ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 141

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
14 mei 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17)

1

 

*

Verordening (EU) nr. 469/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2157/1999 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/1999/4) (ECB/2014/18)

51

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 141/1


VERORDENING (EU) Nr. 468/2014 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 16 april 2014

tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening)

(ECB/2014/17)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid artikel 127, lid 6, en artikel 132,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 34,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), inzonderheid artikel 4, lid 3, artikel 6 en artikel 33, lid 2,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank over de praktische regelingen in verband met de uitoefening van democratische verantwoordingsplicht en toezicht op de uitoefening van de taken die in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme aan de Europese Centrale Bank zijn opgedragen (2),

Gezien de openbare raadpleging en analyse die is uitgevoerd op basis van artikel 4, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1024/2013,

Gezien het voorstel van de Raad van toezicht en het overleg met de nationale bevoegde autoriteiten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1024/2013 (hierna de „GTM-verordening”) stelt het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM) vast dat is samengesteld uit de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale bevoegde autoriteiten (NBA’s) van deelnemende lidstaten.

(2)

In het kader van artikel 6 van de GTM-verordening is de ECB exclusief bevoegd de uit hoofde van artikel 4 daarvan aan haar opgedragen microprudentiële taken uit te oefenen met betrekking tot kredietinstellingen die in de deelnemende lidstaten gevestigd zijn. De ECB is verantwoordelijk voor het doeltreffend en consistent functioneren van het GTM en voor het uitoefenen van toezicht op het functioneren van het systeem op basis van de in artikel 6 van de GTM-verordening uiteengezette verantwoordelijkheden en procedures.

(3)

In voorkomende gevallen en onverminderd de verantwoordelijkheid en de verantwoordingsplicht van de ECB met betrekking tot de taken die door de GTM-verordening aan haar zijn opgedragen, zijn de NBA’s verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand aan de ECB, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in de GTM-verordening en in deze verordening, bij de voorbereiding en de uitvoering van alle handelingen met betrekking tot de in artikel 4 van de GTM-verordening bedoelde taken ten aanzien van alle kredietinstellingen, met inbegrip van bijstand bij verificatiewerkzaamheden. Hiertoe dienen de NBA’s bij de uitvoering van de in artikel 4 van de GTM-verordening vermelde taken de door de ECB gegeven aanwijzingen op te volgen.

(4)

De ECB, de NBA’s en de nationaal aangewezen autoriteiten (NAA’s) voeren de in artikel 5 van de GTM-verordening genoemde macroprudentiële taken uit en volgen de in de GTM-verordening, in de onderhavige verordening en in relevant Unierecht voorgeschreven coördinatieprocedures, zonder afbreuk te doen aan de rol van het Eurosysteem en van het Europees Comité voor systeemrisico’s.

(5)

Binnen het GTM worden de respectievelijke toezichthoudende verantwoordelijkheden van de ECB en de NBA’s toegewezen op basis van de significantie van de entiteiten die onder het bereik van het GTM vallen. Deze verordening regelt in het bijzonder de specifieke methodologie voor de beoordeling van deze significantie, zoals vereist op basis van artikel 6, lid 7, van de GTM-verordening. De ECB heeft rechtstreekse toezichtbevoegdheid ten aanzien van in deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings evenals in deelnemende lidstaten gevestigde bijkantoren van in niet-deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen die belangrijk zijn. De NBA’s zijn verantwoordelijk voor het rechtstreekse toezicht op entiteiten die minder belangrijk zijn, onverminderd de bevoegdheid van de ECB om in specifieke gevallen te besluiten rechtstreeks toezicht uit te oefenen op dergelijke entiteiten indien dit noodzakelijk is voor de consistente toepassing van de toezichtnormen.

(6)

Rekening houdend met recente ontwikkelingen op het gebied van Unieregelgeving ten aanzien van sancties en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het principe van scheiding tussen een onderzoek en de besluitvormingsfase, zal de ECB een onafhankelijke onderzoekseenheid oprichten die autonoom onderzoek zal verrichten naar schendingen van toezichtregels en -besluiten.

(7)

Artikel 6, lid 7, van de GTM-verordening stelt dat de ECB, in samenwerking met de NBA’s en op basis van een voorstel van de Raad van toezicht, een kader dient vast te stellen en openbaar te maken met betrekking tot het organiseren van de praktische regelingen voor samenwerking tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM.

(8)

Krachtens artikel 33, lid 2, van de GTM-verordening dient de ECB door middel van verordeningen en besluiten de gedetailleerde operationele regelingen voor de uitvoering van de aan haar bij die verordening opgedragen taken bekend te maken. De onderhavige verordening bevat de bepalingen waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 33, lid 2, betreffende de samenwerking tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM.

(9)

Dientengevolge worden in deze verordening de in de GTM-verordening vastgelegde samenwerkingsprocedures tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM verder uitgewerkt en gespecificeerd, alsook, waar toepasselijk, de samenwerkingsprocedures met de nationale aangewezen autoriteiten, waardoor aldus de effectieve en consistente werking van het GTM wordt verzekerd.

(10)

De ECB hecht veel waarde aan de alomvattende beoordeling van kredietinstellingen, inclusief de balansbeoordeling die zij moet verrichten, alvorens zij haar taken op zich neemt. Dit strekt zich uit tot alle lidstaten die toetreden tot het eurogebied en derhalve toetreden tot het GTM na de datum van aanvang van het toezicht krachtens artikel 33, lid 2, van de GTM-verordening.

(11)

Het is essentieel voor de goede werking van het GTM dat de ECB en de NBA’s volledig samenwerken en dat zij alle informatie uitwisselen die van invloed kan zijn op hun respectievelijke taken, meer in het bijzonder alle informatie waarover de NBA’s beschikken met betrekking tot procedures die de veiligheid en de degelijkheid van een onder toezicht staande entiteit kunnen beïnvloeden of die interageren met de toezichtprocedures ten aanzien van dergelijke entiteiten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en doel

1.   Deze verordening stelt regels vast met betrekking tot alle volgende zaken:

a)

het kader zoals vermeld in artikel 6, lid 7, van de GTM-verordening, namelijk een kader waarbinnen de praktische regelingen worden georganiseerd voor het implementeren van artikel 6 van de GTM-verordening inzake samenwerking binnen het GTM, met inbegrip van:

i)

de specifieke methodologie voor de beoordeling en toetsing of een onder toezicht staande entiteit aangemerkt moet worden als belangrijk of minder belangrijk op basis van de in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening vastgelegde criteria, alsmede op basis van de uit deze beoordeling resulterende regelingen;

ii)

de definitie van procedures, inclusief termijnen, ook met betrekking tot de mogelijkheid voor NBA’s om ontwerpbesluiten voor te bereiden ter voorlegging aan de ECB, met betrekking tot de relatie tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot het toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten.

iii)

de definitie van procedures, inclusief termijnen, met betrekking tot de relatie tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot het toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten. In het bijzonder verplichten deze procedures de NBA’s, afhankelijk van de in deze verordening gedefinieerde gevallen, om:

de ECB in kennis te stellen van iedere materiële toezichtprocedure;

op verzoek van de ECB, specifieke aspecten van de procedure nader te beoordelen;

de van materieel belang zijnde ontwerpbesluiten inzake toezicht naar de ECB te zenden, waaromtrent de ECB haar mening kan geven;

b)

samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de ECB en de NBA’s binnen het GTM met betrekking tot de procedures betreffende belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, inclusief gezamenlijke procedures met betrekking tot vergunningen die toegang bieden tot de werkzaamheden van een kredietinstelling, intrekking van dergelijke vergunningen en de beoordeling van aankopen en verkopen van gekwalificeerde deelnemingen;

c)

de procedures voor samenwerking tussen de ECB, de NBA’s en de NAA’s met betrekking tot macroprudentiële taken en instrumenten in de zin van artikel 5 van de GTM-verordening;

d)

de procedures voor het uitoefenen van nauwe samenwerking in de zin van artikel 7 van de GTM-verordening en die van toepassing zijn tussen de ECB, de NBA’s en de NAA’s;

e)

de procedures inzake samenwerking tussen de ECB en de NBA’s met betrekking tot de artikelen 10 tot en met 13 van de GTM-verordening, inclusief ten aanzien van bepaalde aspecten van toezichtrapportage;

f)

de procedures voor de vaststelling van toezichtbesluiten gericht tot onder toezicht staande entiteiten en andere personen;

g)

de taaltechnische afspraken tussen de ECB en de NBA’s en verder tussen de ECB en onder toezicht staande entiteiten en andere personen;

h)

de procedures die van toepassing zijn op de sanctiebevoegdheden van de ECB en de NBA’s binnen het GTM met betrekking tot de door de GTM-verordening aan de ECB toegewezen taken;

i)

overgangsbepalingen.

2.   De onderhavige verordening is niet van invloed op toezichthoudende taken die niet zijn opgedragen aan de ECB door de GTM-verordening en die derhalve voorbehouden blijven aan de nationale autoriteiten.

3.   De onderhavige verordening dient in het bijzonder gelezen te worden in samenhang met Besluit ECB/2004/2 (3) en het reglement van orde van de Raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (4), in het bijzonder met betrekking tot besluitvorming binnen het GTM, inclusief de procedure die van toepassing is tussen de Raad van toezicht en de Raad van bestuur inzake het geen-bezwaar van de Raad van bestuur zoals vermeld in artikel 26, lid 8, van de GTM-verordening en andere relevante rechtshandelingen van de ECB, waaronder Besluit ECB/2014/16 (5).

Artikel 2

Definities

In deze verordening gelden, tenzij anders bepaald, de definities die zijn vastgelegd in de GTM-verordening en daarnaast de volgende definities:

1.   „vergunning”: een vergunning zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 42, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en van de Raad (6);

2.   „bijkantoor”: een bijkantoor zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

3.   „gezamenlijke procedures”: de in deel V vermelde procedures met betrekking tot een vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling, intrekking van een vergunning die toegang biedt tot dergelijke activiteiten en besluiten met betrekking tot gekwalificeerde deelnemingen;

4.   „eurogebiedlidstaat”: een lidstaat die de euro als munt heeft;

5.   „groep”: een groep ondernemingen waarvan er minstens één een kredietinstelling is en die bestaat uit een moederonderneming en haar dochterondernemingen, of ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een relatie in de zin van artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (7), inclusief subgroepen daarvan;

6.   „gezamenlijk toezichthoudend team”: een team van toezichthouders dat belast is met het toezicht op een belangrijke onder toezicht staande entiteit of een belangrijke onder toezicht staande groep;

7.   „minder belangrijke onder toezicht staande entiteit”: betekent zowel a) een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, als b) een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een niet-eurogebiedlidstaat die een deelnemende lidstaat is;

8.   „een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat”: een onder toezicht staande entiteit die is gevestigd in een eurogebiedlidstaat en die niet de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande entiteit in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening;

9.   „nationale bevoegde autoriteit” (NBA): een nationale bevoegde autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2 van de GTM-verordening. Deze definitie doet geen afbreuk aan nationaalrechtelijke bepalingen waarbij bepaalde toezichttaken zijn toegewezen aan een nationale centrale bank (NCB) die niet is aangemerkt als een NBA. In dat geval zal de NCB deze taken uitoefenen binnen het door nationaal recht en deze verordening gevormde kader. In dit kader is een verwijzing naar een NBA in deze verordening in voorkomende gevallen van toepassing op de NCB met betrekking tot de daaraan toegewezen taken op basis van nationaal recht;

10.   „NBA in nauwe samenwerking”: een NBA die is aangewezen door een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking krachtens Richtlijn 2013/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (8);

11.   „nationale aangewezen autoriteit” (NAA): een nationale aangewezen autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van de GTM-verordening;

12.   „NAA in nauwe samenwerking”: een niet-eurogebied-NAA die is aangewezen door een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking ten behoeve van de aan artikel 5 van de GTM-verordening gerelateerde taken;

13.   „niet-eurogebiedlidstaat”: een lidstaat die niet de euro als munt heeft;

14.   „moederonderneming”: een moederonderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 15, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

15.   „deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking”: een niet-eurogebiedlidstaat die een nauwe samenwerking is aangegaan met de ECB op basis van artikel 7 van de GTM-verordening;

16.   „belangrijke onder toezicht staande entiteit”: betekent zowel a) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, als b) een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat;

17.   „belangrijke onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat”: een onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat die de status heeft van belangrijke onder toezicht staande entiteit krachtens een ECB-besluit dat is gebaseerd op artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;

18.   „een belangrijke onder toezicht staande entiteit in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat”: een onder toezicht staande entiteit die is gevestigd in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat die de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande entiteit krachtens een ECB-besluit dat is gebaseerd op artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;

19.   „dochteronderneming”: een dochteronderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

20.   „onder toezicht staande entiteit”: is één van de volgende entiteiten: a) een kredietinstelling die is gevestigd in een deelnemende lidstaat; b) een financiële holding die is gevestigd in een deelnemende lidstaat; c) een gemengde financiële holding die is gevestigd in een deelnemende lidstaat, mits deze voldoet aan de voorwaarden van punt 21, onder b); d) een bijkantoor dat in een deelnemende lidstaat is gevestigd door een in een niet-deelnemende lidstaat gevestigde kredietinstelling.

Een centrale tegenpartij (CTP), zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (9), die wordt aangemerkt als een kredietinstelling in de zin van Richtlijn 2013/36/EU, wordt beschouwd als een onder toezicht staande entiteit in overeenstemming met de GTM-verordening, deze verordening en relevante Unieregelgeving, zonder afbreuk te doen aan het toezicht op CTP’s door de betreffende NBA’s zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 648/2012;

21.   „onder toezicht staande groep”: verwijst naar één van de volgende:

a)

een groep waarvan de moederonderneming een kredietinstelling of financiële holding is die haar hoofdkantoor heeft in een deelnemende lidstaat;

b)

een groep waarvan de moederonderneming een gemengde financiële holding is die haar hoofdkantoor heeft in een deelnemende lidstaat, mits de coördinator van het financiële conglomeraat, in de zin van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (10), een autoriteit is die bevoegd is met betrekking tot toezicht op kredietinstellingen en tevens de coördinator is in zijn functie van toezichthouder op kredietinstellingen;

c)

onder toezicht staande entiteiten die ieder hun hoofdkantoor hebben in dezelfde deelnemende lidstaat, mits zij permanent aangesloten zijn bij een centraal lichaam dat toezicht over hen uitoefent krachtens de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 10 van Richtlijn (EU) nr. 575/2013 en dat is gevestigd in dezelfde deelnemende lidstaat;

22.   „belangrijke onder toezicht staande groep”: betekent een onder toezicht staande groep die de status heeft van belangrijke onder toezicht staande groep krachtens een ECB-besluit op basis van artikel 6, lid 4, of artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening;

23.   „minder belangrijke onder toezicht staande groep”: betekent een onder toezicht staande groep die niet de status heeft van een belangrijke onder toezicht staande groep in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening;

24.   „ECB-toezichtprocedure”: alle ECB-activiteiten die zijn gericht op het voorbereiden van de afgifte van een ECB-toezichtbesluit, inclusief de gezamenlijke procedures en het opleggen van administratieve geldelijke sancties. Alle ECB-toezichtprocedures worden beheerst door deel III. Deel III is ook van toepassing op het opleggen van administratieve geldelijke sancties, tenzij anders bepaald door deel X;

25.   „NBA-toezichtprocedure”: iedere NBA-activiteit die is gericht op het voorbereiden van de afgifte van een NBA-toezichtbesluit dat is gericht tot één of meer onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen of één of meer andere personen, inclusief het opleggen van administratieve sancties;

26.   „ECB-toezichtbesluit”: een rechtshandeling die door de ECB wordt vastgesteld in het kader van de uitoefening van de door de GTM-verordening aan haar opgedragen taken en bevoegdheden, die in de vorm is van een ECB-besluit, gericht is tot één of meer onder toezicht staande entiteiten of groepen of één of meer andere personen en die geen algemeen toepasselijke rechtshandeling is;

27.   „derde land”: een land dat noch een lidstaat is, noch een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;

28.   „werkdag”: een dag niet-zijnde een zaterdag, zondag of een officiële ECB-feestdag, zulks overeenkomstig de voor de ECB toepasselijke kalender (11)

DEEL II

ORGANISATIE VAN HET GTM

TITEL 1

STRUCTUREN VOOR HET TOEZICHT OP BELANGRIJKE EN MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

HOOFDSTUK 1

Toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Artikel 3

Gezamenlijk toezichthoudende teams

1.   Er wordt een gezamenlijk toezichthoudend team opgericht voor het toezicht op iedere belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep in deelnemende lidstaten. Ieder gezamenlijk toezichthoudend team wordt samengesteld uit personeelsleden van de ECB en van de NBA’s, die worden benoemd in overeenstemming met artikel 4 en waarvan het werk wordt gecoördineerd door een daartoe aangewezen ECB-personeelslid (hierna de „GTT-coördinator”) en één of meer NBA-subcoördinatoren, zoals nader vastgelegd in artikel 6.

2.   Onverminderd de andere bepalingen van deze verordening zullen de taken van een gezamenlijk toezichthoudend team onder meer, maar niet uitsluitend, de volgende zaken inhouden:

a)

Het uitvoeren van het proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder (supervisory review and evaluation process, of SREP) zoals vermeld in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot de belangrijke onder toezicht staande entiteit of de belangrijke onder toezicht staande groep waar het team toezicht op uitoefent;

b)

Het deelnemen aan de voorbereiding, met inachtneming van het SREP, van een aan de Raad van toezicht voor te leggen programma voor onderzoek door de toezichthouder, inclusief een plan voor inspectie ter plaatse zoals vastgelegd in artikel 99 van Richtlijn 2013/36/EU inzake een dergelijke belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep;

c)

Het implementeren van het door de ECB goedgekeurde programma voor onderzoek door de toezichthouder alsmede van alle ECB-toezichtbesluiten met betrekking tot de belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep waar het team toezicht op uitoefent;

d)

Het coördineren met het team voor inspectie ter plaatse zoals genoemd in deel XI inzake de implementatie van het plan voor inspectie ter plaatse;

e)

Het onderhouden van contact met NBA’s waar nodig.

Artikel 4

Oprichting en samenstelling van gezamenlijk toezichthoudende teams

1.   De ECB is belast met de oprichting en samenstelling van gezamenlijk toezichthoudende teams. De benoeming van personeelsleden van de NBA’s in gezamenlijk toezichthoudende teams vindt plaats door de respectievelijke NBA’s in overeenstemming met lid 2.

2.   In overeenstemming met de beginselen zoals voorgeschreven in artikel 6, lid 8, van de GTM-verordening en zonder afbreuk te doen aan artikel 31 daarvan, zullen de NBA’s één of meer van hun personeelsleden benoemen als lid of leden van een gezamenlijk toezichthoudend team. Een NBA-personeelslid kan benoemd worden als lid van meer dan één gezamenlijk toezichthoudend team.

3.   Niettegenstaande lid 2 kan de ECB van de NBA’s verlangen dat zij de door hen gedane benoemingen wijzigen indien dit nodig is ten behoeve van de samenstelling van een gezamenlijk toezichthoudend team.

4.   Indien er in een deelnemende lidstaat meer dan één NBA toezichthoudende taken uitoefent, of indien het nationale recht van een deelnemende lidstaat voorschrijft dat specifieke toezichthoudende taken voorbehouden zijn aan een NCB terwijl de NCB geen NBA is, zullen de betreffende autoriteiten hun deelname aan de gezamenlijk toezichthoudend teams coördineren.

5.   De ECB en de NBA’s overleggen en maken afspraken met elkaar over het gebruik van NBA-middelen met betrekking tot de gezamenlijk toezichthoudende teams.

Artikel 5

Betrokkenheid van personeelsleden van NCB’s van deelnemende lidstaten

1.   NCB’s van deelnemende lidstaten die zijn betrokken bij het prudentieel toezicht op een belangrijke onder toezicht staande entiteit of een belangrijke onder toezicht staande groep op basis van hun nationale recht, maar die geen NBA’s zijn, mogen ook één of meerdere van hun personeelsleden benoemen in een gezamenlijk toezichthoudend team.

2.   De ECB wordt op de hoogte gebracht van dergelijke benoemingen en artikel 4 is van overeenkomstige toepassing.

3.   Indien personeelsleden van NCB’s van deelnemende lidstaten worden benoemd in een gezamenlijk toezichthoudend team, dienen verwijzingen naar NBA’s met betrekking tot gezamenlijk toezichthoudend teams geïnterpreteerd te worden als een verwijzing naar die NCB’s.

Artikel 6

GTT-coördinator en subcoördinatoren

1.   De GTT-coördinator, die wordt geassisteerd door de in lid 2 gedefinieerde NBA-subcoördinatoren, zorgt voor de coördinatie van het werk binnen het gezamenlijk toezichthoudend team. In dit kader zullen de leden van het gezamenlijk toezichthoudend team de instructies van de GTT-coördinator opvolgen met betrekking tot hun taken in het team. Dit mag geen inbreuk maken op hun taken en verplichtingen bij hun respectievelijke NBA’s.

2.   Iedere NBA die meer dan één personeelslid benoemt in het gezamenlijk toezichthoudend team, zal één van hen aanwijzen als subcoördinator (hierna: een „NBA-subcoördinator”). NBA-subcoördinatoren assisteren de GTT-coördinator bij de organisatie en coördinatie van de taken binnen het gezamenlijk toezichthoudend team, met name met betrekking tot de personeelsleden die door dezelfde NBA zijn benoemd als de betreffende NBA-subcoördinator. De NBA-subcoördinator kan instructies geven aan de door dezelfde NBA benoemde leden van het gezamenlijk toezichthoudend team, op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met de instructies van de GTT-coördinator.

HOOFDSTUK 2

Toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten

Artikel 7

Betrokkenheid van personeelsleden van andere NBA’s in een toezichthoudend team van een NBA

Onverminderd artikel 31, lid 1, van de GTM-verordening geldt dat indien de ECB met betrekking tot het toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten bepaalt dat het passend is om personeelsleden van één of meer andere NBA’s te benoemen in het toezichthoudend team van een NBA, de ECB van laatstgenoemde kan verlangen dat deze personeelsleden van dergelijke andere NBA’s erbij betrekt.

TITEL 2

TOEZICHT OP GECONSOLIDEERDE BASIS EN DEELNAME VAN DE ECB EN NBA’S AAN COLLEGES VAN TOEZICHTHOUDERS

Artikel 8

Toezicht op geconsolideerde basis

1.   De ECB oefent toezicht uit op geconsolideerde basis uit zoals vermeld in artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU met betrekking tot kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die op geconsolideerde basis belangrijk zijn, indien de moederonderneming ofwel een moederonderneming is in een deelnemende lidstaat of een EU-moederinstelling is die is gevestigd in een deelnemende lidstaat.

2.   De betrokken NBA voert de taak van toezichthouder op geconsolideerde basis uit met betrekking tot kredietinstellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die op geconsolideerde basis minder belangrijk zijn.

Artikel 9

De ECB als voorzitter van een college van toezichthouders

1.   Indien de ECB de consoliderende toezichthouder is, is zij voorzitter van het college dat is opgericht krachtens artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU. De NBA’s van de deelnemende lidstaten waar de moederonderneming, dochterondernemingen en belangrijke bijkantoren in de zin van artikel 51 van Richtlijn 2013/36/EU, indien aanwezig, zijn gevestigd, hebben het recht als waarnemers deel uit te maken van het college.

2.   Indien geen college is ingesteld in overeenstemming met artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU en een belangrijke onder toezicht staande entiteit bijkantoren heeft in niet-deelnemende lidstaten die als belangrijk worden beschouwd in overeenstemming met artikel 51, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, zal de ECB met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst een college van toezichthouders instellen.

Artikel 10

De ECB en de NBA’s als leden van een college van toezichthouders

Indien de consoliderende toezichthouder niet in een deelnemende lidstaat gevestigd is, nemen de ECB en de NBA’s deel aan het college van toezichthouders met inachtneming van de volgende regels en het relevante Unierecht:

a)

indien alle onder toezicht staande entiteiten in deelnemende lidstaten belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn, neemt de ECB deel aan het college van toezichthouders als lid, terwijl de NBA’s gerechtigd zijn aan hetzelfde college deel te nemen als waarnemers;

b)

indien alle onder toezicht staande entiteiten in deelnemende lidstaten minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn, nemen de NBA’s deel aan het college van toezichthouders als lid;

c)

indien de onder toezicht staande entiteiten in deelnemende lidstaten zowel bestaan uit minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten als uit belangrijke onder toezicht staande entiteiten, nemen de ECB en de NBA’s deel aan het college van toezichthouders als leden. De NBA’s van de deelnemende lidstaten waar de belangrijke onder toezicht staande entiteiten zijn gevestigd, zijn gerechtigd deel te nemen aan het college van toezichthouders als waarnemers.

TITEL 3

PROCEDURES INZAKE HET RECHT TOT VESTIGING EN HET RECHT TOT HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

HOOFDSTUK 1

Procedures inzake het recht tot vestiging en het recht tot het vrij verrichten van diensten binnen het GTM

Artikel 11

Recht van vestiging van kredietinstellingen binnen het GTM

1.   Een belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor wil vestigen op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat, geeft kennis van haar intentie aan de NBA van de deelnemende lidstaat waar de belangrijke onder toezicht staande entiteit haar hoofdkantoor heeft. Er wordt informatie verstrekt in overeenstemming met de in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vermelde vereisten. De NBA brengt de ECB onverwijld op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving.

2.   Een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat wil vestigen, geeft kennis van haar intentie aan haar NBA, met inachtneming van de in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vermelde vereisten.

3.   Indien geen andersluidend besluit is genomen door de ECB binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving, mag het in lid 1 vermelde bijkantoor worden gevestigd en aanvangen met haar activiteiten. De ECB stuurt deze informatie door naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor gevestigd zal worden.

4.   Indien geen andersluidend besluit is genomen door de NBA van de lidstaat van herkomst binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving, mag het in lid 2 genoemde bijkantoor worden gevestigd en aanvangen met haar activiteiten. De NBA stuurt deze informatie door naar de ECB en naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor gevestigd zal worden.

5.   Indien er een wijziging optreedt met betrekking tot enige krachtens lid 1 of 2 doorgestuurde informatie, brengt de onder toezicht staande entiteit de NBA die de initiële informatie ontving schriftelijk in kennis van een dergelijke wijziging, ten minste één maand voor de implementatie van de wijziging. Deze NBA informeert de NBA van de lidstaat waar het bijkantoor wordt gevestigd.

Artikel 12

Uitoefening van het recht tot het vrij verrichten van diensten door kredietinstellingen binnen het GTM

1.   Een belangrijke onder toezicht staande entiteit die haar recht tot het vrij verrichten van diensten wil uitoefenen door haar werkzaamheden voor het eerst op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat uit te voeren, stelt de NBA van de deelnemende lidstaat waar de belangrijke onder toezicht staande entiteit haar hoofdkantoor heeft in kennis van haar intentie. Er wordt informatie verstrekt in overeenstemming met de vereisten van artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU. De NBA brengt de ECB direct op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving. De NBA stuurt de kennisgeving ook door naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar de diensten zullen worden verricht.

2.   Een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit die haar recht tot het vrij verrichten van diensten wil uitoefenen door haar werkzaamheden voor het eerst op het grondgebied van een andere deelnemende lidstaat uit te voeren, stelt haar NBA hiervan in kennis in overeenstemming met de vereisten van artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU. Deze kennisgeving wordt doorgestuurd naar de ECB en naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar de diensten zullen worden verricht.

HOOFDSTUK 2

Procedures voor het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten binnen het GTM door kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten

Artikel 13

Kennisgeving van het uitoefenen van het recht van vestiging binnen het GTM door kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten

1.   Indien de bevoegde autoriteit van een niet-deelnemende lidstaat de in artikel 35, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vermelde informatie volgens de in artikel 35, lid 3, van deze richtlijn vermelde procedure doorstuurt naar de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor gevestigd zal worden, zal deze NBA de ECB onverwijld op de hoogte stellen van de ontvangst van deze kennisgeving.

2.   Binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving van de bevoegde autoriteit van een niet-deelnemende lidstaat, zal de ECB, in geval van een significant bijkantoor in de zin van artikel 6 van de GTM-verordening en deel IV van deze verordening, of de betreffende NBA in geval van een minder significant bijkantoor in de zin van de in artikel 6 van de GTM-verordening en in deel IV van deze verordening vermelde criteria, zich gereedmaken voor het toezichthouderschap op het bijkantoor op basis van de artikelen 40 tot en met 46 van Richtlijn 2013/36/EU, en, indien noodzakelijk, de voorwaarden aangeven waaronder, om redenen van algemeen belang, het bijkantoor zijn werkzaamheden mag uitoefenen in de ontvangende lidstaat.

3.   De NBA’s informeren de ECB omtrent de voorwaarden waaronder op grond van nationaal recht en om redenen van algemeen belang werkzaamheden uitgeoefend kunnen worden door een bijkantoor in hun lidstaat.

4.   Wijzigingen van enige informatie die door de kredietinstelling die een bijkantoor wenst te vestigen is verschaft krachtens artikel 35, lid 2, onder b), c) of d), van Richtlijn 2013/36/EU, worden gemeld aan de in lid 1 vermelde NBA.

Artikel 14

Bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst met betrekking tot bijkantoren

1.   Krachtens artikel 4, lid 2, van de GTM-verordening, oefent de ECB de bevoegdheden uit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst waar een bijkantoor significant is in de zin van artikel 6, lid 4, daarvan.

2.   Indien een bijkantoor minder significant is in de zin van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening, oefent de NBA van de deelnemende lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd de bevoegdheden uit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst.

Artikel 15

Kennisgeving omtrent het uitoefenen van het recht van het vrij verrichten van diensten binnen het GTM door kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten

Indien de bevoegde autoriteit van een niet-deelnemende lidstaat een kennisgeving in de zin van artikel 39, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU doet, is de NBA van de deelnemende lidstaat waar het recht van het vrij verrichten van diensten zal worden uitgeoefend de adressaat van de kennisgeving. De NBA brengt de ECB onverwijld op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving.

Artikel 16

Bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst met betrekking tot het vrij verrichten van diensten

1.   In overeenstemming met artikel 4, lid 2, en binnen de reikwijdte van artikel 4, lid 1, van de GTM-verordening, oefent de ECB de taken uit van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst met betrekking tot kredietinstellingen die zijn gevestigd in niet-deelnemende lidstaten die het recht van vrij verrichten van diensten uitoefenen in deelnemende lidstaten.

2.   Indien het recht van vrij verrichten van diensten in het belang is van het algemeen nut met inachtneming van bepaalde nationaalrechtelijke voorwaarden van deelnemende lidstaten, informeren de NBA’s de ECB omtrent deze voorwaarden.

HOOFDSTUK 3

Procedures voor het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten met betrekking tot niet-deelnemende lidstaten

Artikel 17

Procedures voor het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten met betrekking tot niet-deelnemende lidstaten

1.   Een belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor wenst op te richten of het recht wil uitoefenen tot het vrij verrichten van diensten op het grondgebied van een niet-deelnemende lidstaat geeft kennis van haar intentie aan de betreffende NBA in overeenstemming met geldend Unierecht. De NBA brengt de ECB direct op de hoogte van de ontvangst van deze kennisgeving. De ECB oefent de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst uit.

2.   Een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit die een bijkantoor wenst op te richten of het recht wil uitoefenen tot het vrij verrichten van diensten op het grondgebied van een niet-deelnemende lidstaat geeft kennis van deze intentie aan de betreffende NBA in overeenstemming met de geldende Unierechtelijke bepalingen. De betreffende NBA oefent de bevoegdheden van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst uit.

TITEL 4

AANVULLEND TOEZICHT OP FINANCIËLE CONGLOMERATEN

Artikel 18

Coördinator

1.   De ECB neemt de taak op zich van coördinator van een financieel conglomeraat in overeenstemming met de criteria die zijn uiteengezet in relevant Unierecht met betrekking tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit.

2.   De NBA neemt de taak op zich van coördinator van een financieel conglomeraat in overeenstemming met de criteria die zijn uiteengezet in relevant Unierecht met betrekking tot een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit.

DEEL III

ALGEMENE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE WERKING VAN HET GTM

TITEL 1

BEGINSELEN EN VERPLICHTINGEN

Artikel 19

Overzicht

Dit deel geeft a) algemene regels voor de werking van het GTM door de ECB en NBA’s, alsmede b) de door de ECB toe te passen bepalingen ten behoeve van de uitvoering van een ECB-toezichtprocedure.

De algemene beginselen en bepalingen die van kracht zijn tussen de ECB en de NBA’s in nauwe samenwerking zijn vastgelegd in deel IX.

Artikel 20

Verplichting tot samenwerking te goeder trouw

De ECB en de NBA’s zijn verplicht te goeder trouw samen te werken en informatie uit te wisselen.

Artikel 21

Algemene verplichting tot het uitwisselen van informatie

1.   Onverminderd het recht van de ECB om de door de onder toezicht staande entiteiten gerapporteerde informatie op doorlopende basis rechtstreeks te ontvangen of daar direct toegang toe te hebben, verschaffen de NBA’s in het bijzonder tijdig en accuraat alle informatie aan de ECB die de ECB nodig heeft voor de uitoefening van de aan haar bij de GTM-verordening opgedragen taken. Dergelijke informatie omvat tevens de informatie die voortvloeit uit de verificatiewerkzaamheden en werkzaamheden ter plaatse van de NBA’s.

2.   Indien de ECB rechtstreeks informatie verkrijgt van de in artikel 10, lid 1, van de GTM-verordening genoemde rechtspersonen of natuurlijke personen, zal zij dergelijke informatie tijdig en accuraat aan de NBA’s doorgeven. Dergelijke informatie omvat in het bijzonder de informatie die de NBA’s nodig hebben voor de vervulling van hun assisterende rol ten opzichte van de ECB.

3.   Onverminderd de bepalingen van lid 2 verschaft de ECB de NBA’s regelmatig toegang tot bijgewerkte informatie die de NBA’s nodig hebben voor de uitoefening van hun taken in het kader van prudentieel toezicht.

Artikel 22

Het recht van de ECB om de NBA’s of NAA’s te instrueren omtrent de gebruikmaking van hun bevoegdheden en het nemen van maatregelen indien de ECB een toezichthoudende taak heeft, maar geen daaraan gerelateerde bevoegdheid

1.   De ECB kan, in de mate waarin dit noodzakelijk is om de bij de GTM-verordening aan haar opgedragen taken te verrichten, de NBA’s en/of de NAA’s door middel van instructies verzoeken hun bevoegdheden uit te oefenen op basis van en in overeenstemming met de in de nationale wetgeving bepaalde voorwaarden en zoals voorzien in artikel 9 van de GTM-verordening, indien die bevoegdheden niet middels de GTM-verordening aan de ECB zijn toegekend.

2.   De NBA’s en/of, voor wat betreft artikel 5 van de GTM-verordening, de NAA’s, verschaffen onverwijld informatie aan de ECB omtrent de uitoefening van deze bevoegdheden.

Artikel 23

Talenregeling tussen de ECB en de NBA’s

De ECB en de NBA’s stellen een regeling vast voor hun communicatie binnen het GTM, inclusief de te gebruiken taal of talen.

Artikel 24

Talenregeling tussen de ECB en rechtspersonen of natuurlijke personen, inclusief onder toezicht staande entiteiten

1.   Een document dat door een onder toezicht staande entiteit of enig andere rechtspersoon of natuurlijke persoon die individueel onderworpen is aan een ECB-toezichtprocedure, aan de ECB wordt toegestuurd, mag naar keuze van de onder toezicht staande entiteit of persoon in één van de officiële talen van de Unie worden opgesteld.

2.   De ECB, de onder toezicht staande entiteiten en andere rechtspersonen of natuurlijke personen die individueel onderworpen zijn aan ECB-toezichtprocedures kunnen overeenkomen om uitsluitend één officiële Unietaal te gebruiken in hun schriftelijke communicatie, inclusief met betrekking tot ECB-toezichtbesluiten.

De intrekking van een dergelijke overeenkomst met betrekking tot het gebruik van één taal zal alleen van invloed zijn op die aspecten van de ECB-toezichtprocedure die nog niet zijn uitgevoerd.

Indien deelnemers aan een mondelinge behandeling verzoeken om gehoord te worden in een andere officiële Unietaal dan de taal van de ECB-toezichtprocedure, zal het verzoek daartoe voldoende tijdig van tevoren aan de ECB worden gedaan, zodat de ECB de benodigde voorzieningen kan treffen.

TITEL 2

ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE BEHOORLIJKE PROCEDURE VOOR HET VASTSTELLEN VAN ECB-TOEZICHTBESLUITEN

HOOFDSTUK 1

ECB-toezichtprocedures

Artikel 25

Algemene beginselen

1.   ECB-toezichtprocedures die zijn geïnitieerd op basis van artikel 4 en afdeling 2 van hoofdstuk III van de GTM-verordening, worden uitgevoerd in overeenstemming met artikel 22 van de GTM-verordening en de bepalingen van deze titel.

2.   De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op procedures die worden gevoerd door de Administratieve Raad voor toetsing.

Artikel 26

Partijen

1.   De bij een ECB-toezichtprocedure betrokken partijen zijn:

a)

diegenen die een aanvraag doen;

b)

diegenen tot wie de ECB een ECB-toezichtbesluit wil richten of heeft gericht.

2.   NBA’s worden niet als partij beschouwd.

Artikel 27

Vertegenwoordiging van een partij

1.   Een partij mag zich bij het verrichten van alle mogelijke handelingen die gerelateerd zijn aan de ECB-toezichtprocedure laten vertegenwoordigen door haar wettelijke of statutaire vertegenwoordigers of door een andere vertegenwoordiger die door middel van schriftelijk mandaat gemachtigd is.

2.   Een intrekking van het mandaat is pas van kracht na ontvangst door de ECB van een schriftelijke intrekking. De ECB bevestigt de ontvangst van een dergelijke intrekking.

3.   Indien een partij een vertegenwoordiger heeft benoemd in een ECB-toezichtprocedure, neemt de ECB alleen contact op met de benoemde vertegenwoordiger in die toezichtprocedure, tenzij specifieke omstandigheden het noodzakelijk maken dat de ECB direct contact opneemt met de partij. In dat laatste geval zal de vertegenwoordiger worden geïnformeerd.

Artikel 28

Algemene verplichtingen van de ECB en de partijen bij een ECB-toezichtprocedure

1.   Een ECB-toezichtprocedure kan ambtshalve worden geïnitieerd of op verzoek van een partij. Met inachtneming van lid 3 stelt de ECB de feiten vast die van belang zijn voor de vaststelling van haar uiteindelijke besluit in iedere ambtshalve geïnitieerde ECB-toezichtprocedure.

2.   De ECB houdt bij haar beoordeling rekening met alle relevante omstandigheden.

3.   Met inachtneming van Unierecht wordt een partij geacht deel te nemen aan een ECB-toezichtprocedure en assistentie te verlenen bij het verduidelijken van de feiten. In ECB-toezichtprocedures die zijn geïnitieerd op verzoek van een partij, kan de ECB haar feitenbepaling beperken tot een verzoek aan de partij tot verschaffing van de relevante feitelijke informatie.

Artikel 29

Bewijsvoering in ECB-toezichtprocedures

1.   Ter vaststelling van de feiten van een geval, maakt de ECB gebruik van alle bewijsmiddelen die zij na zorgvuldige afweging passend acht.

2.   De partijen zullen met inachtneming van Unierecht de ECB assisteren bij de vaststelling van de feiten van het geval. In het bijzonder zullen de partijen de aan hen bekende feiten naar waarheid opgeven, met inachtneming van de beperkingen met betrekking tot sanctieprocedures op basis van Unierecht.

3.   De ECB kan een tijdslimiet bepalen waarbinnen de partijen bewijsmiddelen kunnen aanleveren.

Artikel 30

Getuigen en deskundigen in ECB-toezichtprocedures

1.   De ECB kan, indien zij dit noodzakelijk acht, getuigen en deskundigen horen.

2.   Indien de ECB een deskundige benoemt, zal zij de taak van deze deskundige vastleggen in een overeenkomst en een tijdslimiet stellen waarbinnen de deskundige zijn rapport dient in te leveren.

3.   Indien de ECB getuigen of deskundigen hoort, hebben deze op verzoek recht op vergoeding van hun reis- en verblijfskosten. Nadat zij hun verklaringen hebben afgelegd, hebben getuigen recht op een vergoeding wegens gederfd inkomen en deskundigen hebbe recht op het overeengekomen deskundigensalaris. De vergoeding wordt gegeven op basis van de toepasselijke bepalingen met betrekking tot de vergoeding van getuigen, respectievelijk de beloning van deskundigen door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.   De ECB kan verlangen dat de in artikel 11, lid 1, onder c), van de GTM-verordening genoemde personen als getuigen verschijnen ten kantore van de ECB of op enige andere locatie in een deelnemende lidstaat zoals bepaald door de ECB. Indien een in artikel 11, lid 1, onder c), van de GTM-verordening genoemde persoon een rechtspersoon is, zijn de natuurlijke personen die deze rechtspersoon vertegenwoordigen verplicht aanwezig op de wijze zoals bepaald in de vorige zin.

Artikel 31

Het recht om te worden gehoord

1.   Voordat de ECB een tot een partij gericht ECB-toezichtbesluit dat een nadelige invloed zou kunnen hebben op de rechten van die partij mag vaststellen, dient de partij in de gelegenheid gesteld te worden zich schriftelijk uit te laten bij de ECB inzake feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden die relevant zijn voor het ECB-toezichtbesluit. Indien de ECB dit aan de orde vindt, kan zij de partijen in de gelegenheid stellen zich tijdens een bijeenkomst uit te laten omtrent de feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden die relevant zijn voor het ECB-toezichtbesluit. De kennisgeving waarbij de ECB de partij gelegenheid geeft haar reactie te geven, vermeldt de materiële inhoud van het voorgenomen ECB-toezichtbesluit en de materiële feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden waarop de ECB haar besluit wil baseren. Afdeling 1 van hoofdstuk III van de GTM-verordening is niet onderworpen aan de bepalingen van dit artikel.

2.   Indien de ECB een partij in de gelegenheid stelt zich tijdens een bijeenkomst uit te laten omtrent de feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden die relevant zijn voor het ECB-toezichtbesluit, is de afwezigheid van een partij, tenzij geldig geëxcuseerd, geen reden voor uitstel van de bijeenkomst. Indien een partij geldig geëxcuseerd is, kan de ECB de bijeenkomst uitstellen of de partij gelegenheid geven zich schriftelijk uit te laten omtrent de feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden die relevant zijn voor het ECB-toezichtbesluit. De ECB stelt de notulen van de bijeenkomst op die getekend dienen te worden door de partijen en verstrekt een kopie daarvan aan de partijen.

3.   De partij zal in principe in de gelegenheid worden gesteld zich schriftelijk uit te laten binnen een tijdslimiet van twee weken na ontvangst van een kennisgeving waarin de feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden waar de ECB haar toezichtbesluit op wenst te baseren zijn weergegeven.

Op verzoek van de partij kan de ECB de tijdslimiet in voorkomende gevallen verlengen.

Onder bijzondere omstandigheden kan de ECB de tijdslimiet verkorten tot drie werkdagen. De tijdslimiet kan ook verkort worden tot drie werkdagen in de gevallen als bepaald in artikel 14 en 15 van de GTM-verordening.

4.   In afwijking van lid 3, en met inachtneming van lid 5, kan de ECB een ECB-toezichtbesluit dat gericht is tot een partij van wie de rechten nadelig worden beïnvloed door dit besluit vaststellen zonder die partij in de gelegenheid te stellen zich voorafgaande aan de vaststelling daarvan uit te laten omtrent de feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden die relevant zijn voor het ECB-toezichtbesluit, indien een dringend besluit nodig lijkt om aanzienlijke schade aan het financiële systeem te voorkomen.

5.   Indien een dringend ECB-toezichtbesluit wordt vastgesteld in overeenstemming met lid 4, zal de partij onmiddellijk na vaststelling daarvan alsnog in de gelegenheid worden gesteld zich schriftelijk uit te laten omtrent de feiten, punten van bezwaar en rechtsgronden die relevant zijn voor het ECB-toezichtbesluit. De partij zal in principe in de gelegenheid worden gesteld zich schriftelijk uit te laten binnen een termijn van twee weken vanaf ontvangst van het ECB-toezichtbesluit. De ECB kan de termijn op verzoek van de partij verlengen; de termijn mag echter niet langer zijn dan zes maanden. De ECB zal het ECB-toezichtbesluit herzien op basis van het commentaar van de partij en kan het besluit bevestigen, intrekken of wijzigen, of het besluit intrekken en vervangen door een nieuw ECB-toezichtbesluit.

6.   Lid 4 en 5 zijn niet van toepassing op ECB-toezichtprocedures met betrekking tot sancties op basis van artikel 18 van de GTM-verordening en deel X van deze verordening.

Artikel 32

Toegang tot dossiers in een ECB-toezichtprocedure

1.   Het recht van verweer van de betrokken partijen wordt volledig gerespecteerd in ECB-toezichtprocedures. In dit kader hebben de partijen, nadat een ECB-toezichtprocedure is geopend, recht op toegang tot het dossier van de ECB, met inachtneming van het legitieme belang van rechtspersonen en natuurlijke personen anders dan de betrokken partij ter bescherming van hun bedrijfsgeheimen. Het recht op toegang tot het dossier strekt zich niet uit tot vertrouwelijke informatie. De NBA’s sturen ieder verzoek dat zij ontvangen met betrekking tot toegang tot de dossiers in verband met ECB-toezichtprocedures onverwijld door naar de ECB.

2.   De dossiers bestaan uit alle documenten die door de ECB zijn verkregen, geproduceerd of samengesteld tijdens de ECB-toezichtprocedure, ongeacht het opslagmedium.

3.   Niets in dit artikel belet de ECB of de NBA’s gegevens openbaar te maken of te gebruiken indien dit noodzakelijk is in het kader van bewijs van een schending.

4.   De ECB kan bepalen dat toegang verleend wordt tot een dossier op één van de volgende manieren en met inachtneming van de technische capaciteiten van de partijen:

a)

door middel van CD-ROM’s of ander elektronisch opslagmiddel, inclusief in de toekomst beschikbare opslagmedia;

b)

door middel van papieren kopieën van het toegankelijke dossier, die per post naar hen worden toegezonden;

c)

door hen uit te nodigen het toegankelijke dossier ten kantore van de ECB te komen inspecteren.

5.   In de zin van dit artikel kan vertrouwelijke informatie interne documenten inhouden van de ECB en NBA’s en correspondentie tussen de ECB en een NBA of tussen NBA’s.

HOOFDSTUK 2

ECB-toezichtbesluiten

Artikel 33

Motivering van ECB-toezichtbesluiten

1.   Met inachtneming van lid 2 wordt bij een ECB-toezichtbesluit een verklaring gevoegd waarin de redenen voor het besluit zijn vermeld.

2.   De verklaring inzake de redenen vermeldt de materiële feiten en juridische redenen waar het ECB-toezichtbesluit op is gebaseerd.

3.   Met inachtneming van artikel 31, lid 4, baseert de ECB een ECB-toezichtbesluit slechts op feiten en punten van bezwaar waarover een partij zich heeft kunnen uitlaten.

Artikel 34

Schorsende werking

Onverminderd artikel 278 VWEU en artikel 24, lid 8, van de GTM-verordening kan de ECB beslissen dat de toepassing van een ECB-toezichtbesluit wordt geschorst ofwel a) door dit in het ECB-toezichtbesluit te vermelden, ofwel b) in andere gevallen dan een verzoek tot toetsing door de Administratieve Raad voor toetsing, op verzoek van de adressaat van een ECB-toezichtbesluit.

Artikel 35

Kennisgeving van ECB-toezichtbesluiten

1.   De ECB kan een partij in kennis stellen van een ECB-toezichtbesluit door middel van a) een mondelinge kennisgeving b) betekening of terhandstelling van een exemplaar van het toezichtbesluit, c) aangetekende post met bevestiging van ontvangst, d) koerier, e) fax, of f) elektronisch, in overeenstemming met lid 10.

2.   Indien een vertegenwoordiger is gemachtigd middels een schriftelijk mandaat, mag de ECB de vertegenwoordiger in kennis stellen van het ECB-toezichtbesluit. In dergelijke gevallen is de ECB niet verplicht om ook de onder toezicht staande entiteit die door die vertegenwoordiger wordt vertegenwoordigd in kennis te stellen van het ECB-toezichtbesluit.

3.   In geval van een mondelinge kennisgeving van een ECB-toezichtbesluit, zal de kennisgeving van het besluit geacht te zijn uitgereikt aan de adressaat indien een personeelslid van de ECB a) in geval van een natuurlijke persoon, de betreffende natuurlijke persoon heeft geïnformeerd, of b) in geval van een rechtspersoon, een gemachtigde ontvanger van de rechtspersoon heeft geïnformeerd omtrent het ECB-toezichtbesluit. In dat geval zal, onverwijld na een dergelijke mondelinge kennisgeving, een schriftelijk exemplaar van het ECB-toezichtbesluit aan de adressaat worden verschaft.

4.   In geval van kennisgeving van een ECB-toezichtbesluit door middel van aangetekende post met ontvangstbevestiging, wordt de kennisgeving van het ECB-toezichtbesluit geacht te zijn gedaan aan de adressaat op de tiende dag nadat de brief is overhandigd aan de postverzender, tenzij de ontvangstbevestiging aangeeft dat de brief op een andere datum is ontvangen.

5.   In geval van kennisgeving van een ECB-toezichtbesluit door middel van een koerier, wordt de kennisgeving van het ECB-toezichtbesluit geacht te zijn gedaan aan de adressaat op de tiende dag nadat de brief is overhandigd aan de koeriersdienst, tenzij het verzenddocument van de koeriersdienst aangeeft dat de brief op een andere datum is ontvangen.

6.   Voor de toepassing van lid 4 en 5 dient een ECB-toezichtbesluit gericht te zijn aan een adres dat geschikt is voor toezending (geldig adres). Een geldig adres is:

a)

in geval van een ECB-toezichtprocedure die is geïnitieerd op verzoek of aanvraag van de adressaat van een ECB-toezichtbesluit: het adres dat door de adressaat is verschaft in diens verzoek of aanvraag;

b)

in geval van een onder toezicht staande entiteit: het meest recente kantooradres van het hoofdkantoor zoals opgegeven aan de ECB door de onder toezicht staande entiteit;

c)

in geval van een natuurlijke person: het meest recente adres dat aan de ECB is verschaft en, indien er geen adres is opgegeven aan de ECB en de natuurlijke persoon een werknemer, leidinggevende of aandeelhouder is van een onder toezicht staande entiteit: het kantooradres van de onder toezicht staande entiteit in overeenstemming met b).

7.   Iedere persoon die partij is bij een ECB-toezichtprocedure zal de ECB op verzoek een geldig adres verstrekken.

8.   Indien een persoon is gevestigd of woonplaats heeft in een staat die geen lidstaat is, kan de ECB van deze partij verlangen binnen een redelijke periode een geautoriseerde ontvanger aan te wijzen die inwoner is van een lidstaat of die een zakelijk adres in een lidstaat heeft. Indien na een dergelijk verzoek geen geautoriseerde ontvanger wordt benoemd, respectievelijk totdat een dergelijke geautoriseerde vervanger wordt benoemd, kan iedere kennisgeving in overeenstemming met lid 3 tot en met 5, alsmede lid 9, gedaan worden aan het adres van de partij zoals bekend bij de ECB.

9.   Indien de persoon die de adressaat is van een ECB-toezichtbesluit een fax aan de ECB heeft verschaft, mag de ECB kennisgeving doen van een ECB-toezichtbesluit door verzending van een kopie van het ECB-toezichtbesluit per fax Het ECB-toezichtbesluit wordt geacht in kennis gesteld te zijn van de adressaat indien de ECB een verzendrapport heeft ontvangen met daarin melding van de geslaagde aflevering van de fax

10.   De ECB bepaalt de criteria waaraan uitreiking van een ECB-toezichtbesluit middels een elektronisch of ander vergelijkbaar mededelingsmiddel moet voldoen. Dat besluit zal gepubliceerd worden.

TITEL 3

MELDING VAN SCHENDINGEN

Artikel 36

Melding van schendingen

Iedere persoon mag te goeder trouw rechtstreeks een melding doen aan de ECB indien die persoon redelijke grond heeft om aan te nemen dat zijn melding schendingen aantoont van de rechtshandelingen zoals vermeld in artikel 4, lid 3, van de GTM-verordening door kredietinstellingen, financiële holdings, gemengde financiële holdings of bevoegde autoriteiten (inclusief de ECB zelf).

Artikel 37

Adequate bescherming van schendingsmeldingen

1.   Indien een persoon te goeder trouw melding doet van vermeende schendingen van de rechtshandelingen zoals genoemd in artikel 4, lid 3, van de GTM-verordening door onder toezicht staande entiteiten of bevoegde autoriteiten, zal deze melding vertrouwelijk worden behandeld.

2.   Alle persoonsgegevens met betrekking tot zowel de persoon die een vertrouwelijke melding doet als de persoon die schuldig zou zijn aan een schending worden beschermd in overeenstemming met het van toepassing zijnde gegevensbeschermingskader van de Unie.

3.   De ECB zal de identiteit van de persoon die een beschermde melding heeft gedaan niet openbaar maken zonder eerst uitdrukkelijk toestemming daarvoor te hebben verkregen van die persoon, tenzij openbaarmaking vereist is op basis van een gerechtelijke uitspraak in het kader van nader onderzoek of opvolgende gerechtelijke procedures.

Artikel 38

Procedures voor de behandeling van meldingen

1.   De ECB zal alle meldingen met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten beoordelen. De ECB zal meldingen met betrekking tot minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten beoordelen ten aanzien van schendingen van verordeningen of besluiten van de ECB. In dit laatste geval, wanneer NBA’s deze meldingen in dergelijke gevallen ontvangen, sturen zij deze door naar de ECB zonder bekendmaking van de identiteit van de persoon die de melding heeft gedaan, tenzij deze daartoe expliciet toestemming heeft gegeven.

2.   Onverminderd lid 1 stuurt de ECB meldingen met betrekking tot een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit door naar de betreffende NBA, zonder bekendmaking van de identiteit van de persoon die de melding heeft gedaan, tenzij deze daartoe expliciet toestemming heeft gegeven.

3.   De ECB wisselt informatie uit met de NBA’s: a) ter beoordeling of de meldingen zijn verstuurd naar zowel de ECB als de betreffende NBA en ter coördinatie van de taken; en b) teneinde op de hoogte gesteld worden van de uitkomst van de behandeling van de meldingen die naar de NBA’s zijn doorgestuurd.

4.   De ECB bepaalt in redelijkheid hoe de ontvangen meldingen beoordeeld moeten worden en welke acties ondernomen dienen te worden.

5.   In geval van vermeende schendingen door onder toezicht staande entiteiten, zal de betreffende onder toezicht staande entiteit op verzoek van de ECB alle informatie en documenten aan de ECB verschaffen die benodigd zijn voor de beoordeling van de ontvangen meldingen.

6.   Met betrekking tot vermeende schendingen door bevoegde autoriteiten (niet zijnde de ECB), verzoekt de ECB de betreffende bevoegde autoriteit om een reactie te geven op de gemelde feiten.

7.   In haar jaarverslag zoals omschreven in artikel 20, lid 2, van de GTM-verordening, verstrekt de ECB beknopte of samengevatte informatie omtrent de ontvangen meldingen waar niet uit opgemaakt kan worden wie de individuele onder toezicht staande entiteiten of personen zijn.

DEEL IV

INDELING VAN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN ALS BELANGRIJK OF MINDER BELANGRIJK

TITEL 1

ALGEMENE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE INDELING ALS BELANGRIJK OF MINDER BELANGRIJK

Artikel 39

Het op individuele basis als belangrijk indelen van onder toezicht staande entiteiten

1.   Een onder toezicht staande entiteit wordt beschouwd als een belangrijke onder toezicht staande entiteit indien dit wordt bepaald door de ECB in een met redenen omkleed ECB-besluit krachtens artikel 43 tot en met 49 dat is gericht tot de betreffende onder toezicht staande entiteit.

2.   Een onder toezicht staande entiteit zal niet langer aangemerkt worden als een belangrijke onder toezicht staande entiteit indien de ECB in een tot de onder toezicht staande entiteit gericht en met redenen omkleed ECB-besluit bepaalt dat de entiteit een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit is of niet langer een onder toezicht staande entiteit is.

3.   Een onder toezicht staande entiteit kan aangemerkt worden als een belangrijke onder toezicht staande entiteit op basis van één van de volgende criteria:

a)

haar omvang, zoals bepaald op basis van artikel 50 tot en met 55 (hierna: het „omvangscriterium”);

b)

haar belang voor de economie van de Unie of een deelnemende lidstaat, zoals bepaald op basis van artikel 56, 57 en 58 (hierna: het „economisch-belang-criterium”);

c)

haar belang met betrekking tot grensoverschrijdende activiteiten zoals bepaald op basis van artikel 59 en artikel 60 (hierna: het „grensoverschrijdendeactiviteiten-criterium”);

d)

een verzoek tot of de ontvangst van rechtstreekse openbare financiële bijstand van het Europees stabilisatiemechanisme (ESM), zoals bepaald op basis van artikel 61 tot en met 64 (hierna: het „criterium van rechtstreekse openbare financiële bijstand”);

e)

het feit dat de onder toezicht staande entiteit één van de drie meest belangrijke kredietinstellingen in een deelnemende lidstaat is, zoals bepaald op basis van artikel 65 en artikel 66.

4.   Belangrijke onder toezicht staande entiteiten staan onder rechtstreeks toezicht van de ECB, tenzij specifieke omstandigheden toezicht door de betreffende NBA rechtvaardigen in overeenstemming met titel 9 van dit deel.

5.   De ECB oefent tevens rechtstreeks toezicht uit op een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep op basis van een ECB-besluit dat is vastgesteld krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening waarin is bepaald dat de ECB rechtstreeks alle relevante bevoegdheden uitoefent krachtens artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening. Voor de toepassing van het GTM wordt een dergelijke minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep aangemerkt als belangrijk.

6.   Voorafgaande aan het vaststellen van de ECB-besluiten zoals vermeld in dit artikel, overlegt de ECB met de betrokken NBA’s. Ieder ECB-besluit waarnaar wordt verwezen in dit artikel wordt ook ter kennis gebracht van de betreffende NBA’s.

Artikel 40

Indeling als belangrijk van onder toezicht staande entiteiten die onderdeel zijn van een groep

1.   Indien één of meer onder toezicht staande entiteiten onderdeel vormen van een onder toezicht staande groep, worden de criteria voor het vaststellen van significantie bepaald op het hoogste consolidatieniveau binnen deelnemende lidstaten in overeenstemming met de in titel 3 tot en met 7 van deel IV vastgelegde bepalingen.

2.   Elke onder toezicht staande entiteit die onderdeel uitmaakt van een onder toezicht staande groep wordt beschouwd als een belangrijke onder toezicht staande entiteit in één van de volgende omstandigheden:

a)

indien de onder toezicht staande groep op haar hoogste consolidatieniveau binnen de deelnemende lidstaten voldoet aan het omvangscriterium, het economisch-belang-criterium of het grensoverschrijdendeactiviteiten-criterium;

b)

indien één van de onder toezicht staande entiteiten die onderdeel uitmaakt van de onder toezicht staande groep voldoet aan het criterium van rechtstreekse openbare financiële bijstand;

c)

indien één van de onder toezicht staande entiteiten die onderdeel uitmaakt van de onder toezicht staande groep één van de drie meest belangrijke kredietinstellingen in een deelnemende lidstaat is.

3.   Indien wordt vastgesteld dat een onder toezicht staande groep belangrijk is of niet langer belangrijk is, stelt de ECB een ECB-besluit vast met betrekking tot de indeling als belangrijke onder toezicht staande entiteit of inzake de opheffing van de indeling als belangrijke onder toezicht staande entiteit en geeft de begin- en einddata van het rechtstreeks toezicht door de ECB door aan iedere onder toezicht staande entiteit die onderdeel vormt van de betreffende onder toezicht staande groep in overeenstemming met de in artikel 39 vastgelegde criteria en procedures.

Artikel 41

Speciale bepalingen met betrekking tot bijkantoren van in niet-deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen

1.   Alle bijkantoren die in dezelfde deelnemende lidstaat zijn geopend door een kredietinstelling die in een niet-deelnemende lidstaat is gevestigd, worden voor de toepassing van deze verordening geacht één enkele onder toezicht staande entiteit te zijn.

2.   Bijkantoren die in verschillende deelnemende lidstaten zijn geopend door een kredietinstelling die in een niet-deelnemende lidstaat is gevestigd, worden voor de toepassing van deze verordening ieder afzonderlijk als separate onder toezicht staande entiteiten behandeld.

3.   Onverminderd lid 1 worden bijkantoren van een kredietinstelling die in een niet-deelnemende lidstaat is gevestigd bij de bepaling of aan één van de criteria van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening wordt voldaan afzonderlijk worden beoordeeld als separate onder toezicht staande entiteiten, en tevens gescheiden van dochterondernemingen van dezelfde kredietinstelling.

Artikel 42

Speciale bepalingen met betrekking tot dochterondernemingen van in niet-deelnemende lidstaten of derde landen gevestigde kredietinstellingen

1.   Dochterondernemingen die zijn gevestigd in één of meer deelnemende lidstaten door een kredietinstelling die haar hoofdkantoor heeft in een niet-deelnemende lidstaat of een derde land, zullen bij de bepaling of aan één van de criteria van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening wordt voldaan separaat worden beoordeeld ten opzichte van de bijkantoren van die kredietinstelling.

2.   Bij de bepaling of aan één van de criteria van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening wordt voldaan, worden de volgende dochterondernemingen apart beoordeeld, namelijk die:

a)

welke zijn gevestigd in een deelnemende lidstaat;

b)

welke tot een groep behoren waarvan de moederonderneming haar hoofdkantoor heeft in een niet-deelnemende lidstaat of een derde land;

c)

welke geen deel uitmaken van een onder toezicht staande groep binnen deelnemende lidstaten.

TITEL 2

PROCEDURE VOOR INDELING VAN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN ALS BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

HOOFDSTUK 1

Indeling als belangrijk van een onder toezicht staande entiteit

Artikel 43

Toetsing van de status van een onder toezicht staande entiteit

1.   Tenzij anders bepaald in deze verordening toetst de ECB ten minste eenmaal per jaar of een belangrijke onder toezicht staande entiteit of een belangrijke onder toezicht staande groep nog altijd voldoet aan één van de criteria zoals vastgelegd in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening.

2.   Tenzij anders bepaald in deze verordening, zal iedere NBA ten minste één maal per jaar toetsen of een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of een minder belangrijke onder toezicht staande groep voldoet aan één van de criteria zoals vastgelegd in artikel 6, lid 4 van de GTM-verordening. In geval van een minder belangrijke onder toezicht staande groep, zal de betreffende NBA van de deelnemende lidstaat waarin de moederonderneming, zoals vastgesteld op het hoogste consolidatieniveau binnen de deelnemende lidstaten, is gevestigd, deze toetsing uitvoeren.

3.   De ECB is gerechtigd om op elk moment na ontvangst van relevante informatie, met name in de in artikel 52 aangegeven gevallen, te toetsen of a) een onder toezicht staande entiteit voldoet aan één van de criteria zoals vastgelegd in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening en b) of een belangrijke onder toezicht staande entiteit niet langer voldoet aan één van de criteria zoals vastgelegd in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening.

4.   Indien een NBA vaststelt dat een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of een minder belangrijke onder toezicht staande groep voldoet aan één van de criteria zoals vastgelegd in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening, brengt de betreffende NBA de ECB daarvan onverwijld op de hoogte.

5.   Op verzoek van de ECB of een NBA, zullen de ECB en de betreffende NBA samenwerken bij de vaststelling of aan één van de criteria zoals vastgelegd in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening wordt voldaan met betrekking tot een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep.

6.   Indien de ECB a) besluit het rechtstreekse toezicht op een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep op zich te nemen of b) besluit dat het rechtstreekse toezicht op een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep door de ECB zal eindigen, werken de ECB en de betreffende NBA samen teneinde een vlotte overdracht van de toezichtsbevoegdheden te bewerkstelligen. In het bijzonder wordt een rapport opgesteld over de toezichthistorie en het risicoprofiel van de onder toezicht staande entiteit; dit rapport wordt opgesteld door de betreffende NBA indien de ECB het rechtstreekse toezicht op een onder toezicht staande entiteit op zich neemt, en door de ECB indien de betreffende NBA bevoegd wordt het toezicht op de betreffende entiteit uit te oefenen.

7.   De ECB bepaalt of een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep belangrijk is aan de hand van de criteria die zijn gegeven in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening in de daarin aangegeven volgorde, namelijk: a) omvang; b) het belang voor de economie van de Unie of een deelnemende lidstaat; c) het belang van de grensoverschrijdende activiteiten; d) verzoek tot of ontvangst van openbare financiële bijstand rechtstreeks van het ESM; e) het feit dat het één van de drie meest belangrijke kredietinstellingen in een deelnemende lidstaat is.

Artikel 44

Toe te passen procedure bij de bepaling van de significantie van een onder toezicht staande entiteit

1.   Bij het nemen van besluiten met betrekking tot de indeling als belangrijk van een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep op basis van deze titel, past de ECB, tenzij anders bepaald, de procedurele regels toe van titel 2, deel III van deze verordening.

2.   De ECB doet binnen de in artikel 45 genoemde periode een schriftelijke kennisgeving van het ECB-besluit omtrent de indeling als belangrijk van een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep aan iedere betreffende onder toezicht staande entiteit en meldt dat besluit ook aan de betrokken NBA. Voor onder toezicht staande entiteiten die onderdeel uitmaken van een onder toezicht staande belangrijke groep, notificeert de ECB het ECB-besluit aan de onder toezicht staande entiteit op het hoogste consolidatieniveau binnen de deelnemende lidstaten en verzekert dat alle onder toezicht staande entiteiten binnen de belangrijke onder toezicht staande groep genoegzaam geïnformeerd worden.

3.   Voor onder toezicht staande entiteiten die geen kennisgeving hebben ontvangen van de ECB krachtens lid 1, zal de in artikel 49, lid 2, genoemde lijst gelden als kennisgeving van hun indeling als minder belangrijk.

4.   De ECB geeft iedere betrokken onder toezicht staande entiteit de gelegenheid schriftelijke opmerkingen te maken voorafgaande aan de vaststelling van een ECB-besluit op basis van lid 1.

5.   De ECB geeft daarnaast de betrokken NBA’s de gelegenheid om op basis van artikel 39, lid 6, schriftelijk op- en aanmerkingen in te dienen, die de ECB zorgvuldig in overweging neemt.

6.   Een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep wordt aangemerkt als een belangrijke onder toezicht staande entiteit of een belangrijke onder toezicht staande groep vanaf de datum van kennisgeving van het ECB-besluit waarin wordt bepaald dat de entiteit een belangrijke onder toezicht staande entiteit is of een belangrijke onder toezicht staande groep.

HOOFDSTUK 2

Aanvang en einde van rechtstreeks toezicht door de ECB

Artikel 45

Aanvang van rechtstreeks toezicht door de ECB

1.   De ECB specificeert in een ECB-besluit de datum waarop zij het rechtstreekse toezicht op zich zal nemen van een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep die is aangemerkt als een belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep. Dat ECB-besluit kan hetzelfde besluit zijn als het besluit waar naar wordt gerefereerd in artikel 44, lid 2. Met inachtneming van lid 2 doet de ECB, ten minste een maand voorafgaande aan de datum waarop zij het rechtstreekse toezicht zal aanvangen, kennisgeving van dat ECB-besluit aan iedere betrokken onder toezicht staande entiteit.

2.   Indien de ECB rechtstreeks toezicht op zich neemt op een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep op basis van een verzoek tot ofwel ontvangst van rechtstreekse openbare financiële bijstand van het ESM, doet de ECB tijdig, ten minste een week voor de datum waarop zij het rechtstreekse toezicht op zich zal nemen, kennisgeving van het in lid 1 genoemde ECB-besluit aan iedere betreffende onder toezicht staande entiteit.

3.   De ECB verschaft exemplaren van de in lid 1 genoemde ECB-besluiten aan de betrokken NBA’s.

4.   De ECB neemt het rechtstreekse toezicht op een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep op zich ten laatste twaalf maanden na de datum waarop de ECB kennisgeving heeft gedaan van een ECB-besluit krachtens artikel 44, lid 2, aan die onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep.

5.   Binnen het kader van dit artikel, ingeval van een onder toezicht staande groep doet de ECB kennisgeving van het ECB-besluit aan de onder toezicht staande entiteit op het hoogste consolidatieniveau binnen de lidstaten en verzekert dat alle onder toezicht staande entiteiten binnen die groep binnen de betrokken uiterste termijn genoegzaam geïnformeerd worden.

Artikel 46

Einde van rechtstreeks toezicht door de ECB

1.   Indien de ECB bepaalt dat rechtstreeks toezicht door de ECB op een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep zal eindigen, geeft de ECB een ECB-besluit af aan iedere betreffende onder toezicht staande entiteit met vermelding van de datum van en de redenen voor de beëindiging van het rechtstreekse toezicht. De ECB stelt dit besluit ten minste een maand voorafgaande aan de datum vast waarop het rechtstreekse toezicht door de ECB zal eindigen. De ECB geeft tevens een exemplaar van dit ECB-besluit aan de NBA’s.

2.   De ECB stelt iedere betrokken onder toezicht staande entiteit in de gelegenheid schriftelijk een oordeel te geven voorafgaande aan vaststelling van een ECB-besluit krachtens lid 1.

3.   Een ECB-besluit waarin de datum wordt genoemd waarop het rechtstreekse toezicht op een onder toezicht staande entiteit door de ECB zal worden beëindigd kan tegelijk met het besluit afgegeven worden waarin die onder toezicht staande entiteit als minder belangrijk wordt aangemerkt.

Artikel 47

Redenen voor beëindiging van rechtstreeks toezicht door de ECB

1.   In geval van een belangrijke onder toezicht staande entiteit die als zodanig is aangemerkt op basis van haar a) omvang, b) belang voor de economie van de Unie of een deelnemende lidstaat, of c) het belang van grensoverschrijdende activiteiten, of omdat de entiteit onderdeel is van een onder toezicht staande groep die voldoet aan ten minste één van deze criteria, stelt de ECB een ECB-besluit vast waarbij de indeling als een belangrijke onder toezicht staande entiteit alsmede het rechtstreekse toezicht worden beëindigd indien gedurende drie opvolgende kalenderjaren aan geen van de bovengenoemde criteria zoals vermeld in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening is voldaan, hetzij op individuele basis, hetzij door de onder toezicht staande groep waar de onder toezicht staande entiteit toebehoort.

2.   In geval van een onder toezicht staande entiteit die is aangemerkt als belangrijk op basis van het feit dat directe openbare financiële bijstand is aangevraagd bij het ESM ten aanzien van a) de entiteit zelf, b) de onder toezicht staande groep waartoe de onder toezicht staande entiteit behoort, of c) enige onder toezicht staande entiteit die tot die groep behoort en die niet belangrijk is op andere gronden, stelt de ECB een ECB-besluit vast waarbij de indeling als belangrijke onder toezicht staande entiteit alsmede het rechtstreekse toezicht worden beëindigd indien de directe openbare financiële bijstand is afgewezen, volledig is terugbetaald of wordt beëindigd. Een dergelijk besluit kan, ingeval van terugbetaling of beëindiging van directe openbare financiële bijstand, pas genomen worden nadat drie kalenderjaren zijn verstreken na de volledige terugbetaling of beëindiging van de directe openbare financiële bijstand.

3.   In geval van een onder toezicht staande entiteit die is aangemerkt als belangrijk op basis van het feit dat het één van de drie meest belangrijke kredietinstellingen in een deelnemende lidstaat is, zoals bepaald op basis van artikel 65 en artikel 66, dan wel behoort tot een onder toezicht staande groep van een dergelijke kredietinstelling, en die niet op andere gronden belangrijk is, stelt de ECB een ECB-besluit vast waarbij de indeling als belangrijke onder toezicht staande entiteit alsmede het rechtstreekse toezicht worden beëindigd indien de betreffende onder toezicht staande entiteit gedurende drie opvolgende kalenderjaren niet één van de drie meest belangrijke kredietinstellingen in een deelnemende lidstaat is geweest.

4.   Ingeval van een onder toezicht staande entiteit waar rechtstreeks toezicht op wordt uitgeoefend door de ECB op basis van een ECB-besluit dat is vastgesteld op basis van artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening en die niet op andere gronden belangrijk is, stelt de ECB een ECB-besluit vast waarbij het rechtstreekse toezicht door de ECB wordt beëindigd, indien rechtstreeks toezicht naar haar redelijk oordeel niet langer nodig is ter garandering van consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden.

Artikel 48

Aanhangige procedures

1.   Indien een verandering in bevoegdheden plaats gaat vinden tussen de ECB en een NBA, informeert de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt (hierna de „autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt”) de autoriteit die bevoegd zal worden (hierna de „autoriteit die toezicht op zich neemt”) met betrekking tot alle formeel ingestelde toezichtprocedures die een besluit vereisen. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt, verschaft deze informatie direct nadat deze zich bewust wordt van de aanstaande verandering in bevoegdheden. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt werkt deze informatie steeds bij, in de regel maandelijks, indien er nieuwe informatie over een toezichtprocedure te rapporteren is. De autoriteit die toezicht op zich neemt kan in naar behoren gemotiveerde gevallen toestaan dat er minder frequent wordt gerapporteerd. Voor de toepassing van artikel 48 en artikel 49 wordt onder een toezichtprocedure een ECB- of NBA-toezichtprocedure verstaan.

Voorafgaande aan de verandering in bevoegdheid, neemt de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt direct contact op met de autoriteit die toezicht op zich neemt, zodra er een nieuwe toezichtprocedure formeel wordt geïnitieerd in welk verband een besluit genomen moet worden.

2.   Indien de toezichtbevoegdheid verandert, spant de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt zich in om aanhangige toezichtprocedures waarop een besluit genomen moet worden af te ronden voor de datum waarop de verandering in toezichtbevoegdheid zal plaatsvinden.

3.   Indien een formeel ingestelde toezichtprocedure waarop een besluit genomen moet worden niet kan worden afgerond voor de datum waarop een verandering in de toezichtbevoegdheid plaatsvindt, blijft de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt bevoegd een dergelijke aanhangige toezichtprocedure af te ronden. In dit kader zal de autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt ook alle relevante rechten behouden totdat de toezichtprocedure is afgerond. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt rondt de betreffende aanhangige toezichtprocedure af in overeenstemming met de toepasselijke wet met betrekking tot haar behouden bevoegdheden. De autoriteit van wie de bevoegdheid eindigt licht de autoriteit die toezicht op zich neemt in voordat zij enig besluit neemt in een toezichtprocedure die aanhangig was voorafgaande aan de verandering in bevoegdheid. Zij geeft de autoriteit die toezicht op zich neemt een afschrift van het genomen besluit en relevante documentatie met betrekking tot dat besluit.

4.   In afwijking van lid 3 kan de ECB, binnen een maand na ontvangst van de informatie die benodigd is voor afronding van haar oordeel met betrekking tot de betreffende formeel ingestelde toezichtprocedure, en in overleg met de betreffende NBA, besluiten de betreffende toezichtprocedure over te nemen. Indien op basis van nationaal recht een ECB-besluit is vereist voorafgaande aan het einde van de beoordelingsperiode zoals vermeld in de vorige zin, zal de NBA de benodigde informatie aan de ECB verschaffen en in het bijzonder specificeren binnen welk tijdsbestek de ECB dient te beslissen of zij de procedure al dan niet wenst over te nemen. Indien de ECB een toezichtprocedure overneemt brengt zij de betreffende NBA en de partijen op de hoogte van haar besluit om de betreffende toezichtprocedure over te nemen. De ECB geeft in haar ECB-besluit aan wat de gevolgen zijn van het overnemen van een dergelijke toezichtprocedure.

5.   De ECB en de betrokken NBA werken samen met betrekking tot de afronding van alle aanhangige procedures en kunnen daartoe alle relevante informatie met elkaar uitwisselen.

6.   Dit artikel is niet van toepassing op gezamenlijke procedures.

HOOFDSTUK 3

Lijst van onder toezicht staande entiteiten

Artikel 49

Publicatie

1.   De ECB publiceert een lijst met namen van alle onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen die onder rechtstreeks toezicht van de ECB staan en geeft, waar relevant, aan tot welke onder toezicht staande groep de onder toezicht staande entiteit behoort, en de specifieke wettelijke basis voor dat rechtstreekse toezicht. In geval van een indeling als belangrijk op basis van het omvangscriterium, zal in de lijst ook de totale waarde van de activa van de onder toezicht staande entiteit of de onder toezicht staande groep opgenomen worden. De ECB publiceert tevens de namen van onder toezicht staande entiteiten die, hoewel zij voldoen aan één van de criteria zoals vermeld in artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening en op basis daarop aangemerkt zouden kunnen worden als belangrijk, niettemin als minder belangrijk worden beschouwd door de ECB op grond van bijzondere omstandigheden krachtens titel 9 van deel IV, en dientengevolge niet onder rechtstreeks toezicht van de ECB staan.

2.   De ECB publiceert een lijst met de namen van iedere onder toezicht staande entiteit die onder toezicht staat van een NBA, alsmede de naam van de betreffende NBA.

3.   De in lid 1 en 2 genoemde lijsten worden elektronisch gepubliceerd en kunnen bekeken worden op de website van de ECB.

4.   De in lid 1 en 2 genoemde lijsten worden regelmatig bijgewerkt.

TITEL 3

VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN OMVANG

Artikel 50

Vaststelling van significantie op basis van omvang

1.   De bepaling of een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep belangrijk is op basis van het omvangscriterium geschiedt aan de hand van de totale waarde van haar activa.

2.   Een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep wordt aangemerkt als belangrijk indien de totale waarde van haar activa groter is dan EUR 30 miljard (hierna: de „omvangsdrempel”).

Artikel 51

Basis voor vaststelling of een onder toezicht staande entiteit al dan niet belangrijk is op basis of omvang

1.   Indien de onder toezicht staande entiteit onderdeel is van een onder toezicht staande groep, wordt de totale waarde van haar activa bepaald op basis van de prudentiële geconsolideerde rapportage per jaarultimo voor de onder toezicht staande groep in overeenstemming met toepasselijk recht.

2.   Indien de totale activa niet bepaald kunnen worden op basis van de in lid 1 vermelde gegevens, zal de totale waarde van de activa worden bepaald op basis van de meest recente gecontroleerde geconsolideerde jaarrekening die is opgesteld in overeenstemming met de internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) zoals van toepassing binnen de Unie in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (12) en, indien die jaarrekening niet beschikbaar is, de geconsolideerde jaarrekening die is opgesteld in overeenstemming met toepasselijk nationaal jaarrekeningenrecht.

3.   Indien de onder toezicht staande entiteit geen onderdeel uitmaakt van een onder toezicht staande groep, wordt de totale waarde van de activa bepaald op basis van de prudentiële enkelvoudige rapportage per jaarultimo in overeenstemming met toepasselijk recht.

4.   Indien de totale activa niet kunnen worden bepaald met behulp van de in lid 3 genoemde gegevens, zal de totale waarde van de activa worden bepaald op basis van de meest recente gecontroleerde jaarrekening die is opgesteld in overeenstemming met internationale standaarden voor financiële verslaglegging zoals van toepassing binnen de Unie op basis van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad en, indien die jaarrekening niet beschikbaar is, de jaarrekening die is opgesteld in overeenstemming met toepasselijk nationaal jaarrekeningenrecht.

5.   Indien de onder toezicht staande entiteit een bijkantoor is van een kredietinstelling die is gevestigd in een niet-deelnemende lidstaat, wordt de totale waarde van de activa van de entiteit bepaald op basis van de statistische data die zijn gerapporteerd op basis van Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) van de Europese Centrale Bank (13).

Artikel 52

Basis voor vaststelling van significantie op basis van omvang onder specifieke of uitzonderlijke omstandigheden

1.   Indien zich met betrekking tot een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit een uitzonderlijke materiële verandering van omstandigheden voordoet die relevant is voor de vaststelling van significantie op basis van het omvangscriterium, controleert de betreffende NBA of nog steeds wordt voldaan aan de omvangsdrempel.

Indien een dergelijke verandering zich voordoet met betrekking tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit, controleert de ECB of nog steeds wordt voldaan aan de omvangsdrempel.

Onder een uitzonderlijke materiële verandering van omstandigheden die relevant is voor de vaststelling van significantie op basis van het omvangscriterium wordt één van de volgende omstandigheden verstaan: a) de fusie van twee of meer kredietinstellingen, b) de verkoop of overdracht van een belangrijk bedrijfsonderdeel, c) de overdracht van aandelen in een kredietinstelling, zodanig dat deze niet langer onderdeel uitmaakt van een onder toezicht staande groep waar de kredietinstelling voorafgaande aan de verkoop wel deel van uitmaakte, d) het definitieve besluit om een ordelijke liquidatie uit te voeren van de onder toezicht staande entiteit (of groep), e) vergelijkbare feitelijke situaties

2.   Een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit en, in het geval van een minder belangrijke onder toezicht staande groep, de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit op het hoogste consolidatieniveau binnen de deelnemende lidstaten informeert de betreffende NBA omtrent iedere verandering zoals vermeld in lid 1.

Een belangrijke onder toezicht staande entiteit en, in het geval van een belangrijke onder toezicht staande groep, de onder toezicht staande entiteit op het hoogste consolidatieniveau binnen de deelnemende lidstaten informeert de ECB omtrent iedere verandering zoals vermeld in lid 1.

3.   In afwijking van de in artikel 47, lid 1 tot en met 3, vermelde driejaarsregel en in geval van buitengewone omstandigheden, inclusief die welke zijn vermeld in lid 1, beslist de ECB in overleg met NBA’s of de getroffen onder toezicht staande entiteiten belangrijk of minder belangrijk zijn en stelt de datum vast vanaf wanneer toezicht uitgeoefend zal worden door de ECB of NBA’s.

Artikel 53

Groepen van geconsolideerde ondernemingen

1.   Ter bepaling van de significantie op basis van het omvangscriterium, bestaat een onder toezicht staande groep van geconsolideerde ondernemingen uit de ondernemingen die ten behoeve van prudentiële doeleinden geconsolideerd moeten worden in overeenstemming met Unierecht.

2.   Ter vaststelling van significantie op basis van het omvangscriterium, omvat de onder toezicht staande groep van geconsolideerde ondernemingen de dochterondernemingen en bijkantoren in niet-deelnemende lidstaten, en derde landen.

Artikel 54

Consolidatiemethode

De consolidatiemethode is de methode die van toepassing is op basis van prudentieel Unierecht.

Artikel 55

Methode voor berekening van totale activa

Ter vaststelling van de significantie van een kredietinstelling op basis van het omvangscriterium, wordt de „totale waarde van de activa” afgeleid uit de post „totale activa” in de balans die is opgesteld in overeenstemming met prudentieel Unierecht.

TITEL 4

VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN HET BELANG VOOR DE ECONOMIE VAN DE UNIE OF EEN DEELNEMENDE LIDSTAAT

Artikel 56

Drempel met betrekking tot nationaal economisch belang

Een onder toezicht staande entiteit die is gevestigd in een deelnemende lidstaat of een onder toezicht staande groep waarvan de moederonderneming is gevestigd in een deelnemende lidstaat wordt aangemerkt als belangrijk op basis van haar belang voor de economie van de betreffende deelnemende lidstaat indien:

Formula (drempel met betrekking tot nationaal economisch belang)

en

A ≥ 5 miljard EUR

waarbij:

A

de totale waarde van de activa is, zoals bepaald op basis van artikel 51 tot en met 55 in een gegeven kalenderjaar, en

B

het bruto binnenlands product is tegen marktprijzen zoals gedefinieerd in bijlage A, punt 8.89 bij Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (14) (ESR 2010) zoals gepubliceerd door Eurostat voor het gegeven kalenderjaar.

Artikel 57

Criteria voor vaststelling van significantie op basis van belang voor de economie van de Unie of een deelnemende lidstaat

1.   De ECB neemt in het bijzonder de volgende criteria in acht bij de vaststelling of een onder toezicht staande entiteit of een onder toezicht staande groep al dan niet van belang is voor de economie van de Unie of een deelnemende lidstaat vanwege andere redenen dan die welke zijn uiteengezet in artikel 56:

a)

het belang van de onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep voor specifieke economische sectoren in de Unie of een deelnemende lidstaat;

b)

de verwevenheid van de onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep met de economie van de Unie of een deelnemende lidstaat;

c)

de substitueerbaarheid van de onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep als zowel marktdeelnemer als dienstenaanbieder voor cliënten;

d)

de zakelijke, structurele en operationele complexiteit van de onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep.

2.   Artikel 52, lid 3, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 58

Vaststelling van significantie op basis van belang voor de economie van een deelnemende lidstaat op verzoek van een NBA

1.   Een NBA kan een kennisgeving doen aan de ECB dat een onder toezicht staande entiteit naar haar mening belangrijk is met betrekking tot haar binnenlandse economie.

2.   De ECB beoordeelt de kennisgeving van de NBA op basis van de criteria die zijn uiteengezet in artikel 57, lid 1.

3.   Artikel 57 is van overeenkomstige toepassing.

TITEL 5

VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN HET BELANG VAN GRENSOVERSCHRIJDENDE ACTIVITEITEN

Artikel 59

Criteria voor vaststelling van significantie op basis van het belang van grensoverschrijdende activiteiten van een onder toezicht staande groep

1.   Een onder toezicht staande groep kan slechts als belangrijk worden beschouwd door de ECB op basis van de grensoverschrijdende activiteiten van de groep, indien de moederonderneming van een onder toezicht staande groep dochterondernemingen, die zelf kredietinstellingen zijn, heeft gevestigd in meer dan één andere deelnemende lidstaat.

2.   Een onder toezicht staande groep kan slechts als belangrijk worden beschouwd door de ECB op basis van haar grensoverschrijdende activiteiten indien de totale waarde van haar activa meer is dan 5 miljard EUR en:

a)

de verhouding van haar grensoverschrijdende activa ten opzichte van haar totale activa meer dan 20 % is, of

b)

de verhouding van haar grensoverschrijdende passiva ten opzichte van haar totale passiva meer dan 20 % is.

3.   Artikel 52, lid 3, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 60

Grensoverschrijdende activa en passiva

1.   „Grensoverschrijdende activa” betekent in de context van een onder toezicht staande groep het deel van de totale activa ten aanzien waarvan de tegenpartij een kredietinstelling dan wel een andere rechtspersoon of natuurlijke persoon is die is gevestigd in een andere deelnemende lidstaat dan de lidstaat waarin de moederonderneming van de betreffende onder toezicht staande groep haar hoofdkantoor heeft.

2.   „Grensoverschrijdende passiva” betekent in de context van een onder toezicht staande groep het deel van de totale passiva ten aanzien waarvan de tegenpartij een kredietinstelling of een andere rechtspersoon of natuurlijke persoon is die is gevestigd in een andere deelnemende lidstaat dan de lidstaat waarin de moederonderneming van de betreffende onder toezicht staande groep haar hoofdkantoor heeft.

TITEL 6

VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN EEN VERZOEK TOT OF DE ONTVANGST VAN OPENBARE FINANCIËLE BIJSTAND VAN HET ESM

Artikel 61

Verzoek tot of ontvangst van openbare financiële bijstand van het ESM

1.   Directe openbare financiële bijstand aan een onder toezicht staande entiteit wordt aangevraagd indien een verzoek wordt gedaan door een ESM-lid inzake toekenning van financiële bijstand door het ESM aan die entiteit op basis van een besluit dat is genomen door de Raad van gouverneurs van het ESM krachtens artikel 19 van het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme inzake rechtstreekse herkapitalisatie van een kredietinstelling en met de in dit besluit vastgestelde instrumenten.

2.   Directe openbare financiële bijstand wordt ontvangen door een kredietinstelling wanneer de financiële bijstand is ontvangen door de kredietinstelling op basis van het besluit en de instrumenten zoals genoemd in lid 1.

Artikel 62

Verplichting van NBA’s tot het informeren van de ECB omtrent een mogelijk verzoek tot of ontvangst van openbare financiële bijstand door een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit

1.   Onverminderd de in artikel 96 uiteengezette verplichting tot het informeren van de ECB omtrent de verslechtering van de financiële situatie van een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit, informeert de NBA de ECB, zulks zodra de NBA zich ervan bewust wordt dat een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit mogelijkerwijs openbare, op nationaal niveau te verlenen, financiële bijstand behoeft, zulks indirect zijdens het ESM en/of door het ESM.

2.   Voorafgaande aan indiening bij het ESM, dient de NBA haar oordeel omtrent de financiële situatie van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit in bij de ECB ter overweging door deze laatste, behalve in terdege gemotiveerde spoedgevallen.

Artikel 63

Aanvang en einde van rechtstreeks toezicht

1.   Een onder toezicht staande entiteit ten aanzien waarvan directe openbare financiële bijstand wordt verzocht van het ESM of die directe openbare financiële bijstand heeft ontvangen van het ESM wordt aangemerkt als een belangrijke onder toezicht staande entiteit vanaf de datum waarop namens haar om directe openbare financiële bijstand werd verzocht.

2.   De datum waarop de ECB het rechtstreeks toezicht op zich zal nemen wordt gespecificeerd in een ECB-besluit in overeenstemming met titel 2.

3.   Artikel 52, lid 3, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 64

Reikwijdte

Indien directe openbare financiële bijstand wordt verzocht ten aanzien van een onder toezicht staande entiteit die onderdeel uitmaakt van een onder toezicht staande groep, worden alle onder toezicht staande entiteiten die onderdeel uitmaken van die onder toezicht staande groep aangemerkt als belangrijk.

TITEL 7

VASTSTELLING VAN SIGNIFICANTIE OP BASIS VAN HET FEIT DAT DE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEIT ÉÉN VAN DE DRIE MEEST BELANGRIJKE KREDIETINSTELLINGEN IN EEN DEELNEMENDE LIDSTAAT IS

Artikel 65

Criteria voor de bepaling van de drie meest belangrijke kredietinstellingen in een deelnemende lidstaat

1.   Een kredietinstelling of een onder toezicht staande groep wordt aangemerkt als belangrijk indien deze één van de drie meest belangrijke kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen is in een deelnemende lidstaat.

2.   Voor de toepassing van het bepalen van de drie meest belangrijke kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen in een deelnemende lidstaat, houden de ECB en de betreffende NBA rekening met de omvang van de onder toezicht staande entiteit en respectievelijk de onder toezicht staande groep, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 50 tot en met 55.

Artikel 66

Toetsingsprocedure

1.   De ECB stelt per 1 oktober van ieder kalenderjaar met betrekking tot iedere deelnemende lidstaat vast of er al dan niet drie kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen met een moederonderneming die gevestigd is in een dergelijke deelnemende lidstaat aangemerkt moeten worden als belangrijke onder toezicht staande entiteiten.

2.   Op verzoek van de ECB informeren de NBA’s de ECB per 1 oktober van het betreffende kalenderjaar omtrent de drie meest belangrijke kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen die zijn gevestigd in hun respectievelijke deelnemende lidstaten. De drie meest belangrijke kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen worden bepaald door de NBA’s op basis van de criteria die zijn vermeld in de artikelen 50 tot en met 55.

3.   Voor ieder van de drie meest belangrijke kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen in de deelnemende lidstaten wordt door de betreffende NBA een rapport verschaft aan de ECB waarin de toezichthistorie en het risicoprofiel voor elk van hen wordt beschreven, tenzij de kredietinstelling of onder toezicht staande groep reeds is aangemerkt als belangrijk.

Na ontvangst van de in lid 2 vermelde informatie, verricht de ECB haar eigen onderzoek. In dat kader kan de ECB de betreffende NBA vragen alle mogelijke relevante informatie te verschaffen.

4.   Indien op 1 oktober van enig jaar, één of meer van de drie meest belangrijke kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen in een deelnemende lidstaat niet wordt aangemerkt als belangrijke onder toezicht staande entiteit, stelt de ECB een besluit vast in overeenstemming met titel 2 ten aanzien van de drie meest belangrijke kredietinstellingen of onder toezicht staande groepen die niet is aangemerkt als belangrijk.

5.   Artikel 52, lid 3, is van overeenkomstige toepassing.

TITEL 8

ECB-BESLUIT TOT UITOEFENING VAN RECHTSTREEKS TOEZICHT OP MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN OP BASIS VAN ARTIKEL 6, LID 5, ONDER B), VAN DE GTM-VERORDENING

Artikel 67

Criteria voor een ECB-besluit op basis van artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening

1.   De ECB kan op basis van artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening op ieder moment door middel van een ECB-besluit de beslissing nemen om rechtstreeks toezicht uit te oefenen op een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep indien dit noodzakelijk is voor de garandering van een consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden.

2.   Voordat het in lid 1 vermeld ECB-besluit wordt genomen, neemt de ECB onder meer één van de volgende factoren in overweging, namelijk:

a)

of de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep bijna voldoet aan één van de criteria van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening;

b)

de verwevenheid van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep met andere kredietinstellingen;

c)

of de betreffende minder belangrijke onder toezicht staande entiteit een dochteronderneming is van een onder toezicht staande entiteit die haar hoofdkantoor aanhoudt in een niet-deelnemende lidstaat of een derde land en één of meer dochterondernemingen, die ook kredietinstellingen zijn, dan wel één of meer bijkantoren heeft gevestigd in deelnemende lidstaten, waarvan er één of meer belangrijk zijn;

d)

het feit dat instructies van de ECB niet zijn opgevolgd door de NBA;

e)

het feit dat de NBA niet heeft voldaan aan de handelingen die zijn genoemd in de eerste alinea van artikel 4, lid 3, van de GTM-verordening;

f)

het feit dat de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit financiële bijstand heeft aangevraagd of indirect heeft verkregen van de EFSF of het ESM.

Artikel 68

Procedure ter voorbereiding van een ECB-besluit krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening op verzoek van een NBA

1.   De ECB beoordeelt op verzoek van een NBA of er al dan niet noodzaak bestaat om rechtstreeks toezicht uit te oefenen op basis van de GTM-verordening op een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep teneinde de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden te garanderen.

2.   Het verzoek van de NBA dient: a) de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep te vermelden ten aanzien waarvan de NBA van mening is dat de ECB daar rechtstreeks toezicht op zou moeten gaan houden, en b) te vermelden waarom toezicht op de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep door de ECB noodzakelijk is ter garandering van de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden.

3.   Het verzoek van de NBA gaat vergezeld van een rapport waarin de toezichthistorie en het risicoprofiel van de betreffende minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep is vermeld.

4.   Indien de ECB het niet eens is met het verzoek van de NBA, pleegt zij voorafgaande aan haar definitieve oordeel overleg met de NBA omtrent de vraag of toezicht door de ECB van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep noodzakelijk is om de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden te garanderen.

5.   Indien de ECB besluit dat rechtstreeks toezicht door de ECB op de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande entiteit noodzakelijk is om de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden te garanderen, zal zij een ECB-besluit nemen in overeenstemming met titel 2.

Artikel 69

Procedure ter voorbereiding van ECB-besluiten krachtens artikel 6, lid 5, onder b), van de GTM-verordening op initiatief van de ECB

1.   De ECB kan een NBA verzoeken om een rapport te verschaffen waarin de toezichthistorie en het risicoprofiel van een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep wordt uiteengezet. De ECB geeft de datum aan waarop dit rapport uiterlijk bij haar ingediend moet worden.

2.   De ECB pleegt overleg met de NBA alvorens een definitief besluit te nemen met betrekking tot de vraag of toezicht op de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of de minder belangrijke onder toezicht staande groep door de ECB noodzakelijk is om de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden te garanderen.

3.   Indien de ECB concludeert dat rechtstreeks toezicht door de ECB op de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep noodzakelijk is om de consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden te garanderen, zal zij een ECB-besluit vaststellen in overeenstemming met titel 2.

TITEL 9

BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN DIE DE INDELING VAN EEN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEIT ALS MINDER BELANGRIJK RECHTVAARDIGEN, HOEWEL DE ENTITEIT VOLDOET AAN DE CRITERIA OM ALS BELANGRIJK INGEDEELD TE WORDEN

Artikel 70

Bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat een belangrijke onder toezicht staande entiteit als minder belangrijk wordt ingedeeld

1.   Van bijzondere omstandigheden zoals vermeld in de tweede en vijfde alinea van artikel 6, lid 4, van de GTM-verordening (hierna de „bijzondere omstandigheden”) is sprake indien er specifieke en feitelijke omstandigheden zijn waardoor de indeling als belangrijk niet passend is in het licht van de doeleinden en beginselen van de GTM-verordening en meer in het bijzonder om de vereiste consistente toepassing van hoge toezichtstandaarden te garanderen.

2.   De term „bijzondere omstandigheden” wordt strikt geïnterpreteerd.

Artikel 71

Beoordeling van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden

1.   Het feit of er bijzondere omstandigheden bestaan die rechtvaardigen dat een entiteit als minder belangrijk ingedeeld wordt, terwijl die entiteit normaliter als belangrijk ingedeeld wordt, wordt bepaald per individueel geval en specifiek ten aanzien van de betreffende onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep, maar niet ten aanzien van categorieën onder toezicht staande entiteiten.

2.   Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing.

3.   Artikel 44 tot en met 46 en artikel 48 en artikel 49 zijn van overeenkomstige toepassing. De ECB dient in een ECB-besluit de redenen te vermelden die ten grondslag liggen aan haar conclusie dat er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Artikel 72

Toetsing

1.   De ECB toetst ten minste eenmaal per jaar, daarbij ondersteund door de betreffende NBA’s, of er nog altijd sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep die is ingedeeld als minder belangrijk vanwege bijzondere omstandigheden.

2.   De betreffende onder toezicht staande entiteit verschaft alle door de ECB gevraagde informatie en documenten ten behoeve van de in lid 1 vermelde toetsing.

3.   Indien de ECB van mening is dat er niet langer sprake is van bijzondere omstandigheden, stelt zij een ECB-besluit vast dat is gericht tot de betreffende onder toezicht staande entiteit waarin wordt vastgesteld dat deze entiteit wordt ingedeeld als belangrijk en dat er niet langer sprake is van bijzondere omstandigheden.

4.   Titel 2 van deel IV is van overeenkomstige toepassing.

DEEL V

GEZAMENLIJKE PROCEDURES

TITEL 1

SAMENWERKING INZAKE EEN AANVRAAG VOOR EEN VERGUNNING DIE TOEGANG BIEDT TOT DE WERKZAAMHEDEN VAN EEN KREDIETINSTELLING

Artikel 73

Kennisgeving aan de ECB omtrent een aanvraag voor een vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling

1.   Een NBA die een aanvraag ontvangt voor een vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling die gevestigd zal worden in een deelnemende lidstaat brengt de ECB binnen 15 werkdagen op de hoogte van de ontvangst van een dergelijke aanvraag.

2.   De NBA informeert de ECB ook omtrent de termijn waarbinnen een besluit omtrent de aanvraag genomen en meegedeeld moet worden aan de aanvrager in overeenstemming met het betreffende nationale recht.

3.   Indien de aanvraag niet compleet is, zal de NBA, hetzij op eigen initiatief of op verzoek van de ECB, de aanvrager verzoeken de vereiste aanvullende informatie te verschaffen. De NBA stuurt dergelijke door haar ontvangen aanvullende informatie door naar de ECB binnen 15 werkdagen na ontvangst ervan door de NBA.

Artikel 74

De beoordeling van aanvragen door de NBA

De NBA bij wie een aanvraag is ingediend beoordeelt of de aanvrager voldoet aan alle vergunningsvereisten zoals neergelegd in de relevante nationale wetgeving van de lidstaat van de NBA.

Artikel 75

De afwijzing van een aanvraag door de NBA

De NBA wijst aanvragen af die niet voldoen aan de vergunningsvereisten op basis van de relevante nationale wetgeving en stuurt een kopie van haar besluit naar de ECB.

Artikel 76

NBA-ontwerpbesluit inzake de vergunning die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling

1.   Indien de NBA zich ervan heeft vergewist dat de aanvraag voldoet aan alle vergunningsvereisten op basis van de relevante nationale wetgeving, bereidt zij een ontwerpbesluit voor waarin wordt voorgesteld dat de ECB een vergunning toekent aan de aanvrager die toegang biedt tot de werkzaamheden van een kredietinstelling (hierna een „ontwerpvergunningsbesluit”).

2.   De NBA zorgt ervoor dat het ontwerpvergunningsbesluit ten minste 20 werkdagen voor het aflopen van de maximale beoordelingstermijn op basis van de relevante nationale wetgeving wordt meegedeeld aan de ECB en aan de aanvrager.

3.   De NBA kan voorstellen dat, in overeenstemming met nationaal recht en Unierecht, aanbevelingen, voorwaarden en/of beperkingen worden verbonden aan een ontwerpvergunningsbesluit. In dergelijke gevallen is de NBA verantwoordelijk voor de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden en/of beperkingen.

Artikel 77

De beoordeling door de ECB van aanvragen en het horen van aanvragers

1.   De ECB beoordeelt de aanvraag op basis van de vereisten voor vergunning zoals neergelegd in het betreffende Unierecht. Indien naar haar mening niet wordt voldaan aan deze vereisten, biedt de ECB de aanvrager de mogelijkheid zich schriftelijk uit te laten omtrent de feiten en punten van bezwaar die relevant zijn voor de beoordeling, in overeenstemming met artikel 31.

2.   Indien een vergadering noodzakelijk wordt geacht, en tevens in alle andere naar behoren gemotiveerde gevallen, kan de ECB de maximale beslissingstermijn met betrekking tot een aanvraag verlengen op basis van artikel 14, lid 3, van de GTM-verordening. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de verlenging in overeenstemming met artikel 35 van deze verordening.

Artikel 78

ECB-besluiten met betrekking tot aanvragen

1.   De ECB neemt binnen tien werkdagen een besluit met betrekking tot een ontwerpvergunningsbesluit dat zij heeft ontvangen van de NBA, tenzij is besloten de maximumperiode te verlengen in overeenstemming met artikel 77, lid 2. Zij kan het ontwerpvergunningsbesluit ondersteunen en derhalve instemmen met de vergunning, dan wel bezwaar maken tegen het ontwerpvergunningsbesluit.

2.   De EC baseert haar besluit op haar beoordeling van de aanvraag, het ontwerpvergunningsbesluit en alle door de aanvrager gemaakte opmerkingen op basis van artikel 77.

3.   Indien de ECB geen besluit neemt binnen de in lid 1 genoemde periode, wordt het door de NBA voorbereide ontwerpbesluit geacht te zijn vastgesteld.

4.   De ECB stelt een besluit tot verlening van de vergunning vast indien de aanvrager voldoet aan alle vergunningsvereisten uit hoofde van het betreffende Unierecht en de nationale wetgeving van de lidstaat waarin de aanvrager is gevestigd.

5.   Het besluit tot vergunningsverlening bestrijkt de activiteiten van de aanvrager als kredietinstelling, zoals voorzien in de relevante nationale wetgeving, zonder afbreuk te doen aan aanvullende vergunningsvereisten op basis van de nationale wetgeving met betrekking tot andere activiteiten dan het opnemen van deposito’s of andere terug te betalen fondsen van het publiek en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.

Artikel 79

Procedure voor het vervallen van de vergunning

De vergunning komt te vervallen in de situaties zoals omschreven in artikel 18, onder a), van Richtlijn 2013/36/EU indien de betreffende nationale wetgeving dit voorschrijft. De NBA’s informeren de ECB omtrent de individuele gevallen waarin een vergunning vervalt. De ECB zal dan het vervallen van een vergunning openbaar maken in overeenstemming met het betreffende nationale recht, nadat zij de betrokken NBA en de onder toezicht staande entiteit op de hoogte heeft gebracht.

TITEL 2

SAMENWERKING MET BETREKKING TOT DE INTREKKING VAN EEN VERGUNNING

Artikel 80

Het voorstel van een NBA tot intrekking van een vergunning

1.   Indien de betreffende NBA overweegt dat een vergunning van een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ingetrokken zou moeten worden op grond van het relevante Unierecht of nationale wetgeving, waaronder begrepen een intrekking op verzoek van de kredietinstelling, doet zij een ontwerpbesluit toekomen aan de ECB waarin wordt voorgesteld de vergunning in te trekken (hierna een „ontwerpintrekkingsbesluit”), samen met alle relevante ondersteunende documentatie.

2.   De NBA coördineert met de nationale voor de afwikkeling van kredietinstellingen bevoegde autoriteit (hierna de „nationale afwikkelingsautoriteit”) ontwerpintrekkingsbesluiten die relevant zijn voor deze nationale afwikkelingsautoriteit.

Artikel 81

De beoordeling door de ECB van een ontwerpintrekkingsbesluit

1.   De ECB beoordeelt het ontwerpintrekkingsbesluit onverwijld. Zij neemt daarbij in het bijzonder de redenen voor urgentie in aanmerking die door de NBA zijn aangevoerd.

2.   Het in artikel 31 beschreven recht om gehoord te worden is van toepassing.

Artikel 82

De beoordeling op eigen initiatief van de ECB en het raadplegen van NBA’s

1.   Indien de ECB zich bewust wordt van omstandigheden die een intrekking van een vergunning kunnen rechtvaardigen, beoordeelt zij, op eigen initiatief, of de vergunning ingetrokken moet worden op basis van het betreffende Unierecht.

2.   De ECB kan te allen tijde overleg plegen met de betrokken NBA’s. Indien de ECB van plan is een vergunning in te trekken, pleegt zij overleg met de NBA van de lidstaat waar de kredietinstelling is gevestigd, zulks ten minste 25 werkdagen voor de datum waarop het haar besluit wenst te nemen. In terdege gemotiveerde dringende gevallen kan de tijdslimiet voor het overleg verkort worden tot 5 werkdagen.

3.   Indien de ECB van plan is een vergunning in te trekken, brengt zij de betrokken NBA’s op de hoogte van de eventuele opmerkingen die door de kredietinstelling zijn gegeven. Het in artikel 31 omschreven recht van de kredietinstelling gehoord te worden is van toepassing.

4.   De ECB coördineert met de nationale afwikkelingsautoriteit voorstellen tot vergunningintrekking, zulks met inachtneming van artikel 14, lid 5, van de GTM-verordening. Nadat de ECB contact heeft opgenomen met de nationale afwikkelingsautoriteit, stelt zij de NBA daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 83

Het ECB-besluit tot intrekking van een vergunning

1.   De ECB neemt een besluit tot intrekking van een vergunning zonder onnodige vertraging. Hierbij kan zij het betreffende ontwerpintrekkingsbesluit accepteren of verwerpen.

2.   Bij het nemen van haar besluit houdt de ECB rekening met alle hierna genoemde factoren: a) haar beoordeling van de omstandigheden die intrekking rechtvaardigen; b) indien aanwezig, het ontwerpintrekkingsbesluit van de NBA; c) het overleg met de betreffende NBA en, indien de NBA niet de nationale afwikkelingsautoriteit is, de nationale afwikkelingsautoriteit (samen met de NBA: de „nationale autoriteiten”); d) eventuele opmerkingen van de kredietinstelling die zijn gegeven krachtens artikel 81, lid 2, en artikel 82, lid 3.

3.   De ECB neemt tevens een besluit in de gevallen omschreven in artikel 84 indien de betreffende nationale afwikkelingsautoriteit geen bezwaar heeft tegen intrekking van de vergunning of indien de ECB bepaalt dat de nationale autoriteiten niet de adequate handelingen hebben uitgevoerd die noodzakelijk zijn voor het handhaven van financiële stabiliteit.

Artikel 84

Procedure in geval van mogelijke, door de nationale autoriteiten te treffen afwikkelingsmaatregelen

1.   Indien de nationale afwikkelingsautoriteit de ECB informeert omtrent haar bezwaar tegen het voornemen van de ECB tot intrekking van een vergunning, komen de ECB en de nationale afwikkelingsautoriteit een tijdsperiode overeen gedurende welke de ECB zich zal onthouden van voortzetting van de intrekking van de vergunning. De ECB informeert de NBA direct nadat zij contact opgenomen heeft met de nationale afwikkelingsautoriteit teneinde dit overeen te komen.

2.   Na het verstrijken van de overeengekomen tijdsperiode beoordeelt de ECB of zij de intrekking van de vergunning wenst te voort te zetten of dat zij de overeengekomen tijdsperiode verlengt in overeenstemming met artikel 14, lid 6, van de GTM-verordening, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele geboekte vooruitgang. De ECB pleegt overleg met zowel de betrokken NBA als de nationale afwikkelingsautoriteit indien deze laatste niet de NBA is. De NBA brengt de ECB op de hoogte van de door deze autoriteiten genomen maatregelen en haar beoordeling van de consequenties van een intrekking.

3.   Indien de nationale afwikkelingsautoriteit geen bezwaar heeft tegen de intrekking van een vergunning, of indien de ECB bepaalt dat nationale autoriteiten niet de adequate handelingen hebben uitgevoerd die noodzakelijk zijn voor het handhaven van financiële stabiliteit, is artikel 83 van toepassing.

TITEL 3

SAMENWERKING MET BETREKKING TOT VERWERVING VAN GEKWALIFICEERDE DEELNEMINGEN

Artikel 85

Kennisgeving aan de NBA’s inzake de verwerving van een gekwalificeerde deelneming

1.   Een NBA die een kennisgeving ontvangt inzake het voornemen tot verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling die is gevestigd in die deelnemende lidstaat brengt de ECB op de hoogte van een dergelijke kennisgeving, zulks niet later dan vijf werkdagen na de bevestiging van ontvangst in overeenstemming met artikel 22, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU.

2.   Indien de NBA de beoordelingsperiode moet opschorten als gevolg van een verzoek tot aanvullende informatie, brengt de NBA de ECB hiervan op de hoogte. De NBA stuurt dergelijke aanvullende informatie naar de ECB binnen vijf werkdagen na ontvangst hiervan door de NBA.

3.   De NBA stelt de ECB ook in kennis van de datum waarop het besluit inzake bezwaar of geen bezwaar tegen de verwerving van een gekwalificeerde deelneming gemeld moet worden aan de aanvrager op basis van de toepasselijke nationale wetgeving.

Artikel 86

Beoordeling van potentiële verwervingen

1.   De NBA die in kennis is gesteld van een intentie tot verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling, beoordeelt of de potentiële verwerving voldoet aan alle voorwaarden op basis van het betreffende Unierecht en nationaal recht. Na deze beoordeling stelt de NBA een ontwerpbesluit op inzake bezwaar of geen bezwaar van de ECB tegen de verwerving.

2.   De NBA dient het ontwerpbesluit inzake bezwaar of geen bezwaar tegen de verwerving ten minste 15 werkdagen voor het verstrijken van de door het toepasselijke Unierecht voorgeschreven beoordelingsperiode in bij de ECB.

Artikel 87

ECB-besluit inzake verwerving

De ECB beslist of zij wel of niet bezwaar heeft tegen de verwerving op basis van haar beoordeling van de voorgestelde verwerving en het ontwerpbesluit van de NBA. Het in artikel 31 omschreven recht gehoord te worden is van toepassing.

TITEL 4

KENNISGEVING VAN BESLUITEN IN GEZAMENLIJKE PROCEDURES

Artikel 88

Procedures inzake kennisgeving van besluiten

1.   De ECB brengt de partijen in overeenstemming met artikel 35 onverwijld op de hoogte van de volgende besluiten:

a)

een ECB-besluit tot intrekking van een vergunning voor een kredietinstelling;

b)

een ECB-besluit inzake de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling.

2.   De ECB brengt de betreffende NBA onverwijld op de hoogte van alle volgende besluiten:

a)

een ECB-besluit inzake een vergunningsaanvraag voor een kredietinstelling;

b)

een ECB-besluit inzake de intrekking van een vergunning voor een kredietinstelling;

c)

een ECB-besluit inzake de verwerving van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling.

3.   De NBA brengt de aanvrager van de vergunning op de hoogte van de volgende besluiten:

a)

een ontwerpvergunningsbesluit;

b)

een NBA-besluit tot verwerping van de vergunningsaanvraag indien de aanvrager niet voldoet aan de vergunningsvereisten zoals bepaald in de betreffende nationale wetgeving;

c)

een ECB-besluit tot bezwaar tegen een ontwerpvergunningsbesluit zoals bedoeld onder a);

d)

een ECB-besluit tot vergunningverlening.

4.   De NBA brengt de betreffende nationale afwikkelingsautoriteit op de hoogte van het ECB-besluit tot intrekking van een vergunning voor een kredietinstelling.

5.   De ECB stelt de Europese Bankautoriteit (EBA) in kennis van ieder ECB-besluit tot toekenning of intrekking van een vergunning voor een kredietinstelling alsmede het vervallen van een vergunning. Daarbij specificeert de ECB de redenen voor de intrekking of het vervallen van een vergunning.

DEEL VI

PROCEDURES INZAKE HET TOEZICHT OP BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

TITEL 1

TOEZICHT OP BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN EN ASSISTENTIE DOOR NBA’S

Artikel 89

Toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten

De ECB oefent het rechtstreekse toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten uit in overeenstemming met de in deel II uiteengezette procedures, in het bijzonder met betrekking tot de taken en samenstelling van de gezamenlijk toezichthoudende teams.

Artikel 90

Rol van de NBA’s bij het assisteren van de ECB

1.   Een NBA verleent assistentie aan de ECB bij de uitoefening van haar taken met inachtneming van de voorwaarden die zijn uiteengezet in de GTM-verordening en in deze verordening en zal in het bijzonder alle volgende werkzaamheden verrichten:

a)

ontwerpbesluiten overleggen aan de ECB met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten die in haar deelnemende lidstaat zijn gevestigd, in overeenstemming met artikel 91;

b)

assistentie verlenen aan de ECB bij de voorbereiding en uitvoering van alle handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van de taken die zijn opgedragen aan de ECB middels de GTM-verordening, waaronder begrepen hulp bij verificatietaken en de dagelijkse beoordeling van de situatie van een onder toezicht staande entiteit;

c)

assistentie verlenen aan de ECB bij de tenuitvoerlegging van haar besluiten, waarbij indien noodzakelijk gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheden die zijn vermeld in de derde alinea van artikel 9, lid 1, en artikel 11, lid 2, van de GTM-verordening.

2.   Een NBA zal bij het verlenen van assistentie aan de ECB de instructies van de ECB opvolgen met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten.

Artikel 91

Door de NBA’s ter beoordeling door de ECB voor te bereiden ontwerpbesluiten

1.   In overeenstemming met artikel 6, lid 3, en artikel 6, lid 7, onder b), van de GTM-verordening, kan de ECB een NBA verzoeken om een, door de ECB te beoordelen, ontwerpbesluit voor te bereiden met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 4 van de GTM-verordening vermelde taken.

Het verzoek geeft de tijdslimiet aan voor toezending van het ontwerpbesluit aan de ECB.

2.   Een NBA kan ook op eigen initiatief een door de ECB te beoordelen ontwerpbesluit met betrekking tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit indienen bij de ECB via het gezamenlijk toezichthoudend team.

Artikel 92

Uitwisseling van informatie

De ECB en de NBA’s wisselen onverwijld informatie uit met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten indien er serieuze aanwijzingen zijn dat er niet langer op vertrouwd kan worden dat deze belangrijke onder toezicht staande entiteiten voldoen aan hun verplichtingen ten opzichte van hun crediteuren en, in het bijzonder, niet langer in staat zijn zekerheid te verschaffen voor de door hun deposanten aan hen toevertrouwde activa, of indien er een serieuze indicatie is dat er omstandigheden zijn die kunnen leiden tot de vaststelling dat de betreffende kredietinstelling niet in staat is de deposito’s terug te betalen zoals vermeld in artikel 1, lid 3, onder i), van Richtlijn 94/19/EC van het Europees Parlement en de Raad (15). De ECB en de NBA’s doen dit voorafgaande aan een besluit met betrekking tot een dergelijke vaststelling.

TITEL 2

HET VOLDOEN AAN PASSENDE VEREISTEN MET BETREKKING TOT PERSONEN DIE VERANTWOORDELIJK ZIJN VOOR HET BEHEREN VAN KREDIETINSTELLINGEN

Artikel 93

Beoordeling van de geschiktheid van leden van de bestuursorganen van belangrijke onder toezicht staande entiteiten

1.   Teneinde te verzekeren dat instellingen solide governanceregelingen hebben ingesteld, en zonder afbreuk te doen aan toepasselijk Unierecht, nationaal recht en deel V, dient een belangrijke onder toezicht staande entiteit de betrokken NBA op de hoogte te brengen van alle wijzigingen met betrekking tot de leden van haar leidinggevende organen inzake hun leidinggevende en toezichthoudende functies (hierna de „bestuurders”) in de zin van artikel 3, lid 1, punt 7, en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU, waaronder de verlenging van de bestuurstermijn van de bestuurders. De betreffende NBA brengt de ECB onverwijld op de hoogte van een dergelijke wijziging en geeft aan binnen welke tijdslimiet een besluit genomen en gemeld dient te worden op basis van de betreffende nationale wetgeving.

2.   Teneinde de geschiktheid te beoordelen van bestuurders van belangrijke onder toezicht staande entiteiten, beschikt de ECB over dezelfde toezichtbevoegdheden die de bevoegde autoriteiten hebben op grond van het betreffende Unierecht en het nationale recht.

Artikel 94

Voortdurende beoordeling van geschiktheid van bestuurders

1.   Een belangrijke onder toezicht staande entiteit brengt de betreffende NBA onverwijld op de hoogte van alle nieuwe feiten die een initiële beoordeling van geschiktheid kunnen aantasten of enige andere kwestie die invloed zou kunnen hebben op de geschiktheid van een bestuurder zodra dergelijke feiten of kwesties ter kennis komen van de onder toezicht staande entiteit of de betreffende manager. De betreffende NBA brengt de ECB onverwijld op de hoogte van dergelijke nieuwe feiten of kwesties.

2.   De ECB kan het initiatief nemen voor een nieuwe beoordeling op basis van de in lid 1 genoemde nieuwe feiten of kwesties of indien nieuwe feiten ter kennis komen van de ECB die de initiële beoordeling van de betreffende bestuurder zouden kunnen beïnvloeden of enige andere kwestie die invloed kan hebben op de geschiktheid van een bestuurder. De ECB beslist vervolgens omtrent de juiste maatregelen op basis van het toepasselijke Unierecht en het nationale recht en brengt de betreffende NBA onverwijld op de hoogte van deze maatregel.

TITEL 3

ANDERE, DOOR BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN TOE TE PASSEN PROCEDURES

Artikel 95

Verzoeken, kennisgevingen of aanvragen van belangrijke onder toezicht staande entiteiten

1.   Zonder afbreuk te doen aan de speciale procedures zoals vastgelegd in deel V en de gebruikelijke interactie met haar NBA, richt de belangrijke onder toezicht staande entiteit al haar verzoeken, kennisgevingen of aanvragen met betrekking tot de aan de ECB opgedragen taken aan de ECB.

2.   De ECB stelt dergelijke verzoeken, kennisgevingen of aanvragen ter beschikking aan de betreffende NBA en kan de NBA verzoeken een ontwerpbesluit voor te bereiden in overeenstemming met artikel 91.

3.   Indien er substantiële wijzigingen zijn ten opzichte van de vergunning die is gegeven met betrekking tot het initiële verzoek, kennisgeving of aanvraag, richt de belangrijke onder toezicht staande entiteit een nieuw verzoek, kennisgeving of aanvraag aan de ECB in overeenstemming met de in lid 1 vermelde procedure.

DEEL VII

PROCEDURES INZAKE HET TOEZICHT OP MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

TITEL 1

KENNISGEVING AAN DE ECB DOOR DE NBA’S INZAKE BELANGRIJKE NBA-TOEZICHTPROCEDURES EN BELANGRIJKE ONTWERPTOEZICHTBESLUITEN

Artikel 96

Verslechtering van de financiële situatie van een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit

NBA’s informeren de ECB indien de situatie van een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit snel en in belangrijke mate verslechtert, met name indien een dergelijke verslechtering zou kunnen leiden tot een verzoek tot directe of indirecte financiële bijstand door het ESM, onverminderd de aanvraag van artikel 62.

Artikel 97

Kennisgeving aan de ECB door de NBA’s inzake belangrijke NBA-toezichtprocedures

1.   Teneinde de ECB in staat te stellen toezicht uit te oefenen met betrekking tot het functioneren van het systeem, zoals vastgelegd in artikel 6, lid 5, onder c), van de GTM-verordening, brengen de NBA’s de ECB op de hoogte van informatie met betrekking tot belangrijke NBA-toezichtprocedures inzake minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten. De ECB stelt algemene criteria vast ter bepaling welke informatie wordt medegedeeld met betrekking tot welke minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de risicopositie en de potentiële impact op het binnenlandse financiële systeem van de betreffende minder belangrijke onder toezicht staande entiteit. De informatie wordt ex ante verschaft door de NBA’s of, in terdege gemotiveerde noodgevallen, tegelijk met het opstarten van een procedure.

2.   De in lid 1 vermelde belangrijke NBA-toezichtprocedures bestaan uit:

a)

de verwijdering van leden uit het bestuur van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en de benoeming van speciale bestuurders die het bestuur van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten overnemen; en

b)

de procedures die een belangrijke invloed hebben op de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit.

3.   In aanvulling op de informatievereisten zoals bepaald door de ECB in overeenstemming met dit artikel, kan de ECB de NBA’s te allen tijde om informatie verzoeken over de door hen uitgevoerde taken met betrekking tot minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten.

4.   In aanvulling op de door de ECB op basis van dit artikel vastgestelde informatievereisten, brengen de NBA’s op eigen initiatief de ECB op de hoogte van iedere andere NBA-toezichtprocedure:

a)

die zij als belangrijk beschouwen; of

b)

die de reputatie van het GTM negatief zou kunnen beïnvloeden.

5.   Indien de ECB een NBA verzoekt nader onderzoek te plegen inzake specifieke aspecten van een belangrijke NBA-toezichtprocedure, wordt in dit verzoek aangegeven om welke aspecten dit gaat. De ECB en de NBA zorgen er respectievelijk voor dat de andere partij voldoende tijd krijgt zodat de procedure en het GTM als geheel efficiënt functioneren.

Artikel 98

Melding door NBA’s aan de ECB van belangrijke ontwerptoezichtbesluiten

1.   Teneinde de ECB in staat te stellen toezicht uit te oefenen met betrekking tot het functioneren van het systeem, zoals vastgelegd in artikel 6, lid 5, onder c), van de GTM-verordening, sturen de NBA’s ontwerptoezichtbesluiten naar de ECB die voldoen aan de in lid 2 en 3 neergelegde criteria, indien het ontwerpbesluit betrekking heeft op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten ten aanzien waarvan de ECB vindt dat zij, op basis van de algemene door de ECB gedefinieerde criteria met betrekking tot de risicopositie en potentiele impact op het binnenlandse financiële systeem van deze entiteiten, van deze informatie op de hoogte gebracht moet worden.

2.   Met inachtneming van lid 1 worden ontwerptoezichtbesluiten toegestuurd aan de ECB alvorens deze worden gericht aan minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, indien deze besluiten:

a)

betrekking hebben op verwijdering van leden uit het bestuur van de minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en de aanstelling van speciale bestuurders; of

b)

een belangrijke impact hebben op de minder belangrijke onder toezicht staande entiteit.

3.   In aanvulling op de in lid 1 en 2 neergelegde informatievereisten, sturen de NBA’s ieder ander ontwerptoezichtbesluit naar de ECB:

a)

ten aanzien waarvan de mening van de ECB wordt verzocht; of

b)

die de reputatie van het GTM negatief zou kunnen beïnvloeden.

4.   De NBA’s sturen de ontwerpbesluiten die voldoen aan de in de leden 1, 2 en 3 neergelegde criteria en die derhalve geacht worden belangrijke ontwerp-toezichtbesluiten te zijn, ten minste tien dagen voorafgaande aan de voorgenomen vaststellingsdatum van het besluit naar de ECB. De ECB geeft haar mening op het ontwerpbesluit binnen een redelijke termijn voor de voorgenomen vaststelling van het besluit. In urgente gevallen stelt de betrokken NBA een redelijke termijn vast voor het versturen van een ontwerpbesluit dat voldoet aan de in de leden 1, 2 en 3 vastgelegde criteria aan de ECB.

TITEL 2

EX-POST RAPPORTAGE DOOR DE NBA’S AAN DE ECB INZAKE MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

Artikel 99

Algemene rapportageverplichting van NBA’s aan de ECB

1.   Teneinde de ECB in staat te stellen toezicht uit te oefenen met betrekking tot het functioneren van het GTM op basis van artikel 6, lid 5, onder c), van de GTM-verordening, en onverminderd hoofdstuk 1, kan de ECB van de NBA’s verlangen dat deze op reguliere basis rapporteren aan de ECB inzake de door hen genomen maatregelen en de uitvoering van de op basis van artikel 6, lid 6, van de GTM-verordening aan hen opgedragen taken. De ECB stelt de NBA’s jaarlijks op de hoogte van de categorieën minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en de aard van de vereiste informatie.

2.   De op basis van lid 1 vastgelegde vereisten doen geen afbreuk aan het recht van de ECB tot gebruikmaking van de in artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening vermelde bevoegdheden met betrekking tot minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten.

Artikel 100

Frequentie en reikwijdte van de door de NBA’s aan de ECB te overleggen rapporten

De NBA’s brengen jaarlijks rapport uit aan de ECB inzake minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, minder belangrijke onder toezicht staande groepen of categorieën van minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, in overeenstemming met de vereisten van de ECB.

DEEL VIII

SAMENWERKING TUSSEN DE ECB, NBA’s EN NAA’s MET BETREKKING TOT MACRO-PRUDENTIELE TAKEN EN INSTRUMENTEN

TITEL 1

DEFINITIE VAN MACROPRUDENTIËLE INSTRUMENTEN

Artikel 101

Algemene bepalingen

1.   Voor de toepassing van dit deel worden macroprudentiële instrumenten gedefinieerd als zijnde één van de volgende instrumenten:

a)

de kapitaalbuffers in de zin van artikel 130 tot en met 142 van Richtlijn 2013/36/EU;

b)

de maatregelen voor kredietinstellingen waaraan op nationaal niveau vergunning is verleend, of een segment van dergelijke kredietinstellingen op basis van artikel 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

enige andere maatregel zoals vastgesteld door NAA’s of NBA’s die is gericht op het aanpakken van systeemrisico’s of macroprudentiële risico’s zoals vermeld in, en onderworpen aan de procedures uiteengezet in, Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU in de specifieke, in het betreffende Unierecht aangegeven gevallen.

2.   Onverminderd artikel 22 van de GTM-verordening met betrekking tot besluiten die zijn gericht tot individuele onder toezicht staande entiteiten, zijn de in artikel 5, lid 1 en 2, van de GTM-verordening genoemde macroprudentiële procedures geen ECB- of NBA-toezichtprocedures in de zin van deze verordening.

Artikel 102

Toepassing van macroprudentiële instrumenten door de ECB

De ECB past de in artikel 101 vermelde macroprudentiële instrumenten toe met inachtneming van deze verordening en artikel 5, lid 2, en artikel 9, lid 2, van de GTM-verordening, en indien de macroprudentiële instrumenten zijn gegeven in een richtlijn, met inachtneming van implementatie van die richtlijn in nationaal recht. Indien een NAA geen bufferpercentage vaststelt, belet dit de ECB niet een buffervereiste vast te stellen in overeenstemming met deze verordening en artikel 5, lid 2, van de GTM-verordening.

TITEL 2

PROCEDURELE BEPALINGEN VOOR HET GEBRUIK VAN MACROPRUDENTIËLE INSTRUMENTEN

Artikel 103

Lijst van NBA’s en NAA’s die verantwoordelijk zijn voor macroprudentiële instrumenten

De ECB verzamelt informatie bij de NBA’s en NAA’s van deelnemende lidstaten met betrekking tot de identiteit van de autoriteiten die zijn aangewezen voor de respectievelijk de in artikel 101 vermelde macroprudentiële instrumenten en de macroprudentiële instrumenten die deze autoriteiten kunnen gebruiken.

Artikel 104

Uitwisseling van informatie en samenwerking met betrekking tot het gebruik van macroprudentiële instrumenten door een NBA of een NAA

1.   In overeenstemming met artikel 5, lid 1, van de GTM-verordening, zal de betreffende NBA of NAA, indien deze van plan is dergelijke instrumenten toe te passen, ten minste tien werkdagen voor een dergelijk besluit te nemen, hiervan melding doen aan de ECB. Desalniettemin, indien een NBA of NAA besluit gebruik te maken van een macroprudentieel instrument, brengt zij de ECB in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte van het feit dat zij een macroprudentieel risico of systeemrisico ten aanzien van het financiële systeem heeft geïdentificeerd en vermeldt daarbij, waar mogelijk, details van het voorgenomen instrument. Dergelijke informatie houdt voor zover mogelijk details omtrent de voorgenomen maatregel in, inclusief de voorgenomen toepassingsdatum.

2.   De kennisgeving van het voornemen wordt gedaan aan de ECB door de NBA of NAA.

3.   Indien de ECB bezwaar heeft tegen de voorgenomen maatregel van een NBA of NAA, geeft de ECB haar redenen hiervoor binnen vijf werkdagen na de ontvangstdatum van de kennisgeving van het voornemen. Dit bezwaar dient schriftelijk te zijn en de redenen voor het bezwaar te noemen. De NBA of NAA nemen de redenen van de ECB zorgvuldig in overweging alvorens het besluit op de daartoe geëigende wijze voor te zetten.

Artikel 105

Uitwisseling van informatie en samenwerking met betrekking tot het gebruik van macroprudentiële instrumenten door de ECB

1.   In overeenstemming met artikel 5, lid 2, van de GTM-verordening, werkt de ECB, indien zij het voornemen heeft om ofwel op eigen initiatief of op voorstel van een NBA of NAA hogere eisen te stellen aan kapitaalbuffers of strengere maatregelen toe te passen met betrekking tot de aanpak van systeemrisico’s of macroprudentiële risico’s, nauw samen met de NAA’s in de betreffende lidstaten en stelt zij met name de NAA of NBA 10 werkdagen voorafgaande aan het nemen van een dergelijk besluit in kennis van dit voornemen. Desalniettemin, indien de ECB het voornemen heeft hogere eisen te stellen aan kapitaalbuffers of strengere maatregelen toe te passen met betrekking tot de aanpak van systeemrisico’s of macroprudentiële risico’s op het niveau van kredietinstellingen die zijn onderworpen aan de procedures zoals uiteengezet in Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU in specifieke, in het Unierecht aangegeven gevallen, zal de ECB de betreffende NBA of NAA in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte brengen van het feit dat zij een macroprudentieel risico of systeemrisico voor het financiële systeem heeft geïdentificeerd en zal daarbij, waar mogelijk, details vermelden van het voorgenomen instrument. Dergelijke informatie houdt voor zover mogelijk details omtrent de voorgenomen maatregel in en tevens de voorgenomen toepassingsdatum.

2.   Indien één van de betrokken NBA’s of NAA’s bezwaar heeft tegen de voorgenomen maatregel van de ECB, meldt zij haar redenen hiervoor aan de ECB binnen vijf werkdagen na de ontvangstdatum van de kennisgeving van de ECB omtrent het voornemen. Dit bezwaar dient schriftelijk te zijn en noemt de redenen voor het bezwaar. De ECB neemt deze redenen zorgvuldig in overweging alvorens het besluit op de daartoe geëigende wijze voor te zetten.

DEEL IX

PROCEDURES VOOR NAUWE SAMENWERKING

TITEL 1

ALGEMENE BEGINSELEN EN GEBRUIKELIJKE BEPALINGEN

Artikel 106

Procedure voor het aangaan van een nauwe samenwerking

De ECB beoordeelt verzoeken van niet-eurogebiedlidstaten tot het aangaan van een nauwe samenwerking op basis van de procedure die is uiteengezet in Besluit ECB/2014/5 (16).

Artikel 107

Toe te passen beginselen indien een nauwe samenwerking is aangegaan

1.   Vanaf de datum waarop een ECB-besluit van kracht wordt waarbij op basis van artikel 7, lid 2, van de GTM-verordening een nauwe samenwerking wordt aangegaan tussen de ECB en een NBA van een niet-eurogebiedlidstaat, en tot aan de datum van beëindiging of opschorting van een dergelijke nauwe samenwerking, voert de ECB de taken uit die zijn vermeld in artikel 4, lid 1 en 2, en artikel 5 van de GTM-verordening ten aanzien van de in de betreffende deelnemende lidstaat gevestigde, onder toezicht staande entiteiten en groepen in nauwe samenwerking, in overeenstemming met artikel 6 van de GTM-verordening.

2.   Indien een nauwe samenwerking is aangegaan krachtens artikel 7, lid 2, van de GTM-verordening, is de positie van de ECB en de NBA in nauwe samenwerking ten aanzien van belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen en minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen die zijn gevestigd in de deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking, vergelijkbaar met die van belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen en minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen die zijn gevestigd in eurogebiedlidstaten, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de ECB geen rechtstreekse toepasselijke zeggenschap heeft over belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen en minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen die zijn gevestigd in de deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking.

3.   In overeenstemming met artikel 6 van de GTM-verordening, kan de ECB instructies geven aan een NBA in nauwe samenwerking met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen en slechts algemene instructies met betrekking tot minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en groepen.

4.   Nauwe samenwerking eindigt op de datum waarop de derogatie krachtens artikel 139 VWEU met betrekking tot een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking wordt ingetrokken in overeenstemming met artikel 140, lid 2, VWEU, waarna de bepalingen van dit deel niet langer toepassing zijn.

Artikel 108

Wettelijke toezichtinstrumenten inzake nauwe samenwerking

1.   Met betrekking tot de in artikel 4, lid 1 en 2, en artikel 5 van de GTM-verordening vermelde taken kan de ECB instructies geven, verzoeken doen of richtsnoeren uitbrengen.

2.   Indien de ECB van mening is dat een maatregel met betrekking tot de in artikel 4, lid 1 en 2, van de GTM-verordening vermelde taken vastgesteld moet worden door de NBA in nauwe samenwerking ten aanzien van een onder toezicht staande entiteit of groep, richt zij tot die NBA:

a)

met betrekking tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep: een algemene of specifieke instructie, een verzoek of een richtsnoer waarbij wordt verzocht om het uitbrengen van een toezichtbesluit ten aanzien van die belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep in de deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking, of

b)

met betrekking tot een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit of minder belangrijke onder toezicht staande groep: een algemene instructie of een richtsnoer.

3.   Indien de ECB van mening is dat een maatregel met betrekking tot de in artikel 5 van de GTM-verordening vermelde taken vastgesteld moet worden door de NBA of NAA in nauwe samenwerking, kan zij tot die NBA of NAA een algemene of specifieke instructie, een verzoek of een richtsnoer richten, waarbij wordt verzocht om toepassing van hogere eisen voor kapitaalbuffers of toepassing van strengere maatregelen gericht op de aanpak van systeemrisico’s of macroprudentiële risico’s.

4.   In de instructie, het verzoek of het richtsnoer wordt door de ECB een tijdslimiet bepaald voor het vaststellen van de maatregel door de NBA in nauwe samenwerking; deze tijdslimiet dient minimaal 48 uur te zijn, tenzij eerdere vaststelling noodzakelijk is ter voorkoming van onherstelbare schade. Bij de bepaling van de tijdslimiet houdt de ECB rekening met de administratieve en procedurele wetten waar de betreffende NBA in nauwe samenwerking zich aan dient te houden.

5.   Een NBA in nauwe samenwerking neemt alle noodzakelijke maatregelen teneinde te voldoen aan de instructies, verzoeken of richtsnoeren van de ECB en informeert de ECB onverwijld omtrent de maatregelen die zij heeft genomen.

TITEL 2

NAUWE SAMENWERKING IN VERHOUDING TOT DEEL III, IV, V, VIII, X EN XI

Artikel 109

Talenregeling onder het regime van nauwe samenwerking

1. De regelingen zoals vermeld in artikel 23 zijn mutatis mutandis van toepassing ten aanzien van NBA’s in nauwe samenwerking.

Artikel 110

Beoordeling van significantie van kredietinstellingen onder het regime van nauwe samenwerking

1.   De bepalingen van deel IV met betrekking tot de vaststelling van de status van onder toezicht staande entiteiten of onder toezicht staande groepen als zijnde belangrijk of minder belangrijk zijn mutatis mutandis van toepassing op onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen in deelnemende lidstaten in nauwe samenwerking met inachtneming van de bepalingen van dit artikel.

2.   Een NBA in nauwe samenwerking zorgt ervoor dat de in deel IV vastgelegde procedures toegepast kunnen worden op onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen die zijn gevestigd in haar lidstaat.

3.   Indien zich omstandigheden voordoen ten aanzien waarvan deel IV bepaalt dat de ECB een besluit richt tot een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep, geeft de ECB, in plaats van een besluit te richten tot een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep, instructies aan de NBA in nauwe samenwerking, waarop die NBA een besluit richt tot een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep in overeenstemming met dergelijke instructies.

Artikel 111

Gezamenlijke procedures onder het regime van nauwe samenwerking

1.   De bepalingen van deel V met betrekking tot gezamenlijke procedures zijn mutatis mutandis van toepassing op onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen in de deelnemende lidstaten in nauwe samenwerking, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel.

2.   Een NBA in nauwe samenwerking zorgt ervoor dat de in deel V vastgelegde procedures toegepast kunnen worden met betrekking tot onder toezicht staande entiteiten die zijn gevestigd in haar lidstaat. De NBA in nauwe samenwerking zorgt er in het bijzonder voor dat de ECB alle informatie en documentatie ontvangt die zij nodig heeft om de aan haar bij de GTM-verordening opgedragen taken uit te kunnen oefenen.

3.   Indien zich omstandigheden voordoen ten aanzien waarvan deel V bepaalt dat de ECB een besluit richt tot een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep, geeft de ECB, in plaats van een besluit te richten tot de onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep, instructies aan de NBA in nauwe samenwerking, waarop die NBA een besluit richt tot een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep in overeenstemming met dergelijke instructies.

4.   Indien zich omstandigheden voordoen ten aanzien waarvan deel V bepaalt dat de betreffende NBA een ontwerpbesluit voorbereidt, dient een NBA in nauwe samenwerking een ontwerpbesluit in bij de ECB en verzoekt om instructies.

Artikel 112

Macroprudentiële instrumenten onder het regime van nauwe samenwerking

De bepalingen van deel VIII inzake samenwerking tussen de ECB, NBA’s en NAA’s op het gebied van macroprudentiële taken en instrumenten zijn mutatis mutandis van toepassing op onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen in deelnemende lidstaten in nauwe samenwerking.

Artikel 113

Administratieve sancties onder het regime van nauwe samenwerking

1.   De bepalingen van deel X inzake administratieve sancties zijn mutatis mutandis van toepassing op onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen in deelnemende lidstaten in nauwe samenwerking.

2.   Indien zich omstandigheden voordoen ten aanzien waarvan artikel 18 van de GTM-verordening in samenhang met deel X van deze verordening bepaalt dat de ECB een besluit richt tot een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep, geeft de ECB, in plaats van een besluit te richten tot de onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep, instructies aan de NBA in nauwe samenwerking, waarop die NBA een besluit richt tot een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep in overeenstemming met dergelijke instructies.

3.   In gevallen waarin artikel 18 van de GTM-verordening of deel X van deze verordening bepaalt dat de betreffende NBA een besluit richt tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep, start een NBA in nauwe samenwerking een procedure op voor het nemen van maatregelen waarmee wordt verzekerd dat passende administratieve sancties alleen op instructie van de ECB worden opgelegd. De NBA in nauwe samenwerking brengt de ECB op de hoogte zodra een besluit is vastgesteld.

Artikel 114

Onderzoeksbevoegdheden krachtens artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening onder het regime van nauwe samenwerking

1.   De bepalingen van deel XI die betrekking hebben op samenwerking uit hoofde van artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening zijn mutatis mutandis van toepassing op onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen in deelnemende lidstaten in nauwe samenwerking.

2.   Een NBA in nauwe samenwerking maakt gebruik van de onderzoeksbevoegdheden uit hoofde van artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening met inachtneming van de instructies van de ECB.

3.   Een NBA in nauwe samenwerking brengt de ECB op de hoogte van haar bevindingen die met behulp van de onderzoeksbevoegdheden op basis van artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening naar voren zijn gekomen.

4.   Een NBA in nauwe samenwerking zorgt ervoor dat benoemde ECB-personeelsleden als waarnemers kunnen deelnemen aan ieder onderzoek op basis van artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening.

TITEL 3

NAUWE SAMENWERKING MET BETREKKING TOT BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN

Artikel 115

Toezicht op belangrijke onder toezicht staande entiteiten in een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking

1.   Deel II en deel VI zijn mutatis mutandis van toepassing op belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen die zijn gevestigd in een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking met inachtneming van de bepalingen van dit artikel.

2.   Een NBA in nauwe samenwerking zorgt ervoor dat de ECB alle informatie en rapportage ontvangt van en met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen die de NBA in nauwe samenwerking zelf ontvangt en die benodigd zijn ter uitvoering van de aan de ECB bij de GTM-verordening opgedragen taken.

3.   Er wordt een gezamenlijk toezichthoudend team opgericht dat toezicht houdt op iedere belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep die is gevestigd in een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking. De leden van het gezamenlijk toezichthoudend team worden benoemd met inachtneming van artikel 4. De NBA in nauwe samenwerking benoemt de NBA-subcoördinator die rechtstreeks op zal treden ten aanzien van de belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep, met inachtneming van de instructies van de GTT-coördinator.

4.   Een NBA in nauwe samenwerking zorgt ervoor dat aangewezen ECB-personeelsleden worden uitgenodigd om deel te nemen aan iedere inspectie ter plaatse die wordt uitgevoerd met betrekking tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep. De ECB mag het aantal ECB-personeelsleden die als waarnemers deelnemen bepalen.

5.   Indien, in het kader van geconsolideerd toezicht en colleges van toezichthouders, een moederonderneming is gevestigd in een eurogebiedlidstaat of in een deelnemende niet-eurogebiedlidstaat, is de ECB, als bevoegde autoriteit, de consoliderende toezichthouder en zit het college van toezichthouders voor. De ECB nodigt de betreffende NBA in nauwe samenwerking uit een NBA-personeelslid te benoemen als waarnemer. De ECB kan optreden door middel van het geven van instructies aan de betreffende NBA in nauwe samenwerking.

Artikel 116

Besluiten met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen

1.   Onverminderd de bevoegdheden van NBA’s met betrekking tot taken die niet zijn opgedragen aan de ECB op basis van de GTM-verordening, stelt een NBA in nauwe samenwerking slechts op instructie van de ECB besluiten vast met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen in haar lidstaat. De NBA in nauwe samenwerking kan de ECB ook om instructies verzoeken.

2.   Een NBA in nauwe samenwerking stelt ieder besluit met betrekking tot een belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep direct ter beschikking van de ECB.

3.   Een NBA in nauwe samenwerking informeert de ECB met betrekking tot zowel: a) besluiten die zij op basis van haar bevoegdheid vaststelt ten aanzien van taken die niet aan de ECB zijn opgedragen op basis van de GTM-verordening; als b) besluiten die zij vaststelt op basis van instructies van de ECB, of zoals bepaald in dit deel.

TITEL 4

NAUWE SAMENWERKING MET BETREKKING TOT MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN EN MINDER BELANGRIJKE ONDER TOEZICHT STAANDE GROEPEN

Artikel 117

Toezicht op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen

1.   Deel VII is mutatis mutandis van toepassing op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen in deelnemende lidstaten in nauwe samenwerking in overeenstemming met de volgende bepalingen.

2.   Teneinde de consistentie van toezichtresultaten binnen het GTM te verzekeren, kan de ECB algemene instructies en richtsnoeren uitvaardigen en een NBA in nauwe samenwerking verzoeken een toezichtbesluit vast te stellen met betrekking tot minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten of minder belangrijke onder toezicht staande groepen die zijn gevestigd in de deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking. Dergelijke algemene instructies, richtsnoeren of verzoeken kunnen betrekking hebben op groepen of categorieën van kredietinstellingen.

3.   De ECB kan een NBA in nauwe samenwerking ook verzoeken nader onderzoek te plegen naar aspecten van een belangrijke NBA-procedure zoals voorzien in artikel 6, lid 7, onder c), ii), van de GTM-verordening.

TITEL 5

PROCEDURE IN GEVAL VAN NIET-INSTEMMING VAN EEN DEELNEMENDE LIDSTAAT IN NAUWE SAMENWERKING

Artikel 118

Procedure in geval van niet-instemming met het ontwerpbesluit van de Raad van toezicht op grond van artikel 7, lid 8, van de GTM-verordening

1.   De ECB informeert de NBA in nauwe samenwerking met betrekking tot het volledige ontwerpbesluit van de Raad van toezicht ten aanzien van een onder toezicht staande entiteit of onder toezicht staande groep die is gevestigd in een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking, met inachtneming van geheimhoudingsvereisten op basis van het Unierecht.

2.   Indien de NBA in nauwe samenwerking niet instemt met het volledige ontwerpbesluit van de Raad van toezicht, informeert zij de Raad van bestuur binnen vijf werkdagen na ontvangst van het volledige ontwerpbesluit omtrent de redenen voor haar niet-instemming.

3.   De Raad van bestuur neemt hieromtrent binnen vijf werkdagen na ontvangst van een dergelijke kennisgeving een besluit, waarbij volledig rekening wordt gehouden met de opgegeven redenen voor niet-instemming, en doet de NBA in nauwe samenwerking schriftelijk de redenen toekomen voor haar besluit.

4.   Een deelnemende lidstaat in nauwe samenwerking kan de ECB verzoeken haar nauwe samenwerking met onmiddellijke ingang te beëindigen en is in dat geval niet gebonden aan enig daaropvolgend besluit van de Raad van bestuur.

Artikel 119

Procedure in geval van niet-instemming met een bezwaar van de Raad van bestuur tegen een ontwerpbesluit van de Raad van toezicht op grond van artikel 7, lid 7, van de GTM-verordening

1.   De ECB informeert een NBA in nauwe samenwerking met betrekking tot ieder bezwaar van de Raad van bestuur tegen een volledig ontwerpbesluit van de Raad van toezicht.

2.   Indien de NBA in nauwe samenwerking niet instemt met het bezwaar van de Raad van bestuur tegen het volledige ontwerpbesluit van de Raad van toezicht, informeert zij de ECB binnen vijf werkdagen na ontvangst van het bezwaar van de Raad van bestuur omtrent de redenen voor haar niet-instemming.

3.   De Raad van bestuur geeft, binnen 30 dagen na ontvangst van de met redenen omklede niet-instemming, schriftelijk haar mening omtrent deze niet-instemming van de NBA in nauwe samenwerking, en zal haar bezwaar, met redenen omkleed, ofwel handhaven ofwel intrekken. De ECB informeert de NBA in nauwe samenwerking hieromtrent.

4.   Indien de Raad van bestuur haar bezwaar handhaaft, kan de NBA in nauwe samenwerking binnen vijf dagen na geïnformeerd te zijn dat de Raad van bestuur haar bezwaar heeft gehandhaafd, de ECB ervan in kennis stellen dat zij niet gebonden is aan enig genomen besluit dat volgt op een wijziging van het initiële volledige ontwerpbesluit waartegen de Raad van bestuur bezwaar maakt.

De ECB overweegt vervolgens of zij de nauwe samenwerking met de NBA in nauwe samenwerking zal opschorten of beëindigen, rekening houdend met de doelmatigheid van het toezicht, en neemt een besluit daaromtrent. De ECB neemt in het bijzonder de factoren in aanmerking die zijn vermeld in artikel 7, lid 7, van de GTM-verordening.

DEEL X

ADMINISTRATIEVE SANCTIES

TITEL 1

DEFINITIES EN VERHOUDING TOT VERORDENING (EG) NR. 2532/98 VAN DE RAAD  (17)

Artikel 120

Definitie van administratieve sancties

Voor de toepassing van dit deel houden „administratieve sancties” één van de volgende zaken in:

a)

administratieve geldelijke sancties die zijn voorzien in en worden opgelegd krachtens artikel 18, lid 1, van de GTM-verordening;

b)

boeten en dwangsommen zoals vastgesteld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2532/98 en opgelegd op basis van artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening.

Artikel 121

Verhouding tot Verordening (EG) nr. 2532/98

1.   Voor de toepassing van de in artikel 18, lid 1, van de GTM-verordening vermelde procedures, zijn de in deze verordening vastgelegde regels van toepassing, met inachtneming van artikel 18, lid 4, van de GTM-verordening.

2.   Voor de toepassing van de in artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening vermelde procedures, gelden de procedurele regels uit deze verordening in aanvulling op de regels die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 2532/98 en worden toegepast met inachtneming van artikel 25 en artikel 26 van de GTM-verordening.

Artikel 122

ECB-bevoegdheden tot oplegging van administratieve sancties op basis van artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening

De ECB legt administratieve sancties op zoals gedefinieerd in artikel 120, onder b), indien niet wordt voldaan aan verplichtingen op grond van verordeningen of besluiten van de ECB met betrekking tot:

a)

belangrijke onder toezicht staande entiteiten, of

b)

minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten, indien de betreffende verordeningen of besluiten van de ECB verplichtingen opleggen aan minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten tegenover de ECB.

TITEL 2

PROCEDURELE REGELS MET BETREKKING TOT DE OPLEGGING VAN ADMINISTRATIEVE SANCTIES, NIET-ZIJNDE DWANGSOMMEN, AAN ONDER TOEZICHT STAANDE ENTITEITEN IN EUROGEBIEDLIDSTATEN

Artikel 123

Oprichting van een onafhankelijke onderzoekseenheid

1.   De ECB richt een interne onafhankelijke onderzoekseenheid op (hierna de „onderzoekseenheid”) die is samengesteld uit door de ECB aangewezen onderzoeksfunctionarissen.

2.   De onderzoeksfunctionarissen zijn niet betrokken bij — en zijn dit ook niet geweest in de twee jaar voorafgaande aan aanvaarding van de positie van onderzoeksfunctionaris — het rechtstreekse of niet-rechtstreekse toezicht op, of bij de vergunningsverlening aan de betreffende onder toezicht staande entiteit.

3.   De onderzoeksfunctionarissen oefenen hun onderzoekstaken onafhankelijk van de Raad van toezicht en de Raad van bestuur uit en nemen niet deel aan de beraadslagingen van de Raad van toezicht en de Raad van bestuur.

Artikel 124

Verwijzing van vermeende schendingen naar de onderzoekseenheid

Indien de ECB bij de uitoefening van haar taken op grond van de GTM-verordening van mening is dat er redenen zijn om te vermoeden dat:

a)

krachtens relevant rechtstreeks toepasselijk Unierecht, zoals vermeld in artikel 18, lid 1, van de GTM-verordening, één of meer schendingen worden of zijn gepleegd door een belangrijke onder toezicht staande entiteit die haar hoofdkantoor in een eurogebiedlidstaat heeft, of

b)

één of meer schendingen van een verordening of besluit van de ECB, zoals vermeld in artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening, worden of zijn gepleegd door een onder toezicht staande entiteit die haar hoofdkantoor in een eurogebiedlidstaat heeft,

verwijst de ECB de zaak naar de onderzoekseenheid.

Artikel 125

Bevoegdheden van de onderzoekseenheid

1.   In het kader van het onderzoek naar vermeende schendingen zoals vermeld in artikel 124, mag de onderzoekseenheid gebruikmaken van de aan de ECB op basis van de GTM-verordening toegekende bevoegdheden.

2.   Indien een verzoek wordt gedaan aan de betreffende onder toezicht staande entiteit op basis van de aan de ECB door de GTM-verordening toegekende bevoegdheden in het kader van een onderzoek, specificeert de onderzoekseenheid het onderwerp en het doel van het onderzoek.

3.   Bij de uitvoering van haar taken heeft de onderzoekseenheid toegang tot alle documenten en informatie die door de ECB en waar van toepassing, door de betreffende NBA’s is verzameld bij de uitvoering van hun toezichtwerkzaamheden.

Artikel 126

Procedurele rechten

1.   Bij afronding van een onderzoek en voordat een voorstel voor een volledig ontwerpbesluit wordt opgesteld en voorgelegd aan de Raad van toezicht, doet de onderzoekseenheid schriftelijk melding aan de betreffende onder toezicht staande entiteit inzake de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek en eventuele daartegen gemaakte bezwaren.

2.   In de in lid 1 vermelde kennisgeving informeert de onderzoekseenheid de onder toezicht staande entiteit omtrent het recht schriftelijk haar oordeel kenbaar te maken aan de onderzoekseenheid met betrekking tot de feitelijke resultaten en de daarin uiteengezette bezwaren die zijn gerezen tegen de entiteit, inclusief de individuele bepalingen waar beweerdelijk inbreuk op is gepleegd, waarbij een redelijke tijdslimiet wordt gegeven voor de ontvangst van een dergelijk oordeel. De ECB is niet verplicht rekening te houden met schriftelijke oordelen die na verstrijking van de door de onderzoekseenheid gestelde tijdslimiet zijn ontvangen.

3.   De onderzoekseenheid kan tevens, na de onder lid 1 gedane kennisgeving, de betreffende onder toezicht staande entiteit uitnodigen een mondelinge zitting bij te wonen. De partijen die aan het onderzoek zijn onderworpen mogen tijdens de zitting vertegenwoordigd en/of geassisteerd worden door advocaten of andere gekwalificeerde personen. Mondelinge zittingen vinden niet plaats in het openbaar.

4.   Het recht van de onder toezicht staande entiteit die aan het onderzoek wordt onderworpen tot toegang tot het dossier van de onderzoekseenheid wordt bepaald in overeenstemming met artikel 32.

Artikel 127

Onderzoek van het dossier door de Raad van toezicht

1.   Indien een onderzoekseenheid van mening is dat een administratieve sanctie moet worden opgelegd aan een onder toezicht staande entiteit, dient de onderzoekseenheid een voorstel voor een volledig ontwerpbesluit in bij de Raad van toezicht, waarin wordt bepaald dat de betreffende onder toezicht staande entiteit een schending heeft gepleegd en waarin de op te leggen administratieve sanctie wordt gespecificeerd. De onderzoekseenheid legt tevens haar onderzoeksdossier voor aan de Raad van toezicht.

2.   De onderzoekseenheid baseert haar voorstel voor een volledig ontwerpbesluit slechts op feiten en punten van bezwaar ten aanzien waarvan de onder toezicht staande entiteit in de gelegenheid is gesteld te reageren.

3.   Indien de Raad van toezicht van mening is dat het door de onderzoekseenheid ingediende dossier incompleet is, kan de Raad van toezicht het dossier terugsturen aan de onderzoekseenheid, vergezeld van een met redenen omkleed verzoek tot verschaffing van aanvullende informatie. Artikel 125 is van overeenkomstige toepassing.

4.   Indien de Raad van toezicht op basis van een compleet dossier instemt met het voorstel voor een volledig ontwerpbesluit van de onderzoekseenheid met betrekking tot één of meer schendingen en de feitelijke basis voor een dergelijk besluit, zal de Raad van toezicht het volledige door de onderzoekseenheid voorgestelde ontwerpbesluit vaststellen met betrekking tot de schending(en) die ook naar de mening van de Raad van toezicht hebben plaatsgevonden. Voor zover de Raad van toezicht het oneens is met het voorstel, wordt een besluit genomen in overeenstemming met de relevante leden van dit artikel.

5.   Indien de Raad van toezicht op basis van een compleet dossier van mening is dat de feiten zoals beschreven in het in lid 1 vermelde voorstel voor een volledig ontwerpbesluit niet voldoende bewijs opleveren van een schending zoals vermeld in artikel 124, kan zij een compleet ontwerpbesluit vaststellen waarbij de zaak wordt gesloten.

6.   Indien de Raad van toezicht, op basis van een compleet dossier, het eens is met de vaststelling in het voorstel voor een volledig ontwerpbesluit van de onderzoekseenheid dat de betreffende onder toezicht staande entiteit een schending heeft gepleegd, maar het niet eens is met de voorgestelde aanbeveling inzake administratieve sancties, zal de Raad van toezicht het volledige ontwerpbesluit vaststellen, waarbij een specificatie wordt gegeven van de administratieve sanctie die gepast is naar de mening van de Raad van toezicht.

7.   Indien de Raad van toezicht op basis van een compleet dossier niet instemt met het voorstel van de onderzoekseenheid, maar concludeert dat een andere schending is gepleegd door een onder toezicht staande entiteit, of dat er een andere feitelijke basis bestaat voor het voorstel van de onderzoekseenheid, zal de Raad van toezicht de betreffende onder toezicht staande entiteit schriftelijk op de hoogte brengen van diens bevindingen en van de tegen de betreffende onder toezicht staande entiteit gerezen bezwaren. Artikel 126, leden 2, 3 en 4, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de Raad van toezicht.

8.   De Raad van toezicht bereidt een compleet ontwerpbesluit voor waarin wordt vastgesteld of de betreffende onder toezicht staande entiteit al dan niet een schending heeft gepleegd en geeft in detail aan welke eventuele administratieve sancties moeten worden opgelegd.

9.   Volledige ontwerpbesluiten die zijn aangenomen door de Raad van toezicht en voorgelegd worden aan de Raad van bestuur dienen slechts op feiten en bezwaren gebaseerd te zijn ten aanzien waarvan de onder toezicht staande entiteit in de gelegenheid is gesteld te reageren.

Artikel 128

Definitie van totale jaaromzet met betrekking tot de vaststelling van de bovengrens voor administratieve geldelijke sancties

De totale jaaromzet zoals vermeld in artikel 18, lid 1, van de GTM-verordening wordt gedefinieerd als de jaaromzet zoals vermeld in artikel 67 van Richtlijn 2013/36/EU van een onder toezicht staande entiteit op basis van de meest recente beschikbare jaarrekening van een dergelijke onder toezicht staande entiteit. Indien de onder toezicht staande entiteit die de schending heeft gepleegd deel uitmaakt van een onder toezicht staande groep, is de betreffende totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet die blijkt uit de meest recente beschikbare geconsolideerde jaarrekening van de onder toezicht staande groep.

TITEL 3

DWANGSOMMEN

Artikel 129

Procedurele regels die van toepassing zijn op dwangsommen

1.   Indien er sprake is van een voortdurende schending van een verordening of toezichtbesluit van de ECB, kan de ECB een dwangsom opleggen ter afdwinging van voldoening door de betrokken personen aan de verordening of het toezichtbesluit. De ECB past de procedurele regels van artikel 22 van de GTM-verordening toe, alsmede die van titel 2 van deel III van deze verordening.

2.   Een dwangsom dient doeltreffend en proportioneel te zijn. De dwangsom wordt berekend voor iedere dag dat de schending voortduurt totdat de betrokken person voldoet aan de betreffende verordening of het toezichtbesluit van de ECB.

3.   De bovengrens voor dwangsommen is de grens zoals aangegeven in Verordening (EG) nr. 2532/98. De betreffende periode vangt aan op de in het besluit tot oplegging van een dwangsom aangegeven datum. De vroegste datum die in dat besluit is vastgelegd is de datum waarop de betrokken persoon een schriftelijke kennisgeving ontvangt omtrent de redenen van de ECB voor oplegging van een dwangsom.

4.   Dwangsommen kunnen opgelegd worden voor perioden van maximaal zes maanden volgend op de datum in het in lid 3 vermelde besluit.

TITEL 4

TERMIJNEN

Artikel 130

Vervaltermijnen inzake de oplegging van administratieve sancties

1.   De bevoegdheid van de ECB tot oplegging van administratieve sancties aan onder toezicht staande entiteiten is onderworpen aan een vervaltermijn van vijf jaar, welke termijn aanvangt op de dag waarop de schending wordt gepleegd. In het geval van voortdurende of herhaalde schendingen begint de vervaltermijn te lopen op de dag waarop de schending eindigt.

2.   Iedere door de ECB genomen maatregel in het kader van het onderzoek of de procedures met betrekking tot een schending op basis van artikel 124 heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn voor het opleggen van administratieve geldelijke sancties wordt gestuit. De verjaringstermijn wordt gestuit met ingang van de datum waarop de betreffende onder toezicht staande entiteit in kennis wordt gesteld van de maatregel.

3.   Iedere stuiting heeft als gevolg dat de verjaringstermijn opnieuw aanvangt. De verjaringstermijn zal echter uiterlijk vervallen op de datum waarop een periode gelijk aan twee maal de duur van de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de ECB een administratieve geldelijke sanctie heeft opgelegd. Die periode wordt verlengd met elke periode gedurende welke de verjaringstermijn wordt geschorst met inachtneming van lid 5.

4.   De verjaringstermijn voor de oplegging van administratieve sancties wordt geschorst tijdens elke periode gedurende welke het besluit van de Raad van bestuur van de ECB is onderworpen aan een toetsingsprocedure voor de Administratieve Raad voor toetsing of onderwerp is van een beroepsprocedure voor het Hof van Justitie.

5.   De verjaringstermijn wordt eveneens geschorst gedurende de periode dat strafrechtelijke procedures aanhangig zijn tegen de onder toezicht staande entiteit met betrekking tot dezelfde feiten.

Artikel 131

Verjaringstermijnen voor de tenuitvoerlegging van administratieve sancties

1.   De bevoegdheid van de ECB tot tenuitvoerlegging van een genomen besluit krachtens artikel 18, lid 1 en lid 7, van de GTM-verordening is onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar, welke termijn begint te lopen op de dag van vaststelling van het besluit in kwestie.

2.   Iedere maatregel van de ECB ter afdwinging van betaling of handhaving van algemene betalingsvoorwaarden krachtens de betreffende administratieve sanctie, heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van administratieve sancties wordt gestuit.

3.   Iedere stuiting heeft als gevolg dat de verjaringstermijn opnieuw aanvangt.

4.   De verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van administratieve sancties wordt geschorst gedurende de periode dat:

a)

een betalingstermijn loopt;

b)

afdwinging van betaling is geschorst op grond van een besluit van ofwel de Raad van bestuur van de ECB ofwel het Hof van Justitie.

TITEL 5

PUBLICATIE VAN BESLUITEN EN UITWISSELING VAN INFORMATIE

Artikel 132

Publicatie van besluiten met betrekking tot administratieve sancties

1.   De ECB publiceert ieder besluit tot oplegging van een administratieve sanctie zoals gedefinieerd in artikel 120 aan een onder toezicht staande entiteit in een deelnemende lidstaat onverwijld nadat de onder toezicht staande entiteit hiervan in kennis is gesteld, op haar website onder vermelding van de gegevens betreffende de soort en aard van de schending en de identiteit van de betreffende onder toezicht staande entiteit, tenzij publicatie op deze wijze:

a)

de stabiliteit van de financiële markten of een aanhangig crimineel onderzoek in gevaar zou brengen; of

b)

disproportionele schade zou toebrengen, voor zover dit kan worden bepaald, aan de betreffende onder toezicht staande entiteit.

Onder dergelijke omstandigheden worden besluiten omtrent administratieve sancties anoniem gepubliceerd. Indien het aannemelijk is dat dergelijke omstandigheden binnen een redelijke termijn voorbij zullen zijn, kan publicatie op basis van dit lid eventueel worden uitgesteld gedurende een dergelijke periode.

2.   Indien een beroepsprocedure aanhangig is bij het Hof van Justitie met betrekking tot een onder lid 1 genoemd besluit, publiceert de ECB tevens onverwijld de status van het betreffende beroep en de uitkomst daarvan op haar officiële website.

3.   De ECB zorgt ervoor dat de op grond van lid 1 en 2 gepubliceerde informatie ten minste vijf jaar op haar website blijft staan.

Artikel 133

Informeren van de EBA

Met inachtneming van het beroepsgeheim zoals vermeld in artikel 27 van de GTM-verordening, brengt de ECB de EBA op de hoogte van alle administratieve sancties zoals gedefinieerd in artikel 120 die zijn opgelegd aan een onder toezicht staande entiteit in een eurogebiedlidstaat, inclusief beroepsprocedures met betrekking tot dergelijke sancties en de uitkomst daarvan.

TITEL 6

SAMENWERKING TUSSEN DE ECB EN NBA’S IN EUROGEBIEDLIDSTATEN OP GROND VAN ARTIKEL 18, LID 5, VAN DE GTM-VERORDENING

Artikel 134

Belangrijke onder toezicht staande entiteiten

1.   Met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten leidt een NBA alleen op verzoek van de ECB procedures in indien dit nodig is in het kader van de uitoefening van de aan de ECB op basis van de GTM-verordening opgedragen taken, met als doel het treffen van maatregelen ter garandering dat passende sancties worden opgelegd in de gevallen die niet door artikel 18, lid 1, van de GTM-verordening worden gedekt. Dergelijke gevallen omvatten de toepassing van:

a)

niet-geldelijke sancties in geval van een schending van rechtstreeks toepasselijk Unierecht door rechtspersonen of natuurlijke personen, alsmede alle geldelijke sancties in geval van een schending van rechtstreeks toepasselijk Unierecht door natuurlijke personen;

b)

geldboeten of niet-geldelijke sancties in geval van een schending door rechtspersonen of natuurlijke personen van nationaal recht tot tenuitvoerlegging van Unierichtlijnen;

c)

geldboeten of niet-geldelijke sancties die opgelegd worden op basis van relevante nationale wetgeving waarbij specifieke bevoegdheden worden toegekend aan de NBA’s in eurogebiedlidstaten die momenteel niet zijn vereist op basis van het toepasselijke Unierecht.

De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een NBA om procedures op eigen initiatief op te starten met betrekking tot de toepassing van nationaal recht inzake niet aan de ECB opgedragen taken.

2.   Een NBA kan de ECB verzoeken een procedure in te leiden in de gevallen zoals vermeld in lid 1.

3.   Een NBA van een deelnemende lidstaat stelt de ECB in kennis van de afronding van een sanctieprocedure die is ingesteld op verzoek van de ECB krachtens lid 1. De ECB wordt in het bijzonder op de hoogte gebracht van eventuele opgelegde sancties.

Artikel 135

Rapportage inzake minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten

De betreffende NBA stelt de ECB regelmatig in kennis van alle administratieve sancties die zijn opgelegd aan minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten in samenhang met de uitoefening van haar toezichtstaken.

TITEL 7

STRAFBARE FEITEN

Artikel 136

Bewijs van feiten die mogelijk een strafbaar feit inhouden

Indien de ECB tijdens de uitoefening van haar taken op basis van de GTM-verordening reden heeft om te vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd, verzoekt zij de betreffende NBA de zaak voor te leggen aan de bevoegde autoriteiten ten behoeve van onderzoek en mogelijk strafrechtelijke vervolging op basis van nationaal recht.

TITEL 8

OPBRENGSTEN UIT SANCTIES

Artikel 137

Opbrengsten uit sancties

De opbrengsten uit administratieve sancties die door de ECB zijn opgelegd op basis van artikel 18, lid 1 en lid 7, van de GTM-verordening, zijn eigendom van de ECB.

DEEL XI

Toegang tot informatie, rapportages, onderzoeken en inspectie ter plaatse

TITEL 1

ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 138

Samenwerking tussen de ECB en NBA’s met betrekking tot de bevoegdheden die zijn vermeld in artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening

De in dit deel vastgelegde bepalingen zijn van toepassing op belangrijke onder toezicht staande entiteiten. Ze zijn tevens van toepassing op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten indien de ECB op basis van artikel 6, lid 5, onder d), van de GTM-verordening besluit de bevoegdheden uit te oefenen die zijn vermeld in artikel 10 tot en met 13 van de GTM-verordening met betrekking tot een minder belangrijke onder toezicht staande entiteit. Dit doet echter geen afbreuk aan de bevoegdheid van de NBA’s om rechtstreeks toezicht uit te oefenen op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten krachtens artikel 6, lid 6, van de GTM-verordening.

TITEL 2

SAMENWERKING MET BETREKKING TOT VERZOEKEN OM INFORMATIE

Artikel 139

Ad-hocverzoeken om informatie krachtens artikel 10 van de GTM-verordening

1.   In overeenstemming met artikel 10 van de GTM-verordening en met inachtneming van en ter naleving van toepasselijk Unierecht, kan de ECB een rechtspersoon of natuurlijke persoon die is vermeld in artikel 10, lid 1, daarvan verzoeken alle informatie te verschaffen die benodigd is voor de uitoefening van de op basis van de GTM-verordening aan haar opgedragen taken. De ECB specificeert de betreffende informatie alsmede een redelijke tijdslimiet waarbinnen de informatie aan de ECB verschaft moet worden.

2.   Voordat een verzoek tot informatieverschaffing op basis van artikel 10, lid 1, van de GTM-verordening wordt gedaan, neemt de ECB eerst de informatie in overweging die reeds ter beschikking staat van de NBA’s.

3.   De ECB stelt kopieën beschikbaar aan de betrokken NBA van alle informatie die zij heeft ontvangen van de rechtspersoon of natuurlijke persoon aan wie het verzoek tot informatie was gericht.

TITEL 3

RAPPORTAGE

Artikel 140

Taken in verband met toezichtrapportage aan bevoegde autoriteiten

1.   De ECB is verantwoordelijk voor de naleving van relevant Unierecht waarbij eisen worden gesteld aan kredietinstellingen met betrekking tot het rapporteren aan bevoegde autoriteiten.

2.   Hiervoor beschikt de ECB over de taken en bevoegdheden met betrekking tot belangrijke onder toezicht staande entiteiten zoals neergelegd in relevant Unierecht inzake toezichtrapportage. De NBA’s hebben de taken en bevoegdheden met betrekking tot minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten zoals neergelegd in relevant Unierecht inzake rapportage aan bevoegde autoriteiten.

3.   Niettegenstaande lid 2 en tenzij anderszins bepaald, geeft iedere onder toezicht staande entiteit aan haar betreffende NBA alle informatie door die regelmatig gerapporteerd dient te worden op basis van het toepasselijke Unierecht. Tenzij uitdrukkelijk anders geregeld, wordt alle door onder toezicht staande entiteiten gerapporteerde informatie overlegd aan de NBA’s, die de initiële datacontroles uitvoeren en de informatie ter beschikking stellen aan de ECB.

4.   De ECB organiseert de processen met betrekking tot de verzameling en kwaliteitscontrole van door onder toezicht staande entiteiten gerapporteerde gegevens, zulks met inachtneming en ter naleving van toepasselijk Unierecht en technische implementatienormen van het EBA.

Artikel 141

Verzoeken om informatie op gezette tijden krachtens artikel 10 van de GTM-verordening

1.   In overeenstemming met artikel 10 van de GTM-verordening, in het bijzonder de bevoegdheid van de ECB om op gezette tijden verschaffing van informatie te vereisen en in gespecificeerde formaten voor toezichtdoeleinden en aanverwante statistische doeleinden, en met inachtneming en ter voldoening aan relevant Unierecht, kan de ECB onder toezicht staande entiteiten verzoeken aanvullende toezichtinformatie te verschaffen indien dergelijke informatie benodigd is door de ECB ter vervulling van de aan haar door de GTM-verordening opgedragen taken. Met inachtneming van de in relevant Unierecht uiteengezette bepalingen, kan de ECB in het bijzonder de informatiecategorieën specificeren die gerapporteerd moeten worden, evenals de processen, formaten, frequentie en termijnen voor de verschaffing van de betreffende informatie.

2.   Indien de ECB aan rechtspersonen of natuurlijke personen zoals gespecificeerd in artikel 10, lid 1, van de GTM-verordening verzoekt om op gezette tijden informatie te verschaffen, zijn artikel 140, lid 3 en lid 4, van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

TITEL 4

SAMENWERKING MET BETREKKING TOT ALGEMENE ONDERZOEKEN

Artikel 142

Entameren van algemeen onderzoek op basis van artikel 11 van de GTM-verordening

De ECB doet onderzoek naar in artikel 10, lid 1, van de GTM-verordening vermelde rechtspersonen of natuurlijke personen op basis van een ECB-besluit. Een dergelijk besluit specificeert alle volgende zaken:

a)

de wettelijke basis voor het besluit en het doel daarvan;

b)

de intentie tot uitoefening van de in artikel 11, lid 1, van de GTM-verordening neergelegde bevoegdheden;

c)

het feit dat obstructie van het onderzoek door de persoon die wordt onderzocht een schending inhoudt van een ECB-besluit in de zin van artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening, zonder afbreuk te doen aan nationaal recht zoals vastgelegd in artikel 11, lid 2, van de GTM-verordening.

TITEL 5

INSPECTIES TER PLAATSE

Artikel 143

ECB-besluit tot uitvoering van een inspectie ter plaatse krachtens artikel 12 van de GTM-verordening

1.   Met inachtneming van artikel 12 van de GTM-verordening, benoemt de ECB ter uitvoering van de aan haar door de GTM-verordening opgedragen taken teams voor inspectie ter plaatse zoals vastgelegd in artikel 144 teneinde alle benodigde inspecties ter plaatse uit te voeren in de gebouwen van een rechtspersoon zoals vermeld in artikel 10, lid 1, van de GTM-verordening.

2.   Onverminderd artikel 142 en krachtens artikel 12, lid 3, van de GTM-verordening, worden inspecties ter plaatse uitgevoerd op basis van een ECB-besluit, dat minimaal de volgende zaken specificeert:

a)

het onderwerp en doel van de inspectie per plaatse;

b)

het feit dat obstructie van de inspectie per plaatse door de rechtspersoon die wordt onderzocht een schending inhoudt van een ECB-besluit in de zin van artikel 18, lid 7, van de GTM-verordening, zonder afbreuk te doen aan nationaal recht zoals vastgelegd in artikel 11, lid 2, van de GTM-verordening.

3.   Indien de inspectie ter plaatse volgt op een onderzoek dat is uitgevoerd op basis van een ECB-besluit zoals vermeld in artikel 142, en mits de inspectie ter plaatse hetzelfde doel en dezelfde reikwijdte heeft als het onderzoek, wordt aan de door de ECB en een NBA geautoriseerde functionarissen en andere personen recht van toegang gegeven tot de bedrijfsgebouwen en bedrijfsterreinen van de rechtspersoon afhankelijk van het onderzoek op basis van hetzelfde besluit, in overeenstemming met artikel 12, lid 2 en lid 4, van de GTM-verordening en zonder afbreuk te doen aan artikel 13 daarvan.

Artikel 144

Oprichting en samenstelling van teams voor inspectie ter plaatse

1.   De ECB is belast met de oprichting en de samenstelling van teams voor inspectie ter plaatse waar de NBA’s bij worden betrokken, in overeenstemming met artikel 12 van de GTM-verordening.

2.   De ECB benoemt het hoofd van het team voor inspectie ter plaatse uit ECB- en NBA- personeelsleden.

3.   De ECB en de NBA’s plegen overleg met elkaar en komen tot overeenstemming met betrekking tot het gebruik van NBA-middelen met betrekking tot de teams voor inspectie ter plaatse.

Artikel 145

Procedure en kennisgeving van een inspectie ter plaatse

1.   De ECB stelt een rechtspersoon die is onderworpen aan een inspectie ter plaatse in kennis van het ECB-besluit zoals vermeld in artikel 143, lid 2, en van de identiteit van de leden van het team voor inspectie ter plaatse, zulks ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de inspectie ter plaatse. Zij brengt de NBA van de lidstaat waar de inspectie ter plaatse zal worden uitgevoerd op de hoogte ten minste één week voor kennisgeving inzake de inspectie te doen aan de rechtspersoon die wordt onderworpen aan de inspectie ter plaatse.

2.   Indien vereist in het kader van de juiste uitvoering en de doelmatigheid van de inspectie, kan de ECB een inspectie ter plaatse uitvoeren zonder de betreffende onder toezicht staande entiteit hier vooraf van in kennis te stellen. De NBA zal zo spoedig mogelijk voor aanvang van een dergelijke inspectie ter plaatse in kennis worden gesteld.

Artikel 146

Uitvoering van de inspectie ter plaatse

1.   Diegenen die de inspectie ter plaatse uitvoeren, volgen de instructies op van het hoofd van het team voor inspectie ter plaatse.

2.   Indien de entiteit die wordt onderworpen aan de inspectie ter plaatse een belangrijke onder toezicht staande entiteit is, is het hoofd van het team voor inspectie ter plaatse verantwoordelijk voor de coördinatie tussen het team voor inspectie ter plaatse en het gezamenlijk toezichthoudend team dat belast is met het toezicht op die belangrijke onder toezicht staande entiteit.

DEEL XII

OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 147

Aanvang van rechtstreeks toezicht door de ECB wanneer de ECB voor het eerst haar taken op zich neemt

1.   Ten minste twee maanden voor 4 november 2014 zal de ECB een besluit richten tot iedere onder toezicht staande entiteit ten aanzien waarvan zij de taken op zich neemt zoals aan haar opgedragen door de GTM-verordening, waarin wordt bevestigd dat het een belangrijke onder toezicht staande entiteit is. Voor entiteiten die onderdeel uitmaken van een belangrijke onder toezicht staande groep, notificeert de ECB het ECB-besluit aan de onder toezicht staande entiteit op het hoogste consolidatieniveau binnen de deelnemende lidstaten en verzekert dat alle onder toezicht staande entiteiten binnen de belangrijke onder toezicht staande groep genoegzaam geïnformeerd worden. Deze besluiten zijn van kracht vanaf 4 november 2014.

2.   Niettegenstaande lid 1 zal de ECB, indien zij voor 4 november 2014 begint met de uitoefening van de aan haar opgedragen taken, een besluit richten tot de betreffende entiteit en de betreffende NBA’s. Tenzij anders bepaald in dat besluit, is een dergelijk besluit van kracht vanaf de kennisgeving. De betreffende NBA’s worden vooraf geïnformeerd met betrekking tot de intentie een dergelijk besluit zo spoedig mogelijk uit te vaardigen.

3.   Voorafgaande aan de vaststelling van een in lid 1 vermeld besluit, stelt de ECB de betreffende onder toezicht staande entiteit in de gelegenheid schriftelijk een oordeel te geven.

Artikel 148

Vaststelling van het formaat van het rapport inzake de toezichthistorie en het risicoprofiel dat door NBA’s aan de ECB wordt verschaft

1.   De NBA’s geven uiterlijk op 4 augustus 2014 de identiteit van de kredietinstellingen door aan de ECB aan wie zij een vergunning hebben afgegeven alsmede een rapport met betrekking tot die kredietinstellingen in een door de ECB gespecificeerd formaat.

2.   Niettegenstaande lid 1 kan de ECB, indien zij voor 4 november 2014 begint met de uitoefening van de aan haar opgedragen taken, de NBA’s verzoeken de identiteit van de betreffende kredietinstellingen door te geven aan de ECB alsmede een rapport in een door de ECB gespecificeerd formaat binnen een redelijke tijdslimiet die in het verzoek aangegeven zal worden.

Artikel 149

Continuïteit van bestaande procedures

1.   Tenzij anders beslist door de ECB, zijn de in artikel 48 vastgelegde procedures van toepassing indien een NBA voor 4 november 2014 toezichtprocedures heeft opgestart ten aanzien waarvan de ECB bevoegd wordt op basis van de GTM-verordening.

2.   In afwijking van artikel 48 is dit artikel van toepassing op gezamenlijke procedures.

Artikel 150

Door de NBA’s genomen toezichtbesluiten

Onverminderd de uitoefening door de ECB van de aan haar door de GTM-verordening opgedragen bevoegdheden, blijven toezichtbesluiten die door NBA’s voor 4 november 2014 zijn genomen, onaangetast.

Artikel 151

Lidstaten die de euro als munt zullen hebben

1.   Met inachtneming van lid 2, onder omstandigheden waarin een derogatie op basis van artikel 139 VWEU wordt ingetrokken voor een lidstaat in overeenstemming met artikel 140, lid 2, VWEU, zijn de artikelen 148, 149 en 150 van overeenkomstige toepassing met betrekking op toezichtprocedures of besluiten die zijn geïnitieerd of genomen door de NBA van die lidstaat.

2.   De verwijzing naar 4 november 2014 in artikel 149 en artikel 150 wordt geacht een verwijzing te zijn naar de datum waarop de euro wordt aangenomen door de betreffende lidstaat.

Artikel 152

Continuïteit van bestaande regelingen

Alle bestaande samenwerkingsregelingen met andere autoriteiten die zijn aangegaan door een NBA voor 4 november 2014 en die ten minste gedeeltelijk taken bestrijken die op basis van de GTM-verordening worden overgedragen aan de ECB blijven van kracht. De ECB kan besluiten deel te nemen aan dergelijke bestaande samenwerkingsregelingen in overeenstemming met de procedure die van toepassing is op de regelingen in kwestie of nieuwe samenwerkingsregelingen aangaan met derden met betrekking tot de taken die aan haar zijn opgedragen door de GTM-verordening. Een NBA zet de toepassing van bestaande samenwerkingsregelingen slechts voort in de mate waarin deze niet worden vervangen door ECB- samenwerkingsregelingen. Indien dit nodig is voor de uitvoering van de bestaande samenwerkingsregelingen, is de NBA verantwoordelijk voor het assisteren van de ECB, in het bijzonder door de uitoefening van haar rechten en verantwoordelijkheden op basis van de regelingen in samenwerking met de ECB.

Artikel 153

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten in overeenstemming met de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 16 april 2014.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  PB L 320 van 30.11.2013, blz. 1.

(3)  Besluit ECB/2004/2 van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33).

(4)  Goedgekeurd op 31 maart 2014 en beschikbaar op de ECB-website: www.ecb.europa.eu Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(5)  Besluit ECB/2014/16 van 14 april 2014 houdende de oprichting van een Administratieve Raad voor toetsing en de werkwijze daarvan. Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(6)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(8)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(9)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).

(11)  Zoals bekendgemaakt op de ECB-website.

(12)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 25/2009 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2008 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2008/32) (PB L 15 van 20.1.2009, blz. 14).

(14)  Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

(15)  Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 135 van 31.5.1994, blz. 5).

(16)  Besluit ECB/2014/5 van 31 januari 2014 betreffende de nauwe samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten van deelnemende lidstaten die de euro niet als munt hebben (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(17)  Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de ECB om sancties op te leggen (PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4).


14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 141/51


VERORDENING (EU) Nr. 469/2014 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 16 april 2014

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2157/1999 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/1999/4)

(ECB/2014/18)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 132, lid 3,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 34.3 en artikel 19.1,

Gezien Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (1), inzonderheid artikel 6, lid 2,

Overwegende:

(1)

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft Verordening (EG) nr. 2157/1999 van de Europese Centrale Bank (ECB/1999/4) (2) toegepast om sancties op te leggen binnen haar uiteenlopende bevoegdheidsgebieden, waaronder met name de tenuitvoerlegging van het monetaire beleid van de Unie, de werking van betalingssystemen en de verzameling van statistische gegevens.

(2)

Luidens Verordening (EU) nr. 1024/2013 (3) van de Raad kan de ECB administratieve financiële boeten aan de kredietinstellingen opleggen die onder haar supervisie staan, indien deze instellingen een direct toepasselijke bepaling van Unierecht schenden, alsook sancties opleggen ingeval van een schending van een ECB-verordening of -besluit.

(3)

De ECB heeft Verordening (EU) nr. YYY/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (4) vastgesteld tot nadere uitwerking van de procedures betreffende de uitoefening door de ECB, nationale bevoegde autoriteiten en nationale aangewezen autoriteiten van hun toezichttaken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013. Verordening (EU) nr. YYY/2014 (ECB/2014/17) bevat bepalingen betreffende de procedure voor de oplegging van administratieve boeten door de ECB en nationale bevoegde toezichthoudende autoriteiten.

(4)

De ECB heeft Aanbeveling ECB/2014/19 (5) vastgesteld ter invoering van een consistente regeling voor het opleggen van sancties door de ECB ter uitoefening van haar toezichttaken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en Verordening (EU) nr. YYY/2014 (ECB/2014/17).

(5)

In Verordening (EG) nr. 2157/1999 dient verduidelijkt te worden dat de verordening slechts van toepassing is op de sanctieoplegging door de ECB ter uitoefening van haar centralebanktaken die geen toezichthouding betreffen, terwijl Verordening (EU) nr. YYY/2014 (ECB/2014/17) van toepassing is op de oplegging van administratieve boeten door de ECB ter uitoefening van haar toezichttaken.

(6)

Bij de nadere uitwerking van de procedurele regels aangaande de initiatie en het voeren van de in Verordening (EG) nr. 2532/98 vastgelegde niet-nakomingsprocedures moet de ECB rekening houden met de ernst van de overwogen sanctie.

(7)

Verordening (EG) nr. 2157/1999 moet daarom dienovereenkomstig gewijzigd worden,

HEEFT DEZE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Verordening (EG) nr. 2157/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Een nieuw artikel 1 bis wordt ingevoegd na artikel 1:

„Artikel 1 bis

Toepassingsgebied

Deze verordening is slechts van toepassing op sancties die de ECB kan opleggen ter uitoefening van haar centralebanktaken die geen toezichthouding betreffen. De verordening is niet van toepassing op administratieve boeten die de ECB kan opleggen ter uitoefening van haar toezichttaken.”.

2)

Nieuw artikel 1 ter wordt ingevoegd na artikel 1 bis:

„Artikel 1 ter

Onafhankelijke onderzoekseenheid

1.   Om al dan niet een niet-nakomingsprocedure te initiëren uit hoofde van artikel 2 en ter uitoefening van de in artikel 3 vastgelegde bevoegdheden, richt de ECB een interne onafhankelijke onderzoekseenheid op (hierna „onderzoekseenheid”) bestaande uit onderzoeksambtenaren die hun onderzoekstaken onafhankelijk van de directie en de Raad van bestuur uitoefenen, en die niet deelnemen aan het overleg van de directie en de Raad van bestuur.

2.   Indien de ECB redenen heeft te vermoeden dat een of meer schendingen worden of zijn begaan, wordt die aangelegenheid naar de directie verwezen.

3.   Indien de directie meent dat de toepasselijke sanctie hoger is dan de drempel van artikel 10, lid 1, dan is de vereenvoudigde procedure van artikel 10 niet van toepassing en verwijst de directie die aangelegenheid naar de onderzoekseenheid. De onderzoekseenheid besluit om al dan niet een niet-nakomingsprocedure te initiëren.

4.   Enige verwijzing naar de ECB in artikel 2 tot en met 4, artikel 5, lid 1 tot en met 3, en artikel 6, dient gelezen te worden als een verwijzing naar de onderzoekseenheid van de ECB dan wel, indien de vereenvoudigde procedure van artikel 10 van toepassing is, als verwijzing naar de directie.

5.   De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de bevoegde nationale centrale bank om een niet-nakomingsprocedure te initiëren en een onderzoek uit te voeren overeenkomstig deze verordening.”.

3)

In artikel 2 wordt lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

„1.   Op basis van dezelfde feiten wordt tegen dezelfde onderneming niet meer dan een niet-nalevingsprocedure geinitieerd. Te dien einde neemt de ECB of de bevoegde nationale centrale bank geen beslissing om al dan niet een niet-nalevingsprocedure te initiëren vooraleer zij elkaar hebben geïnformeerd en met elkaar overlegd hebben.”.

4)

In artikel 2 wordt lid 3 als volgt vervangen:

„3.   Hetzij de ECB of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, is, op verzoek, gerechtigd bijstand te verlenen aan en samen te werken met de andere bij de uitvoering van de niet-nalevingsprocedure, met name door het overhandigen van relevante geachte informatie.”.

5)

Een nieuw artikel 7 bis wordt ingevoegd na artikel 7:

„Artikel 7 bis

Indiening van een voorstel bij de directie

1.   Indien de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, van mening is dat na de voltooiing van de niet-nakomingsprocedure een sanctie aan de betrokken onderneming opgelegd moet worden, dient deze een voorstel in bij de directie waarin de onderzoekseenheid stelt dat de betrokken onderneming een schending heeft begaan en bepaalt het bedrag van de op te leggen sanctie.

2.   De onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, baseren hun voorstel slechts op feiten en bezwaren waar de betrokken onderneming opmerkingen over heeft kunnen maken.

3.   Indien de directie van mening is dat het door de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank ingediende dossier, al naar gelang, onvolledig is, kan zij het dossier aan de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank retourneren met een onderbouwd verzoek voor aanvullende informatie.

4.   Indien de directie op basis van een volledig dossier instemt met het voorstel van de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, om een sanctie aan de betrokken onderneming op te leggen, besluit zij overeenkomstig het door de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank ingediende voorstel.

5.   Indien de directie op basis van een volledig dossier meent dat de door de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, in het voorstel beschreven feiten niet voldoende bewijs voor een schending lijken te vormen, kan de directie besluiten de zaak te sluiten.

6.   Indien de directie op basis van een volledig dossier ermee instemt dat de betrokken onderneming een andere schending heeft begaan, zoals bedoeld in het voorstel van de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, maar het niet eens is met de voorgestelde sanctie, neemt zij een besluit waarin een door haar passend geachte sanctie wordt vastgelegd.

7.   Indien de directie op basis van een volledig dossier niet instemt met het voorstel van de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, maar vaststelt dat de betrokken onderneming een andere schending heeft begaan, dan wel dat er een andere feitelijke grondslag bestaat voor het voorstel van de onderzoekseenheid of de bevoegde nationale centrale bank, al naar gelang, stelt het de betrokken onderneming schriftelijk van haar bevindingen en van de tegen de betrokken onderneming opgeworpen bezwaren in kennis.

8.   De directie stelt in een besluit vast of de betrokken onderneming al dan niet een schending heeft begaan, alsook de op te leggen sanctie, indien van toepassing. Door de directie vastgestelde besluiten worden slechts gegrond op feiten en bezwaren waar de betrokken onderneming opmerkingen over heeft kunnen maken.”.

Artikel 2

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, .

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4.

(2)  Verordening (EG) nr. 2157/1999 van de Europese Centrale Bank van 23 september 1999 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/1999/4) (PB L 264 van 12.10.1999, blz. 21).

(3)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

(4)  Verordening (EU) nr. YYY/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17). Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(5)  Aanbeveling ECB/2014/19 van 16 april 2014 voor een Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2532/98 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (PB C ZZZ van 14.5.2014, blz. XXX).