ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 128

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
30 april 2014


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2014/50/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten ( 1 )

1

 

*

Richtlijn 2014/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken ( 1 )

8

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2014/239/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 april 2014 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven

15

 

 

Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven

17

 

 

2014/240/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 april 2014 betreffende de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika

43

 

 

2014/241/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 april 2014 betreffende de bekrachtiging van, of de toetreding tot, het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuverantwoord recyclen van schepen (2009) door de lidstaten in het belang van de Europese Unie

45

 

 

2014/242/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 april 2014 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa

47

 

 

Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa

49

 

 

2014/243/EU

 

*

Besluit van de Raad van 14 april 2014 inzake de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Europees Verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang

61

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 436/2014 van de Commissie van 23 april 2014 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Piranska sol (BOB))

62

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 437/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot goedkeuring van 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21 ( 1 )

64

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 438/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot goedkeuring van cyproconazool als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 8 ( 1 )

68

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 439/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 250/2009 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende structurele bedrijfsstatistieken, wat de definities van kenmerken en het technische formaat voor de indiening van gegevens betreft ( 1 )

72

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 440/2014 van de Commissie van 29 april 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

79

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/1


RICHTLIJN 2014/50/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

betreffende minimumvereisten voor de vergroting van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door het verbeteren van de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het vrije verkeer van personen is een van de fundamentele vrijheden van de Unie. Artikel 46 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité, bij wege van richtlijnen de maatregelen vaststellen welke nodig zijn om tot een vrij verkeer van werknemers te komen zoals dit in artikel 45 VWEU is vastgelegd. Artikel 45 VWEU bepaalt dat het vrije verkeer van werknemers, onder andere, het recht inhoudt om in te gaan op een aanbod tot tewerkstelling en „zich te dien einde vrij te verplaatsen op het grondgebied der lidstaten”. Deze richtlijn heeft tot doel het bevorderen van de mobiliteit van werknemers door de belemmeringen die het gevolg zijn van bepaalde regels met betrekking tot aanvullende pensioenregelingen die gekoppeld zijn aan een arbeidsverhouding, te verminderen.

(2)

De sociale bescherming van de werknemers inzake pensioenen wordt verzekerd door wettelijke socialezekerheidsregelingen, aangevuld door aanvullende pensioenregelingen die gekoppeld zijn aan een arbeidsverhouding en die in de lidstaten steeds gebruikelijker worden.

(3)

Het Europees Parlement en de Raad beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid wat betreft de keuze van de meest passende maatregelen om de doelstelling van artikel 46 VWEU te verwezenlijken. Het coördinatiesysteem zoals voorzien in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad (3) en in Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) en, in het bijzonder, de regels die van toepassing zijn op de samentelling, hebben geen betrekking op de aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van die regelingen die vallen onder de term „wetgeving” als gedefinieerd in die verordeningen, of die in een verklaring van een lidstaat uit hoofde van deze verordeningen als zodanig zijn aangemerkt.

(4)

Richtlijn 98/49/EG van de Raad (5) vormt een eerste specifieke maatregel ter verbetering van de uitoefening van het recht op vrij verkeer voor werknemers op het gebied van de aanvullende pensioenregelingen.

(5)

Doel van deze richtlijn is het verder vergemakkelijken van de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten door de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten van deelnemers aan die aanvullende pensioenregelingen te verbeteren.

(6)

Deze richtlijn is niet van toepassing op de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten door werknemers die zich binnen eenzelfde lidstaat verplaatsen. lidstaten kunnen overwegen hun nationale bevoegdheden te gebruiken om de uit hoofde van deze richtlijn toepasselijke regels ook te laten gelden voor deelnemers aan een regeling die binnen eenzelfde lidstaat van werk veranderen.

(7)

Een lidstaat kan werknemers die naar een andere lidstaat verhuizen, verzoeken de beheerders van hun aanvullende pensioenregeling daarvan op de hoogte te brengen.

(8)

Er dient rekening te worden gehouden met de structuur en het bijzondere karakter van de aanvullende pensioenregelingen en hun verschillen binnen en tussen de afzonderlijke lidstaten. De invoering van nieuwe regelingen, de duurzaamheid van bestaande regelingen en de verwachtingen en rechten van de huidige deelnemers dienen voldoende te worden beschermd. Verder dient in deze richtlijn met name rekening te worden gehouden met de rol van de sociale partners bij de vormgeving en toepassing van de aanvullende pensioenregelingen.

(9)

Deze richtlijn laat het recht van de lidstaten om hun eigen pensioenregelingen te organiseren, onverlet. De lidstaten blijven volledig verantwoordelijk voor het opzetten van dergelijke regelingen en zij zijn derhalve niet verplicht om bij de omzetting van deze richtlijn in het nationale recht, wetgeving tot instelling van aanvullende pensioenregelingen in te voeren.

(10)

Deze richtlijn houdt geen beperking van de autonomie van de sociale partners in wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het opzetten en beheren van pensioenregelingen, mits zij de ingevolge deze richtlijn vastgelegde resultaten kunnen garanderen.

(11)

Deze richtlijn heeft betrekking op alle overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk ingestelde aanvullende pensioenregelingen ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers, zoals groepsverzekeringscontracten, door een of meer bedrijfstakken of sectoren gesloten en via het omslagstelsel gefinancierde regelingen, op kapitalisatie gebaseerde regelingen, uit pensioenreserves van de ondernemingen bekostigde pensioentoezeggingen of collectieve of andere vergelijkbare regelingen.

(12)

Deze richtlijn dient niet van toepassing te zijn op aanvullende pensioenregelingen of, in voorkomend geval, onderdelen daarvan, die reeds vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn afgesloten zijn in die zin dat er geen nieuwe deelnemers meer kunnen worden toegelaten, de invoering van nieuwe voorschriften zou immers een ongerechtvaardigde druk op deze regelingen kunnen leggen.

(13)

Deze richtlijn laat waarborgregelingen bij insolventie en compensatieregelingen die niet behoren tot de aan een arbeidsverhouding gekoppelde aanvullende pensioenregelingen en die tot doel hebben de pensioenrechten van werknemers bij insolventie van de onderneming of de pensioenregeling te beschermen, onverlet. Evenzo dienen nationale pensioenreservefondsen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven.

(14)

Deze richtlijn dient alleen van toepassing te zijn op aanvullende pensioenregelingen waarvan het recht erop voortvloeit uit een arbeidsverhouding en gekoppeld is aan het bereiken van de pensioenleeftijd of aan het vervullen van andere voorwaarden, zoals vastgelegd in de desbetreffende regeling of in de nationale wetgeving. Deze richtlijn is niet van toepassing op andere individuele pensioenregelingen dan die welke voortvloeien uit een arbeidsverhouding. Wanneer aanvullende pensioenregelingen gepaard gaan met invaliditeits- en nabestaandenuitkeringen, kunnen daarop specifieke regels van toepassing zijn. Deze richtlijn laat het bestaande nationale recht en de regels van aanvullende pensioenregelingen met betrekking tot dergelijke specifieke regels, onverlet.

(15)

Een eenmalige betaling die geen verband houdt met bijdragen gedaan met het oog op een aanvullend pensioen, die rechtstreeks of onrechtstreeks is betaald aan het eind van de arbeidsverhouding, en die uitsluitend door de werkgever is bekostigd, dient niet als een aanvullend pensioen in de zin van deze richtlijn te worden beschouwd.

(16)

Aangezien aanvullende pensioenen in veel lidstaten steeds belangrijker worden als middel om de levensstandaard op oudere leeftijd veilig te stellen, dienen de voorwaarden voor het opbouwen en het behouden van pensioenrechten te worden verbeterd zodat er minder belemmeringen zijn voor het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten.

(17)

Het feit dat pensioenrechten in sommige aanvullende pensioenregelingen als verloren kunnen worden beschouwd indien de arbeidsverhouding van de werknemer eindigt voordat hij een minimumperiode van deelneming aan de regeling („drempelperiode”) heeft voltooid, of voordat hij de minimumleeftijd („drempelleeftijd”) heeft bereikt, kan eraan in de weg staan dat werknemers die zich van de ene naar de andere lidstaat verplaatsen adequate pensioenrechten verwerven. Het vereisen van lange wachtperioden alvorens een werknemer tot een pensioenregeling kan toetreden, kan een soortgelijk effect hebben. Dergelijke voorwaarden zijn derhalve belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers. Een minimumleeftijd voor toetreding tot een pensioenregeling is daarentegen geen belemmering voor het vrije verkeer en wordt derhalve niet in deze richtlijn behandeld.

(18)

Verwervingsvoorwaarden mogen niet worden gelijkgesteld met de overige voorwaarden die gelden voor de verwerving van een recht op annuïteit dat krachtens het nationale recht of krachtens de regels van bepaalde aanvullende pensioenregelingen, in het bijzonder in regelingen met vaste bijdrage, is vastgelegd voor de uitbetalingsfase. Bijvoorbeeld, een periode van actief lidmaatschap van de regeling die door een lid, nadat het recht heeft gekregen op een aanvullend pensioen, voltooid moet worden om zijn of haar recht op een pensioen te doen gelden in de vorm van een annuïteit of een uitbetaling van kapitaal, is geen drempelperiode.

(19)

Indien een arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat de vertrekkende werknemer definitieve pensioenrechten heeft opgebouwd of indien het beleggingsrisico door de regeling of door de werkgever wordt gedragen, met name in het geval van regeling met vaste prestaties, dienen de pensioenpremies van die vertrekkende werknemer in elk geval door de regeling te worden teruggestort. Indien een arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat de vertrekkende werknemer definitieve pensioenrechten heeft opgebouwd en indien het beleggingsrisico door de vertrekkende werknemer wordt gedragen, met name in het geval van een regeling met vaste bijdrage, kan de waarde van de op deze bijdragen gebaseerde beleggingen door de regeling worden teruggestort. De waarde kan meer of minder bedragen dan de door de vertrekkende werknemer betaalde bijdragen. Een andere mogelijkheid is dat alle betaalde bijdragen door de regeling worden terugbetaald.

(20)

De vertrekkende werknemer dient het recht te hebben zijn definitieve pensioenrechten als slapende pensioenrechten te handhaven in de aanvullende pensioenregeling waarin die rechten zijn verworven. Wat het behoud van slapende pensioenrechten van gewezen deelnemers betreft, mag het niveau van bescherming als gelijkwaardig worden beschouwd wanneer, met name in het kader van een regeling met vaste bijdrage, de vertrekkende werknemer de mogelijkheid heeft om de waarde van zijn definitieve pensioenrechten te laten overdragen naar een aanvullende pensioenregeling die voldoet aan de voorwaarden van deze richtlijn.

(21)

Overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk dienen stappen te worden gezet om te zorgen voor het behoud van de slapende pensioenrechten of hun waarde. De waarde van deze rechten op het moment dat het lid uit de regeling stapt, dient te worden bepaald conform het nationale recht en de nationale praktijk. Wanneer de waarde van die pensioenrechten wordt aangepast, dient rekening te worden gehouden met de specifieke aard van de regeling, de belangen van de begunstigden met uitgestelde rechten, de belangen van de overblijvende actieve leden van de regeling en de belangen van gepensioneerde deelnemers.

(22)

Deze richtlijn houdt geen verplichting in om voor slapende pensioenrechten gunstiger voorwaarden vast te stellen dan voor de rechten van actieve deelnemers aan de regeling.

(23)

Om te hoge administratiekosten van het beheer van grote aantallen slapende pensioenrechten van geringe omvang te vermijden, kan pensioenregelingen worden toegestaan om, wanneer de definitieve pensioenrechten of de waarde van de definitieve pensioenrechten van een vertrekkende werknemer de door de betreffende lidstaat vastgestelde toepasselijke drempel niet te boven gaat, die definitieve rechten niet in stand te houden maar dat in plaats daarvan de vertrekkende werknemer een kapitaal wordt uitbetaald dat overeenstemt met de waarde van de definitieve pensioenrechten. Indien van toepassing dient de overdrachtswaarde of het uitgekeerde kapitaal vastgesteld te worden volgens het nationale recht en de nationale praktijk. lidstaten dienen in voorkomend geval een drempelwaarde voor dergelijke uitkeringen vast te leggen, waarbij ze er zorg voor dragen dat werknemers in de toekomst een toereikend pensioen genieten.

(24)

Deze richtlijn stelt geen bepalingen betreffende de overdracht van definitieve pensioenrechten vast. Ter bevordering van de beroepsmobiliteit tussen de lidstaten dienen de lidstaten er evenwel naar te streven de overdraagbaarheid van definitieve pensioenrechten, waar mogelijk en met name bij de invoering van nieuwe aanvullende pensioenregelingen, te verbeteren.

(25)

Onverminderd Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), zouden actieve deelnemers en begunstigden met uitgestelde rechten die gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer, of van plan zijn dat te doen, indien zij daarom verzoeken behoorlijk geïnformeerd moeten worden over hun rechten op aanvullend pensioen. Wanneer regelingen ook nabestaandenuitkeringen omvatten, moeten de overlevende begunstigden dezelfde rechten op informatie genieten als begunstigden met uitgestelde rechten. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat deze informatie niet vaker dan eens per jaar hoeft te worden verstrekt.

(26)

Gezien de diversiteit van de bestaande aanvullende pensioenregelingen dient de Unie zich te beperken tot het aangeven van de binnen een algemeen kader te verwezenlijken doelstellingen, en een richtlijn is het juiste juridische instrument daarvoor.

(27)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het vergemakkelijken van de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tussen de lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(28)

Deze richtlijn stelt minimumeisen vast, waardoor de lidstaten de mogelijkheid behouden om gunstiger bepalingen in te voeren of te handhaven. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn kan niet als rechtvaardiging worden aangevoerd voor een verslechtering ten opzichte van de bestaande situatie in een afzonderlijke lidstaat.

(29)

De Commissie dient uiterlijk zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een verslag op te stellen over de toepassing ervan.

(30)

De lidstaten kunnen, met inachtneming van de nationale bepalingen betreffende de organisatie van de aanvullende pensioenregelingen, de sociale partners, indien deze gezamenlijk daarom verzoeken, belasten met de uitvoering van deze richtlijn voor wat betreft de bepalingen die op collectieve overeenkomsten betrekking hebben, op voorwaarde dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen nemen om op ieder moment de ingevolge deze richtlijn vastgelegde resultaten te kunnen garanderen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt regels vast om de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tussen de lidstaten te vergemakkelijken door het verminderen van belemmeringen die het gevolg zijn van bepaalde voorschriften met betrekking tot aanvullende pensioenregelingen die gekoppeld zijn aan een arbeidsverhouding.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van regelingen die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 vallen.

2.   Deze richtlijn geldt niet voor:

a)

aanvullende pensioenregelingen die, op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn geen nieuwe actieve deelnemers meer aanvaarden en voor hen gesloten blijven;

b)

aanvullende pensioenregelingen die het voorwerp uitmaken van maatregelen die een optreden van uit hoofde van de nationale wetgeving opgerichte administratieve instanties of van gerechtelijke autoriteiten behelzen en bestemd zijn om de financiële positie van die regelingen in stand te houden of te herstellen, daaronder begrepen liquidatieprocedures. Deze uitsluiting gaat niet verder dan voor doeleinden van dit optreden;

c)

waarborgregelingen bij insolventie, compensatieregelingen en nationale pensioenreservefondsen, en

d)

een eenmalige betaling die door een werkgever aan een werknemer aan het einde van de arbeidsverhouding wordt verricht en geen verband houdt met een pensioenregeling.

3.   Deze richtlijn geldt niet voor invaliditeits- en/of nabestaandenuitkeringen in het kader van aanvullende pensioenregelingen, met uitzondering van de specifieke bepalingen van artikelen 5 en 6 inzake nabestaandenuitkeringen.

4.   Deze richtlijn geldt alleen voor tijdvakken van tewerkstelling die na de omzetting van de richtlijn overeenkomstig artikel 8 vallen.

5.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de verwerving en het behoud van aanvullende pensioenrechten door werknemers die zich binnen eenzelfde lidstaat verplaatsen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

a)

„aanvullend pensioen”: een ouderdomspensioen zoals bepaald in een overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk ingestelde aanvullende pensioenregeling;

b)

„aanvullende pensioenregeling”: elke overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk ingestelde ouderdomspensioenregeling die gekoppeld is aan een arbeidsverhouding en bedoeld is ter verschaffing van een aanvullend pensioen aan werknemers;

c)

„actieve deelnemer”: een werknemer die op grond van zijn huidige arbeidsverhouding aanspraak heeft of na vervulling van de eventuele verwervingsvoorwaarden waarschijnlijk aanspraak zal hebben op een aanvullend pensioen overeenkomstig de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling;

d)

„wachtperiode”: het door het nationale recht of de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling vereiste tijdvak van arbeid dat door een werknemer vervuld moet worden om aanspraak te kunnen maken op deelneming aan een regeling;

e)

„drempelperiode”: de periode van actieve deelneming aan een regeling die uit hoofde van de nationale wetgeving of de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling moet worden vervuld om aanspraak op de opgebouwde aanvullende pensioenrechten te verwerven;

f)

„definitieve pensioenrechten”: iedere aanspraak op de opgebouwde aanvullende pensioenrechten, verkregen nadat is voldaan aan de verwervingsvoorwaarden die worden gesteld door de bepalingen van een aanvullende pensioenregeling en, voor zover van toepassing, het nationale recht;

g)

„vertrekkende werknemer”: een actieve deelnemer van wie de huidige arbeidsverhouding eindigt om andere redenen dan dat hij aanspraak maakt op een aanvullend pensioen en die van de ene naar de andere lidstaat verhuist;

h)

„begunstigde met uitgestelde rechten”: een voormalige actieve deelnemer die definitieve pensioenrechten heeft in een aanvullende pensioenregeling en nog geen aanvullend pensioen van die regeling ontvangt;

i)

„slapende pensioenrechten”: definitieve pensioenrechten die behouden blijven in de regeling waarin ze door een begunstigde met uitgestelde rechtenzijn opgebouwd;

j)

„waarde van de slapende pensioenrechten”: kapitaalwaarde van de pensioenrechten berekend volgens het nationale recht en de nationale praktijk.

Artikel 4

Voorwaarden voor de verwerving van rechten uit aanvullende pensioenregelingen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er voor te zorgen dat:

a)

indien een drempelperiode of een wachtperiode, of beide, wordt toegepast, beloopt de totale gecombineerde periode in geen geval meer dan drie jaar voor vertrekkende werknemers;

b)

indien voor de verwerving van pensioenrechten een minimumleeftijd wordt bepaald, die leeftijd niet hoger is dan 21 jaar voor vertrekkende werknemers, en

c)

wanneer een vertrekkende werknemer op het tijdstip van beëindiging van zijn arbeidsverhouding nog geen definitieve pensioenrechten heeft verworven, de aanvullende pensioenregeling de door de vertrekkende werknemer en eventueel door de werkgever namens de werknemer uit hoofde van wettelijke bepalingen of collectieve overeenkomsten of contracten gestorte bijdragen of, indien de vertrekkende werknemer het beleggingsrisico draagt, de som van de gestorte bijdragen of de met deze bijdragen gerealiseerde beleggingswaarde terugbetaalt.

2.   De lidstaten hebben de mogelijkheid om de sociale partners toe te staan bij collectieve overeenkomst andere bepalingen vast te stellen voor zover die bepalingen aan de betrokkenen geen minder gunstige bescherming bieden en geen belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers in het leven roepen.

Artikel 5

Behoud van slapende pensioenrechten

1.   Onverminderd de leden 3 en 4 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de definitieve pensioenrechten van vertrekkende werknemers in de aanvullende pensioenregeling kunnen blijven waarin zij deze hebben verkregen. Voor de toepassing van lid 2 wordt de beginwaarde van deze rechten berekend op het moment waarop de huidige arbeidsverhouding van de vertrekkende werknemer een einde neemt.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen, rekening houdend met de aard van de regels en de praktijk van de pensioenregeling, om er voor te zorgen dat slapende pensioenrechten van vertrekkende werknemers en van hun nabestaanden, of de waarde daarvan worden behandeld in overeenstemming met de waarde van de pensioenrechten van actieve deelnemers of de ontwikkeling van de huidige pensioenuitkeringen, of worden behandeld op een andere, billijk geachte wijze, zoals:

a)

indien de pensioenrechten in de aanvullende pensioenregeling verworven zijn als een recht op een nominaal bedrag, door de nominale waarde van de slapende pensioenrechten te vrijwaren;

b)

indien de waarde van de opgebouwde pensioenrechten in de loop van de tijd verandert, door de waarde van de slapende pensioenrechten aan te passen door het toepassen van:

i)

een in de aanvullende pensioenregeling ingebouwd interestpercentage, of

ii)

het door de aanvullende pensioenregeling gerealiseerde rendement,

of

c)

indien de waarde van de opgebouwde pensioenrechten wordt aangepast, bijvoorbeeld op basis van het inflatiepercentage of het loonniveau, door de waarde van de slapende pensioenrechten dienovereenkomstig aan te passen met inachtneming van een in het nationale recht vastgesteld of door de sociale partners overeengekomen proportioneel plafond.

3.   De lidstaten kunnen toestaan dat aanvullende pensioenregelingen de definitieve rechten van een vertrekkende werknemer niet handhaven, maar hem, met zijn geïnformeerde toestemming, ook wat betreft de toeslagen, een kapitaal uitbetalen dat de waarde van de definitieve rechten vertegenwoordigt, wanneer de waarde van de definitieve rechten onder een door de betreffende lidstaat bepaalde drempel blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de gehanteerde drempel.

4.   De lidstaten kunnen de sociale partners toestaan bij collectieve overeenkomst andere bepalingen vast te stellen voor zover die bepalingen aan de betrokkenen geen minder gunstige bescherming bieden en geen belemmeringen voor het vrije verkeer van werknemers veroorzaken.

Artikel 6

Informatie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat actieve deelnemers op verzoek informatie kunnen krijgen over de eventuele gevolgen van beëindiging van de arbeidsverhouding voor hun aanvullende pensioenrechten.

Er moet met name informatie over het volgende verstrekt worden:

a)

de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten en de gevolgen van de toepassing van die voorwaarden bij beëindiging van de arbeidsverhouding;

b)

de waarde van de definitieve pensioenrechten of een uiterlijk twaalf maanden voor de datum van het verzoek uitgevoerde evaluatie van de definitieve pensioenrechten, en

c)

de voorwaarden voor de behandeling van de slapende pensioenrechten van gewezen deelnemers.

Indien de regeling het mogelijk maakt om via een kapitaalsuitkering vervroegd toegang te krijgen tot definitieve pensioenrechten, omvat de verstrekte informatie tevens een geschreven verklaring waarin staat dat de deelnemer moet overwegen advies te vragen betreffende het investeren van dat kapitaal met het oog op een aanvullend pensioen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat begunstigden met uitgestelde rechten op verzoek informatie ontvangen over het volgende:

a)

de waarde van zijn pensioenrechten als gewezen deelnemer of een uiterlijk twaalf maanden voor de datum van het verzoek uitgevoerde evaluatie van de pensioenrechten van de gewezen deelnemer, en

b)

de voorwaarden voor de behandeling van slapende pensioenrechten.

3.   Voor nabestaandenuitkeringen in het kader van aanvullende pensioenregelingen is lid 2, wat betreft de uitbetaling van nabestaandenuitkeringen, van toepassing op overlevende begunstigden.

4.   De informatie wordt schriftelijk, duidelijk en binnen een redelijke termijn verstrekt. De lidstaten kunnen bepalen dat dergelijke informatie niet meer dan een keer per jaar moet worden verstrekt.

5.   De verplichtingen uit hoofde van dit artikel komen bovenop de krachtens artikel 11 van Richtlijn 2003/41/EG geldende verplichtingen van bedrijfspensioeninstellingen, en laten deze onverlet.

Artikel 7

Minimumvoorschriften en non-regressie

1.   De lidstaten kunnen bepalingen betreffende de verwerving van aanvullende pensioenrechten van werknemers, het behoud van aanvullende pensioenrechten van vertrekkende werknemers en het recht op informatie van actieve deelnemers en begunstigden met uitgestelde rechten invoeren of handhaven die voor de betrokkenen gunstiger zijn dan de bepalingen in deze richtlijn.

2.   De omzetting van deze richtlijn mag in geen geval als rechtvaardiging dienen voor het beperken van de bestaande rechten inzake het verwerven en behouden van aanvullende pensioenrechten of voor het regelen van het recht op informatie van actieve deelnemers of begunstigden in de lidstaten.

Artikel 8

Omzetting

1.   De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om uiterlijk op 21 mei 2018 aan deze richtlijn te voldoen, of verzekeren zich ervan dat de sociale partners vóór die datum op basis van akkoorden de noodzakelijke bepalingen vaststellen. De lidstaten treffen alle noodzakelijke maatregelen om de door deze richtlijn voorgeschreven resultaten te kunnen waarborgen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2.   Wanneer de lidstaten de in lid 1 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 9

Verslag

1.   De lidstaten delen alle beschikbare gegevens betreffende de toepassing van deze richtlijn uiterlijk op 21 mei 2019 aan de Commissie mee.

2.   Uiterlijk op 21 mei 2020 stelt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn en dient zij dit in bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 11

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 185 van 8.8.2006, blz. 37.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 juni 2007 (PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 216) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 17 februari 2014 (PB C 77 E van 15.3.2014, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2).

(4)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(5)  Richtlijn 98/49/EG van de Raad van 29 juni 1998 betreffende de bescherming van de rechten op aanvullend pensioen van werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 209 van 25.7.1998, blz. 46).

(6)  Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10).


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/8


RICHTLIJN 2014/54/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

betreffende maatregelen om de uitoefening van de in de context van het vrije verkeer van werknemers aan werknemers verleende rechten te vergemakkelijken

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het vrije verkeer van werknemers is een in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verankerde fundamentele vrijheid van de burgers van de Unie en een van de pijlers van de interne markt in de Unie. De toepassing ervan wordt in het kader van het Unierecht verder ontwikkeld om ervoor te zorgen dat burgers van de Unie en hun familieleden hun rechten ten volle kunnen uitoefenen. Het begrip „hun familieleden” dient te worden opgevat in dezelfde betekenis als de in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) gedefinieerde term, en is dus ook van toepassing op familieleden van grensarbeiders.

(2)

Het vrije verkeer van werknemers is ook belangrijk in de ontwikkeling van een echte arbeidsmarkt in de Unie: het stelt werknemers in staat naar gebieden met een arbeidskrachten tekort of met hogere werkgelegenheidskansen te gaan, meer mensen vinden een baan die beter bij hun vaardigheden past, en knelpunten op de arbeidsmarkt kunnen uit de weg worden geruimd.

(3)

Dankzij het vrije verkeer van werknemers hebben alle burgers van de Unie, waar ze ook wonen, het recht om naar een andere lidstaat te verhuizen om er te werken en/of er voor het werk te verblijven. Het beschermt hen tegen discriminatie op grond van nationaliteit wat betreft de toegang tot arbeid, de voorwaarden van arbeid en werk, in het bijzonder met betrekking tot de beloning, ontslag, en fiscale en sociale voordelen, door te waarborgen dat zij, overeenkomstig het nationaal recht, de nationale praktijk en collectieve arbeidsovereenkomsten, gelijk behandeld worden met burgers van de betrokken lidstaat. Deze rechten moeten zonder onderscheid worden toegekend aan alle burgers van de Unie die hun recht op vrij verkeer uitoefenen, met inbegrip van „permanente” werknemers, seizoenarbeiders, en grensarbeiders. Het vrije verkeer van werknemers moet worden onderscheiden van de vrijheid van dienstverrichting, die ondernemingen onder meer het recht geeft om in een andere lidstaat diensten te verrichten en daartoe eigen werknemers naar een andere lidstaat te detacheren om tijdelijk de werkzaamheden uit te voeren die nodig zijn om in die lidstaat diensten te verrichten.

(4)

Artikel 45 VWEU verleent aan werknemers in de Unie en hun familieleden die hun recht op vrij verkeer uitoefenen, aanzienlijke — in Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4) nader bepaalde — rechten voor de uitoefening van deze fundamentele vrijheid.

(5)

De daadwerkelijke uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers vormt echter nog steeds een belangrijke uitdaging en veel werknemers in de Unie zijn zich erg vaak niet bewust van hun rechten op vrij verkeer. Onder meer omwille van hun potentieel kwetsbaardere positie kunnen werknemers in de Unie nog steeds het slachtoffer zijn van ongerechtvaardigde beperkingen van of belemmeringen voor de uitoefening van hun recht op vrij verkeer, zoals het niet erkennen van hun kwalificaties, van discriminatie op grond van nationaliteit, en van uitbuiting wanneer zij naar een andere lidstaat verhuizen. Er bestaat bijgevolg een kloof tussen het recht enerzijds en de praktische toepassing ervan anderzijds en het is zaak deze kloof te dichten.

(6)

De Commissie kondigde in haar mededeling van juli 2010 met als titel „Het vrije verkeer van werknemers opnieuw garanderen rechten en belangrijkste ontwikkelingen”, aan te zullen nagaan hoe kan worden tegemoetgekomen aan de nieuwe behoeften en uitdagingen, vooral in het licht van nieuwe mobiliteitspatronen waarmee werknemers in de Unie en hun familieleden worden geconfronteerd. Zij verklaarde tevens dat zij in het kader van de nieuwe strategie voor de interne markt zou nagaan hoe de mechanismen voor de daadwerkelijke toepassing van het beginsel van de gelijke behandeling van werknemers in de Unie en hun familieleden die hun recht op vrij verkeer uitoefenen, kunnen worden bevorderd en versterkt. De Commissie gaf ook een overzicht van de ontwikkelingen in de wetgeving en rechtspraak, in het bijzonder met betrekking tot de personele werkingssfeer van het Unierecht inzake vrij verkeer van werknemers, en over de inhoud van de rechten die werknemers in de Unie en hun familieleden genieten.

(7)

In het verslag over het EU-burgerschap 2010 met als titel „Het wegnemen van de belemmeringen voor de rechten van EU-burgers” van 27 oktober 2010 stelde de Commissie dat de verschillende en niet-correcte toepassing van de wetgeving van de Unie inzake het vrije verkeer een van de belangrijkste obstakels is waarmee burgers van de Unie worden geconfronteerd bij de uitoefening van hun rechten uit hoofde van de wetgeving van de Unie. De Commissie heeft daarom aangekondigd maatregelen te willen nemen om het vrije verkeer van EU-burgers en hun familieleden uit derde landen te vergemakkelijken door de EU-regels strikt te handhaven, bijvoorbeeld op het gebied van non-discriminatie; dit door goede praktijken en een betere kennis van de EU-regelgeving bij het maatschappelijk middenveld te stimuleren en door onder EU-burgers meer informatie te verspreiden over hun recht op vrij verkeer (maatregel 15 van het verslag over het EU-burgerschap 2010). Bovendien is de Commissie in het verslag over het EU-burgerschap 2013 met als titel „EU-burgers: uw rechten, uw toekomst” nader ingegaan op de noodzaak administratieve belemmeringen weg te nemen en de procedures voor burgers van de Unie die in andere lidstaten wonen, werken en reizen te vereenvoudigen.

(8)

In de mededeling van de Commissie met als titel „Naar een banenrijk herstel” van 18 april 2012 (het werkgelegenheidspakket), heeft de Commissie haar voornemen aangekondigd een wetgevingsvoorstel in te dienen om mobiele werknemers te ondersteunen (informatie en advies) bij de uitoefening van de rechten die voortvloeien uit het VWEU en Verordening (EU) nr. 492/2011 en heeft zij er bij de lidstaten op aangedrongen de aandacht te vestigen op de door het recht van de Unie inzake antidiscriminatie, gendergelijkheid en het vrij verkeer van werknemers verleende rechten en burgers van de Unie toegang tot betrekkingen in hun overheidsdienst te verlenen en deze toegang te vergemakkelijken, overeenkomstig het recht van de Unie als uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof van Justitie heeft in dit verband consequent geoordeeld dat het voorbehouden van bepaalde banen in de openbare dienst aan de eigen onderdanen van een lidstaat restrictief moet worden uitgelegd, en dat die beperking enkel betrekking heeft op betrekkingen die een rechtstreekse of indirecte deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere publieke lichamen.

(9)

Een adequate en doeltreffende toepassing en handhaving van artikel 45 VWEU en van Verordening (EU) nr. 492/2011, alsmede het besef van rechten, zijn belangrijk voor de bescherming van de rechten en de gelijke behandeling van werknemers in de Unie en hun familieleden, terwijl een zwakke handhaving daarvan de doeltreffendheid van de op dit gebied geldende regels van de Unie ondermijnt, en de rechten en de bescherming van werknemers in de Unie en hun familieleden bedreigt.

(10)

De interne markt kan ook alleen naar behoren functioneren als de regels van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers doeltreffender en uniformer worden toegepast.

(11)

De toepassing en monitoring van de regels van de Unie inzake vrij verkeer van werknemers moeten worden verbeterd om werknemers in de Unie en hun familieleden, en tevens werkgevers, openbare instanties en andere betrokkenen beter over hun rechten en verantwoordelijkheden inzake vrij verkeer te informeren, om werknemers in de Unie en hun familieleden bij de uitoefening van die rechten te helpen en te beschermen, en om te voorkomen dat overheden en publieke of particuliere werkgevers de regels omzeilen. De lidstaten kunnen in dit verband ook rekening houden met de effecten van verhoogde mobiliteit, zoals „braindrain” of „youth drain”.

(12)

Om de correcte toepassing van de belangrijke regels van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers te waarborgen en op de naleving ervan toe te zien moeten de lidstaten adequate maatregelen nemen om de werknemers in de Unie en hun familieleden die hun recht op vrij verkeer uitoefenen te beschermen tegen discriminatie op grond van nationaliteit en tegen ongerechtvaardigde beperkingen van of belemmeringen voor de uitoefening van dat recht.

(13)

Daarom moeten specifieke regels worden vastgesteld om de belangrijke regels inzake het vrije verkeer van werknemers in het kader van artikel 45 VWEU en Verordening (EU) nr. 492/2011 doeltreffend te handhaven en een betere en meer uniforme toepassing ervan te bevorderen. Bij de handhaving van deze fundamentele vrijheid dient rekening te worden gehouden met het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen en het verbod op discriminatie van werknemers in de Unie en hun familieleden op enige grond die wordt vermeld in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”).

(14)

Werknemers in de Unie en hun familieleden die het slachtoffer zijn geworden van discriminatie op grond van nationaliteit of van wie de uitoefening van hun recht op vrij verkeer op ongerechtvaardigde wijze is beperkt of verhinderd, moeten in dit verband de zekerheid hebben over daadwerkelijke en doeltreffende gerechtelijke bescherming te kunnen beschikken. Wanneer de lidstaten in administratieve procedures voorzien als een middel om juridisch verhaal te verkrijgen, dienen zij ervoor te zorgen dat elke administratieve beslissing voor een gerecht kan worden aangevochten in de zin van artikel 47 van het Handvest. Gezien het recht op doeltreffende juridische bescherming, dienen werknemers in de Unie te worden beschermd tegen een nadelige behandeling of nadelige gevolgen die voortvloeien uit een klacht of uit een procedure die tot doel heeft de handhaving van de uit hoofde van deze richtlijn gevrijwaarde rechten.

(15)

Teneinde een doeltreffender niveau van bescherming te bieden moeten ook verenigingen en rechtspersonen, met inbegrip van de sociale partners, gerechtelijke stappen namens of ten behoeve van vermeende slachtoffers kunnen ondernemen, met de toestemming van de betrokkene, overeenkomstig door de lidstaten vastgestelde modaliteiten. Zulks mag geen afbreuk doen aan de nationale procedurevoorschriften inzake vertegenwoordiging en verdediging in rechte, noch aan andere bevoegdheden en collectieve rechten van sociale partners, vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers, die onder meer te maken hebben met het handhaven van eventuele collectieve arbeidsovereenkomsten, met inbegrip van acties namens een collectief belang, uit hoofde van het nationale recht of de nationale praktijk. Teneinde doeltreffende juridische bescherming te waarborgen, en zonder afbreuk te doen aan de bestaande, voor de sociale partners beschikbare collectieve verdedigingsmechanismen, noch aan de nationale wetgeving of praktijk, worden de lidstaten verzocht de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding te onderzoeken.

(16)

Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten nationale voorschriften met betrekking tot de termijnen voor de handhaving van rechten uit hoofde van deze richtlijn zodanig zijn dat zij de uitoefening van die rechten nagenoeg onmogelijk of buitensporig moeilijk maken.

(17)

De burgers zouden beter tegen discriminatie op grond van nationaliteit worden beschermd als in alle lidstaten doeltreffende organen met de juiste deskundigheid bestonden die bevoegd zijn om het beginsel van gelijke behandeling te bevorderen, de problemen van werknemers in de Unie en hun familieleden te analyseren, mogelijke oplossingen te onderzoeken en hen specifieke bijstand te verlenen. Deze organen moeten onder andere bevoegd zijn voor het verstrekken aan de werknemers in de Unie en hun familieleden van onafhankelijk juridische en/of andere bijstand, zoals het verstrekken van juridisch advies over de toepassing op hen van de relevante regels van de Unie en nationale regels inzake het vrij verkeer van werknemers, van informatie over de klachtenprocedures, en van hulp bij het beschermen van de rechten van werknemers en hun familieleden. Zij kunnen tevens bevoegd zijn voor bijstand in gerechtelijke procedures.

(18)

Het is aan de lidstaten om te beslissen of de uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren taken moeten worden toegewezen aan de bovenvermelde organen of aan bestaande nationale organen met gelijkaardige doelstellingen, bijvoorbeeld het bevorderen van het vrij verkeer van personen, het toepassen van het beginsel van gelijke behandeling, of het vrijwaren van individuele rechten. Indien een lidstaat besluit het mandaat van een bestaand orgaan te verruimen, dan moet hij ervoor zorgen dat dit orgaan voldoende middelen krijgt om zijn bestaande en nieuwe taken op doeltreffende en passende wijze uit te voeren. Indien de taken aan meer dan één orgaan worden toegewezen, moeten de lidstaten de goede coördinatie van die taken waarborgen.

(19)

Lidstaten moeten er zorg voor dragen dat een of meer van deze organen dienst doen als contactpunt en dat zij samenwerken en informatie delen, zoals de contactgegevens van de organen, de rechtsmiddelen en de contactgegevens van de verenigingen, organisaties of andere rechtspersonen die informatie en diensten verstrekken aan werknemers in de Unie en hun familieleden, met gelijkwaardige contactpunten in andere lidstaten. De lijst van contactpunten dient ter beschikking van het publiek te worden gesteld.

(20)

De lidstaten moeten de samenwerking bevorderen tussen de door hen in het kader van deze richtlijn aangewezen organen en de bestaande informatie- en ondersteuningsdiensten van sociale partners, verenigingen, organisaties of andere relevante rechtspersonen, bijvoorbeeld organisaties die verantwoordelijk zijn voor coördinatieregelingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5) en, indien van toepassing, arbeidsinspectiediensten.

(21)

De lidstaten moeten synergiën bevorderen met bestaande informatie- en ondersteuningsmiddelen op het niveau van de Unie. Zij moeten er in dit verband voor zorgen dat bestaande of nieuwe organen nauw samenwerken met de bestaande informatie- en ondersteuningsdiensten, zoals Uw Europa, Solvit, Enterprise Europe Network, de Points of Single Contact, en Eures, met inbegrip van grensoverschrijdende Eures-partnerschappen, indien relevant.

(22)

De lidstaten moeten de dialoog met de sociale partners en met relevante niet-gouvernementele organisaties bevorderen om ongerechtvaardigde beperkingen van en belemmeringen voor het recht op vrij verkeer, of verschillende vormen van discriminatie op grond van nationaliteit, aan de orde te stellen en te bestrijden.

(23)

De lidstaten moeten vastleggen hoe burgers van de Unie, zoals werknemers, studenten en recent afgestudeerden, en tevens werkgevers, de sociale partners en andere betrokken partijen gemakkelijk toegankelijke en relevante informatie kunnen verkrijgen over de bepalingen van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 492/2011, met inbegrip van informatie over de uit hoofde van deze richtlijn aangewezen organen en over de beschikbare rechts- en beschermingsmiddelen. De lidstaten moeten maatregelen treffen om deze informatie beschikbaar te stellen in meer dan één officiële taal van de Unie, rekening houdend met de eisen op de arbeidsmarkt. Dit moet de wetgeving van lidstaten inzake het gebruik van talen onverlet laten. Deze informatie kan via individuele advisering worden verstrekt, en moet tevens gemakkelijk toegankelijk zijn via Uw Europa en Eures.

(24)

Om de handhaving van de rechten uit hoofde van de Uniewetgeving te vergemakkelijken, moet Richtlijn 91/533/EEG van de Raad (6) op consequente wijze ten uitvoer worden gelegd en worden gemonitord.

(25)

Deze richtlijn stelt minimumvereisten vast en laat de lidstaten daarmee de keuze gunstigere bepalingen aan te nemen of te handhaven. De lidstaten kunnen ook de bevoegdheden van de organisaties die tot taak hebben werknemers in de Unie te beschermen tegen discriminatie op grond van nationaliteit, verruimen tot het recht van alle burgers van de Unie die hun recht op vrij verkeer uitoefenen, en hun familieleden op gelijke behandeling zonder discriminatie op grond van nationaliteit, dat is neergelegd in artikel 21 VWEU en Richtlijn 2004/38/EG. De uitvoering van deze richtlijn mag niet dienen als rechtvaardiging voor enigerlei achteruitgang ten opzichte van de in de lidstaten reeds bestaande situatie.

(26)

Met het oog op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze richtlijn dienen de lidstaten bij het vaststellen van passende maatregelen om aan hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te voldoen, ofwel bij de officiële bekendmaking van de uitvoeringsmaatregelen, naar deze richtlijn te verwijzen.

(27)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken van 28 september 2011 hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. De wetgever vindt de overdracht van dergelijke stukken in het kader van deze richtlijn gerechtvaardigd.

(28)

Nadat voldoende tijd voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn is verstreken, dient de Commissie een verslag over de uitvoering van de richtlijn op te stellen, waarin met name wordt geëvalueerd of het opportuun is een voorstel in te dienen om een betere handhaving van de Uniewetgeving inzake het vrij verkeer te waarborgen. In dit verslag moet de Commissie aandacht besteden aan eventuele moeilijkheden van jong afgestudeerden bij het zoeken naar een baan in de Unie, en van uit derde landen afkomstige echtgenoten van werknemers in de Unie.

(29)

Deze richtlijn respecteert de grondrechten en strookt met de beginselen van het Handvest, in het bijzonder de vrijheid van beroepskeuze en het recht om te werken, het recht op non-discriminatie, in het bijzonder op grond van nationaliteit, het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie, rechtvaardige en billijke arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, het recht op vrijheid van verkeer en van verblijf en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces. Ze moet in overeenstemming met die rechten en beginselen ten uitvoer worden gelegd.

(30)

Deze richtlijn eerbiedigt de verschillende arbeidsmarktmodellen van de lidstaten, ook de arbeidsmarktmodellen die door collectieve arbeidsovereenkomsten worden gereguleerd.

(31)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vaststelling van een algemeen gemeenschappelijk kader van passende bepalingen, maatregelen en mechanismen voor een betere en uniformere toepassing en handhaving in de praktijk van de door het VWEU en door Verordening (EU) nr. 492/2011 verleende rechten in verband met het vrij verkeer van werknemers, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar, gezien de draagwijdte en de gevolgen van de richtlijn, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden bepalingen vastgesteld die de uniforme toepassing en handhaving in de praktijk vergemakkelijken van de rechten die worden verleend bij artikel 45 VWEU en de artikelen 1 tot en met 10 van Verordening (EU) nr. 492/2011. Deze richtlijn is van toepassing op burgers van de Unie die deze rechten uitoefenen, en op hun familieleden („werknemers in de Unie en hun familieleden”).

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op de volgende aangelegenheden, als bedoeld in de artikelen 1 tot en met 10 van Verordening (EU) nr. 492/2011, op het gebied van het vrije verkeer van werknemers:

a)

toegang tot arbeid;

b)

voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag, gezondheid en veiligheid op het werk en, indien werknemers in de Unie werkloos zijn geworden, herplaatsing of nieuwe indiensttreding;

c)

toegang tot sociale en fiscale voordelen;

d)

lidmaatschap van vakbonden en verkiesbaarheid in de vertegenwoordigende organen van de werknemers;

e)

toegang tot opleidingen;

f)

toegang tot huisvesting;

g)

toegang tot onderwijs, leerlingstelsels en beroepsopleiding voor kinderen van werknemers in de Unie;

h)

bijstand door de arbeidsbureaus.

2.   Het toepassingsgebied van deze richtlijn is identiek aan dat van Verordening (EU) nr. 492/2011.

Artikel 3

Verdediging van rechten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, nadat eventueel een beroep is gedaan op andere bevoegde autoriteiten — met inbegrip van conciliatieprocedures, wanneer zij dat raadzaam achten — juridische procedures ter handhaving van de verplichtingen uit hoofde van artikel 45 VWEU en de artikelen 1 tot en met 10 van Verordening (EU) nr. 492/2011 ter beschikking staan van alle werknemers in de Unie en hun familieleden die menen het slachtoffer geweest te zijn of te zijn van ongerechtvaardigde beperkingen van of belemmeringen van hun recht op vrij verkeer of die zich onrechtvaardig behandeld achten omdat het beginsel van gelijke behandeling niet op hen is toegepast, zelfs als de verhouding waarin de vermeende beperking, belemmering of discriminatie zou hebben plaatsgehad, beëindigd is.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat verenigingen, organisaties, met inbegrip van de sociale partners, of andere rechtspersonen die er, overeenkomstig de in de nationale wetgeving, praktijk of collectieve arbeidsovereenkomsten vastgestelde criteria, een rechtmatig belang bij hebben dat deze richtlijn wordt nageleefd, namens of ter ondersteuning van werknemers in de Unie en hun familieleden, met hun toestemming met het oog op de handhaving van de in artikel 1 bedoelde rechten, gerechtelijke en/of administratieve procedures kunnen aanspannen.

3.   Lid 2 is van toepassing onverminderd eventuele andere bevoegdheden en collectieve rechten van de sociale partners, vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers, indien van toepassing, met inbegrip van het recht om over te gaan tot acties namens een collectief belang, overeenkomstig het nationaal recht of de nationale praktijk.

4.   Lid 2 is van toepassing onverminderd de nationale procedureregels betreffende de vertegenwoordiging in rechte en de rechten van verdediging.

5.   Leden 1 en 2 van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de nationale regels met betrekking tot de termijnen voor het handhaven van de in artikel 1 genoemde rechten. Deze nationale termijnen mogen de uitoefening van die rechten echter niet nagenoeg onmogelijk of buitensporig moeilijk maken.

6.   De lidstaten nemen in hun nationale rechtssystemen de nodige maatregelen op om werknemers in de Unie te beschermen tegen een nadelige behandeling of nadelige gevolgen als reactie op een klacht of een procedure gericht op de handhaving van de in artikel 1 genoemde rechten.

Artikel 4

Organen ter bevordering van gelijke behandeling en ter ondersteuning van werknemers in de Unie en hun familieleden

1.   Elke lidstaat wijst een of meer structuren of organen („organen”) aan om de gelijke behandeling van alle werknemers in de Unie en hun familieleden, zonder discriminatie op grond van nationaliteit of ongerechtvaardigde beperkingen van of belemmeringen voor hun recht op vrij verkeer, te bevorderen, te analyseren, te monitoren en te ondersteunen en treft de nodige regelingen voor het goede functioneren van die organen. Deze organen kunnen deel uitmaken van bestaande organen op nationaal niveau die soortgelijke doelstellingen nastreven.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat deze organen onder meer bevoegd zijn om:

a)

onafhankelijke juridische en/of andere bijstand te verlenen of te waarborgen aan werknemers in de Unie en hun familieleden, onverminderd hun rechten en de rechten van de in artikel 3 bedoelde verenigingen, organisaties en andere rechtspersonen;

b)

op te treden als contactpunt ten aanzien van gelijksoortige contactpunten in andere lidstaten teneinde samen te werken en relevante informatie te delen;

c)

onafhankelijke onderzoeken en analyses te verrichten of te laten verrichten naar ongerechtvaardigde beperkingen van en belemmeringen voor het recht op vrij verkeer, of naar discriminatie op grond van nationaliteit van werknemers in de Unie en hun familieleden;

d)

te zorgen voor de publicatie van onafhankelijke verslagen en aanbevelingen te doen over alle mogelijke kwesties in verband met dergelijke beperkingen en belemmeringen of discriminatie;

e)

relevante informatie te publiceren over de toepassing op nationaal niveau van voorschriften van de Unie inzake het vrije verkeer van werknemers.

Indien, in verband met de eerste alinea, onder a), organen juridische bijstand verlenen in juridische procedures, doen zij dat gratis voor wie niet over voldoende middelen beschikt, overeenkomstig het nationale recht en praktijk.

3.   De lidstaten geven de naam en de adresgegevens van de contactpunten, alsook aangevulde of gewijzigde informatie dienaangaande, aan de Commissie door. De Commissie houdt een lijst van contactpunten bij en stelt deze ter beschikking van de lidstaten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat bestaande of nieuwe organen op de hoogte zijn van, en in staat zijn gebruik te maken van en samen te werken met de bestaande informatie- en ondersteuningsdiensten op het niveau van de Unie, zoals Uw Europa, Solvit, Eures, Enterprise Europe Network en de Points of Single Contact.

5.   Indien de in lid 2 bedoelde taken aan meer dan één orgaan worden toegewezen, waarborgen de lidstaten de goede coördinatie van die taken.

Artikel 5

Dialoog

De lidstaten bevorderen de dialoog met de sociale partners en relevante non-gouvernementele organisaties die er — overeenkomstig de nationale wetgeving of praktijk — rechtmatig belang bij hebben bij te dragen aan de bestrijding van ongerechtvaardigde beperkingen van en belemmeringen voor het recht op vrij verkeer, en van discriminatie op grond van nationaliteit, van werknemers in de Unie en hun familieleden, met het oog op het bevorderen van het beginsel van gelijke behandeling.

Artikel 6

Toegang tot en verspreiding van informatie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat alle betrokkenen, in het bijzonder werknemers en werkgevers in de Unie, op hun grondgebied via alle passende middelen informatie krijgen over de uit hoofde van deze richtlijn en krachtens artikelen 1 tot en met 10 van Verordening (EU) nr. 492/2011 vastgestelde bepalingen.

2.   De lidstaten verstrekken duidelijke, kosteloze, gemakkelijk toegankelijke, volledige en actuele informatie, in meer dan één officiële taal van de instellingen van de Unie, over de uit hoofde van de Uniewetgeving geldende rechten inzake vrij verkeer van werknemers. Deze informatie moet tevens gemakkelijk toegankelijk zijn via Uw Europa en Eures.

Artikel 7

Minimumvereisten

1.   De lidstaten mogen bepalingen vaststellen of handhaven die voor de bescherming van het beginsel van gelijke behandeling gunstiger zijn dan die van deze richtlijn.

2.   De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegdheden van de in artikel 4 van deze richtlijn bedoelde organen voor de bevordering, de analyse, de monitoring en de ondersteuning van de gelijke behandeling van alle werknemers in de Unie en hun familieleden zonder discriminatie op grond van nationaliteit ook zien op het recht op gelijke behandeling zonder discriminatie op grond van nationaliteit ten behoeve van alle burgers van de Unie die hun recht op vrij verkeer uitoefenen, en hun familieleden, in overeenstemming artikel 21 VWEU en Richtlijn 2004/38/EG.

3.   De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een gegronde reden voor een verlaging van het beschermingsniveau van werknemers in de Unie en hun familieleden op de door deze richtlijn bestreken gebieden, onverminderd het recht van de lidstaten om als reactie op veranderde omstandigheden wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in te voeren die afwijken van die welke op 20 mei 2014 de datum van de inwerkingtreding van deze richtlijn bestaan, mits aan deze richtlijn wordt voldaan.

Artikel 8

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 21 mei 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 9

Verslag

Uiterlijk op 21 november 2018 brengt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn met het oog op het indienen — indien nodig — van de nodige wijzigingen.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 11

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 341 van 21.11.2013, blz. 54.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 april 2014.

(3)  Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).

(4)  Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(6)  Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32).


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/15


BESLUIT VAN DE RAAD

van 14 april 2014

betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven

(2014/239/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 3, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit 2014/242/EU van de Raad (1) is de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven („de overeenkomst”), namens de Unie ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum.

(2)

De overeenkomst dient te worden goedgekeurd.

(3)

Bij de overeenkomst wordt een Gemengd Comité overname ingesteld, dat zijn reglement van orde kan vaststellen. In dit geval dient een vereenvoudigde procedure te worden gevolgd voor de vaststelling van het standpunt van de Unie.

(4)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen die lidstaten niet deel aan de aanneming van dit besluit en is de overeenkomst derhalve niet bindend voor, noch van toepassing in deze lidstaten.

(5)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van dit besluit; dit besluit is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, wordt hierbij namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om de in artikel 23, lid 2, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving namens de Unie te verrichten, waarmee de instemming van de Unie om door de overeenkomst gebonden te zijn tot uiting wordt gebracht (2).

Artikel 3

De Commissie, bijgestaan door deskundigen uit de lidstaten, vertegenwoordigt de Unie in het uit hoofde van artikel 19 van de overeenkomst ingestelde Gemengd Comité overname.

Artikel 4

Het standpunt dat de Unie in het Gemengd Comité overname inneemt met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het comité, krachtens artikel 19, lid 5, van de overeenkomst, wordt vertolkt door de Commissie, na raadpleging van een door de Raad aangewezen bijzonder comité.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 14 april 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

A. TSAFTARIS


(1)  Zie bladzijde 47 van dit Publicatieblad.

(2)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zal bekendgemaakt worden door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie.


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/17


OVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven

DE HOGE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN,

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” genoemd,

en

DE REPUBLIEK AZERBEIDZJAN, hierna „Azerbeidzjan” genoemd,

VASTBESLOTEN hun samenwerking te versterken teneinde illegale immigratie doeltreffender te bestrijden,

VERLANGEND door middel van deze overeenkomst en op basis van wederkerigheid snelle en doeltreffende procedures vast te stellen voor de identificatie en de veilige en ordelijke overdracht van personen die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst in, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van Azerbeidzjan of een van de lidstaten van de Europese Unie, en de doorgeleiding van dergelijke personen in een geest van samenwerking te vergemakkelijken,

EROP WIJZEND dat deze overeenkomst geen afbreuk doet aan de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van de Unie, van haar lidstaten en van Azerbeidzjan die voortvloeien uit het internationaal recht en met name uit het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het protocol daarbij van 31 januari 1967,

OVERWEGENDE dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en Ierland krachtens Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en betreffende de positie van Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, niet deelnemen aan deze overeenkomst, tenzij zij overeenkomstig dat protocol te kennen geven dat wel te wensen,

OVERWEGENDE dat de bepalingen van deze overeenkomst, die onder het toepassingsgebied van titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie valt, niet van toepassing zijn op het Koninkrijk Denemarken overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende de positie van het Koninkrijk Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)

„overname”: de overdracht door de verzoekende staat en de toelating door de aangezochte staat van personen (onderdanen van de aangezochte staat, onderdanen van derde landen of staatloze personen) die zich schuldig hebben gemaakt aan illegale binnenkomst, illegale aanwezigheid of illegaal verblijf in de verzoekende staat, overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst;

b)

„overeenkomstsluitende partijen”: Azerbeidzjan en de Unie;

c)

„lidstaat”: alle lidstaten van de Unie die door deze overeenkomst zijn gebonden;

d)

„onderdaan van Azerbeidzjan”: elke persoon die het burgerschap van Azerbeidzjan bezit overeenkomstig de wetgeving van Azerbeidzjan;

e)

„onderdaan van een lidstaat”: elke persoon die de nationaliteit van een lidstaat bezit, in de zin van de definitie van de Unie;

f)

„onderdaan van een derde land”: elke persoon die een andere nationaliteit bezit dan die van Azerbeidzjan of een van de lidstaten;

g)

„staatloze persoon”: een persoon die van geen enkel land de nationaliteit bezit;

h)

„verblijfsvergunning”: een door Azerbeidzjan of door een van de lidstaten afgegeven vergunning, ongeacht van welke aard, die een persoon het recht geeft om op het grondgebied van Azerbeidzjan respectievelijk een van de lidstaten te verblijven. Hieronder vallen niet de tijdelijke vergunningen om op het grondgebied van een van die staten te verblijven in verband met de behandeling van een asielverzoek of een aanvraag van een verblijfsvergunning;

i)

„visum”: een door Azerbeidzjan of door een van de lidstaten afgegeven vergunning of genomen beslissing die vereist is voor een inreis in, een verblijf op of een doorreis over het grondgebied van Azerbeidzjan of een van de lidstaten. Hieronder vallen niet de luchthaventransitvisa;

j)

„verzoekende staat”: de staat (Azerbeidzjan of een van de lidstaten) die een overnameverzoek in de zin van artikel 8 of een doorgeleidingsverzoek in de zin van artikel 15 indient;

k)

„aangezochte staat”: de staat (Azerbeidzjan of een van de lidstaten) waaraan een overnameverzoek in de zin van artikel 8 of een doorgeleidingsverzoek in de zin van artikel 15 is gericht;

l)

„bevoegde autoriteit”: elke nationale autoriteit van Azerbeidzjan of van een van de lidstaten die is belast met de uitvoering van deze overeenkomst op basis van artikel 20, lid 1, onder a);

m)

„doorgeleiding”: de doorreis van een onderdaan van een derde land of van een staatloze persoon over het grondgebied van de aangezochte staat op weg van de verzoekende staat naar het land van bestemming.

Artikel 2

Grondbeginselen

In het kader van de versterking van de samenwerking inzake preventie en bestrijding van onregelmatige migratie zorgen de aangezochte en verzoekende staat ervoor dat bij de toepassing van deze overeenkomst op personen die onder het toepassingsgebied ervan vallen, de mensenrechten en de verplichtingen en verantwoordelijkheden uit hoofde van de voor de partijen geldende internationale instrumenten worden geëerbiedigd, en met name:

de Universele Verklaring van de rechten van de mens (1948),

het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (1950) en de protocollen daarbij,

het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (1966),

het VN-Verdrag tegen foltering (1984),

het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen (1951) en het protocol daarbij (1967).

De aangezochte staat zorgt er met name voor dat, met inachtneming van zijn verplichtingen uit hoofde van de bovenvermelde internationale instrumenten, de rechten van de op zijn grondgebied overgenomen personen worden beschermd.

De verzoekende staat geeft de voorkeur aan vrijwillige terugkeer boven gedwongen terugkeer wanneer er geen redenen zijn om aan te nemen dat dit de terugkeer van een persoon naar de aangezochte staat ondermijnt.

AFDELING I

OVERNAMEVERPLICHTINGEN VOOR AZERBEIDZJAN

Artikel 3

Overname van eigen onderdanen

1.   Azerbeidzjan neemt, op verzoek van een lidstaat en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze overeenkomst worden genoemd, alle personen over die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst in, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van de verzoekende lidstaat, mits wordt aangetoond of op basis van prima facie bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat zij onderdaan zijn van Azerbeidzjan.

2.   Azerbeidzjan neemt ook de volgende personen over:

a)

minderjarige ongehuwde kinderen van de in lid 1 vermelde personen, ongeacht hun geboorteplaats of nationaliteit, tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht in de verzoekende lidstaat hebben of over een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning beschikken;

b)

echtgenoten van de in lid 1 vermelde personen die een andere nationaliteit bezitten of die staatloos zijn, mits zij het recht hebben of krijgen om op het grondgebied van Azerbeidzjan binnen te komen en te verblijven, tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht in de verzoekende lidstaat hebben of over een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning beschikken.

3.   Azerbeidzjan neemt ook personen over die illegaal aanwezig zijn of illegaal verblijven in de verzoekende lidstaat en die overeenkomstig de nationale wetgeving van Azerbeidzjan afstand van de nationaliteit van Azerbeidzjan hebben gedaan sinds zij het grondgebied van een lidstaat zijn binnengekomen, tenzij die personen ten minste een naturalisatietoezegging van een lidstaat hebben gekregen.

4.   Nadat Azerbeidzjan het overnameverzoek heeft ingewilligd, verstrekt de ter zake bevoegde diplomatieke of consulaire post van Azerbeidzjan de over te nemen persoon, ongeacht diens wil, kosteloos en uiterlijk binnen vijf werkdagen het voor zijn terugkeer vereiste reisdocument met een geldigheidsduur van 150 dagen. Indien Azerbeidzjan het reisdocument niet binnen vijf werkdagen heeft afgegeven, wordt het geacht in te stemmen met het gebruik van het standaardreisdocument van de EU voor verwijderingsdoeleinden (bijlage 7) (1).

5.   Indien de betrokken persoon om juridische of praktische redenen niet binnen de geldigheidsduur van het oorspronkelijk afgegeven reisdocument kan worden overgedragen, verstrekt de ter zake bevoegde diplomatieke of consulaire post van Azerbeidzjan binnen vijf werkdagen en kosteloos een nieuw reisdocument met dezelfde geldigheidsduur. Indien Azerbeidzjan het nieuwe reisdocument niet binnen vijf werkdagen heeft afgegeven, wordt het geacht in te stemmen met het gebruik van het standaardreisdocument van de EU voor verwijderingsdoeleinden (bijlage 7) (2).

Artikel 4

Overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen

1.   Azerbeidzjan neemt, op verzoek van een lidstaat en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze overeenkomst worden genoemd, alle onderdanen van derde landen en staatloze personen over die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst in, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van de verzoekende lidstaat, mits wordt aangetoond of op basis van prima facie bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat de betrokkene:

a)

op het ogenblik van de indiening van het overnameverzoek in het bezit is van een door Azerbeidzjan afgegeven geldig visum of geldige verblijfsvergunning, of

b)

het grondgebied van de lidstaten illegaal en rechtstreeks is binnengekomen na verblijf op of doorreis via het grondgebied van Azerbeidzjan.

2.   De in lid 1 bedoelde overnameverplichting is niet van toepassing wanneer:

a)

de onderdaan van een derde land of de staatloze persoon slechts in luchthaventransit is geweest via een internationale luchthaven in Azerbeidzjan;

b)

de onderdaan van een derde land of de staatloze persoon visumvrije toegang heeft gekregen tot het grondgebied van de verzoekende lidstaat.

3.   Onverminderd artikel 7, lid 2, verstrekt de verzoekende lidstaat, nadat Azerbeidzjan het overnameverzoek heeft ingewilligd, de persoon van wie de overname is aanvaard het standaardreisdocument van de EU voor verwijderingsdoeleinden (bijlage 7) (3).

AFDELING II

OVERNAMEVERPLICHTINGEN VOOR DE UNIE

Artikel 5

Overname van eigen onderdanen

1.   Een lidstaat neemt, op verzoek van Azerbeidzjan en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze overeenkomst worden genoemd, alle personen over die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst in, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van Azerbeidzjan, mits wordt aangetoond of op basis van prima facie bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat zij onderdaan zijn van die lidstaat.

2.   Een lidstaat neemt ook de volgende personen over:

a)

minderjarige ongehuwde kinderen van de in lid 1 vermelde personen, ongeacht hun geboorteplaats of nationaliteit, tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht in Azerbeidzjan hebben;

b)

echtgenoten van de in lid 1 vermelde personen die een andere nationaliteit bezitten of die staatloos zijn, mits zij het recht hebben of krijgen om op het grondgebied van de aangezochte lidstaat binnen te komen en te verblijven, tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht in Azerbeidzjan hebben.

3.   Een lidstaat neemt ook personen over die illegaal aanwezig zijn of illegaal verblijven in Azerbeidzjan en van wie, sinds zij het grondgebied van Azerbeidzjan zijn binnengekomen, de nationaliteit van een lidstaat is ontnomen of die daarvan afstand hebben gedaan overeenkomstig de nationale wetgeving van die lidstaat, tenzij die personen ten minste een naturalisatietoezegging van Azerbeidzjan hebben gekregen

4.   Nadat de aangezochte lidstaat het overnameverzoek heeft ingewilligd, verstrekt de ter zake bevoegde diplomatieke of consulaire post van die lidstaat de over te nemen persoon, ongeacht diens wil, kosteloos en uiterlijk binnen vijf werkdagen het voor zijn terugkeer vereiste reisdocument met een geldigheidsduur van 150 dagen. Indien de aangezochte lidstaat het reisdocument niet binnen vijf werkdagen heeft afgegeven, wordt hij geacht in te stemmen met het gebruik van het standaardreisdocument van Azerbeidzjan voor verwijderingsdoeleinden (bijlage 8).

5.   Indien de betrokken persoon om juridische of praktische redenen niet binnen de geldigheidsduur van het oorspronkelijk afgegeven reisdocument kan worden overgedragen, verstrekt de ter zake bevoegde diplomatieke of consulaire post van die lidstaat binnen vijf werkdagen en kosteloos een nieuw reisdocument met dezelfde geldigheidsduur. Indien die lidstaat het reisdocument niet binnen vijf werkdagen heeft afgegeven, wordt hij geacht in te stemmen met het gebruik van het standaardreisdocument van Azerbeidzjan voor verwijderingsdoeleinden (bijlage 8).

Artikel 6

Overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen

1.   Een lidstaat neemt, op verzoek van Azerbeidzjan en zonder andere formaliteiten dan die welke in deze overeenkomst worden genoemd, alle onderdanen van derde landen of staatloze personen over die niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst in, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van Azerbeidzjan, mits wordt aangetoond of op basis van prima facie bewijs aannemelijk kan worden gemaakt dat de betrokkene:

a)

op het ogenblik van de indiening van het overnameverzoek in het bezit is van een door de aangezochte lidstaat afgegeven geldig visum of geldige verblijfsvergunning, of

b)

het grondgebied van Azerbeidzjan illegaal en rechtstreeks is binnengekomen na verblijf op of doorreis over het grondgebied van de aangezochte lidstaat.

2.   De in lid 1 bedoelde overnameverplichting is niet van toepassing wanneer:

a)

de onderdaan van een derde land of de staatloze persoon slechts in luchthaventransit is geweest via een internationale luchthaven van de aangezochte lidstaat, of

b)

de onderdaan van een derde land of de staatloze persoon visumvrije toegang heeft gekregen tot het grondgebied van Azerbeidzjan.

3.   De in lid 1 vervatte overnameverplichting rust op de lidstaat die een visum of verblijfsvergunning heeft afgegeven. Indien twee of meer lidstaten een visum of verblijfsvergunning hebben afgegeven, rust de in lid 1 bedoelde overnameverplichting op de lidstaat die het document met de langste geldigheidsduur heeft afgegeven of, indien een of meer daarvan reeds zijn vervallen, het document dat nog steeds geldig is. Indien alle documenten reeds zijn vervallen, rust de in lid 1 bedoelde overnameverplichting op de lidstaat die het document met de meest recente vervaldatum heeft afgegeven. Indien dergelijke documenten niet kunnen worden overgelegd, rust de in lid 1 bedoelde overnameverplichting op de lidstaat waarvan het grondgebied op de meest recente datum is verlaten.

4.   Onverminderd artikel 7, lid 2, verstrekt Azerbeidzjan, nadat de desbetreffende lidstaat het overnameverzoek heeft ingewilligd, de persoon van wie de overname is aanvaard het voor zijn terugkeer vereiste reisdocument (bijlage 8).

AFDELING III

OVERNAMEPROCEDURE

Artikel 7

Beginselen

1.   Onder voorbehoud van het bepaalde in lid 2, wordt voor elke overdracht van een op grond van een verplichting uit hoofde van de artikelen 3 tot en met 6 over te nemen persoon een overnameverzoek ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat.

2.   Indien de over te nemen persoon in het bezit is van een geldig reisdocument en, in het geval van een onderdaan van een derde land of een staatloze persoon, tevens in het bezit is van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning van de aangezochte staat, kan de overdracht van deze persoon plaatsvinden zonder dat de verzoekende staat bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat een overnameverzoek en, in het geval van een onderdaan van de aangezochte staat, een schriftelijke kennisgeving in de zin van artikel 12, lid 1, hoeft in te dienen.

3.   Onverminderd lid 2, kan de verzoekende staat, indien een persoon binnen een gebied van 15 km vanaf en met inbegrip van het grondgebied van zeehavens en internationale luchthavens (met inbegrip van douanezones) van de verzoekende staat is aangehouden, nadat hij op illegale wijze de grens heeft overschreden rechtstreeks komend van het grondgebied van de aangezochte staat, binnen twee werkdagen na de aanhouding van die persoon een overnameverzoek indienen (versnelde procedure).

Artikel 8

Overnameverzoek

1.   Het overnameverzoek bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens:

a)

de persoonsgegevens van de over te nemen persoon (bv. naam, voornamen, geboortedatum en zo mogelijk geboorteplaats en laatste verblijfplaats) en, in voorkomend geval, de persoonsgegevens van minderjarige ongehuwde kinderen en/of echtgenoot/echtgenote;

b)

voor eigen onderdanen: een beschrijving van de middelen waarmee het bewijs van of het prima facie bewijs inzake de nationaliteit zal worden geleverd, conform het bepaalde in respectievelijk bijlage 1 en bijlage 2;

c)

voor onderdanen van derde landen en staatloze personen: beschrijving van de middelen waarmee het bewijs van of het prima facie bewijs inzake het voldoen aan de voorwaarden voor de overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen zal worden geleverd, conform het bepaalde in respectievelijk bijlage 3 en bijlage 4;

d)

een foto van de over te nemen persoon.

2.   Het overnameverzoek bevat, voor zover mogelijk, ook de volgende gegevens:

a)

een verklaring waaruit blijkt dat de over te dragen persoon hulp of verzorging nodig kan hebben, mits de betrokken persoon uitdrukkelijk met die verklaring heeft ingestemd;

b)

andere beschermings- of veiligheidsmaatregelen dan wel gegevens over de gezondheid van de persoon die voor de overdracht van die persoon nodig kunnen zijn.

3.   Een gemeenschappelijk formulier voor overnameverzoeken is in bijlage 5 bij deze overeenkomst opgenomen.

4.   Een overnameverzoek kan met behulp van elk communicatiemiddel worden ingediend, ook elektronisch, bijvoorbeeld per fax, e-mail enz.

Artikel 9

Bewijsmiddelen met betrekking tot de nationaliteit

1.   Het bewijs van de nationaliteit in de zin van artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 1, kan met name worden geleverd door middel van de in bijlage 1 vermelde documenten, ook indien de geldigheidsduur ervan is verstreken, mits dit niet langer dan zes maanden is. Wanneer dergelijke documenten worden overgelegd, erkennen de lidstaten en Azerbeidzjan de nationaliteit zonder dat daarvoor verder onderzoek wordt verlangd. Het bewijs van de nationaliteit kan niet door middel van valse documenten worden geleverd.

2.   Prima facie bewijs van de nationaliteit in de zin van artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 1, kan met name worden geleverd door middel van de in bijlage 2 vermelde documenten, ook indien de geldigheidsduur ervan is verstreken. Wanneer dergelijke documenten worden overgelegd, beschouwen de lidstaten en Azerbeidzjan de nationaliteit als vastgesteld, tenzij zij het tegendeel kunnen bewijzen. Prima facie bewijs van de nationaliteit kan niet door middel van valse documenten worden geleverd.

3.   Indien geen van de in bijlage 1 of 2 vermelde documenten kan worden overgelegd of indien deze om gegronde redenen ontoereikend worden geacht, ondervraagt de ter zake bevoegde diplomatieke of consulaire post van de betrokken aangezochte staat op basis van een in het overnameverzoek opgenomen verzoek daartoe van de verzoekende staat, de over te nemen persoon onverwijld en uiterlijk binnen vijf werkdagen na de datum van het verzoek, teneinde diens nationaliteit vast te stellen.

4.   De procedure voor dergelijke ondervragingen kan worden vastgesteld in de op basis van artikel 20 vastgestelde uitvoeringsprotocollen.

Artikel 10

Bewijsmiddelen met betrekking tot onderdanen van derde landen en staatloze personen

1.   Het bewijs dat is voldaan aan de in artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, vermelde voorwaarden voor overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen kan met name worden geleverd door middel van de in bijlage 3 vermelde bewijsmiddelen; dit bewijs kan niet door middel van valse documenten worden geleverd. Dit bewijs wordt door de lidstaten en Azerbeidzjan zonder verder onderzoek erkend.

2.   Prima facie bewijs dat is voldaan aan de in artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, vermelde voorwaarden voor overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen kan met name worden geleverd door middel van de in bijlage 4 vermelde bewijsmiddelen; dit bewijs kan niet door middel van valse documenten worden geleverd. Wanneer prima facie bewijsmateriaal wordt overgelegd, nemen de lidstaten en Azerbeidzjan aan dat aan de voorwaarden is voldaan, tenzij zij het tegendeel kunnen bewijzen.

3.   Het illegale karakter van de binnenkomst, de aanwezigheid of het verblijf wordt vastgesteld aan de hand van de reisdocumenten van de betrokken persoon waarin het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning voor het grondgebied van de verzoekende staat ontbreekt. Een verklaring van de verzoekende staat dat de betrokken persoon niet in het bezit was van de vereiste reisdocumenten, het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning kan evenzo als prima facie bewijs dienen voor het illegale karakter van de binnenkomst, de aanwezigheid of het verblijf.

Artikel 11

Termijnen

1.   Het overnameverzoek moet bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat worden ingediend binnen zes maanden vanaf het moment waarop de bevoegde autoriteit van de verzoekende staat kennis heeft gekregen van het feit dat een onderdaan van een derde land of een staatloze persoon niet of niet meer aan de voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf voldoet. Indien er juridische of praktische belemmeringen zijn waardoor het verzoek niet tijdig kan worden ingediend, wordt de termijn op verzoek van de verzoekende staat verlengd, doch uiterlijk totdat de belemmeringen zijn opgeheven.

2.   Het overnameverzoek moet schriftelijk worden beantwoord binnen

a)

twee werkdagen wanneer het overnameverzoek in het kader van de versnelde procedure is ingediend (artikel 7, lid 3);

b)

vijftien kalenderdagen in alle overige gevallen.

Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van de bevestiging van de ontvangst van het overnameverzoek. Indien binnen deze termijn niet wordt geantwoord, dan wordt aangenomen dat met de overdracht wordt ingestemd.

Een overnameverzoek kan met behulp van elk communicatiemiddel worden beantwoord, ook elektronisch, bijvoorbeeld per fax, e-mail enz.

3.   De afwijzing van een overnameverzoek wordt schriftelijk gemotiveerd.

4.   Nadat de instemming is gegeven of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijnen wordt de betrokken persoon binnen drie maanden overgedragen. Deze termijn kan op verzoek van de verzoekende staat worden verlengd met de periode die nodig is om juridische of praktische belemmeringen op te heffen.

Artikel 12

Regelingen inzake overdracht en vervoerswijze

1.   Onverminderd artikel 7, lid 2, stellen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat ten minste drie werkdagen voordat een persoon wordt overgedragen schriftelijk in kennis van de datum van overdracht, de plaats van binnenkomst, eventuele begeleiders en andere voor de overdracht relevante informatie.

2.   Vervoer kan op elk wijze plaatsvinden, ook door de lucht of over zee. Bij overdracht door de lucht hoeft niet uitsluitend gebruik te worden gemaakt van de nationale luchtvaartmaatschappijen van Azerbeidzjan of van de lidstaten; er kan ook gebruik worden gemaakt van lijnvluchten of chartervluchten. In het geval van begeleide terugkeer mogen naast de gemachtigde personen van de verzoekende staat ook gemachtigde personen uit Azerbeidzjan of een van de lidstaten de over te dragen persoon begeleiden.

3.   Indien de overdracht door de lucht gebeurt, worden eventuele begeleiders vrijgesteld van de verplichting visa aan te vragen.

Artikel 13

Onterechte overname

De verzoekende staat neemt een persoon die door de aangezochte staat is overgenomen terug, indien binnen zes maanden vanaf de overdracht of, in het geval van een onderdaan van een derde land of een staatloze persoon, binnen twaalf maanden vanaf de overdracht van de betrokken persoon wordt vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 3 tot en met 6.

In dergelijke gevallen zijn mutatis mutandis de procedurevoorschriften van deze overeenkomst van toepassing en worden tevens alle beschikbare gegevens met betrekking tot de werkelijke identiteit en nationaliteit van de terug te nemen persoon meegedeeld.

AFDELING IV

DOORGELEIDING

Artikel 14

Beginselen

1.   De lidstaten en Azerbeidzjan moeten doorgeleiding van onderdanen van derde landen en staatloze personen beperken tot gevallen waarin die personen niet rechtstreeks aan de staat van bestemming kunnen worden overgedragen.

2.   Azerbeidzjan staat de doorgeleiding van onderdanen van derde landen en staatloze personen over zijn grondgebied toe indien een lidstaat daarom verzoekt, en een lidstaat staat de doorgeleiding van onderdanen van derde landen en staatloze personen over zijn grondgebied toe indien Azerbeidzjan daarom verzoekt, wanneer de verdere reis in eventuele andere staten van doorreis en de overname door de staat van bestemming gewaarborgd zijn.

3.   Doorgeleiding kan door Azerbeidzjan of een lidstaat worden geweigerd:

a)

indien de onderdaan van een derde land of staatloze persoon een reëel gevaar loopt in de staat van bestemming of een andere staat van doorgeleiding te worden onderworpen aan marteling, aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, aan de doodstraf of aan vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep, of politieke overtuiging;

b)

indien de onderdaan van een derde land of de staatloze persoon in de aangezochte staat of een andere staat van doorgeleiding zal worden blootgesteld aan strafrechtelijke sancties, of

c)

om redenen van volksgezondheid, nationale veiligheid, openbare orde of andere nationale belangen van de aangezochte staat.

4.   Azerbeidzjan of een lidstaat kan elke afgegeven vergunning intrekken indien zich later omstandigheden zoals bedoeld in lid 3 voordoen of aan het licht komen die de doorgeleiding belemmeren of indien de verdere reis in eventuele staten van doorreis of de overname door de staat van bestemming niet meer gewaarborgd is. In dat geval neemt de verzoekende staat de onderdaan van een derde land of de staatloze persoon zo nodig onverwijld terug.

Artikel 15

Doorgeleidingsprocedure

1.   Een doorgeleidingsverzoek moet schriftelijk worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat en bevat de volgende gegevens:

a)

het type van doorgeleiding (door de lucht, over zee of over land); eventuele andere staten van doorgeleiding en beoogde eindbestemming;

b)

de persoonsgegevens van de betrokken persoon (bv. naam, voornaam, meisjesnaam, andere namen die die persoon gebruikt of waaronder hij bekend staat, geboortedatum, geslacht en zo mogelijk geboorteplaats, nationaliteit, taal, aard en nummer van het reisdocument);

c)

voorgenomen plaats van binnenkomst, tijdstip van overdracht en eventueel gebruik van begeleiders;

d)

een verklaring waarin wordt gesteld dat volgens de verzoekende staat is voldaan aan de voorwaarden vermeld in artikel 14, lid 2, en dat er geen redenen bekend zijn voor een afwijzing op grond van artikel 14, lid 3.

Een gemeenschappelijk formulier voor doorgeleidingsverzoeken is aangehecht als bijlage 6.

Een doorgeleidingsverzoek kan met behulp van elk communicatiemiddel worden ingediend, ook elektronisch, bijvoorbeeld per fax, e-mail enz.

2.   Binnen vijf werkdagen vanaf ontvangst van het verzoek brengt de aangezochte staat de verzoekende staat schriftelijk op de hoogte van de toelating, met bevestiging van de plaats van binnenkomst en het geplande tijdstip van toelating, of van de afwijzing van de toelating en de redenen daarvoor. Indien er binnen vijf werkdagen niet wordt geantwoord, dan wordt aangenomen dat met de doorgeleiding wordt ingestemd.

Een doorgeleidingsverzoek kan met behulp van elk communicatiemiddel worden beantwoord, ook elektronisch, bijvoorbeeld per fax, e-mail enz.

3.   Indien de doorgeleiding door de lucht gebeurt, worden de over te nemen persoon en eventuele begeleiders vrijgesteld van de verplichting om een luchthaventransitvisum aan te vragen.

4.   De bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat verlenen na onderling overleg steun bij de doorgeleiding, met name door toezicht te houden op de betrokken personen en door geschikte faciliteiten ter beschikking te stellen.

5.   De doorgeleiding van de betrokken personen vindt plaats binnen dertig dagen na ontvangst van de instemming met het verzoek, tenzij anders is overeengekomen.

AFDELING V

KOSTEN

Artikel 16

Kosten van vervoer en van doorgeleiding

Onverminderd het recht van de bevoegde autoriteiten om de aan overname verbonden kosten van de over te nemen personen of van derde partijen terug te vorderen, komen alle vervoerskosten in verband met overname en doorgeleiding uit hoofde van deze overeenkomst tot aan de grens van de staat van eindbestemming ten laste van de verzoekende staat.

AFDELING VI

GEGEVENSBESCHERMING EN VERHOUDING TOT ANDERE INTERNATIONALE VERPLICHTINGEN

Artikel 17

Gegevensbescherming

Persoonsgegevens worden alleen verstrekt wanneer dit nodig is voor de uitvoering van deze overeenkomst door, naar gelang van het geval, de bevoegde autoriteiten van Azerbeidzjan of een lidstaat. De verwerking en de behandeling van persoonsgegevens in een bepaald geval zijn onderworpen aan de nationale wetgeving van Azerbeidzjan en, wanneer de voor de verwerking van de gegevens verantwoordelijke instantie een bevoegde autoriteit van een lidstaat is, aan de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG en aan de nationale wetgeving van die lidstaat die uit hoofde van deze richtlijn is vastgesteld. Bovendien zijn de volgende beginselen van toepassing:

a)

de persoonsgegevens moeten eerlijk en rechtmatig worden verwerkt;

b)

de persoonsgegevens moeten voor het welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doel van de uitvoering van deze overeenkomst worden verkregen en mogen door de meedelende of ontvangende autoriteit niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met dat doel;

c)

de persoonsgegevens moeten toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn in verhouding tot het doel waarvoor zij worden verkregen en/of verder verwerkt; de verstrekte persoonsgegevens mogen met name uitsluitend betrekking hebben op:

de identiteit van de betrokken persoon (bijvoorbeeld voornamen, familienaam, vroegere namen, andere namen die de betrokken persoon gebruikt of onder welke hij bekend staat, geslacht, burgerlijke staat, plaats en datum van geboorte, huidige en eventuele vroegere nationaliteit);

paspoort, identiteitskaart of rijbewijs (nummer, geldigheidstermijn, datum van afgifte, afgevende autoriteit, plaats van afgifte);

stopplaatsen en reisroutes;

andere voor identificatie van de over te dragen persoon of voor het onderzoek van de overnamevereisten uit hoofde van deze overeenkomst dienstige gegevens;

d)

de persoonsgegevens moeten nauwkeurig zijn en moeten in voorkomend geval worden bijgewerkt;

e)

de persoonsgegevens mogen in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor zij werden verkregen of vervolgens werden verwerkt;

f)

de meedelende en de ontvangende autoriteit treffen alle redelijke maatregelen die nodig zijn om te zorgen voor een passende correctie, uitwissing of afscherming van persoonsgegevens wanneer de verwerking ervan niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel, met name omdat deze persoonsgegevens niet toereikend, ter zake dienend of nauwkeurig zijn, of omdat zij bovenmatig zijn in verhouding tot het doel van de verwerking. Dit behelst tevens de kennisgeving van elke correctie, uitwissing of afscherming aan de andere partij;

g)

op verzoek stelt de ontvangende autoriteit de meedelende autoriteit in kennis van het gebruik dat van de verstrekte gegevens is gemaakt en van de daardoor verkregen resultaten;

h)

de persoonsgegevens mogen uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt. Voor de mededeling aan andere instanties is de voorafgaande toestemming van de meedelende autoriteit vereist;

i)

de meedelende en de ontvangende autoriteit zijn verplicht de mededeling en ontvangst van persoonsgegevens schriftelijk te registreren.

Artikel 18

Verhouding tot andere internationale verplichtingen

1.   Deze overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van de Unie, de lidstaten en Azerbeidzjan die voortvloeien uit het internationaal recht, met inbegrip van internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn, en met name uit de in artikel 2 vermelde internationale instrumenten en:

internationale overeenkomsten waarbij wordt bepaald welk land bevoegd is voor de behandeling van ingediende asielverzoeken;

internationale verdragen inzake uitwijzing en doorgeleiding;

multilaterale internationale verdragen en overeenkomsten over de overname van vreemdelingen, zoals het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart.

2.   Niets in deze overeenkomst belet de terugkeer van een persoon op basis van andere formele of informele regelingen.

AFDELING VII

UITVOERING EN TOEPASSING

Artikel 19

Gemengd Comité overname

1.   De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar wederzijds bijstand bij de toepassing en interpretatie van deze overeenkomst. Daartoe stellen zij een Gemengd Comité overname (hierna „het comité” genoemd) in, met de volgende taken:

a)

toezien op de toepassing van deze overeenkomst;

b)

kwesties in verband met de interpretatie of de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst aanpakken;

c)

uitvoeringsregelingen vaststellen die nodig zijn voor de eenvormige toepassing van deze overeenkomst;

d)

geregeld gegevens uitwisselen over de uitvoeringsprotocollen die door de afzonderlijke lidstaten en Azerbeidzjan op grond van artikel 20 zijn opgesteld;

e)

aanbevelingen doen voor wijziging van deze overeenkomst en de bijlagen daarbij.

2.   De beslissingen van het comité zijn bindend voor de overeenkomstsluitende partijen.

3.   Het comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Unie en Azerbeidzjan.

4.   Het comité komt zo vaak als nodig bijeen op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen.

5.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 20

Uitvoeringsprotocollen

1.   Onverminderd de rechtstreekse toepasselijkheid van deze overeenkomst stellen Azerbeidzjan en een lidstaat, op verzoek van een lidstaat of van Azerbeidzjan, een uitvoeringsprotocol op dat onder andere betrekking heeft op de regels inzake:

a)

de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten, de plaatsen voor het overschrijden van de grenzen en de uitwisseling van contactpunten;

b)

de voorwaarden voor begeleide terugkeer, met inbegrip van de doorgeleiding van onderdanen van derde landen en staatloze personen onder begeleiding;

c)

andere middelen en documenten dan die vermeld in de bijlagen 1 tot en met 4;

d)

de regelingen inzake overname in het kader van de versnelde procedure;

e)

de procedure voor ondervragingen.

2.   De in lid 1 bedoelde uitvoeringsprotocollen treden pas in werking nadat het comité bedoeld in artikel 19 daarvan in kennis is gesteld.

3.   Azerbeidzjan stemt ermee in om alle bepalingen van een met een lidstaat gesloten uitvoeringsprotocol ook toe te passen in zijn betrekkingen met een andere lidstaat, op verzoek van die laatstbedoelde lidstaat. De lidstaten stemmen ermee in elke bepaling van een uitvoeringsprotocol dat door Azerbeidzjan met een lidstaat is gesloten, ook toe te passen in hun betrekkingen met Azerbeidzjan, op verzoek van Azerbeidzjan en voor zover de toepassing ervan op de andere lidstaten praktisch haalbaar is.

Artikel 21

Verhouding tot bilaterale overnameovereenkomsten of overnameregelingen van de lidstaten

De bepalingen van deze overeenkomst hebben voorrang op de bepalingen van andere bilaterale overeenkomsten of regelingen inzake de overname van zonder vergunning op het grondgebied verblijvende personen die op basis van artikel 20 tussen afzonderlijke lidstaten en Azerbeidzjan zijn of kunnen worden gesloten, voor zover de bepalingen van deze bilaterale overnameovereenkomsten of overnameregelingen onverenigbaar zijn met die van deze overeenkomst.

AFDELING VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Territoriaal toepassingsgebied

1.   Onverminderd het bepaalde in lid 2, is deze overeenkomst van toepassing op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, alsook op het grondgebied van Azerbeidzjan.

2.   Deze overeenkomst is op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en op dat van Ierland enkel van toepassing na een desbetreffende kennisgeving van de Europese Unie aan Azerbeidzjan.

3.   Deze overeenkomst is niet van toepassing op het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken.

Artikel 23

Inwerkingtreding, duur en beëindiging

1.   Deze overeenkomst wordt door de overeenkomstsluitende partijen bekrachtigd of goedgekeurd volgens hun eigen procedures.

2.   Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de laatste overeenkomstsluitende partij de andere partij ervan in kennis heeft gesteld dat de in lid 1 bedoelde procedures zijn voltooid.

3.   Deze overeenkomst is van toepassing op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en op Ierland vanaf de eerste dag van de tweede maand na de in artikel 22, lid 2, bedoelde kennisgeving.

4.   Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten.

5.   Elke overeenkomstsluitende partij kan de uitvoering van deze overeenkomst door middel van een officiële kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij en na voorafgaand overleg met het in artikel 19 bedoelde comité, tijdelijk geheel of gedeeltelijkschorsen. De schorsing gaat in op de tweede dag na de kennisgeving ervan.

6.   Elke overeenkomstsluitende partij kan deze overeenkomst door officiële kennisgeving aan de andere overeenkomstsluitende partij opzeggen. Deze overeenkomst verstrijkt zes maanden na de datum van een dergelijke kennisgeving.

Artikel 24

Wijzigingen van de overeenkomst

Deze overeenkomst kan in onderlinge overeenstemming tussen de overeenkomstsluitende partijen worden gewijzigd en aangevuld. Wijzigingen en aanvullingen worden opgesteld in de vorm van afzonderlijke protocollen, die een integrerend onderdeel van deze overeenkomst vormen, en treden in werking volgens de in artikel 23 vastgestelde procedure.

Artikel 25

Bijlagen

De bijlagen 1 tot en met 8 maken een integrerend deel uit van deze overeenkomst.

Gedaan te Brussel, de achtentwintigste februari tweeduizend veertien, in twee exemplaren in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Azerbeidjaanse, taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

За Европейския съюз

Рог la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Avropa İttifaqı adından

Image

За Азербайджанската република

Por la República de Azerbaiyán

Za Ázerbájdžánskou republiku

For Republikken Aserbajdsjan

Für die Republik Aserbaidschan

Aserbaidžaani Vabariigi nimel

Για τη Δημοκρατία χου Αζερμπαϊτζάν

For the Republic of Azerbaijan

Pour la République d'Azerbaïdjan

Za Republiku Azerbajdžan

Per la Repubblica dell'Azerbaigian

Azerbaidžanas Republikas vārdā –

Azerbaidžano Respublikos vardu

Az Azerbajdzsán Köztársaság részéről

Għar-Repubblika tal-Azerbajģan

Voor de Republiek Azerbeidzjan

W imieniu Republiki Azerbejdżanu

Pela República do Azerbaijāo

Pentru Republica Azerbaidjan

Za Azerbajdžanskú republiku

Za Azerbajdžansko republiko

Azerbaidžanin tasavallan puolesta

För Republiken Azerbajdzjan

Image

Image


(1)  Overeenkomstig het formulier opgenomen in de Aanbeveling van de Raad van 30 november 1994, PB C 274 van 19.9.1996, blz. 18.

(2)  Ibidem.

(3)  Ibidem.


BIJLAGE 1

Gemeenschappelijke lijst van documenten waarvan de overlegging wordt beschouwd als bewijs van de nationaliteit (artikel 3, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 9, lid 1)

alle soorten paspoorten (nationale paspoorten, gewone paspoorten, diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten, officiële paspoorten, collectieve paspoorten en paspoortvervangende documenten, met inbegrip van paspoorten voor kinderen),

door de aangezochte staat afgegeven laissez-passer,

alle soorten identiteitskaarten (ook tijdelijke en voorlopige identiteitskaarten), met uitzondering van identiteitskaarten voor zeelieden.


BIJLAGE 2

Gemeenschappelijke lijst van documenten waarvan de overlegging wordt beschouwd als prima facie bewijs van de nationaliteit (artikel 3, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 9, lid 2)

de in bijlage 1 vermelde documenten waarvan de geldigheid niet langer dan zes maanden is verstreken,

fotokopieën van de in bijlage 1 vermelde documenten,

burgerschapscertificaten en andere officiële documenten waaruit duidelijk het staatsburgerschap blijkt,

rijbewijzen of fotokopieën daarvan,

geboorteakten of fotokopieën daarvan,

bedrijfspassen of fotokopieën daarvan,

militaire zakboekjes en militaire identiteitskaarten,

monsterboekjes, schippersbewijzen en identiteitskaarten voor zeelieden,

getuigenverklaringen,

verklaringen van de betrokken persoon en verklaring betreffende de taal die hij spreekt, onder meer door middel van een officieel onderzoeksresultaat,

andere documenten die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de nationaliteit van de betrokken persoon,

vingerafdrukken,

bevestiging van de identiteit na raadpleging van het visuminformatiesysteem,

in het geval van lidstaten die het visuminformatiesysteem niet gebruiken: positieve identificatie op basis van visumaanvraagdossiers van die lidstaten,

bevestiging van de identiteit na raadpleging van IAMAS (geautomatiseerd systeem van de Republiek Azerbeidzjan voor het opzoeken van inreis/uitreis- en registratiegegevens).


BIJLAGE 3

Gemeenschappelijke lijst van documenten die worden beschouwd als bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden voor overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen (artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 10, lid 1)

visum en/of verblijfsvergunning afgegeven door de aangezochte staat,

inreis-/uitreisstempels of soortgelijke aantekeningen in het reisdocument van de betrokkene of andere bewijzen van inreis/uitreis (bv. fotografische),

identiteitskaarten afgegeven aan staatloze personen die permanent in de aangezochte staat verblijven,

laissez-passer afgegeven aan staatloze personen die permanent in de aangezochte staat verblijven.


BIJLAGE 4

Gemeenschappelijke lijst van documenten die worden beschouwd als prima facie bewijs dat is voldaan aan de voorwaarden voor de overname van onderdanen van derde landen en staatloze personen (artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 10, lid 2)

door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat verstrekte omschrijving van de plaats waar en de omstandigheden waaronder de betrokken persoon na binnenkomst op het grondgebied van die staat is aangetroffen,

gegevens met betrekking tot de identiteit en/of het verblijf van een persoon die door een internationale organisatie zijn verstrekt (bv. UNHCR),

rapportage/bevestiging van de inlichtingen door familieleden, reisgenoten enz.,

alle soorten documenten, certificaten en rekeningen (bv. hotelrekeningen, afspraakkaarten voor bezoek aan arts/tandarts, toegangsbewijzen voor openbare/particuliere instellingen, autoverhuurcontracten, kredietkaartreçu's enz.) waaruit duidelijk blijkt dat de betrokken persoon op het grondgebied van de aangezochte staat heeft verbleven,

reisbiljetten op naam en/of passagierslijsten voor vlieg-, trein-, bus- of bootreizen waaruit de aanwezigheid van de betrokken persoon en zijn reisroute op het grondgebied van de aangezochte staat kunnen worden afgeleid,

inlichtingen waaruit blijkt dat de betrokken persoon gebruik heeft gemaakt van de diensten van een reisbegeleider of reisbureau,

officiële verklaringen van met name grensbeambten en andere personen die kunnen getuigen dat de betrokkene de grens heeft overschreden,

officiële verklaring van de betrokken persoon in gerechtelijke of administratieve procedures,

verklaring van de betrokken persoon,

vingerafdrukken.


BIJLAGE 5

Image

Image

Image


BIJLAGE 6

Image

Image

Image


BIJLAGE 7

Standaardreisdocument van de EU voor verwijderingsdoeleinden

(Overeenkomstig het formulier dat is aangenomen bij de EU-aanbeveling van de Raad van 30 november 1994) (1)


(1)  PB C 247 van 19.9.1996, blz. 18.


BIJLAGE 8

Image

Image


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

Betreffende artikel 3, lid 3

De overeenkomstsluitende partijen nemen er nota van dat uit hoofde van het nationaliteitsrecht van de Republiek Azerbeidzjan een burger van de Republiek Azerbeidzjan zijn nationaliteit niet kan worden ontnomen.

De partijen komen overeen dat zij te zijner tijd overleg zullen plegen wanneer in deze juridische situatie verandering zou komen.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

Betreffende de artikelen 4 en 6

De partijen streven ernaar alle onderdanen van derde landen die niet of niet meer voldoen aan de juridische voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op hun respectieve grondgebieden, naar hun land van herkomst terug te zenden.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

Betreffende het Koninkrijk Denemarken

De overeenkomstsluitende partijen nemen er nota van dat deze overeenkomst niet van toepassing is op het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken, noch op onderdanen van het Koninkrijk Denemarken. Het is daarom wenselijk dat de Republiek Azerbeidzjan en het Koninkrijk Denemarken een overnameovereenkomst sluiten die vergelijkbaar is met deze overeenkomst.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

Betreffende de Republiek Ijsland en het Koninkrijk Noorwegen

De overeenkomstsluitende partijen nemen nota van de nauwe band tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, die met name voortvloeit uit de Overeenkomst van 18 mei 1999 inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis. Het is daarom wenselijk dat de Republiek Azerbeidzjan met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen een overnameovereenkomst sluit die vergelijkbaar is met deze overeenkomst.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

Betreffende de Zwitserse Bondsstaat

De overeenkomstsluitende partijen nemen nota van de nauwe band tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat, met name uit hoofde van de op 1 maart 2008 in werking getreden Overeenkomst inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis. Het is daarom wenselijk dat de Republiek Azerbeidzjan met de Zwitserse Bondsstaat een overnameovereenkomst sluit die vergelijkbaar is met deze overeenkomst.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

Betreffende het Vorstendom Liechtenstein

De overeenkomstsluitende partijen nemen nota van de nauwe band tussen de Europese Unie en het Vorstendom Liechtenstein, met name uit hoofde van de op 19 december 2011 in werking getreden Overeenkomst inzake de wijze waarop het Vorstendom Liechtenstein wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis. Het is daarom wenselijk dat de Republiek Azerbeidzjan met het Vorstendom Liechtenstein een overnameovereenkomst sluit die vergelijkbaar is met deze overeenkomst.


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/43


BESLUIT VAN DE RAAD

van 14 april 2014

betreffende de verlenging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika

(2014/240/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 186, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), v),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 98/591/EG (1) heeft de Raad de sluiting goedgekeurd van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika („de overeenkomst”).

(2)

Artikel 12, onder b), van de overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst wordt gesloten voor een eerste periode van vijf jaar en daarna telkens met een nieuwe periode van vijf jaar kan worden verlengd, met eventuele wijzigingen, bij schriftelijke overeenkomst tussen partijen.

(3)

Bij Besluit 2009/306/EG van de Raad (2) is de overeenkomst met nog eens vijf jaar verlengd.

(4)

De partijen bij de overeenkomst menen dat een snelle verlenging van de overeenkomst in beider belang zou zijn.

(5)

De inhoud van de verlengde overeenkomst zal identiek zijn aan de inhoud van de op 14 oktober 2013 verstreken overeenkomst.

(6)

De verlenging van de overeenkomst moet derhalve namens de Europese Unie worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De verlenging met een nieuwe periode van vijf jaar van de Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika wordt namens de Unie goedgekeurd.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad stelt, namens de Unie, de regering van de Verenigde Staten van Amerika in kennis van de voltooiing, door de Unie, van de voor de verlenging van de overeenkomst vereiste interne procedures, in overeenstemming met artikel 12, onder b), van de overeenkomst.

Artikel 3

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de volgende kennisgeving:

„Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is de Europese Unie in de plaats getreden van de Europese Gemeenschap, waarvan zij de opvolgster is, en met ingang van die datum neemt zij alle rechten en plichten van de Europese Gemeenschap over. Derhalve dienen alle verwijzingen in de tekst van de overeenkomst naar „de Europese Gemeenschap” in voorkomend geval gelezen te worden als „de Europese Unie”.”.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 14 april 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

A. TSAFTARIS


(1)  Besluit 98/591/EG van de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de sluiting van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika (PB L 284 van 22.10.1998, blz. 35).

(2)  Besluit 2009/306/EG van de Raad van 30 maart 2009 betreffende de verlenging en de wijziging van de Overeenkomst inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Verenigde Staten van Amerika (PB L 90 van 2.4.2009, blz. 20).


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/45


BESLUIT VAN DE RAAD

van 14 april 2014

betreffende de bekrachtiging van, of de toetreding tot, het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuverantwoord recyclen van schepen (2009) door de lidstaten in het belang van de Europese Unie

(2014/241/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, juncto artikel 218, lid 6, onder a), v), en artikel 218, lid 8, eerste alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuverantwoord recyclen van schepen (2009) (hierna „het verdrag”) is op 15 mei 2009 onder auspiciën van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) vastgesteld in het verlengde van de beraadslagingen van de Internationale Conferentie over het veilig en milieuverantwoord recyclen van schepen. Het verdrag heeft betrekking op het ontwerp, de bouw, de werking en de voorbereiding van schepen om de veilige en milieuverantwoorde recycling ervan te vergemakkelijken zonder de scheepsveiligheid en het efficiënte functioneren in het gedrang te brengen. Tevens heeft het betrekking op het veilig en milieuverantwoord functioneren van scheepsrecyclinginrichtingen, en op de vaststelling van een passend handhavingsmechanisme voor scheepsrecycling.

(2)

Het verdrag treedt in werking 24 maanden na de datum van bekrachtiging door ten minste 15 staten waarvan de gecombineerde handelsvloot ten minste 40 procent van de brutotonnage van de mondiale koopvaardijvloot vertegenwoordigt en waarvan het gecombineerde maximale jaarlijkse scheepsrecyclingvolume in de voorbije 10 jaar ten minste drie procent van de brutotonnage van de gecombineerde koopvaardijvloot van die staten vertegenwoordigt.

(3)

In zijn conclusies van 21 oktober 2009 heeft de Raad de lidstaten krachtig aangespoord om het verdrag met voorrang te bekrachtigen, zodat het zo snel mogelijk in werking kan treden en een echte, ingrijpende verandering in de bestaande situatie kan bewerkstelligen.

(4)

Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) heeft onder meer tot doel nadelige gevolgen van scheepsrecycling voor de volksgezondheid en het milieu tot een minimum te beperken en, voor zover haalbaar, te elimineren. Artikel 5, lid 9, artikel 7, lid 2, artikel 10, leden 1 en 2, en artikel 12, leden 1 en 3, van die verordening bepalen dat het Unierecht wordt afgestemd op het verdrag. Artikel 32, lid 4, verwijst naar de situatie van lidstaten die geen schepen hebben die onder hun vlag varen of geregistreerd zijn, of die hun nationale scheepsregisters hebben gesloten. Die lidstaten kunnen afwijken van een aantal bepalingen van de verordening, mits er geen schepen geregistreerd zijn onder hun vlag.

(5)

De Unie kan niet toetreden tot het verdrag, omdat alleen staten partij bij het verdrag kunnen zijn.

(6)

De Raad moet lidstaten die schepen hebben die onder hun vlag varen of geregistreerd zijn en die onder het verdrag vallen, derhalve toestaan om tot het verdrag toe te treden of het te bekrachtigen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten worden gemachtigd om, voor de delen die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuverantwoord recyclen van schepen van 2009 te bekrachtigen en ertoe toe te treden.

Artikel 2

De lidstaten die het verdrag hebben bekrachtigd of ertoe zijn toegetreden, stellen de Commissie daarvan in kennis binnen zes maanden nadat ze hun akten van bekrachtiging of goedkeuring bij het secretariaat-generaal van de IMO hebben neergelegd.

De Raad zal uiterlijk op 31 december 2018 de bij de bekrachtiging geboekte vooruitgang toetsen.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 14 april 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

A. TSAFTARIS


(1)  Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en Richtlijn 2009/16/EG (PB L 330 van 10.12.2013, blz. 1).


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/47


BESLUIT VAN DE RAAD

van 14 april 2014

betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa

(2014/242/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit 2013/695/EU van de Raad (1), is de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa („de overeenkomst”) ondertekend op 29 november 2013, onder voorbehoud van de sluiting ervan.

(2)

De overeenkomst moet worden goedgekeurd.

(3)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (2). Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(4)

Dit besluit vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (3). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(5)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en dit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa wordt hierbij namens de Unie goedgekeurd.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 14, lid 1, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving (4).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 14 april 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

A. TSAFTARIS


(1)  Besluit 2013/695/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa (PB L 320 van 30.11.2013, blz. 7).

(2)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(3)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).

(4)  De datum van inwerkingtreding van de overeenkomst wordt door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/49


OVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de versoepeling van de afgifte van visa

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” genoemd,

en

DE REPUBLIEK AZERBEIDZJAN,

hierna „de partijen” genoemd;

GELEID DOOR DE WENS in het belang van een gestage ontwikkeling van economische, humanitaire, culturele, wetenschappelijke en andere banden, de contacten tussen mensen te vergemakkelijken door de afgifte van visa aan burgers van de Unie en de Republiek Azerbeidzjan op basis van wederkerigheid te versoepelen,

REKENING HOUDEND MET de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, en met de onderhandelingen over een associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Azerbeidzjan die in 2010 zijn begonnen,

GEZIEN de gezamenlijke verklaring van de topbijeenkomst van het Oostelijk Partnerschap in Praag op 7 mei 2009, waarin politieke steun werd betuigd aan de liberalisering van de visumregeling in een veilige omgeving,

ERKENNEND dat visumversoepeling niet mag leiden tot onregelmatige migratie, en bijzondere aandacht bestedend aan veiligheid en overname,

REKENING HOUDEND MET het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en met het Protocol betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en bevestigend dat de bepalingen van deze overeenkomst niet van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk en Ierland,

REKENING HOUDEND MET het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en bevestigend dat de bepalingen van deze overeenkomst niet van toepassing zijn op het Koninkrijk Denemarken,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

Deze overeenkomst is bedoeld om op basis van wederkerigheid de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen aan burgers van de Unie en de Republiek Azerbeidzjan te versoepelen.

Artikel 2

Algemene bepaling

1.   De bij deze overeenkomst geregelde soepeler afgifte van visa geldt voor burgers van de Unie en de Republiek Azerbeidzjan voor zover zij niet zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond van de wet- en regelgeving van de Republiek Azerbeidzjan, de Unie of de lidstaten, deze overeenkomst of andere internationale overeenkomsten.

2.   Op kwesties die niet onder de bepalingen van deze overeenkomst vallen, zoals de weigering om een visum af te geven, de erkenning van reisdocumenten, het bewijs van voldoende bestaansmiddelen, inreisverboden en uitzettingsmaatregelen, is de nationale wetgeving van de Republiek Azerbeidzjan, de nationale wetgeving van de lidstaten of het Unierecht van toepassing.

Artikel 3

Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a)

„lidstaat”: elke lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Ierland en het Verenigd Koninkrijk;

b)

„burger van de Unie”: een onderdaan van een lidstaat als bedoeld onder a);

c)

„burger van Azerbeidzjan”: iedere persoon die het burgerschap van Azerbeidzjan bezit overeenkomstig de wetgeving van de Republiek Azerbeidzjan;

d)

„visum”: een machtiging die door een lidstaat of door de Republiek Azerbeidzjan wordt afgegeven voor een doorreis over of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten of de Republiek Azerbeidzjan van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen;

e)

„legaal verblijvende persoon”:

voor de Republiek Azerbeidzjan: een burger van de Unie die een tijdelijke of permanente verblijfsvergunning heeft voor een verblijf van meer dan 90 dagen op het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan;

voor de Unie: een burger van de Republiek Azerbeidzjan die op grond van het Unierecht of de nationale wetgeving gemachtigd is of toestemming heeft om meer dan 90 dagen op het grondgebied van een lidstaat te verblijven.

Artikel 4

Bewijsstukken betreffende het doel van de reis

1.   Voor de hieronder genoemde categorieën burgers van de Unie en de Republiek Azerbeidzjan volstaan de volgende documenten als rechtvaardiging van het doel van de reis naar de andere partij:

a)

voor naaste familieleden — echtgenoten, kinderen (met inbegrip van adoptiekinderen), ouders (met inbegrip van voogden), grootouders en kleinkinderen — die op bezoek gaan bij burgers van de Europese Unie die legaal in de Republiek Azerbeidzjan verblijven, bij burgers van de Republiek Azerbeidzjan die legaal in de lidstaten verblijven, bij burgers van de Europese Unie die verblijven in de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, of bij burgers van de Republiek Azerbeidzjan die in Azerbeidzjan verblijven:

een schriftelijke uitnodiging van de gastheer of -vrouw;

b)

onverminderd artikel 10, voor leden, waaronder permanente leden, van officiële delegaties die op officiële uitnodiging gericht aan de lidstaten, de Europese Unie of de Republiek Azerbeidzjan deelnemen aan officiële bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties worden gehouden op het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan of één van de lidstaten:

een brief van een bevoegde instantie van een lidstaat of de Republiek Azerbeidzjan of van een instelling van de Europese Unie, waarin wordt bevestigd dat de aanvrager lid of permanent lid is van de delegatie die naar het grondgebied van de andere partij afreist om deel te nemen aan een hierboven bedoeld evenement, en een kopie van de officiële uitnodiging;

c)

voor zakenlieden en vertegenwoordigers van bedrijfsorganisaties:

een schriftelijke uitnodiging van een in het gastland gevestigde rechtspersoon of onderneming of organisatie, of een bureau of filiaal daarvan, van nationale of lokale autoriteiten van de Republiek Azerbeidzjan of van de lidstaten of van organisatiecomités van handels- en industrietentoonstellingen, -conferenties en -symposia die worden gehouden op het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan of de lidstaten en de instemming genieten van de bevoegde instanties overeenkomstig de nationale wetgeving;

d)

voor chauffeurs die internationaal goederen- en personenvervoer verzorgen tussen de Republiek Azerbeidzjan en de lidstaten met voertuigen die zijn geregistreerd in de lidstaten of in de Republiek Azerbeidzjan:

een schriftelijke uitnodiging van de nationale onderneming of vereniging (vakbond) van vervoerders van de Republiek Azerbeidzjan of van een nationale vereniging van vervoerders van een lidstaat die internationaal vervoer over de weg verzorgen, waarin het doel, de duur en de frequentie van de reizen staan vermeld;

e)

voor scholieren, studenten, postdoctoraal studenten en begeleidende docenten die reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, inclusief in het kader van uitwisselingsprogramma's en andere schoolgerelateerde activiteiten:

een schriftelijke uitnodiging of een inschrijvingsbewijs van de universiteit, academie, instelling, het college of de school waar de betrokkene te gast is, of een studentenkaart of inschrijvingsbewijs van de te volgen cursussen;

f)

voor deelnemers aan wetenschappelijke, academische, culturele en artistieke activiteiten, zoals universitaire en andere uitwisselingsprogramma's:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie om deel te nemen aan deze activiteiten;

g)

voor journalisten en het technisch personeel dat hen beroepshalve vergezelt:

een certificaat of ander document van een beroepsorganisatie of van de werkgever van de aanvrager waaruit blijkt dat de betrokkene een gekwalificeerd journalist is en dat de reis is bedoeld om journalistiek werk te verrichten, of waaruit blijkt dat de betrokkene behoort tot het technisch personeel dat de journalist beroepshalve vergezelt;

h)

voor deelnemers aan internationale sportevenementen en personen die hen beroepshalve vergezellen:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie, bevoegde instanties, nationale sportfederaties van de lidstaten of van de Republiek Azerbeidzjan of het Nationaal Olympisch Comité van de Republiek Azerbeidzjan of dat van een van de lidstaten;

i)

voor deelnemers aan officiële uitwisselingsprogramma's van zustersteden:

een schriftelijke uitnodiging van het hoofd van het stadsbestuur/de burgemeester van deze steden;

j)

voor personen die om medische redenen reizen en hun noodzakelijke begeleiders:

een officieel document van de medische instelling waaruit blijkt dat medische behandeling in deze instelling noodzakelijk is en dat de betrokkene onder begeleiding moet reizen, en bewijs van voldoende financiële middelen om de behandeling te betalen;

k)

voor beoefenaars van vrije beroepen die deelnemen aan internationale tentoonstellingen, conferenties, symposia, studiebijeenkomsten of vergelijkbare evenementen die worden gehouden in de Republiek Azerbeidzjan of de lidstaten:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie waaruit blijkt dat de betrokkene deelneemt aan het evenement;

l)

voor vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie, een bevestiging dat de betrokkene de maatschappelijke organisatie vertegenwoordigt en het oprichtingsdocument van de organisatie uit het desbetreffende register, afgegeven door een nationale instantie overeenkomstig de nationale wetgeving;

m)

voor familieleden die een begrafenisplechtigheid bijwonen:

een officieel overlijdenscertificaat en een bevestiging dat er sprake is van een familierelatie of een andere relatie tussen de visumaanvrager en de overledene;

n)

voor bezoekers van militaire of civiele begraafplaatsen:

een officieel document waaruit blijkt dat het graf bestaat en blijft voortbestaan en dat er sprake is van een familierelatie of een andere relatie tussen de aanvrager en de overledene.

2.   De in lid 1 bedoelde schriftelijke uitnodiging moet de volgende gegevens bevatten:

a)

voor degene die wordt uitgenodigd: voor- en achternaam, geboortedatum, geslacht, burgerschap, paspoortnummer, tijdstip en doel van de reis, aantal inreizen en waar nodig de naam van de echtgenoot en kinderen die met de uitgenodigde persoon meereizen;

b)

voor degene die uitnodigt: voor- en achternaam en adres;

c)

voor de rechtspersoon, onderneming of organisatie die uitnodigt: volledige naam en adres en:

indien de uitnodiging afkomstig is van een organisatie of instantie: naam en positie van de persoon die de uitnodiging ondertekent;

indien de uitnodiging afkomstig is van een in een lidstaat of in de Republiek Azerbeidzjan gevestigde rechtspersoon of onderneming of een bureau of filiaal daarvan: het in de betrokken lidstaat of Azerbeidzjan wettelijk voorgeschreven registratienummer.

3.   Voor de in lid 1 genoemde categorieën personen worden alle soorten visa verstrekt volgens de vereenvoudigde procedure en zijn geen andere door de wetgeving van de partijen voorgeschreven vormen van motivering, uitnodiging of validering betreffende het doel van de reis nodig.

Artikel 5

Afgifte van meervoudige visa

1.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten en de Republiek Azerbeidzjan verstrekken meervoudige visa met een geldigheidsduur van vijf jaar aan de volgende categorieën burgers:

a)

echtgenoten, kinderen (met inbegrip van adoptiekinderen) die jonger zijn dan 21 jaar of ten laste komen van de aanvrager, en ouders (met inbegrip van voogden) die op bezoek gaan bij burgers van de Europese Unie die legaal in de Republiek Azerbeidzjan verblijven, bij burgers van de Republiek Azerbeidzjan die legaal in de lidstaten verblijven, bij burgers van de Europese Unie die verblijven in de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, of bij burgers van de Republiek Azerbeidzjan die in Azerbeidzjan verblijven;

b)

permanente leden van officiële delegaties die op officiële uitnodiging gericht aan de lidstaten, de Europese Unie of de Republiek Azerbeidzjan regelmatig deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties worden gehouden op het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan of één van de lidstaten.

In afwijking van de eerste zin, wordt, wanneer duidelijk is dat de noodzaak of de bedoeling om frequent of regelmatig te reizen slechts voor een kortere periode geldt, de geldigheidsduur van het meervoudig visum beperkt tot die kortere periode, met name wanneer:

in het geval van de onder a) bedoelde personen: de geldigheidsduur van de machtiging tot legaal verblijf van burgers van de Republiek Azerbeidzjan die legaal in de lidstaten verblijven of van burgers van de Unie die legaal in de Republiek Azerbeidzjan verblijven;

in het geval van de onder b) bedoelde personen: de geldigheidsduur van de status als permanent lid van een officiële delegatie,

korter is dan vijf jaar.

2.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten en de Republiek Azerbeidzjan verstrekken meervoudige visa met een geldigheidsduur van een jaar aan de volgende categorieën burgers, mits deze in het voorafgaande jaar ten minste één visum hebben verkregen waarvan zij gebruik hebben gemaakt overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte staat:

a)

studenten en postdoctoraal studenten die regelmatig reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's;

b)

journalisten en technisch personeel dat hen beroepshalve vergezelt;

c)

deelnemers aan officiële uitwisselingsprogramma's van zustersteden;

d)

chauffeurs die internationaal goederen- en personenvervoer verzorgen tussen de Republiek Azerbeidzjan en de lidstaten met voertuigen die zijn geregistreerd in de lidstaten of in de Republiek Azerbeidzjan;

e)

personen die om medische redenen regelmatig naar de lidstaten moeten reizen en hun noodzakelijke begeleiders;

f)

beoefenaars van vrije beroepen die deelnemen aan internationale tentoonstellingen, conferenties, symposia, studiebijeenkomsten of vergelijkbare evenementen die regelmatig naar de Republiek Azerbeidzjan of de lidstaten reizen;

g)

vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die regelmatig naar de Republiek Azerbeidzjan of naar de lidstaten reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, studiebijeenkomsten of conferenties, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's;

h)

deelnemers aan wetenschappelijke, culturele en artistieke activiteiten, inclusief universitaire en andere uitwisselingsprogramma's, die regelmatig naar de Republiek Azerbeidzjan of de lidstaten reizen;

i)

deelnemers aan internationale sportevenementen en personen die hen beroepshalve vergezellen;

j)

leden van officiële delegaties die op officiële uitnodiging gericht aan de lidstaten, de Europese Unie of de Republiek Azerbeidzjan regelmatig deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties worden gehouden op het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan of één van de lidstaten;

k)

zakenlieden en vertegenwoordigers van bedrijfsorganisaties die regelmatig naar de Republiek Azerbeidzjan of de lidstaten reizen.

In afwijking van de eerste zin wordt, wanneer duidelijk is dat de noodzaak of de bedoeling om frequent of regelmatig te reizen slechts voor een kortere periode geldt, de geldigheidsduur van het meervoudig visum beperkt tot die kortere periode.

3.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten en van de Republiek Azerbeidzjan verstrekken de in lid 2 bedoelde personen meervoudige visa met een geldigheidsduur van ten minste twee en ten hoogste vijf jaar, mits deze personen in de voorafgaande twee jaar overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte staat gebruik hebben gemaakt van het meervoudig visum voor één jaar, tenzij duidelijk is dat de noodzaak of de bedoeling om frequent of regelmatig te reizen voor een kortere periode geldt; in dat geval wordt de geldigheidsduur van het meervoudig visum beperkt tot die kortere periode.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde personen mogen in totaal ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen op het grondgebied van de lidstaten of in de Republiek Azerbeidzjan verblijven.

Artikel 6

Legesrechten voor de behandeling van een visumaanvraag

1.   Voor de behandeling van een visumaanvraag wordt 35 EUR in rekening gebracht.

Het hierboven genoemde bedrag kan worden aangepast volgens de procedure van artikel 14, lid 4.

2.   Onverminderd lid 3 worden aan de volgende categorieën personen geen kosten in rekening gebracht voor de behandeling van een visumaanvraag:

a)

naaste familieleden — echtgenoten, kinderen (met inbegrip van adoptiekinderen), ouders (met inbegrip van voogden), grootouders en kleinkinderen — van burgers van de Europese Unie die legaal in de Republiek Azerbeidzjan verblijven, van burgers van de Republiek Azerbeidzjan die legaal in de lidstaten verblijven, van burgers van de Europese Unie die verblijven in de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, of van burgers van de Republiek Azerbeidzjan die in Azerbeidzjan verblijven;

b)

leden, waaronder permanente leden, van officiële delegaties die op officiële uitnodiging gericht aan de lidstaten, de Europese Unie of de Republiek Azerbeidzjan deelnemen aan officiële bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties worden gehouden op het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan of één van de lidstaten;

c)

scholieren, studenten, postdoctoraal studenten en begeleidende docenten die reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, inclusief in het kader van uitwisselingsprogramma's en andere schoolgerelateerde activiteiten;

d)

gehandicapten en personen die hen indien nodig begeleiden;

e)

deelnemers aan internationale sportevenementen en personen die hen beroepshalve vergezellen;

f)

deelnemers aan wetenschappelijke, culturele en artistieke activiteiten, inclusief universitaire en andere uitwisselingsprogramma's;

g)

personen die documenten hebben overgelegd waaruit blijkt dat hun reis om humanitaire redenen noodzakelijk is, bijvoorbeeld om een dringende medische behandeling te ondergaan, in welk geval de vrijstelling ook geldt voor degene die de betrokkene begeleidt, of om een begrafenis van een naast familielid bij te wonen of een ernstig ziek naast familielid te bezoeken;

h)

vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's;

i)

gepensioneerden;

j)

kinderen jonger dan 12 jaar;

k)

journalisten en technisch personeel dat hen beroepshalve vergezelt.

3.   Indien een lidstaat of de Republiek Azerbeidzjan bij het afgeven van visa samenwerkt met een externe dienstverlener mag deze dienstverlener kosten in rekening brengen. Deze dienstverleningskosten moeten in verhouding staan tot de kosten die de externe dienstverlener moet maken voor het uitvoeren van zijn taken en mogen ten hoogste 30 EUR bedragen. De lidstaten en de Republiek Azerbeidzjan handhaven voor alle aanvragers de mogelijkheid rechtstreeks een aanvraag in te dienen bij hun consulaat.

Voor de Unie verricht de externe dienstverlener zijn werkzaamheden overeenkomstig de Visumcode en met eerbiediging van de wetgeving van de Republiek Azerbeidzjan.

Voor de Republiek Azerbeidzjan verricht de externe dienstverlener zijn werkzaamheden overeenkomstig de wetgeving van de Republiek Azerbeidzjan en die van de EU-lidstaten.

Artikel 7

Duur van de behandeling van een visumaanvraag

1.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten en de Republiek Azerbeidzjan nemen binnen tien kalenderdagen na ontvangst van de visumaanvraag en de benodigde bewijsstukken een beslissing over de visumaanvraag.

2.   De periode voor het nemen van een beslissing over een visumaanvraag kan in individuele gevallen worden verlengd tot 30 kalenderdagen, met name wanneer nader onderzoek van de aanvraag nodig is.

3.   De periode voor het nemen van een beslissing over een visumaanvraag kan in dringende gevallen worden beperkt tot twee werkdagen of minder.

Indien visumaanvragers een afspraak moeten maken voor het indienen van een aanvraag, bedraagt de wachttijd tot de afspraak in de regel ten hoogste twee weken, te rekenen van de datum waarop om de afspraak is verzocht. Onverminderd de vorige zin zorgen externe dienstverleners ervoor dat een visumaanvraag in de regel zonder onnodige vertraging kan worden ingediend.

In gemotiveerde dringende gevallen kan het consulaat aanvragers toestaan hun aanvraag zonder afspraak in te dienen of vindt de afspraak onmiddellijk plaats.

Artikel 8

Vertrek in geval van verloren of gestolen documenten

Burgers van de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan die hun identiteitsbewijs hebben verloren of van wie het identiteitsbewijs is gestolen tijdens hun verblijf op het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan respectievelijk van de lidstaten, kunnen dat grondgebied zonder visum of een andere machtiging verlaten met een geldig identiteitsbewijs waarmee de grens mag worden overschreden, dat is afgegeven door een diplomatieke of consulaire post van de lidstaten respectievelijk de Republiek Azerbeidzjan.

Artikel 9

Verlenging van het visum in buitengewone omstandigheden

Van burgers van de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan die door overmacht niet in staat zijn het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan respectievelijk de lidstaten binnen de in hun visum vermelde termijn te verlaten, wordt de geldigheidsduur van het verstrekte visum en/of de verblijfsduur kosteloos verlengd volgens de wetgeving van de Republiek Azerbeidzjan of de gastlidstaat voor de periode die nodig is tot hun terugkeer naar hun eigen land.

Artikel 10

Diplomatieke paspoorten

1.   Burgers van de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan die houder zijn van een geldig diplomatiek paspoort hebben geen visum nodig voor een inreis in, een uitreis uit of een doorreis over het grondgebied van de Republiek Azerbeidzjan respectievelijk de lidstaten.

2.   De in lid 1 bedoelde personen mogen ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen op het grondgebied van de lidstaten verblijven.

Artikel 11

Territoriale geldigheid van visa

Onverminderd nationale veiligheidsregels en -voorschriften van de Republiek Azerbeidzjan en de lidstaten en onverminderd EU-regelgeving inzake visa met een beperkte territoriale geldigheid, hebben de burgers van de Republiek Azerbeidzjan en de Europese Unie het recht om volgens dezelfde voorwaarden als de burgers van de Unie respectievelijk de Azerbeidzjaanse burgers op het grondgebied van de lidstaten respectievelijk de Republiek Azerbeidzjan te reizen.

Artikel 12

Gemengd Comité voor het beheer van de overeenkomst

1.   De partijen richten een Gemengd Comité van deskundigen op (hierna „het comité” genoemd) dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Unie en van de Republiek Azerbeidzjan. De Unie wordt vertegenwoordigd door de Europese Commissie, die wordt bijgestaan door deskundigen van de lidstaten.

2.   Het comité heeft met name de volgende taken:

a)

toezien op de toepassing van deze overeenkomst;

b)

wijzigingen van of toevoegingen aan deze overeenkomst voorstellen;

c)

geschillen beslechten die voortvloeien uit de interpretatie of de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst.

3.   Het comité komt zo vaak als nodig is op verzoek van een van de partijen bijeen, maar ten minste eens per jaar.

4.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 13

Verband tussen deze overeenkomst en bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en de Republiek Azerbeidzjan

Zodra deze overeenkomst in werking treedt, heeft zij voorrang op de bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die zijn gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en de Republiek Azerbeidzjan, voor zover de bepalingen daarvan betrekking hebben op aangelegenheden die bij deze overeenkomst worden geregeld.

Artikel 14

Slotbepalingen

1.   Deze overeenkomst wordt door de partijen volgens hun eigen procedures geratificeerd of goedgekeurd en treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de partijen elkaar ervan in kennis stellen dat de hierboven bedoelde procedures zijn voltooid.

2.   In afwijking van lid 1 treedt deze overeenkomst pas in werking op de datum van de inwerkingtreding van de overnameovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan indien dit later is dan de in lid 1 bedoelde datum.

3.   Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd gesloten, tenzij zij wordt opgezegd in overeenstemming met lid 6.

4.   Deze overeenkomst kan met wederzijdse schriftelijk instemming van de partijen worden gewijzigd. Wijzigingen treden in werking nadat de partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de daartoe vereiste procedures.

5.   Elk van beide partijen kan deze overeenkomst geheel of gedeeltelijk opschorten in verband met de openbare orde, de bescherming van de nationale veiligheid of de bescherming van de volksgezondheid. Het besluit tot opschorting wordt uiterlijk 48 uur vóór de inwerkingtreding ervan meegedeeld aan de andere partij. De partij die de toepassing van de overeenkomst heeft opgeschort, stelt de andere partij onverwijld in kennis van het feit dat de redenen voor de opschorting zijn vervallen zodra dit het geval is.

6.   Elk van beide partijen kan deze overeenkomst opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij. Deze overeenkomst wordt beëindigd 90 dagen na de datum van deze kennisgeving.

Gedaan te Vilnius, negenentwintig november tweeduizend dertien, in twee exemplaren in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Azerbeidzjaanse taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

За Европейския съюз

Рог la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Avropa İttifaqı adından

Image

За Азербайджанската република

Por la República de Azerbaiyán

Za Ázerbájdžánskou republiku

For Republikken Aserbajdsjan

Für die Republik Aserbaidschan

Aserbaidžaani Vabariigi nimel

Για τη Δημοκρατία χου Αζερμπαϊτζάν

For the Republic of Azerbaijan

Pour la République d'Azerbaïdjan

Za Republiku Azerbajdžan

Per la Repubblica dell'Azerbaigian

Azerbaidžanas Republikas vārdā –

Azerbaidžano Respublikos vardu

Az Azerbajdzsán Köztársaság részéről

Għar-Repubblika tal-Azerbajģan

Voor de Republiek Azerbeidzjan

W imieniu Republiki Azerbejdżanu

Pela República do Azerbaijāo

Pentru Republica Azerbaidjan

Za Azerbajdžanskú republiku

Za Azerbajdžansko republiko

Azerbaidžanin tasavallan puolesta

För Republiken Azerbajdzjan

Image

Image


PROTOCOL

bij de Overeenkomst betreffende de lidstaten die het Schengenacquis niet volledig toepassen

De lidstaten die gebonden zijn door het Schengenacquis maar nog geen Schengenvisa afgeven omdat zij in afwachting zijn van het daarvoor benodigde besluit van de Raad, verstrekken nationale visa die alleen geldig zijn op hun eigen grondgebied.

Overeenkomstig Beschikking nr. 582/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door Bulgarije, Cyprus en Roemenië van bepaalde documenten als gelijkwaardig met hun nationale visa, met het oog op doorreis over hun grondgebied (1), zijn geharmoniseerde maatregelen genomen om de doorreis van houders van Schengenvisa en -verblijfstitels over het grondgebied van de lidstaten die het Schengenacquis nog niet volledig toepassen, te vereenvoudigen.


(1)  PB L 161 van 20.6.2008, blz. 30.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

betreffende artikel 10 van de overeenkomst over diplomatieke paspoorten

De Unie of de Republiek Azerbeidzjan kan de overeenkomst volgens de procedure van artikel 14, lid 5, gedeeltelijk opschorten, met name artikel 10, indien de toepassing van artikel 10 wordt misbruikt door de andere partij of tot een bedreiging van de openbare veiligheid leidt.

Indien de toepassing van artikel 10 wordt opgeschort, voeren beide partijen in het kader van het bij de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité overleg om de problemen die tot de opschorting hebben geleid, op te lossen.

Beide partijen verklaren prioriteit te geven aan het goed beveiligen van diplomatieke paspoorten, in het bijzonder met behulp van biometrische identificatiemiddelen. Wat de Unie betreft, zal dit worden gedaan overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (1).


(1)  PB L 385 van 29.12.2004, blz. 1.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

betreffende Denemarken

De partijen nemen er nota van dat deze overeenkomst niet van toepassing is op de procedures voor de afgifte van visa door de diplomatieke en consulaire diensten van Denemarken.

Daarom is het wenselijk dat de autoriteiten van Denemarken en van de Republiek Azerbeidzjan onverwijld een bilaterale overeenkomst sluiten over de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf, die vergelijkbaar is met de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

betreffende het Verenigd Koninkrijk en Ierland

De partijen nemen er nota van dat deze overeenkomst niet van toepassing is op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en Ierland.

Daarom is het wenselijk dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en de Republiek Azerbeidzjan bilaterale overeenkomsten sluiten over de versoepeling van de afgifte van visa.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

betreffende IJsland, Noorwegen, Zwitserland en Liechtenstein

De partijen nemen nota van de nauwe betrekkingen tussen de Europese Unie en Zwitserland, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen, met name uit hoofde van de overeenkomsten van 18 mei 1999 en 26 oktober 2004 inzake de wijze waarop die landen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.

Daarom is het wenselijk dat de autoriteiten van Zwitserland, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen en de Republiek Azerbeidzjan onverwijld bilaterale overeenkomsten sluiten over de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf, die vergelijkbaar zijn met de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

over de samenwerking op het gebied van reisdocumenten

De partijen komen overeen dat het bij artikel 12 van deze overeenkomst opgerichte Gemengd Comité bij het toezicht op de uitvoering van de overeenkomst nagaat welk effect het beveiligingsniveau van de respectieve reisdocumenten heeft op de werking van de overeenkomst. Daartoe komen de partijen overeen elkaar regelmatig op de hoogte te houden van de maatregelen om de wildgroei van reisdocumenten tegen te gaan, de technische aspecten van reisdocumentenbeveiliging te ontwikkelen en de afgifte van reisdocumenten verder te personaliseren.


GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING

over dienstpaspoorten

Beide partijen bevestigen, gezien het kader van deze onderhandelingen, dat deze overeenkomst onverlet laat dat de afzonderlijke lidstaten en de Republiek Azerbeidzjan bilaterale overeenkomsten kunnen sluiten waarbij houders van dienstpaspoorten worden vrijgesteld van de visumplicht


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/61


BESLUIT VAN DE RAAD

van 14 april 2014

inzake de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Europees Verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang

(2014/243/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 16 juli 1999 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om in het kader van de Raad van Europa, namens de Europese Gemeenschap, te onderhandelen over een verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang.

(2)

Het Europees Verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang („het verdrag”) werd op 24 januari 2001 door de Raad van Europa vastgesteld.

(3)

Het verdrag schept een regelgevingskader dat nagenoeg identiek is aan dat in Richtlijn 98/84/EG van het Europees Parlement en de Raad (1).

(4)

Het verdrag is op 1 juli 2003 in werking getreden en staat open voor ondertekening door de Unie.

(5)

De ondertekening van het verdrag zou ertoe kunnen bijdragen dat soortgelijke bepalingen als die van Richtlijn 98/84/EG ook buiten de grenzen van de Unie van toepassing zijn, en dat een voor het gehele Europese continent geldend recht inzake diensten gebaseerd op voorwaardelijke toegang wordt ingesteld.

(6)

Het verdrag dient, namens de Unie, te worden ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt namens de Unie machtiging verleend voor de ondertekening van het Europees Verdrag betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang (2), onder voorbehoud van de sluiting van het verdrag.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt, namens de Unie, gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) om het verdrag te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 14 april 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

A. TSAFTARIS


(1)  Richtlijn 98/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 1998 betreffende de rechtsbescherming van diensten gebaseerd op of bestaande uit voorwaardelijke toegang (PB L 320 van 28.11.1998, blz. 54).

(2)  De tekst van dit verdrag is bekendgemaakt in PB L 336 van 20.12.2011, blz. 2.


VERORDENINGEN

30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/62


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 436/2014 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2014

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Piranska sol (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Slovenië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Piranska sol” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Piranska sol” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB C 353 van 3.12.2013, blz. 15.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.8. Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen, enz.)

SLOVENIË

Piranska sol (BOB)


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/64


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 437/2014 VAN DE COMMISSIE

van 29 april 2014

tot goedkeuring van 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) dienen te worden beoordeeld. 4,5-Dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on is in die lijst opgenomen.

(2)

4,5-Dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on is overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 21 (aangroeiwerende middelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, wat overeenstemt met productsoort 21 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Noorwegen is als rapporteur aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 21 december 2010 bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de bevindingen van de toetsing opgenomen in een beoordelingsverslag dat op 13 maart 2014 door het Permanent Comité voor biociden is onderzocht.

(5)

Volgens dat beoordelingsverslag mag worden aangenomen dat biociden die voor productsoort 21 worden gebruikt en 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on bevatten, voldoen aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG, mits bepaalde specificaties en voorwaarden betreffende het gebruik ervan in acht worden genomen.

(6)

Daarom is het passend 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on goed te keuren voor gebruik in biociden voor productsoort 21 op voorwaarde dat aan die specificaties en voorwaarden wordt voldaan.

(7)

Aangezien de evaluatie geen nanomaterialen betrof, mag de goedkeuring krachtens artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012 geen betrekking hebben op dergelijke materialen.

(8)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd, teneinde de belanghebbende partijen in staat te stellen de nodige voorbereidende maatregelen te nemen om aan de vastgestelde nieuwe eisen te voldoen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

4,5-Dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 21, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 april 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).


BIJLAGE

Gewone naam

IUPAC-benaming

Identificatienummers

Minimale zuiver-heidsgraad van de werkzame stof (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goed-keuring

Product-soort

Bijzondere voorwaarden (2)

4,5-Dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on

IUPAC-benaming:

4,5-dichloor-2-octylisothiazool-3(2H)-on

EG-nummer: 264-843-8

CAS-nr.: 64359-81-5

950 g/kg

1 januari 2016

31 december 2025

21

Bij de beoordeling van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Personen die producten met 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on voor niet-beroepsmatige gebruikers in de handel brengen, moeten erop toezien dat de producten samen met geschikte veiligheidshandschoenen worden geleverd.

Aan de toelating worden de volgende voorwaarden verbonden:

1.

Voor industriële of beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, moeten bij de toepassing van de producten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt.

2.

Op de etiketten en zo nodig in de gebruiksaanwijzingen moet worden aangegeven dat kinderen moeten worden weggehouden tot de behandelde oppervlakken droog zijn.

3.

Op de etiketten en zo nodig op de veiligheidsinformatiebladen van toegelaten producten moet worden aangegeven dat toepassings-, onderhouds- en herstelactiviteiten worden uitgevoerd in een afgesloten gebied of op een ondoordringbare harde ondergrond met afdamming, of op een met een ondoordringbaar materiaal afgedekte ondergrond om verliezen te voorkomen en emissies in het milieu te beperken, en dat verliezen of afval dat 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on bevat met het oog op hergebruik of verwijdering moeten worden opgevangen.

4.

Voor producten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, moet worden nagegaan of nieuwe, dan wel gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL's) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (4), en moeten de nodige risicobeperkende maatregelen worden genomen om te garanderen dat de geldende MRL's niet worden overschreden.

Wanneer een voorwerp is behandeld met een of meer biociden die 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on bevatten, of wanneer in een voorwerp doelbewust een of meer van die producten zijn verwerkt, en zo nodig in verband met de mogelijkheid van huidcontact en het vrijkomen van 4,5-dichloor-2-octyl-2H-isothiazool-3-on onder normale gebruiksomstandigheden van het voorwerp, ziet de voor het in de handel brengen van het voorwerp verantwoordelijke persoon erop toe dat het etiket informatie verstrekt over het risico van huidsensibilisatie, alsook de informatie bedoeld in artikel 58, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) nr. 528/2012 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.

(2)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 528/2012 zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie (http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm).

(3)  Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11).

(4)  Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/68


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 438/2014 VAN DE COMMISSIE

van 29 april 2014

tot goedkeuring van cyproconazool als bestaande werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 8

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 89, lid 1, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) dienen te worden beoordeeld. Cyproconazool is in die lijst opgenomen.

(2)

Cyproconazool is overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 8 (houtconserveringsmiddelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn, wat overeenstemt met productsoort 8 zoals gedefinieerd in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 528/2012.

(3)

Ierland is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 30 mei 2012 bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing opgenomen in een beoordelingsverslag dat op 13 maart 2014 door het Permanent Comité voor biociden is onderzocht.

(5)

Volgens dat beoordelingsverslag mag van biociden die worden gebruikt voor productsoort 8 en die cyproconazool bevatten, worden aangenomen dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen, mits aan de bepaalde specificaties en voorwaarden voor het gebruik ervan is voldaan.

(6)

Bijgevolg moet cyproconazool worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoort 8, mits aan die specificaties en voorwaarden wordt voldaan.

(7)

Aangezien de evaluatie geen nanomaterialen betrof, mag de goedkeuring krachtens artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012 geen betrekking hebben op dergelijke materialen.

(8)

De conclusie van het verslag luidt dat cyproconazool voldoet aan de criteria om te worden ingedeeld als giftig voor de voortplanting categorie 1B overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4), en als zeer persistent (zP) en toxisch (T) overeenkomstig bijlage XIII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006. Hoewel de bestaande geharmoniseerde indeling van cyproconazool moet worden herzien overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1272/2008, moeten die intrinsieke eigenschappen in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de erkenningsperiode.

(9)

Aangezien niet aan de voorwaarden van artikel 90, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012 is voldaan, moet de huidige praktijk in het kader van Richtlijn 98/8/EG worden voortgezet. De periode van goedkeuring moet daarom vijf jaar bedragen.

(10)

Met het oog op de toelating van producten overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) nr. 528/2012 wordt cyproconazool echter geacht in aanmerking te komen voor vervanging overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder a) en d), van die verordening.

(11)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof wordt goedgekeurd om de betrokken partijen de gelegenheid te geven de nodige voorbereidende maatregelen te nemen om aan de nieuwe vastgestelde eisen te voldoen.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Cyproconazool wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 8, onder voorbehoud van de naleving van de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 april 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).


BIJLAGE

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiver-heidsgraad van de werkzame stof  (1)

Datum van goedkeuring

Datum van het verstrijken van de goed-keuring

Product-soort

Bijzondere voorwaarden (2)

Cyproconazool

IUPAC-naam:

(2RS,3RS;2RS,3SR)-2-(4-chloorfenyl)-3-cyclopropyl-1-(1H-1,2,4-triazool-1-yl)butaan-2-ol

EG-nummer: N.v.t.

CAS-nr.: 94361-06-5

Cyproconazool heeft twee diastereomeren.

Diastereomeer A: enantiomeer paar waarbij de 2-hydroxygroep en het 3-hydrogeen zich aan dezelfde zijde bevinden (2S, 3S en 2R, 3R).

Diastereomeer B: enantiomeer paar waarbij de 2-hydroxygroep en het 3-hydrogeen zich aan tegengestelde zijden bevinden (2S, 3S en 2R, 3R).

Technisch cyproconazool is een mengsel van ongeveer 1:1 van de twee diasteriomeren, die elk een mengsel van exact 1:1 van de enantiomeren zijn.

940 g/kg

Cyproconazool heeft twee diastereomeren.

(Diastereoisomeer A: 430-500 g/kg

Diastereoisomeer B: 470-500 g/kg).

1 november 2015

31 oktober 2020

8

Cyproconazool komt in aanmerking voor vervanging overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder a) en d), van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Bij de evaluatie van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie.

Aan de toelating worden de volgende voorwaarden verbonden:

1)

Voor industriële gebruikers moeten veilige operationele procedures en passende organisatorische maatregelen worden vastgesteld. Wanneer de blootstelling niet op andere manieren tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, moeten bij de toepassing van de producten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt.

2)

De producten worden niet toegelaten voor industrieel gebruik door dubbele vacuum-impregnering, tenzij gegevens worden ingediend waaruit blijkt dat het product geen onaanvaardbare risico's oplevert, zo nodig door toepassing van passende beperkende maatregelen.

3)

Er moeten passende risicobeperkende maatregelen worden getroffen om de aquatische en bodemcompartimenten te beschermen. Meer in het bijzonder:

a)

Op de etiketten en in voorkomend geval op de veiligheidsinformatiebladen van toegelaten producten moet worden aangegeven dat industrieel aanbrengen van het product moet worden uitgevoerd binnen een afgesloten gebied of op een ondoordringbare harde ondergrond met afdamming, dat pas behandeld hout na de behandeling onder een afdak en/of op een ondoordringbare harde ondergrond moet worden opgeslagen om rechtstreekse verliezen naar de bodem of naar water te voorkomen en dat verliezen bij het aanbrengen van het product met het oog op hergebruik of verwijdering moeten worden opgevangen;

b)

er worden geen producten toegelaten voor de industriële behandeling van hout dat wordt blootgesteld aan verwering, noch voor de behandeling van hout dat wordt gebruikt voor constructies in de openlucht, tenzij gegevens worden ingediend waaruit blijkt dat het product geen onaanvaardbare risico's zal opleveren, zo nodig door passende risicobeperkende maatregelen te treffen.


(1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) nr. 528/2012 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.

(2)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 528/2012 zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm.


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/72


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 439/2014 VAN DE COMMISSIE

van 29 april 2014

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 250/2009 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende structurele bedrijfsstatistieken, wat de definities van kenmerken en het technische formaat voor de indiening van gegevens betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 betreffende structurele bedrijfsstatistieken (1), en met name artikel 11, lid 1, onder a) en c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 295/2008 is een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor de verzameling, toezending en evaluatie van Europese statistieken over de structuur, de activiteiten, het concurrentievermogen en de prestaties van ondernemingen in de Europese Unie.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 250/2009 (2) zijn de definities vastgesteld van de kenmerken en het technische formaat voor de indiening van gegevens.

(3)

Het is nodig om definities vast te stellen voor de kenmerken van de demografie van ondernemingen met ten minste een werknemer om tegemoet te komen aan de behoefte aan een betere internationale vergelijkbaarheid van resultaten, met name wat ondernemenschapsstatistieken betreft. Deze definities moeten worden toegevoegd aan bijlage I bij Verordening (EG) nr. 250/2009. Het technisch formaat voor de indiening van gegevens, zoals uiteengezet in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 250/2009, met inbegrip van de lijst van identificatiecodes, de gegevensreeksen en de lijst variabelen moet daarom dienovereenkomstig worden bijgewerkt.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 250/2009 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 29 april 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 97 van 9.4.2008, blz. 13.

(2)  Verordening (EG) nr. 250/2009 van de Commissie van 11 maart 2009 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 295/2008 van het Europees Parlement en de Raad, wat de definities van kenmerken, het technische formaat voor de indiening van gegevens, de vereisten inzake dubbele verslaglegging volgens NACE Rev. 1.1 en NACE Rev. 2 en de afwijkingen voor de structurele bedrijfsstatistieken betreft (PB L 86 van 31.3.2009, blz. 1).


BIJLAGE

De bijlagen I en II bij Verordening (EG) nr. 250/2009 worden als volgt gewijzigd.

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende codes worden vóór code 11 11 0 ingevoegd:

„Code

:

11 01 0

Titel

:

Populatie van actieve ondernemingen met ten minste een werknemer in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal marktondernemingen die op enig moment in een bepaalde referentieperiode t ten minste een werknemer hadden.

Code

:

11 02 0

Titel

:

Aantal actieve ondernemingen met de eerste werknemer in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal marktondernemingen die op enig moment in een bepaalde referentieperiode t de eerste werknemer hadden. Dit kan verband houden met de oprichting van ondernemingen zoals gedefinieerd in 11 92 0, maar kan ook ondernemingen zoals gedefinieerd in 11 91 0 betreffen als de onderneming in eerdere referentieperiodes actief was, maar in twee voorafgaande referentieperiodes geen werknemers had.

Code

:

11 03 0

Titel

:

Aantal ondernemingen die vanaf enig moment in t geen werknemers meer hebben

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal marktondernemingen die vanaf enig moment binnen een bepaalde referentieperiode geen werknemers meer hebben, en die op een eerder moment in een gegeven referentieperiode t ten minste een werknemer hadden.

Dit kan verband houden met de opheffing van ondernemingen zoals gedefinieerd in 11 93 0 met ten minste een werknemer, maar kan ook ondernemingen betreffen zoals gedefinieerd in 11 01 0, als de onderneming actief blijft maar vanaf enig moment binnen een bepaalde referentieperiode en de daaropvolgende twee referentieperiodes (t + 1 en t + 2) geen werknemers meer heeft.

Hetzelfde is van toepassing als de arbeidsovereenkomst van de laatste werknemer op de 31e december afloopt in t.

Code

:

11 04 1

Titel

:

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 1 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

11 04 2

Titel

:

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 2 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

11 04 3

Titel

:

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 3 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

11 04 4

Titel

:

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 4 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

11 04 5

Titel

:

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 5 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal marktondernemingen met ten minste een werknemer op enig moment in elk jaar vanaf het jaar van de eerste werknemer (t – 1 tot en met t – 5) tot aan een bepaalde referentieperiode t.

De populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 02 0.

Een onderneming wordt ook geacht nog te bestaan als de ermee verbonden juridische eenheid (eenheden) weliswaar niet meer actief is (zijn), maar als haar/hun activiteit is overgenomen door een nieuwe juridische eenheid die speciaal is opgericht om de productiefactoren van die onderneming over te nemen (= bestaat nog door overname).”;

b)

de volgende code wordt vóór code 12 11 0 ingevoegd:

„Code

:

11 96 0

Titel

:

Aantal sterk groeiende ondernemingen, gemeten in aantal banen in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal marktondernemingen met ten minste tien werknemers in t – 3 waarvan het aantal werknemers in een periode van drie jaar (t–3 tot t) gemiddeld meer dan 10 % is gegroeid. Ondernemingen zoals in 11 92 0 gedefinieerd vallen hier niet onder.”;

c)

de volgende codes worden vóór code 16 11 0 ingevoegd:

„Code

:

16 01 0

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van actieve ondernemingen met ten minste een werknemer op enig moment in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werkzame personen wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 0. De populatie van actieve ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 01 0.

Code

:

16 01 1

Titel

:

Aantal werknemers in t in de populatie van actieve ondernemingen met ten minste een werknemer op enig moment in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werknemers wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 1. De populatie van actieve ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 01 0

Code

:

16 02 0

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werkzame personen wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 0. De populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 02 0.

Code

:

16 02 1

Titel

:

Aantal werknemers in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werknemers wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 1. De populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 02 0.

Code

:

16 03 0

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen die vanaf enig moment in t geen werknemers meer hebben

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werkzame personen wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 0. De populatie van ondernemingen die vanaf enig moment in t geen werknemers meer hebben, wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 03 0.

Code

:

16 03 1

Titel

:

Aantal werknemers in t in de populatie van ondernemingen die vanaf enig moment in t geen werknemers meer hebben

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werknemers wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 1. De populatie van ondernemingen die vanaf enig moment in t geen werknemers meer hebben, wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 03 0.

Code

:

16 04 1

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 1 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 04 2

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 2 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 04 3

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 3 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 04 4

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 4 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 04 5

Titel

:

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 5 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werkzame personen wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 0. De populatie ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 1 tot en met t – 5 en ten minste een werknemer op enig moment in t wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 04 1 tot 11 04 5.

Code

:

16 05 1

Titel

:

Aantal werkzame personen in t – 1 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 1 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 05 2

Titel

:

Aantal werkzame personen in t – 2 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment binnen t – 2 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 05 3

Titel

:

Aantal werkzame personen in t – 3 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 3 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 05 4

Titel

:

Aantal werkzame personen in t – 4 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 4 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Code

:

16 05 5

Titel

:

Aantal werkzame personen in t – 5 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 5 en ten minste een werknemer op enig moment in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werkzame personen wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 0. De populatie ondernemingen met de eerste werknemer op enig moment in t – 1 tot en met t – 5 en ten minste een werknemer in t wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 04 1 tot 11 04 5.”;

d)

de volgende code wordt vóór code 17 32 0 ingevoegd:

„Code

:

16 96 1

Titel

:

Aantal werknemers in sterk groeiende ondernemingen, gemeten in aantal banen in t

Bijlage

:

IX

Definitie:

Het aantal werknemers wordt gedefinieerd als in kenmerk 16 91 1. De populatie van sterk groeiende ondernemingen gemeten in aantal banen wordt gedefinieerd als in kenmerk 11 96 0.”.

2)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 2 worden de volgende identificatiecodes toegevoegd:

Soort reeks

Naam

Identificatiecode gegevensverzameling

„Jaarstatistiek ondernemingen — verzekeringsdiensten en pensioenfondsen

1G

RSBSSERV_1G1_A

Demografische jaarstatistiek van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar rechtsvorm

9E

RSBSBD_9E1_A

Demografische jaarstatistiek van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar grootteklasse van het aantal werknemers

9F

RSBSBD_9F1_A

Voorlopige jaarresultaten over opheffingen van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar rechtsvorm

9G

RSBSBD_9G1_A

Voorlopige jaarresultaten over opheffingen van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar grootteklasse van het aantal werknemers

9H

RSBSBD_9H1_A

Jaarstatistieken sterk groeiende ondernemingen, gemeten in het aantal banen

9M

RSBSBD_9 M1_A

Voorlopige jaarstatistieken sterk groeiende ondernemingen, gemeten in het aantal banen

9P

RSBSBD_9P1_A”

b)

in punt 2 wordt de titel van de soort reeks en de identificatiecodes bij 1D vervangen door het volgende:

Soort reeks

Naam

Identificatiecode gegevensverzameling

„Jaarstatistieken ondernemingen — centrale banken en kredietinstellingen ingedeeld in NACE Rev. 2 64.19

1D

RSBSSERV_1D2_A”

c)

in punt 4.1 worden de volgende reeksen aan de lijst toegevoegd:

Soort reeks

Code

„Jaarstatistiek ondernemingen — verzekeringsdiensten en pensioenfondsen

1G

Demografische jaarstatistiek van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar rechtsvorm

9E

Demografische jaarstatistiek van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar grootteklasse van het aantal werknemers

9F

Voorlopige jaarresultaten over opheffingen van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar rechtsvorm

9G

Voorlopige jaarresultaten over opheffingen van ondernemingen met ten minste een werknemer, naar grootteklasse van het aantal werknemers

9H

Jaarstatistieken sterk groeiende ondernemingen, gemeten in het aantal banen

9M

Voorlopige jaarstatistieken sterk groeiende ondernemingen, gemeten in het aantal banen

9P”

d)

in punt 4.1 wordt de titel van de soort reeks bij 1D vervangen door het volgende:

„Jaarstatistieken ondernemingen — centrale banken en kredietinstellingen ingedeeld in NACE Rev. 2 64.19”

e)

in punt 4.5 worden de volgende variabelen aan de lijst toegevoegd:

Omschrijving van de variabele

Code

Bijlage

„Populatie van actieve ondernemingen met ten minste een werknemer in t

11 01 0

IX

Aantal actieve ondernemingen met de eerste werknemer in t

11 02 0

IX

Aantal ondernemingen die in t geen werknemers meer hebben

11 03 0

IX

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer in t – 1 en ten minste een werknemer in t

11 04 1

IX

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer in t – 2 en ten minste een werknemer in t

11 04 2

IX

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer in t – 3 en ten minste een werknemer in t

11 04 3

IX

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer in t – 4 en ten minste een werknemer in t

11 04 4

IX

Aantal ondernemingen met de eerste werknemer in t – 5 en ten minste een werknemer in t

11 04 5

IX

Aantal sterk groeiende ondernemingen, gemeten in aantal banen in t

11 96 0

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van actieve ondernemingen met ten minste een werknemer in t

16 01 0

IX

Aantal werknemers in t in de populatie van actieve ondernemingen met ten minste een werknemer in t

16 01 1

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t

16 02 0

IX

Aantal werknemers in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t

16 02 1

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen die in t geen werknemers meer hebben

16 03 0

IX

Aantal werknemers in t in de populatie van ondernemingen die in t geen werknemers meer hebben

16 03 1

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 1 en ten minste een werknemer in t

16 04 1

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 2 en ten minste een werknemer in t

16 04 2

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 3 en ten minste een werknemer in t

16 04 3

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 4 en ten minste een werknemer in t

16 04 4

IX

Aantal werkzame personen in t in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 5 en ten minste een werknemer in t

16 04 5

IX

Aantal werkzame personen in t – 1 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 1 en ten minste een werknemer in t

16 05 1

IX

Aantal werkzame personen in t – 2 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 2 en ten minste een werknemer in t

16 05 2

IX

Aantal werkzame personen in t – 3 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 3 en ten minste een werknemer in t

16 05 3

IX

Aantal werkzame personen in t – 4 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 4 en ten minste een werknemer in t

16 05 4

IX

Aantal werkzame personen in t – 5 in de populatie van ondernemingen met de eerste werknemer in t – 5 en ten minste een werknemer in t

16 05 5

IX

Aantal werknemers in sterk groeiende ondernemingen, gemeten in aantal banen in t

16 96 1

IX”


30.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/79


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 440/2014 VAN DE COMMISSIE

van 29 april 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 april 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

CL

173,8

MA

42,9

MK

105,0

TN

89,9

TR

83,5

ZZ

99,0

0707 00 05

AL

41,5

MA

39,8

TR

133,0

ZZ

71,4

0709 93 10

MA

70,8

TR

88,1

ZZ

79,5

0805 10 20

EG

45,5

IL

73,9

MA

51,2

TN

64,4

TR

57,0

ZZ

58,4

0805 50 10

MA

35,6

TR

85,1

ZZ

60,4

0808 10 80

AR

108,6

BR

84,5

CL

105,2

CN

98,7

MK

26,2

NZ

130,5

US

170,5

ZA

123,3

ZZ

105,9

0808 30 90

AR

90,6

CL

146,3

CN

83,2

TR

97,0

ZA

109,4

ZZ

105,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.