algemene regels betreffende niet in bijlage I bij het VWEU genoemde verwerkte landbouwproducten tot bepaalde wel in die bijlage genoemde landbouwproducten.

(6)

Wanneer in deze verordening verwezen wordt naar internationale overeenkomsten die door de Unie worden gesloten of voorlopig ten uitvoer worden gelegd in overeenstemming met het VWEU, wordt verwezen naar artikel 218 VWEU.

(7)

Om de eventuele negatieve effecten van de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten op de markt van de Unie en op de efficiëntie van het GLB te voorkomen of te neutraliseren, moet het mogelijk zijn de invoer van die producten onder bepaalde voorwaarden aan een aanvullend recht te onderwerpen.

(8)

Ovoalbumine en lactoalbumine zijn verwerkte landbouwproducten die niet in bijlage I bij het VWEU zijn opgenomen. Met het oog op de harmonisatie en vereenvoudiging dient de in Verordening (EG) nr. 614/2009 neergelegde gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine te worden geïntegreerd in de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen. Aangezien eieren in veel gevallen door ovoalbumine en in sommige gevallen door lactoalbumine kunnen worden vervangen, moet de handelsregeling voor ovoalbumine en lactoalbumine overeenkomen met die voor eieren.

(9)

Zonder afbreuk te doen aan de specifieke bepalingen betreffende preferentiële handelsregelingen onder Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad (7), alsmede zonder afbreuk te doen aan andere autonome handelsregelingen van de Unie, dienen de belangrijkste voorschriften met betrekking tot de handelsregeling voor verwerkte landbouwproducten en voor niet in bijlage I genoemde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen te worden vastgelegd. Ook moet worden bepaald dat de vaststelling van verlaagde invoerrechten en van tariefcontingenten en de toekenning van uitvoerrestituties in overeenstemming met die regels moeten geschieden. Daarbij moet rekening worden gehouden met de beperkingen die ten aanzien van invoerrechten en uitvoersubsidies voortvloeien uit door de Unie in het kader van WTO- en bilaterale overeenkomsten aanvaarde verbintenissen.

(10)

Gezien de nauwe samenhang tussen de markt voor ovoalbumine en lactoalbumine en die voor eieren moet het mogelijk zijn om voor de invoer van ovoalbumine en lactoalbumine de overlegging van een invoercertificaat te verlangen en om de regeling actieve veredeling voor ovoalbumine en lactoalbumine te schorsen wanneer de markt van de Unie voor die producten of voor eieren door die regeling wordt verstoord of dreigt te worden verstoord. Het moet mogelijk zijn om aan de afgifte van invoercertificaten voor ovoalbumine en lactoalbumine en het in het vrije verkeer brengen van deze met een certificaat ingevoerde producten, voorwaarden met betrekking tot hun oorsprong, herkomst, authenticiteit en kwaliteitskenmerken te verbinden.

(11)

Teneinde rekening te houden met de ontwikkeling van de handel en markten, met de behoeften op de markt voor ovoalbumine en lactoalbumine of op die voor eieren en met de resultaten van het toezicht op de invoer van ovoalbumine en lactoalbumine, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot: voorschriften voor het afhankelijk stellen van de invoer voor het in het vrije verkeer brengen van ovoalbumine en lactoalbumine aan de overlegging van een invoercertificaat; voorschriften voor de uit dat invoercertificaat voortvloeiende rechten en verplichtingen en de rechtsgevolgen van dat certificaat; in welke gevallen een tolerantiemarge wordt toegepast wat betreft de verplichting vermeld in het certificaat, voorschriften voor de afgifte van een invoercertificaat en het in het vrije verkeer brengen van de overlegging van een door een derde land of een entiteit afgegeven document ter certificering van onder meer de oorsprong, de herkomst, de authenticiteit en de kwaliteitskenmerken van de producten; voorschriften voor de overdracht van invoercertificaten of beperkingen van die overdracht; in welke gevallen geen invoercertificaat hoeft te worden overgelegd en in welke gevallen wel of geen zekerheid die waarborgt dat de producten binnen de periode van geldigheid van het certificaat zijn ingevoerd, hoeft te worden gesteld.

(12)

Bepaalde verwerkte landbouwproducten die niet in bijlage I bij het VWEU zijn genoemd, worden verkregen uit landbouwproducten die onder het GLB vallen. De rechten op de invoer van die verwerkte landbouwproducten moeten het verschil tussen de wereldmarktprijzen en de prijzen op de markt van de Unie voor de voor hun vervaardiging gebruikte landbouwproducten compenseren en tegelijk het concurrentievermogen van de betrokken verwerkende industrie waarborgen.

(13)

In het kader van de handelspolitiek van de Unie is in sommige internationale overeenkomsten bepaald dat de invoerrechten voor verwerkte landbouwproducten, wat de agrarische elementen van die rechten, de aanvullende rechten voor suiker en meel, en het ad-valoremrecht betreft, worden verlaagd of geleidelijk afgeschaft. Die verlagingen moeten kunnen worden vastgesteld aan de hand van de agrarische elementen die gelden voor het niet-preferentiële handelsverkeer.

(14)

Het agrarische element van het invoerrecht moet het verschil tussen de prijzen op de wereldmarkt en op de markt van de Unie voor de landbouwproducten die voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten in kwestie worden gebruikt, compenseren. Daarom moet de berekening van het agrarische element van de invoerrechten voor verwerkte landbouwproducten nauw gekoppeld blijven aan de rechten die gelden voor in ongewijzigde staat ingevoerde landbouwproducten.

(15)

Met het oog op de tenuitvoerlegging van de internationale overeenkomsten waarin is voorzien in een verlaging of geleidelijke afschaffing van de invoerrechten op verwerkte landbouwproducten op basis van specifieke landbouwproducten die voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten worden gebruikt of geacht worden te zijn gebruikt, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot: het opstellen van een lijst van die landbouwproducten die geacht moeten worden te zijn gebruikt bij de productie van de verwerkte landbouwproducten; het vaststellen van de equivalente hoeveelheden en de regels voor de omrekening van andere landbouwproducten tot equivalente hoeveelheden van de specifieke landbouwproducten die geacht worden te zijn gebruikt; de noodzakelijke elementen voor de berekening van het verlaagde agrarische element en de verlaagde aanvullende rechten en de methoden voor die berekening; en de verwaarloosbare bedragen waarvoor het verlaagde agrarische element en de aanvullende rechten voor suiker en meel op nul moeten worden vastgesteld.

(16)

Er kunnen tariefconcessies bij invoer worden verleend voor onbeperkte hoeveelheden van de betrokken goederen of voor beperkte hoeveelheden, waarop dan een tariefcontingent van toepassing is. Wanneer bij bepaalde internationale overeenkomsten binnen tariefcontingenten tariefconcessies worden verleend, moeten deze contingenten door de Commissie worden geopend en beheerd. Om praktische redenen is het van essentieel belang dat voor het beheer van het niet-agrarische element van de invoerrechten voor de goederen waarvoor tariefpreferenties zijn overeengekomen, dezelfde regels gelden als voor het beheer van het agrarische element.

(17)

Door de nauwe samenhang tussen de markt voor ovoalbumine en lactoalbumine en die voor eieren, moeten de tariefcontingenten voor ovoalbumine en lactoalbumine op dezelfde wijze worden geopend en beheerd als die voor eieren, waarop Verordening (EU) nr. 1308/2013 van toepassing is. Waar nodig, moet bij de wijze van beheer rekening worden gehouden met de voorzieningsbehoeften van de markt van de Unie en met de noodzaak het evenwicht op die markt te behouden, en moet het beheer gebaseerd zijn op in het verleden gebruikte methoden, met inachtneming van de uit de WTO-overeenkomsten voortvloeiende rechten.

(18)

Om een billijke markttoegang voor en gelijke behandeling van marktdeelnemers te waarborgen, om rekening te houden met de voorzieningsbehoeften van de markt van de Unie en om het evenwicht op die markt te behouden, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot: de voorwaarden voor het indienen van een aanvraag binnen het tariefcontingent en van de voorschriften inzake de overdracht van rechten binnen het tariefcontingent; het afhankelijk stellen van de toegang tot het tariefcontingent van het stellen van een zekerheid; en de specifieke kenmerken van en de voor de tariefcontingenten geldende vereisten of beperkingen.

(19)

Teneinde ervoor te zorgen dat producten die uit hoofde van overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten internationale overeenkomsten worden uitgevoerd, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een speciale behandeling bij invoer in een derde land, moet aan de Commissie overeenkomstig artikel 290 VWEU de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ertoe verplichten om op verzoek en nadat zij de nodige controles hebben verricht, een document af te geven waarin wordt verklaard dat de voorwaarden zijn vervuld voor producten die, indien ze worden uitgevoerd, mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd in aanmerking kunnen komen voor een speciale behandeling bij invoer in een derde land.

(20)

Het is mogelijk dat de vraag van de verwerkende industrie naar landbouwgrondstoffen niet volledig onder concurrerende voorwaarden kan worden gedekt met landbouwgrondstoffen uit de Unie. Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (8) laat dergelijke goederen dan in het kader van de regeling actieve veredeling toe, mits wordt voldaan aan de economische voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (9). Verordening (EEG) nr. 2913/92 moet worden vervangen door Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10), maar pas met ingang van 1 juni 2016. Het is derhalve passend in deze verordening naar Verordening (EEG) nr. 2913/92 te verwijzen, in het bijzonder gelet op het feit dat, in de toekomst, verwijzingen naar Verordening (EEG) nr. 2913/92 beschouwd moeten worden als verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 952/2013. In duidelijk omschreven omstandigheden moet voor de toelating van bepaalde hoeveelheden landbouwproducten in het kader van de regeling actieve veredeling geacht te zijn voldaan aan de economische voorwaarden. Die hoeveelheden moeten aan de hand van een voorzieningsbalans worden bepaald. Een systeem van door de lidstaten afgegeven certificaten voor actieve veredeling moet een billijke toegang tot de beschikbare hoeveelheden, een gelijke behandeling van de marktdeelnemers en duidelijkheid garanderen.

(21)

Met het oog op een verstandig en efficiënt beheer van de regeling actieve veredeling, waarbij rekening wordt gehouden met de situatie op de markt van de Unie voor de betrokken basisproducten en met de behoeften en praktijken van de verwerkende industrie, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot de lijst van die landbouwproducten waarvoor een certificaat voor actieve veredeling kan worden afgegeven; de uit de certificaten voor actieve veredeling voortvloeiende rechten en de rechtsgevolgen van die certificaten, de overdracht van rechten tussen marktdeelnemers en van voorschriften om de betrouwbaarheid en efficiëntie van het systeem van certificaten voor actieve veredeling te waarborgen voor wat betreft de authenticiteit van het certificaat, de overdracht ervan of beperkingen van de overdracht ervan.

(22)

Binnen de grenzen van de door de Unie aangegane WTO-verbintenissen moet een regeling worden vastgesteld voor de toekenning van uitvoerrestituties voor bepaalde landbouwproducten die voor de vervaardiging van niet in bijlage I bij het VWEU genoemde goederen worden gebruikt, om te voorkomen dat producenten van die goederen worden benadeeld gezien de prijzen die zij als gevolg van het GLB voor hun grondstoffen moeten betalen. Die restituties mogen niet hoger zijn dan het verschil tussen de prijs van een landbouwproduct op de markt van de Unie en de prijs ervan op de wereldmarkt. Die regeling moet derhalve worden ingesteld als onderdeel van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen.

(23)

Bij het opstellen van de lijst van niet in bijlage I genoemde goederen die voor een uitvoerrestitutie in aanmerking komen, moet rekening worden gehouden met het effect van het verschil tussen de prijzen van de voor de vervaardiging van deze goederen gebruikte landbouwproducten op de markt van de Unie en op de wereldmarkt, en met de noodzaak dit verschil geheel of gedeeltelijk te compenseren, teneinde de uitvoer van de voor de vervaardiging van niet in bijlage I genoemde goederen gebruikte landbouwproducten te vergemakkelijken.

(24)

Er moet worden gewaarborgd dat geen uitvoerrestitutie wordt toegekend voor ingevoerde niet in bijlage I genoemde goederen die in het vrije verkeer worden gebracht en die opnieuw of na verwerking worden uitgevoerd of die in andere niet in bijlage I genoemde goederen worden verwerkt. Wat betreft ingevoerde granen, rijst, melk en zuivelproducten of eieren die in het vrije verkeer zijn gebracht, moet erop worden toegezien dat geen restitutie wordt toegekend wanneer de goederen na verwerking worden uitgevoerd of in niet in bijlage I genoemde goederen worden verwerkt.

(25)

De restitutievoeten voor landbouwproducten die in de vorm van niet in bijlage I genoemde goederen worden uitgevoerd, moeten volgens dezelfde voorschriften en praktische regelingen en dezelfde procedure worden vastgesteld als de restitutievoeten die krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 en Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad (11) voor in ongewijzigde staat uitgevoerde landbouwproducten worden vastgesteld.

(26)

Omdat er enerzijds een nauwe band bestaat tussen de niet in bijlage I genoemde goederen en de voor hun vervaardiging gebruikte landbouwproducten, maar er anderzijds ook verschillen tussen deze goederen en producten zijn, moet worden bepaald dat de horizontale bepalingen inzake uitvoerrestituties die in Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn neergelegd, ook van toepassing zijn op niet in bijlage I genoemde goederen.

(27)

Om rekening te houden met de specifieke fabricageprocedés van en handelsvereisten voor niet in bijlage I genoemde goederen waarin bepaalde landbouwproducten zijn verwerkt, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot het vaststellen van voorschriften betreffende de kenmerken van de voor uitvoer bestemde niet in bijlage I genoemde goederen en van de voor hun vervaardiging gebruikte landbouwproducten, van voorschriften voor de vaststelling van de uitvoerrestituties voor bepaalde landbouwproducten die na verwerking tot niet in bijlage I genoemde goederen worden uitgevoerd, van voorschriften betreffende het bewijsmateriaal nodig om de samenstelling aan te tonen van de uitgevoerde niet in bijlage I genoemde goederen, voorschriften betreffende de vereiste dat een verklaring van het gebruik van bepaalde ingevoerde landbouwproducten wordt overgelegd, van voorschriften betreffende de gelijkstelling van landbouwproducten aan basisproducten en betreffende de bepaling van de referentiehoeveelheid voor elk van de basisproducten, en betreffende de toepassing van horizontale voorschriften inzake uitvoerrestituties voor landbouwproducten op niet in bijlage I genoemde goederen.

(28)

De naleving van uitvoerbeperkingen die voortvloeien uit door de Unie overeenkomstig het VWEU gesloten of tijdelijk ten uitvoer gelegde internationale overeenkomsten, moet worden gewaarborgd door de afgifte van restitutiecertificaten voor de in de overeenkomsten vastgelegde referentieperiodes, met inachtneming van het jaarlijkse bedrag dat voor kleine exporteurs is bestemd.

(29)

Uitvoerrestituties moeten worden toegekend voor maximaal het totale beschikbare bedrag, afhankelijk van de specifieke situatie van de handel in niet in bijlage I genoemde goederen. Het systeem van restitutiecertificaten moet het efficiënte beheer van de restitutiebedragen vergemakkelijken.

(30)

Er moet worden bepaald dat door de lidstaten afgegeven restitutiecertificaten in de hele Unie geldig zijn en dat de afgifte ervan afhankelijk is van het stellen van een zekerheid die garandeert dat de marktdeelnemer een restitutie zal aanvragen. Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor restituties uit hoofde van het stelsel van vaststelling vooraf die voor alle toepasselijke restitutievoeten moeten worden toegekend, en voor het stellen en vrijgeven van zekerheden.

(31)

Om toezicht te houden op de uitgaven voor uitvoerrestituties en de uitvoering van het systeem van restitutiecertificaten, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften betreffende de uit de restitutiecertificaten voortvloeiende rechten en verplichtingen, voorschriften betreffende de overdracht van die certificaten of beperkingen van die overdracht, de gevallen en situaties waarin de overlegging van een restitutiecertificaat of het stellen van een zekerheid niet vereist is, en de tolerantiemarge waarbinnen de verplichting om restituties aan te vragen, niet van toepassing is.

(32)

Bij de inachtneming van het effect van gerichte maatregelen met betrekking tot uitvoerrestituties moet worden gekeken naar ondernemingen die landbouwproducten verwerken in het algemeen en naar de situatie van kleine en middelgrote ondernemingen in het bijzonder. Gelet op de specifieke behoeften van kleine exporteurs moet in elk begrotingsjaar voor hen een totaalbedrag worden toegewezen en moeten zij in het kader van de regeling inzake uitvoerrestituties worden vrijgesteld van de verplichting om restitutiecertificaten over te leggen.

(33)

Wanneer krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 maatregelen betreffende de uitvoer van een landbouwproduct worden vastgesteld en de uitvoer van niet in bijlage I genoemde goederen met een hoog gehalte aan dat landbouwproduct de verwezenlijking van het doel van die maatregelen dreigt te belemmeren, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen voor gelijkwaardige maatregelen die met betrekking tot de uitvoer van die niet in bijlage I genoemde goederen moeten worden genomen, terwijl aan alle uit internationale overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen moet worden voldaan.

(34)

In het kader van bepaalde internationale overeenkomsten kan de Unie de invoerrechten en de te betalen bedragen in verband met de uitvoer, beperken om ervoor te zorgen dat deze de prijsverschillen voor landbouwproducten die voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten of de niet in bijlage I genoemde goederen worden gebruikt, geheel of gedeeltelijk compenseren. Voor die producten en goederen moet worden bepaald dat die bedragen gezamenlijk als onderdeel van het totale recht moeten worden vastgesteld en dat zij de verschillen tussen de prijzen van de in aanmerking te nemen landbouwproducten op de markt van het land of de regio in kwestie en de markt van de Unie moeten compenseren.

(35)

Aangezien de samenstelling van de verwerkte landbouwproducten en de niet in bijlage I genoemde goederen relevant kan zijn voor een juiste toepassing van de in deze verordening vastgelegde handelsregeling, moet het mogelijk zijn hun samenstelling door middel van kwalitatieve en kwantitatieve analyses te bepalen.

(36)

Om door de Unie gesloten internationale overeenkomsten ten uitvoer te leggen en duidelijkheid en samenhang met de wijzigingen van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (12) te waarborgen, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot het daartoe aanvullen en wijzigen van bepaalde niet-essentiële elementen van deze verordening en haar bijlagen.

(37)

Er dient te worden bepaald dat de lidstaten de Commissie en elkaar de informatie verstrekken die nodig is om de handelsregeling voor verwerkte landbouwproducten en niet in bijlage I genoemde goederen uit te voeren.

(38)

Met het oog op de integriteit van informatiesystemen, en op de authenticiteit en de leesbaarheid van documenten en gerelateerde gegevens die worden doorgegeven, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot het vaststellen van de aard en soort van de informatie die moet worden doorgegeven, de te verwerken categorieën gegevens, de maximale bewaartermijnen en het doel van de verwerking, het recht van toegang tot de informatie of informatiesystemen en van de voorwaarden voor bekendmaking van de informatie.

(39)

Het recht van de Unie betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, met name Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (14), is van toepassing.

(40)

Teneinde onnodige administratieve lasten te voorkomen voor marktdeelnemers en nationale autoriteiten, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot het vaststellen van een drempel waaronder geen bedragen worden geheven of toegekend uit hoofde van invoerrechten, aanvullende invoerrechten, verlaagde invoerrechten, uitvoerrestituties en bedragen die moeten worden geheven of betaald bij compensatie voor een gezamenlijk vastgesteld prijspeil.

(41)

Gezien de nauwe band tussen niet in bijlage I genoemde goederen en de voor hun vervaardiging gebruikte landbouwproducten, moet worden bepaald dat de horizontale bepalingen inzake zekerheden, controles, verificaties, toezicht en sancties die in Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (15) zijn neergelegd of krachtens die verordening zijn vastgesteld, mutatis mutandis ook van toepassing zijn op niet in bijlage I genoemde goederen.

(42)

Om te waarborgen dat de horizontale voorschriften vastgesteld op basis van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en van de Raad worden toegepast op invoercertificaten en tariefcontingenten voor verwerkte landbouwproducten, en op uitvoerrestituties en restitutiecertificaten voor niet in bijlage I genoemde goederen, moet overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen met betrekking tot voorschriften voor het, in voorkomend geval, aanpassen van de horizontale bepalingen inzake zekerheden, controles, verificaties, toezicht en sancties als vastgesteld op basis van die verordening.

(43)

Bij het vaststellen van gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU, is het van bijzonder belang dat de Commissie, bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(44)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de invoer, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot: maatregelen ter bepaling van de verwerkte landbouwproducten waarop aanvullende invoerrechten van toepassing moeten zijn om negatieve effecten voor de markt van de Unie te voorkomen of te neutraliseren; maatregelen voor de toepassing van die aanvullende invoerrechten met betrekking tot termijnen voor het aantonen van de invoerprijs, voor het indienden van de vereiste documenten en voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende invoerrechten; maatregelen tot vaststelling van de representatieve prijzen en de reactievolumes voor de toepassing van aanvullende invoerrechten, maatregelen betreffende het formaat en de inhoud van het invoercertificaat voor ovoalbumine en lactoalbumine, inzake de indiening van aanvragen en de afgifte en het gebruik van die certificaten, inzake de periode van geldigheid ervan, inzake de procedures voor het stellen van een zekerheid in verband met die certificaten en het bedrag ervan, inzake het bewijs om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor het gebruik van die certificaten is voldaan, inzake de tolerantiemarge met betrekking tot de naleving van de verplichting om de hoeveelheid vermeld in het invoercertificaat in te voeren, en inzake de afgifte van vervangende invoercertificaten en duplicaten van invoercertificaten, maatregelen inzake de behandeling van invoercertificaten door de lidstaten, inzake de uitwisseling van informatie die vereist is voor het beheer van het systeem van invoercertificaten voor ovoalbumine en lactoalbumine, met inbegrip van de procedures voor specifieke administratieve bijstand tussen lidstaten, voor de berekening van invoerrechten en voor het vaststellen van de hoogte van invoerrechten voor verwerkte landbouwproducten in het kader van de uitvoering van internationale regelingen.

(45)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de invoer, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot maatregelen ter bepaling van de vaste hoeveelheden landbouwproducten die geacht worden te zijn gebruikt voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten met het oog op de verlaging of geleidelijke afschaffing van invoerrechten in het preferentiële handelsverkeer en tot vaststelling van de passende documentatievereisten, de jaarlijkse tariefcontingenten en de te gebruiken administratieve methode voor de invoer van verwerkte landbouwproducten en bepaalde landbouwproducten in overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie; procedures betreffende de toepassing van in internationale overeenkomsten of handelingen opgenomen specifieke bepalingen tot vaststelling van een invoer- of uitvoerregeling, met name betreffende de zekerheden ten aanzien van de aard, de herkomst en de oorsprong van het product, erkenning van het ter verificatie van deze zekerheden gebruikte document, de overlegging van een door het land van uitvoer afgegeven document en de bestemming en het gebruik van de producten; maatregelen tot vastlegging van de periode van geldigheid van invoercertificaten, de procedures voor het stellen van een zekerheid en het bedrag ervan, het gebruik van die invoercertificaten en, in voorkomend geval, de specifieke maatregelen betreffende met name de voorwaarden voor het indienen van aanvragen voor invoer en het verlenen van toestemming voor de invoer binnen het tariefcontingent en de passende documentatievereisten.

(46)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de invoer en de regeling actieve verdeling, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend betreffende maatregelen voor het beheer van het proces dat waarborgt dat de binnen de tariefcontingenten beschikbare hoeveelheden niet worden overschreden en maatregelen tot herverdeling van onbenutte hoeveelheden van tariefcontingenten; vrijwaringsmaatregelen tegen invoer in de Unie uit hoofde van Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad (16) en Verordening (EG) nr. 625/2009 van de Raad (17) of van vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van internationale overeenkomsten; maatregelen inzake de hoeveelheid landbouwproducten waarvoor certificaten voor actieve veredeling mogen worden afgegeven; maatregelen inzake de uitvoering van het systeem van certificaten voor actieve veredeling met betrekking tot vereiste documenten en procedures voor de indiening van aanvragen voor en de afgifte van certificaten voor actieve veredeling; maatregelen inzake het beheer van de certificaten voor actieve veredeling door de lidstaten, de procedures voor administratieve bijstand tussen de lidstaten; maatregelen tot beperking van de hoeveelheden waarvoor certificaten voor actieve veredeling mogen worden afgegeven, tot afwijzing van in het kader van die certificaten aangevraagde hoeveelheden en tot schorsing van de indiening van aanvragen voor certificaten voor actieve veredeling wanneer grote hoeveelheden worden aangevraagd; maatregelen tot schorsing van het gebruik van regelingen voor verwerking of actieve veredeling van ovoalbumine en lactoalbumine.

(47)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de uitvoer, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot: maatregelen inzake de toepassing van de restitutievoeten, inzake de berekening van de uitvoerrestituties, inzake de gelijkstelling van bepaalde producten aan basisproducten en de vaststelling van de referentiehoeveelheid van basisproducten, inzake de indiening van aanvragen voor, de afgifte van en het beheer van certificaten voor de uitvoer van bepaalde niet in bijlage I genoemde goederen naar bepaalde bestemmingen wanneer daarin is voorzien in een door de Unie overeenkomstig het VWEU gesloten of tijdelijke ten uitvoer gelegde overeenkomst, inzake de behandeling van gevallen waarin producten verdwijnen of hoeveelheden bij het vervaardigingsproces verloren gaan en inzake de behandeling van bijproducten.

(48)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de uitvoer, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend betreffende maatregelen tot vastlegging van de procedures voor de aangifte en het bewijsmateriaal nodig om de samenstelling aan te tonen van de uitgevoerde niet in bijlage I genoemde goederen met het oog op de uitvoering van het systeem van uitvoerrestituties; het vereenvoudigde bewijsmateriaal nodig om de aankomst op de plaats van bestemming aan te tonen in het geval van gedifferentieerde restituties, maatregelen betreffende de toepassing van horizontale bepalingen inzake uitvoerrestituties voor niet in bijlage I genoemde goederen; maatregelen inzake de uitvoering van het systeem van restitutiecertificaten met betrekking tot het indienen, het formaat en de inhoud van aanvragen van restitutiecertificaten, het formaat, de inhoud en de geldigheidsduur van restitutiecertificaten, de procedure voor het indienen van aanvragen voor en de afgifte van restitutiecertificaten, en voor het gebruik ervan, de procedures voor het stellen van een zekerheid en het bedrag ervan, de tolerantiemarge betreffende de bedragen van niet aangevraagde uitvoerrestituties en de wijze waarop moet worden aangetoond dat aan de uit het restitutiecertificaat voortvloeiende verplichtingen is voldaan.

(49)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de uitvoer en bepaalde algemene bepalingen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend betreffende maatregelen inzake de afhandeling van restitutiecertificaten door de lidstaten en de uitwisseling van informatie en de specifieke administratieve bijstand tussen de lidstaten ten aanzien van de restitutiecertificaten; maatregelen inzake de vaststelling van het totale voor kleine exporteurs toegewezen bedrag en de individuele drempel waaronder geen restitutiecertificaten hoeven te worden overgelegd; maatregelen inzake de afgifte van vervangende restitutiecertificaten en van duplicaten van restitutiecertificaten, maatregelen tot beperking van de bedragen waarvoor restitutiecertificaten kunnen worden afgegeven, tot afwijzing van in het kader van die certificaten aangevraagde bedragen en tot schorsing van de indiening van aanvragen voor restitutiecertificaten wanneer bedragen worden aangevraagd die uitstijgen boven de beschikbare bedragen als vastgesteld op basis van de verplichtingen die uit internationale overeenkomsten voortvloeien; noodzakelijke procedurele voorschriften, en technische criteria voor de toepassing van andere maatregelen in verband met de uitvoer; maatregelen inzake de vaststelling van het toepasselijke recht bij rechtstreekse compensatie in het preferentiële handelsverkeer en de daaraan gerelateerde bedragen die moeten worden betaald bij uitvoer naar het land of de regio in kwestie; maatregelen die waarborgen dat verwerkte landbouwproducten die in het kader van een preferentiële handelsovereenkomst ten uitvoer worden aangegeven, niet toch in het kader van een niet-preferentiële overeenkomst worden uitgevoerd, of omgekeerd; maatregelen inzake de methoden voor kwalitatieve en kwantitatieve analyses van verwerkte landbouwproducten en niet in bijlage I genoemde goederen, inzake de technische voorschriften voor de identificatie daarvan en de procedures voor de classificatie daarvan volgens de gecombineerde nomenclatuur.

(50)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening met betrekking tot de uitvoer en bepaalde algemene bepalingen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend betreffende maatregelen om ervoor te zorgen dat de Commissie en de lidstaten hun verplichtingen om informatie uit te wisselen nakomen; maatregelen om informatie betreffende de methode van kennisgeving, de voorschriften betreffende de bekend te maken informatie, de regelingen voor het beheer van de bekend te maken informatie, de inhoud, de vorm, het tijdstip, de frequentie en de termijnen voor de kennisgevingen, en de regelingen voor het doorgeven en bekendmaken van informatie, en documenten beschikbaar te maken, met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en van de legitieme belangen van ondernemingen ten aanzien van hun bedrijfsgeheimen, en maatregelen inzake de toepassing van horizontale bepalingen inzake zekerheden, controles, verificatie, toezicht en sancties als vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en van de Raad op invoervergunningen en tariefcontingenten voor verwerkte landbouwproducten en op uitvoerrestituties en restitutiecertificaten voor niet in bijlage I genoemde goederen.

(51)

Gezien hun bijzondere aard, moeten uitvoeringsbevoegdheden betreffende maatregelen tot vaststelling van de representatieve prijzen en de reactievolumes voor de toepassing van aanvullende invoerrechten en de hoogte van invoerrechten in overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie, maatregelen tot beperking van de hoeveelheden waarvoor certificaten voor actieve veredeling en restitutiecertificaten worden afgegeven, tot afwijzing van de in het kader van die certificaten aangevraagde hoeveelheden en tot schorsing van het indienen van aanvragen voor die certificaten, en maatregelen voor het beheer van het proces dat waarborgt dat de binnen tariefcontingenten beschikbare hoeveelheden niet worden overschreden en tot herverdeling van onbenutte hoeveelheden van tariefcontingenten worden vastgesteld zonder toepassing van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (18). Alle andere uitvoeringshandelingen uit hoofde van deze verordening moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

(52)

Voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen moet de onderzoeksprocedure worden toegepast overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011, aangezien die handelingen betrekking hebben op het GLB zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), ii), van die verordening.

(53)

De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met vrijwaringsmaatregelen tegen de invoer in de Unie van verwerkte landbouwproducten of met een verstoring of mogelijke verstoring van de markt van de Unie waardoor een schorsing van het gebruik van de regelingen voor verwerking en actieve veredeling van ovoalbumine en lactoalbumine noodzakelijk is, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(54)

Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel is het, teneinde de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken, noodzakelijk en passend om de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen, vast te stellen. Deze verordening gaat overeenkomstig artikel 5, lid 4, van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken.

(55)

Teneinde de status quo te handhaven, dient deze verordening bijlagen te bevatten met de volgende elementen: een lijst van verwerkte landbouwproducten, ter vervanging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1216/2009; een lijst van niet in bijlage I genoemde goederen, ter vervanging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 578/2010 van de Commissie (19) en van bijlage XX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007; een lijst van basisproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging van niet in bijlage I genoemde goederen en bijlage I bij Verordening (EU) nr. 578/2010; een lijst van verwerkte landbouwproducten waarop een aanvullend invoerrecht kan worden geheven, ter vervanging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1216/2009 en een lijst van landbouwproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging van verwerkte landbouwproducten, ter vervanging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1216/2009.

(56)

De Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 dienen dienovereenkomstig te worden ingetrokken.

(57)

Gelet op het feit dat, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, voor de nodige coherentie is gezorgd via de overgangsbepaling in artikel 230, lid 1, tweede alinea, onder i), van Verordening (EU) nr. 1308/2013, moet deze verordening zo snel mogelijk na de vaststelling van de verordeningen houdende hervorming van het GLB van toepassing worden, terwijl het belang van de rechtszekerheid en de legitieme verwachtingen van de marktdeelnemers worden gerespecteerd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze verordening wordt de handelsregeling vastgesteld die van toepassing is op de invoer van verwerkte landbouwproducten en op de uitvoer van niet in bijlage I genoemde goederen en van landbouwproducten die in niet in bijlage I genoemde goederen zijn verwerkt.

Deze verordening is ook van toepassing op de invoer van landbouwproducten die vallen onder een overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomst die voorziet in de gelijkstelling van die producten aan onder het preferentiële handelsverkeer vallende verwerkte landbouwproducten.

Artikel 2

Definities

Voor de uitvoering van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

a)

„landbouwproducten”: de producten waarnaar wordt verwezen in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

b)

„verwerkte landbouwproducten”: de producten die zijn vermeld in bijlage I bij deze verordening;

c)

„niet in bijlage I genoemde goederen”: producten die niet in bijlage I bij het VWEU zijn vermeld, maar wel in de eerste en tweede kolom van bijlage II bij deze verordening;

d)

„verwerkte landbouwproducten”: de producten die zijn vermeld in bijlage III bij deze verordening;

e)

„agrarisch element”: of dat gedeelte van het invoerrecht voor verwerkte landbouwproducten dat overeenkomt met de invoerrechten die van toepassing zijn voor de landbouwproducten die zijn vermeld in bijlage V bij deze verordening of, indien van toepassing, de verlaagde rechten voor die landbouwproducten die afkomstig zijn uit de landen in kwestie voor de hoeveelheden van de landbouwproducten die zijn gebruikt of geacht worden te zijn gebruikt;

f)

„niet-agrarisch element”: het gedeelte van de belasting dat overeenkomt met het recht van het gemeenschappelijk douanetarief, verminderd met het onder e) omschreven agrarisch element;

g)

„aanvullende rechten op suiker en meel”: de aanvullende douanerechten voor suiker (AD S/Z) en voor meel (AD F/M) als bedoeld in het eerste deel, titel I, punt B.6, van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 en vastgesteld in bijlage 1, derde deel, afdeling I, tabel 2, van bijlage I bij die verordening;

h)

„ad-valoremrecht”: het deel van het invoerrecht dat is uitgedrukt als percentage van de douanewaarde;

i)

„productgroep 1”: wei in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen van GN-code ex 0404 10 02 tot GN-code ex 0404 10 16;

j)

„productgroep 2”: melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van niet meer dan 1,5 gewichtspercent, andere dan die in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2,5 kg van GN-code ex 0402 10 19;

k)

„productgroep 3”: melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van niet meer dan 26 gewichtspercent, andere dan die in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2,5 kg van GN-code ex 0402 21 18;

l)

„productgroep 6”: boter, met een vetgehalte van niet meer dan 82 gewichtspercent van GN-code ex 0405 10.

HOOFDSTUK II

INVOER VAN VERWERKTE LANDBOUWPRODUCTEN

AFDELING I

Algemene bepalingen betreffende de invoer

Onderafdeling I

Invoerrechten op verwerkte landbouwproducten

Artikel 3

Elementen van de invoerrechten

1.   Voor de verwerkte landbouwproducten in tabel 1 van bijlage I bestaan de in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde invoerrechten uit een agrarisch element dat geen deel uitmaakt van een ad-valoremrecht, en een niet-agrarisch element dat een ad-valoremrecht is.

2.   Voor de verwerkte landbouwproducten in tabel 2 van bijlage I bestaan de in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde invoerrechten uit een ad-valoremrecht en uit een agrarisch element dat deel uitmaakt van het ad-valoremrecht. Indien er voor verwerkte landbouwproducten in tabel 2 van bijlage I geen ad-valoremrecht bestaat, wordt het agrarisch element voor dergelijke producten geacht deel uit te maken van het specifieke recht voor die producten.

Artikel 4

Maximaal invoerrecht

1.   Wanneer een maximaal invoerrecht van toepassing is, moet de berekeningsmethode ter bepaling van dat recht conform artikel 31 VWEU in het gemeenschappelijk douanetarief worden vastgesteld.

2.   Wanneer het maximale invoerrecht voor in tabel 1 van bijlage I vermelde verwerkte landbouwproducten een aanvullend recht op suiker en meel omvat, wordt de berekeningsmethode ter bepaling van dat aanvullende recht conform artikel 31 van het VWEU in het gemeenschappelijk douanetarief vastgesteld.

Artikel 5

Aanvullende invoerrechten ter voorkoming of neutralisering van negatieve effecten op de markt van de Unie

1.   De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om te bepalen op welke in bijlage IV genoemde verwerkte landbouwproducten, wanneer voor de invoer ervan een in het gemeenschappelijk douanetarief vastgesteld invoerrecht geldt, een aanvullend invoerrecht van toepassing is. Die uitvoeringshandelingen worden alleen vastgesteld om negatieve effecten op de markt van de Unie ten gevolge van die invoer te voorkomen of te neutraliseren, en indien:

a)

de invoer plaatsvindt tegen een prijs die lager is dan het niveau waarvan de Unie aan de WTO kennis heeft gegeven („de reactieprijs”), of

b)

het invoervolume in een bepaald jaar een bepaald niveau overschrijdt („het reactievolume”).

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Er worden geen aanvullende invoerrechten overeenkomstig lid 1 geheven wanneer de invoer de markt van de Unie niet dreigt te verstoren of wanneer de effecten van dergelijke aanvullende heffingen, in het licht van het beoogde doel, onevenredig zijn.

3.   Voor de toepassing van lid 1, onder a), worden de invoerprijzen vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.

De cif-invoerprijzen worden geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de invoermarkt van de Unie voor dat product.

De representatieve prijzen worden op gezette tijden vastgesteld aan de hand van gegevens die zijn verzameld in het kader van het communautair toezicht uit hoofde van artikel 308 quinquies van Verordening (EEG) nr. 2454/1993 van de Commissie (20).

4.   Het reactievolume wordt gebaseerd op de markttoegangsmogelijkheden dat wordt bepaald als invoer als een percentage van het interne verbruik van het betrokken product in de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde negatieve effecten zich voordoen of waarschijnlijk zullen voordoen.

5.   Voor de toepassing van dit artikel kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de nodige maatregelen treffen in het bijzonder deze met betrekking tot de termijnen voor het aantonen van de invoerprijs en voor het indienen van de vereiste documenten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

6.   De Commissie kan voor de overeenkomstig lid 1 geïdentificeerde producten uitvoeringshandelingen vaststellen, zonder toepassing van de in artikel 44, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure tot:

a)

vaststelling van de representatieve prijzen en de reactievolumes voor de toepassing van aanvullende invoerrechten;

b)

vaststelling van het niveau van de aanvullende invoerrechten overeenkomstig de voorschriften van overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomsten.

7.   De Commissie maakt de in lid 1, onder a), bedoelde reactieprijzen bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Onderafdeling II

Invoer van ovoalbumine en lactoalbumine

Artikel 6

Invoercertificaten voor ovoalbumine en lactoalbumine

1.   De invoer voor het in het vrije verkeer brengen van ovoalbumine en lactoalbumine kan afhankelijk worden gesteld van de overlegging van een invoercertificaat, wanneer een dergelijk certificaat nodig is voor het beheer van de betrokken markten en, met name, voor het toezicht op de handel in deze producten.

2.   Onverminderd de maatregelen die uit hoofde van artikel 14 zijn genomen, geven de lidstaten de in lid 1 bedoelde invoercertificaten af aan iedere in de Unie gevestigde aanvrager, ongeacht de plaats van vestiging van die aanvrager, tenzij een overeenkomstig artikel 43, lid 2, van het VWEU vastgestelde handeling anders bepaalt.

3.   De in lid 1 bedoelde invoercertificaten zijn in de hele Unie geldig.

4.   De afgifte van invoercertificaten als bedoeld in lid 1 en het in het vrije verkeer brengen van de door het certificaat bestreken goederen kunnen afhankelijk worden gesteld van vereisten met betrekking tot de oorsprong en herkomst van de betrokken producten en van de overlegging van een door een derde land of een entiteit afgegeven document dat onder meer de oorsprong, de herkomst, de authenticiteit en de kwaliteitskenmerken van de producten certificeert.

Artikel 7

Zekerheidstelling in verband met invoercertificaten

1.   De afgifte van de in artikel 6 bedoelde invoercertificaten kan afhankelijk worden gesteld het stellen van een zekerheid die garandeert dat de marktdeelnemer de producten tijdens de periode van geldigheid van het invoercertificaat invoert.

2.   De zekerheid wordt geheel of gedeeltelijk verbeurd indien de producten niet tijdens de periode van geldigheid van het invoercertificaat worden ingevoerd.

3.   De zekerheid wordt echter niet verbeurd indien de producten niet binnen de periode van geldigheid werden ingevoerd als gevolg van overmacht of indien de niet binnen de periode van geldigheid ingevoerde hoeveelheid binnen de tolerantiemarge ligt.

Artikel 8

Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a)

voorschriften voor het afhankelijk stellen van de invoer voor het in het vrije verkeer brengen van ovoalbumine en lactoalbumine aan het overleggen van een invoercertificaat;

b)

voorschriften voor de rechten en verplichtingen die uit het invoercertificaat voortvloeien en welke de rechtsgevolgen van dat certificaat zijn;

c)

de gevallen waarin een tolerantiemarge geldt voor de verplichting tot naleving van de in het invoercertificaat vermelde hoeveelheid in te voeren of waarin de oorsprong op het certificaat moet worden vermeld;

d)

voorschriften voor de afgifte van het invoercertificaat of voorschriften voor het afhankelijk stellen van het in het vrije verkeer brengen van de door het certificaat bestreken goederen aan het overleggen van een door een derde land of een entiteit afgegeven document ter certificering van onder meer de oorsprong, de herkomst, de authenticiteit en de kwaliteitskenmerken van de producten;

e)

voorschriften voor de overdracht van het invoercertificaat of beperkingen van die overdracht;

f)

de gevallen waarin de overlegging van een invoercertificaat niet vereist is;

g)

voorschriften die de afgifte van de invoercertificaten bedoeld in artikel 6 afhankelijk maakt van het stellen van een zekerheid.

Artikel 9

Uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast betreffende:

a)

het formaat en de inhoud van het invoercertificaat;

b)

het indienen van aanvragen voor invoercertificaten, de afgifte van die certificaten, en het gebruik ervan;

c)

de periode van geldigheid van het invoercertificaat, het bedrag van de te stellen zekerheid en de procedure daarvoor;

d)

het bewijs nodig om aan te tonen dat aan de eisen voor het gebruik van invoercertificaten is voldaan;

e)

de tolerantiemarge ten aanzien van de naleving van de verplichting tot invoer van de in het invoercertificaat vermelde hoeveelheid;

f)

de afgifte van vervangende invoercertificaten en van duplicaten van invoercertificaten;

g)

de behandeling van invoercertificaten door de lidstaten en de voor het beheer van de regeling nodige informatie-uitwisseling, met inbegrip van de procedures voor de specifieke administratieve samenwerking tussen de lidstaten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

AFDELING II

Preferentiële handel

Onderafdeling I

Verlaging van invoerrechten

Artikel 10

Verlaging en geleidelijke afschaffing van agrarische elementen, ad-valoremrechten en aanvullende rechten

1.   Wanneer in een overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomst:

a)

is bepaald dat invoerrechten op verwerkte landbouwproducten worden verlaagd of in opeenvolgende stappen geleidelijk worden afgeschaft, en

b)

de producten worden vermeld die voor deze verlagingen in aanmerking komen, de hoeveelheden van de goederen, de waarde van contingenten waarvoor deze verlagingen gelden, de methode voor de berekening van dergelijke hoeveelheden of waarden, of de factoren die de verlaging bepalen in het agrarische element, in de aanvullende rechten op suiker en meel, of in het ad-valoremrecht,

kunnen op het agrarische element, de aanvullende rechten op suiker en meel, of het ad-valoremrecht, de verlaging of daaropvolgende verlagingen met een geleidelijke afschaffing als gevolg, worden toegepast die zijn voorzien in het geval van invoerheffing voor verwerkte landbouwproducten.

Voor de toepassing van dit artikel kan het agrarisch element ook de agrarische elementen omvatten als bedoeld in bijlage 1, deel 1, afdeling I, punt B.1, van Verordening (EEG) nr. 2658/87 en als opgenomen in bijlage I, deel 3, afdeling I, tabel 2, van deze verordening.

2.   Wanneer een overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomst met betrekking tot de producten in tabel 2 van bijlage I bij deze verordening voorziet in de verlaging of geleidelijke afschaffing van de agrarische elementen, wordt het uit het agrarische element bestaande recht, dat deel uitmaakt van het ad-valoremrecht, vervangen door een niet-ad-valorem agrarisch element.

Artikel 11

Werkelijk gebruikte of geacht te zijn gebruikte hoeveelheden

1.   De verlagingen of geleidelijke afschaffing van agrarische elementen of van aanvullende rechten op suiker en meel overeenkomstig artikel 10, lid 1, kunnen op basis van het volgende worden bepaald:

a)

de hoeveelheden van de in bijlage V genoemde landbouwproducten die werkelijk zijn gebruikt of geacht worden te zijn gebruikt voor de vervaardiging van het verwerkte landbouwproduct;

b)

de rechten die in het kader van bepaalde preferentiële handelsregelingen van toepassing zijn op de onder a) bedoelde landbouwproducten en die worden gebruikt voor de berekening van het verlaagde agrarische element en de aanvullende rechten op suiker en meel.

2.   De landbouwproducten die geacht worden te zijn gebruikt voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten, worden geselecteerd uit de landbouwproducten die daadwerkelijk voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten worden gebruikt; deze selectie wordt gebaseerd op het belang dat de betrokken landbouwproducten in het internationale handelsverkeer vertegenwoordigen en op de mate waarin het niveau van de prijzen ervan representatief is voor de prijsniveaus van alle andere landbouwproducten die voor de vervaardiging van het verwerkte landbouwproduct in kwestie worden gebruikt.

3.   De werkelijk gebruikte hoeveelheden van de in bijlage V genoemde landbouwproducten worden omgerekend in equivalente hoeveelheden van de specifieke landbouwproducten die geacht worden te zijn gebruikt.

Artikel 12

Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a)

het opstellen van een lijst van de in bijlage V genoemde landbouwproducten die aan de hand van de selectiecriteria van artikel 11, lid 2, geacht worden te zijn gebruikt voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten;

b)

het vaststellen van de equivalente hoeveelheden en de voorschriften voor de in artikel 11, lid 3, bedoelde omrekening;

c)

de noodzakelijke elementen voor de berekening van het verlaagde agrarische element en de verlaagde aanvullende rechten op suiker en meel en de vaststelling van de methoden voor die berekening;

d)

de verwaarloosbare bedragen waarvoor de verlaagde agrarische elementen en de aanvullende rechten op suiker en meel op nul worden gesteld.

Artikel 13

Uitvoeringsbevoegdheden

1.   De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast waarin maatregelen zijn opgenomen tot uitvoering van overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomsten, met betrekking tot de berekening van invoerrechten voor verwerkte landbouwproducten die overeenkomstig artikel 10, leden 1 en 2, van deze verordening worden verlaagd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De Commissie kan, waar nodig, uitvoeringshandelingen vaststellen tot bepaling van:

a)

de vaste hoeveelheden van de in artikel 12, onder a), bedoelde landbouwproducten die geacht worden te zijn gebruikt voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten;

b)

de hoeveelheden van de in artikel 12, onder a), bedoelde landbouwproducten die geacht worden te zijn gebruikt voor de vervaardiging van de verwerkte landbouwproducten, voor elke mogelijke samenstelling van verwerkte landbouwproducten waarvoor geen vaste hoeveelheden van de specifieke landbouwproducten kunnen worden bepaald overeenkomstig punt a) van deze alinea;

c)

documentatievereisten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, zonder toepassing van de in artikel 44, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure, tot vaststelling van de hoogte van het toegepaste invoerrecht overeenkomstig de voorschriften vastgelegd in een overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of tijdelijk toegepaste internationale overeenkomst en overeenkomstig de uit hoofde van lid 1 van dit artikel vastgestelde voorschriften.

Onderafdeling II

Tariefcontingenten en de bijzonder behandeling van invoer door derde landen

Artikel 14

Opening en beheer van tariefcontingenten

1.   Tariefcontingenten voor de invoer van verwerkte landbouwproducten en van in artikel 1, lid 2, bedoelde landbouwproducten, voor de vrijgave daarvan in het vrije verkeer in de Unie, op basis van overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomsten, worden door de Commissie geopend en beheerd overeenkomstig de artikelen 15 en 16.

2.   De in lid 1 bedoelde tariefcontingenten worden zodanig beheerd dat elke vorm van discriminatie tussen marktdeelnemers wordt voorkomen en dat de voorzieningsbehoeften van de markt van de Unie en de noodzaak het evenwicht op die markt te bewaren naar behoren in aanmerking worden genomen.

3.   De in lid 1 bedoelde tariefcontingenten worden door toepassing van een van de onderstaande methoden, van een andere passende methode of een combinatie daarvan, beheerd:

a)

een toewijzingsmethode op grond van de chronologische volgorde waarin de aanvragen worden ingediend („wie het eerst komt, het eerst maalt”);

b)

een toewijzingsmethode van contingenten naar rato van de in de aanvragen aangevraagde hoeveelheden („methode van het gelijktijdig onderzoek”);

c)

een toewijzingsmethode op basis van traditionele handelsstromen („methode van de traditionele en de nieuwe marktdeelnemers”).

Artikel 15

Gedelegeerde bevoegdheden

1.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a)

de voorwaarden en vereisten waaraan een marktdeelnemer moet voldoen om een aanvraag te mogen indienen in het kader van een in een internationale overeenkomst vastgesteld tariefcontingent als bedoeld in artikel 14, lid 1;

b)

de voorschriften betreffende de overdracht van rechten tussen marktdeelnemers en, zo nodig, beperkingen van die overdracht in het kader van het beheer van in een internationale overeenkomst vastgesteld tariefcontingent als bedoeld in artikel 14, lid 1;

c)

de bepalingen die de toegang tot een in een internationale overeenkomst vastgesteld tariefcontingent als bedoeld in artikel 14, lid 1, afhankelijk stellen van het overleggen van een invoervergunning en van het stellen van een zekerheid;

d)

de specifieke kenmerken, de vereisten of de beperkingen in van toepassing op de in internationale overeenkomst vastgestelde tariefcontingenten als bedoeld in artikel 14, lid 1.

2.   Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt verlangd dat zij, op verzoek en na het uitvoeren van geëigende controles, een document afgeven waarin wordt gecertificeerd dat een product aan de voorwaarden voldoet om een speciale behandeling bij invoer in een derde land te genieten.

Artikel 16

Uitvoeringsbevoegdheden

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van:

a)

de jaarlijkse tariefcontingenten, die zo nodig over het jaar worden gespreid, alsmede de toe te passen beheermethode;

b)

procedures voor de toepassing van de specifieke in de internationale overeenkomst of rechtshandeling houdende vaststelling van de invoer- of uitvoerregeling vervatte bepalingen, in het bijzonder die met betrekking tot:

i)

garanties betreffende de aard, de herkomst en de oorsprong van het product;

ii)

de erkenning van documenten aan de hand waarvan de in punt i) bedoelde garanties worden gecontroleerd;

iii)

de overlegging van een door het land van uitvoer afgegeven document;

iv)

de bestemming en het gebruik van de producten;

c)

de periode van geldigheid van de overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder c), over te leggen invoercertificaten;

d)

de procedures voor het stellen van een zekerheid overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder c), en het bedrag daarvan;

e)

het gebruik van de overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder c), over te leggen invoercertificaten en, indien van toepassing, specifieke maatregelen met betrekking tot, in het bijzonder, de voorwaarden voor het indienen van aanvragen voor invoer en voor het verlenen van toestemming binnen het tariefcontingent;

f)

documentatievereisten;

g)

de nodige maatregelen betreffende de inhoud, de vorm, de afgifte en het gebruik van het in artikel 15, lid 2, bedoelde document.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast, zonder toepassing van de in artikel 44, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure voor:

a)

het beheer van het proces, zodat wordt gegarandeerd dat de binnen het tariefcontingent beschikbare hoeveelheden niet worden overschreden, met name door vaststelling van een toewijzingscoëfficiënt op elke aanvraag wanneer de beschikbare hoeveelheid is bereikt, door de afwijzing van nog niet afgehandelde aanvragen en, zo nodig, door schorsing van de indiening van aanvragen;

b)

het herverdelen van onbenutte hoeveelheden van het tariefcontingent.

AFDELING III

Vrijwaringsmaatregelen

Artikel 17

Vrijwaringsmaatregelen

1.   De Commissie stelt, met inachtneming van lid 3 van dit artikel, uitvoeringshandelingen vast waarin vrijwaringsmaatregelen zijn vastgelegd tegen de invoer van verwerkte landbouwproducten in de Unie. Teneinde de eenvormigheid van het gemeenschappelijk handelsbeleid te waarborgen, moeten die uitvoeringshandelingen overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 260/2009 en (EG) nr. 625/2009 worden vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Tenzij in andere rechtshandelingen van het Europees Parlement en de Raad of in andere rechtshandelingen van de Raad anders is bepaald, stelt de Commissie, met inachtneming van lid 3 van dit artikel, uitvoeringshandelingen vast, waarin vrijwaringsmaatregelen zijn vastgelegd tegen de invoer van verwerkte landbouwproducten in de Unie, zoals bedoeld in internationale overeenkomsten die overeenkomstig het VWEU door de Unie zijn gesloten of voorlopig worden toegepast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   De Commissie kan de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief nemen.

Wanneer de Commissie van een lidstaat een in de leden 1 of 2, of beide, bedoeld verzoek tot vaststelling van uitvoeringshandelingen ontvangt, stelt zij binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek uitvoeringshandelingen vast met daarin haar besluit. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met de in de leden 1 en 2 bedoelde vrijwaringsmaatregelen, stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 44, lid 3, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

5.   Indien de Commissie vrijwaringsmaatregelen die op grond van de leden 1 tot en met 4 zijn vastgesteld, wenst te herroepen of te wijzigen, stelt zij daartoe uitvoeringshandelingen vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld, tenzij naar behoren gemotiveerde redenen van urgentie rechtvaardigen dat zij worden vastgesteld overeenkomstig artikel 44, lid 3.

AFDELING IV

Actieve veredeling

Onderafdeling I

Actieve veredeling zonder onderzoek van de economische voorwaarden

Artikel 18

Actieve veredeling van landbouwproducten zonder onderzoek van de economische voorwaarden

1.   Wanneer niet in bijlage I genoemde goederen worden verkregen uit in bijlage III bij deze verordening opgesomde landbouwproducten waarop de regeling actieve veredeling van toepassing is, wordt na overlegging van een certificaat voor actieve veredeling voor die landbouwproducten geacht te zijn voldaan aan de in artikel 117, onder c), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bedoelde economische voorwaarden.

2.   Voor landbouwproducten die voor de vervaardiging van niet in bijlage I genoemde goederen worden gebruikt, worden certificaten voor actieve veredeling afgegeven binnen de grenzen van de door de Commissie bepaalde hoeveelheden.

Die hoeveelheden worden bepaald door de verplichte begrotingslimieten voor uitvoerrestituties voor niet in bijlage I genoemde goederen enerzijds, af te wegen tegen de verwachte uitgaven voor uitvoerrestituties voor niet in bijlage I genoemde goederen, anderzijds, en in het bijzonder door rekening te houden met:

a)

de geraamde omvang van de uitvoer van de betrokken niet in bijlage I genoemde goederen;

b)

de situatie op de markt van de Unie en op de wereldmarkt ten aanzien van de relevante basisproducten, indien van toepassing;

c)

economische factoren en de regelgeving.

De hoeveelheden worden op gezette tijden herzien om rekening te houden met de ontwikkeling van economische factoren en de regelgeving.

3.   De lidstaten geven de in lid 1 bedoelde certificaten voor actieve veredeling af aan iedere in de Unie gevestigde aanvrager van een dergelijk certificaat, ongeacht de plaats van vestiging van die aanvrager.

Certificaten voor actieve veredeling zijn in de hele Unie geldig.

Artikel 19

Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a)

een lijst van landbouwproducten, die worden gebruikt voor de vervaardiging van niet in bijlage I genoemde goederen, waarvoor certificaten voor actieve veredeling kunnen worden afgegeven;

b)

de uit het certificaat voor actieve veredeling voortvloeiende rechten en de rechtsgevolgen van dat certificaat;

c)

de overdracht van uit het certificaat voor actieve veredeling voortvloeiende rechten tussen marktdeelnemers;

d)

de voorschriften om de betrouwbaarheid en efficiëntie van het systeem van certificaten voor actieve veredeling te waarborgen voor wat betreft de authenticiteit van het certificaat, de overdracht ervan of beperkingen van de overdracht ervan.

Artikel 20

Uitvoeringsbevoegdheden

1.   De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast voor:

a)

de vaststelling krachtens artikel 18, lid 2, van de hoeveelheid landbouwproducten waarvoor certificaten voor actieve veredeling kunnen worden afgegeven;

b)

het formaat en de inhoud van de aanvragen voor certificaten voor actieve veredeling;

c)

het formaat, de inhoud en de periode van geldigheid van de certificaten voor actieve veredeling;

d)

de vereiste documenten en de procedure voor het indienen van aanvragen voor en de afgifte van certificaten voor actieve veredeling;

e)

het beheer van de certificaten voor actieve veredeling door de lidstaten;

f)

de procedures voor administratieve bijstand tussen de lidstaten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Wanneer hoeveelheden worden aangevraagd die uitstijgen boven de overeenkomstig lid 1, onder a), bepaalde hoeveelheden, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen zonder toepassing van de in artikel 44, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure tot beperking van de hoeveelheden waarvoor certificaten voor actieve veredeling kunnen worden afgegeven, tot afwijzing van de in het kader van die certificaten aangevraagde hoeveelheden en tot schorsing van het indienen van aanvragen voor certificaten voor actieve veredeling voor het betrokken product.

Onderafdeling II

Schorsing van de regeling actieve veredeling

Artikel 21

Schorsing van de regeling actieve veredeling voor ovoalbumine en lactoalbumine

1.   Wanneer de markt van de Unie wordt verstoord of dreigt te worden verstoord door de regeling actieve veredeling, kan de Commissie, op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het gebruik van de regeling actieve veredeling voor ovoalbumine en lactoalbumine geheel of gedeeltelijk wordt geschorst. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Wanneer de Commissie een verzoek tot vaststelling van uitvoeringshandelingen bedoeld in de eerste alinea van een lidstaat ontvangt, stelt zij binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek een uitvoeringshandeling vast met daarin haar besluit. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 44, lid 3, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast in verband met de in lid 1 bedoelde schorsing.

HOOFDSTUK III

UITVOER

AFDELING I

Uitvoerrestituties

Artikel 22

Voor restituties in aanmerking komende goederen en producten

1.   Wanneer niet in bijlage I genoemde goederen worden uitgevoerd, komen de landbouwproducten genoemd in artikel 196, lid 1, onder a), i), ii), iii), v) en vii), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 die zijn gebruikt voor de vervaardiging van die niet in bijlage I genoemde goederen, in aanmerking voor uitvoerrestituties krachtens artikel 196 van die verordening, zoals bedoeld in bijlage II bij deze verordening en is artikel 196, lid 1, onder b), lid 2 en lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van toepassing.

2.   De in lid 1 bedoelde uitvoerrestituties worden niet toegekend voor:

a)

ingevoerde niet in bijlage I genoemde goederen die worden beschouwd als goederen die zich in het vrije verkeer bevinden overeenkomstig artikel 29 VWEU en die opnieuw worden uitgevoerd;

b)

ingevoerde niet in bijlage I genoemde goederen die worden beschouwd als goederen die zich in het vrije verkeer bevinden overeenkomstig artikel 29 VWEU en die na verwerking worden uitgevoerd of die in andere niet in bijlage I genoemde goederen zijn verwerkt;

c)

ingevoerde granen, rijst, melk en zuivelproducten, of eieren die worden beschouwd als goederen die zich in het vrije verkeer bevinden overeenkomstig artikel 29 VWEU en die na verwerking worden uitgevoerd of die in niet in bijlage I genoemde goederen zijn verwerkt.

Artikel 23

Bepaling van de uitvoerrestituties

1.   De in artikel 22 bedoelde uitvoerrestituties worden bepaald door de bevoegde instanties van de lidstaten aan de hand van de samenstelling van de uitgevoerde goederen en de restitutievoeten voor elk van de basisproducten waaruit de uitgevoerde goederen bestaan.

2.   Voor de bepaling van de uitvoerrestituties worden in artikel 196, lid 1, onder a), i), ii), iii), v) en vii), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde landbouwproducten, die niet in bijlage III bij deze verordening zijn opgenomen, gelijkgesteld aan basisproducten of aan producten die zijn verkregen uit de verwerking van basisproducten.

Artikel 24

Horizontale voorschriften en restitutievoeten

1.   De horizontale voorschriften inzake uitvoerrestituties voor landbouwproducten die zijn vastgelegd in artikel 199, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, zijn van toepassing op niet in bijlage I genoemde goederen.

2.   De maatregelen tot vaststelling van de restitutievoeten voor basisproducten worden genomen in overeenstemming met artikel 198 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 en artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1370/2013.

3.   Voor de berekening van de uitvoerrestituties worden landbouwproducten die in artikel 196, lid 1, onder a), i), ii) iii), v) en vii), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 zijn vermeld maar niet in bijlage III bij deze verordening zijn opgenomen en die overeenkomstig artikel 23, lid 2, verkregen zijn uit of zijn gelijkgesteld aan basisproducten of producten die zijn verkregen uit de verwerking van basisproducten.

Artikel 25

Certificaten voor uitvoer van specifieke niet in bijlage I genoemde goederen naar specifieke bestemmingen

Wanneer een door de Unie overeenkomstig het VWEU gesloten of tijdelijk toegepaste internationale overeenkomst dat vereist, geven de bevoegde autoriteiten van de lidstaat in kwestie op verzoek van de betrokken partij een certificaat af waarin staat vermeld of uitvoerrestituties zijn betaald met betrekking tot specifieke niet in bijlage I genoemde goederen die naar specifieke bestemmingen zijn uitgevoerd.

Artikel 26

Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a)

voorschriften betreffende de kenmerken van de voor uitvoer bestemde niet in bijlage I genoemde goederen en van de landbouwproducten die voor de vervaardiging ervan worden gebruikt;

b)

voorschriften voor de vaststelling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten die na verwerking tot niet in bijlage I genoemde goederen, worden uitgevoerd;

c)

voorschriften betreffende het bewijs nodig om de samenstelling van de uitgevoerde niet in bijlage I genoemde goederen aan te tonen;

d)

voorschriften waarbij een verklaring van het gebruik van bepaalde ingevoerde landbouwproducten wordt verlangd;

e)

voorschriften betreffende de gelijkstelling van in artikel 196, lid 1, onder a), i), ii), iii), v) en vii), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde landbouwproducten die niet in bijlage III bij deze verordening zijn opgenomen, aan basisproducten en betreffende de bepaling van de referentiehoeveelheid voor elk van de basisproducten;

f)

de toepassing van de uit hoofde van artikel 202 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde horizontale voorschriften inzake uitvoerrestituties voor landbouwproducten op niet in bijlage I genoemde goederen.

Artikel 27

Uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast betreffende:

a)

de toepassing van de restitutievoeten wanneer de kenmerken van de bestanddelen van de onder c) van dit artikel bedoelde producten en van de niet in bijlage I genoemde goederen bij de berekening van de uitvoerrestituties in acht moeten worden genomen;

b)

de berekening van de uitvoerrestituties voor:

i)

basisproducten;

ii)

door verwerking van de basisproducten verkregen producten;

iii)

producten die gelijkgesteld zijn aan de onder punt i) of ii) bedoelde producten;

c)

de gelijkstelling van de onder b), punten ii) en iii), bedoelde producten die zijn vermeld in artikel 196, lid 1, onder a), i), ii), iii), v) en vii), van Verordening (EU) nr. 1308/2013, maar niet in bijlage III bij deze verordening zijn opgenomen, aan basisproducten;

d)

de bepaling van de referentiehoeveelheid voor elk van de basisproducten die als basis dienen voor de bepaling van de uitvoerrestituties, op basis van de hoeveelheid product die bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk wordt gebruikt of op een vaste basis, zoals beschreven in bijlage II;

e)

de aanvraag voor, de afgifte van en het beheer van certificaten als bedoeld in artikel 25;

f)

de behandeling van gevallen waarin producten verdwijnen of hoeveelheden bij het vervaardigingsproces verloren gaan en de behandeling van bijproducten;

g)

de procedures voor het aangeven van en het bewijs nodig om de samenstelling van de uitgevoerde niet in bijlage I genoemde goederen aan te tonen met het oog op de uitvoering van het systeem van uitvoerrestituties;

h)

het vereenvoudigde bewijs nodig om de aankomst ter bestemming aan te tonen bij naar bestemming gedifferentieerde restituties;

i)

de toepassing van de uit hoofde van artikel 203 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde horizontale bepalingen betreffende uitvoerrestituties voor landbouwproducten op uitvoerrestituties voor niet in bijlage I genoemde goederen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

AFDELING II

Restitutiecertificaten

Artikel 28

Restitutiecertificaten

1.   Voor landbouwproducten die in niet in bijlage I genoemde goederen zijn verwerkt, worden uitvoerrestituties toegekend wanneer een aanvraag daarvoor is ingediend en een op het tijdstip van uitvoer geldig restitutiecertificaat wordt overgelegd.

Kleine exporteurs, met inbegrip van houders van restitutiecertificaten, die een aanvraag indienen voor beperkte bedragen van uitvoerrestituties, die te klein zijn om onder restitutiecertificaten te vallen, die geen risico vormen voor de inachtneming van de budgettaire beperkingen, worden van overlegging van een restitutiecertificaat vrijgesteld. Dergelijke vrijstellingen mogen het totale voor kleine exporteurs toegewezen bedrag niet te boven gaan.

2.   De lidstaten geven een restitutiecertificaat af aan iedere in de Unie gevestigde aanvrager van een restitutiecertificaat, ongeacht de plaats van vestiging van de aanvrager. Restitutiecertificaten zijn in de hele Unie geldig.

Artikel 29

Toepasselijke restitutievoeten

1.   De toe te passen restitutievoet is die welke geldt op de dag waarop de aangifte ten uitvoer voor de niet in bijlage I genoemde goederen door de douaneautoriteiten wordt aanvaard, tenzij overeenkomstig lid 2 een verzoek tot vaststelling vooraf van de restitutievoet is ingediend.

2.   Een verzoek tot vaststelling vooraf van de restitutievoet kan samen met de aanvraag voor een restitutiecertificaat worden ingediend, dan wel op de dag waarop het restitutiecertificaat wordt toegekend, dan wel op enig moment daarna vóór het verstrijken van de geldigheid van het restitutiecertificaat.

3.   Bij vaststelling vooraf wordt de restitutievoet vastgesteld op de voet die op de dag van het verzoek tot vaststelling vooraf van toepassing is. De restitutievoeten die vooraf zijn vastgesteld, zijn vanaf die datum van toepassing op alle restitutievoeten die door het restitutiecertificaat worden bestreken.

4.   Uitvoerrestituties voor niet in bijlage I genoemde goederen worden toegekend op basis van:

a)

de restitutievoeten die overeenkomstig lid 1 moeten worden toegepast op de basisproducten verwerkt in die niet in bijlage I genoemde goederen, tenzij de restitutievoeten vooraf zijn vastgesteld, of

b)

de restitutievoeten die vooraf zijn vastgesteld overeenkomstig lid 3 voor de basisproducten verwerkt in die niet in bijlage I genoemde goederen.

Artikel 30

Zekerheidstelling in verband met restitutiecertificaten

1.   Restitutiecertificaten worden pas afgegeven nadat een zekerheid is gesteld die garandeert dat de marktdeelnemer binnen de periode van geldigheid van het restitutiecertificaat bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat in kwestie een aanvraag voor uitvoerrestituties voor de uitvoer van niet in bijlage I genoemde goederen zal indienen.

2.   De zekerheid wordt geheel of gedeeltelijk verbeurd indien geen uitvoerrestitutie, of slechts een gedeelte van de uitvoerrestitutie, is aangevraagd voor uitvoer binnen de periode van geldigheid van het restitutiecertificaat.

Niettegenstaande de eerste alinea wordt de zekerheid niet verbeurd:

a)

wanneer het aan overmacht te wijten is dat de producten niet, of slechts gedeeltelijk, werden uitgevoerd of dat de uitvoerrestitutie niet, of slechts voor een deel, werd aangevraagd;

b)

wanneer de bedragen waarvoor geen uitvoerrestitutie werd aangevraagd binnen de tolerantiemarge liggen.

Artikel 31

Gedelegeerde bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a)

voorschriften voor de uit het restitutiecertificaat voortvloeiende rechten en verplichtingen, met inbegrip van de garantie, mits aan alle voorwaarden is voldaan, dat de uitvoerrestituties zullen betaald worden en de verplichting om uitvoerrestituties aan te vragen voor landbouwproducten die na verwerking tot niet in bijlage I genoemde goederen worden uitgevoerd;

b)

voorschriften voor de overdracht van het restitutiecertificaat of beperkingen van die overdracht;

c)

de gevallen en situaties waarin de overlegging van een restitutiecertificaat uit hoofde van artikel 28, lid 1, gezien het doel van de transactie, de desbetreffende bedragen en het totale bedrag dat aan kleine exporteurs kan worden toegekend, niet vereist is;

d)

de gevallen en situaties waarin, in afwijking van artikel 30, het stellen van een zekerheid niet vereist is;

e)

voorschriften voor de in artikel 30, lid 2, tweede alinea, onder punt b), bedoelde tolerantiemarge, gelet op de noodzaak de budgettaire beperkingen in acht te nemen.

Artikel 32

Uitvoeringsbevoegdheden

1.   De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast voor:

a)

de indiening, het formaat en de inhoud van de aanvragen voor restitutiecertificaten;

b)

het formaat, de inhoud en de periode van geldigheid van restitutiecertificaten;

c)

de procedure voor het indienen van aanvragen, alsook de procedure voor de afgifte en het gebruik van restitutiecertificaten;

d)

de procedures voor het stellen van een zekerheid en het bedrag daarvan;

e)

de in artikel 30, lid 2, tweede alinea, onder b), bedoelde tolerantiemarge, gelet op de noodzaak de budgettaire beperkingen in acht te nemen;

f)

de wijze waarop moet worden aangetoond dat aan de uit restitutiecertificaten voortvloeiende verplichtingen is voldaan;

g)

de behandeling van restitutiecertificaten door de lidstaten en de voor het beheer van de regeling nodige informatie-uitwisseling, met inbegrip van de procedures voor specifieke administratieve bijstand tussen de lidstaten;

h)

de vaststelling van het totale voor kleine exporteurs toegewezen bedrag en de individuele drempel waaronder geen restitutiecertificaten krachtens artikel 28, lid 1, tweede alinea, hoeven te worden overgelegd;

i)

de afgifte van vervangende restitutiecertificaten en duplicaten van restitutiecertificaten.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Wanneer hoeveelheden worden aangevraagd die uitstijgen boven de hoeveelheden die zijn vastgesteld op basis van verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen zonder toepassing van de in artikel 44, lid 2 en lid 3, bedoelde procedure waarin de hoeveelheden waarvoor restitutiecertificaten kunnen worden afgegeven, worden beperkt, de in het kader van restitutiecertificaten aangevraagde hoeveelheden worden afgewezen en het indienen van aanvragen voor restitutiecertificaten wordt geschorst.

AFDELING III

Andere maatregelen met betrekking tot de uitvoer

Artikel 33

Andere maatregelen met betrekking tot de uitvoer

1.   Wanneer krachtens Verordening (EU) nr. 1308/2013 met betrekking tot de uitvoer van een in bijlage III genoemd landbouwproduct maatregelen in de vorm van heffingen of belastingen worden vastgesteld en de uitvoer van niet in bijlage I genoemde goederen met een hoog gehalte aan dat landbouwproduct de verwezenlijking van de doelstellingen van die maatregelen dreigt te belemmeren, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 42 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot gelijkwaardige maatregelen ten aanzien van die niet in bijlage I genoemde goederen, op voorwaarde dat die gedelegeerde handelingen aan alle verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten voldoen. Die gedelegeerde handelingen worden alleen vastgesteld wanneer alle bestaande maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1308/2013 onvoldoende blijken te zijn.

Wanneer dit om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 43 neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Die dwingende redenen van urgentie kunnen inhouden dat onmiddellijk moet worden opgetreden om marktverstoring te verhelpen of te voorkomen, indien de dreigende marktverstoring zich zo snel of onverwacht voordoet dat onmiddellijk optreden nodig is om de situatie efficiënt en effectief te kunnen verhelpen, of indien optreden zou voorkomen dat de dreigende marktverstoring werkelijkheid wordt, aanhoudt of een ernstig of langdurig karakter krijgt, of indien niet-onmiddellijk optreden de verstoring zou veroorzaken of verergeren, of ertoe zou leiden dat later ingrijpender maatregelen nodig zouden zijn om de dreiging of de verstoring te verhelpen, dan wel schadelijk zou zijn voor de productie of de marktomstandigheden.

2.   De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast waarin de procedures en technische criteria voor de toepassing van lid 1 zijn bepaald.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

MAATREGELEN DIE ZOWEL OP DE INVOER ALS DE UITVOER VAN TOEPASSING ZIJN

Artikel 34

Rechtstreekse compensatie in het preferentiële handelsverkeer

1.   Wanneer zulks in een overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomst is bepaald, kan het op de invoer van landbouwproducten toepasselijke recht worden vervangen door een bedrag dat is vastgesteld op basis van het verschil tussen de landbouwprijzen in de Unie en die in het land of de regio in kwestie, of door een bedrag dat een gezamenlijk vastgestelde prijs voor het land of de regio in kwestie, compenseert.

In dat geval worden de bedragen die moeten worden toegepast bij uitvoer naar het land of de regio in kwestie, met inachtneming van de bepalingen van de overeenkomst gezamenlijk en op dezelfde grondslag als het agrarische element van de invoerrechten vastgesteld.

2.   De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast om:

a)

het in lid 1 bedoelde toepasselijke recht en de desbetreffende bedragen die moeten worden toegepast bij uitvoer naar het land of de regio in kwestie, vast te stellen;

b)

te waarborgen dat verwerkte landbouwproducten die in het kader van een preferentiële regeling voor uitvoer zijn aangegeven, in werkelijkheid niet onder een niet-preferentiële regeling worden uitgevoerd, of omgekeerd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 35

Analysemethoden

1.   Voor de toepassing van de handelsregeling in het kader van deze verordening worden, wanneer de verwerkte landbouwproducten of de niet in bijlage I vermelde goederen zulks vereisen, de kenmerken en de samenstelling van die producten en goederen bepaald door een analyse van hun bestanddelen.

2.   De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast voor de in lid 1 bedoelde producten en goederen betreffende:

a)

de methoden voor kwalitatieve en kwantitatieve analyse;

b)

de technische bepalingen voor hun identificatie;

c)

de procedures voor hun classificatie.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 36

Aanpassing van deze verordening

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende:

a)

de aanpassingen van de bijlagen I tot en met V, met inbegrip van de schrapping en toevoeging van verwerkte landbouwproducten en niet in bijlage I genoemde goederen, aan overeenkomstig het VWEU door de Unie gesloten of voorlopig toegepaste internationale overeenkomsten;

b)

de aanpassingen van artikel 2, onder i) tot en met l), artikel 25 en de bijlagen I tot en met V aan wijzigingen van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87.

Artikel 37

Uitwisseling van informatie

1.   Indien dat voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijk is, verstrekken de lidstaten, op verzoek, de Commissie de volgende informatie:

a)

de invoer van verwerkte landbouwproducten;

b)

de uitvoer van niet in bijlage I genoemde goederen;

c)

de aanvragen voor, de afgifte en het gebruik van certificaten voor actieve veredeling voor landbouwproducten, als bedoeld in artikel 18;

d)

de aanvragen voor, de afgifte en het gebruik van restitutiecertificaten, als bedoeld in artikel 28, lid 1;

e)

de betalingen en terugbetalingen van uitvoerrestituties voor niet in bijlage I genoemde goederen, als bedoeld in artikel 22, lid 1;

f)

de vastgestelde administratieve uitvoeringsmaatregelen;

g)

andere relevante informatie.

Wanneer uitvoerrestituties worden aangevraagd in een andere lidstaat dan die waar de niet in bijlage I genoemde goederen zijn geproduceerd, wordt die andere lidstaat op diens verzoek in kennis gesteld van de onder e) bedoelde informatie over de productie en samenstelling van de niet in bijlage I genoemde goederen.

2.   De Commissie kan de informatie die zij overeenkomstig lid 1, onder a) tot en met g), heeft ontvangen, aan alle lidstaten doorgeven.

3.   Teneinde de integriteit van informatiesystemen en de authenticiteit en leesbaarheid van doorgestuurde documenten en daarmee verband houdende gegevens te garanderen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van:

a)

de aard en de soort van de informatie die overeenkomstig lid 1 moet worden doorgegeven;

b)

de categorieën te verwerken gegevens, de maximumtermijnen voor de bewaring van die gegevens, alsmede de doeleinden van verwerking, in het bijzonder in geval van publicatie en overdracht van die gegevens aan derde landen;

c)

het recht op toegang tot de informatie of tot ter beschikking gestelde informatiesystemen, met inachtneming van het beroepsgeheim en de vertrouwelijkheid;

d)

de voorwaarden waaronder de informatie wordt bekendgemaakt.

4.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen voor de toepassing van dit artikel, betreffende:

a)

de wijze van informatieverstrekking;

b)

de gedetailleerde gegevens betreffende de te verstrekken informatie;

c)

regelingen voor het beheer van de te verstrekken informatie, alsmede voor de inhoud en de vorm van en het tijdschema, de frequentie en de termijnen voor de meldingen;

d)

de regelingen voor de toezending of het beschikbaar stellen van informatie en documenten aan de lidstaten, het Europees Parlement, de Raad, internationale organisaties, de bevoegde autoriteiten in derde landen of het publiek, terwijl de bescherming van persoonsgegevens en de legitieme belangen van ondernemingen bij de bescherming van hun bedrijfsgeheimen worden verzekerd.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 38

Verwerking en bescherming van persoonsgegevens

1.   De lidstaten en de Commissie verzamelen persoonsgegevens voor de in artikel 37, lid 1, bedoelde doeleinden en verwerken deze gegevens niet op een wijze die verder gaat dan die doeleinden.

2.   Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt voor de doeleinden bedoeld in artikel 37, lid 1, worden ze anoniem gemaakt en uitsluitend in samengevoegde vorm verwerkt.

3.   Persoonsgegevens worden verwerkt overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001. Met name mogen die gegevens in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, rekening houdend met de minimumtermijnen voor bewaring die in het toepasselijke nationale recht en het Unierecht zijn vastgesteld.

4.   De lidstaten stellen de betrokkenen ervan in kennis dat hun persoonsgegevens door nationale instanties en instanties van de Unie overeenkomstig lid 1 kunnen worden verwerkt, en dat zij in dit verband de rechten genieten die zijn vastgesteld in de voorschriften betreffende de gegevensbescherming van respectievelijk Richtlijn 95/46/EG en Verordening (EG) nr. 45/2001.

Artikel 39

Verwaarloosbare bedragen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de drempel waaronder de lidstaten kunnen afzien van de heffing of toekenning van bedragen overeenkomstig de artikelen 3, 5, 10, 22 en 34. De drempel wordt vastgesteld op een niveau waaronder de administratieve kosten voor de toepassing van de bedragen onevenredig zouden zijn aan de geheven of toegekende bedragen.

Artikel 40

Zekerheden, controles, verificaties, toezicht en sancties

1.   In voorkomend geval zijn de horizontale voorschriften voor zekerheden, controles, verificaties, toezicht en sancties, en het gebruik van de euro, als bedoeld in de artikelen 58 tot en met 66, artikelen 79 tot en met 88 en artikelen 105 tot en met 108 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en in de rechtshandelingen die op basis daarvan zijn vastgesteld, mutatis mutandis van toepassing op invoercertificaten en tariefcontingenten voor verwerkte landbouwproducten en op uitvoerrestituties en restitutiecertificaten voor niet in bijlage I vermelde goederen.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 42 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende voorschriften voor het, indien noodzakelijk, voor de toepassing van deze verordening aanpassen van de bepalingen die op basis van de in lid 1 genoemde artikelen zijn vastgesteld.

3.   De Commissie stelt, waar nodig, uitvoeringshandelingen vast voor de toepassing van de bepalingen die zijn vastgesteld op basis van de in lid 1 bedoelde artikelen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 41

Internationale verplichtingen en toepasselijke normen

Bij het vaststellen van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen houdt de Commissie rekening met internationale verplichtingen van de Unie en de toepasselijke normen van de Unie op sociaal, milieu- en dierwelzijnsgebied, de noodzaak van monitoring van de handels- en marktontwikkelingen, de noodzaak van goed marktbeheer en de noodzaak de administratieve lasten te reduceren.

HOOFDSTUK V

BEVOEGDHEIDSDELEGATIE EN COMITÉPROCEDURE

Artikel 42

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in de artikelen 8, 12, 15, 19, 26, 31, artikel 33, lid 1, artikel 36, artikel 37, lid 3, artikel 39 en artikel 40, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van zeven jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 8, 12, 15, 19, 26, 31, artikel 33, lid 1, artikel 36, artikel 37, lid 3, artikel 39 en artikel 40, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig de artikelen 8, 12, 15, 19, 26, 31, artikel 33, lid 1, artikel 36, artikel 37, lid 3, artikel 39 en artikel 40, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van vier maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 43

Spoedprocedure

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van een krachtens dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 42, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 44

Comitéprocedure

1.   Voor de toepassing van artikel 13, artikel 17, leden 1, 2, 4 en 5, artikel 20, lid 1, artikel 27, artikel 32, lid 1, artikel 33, lid 2, artikel 34, lid 2, en artikel 37, lid 4, en voor de toepassing van artikel 5, lid 1 en lid 5, en artikel 16, lid 1, wat verwerkte landbouwproducten anders dan ovoalbumine en lactoalbumine betreft, en voor de toepassing van artikel 40, lid 3, wat invoervergunningen en tariefcontingenten voor verwerkte landbouwproducten anders dan ovoalbumine en lactoalbumine en uitvoerrestituties en restitutiecertificaten betreft, wordt de Commissie bijgestaan door het Comité van beheer voor horizontale vraagstukken inzake het handelsverkeer in verwerkte landbouwproducten die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Voor de toepassing van artikel 9, lid 1, en artikel 21, leden 1 en 2, wat ovoalbumine en lactoalbumine betreft, voor de toepassing van artikel 5, leden 1 en 5, en artikel 16, lid 1, en voor de toepassing van artikel 40, lid 3, wat invoervergunningen en tariefcontingenten voor ovoalbumine en lactoalbumine betreft, wordt de Commissie bijgestaan door het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, ingesteld bij artikel 229, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Voor de toepassing van artikel 35, lid 2, wordt de Commissie bijgestaan door het Comité douanewetboek, ingesteld bij artikel 247 bis van Verordening (EEG) nr. 2913/92. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

4.   Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door ten minste een kwart van de leden van het comité daarom wordt verzocht.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 45

Intrekkingen

De Verordeningen (EG) nr. 614/2009 en (EG) nr. 1216/2009 worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

Artikel 46

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 327 van 12.11.2013, blz. 90.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 maart 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad van 14 april 2014.

(3)  Verordening (EG) nr. 1216/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde, door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen (PB L 328 van 15.12.2009, blz. 10).

(4)  Verordening (EG) nr. 614/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (PB L 181 van 14.7.2009, blz. 8).

(5)  Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(7)  Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1).

(8)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).

(9)  Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) nr. 1370/2013 van de Raad van 16 december 2013 houdende maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten (PB L 346 van 20.12.2013, blz. 12).

(12)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(13)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(14)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(15)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(16)  Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling (PB L 84 van 31.3.2009, blz. 1).

(17)  Verordening (EG) nr. 625/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 185 van 17.7.2009, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(19)  Verordening (EU) nr. 578/2010 van de Commissie van 29 juni 2010 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1216/2009 van de Raad, met betrekking tot de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer van bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen, en de criteria voor de vaststelling van de restitutiebedragen (PB L 171 van 6.7.2010, blz. 1).

(20)  Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).


BIJLAGE I

Verwerkte landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onder b)

Tabel 1

Verwerkte landbouwproducten waarvoor de invoerheffing bestaat uit een ad-valoremrecht en een agrarisch element dat geen deel uitmaakt van het ad-valoremrecht, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1

GN-code

Beschrijving

ex 0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

0403 10 51 t/m 0403 10 99

Yoghurt, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

0403 90 71 t/m 0403 90 99

Andere, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

0405 20 10 en 0405 20 30

Zuivelpasta’s met een vetgehalte van 39 of meer doch niet meer dan 75 gewichtspercenten

0710 40 00

Suikermaïs, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren

0711 90 30

Suikermaïs, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie

ex 1517

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij hoofdstuk 15, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516:

1517 10 10

Margarine, andere dan vloeibare margarine, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

1517 90 10

Andere, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

1702 50 00

chemisch zuivere fructose

ex 1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen), met uitzondering van zoethoutextract (drop), bevattende meer dan 10 gewichtspercenten sacharose, zonder andere toegevoegde stoffen, bedoeld bij GN-code 1704 90 10

1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten

ex 1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen, met uitzondering van de bereidingen bedoeld bij GN-code 1901 90 91

ex 1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; koeskoes, ook indien bereid, met uitzondering van gevulde deegwaren bedoeld bij de GN-codes 1902 20 10 en 1902 20 30

1903 00 00

Tapioca en vervangers daarvan bereid uit zetmeel, in de vorm van vlokken, korrels, parels en dergelijke

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan maïs) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel, gries en griesmeel), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel

2001 90 30

Suikermaïs (Zea mays var. saccharata), bereid of verduurzaamd in azijn of in azijnzuur

2001 90 40

Broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur

2004 10 91

Aardappelen in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006

2004 90 10

Suikermaïs (Zea mays var. saccharata), op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006

2005 20 10

Aardappelen in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006

2005 80 00

Suikermaïs (Zea mays var. saccharata), op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006

2008 99 85

Maïs, andere dan suikermaïs (Zea mays var. saccharata), op andere wijze bereid of verduurzaamd, zonder toegevoegde alcohol of toegevoegde suiker

2008 99 91

Broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd zonder toegevoegde alcohol of toegevoegde suiker

2101 12 98

Preparaten op basis van koffie

2101 20 98

Preparaten op basis van thee of van maté

2101 30 19

Gebrande koffiesurrogaten, met uitzondering van gebrande cichorei

2101 30 99

Extracten, essences en concentraties van gebrande koffiesurrogaten, andere dan die van gebrande cichorei

2102 10 31 en 2102 10 39

Bakkersgist, ook indien gedroogd

2105 00

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend

ex 2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen, met uitzondering van die bedoeld bij de GN-codes 2106 10 20, 2106 90 20 en 2106 90 92, en andere dan suikerstroop, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

2202 90 91, 2202 90 95 en 2202 90 99

Andere alcoholvrije dranken, producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 of vetstoffen afkomstig van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 bevattend, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009

2905 43 00

Mannitol

2905 44

D-glucitol (sorbitol)

3302 10 29

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van een of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, en andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt in de drankenindustrie, alle essentiële aromatische stoffen van een bepaalde drank bevattend, met een effectief alcoholgehalte van niet meer dan 0,5 volumepercent, andere dan die bedoeld bij GN-code 3302 10 21

3501

Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne

ex 3505 10

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel, met uitzondering van door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel bedoeld bij GN-code 3505 10 50

3505 20

Lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel

3809 10

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen

3824 60

Sorbitol andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44


Tabel 2

Verwerkte landbouwproducten waarvoor de invoerheffing bestaat uit een ad-valoremrecht waarin een agrarisch element is begrepen of uit een specifiek recht, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2

GN-code

Beschrijving

ex 0505

Vogelhuiden en andere delen van vogels, met veren of dons bezet, veren en delen van veren (ook indien bijgesneden) en dons, ruw, gereinigd, ontsmet of op andere wijze behandeld ter voorkoming van bederf, doch niet verder bewerkt; poeder en afval, van veren of van delen van veren:

0505 10 90

Veren van de soorten die als opvulmateriaal worden gebruikt en dons, ander dan ruw

0505 90 00

Andere

0511 99 39

Echte sponsen van dierlijke oorsprong, andere dan ruw

ex 1212 29 00

Zeewier en andere algen, vers, gekoeld, bevroren of gedroogd, ook indien in poedervorm, niet geschikt voor menselijke consumptie, andere dan die welke in de farmacie worden gebruikt

ex 1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agar-agar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

1302 12 00

Plantensappen en plantenextracten, van zoethout

1302 13 00

Plantensappen en plantenextracten van hop

1302 19 20 en 1302 19 70

Plantensappen en plantenextracten, andere dan sappen en extracten van zoethout en hop, vanille-oleohars en opium

ex 1302 20

Pectaten

1302 31 00

Agar-agar, ook indien gewijzigd

1302 32 10

Plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd, uit sint-jansbrood of uit sint-jansbroodpitten

1505 00

Wolvet en daaruit verkregen vetstoffen, lanoline daaronder begrepen

1506 00 00

Andere dierlijke vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

ex 1515 90 11

Jojobaolie en fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd

1516 20 10

Gehydrogeneerde ricinusolie, zogenaamde „opal wax”

1517 90 93

Mengsels en bereidingen voor menselijke consumptie van de soorten gebruikt als preparaten voor het insmeren van bakvormen

ex 1518 00

Standolie en andere dierlijke of plantaardige oliën, alsmede fracties daarvan, gekookt, geoxideerd, gedehydreerd, gezwaveld, geblazen of op andere wijze chemisch gewijzigd, andere dan die bedoeld bij post 1516; mengsels en bereidingen van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij hoofdstuk 15, niet elders genoemd, noch elders onder begrepen; met uitsluiting van de oliën van GN-codes 1518 00 31 en 1518 00 39

1520 00 00

Ruwe glycerol; glycerolwater en glycerollogen

1521

Plantaardige was (andere dan triglyceriden), bijenwas, was van andere insecten, alsmede walschot (spermaceti), ook indien geraffineerd of gekleurd

1522 00 10

Dégras

1702 90 10

Chemisch zuivere maltose

1704 90 10

Zoethoutextract (drop), bevattende meer dan 10 gewichtspercenten sacharose, zonder andere toegevoegde stoffen

1803

Cacaopasta, ook indien ontvet

1804 00 00

Cacaoboter, cacaovet en cacao-olie

1805 00 00

Cacaopoeder, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

ex 1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen:

1901 90 91

Andere bereidingen, bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose (het gehalte aan invertsuiker daaronder begrepen) of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel, met uitzondering van bereidingen in poeder voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404

ex 2001 90 92

Palmharten, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur

ex 2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

2008 11 10

Pindakaas

2008 91 00

Palmharten

ex 2101

Extracten, essences en concentraten van koffie, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten; gebrande cichorei en extracten, essences en concentraten daarvan, andere dan de preparaten bedoeld bij de GN-codes 2101 12 98, 2101 20 98, 2101 30 19 en 2101 30 99

ex 2102 10

Levende gist:

2102 10 10

Reinculturen van gist

2102 10 90

Andere (met uitsluiting van bakkersgist)

2102 20

Inactieve gist; andere eencellige micro-organismen, dood

2102 30 00

Samengesteld bakpoeder

2103

Sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten; mosterdmeel en bereide mosterd

2104

Preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon; samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie

ex 2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

ex 2106 10

proteïneconcentraten en getextureerde proteïnestoffen:

2106 10 20

bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel

ex 2106 90

Andere:

2106 90 20

Samengestelde alcoholhoudende preparaten, andere dan op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken

2106 90 92

Andere preparaten bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel

2201 10

Natuurlijk of kunstmatig mineraalwater en spuitwater, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, noch gearomatiseerd

2202 10 00

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd

2202 90 10

Andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009, geen producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 of vetstoffen afkomstig van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 bevattend

2203 00

Bier van mout

2205

Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen

ex 2207

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80 % vol of meer en ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte, behalve wanneer verkregen uit de in bijlage I bij het VWEU opgenomen landbouwproducten

ex 2208

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholgehalte van minder dan 80 % vol, andere dan die verkregen uit de in bijlage I bij het VWEU opgenomen landbouwproducten; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten

2402

Sigaren, cigarillo’s en sigaretten, van tabak of van tabakssurrogaten

2403

Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; „gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak; tabaksextracten en tabakssausen

3301 90

Door extractie verkregen oleoharsen geconcentreerde oplossingen van etherische oliën in vet, in vette oliën, in was of in dergelijke stoffen, verkregen door enfleurage of door maceratie; terpeenhoudende bijproducten, afgesplitst uit etherische oliën; gedistilleerd aromatisch water en waterige oplossingen van etherische oliën

ex 3302

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van een of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

3302 10 10

bereidingen van de soort gebruikt in de drankenindustrie, alle essentiële aromatische stoffen van een bepaalde drank bevattend, met een effectief alcoholvolumegehalte van meer dan 0,5 % vol

3302 10 21

bereidingen van de soort gebruikt in de drankenindustrie, alle essentiële aromatische stoffen van een bepaalde drank bevattend, met een alcoholgehalte van niet meer dan 0,5 % vol, bevattende geen van melk afkomstige vetstoffen, sacharose, isoglucose, glucose of zetmeel, of bevattende minder dan 1,5 gewichtspercent van melk afkomstige vetstoffen, minder dan 5 gewichtspercenten sacharose of isoglucose, minder dan 5 gewichtspercenten glucose of zetmeel

ex 3502

Albuminen (daaronder begrepen concentraten van twee of meer weiproteïnen, bevattende meer dan 80 gewichtspercenten weiproteïnen, berekend op de droge stof), albuminaten en andere derivaten van albuminen:

ovoalbumine:

ex 3502 11

Gedroogd:

3502 11 90

andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

ex 3502 19

Andere:

3502 19 90

andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

ex 3502 20

Lactoalbumine, concentraten van twee of meer weiproteïnen daaronder begrepen:

3502 20 91 en 3502 20 99

andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie, ook indien gedroogd (in de vorm van bladen, schilfers, vlokken, poeder)

3823

Industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid-oils; industriële vetalcoholen


BIJLAGE II

Niet in bijlage I genoemde goederen en landbouwproducten gebruikt voor de vervaardiging van die goederen, die in aanmerking komen voor uitvoerrestituties, zoals bedoeld in artikel 22, lid 1

GN-code

Omschrijving van niet in bijlage I genoemde goederen

Landbouwproducten waarvoor een uitvoerrestitutie kan worden toegekend

A: Referentiehoeveelheid bepaald op basis van de hoeveelheid product die bij de vervaardiging van de uitgevoerde goederen werkelijk wordt gebruikt (artikel 27, onder d))

B: Referentiehoeveelheid bepaald op vaste basis (artikel 27, onder d))

Granen (1)

Rijst (2)

Eieren (3)

Suiker, melasse of isoglucose (4)

Zuivelproducten (5)

1

2

3

4

5

6

7

ex 0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

 

 

 

ex 0403 10

yoghurt:

 

 

 

 

 

0403 10 51 t/m 0403 10 99

– – gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

– – – Gearomatiseerd

– – – andere:

A

A

A

A

 

 

– – – – met toegevoegde vruchten

A

A

 

A

 

 

– – – – met toegevoegde cacao

A

A

A

A

 

ex 0403 90

– andere:

 

 

 

 

 

0403 90 71 t/m 0403 90 99

– – gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

– – – Gearomatiseerd

– – – andere:

A

A

A

A

 

 

– – – – met toegevoegde vruchten

A

A

 

A

 

 

– – – – met toegevoegde cacao

A

A

A

A

 

ex 0405

Boter en andere van melk afkomstige vetstoffen; zuivelpasta’s:

 

 

 

 

 

ex 0405 20

– Zuivelpasta’s:

 

 

 

 

 

0405 20 10

– – met een vetgehalte van 39 of meer gewichtspercenten doch minder dan 60 gewichtspercenten

 

 

 

 

A

0405 20 30

– – met een vetgehalte van 60 of meer gewichtspercenten doch niet meer dan 75 gewichtspercenten

 

 

 

 

A

ex 0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

 

 

 

 

 

 

– suikermaïs

 

 

 

 

 

0710 40 00

– – op kolf

A

 

 

A

 

 

– – in korrels

B

 

 

A

 

ex 0711

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie:

 

 

 

 

 

 

– – – suikermaïs

 

 

 

 

 

0711 90 30

– – – – op kolf

A

 

 

A

 

 

– – – – in korrels

B

 

 

A

 

ex 1517

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij hoofdstuk 15, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516:

 

 

 

 

 

ex 1517 10

margarine, andere dan vloeibare margarine:

 

 

 

 

 

1517 10 10

– – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

 

 

 

 

A

ex 1517 90

– andere:

 

 

 

 

 

1517 90 10

– – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

 

 

 

 

A

1702 50 00

chemisch zuivere fructose

 

 

 

A

 

ex 1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen):

 

 

 

 

 

1704 10

– kauwgom, ook indien omhuld met een suikerlaag

A

 

 

A

 

ex 1704 90

– andere:

 

 

 

 

 

1704 90 30

witte chocolade

A

 

 

A

A

1704 90 51 t/m 1704 90 99

– – andere:

A

A

 

A

A

1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten:

 

 

 

 

 

1806 10

cacaopoeder, waaraan suiker of andere zoetstoffen zijn toegevoegd:

 

 

 

 

 

 

– – alleen gezoet door toevoeging van sacharose

A

 

A

A

 

 

– – andere:

A

 

A

A

A

1806 20

– andere bereidingen, hetzij in blokken of in staven, met een gewicht van meer dan 2 kg, hetzij in vloeibare toestand of in de vorm van pasta, poeder, korrels of dergelijke, in recipiënten of in andere verpakkingen, met een inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 2 kg:

 

 

 

 

 

 

– – zogenaamde „chocolate milk crumb”, bedoeld bij onderverdeling 1806 20 70

A

 

A

A

A

 

– – andere bereidingen bedoeld bij onderverdeling 1806 20

A

A

A

A

A

1806 31 00 en 1806 32

– andere, in de vorm van tabletten, staven of repen

A

A

A

A

A

1806 90

– andere:

 

 

 

 

 

1806 90 11,

1806 90 19,

1806 90 31,

1806 90 39,

1806 90 50

– – chocolade en chocoladewerken; suikerwerk en overeenkomstige bereidingen op basis van suiker vervangende stoffen, die cacao bevatten

A

A

A

A

A

1806 90 60,

1806 90 70,

1806 90 90

– – boterhampasta die cacao bevat bereidingen voor dranken, die cacao bevatten; andere

A

 

A

A

A

ex 1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

1901 10 00

– bereidingen voor de voeding van kinderen, opgemaakt voor de verkoop in het klein:

 

 

 

 

 

 

– – bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis

A

A

A

A

A

 

– – andere:

A

A

 

A

A

1901 20 00

– mengsels en deeg, voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905:

 

 

 

 

 

 

– – bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis

A

A

A

A

A

 

– – andere:

A

A

 

A

A

ex 1901 90

– andere:

 

 

 

 

 

1901 90 11 en 1901 90 19

– – moutextract

A

A

 

 

 

 

– – Andere:

 

 

 

 

 

1901 90 99

– – – andere:

 

 

 

 

 

 

– – – – bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis

A

A

A

A

A

 

– – – – andere:

A

A

 

A

A

ex 1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; koeskoes, ook indien bereid:

 

 

 

 

 

 

deegwaren, niet gekookt, noch gevuld of op andere wijze bereid:

 

 

 

 

 

 

– – waarin ei is verwerkt

 

 

 

 

 

1902 11 00

– – – van harde tarwe of van andere granen

B

 

A

 

 

 

– – – andere:

A

 

A

 

 

 

– – Andere:

 

 

 

 

 

1902 19

– – – van harde tarwe of van andere granen

B

 

 

 

A

 

– – – andere:

A

 

 

 

A

ex 1902 20

– gevulde deegwaren (ook indien gekookt of op andere wijze bereid):

 

 

 

 

 

1902 20 91 en 1902 20 99

– – andere:

A

A

 

A

A

1902 30

– andere deegwaren:

A

A

 

A

A

1902 40

koeskoes: koeskoes:

 

 

 

 

 

 

– – niet bereid

 

 

 

 

 

1902 40 10

– – – van harde tarwe („durum”)

B

 

 

 

 

 

– – – andere:

A

 

 

 

 

1902 40 90

– – andere:

A

A

 

A

A

1903 00 00

Tapioca en soortgelijke producten bereid uit zetmeel, in de vorm van vlokken, korrels, parels en dergelijke

A

 

 

 

 

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan maïs) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel, gries en griesmeel), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

 

– gepofte rijst of voorgekookte rijst, ongezoet:

 

 

 

 

 

 

– – cacao bevattend (6)

A

B

A

A

A

 

– – geen cacao bevattend

A

B

 

A

A

 

– andere, cacao bevattend (6)

A

A

A

A

A

 

– andere

A

A

 

A

A

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel

 

 

 

 

 

1905 10 00

bros gebakken brood, zogenaamd „knäckebröd” – andere

A

 

 

A

A

1905 20

ontbijtkoek

A

 

A

A

A

 

koekjes en biscuits, gezoet: wafels en wafeltjes:

 

 

 

 

 

1905 31 en 1905 32

koekjes en biscuits, gezoet: wafels en wafeltjes:

A

 

A

A

A

1905 40

beschuit, geroosterd brood en dergelijke geroosterde producten

A

 

A

A

A

1905 90

– andere:

 

 

 

 

 

1905 90 10

matzes

A

 

 

 

 

1905 90 20

– – ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten, van meel of van zetmeel

A

A

 

 

 

 

– – Andere:

 

 

 

 

 

1905 90 30

– – – brood waaraan geen honig, eieren, kaas of vruchten zijn toegevoegd, met een gehalte aan suikers en aan vetstoffen van elk niet meer dan 5 gewichtspercenten, berekend op de droge stof

A

 

 

 

 

1905 90 45 t/m 1905 90 90

– – – Andere producten

A

 

A

A

A

ex 2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:

 

 

 

 

 

ex 2001 90

– andere:

 

 

 

 

 

 

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

2001 90 30

– – – op kolf

A

 

 

A

 

 

– – – in korrels

B

 

 

A

 

2001 90 40

– – Broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

A

 

 

A

 

ex 2004

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

 

 

 

 

 

ex 2004 10

– aardappelen:

– – Andere:

 

 

 

 

 

2004 10 91

– – – in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

A

A

 

A

A

ex 2004 90

andere groenten en mengsels van groenten:

 

 

 

 

 

 

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

2004 90 10

– – – op kolf

A

 

 

A

 

 

– – – in korrels

B

 

 

A

 

ex 2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

 

 

 

 

 

ex 2005 20

– aardappelen:

 

 

 

 

 

2005 20 10

– – in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

A

A

 

A

A

 

– suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

2005 80 00

– – op kolf

A

 

 

A

 

 

– – in korrels

B

 

 

A

 

ex 2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

ex 2008 99

– – Andere:

zonder toegevoegde alcohol:

zonder toegevoegde suiker:

 

 

 

 

 

 

– – – – – maïs, andere dan suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

 

 

 

 

 

2008 99 85

– – – – – – op kolf

A

 

 

 

 

 

– – – – – – in korrels

B

 

 

 

 

2008 99 91

– – – – – Broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

A

 

 

 

 

ex 2101

Extracten, essences en concentraten, van koffie, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie, van thee of van maté; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

 

 

 

 

 

 

– extracten, essences en concentraten, van koffie en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie:

 

 

 

 

 

2101 12 98

– – – andere:

A

A

 

A

 

ex 2101 20

– extracten, essences en concentraten, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van thee of van maté

 

 

 

 

 

2101 20 98

– – – andere:

A

A

 

A

 

ex 2101 30

– gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

 

 

 

 

 

 

– – gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten:

 

 

 

 

 

2101 30 19

– – – andere:

A

 

 

A

 

 

– – extracten, essences en concentraten van gebrande cichorei en van andere gebrande koffiesurrogaten:

 

 

 

 

 

2101 30 99

– – – andere:

A

 

 

A

 

ex 2102

Gist, ook indien inactief; andere eencellige micro-organismen, dood (andere dan de vaccins bedoeld bij post 3002); samengesteld bakpoeder:

 

 

 

 

 

ex 2102 10

– levende gist:

 

 

 

 

 

2102 10 31 en 2102 10 39

– – bakkersgist

A

 

 

 

 

2105 00

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend:

 

 

 

 

 

 

– cacao bevattend

A

A

A

A

A

 

– andere

A

A

 

A

A

ex 2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

ex 2106 90

– andere:

 

 

 

 

 

2106 90 92 en 2106 90 98

– – andere:

A

A

 

A

A

2202

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009:

 

 

 

 

 

2202 10 00

– water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd

A

 

 

A

 

2202 90

– andere:

 

 

 

 

 

 

– – geen producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 of vetstoffen afkomstig van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 bevattend:

 

 

 

 

 

2202 90 10

– – – bier van mout met een effectief alcohol-volumegehalte van niet meer dan 0,5 % vol

B

 

 

 

 

 

– – – andere:

A

 

 

A

 

2202 90 91 t/m 2202 90 99

– – andere:

A

 

 

A

A

2205

Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen

A

 

 

A

 

ex 2208

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

 

 

 

 

 

2208 20

– dranken, gedistilleerd uit wijn of druivenmoer

 

 

 

A

 

ex 2208 30

– whisky:

– – andere dan zogenaamde Bourbon-whisky

 

 

 

 

 

ex 2208 30 30 tot en met 2208 30 88

– – – whisky andere dan die vermeld in Verordening (EG) nr. 1670/2006 van de Commissie (7)

A

 

 

 

 

2208 50 11 en 2208 50 19

– – gin

A

 

 

 

 

2208 50 91 en 2208 50 99

– – jenever

A

 

 

A

 

2208 60

wodka

A

 

 

 

 

2208 70

likeuren

A

 

A

A

A

ex 2208 90

– andere:

 

 

 

 

 

2208 90 41

– – – – ouzo in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

A

 

 

A

 

2208 90 45

– – – – – – – calvados, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

 

 

 

A

 

2208 90 48

– – – – – – – andere gedistilleerde dranken uit fruit, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

 

 

 

A

 

2208 90 56

– – – – – – – andere dranken dan die gedistilleerd uit fruit, andere dan tequila, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

A

 

 

A

 

2208 90 69

– – – – – andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 l

A

 

 

A

A

2208 90 71

– – – – – gedistilleerde dranken uit fruit, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l

 

 

 

A

 

2208 90 77

– – – – – andere dranken dan die gedistilleerd uit fruit, andere dan tequila, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l

A

 

 

A

 

2208 90 78

– – – – – andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten, in verpakkingen inhoudende meer dan 2 l

A

 

 

A

A

ex 2905

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

 

 

 

 

 

2905 43 00

– – mannitol

B

 

 

B

 

2905 44

– – D-glucitol (sorbitol)

B

 

 

B

 

ex 3302

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van een of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

 

 

 

 

 

ex 3302 10

– van de soort gebruikt in de voedingsmiddelen- en drankenindustrie:

 

 

 

 

 

3302 10 29

– – – – – andere

A

 

 

A

A

3501

Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne:

 

 

 

 

 

3501 10

– caseïne

 

 

 

 

B

3501 90

– andere:

 

 

 

 

 

3501 90 10

– – lijm van caseïne

 

 

 

 

A

3501 90 90

– – andere:

 

 

 

 

B

ex 3502

Albuminen (daaronder begrepen concentraten van twee of meer weiproteïnen, bevattende meer dan 80 gewichtspercenten weiproteïnen, berekend op de droge stof), albuminaten en andere derivaten van albuminen:

– ovoalbumine:

 

 

 

 

 

ex 3502 11

– – gedroogd

 

 

 

 

 

3502 11 90

– – – andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

 

 

B

 

 

ex 3502 19

– – Andere:

 

 

 

 

 

3502 19 90

– – – andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

 

 

B

 

 

ex 3502 20

– lactoalbumine:

 

 

 

 

 

3502 20 91 en 3502 20 99

– – andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie, ook indien gedroogd (in de vorm van bladen, schilfers, vlokken, poeder)

 

 

 

 

B

ex 3505

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bijvoorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel, met uitzondering van gewijzigd zetmeel bedoeld bij GN-code 3505 10 50

A

A

 

 

 

3505 10 50

– – – zetmeel, door ethervorming of door verestering gewijzigd

A

 

 

 

 

ex 3809

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

3809 10

op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen

A

A

 

 

 

ex 3824

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen:

 

 

 

 

 

3824 60

– Sorbitol andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44

B

 

 

B

 


(1)  Bijlage I, deel I, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(2)  Bijlage I, deel II, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(3)  Bijlage I, deel XIX, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(4)  Bijlage I, deel III, onder b), c), d) en g), bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(5)  Bijlage I, deel XVI, onder a) tot en met g), bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(6)  Maximaal 6 % cacao bevattend.

(7)  Verordening (EG) nr. 1670/2006 van de Commissie van 10 november 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1784/2003 van de Raad wat de vaststelling en de toekenning van aangepaste restituties voor in de vorm van bepaalde alcoholhoudende dranken uitgevoerde granen betreft (PB L 312 van 11.11.2006, blz. 33).


BIJLAGE III

Basisproducten als bedoeld in artikel 2, onder d)

GN-code

Beschrijving

ex 0402 10 19

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van niet meer dan 1,5 gewichtspercent, andere dan die in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2,5 kg (productgroep 2)

ex 0402 21 18

Melk in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, met een vetgehalte van 26 gewichtspercenten, andere dan die in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2,5 kg (productgroep 3)

ex 0404 10 02 tot en met ex 0404 10 16

Wei in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen (productgroep 1)

ex 0405 10

Boter met een vetgehalte van 82 gewichtspercenten (productgroep 6)

0407 21 00, 0407 29 10,

ex 0407 90 10

Pluimvee-eieren in de schaal, vers of verduurzaamd, andere dan broedeieren

ex 0408 -

Vogeleieren uit de schaal en eigeel, geschikt voor menselijke consumptie, vers, gedroogd, bevroren of op andere wijze verduurzaamd, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

1001 19 00

Harde tarwe, andere dan zaaigoed

ex 1001 99 00

Zachte tarwe en mengkoren, andere dan zaaigoed

1002 90 00

Rogge, andere dan zaaigoed

1003 90 00

Gerst, andere dan zaaigoed

1004 90 00

Haver, andere dan zaaigoed

1005 90 00

Maïs, andere dan zaaigoed

ex 1006 30

Volwitte rijst

1006 40 00

Breukrijst

1007 90 00

Graansorgho, andere dan zaaigoed

1701 99 10

Witte suiker

ex 1702 19 00

Lactose (melksuiker), bevattende 98,5 gewichtspercenten lactose, uitgedrukt in kristalwatervrije lactose, berekend op de droge stof

1703

Melasse verkregen bij de extractie of de raffinage van suiker


BIJLAGE IV

Verwerkte landbouwproducten waarop een aanvullend invoerrecht kan worden geheven, als bedoeld in artikel 5, lid 1

GN-code

Omschrijving

0403 10 51 t/m 0403 10 99

Yoghurt, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

0403 90 71 t/m 0403 90 99

Karnemelk, gestremde melk en room, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

0710 40 00

Suikermaïs, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren

0711 90 30

Suikermaïs, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie

1517 10 10

Margarine, andere dan vloeibare margarine, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

1517 90 10

Andere mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij hoofdstuk 15, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

1702 50 00

Chemisch zuivere fructose

2005 80 00

Suikermaïs (Zea mays var. saccharata), op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006

2905 43 00

Mannitol

2905 44

D-glucitol (sorbitol)

ex 3502

Albuminen (daaronder begrepen concentraten van twee of meer weiproteïnen, bevattende meer dan 80 gewichtspercenten weiproteïnen, berekend op de droge stof), albuminaten en andere derivaten van albuminen:

ovoalbumine:

ex 3502 11

Gedroogd:

3502 11 90

andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

ex 3502 19

Andere:

3502 19 90

andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

ex 3502 20

Lactoalbumine, concentraten van twee of meer weiproteïnen daaronder begrepen:

 

andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

3502 20 91

Gedroogd (in de vorm van bladen, schilfers, vlokken, poeders, enz.)

3502 20 99

Andere:

3505 10 10

Dextrine

3505 10 90

Ander gewijzigd zetmeel dan dextrine, ander dan door ethervorming of door verestering gewijzigd zetmeel

3505 20

Lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel

3809 10

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen

3824 60

Sorbitol, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44


BIJLAGE V

Landbouwproducten bedoeld in artikel 11, lid 1, onder a)  (1)

GN-code

Omschrijving

0401

Melk en room, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

0402

Melk en room, ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

ex 0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, niet gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

0404

Wei, ook indien ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen; producten bestaande uit natuurlijke bestanddelen van melk, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen

ex 0405

Boter en andere van melk afkomstige vetstoffen

0407 21 00

Kippeneieren in de schaal, vers, andere dan broedeieren

0709 99 60

Suikermaïs, vers of gekoeld

0712 90 19

Suikermaïs, gedroogd, ook indien in stukken of in schijven gesneden, dan wel fijngemaakt of in poedervorm, doch niet op andere wijze bereid, andere dan hybriden, bestemd voor zaaidoeleinden

Hoofdstuk 10

Granen (2)

1701

Rietsuiker en beetwortelsuiker, alsmede chemisch zuivere sacharose, in vaste vorm

1703

Melasse verkregen bij de extractie of de raffinage van suiker


(1)  Deze landbouwproducten worden in aanmerking genomen wanneer zij als zodanig of na verwerking worden gebruikt of worden geacht te zijn gebruikt voor de vervaardiging van de in tabel 1 van bijlage I bedoelde goederen

(2)  Met uitzondering van tarwe en mengkoren bedoeld bij de onderverdelingen 1001 11 00, 1001 91 10, 1001 91 20 en 1001 91 90, zaaigoed van rogge bedoeld bij onderverdeling 1002 10 00, zaaigoed van gerst bedoeld bij onderverdeling 1003 10 00, zaaigoed van haver bedoeld bij onderverdeling 1004 10 00, zaaigoed van maïs bedoeld bij onderverdeling 1005 10, zaaigoed van rijst bedoeld bij onderverdeling 1006 10 10, zaaigoed van graansorgho bedoeld bij onderverdeling 1007 10 en zaaigoed van gierst bedoeld bij onderverdeling 1008 21 00.


BIJLAGE VI

Concordantietabel

Deze verordening

Verordening (EG) nr. 1216/2009

Verordening (EG) nr. 614/2009

Artikel 1, eerste alinea

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 1, tweede alinea

Artikel 3

Artikel 2, onder a)

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, onder a)

Artikel 2, onder b)

Artikel 2, lid 1, eerste alinea, onder b)

Artikel 2, onder c)

Artikel 2, lid 1, tweede alinea

Artikel 2, onder d)

Artikel 2, onder e)

Artikel 2, lid 2, onder a) en c)

Artikel 2, onder f)

Artikel 2, lid 2, onder b)

Artikel 2, onder g)

Artikel 2, punt h)

Artikel 2, onder i)

Artikel 2, onder j)

Artikel 2, onder k)

Artikel 2, onder l)

Artikel 3

Artikel 4, lid 1

Artikel 4, lid 3

Artikel 8, lid 1

Artikel 4, lid 2

Artikel 8, lid 2

Artikel 4, lid 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 11

Artikel 3

Artikel 6, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 6, lid 3

Artikel 2, lid 3, eerste zin

Artikel 6, lid 4

Artikel 7

Artikel 2, lid 3, tweede zin

Artikel 8

Artikel 2, lid 4

Artikel 9

Artikel 2, lid 4

Artikel 10, lid 1

Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 10, lid 2

Artikel 6, lid 3

Artikel 11

Artikel 14, eerste alinea

Artikel 12, onder a), b) en c)

Artikel 6, lid 4, en artikel 14, tweede alinea

Artikel 12, onder d)

Artikel 6, lid 4 en artikel 15, lid 1

Artikel 13, leden 1, 2 en 3

Artikel 6, lid 4, artikel 6, lid 6, artikel 7, leden 2, 3 en 4, artikel 14, eerste alinea

Artikel 13, lid 2

Artikel 14, tweede alinea

Artikel 14, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 4, lid 2, tweede alinea, en artikel 4, lid 3

Artikel 14, lid 3

Artikel 14, lid 4

Artikel 4, lid 2, eerste alinea, en artikel 4, lid 3

Artikel 15, lid 1

Artikel 4, leden 1 en 4

Artikel 15, lid 2

Artikel 16

Artikel 4, leden 1 en 4

Artikel 17

Artikel 10

Artikel 18

Artikel 12, lid 1, eerste en tweede alinea

Artikel 19

Artikel 12, lid 1, derde en vierde alinea

Artikel 20

Artikel 12, lid 1, derde alinea

Artikel 12, lid 2

Artikel 21

Artikel 7

Artikel 22, lid 1

Artikel 8, leden 1 en 2

Artikel 22, lid 2

Artikel 23

Artikel 24, lid 1

Artikel 8, lid 3, tweede alinea

Artikel 24, lid 2

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 8, lid 3, eerste alinea

Artikel 27

Artikel 8, lid 3, eerste alinea

Artikel 28

Artikel 8, lid 5

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

artikel 8, lid 3, eerste alinea, en artikel 8, leden 5 en 6

Artikel 32

artikel 8, lid 3, eerste alinea, en artikel 8, leden 5 en 6

Artikel 33

Artikel 9

Artikel 5

Artikel 34, lid 1

Artikel 8, lid 4, eerste alinea

Artikel 34, lid 2

Artikel 8, lid 4, tweede alinea

Artikel 35

Artikel 18, artikel 6, lid 5, en artikel 8, lid 4, derde alinea

Artikel 36

Artikel 13

Artikel 37

Artikel 19

Artikel 10

Artikel 38

Artikel 39

Artikel 15, lid 2

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 16

Artikel 43

Artikel 16

Artikel 44

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 45

Artikel 20

Artikel 11

Artikel 46

Artikel 21, lid 1

Artikel 12

Artikel 21, lid 2

 

Artikel 6

Artikel 9

Bijlage I

Bijlage II

Artikel 1

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage IV

Bijlage III

Artikel 1

Bijlage V

Bijlage I

 

Bijlage IV

Bijlage I

Bijlage VI

Bijlage V

Bijlage II


Verklaring van de Commissie over gedelegeerde handelingen

In het kader van deze verordening herinnert de Commissie aan haar toezegging in punt 15 van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie, namelijk dat zij in het kader van de opstelling van gedelegeerde handelingen het Parlement alle informatie en documentatie over haar bijeenkomsten met nationale deskundigen zal verstrekken.


20.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/59


VERORDENING (EU) Nr. 511/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het belangrijkste internationale instrument met een algemeen kader voor het behoud en het duurzaam gebruik van de biologische diversiteit, en voor de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische rijkdommen, is het Verdrag inzake biologische diversiteit, dat namens de Unie werd goedgekeurd overeenkomstig Besluit 93/626/EEG van de Raad (3) (het „Verdrag”).

(2)

Het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (4) (het „Protocol van Nagoya”), is een internationale overeenkomst die op 29 oktober 2010 is goedgekeurd door de partijen bij het Verdrag. Het Protocol van Nagoya is een verdere uitwerking van de algemene verdragsregels inzake toegang en verdeling van de financiële en niet-financiële voordelen wat betreft het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen („toegang en verdeling van voordelen”). Bij Besluit 2014/283/EU van de Raad (5) is het Protocol van Nagoya namens de Unie goedgekeurd.

(3)

Een breed scala van gebruikers en leveranciers in de Unie, waaronder wetenschappelijke, universitaire en niet-commerciële onderzoekers en bedrijven uit verschillende sectoren van de industrie, gebruikt genetische rijkdommen voor onderzoeks-, ontwikkelings- en commercialiseringsdoeleinden. Sommigen gebruiken tevens traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen.

(4)

Genetische rijkdommen zijn de genenpoel in zowel natuurlijke als gedomesticeerde of gecultiveerde soorten en spelen een significante en groeiende rol in tal van economische sectoren, waaronder de levensmiddelenproductie, de bosbouw en de ontwikkeling van geneesmiddelen, cosmetica en biologische bronnen van energie. Genetische rijkdommen spelen voorts een belangrijke rol bij de uitvoering van strategieën voor het herstel van beschadigde ecosystemen en de bescherming van bedreigde soorten.

(5)

De traditionele kennis waarover inheemse en lokale gemeenschappen beschikken, kan belangrijke informatie opleveren die tot de wetenschappelijke ontdekking van interessante genetische of biochemische eigenschappen van genetische rijkdommen kan leiden. Zulke traditionele kennis omvat onder meer kennis, innovaties en gebruiken van inheemse en lokale gemeenschappen die de uitdrukking zijn van hun traditionele levenswijze en die relevant zijn voor de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit.

(6)

In het Verdrag wordt erkend dat staten soevereine rechten hebben op de natuurlijke rijkdommen onder hun rechtsmacht en dat zij het gezag hebben om de toegang tot hun genetische rijkdommen te reguleren. Het Verdrag verplicht alle verdragsluitende partijen ernaar te streven de voorwaarden te scheppen waaronder andere verdragsluitende partijen voor in milieuopzicht verantwoorde gebruiksdoeleinden gemakkelijker toegang krijgen tot genetische rijkdommen waarover de verdragsluitende partijen soevereine rechten uitoefenen. Tevens legt het Verdrag alle verdragsluitende partijen de verplichting op maatregelen te nemen om de resultaten van onderzoek en ontwikkeling en de voordelen die voortvloeien uit het commerciële of andere gebruik van genetische rijkdommen op een eerlijke en billijke wijze te delen met de verdragsluitende partij die deze rijkdommen levert. Deze verdeling moet op onderling overeengekomen voorwaarden geschieden. Het Verdrag betreft ook de toegang tot en de verdeling van voordelen met betrekking tot de kennis, innovaties en gebruiken van inheemse en lokale gemeenschappen die relevant zijn voor de instandhouding en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit.

(7)

Genetische rijkdommen dienen in situ te worden behouden en op duurzame wijze te worden gebruikt; de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan dienen eerlijk en billijk te worden verdeeld teneinde bij te dragen tot armoedebestrijding en zodoende tot het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de Verenigde Naties, zoals is erkend in de preambule van het Protocol van Nagoya. De uitvoering van het Protocol van Nagoya moet ook op het verwezenlijken van dat potentieel gericht zijn.

(8)

Het Protocol van Nagoya is van toepassing op genetische rijkdommen, waarover staten soevereine rechten uitoefenen, en die onder het toepassingsgebied van artikel 15 van het Verdrag vallen, in tegenstelling tot het ruimere toepassingsgebied van artikel 4 van het Verdrag. Dit houdt in dat het Protocol van Nagoya niet het volledige toepassingsgebied van artikel 4 van het Verdrag bestrijkt en bijvoorbeeld geen betrekking heeft op activiteiten die plaatsvinden in mariene gebieden buiten de nationale jurisdictie. Het onderzoek naar genetische rijkdommen breidt zich geleidelijk uit tot nieuwe gebieden, met name oceanen — nog altijd ’s werelds minst verkende en minst bekende milieu. Met name de diepe oceaan vormt de laatste grote grens van onze planeet, wat de reden is voor de groeiende interesse voor het onderzoeken, prospecteren en exploreren van de daarin aanwezige rijkdommen.

(9)

Het is belangrijk dat er een duidelijk en solide kader voor de uitvoering van het Protocol van Nagoya wordt vastgesteld dat moet bijdragen aan het behoud van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de componenten ervan, de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen van het gebruik van genetische rijkdommen en armoedebestrijding, en dat tezelfdertijd leidt tot betere mogelijkheden voor op de natuur gebaseerde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten in de Unie. Het is ook van essentieel belang te voorkomen dat in de Unie genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen worden gebruikt waartoe de toegang niet is verkregen overeenkomstig de nationale wetgeving of regelgevingseisen inzake toegang en verdeling van voordelen van een partij bij het Protocol van Nagoya, en ervoor te zorgen dat de afspraken inzake verdeling van voordelen die op onderling overeengekomen voorwaarden tussen leveranciers en gebruikers zijn gemaakt, daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het is van essentieel belang de voorwaarden voor rechtszekerheid in verband met het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen te verbeteren.

(10)

Het kader dat bij deze verordening wordt vastgesteld, zal bijdragen tot de instandhouding en de groei van het vertrouwen tussen de partijen bij het Protocol van Nagoya, alsmede tussen andere belanghebbenden, waaronder inheemse en lokale gemeenschappen, die bij de toegang tot genetische rijkdommen en de verdeling van de voordelen ervan betrokken zijn.

(11)

Ter wille van de rechtszekerheid is het belangrijk dat de regels ter uitvoering van het Protocol van Nagoya uitsluitend van toepassing zijn op genetische rijkdommen waarover staten soevereine rechten uitoefenen binnen het toepassingsgebied van artikel 15 van het Verdrag, en op traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen die binnen het toepassingsgebied van het Verdrag vallen, en waartoe toegang wordt verkregen nadat het Protocol van Nagoya voor de Unie in werking is getreden.

(12)

Op grond van het Protocol van Nagoya moeten alle verdragsluitende partijen bij de ontwikkeling en toepassing van hun wetgeving of regelgevingseisen betreffende toegang en verdeling van voordelen het belang van genetische rijkdommen voor voedsel en landbouw („GRFA”) en van hun bijzondere betekenis voor de voedselzekerheid in overweging nemen. Bij Besluit 2004/869/EG van de Raad (6) is het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw (International Treaty on Plant Genetic Resources for Food and Agriculture — ITPGRFA) namens de Unie goedgekeurd. Het ITPGRFA vormt een gespecialiseerd internationaal instrument voor toegang en verdeling van voordelen in de zin van artikel 4, lid 4, van het Protocol van Nagoya, dat door de regels ter uitvoering van het Protocol van Nagoya onverlet moet worden gelaten.

(13)

Veel partijen bij het Protocol van Nagoya hebben bij de uitoefening van hun soevereine rechten bepaald dat plantgenetische rijkdommen voor voedsel en landbouw (Plant Genetic Resources for Food and Agriculture — PGRFA) die onder hun beheer en controle vallen, tot het publiek domein behoren en niet in bijlage I bij het ITPGRFA zijn vermeld, ook onderworpen zullen zijn aan de voorwaarden van de modelovereenkomst inzake overdracht van materiaal voor de toepassingen in het kader van het ITPGRFA.

(14)

Het Protocol van Nagoya moet zodanig worden uitgevoerd dat het protocol en andere internationale instrumenten die niet in strijd zijn met de doelstellingen van het protocol of het Verdrag, elkaar ondersteunen.

(15)

In artikel 2 van het Verdrag wordt het begrip „gedomesticeerde soorten” gedefinieerd als soorten waarvan het evolutieproces door de mens is beïnvloed om in zijn behoeften te voorzien en „biotechnologie” als elke technologische toepassing waarbij biologische systemen, levende organismen of afleidingen daarvan, worden gebruikt om producten of processen tot stand te brengen of te veranderen voor specifieke doeleinden. In artikel 2 van het Protocol van Nagoya wordt het begrip „derivaat” gedefinieerd als een in de natuur voorkomende biochemische verbinding die voortkomt uit de genetische expressie of het metabolisme van biologische of genetische rijkdommen, ook wanneer deze geen functionele eenheden van erfelijkheid bevat.

(16)

Het Protocol van Nagoya bepaalt dat elke verdragsluitende partij naar behoren rekening dient te houden met de kans op actuele of op handen zijnde noodsituaties die een bedreiging vormen voor of schade (kunnen) toebrengen aan de gezondheid van mensen, dieren of planten, zoals op nationaal of internationaal niveau vastgesteld. Tijdens de 64e vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie op 24 mei 2011 is een kader opgesteld betreffende de paraatheid voor influenzapandemieën (Pandemic Influenza Preparedness Framework), met het oog op het delen van influenzavirussen en de toegang tot vaccins en andere voordelen („het PIP-kader”). Het PIP-kader is uitsluitend van toepassing op influenzavirussen die tot een voor mensen gevaarlijke pandemie kunnen leiden, en is in het bijzonder niet van toepassing op seizoensgebonden influenzavirussen. Het PIP-kader vormt een gespecialiseerd internationaal instrument voor toegang en verdeling van voordelen dat in overeenstemming is met het Protocol van Nagoya en door de regels ter uitvoering van het Protocol van Nagoya onverlet moet worden gelaten.

(17)

Het is van belang in deze verordening de definities van het Protocol van Nagoya en van het Verdrag op te nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze verordening door gebruikers. Het is van belang dat de nieuwe definities in deze verordening die niet in het Verdrag of het Protocol van Nagoya staan, in overeenstemming zijn met de definities van het Verdrag en het Protocol van Nagoya. In het bijzonder dient de term „gebruiker” in overeenstemming te zijn met de definitie van „gebruik van genetische rijkdommen” uit het Protocol van Nagoya.

(18)

In het Protocol van Nagoya is een verplichting neergelegd onderzoek in verband met biodiversiteit, met name voor niet-commerciële onderzoeksdoelen, te bevorderen en aan te moedigen.

(19)

Het is belangrijk om besluit II/11, punt 2, van de Conferentie van de partijen bij het Verdrag in herinnering te brengen, dat bevestigt dat menselijke genetische rijkdommen buiten het kader van het Verdrag vallen.

(20)

Er bestaat op dit ogenblik geen internationaal overeengekomen definitie van „traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen”. Onverminderd de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de lidstaten voor aangelegenheden inzake traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen en de uitvoering van maatregelen om de belangen van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen veilig te stellen, moet deze verordening, teneinde flexibiliteit en rechtszekerheid voor leveranciers en gebruikers te waarborgen, verwijzen naar de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen zoals beschreven in overeenkomsten inzake verdeling van voordelen.

(21)

Met het oog op de doeltreffende uitvoering van het Protocol van Nagoya moeten alle gebruikers van genetische rijkdommen en van traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen de passende zorgvuldigheid in acht nemen om zich ervan te vergewissen dat de toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen is verkregen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving of regelgevingseisen en om te waarborgen, indien van toepassing, dat de voordelen eerlijk en billijk worden verdeeld. In dat verband moeten de bevoegde instanties internationaal erkende certificaten van naleving aanvaarden als bewijs dat de toegang tot desbetreffende genetische rijkdommen legaal is verkregen en dat er voor de in het certificaat vermelde gebruiker en het gebruik onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld. De specifieke keuzes van gebruikers wat betreft instrumenten en maatregelen om de passende zorgvuldigheid in acht te nemen, moeten worden ondersteund door de erkenning van beste praktijken alsmede door aanvullende maatregelen ter ondersteuning van sectorspecifieke gedragscodes, modelcontractclausules en richtsnoeren, teneinde de rechtszekerheid te verhogen en de kosten te verlagen. De verplichting voor gebruikers om informatie te bewaren die relevant is voor toegang en verdeling van voordelen, moet van beperkte duur zijn en in overeenstemming zijn met de tijd die nodig is voor een mogelijke innovatie.

(22)

Het Protocol van Nagoya kan alleen met succes worden uitgevoerd indien gebruikers en leveranciers van genetische rijkdommen of van traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen onderling overeengekomen voorwaarden onderhandelen en overeenstemming bereiken over voorwaarden die leiden tot een eerlijke en billijke verdeling van de voordelen en bijdragen tot de bredere doelstelling van het Protocol van Nagoya, namelijk bijdragen tot het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit. Gebruikers en leveranciers worden ook aangemoedigd om het bewustzijn van het belang van genetische rijkdommen en van traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen te vergroten.

(23)

De zorgvuldigheidsverplichting moet gelden voor alle gebruikers, ongeacht hun omvang, inclusief micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Deze verordening moet een reeks maatregelen en instrumenten bieden om micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in staat te stellen tegen betaalbare kosten en met een hoge mate van rechtszekerheid aan hun verplichtingen te voldoen.

(24)

Bij de omschrijving van zorgvuldigheidsmaatregelen die bijzonder geschikt zijn om er tegen betaalbare kosten en met een hoge mate van rechtszekerheid voor te zorgen dat het systeem voor de tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya wordt nageleefd, moeten door gebruikers ontwikkelde beste praktijken een belangrijke rol spelen. Gebruikers moeten voortbouwen op bestaande gedragscodes inzake toegang en verdeling van voordelen die zijn ontwikkeld voor wetenschappelijke, universitaire en niet-commerciële onderzoekssectoren en de verschillende bedrijfssectoren. Verenigingen van gebruikers moeten de Commissie kunnen verzoeken te bepalen of een specifieke combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen waarop toezicht wordt gehouden door een bepaalde vereniging, als beste praktijk kan worden erkend. De bevoegde instanties van de lidstaten moeten nagaan of de toepassing van een erkende beste praktijk door een gebruiker het risico van die gebruiker op niet-naleving verlaagt en een vermindering van het aantal nalevingscontroles rechtvaardigt. Hetzelfde moet gelden voor beste praktijken die zijn aangenomen door de partijen bij het Protocol van Nagoya.

(25)

Volgens het Protocol van Nagoya moeten controlepunten doeltreffend zijn en relevant zijn voor het gebruik van genetische rijkdommen. Desgevraagd moeten gebruikers op vastgestelde punten in de keten van activiteiten die samen het gebruik vormen, verklaren en aantonen dat zij passende zorgvuldigheid in acht hebben genomen. Een geschikt punt voor een dergelijke verklaring is het moment waarop middelen voor onderzoek worden ontvangen. Een ander geschikt punt ligt in het eindstadium van het gebruik, met andere woorden het eindstadium van de ontwikkeling van een product dat is ontwikkeld via het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot deze rijkdommen, voordat om marktgoedkeuring wordt verzocht, of, wanneer de marktgoedkeuring niet vereist is, in het eindstadium van de ontwikkeling van een product dat voor het eerst in de Unie op de markt wordt gebracht. Teneinde de doeltreffendheid van de controlepunten te garanderen en tezelfdertijd de rechtszekerheid voor gebruikers te vergroten, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend overeenkomstig artikel 291, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De Commissie moet van deze uitvoeringsbevoegdheden gebruikmaken om overeenkomstig het Protocol van Nagoya het eindstadium van de ontwikkeling van een product te bepalen, teneinde in verschillende sectoren het eindstadium van het gebruik vast te leggen.

(26)

Erkend moet worden dat het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen een belangrijke rol zal spelen bij de uitvoering van het Protocol van Nagoya. Overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van het Protocol van Nagoya zal aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen informatie worden voorgelegd als onderdeel van de procedure betreffende het internationaal erkend certificaat van naleving. De bevoegde instanties dienen met het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen samen te werken om ervoor te zorgen dat de informatie wordt uitgewisseld die het toezicht van de bevoegde instanties op de naleving door de gebruikers vergemakkelijkt.

(27)

Het verzamelen van genetische rijkdommen in het wild geschiedt meestal voor niet-commerciële doeleinden door wetenschappelijke, universitaire en niet-commerciële onderzoekers of verzamelaars. In het overgrote deel van de gevallen en in nagenoeg alle sectoren wordt toegang tot recentelijk verzamelde genetische rijkdommen verkregen via tussenpersonen, collecties of vertegenwoordigers die genetische rijkdommen in derde landen verwerven.

(28)

Collecties zijn belangrijke leveranciers van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen die in de Unie worden gebruikt. Als leveranciers kunnen zij een belangrijke rol vervullen door in de bewakingsketen andere gebruikers te helpen bij de naleving van hun verplichtingen. Daartoe dient binnen de Unie een stelsel van geregistreerde collecties te worden opgezet op basis van een vrijwillig register van collecties dat door de Commissie wordt beheerd. Een dergelijk stelsel zou ervoor zorgen dat collecties die zijn opgenomen in het register daadwerkelijk maatregelen toepassen om monsters van genetische rijkdommen uitsluitend te verstrekken aan derden die beschikken over documentatie waaruit blijkt dat de toegang op rechtmatige wijze is verkregen, en dat er, indien vereist, onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld. Met een stelsel van geregistreerde collecties in de Unie zal het risico aanzienlijk afnemen dat in de Unie genetische rijkdommen worden gebruikt waartoe de toegang niet is verkregen overeenkomstig de nationale wetgeving of regelgevingseisen inzake toegang of verdeling van voordelen van een partij bij het Protocol van Nagoya. De bevoegde instanties van de lidstaten moeten controleren of een collectie voldoet aan de voorschriften om te worden erkend als registreerbare collectie. Van gebruikers die een genetische rijkdom uit een geregistreerde collectie verkrijgen, moet worden verondersteld dat zij de passende zorgvuldigheid met betrekking tot het vergaren van de nodige informatie in acht hebben genomen. Dit komt met name wetenschappelijke, universitaire en niet-commerciële onderzoekers en kleine en middelgrote ondernemingen ten goede, en moet bijdragen tot een vermindering van de administratieve en nalevingsvoorschriften.

(29)

De bevoegde instanties van de lidstaten moeten controleren of gebruikers hun verplichtingen nakomen, of zij een voorafgaande geïnformeerde toestemming hebben verkregen en of zij onderling overeengekomen voorwaarden hebben vastgesteld. De bevoegde instanties moeten ook documentatie van de verrichte controles bewaren en de desbetreffende informatie moet toegankelijk worden gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (7).

(30)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat inbreuken op de uitvoeringsregels van het Protocol van Nagoya met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden bestraft.

(31)

Rekening houdend met het internationale karakter van transacties inzake toegang en verdeling van voordelen, moeten de bevoegde instanties van de lidstaten onderling, met de Commissie en met de bevoegde nationale instanties van derde landen samenwerken om ervoor te zorgen dat gebruikers deze verordening naleven en om de daadwerkelijke toepassing van de uitvoeringsregels van het Protocol van Nagoya te ondersteunen.

(32)

De Unie en de lidstaten moeten proactief passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van het Protocol van Nagoya bereikt worden, zodat meer middelen worden besteed aan de wereldwijde ondersteuning van het behoud van de biologische diversiteit en het duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan.

(33)

De Commissie en de lidstaten moeten passende aanvullende maatregelen nemen om de doeltreffendheid van de uitvoering van deze verordening te verhogen en de kosten te verlagen, met name wanneer dit wetenschappelijke, universitaire en niet-commerciële onderzoekers en kleine en middelgrote ondernemingen ten goede komt.

(34)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (8).

(35)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het ondersteunen van de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van de genetische rijkdommen overeenkomstig het Protocol van Nagoya, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang ervan en de noodzaak om het functioneren van de interne markt te garanderen, beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(36)

De datum van de inwerkingtreding van deze verordening moet rechtstreeks gekoppeld zijn aan die waarop het Protocol van Nagoya voor de Unie in werking treedt, zodat op het niveau van de Unie en op mondiaal niveau gelijke voorwaarden zijn gegarandeerd voor activiteiten met betrekking tot de toegang tot en de verdeling van voordelen van genetische rijkdommen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt regels vast inzake de naleving van de toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen en de verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (het „Protocol van Nagoya”). De doeltreffende uitvoering van deze verordening zal ook bijdragen tot het behoud van biologische diversiteit en het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit (het „Verdrag”).

Artikel 2

Werkingssfeer

1.   Deze verordening is van toepassing op genetische rijkdommen waarover staten soevereine rechten uitoefenen en op de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen waartoe toegang wordt verkregen nadat het Protocol van Nagoya voor de Unie in werking is getreden. Zij is eveneens van toepassing op de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van zulke genetische rijkdommen en op de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op genetische rijkdommen waarvan de toegang en verdeling van voordelen zijn geregeld in gespecialiseerde internationale instrumenten die in overeenstemming en niet in strijd zijn met de doelstellingen van het Verdrag en het Protocol van Nagoya.

3.   Deze verordening laat onverlet de regels van de lidstaten betreffende toegang tot genetische rijkdommen waarover zij soevereine rechten uitoefenen binnen de werkingssfeer van artikel 15 van het Verdrag, alsmede de bepalingen van de lidstaten betreffende artikel 8, onder j), van het Verdrag betreffende traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen.

4.   Deze verordening is van toepassing op genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen waarop wetgeving of regelgevingseisen betreffende toegang en verdeling van voordelen van een partij bij het Protocol van Nagoya van toepassing is.

5.   Niets in deze verordening verplicht een lidstaat informatie te verstrekken waarvan hij de openbaarmaking in strijd acht met zijn essentiële veiligheidsbelangen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities van het Verdrag en van het Protocol van Nagoya van toepassing, alsmede de volgende definities:

1.   „genetisch materiaal”: al het materiaal van plantaardige, dierlijke, microbiële of andere oorsprong dat functionele eenheden van de erfelijkheid bevat;

2.   „genetische rijkdommen”: genetisch materiaal van feitelijke of potentiële waarde;

3.   „toegang”: de verwerving van genetische rijkdommen of van traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen in een partij bij het Protocol van Nagoya;

4.   „gebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon die genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen gebruikt;

5.   „gebruik van genetische rijkdommen”: onderzoek en ontwikkeling van de genetische en/of biochemische samenstelling van genetische rijkdommen, ook middels de toepassing van biotechnologie als gedefinieerd in artikel 2 van het Verdrag;

6.   „onderling overeengekomen voorwaarden”: de contractuele regelingen gesloten tussen een leverancier van genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen en een gebruiker, waarin de specifieke voorwaarden worden uiteengezet voor de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, en die ook extra voorwaarden voor dat gebruik alsook voor verdere toepassingen en commercialisering kunnen bevatten;

7.   „traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen”: bij een inheemse of lokale gemeenschap berustende traditionele kennis die relevant is voor het gebruik van genetische rijkdommen en die als dusdanig wordt beschreven in de onderling overeengekomen voorwaarden welke van toepassing zijn op het gebruik van genetische rijkdommen;

8.   „genetische rijkdommen waartoe onrechtmatig toegang is verkregen”: genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen waartoe de toegang niet is verkregen overeenkomstig de nationale wetgeving of regelgevingseisen inzake toegang of verdeling van voordelen van het land dat deze levert, dat partij is bij het Protocol van Nagoya en waarvoor een vooraf gegeven instemming is vereist;

9.   „collectie”: een reeks verzamelde monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie die is samengebracht en opgeslagen, ongeacht of zij door openbare of particuliere entiteiten wordt bewaard;

10.   „vereniging van gebruikers”: een organisatie die opgericht is overeenkomstig de voorschriften van de lidstaat waarin zij is gevestigd, die de belangen van gebruikers vertegenwoordigt en die betrokken is bij het ontwikkelen van en het toezicht houden op de in artikel 8 van deze verordening bedoelde beste praktijken;

11.   „internationaal erkend certificaat van naleving”: een vergunning of gelijkwaardig document dat is verstrekt door een bevoegde instantie overeenkomstig artikel 6, lid 3, onder e), en artikel 13, lid 2, van het Protocol van Nagoya, dat is afgegeven op het moment dat toegang wordt verkregen en geldt als bewijs dat tot de betrokken genetische rijkdom toegang is verkregen overeenkomstig het besluit tot verlening van vooraf gegeven instemming en dat onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld voor de gebruiker en voor het daarin gespecifieerde gebruik, en dat ter beschikking is gesteld van het bij artikel 14, lid 1, van dat protocol ingestelde uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen.

HOOFDSTUK II

NALEVING DOOR DE GEBRUIKER

Artikel 4

Verplichtingen van gebruikers

1.   Gebruikers nemen de passende zorgvuldigheid in acht om zich ervan te vergewissen dat de toegang tot genetische rijkdommen en de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen waarvan zij gebruikmaken, is verkregen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving of regelgevingseisen inzake toegang en verdeling van voordelen en dat de voordelen eerlijk en billijk worden verdeeld conform onderlinge overeengekomen voorwaarden, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving of regelgevingseisen.

2.   Genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen worden slechts overgedragen en gebruikt overeenkomstig onderling overeengekomen voorwaarden, indien die door toepasselijke wetgeving of regelgevingseisen worden vereist.

3.   Voor de toepassing van lid 1 wordt de onderstaande informatie door gebruikers verzameld, bewaard en aan volgende gebruikers doorgegeven:

a)

het internationaal erkend certificaat van naleving, alsmede informatie over de inhoud van de onderling overeengekomen voorwaarden die voor volgende gebruikers relevant is; of

b)

indien geen internationaal erkend certificaat van naleving beschikbaar is, informatie en relevante documenten inzake:

i)

de datum en plaats van de toegang tot de genetische rijkdommen of tot traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen;

ii)

de beschrijving van de genetische rijkdommen of van de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen die gebruikt wordt;

iii)

de bron waaruit de genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen direct zijn verworven, alsmede informatie over latere gebruikers van de genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen;

iv)

het al dan niet bestaan van rechten en plichten inzake toegang en verdeling van voordelen, met inbegrip van rechten en plichten betreffende latere toepassingen en commercialisering;

v)

toegangsvergunningen, indien van toepassing;

vi)

onderling overeengekomen voorwaarden, met inbegrip van eventuele regelingen inzake verdeling van de voordelen, indien van toepassing.

4.   Gebruikers die plantgenetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw (Plant Genetic Resources for Food and Agriculture — PGRFA) verwerven in een land dat partij is bij het Protocol van Nagoya dat heeft bepaald dat PGRFA die onder zijn beheer en controle vallen en tot het publiek domein behoren en niet in bijlage I bij het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voedsel en landbouw (International Treaty on Plant Genetic Resources for Food and Agriculture — ITPGRFA) zijn vermeld, ook onderworpen zijn aan de voorwaarden van de standaardovereenkomst inzake overdracht van materiaal voor de toepassingen in het kader van het ITPGRFA, worden geacht de in lid 3 van dit artikel vervatte passende zorgvuldigheidsverplichtingen te hebben vervuld.

5.   Indien de informatie waarover zij beschikken ontoereikend is, of er onzekerheid blijft over de wettigheid van de toegang en het gebruik, verkrijgen gebruikers een toegangsvergunning of gelijkwaardig document, en stellen zij onderling overeengekomen voorwaarden vast, dan wel beëindigen zij het gebruik.

6.   Gebruikers bewaren de informatie met betrekking tot toegang en verdeling van voordelen twintig jaar na het einde van de gebruiksperiode.

7.   Gebruikers die een genetische rijkdom verwerven uit een collectie die is opgenomen in het in artikel 5, lid 1, bedoelde register van collecties in de Unie, worden verondersteld passende zorgvuldigheid in acht te hebben genomen bij het verzamelen van de in lid 3 van dit artikel genoemde informatie.

8.   Gebruikers die een genetische rijkdom verwerven waarvan is vastgesteld dat dit het ziekteverwekkend pathogeen is c.q. zou kunnen zijn van een aanwezige of dreigende noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang in de zin van de Internationale Gezondheidsregels (2005), of van een ernstige grensoverschrijdende bedreiging van de gezondheid als omschreven in Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (9), voldoen, met het oog op de paraatheid voor de hierboven aangehaalde noodsituaties in nog niet getroffen landen en op de respons in getroffen landen, aan de in lid 3 of lid 5 van dit artikel genoemde verplichtingen, en wel uiterlijk:

a)

een maand nadat de naderende of aanwezige bedreiging voor de volksgezondheid voorbij is, of

b)

drie maanden nadat met het gebruik van de genetische rijkdom is begonnen,

indien dit vroeger is.

Mochten de in lid 3 of lid 5 van dit artikel genoemde verplichtingen niet vervuld zijn binnen de in de eerste alinea, onder a) en b), van dit lid vastgestelde termijnen, dan wordt het gebruik beëindigd.

In het geval van een verzoek tot marktgoedkeuring of bij het in de handel brengen van producten die zijn afgeleid van het gebruik van een in de eerste alinea bedoelde genetische rijkdom zijn de in lid 3 of lid 5 genoemde verplichtingen volledig en onverwijld van toepassing.

Wanneer niet tijdig een voorafgaande geïnformeerde toestemming is verkregen en geen onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld, en zolang er geen overeenstemming met het land van levering in kwestie is bereikt, laat de betrokken gebruiker geen enkel exclusief recht gelden op enige ontwikkeling die via het gebruik van de desbetreffende pathogenen heeft plaatsgevonden.

De in artikel 2 bedoelde gespecialiseerde internationale instrumenten voor toegang en verdeling van voordelen blijven onverlet.

Artikel 5

Register van collecties

1.   De Commissie legt een register aan van collecties in de Unie („het register”) en onderhoudt dit. De Commissie zorgt ervoor dat het register op internet beschikbaar is en gemakkelijk toegankelijk is voor gebruikers. Het register bevat de identificatiegegevens van collecties van genetische rijkdommen, of van delen van die collecties, waarvan is vastgesteld dat zij voldoen aan de in lid 3 genoemde criteria.

2.   Op verzoek van een collectiehouder onder zijn rechtsmacht overweegt elke lidstaat of die collectie of een deel daarvan wordt opgenomen in het register. Na te hebben geverifieerd dat de collectie of een deel daarvan voldoet aan de in lid 3 genoemde criteria, deelt de lidstaat de Commissie onverwijld de naam en de contactgegevens van de collectie, de collectiehouder en het type collectie mee. De Commissie neemt de ontvangen informatie onverwijld op in het register.

3.   Om een collectie of een deel daarvan in het register te kunnen opnemen, toont een collectie aan dat zij in staat is:

a)

gestandaardiseerde procedures toe te passen voor het uitwisselen van monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie met andere collecties, en voor het verstrekken van monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie aan derden met het oog op het gebruik ervan overeenkomstig het Verdrag en het Protocol van Nagoya;

b)

aan derden enkel genetische rijkdommen en gerelateerde informatie met het oog op het gebruik ervan te verstrekken indien zij vergezeld gaan van documentatie waaruit blijkt dat de toegang tot de genetische rijkdommen en de gerelateerde informatie is verkregen overeenkomstig de toepasselijke wetgeving of regelgevingseisen inzake toegang en verdeling van voordelen, en, in voorkomend geval, volgens onderling overeengekomen voorwaarden;

c)

een register bij te houden van alle monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie die aan derden zijn verstrekt met het oog op het gebruik ervan;

d)

waar mogelijk, eenduidige identificatienummers voor monsters van genetische rijkdommen die aan derden zijn verstrekt, aan te maken of te gebruiken; en

e)

passende instrumenten voor tracering en het toezicht te gebruiken voor het uitwisselen van monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie met andere collecties.

4.   De lidstaten verifiëren regelmatig dat elke collectie of deel daarvan onder hun rechtsmacht die in het register is opgenomen, voldoet aan de in lid 3 genoemde criteria.

Wanneer er op grond van de krachtens lid 3 verstrekte informatie bewijzen zijn dat een in het register opgenomen collectie of een deel daarvan niet aan de in lid 3 genoemde criteria voldoet, stelt de betrokken lidstaat in samenspraak met de betrokken collectiehouder onverwijld corrigerende acties of maatregelen vast.

Een lidstaat die vaststelt dat een collectie of een deel daarvan onder zijn rechtsmacht niet meer aan de in lid 3 genoemde criteria voldoet, stelt de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Na kennisneming van die informatie verwijdert de Commissie de collectie of het deel van de collectie in kwestie uit het register.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast betreffende de vaststelling van de procedures ter uitvoering van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 6

Bevoegde instanties en contactpunt

1.   Elke lidstaat wijst een of meer met de uitvoering van deze verordening belaste bevoegde instanties aan. De lidstaten stellen de Commissie bij de inwerkingtreding van deze verordening in kennis van de naam en het adres van hun bevoegde instanties. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging van de naam of het adres van de bevoegde instanties.

2.   De Commissie maakt een lijst van de bevoegde instanties van de lidstaten openbaar, onder meer op het internet. De Commissie houdt deze lijst actueel.

3.   De Commissie wijst een contactpunt voor toegang en verdeling van voordelen aan dat verantwoordelijk is voor het onderhouden van contacten met het secretariaat van het Verdrag voor aangelegenheden die onder deze verordening vallen.

4.   De Commissie ziet erop toe dat de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad (10) ingestelde instanties van de Unie bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van deze verordening.

Artikel 7

Toezicht op de naleving door gebruikers

1.   De lidstaten en de Commissie verzoeken alle ontvangers van middelen voor onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis in verband met genetische rijkdommen om een verklaring dat zij overeenkomstig artikel 4 de passende zorgvuldigheid in acht zullen nemen.

2.   In het eindstadium van de ontwikkeling van een product dat is ontwikkeld via het gebruik van genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot deze rijkdommen, verklaren gebruikers aan de in artikel 6, lid 1, bedoelde bevoegde instanties dat zij aan de in artikel 4 genoemde voorwaarden voldoen en leggen zij tezelfdertijd volgende informatie voor:

a)

de relevante informatie uit het internationaal erkend certificaat van naleving, of

b)

de in artikel 4, lid 3, onder b), i) tot en met v), en in artikel 4, lid 5, bedoelde gerelateerde informatie, met inbegrip van de informatie dat er onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgelegd, indien van toepassing.

Op verzoek verstrekken gebruikers de bevoegde instanties nader bewijs.

3.   De bevoegde instanties verstrekken de op basis van de leden 1 en 2 van dit artikel ontvangen informatie aan het bij artikel 14, lid 1, van het Protocol van Nagoya ingestelde uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen, aan de Commissie en, indien passend, aan de in artikel 13, lid 2, van het Protocol van Nagoya bedoelde bevoegde instanties.

4.   De bevoegde instanties werken samen met het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen, om toe te zien op de uitwisseling van de in artikel 17, lid 2, van het Protocol van Nagoya opgesomde informatie met het oog op het toezicht op de naleving door de gebruikers.

5.   De bevoegde instanties houden terdege rekening met de naleving van de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, wanneer deze vertrouwelijkheid bij de Unie- of de nationale wetgeving wordt geboden om een gewettigd economisch belang te beschermen, met name in verband met de aanwijzing van genetische rijkdommen en de aanwijzing van gebruik.

6.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast betreffende de vaststelling van de procedures ter uitvoering van de leden 1, 2 en 3. In deze uitvoeringshandelingen bepaalt de Commissie het eindstadium van de ontwikkeling van een product, teneinde in verschillende sectoren het eindstadium van het gebruik vast te leggen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 8

Beste praktijken

1.   Verenigingen van gebruikers of andere belanghebbende partijen kunnen bij de Commissie een aanvraag indienen om een combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen die door hen zijn ontwikkeld en waarop zij toezicht houden, te laten erkennen als beste praktijk in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening. De aanvraag wordt gestaafd met bewijsstukken en informatie.

2.   Wanneer de Commissie, op basis van de overeenkomstig lid 1 van dit artikel verstrekte bewijsstukken en informatie, vaststelt dat een specifieke combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen, wanneer deze doeltreffend door een gebruiker wordt toegepast, de gebruiker in staat stelt aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4 en 7 te voldoen, verleent zij erkenning als beste praktijk.

3.   Verenigingen van gebruikers of andere belanghebbende partijen stellen de Commissie in kennis van elke wijziging of actualisering van een beste praktijk waarvoor hen overeenkomstig lid 2 erkenning is verleend.

4.   Indien uit bewijsstukken blijkt dat er zich herhaalde of ernstige gevallen hebben voorgedaan waarin gebruikers die een beste praktijk toepassen niet aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening hebben voldaan, onderzoekt de Commissie in samenspraak met de betrokken vereniging van gebruikers of andere belanghebbende partijen of deze gevallen op mogelijke tekortkomingen van de beste praktijk wijzen.

5.   De Commissie trekt de erkenning van een beste praktijk in wanneer zij heeft vastgesteld dat wijzigingen van de beste praktijk het vermogen van de gebruiker om zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4 en 7 na te komen, in het gedrang brengen, of wanneer herhaalde of ernstige gevallen van niet-naleving door de gebruikers verband houden met tekortkomingen van de beste praktijk.

6.   De Commissie legt een op internet beschikbaar register van erkende beste praktijken aan en houdt dit actueel. In een deel van dit register worden de door de Commissie overeenkomstig lid 2 van dit artikel erkende beste praktijken opgenomen en in een ander deel de op grond van artikel 20, lid 2, van het Protocol van Nagoya aangenomen beste praktijken.

7.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast voor de leden 1 tot en met 5 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 9

Controle van de naleving door gebruikers

1.   De in artikel 6, lid 1, bedoelde bevoegde instanties voeren controles uit om na te gaan of gebruikers hun verplichtingen uit hoofde van de artikelen 4 en 7 nakomen, indachtig het feit dat een gebruiker die een krachtens artikel 8, lid 2, van deze verordening of een krachtens artikel 20, lid 2, van het Protocol van Nagoya erkende beste praktijk met betrekking tot toegang en verdeling van voordelen toepast, mogelijk een lager risico op niet-naleving loopt.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de krachtens lid 1 verrichte controles doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, en dat zij gevallen van niet-naleving van deze verordening door gebruikers opsporen.

3.   De in lid 1 bedoelde controles worden uitgevoerd:

a)

overeenkomstig een plan dat periodiek wordt geëvalueerd en is opgesteld aan de hand van een risicogebonden aanpak;

b)

indien een bevoegde instantie beschikt over relevante informatie, met inbegrip van door derde partijen geuite, met redenen omklede, bezorgdheid omtrent de niet-naleving van deze verordening door een gebruiker. Bijzondere aandacht is geboden indien een dergelijke bezorgdheid wordt geuit door een land dat genetische rijkdommen levert.

4.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde controles kunnen onder meer betrekking hebben op een onderzoek van:

a)

de maatregelen die een gebruiker heeft genomen met het oog op de inachtneming van de passende zorgvuldigheid, overeenkomstig artikel 4;

b)

de documentatie waaruit blijkt dat bij bepaalde gebruiksactiviteiten passende zorgvuldigheid overeenkomstig artikel 4 in acht is genomen;

c)

de gevallen waarin een gebruiker krachtens artikel 7 verplicht was een verklaring af te leggen.

Tevens kunnen indien nodig controles ter plaatse worden uitgevoerd.

5.   De gebruikers verlenen alle bijstand die nodig is om de uitvoering van de in lid 1 genoemde controles te vergemakkelijken.

6.   Onverminderd artikel 11 deelt de bevoegde instantie, indien er naar aanleiding van de in lid 1 van dit artikel genoemde controles tekortkomingen zijn vastgesteld, de door de gebruiker te nemen corrigerende acties of maatregelen mee.

Afhankelijk van de aard van de tekortkomingen kunnen lidstaten ook onmiddellijke tijdelijke maatregelen treffen.

Artikel 10

Registratie van de controles

1.   De bevoegde instanties houden gedurende ten minste vijf jaar een register bij van de in artikel 9, lid 1, bedoelde controles, waarin zij met name de aard en de resultaten van die controles opnemen, en een register van eventuele corrigerende acties of maatregelen uit hoofde van artikel 9, lid 6.

2.   De in lid 1 bedoelde gegevens worden ter beschikking gesteld overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG.

Artikel 11

Sancties

1.   De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de artikelen 4 en 7, en nemen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast.

2.   De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

3.   Uiterlijk op 11 juni 2015 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de in lid 1 bedoelde regels, en zij delen de Commissie onverwijld alle latere wijzigingen daaraan mee.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Samenwerking

De in artikel 6, lid 1, bedoelde bevoegde instanties:

a)

werken met elkaar en met de Commissie samen om ervoor te zorgen dat gebruikers deze verordening naleven;

b)

plegen indien nodig overleg met belanghebbenden inzake de tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya en van deze verordening;

c)

werken met de in artikel 13, lid 2, van het Protocol van Nagoya bedoelde bevoegde nationale instanties samen om ervoor te zorgen dat gebruikers deze verordening naleven;

d)

stellen de bevoegde instanties van andere lidstaten en de Commissie in kennis van ernstige tekortkomingen die bij de in artikel 9, lid 1, bedoelde controles aan het licht zijn gekomen en van de soorten sancties die overeenkomstig artikel 11 zijn opgelegd;

e)

wisselen informatie uit over de organisatie van hun controlestelsels waarmee zij toezicht houden op de naleving van deze verordening door de gebruikers.

Artikel 13

Aanvullende maatregelen

Indien passend doen de Commissie en de lidstaten het volgende:

a)

zij bevorderen en stimuleren voorlichtings-, bewustmakings- en opleidingsactiviteiten om de belanghebbenden en de betrokken partijen te helpen hun verplichtingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van deze verordening, en van de toepasselijke bepalingen van het Verdrag en van het Protocol van Nagoya in de Unie, te begrijpen;

b)

zij moedigen de ontwikkeling aan van sectorspecifieke gedragscodes, modelcontractclausules, richtsnoeren en beste praktijken, met name wanneer deze academische, universitaire en niet-commerciële onderzoekers en kleine en middelgrote ondernemingen ten goede komen;

c)

zij bevorderen de ontwikkeling en het gebruik van kosteneffectieve communicatiemiddelen en systemen ter ondersteuning van het toezicht en het traceren van het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen;

d)

zij verstrekken technische en andere richtsnoeren aan gebruikers, rekening houdend met de situatie van academische, universitaire en niet-commerciële onderzoekers en van kleine en middelgrote ondernemingen, teneinde de naleving van de vereisten van deze verordening te faciliteren;

e)

zij moedigen gebruikers en leveranciers aan om voordelen van het gebruik van genetische rijkdommen in te zetten voor het behoud van biologische diversiteit en het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag;

f)

zij bevorderen maatregelen ter ondersteuning van collecties die bijdragen tot het behoud van biologische diversiteit en culturele verscheidenheid.

Artikel 14

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 15

Overlegforum

De Commissie ziet erop toe dat vertegenwoordigers van de lidstaten en van andere belanghebbende partijen op een evenwichtige wijze deelnemen aan kwesties met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze verordening. Deze vertegenwoordigers komen bijeen in het kader van een overlegforum. De Commissie stelt het reglement van orde van dit overlegforum vast.

Artikel 16

Verslag en evaluatie

1.   Tenzij een andere frequentie voor verslagen als bedoeld in artikel 29 van het Protocol van Nagoya wordt vastgesteld, dienen de lidstaten uiterlijk op 11 juni 2017 en vervolgens om de vijf jaar bij de Commissie een verslag in over de toepassing van deze verordening.

2.   Uiterlijk een jaar na de uiterste termijn voor de indiening van de in lid 1 bedoelde verslagen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de toepassing van deze verordening, met een eerste evaluatie van haar doeltreffendheid.

3.   Na haar eerste verslag evalueert de Commissie om de tien jaar, op basis van verslaglegging en ervaringen met de toepassing van deze verordening, of de werking en de doeltreffendheid ervan voldoen om de doelstellingen van het Protocol van Nagoya te bereiken. Bij die evaluatie besteedt de Commissie met name aandacht aan de administratieve gevolgen voor openbare onderzoeksinstellingen, micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en specifieke sectoren. Zij overweegt ook de noodzaak om de tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze verordening te herzien in het licht van ontwikkelingen binnen andere relevante internationale organisaties.

4.   De Commissie brengt aan de Conferentie van de partijen bij het Verdrag die als de vergadering van de partijen bij het Protocol van Nagoya fungeert, verslag uit over de maatregelen die de Unie heeft genomen om maatregelen ter voldoening van het Protocol van Nagoya ten uitvoer te leggen.

Artikel 17

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   De Commissie maakt, zo snel mogelijk na de akte van aanvaarding door de Unie van het Protocol van Nagoya, in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend op welke datum het Protocol van Nagoya in de Unie in werking zal treden. Deze verordening is van toepassing met ingang van die datum.

3.   De artikelen 4, 7 en 9 van deze verordening worden een jaar na de inwerkingtreding van het Protocol van Nagoya in de Unie van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 161 van 6.6.2013, blz. 73.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 maart 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 april 2014.

(3)  Besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1).

(4)  Bijlage I bij document UNEP/CBD/COP/DEC/X/1 van 29 oktober 2010.

(5)  Besluit 2014/283/EU van de Raad van 14 april 2014 tot sluiting namens de Unie van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik ervan bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (Zie bladzijde 231 van dit Publicatieblad.).

(6)  Besluit 2004/869/EG van de Raad van 24 februari 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw (PB L 378 van 23.12.2004, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(8)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(9)  Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1).


20.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/72


VERORDENING (EU) Nr. 512/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 912/2010 tot oprichting van het Europees GNSS-Agentschap

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 172,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) in combinatie met artikel 2 van Verordening (EU) nr. 912/2010 van het Europees Parlement en de Raad volgt dat het Europees GNSS-Agentschap (het „Agentschap”) moet zorgen voor de veiligheidsaccreditatie van de Europese systemen voor satellietnavigatie (de „systemen”) en dat het daartoe een begin maakt met, en toeziet op de uitvoering van beveiligingsprocedures en de verrichting van controles van de beveiliging (4).

(2)

De systemen worden omschreven in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1285/2013. Het zijn complexe systemen en voor de vestiging en de werking ervan zijn tal van actoren met diverse rollen vereist. In dit verband is het van cruciaal belang dat gerubriceerde EU-informatie door alle bij de uitvoering van de programma’s Galileo en Egnos (de „programma’s”) betrokken actoren wordt behandeld en beschermd in overeenstemming met de basisbeginselen en de minimumnormen die zijn vervat in de veiligheidsvoorschriften van de Commissie en de Raad voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie en dat artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1285/2013, dat een gelijkwaardig niveau van bescherming van gerubriceerde EU-informatie garandeert, waar passend geldt voor alle bij de uitvoering van de programma’s betrokken actoren.

(3)

De actoren die deelnemen aan en gevolgen ondervinden van de veiligheidsaccreditatieprocedure, zijn de lidstaten, de Commissie, de relevante Unieagentschappen en het Europees Ruimteagentschap (ESA), en de bij Gemeenschappelijk Optreden 2004/552/GBVB van de Raad (5) betrokken partijen.

(4)

Gezien het specifieke karakter en de complexiteit van de systemen, de verschillende bij de uitvoering ervan betrokken organen en de verscheidenheid aan mogelijke gebruikers, dient de veiligheidsaccreditatie te worden vergemakkelijkt door een passende raadpleging van alle betrokken actoren, zoals nationale autoriteiten van lidstaten en van derde landen die netwerken exploiteren welke zijn gekoppeld aan het in het kader van het Galileo-programma ingestelde systeem voor de verstrekking van de publiek gereguleerde dienst (PRS), andere relevante instanties van de lidstaten, het ESA of, indien bepaald in een internationale overeenkomst, derde landen waar de grondstations van de systemen zijn gevestigd.

(5)

Om een degelijke uitvoering van de taken in verband met veiligheidsaccreditatie mogelijk te maken, is het van essentieel belang dat de Commissie alle daarvoor noodzakelijke informatie verstrekt. Het is ook belangrijk dat de veiligheidsaccreditatieactiviteiten worden gecoördineerd met de activiteiten van de organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de programma’s overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1285/2013 en de andere entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de veiligheidsvoorschriften.

(6)

De beste praktijken dienen te worden gevolgd voor de te hanteren aanpak van risicobeoordeling en -beheer. Daarbij moeten veiligheidsmaatregelen worden toegepast in overeenstemming met het begrip „diepgaande verdediging”. Er moet rekening worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat zich een risico of een gevreesde gebeurtenis voordoet. De aanpak moet ook evenredig, passend en kostenefficiënt zijn, en er moet rekening worden gehouden met de uitvoeringskosten van de risicobeperkende maatregelen vergeleken met het resulterende veiligheidsvoordeel. Met „diepgaande verdediging” wordt beoogd de veiligheid van de systemen te vergroten door de uitvoering van technische en niet-technische beveiligingsmaatregelen in de vorm van meerdere verdedigingslagen.

(7)

De ontwikkeling, met inbegrip van de relevante daaraan gerelateerde onderzoeksactiviteiten en de vervaardiging van PRS-ontvangers en PRS-veiligheidsmodules vormen bijzonder gevoelige activiteiten. Daarom is het van essentieel belang dat er procedures voor het machtigen van de fabrikanten van PRS-ontvangers en PRS-veiligheidsmodules worden ingesteld.

(8)

Voorts moeten, gezien de potentieel talrijke netwerken en apparatuur die verbonden zijn met het bij het Galileo-programma opgezette systeem, met name voor PRS-gebruik, in de veiligheidsaccreditatiestrategie beginselen voor de veiligheidsaccreditatie van die netwerken en apparatuur worden vastgesteld om de homogeniteit van deze accreditatietaak te waarborgen zonder inbreuk te maken op de bevoegdheden van de nationale autoriteiten die in de lidstaten bevoegd zijn voor veiligheidsaangelegenheden. Door de toepassing van die beginselen zou een consequent risicobeheer mogelijk worden en zou de noodzaak om alle mitigatieacties op het niveau van het systeem te tillen, hetgeen een negatief effect zou hebben op kosten, tijdschema’s, prestaties en dienstverlening, minder groot worden.

(9)

Producten en maatregelen die bescherming bieden tegen elektromagnetische emissies (dat wil zeggen tegen elektronisch afluisteren) en cryptografische producten die worden gebruikt om de systemen te beveiligen, moeten worden geëvalueerd en goedgekeurd door de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor veiligheidsaangelegenheden in het land waar de onderneming die dergelijke producten vervaardigt, is gevestigd. Met betrekking tot cryptografische producten moeten die evaluatie en goedkeuring worden aangevuld overeenkomstig de beginselen van de punten 26 tot en met 30 van bijlage IV bij Besluit 2013/488/EU van de Raad (6). De autoriteit die verantwoordelijk is voor de veiligheidsaccreditatie van de systemen moet de keuze van die goedgekeurde producten en maatregelen bekrachtigen met inachtneming van de algemene veiligheidseisen van de systemen.

(10)

Verordening (EU) nr. 912/2010 en meer bepaald hoofdstuk III daarvan, bepaalt expliciet de voorwaarden waaronder het Agentschap de veiligheidsaccreditatie van de systemen verricht. Met name wordt in beginsel bepaald dat de veiligheidsaccreditatiebesluiten onafhankelijk van de Commissie en de voor de uitvoering van de programma’s verantwoordelijke eenheden worden genomen en dat de autoriteit voor de veiligheidsaccreditatie van de systemen een autonoom orgaan binnen het Agentschap moet zijn, dat onafhankelijk besluiten neemt.

(11)

Overeenkomstig dat beginsel wordt bij Verordening (EU) nr. 912/2010 de Raad voor de veiligheidsaccreditatie van Europese GNSS-systemen (de „Raad voor de veiligheidsaccreditatie”) opgericht die, net als de Raad van bestuur en de uitvoerend directeur, een van de drie organen van het Agentschap is. De Raad voor de veiligheidsaccreditatie verricht de aan het Agentschap toebedeelde taken op het gebied van veiligheidsaccreditatie en is bevoegd om namens het Agentschap besluiten over veiligheidsaccreditatie te nemen. Het dient zijn reglement van orde vast te stellen en zijn voorzitter te benoemen.

(12)

Aangezien de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1285/2013 de beveiliging van de programma’s moet waarborgen, waaronder de beveiliging van de systemen en hun werking, moeten de activiteiten van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie tot de veiligheidsaccreditatieactiviteiten van de systemen worden beperkt en de taken en verantwoordelijkheden van de Commissie onverlet laten. Dat moet met name het geval zijn voor de taken en verantwoordelijkheden die de Commissie heeft uit hoofde van artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 en artikel 8 van Besluit nr. 1104/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad (7), waaronder de vaststelling van documenten betreffende beveiliging door middel van een gedelegeerde handeling, een uitvoeringshandeling of op een andere wijze overeenkomstig die artikelen. Onverminderd die taken en verantwoordelijkheden van de Commissie moet de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, gezien zijn bijzondere expertise, evenwel worden gemachtigd om, binnen zijn bevoegdheidsgebied, de Commissie advies te verstrekken bij de opstelling van de ontwerpteksten voor de in die artikelen bedoelde handelingen.

(13)

Er dient ook te worden gewaarborgd dat de verrichting van activiteiten in verband met veiligheidsaccreditatie de nationale bevoegdheden en prerogatieven van de lidstaten wat betreft veiligheidsaccreditatie onverlet laten.

(14)

De woorden „audits” en „tests” in verband met beveiliging kunnen ook betrekking hebben op veiligheidsbeoordelingen, -inspecties, -evaluaties, -audits en -tests.

(15)

Om zijn activiteiten efficiënt en doeltreffend te kunnen uitvoeren, dient de Raad voor de veiligheidsaccreditatie de nodige ondergeschikte organen te kunnen oprichten die in zijn opdracht werkzaamheden verrichten. Met name dient hij een panel op te richten om hem bij te staan bij de voorbereiding van zijn besluiten.

(16)

Onder toezicht van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie dient een groep deskundigen van de lidstaten te worden opgericht die de taken van de instantie voor de distributie van versleuteling (IDV) betreffende het beheer van cryptografisch materiaal van de Europese Unie moet vervullen. Die groep moet op tijdelijke basis worden opgericht om de continuïteit van het beheer van communicatiebeveiligingspunten tijdens de stationeringsfase van het Galileo-programma te waarborgen. Een duurzame oplossing voor de uitvoering van deze operationele taken moet worden toegepast op de langere termijn, wanneer het uit het Galileo-programma resulterende systeem volledig operationeel is.

(17)

Verordening (EU) nr. 1285/2013 stelt de regeling van het publieke beheer van de programma’s voor de jaren 2014-2020 vast. Zij belast de Commissie met de algemene verantwoordelijkheid voor de programma’s. Daarnaast breidt de verordening de taken van het Agentschap uit en bepaalt ze met name dat het Agentschap een belangrijke rol kan spelen bij de exploitatie van de systemen en bij het optimaliseren van de sociaaleconomische voordelen daarvan.

(18)

In deze nieuwe context is het van belang dat de Raad voor de veiligheidsaccreditatie de hem toevertrouwde taken volledig onafhankelijk kan verrichten, vooral ten opzichte van de andere organen en activiteiten van het Agentschap en dat belangenconflicten worden vermeden. Ook is het van groot belang om binnen het Agentschap een duidelijkere scheiding aan te brengen tussen de activiteiten in verband met de veiligheidsaccreditatie en de andere activiteiten, zoals het beheer van het Galileo-centrum voor de beveiligingscontrole, de bijdragen aan de marketing van de systemen en alle activiteiten die de Commissie door middel van delegatie aan het Agentschap kan toevertrouwen, met name activiteiten in verband met de exploitatie van de systemen. Hiertoe dienen de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en het personeel van het Agentschap dat onder zijn toezicht is geplaatst, hun werkzaamheden zo te verrichten dat hun autonomie en onafhankelijkheid ten opzichte van de andere activiteiten van het Agentschap gewaarborgd zijn. Uiterlijk op 1 januari 2014 moet binnen het Agentschap een tastbare en doeltreffende structurele scheiding tussen de verschillende activiteiten zijn aangebracht. De interne personeelsvoorschriften van het Agentschap moeten ook de autonomie en de onafhankelijkheid waarborgen van het personeel dat de veiligheidsaccreditatieactiviteiten verricht ten aanzien van het personeel dat andere activiteiten van het Agentschap uitvoert.

(19)

Verordening (EU) nr. 912/2010 dient derhalve te worden gewijzigd, in de eerste plaats om de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en zijn voorzitter te vergroten en die onafhankelijkheid en die bevoegdheden grotendeels op hetzelfde niveau te brengen als de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van respectievelijk de Raad van bestuur en de uitvoerend directeur van het Agentschap, met een verplichting voor de verschillende organen van het Agentschap om samen te werken.

(20)

Bij de benoeming van leden van de raden en bij de verkiezing van de voorzitter en de vicevoorzitter daarvan moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met het belang van een evenwichtige gendervertegenwoordiging. Voorts moet ook rekening worden gehouden met hun relevante kwalificaties op bestuurs-, administratie- en begrotingsgebied.

(21)

Het is wenselijk dat het gedeelte van de werkprogramma’s van het Agentschap over de operationele activiteiten in verband met de veiligheidsaccreditatie van de systemen, alsmede het deel van het jaarverslag over de activiteiten en de vooruitzichten in verband met de veiligheidsaccreditatie van de systemen, door de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, en niet door de Raad van bestuur, worden opgesteld en goedgekeurd. Die raad dient deze tijdig bij de Raad van bestuur in te dienen teneinde in het werkprogramma en in het jaarverslag van het Agentschap te kunnen worden opgenomen. Ook dient de Raad voor de veiligheidsaccreditatie op te treden als tuchtraad voor de voorzitter.

(22)

Wat de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie betreft, is het wenselijk dat hij met betrekking tot de veiligheidsaccreditatieactiviteiten een soortgelijke rol krijgt toebedeeld als die van de uitvoerend directeur met betrekking tot de andere activiteiten van het Agentschap. Naast de taak van vertegenwoordiging van het Agentschap die reeds is vastgelegd in Verordening (EU) nr. 912/2010, dient de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie voortaan ook activiteiten in verband met de veiligheidsaccreditatie onder leiding van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie te beheren en dient hij te zorgen voor de uitvoering van het met accreditatie samenhangende gedeelte van de werkprogramma’s van het Agentschap. De voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie dient, op verzoek van het Europees Parlement of de Raad, ook een verslag over de uitvoering van de taken in te dienen en dient ten overstaan van hen een verklaring af te leggen.

(23)

Er moet in passende procedures worden voorzien om ervoor te zorgen dat de veiligheidsaccreditatieprocedure niet wordt beïnvloed en ononderbroken kan worden uitgevoerd ingeval de Raad van bestuur de werkprogramma’s van het Agentschap niet goedkeurt.

(24)

Gezien de betrokkenheid van bepaalde derde landen en de mogelijke betrokkenheid van internationale organisaties bij de programma’s, dient, onder meer op veiligheidsgebied, expliciet te worden bepaald dat vertegenwoordigers van internationale organisaties en van derde landen, in het bijzonder Zwitserland, waarmee een samenwerkingsovereenkomst moet worden gesloten (8), bij wijze van uitzondering en onder bepaalde voorwaarden, kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie. Die voorwaarden kunnen worden opgenomen in een met de Unie te sluiten internationale overeenkomst op grond van artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), rekening houdend met veiligheidsaangelegenheden en, met name, de bescherming van gerubriceerde EU-informatie. De samenwerkingsovereenkomst inzake satellietnavigatie tussen de Europese Unie en haar lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen (9) en de Protocollen nr. 31 en nr. 37 bij de EER-overeenkomst bieden reeds een kader voor de deelname van Noorwegen. Gezien zijn bijzondere expertise, moet het mogelijk zijn om de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, binnen zijn bevoegdheidsgebied, voor of na de onderhandelingen over dergelijke internationale overeenkomsten te raadplegen.

(25)

Bovendien dient Verordening (EU) nr. 912/2010 in overeenstemming te worden gebracht met de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen, die door die drie instellingen op respectievelijk 5 juli, 26 juni en 12 juni 2012 is goedgekeurd, vooral met betrekking tot de voorschriften voor de vaststelling van de besluiten van de Raad van bestuur, de duur van de ambtstermijn van de leden van de Raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en van die van hun voorzitters, het bestaan van een meerjarig werkprogramma, de bevoegdheden van de Raad van bestuur inzake personeelsbeleid, de evaluatie en de herziening van de verordening, het voorkomen en het beheer van belangenconflicten, en de behandeling van niet-gerubriceerde maar gevoelige gegevens. De procedure voor de vaststelling van het meerjarig werkprogramma moet worden gevolgd met volledige naleving van de beginselen inzake loyale samenwerking en rekening houdend met de tijdsdruk waarmee een dergelijk werkprogramma gepaard gaat.

(26)

Wat betreft het voorkomen en het omgaan met belangenconflicten, is het essentieel dat het Agentschap een reputatie van onpartijdigheid, integriteit en hoge professionele normen verwerft en handhaaft. Er mag nooit enige gegronde aanleiding zijn om te vermoeden dat besluiten worden beïnvloed door belangen die indruisen tegen de rol van het Agentschap als orgaan dat in dienst staat van de hele Unie, of door de particuliere belangen of connecties van een personeelslid van het Agentschap, van elke gedetacheerde nationale deskundige of waarnemer, van een lid van de Raad van bestuur of de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, welke in strijd zouden zijn of zouden kunnen zijn met de correcte vervulling van de officiële taken van de betrokkene. De Raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie moeten met betrekking tot dit punt voor het hele Agentschap uitgebreide voorschriften over belangenconflicten vaststellen. In die voorschriften moet rekening worden gehouden met de aanbevelingen die de Rekenkamer heeft gedaan in haar Speciaal verslag nr. 15 van 2012, dat werd opgesteld op verzoek van het Europees Parlement, en met de noodzaak om belangenconflicten tussen de leden van de Raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie te vermijden.

(27)

Met het oog op een transparante werking van het Agentschap moet zijn reglement van orde worden bekendgemaakt. Dit neemt evenwel niet weg dat bij wijze van uitzondering bepaalde publiek en private belangen moeten worden beschermd. Met het oog op een vlot verloop van de programma’s, moeten de meerjarige en jaarlijkse werkprogramma’s en het jaarverslag zo gedetailleerd mogelijk zijn. Bijgevolg zouden deze materiaal kunnen bevatten dat gevoelig is vanuit beveiligingsoogpunt of vanuit het oogpunt van contractuele betrekkingen. Daarom verdient het aanbeveling om slechts een samenvatting van die documenten bekend te maken. In het belang van de transparantie moeten die samenvattingen desalniettemin zo volledig mogelijk zijn.

(28)

Ook dient te worden benadrukt dat werkprogramma’s van het Agentschap moeten worden vastgesteld op basis van een prestatiebeheerproces, met inbegrip van prestatie-indicatoren, met het oog op een doeltreffende en efficiënte beoordeling van de behaalde resultaten.

(29)

De werkprogramma’s van het Agentschap dienen ook een middelenplanning te bevatten, met inbegrip van de menselijke en financiële middelen die aan iedere activiteit worden toegewezen en rekening houdend met het feit dat de uitgaven in verband met de nieuwe personeelsbehoeften van het Agentschap deels moeten worden gecompenseerd door een passende reductie in de personeelsformatie van de Commissie tijdens dezelfde periode, met name met ingang van 2014 tot en met 2020.

(30)

Onverminderd het politieke besluit over de vestigingsplaats van de agentschappen van de Unie, de wenselijkheid van geografische spreiding en de door de lidstaten met betrekking tot de vestigingsplaats van nieuwe agentschappen bepaalde doelstellingen, als vervat in de conclusies van de vertegenwoordigers van de lidstaten, op 13 december 2003 te Brussel bijeen op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders, waaraan werd herinnerd in de conclusies van de Europese Raad van juni 2008, dienen objectieve criteria in aanmerking te worden genomen bij de besluitvorming inzake het kiezen van een vestigingsplaats voor de plaatselijke kantoren van het Agentschap. Die criteria omvatten onder meer de toegankelijkheid van het gebouw, het voorhanden zijn van geschikte onderwijsinfrastructuren voor de kinderen van de personeelsleden en de gedetacheerde nationale deskundigen, de toegang tot de arbeidsmarkt, het socialezekerheidsstelsel en de gezondheidszorg voor de gezinnen van de personeelsleden en de gedetacheerde nationale deskundigen, alsmede de kosten voor uitvoering en werking.

(31)

De gastlanden moeten door middel van specifieke regelingen het noodzakelijke klimaat scheppen voor een vlotte werking van het Agentschap, zoals passende onderwijs- en vervoersfaciliteiten.

(32)

De vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten hebben bij Besluit 2010/803/EU (10) bepaald dat het Agentschap te Praag zal worden gevestigd. De zetelovereenkomst tussen Tsjechië en het Agentschap is op 16 december 2011 gesloten en op 9 augustus 2012 in werking getreden. Die zetelovereenkomst en andere specifieke regelingen worden geacht te voldoen aan de voorschriften van Verordening (EU) nr. 912/2010.

(33)

De financiële belangen van de Unie moeten gedurende de gehele uitgavencyclus worden beschermd door evenredige maatregelen, inclusief de preventie en de opsporing van onregelmatigheden, het verrichten van onderzoeken, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, in voorkomend geval, het toepassen van sancties.

(34)

Aangezien artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om aanvullende middelen te verstrekken teneinde bepaalde elementen van de programma’s te financieren, moet aan het Agentschap worden toegestaan om gezamenlijk met de lidstaten aanbestedingen uit te schrijven wanneer dat voor de uitvoering van zijn taken noodzakelijk blijkt.

(35)

Het Agentschap dient de voorschriften van de Commissie op het gebied van de beveiliging van gerubriceerde EU-informatie toe te passen. Het dient ook voorschriften te kunnen vaststellen voor de behandeling van niet-gerubriceerde maar wel gevoelige informatie. Die voorschriften dienen alleen van toepassing te zijn op de verwerking van die informatie door het Agentschap. Niet-gerubriceerde maar gevoelige informatie of materiaal omvat informatie die of materiaal dat het Agentschap moet beschermen op grond van in de Verdragen opgenomen wettelijke verplichtingen en/of omwille van het gevoelige karakter ervan. Die informatie of dat materiaal omvat, maar is niet beperkt tot, informatie die of materiaal dat onder het beroepsgeheim valt, als bedoeld in artikel 339 VWEU, informatie in verband met de kwesties die worden bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (11) of informatie die onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (12) valt.

(36)

Verordening (EU) nr. 912/2010 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 912/2010 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De artikelen 2 tot en met 8 worden vervangen door:

„Artikel 2

Taken

De taken van het Agentschap zijn die welke zijn vastgesteld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13).

Artikel 3

Organen

1.   De organen van het Agentschap zijn:

a)

de Raad van bestuur;

b)

de uitvoerend directeur;

c)

de Raad voor de veiligheidsaccreditatie van Europese GNSS-systemen (de „Raad voor de veiligheidsaccreditatie”).

2.   De organen van het Agentschap voeren hun taken uit, zoals respectievelijk vastgesteld in de artikelen 6, 8 en 11.

3.   De Raad van bestuur en de uitvoerend directeur, de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en de voorzitter ervan, werken samen om de goede werking van het Agentschap en de coördinatie van de organen ervan te waarborgen, op de wijze die is vastgesteld door de interne voorschriften van het Agentschap, zoals het reglement van orde van de Raad van bestuur, het reglement van orde van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, de op het Agentschap toepasselijke financiële bepalingen, de bepalingen voor de toepassing van het personeelsstatuut en de voorwaarden voor toegang tot de documenten.

Artikel 4

Rechtspersoonlijkheid, plaatselijke kantoren

1.   Het Agentschap is een orgaan van de Unie. Het heeft rechtspersoonlijkheid.

2.   In elk van de lidstaten geniet het Agentschap de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid welke aan rechtspersonen krachtens het recht wordt verleend. Het kan in het bijzonder roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en kan in rechte optreden.

3.   Het Agentschap kan besluiten plaatselijke kantoren te vestigen in de lidstaten, met hun instemming, of in derde landen die overeenkomstig artikel 23 aan de werkzaamheden van het Agentschap deelnemen.

4.   De keuze voor de vestigingsplaats van die kantoren wordt gemaakt op basis van objectieve criteria die gericht zijn op een vlotte werking van het Agentschap.

De bepalingen betreffende de vestiging en de werking van het Agentschap in de ontvangende lidstaten en de ontvangende derde landen en betreffende de voordelen die zij toestaan aan de uitvoerend directeur, aan de leden van de Raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en aan het personeel van het Agentschap en hun gezinsleden worden vastgelegd in bijzondere regelingen die worden overeengekomen door het Agentschap en die staten en landen. De bijzondere regelingen worden goedgekeurd door de Raad van bestuur.

5.   De ontvangende lidstaten en de ontvangende derde landen scheppen door middel van de specifieke regelingen bedoeld in lid 4 de noodzakelijke voorwaarden voor een vlotte werking van het Agentschap.

6.   Overeenkomstig artikel 11 bis, lid 1, onder f), wordt het Agentschap vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

Artikel 5

Raad van bestuur

1.   Er wordt een Raad van bestuur ingesteld om de in artikel 6 opgesomde taken uit te voeren.

2.   De Raad van bestuur bestaat uit:

a)

één vertegenwoordiger per lidstaat;

b)

vier vertegenwoordigers van de Commissie;

c)

één vertegenwoordiger zonder stemrecht van het Europees Parlement.

De leden van de Raad van bestuur en van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie worden benoemd op basis van hun mate van relevante ervaring en deskundigheid.

De ambtstermijn van de leden van de Raad van bestuur bedraagt vier jaar en kan eenmaal worden verlengd. Het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten trachten het verloop van hun vertegenwoordigers in de Raad van bestuur te beperken.

De voorzitter of de vicevoorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna de „HV”) en een vertegenwoordiger van het Europees Ruimteagentschap (hierna „ESA”) worden uitgenodigd om als waarnemers de vergaderingen van de Raad van bestuur bij te wonen onder de in het reglement van orde van de Raad van bestuur vastgestelde voorwaarden.

3.   Indien nodig, worden de deelname van vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties en de voorwaarden daarvoor vastgelegd in de in artikel 23, lid 1, bedoelde overeenkomsten en leven zij het reglement van orde van de Raad van bestuur na.

4.   De Raad van bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn taken te verrichten. De ambtstermijn van zowel de voorzitter als de vicevoorzitter bedraagt twee jaar, is eenmaal verlengbaar en elke ambtstermijn loopt af wanneer de persoon geen lid meer is van de Raad van bestuur.

De Raad voor de veiligheidsaccreditatie is bevoegd om de voorzitter, de vicevoorzitter of beiden te ontslaan.

5.   De voorzitter roept de vergaderingen van de Raad van bestuur bijeen.

De uitvoerend directeur neemt normaliter deel aan de beraadslagingen, tenzij de voorzitter anders bepaalt.

De Raad van bestuur houdt tweemaal per jaar een gewone vergadering. Daarnaast komt de Raad van bestuur, op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden, bijeen.

De Raad van bestuur kan eenieder wiens advies van belang kan zijn, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen. De leden van de Raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de Raad van bestuur bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

Het secretariaat van de Raad van bestuur wordt verzorgd door het Agentschap.

6.   Tenzij deze verordening anders bepaalt, neemt de Raad van bestuur besluiten met absolute meerderheid van de stemmen van zijn stemgerechtigde leden.

Een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden is vereist voor het verkiezen en het ontslaan van de voorzitter en de vicevoorzitter van de Raad van bestuur als bedoeld in lid 4, en voor de goedkeuring van de begroting en de werkprogramma’s.

7.   Elke vertegenwoordiger van een lidstaat en van de Commissie heeft één stem. De uitvoerend directeur neemt niet aan de stemming deel. Besluiten op grond van artikel 6, lid 2, onder a) en b), en artikel 6, lid 5, met uitzondering van de aangelegenheden die onder hoofdstuk III vallen, worden niet aangenomen zonder een gunstig standpunt van de vertegenwoordigers van de Commissie.

Het reglement van orde van de Raad van bestuur bepaalt de nadere bijzonderheden van de stemprocedure, en in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen.

Artikel 6

Taken van de Raad van bestuur

1.   De Raad van bestuur ziet erop toe dat het Agentschap de eraan toevertrouwde taken uitvoert onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, en neemt alle besluiten die daartoe nodig zijn, onverminderd de bevoegdheden die aan de Raad voor de veiligheidsaccreditatie zijn toebedeeld voor de activiteiten krachtens hoofdstuk III.

2.   Daarnaast voert de Raad van bestuur ook de volgende taken uit:

a)

hij stelt uiterlijk op 30 juni van het eerste jaar van het meerjarig financieel kader als bedoeld in artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, het meerjarig werkprogramma van het Agentschap op voor de periode die onder het meerjarig financieel kader valt, na er, zonder enige wijziging, het deel in te hebben opgenomen dat de Raad voor de veiligheidsaccreditatie overeenkomstig artikel 11, lid 4, onder a), heeft opgesteld en na het advies van de Commissie te hebben ontvangen. Het Europees Parlement wordt over het meerjarenprogramma geraadpleegd op voorwaarde dat dit gebeurt in de vorm van een gedachtewisseling; en het advies niet bindend is voor het Agentschap;

b)

hij stelt uiterlijk op 15 november van elk jaar het werkprogramma van het Agentschap voor het komende jaar vast na er, zonder enige wijziging, het deel in te hebben opgenomen dat de Raad voor de veiligheidsaccreditatie overeenkomstig artikel 11, lid 4, onder b), heeft opgesteld en na het advies van de Commissie te hebben ontvangen;

c)

hij verricht de taken met betrekking tot de begroting overeenkomstig artikel 13, leden 5, 6, 10 en 11, en artikel 14, lid 5;

d)

hij ziet toe op de exploitatie van het Galileo-centrum voor de beveiligingscontrole als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a) ii), van Verordening (EU) nr. 1285/2013;

e)

hij stelt de regelingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (14) vast, overeenkomstig artikel 21 van deze verordening;

f)

hij keurt de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelingen goed, na raadpleging van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie over de bepalingen van die regelingen betreffende veiligheidsaccreditatie;

g)

hij stelt de technische procedures vast die nodig zijn voor de uitvoering van zijn taken;

h)

hij stelt het jaarverslag over de activiteiten en de vooruitzichten van het Agentschap vast, na er het deel ongewijzigd in te hebben opgenomen dat de Raad voor de veiligheidsaccreditatie overeenkomstig artikel 11, lid 4, onder c), heeft opgesteld, en zendt dit uiterlijk op 1 juli toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer;

i)

hij geeft het nodige gevolg aan de bevindingen en aanbevelingen van de in artikel 26 bedoelde evaluaties en audits, die van de onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en alle interne en externe auditverslagen en zendt de begrotingsautoriteit alle informatie toe die voor de evaluatieprocedures van belang is;

j)

hij wordt geraadpleegd door de uitvoerend directeur over de delegatieovereenkomsten als bedoeld in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1285/2013 voordat zij ondertekend worden;

k)

hij stelt, op basis van de uitvoerend directeur, de werkregelingen tussen het Agentschap en het ESA als bedoeld in artikel 14, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1285/2013 vast;

l)

hij stelt, op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur, een fraudebestrijdingsstrategie vast;

m)

hij stelt waar nodig, op basis van voorstellen van de uitvoerend directeur, de organisatiestructuren van het Agentschap vast;

n)

hij stelt het reglement van orde vast en maakt het bekend.

3.   Ten aanzien van het personeel van het Agentschap oefent de Raad van bestuur de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag uit, die worden verleend door respectievelijk het statuut van de ambtenaren van de Unie (15) („Statuut van de Ambtenaren”) en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie („de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag”).

Overeenkomstig de procedure van artikel 110 van het Statuut, kan de Raad van bestuur op basis van artikel 2, lid 1, van het Statuut en op basis van artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, een besluit vaststellen om de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag te delegeren aan de uitvoerend directeur, en om de voorwaarden vast te stellen waaronder die delegatie kan worden geschorst. De uitvoerend directeur brengt aan de Raad van bestuur verslag uit over de uitoefening van die gedelegeerde bevoegdheden. De uitvoerend directeur mag deze bevoegdheid op zijn beurt subdelegeren.

Overeenkomstig de tweede alinea van dit lid kan de Raad van bestuur, wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, een besluit nemen om de delegatie van bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag aan de uitvoerend directeur en de door hem verleende subdelegatie tijdelijk te schorsen en deze bevoegdheden zelf uitoefenen dan wel delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.

In afwijking van de tweede alinea is de Raad van bestuur echter verplicht de in de eerste alinea bedoelde bevoegdheden aan de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie te delegeren, voor zover het gaat om de aanwerving, evaluatie en herplaatsing van het personeel dat betrokken was bij de activiteiten die vallen onder hoofdstuk III, alsmede de tegen dat personeel te nemen disciplinaire maatregelen.

De Raad van bestuur stelt de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de Ambtenaren en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie vast overeenkomstig artikel 110 van het Statuut. Wat de werving, evaluatie en herplaatsing van het bij de activiteiten krachtens hoofdstuk III betrokken personeel en de ten aanzien van dat personeel te nemen disciplinaire maatregelen betreft, raadpleegt hij vooraf de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en houdt hij terdege rekening met diens opmerkingen.

Hij stelt ook een besluit houdende voorschriften inzake de detachering van nationale deskundigen bij het Agentschap vast. Voorafgaand aan dat besluit raadpleegt de Raad van bestuur, de Raad voor de veiligheidsaccreditatie in verband met de detachering van de bij de in hoofdstuk III bedoelde activiteiten op het gebied van veiligheidsaccreditatie betrokken nationale deskundigen, en houdt hij naar behoren rekening met de opmerkingen van deze raad.

4.   De Raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur en kan diens mandaat overeenkomstig artikel 15 ter, leden 3 en 4, verlengen of beëindigen.

5.   De Raad van bestuur oefent tuchtrechtelijk toezicht uit op de uitvoerend directeur betrekking tot diens prestatie, in het bijzonder op het gebied van beveiligingsaangelegenheden die tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren, met uitzondering van activiteiten overeenkomstig hoofdstuk III.

Artikel 7

Uitvoerend directeur

Het Agentschap wordt geleid door zijn uitvoerend directeur, die zijn taken uitvoert onder toezicht van de Raad van bestuur, onverminderd de bevoegdheden die overeenkomstig de artikelen 11 en 11 bis respectievelijk aan de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie zijn verleend.

Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie en de Raad van bestuur, is de uitvoerend directeur onafhankelijk bij de uitvoering van zijn taken en vraagt noch aanvaardt hij instructies van een regering of enige andere instantie.

Artikel 8

Taken van de uitvoerend directeur

De uitvoerend directeur voert de volgende taken uit:

a)

hij vertegenwoordigt het Agentschap, behalve met betrekking tot activiteiten en besluiten overeenkomstig de hoofdstukken II en III; en hij ondertekent de delegatieovereenkomsten als bedoeld in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1285/2013, overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder j), van de onderhavige verordening;

b)

hij werkt de werkregelingen tussen het Agentschap en het ESA als bedoeld in artikel 14, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1285/2013 uit en legt die voor aan de Raad van bestuur overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder k), van de onderhavige verordening en hij ondertekent deze na ontvangst van de goedkeuring van de Raad van bestuur;

c)

hij bereidt de werkzaamheden van de Raad van bestuur voor en neemt, zonder stemrecht, deel aan de werkzaamheden van de Raad van bestuur, met inachtneming van artikel 5, lid 5, tweede alinea;

d)

hij voert de besluiten van de Raad van bestuur uit;

e)

hij stelt het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma van het Agentschap op en legt het voor bij de Raad van bestuur, met uitzondering van de delen die overeenkomstig artikel 11, lid 4, onder a) en b), worden opgesteld en goedgekeurd door de Raad voor de veiligheidsaccreditatie;

f)

hij voert het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma uit, met uitzondering van de delen die overeenkomstig artikel 11 bis, lid 1, onder b), worden uitgevoerd door de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie;

g)

hij stelt voor elke vergadering van de Raad van bestuur een voortgangsverslag op over de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma en waar nodig van het meerjarige werkprogramma waarin, zonder enige wijziging, het deel is opgenomen dat de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie heeft opgesteld overeenkomstig artikel 11 bis, lid 1, onder d);

h)

hij stelt het jaarverslag over de activiteiten en de vooruitzichten van het Agentschap op, met uitzondering van het deel dat overeenkomstig artikel 11, lid 4, onder c), door de Raad voor de veiligheidsaccreditatie over de in hoofdstuk III bedoelde activiteiten wordt opgesteld en goedgekeurd, en legt dit ter goedkeuring voor aan de Raad van bestuur;

i)

hij neemt alle noodzakelijke maatregelen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om het functioneren van het Agentschap in overeenstemming met deze verordening te waarborgen;

j)

hij stelt overeenkomstig artikel 13 een ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap op en voert overeenkomstig artikel 14 de begroting uit;

k)

hij zorgt ervoor dat het Agentschap, als exploitant van het Galileo-centrum voor beveiligingscontrole, gehoor kan geven aan instructies die uit hoofde van Gemeenschappelijk Optreden 2004/552/GBVB van de Raad (16) worden verstrekt en hij zijn rol als bedoeld in artikel 6 van Besluit nr. 1104/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad (17) kan vervullen;

l)

hij zorgt voor de doorstroming van relevante informatie, in het bijzonder wat betreft beveiligingsaangelegenheden, tussen de organen van het Agentschap bedoeld in artikel 3, lid 1, van deze verordening;

m)

hij deelt de Commissie het standpunt van het Agentschap mee wat betreft de potentiële technische en operationele specificaties die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 12, lid 3, onder d), van Verordening (EU) nr. 1285/2013 bedoelde systeemevoluties alsmede voor de vaststelling van goedkeurings- en evaluatieprocedures, en onderzoeksactiviteiten ter ondersteuning van die evoluties;

n)

hij werkt bij de voorbereiding, in nauwe samenwerking met de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, wat betreft de aangelegenheden die verband houden met veiligheidsaccreditatieactiviteiten krachtens hoofdstuk III van deze verordening, de organisatiestructuur van het Agentschap uit en legt die ter goedkeuring aan de Raad van bestuur voor;

o)

hij oefent ten aanzien van het personeel van het Agentschap de in artikel 6, lid 3, eerste alinea, bedoelde bevoegdheden uit, voor zover die bevoegdheden hem zijn verleend overeenkomstig de tweede alinea daarvan;

p)

hij neemt, na instemming van de Raad van bestuur, de vereiste maatregelen om overeenkomstig artikel 4, lid 3, plaatselijke kantoren in de lidstaten of in derde landen te vestigen;

q)

hij zorgt ervoor dat de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, de in artikel 11, lid 11, bedoelde organen en de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie beschikken over een secretariaat en alle middelen die nodig zijn voor een goede werking;

r)

hij bereidt een actieplan voor voor de follow-up van de bevindingen en aanbevelingen van de in artikel 26 bedoelde evaluaties en audits, met uitzondering van het de afdeling van het actieplan dat de onder hoofdstuk III vallende activiteiten betreft, en legt aan de Commissie een halfjaarlijks voortgangsverslag voor, na er, zonder enige wijziging, het door de Raad voor veiligheidsaccreditatie opgestelde deel in te hebben opgenomen, dat wordt ter informatie tevens aan de Raad van bestuur voorgelegd;

s)

hij neemt de volgende maatregelen om de financiële belangen van de Unie te beschermen:

i)

hij neemt preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, alsmede doeltreffende controlemaatregelen;

ii)

hij gaat, wanneer er onregelmatigheden worden ontdekt, over tot invordering van de ten onrechte betaalde bedragen en past zo nodig administratieve en financiële sancties toe die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn;

t)

hij ontwikkelt voor het Agentschap een fraudebestrijdingsstrategie die in verhouding staat tot de risico’s op fraude, die uitgaat van een kosten-batenanalyse van de uit te voeren maatregelen en die rekening houdt met de bevindingen en aanbevelingen die voortvloeien uit de onderzoeken van OLAF, en legt die ter goedkeuring aan de Raad van bestuur voor.

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 8 bis

Werkprogramma en jaarverslag

1.   Het in artikel 6, lid 2, onder a), bedoelde meerjarig werkprogramma van het Agentschap stelt vast welke maatregelen het Agentschap moet nemen tijdens de periode die valt onder het meerjarig financieel kader bedoeld in artikel 312 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met inbegrip van de maatregelen die verband houden met de internationale betrekkingen en met de communicatie waarvoor het aansprakelijk is. Dat programma voorziet in een alomvattende strategische planning, met doelstellingen, mijlpalen, verwachte resultaten en prestatie-indicatoren, alsook een middelenplanning, die onder meer betrekking heeft op de aan elke activiteit toegewezen personele en financiële middelen. Hierbij worden de in artikel 26 van deze verordening bedoelde evaluaties en audits in aanmerking genomen. Het meerjarig werkprogramma omvat, ter informatie, ook een beschrijving van de taken die de Commissie aan het Agentschap heeft toevertrouwd, waaronder taken in verband met het programmabeheer als bedoeld in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1285/2013.

2.   Het in artikel 6, lid 2, onder b), van deze verordening bedoelde jaarlijkse werkprogramma is gebaseerd op het meerjarig werkprogramma. In het jaarlijkse werkprogramma worden de maatregelen vastgesteld die het Agentschap tijdens het komende jaar moet verrichten, met inbegrip van de maatregelen in verband met de internationale betrekkingen en de communicatie waarvoor het verantwoordelijk is. Het meerjarig werkprogramma omvat nauwkeurige doelstellingen en verwachte resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren. Het vermeldt duidelijk welke taken ten opzichte van het vorige begrotingsjaar zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt, alsook de wijzigingen wat betreft prestatie-indicatoren en streefwaarden. Het programma stelt ook de personele en financiële middelen vast die voor elke activiteit worden uitgetrokken. Het omvat, ter informatie, de taken die de Commissie in voorkomend geval aan het Agentschap heeft toevertrouwd middels een delegatieovereenkomst overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1285/2013.

3.   De uitvoerend directeur zendt het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma, nadat die zijn aangenomen door de Raad van bestuur, toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten, en maakt een samenvatting daarvan bekend.

4.   Het in artikel 8, onder h), van deze verordening bedoelde jaarverslag bevat informatie over:

a)

de uitvoering van het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma, onder meer wat betreft de prestatie-indicatoren;

b)

de uitvoering van het plan voor de begroting en het personeelsbeleid;

c)

de beheers- en internecontrolesystemen van het Agentschap en de voortgang met de uitvoering van de in artikel 11, onder e), van Verordening (EU) nr. 1285/2013 bedoelde beheerssystemen en technieken;

d)

maatregelen om de milieuprestatie van het Agentschap te verbeteren;

e)

bevindingen van interne en externe audits en de follow-up van de uit de audit verkregen aanbeveling en van de aanbeveling betreffende de kwijting;

f)

de betrouwbaarheidsverklaring van de uitvoerend directeur.

Er wordt een samenvatting van het jaarverslag openbaar gemaakt.”.

3)

Artikel 9, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.   Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 gelden, wanneer door de exploitatie van de systemen de veiligheid van de Unie of de lidstaten in gevaar kan worden gebracht, de procedures die zijn vastgesteld bij Gemeenschappelijk Optreden 2004/552/GBVB.”.

4)

De artikelen 10 en 11 worden vervangen door:

„Artikel 10

Algemene beginselen

De veiligheidsaccreditatieactiviteiten voor Europese GNSS-systemen als bedoeld in dit hoofdstuk worden uitgevoerd volgens de onderstaande beginselen:

a)

veiligheidsaccreditatieactiviteiten en -besluiten worden uitgevoerd in een context van collectieve verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de Unie en de lidstaten;

b)

er dient ernaar te worden gestreefd besluiten bij consensus te nemen;

c)

voor veiligheidsaccreditatieactiviteiten wordt een aanpak van risicobeoordeling en -beheer gehanteerd waarbij de risico’s voor de veiligheid van de Europese GNSS systemen en het effect op de kosten of de tijdschema’s van maatregelen ter beperking van de risico’s worden bezien, rekening houdend met de doelstelling om het algemene veiligheidsniveau van de systemen niet te verlagen;

d)

de veiligheidsaccreditatiebesluiten worden opgesteld en genomen door vakmensen die voldoende bekwaamheid bezitten op het vlak van de accreditatie van complexe systemen en die over een veiligheidsmachtiging van een passend niveau beschikken, en op objectieve wijze optreden;

e)

er wordt gepoogd alle bij de veiligheid betrokken actoren te raadplegen;

f)

veiligheidsaccreditatieactiviteiten worden door alle relevante actoren volgens een veiligheidsaccreditatiestrategie verricht, onverminderd de rol van de Europese Commissie als bepaald in Verordening (EU) nr. 1285/2013;

g)

veiligheidsaccreditatiebesluiten worden conform de in de desbetreffende veiligheidsaccreditatiestrategie vastgestelde procedure gebaseerd op lokale veiligheidsaccreditatiebesluiten die worden genomen door de respectieve nationale veiligheidsaccreditatie-instanties van de lidstaten;

h)

een permanent, transparant en volkomen begrijpelijk monitoringproces zorgt ervoor dat de veiligheidsrisico’s van Europese GNSS-systemen bekend zijn, dat er beveiligingsmaatregelen worden vastgesteld om die risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken in het licht van de veiligheidsbehoeften van de Unie en haar lidstaten en ter wille van een soepel verloop van de programma’s, en dat die maatregelen worden toegepast overeenkomstig het begrip „diepgaande verdediging”. De doeltreffendheid van deze maatregelen wordt voortdurend geëvalueerd. Het proces van beoordeling en beheer van veiligheidsrisico’s wordt als een iteratief proces gezamenlijk uitgevoerd door de actoren van de programma’s;

i)

veiligheidsaccreditatiebesluiten worden strikt onafhankelijk uitgevoerd, ook jegens de Commissie en de andere organen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de programma’s en de dienstverlening, en jegens de uitvoerend directeur en de Raad van bestuur van het Agentschap;

j)

bij de uitvoering van de accreditatieactiviteiten wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van adequate coördinatie tussen de Commissie en de instanties die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de beveiligingsvoorschriften;

k)

gerubriceerde EU-informatie wordt door alle bij de uitvoering van de programma’s betrokken actoren behandeld en beschermd overeenkomstig de basisbeginselen en de minimumnormen die zijn vervat in de beveiligingsvoorschriften van respectievelijk de Raad en de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie.

Artikel 11

Raad voor de veiligheidsaccreditatie

1.   Er wordt een Raad voor de veiligheidsaccreditatie van de Europese GNSS-systemen („de Raad voor de veiligheidsaccreditatie”) opgericht die om de in dit artikel vermelde taken uit te voeren.

2.   De Raad voor de veiligheidsaccreditatie verricht zijn taken onverminderd de bij Verordening (EU) nr. 1285/2013 aan de Commissie toegekende bevoegdheid, met name wat betreft aangelegenheden op het gebied van beveiliging, en onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van veiligheidsaccreditatie.

3.   Als instantie voor veiligheidsaccreditatie is de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, wat betreft de veiligheidsaccreditatie van de Europese GNSS-systemen, verantwoordelijk voor:

a)

de opstelling en goedkeuring van een strategie voor veiligheidsaccreditatie met opgave van:

i)

het toepassingsgebied van de activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het behoud van de accreditatie van de Europese GNSS-systemen en de mogelijke interconnectie daarvan met andere systemen;

ii)

een veiligheidsaccreditatieprocedure voor de Europese GNSS-systemen, waarbij de mate van gedetailleerdheid evenredig is met het vereiste niveau van zekerheid en de voorwaarden voor goedkeuring duidelijk zijn vermeld; deze procedure wordt gevolgd naar gelang van de betrokken vereisten, met name die welke worden bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1285/2013;

iii)

de rol van de bij de accreditatieprocedure betrokken relevante actoren;

iv)

een tijdschema voor accreditatie dat overeenstemt met de fasen van de programma’s, met name wat de stationering van infrastructuur, de dienstverlening en de evolutie betreft;

v)

de beginselen van de veiligheidsaccreditatie voor met de systemen verbonden netwerken en met de systemen verbonden PRS-apparatuur opgericht krachtens het Galileo-programma, die moet worden verricht door de nationale entiteiten die in de betrokken lidstaten bevoegd zijn voor veiligheidsaangelegenheden;

b)

het nemen van veiligheidsaccreditatiebesluiten, met name wat betreft de goedkeuring van satellietlanceringen, de machtiging om de systemen in hun diverse configuraties en voor de diverse diensten tot en met het signaal in de ruimte te exploiteren en de machtiging om de grondstations te exploiteren. Wat de krachtens het Galileo-programma aan het systeem verbonden netwerken en PRS-apparatuur betreft, neemt de Raad voor de veiligheidsaccreditatie alleen besluiten over de machtiging van organen om PRS-ontvangers of PRS-veiligheidsmodules te ontwikkelen en te vervaardigen, rekening houdend met het advies van de nationale autoriteiten die bevoegd zijn inzake beveiligingsaangelegenheden en met de algehele veiligheidsrisico’s;

c)

het bestuderen en, tenzij het documenten betreft die de Commissie moet aannemen krachtens artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 en artikel 8 van Besluit nr. 1104/2011/EU, het goedkeuren van documentatie over veiligheidsaccreditatie;

d)

het verstrekken, binnen zijn bevoegdheid, van advies aan de Commissie bij de opstelling van ontwerpteksten voor handelingen als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 en artikel 8 van Besluit nr. 1104/2011EU, met inbegrip van de vaststelling van operationele beveiligingsprocedures (SecOps), en het verstrekken van een verklaring met zijn afsluitend standpunt;

e)

het bestuderen en goedkeuren van de veiligheidsrisicobeoordeling die is ontwikkeld overeenkomstig het in artikel 10, onder h), bedoelde controleproces, rekening houdend met de naleving van de in dit lid onder c) bedoelde documenten en met de documenten die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1285/2013 en artikel 8 van Besluit nr. 1104/2011EU; de samenwerking met de Commissie bij het vaststellen risicobeperkende maatregelen;

f)

het controleren van de tenuitvoerlegging van beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de veiligheidsaccreditatie van de Europese GNSS-systemen, en wel via het uitvoeren of steunen van beveiligingsbeoordelingen, -inspecties of -evaluaties, in overeenstemming met artikel 12, onder b), van deze verordening;

g)

het onderschrijven van de selectie van goedgekeurde producten en maatregelen die bescherming bieden tegen elektronisch afluisteren (TEMPEST) en van goedgekeurde cryptografische producten die worden gebruikt om de Europese GNSS-systemen te beveiligen;

h)

het goedkeuren van, of waar passend, het samen met de betrokken autoriteit die bevoegd is inzake beveiligingsaangelegenheden goedkeuren van de interconnectie van de Europese GNSS-systemen met andere systemen;

i)

het bereiken van overeenstemming met de betrokken lidstaat over het model voor toegangscontrole als bedoeld in artikel 12, onder c);

j)

het in kennis stellen van de Commissie, op basis van de in lid 11 van dit artikel vermelde risicoverslagen, van zijn risicobeoordeling, en het verstrekken van advies aan de Commissie over opties voor de aanpak van restrisico’s met betrekking tot een bepaald veiligheidsaccreditatiebesluit;

k)

in nauwe samenwerking met de Commissie en op specifiek verzoek van de Raad, bijstand verlenen aan de Raad bij de uitvoering van het Gemeenschappelijk Optreden 2004/552/GBVB;

l)

het verrichten van de raadplegingen die hij nodig heeft om zijn taken uit te voeren.

4.   De Raad voor de veiligheidsaccreditatie verricht tevens de volgende taken:

a)

opstellen en goedkeuren van dat deel van het meerjarig werkprogramma dat wordt bedoeld in artikel 8 bis, lid 1, betreffende de operationele activiteiten die onder het onderhavige hoofdstuk vallen en betreffende de financiële en personele middelen die noodzakelijk zijn voor de verrichting van die activiteiten, en tijdige indiening van dit deel bij de Raad van bestuur zodat het in het meerjarig programma kan worden opgenomen;

b)

opstellen en goedkeuren van dat deel van het jaarlijkse werkprogramma dat wordt bedoeld in artikel 8 bis, lid 2, betreffende de operationele activiteiten die onder het onderhavige hoofdstuk vallen en betreffende de financiële en personele middelen die noodzakelijk zijn voor de verrichting van die activiteiten, en tijdige indiening van dit deel bij de Raad van bestuur zodat het in het meerjarige programma kan worden opgenomen;

c)

opstellen en goedkeuren van dat deel van het jaarverslag dat wordt bedoeld in artikel 6, lid 2, onder h), betreffende de activiteiten en de vooruitzichten van het Agentschap die onder het onderhavige hoofdstuk vallen en betreffende de financiële en personele middelen die noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van die activiteiten en vooruitzichten, en het tijdige indienen van dit deel bij de Raad van bestuur zodat het in het jaarverslag kan worden opgenomen;

d)

het reglement van orde vaststellen en het bekendmaken.

5.   De Commissie houdt de Raad voor de veiligheidsaccreditatie permanent op de hoogte van de gevolgen van de door de Raad voor de veiligheidsaccreditatie voorgenomen besluiten, voor het goede verloop van de programma’s, alsmede van de uitvoering van plannen voor de aanpak van restrisico’s. De Raad voor de veiligheidsaccreditatie neemt nota van dergelijke adviezen van de Commissie.

6.   De besluiten van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie worden aan de Commissie toegezonden.

7.   De Raad voor de veiligheidsaccreditatie bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat, één vertegenwoordiger van de Commissie en één vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger. De lidstaten, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger trachten het verloop van hun respectievelijke vertegenwoordigers in de Raad voor de veiligheidsaccreditatie te beperken. De ambtstermijn van de leden van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie bedraagt vier jaar en kan worden verlengd. Een vertegenwoordiger van het ESA wordt uitgenodigd om de vergaderingen van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie als waarnemer bij te wonen. Bij uitzondering kunnen ook vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties worden uitgenodigd om vergaderingen als waarnemers bij te wonen voor aangelegenheden die die derde landen of internationale organisaties rechtstreeks aanbelangen. Regelingen voor die deelname van vertegenwoordigers van derde landen of internationale organisaties en de voorwaarden ervan worden vastgelegd in de in artikel 23, lid 1, bedoelde overeenkomsten, en moeten het reglement van orde van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie naleven.

8.   De Raad voor de veiligheidsaccreditatie kiest uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter met een meerderheid van twee derde van alle stemgerechtigde leden. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn taken te verrichten.

De Raad voor de veiligheidsaccreditatie is bevoegd om de voorzitter, de vicevoorzitter of beiden te ontslaan. Hij neemt het besluit daartoe met een meerderheid van twee derde van zijn leden.

De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie bedraagt twee jaar en kan een keer worden verlengd. De ambtstermijn van beide personen neemt een einde wanneer zij hun hoedanigheid van lid van Raad voor de veiligheidsaccreditatie verliezen.

9.   De Raad voor de veiligheidsaccreditatie beschikt over alle personele en materiële middelen die nodig zijn om passende administratieve ondersteuningsfuncties te vervullen en om hem in staat te stellen zich, samen met de in lid 11 vermelde organen, onafhankelijk van zijn taken te kwijten, met name bij het behandelen van dossiers, het inleiden en bewaken van de uitvoering van veiligheidsprocedures, het uitvoeren van veiligheidsaudits van de systemen, het voorbereiden van besluiten en het beleggen van zijn vergaderingen. Hij heeft tevens toegang tot alle informatie die van nut is voor de uitvoering van zijn taken en waarover het Agentschap beschikt, onverminderd de in artikel 10, onder i), vastgelegde beginselen autonomie en onafhankelijkheid.

10.   De Raad voor de veiligheidsaccreditatie en het personeel van het Agentschap dat onder zijn toezicht is geplaatst, verrichten hun werkzaamheden zo dat autonomie en onafhankelijkheid ten opzichte van de andere activiteiten van het Agentschap gewaarborgd zijn, met name ten opzichte van de operationele activiteiten in samenhang met de exploitatie van de systemen, overeenkomstig de doelstellingen van het programma. Daartoe wordt binnen het Agentschap een daadwerkelijke organisatorische scheiding tot stand gebracht tussen het personeel dat zich bezighoudt met de activiteiten die onder dit hoofdstuk vallen, en het andere personeel van het Agentschap. De Raad voor de veiligheidsaccreditatie brengt de uitvoerend directeur, de raad van bestuur en de Commissie onmiddellijk op de hoogte van alle omstandigheden die zijn autonomie of onafhankelijkheid in de weg zouden kunnen staan. Indien geen oplossing wordt gevonden binnen het Agentschap, onderzoekt de Commissie de situatie in overleg met de betrokken partijen. Op basis van het resultaat van dat onderzoek stelt de Commissie de door het Agentschap uit te voeren passende risicobeperkende maatregelen vast en brengt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan op de hoogte.

11.   De Raad voor de veiligheidsaccreditatie richt speciale ondergeschikte organen op die specifieke vraagstukken overeenkomstig zijn instructies behandelen. In het bijzonder richt de Raad, onder waarborging van de noodzakelijke continuïteit van de werkzaamheden, een panel op dat evaluaties en tests van veiligheidsanalyses uitvoert met het oog op de opstelling van risicoverslagen ter zake om hem bij te staan bij de voorbereiding van zijn besluiten. De Raad voor de veiligheidsaccreditatie kan deskundigengroepen oprichten om een bijdrage te leveren aan de werkzaamheden van het panel en kan zij deze groepen ook ontbinden.

12.   Onverminderd de bevoegdheid van de lidstaten en de bij artikel 14, lid 1, onder a), i), van Verordening (EU) nr. 1285/2013 aan het Agentschap toebedeelde taak wordt tijdens de stationeringsfase van het Galileo-programma onder toezicht van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie een deskundigengroep van de lidstaten opgericht die de taken van de instantie voor de distributie van versleuteling (IDV) moet verrichten met betrekking tot het beheer van cryptografisch materiaal van de Unie, met name voor:

i)

het beheer van vluchtsleutelcodes en andere codes die noodzakelijk zijn voor de werking van het in het kader van het Galileo-programma opgezette systeem;

ii)

de verificatie van de vaststelling en uitvoering van procedures voor de boekhouding, veilige behandeling, opslag en verstrekking van PRS-sleutelcodes.

13.   Indien er geen consensus kan worden bereikt overeenkomstig de in artikel 10 vermelde algemene beginselen, stelt de Raad voor de veiligheidsaccreditatie besluiten vast met de in artikel 16 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde meerderheid en onverminderd artikel 9. De vertegenwoordiger van de Commissie en de vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger stemmen niet. De door de Raad voor de veiligheidsaccreditatie vastgestelde besluiten worden door zijn voorzitter namens de Raad voor de veiligheidsaccreditatie ondertekend.

14.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad zo spoedig mogelijk op de hoogte van de gevolgen van veiligheidsaccreditatiebesluiten voor het goede verloop van de programma’s. Indien de Commissie van oordeel is dat een door de Raad voor de veiligheidsaccreditatie genomen besluit belangrijke gevolgen kan hebben voor het goede verloop van de programma’s, bijvoorbeeld wat betreft kosten, tijdschema’s of prestaties, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan onverwijld in kennis.

15.   Rekening houdend met de standpunten van het Europees Parlement en de Raad, die binnen een maand kenbaar moeten worden gemaakt, kan de Commissie passende maatregelen nemen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1285/2013.

16.   De Raad van bestuur wordt op gezette tijden in kennis gesteld van het verloop van de werkzaamheden van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie.

17.   In het tijdschema voor de werkzaamheden van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie wordt rekening gehouden met het jaarlijkse werkprogramma als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1285/2013.”.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 bis

Taken van de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie

1.   De voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie verricht de volgende taken:

a)

hij beheert de activiteiten in verband met de veiligheidsaccreditatie onder leiding van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie;

b)

hij voert onder toezicht van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie het deel van het meerjarig werkprogramma en van het jaarlijks werkprogramma van het Agentschap uit dat onder dit hoofdstuk valt;

c)

hij helpt de uitvoerend directeur met het opstellen van een ontwerppersoneelsformatie als bedoeld in artikel 13, lid 3, en de organisatiestructuren van het Agentschap;

d)

hij bereidt het in artikel 8, onder g), bedoelde onderdeel van het voortgangsverslag voor betreffende de operationele activiteiten die onder dit hoofdstuk vallen, en dient dit deel tijdig in bij de Raad voor de veiligheidsaccreditatie en de uitvoerend directeur zodat het in het voortgangsverslag kan worden opgenomen;

e)

hij bereidt het in artikel 8, onder h) en r), bedoelde onderdeel van het actieplan en het jaarverslag voor, betreffende de operationele activiteiten die onder dit hoofdstuk vallen, en dient dit deel tijdig in bij de uitvoerend directeur;

f)

hij treedt op als vertegenwoordiger van het Agentschap voor de activiteiten en besluiten die onder dit hoofdstuk vallen;

g)

hij oefent ten aanzien van het personeel van het Agentschap dat betrokken is bij de activiteiten van dit hoofdstuk de in artikel 6, lid 3, eerste alinea, bedoelde bevoegdheden uit, die hem of haar zijn verleend overeenkomstig de vierde alinea van artikel 6, lid 3.

2.   Voor de activiteiten die onder dit hoofdstuk vallen, kunnen het Europees Parlement en de Raad de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie uitnodigen voor een gedachtewisseling over de werkzaamheden en de vooruitzichten van het Agentschap, mede wat betreft het meerjarige en het jaarlijkse werkprogramma en het meerjarig werkprogramma.”.

6)

Artikel 12, onder b), wordt vervangen door:

„b)

verlenen naar behoren gemachtigde personen die door de Raad voor de veiligheidsaccreditatie zijn afgevaardigd, toegang tot alle informatie en tot alle voor de beveiliging van systemen relevante plaatsen en/of locaties die onder hun rechtsmacht vallen, zulks in overeenstemming met en onder toezicht van de nationale autoriteiten die bevoegd zijn inzake beveiligingsaangelegenheden, overeenkomstig hun nationale wetten en bestuursrechtelijke bepalingen en zonder discriminatie op grond van nationaliteit van onderdanen van de lidstaten, mede met het oog op veiligheidsaudits en -tests waartoe de Raad voor de veiligheidsaccreditatie heeft besloten en het in artikel 10, onder h), bedoelde monitoringproces voor veiligheidsrisico’s. Die audits en tests worden verricht overeenkomstig de volgende beginselen:

i)

het belang van beveiliging en doelmatig risicobeheer binnen de geïnspecteerde entiteiten wordt benadrukt;

ii)

tegenmaatregelen worden aanbevolen om de specifieke gevolgen van de aantasting van de vertrouwelijkheid, integriteit of beschikbaarheid van gerubriceerde informatie te matigen.”.

7)

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De uitvoerend directeur stelt, in nauw overleg met de voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie wat de activiteiten die onder hoofdstuk III vallen betreft, een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar, waarin de elementen van de ontwerpraming die verband houden met veiligheidsaccreditatieactiviteiten duidelijk worden gescheiden van de andere activiteiten van het Agentschap. De voorzitter van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie kan een toelichting bij dat ontwerp opstellen en de uitvoerend directeur zendt de ontwerpraming en deze toelichting tezamen met een ontwerppersoneelsformatie aan de Raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie.”;

b)

de leden 5 en 6 worden vervangen door:

„5.   Elk jaar stelt de Raad van bestuur, op basis van de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven en in nauw overleg met de Raad voor de veiligheidsaccreditatie wat de activiteiten die onder hoofdstuk III vallen betreft, een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende begrotingsjaar.

6.   De Raad van bestuur zendt uiterlijk op 31 maart de raming, die tevens een ontwerppersoneelsformatie bevat, samen met het voorlopig jaarlijkse werkprogramma toe aan de Commissie en aan de derde landen of internationale organisaties waarmee de Unie overeenkomstig artikel 23, lid 1, overeenkomsten heeft gesloten.”.

8)

Artikel 14, lid 10, wordt vervangen door:

„10.   Vóór 30 april van het jaar n + 2 verleent het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar n; met uitzondering van het deel van de uitvoering van de begroting dat valt onder de taken die in voorkomend geval aan het Agentschap zijn toevertrouwd op grond van artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1285/2013, waarop de procedure van de artikelen 164 en 165 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (18) van toepassing is.

9)

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK IV bis

PERSONELE MIDDELEN

Artikel 15 bis

Personeel

1.   Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van dat statuut en die regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Agentschap.

2.   Het personeel van het Agentschap bestaat uit personeelsleden die door het Agentschap worden geworven, al naar gelang zijn werkzaamheden zulks vereisen. Zij beschikken over een passende veiligheidsmachtiging voor de graad van rubricering van de informatie die zij verwerken.

3.   De interne voorschriften van het Agentschap, zoals het reglement van orde van de Raad van bestuur, het reglement van orde van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, de bepalingen voor de toepassing van het personeelsstatuut en de voorwaarden voor toegang tot de documenten, die de autonomie en de onafhankelijkheid garanderen van het personeel dat zich met veiligheidsaccreditatie bezighoudt ten opzichte van het personeel dat andere activiteiten van het Agentschap verricht, overeenkomstig artikel 10, onder i).

Artikel 15 ter

Benoeming en ambtstermijn van de uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur wordt aangesteld als tijdelijk functionaris van het Agentschap overeenkomstig artikel 2, onder a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie.

2.   De uitvoerend directeur wordt op grond van verdiensten en van door bewijsstukken gedocumenteerde bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden, alsook relevante bekwaamheid en ervaring, door de Raad van bestuur benoemd aan de hand van een door de Commissie voorgestelde lijst van kandidaten, na een transparant algemeen vergelijkend onderzoek volgend op de bekendmaking van een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling in het Publicatieblad van de Europese Unie of elders.

De door de Raad van bestuur geselecteerde kandidaat kan worden verzocht zo spoedig mogelijk voor het Europees Parlement een verklaring te komen afleggen en vragen van zijn leden te beantwoorden.

Voor het aangaan van het contract van de uitvoerend directeur wordt het Agentschap vertegenwoordigd door de voorzitter van de Raad van bestuur.

De Raad van bestuur neemt een besluit tot benoeming van de uitvoerend directeur met een meerderheid van twee derde van zijn leden.

3.   De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Aan het einde van die ambtstermijn verricht de Commissie een beoordeling die de prestaties van de uitvoerend directeur en de toekomstige taken en uitdagingen van het Agentschap in acht neemt.

Op basis van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de in de eerste alinea bedoelde beoordeling, kan de Raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal met ten hoogste vier jaar verlengen.

Elk besluit tot verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur wordt met een meerderheid van twee derde van de leden van de Raad van bestuur genomen.

Een uitvoerend directeur van wie de ambtstermijn is verlengd, kan na afloop van de verlenging van zijn mandaat niet deelnemen aan een selectieprocedure voor dezelfde functie.

De Raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen de ambtstermijn van de uitvoerend directeur te verlengen. Vóór deze verlenging kan de uitvoerend directeur worden verzocht een verklaring voor de bevoegde commissies van het Europees Parlement te komen afleggen en vragen van leden te beantwoorden.

4.   De Raad van bestuur kan op voorstel van de Commissie of van een derde van zijn leden de uitvoerend directeur ontslaan door middel van een met een meerderheid van twee derde van zijn leden genomen besluit.

5.   Het Europees Parlement en de Raad kunnen de uitvoerend directeur uitnodigen voor een gedachtewisseling over de werkzaamheden en de vooruitzichten van het Agentschap, mede wat betreft het jaarlijks werkprogramma en het meerjarig werkprogramma. Die gedachtewisseling betreft geen aangelegenheden in verband met de onder hoofdstuk III vallende veiligheidsaccreditatieactiviteiten.

Artikel 15 quater

Gedetacheerde nationale deskundigen

Het Agentschap kan ook een beroep doen op nationale deskundigen. Deze deskundigen beschikken over een passende veiligheidsmachtiging voor de graad van rubricering van de informatie die zij verwerken. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie zijn niet van toepassing op dit personeel.”.

10)

De artikelen 16 en 17 worden vervangen door:

„Artikel 16

Fraudepreventie

1.   Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere onwettige handelingen is Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (19) zonder enige beperking van toepassing op het Agentschap. Hiertoe treedt het Agentschap toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (20) en stelt het onverwijld de dienovereenkomstige voorschriften vast, die op alle medewerkers van het Agentschap en op de gedetacheerde nationale deskundigen van toepassing zijn, met gebruikmaking van het modelbesluit in bijlage bij dat akkoord.

2.   De Rekenkamer is bevoegd tot het controleren van de begunstigden van middelen van het Agentschap en van de contractanten en subcontractanten die via het Agentschap middelen van de Unie hebben ontvangen, op basis van de bij haar ingediende documenten of door ter plaatse verrichte inspecties te gebruiken.

3.   Op basis van de subsidies die zijn gefinancierd of de contracten die zijn gesloten door het Agentschap, kan OLAF onderzoeken instellen, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (21), ter bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

4.   Onverminderd de leden 1, 2 en 3 wordt in de overeenkomsten tot samenwerking van het Agentschap met derde landen of internationale organisaties, de contracten en subsidieovereenkomsten die het Agentschap met derden heeft gesloten, en alle financieringsbesluiten door het Agentschap uitdrukkelijk bepaald dat de Rekenkamer en OLAF controles en onderzoeken kunnen verrichten overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

Artikel 17

Voorrechten en immuniteiten

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is van toepassing op het Agentschap en op zijn personeel bedoeld in artikel 15 bis.

11)

Artikel 18 wordt geschrapt.

12)

De artikelen 22 en 23 worden vervangen door:

„Artikel 22

Veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde of gevoelige gegevens

1.   Het Agentschap past de veiligheidsvoorschriften van de Commissie betreffende de bescherming van gerubriceerde informatie van de Unie toe.

2.   Het Agentschap kan in zijn reglement van orde bepalingen over de verwerking van niet-gerubriceerde maar gevoelige informatie vastleggen. Deze bepalingen behelzen onder meer de uitwisseling, de verwerking en de opslag van deze gegevens.

Artikel 22 bis

Belangenconflicten

1.   De leden van de Raad van bestuur en van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, de uitvoerend directeur, en de gedetacheerde nationale deskundigen en waarnemers leggen een verbintenisverklaring af, alsmede een verklaring over hun belangen waaruit blijkt of zij al dan niet directe of indirecte belangen hebben die als nadelig voor hun onafhankelijkheid kunnen worden beschouwd. Die verklaringen dienen waarheidsgetrouw en volledig te zijn. Zij worden schriftelijk afgelegd bij indiensttreding en worden jaarlijks vernieuwd. Zij worden bijgewerkt wanneer daartoe aanleiding bestaat, met name in geval van relevante wijzigingen in de persoonlijke situatie van de betrokkenen.

2.   De leden van de Raad van bestuur en van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie, de uitvoerend directeur, alsook de gedetacheerde nationale deskundigen en de externe deskundigen die zitting hebben in de ad-hoc groepen maken op elke vergadering onverkort en accuraat kenbaar of er al dan niet belangen zijn die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid ten aanzien van elk van de agendapunten, en nemen niet deel aan de bespreking en de stemming betreffende die agendapunten.

3.   De Raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie leggen in hun reglement van orde de praktische regelingen vast voor de in leden 1 en 2 bedoelde belangenverklaringen en voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten.

Artikel 23

Deelname van derde landen en internationale organisaties

1.   Het Agentschap staat open voor deelname van derde landen en internationale organisaties. Die deelname en de voorwaarden daarvoor worden conform de procedure van artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgelegd in een overeenkomst tussen de Unie en dat derde land of die internationale organisatie.

2.   Conform de desbetreffende bepalingen van die overeenkomsten worden er praktische regelingen uitgewerkt voor de praktische invulling van de deelname van derde landen of internationale organisaties aan de werkzaamheden van het Agentschap, met inbegrip van regelingen betreffende hun deelname aan initiatieven van het Agentschap betreffende financiële en personele bijdragen.

Artikel 23 bis

Gezamenlijke aanbestedingen met de lidstaten

Voor de uitvoering van zijn taken is het Agentschap bevoegd om gezamenlijk met de lidstaten aanbestedingen uit te schrijven volgens de voorwaarden van gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie (22).

13)

Artikel 26 wordt vervangen door:

„Artikel 26

Herziening, evaluatie en audit

1.   Uiterlijk op 31 december 2016, en vervolgens om de vijf jaar, evalueert de Commissie een het Agentschap, in het bijzonder met betrekking tot de weerslag ervan, de doeltreffendheid, de goede werking, de werkmethoden, de behoeften en het gebruik van de eraan toegekende middelen. Deze evaluatie omvat onder meer een onderzoek van eventuele wijzigingen van de reikwijdte en de aard van de taken van het Agentschap en de financiële gevolgen van een dergelijke wijzigingen. Deze evaluatie betreft de toepassing van het beleid van het Agentschap inzake belangenconflicten en geeft ook een overzicht van alle omstandigheden waardoor de onafhankelijkheid en de autonomie van de Raad voor de veiligheidsaccreditatie in het gedrang zouden kunnen zijn gebracht.

2.   De Commissie dient een verslag in aangaande de evaluatie en haar conclusies daarover bij het Europees Parlement, de Raad, de Raad van bestuur en de Raad voor de veiligheidsaccreditatie van het Agentschap. De resultaten van de evaluatie worden openbaar gemaakt.

3.   Elke tweede evaluatie omvat een onderzoek van de balans van het Agentschap aan de hand van de doelstellingen en taken. Als de Commissie van mening is dat de instandhouding van het Agentschap op grond van de eraan toegekende doelstellingen en taken niet langer gerechtvaardigd is, kan zij, waar passend, een voorstel doen tot intrekking van deze verordening.

4.   Op verzoek van de Raad van bestuur of van de Commissie kan er een externe audit van de prestaties van het Agentschap worden verricht.”.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 198 van 10.7.2013, blz. 67.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 april 2014.

(3)  Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 912/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 tot oprichting van het Europees GNSS-Agentschap, tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad inzake de beheersstructuren van de Europese programma’s voor radionavigatie per satelliet en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 11).

(5)  Gemeenschappelijk Optreden 2004/552/GBVB van de Raad van 12 juli 2004 ten aanzien van aspecten van de exploitatie van het Europees systeem voor radionavigatie per satelliet die betrekking hebben op veiligheid van de Europese Unie (PB L 246 van 20.7.2004, blz. 30).

(6)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).

(7)  Besluit nr. 1104/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de voorwaarden voor toegang tot de overheidsdienst (publiek gereguleerde dienst) die wordt aangeboden door het wereldwijde satellietnavigatiesysteem dat is ingevoerd door het Galileo-programma (PB L 287 van 4.11.2011, blz. 1).

(8)  PB L 15 van 20.1.2014, blz. 1.

(9)  PB L 283 van 29.10.2010, blz. 12.

(10)  Besluit 2010/803/EU in onderlinge overeenstemming genomen door de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van 10 december 2010 betreffende de plaats van vestiging van het Europees GNSS-Agentschap (PB L 342 van 28.12.2010, blz. 15).

(11)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(12)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

(14)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(15)  Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(16)  Gemeenschappelijk optreden 2004/552/GBVB van de Raad van 12 juli 2004 ten aanzien van aspecten van de exploitatie van het Europees systeem voor radionavigatie per satelliet die betrekking hebben op de veiligheid van de Europese Unie (PB L 246 van 20.7.2004, blz. 30).

(17)  Besluit nr. 1104/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de voorwaarden voor toegang tot de overheidsdienst (publiek gereguleerde dienst) die wordt aangeboden door het wereldwijde satellietnavigatiesysteem dat is ingevoerd door het Galileo-programma (PB L 287 van 4.11.2011, blz. 1).”.

(18)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).”.

(19)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(20)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(21)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).”.

(22)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).”.


20.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 150/93


VERORDENING (EU) Nr. 513/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer en tot intrekking van Besluit nr. 2007/125/JBZ van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 82, lid 1, artikel 84 en artikel 87, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3)

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het doel van de Unie om een hoog niveau van veiligheid binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te verzekeren op grond van artikel 67, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet onder meer worden bereikt door maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit alsmede door maatregelen inzake coördinatie en samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten en andere nationale autoriteiten van de lidstaten, onder meer met Europol of andere relevante instanties van de Unie, en met relevante derde landen en internationale organisaties.

(2)

Om dit doel te bereiken moeten op het niveau van de Unie krachtigere maatregelen worden genomen om mensen en goederen te beschermen tegen de toenemend grensoverschrijdende dreigingen en om de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uitgevoerde werkzaamheden te ondersteunen. Onder andere terrorisme, georganiseerde misdaad, „rondtrekkende” misdaad, drugshandel, corruptie, cybercriminaliteit, mensenhandel en wapenhandel zullen de interne veiligheid van de Unie op de proef blijven stellen.

(3)

De interneveiligheidsstrategie voor de Europese Unie („interneveiligheidsstrategie”), die door de Raad in februari 2010 werd vastgesteld, biedt een gezamenlijke agenda om deze gemeenschappelijke veiligheidsuitdagingen aan te pakken. De mededeling van de Commissie van 22 november 2010 met als titel „De EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa” vertaalt de beginselen en richtsnoeren van de strategie naar concrete acties door vijf strategische doelstellingen vast te stellen: het ontwrichten van internationale criminele netwerken, het voorkomen van terrorisme en het aanpakken van radicalisering en werving, het beveiligingsniveau voor burgers en bedrijfsleven in cyberspace verhogen, het verbeteren van de veiligheid door grensbeheer en het vergroten van de veerkracht van Europa bij crises en rampen.

(4)

Solidariteit tussen de lidstaten, duidelijkheid over de taakverdeling, eerbiediging van de grondrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat alsook een sterke nadruk op het mondiale perspectief en op de band en de noodzakelijke samenhang met externe veiligheid moeten de leidende kernbeginselen zijn voor de tenuitvoerlegging van de interneveiligheidsstrategie.

(5)

Om de uitvoering van de interneveiligheidsstrategie te bevorderen en te verzekeren dat zij in de praktijk operationeel wordt, moeten de lidstaten voldoende financiële steun van de Unie krijgen door het opzetten en het beheren van een Fonds voor interne veiligheid („het Fonds”).

(6)

Het Fonds moet de behoefte aan meer flexibiliteit en vereenvoudiging weerspiegelen waarbij de vereisten van voorspelbaarheid worden geëerbiedigd, en een eerlijke en transparante verdeling van middelen waarborgen, teneinde te voldoen aan de in deze verordening vastgelegde algemene en specifieke doelstellingen.

(7)

Efficiëntie van maatregelen en kwaliteit van de bestedingen vormen de leidende beginselen bij de uitvoering van het Fonds. Voorts dient het Fonds ten uitvoer te worden gelegd op een zo doeltreffend en gebruikersvriendelijk mogelijke manier.

(8)

In tijden van financiële bezuinigingen voor het beleid van de Unie moeten economische moeilijkheden worden overwonnen door middel van hernieuwde flexibiliteit, innovatieve organisatorische maatregelen, beter gebruik van bestaande structuren en coördinatie tussen de instellingen en agentschappen van de Unie en de nationale autoriteiten en met derde landen.

(9)

De impact van de Uniefinanciering dient te worden gemaximaliseerd door publieke en private financieringsbronnen in te zetten, te bundelen en als hefboom te laten fungeren.

(10)

De door de Raad op 8-9 november 2010 vastgestelde EU-beleidscyclus is gericht op de aanpak van de belangrijkste ernstige en georganiseerde criminele dreigingen voor de Unie op een coherente en methodische e wijze door middel van optimale samenwerking tussen de relevante diensten. Om een doeltreffende uitvoering van deze meerjarige cyclus te ondersteunen dient bij financiering in het kader van het instrument dat bij deze verordening wordt vastgesteld (het „Instrument”) gebruik te worden gemaakt van alle mogelijke uitvoeringsmethoden als vastgelegd in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4), met inbegrip van, in voorkomend geval, door indirect beheer, teneinde een tijdige en doeltreffende uitvoering van de activiteiten en projecten te waarborgen.

(11)

Vanwege de juridische bijzonderheden van toepassing op titel V van het VWEU, is het niet mogelijk om het Fonds als één enkel financieringsinstrument op te richten. Het Fonds moet derhalve worden opgericht als een alomvattend kader voor financiële steun van de Unie op het gebied van interne veiligheid, dat het Instrument omvat, alsook het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa dat wordt vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5). Dat alomvattende kader moet worden aangevuld door Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(12)

Grensoverschrijdende misdaad, zoals mensenhandel en het uitbuiten van illegale immigratie door criminele organisaties, kunnen doeltreffend worden bestreden door middel van politiële samenwerking.

(13)

De totale middelen voor deze verordening en voor Verordening (EU) nr. 515/2014, leggen samen de financiële middelen vast voor de volledige looptijd van het Fonds, die voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag moeten vormen in de zin punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (7) in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

(14)

In de resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen van geld wordt erkend dat de strijd tegen georganiseerde misdaad een Europese uitdaging is en wordt aangedrongen op meer samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van rechtshandhaving, aangezien doeltreffende bestrijding van georganiseerde misdaad een essentieel instrument is voor het beschermen van de rechtmatige economie tegen typische criminele activiteiten zoals het witwassen van misdaadopbrengsten.

(15)

Binnen het alomvattende kader van het Fonds moet dit Instrument financiële steun bieden voor politiële samenwerking, uitwisseling van en toegang tot informatie, voorkoming van criminaliteit, de strijd tegen grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, corruptie, drugshandel, mensenhandel en wapenhandel, uitbuiting van illegale immigratie, seksuele uitbuiting van kinderen, de verspreiding van afbeeldingen van kindermisbruik en kinderporno, cybercriminaliteit, het witwassen van misdaadopbrengsten, de bescherming van mensen en kritieke infrastructuur tegen veiligheid gerelateerde incidenten en het doeltreffende beheer van veiligheid gerelateerde risico’s en crises, waarbij het gemeenschappelijke beleid (strategieën, beleidscycli, programma’s en actieplannen), wetgeving en praktische samenwerking in acht worden genomen.

(16)

De financiële bijstand op deze gebieden moet met name steun bieden aan acties ter bevordering van gezamenlijke grensoverschrijdende operaties, toegang tot en uitwisseling van informatie, uitwisseling van beste praktijken, eenvoudigere en beveiligde communicatie en coördinatie, opleiding en uitwisseling van personeel, activiteiten inzake analyse, toezicht en evaluatie, uitgebreide risico- en dreigingsbeoordelingen overeenkomstig de in het VWEU vastgelegde bevoegdheden, activiteiten op het gebied van bewustmaking, het testen en valideren van nieuwe technologie, forensisch wetenschappelijk onderzoek, de aanschaf van technische interoperabele apparatuur en samenwerking tussen lidstaten en relevante instanties van de Unie, met inbegrip van Europol. Met financiële bijstand op deze gebieden mogen alleen acties worden ondersteund die in overeenstemming zijn met prioriteiten en initiatieven die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, in het bijzonder de prioriteiten en initiatieven die door het Europees Parlement en de Raad zijn onderschreven.

(17)

Binnen het alomvattend kader van de antidrugsstrategie van de Unie waarin wordt gepleit voor een evenwichtige benadering gebaseerd op een gelijktijdige reductie van aanbod en vraag, moet de financiële bijstand in het kader van dit Instrument alle acties ondersteunen die zijn gericht op preventie en bestrijding van drugshandel (reductie van het aanbod), en in het bijzonder maatregelen tegen het produceren, vervaardigen, extraheren, verkopen, vervoeren en in- en uitvoeren van illegale drugs, met inbegrip van het bezit en de aanschaf met het oog op drugshandelgerelateerde activiteiten.

(18)

De uit het Fonds gesteunde maatregelen in of met betrekking tot derde landen dienen te worden vastgesteld in synergie en samenhang met andere acties buiten de Unie die door de geografische en thematische instrumenten van de Unie voor externe bijstand worden ondersteund. Bij de uitvoering van dergelijke acties dient met name te worden gestreefd naar volledige samenhang met de beginselen en de algemene doelstellingen van het externe optreden en het buitenlands beleid van de Unie ten aanzien van het land of de regio in kwestie, democratische beginselen en waarden, fundamentele vrijheden en rechten, de rechtsstaat en de soevereiniteit van derde landen. De maatregelen mogen niet strekken tot ondersteuning van rechtsreeks op ontwikkeling gerichte acties en dienen waar nodig de financiële bijstand uit de instrumenten voor externe steun aan te vullen. Er moet ook worden gestreefd naar samenhang met het humanitair beleid van de Unie, met name wat betreft de uitvoering van noodmaatregelen.

(19)

Het Instrument dient te worden uitgevoerd met volledige eerbiediging van de rechten en beginselen die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alsook voor de internationale verplichtingen van de Unie.

(20)

Op grond van artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) moet het Instrument ondersteuning bieden aan activiteiten die de bescherming van kinderen tegen geweld, misbruik, uitbuiting en verwaarlozing waarborgen. Het Instrument moet ook waarborgen voor en hulp aan kindergetuigen en -slachtoffers ondersteunen, met name aan onbegeleide kinderen of kinderen die anderszins toezicht behoeven.

(21)

Het Instrument dient ter aanvulling en versterking van de activiteiten die worden ontplooid om de samenwerking tussen Europol of andere relevante instanties van de Unie en de lidstaten te ontwikkelen, teneinde de doelstellingen van het Instrument op het gebied van politiële samenwerking, misdaadpreventie en -bestrijding, en crisisbeheersing, te verwezenlijken. Dit betekent onder meer dat de lidstaten bij de opstelling van hun nationale programma's rekening moeten houden met de gegevensbank, analytische hulpmiddelen en operationele en technische richtsnoeren die door Europol zijn ontwikkeld, in het bijzonder het Europol-informatiesysteem (EIS), de applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (Siena) van Europol en de EU-dreigingsevaluatie van de zware en georganiseerde criminaliteit (Socta).

(22)

Om een eenvormige uitvoering van het Fonds te waarborgen, moet het aan het Instrument toegewezen deel van de begroting van de Unie onder direct en indirect beheer worden uitgevoerd, met betrekking tot acties die voor de Unie van bijzonder belang zijn („acties van de Unie”), noodhulp en technische bijstand, en onder gedeeld beheer met betrekking tot nationale programma's en acties die om administratieve flexibiliteit vragen.

(23)

Wat betreft de middelen die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd, moeten de nationale programma’s van de lidstaten consistent zijn met de prioriteiten en de doelstellingen van de Unie.

(24)

De middelen die aan de lidstaten worden toegewezen voor de uitvoering via hun nationale programma’s moeten worden vastgesteld in deze verordening en verdeeld op grond van duidelijke, objectieve en meetbare criteria. Die criteria moeten verband houden met de door de lidstaten te beschermen collectieve voorzieningen en de financiële draagkracht van de lidstaten om een hoog niveau van interne veiligheid te garanderen, zoals de omvang van hun bevolking en hun grondgebied en hun bruto nationaal product. Bovendien, aangezien uit Socta van 2013 blijkt dat zee- en luchthavens een zeer belangrijke rol vervullen als plaatsen van binnenkomst voor criminele organisaties met betrekking tot mensenhandel en handel in illegale goederen, moeten specifieke kwetsbare punten die uit misdaadroutes op deze grensovergangen blijken, worden weerspiegeld in de verdeling van voor acties van de lidstaten beschikbare middelen door middel van criteria met betrekking tot het aantal passagiers en het gewicht van goederen dat wordt verwerkt via internationale lucht- en zeehavens.

(25)

Om de solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid voor het gemeenschappelijke beleid en de gemeenschappelijke strategieën en programma’s van de Unie te versterken, moeten de lidstaten worden aangemoedigd om het deel van de totale middelen dat voor de nationale programma’s beschikbaar is, aan te wenden voor het realiseren van de in de bijlage I bij deze verordening genoemde strategische prioriteiten van de Unie. De bijdrage van de Unie aan de totale subsidiabele kosten van projecten die die prioriteiten aanpakken, moet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 514/2014 worden verhoogd tot 90 %.

(26)

Het plafond voor de middelen waarover de Unie kan blijven beschikken, moet een aanvulling vormen op de middelen die aan de lidstaten worden toegewezen voor de uitvoering van hun nationale programma’s. Dat zal ervoor zorgen dat de Unie in staat is om in een bepaald begrotingsjaar acties te ondersteunen die van bijzonder belang voor de Unie zijn, zoals studies, het testen en valideren van nieuwe technologieën, transnationale projecten, netwerken en de uitwisseling van beste praktijken, het toezicht op de uitvoering van relevante wetgeving en relevant beleid van de Unie en acties in en met betrekking tot derde landen. De acties die worden ondersteund moeten in overeenstemming zijn met de prioriteiten die zijn vastgesteld in de relevante strategieën, programma’s, actieplannen en risico- en dreigingsbeoordelingen van de Unie.

(27)

Om bij te dragen tot de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het Instrument moeten de lidstaten ervoor zorgen dat hun nationale programma's acties omvatten met betrekking tot alle specifieke doelstellingen van het Instrument en dat de verdeling van middelen tussen de doelstellingen in verhouding staat tot de uitdagingen en behoeften en waarborgt dat aan de doelstellingen kan worden voldaan. Indien een nationaal programma geen betrekking heeft op een van de specifieke doelstellingen of indien de toegewezen middelen lager zijn dan de in deze verordening vastgestelde minimumpercentages, dient de betrokken lidstaat hiervoor in het programma een rechtvaardiging te geven.

(28)

Om de Unie beter in staat te stellen om onmiddellijk te reageren op veiligheidsgerelateerde incidenten of nieuwe bedreigingen voor de Unie, moet het mogelijk zijn om noodhulp te bieden overeenkomstig het bij Verordening (EU) nr. 514/2014 ingestelde kader.

(29)

Financiering uit de begroting van de Unie dient te worden geconcentreerd op activiteiten waarbij de tussenkomst van de Unie voor een meerwaarde kan zorgen ten opzichte van optreden door de lidstaten alleen. Omdat de Unie beter in staat is dan de lidstaten om grensoverschrijdende situaties aan te pakken en een platform te bieden voor een gemeenschappelijke benaderingen, moeten de maatregelen die uit hoofde van deze verordening voor steun in aanmerking komen, met name bijdragen tot het versterken van de capaciteiten op nationaal niveau en het niveau van de Unie en van grensoverschrijdende samenwerking en coördinatie, netwerken, wederzijds vertrouwen en de uitwisseling van informatie en beste praktijken.

(30)

Teneinde de bepalingen van deze verordening met betrekking tot de vaststelling van de strategische prioriteiten van de Unie aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot het wijzigen, toevoegen of schrappen van in deze verordening vermelde strategische prioriteiten van de Unie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot de nodige raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.

(31)

Bij het toepassen van deze verordening, met inbegrip van het voorbereiden van gedelegeerde handelingen, moet de Commissie deskundigen uit alle lidstaten raadplegen.

(32)

Overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 514/2014 moet de Commissie op de uitvoering van het Instrument toezien met behulp van kernindicatoren voor de beoordeling van resultaten en effecten. De indicatoren, met inbegrip van relevante ijkpunten, moeten voorzien in een minimale basis om te kunnen evalueren in hoeverre de doelstellingen van het Instrument zijn verwezenlijkt.

(33)

Om de resultaten van het Fonds te kunnen meten, moeten voor elke specifieke doelstelling van het Instrument, gemeenschappelijke indicatoren worden vastgesteld. Dat door middel van de gemeenschappelijke indicatoren wordt gemeten in hoeverre de specifieke doelstellingen zijn verwezenlijkt, betekent niet dat de uitvoering van de met deze indicatoren verband houdende acties verplicht wordt.

(34)

Besluit 2007/125/JBZ van de Raad (8) moet worden ingetrokken, conform de in deze verordening opgenomen overgangsbepalingen.

(35)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de versterking van de coördinatie en samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten, de voorkoming en bestrijding van criminaliteit, de bescherming van mensen en kritieke infrastructuur tegen veiligheidsgerelateerde incidenten en de vergroting van de capaciteit van de lidstaten en de Unie om veiligheidsgerelateerde risico’s en crises doeltreffend te beheren, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(36)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening en is deze niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(37)

Overeenkomstig artikel 3 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, heeft Ierland meegedeeld dat het wenst deel te nemen aan de vaststelling en toepassing van deze verordening.

(38)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt het Verenigd Koninkrijk niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn en is deze niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaat.

(39)

Het is aangewezen dat de periode waarin deze verordening van toepassing is, in overeenstemming wordt gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 (9) van de Raad. Derhalve dient deze verordening met ingang van 1 januari 2014 van toepassing te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt het instrument vastgesteld voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing („het Instrument”), als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid („het Fonds”).

Tezamen met Verordening (EU) nr. 515/2014 wordt bij deze verordening voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 het Fonds opgericht.

2.   Bij onderhavige verordening worden vastgesteld:

a)

de doelstellingen, subsidiabele acties en strategische prioriteiten voor de krachtens het Instrument te verlenen financiële steun;

b)

het algemene kader voor de uitvoering van de subsidiabele acties;

c)

de middelen die tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 in het kader van het instrument beschikbaar worden gesteld en hun verdeling.

3.   Deze verordening voorziet in de toepassing van de regels die zijn vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 514/2014.

4.   Het Instrument is niet van toepassing op aangelegenheden waarop, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 1382/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10) het Justitieprogramma van toepassing is. Het Instrument kan echter acties omvatten die ten doel hebben de samenwerking tussen gerechtelijke autoriteiten en rechtshandhavingsautoriteiten te bevorderen.

5.   Er moet worden gestreefd naar synergieën, consistentie en complementariteit met andere financiële instrumenten van de Unie, zoals het mechanisme voor civiele bescherming van de Unie, opgericht bij Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (11), Horizon 2020, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12), het derde meerjarig actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad (13), het solidariteitsfonds van de Europese Unie en de instrumenten voor externe hulpverlening, met name het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (14), het Instrument voor Europees nabuurschap, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (15), het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad (16), het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad (17), het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad (18) en het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad (19). In het kader van deze verordening gefinancierde acties ontvangen voor hetzelfde doel geen financiële bijstand uit andere financiële instrumenten van de Unie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „politiële samenwerking”: de specifieke maatregelen en vormen van samenwerking van alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten als vermeld in artikel 87 VWEU;

b)   „uitwisseling van en toegang tot informatie”: de veilige verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van voor de in artikel 87 VWEU vermelde autoriteiten relevante informatie met betrekking tot het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van strafbare feiten, met name grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad;

c)   „voorkoming van criminaliteit”: alle maatregelen die ten doel hebben criminaliteit en gevoelens van onveiligheid onder de burgers terug te dringen of mede terug te dringen als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Besluit 2009/902/JBZ van de Raad (20);

d)   „georganiseerde misdaad”: een strafbare gedraging die betrekking heeft op de deelname aan een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad (21);

e)   „terrorisme”: elk van de opzettelijke gedragingen of strafbare feiten als omschreven in Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad (22).

f)   „risico- en crisisbeheersing”: elke maatregel met betrekking tot de beoordeling, de voorkoming, de paraatheid en de beheersing van de gevolgen inzake terrorisme, georganiseerde misdaad en andere veiligheidsgerelateerde risico’s;

g)   „preventie en paraatheid”: elke maatregel die ten doel heeft risico’s in verband met mogelijke terroristische aanslagen of andere veiligheidsgerelateerde risico’s te voorkomen en/of te beperken;

h)   „beheersing van de gevolgen”: de effectieve coördinatie van acties die worden ondernomen op nationaal en/of Unieniveau om te reageren op een terroristische aanslag of ander veiligheidsgerelateerd incident en om de gevolgen daarvan te beperken;

i)   „kritieke infrastructuur”: een voorziening, netwerk, systeem of een deel daarvan dat van essentieel belang is voor het behoud van vitale maatschappelijke functies, de gezondheid, de veiligheid, de beveiliging, de economische welvaart of het maatschappelijk welzijn, en waarvan de verstoring, de beschadiging of vernietiging aanzienlijke gevolgen zou hebben in een lidstaat of in de Unie doordat die functies ontregeld zouden raken;

j)   „noodsituatie”: elk veiligheidsgerelateerd incident dat of elke nieuwe dreiging die een aanzienlijk negatief effect heeft of kan hebben op de veiligheid van personen in een of meer lidstaten.

Artikel 3

Doelstellingen

1.   De algemene doelstelling van het Instrument is bij te dragen aan een hoog niveau van veiligheid in de Unie.

2.   Binnen de in lid 1 vermelde algemene doelstelling draagt het Instrument - in overeenstemming met de in de relevante strategieën, beleidscycli, programma’s en dreigings- en risicobeoordelingen van de Unie vastgelegde prioriteiten - bij aan de volgende specifieke doelstellingen:

a)

voorkoming van criminaliteit, bestrijding van grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, en versterking van de coördinatie en de samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten en andere nationale autoriteiten van de lidstaten, onder meer met Europol of andere relevante instanties van de Unie, en met betrokken derde landen en internationale organisaties;

b)

versterking van de capaciteit van de lidstaten en de Unie om veiligheidsgerelateerde risico’s en crises doeltreffend te beheren, en voorbereiding op en bescherming van mensen en kritieke infrastructuur tegen terreuraanvallen en andere veiligheidsgerelateerde incidenten.

De verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het Instrument wordt overeenkomstig artikel 55, lid 2 van Verordening nr. 514/2014 beoordeeld aan de hand van in bijlage II bij deze verordening geformuleerde gemeenschappelijke indicatoren en in nationale programma’s opgenomen specifieke programma-indicatoren.

3.   Om de in de leden 1 en 2 bedoelde doelstellingen te bereiken, draagt het Instrument bij tot de volgende operationele doelstellingen:

a)

bevordering en ontwikkeling van maatregelen die het vermogen van de lidstaten versterken om criminaliteit te voorkomen en grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, te bestrijden, in het bijzonder door middel van publiek-private partnerschappen, uitwisseling van informatie en beste praktijken, toegang tot gegevens, interoperabele technologieën, vergelijkende statistieken, toegepaste criminologie, publieksvoorlichting en bewustmaking;

b)

bevordering en ontwikkeling van administratieve en operationele coördinatie, samenwerking, wederzijds begrip en uitwisseling van informatie tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten, andere nationale autoriteiten, Europol of andere relevante instanties van de Unie en, in voorkomend geval, met derde landen en internationale organisaties;

c)

bevordering en ontwikkeling van opleidingsprogramma’s, onder andere met betrekking tot technische en professionele vaardigheden en kennis over verplichtingen in verband met de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden, ter uitvoering van het Europees beleid inzake opleidingen, onder meer door middel van specifieke uitwisselingsprogramma’s van de Unie op het gebied van rechtshandhaving, teneinde een echte Europese cultuur op het gebied van justitie en rechtshandhaving tot stand te brengen;

d)

bevordering en ontwikkeling van maatregelen, waarborgen, mechanismen en beste praktijken voor de vroegtijdige opsporing, bescherming en ondersteuning van getuigen en slachtoffers van criminaliteit, met inbegrip van slachtoffers van terrorisme, en in het bijzonder ten behoeve van minderjarige getuigen en slachtoffers, met name degenen die onbegeleid zijn of anderszins toezicht behoeven;

e)

maatregelen ter versterking van de administratieve en operationele capaciteit van de lidstaten om kritieke infrastructuur in alle sectoren van het economisch leven te beschermen, onder meer door middel van publiek-private partnerschappen en verbeterde coördinatie, samenwerking en uitwisseling en verspreiding van knowhow en ervaring binnen de Unie en met betrokken derde landen;

f)

beveiligde verbindingen en effectieve coördinatie tussen de actoren op het gebied van bestaande sectorspecifieke vroegtijdige waarschuwing en samenwerking bij crises op het niveau van de Unie en op nationaal niveau, waaronder situatiecentra, teneinde de snelle opstelling van uitgebreide en accurate overzichten in crisissituaties mogelijk te maken, responsmaatregelen te coördineren en openbare, vertrouwelijke en geheime informatie te delen;

g)

maatregelen die het administratieve en operationele vermogen van de lidstaten en de Unie versterken om uitgebreide risico- en dreigingsbeoordelingen te ontwikkelen die gebaseerd zijn op bewijs en in overeenstemming zijn met op het niveau van de Unie vastgestelde, en met name door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde, prioriteiten en initiatieven, teneinde de Unie in staat te stellen op basis van gemeenschappelijke en gedeelde inschattingen van crisissituaties een geïntegreerde aanpak te ontwikkelen en het wederzijds begrip inzake de verschillend gedefinieerde dreigingsniveaus van lidstaten en partnerlanden te vergroten.

4.   Het Instrument draagt tevens bij aan de financiering van technische bijstand op initiatief van de lidstaten en de Commissie.

5.   Acties die uit hoofde van het Instrument worden gefinancierd, worden uitgevoerd met respect voor de grondrechten en de menselijke waardigheid. In het bijzonder voldoen acties aan de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Unierecht inzake gegevensbescherming en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Waar mogelijk besteden de lidstaten bij de uitvoering van maatregelen met name bijzondere aandacht aan de bijstand voor en bescherming van kwetsbare personen, in het bijzonder kinderen en niet-begeleide minderjarigen.

Artikel 4

Subsidiabele acties uit hoofde van nationale programma's

1.   In het kader van de in artikel 3 van deze verordening bedoelde doelstellingen en in het licht van de goedgekeurde conclusies van de beleidsdialoog waarin artikel 13 van Verordening (EU) nr. 514/2014 voorziet, alsmede in overeenkomstig de doelstellingen van de in artikel 7 van deze verordening bedoelde nationale programma's, ondersteunt het Instrument acties in de lidstaten, en met name de acties van de volgende lijst:

a)

acties ter verbetering van de politiële samenwerking en coördinatie tussen rechtshandhavingsautoriteiten, waaronder met en tussen relevante instanties van de Unie, in het bijzonder Europol en Eurojust; gezamenlijke onderzoeksteams en alle andere vormen van grensoverschrijdende gezamenlijke operaties; toegang tot en uitwisseling van informatie en interoperabele technologieën;

b)

projecten ter bevordering van netwerken, publiek-private partnerschappen, wederzijds vertrouwen en begrip en wederzijds van elkaar leren, de vaststelling, uitwisseling en verspreiding van knowhow, ervaring en beste praktijken, delen van informatie, gedeeld inzicht in situaties en prognoses, noodplanning en interoperabiliteit;

c)

activiteiten op het gebied van analyse, toezicht en evaluatie, waaronder studies en dreigings-, risico- en effectbeoordelingen, die empirisch onderbouwd zijn en in overeenstemming zijn met op het niveau van de Unie vastgestelde, en met name door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde, prioriteiten en initiatieven;

d)

activiteiten op het gebied van bewustmaking, verspreiding en communicatie;

e)

aanschaf en onderhoud van Unie- en nationale IT-systemen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, en/of verdere verbetering van IT-systemen en technische apparatuur, met inbegrip van het testen van de compatibiliteit van systemen, beveiligde faciliteiten, infrastructuur, bijbehorende gebouwen en systemen, met name informatie- en communicatiesystemen (ICT-systemen)en hun componenten, onder meer ten behoeve van de Europese samenwerking inzake cyberveiligheid en cybercriminaliteit, met name met het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit;

f)

uitwisseling, training en opleiding van personeel en deskundigen van bevoegde autoriteiten, waaronder taalonderwijs en gezamenlijke oefeningen of programma’s;

g)

maatregelen op het gebied van het inzetten, overdragen, testen en valideren van nieuwe methoden of technologie, waaronder proefprojecten en maatregelen inzake de follow-up van door de Unie gefinancierde projecten inzake veiligheidsonderzoek.

2.   Binnen de in artikel 3 bedoelde doelstellingen kan het Instrument ook ondersteuning bieden voor de volgende acties in of met betrekking tot derde landen:

a)

acties ter verbetering van de politiële samenwerking en coördinatie tussen rechtshandhavingsautoriteiten, waaronder gezamenlijke onderzoeksteams en alle andere vormen van grensoverschrijdende gezamenlijke operaties, toegang tot en uitwisseling van informatie en interoperabele technologieën;

b)

netwerken, wederzijds vertrouwen en begrip en wederzijds van elkaar leren, de vaststelling, uitwisseling en verspreiding van knowhow, ervaring en beste praktijken, delen van informatie, gedeeld inzicht in situaties en prognoses, noodplanning en interoperabiliteit;

c)

uitwisseling, training en opleiding van personeel en deskundigen van de bevoegde autoriteiten;

De Commissie en de lidstaten zorgen, in samenwerking met de Europese Dienst voor extern optreden, voor de coördinatie van acties in of met betrekking tot derde landen, zoals vastgelegd in artikel 3, lid 5, van Verordening (EU) nr. 514/2014.

HOOFDSTUK II

KADER VOOR DE FINANCIËLE MIDDELEN EN UITVOERING

Artikel 5

Totale middelen en uitvoering

1.   De totale middelen voor de uitvoering van het Instrument bedragen 1 004 miljoen EUR in lopende prijzen.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader toegestaan.

3.   De totale middelen worden aangewend via:

a)

nationale programma’s, overeenkomstig artikel 7;

b)

acties van de Unie, overeenkomstig artikel 8;

c)

technische bijstand, overeenkomstig artikel 9;

d)

noodhulp, overeenkomstig artikel 10.

4.   Het budget dat krachtens het Instrument wordt toegewezen aan de in artikel 8 van deze verordening bedoelde acties van de Unie, aan de in artikel 9 van deze verordening bedoelde technische bijstand en aan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde noodhulp, wordt uitgevoerd onder direct beheer en indirect beheer, overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder a) respectievelijk onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012. (23)

Het aan de in artikel 7 van deze verordening bedoelde nationale programma's toegewezen budget wordt uitgevoerd onder gedeeld beheer overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder b), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

5.   Onder voorbehoud van de prerogatieven van het Europees Parlement en de Raad worden de totale middelen als volgt aangewend:

a)

662 miljoen EUR voor de nationale programma’s van de lidstaten;

b)

342 miljoen EUR voor acties van de Unie, noodhulp en technische bijstand op initiatief van de Commissie.

6.   Iedere lidstaat wijst de in bijlage III bedoelde bedragen als volgt toe:

a)

ten minste 20 % voor acties die verband houden met de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde specifieke doelstelling, en

b)

ten minste 10 % voor acties die verband houden met de in artikel 3, lid 2, eerste alinea, onder b), bedoelde specifieke doelstelling.

Lidstaten mogen van deze minimumpercentages afwijken mits zij in het nationaal programma toelichten waarom de toewijzing van middelen onder deze drempelwaarde de verwezenlijking van de betreffende doelstelling niet in gevaar brengt. Deze toelichting wordt door de Commissie beoordeeld in het kader van haar in artikel 7, lid 2, bedoelde goedkeuring van nationale programma's.

7.   Tezamen met de totale middelen die zijn vastgesteld voor Verordening (EU) nr. 515/2014, vormen de totale middelen die op grond van lid 1 van dit artikel voor het Instrument beschikbaar zijn, de financiële middelen voor het Fonds en dienen zij voor het Europees Parlement en de Raad tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure als voornaamste referentie in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer.

Artikel 6

Middelen voor subsidiabele acties in de lidstaten

1.   Een bedrag van 662 miljoen EUR wordt als volgt toegewezen aan de lidstaten:

a)

30 % pro rato van de omvang van hun totale bevolking;

b)

10 % pro rato van de omvang van hun grondgebied;

c)

15 % pro rato van het aantal passagiers en 10 % naar rato van het aantal tonnen lading dat via hun internationale lucht- en zeehavens wordt afgehandeld;

d)

35 % omgekeerd evenredig met hun bruto nationaal product (koopkrachtstandaard per inwoner).

2.   Als referentiecijfers voor de in lid 1 bedoelde gegevens gelden de meest recente statistieken die de Commissie (Eurostat) heeft opgesteld op basis van door de lidstaten overeenkomstig het Unierecht verstrekte gegevens. De referentiedatum is 30 juni 2013. De toewijzingen voor nationale programma's berekend op basis van de in lid 1 vermelde criteria zijn opgenomen in bijlage III.

Artikel 7

Nationale programma’s

1.   Het nationale programma dat in het kader van het instrument moet worden opgesteld en het programma dat moet worden opgesteld in het kader van Verordening (EU) nr. 515/2014, worden aan de Commissie voorgesteld als één enkel nationaal programma voor het Fonds, overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 514/2014.

2.   In de door de Commissie ingevolge artikel 14 van Verordening (EU) nr. 514/2014 te beoordelen en goed te keuren nationale programma’s streven de lidstaten, binnen de in artikel 3 van deze verordening bedoelde doelstellingen, in het bijzonder de in de bijlage I bij deze verordening vermelde strategische prioriteiten van de Unie na, rekening houdend met de resultaten van de beleidsdialoog bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 514/2014. De lidstaten gebruiken niet meer dan 8 % van hun totale toewijzing van het nationale programma voor het onderhoud van Unie- en nationale IT-systemen die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening en niet meer dan 8 % voor acties in of met betrekking tot derde landen ter uitvoering van de in bijlage I bij deze verordening vastgelegde strategische prioriteiten van de Unie.

3.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 11 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging, toevoeging of schrapping van de strategische prioriteiten van de Unie opgesomd in bijlage I bij deze verordening.

Artikel 8

Acties van de Unie

1.   Op initiatief van de Commissie kan het instrument worden gebruikt voor het financieren van transnationale acties of acties die voor de Unie van bijzonder belang zijn („Acties van de Unie”) met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde algemene, specifieke en operationele doelstellingen.

2.   Om voor financiering in aanmerking te komen, moeten de acties van de Unie consistent zijn met de op het niveau van de Unie vastgestelde, en met name door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde prioriteiten en initiatieven in de relevante strategieën, beleidscycli, programma’s en dreigings- en risicobeoordelingen van de Unie, en met name bijdragen tot:

a)

voorbereidende, toezichtgerelateerde, administratieve en technische activiteiten, en de ontwikkeling van een evaluatiemechanisme dat is vereist voor de uitvoering van het beleid inzake politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing;

b)

transnationale projecten waarbij twee of meer lidstaten of ten minste één lidstaat en één derde land zijn betrokken;

c)

activiteiten op het gebied van analyse, toezicht en evaluatie, waaronder dreigings-, risico- en effectbeoordelingen, die gebaseerd zijn op bewijs en consistent zijn met de op het niveau van de Unie vastgestelde, met name door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde prioriteiten en initiatieven, en projecten inzake het toezicht op de uitvoering van het Unierecht en de beleidsdoelstellingen van de Unie in de lidstaten;

d)

projecten ter bevordering van netwerken, publiek-private partnerschappen, wederzijds vertrouwen en begrip en wederzijdse leerprocessen, de vaststelling en verspreiding van beste praktijken en innovatieve benaderingen op het niveau van de Unie en opleidings- en uitwisselingsprogramma’s;

e)

projecten ter ondersteuning van de ontwikkeling van methodologische, met name statistische, hulpmiddelen en methoden en gemeenschappelijke indicatoren;

f)

de aanschaf, het onderhoud en/of de verdere verbetering van technische apparatuur, expertise, beveiligde faciliteiten, infrastructuur, bijbehorende gebouwen en systemen, met name ICT-systemen en hun componenten op het niveau van de Unie, onder meer ten behoeve van de Europese samenwerking inzake cyberveiligheid en cybercriminaliteit, met name met het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit;

g)

projecten ter vergroting van het bewustzijn van het beleid en de doelstellingen van de Unie bij belanghebbenden en het grote publiek, met inbegrip van institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie;

h)

bijzonder innovatieve projecten waarbij nieuwe methoden worden ontwikkeld en/of nieuwe technologieën worden ingezet die ook toepasbaar kunnen zijn in andere lidstaten, in het bijzonder projecten voor het testen en valideren van de resultaten van door de Unie gefinancierde projecten inzake veiligheidsonderzoek;

i)

studies en proefprojecten;

3.   Binnen de in artikel 3 bedoelde doelstellingen biedt het Instrument ook ondersteuning voor acties in of met betrekking tot derde landen, en met name voor de volgende acties:

a)

acties ter verbetering van de politiële samenwerking en coördinatie tussen rechtshandhavingsautoriteiten, en, in voorkomend geval, internationale organisaties, met inbegrip van gezamenlijke onderzoeksteams en alle andere vormen van grensoverschrijdende gezamenlijke operaties, toegang tot en uitwisseling van informatie en interoperabele technologieën;

b)

netwerken, wederzijds vertrouwen en begrip en wederzijds van elkaar leren, de vaststelling, uitwisseling en verspreiding van knowhow, ervaring en beste praktijken, delen van informatie, gedeeld inzicht in situaties en prognoses, noodplanning en interoperabiliteit;

c)

aanschaf, onderhoud, en/of verdere verbetering van technische apparatuur, waaronder ICT-systemen en hun componenten;

d)

uitwisseling, training en opleiding van personeel en deskundigen van de bevoegde autoriteiten, waaronder taalonderwijs;

e)

activiteiten op het gebied van bewustmaking, verspreiding en communicatie;

f)

dreigings-, risico- en effectbeoordelingen;

g)

studies en proefprojecten.

4.   Acties van de Unie worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) nr. 514/2014.

Artikel 9

Technische bijstand

1.   Op initiatief van en/of namens de Commissie kan het Instrument jaarlijks tot 800 000 EUR ten behoeve van technische bijstand bijdragen aan het Fonds, overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 514/2014.

2.   Op initiatief van een lidstaat kan het Instrument activiteiten van technische bijstand financieren, overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 514/2014. Het bedrag dat wordt gereserveerd voor technische bijstand bedraagt voor de periode 2014-2020 ten hoogste5 % van het totale bedrag dat aan een lidstaat is toegewezen, vermeerderd met 200 000 EUR.

Artikel 10

Noodhulp

1.   In het kader van het Instrument wordt financiële bijstand verleend om in geval van een noodsituatie als gedefinieerd in artikel 2, onder j), in dringende en specifieke behoeften te voorzien.

2.   Noodhulp wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Verordening (EU) nr. 514/2014.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 7, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 21 mei 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van drie jaar, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar tegen deze verlenging verzet.

3.   De in artikel 7, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een in dat besluit genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

5.   Een overeenkomstig artikel 7, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Deze termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 12

Toepasselijkheid van Verordening (EU) nr. 514/2014

Op het Instrument zijn de bepalingen van Verordening (EU) nr. 514/2014 van toepassing.

Artikel 13

Intrekking

Besluit 2007/125/JBZ wordt met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken.

Artikel 14

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke intrekking, van de betrokken projecten tot de afsluiting ervan of van de financiële bijstand die door de Commissie is goedgekeurd op grond van Besluit 2007/125/JBZ of andere wetgeving die op 31 december 2013 op die bijstand van toepassing is.

2.   Wanneer zij besluiten neemt over medefinanciering uit hoofde van het instrument, neemt de Commissie de maatregelen in aanmerking die vóór 20 mei 2014 op grond van Besluit 2007/125/JBZ zijn genomen en die financiële gevolgen hebben tijdens de door die medefinanciering bestreken periode.

3.   De voor medefinanciering vastgelegde bedragen die door de Commissie tussen 1 januari 2011 en 31 december 2014 zijn goedgekeurd en waarvoor de voor afsluiting van de operaties vereiste documenten op de uiterste datum voor indiening van het eindverslag nog niet bij de Commissie zijn ingediend, worden door de Commissie uiterlijk op 31 december 2017 ambtshalve vrijgemaakt en geven aanleiding tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen.

Bedragen die verband houden met operaties die zijn geschorst wegens een gerechtelijke procedure of administratief beroep met schorsende werking, worden bij de berekening van de ambtshalve vrij te maken bedragen buiten beschouwing gelaten.

4.   Uiterlijk op 31 december 2015 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een evaluatie achteraf in van Besluit 2007/125/JBZ voor de periode 2007-2013.

Artikel 15

Evaluatie

Uiterlijk op 30 juni 2020 herzien het Europees Parlement en de Raad, op grond van een voorstel van de Commissie, deze verordening.

Artikel 16

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 299 van 4.10.2012, blz. 108.

(2)  PB C 277 van 13.9.2012, blz. 23.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 april 2014.

(4)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Besluit nr. 574/2007/EG. Zie bladzijde 143 van dit Publicatieblad.

(6)  Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het Fonds voor asiel, migratie en integratie, en het instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheer. Zie bladzijde 112 van dit Publicatieblad.

(7)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(8)  Besluit 2007/125/JBZ van de Raad van 12 februari 2007 tot vaststelling van het specifieke programma „Preventie en de bestrijding van criminaliteit” voor de periode 2007-2013, als onderdeel van het algemene programma „Veiligheid en bescherming van de vrijheden” (PB L 58 van 24.2.2007, blz. 7).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(10)  Verordening (EU) nr. 1382/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma „Justitie” voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 73).

(11)  Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).

(12)  Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).

(13)  Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde meerjarig actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid voor de periode 2014-2020 en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).

(14)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11).

(15)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het Instrument voor Europees nabuurschap (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27)

(16)  Verordening(EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44).

(17)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 77).

(18)  Verordening (EU) nr235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 85).

(19)  Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1).

(20)  Besluit 2009/902/JBZ van de Raad van 30 november 2009 betreffende de oprichting van een Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie (ENCP) en tot intrekking van Besluit 2001/427/JBZ (PB L 321 van 8.12.2009, blz. 44).

(21)  Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42).

(22)  Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3).

(23)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).


BIJLAGE I

Lijst van strategische prioriteiten van de Unie (bedoeld in artikel 7, lid 2)

Maatregelen ter voorkoming van alle vormen van criminaliteit en bestrijding van grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, met name projecten ter uitvoering van relevante beleidscycli, drugshandel, mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen en projecten ter opsporing en ontmanteling van criminele netwerken, vergroting van de capaciteit om corruptie te bestrijden, bescherming van de economie tegen criminele infiltratie en vermindering van financiële prikkels door de inbeslagname, bevriezing en verbeurdverklaring van criminele vermogensbestanddelen.

Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van cybercriminaliteit en om de internetveiligheid voor burgers en bedrijfsleven te verbeteren, met name projecten voor de opbouw van de capaciteit op het gebied van de rechtshandhaving en de rechterlijke macht, projecten die zorgen voor samenwerking met de industrie om burgers middelen in handen te geven en te beschermen, en projecten ter verbetering van de capaciteit om te reageren op cyberaanvallen.

Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van terrorisme en het aanpakken van radicalisering en werving, met name projecten die gemeenschappen in staat stellen om een lokale benadering en een lokaal preventiebeleid te ontwikkelen, projecten die het de bevoegde autoriteiten mogelijk maken om terroristen af te snijden van financiering en materiaal en hun verrichtingen te volgen, projecten die het vervoer van passagiers en lading beschermen en projecten die de beveiliging van explosieven en chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair materiaal verhogen.

Maatregelen ter verhoging van het administratieve en operationele vermogen van de lidstaten om kritieke infrastructuur in alle economische sectoren te beschermen, met inbegrip van de sectoren waarop Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (1) van toepassing is, met name projecten ter bevordering van publiek-private partnerschappen met het oog op het opbouwen van vertrouwen en het faciliteren van samenwerking, coördinatie, noodplanning en de uitwisseling en verspreiding van informatie en beste praktijken onder publieke en private actoren.

Maatregelen ter vergroting van de veerkracht van de Unie bij crises en rampen, met name projecten ter bevordering van de ontwikkeling van een samenhangend beleid van de Unie inzake risicobeheer, waarbij dreigings- en risicobeoordelingen en besluitvorming aan elkaar gekoppeld worden, alsook projecten ter ondersteuning van een doeltreffende en gecoördineerde reactie op crises, waarbij bestaande (sectorspecifieke) capaciteiten, expertisecentra en situatiecentra (waaronder die op het gebied van gezondheid, civiele bescherming en terrorisme) aan elkaar gekoppeld worden.

Maatregelen voor een hechter partnerschap tussen de Unie en derde landen (in het bijzonder landen aan haar buitengrenzen) en het opstellen en uitvoeren van operationele actieprogramma’s voor de verwezenlijking van bovengenoemde strategische prioriteiten van de Unie.


(1)  Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75).


BIJLAGE II

Lijst van gemeenschappelijke indicatoren voor het meten van de specifieke doelstellingen

a)

Voorkoming en bestrijding van grensoverschrijdende, zware en georganiseerde misdaad, waaronder terrorisme, en versterking van de coördinatie en de samenwerking tussen de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten en met betrokken derde landen

i)

Het aantal door het Instrument ondersteunde operationele projecten van gemeenschappelijke onderzoekteams en het Europees multidisciplinair platform tegen criminaliteitsdreiging (EMPACT), met inbegrip van de deelnemende lidstaten en autoriteiten

Met het oog op de jaarlijkse uitvoeringsverslagen, als bedoeld in artikel 54 van Verordening (EU) nr. 514/2014, wordt deze indicator verder onderverdeeld in subcategorieën zoals:

leider (lidstaat),

partners (lidstaten),

deelnemende autoriteiten,

deelnemend EU-agentschap (Eurojust, Europol), indien van toepassing.

ii)

Het aantal rechtshandhavingsfunctionarissen dat met hulp van het Instrument is opgeleid voor onderwerpen van grensoverschrijdende aard, en de duur van hun opleiding (mandagen)

Met het oog op de jaarlijkse uitvoeringsverslagen, als bedoeld in artikel 54 van Verordening (EU) nr. 514/2014, wordt deze indicator verder onderverdeeld in subcategorieën zoals:

per vorm van criminaliteit (bedoeld in artikel 83 VWEU): terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit, georganiseerde misdaad, of

per horizontaal gebied van rechtshandhaving: informatie-uitwisseling, operationele samenwerking.

iii)

Het aantal projecten op het gebied van voorkoming van criminaliteit en de financiële waarde ervan

Met het oog op de jaarlijkse uitvoeringsverslagen, als bedoeld in artikel 54 van Verordening (EU) nr. 514/2014, wordt deze indicator verder onderverdeeld naar vorm van criminaliteit (bedoeld in artikel 83 VWEU): terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit, georganiseerde misdaad.

iv)

Het aantal door het Instrument gesteunde projecten dat gericht is op de verbetering van de uitwisseling van rechtshandhavingsinformatie gerelateerd aan de gegevenssystemen, registers of communicatie-instrumenten van Europol

Met het oog op de jaarlijkse uitvoeringsverslagen, als bedoeld in artikel 54 van de Verordening (EU) nr. 514/2014, wordt deze indicator verder onderverdeeld naar vorm van criminaliteit (bedoeld in artikel 83 VWEU): gegevensladers, uitbreiding van de toegang tot SIENA, projecten gericht op de verbetering van de input in analysebestanden enz.

b)

Versterking van de capaciteit van de lidstaten en de Unie om veiligheidsgerelateerde risico’s en crises doeltreffend te beheren, en voorbereiding op en bescherming van mensen en kritieke infrastructuur tegen terreuraanvallen en andere veiligheidsgerelateerde incidenten

i)

Het aantal instrumenten dat met de steun van het Instrument is ingevoerd en/of verder uitgewerkt om de bescherming van kritieke infrastructuur door de lidstaten in alle sectoren van de economie te bevorderen.

ii)

Het aantal door het Instrument gesteunde projecten in verband met de beoordeling en beheersing van risico's op het gebied van interne veiligheid.

iii)

Het aantal met de steun van het Instrument georganiseerde vergaderingen van deskundigen, workshops, seminars, conferenties, websites en (online)raadplegingen.

Met het oog op de jaarlijkse uitvoeringsverslagen, als bedoeld in artikel 54 van de Verordening (EU) nr. 514/2014, wordt deze indicator verder onderverdeeld in subcategorieën zoals:

met betrekking tot de bescherming van kritieke infrastructuur, of

met betrekking tot risico- en crisisbeheersing.


BIJLAGE III

Bedragen voor nationale programma's

Fonds voor interne veiligheid Politie — Bedragen van nationale programma's

lidstaat

Bevolking (individuen)

Oppervlakte (km2)

passagiers

ton lading

bbp/per hoofd van de bevolking (EUR)

Toewijzingen

(2013)

(2012)

lucht (2012)

zee (2011)

Totaal

 

lucht (2012)

zee (2011)

Totaal

 

(2012)

 

30 %

10 %

15 %

 

 

 

10 %

 

 

 

35 %

2014-2020

Bedrag

Toewijzing

Bedrag

Toewijzing

Bedragen

Toewijzing

Bedragen

Toewijzing

Bedrag

Sleutel

Toewijzing

 

AT

8 488 511

3 845 782

83 879

1 321 372

8 196 234

0

8 196 234

3 169 093

219 775

0

219 775

4 651

36 400

16,66

3 822 008

12 162 906

BE

11 183 350

5 066 698

30 528

480 917

8 573 821

0

8 573 821

3 315 088

1 068 434

232 789 000

233 857 434

4 948 770

34 000

17,84

4 091 797

17 903 270

BG

7 282 041

3 299 182

110 900

1 747 038

1 705 825

0

1 705 825

659 561

18 536

25 185 000

25 203 536

533 344

5 400

112,33

25 763 168

32 002 293

CH

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CY

862 011

390 540

9 251

145 734

1 587 211

107 000

1 694 211

655 071

28 934

6 564 000

6 592 934

139 516

20 500

29,59

6 786 396

8 117 257

CZ

10 516 125

4 764 407

78 866

1 242 401

3 689 113

0

3 689 113

1 426 404

58 642

0

58 642

1 241

14 500

41,83

9 594 559

17 029 012

DE

82 020 688

37 160 068

357 137

5 626 095

66 232 970

1 146 000

67 378 970

26 052 237

4 448 191

296 037 000

300 485 191

6 358 712

32 299

18,78

4 307 288

79 504 401

DK

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EE

1 286 479

582 849

45 227

712 475

466 960

61 000

527 960

204 137

23 760

48 479 000

48 502 760

1 026 390

12 700

47,76

10 954 418

13 480 269

ES

46 006 414

20 843 540

505 991

7 971 031

24 450 017

3 591 000