ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2014.077.dut

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 77

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
15 maart 2014


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede

1

 

*

Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)

11

 

*

Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument

27

 

*

Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

44

 

*

Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen

77

 

*

Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld

85

 

*

Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden

95

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (Euratom) nr. 237/2014 van de Raad van 13 maart 2013 tot vaststelling van een instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid

109

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/1


VERORDENING (EU) Nr. 230/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze verordening is een van de instrumenten voor de rechtstreekse steun aan het externe beleid van de Europese Unie. Zij volgt op Verordening (EG) nr. 1717/2006 van het Europees Parlement en de Raad (2), die op 31 december 2013 is verstreken.

(2)

Handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten, versterking van de internationale veiligheid en het verlenen van hulp aan bevolkingen, landen en regio's die zich met natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen geconfronteerd zien, behoren tot de belangrijkste doelstellingen van het externe optreden van de Unie als bepaald in onder meer artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De crises en conflicten waarmee landen en regio's over de hele wereld te kampen hebben en andere factoren, zoals terrorisme, georganiseerde misdaad, op gender gebaseerd geweld, klimaatverandering, uitdagingen op het gebied van cyberveiligheid alsmede veiligheidsrisico's die het gevolg zijn van natuurrampen vormen een gevaar voor de stabiliteit en de veiligheid. Om de bovengenoemde kwesties doelmatig en tijdig te kunnen aanpakken zijn specifieke financiële middelen en instrumenten nodig die een aanvulling kunnen vormen op humanitaire hulp en de instrumenten voor samenwerking op lange termijn.

(3)

In zijn conclusies van 15 en 16 juni 2001 heeft de Europese Raad zijn goedkeuring gehecht aan het programma van de Unie voor de preventie van gewelddadige conflicten, waarin de politieke inzet van de EU voor conflictpreventie als een van de hoofddoelstellingen van de externe betrekkingen van de Unie, werd benadrukt, en heeft hij aangegeven dat de instrumenten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van deze doelstelling. In de conclusies van de Raad van 20 juni 2011 over conflictpreventie wordt bevestigd dat bovengenoemd programma een deugdelijke beleidsbasis is voor het verdere optreden van de Unie op het gebied van conflictpreventie. Voorts heeft de Raad in zijn conclusies van 17 november 2009 het „Concept inzake versterking van de bemiddelings- en dialoogcapaciteit van de EU” onderschreven.

(4)

In de conclusies van de Raad inzake een antwoord van de EU op onstabiele situaties van 19 november 2007 en in de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, inzake veiligheid en ontwikkeling, eveneens van 19 november 2007, wordt benadrukt dat de Unie bij haar strategieën en beleid met de verwevenheid van ontwikkeling en veiligheid rekening moet houden, teneinde de beleidscoherentie voor ontwikkeling overeenkomstig artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en de samenhang van haar externe optreden in het algemeen, te bevorderen. Meer specifiek concludeerde de Raad dat bij toekomstige werkzaamheden betreffende veiligheid en ontwikkeling ook plaats moet worden ingeruimd voor de veiligheids- en ontwikkelingsimplicaties van klimaatverandering, van aspecten betreffende het milieubeheer en het beheer van de natuurlijke hulpbronnen en van migratie.

(5)

De Europese Raad heeft op 12 december 2003 zijn goedkeuring gehecht aan de Europese veiligheidsstrategie en op 11 december 2008 aan de gezamenlijke analyse van het verslag over de tenuitvoerlegging van die strategie. In haar mededeling „EU-interneveiligheidsstrategie in actie: vijf stappen voor een veiliger Europa” wees de Commissie ook op het belang van samenwerking met derde landen en regionale organisaties, met name voor de bestrijding van meervoudige dreigingen, zoals mensen- en drugshandel en terrorisme.

(6)

In haar mededeling met als titel „Aanzet tot een antwoord van de EU op onstabiele situaties — Engagement voor duurzame ontwikkeling, stabiliteit en vrede onder moeilijke omstandigheden” erkende de Commissie dat de Unie een essentiële rol heeft gespeeld bij het bevorderen van vrede en stabiliteit door gewelddadigheden en de achterliggende oorzaken van onveiligheid en gewelddadige conflicten aan te pakken. Deze verordening moet helpen deze doelstellingen te verwezenlijken.

(7)

Op 8 december 2008 heeft de Raad een globale aanpak goedgekeurd van de uitvoering door de Unie van Resoluties 1325(2000) en 1820(2008) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties betreffende vrouwen, vrede en veiligheid, waarin de nauwe verbondenheid van vrede, veiligheid, ontwikkeling en gendergelijkheid wordt onderkend. De Unie heeft steeds de wens uitgesproken dat volledige uitvoering wordt gegeven aan de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid uit de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, en met name dat geweld tegen vrouwen in conflictsituaties moet worden bestreden en dat vrouwen intensiever bij vredesopbouw moeten worden betrokken.

(8)

In het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie, op 25 juni 2012 door de Raad aangenomen, wordt aangedrongen op het ontwikkelen van operationele aansturing opdat bij het ontwerpen en uitvoeren van bijstandsmaatregelen inzake terrorismebestrijding rekening wordt gehouden met mensenrechten; tevens wordt beklemtoond dat de uitbanning van foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, en eerbiediging van een deugdelijke procesvoering (waaronder het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging) prioriteiten zijn van de Unie bij de toepassing van mensenrechten.

(9)

Democratie en mensenrechten staan in de betrekkingen van de Unie met derde landen voorop en moeten daarom in het kader van deze verordening worden gezien als beginselen.

(10)

Volgens de verklaring van de Europese Raad van 25 maart 2004 inzake terrorismebestrijding moeten doelstellingen in verband met terrorismebestrijding in de programma's voor externe bijstand worden geïntegreerd. In de terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie, die op 30 november 2005 werd goedgekeurd door de Raad, wordt aangedrongen op een sterkere samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding met derde landen en de Verenigde Naties. De conclusies van de Raad van 23 mei 2011 over een sterkere koppeling tussen de interne en de externe aspecten van terrorismebestrijding stellen dat bij de strategische programmering van het stabiliteitsinstrument, ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1717/2006, de capaciteit van de bevoegde autoriteiten die bij terrorismebestrijding in derde landen betrokken zijn, moet worden vergroot.

(11)

Met de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1717/2006 werd beoogd de Unie in staat te stellen voor een consequente en geïntegreerde respons op crisissituaties en dreigende crises te zorgen, specifieke mondiale en transregionale veiligheidsdreigingen aan te pakken en de crisisparaatheid te verhogen. De onderhavige verordening heeft ten doel een herzien instrument in te voeren, dat voortbouwt op de met Verordening (EG) nr. 1717/2006 opgedane ervaringen, teneinde de efficiëntie en samenhang van het optreden van de Unie bij crisisrespons, conflictpreventie, vredesopbouw en crisisparaatheid en het aanpakken van veiligheidsdreigingen en -uitdagingen te vergroten.

(12)

De uit hoofde van deze verordening vastgestelde maatregelen dienen gericht te zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 21 van het VEU en de artikelen 208 en 212 van het VWEU. Zij kunnen complementair zijn aan en dienen aan te sluiten bij de maatregelen die de EU heeft vastgesteld voor de verwezenlijking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid in het kader van titel V van het VEU en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het vijfde deel van het VWEU. De Raad en de Commissie dienen samen te werken om deze consistentie te garanderen, elk in overeenstemming met de eigen bevoegdheden.

(13)

Deze verordening moet stroken met de bepalingen over de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), vastgelegd in Besluit 2010/427/EU van de Raad (3). In de verklaring van 2010 van de hoge vertegenwoordiger over politieke verantwoording worden de beginselen dialoog, raadpleging, informatie en rapportering aan het Europees Parlement bevestigd.

(14)

De Commissie en de EDEO, al naar gelang het geval, moeten regelmatig en vaak overleg plegen en informatie uitwisselen met het Europees Parlement. Daarnaast moet het Europees Parlement toegang krijgen tot documenten overeenkomstig de interinstitutionele akkoorden ter zake, opdat het zijn recht van toetsing uit hoofde van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4) met kennis van zaken kan uitoefenen.

(15)

Bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5) zijn gemeenschappelijke regels en procedures vastgesteld voor de uitvoering van de instrumenten van de Unie voor de financiering van extern optreden.

(16)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot programmerings- en uitvoeringsmaatregelen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

(17)

Gegeven de aard van die uitvoeringshandelingen, met name hun beleidsbepalende karakter en hun gevolgen voor de begroting, dient voor de vaststelling ervan de onderzoeksprocedure te worden toegepast, behalve in het geval van maatregelen met geringe financiële implicaties.

(18)

De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin een snelle respons van de Unie noodzakelijk is, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(19)

De Unie moet ervoor zorgen dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt voor een zo groot mogelijk effect van haar externe optreden. Dit moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen deze verordening, andere instrumenten van de Unie voor de financiering van extern optreden en andere beleidsonderdelen van de Unie. Dit moet leiden tot wederzijdse versterking van de programma's die uit de instrumenten voor financiering van extern optreden voortkomen.

(20)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(21)

In deze verordening worden voor de hele toepassingsperiode ervan de financiële middelen vastgelegd, die het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (6) voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

(22)

Het is aangewezen dat de toepassingsperiode van deze verordening in overeenstemming wordt gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (7). Derhalve dient de onderhavige verordening van toepassing te zijn van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en doelstellingen

1.   Bij deze verordening wordt een instrument (het „instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede”) ingesteld dat voor de periode van 2014 tot en met 2020 voorziet in rechtstreekse steun voor het externe beleid van de Unie, door de doeltreffendheid en samenhang van het optreden van de Unie bij crisisrespons, conflictpreventie, vredesopbouw en crisisparaatheid v en bij de aanpak van mondiale en transregionale dreigingen, te vergroten.

2.   De Unie neemt maatregelen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en op het gebied van financiële, economische en technische samenwerking met derde landen, regionale en internationale organisaties en andere statelijke actoren en actoren uit het maatschappelijk middenveld, overeenkomstig de in deze verordening neergelegde voorwaarden.

3.   Voor de toepassing van deze verordening omvatten actoren uit het maatschappelijk middenveld niet-gouvernementele organisaties, organisaties die inheemse volken vertegenwoordigen, lokale burgergroeperingen en verenigingen van handelaren, coöperaties, vakbonden, organisaties die economische en maatschappelijke belangen vertegenwoordigen, lokale organisaties (met inbegrip van netwerken) die betrokken zijn bij gedecentraliseerde regionale samenwerking en integratie, consumentenorganisaties, vrouwen- en jongerenorganisaties, culturele, onderwijs-, onderzoeks- en wetenschappelijke organisaties, universiteiten, kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen, de media en alle niet-gouvernementele verenigingen en particuliere en publieke stichtingen die waarschijnlijk kunnen bijdragen tot de ontwikkeling of tot de externe dimensie van interne beleidsmaatregelen. Andere organen of actoren die in dit lid niet zijn genoemd, kunnen worden gefinancierd wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.

4.   De specifieke doelstellingen van deze verordening zijn:

a)

in een situatie van crisis of dreigende crisis snel bijdragen aan de stabiliteit door middel van een effectieve respons die bedoeld is om te helpen met het behouden, creëren of herstellen van de noodzakelijke voorwaarden voor een behoorlijke uitvoering van de externe beleidsmaatregelen en acties van de Unie overeenkomstig artikel 21 van het VEU;

b)

bijdragen aan de preventie van conflicten en aan het waarborgen van de capaciteit en de paraatheid om met pre- en postcrisissituaties om te gaan en te bouwen aan vrede; en

c)

aanpakken van specifieke mondiale en transregionale bedreigingen voor de vrede en de internationale veiligheid en stabiliteit.

Artikel 2

Consistentie en aanvullend karakter van de Uniebijstand

1.   De Commissie ziet erop toe dat uit hoofde van deze verordening genomen maatregelen stroken met het algemene strategische beleidskader van de Unie voor de partnerlanden, en met name met de doelen van de in lid 2 bedoelde maatregelen, alsmede met andere relevante maatregelen van de Unie.

2.   Maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden vastgesteld, kunnen complementair zijn met en dienen aan te sluiten bij de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van titel V van het VEU en het vijfde deel van het VWEU. Bij maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden vastgesteld, wordt rekening gehouden met de zienswijzen van het Europees Parlement.

3.   De krachtens deze verordening verleende bijstand van de Unie is een aanvulling op de bijstand die uit hoofde van Unie-instrumenten voor externe bijstand wordt geboden, wordt slechts verleend voor zover geen adequate en effectieve reactie uit hoofde van bovengenoemde instrumenten mogelijk is en wordt op zodanige wijze gepland en uitgevoerd dat de continuïteit van acties uit hoofde van die instrumenten, waar van toepassing, wordt verwezenlijkt.

4.   De volgende horizontale aspecten worden waar mogelijk in de programmering opgenomen:

a)

de bevordering van democratie en goed bestuur;

b)

mensenrechten en humanitair recht, waaronder kinderrechten en rechten van inheemse volkeren;

c)

non-discriminatie;

d)

gendergelijkheid en de vrouwenemancipatie;

e)

conflictpreventie; en

f)

klimaatverandering.

5.   Activiteiten die onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad (8) en Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (9) vallen en uit hoofde van deze handelingen in aanmerking komen voor financiering, kunnen niet in het kader van deze verordening worden gefinancierd.

6.   Ter verhoging van de doelmatigheid en het aanvullende karakter van bijstandsmaatregelen van de Unie en de lidstaten en ter voorkoming van dubbele financiering, dient de Commissie een nauwe coördinatie tussen de activiteiten van de Unie onderling en met de activiteiten van de lidstaten te bevorderen, zowel op het niveau van de besluitvorming als in het veld. Te dien einde maken de lidstaten en de Commissie gebruik van een systeem voor de uitwisseling van gegevens. De Commissie kan initiatieven nemen om deze coördinatie te bevorderen. Daarnaast zorgt de Commissie voor de coördinatie en samenwerking met multilaterale, regionale en subregionale organisaties en andere donoren.

TITEL II

SOORTEN BIJSTANDSVERLENING VAN DE UNIE

Artikel 3

Bijstand in respons op crises of dreigende crises met het oog op conflictpreventie

1.   De Unie verleent ter verwezenlijking van de in artikel 1, lid 4, onder a), bedoelde specifieke doelstellingen technische en financiële bijstand wanneer zich onderstaande uitzonderlijke, onvoorziene situaties voordoen:

a)

een noodsituatie, een crisis of een opkomende crisis,

b)

een situatie die een gevaar betekent voor de democratie, de rechtsstaat en de openbare orde, de bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, of de beveiliging en de veiligheid van personen, in het bijzonder personen die blootstaan aan gendergerelateerd geweld in onstabiele situaties, of

c)

een situatie die dreigt te ontaarden in een gewapend conflict of die het derde land of de derde landen in kwestie ernstig dreigt te destabiliseren.

Deze bijstand kan eveneens gericht zijn op situaties waarin de Unie met een beroep op de clausule „essentiële elementen” van internationale overeenkomsten de samenwerking met derde landen geheel of gedeeltelijk opschort.

2.   De in lid 1 bedoelde technische en financiële bijstand kan de volgende terreinen bestrijken:

a)

steun, door middel van technische en logistieke bijstand, voor de inspanningen van internationale en regionale organisaties, statelijke actoren en actoren uit het maatschappelijk middenveld ter bevordering van vertrouwenscheppende maatregelen, bemiddeling, dialoog en verzoening;

b)

steun voor de uitvoering van de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties betreffende vrouwen, vrede en veiligheid, met name in fragiele landen of landen die zich in een conflict- of postconflictsituatie bevinden;

c)

steun voor het tot stand komen en doen functioneren van interim-regeringen met een mandaat overeenkomstig het internationaal recht;

d)

steun voor de ontwikkeling van democratische en pluralistische staatsinstellingen, waaronder maatregelen om de rol van vrouwen in zulke instellingen te versterken, alsmede voor doelmatig burgerlijk bestuur en burgerlijk toezicht op het veiligheidsapparaat, en maatregelen ter versterking van de capaciteit van de rechtshandhavings- en justitiële autoriteiten die zijn betrokken bij de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad en alle vormen van illegale handel;

e)

steun voor internationale strafhoven en ad hoc nationale tribunalen, waarheids- en verzoeningscommissies en mechanismen voor de juridische afdoening van mensenrechtenklachten en voor de vaststelling en toekenning van eigendomsrechten, ingesteld volgens internationale normen op het gebied van de mensenrechten en de rechtsstaat;

f)

steun voor de maatregelen die nodig zijn om een begin te maken met het herstel en de wederopbouw van belangrijke infrastructuur, huisvesting, openbare gebouwen en economische goederen, en fundamentele productiefaciliteiten, alsmede andere maatregelen voor het weer op gang brengen van de economische activiteit, het scheppen van werkgelegenheid en de verwezenlijking van de minimumvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor duurzame maatschappelijke ontwikkeling;

g)

steun voor civiele maatregelen in verband met de demobilisatie en herintegratie van voormalige strijders en hun gezin in de burgermaatschappij en, indien passend, hun repatriëring, alsmede maatregelen om het probleem van kindsoldaten en vrouwelijke strijders aan te pakken;

h)

steun voor maatregelen om de maatschappelijke gevolgen van herstructurering van de strijdkrachten op te vangen;

i)

steun voor maatregelen om, binnen het bestek van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, van de sociaaleconomische gevolgen voor de burgerbevolking van antipersoneelmijnen, niet-geëxplodeerde munitie of explosieve overblijfselen van de oorlog, aan te pakken. Tot de op grond van deze verordening gefinancierde activiteiten kunnen onder meer voorlichting over risico's, mijndetectie en -opruiming en, in samenhang daarmee, vernietiging van voorraden behoren;

j)

steun voor maatregelen om, binnen het bestek van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, het illegaal bezit en gebruik van vuurwapens, handvuurwapens en lichte wapens, tegen te gaan;

k)

steun voor maatregelen om ervoor te zorgen dat er adequaat wordt ingespeeld op de specifieke behoeften van vrouwen en kinderen in crisis- en conflictsituaties, waaronder hun blootstelling aan gendergerelateerd geweld;

l)

steun voor de revalidatie en herintegratie van de slachtoffers van gewapende geschillen, waaronder ook maatregelen om in de specifieke behoeften van vrouwen en kinderen te voorzien;

m)

steun voor maatregelen om de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, democratische beginselen en de rechtsstaat en van de desbetreffende internationale instrumenten te bevorderen en te handhaven;

n)

steun voor sociaaleconomische maatregelen ter bevordering van een eerlijke toegang tot en een transparant beheer van natuurlijke rijkdommen in een situatie van crisis of dreigende crisis, met inbegrip van vredesopbouw;

o)

steun voor maatregelen ter ondervanging van de mogelijke gevolgen van plotselinge bevolkingsstromen die van belang zijn voor de politieke en veiligheidssituatie, waaronder ook maatregelen om in de behoeften van de gastgemeenschappen te voorzien in een situatie van crisis of dreigende crisis, met inbegrip van vredesopbouw;

p)

steun voor maatregelen om de ontwikkeling en de organisatie van het maatschappelijke middenveld en zijn participatie in het politieke proces te bevorderen, waaronder maatregelen ter versterking van de rol van vrouwen in dergelijke processen en ter bevordering van onafhankelijke pluralistische, professionele media;

q)

steun voor maatregelen in respons op natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen die een bedreiging voor de stabiliteit vormen, alsmede op met pandemieën samenhangende bedreigingen van de volksgezondheid bij ontbreken van of in aanvulling op door de Unie verleende humanitaire bijstand of bijstand voor civiele bescherming.

3.   In de in lid 1 van dit artikel genoemde situaties kan de Unie ook technische en financiële bijstand bieden die niet uitdrukkelijk wordt genoemd in lid 2 van dit artikel. Deze bijstand blijft beperkt tot buitengewone steunmaatregelen in de zin van artikel 7, lid 2, die voldoen aan alle onderstaande voorwaarden:

a)

ze vallen binnen zowel het algemene toepassingsgebied van deze verordening als de specifieke doelstellingen als omschreven in artikel 1, lid 4, onder a),

b)

ze zijn in looptijd beperkt tot de in artikel 7, lid 2, genoemde periode, en

c)

ze komen normaliter in aanmerking krachtens andere instrumenten van de Unie voor externe bijstand of de andere onderdelen van deze verordening, maar moeten door middel van maatregelen voor het beheer van crisissituaties en dreigende crisis worden afgehandeld omdat de situatie noopt tot een snelle respons.

Artikel 4

Bijstand voor conflictpreventie, vredesopbouw en crisisparaatheid

1.   De Unie verleent ter verwezenlijking van de in artikel 1, lid 4, onder b), bedoelde specifieke doelstellingen technische en financiële bijstand. Deze bijstand wordt verleend voor maatregelen die zijn gericht op de opbouw en de versterking van het vermogen van de Unie en haar partners om conflicten te voorkomen, vrede op te bouwen en te voorzien in behoeften in pre- en postcrisissituaties in nauwe samenwerking met de Verenigde Naties en andere internationale, regionale en subregionale organisaties, statelijke actoren en actoren uit het maatschappelijk middenveld met betrekking tot hun inspanningen op het gebied van:

a)

bevordering van vroegtijdige waarschuwing en van conflictbewuste risicoanalyse in de beleidsvorming en de beleidsuitvoering;

b)

bevordering en opbouw van capaciteit voor vertrouwensopbouw, bemiddeling, dialoog en verzoening, met bijzondere aandacht voor groeiende spanningen tussen gemeenschappen;

c)

versterking van capaciteiten voor de deelname aan en de inzet bij civiele stabilisatiemissies;

d)

verbetering van het herstel na een conflict of een ramp die van belang is voor de politieke en veiligheidssituatie;

e)

beteugeling van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen voor het financieren van conflicten, en steun voor de naleving door belanghebbenden van initiatieven zoals de Kimberleyproces-certificering, vooral wat betreft de uitvoering van efficiënte nationale controles op de productie van en de handel in natuurlijke hulpbronnen.

2.   De in dit artikel genoemde maatregelen:

a)

omvatten de overdracht van knowhow, de uitwisseling van informatie en beste praktijken, de beoordeling van risico's of bedreigingen, onderzoek en analyse, systemen voor vroegtijdige waarschuwing, opleiding en dienstverlening;

b)

dragen bij aan de verdere ontwikkeling van een gestructureerde dialoog over vredesopbouwvraagstukken;

c)

kunnen technische en financiële bijstand voor de uitvoering van maatregelen ter ondersteuning van vredesopbouw en staatsopbouw omvatten.

Artikel 5

Bijstand voor het aanpakken van mondiale en transregionale dreigingen en opkomende dreigingen

1.   De Unie verleent ter verwezenlijking van de in artikel 1, lid 4, onder c), bedoelde specifieke doelstellingen technische en financiële bijstand op de volgende gebieden:

a)

situaties die een bedreiging vormen voor de rechtsstaat en de openbare orde, de beveiliging en de veiligheid van personen, kritieke infrastructuur en de volksgezondheid;

b)

vermindering van en paraatheid bij hetzij opzettelijk, hetzij door ongevallen of door de natuur veroorzaakte risico's in verband met chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen en stoffen.

2.   Bijstand als bedoeld in lid 1, onder a), wordt verleend voor maatregelen die zijn gericht op:

a)

de versterking van de capaciteit van de rechtshandhavings-, justitiële en civiele autoriteiten die zich bezighouden met de bestrijding van terrorisme, georganiseerde misdaad, met inbegrip van cybercriminaliteit, en alle vormen van illegale handel, en met daadwerkelijke controle van illegale handel en doorvoer;

b)

het aanpakken van bedreigingen voor kritieke infrastructuur, waaronder internationaal vervoer, met inbegrip van personen- en goederenvervoer, energievoorziening en energiedistributie en elektronische informatie- en communicatienetwerken. Dergelijke maatregelen leggen specifiek de nadruk op transregionale samenwerking en de toepassing van internationale normen inzake risicobewustzijn, kwetsbaarheidsanalyse, paraatheid bij noodsituaties, waarschuwing en beheer van gevolgen;

c)

het waarborgen van een adequate respons op grote gevaren voor de volksgezondheid, waaronder plotselinge epidemieën, met eventuele grensoverschrijdende gevolgen;

d)

het aanpakken van mondiale en transregionale gevolgen van de klimaatverandering die een potentieel destabiliserend effect hebben op vrede en veiligheid.

3.   In verband met de maatregelen bedoeld in lid 2, onder a), geldt het volgende:

a)

er wordt prioriteit verleend aan transregionale samenwerking waarbij twee of meer derde landen betrokken zijn die duidelijk de politieke wil hebben getoond om de problemen die zich voordoen, aan te pakken. Op het gebied van terrorismebestrijding kan ook worden samengewerkt met individuele landen, regio's of internationale, regionale en subregionale organisaties;

b)

de maatregelen leggen specifiek de nadruk op goed bestuur en zijn in overeenstemming met het internationaal recht;

c)

op het gebied van bijstand aan autoriteiten die betrokken zijn bij de strijd tegen het terrorisme, wordt prioriteit verleend aan ondersteunende maatregelen voor de ontwikkeling en de versterking van de wetgeving tegen het terrorisme, voor de toepassing en de uitoefening van het financieel recht, het douanerecht en het immigratierecht, voor de ontwikkeling van procedures voor rechtshandhaving die in overeenstemming zijn met de hoogste internationale normen en het internationaal recht naleven, voor de versterking van mechanismen voor democratische controle en institutioneel toezicht en voor het voorkomen van gewelddadig radicalisme;

d)

op het gebied van bijstand inzake het drugsprobleem wordt de nodige aandacht besteed aan internationale samenwerking gericht op de bevordering van de beste praktijken op het gebied van terugdringing van de vraag en van de productie en de vermindering van de schade.

4.   Op de gebieden bedoeld in lid 1, onder b), wordt bijstand verleend voor maatregelen die zijn gericht op:

a)

de bevordering van civiele onderzoeksactiviteiten als alternatief voor defensiegerelateerd onderzoek;

b)

de verbetering van de veiligheid in civiele voorzieningen waar gevoelige chemische, biologische, radiologische of nucleaire materialen of stoffen worden opgeslagen of aangewend in het kader van civiele onderzoeksprogramma's;

c)

de ondersteuning, in het kader van het samenwerkingsbeleid van de Unie en de doelstellingen daarvan, van civiele voorzieningen en de verrichting van relevante civiele studies die nodig zijn voor de ontmanteling, sanering of omvorming van wapensgerelateerde voorzieningen en locaties als besloten is dat deze niet langer deel uitmaken van een defensieprogramma;

d)

de versterking van de capaciteit van de bevoegde civiele autoriteiten die zich bezighouden met de ontwikkeling en het handhaven van doeltreffende controles op de illegale handel in chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen of stoffen (met inbegrip van de uitrusting voor de productie of levering ervan);

e)

de ontwikkeling van het juridisch kader en de institutionele capaciteit voor de instelling en handhaving van doeltreffende uitvoercontroles op goederen voor tweeërlei gebruik, met inbegrip van maatregelen op het gebied van regionale samenwerking;

f)

de ontwikkeling van doeltreffende civiele rampenparaatheid, rampenplannen, crisisrespons en capaciteit voor saneringsmaatregelen.

TITEL III

PROGRAMMERING EN TENUITVOERLEGGING

Artikel 6

Algemeen kader

De verlening van Uniebijstand wordt uitgevoerd, in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 236/2014 door:

a)

buitengewone steunmaatregelen en interim-responsprogramma's als bedoeld in artikel 7;

b)

thematische strategiedocumenten en meerjarige indicatieve programma's als bedoeld in artikel 8;

c)

jaarlijkse actieprogramma's, individuele maatregelen en bijzondere maatregelen;

d)

ondersteunende maatregelen.

Artikel 7

Buitengewone steunmaatregelen en interim-responsprogramma's

1.   De bijstandsverlening van de Unie uit hoofde van artikel 3 wordt uitgevoerd door middel van buitengewone steunmaatregelen en interim-responsprogramma's.

2.   De Commissie kan in situaties als bedoeld in artikel 3, lid 1, buitengewone steunmaatregelen vaststellen die voldaan aan de voorwaarden van lid 3. Een dergelijke buitengewone steunmaatregel kan een duur van maximaal 18 maanden hebben, die maximaal twee maal kan worden verlengd met een periode van in totaal maximaal zes maanden, tot een maximale duur van 30 maanden, wanneer de tenuitvoerlegging ervan stuit op objectieve, onvoorziene hindernissen, mits het aan de maatregel verbonden financiële bedrag niet hoger wordt.

In geval van langdurige crises of conflicten kan de Commissie een tweede buitengewone steunmaatregel vaststellen waarvan de duur maximaal 18 maanden bedraagt.

De duur van de in de eerste alinea bedoelde buitengewone steunmaatregel in combinatie met de duur van de in de tweede alinea bedoelde buitengewone steunmaatregel mag niet meer dan 36 maanden bedragen.

3.   Wanneer een buitengewone steunmaatregel meer dan 20 000 000 EUR kost, wordt die maatregel goedgekeurd volgens de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   Alvorens een buitengewone steunmaatregel ten belope van maximaal 20 000 000 EUR vast te stellen of te verlengen, brengt de Commissie de Raad op de hoogte van aard en doel van die maatregel en het voorziene bedrag. Zij stelt de Raad eveneens op de hoogte voordat zij belangrijke substantiële wijzigingen aanbrengt in reeds vastgestelde buitengewone steunmaatregelen. Omwille van de samenhang van het externe optreden van de Unie houdt de Commissie bij de planning en de uitvoering van deze maatregelen rekening met de beleidsbenadering van de Raad op dit gebied.

5.   Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen drie maanden na de goedkeuring van een buitengewone steunmaatregel, brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad, waarbij zij een overzicht verschaft van de aard en de context van en de beweegredenen voor de getroffen maatregelen, met inbegrip van het aanvullende karakter ervan ten opzichte van de lopende en geplande respons van de Unie.

6.   De Commissie kan volgens de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure interim-responsprogramma's vaststellen voor het scheppen of herstellen van de essentiële voorwaarden voor de effectieve uitvoering van het beleid van de Unie op het gebied van externe samenwerking.

Met deze interim-responsprogramma's dient te worden voortgebouwd op buitengewone steunmaatregelen.

7.   De Commissie brengt het Europees Parlement naar behoren en tijdig op de hoogte van de planning en uitvoering van de bijstand van de Unie uit hoofde van artikel 3, met inbegrip van de beoogde financiële bedragen, en informeert het Europees Parlement eveneens indien zij substantiële wijzigingen of verlengingen ten aanzien van die bijstand doorvoert.

Artikel 8

Thematische strategiedocumenten en meerjarige indicatieve programma's

1.   Thematische strategiedocumenten vormen de algemene basis voor de tenuitvoerlegging van bijstand uit hoofde van de artikelen 4 en 5. In de thematische strategiedocumenten wordt een kader vastgesteld voor de samenwerking tussen de Unie en de betrokken partnerlanden of -regio's.

2.   Bij de opstelling en tenuitvoerlegging van de thematische strategiedocumenten worden de beginselen van effectieve bijstandsverlening, zoals partnerschap, coördinatie en, waar van toepassing, harmonisatie, nageleefd. Daartoe dienen thematische strategiedocumenten in overeenstemming te zijn met programmeringsdocumenten die uit hoofde van andere Unie-instrumenten voor externe bijstand zijn goedgekeurd of vastgesteld, en dient onderlinge overlapping van deze documenten te worden voorkomen.

De thematische strategiedocumenten worden in beginsel gebaseerd op een dialoog van de Unie of, in voorkomend geval, de lidstaten met de betrokken partnerlanden of -regio's, waarbij ook het maatschappelijk middenveld en de regionale en plaatselijke overheden worden betrokken, zodat wordt gewaarborgd dat de betrokken landen en regio's voldoende zeggenschap over het programmeringsproces krijgen.

De Unie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van het programmeringsproces overleg met elkaar ter bevordering van de coherentie en de complementariteit van hun samenwerkingsactiviteiten.

3.   Elk thematisch strategiedocument gaat vergezeld van een meerjarig indicatief programma waarin een samenvatting wordt gegeven van de prioritaire terreinen die voor financiering door de Unie zijn geselecteerd, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, de prestatie-indicatoren en het tijdpad voor de bijstandsverlening door de Unie.

In het meerjarige indicatieve programma worden de indicatieve financiële toewijzingen voor elk programma vastgelegd, met inachtneming van de behoeften van de betrokken partnerlanden of -regio's en de specifieke problemen die zij ondervinden. De financiële toewijzingen kunnen, waar nodig, met een zekere marge worden gegeven.

4.   De Commissie keurt de thematische strategiedocumenten goed en stelt de meerjarige indicatieve programma's vast overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. Deze procedure is eveneens van toepassing op substantiële herzieningen die tot een ingrijpende wijziging van de thematische strategiedocumenten en de meerjarige indicatieve programma's leiden.

5.   De in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure is niet van toepassing op niet-substantiële wijzigingen of technische aanpassingen van thematische strategiedocumenten en meerjarige indicatieve programma's, in het kader waarvan middelen binnen de indicatieve financiële toewijzingen voor de afzonderlijke prioritaire terreinen worden herschikt of de omvang van de oorspronkelijke indicatieve financiële toewijzing van middelen met maximaal 20 % wordt verhoogd of verlaagd, en waarbij het bedrag van 10 000 000 EUR niet wordt overschreden, op voorwaarde dat dergelijke wijzigingen of technische aanpassingen niet van invloed zijn op de in die documenten vastgestelde prioritaire terreinen en doelstellingen.

In zulke gevallen worden de wijzigingen of technische aanpassingen onverwijld meegedeeld aan het Europees Parlement en de vertegenwoordigers van de lidstaten in het in artikel 11 bedoelde comité.

6.   Wanneer om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van hoogdringendheid die verband houden met de noodzaak van een snelle respons van de Unie, kan de Commissie thematische strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's wijzigen volgens de in artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde procedure.

7.   In programmeringen of herzieningen van programma's die plaatsvinden na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse verslag worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag verwerkt.

Artikel 9

Maatschappelijk middenveld

Het voorbereiden, programmeren, ten uitvoer leggen en controleren van maatregelen uit hoofde van deze verordening, dient waar mogelijk en passend in overleg met het maatschappelijk middenveld plaats te vinden.

Artikel 10

Mensenrechten

1.   De Commissie zorgt ervoor dat de uit hoofde van deze verordening vastgestelde maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en de georganiseerde misdaad ten uitvoer worden gelegd in overeenstemming met het internationale recht, waaronder het internationaal humanitair recht.

2.   In overeenstemming met het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie ontwikkelt de Commissie operationele richtsnoeren opdat bij de planning en uitvoering van de in lid 1 bedoelde maatregelen rekening wordt gehouden met mensenrechten, met name op het vlak van de voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en van de eerbiediging van een deugdelijke procesvoering, zoals het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging. Maatregelen op het gebied van cyberveiligheid en de bestrijding van cybercriminaliteit omvatten tevens een duidelijk mensenrechtenperspectief.

3.   De Commissie ziet er nauwlettend op toe dat bij de uitvoering van de in lid 1 bedoelde maatregelen de verplichtingen op het gebied van mensenrechten worden nageleefd. De Commissie neemt informatie hierover op in haar periodieke rapportage.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Comité

De Commissie wordt bijgestaan door een comité (het „comité van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede”). Dat is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Artikel 12

Europese Dienst voor extern optreden

Deze verordening wordt toegepast overeenkomstig Besluit 2010/427/EU met name overeenkomstig artikel 9 ervan.

Artikel 13

Financiële middelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening gedurende de periode 2014-2020 bedragen 2 338 719 000 EUR.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarige financiële kader.

3.   In de periode 2014-2020 worden:

a)

ten minste 70 procentpunten van de financiële middelen toegewezen aan maatregelen die onder artikel 3 vallen; en

b)

9 procentpunten van de financiële middelen toegewezen aan maatregelen die onder artikel 4 vallen.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(2)  Verordening (EG) nr. 1717/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot invoering van een stabiliteitsinstrument (PB L 327 van 24.11.2006, blz. 1).

(3)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(5)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor de financiering van extern optreden van de Unie (zie bladzijde 11 van dit Publicatieblad).

(6)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(8)  Verordening (EG) Nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1).

(9)  Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).


Verklaring van de Europese Commissie over de strategische dialoog met het Europees Parlement (1)

Op basis van artikel 14 VEU zal de Europese Commissie een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement voorafgaand aan de programmering van Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument dat bijdraagt aan stabiliteit en vrede en na, voor zover dienstig, initieel overleg met de relevante begunstigden ervan. De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met indicatieve toewijzingen per land of regio, en binnen een land of regio, met prioriteiten, mogelijke resultaten en indicatieve toewijzingen per prioriteit voor de geografische programma's, alsook de keuze van steunmodaliteiten (2). De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met thematische prioriteiten, mogelijke resultaten, de keuze van steunmodaliteiten (2), en financiële toewijzingen voor dergelijke prioriteiten waarin de thematische programma's voorzien. De Europese Commissie zal rekening houden met het standpunt van het Europees Parlement op dit punt.

De Europese Commissie zal een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie en vóór elke belangrijke wijziging van de programmeringsdocumenten tijdens de looptijd van deze verordening.

De Europese Commissie zal, indien het Europees Parlement daarom verzoekt, verklaren waar in de programmeringsdocumenten met de opmerkingen van het Europees Parlement rekening is gehouden en alle verdere uitleg verstrekken over de uitkomsten van de strategische dialoog.


(1)  De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd op het niveau van de bevoegde commissaris.

(2)  Indien van toepassing.


15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/11


VERORDENING (EU) Nr. 231/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In haar Mededeling van 29 juni 2011 met als titel „Een begroting voor Europa 2020”, legt de Commissie het kader vast voor de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden, inclusief het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA II).

(2)

Aangezien Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad (4) verstreek op 31 december 2013, en het externe optreden van de Unie doeltreffender moet worden gemaakt, moet voor de periode van 2014 tot en met 2020 een kader voor de planning en de uitvoering van de externe steun behouden blijven. Het uitbreidingsbeleid van de Unie moet nog steeds worden ondersteund door een specifiek instrument ter financiering van extern optreden. Derhalve moet IPA II worden vastgesteld.

(3)

Artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat elke Europese staat die de beginselen van menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de rechten van de mens, met inbegrip van de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, eerbiedigt, kan verzoeken lid te worden van de Unie. Een Europese staat die het lidmaatschap van de Unie heeft aangevraagd, kan alleen lid worden als vaststaat dat hij voldoet aan de lidmaatschapscriteria die de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 heeft vastgesteld (de „criteria van Copenhagen”) en op voorwaarde dat de toetreding de capaciteit van de Unie om het nieuwe lid te integreren niet te boven gaat. Die criteria hebben betrekking op stabiele instellingen die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden, het bestaan van een functionerende markteconomie, de capaciteit om de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie het hoofd te kunnen bieden, garanderen en op het vermogen om niet alleen de rechten maar ook de plichten die uit de verdragen voortvloeien, aan te nemen, zoals het nastreven van de doelstellingen van een politieke, economische en monetaire unie.

(4)

De op consolidatie, conditionaliteit en communicatie gebaseerde uitbreidingsstrategie, in combinatie met de capaciteit van de Unie om nieuwe leden op te nemen, blijft de grondslag vormen voor een nieuwe consensus over uitbreiding. Het toetredingsproces is gebaseerd op objectieve criteria en op de toepassing van het beginsel dat alle verzoekende staten, die beoordeeld moeten worden op basis van hun eigen verdiensten, gelijk worden behandeld. Vooruitgang in de richting van toetreding hangt af van de vraag of elke verzoekende staat de waarden van de Unie eerbiedigt en van zijn vermogen om de hervormingen door te voeren die nodig zijn om zijn systemen op het vlak van beleid, instellingen, wetten, administratie en economie af te stemmen op de regels, de normen, het beleid en de praktijken van de Unie.

(5)

Het uitbreidingsproces versterkt vrede, democratie en stabiliteit in Europa en brengt de Unie in een betere positie om mondiale uitdagingen het hoofd te bieden. De transformerende kracht van het uitbreidingsproces is een aanjager van verreikende politieke en economische hervormingen in de uitbreidingslanden, die ook de Unie als geheel ten goede komen.

(6)

De Europese Raad heeft de status van kandidaat-lidstaat toegekend aan IJsland, Montenegro, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Turkije en Servië. Hij heeft het Europese perspectief van de Westelijke Balkan bevestigd. Onverminderd de standpunten over de status of eventuele toekomstige beslissingen die de Europese Raad of de Raad moeten nemen, kunnen landen die een dergelijk Europees perspectief genieten, maar niet de status van kandidaat-lidstaat, voor het uitsluitende doel van deze verordening worden beschouwd als potentiële kandidaat. Financiële steun uit hoofde van deze verordening moet worden toegekend aan alle begunstigden die worden vermeld in bijlage I.

(7)

Steun uit hoofde van deze verordening dient te worden verleend overeenkomstig het door de Europese Raad en de Raad vastgestelde uitbreidingsbeleidskader, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de Mededeling over de uitbreidingsstrategie en de voortgangsverslagen in het jaarlijks uitbreidingspakket van de Commissie, en met de resoluties ter zake van het Europees Parlement. Steun dient tevens te worden verleend ter naleving van de overeenkomsten die door de Unie met de in bijlage I vermelde begunstigden zijn gesloten en in overeenstemming met de Europese partnerschappen en toetredingspartnerschappen. Steun moet voornamelijk toegespitst zijn op een aantal geselecteerde beleidsterreinen waarmee de in bijlage I vermelde begunstigden hun democratische instellingen en rechtsstaat kunnen versterken, justitie en het openbaar bestuur kunnen hervormen, de grondrechten kunnen naleven en gendergelijkheid, tolerantie, sociale inclusie en niet-discriminatie kunnen ondersteunen. Steun moet gericht blijven op het steunen van hun inspanningen om de regionale, macro-regionale en grensoverschrijdende samenwerking alsmede de territoriale ontwikkeling te verbeteren, onder andere door het uitvoeren van macroregionale strategieën van de Unie. Ook hun economische en sociale ontwikkeling moet worden gestimuleerd, waarbij moet worden gestreefd naar een agenda voor slimme, duurzame en inclusieve groei, met bijzondere aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei („Europa 2020-strategie”) en om zich geleidelijk aan te passen aan de criteria van Kopenhagen. De financiële steun moet beter worden afgestemd op de algemene vooruitgang die met de tenuitvoerlegging van de pretoetredingsstrategie is geboekt.

(8)

Teneinde rekening te houden met wijzigingen in het beleidskader van de toetredingen of met significante ontwikkelingen in de in bijlage I vermelde begunstigden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de aanpassing en actualisering van de in bijlage II vermelde thematische steunprioriteiten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(9)

Het versterken van de rechtsstaat, waaronder de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit, en goed bestuur, waaronder het hervormen van de overheidsadministratie, blijven voor de meeste in bijlage I vermelde begunstigden belangrijke uitdagingen die voor die begunstigden van wezenlijk belang zijn om nader tot de Unie te kunnen komen en later volledig de verplichtingen van het lidmaatschap van de Unie te kunnen vervullen. Gezien de lange termijn waarop de hervormingen op die gebieden worden doorgevoerd en de behoefte om staten van dienst op te bouwen, moet de financiële steun uit hoofde van deze verordening zo spoedig mogelijk gaan naar de vereisten waaraan de in bijlage I vermelde begunstigden moeten voldoen.

(10)

De in bijlage I vermelde begunstigden moeten beter voorbereid zijn op wereldwijde uitdagingen als duurzame ontwikkeling en klimaatverandering, en moeten zich aansluiten bij de inspanningen van de Unie om die problemen aan te pakken. Steun van de Unie uit hoofde van deze verordening moet ook bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstelling dat het klimaatgerelateerde deel van de Unie-begroting, wordt verhoogd tot minstens 20 %.

(11)

Tevens moet de Unie, op basis van de ervaringen van haar lidstaten, de overgang naar de toetreding ondersteunen ten gunste van alle in bijlage I vermelde begunstigden. Deze samenwerking moet met name gericht zijn op het delen van ervaringen die de lidstaten in het hervormingsproces hebben opgedaan.

(12)

De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor naleving, samenhang en complementariteit van hun steun, met name door regelmatig overleg te plegen en frequent informatie uit te wisselen in de verschillende fasen van de steuncyclus. De noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen om de coördinatie en de complementariteit te verbeteren, onder meer door regelmatig overleg met andere donoren. De rol van het maatschappelijk middenveld moet worden versterkt, zowel in programma's die via overheidsinstanties worden uitgevoerd als in zijn hoedanigheid van directe begunstigde van steun van de Unie.

(13)

De prioritering van acties om doelstellingen te bereiken op de betrokken beleidsterreinen die uit hoofde van deze verordening zullen worden ondersteund, moet door de Commissie worden vastgesteld in indicatieve strategiedocumenten voor de duur van het meerjarig financieel kader van de Unie voor de periode van 2014 tot en met 2020, in partnerschap met de in bijlage I vermelde begunstigden, op basis van hun specifieke behoeften en de uitbreidingsagenda en in overeenstemming met de in deze verordening omschreven algemene en specifieke doelstellingen, met inachtneming van de nationale strategieën ter zake. In de strategiedocumenten moet ook staan welke beleidsterreinen steun moeten krijgen en, onverminderd de prerogatieven van het Europees Parlement en de Raad, hoe de Uniemiddelen worden toegewezen per beleidsterrein, uitgesplitst naar jaar, inclusief een schatting van de klimaatgerelateerde uitgaven. De nodige soepelheid dient ingebouwd te worden om tegemoet te komen aan dringende behoeften en om stimulansen te geven om de prestaties te verbeteren. De strategiedocumenten moeten de samenhang en consistentie waarborgen met de inspanningen van de in bijlage I vermelde begunstigden zoals die tot uitdrukking komen in hun nationale begrotingen en moeten rekening houden met de steun die andere donoren bieden. Om rekening te kunnen houden met interne en externe ontwikkelingen, moeten de strategiedocumenten worden geëvalueerd en indien nodig worden herzien.

(14)

Het is in het belang van de Unie dat de in bijlage I vermelde begunstigden worden ondersteund bij hun inspanningen om te hervormen met het oog op lidmaatschap van de Unie. Het beheer van de steun moet uitgesproken resultaatgericht zijn en landen stimuleren die hun engagement ten aanzien van hervormingen in de praktijk brengen door een efficiënte uitvoering van pretoetredingssteun en vorderingen maken bij het vervullen van de lidmaatschapscriteria.

(15)

De steun moet gebruik blijven maken van de structuren en instrumenten die in het pretoetredingsproces hun waarde al bewezen hebben. De overgang van direct beheer van de pretoetredingsfondsen door de Commissie naar indirect beheer door de in bijlage I vermelde begunstigden moet geleidelijk verlopen en overeenstemmen met de capaciteit van elk van deze begunstigden. Volgens het beginsel van participerende democratie, moet de Commissie aanmoedigen dat er in de in bijlage I vermelde begunstigden parlementair toezicht wordt uitgeoefend op de steun die die begunstigden ontvangen.

(16)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden houden verband met de strategiedocumenten, programmeringsdocumenten en de specifieke voorschriften waarbij de eenvormige voorwaarden worden vastgesteld, en moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (5). Gezien de aard van deze uitvoeringshandelingen, met name het beleidssturende karakter en de financiële gevolgen, moet in beginsel de onderzoeksprocedure worden gevolgd voor de vaststelling ervan, behalve in het geval van maatregelen van beperkte financiële omvang. Bij het vaststellen van de eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening moet rekening worden gehouden met de lessen die zijn getrokken uit het beheer en de uitvoering van in het verleden verleende pretoetredingssteun. Die eenvormige voorwaarden moeten worden gewijzigd indien ontwikkelingen dat vergen.

(17)

Het comité dat bij deze verordening wordt opgericht, moet bevoegd zijn voor rechtshandelingen en vastleggingen onder Verordening (EG) nr. 1085/2006 en voor de uitvoering van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 389/2006 van de Raad (6).

(18)

Deze verordening legt voor de periode waarin zij van toepassing is, de financiële middelen vast, die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (7).

(19)

De Unie moet er, voor een zo groot mogelijke impact van haar externe optreden, op toezien dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dit moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen IPA II, andere instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden en andere beleidsonderdelen van de Unie. Dit moet leiden tot wederzijdse versterking van de programma's die uit de instrumenten ter financiering van extern optreden voortkomen.

(20)

Bij Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8) zijn gemeenschappelijke voorschriften en procedures vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden.

(21)

Daar de doelstelling van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te bereiken.

(22)

Er moet voor een vlotte en naadloze overgang tussen het instrument voor pretoetredingssteun („IPA”), ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 1085/2006 en IPA II worden gezorgd, en de periode waarin deze verordening van toepassing is moet worden afgestemd op die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (9). Derhalve dient de onderhavige verordening met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 van toepassing te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Algemene doelstelling

Het instrument voor pretoetredingssteun voor de periode van 2014 tot en met 2020 („IPA II”) moet de in bijlage I vermelde begunstigden ondersteunen bij de bepaling en de tenuitvoerlegging van de politieke, institutionele, wettelijke, administratieve, sociale en economische hervormingen die voor die begunstigden nodig zijn om te voldoen aan de waarden van de Unie, en om zich geleidelijk aan te passen aan de regels, de normen, het beleid en de praktijken van de Unie met het oog op lidmaatschap van de Unie.

Door middel van dergelijke steun moet het IPA II bijdragen aan stabiliteit, veiligheid en welvaart in de in bijlage I vermelde begunstigden.

Artikel 2

Specifieke doelstellingen

1.   De steun uit hoofde van deze verordening is gericht op de verwezenlijking van de volgende specifieke doelstellingen, afhankelijk van de behoeften en de uitbreidingsagenda van iedere in bijlage I vermeld begunstigde:

a)

steun voor politieke hervormingen, onder meer via:

i)

het versterken van de democratie en de democratische instellingen, met inbegrip van een onafhankelijke en doeltreffende rechterlijke macht, en van de rechtstaat, met inbegrip van de tenuitvoerlegging ervan;

ii)

het bevorderen en beschermen van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, verbetering van de eerbiediging van de rechten van personen die behoren tot minderheden, met inbegrip van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen, bevordering van gelijkheid van mannen en vrouwen, non-discriminatie en verdraagzaamheid, evenals vrijheid van de media en eerbiediging van culturele verscheidenheid;

iii)

regionale samenwerking en betrekkingen van goed nabuurschap;

iv)

het stimuleren van verzoening, vredesopbouw en maatregelen om het vertrouwen te vergroten;

v)

het bestrijden van corruptie en georganiseerde misdaad;

vi)

het versterken van overheidsdiensten en een goed bestuur op alle niveaus;

vii)

capaciteitsopbouwende maatregelen ter verbetering van de wetshandhaving, het grensbeheer en de uitvoering van het migratiebeleid, inclusief het beheer van de migratiestromen;

viii)

het ontwikkelen van het maatschappelijk middenveld;

ix)

het verbeteren van de sociale dialoog en het versterken van de capaciteiten van sociale partners;

b)

steun voor economische, sociale en territoriale ontwikkeling, met het oog op slimme, duurzame en inclusieve groei, onder meer door:

i)

te voldoen aan de Unie-normen op het vlak van economie, met inbegrip van een functionerende markteconomie, evenals begrotingsbeheer en economisch bestuur;

ii)

de nodige economische hervormingen door te voeren om de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie, het hoofd te bieden en tegelijk bij te dragen aan de verwezenlijking van sociale en milieudoelstellingen;

iii)

de werkgelegenheid en de arbeidsmobiliteit te stimuleren, in te zetten op het creëren van banen van hoge kwaliteit, en het menselijk kapitaal te ontwikkelen;

iv)

het bevorderen van sociale en economische inclusie, in het bijzonder van minderheden en kwetsbare groepen, zoals mensen met een handicap, vluchtelingen en ontheemden;

v)

het stimuleren van een inclusief en geïntegreerd onderwijsstelsel en behoud en herstel van cultureel erfgoed;

vi)

het fysieke kapitaal te ontwikkelen, zoals verbetering van de infrastructuur, en verbindingen met regionale netwerken en netwerken van de Unie;

vii)

de capaciteit voor onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie te versterken;

c)

het versterken van het vermogen op alle niveaus van de in bijlage I vermelde begunstigden om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit het lidmaatschap van de Unie, door steun te verlenen aan de geleidelijke aanpassing aan en goedkeuring, tenuitvoerlegging en handhaving van het acquis van de Unie, waaronder voorbereiding op het beheer van de Structuurfondsen van de Unie, het Cohesiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling van de Unie;

d)

het versterken van de regionale integratie en territoriale samenwerking met de in bijlage I vermelde begunstigden, lidstaten en eventueel derde landen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (10).

2.   Op de mate van vooruitgang met betrekking tot het verwezenlijken van de in lid 1 genoemde specifieke doelstellingen wordt toegezien en dat wordt beoordeeld aan de hand van vooraf vastgestelde, duidelijke, transparante en waar passend, landspecifieke en meetbare indicatoren die onder meer betrekking hebben op:

a)

vorderingen op het vlak van de versterking van de democratie, de rechtsstaat en een onafhankelijk en efficiënt rechtsstelsel, eerbiediging van mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden en kwetsbare groepen behoren, fundamentele vrijheden, gendergelijkheid en vrouwenrechten, de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit, verzoening, betrekkingen van goed nabuurschap en de terugkeer van vluchtelingen, en met name het opstellen van staten van dienst op die gebieden;

b)

vorderingen bij de hervormingen op sociaaleconomisch en begrotingsgebied, het aanpakken van structurele en macro-economische onevenwichtigheden, de degelijkheid en doeltreffendheid van de strategieën voor sociale en economische ontwikkeling, de vorderingen in de richting van slimme, duurzame en inclusieve groei en het tot stand brengen van inclusief en geïntegreerd onderwijs, kwaliteitsvolle opleidingen en werkgelegenheid, onder meer door overheidsinvesteringen met IPA II-steun, vorderingen op weg naar het scheppen van een gunstig ondernemersklimaat;

c)

vorderingen bij het afstemmen van het wetgevingsinstrumentarium op het acquis van de Unie, met een staat van dienst betreffende de uitvoering daarvan, vorderingen met institutionele hervormingen die verband houden met de Unie, inclusief de overgang naar het indirecte beheer van de steun die uit hoofde van deze verordening wordt verleend;

d)

vorderingen bij de opbouw en versterking van goed bestuur en de administratieve, institutionele en absorptiecapaciteit op alle niveaus, inclusief voldoende personele middelen, die noodzakelijk zijn om de wetgeving die verband houdt met het acquis goed te keuren en toe te passen;

e)

initiatieven voor regionale en territoriale samenwerking en de ontwikkeling van handelsstromen.

3.   De indicatoren bedoeld in lid 2 worden, naargelang het geval, gebruikt voor het toezicht op en de evaluatie en de toetsing van prestaties. Bij de evaluatie van de resultaten van de in het kader van IPA II verleende steun, worden de in artikel 4 bedoelde jaarverslagen van de Commissie als referentiepunt genomen. De toepasselijke prestatie-indicatoren worden bepaald en opgenomen in de in artikelen 6 en 7 bedoelde strategiedocumenten en -programma's, en worden zodanig opgesteld dat de vorderingen objectief in de tijd, en in voorkomend geval bij alle programma's, kunnen worden geëvalueerd.

Artikel 3

Beleidsterreinen

1.   De steun uit hoofde van deze verordening is voornamelijk gericht op de volgende beleidsterreinen:

a)

hervormingen ter voorbereiding van het lidmaatschap van de Unie en daarmee verband houdende opbouw van instellingen en capaciteit;

b)

sociaaleconomische en regionale ontwikkeling;

c)

werkgelegenheid, sociaal beleid, onderwijs, werken aan gelijkheid van mannen en vrouwen, en ontwikkeling van het menselijk potentieel;

d)

landbouw en plattelandsontwikkeling;

e)

regionale en territoriale samenwerking.

2.   De steun op alle in lid 1 bedoelde beleidsterreinen moet de in bijlage I vermelde begunstigden helpen bij hun streven de in de artikelen 1 en 2 genoemde algemene en specifieke doelstellingen te verwezenlijken, in het bijzonder door middel van beleidshervormingen, aanpassing van wetgeving, capaciteitsopbouw en -investering.

Waar nodig zal bijzondere aandacht worden besteed aan goed bestuur, de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit.

3.   De steun op de in lid 1, onder b) tot en met e), genoemde beleidsterreinen kan betrekking hebben op de financiering van het soort acties uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11), Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12), Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13), Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad (14) en Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (15).

4.   De steun op het in lid 1, onder e), genoemde beleidsterrein kan in het bijzonder betrekking hebben op de financiering van acties in meerdere landen of horizontale acties, maar ook op grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerkingsacties.

Artikel 4

Kader voor steunverlening

1.   Steun uit hoofde van deze verordening wordt verleend overeenkomstig het door de Europese Raad en de Raad vastgestelde uitbreidingsbeleidskader, en houdt naar behoren rekening met de Mededeling over de uitbreidingsstrategie en de voortgangsverslagen in het jaarlijks uitbreidingspakket van de Commissie, en met de resoluties ter zake van het Europees Parlement. De Commissie draagt zorg voor samenhang tussen de steun en het uitbreidingsbeleidskader.

2.   De steun wordt gericht op en aangepast aan de specifieke situatie van de in bijlage I vermelde begunstigden, ermee rekening houdend dat verdere inspanningen nodig zijn om aan de lidmaatschapscriteria te voldoen alsook wat de capaciteit van de begunstigden betreft. De steun wordt naar reikwijdte en intensiteit gedifferentieerd naargelang de behoeften, het hervormingsengagement en de vorderingen bij het uitvoeren van die hervormingen. Hij zal vooral dienen om de in bijlage I vermelde begunstigden te helpen bij het opzetten en uitvoeren van sectorale hervormingen. Sectoraal beleid en sectorale strategieën zijn alomvattend en dienen bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 1, vermelde specifieke doelstellingen.

3.   Overeenkomstig de in artikel 2, lid 1, vermelde specifieke doelstellingen, worden de thematische prioriteiten voor steunverlening naargelang de behoeften en capaciteiten van de in bijlage I vermelde begunstigden, opgenomen in bijlage II. Elk van die thematische prioriteiten kan bijdragen tot de verwezenlijking van meer dan een specifieke doelstelling.

4.   Overeenkomstig de in artikel 2, lid 1, onder d), vermelde specifieke doelstelling, dient de steun voor grensoverschrijdende samenwerking tussen zowel de in bijlage I vermelde begunstigden als tussen hen en andere lidstaten of landen van het Europees nabuurschapsinstrument (het „ENI”), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014, teneinde betrekkingen van goed nabuurschap, de integratie van de Unie en sociaaleconomische ontwikkeling te bevorderen. De thematische prioriteiten voor steun voor territoriale samenwerking staan vermeld in bijlage III.

Artikel 5

Conformiteit, samenhang en complementariteit

1.   De financiële steun uit hoofde van deze verordening sluit aan bij het beleid van de Unie. De steun is in overeenstemming met de overeenkomsten die de Unie met de in bijlage I vermelde begunstigden heeft gesloten en eerbiedigt de verplichtingen uit hoofde van de multilaterale overeenkomsten waarbij de Unie partij is.

2.   De Commissie draagt in overleg met de lidstaten bij tot het verwezenlijken van de Uniedoelstellingen van grotere transparantie en verantwoording bij de verlening van steun, mede door het openbaar maken van het volume en de toewijzing van steun, waarbij zij ervoor zorgt dat gegevens internationaal vergelijkbaar zijn en gemakkelijk kunnen worden ingezien, gedeeld en gepubliceerd.

3.   De Commissie, de lidstaten en de Europese Investeringsbank (EIB) werken samen om de samenhang te waarborgen en streven ernaar overlapping te vermijden tussen de steun uit hoofde van deze verordening en andere steun van de Unie, de lidstaten en de EIB, onder meer door regelmatig in open vergaderingen gericht op de coördinatie van de steun te overleggen.

4.   De Commissie, de lidstaten en de EIB zorgen voor coördinatie van hun respectieve steunprogramma's, teneinde de doeltreffendheid en efficiëntie van de geleverde steun te vergroten en dubbele financiering te voorkomen, overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd voor de versterking van de operationele coördinatie op het gebied van externe steun en voor de harmonisering van hun beleid en procedures, in het bijzonder de internationale beginselen betreffende de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp. Deze coördinatie omvat onder meer regelmatig overleg en de frequente uitwisseling van informatie in de diverse fasen van de steuncyclus, met name op het terrein, en vormt een essentieel onderdeel van de programmeerprocedures van de lidstaten en de Unie.

5.   Teneinde de doeltreffendheid en de efficiëntie van de geleverde steun te vergroten en dubbele financiering te voorkomen, doet de Commissie, in overleg met de lidstaten, het nodige voor een goede coördinatie en complementariteit met multilaterale en regionale organisaties en entiteiten zoals internationale financiële instellingen, de agentschappen, fondsen en programma's van de Verenigde Naties, evenals niet-Unie-donoren.

6.   Bij de voorbereiding en tenuitvoerlegging van, en toezicht op de steun die uit hoofde van deze verordening wordt verleend, handelt de Commissie in principe in partnerschap met de in bijlage I vermelde begunstigden. Aan het partnerschap wordt deelgenomen door, in voorkomend geval, bevoegde nationale en plaatselijke autoriteiten en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. De Commissie moedigt de coördinatie tussen de betrokken belanghebbenden aan.

De capaciteit van organisaties uit het maatschappelijk middenveld wordt versterkt, onder meer waar passend in de rol van directe begunstigden van steun.

TITEL II

STRATEGISCHE PLANNING

Artikel 6

Strategiedocumenten

1.   De steun uit hoofde van deze verordening wordt verstrekt op basis van indicatieve strategiedocumenten voor één of meerdere landen (de „strategiedocumenten”), die voor de duur van het meerjarige financiële kader van de Unie voor de periode van 2014 tot en met 2020 zijn opgesteld door de Commissie, in partnerschap met de in bijlage I vermelde begunstigden.

2.   In de strategiedocumenten wordt de prioritering vastgelegd van acties om de doelstellingen op de betrokken, in artikel 3 omschreven beleidsterreinen te bereiken, die uit hoofde van deze verordening worden ondersteund in overeenstemming met de in de artikelen 1 en 2, respectievelijk, bedoelde algemene en specifieke doelstellingen. De strategiedocumenten worden vastgesteld overeenkomstig het in artikel 4 genoemde kader voor steunverlening, en houden voldoende rekening met de relevante nationale strategieën.

3.   De strategiedocumenten bevatten de indicatieve toewijzing van middelen van de Unie per beleidsterrein, zoals zij van toepassing zijn, uitgesplitst naar jaar, en bieden de mogelijkheid nieuwe behoeften aan te pakken, zonder dat wordt geraakt aan de mogelijkheid om steun op diverse beleidsterreinen te combineren. De strategiedocumenten bevatten indicatoren voor het beoordelen van de vorderingen met betrekking tot het bereiken van de in die documenten genoemde doelstellingen.

4.   De Commissie verricht een jaarlijkse beoordeling van de uitvoering van de strategiedocumenten en van hun blijvende relevantie in het licht van de evolutie van het in artikel 4 bedoelde beleidskader. De Commissie stelt het in artikel 13, lid 1, bedoelde comité op de hoogte van de resultaten van die beoordeling en kan, in voorkomend geval, herzieningen van de strategiedocumenten bedoeld in dit artikel en/of van de programma's en maatregelen als bedoeld in artikel 7, lid 1, voorstellen. Die strategiedocumenten worden ook halverwege de looptijd geëvalueerd en indien nodig herzien.

5.   De Commissie keurt de strategiedocumenten bedoeld in dit artikel en eventuele herzieningen daarvan goed volgens de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure.

TITEL III

TENUITVOERLEGGING

Artikel 7

Programmering

1.   De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening wordt direct, indirect of in gedeeld beheer ten uitvoer gelegd via programma's en maatregelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Verordening (EU) nr. 236/2014 en in overeenstemming met de specifieke regels met betrekking tot uniforme maatregelen voor de uitvoering van deze verordening, in het bijzonder op het vlak van structuren en procedures voor het beheer, die de Commissie vaststelt in overeenstemming met artikel 13 van deze verordening. De tenuitvoerlegging vindt in de regel plaats via jaarprogramma's of meerjarenprogramma's voor een of meerdere landen alsmede grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's die overeenkomstig de in artikel 6 bedoelde strategiedocumenten worden opgesteld door de respectieve in bijlage I bij deze verordening vermelde begunstigden en/of de Commissie, naargelang het geval.

2.   In programmeringen of herzieningen van programma's die plaatsvinden na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse evaluatieverslag (het „tusssentijdse evaluatieverslag”) worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag verwerkt.

Artikel 8

Kader en aanvullende overeenkomsten

1.   De Commissie en de respectieve in bijlage I vermelde begunstigden sluiten kaderovereenkomsten voor de tenuitvoerlegging van de steun.

2.   De Commissie en de respectieve in bijlage I vermelde begunstigden of hun uitvoerende instanties kunnen zo nodig aanvullende overeenkomsten over de tenuitvoerlegging van de steun sluiten.

Artikel 9

Bepalingen inzake kruiselingse toepassing van instrumenten

1.   In naar behoren gemotiveerde gevallen en teneinde de coherentie en de doeltreffendheid van de financiering van de Unie te waarborgen en de regionale samenwerking te bevorderen, kan de Commissie besluiten dat landen, gebieden en regio's die anders niet in aanmerking komen voor financiering op grond van artikel 1, toch in aanmerking komen voor programma's en maatregelen als bedoeld in artikel 7, lid 1, wanneer het uit te voeren project of programma een mondiaal, regionaal of grensoverschrijdend karakter heeft.

2.   Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) draagt bij aan de programma's en maatregelen die uit hoofde van de bepalingen van deze verordening voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de in bijlage I vermelde begunstigden en lidstaten worden vastgesteld. Het bedrag van de bijdrage uit hoofde van het EFRO wordt bepaald overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1299/2013. Deze verordening is van toepassing op het gebruik van die bijdrage.

3.   Indien nodig kan het IPA II bijdragen aan interregionale en transnationale samenwerkingsprogramma's of maatregelen die zijn vastgesteld en ten uitvoer worden gelegd uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1299/2013 en waaraan de in bijlage I bij deze verordening vermelde begunstigden deelnemen.

4.   Indien nodig kan het IPA II bijdragen aan grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's of maatregelen die zijn vastgesteld en ten uitvoer worden gelegd uit hoofde van Verordening (EU) nr. 232/2014 en waaraan de in bijlage I bij deze verordening vermelde begunstigden deelnemen.

5.   Indien nodig kan het IPA II bijdragen aan programma's of maatregelen die zijn ingevoerd als onderdeel van een macro-regionale strategie en waarbij de in bijlage I vermelde begunstigden betrokken zijn.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 10

Delegatie van bevoegdheden

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 11 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II bij deze verordening. Meer in het bijzonder stelt de Commissie na de publicatie van het tussentijdse evaluatieverslag en op basis van de daarin opgenomen aanbevelingen, uiterlijk op 31 maart 2018 een gedelegeerde handeling tot wijziging van bijlage II vast.

Artikel 11

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 10 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2020.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit vermelde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

5.   Een overeenkomstig artikel 10 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 12

Vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften

Naast de voorschriften vastgelegd in Verordening (EU) nr. 236/2014 worden specifieke voorschriften met betrekking tot eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening vastgesteld conform de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 13

Comité

1.   Er wordt een comité voor het pretoetredingsinstrument (het „IPA II-comité”) ingesteld, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Het IPA II-comité staat de Commissie bij met betrekking tot alle in artikel 3 vermelde beleidsterreinen. Het IPA II-comité is ook bevoegd voor rechtshandelingen en vastleggingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1085/2006 en voor de tenuitvoerlegging van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 389/2006.

Artikel 14

Prestatiebeloning

1.   In de in artikel 6 bedoelde strategiedocumenten wordt bepaald dat een passend steunbedrag beschikbaar blijft voor het belonen van afzonderlijke in bijlage I vermelde begunstigden naar aanleiding van:

a)

bijzondere vorderingen bij het voldoen aan de lidmaatschapscriteria; en/of

b)

een efficiënt gebruik van pretoetredingssteun, dat blijkt uit het bereiken van bijzonder goede resultaten met betrekking tot de in het betrokken strategiedocument vermelde specifieke doelstellingen.

2.   Indien de gemaakte vorderingen en/of de geboekte resultaten van een in bijlage I vermelde begunstige belangrijk onder de in de strategiedocumenten overeengekomen niveaus blijven, past de Commissie de toewijzingen dienovereenkomstig aan volgens de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014.

3.   Voor de beloningen vermeld in lid 1 van dit artikel wordt een passend bedrag gereserveerd, dat wordt toegewezen op basis van een beoordeling van prestaties en vorderingen gedurende verscheidene jaren, maar niet later dan respectievelijk in 2017 en 2020. Daarbij wordt rekening gehouden met de in artikel 2, lid 2, genoemde, en zoals in de strategiedocumenten nadere gespecificeerde, prestatie-indicatoren.

4.   De indicatieve toewijzing van Unie-middelen in de in artikel 6 bedoelde strategiedocumenten wordt mede gebaseerd op de mogelijkheid om de betrokken bijkomende middelen toe te wijzen op basis van prestaties en/of vorderingen.

Artikel 15

Financiële middelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening gedurende de periode van 2014 tot en met 2020 worden vastgesteld op 11 698 668 000 EUR in lopende prijzen. Ten hoogste 4 % van de financiële middelen worden toegewezen aan grensoverschrijdende programma's voor samenwerking tussen de in bijlage I vermelde begunstigden en de lidstaten, in overeenstemming met hun behoeften en prioriteiten.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader voor de periode van 2014 tot en met 2020.

3.   Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad (16), wordt een indicatief bedrag van 1 680 000 000 EUR uit de verschillende instrumenten ter financiering van extern optreden, met name het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad (17), het ENI, het IPA II en het partnerschapsinstrument, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad (18) toegewezen voor acties met betrekking tot leermobiliteit naar of vanuit niet-Unielanden in de zin van Verordening (EU) nr. 1288/2013 en voor samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten, instellingen en organisaties uit die landen. Op het gebruik van deze middelen is Verordening (EU) nr. 1288/2013 van toepassing.

De financiering wordt verstrekt door middel van twee meerjarentoewijzingen, ter dekking van respectievelijk de eerste vier jaar en de laatste drie jaar. De toewijzing van die financiering wordt uitgewerkt in de programmering voorzien in deze verordening, overeenkomstig de behoeften en prioriteiten van de betrokken landen. De toewijzingen kunnen worden herzien in geval van ingrijpende onvoorziene omstandigheden of belangrijke politieke ontwikkelingen, overeenkomstig de prioriteiten van de Unie inzake extern optreden.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 11 van 15.1.2013, blz. 77.

(2)  PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(4)  Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82).

(5)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(6)  Verordening (EG) nr. 389/2006 van de Raad van 27 februari 2006 tot instelling van een instrument voor financiële steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2667/2000 betreffende het Europees Bureau voor wederopbouw (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 5).

(7)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(8)  Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden (zie bladzijde 95 van dit Publicatieblad).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014–2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(10)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad).

(11)  Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen voor steun ter verwezenlijking van de doelstelling „Investeren voor groei en werkgelegenheid” en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289).

(12)  Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281).

(13)  Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).

(14)  Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259).

(15)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(16)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van het „Erasmus+”-programma: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(17)  Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014–2020 (zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad).

(18)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (zie bladzijde 77 van dit Publicatieblad).


BIJLAGE I

Albanië

Bosnië en Herzegovina

IJsland

Kosovo (1)

Montenegro

Servië

Turkije

De voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië


(1)  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met resolutie 1244 (1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


BIJLAGE II

Prioritaire thema's voor steun

De steun kan, naar gelang van het geval, betrekking hebben op de volgende prioritaire thema's:

a)

Naleving van het beginsel van een goede overheidsadministratie en goed economisch bestuur. Het opreden op dit gebied beoogt: het versterken van de overheidsadministratie, onder meer door professionalisering en depolitisering van het overheidsapparaat, het verankeren van meritocratische beginselen en zorg dragen voor goede administratieve procedures; het vergroten van het vermogen om de macro-economische stabiliteit te vergroten en ondersteuning van het streven naar een functionerende markteconomie en naar een meer concurrerende economie; het ondersteunen van de deelname aan het multilateraal mechanisme voor begrotingstoezicht van de Unie en systematische samenwerking met de internationale financiële instelling met betrekking tot fundamentele beginselen van het economisch beleid alsmede het versterken van het financieel beheer van de overheid.

b)

Het tot stand brengen en vanaf het prille begin bevorderen van het goed functioneren van de instellingen die nodig zijn voor een goed werkende rechtsstaat. Het optreden op dit gebied beoogt: het tot stand brengen van onafhankelijke, verantwoordingsplichtige en efficiënt rechtsstelsels, met onder meer transparante en op verdienste gebaseerde systemen voor aanwerving, beoordeling en promotie en doeltreffende disciplinaire procedures bij gevallen van vergrijp; het tot stand brengen van solide grensbewakingssystemen, het beheer van migratiestromen en asielverlening aan wie in nood verkeert; het ontwikkelen van doeltreffende middelen ter voorkoming en bestrijding van georganiseerde criminaliteit en corruptie; het bevorderen en beschermen van de rechten van de mens, van de rechten van personen die tot minderheden behoren — waaronder Roma, lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen — en van de fundamentele vrijheden, waaronder mediavrijheid.

c)

Het versterken van de capaciteit voor de organisaties van het maatschappelijk middenveld en van de sociale partners, waaronder verenigingen van beroepsbeoefenaren, in de in bijlage I vermelde begunstigden en aanmoediging van netwerkvorming op alle niveaus tussen in de Unie gevestigde organisaties en organisaties van de in bijlage I vermelde begunstigden op alle niveaus, met het oog op een daadwerkelijke dialoog tussen publieke en private actoren.

d)

Investeren in onderwijs, vaardigheden en een leven lang leren. Het optreden op dit gebied beoogt: het bevorderen van gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie, lager en secundair onderwijs; het terugdringen van vroegtijdige schoolverlating; aanpassing van de systemen voor beroepsonderwijs en -opleiding aan de vraag op de arbeidsmarkt; het verbeteren van de kwaliteit en de relevantie van het hoger onderwijs; het verruimen van de toegang tot een leven lang leren, en het ondersteunen van investeringen in de onderwijs- en opleidingsinfrastructuur, met name om territoriale verschillen te beperken en niet-gesegregeerd onderwijs te bevorderen.

e)

Het stimuleren van de werkgelegenheid en het ondersteunen van arbeidsmobiliteit. Het optreden op dit gebied beoogt: duurzame integratie in de arbeidsmarkt van jongeren die niet werken en geen school of opleiding volgen (NEET), onder meer met behulp van maatregelen ter stimulering van investeringen voor het scheppen van kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid, het ondersteunen van integratie van de werklozen en het aanmoedigen van een grotere participatie op de arbeidsmarkt van alle ondervertegenwoordigde groepen. Andere belangrijke gebieden waarop maatregelen worden genomen betreffen het ondersteunen van gendergelijkheid, de aanpassing van werknemers en ondernemingen aan veranderingen, de totstandbrenging van een duurzame sociale dialoog en het moderniseren en versterken van de arbeidsmarkt instellingen.

f)

Het bevorderen van sociale integratie en het bestrijden van armoede. Het optreden op dit gebeid beoogt: de integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma; de bestrijding van discriminatie op basis van geslacht, raciale of etnische herkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid; alsmede het verbeteren van de toegang tot betaalbare, duurzame en kwalitatief hoogwaardige diensten zoals gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening van algemeen nut, waarbij onder meer valt te denken aan de modernisering van de systemen voor sociale bescherming.

g)

Het bevorderen van duurzaam vervoer en het elimineren van knelpunten in essentiële netwerkinfrastructuur, met name door middel van investeringen in projecten met een grote Europese meerwaarde. Bij het prioriteren van de beoogde investeringen wordt gekeken naar de bijdrage die zij leveren tot mobiliteit, duurzaamheid, beperking van de broeikasgasemissies, naar de relevantie voor de verbindingen met de lidstaten en coherentie met de interne Europese vervoersruimte.

h)

Het verbeteren van het klimaat voor de private sector en van het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van slimme specialisatie, als essentiële stimulansen voor groei, het creëren van werkgelegenheid en cohesie. Er zal prioriteit worden gegeven aan projecten die leiden tot een beter ondernemingsklimaat.

i)

Het versterken van onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie, met name door een betere onderzoeksinfrastructuur, gunstige omstandigheden en het bevorderen van netwerkvorming en samenwerking.

j)

Het bijdragen tot de veiligheid en de zekerheid van de voedselvoorziening en het behoud van gediversifieerde en levensvatbare landbouwsystemen in levendige dorpsgemeenschappen en op het platteland.

k)

Meer mogelijkheden voor de agro-voedingssector om het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk en aan de marktkrachten en om zich geleidelijk aan de voorschriften en normen van de Unie aan te passen, onder inachtneming van economische, maatschappelijke en ecologische doelstellingen in het kader van een evenwichtige territoriale ontwikkeling van plattelandsgebieden.

l)

Het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het milieu, alsmede het leveren van een bijdrage tot de beperking van de broeikasgasemissies, het verhogen van een grotere bestendigheid tegen klimaatverandering, en het bevorderen van governance en voorlichting met betrekking tot het optreden op klimaatgebied. Met de IPA II-middelen wordt beleid bevorderd ter ondersteuning van de overgang naar een hulpmiddelenefficiënte, veilige en duurzame koolstofarme economie.

m)

Het bevorderen van verzoening, vredesopbouw en maatregelen voor het scheppen van vertrouwen.


BIJLAGE III

Prioritaire thema's voor steun voor territoriale samenwerking

De steun voor grensoverschrijdende samenwerking kan, naar gelang van het geval, betrekking hebben op de volgende prioritaire thema's:

a)

Het bevorderen van de werkgelegenheid, arbeidsmobiliteit en maatschappelijke en culturele insluiting op grensoverschrijdend niveau, onder meer door integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten, met inbegrip van grensoverschrijdende mobiliteit; gezamenlijke plaatselijke werkgelegenheidsinitiatieven; voorlichtings- en adviesdiensten en gemeenschappelijke opleiding; gendergelijkheid; gelijke kansen; integratie van immigrantengemeenschappen en kwetsbare groepen; investeringen ten behoeve van openbare arbeidsvoorzieningsdiensten; steun voor investeringen in de volksgezondheid en sociale diensten.

b)

Het beschermen van het milieu, en het bevorderen van de aanpassing aan en het mitigeren van de klimaatverandering, risicopreventie en beheer, onder meer door: gezamenlijke acties ten behoeve van de bescherming van het milieu; het bevorderen van een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, een efficiënt gebruik van de middelen, hernieuwbare energiebronnen en de overgang naar een veilige en duurzame, koolstofarme economie; het bevorderen van investeringen om aan specifieke risico's het hoofd te kunnen bieden, zorg dragen voor rampenbestendigheid en het ontwikkelen van rampenbeheersystemen en paraatheid voor noodsituaties.

c)

Het bevorderen van duurzaam vervoer en het verbeteren van de openbare infrastructuur, onder meer door het verhelpen van isolatie door een verbeterede toegang tot vervoer, voorlichtings- en communicatienetwerken en -diensten; het investeren in grensoverschrijdende water-, afval- en energiesystemen en -faciliteiten.

d)

Het stimuleren van toerisme en het onder de aandacht brengen van cultureel en natuurlijk erfgoed.

e)

Het investeren in de jeugd, in onderwijs en vaardigheden onder meer door middel van het ontwikkelen en implementeren van gemeenschappelijk onderwijs, beroepsopleiding, opleidingsprogramma's en infrastructuur ten behoeve van gezamenlijke jongerenactiviteiten.

f)

Het bevorderen van plaatselijke en regionale governance alsmede het versterken van de capaciteit van plaatselijke en regionale autoriteiten op het gebied van planning en administratie.

g)

Het versterken van het concurrentievermogen, het ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen, handel en investeringen, onder meer door het bevorderen en ondersteunen van ondernemerschap, in het bijzonder in kleine en middelgrote ondernemingen; het ontwikkelen van plaatselijke grensoverschrijdende markten alsook internationalisering.

h)

Het versterken van onderzoek, technologische ontwikkeling, innovatie en voorlichtings- en communicatietechnologieën, onder meer door het bevorderen van het delen van personele middelen en faciliteiten voor onderzoek en technologische ontwikkeling.

In voorkomend geval kunnen de IPA II-middelen ook worden benut voor de deelname van de in bijlage I vermelde begunstigden aan transnationale en interregionale samenwerkingsprogramma's die vallen onder de steun uit het EFRO voor de Europese territoriale samenwerking en aan grensoverschrijdende programma's van het ENI. De werkingssfeer van de steun wordt in die gevallen vastgesteld conform het regelgevingskader van het betrokken instrument (dit is ofwel het EFRO of het ENI).


Verklaring van de Europese Commissie over de strategische dialoog met het Europees Parlement (1)

Op basis van artikel 14 VEU zal de Europese Commissie een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement voorafgaand aan de programmering van Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) en na, voor zover dienstig, initieel overleg met de relevante begunstigden ervan. De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met indicatieve toewijzingen per land of regio, en binnen een land of regio, met prioriteiten, mogelijke resultaten en indicatieve toewijzingen per prioriteit voor de geografische programma's, alsook de keuze van steunmodaliteiten (2). De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met thematische prioriteiten, mogelijke resultaten, de keuze van steunmodaliteiten (2), en financiële toewijzingen voor dergelijke prioriteiten waarin de thematische programma's voorzien. De Europese Commissie zal rekening houden met het standpunt van het Europees Parlement op dit punt.

De Europese Commissie zal een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie en vóór elke belangrijke wijziging van de programmeringsdocumenten tijdens de looptijd van deze verordening.

De Europese Commissie zal, indien het Europees Parlement daarom verzoekt, verklaren waar in de programmeringsdocumenten met de opmerkingen van het Europees Parlement rekening is gehouden en alle verdere uitleg verstrekken over de uitkomsten van de strategische dialoog.


(1)  De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd op het niveau van de bevoegde commissaris.

(2)  Indien van toepassing.


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over de financiering van horizontale programma's voor minderheden

Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie komen overeen dat artikel 2, lid 1, onder a), ii), van Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) moet worden geïnterpreteerd als het toestaan van de financiering van programma's die bedoeld zijn om het respect voor en de bescherming van minderheden overeenkomstig de criteria van Kopenhagen te bevorderen, zoals het geval was in het kader van Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA).


Verklaring van de Europese Commissie betreffende het gebruik van uitvoeringshandelingen voor de vaststelling van bepalingen voor de toepassing van bepaalde regels in Verordening nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument en in Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)

De Europese Commissie is van oordeel dat de uitvoeringsbepalingen voor de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking als vastgesteld in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de financieringsinstrumenten van de Unie voor extern optreden en andere specifieke, meer gedetailleerde uitvoeringsbepalingen in Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument en in Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), de basishandeling aanvullen en derhalve als gedelegeerde handelingen op basis van artikel 290 VWEU moeten worden aangenomen. De Europese Commissie zal zich niet verzetten tegen de aanneming van de door de medewetgevers overeengekomen tekst. Toch wijst de Europese Commissie erop dat de kwestie van de afbakening tussen de artikelen 290 en 291 VWEU momenteel bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in behandeling is in de zaak „biociden”.


Verklaring van het Europees Parlement betreffende de opschorting van de steun die wordt toegekend in het kader van de financiële instrumenten

Het Europees Parlement merkt op dat in Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument, Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen en Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) geen uitdrukkelijke verwijzing is opgenomen naar de mogelijkheid om de steun op te schorten wanneer een begunstigd land de fundamentele beginselen van het betrokken instrument, en met name de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, niet naleeft.

Het Europees Parlement is van mening dat een eventuele opschorting van de in het kader van deze instrumenten verleende steun de volgens de gewone wetgevingsprocedure overeengekomen algemene financiële regeling zou wijzigen. Indien een dergelijk besluit zou worden genomen, heeft het Europees Parlement als medewetgever en tak van de begrotingsautoriteit het recht zijn prerogatieven in dat verband ten volle uit te oefenen.


Verklaring van het Europees Parlement betreffende de begunstigden die zijn genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)

Het Europees Parlement merkt op dat in Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) de term „begunstigden genoemd in bijlage I” in de hele tekst wordt gebruikt. Het Europees Parlement is van oordeel dat deze term betrekking heeft op landen.


15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/27


VERORDENING (EU) Nr. 232/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze verordening stelt het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI) vast als een van de instrumenten voor de rechtstreekse ondersteuning van het externe beleid van de Europese Unie. Zij vervangt Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad (4), die op 31 december 2013 verstreek.

(2)

Artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat de Unie bijzondere betrekkingen met de naburige landen moet ontwikkelen, die erop gericht zijn een ruimte van welvaart en goed nabuurschap tot stand te brengen welke stoelt op de waarden van de Unie en welke gekenmerkt wordt door nauwe en vreedzame betrekkingen die gebaseerd zijn op samenwerking.

(3)

In het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) biedt de Unie de landen van het Europees nabuurschapsgebied, een geprivilegieerde relatie die is gebaseerd op een wederzijdse inzet voor, en bevordering van, de waarden en beginselen met betrekking tot democratie en mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur, een markteconomie en duurzame en inclusieve ontwikkeling. Voorts voorziet het ENB waar passend, in een kader voor meer mobiliteit en meer contacten tussen mensen, met name via visumfaciliteringsovereenkomsten en overnameovereenkomsten, en per geval via visumliberalisering.

(4)

Sinds de start van het ENB zijn de betrekkingen met de partnerlanden versterkt, hetgeen concrete voordelen heeft opgeleverd voor zowel de Unie als haar partners, met inbegrip van de start van regionale initiatieven en steun aan de democratisering in het Europees nabuurschapsgebied. Een aantal ingrijpende ontwikkelingen in het Europese nabuurschapsgebied leidde tot een uitgebreide strategische evaluatie van het ENB in 2011. De evaluatie pleit onder andere voor meer steun aan partnerlanden die een democratische samenleving willen opbouwen en hervormingen doorvoeren, overeenkomstig de op prikkels gebaseerde aanpak („meer voor meer”) en het beginsel van „een wederzijdse verantwoordingsplicht”, voor partnerschap met samenlevingen en voor een gedifferentieerder en meer op maat gesneden benadering van de afzonderlijke partnerlanden. Deze verordening dient een duidelijk verband vast te leggen tussen het ENB-kader en de steun die moet worden verstrekt uit hoofde van deze verordening.

(5)

Deze verordening dient de uitvoering van politieke initiatieven te ondersteunen die hebben bijgedragen aan de vorming van het ENB: het Oostelijk Partnerschap tussen de Unie en haar buurlanden in het oosten, het Partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart, en de Unie voor het Middellandse Zeegebied met de landen van het Zuidelijk Nabuurschap. Al die initiatieven zijn van strategisch belang en bieden ieder op zich zinvolle politieke kaders voor de verdieping van de betrekkingen met en tussen de partnerlanden, op basis van wederzijdse verantwoordingsplicht, gedeelde betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Deze verordening dient tevens ondersteuning te verlenen voor de uitvoering van regionale samenwerking in het gehele Europese nabuurschapsgebied, onder andere in het beleidskader van de noordelijke dimensie of de Synergie voor het Zwarte Zeegebied, alsmede, in de eerste plaats bij grensoverschrijdende samenwerking, voor de externe aspecten van relevante macroregionale strategieën.

(6)

Bij het nastreven van de doelstellingen van deze verordening moeten op passende wijze partners bij het externe optreden worden betrokken, waaronder maatschappelijke organisaties en lokale overheden, die gezien de belangrijke rol die zij vervullen, kunnen bijdragen aan de voorbereiding, uitvoering en monitoring van de Uniesteun. Daarnaast dient deze verordening ondersteuning te verlenen voor de versterking van de capaciteit van maatschappelijke organisaties om een effectieve binnenlandse verantwoordingsplicht en een effectieve lokale eigen inbreng te garanderen, en een volwaardige rol te spelen in de democratiseringsprocessen.

(7)

Deze verordening erkent de specifieke status van de Russische Federatie als buurland van de Unie en strategische partner in de regio.

(8)

Uit hoofde van zowel deze verordening als het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) moet ondersteuning worden verleend voor programma's voor grensoverschrijdende samenwerking aan de buitengrenzen van de Unie tussen de lidstaten, enerzijds, en de partnerlanden en/of de Russische Federatie, anderzijds („andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen”), ter bevordering van geïntegreerde en duurzame regionale ontwikkeling en samenwerking tussen gebieden die aan weerszijden van een grens liggen en harmonieuze territoriale integratie overal in de Unie en met naburige landen. Met het oog op een efficiënte tenuitvoerlegging van de grensoverschrijdende samenwerking is het belangrijk dat de procedures waar nodig worden geharmoniseerd met deze binnen het kader van de Europese territoriale samenwerking.

(9)

Verder is het in het gemeenschappelijke belang van de Unie en haar partners, en de andere deelnemende landen, om de samenwerking te stimuleren en te faciliteren, in het bijzonder door de ter beschikking gestelde middelen zo goed en zo doeltreffend mogelijk te coördineren en de bijdragen uit interne en externe instrumenten van de begroting van de Unie te bundelen, met name ten behoeve van projecten voor grensoverschrijdende samenwerking en voor regionale samenwerking, infrastructuurprojecten die van belang zijn voor de Unie en waarbij naburige landen betrokken zijn, en andere samenwerkingsterreinen.

(10)

Territoriale eenheden aan weerszijden van de grenzen, die behoren tot landen van de Europese Economische Ruimte (EER) en de betrokken territoriale eenheden in de begunstigden die vermeld zijn in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5), dienen ook aan grensoverschrijdende samenwerking te kunnen deelnemen. EER-landen moeten hun deelname aan programma's voor grensoverschrijdende samenwerking blijven bekostigen uit eigen middelen.

(11)

Van de lidstaten, de partnerlanden en de andere deelnemende landen die deelnemen aan grensoverschrijdende samenwerking en aan regionale samenwerking, wordt medefinanciering verwacht. Hierdoor wordt de eigen verantwoordelijkheid versterkt, zijn meer middelen beschikbaar voor de programma's en wordt de deelname van lokale belanghebbenden vergemakkelijkt.

(12)

Met het oog op het in overeenstemming brengen van de in deze verordening gebruikte terminologie met die van de Europese territoriale samenwerking moeten de uitvoeringsdocumenten voor programma's voor grensoverschrijdende samenwerking „gemeenschappelijke operationele programma's” worden genoemd.

(13)

De steun die in het kader van het ENB aan naburige ontwikkelingslanden wordt verstrekt, moet stroken met de doelstellingen en beginselen van het externe beleid van de Unie, en in het bijzonder met het ontwikkelingsbeleid ervan en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Er moet tevens worden gezorgd voor coherentie met de externe dimensie van de interne beleidslijnen en instrumenten van de Unie.

(14)

De Unie moet er, voor een zo groot mogelijke impact van haar externe optreden, op toezien dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dit moet worden bereikt door middel van coherentie en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen het ENI, andere instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden en andere beleidsonderdelen van de Unie. Dit moet leiden tot wederzijdse versterking van de programma's die uit de instrumenten ter financiering van extern optreden voortkomen.

(15)

De gezamenlijke strategie Afrika-EU is relevant voor de betrekkingen met de Noord-Afrikaanse landen die aan de Middellandse Zee liggen.

(16)

De Unie en haar lidstaten moeten zorgen voor betere coherentie, doeltreffendheid en complementariteit tussen hun respectieve beleidslijnen inzake samenwerking met naburige landen. Om ervoor te zorgen dat de samenwerking van de Unie enerzijds en van de lidstaten anderzijds elkaar aanvullen en versterken, is het wenselijk om, waar mogelijk en relevant, gezamenlijke programmering toe te passen. Er moet ook gezorgd worden voor goede samenwerking en coördinatie met andere niet-Unie-donoren.

(17)

De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening moet in beginsel worden aangepast aan de nationale en lokale strategieën en maatregelen van de partnerlanden en, in voorkomend geval, ook aan die van de Russische Federatie.

(18)

De Commissie dient ervoor te zorgen dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet door gebruik te maken van financieringsinstrumenten met een hefboomeffect. Dat effect zou ook kunnen worden vergroot doordat de via financieringsinstrumenten geïnvesteerde of gegenereerde middelen kunnen worden gebruikt en hergebruikt.

(19)

De bestrijding van de klimaatverandering is een van de grote uitdagingen waar de Unie voor staat en waarvoor dringend internationaal optreden is vereist. Conform de intentie vermeld in de mededeling van Commissie van 29 juni 2011 met als titel „Een begroting voor Europa 2020” om het klimaatgerelateerde deel van de Uniebegroting te verhogen tot ten minste 20 %, dient ook deze verordening aan het bereiken van die doelstelling bij te dragen.

(20)

Een stabiel kader voor samenwerking met naburige landen op het gebied van energie en hulpbronnen, dat aansluit bij de internemarktregels van de Unie, draagt bij tot meer zekerheid van de Unie op dat terrein.

(21)

De gendergelijkheid, de rechten van personen die tot minderheden behoren en de bestrijding van discriminatie en ongelijkheden zijn horizontale doelstellingen voor alle maatregelen in het kader van deze verordening.

(22)

De Unie streeft in de betrekkingen met al haar partners in de wereld naar de bevordering van fatsoenlijk werk en sociale rechtvaardigheid en de bekrachtiging en effectieve uitvoering van internationaal erkende arbeidsnormen, hetgeen onder meer inhoudt dat kinderarbeid moet worden uitgebannen, en van multilaterale milieuverdragen.

(23)

Deze verordening legt voor de periode waarin zij van toepassing is, de financiële middelen vast die voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (6), in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

(24)

De financiële belangen van de Unie moeten gedurende de gehele uitgavencyclus worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, waaronder de preventie en opsporing van en het onderzoek naar onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, in voorkomend geval, het opleggen van sancties. Die maatregelen dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke overeenkomsten met internationale organisaties en derde landen.

(25)

Teneinde de uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie aan te passen, dient de bevoegdheid om handelingen in de zin van artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vast te stellen aan de Commissie te worden overgedragen wat betreft het wijzigen van de lijst van prioriteiten voor de uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie en de financiële toewijzing per programmatypeverordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.

(26)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

(27)

De uitvoeringsbevoegdheden met betrekking tot een meerjarig integraal steunkader, andere programmeringsdocumenten, en uitvoeringsvoorschriften die de specifieke bepalingen vastleggen voor de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende samenwerking, moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(28)

Gezien de aard van deze uitvoeringshandelingen, met name het beleidssturende karakter of de financiële gevolgen ervan, moet in beginsel de onderzoeksprocedure worden gevolgd voor de vaststelling ervan, behalve in het geval van maatregelen van beperkte financiële omvang.

(29)

Bij Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8) zijn gemeenschappelijke voorschriften en procedures vastgesteld voor de uitvoering van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden.

(30)

In Besluit 2010/427/EU van de Raad (9) is de organisatie en de werking vastgesteld van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO).

(31)

Voor landen van het Europees nabuurschapsgebied waarin aanpassing aan de regels en normen van de Unie een van de belangrijkste beleidsdoelstellingen vormt, is de Unie het best geplaatst om krachtens deze verordening steun te verlenen. Bepaalde steun kan alleen op het niveau van de Unie worden verstrekt. De ervaringen van de lidstaten met het overgangsproces kunnen ook bijdragen tot succesvolle hervormingen in de landen van het Europees nabuurschapsgebied en tot de bevordering van universele waarden in het Europees nabuurschapsgebied.

(32)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(33)

Het is aangewezen dat de periode waarin deze verordening van toepassing is, in overeenstemming wordt gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 (10) van de Raad. Deze verordening dient derhalve van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 1

Algemene doelstelling en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een Europees nabuurschapsinstrument (ENI) vastgesteld dat verder gestalte moet geven aan een ruimte van gedeelde welvaart en goed nabuurschap tussen de Unie en de in bijlage I vermelde landen en gebieden („de partnerlanden”), door de ontwikkeling van bijzondere betrekkingen die berusten op samenwerking, vrede en veiligheid, een wederzijdse verantwoordingplicht en gedeelde inzet voor de universele waarden als democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten overeenkomstig het VEU.

2.   De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening strekt tot voordeel van de partnerlanden en de gebieden die betrokken zijn bij grensoverschrijdende samenwerking. De steun kan ook in het wederzijdse voordeel van de Unie en de partnerlanden worden aangewend.

3.   De uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie kan ook worden gebruikt om de Russische Federatie in staat te stellen deel te nemen aan grensoverschrijdende samenwerking, regionale samenwerking met betrokkenheid van de Unie en relevante meerlandenprogramma's, met inbegrip van samenwerking op onderwijsgebied, met name studentenuitwisselingen.

4.   Door middel van dialoog en samenwerking met derde landen en met inachtneming van de beginselen van het internationaal recht bevordert, ontwikkelt en consolideert de Unie de waarden waarop zij berust, namelijk vrijheid, democratie, universaliteit, ondeelbaarheid en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en de beginselen van gelijkheid en de rechtsstaat. De financiering uit hoofde van deze verordening is derhalve in overeenstemming met die waarden en beginselen, en met de verbintenissen van de Unie uit hoofde van het internationaal recht, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante beleidslijnen en standpunten van de Unie.

Artikel 2

Specifieke doelstellingen van de steun van de Unie

1.   De uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie is gericht op het bevorderen van meer politieke samenwerking, diepgewortelde en duurzame democratie, geleidelijke economische integratie en een versterkt partnerschap met samenlevingen tussen de Unie en de partnerlanden, en met name op de uitvoering van partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, associatieovereenkomsten of andere bestaande en toekomstige overeenkomsten en gezamenlijk overeengekomen actieplannen of gelijkwaardige documenten.

2.   De uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie is met name gericht op:

a)

het bevorderen van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, de rechtsstaat, het gelijkheidsbeginsel en de bestrijding van elke vorm van discriminatie, de totstandbrenging van diepgewortelde en duurzame democratie, de bevordering van goed bestuur, de bestrijding van corruptie, de versterking van de institutionele capaciteit op alle niveaus en de ontwikkeling van een florerend maatschappelijk middenveld met inbegrip van sociale partners;

b)

de geleidelijke integratie in de interne markt van de Unie en meer samenwerking binnen en tussen sectoren, onder andere door aanpassing aan de wet- en regelgeving van de Unie en andere internationale normen, en betere markttoegang, onder meer door diepe en brede vrijhandelsruimten en daarmee verband houdende institutionele opbouw en investering, meer bepaald in onderlinge verbindingen;

c)

het scheppen van een klimaat voor het beter organiseren van reguliere migratie en het stimuleren van goed beheerde mobiliteit van mensen, voor het uitvoeren van bestaande of toekomstige overeenkomsten die zijn gesloten volgens de totaalaanpak van migratie en mobiliteit, en voor het bevorderen van contacten tussen mensen, met name met betrekking tot activiteiten op het gebied van cultuur, onderwijs, werkgelegenheid en sport;

d)

het ondersteunen van slimme, duurzame en inclusieve ontwikkeling in alle opzichten; armoedebestrijding, onder meer door ontwikkeling van de private sector, en terugdringing van sociale uitsluiting; het bevorderen van de capaciteitsopbouw op het gebied van wetenschap, onderwijs en met name hoger onderwijs, technologie, onderzoek en innovatie; het bevorderen van de interne economische, sociale en territoriale cohesie; het stimuleren van plattelandsontwikkeling; het bevorderen van volksgezondheid; het ondersteunen van milieubescherming, klimaatmaatregelen en rampbestendigheid;

e)

het bevorderen van wederzijds vertrouwen, betrekkingen van goed nabuurschap en andere maatregelen die bijdragen tot de veiligheid in al haar vormen en tot het voorkomen en oplossen van conflicten, met inbegrip van langdurige conflicten;

f)

het versterken van samenwerking tussen subregio's en regio's en op het niveau van het hele Europese nabuurschapsgebied en van grensoverschrijdende samenwerking.

3.   De verwezenlijking van de specifieke doelstellingen vermeld in de leden 1 en 2 wordt gemeten aan de hand van, met name, de relevante periodieke verslagen van de Unie over de uitvoering van het ENP; voor lid 2, onder a), d) en e), worden de relevante indicatoren van internationale organisaties en andere relevante organen gebruikt; voor lid 2, onder b), c) en d), wordt gekeken naar de mate waarin de partnerlanden het regelgevingskader van de Unie, voor zover passend, overnemen; en voor lid 2, onder c) en f), wordt het aantal relevante overeenkomsten en samenwerkingsmaatregelen in aanmerking genomen.

De indicatoren aan de hand waarvan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen worden gemeten, zijn vooraf bepaald, duidelijk, transparant en, in voorkomend geval, landenspecifiek en meetbaar, en omvatten onder meer democratische verkiezingen onder adequaat toezicht, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, een onafhankelijke rechterlijke macht, samenwerking op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid, de omvang van corruptie, handelsstromen, gendergelijkheid en indicatoren van interne economische ongelijkheden, waaronder te meten werkgelegenheidscijfers.

4.   De uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie kan ook worden gebruikt op andere relevante gebieden indien dit in overeenstemming is met de algemene doelstellingen van het ENB.

Artikel 3

Beleidskader

1.   Met inachtneming van het beginsel eigen inbreng wordt het algemene beleidskader van deze verordening voor de programmering en uitvoering van de steun van de Unie uit hoofde van deze verordening gevormd door de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, de associatieovereenkomsten en andere bestaande of toekomstige overeenkomsten waarmee betrekkingen met de partnerlanden tot stand worden gebracht, daarmee verband houdende mededelingen van de Commissie, conclusies van de Europese Raad, conclusies van de Raad en verklaringen van topontmoetingen of conclusies van ministeriële bijeenkomsten met de partnerlanden van het ENB, mede in de context van het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor het Middellandse Zeegebied, alsmede desbetreffende resoluties van het Europees Parlement.

2.   De belangrijkste referentiepunten voor het vaststellen van de prioriteiten voor steun van de Unie uit hoofde van deze verordening alsmede voor de in artikel 2, lid 3, bedoelde beoordeling van de vorderingen zijn: actieplannen of gelijkwaardige gezamenlijk overeengekomen documenten zoals de associatieagenda's tussen de partnerlanden en de Unie in bilaterale en multilaterale kaders, onder meer in voorkomend geval in het kader van het Oostelijk Partnerschap en de zuidelijke dimensie van het ENB.

3.   Aan partnerlanden waarmee de Unie geen overeenkomst als bedoeld in lid 1 heeft gesloten, kan steun van de Unie uit hoofde van deze verordening worden verleend als dit bijdraagt tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie; in dat geval wordt de steun gepland op basis van deze doelstellingen, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van het betrokken land.

Artikel 4

Differentiatie, partnerschap en medefinanciering

1.   De overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder a), verleende steun van de Unie uit hoofde van deze verordening, aan elk partnerland wordt gebaseerd op prikkels en wordt qua vorm en omvang per partnerland gedifferentieerd, en weerspiegelt, rekening houdend met alle hieronder genoemde elementen, het volgende:

a)

de behoeften van het partnerland, gemeten aan de hand van indicatoren zoals bevolking en ontwikkelingsgraad;

b)

de mate waarin wederzijds overeengekomen politieke, economische en sociale hervormingsdoelstellingen worden nagestreefd en verwezenlijkt;

c)

de mate waarin diepgewortelde en duurzame democratie wordt nagestreefd en verwezenlijkt;

d)

het partnerschap met de Unie en de ambities met betrekking tot dat partnerschap;

e)

de absorptiecapaciteit en de mogelijke gevolgen van de uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie.

Die steun wordt vermeld in de in artikel 7 bedoelde meerjarige programmeringsdocumenten.

2.   Na goedkeuring van de in artikel 7 bedoelde programmeringsdocumenten, en onverminderd de in lid 1 van dit artikel beschreven overige elementen, wordt het aandeel van de beschikbare middelen dat de partnerlanden ter beschikking wordt gesteld, in de eerste plaats aangepast aan de vorderingen die zij maken met het tot stand brengen en consolideren van een diepgewortelde en duurzame democratie en met het uitvoeren van overeengekomen politieke, economische en sociale hervormingsdoelstellingen, in overeenstemming met de stimuleringsaanpak.

Voor overkoepelende meerlandenprogramma's wordt dat aandeel bepaald aan de hand van de vorderingen die de partnerlanden maken bij het tot stand brengen van diepgewortelde en duurzame democratie, waarbij tevens rekening wordt gehouden met hun vooruitgang bij de uitvoering van overeengekomen hervormingsdoelstellingen die dat doel helpen te bereiken.

De vorderingen van de partnerlanden worden regelmatig beoordeeld, in het bijzonder door middel van voortgangsverslagen in het kader van het ENB waarin tendensen ten opzichte van voorgaande jaren worden opgenomen.

De steun kan worden heroverwogen in geval van ernstige of blijvende achteruitgang.

3.   De op prikkels gebaseerde aanpak is niet van toepassing op steun voor het maatschappelijk middenveld en contacten tussen mensen, daaronder begrepen samenwerking tussen lokale autoriteiten, noch op steun ter verbetering van de mensenrechten of op crisisgerelateerde steunmaatregelen. In geval van ernstige of blijvende achteruitgang kan die steun worden verhoogd.

4.   Over de uitvoering van de stimuleringsaanpak uit hoofde van deze verordening wordt in de Raad en in het Europees Parlement regelmatig van gedachten gewisseld.

5.   De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening wordt in beginsel in overleg met de begunstigden vastgesteld. In het kader van dit partnerschap worden, zoals passend, de onderstaande belanghebbenden betrokken bij het opstellen, uitvoeren en controleren van de steun van de Unie:

a)

nationale en lokale overheden; en

b)

maatschappelijke organisaties;

mede door hen te raadplegen en hun snel toegang tot relevante informatie te bieden, waardoor zij in dat proces een zinvolle rol kunnen vervullen.

6.   De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening wordt in beginsel medegefinancierd door de partnerlanden en andere deelnemende landen via overheidsmiddelen, bijdragen van de begunstigden en andere bronnen. Van medefinancieringseisen kan worden afgeweken mits dit naar behoren wordt gemotiveerd en waar nodig om de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en niet-overheidsactoren, met name maatschappelijke organisaties van beperkte omvang, te steunen, onverminderd de verplichting om te voldoen aan de andere voorwaarden van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (11).

Artikel 5

Coherentie en donorcoördinatie

1.   Bij de uitvoering van deze verordening wordt gezorgd voor coherentie met alle onderdelen van het externe optreden van de Unie en met het relevante beleid van de Unie op andere terreinen. De in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen, inclusief de maatregelen die worden beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB), worden derhalve gebaseerd op de in artikel 3, leden 1 en 2, bedoelde documenten inzake het samenwerkingsbeleid en op de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie. Deze maatregelen moeten de verbintenissen in het kader van multilaterale overeenkomsten en internationale verdragen waarbij de Unie en haar partnerlanden partij zijn, eerbiedigen.

2.   De Unie, de lidstaten en de EIB waarborgen de coherentie tussen de steun uit hoofde van deze verordening en andere steun van de Unie, de lidstaten en de Europese financiële instellingen.

3.   De Unie en de lidstaten stemmen hun respectieve steunprogramma's op elkaar af om de doeltreffendheid en doelmatigheid bij de steunverlening en de beleidsdialoog te verhogen en overlappende financiering te voorkomen, overeenkomstig de vaste beginselen van de versterking van de operationele coördinatie op het gebied van externe bijstand, en van de harmonisering van beleid en procedures. De coördinatie omvat regelmatig overleg en frequente uitwisselingen van relevante informatie tijdens de verschillende fasen van het steunverleningsproces, met name op operationeel niveau. Waar mogelijk en relevant wordt gezamenlijke programmering toegepast. Waar dit niet haalbaar is, worden andere regelingen, zoals gedelegeerde samenwerking en overdrachtsregelingen, overwogen om voor maximale coördinatie te zorgen.

De Commissie brengt binnen het kader van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde verslag, verslag uit over gezamenlijke programmering met lidstaten en doet daarbij aanbevelingen in gevallen waarin gezamenlijke programmering niet volledig is gerealiseerd.

4.   De Unie onderneemt, in samenwerking met de lidstaten, de nodige stappen, zoals het plegen van overleg in een vroeg stadium van het programmeringsproces, teneinde te zorgen voor complementariteit en een goede coördinatie en samenwerking met multilaterale en regionale organisaties en entiteiten, waaronder Europese financiële instellingen, internationale financiële instellingen, agentschappen, fondsen en programma's van de Verenigde Naties, particuliere en politieke stichtingen en donoren van buiten de Unie.

5.   De in artikel 7, leden 2 en 3, bedoelde documenten verwijzen, voor zover mogelijk, tevens naar de activiteiten van andere donoren binnen de Unie.

TITEL II

INDICATIEVE PROGRAMMERING EN TOEWIJZING VAN MIDDELEN

Artikel 6

Soorten programma's

1.   De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening wordt geprogrammeerd door middel van:

a)

bilaterale programma's voor steun van de Unie aan één partnerland;

b)

meerlandenprogramma's voor aangelegenheden die alle of een aantal partnerlanden aangaan, op basis van prioriteiten van het Oostelijk Partnerschap en de zuidelijke dimensie van het ENB en rekening houdend met de werkzaamheden in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, alsmede regionale en subregionale samenwerking, voornamelijk tussen twee of meer partnerlanden, onder meer binnen het kader van de noordelijke dimensie en de Synergie voor het Zwarte Zeegebied. Overeenkomstig artikel 1, lid 3, kan de Russische Federatie hierbij worden betrokken;

c)

programma's voor grensoverschrijdende samenwerking tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer partnerlanden en/of de Russische Federatie („andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen”) anderzijds, die plaatsvindt aan hun gezamenlijk deel van de buitengrens van de Unie.

2.   De prioriteiten voor de uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie staan vermeld in bijlage II.

3.   De uit hoofde van deze verordening verleende steun van de Unie, wordt uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 236/2014, en voor de in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde programma's, ook overeenkomstig uitvoeringsvoorschriften waarin specifieke bepalingen zijn opgenomen voor de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende samenwerking zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening.

Artikel 7

Programmering en indicatieve toewijzing van middelen voor indicatieve landenprogramma's en meerlandenprogramma's

1.   De indicatieve toewijzing van financiële middelen voor landenprogramma's geschiedt aan de hand van de criteria in artikel 4, lid 1.

2.   Voor landen waarvoor de in artikel 3, lid 2, van deze verordening bedoelde documenten bestaan, wordt een algemeen meerjarig steunkader vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. Binnen dat kader wordt:

a)

een evaluatie gemaakt van de vooruitgang met betrekking tot het beleidskader en van de verwezenlijking van eerder overeengekomen doelstellingen, en wordt de balans opgemaakt van betrekkingen tussen de Unie en het partnerland, ook wat betreft het ambitieniveau met betrekking tot het partnerschap van het land met de Unie;

b)

vastgelegd wat de doelstellingen en prioriteiten voor steun van de Unie zijn; deze worden voornamelijk gekozen uit de prioriteiten die zijn opgenomen in de in artikel 3, lid 2, bedoelde documenten en in de strategieën of plannen van de partnerlanden, indien die strategieën of plannen consistent zijn met het algemene beleidskader, en waarvoor de periodieke evaluatie van de Unie de noodzaak van steun heeft aangetoond;

c)

vermeld wat de verwachte resultaten zijn; en

d)

de indicatieve omvang van de financiering per prioriteit vastgesteld.

De indicatieve toewijzing van financiële middelen voor ieder integraal steunkader wordt weergegeven in de vorm van een percentueel bereik van niet meer dan 20 % van die toewijzingen.

De looptijd van een integraal steunkader komt in beginsel overeen met die van het desbetreffende document als bedoeld in artikel 3, lid 2, van deze verordening.

3.   Voor landen waarvoor de in artikel 3, lid 2, van deze verordening bedoelde documenten niet bestaan, wordt een algemeen, onder meer een strategie en een meerjarig indicatief programma omvattend programmeringsdocument aangenomen overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. In het document wordt:

a)

een responsstrategie van de Unie vastgesteld die is gebaseerd op een analyse van de situatie in het land, op de betrekkingen van dat land met de Unie en op de strategieën of plannen van de partnerlanden, indien die strategieën of plannen consistent zijn met het algemene beleidskader;

b)

vermeld wat de doelstellingen zijn en de prioriteiten voor steun van de Unie;

c)

vermeld wat de verwachte resultaten zijn; en

d)

de indicatieve financiering per prioriteit vastgesteld.

De bijbehorende indicatieve toewijzing van financiële middelen wordt weergegeven in de vorm van een percentueel bereik van niet meer dan 20 % van die toewijzingen. Het programmeringsdocument heeft een passende looptijd van meerdere jaren.

4.   Voor meerlandenprogramma's wordt een algemeen, onder meer een strategie en een meerjarig indicatief programma omvattend programmeringsdocument aangenomen overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. Hierin wordt:

a)

bepaald wat de doelstellingen en prioriteiten zijn voor steun van de Unie aan de regio of subregio, waarbij, in voorkomend geval, de prioriteiten weerspiegeld worden die zijn vastgesteld in het kader van het Oostelijk Partnerschap of de Unie voor het Middellandse Zeegebied;

b)

vermeld wat de verwachte resultaten zijn; en

c)

de indicatieve omvang van de financiering per prioriteit vastgesteld.

De indicatieve toewijzing van de financiële middelen voor meerlandenprogramma's worden bepaald aan de hand van transparante en objectieve criteria.

Het programmeringsdocument heeft een passende looptijd van meerdere jaren.

5.   De documenten van het integrale steunkader worden wanneer nodig geëvalueerd, onder meer in het licht van de relevante periodieke verslagen van de Unie en rekening houdend met de werkzaamheden van de gemengde organen die in het kader van de overeenkomsten met de partnerlanden zijn ingesteld, en kunnen worden herzien overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. De in de leden 3 en 4 bedoelde programmeringsdocumenten worden, halverwege de looptijd of telkens wanneer dit nodig is, geëvalueerd en kunnen volgens de genoemde procedure worden herzien.

6.   Om de uitvoering van de in artikel 4, lid 2, bedoelde stimuleringsaanpak te vergemakkelijken, wordt een bedrag van om en nabij de 10 % van de in artikel 17, lid 1, bedoelde financiële middelen toegewezen aan overkoepelende meerlandenprogramma's ter aanvulling van de in artikel 7, leden 2 en 3, bedoelde toewijzing van financiële middelen per land. In de Commissiebesluiten tot vaststelling van deze overkoepelende programma's worden de landen vermeld waaraan financiële middelen kunnen worden toegewezen; over de feitelijke toewijzingen wordt beslist op basis van de voortgang in de richting van een diepgewortelde en duurzame democratie en de uitvoering van overeengekomen hervormingsdoelstellingen die bijdragen tot het bereiken van dat doel.

7.   De financiering uit hoofde van deze verordening kan, wanneer dit noodzakelijk is om de maatregelen tot wederzijds voordeel van de Unie en de partnerlanden doeltreffender uit te voeren, zoals voor grensoverschrijdende samenwerking en interconnectieprojecten, worden gecombineerd met financiering uit hoofde van andere Unieverordeningen. In dit geval bepaalt de Commissie welke regels van toepassing zijn op de uitvoering.

8.   De lidstaten worden overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bij het programmeringsproces betrokken. Die lidstaten en de andere donoren die hebben toegezegd hun steun samen met de Unie te programmeren, worden zeer nauw bij het programmeringsproces betrokken. De programmeringsdocumenten kunnen zo nodig ook hun bijdrage omvatten.

9.   Indien de lidstaten en andere donoren hebben toegezegd hun steun gezamenlijk te programmeren, kan het integrale steunkader of het in de leden 3 en 4 bedoelde programmeringsdocument worden vervangen door een gezamenlijk meerjarig programmeringsdocument, op voorwaarde dat daarbij wordt voldaan aan die leden.

10.   In geval van crises of gevaar voor de democratie, de rechtsstaat, of de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, of bij een door de mens of de natuur veroorzaakte ramp, kunnen de strategiedocumenten ad hoc opnieuw worden geëvalueerd. Bij deze spoedevaluatie moet de coherentie tussen het beleid van de Unie, de uit hoofde van de verordening verleende steun van de Unie en de steun uit hoofde van andere instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden worden gewaarborgd. Een spoedevaluatie kan leiden tot de vaststelling van herziene programmeringsdocumenten. In dat geval zendt de Commissie de herziene programmeringsdocumenten binnen één maand na goedkeuring ter informatie toe aan het Europees Parlement en de Raad.

11.   In elke programmering of herziening van programma's die plaatsvindt na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse evaluatieverslag, worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag verwerkt.

TITEL III

GRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING

Artikel 8

In aanmerking komende geografische gebieden

1.   De in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde programma's voor grensoverschrijdende samenwerking kunnen worden opgesteld:

a)

voor landgrenzen, waarbij de programma's betrekking hebben op de territoriale eenheden van niveau 3 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) of gelijkwaardig die zich aan de landgrenzen tussen de lidstaten en de andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen bevinden, onverminderd eventuele aanpassingen om de coherentie en de continuïteit van de samenwerking te waarborgen, en overeenkomstig artikel 9, lid 4;

b)

voor zeegrenzen, waarbij de programma's betrekking hebben op de territoriale eenheden van NUTS-niveau 3 of gelijkwaardig die zich aan de zeegrenzen tussen de lidstaten en de andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen bevinden en maximaal 150 kilometer van elkaar verwijderd zijn, onverminderd eventuele aanpassingen om de coherentie en continuïteit van de samenwerking te waarborgen;

c)

voor een zeegebied, waarbij de programma's betrekking hebben op de territoriale eenheden van NUTS-niveau 2 of gelijkwaardig die aan een zee liggen die wordt gedeeld door lidstaten en andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen.

2.   Om de continuïteit van de bestaande samenwerkingsregelingen te waarborgen en in andere naar behoren gemotiveerde gevallen, en teneinde bij te dragen tot de doelstellingen van een programma, kunnen ook territoriale eenheden die grenzen aan de in lid 1 beschreven eenheden, worden toegelaten tot de grensoverschrijdende samenwerking. De voorwaarden waaronder aangrenzende territoriale eenheden aan de samenwerking kunnen deelnemen, worden vastgesteld in de gemeenschappelijke operationele programma's.

3.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen ook belangrijke sociale, economische of culturele centra in de lidstaten of in de andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen die niet aan de in aanmerking komende territoriale eenheden grenzen, worden toegelaten, op voorwaarde dat hun deelname bijdraagt tot de in het programmeringsdocument beschreven doelstellingen. De voorwaarden waaronder deze centra aan de samenwerking kunnen deelnemen, worden vastgesteld in de gemeenschappelijke operationele programma's.

4.   Voor programma's overeenkomstig lid 1, onder b), kan de Commissie met instemming van de deelnemers voorstellen om de in aanmerking komende geografische gebieden uit te breiden tot de gehele NUTS-II territoriale eenheid waarin de betrokken NUTS-III territoriale eenheid is gelegen.

5.   Bij de grensoverschrijdende samenwerking wordt gestreefd naar coherentie met de doelstellingen van bestaande en toekomstige macroregionale strategieën.

Artikel 9

Programmering en toewijzing van middelen voor grensoverschrijdende samenwerking

1.   In een programmeringsdocument worden de volgende elementen vastgesteld:

a)

de strategische doelstellingen van de grensoverschrijdende samenwerking en de prioriteiten en de verwachte resultaten van die samenwerking;

b)

de lijst van de vast te stellen gemeenschappelijke operationele programma's;

c)

de indicatieve uitsplitsing van de middelen voor de in artikel 8, lid 1, onder a) en b), bedoelde programma's voor respectievelijk landgrenzen en zeegrenzen, en de in artikel 8, lid 1, onder c), bedoelde programma's voor zeegebieden;

d)

de indicatieve meerjarentoewijzingen voor elk gemeenschappelijk operationeel programma;

e)

het overzicht voor elk gemeenschappelijk operationeel programma van de territoriale eenheden die in aanmerking komen voor deelname, en van de in artikel 8, leden 2, 3 en 4, bedoelde territoriale eenheden en centra;

f)

de indicatieve toewijzing ter ondersteuning, in voorkomend geval, van horizontale maatregelen voor capaciteitsopbouw, netwerkvorming en uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de verschillende programma's;

g)

de bijdragen aan de grensoverschrijdende programma's uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12), waaraan de partnerlanden en/of de Russische Federatie deelnemen.

Het programmeringsdocument heeft een looptijd van zeven jaar en wordt door de Commissie aangenomen overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. Het wordt halverwege de looptijd of telkens wanneer dat nodig is geëvalueerd, en kan worden herzien volgens die procedure.

2.   De gemeenschappelijke operationele programma's worden medegefinancierd door het EFRO. Het totaalbedrag van de bijdrage uit het EFRO wordt bepaald op grond van artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1299/2013. Op het gebruik van die bijdrage is deze verordening van toepassing.

3.   Medefinanciering kan worden verstrekt uit het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad voor gemeenschappelijke operationele programma's waaraan wordt deelgenomen door de begunstigden die zijn vermeld in bijlage I bij dat instrument. Op deze medefinanciering zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing.

4.   De indicatieve toewijzing van middelen aan gemeenschappelijke operationele programma's wordt gebaseerd op objectieve criteria, in het bijzonder de bevolking van de in aanmerking komende territoriale eenheden als omschreven in artikel 8, lid 1, onder a), b) en c). Bij de bepaling ervan kan de hoogte van de indicatieve toewijzingen worden bijgesteld in het licht van het vereiste evenwicht tussen de bijdragen uit het EFRO en de bijdragen uit hoofde van deze verordening, en andere factoren die de intensiteit van de samenwerking beïnvloeden, zoals de specifieke kenmerken van grensregio's en hun vermogen om steun van de Unie te beheren en te absorberen.

Artikel 10

Gemeenschappelijke operationele programma's

1.   Grensoverschrijdende samenwerking uit hoofde van deze verordening wordt uitgevoerd door middel van meerjarige gemeenschappelijke operationele programma's die betrekking hebben op samenwerking voor een grens of een cluster van grenzen en bestaan uit meerjarenmaatregelen die gericht zijn op een coherente reeks prioriteiten en met steun van de Unie kunnen worden uitgevoerd. De gemeenschappelijke operationele programma's berusten op het in artikel 9, lid 1, bedoelde programmeringsdocument. Zij omvatten een beknopte beschrijving van de beheer- en controlesystemen, waarbij de in artikel 11, lid 2, en in artikel 12, lid 2, genoemde elementen worden vermeld.

2.   Gemeenschappelijke operationele programma's voor landgrenzen en zeegrenzen worden per grens vastgesteld op het passende territoriale niveau en omvatten de in aanmerking komende territoriale eenheden die tot een of meer lidstaten en tot een of meer andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen behoren.

3.   Gemeenschappelijke operationele programma's voor zeegebieden zijn multilateraal, worden vastgesteld op het passende territoriale niveau en omvatten de in aanmerking komende territoriale eenheden die aan een zee liggen die behoort tot diverse deelnemende landen, waaronder ten minste één lidstaat en één ander aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemend land. Zij kunnen bilaterale acties omvatten die de samenwerking tussen één lidstaat en één ander aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemend land ondersteunen.

4.   Binnen één jaar na de goedkeuring van het in artikel 9, lid 1, bedoelde programmeringsdocument, en na de vaststelling van de uitvoeringsvoorschriften waarin specifieke bepalingen zijn opgenomen voor de tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende samenwerking, dienen de deelnemende landen gezamenlijk voorstellen voor gemeenschappelijke operationele programma's in bij de Commissie. De Commissie keurt binnen een in de uitvoeringsvoorschriften vastgestelde termijn elk gemeenschappelijk operationeel programma goed nadat zij heeft beoordeeld of het in overeenstemming is met deze verordening, met het programmeringsdocument en met de uitvoeringsvoorschriften. De Commissie legt de gemeenschappelijke operationele programma's binnen één maand na de vaststelling ervan ter informatie over aan het Europees Parlement en de lidstaten.

5.   Gebieden in andere landen dan de lidstaten of de andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen, die grenzen aan in aanmerking komende gebieden als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a) en b), of die aan een gemeenschappelijk zeebekken grenzen waarvoor een gemeenschappelijk operationeel programma is vastgesteld, kunnen deelnemen aan een gemeenschappelijk operationeel programma en kunnen in aanmerking komen voor steun van de Unie uit hoofde van deze verordening onder de voorwaarden die worden beschreven in het in artikel 9, lid 1, bedoelde programmeringsdocument.

6.   De Commissie en de deelnemende landen nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat programma's voor grensoverschrijdende samenwerking, met name voor een zeegebied, uit hoofde van deze verordening, enerzijds, en programma's voor grensoverschrijdende samenwerking uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1299/2013, die elkaar geografisch gedeeltelijk overlappen, elkaar volledig aanvullen en wederzijds versterken.

7.   Gemeenschappelijke operationele programma's kunnen worden herzien op initiatief van de deelnemende landen of van de Commissie, bijvoorbeeld wegens:

a)

gewijzigde samenwerkingsprioriteiten of sociaaleconomische ontwikkelingen;

b)

resultaten van de uitvoering van de maatregelen en de uitkomsten van het toezicht en het evaluatieproces;

c)

de noodzaak om de bedragen van de beschikbare middelen aan te passen en middelen te herverdelen.

8.   Uiterlijk aan het eind van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de gemeenschappelijke operationele programma's zijn aangenomen, sluit de Commissie een financieringsovereenkomst met de andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen. Die financieringsovereenkomst omvat de rechtsbepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van een gemeenschappelijke operationele programma en kan mede worden ondertekend door de andere deelnemende landen en door de in artikel 12, lid 2, onder c), bedoelde beheerautoriteit of het gastland van de beheerautoriteit.

Indien nodig wordt een overeenkomst, bijvoorbeeld in de vorm van een memorandum van overeenstemming, gesloten tussen de deelnemende landen en de beheerautoriteit, waarin de specifieke financiële verantwoordelijkheden en de uitvoeringsbepalingen voor het programma worden vastgesteld voor de betrokken landen, met inbegrip van hun taken en verantwoordelijkheden inzake beheer en administratie.

9.   Een gemeenschappelijk operationeel programma voor meerdere andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen wordt opgesteld indien ten minste één ander aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemend land de financieringsovereenkomst ondertekent. Andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen waarop een vastgesteld programma van toepassing is, kunnen zich op elk moment bij dit programma aansluiten door de financieringsovereenkomst te ondertekenen.

10.   Als een deelnemend land een gemeenschappelijke operationeel programma wil medefinancieren, worden in dat programma de regelingen en nodige waarborgen beschreven voor het auditen, verstrekken, gebruiken en controleren van de medefinanciering. De desbetreffende financieringsovereenkomst wordt ondertekend door alle deelnemende landen en door de beheerautoriteit van het gemeenschappelijk operationeel programma of het gastland van de beheerautoriteit.

11.   Gemeenschappelijke operationele programma's kunnen ook bepalingen bevatten inzake een financiële bijdrage uit of aan financieringsinstrumenten waarmee subsidies kunnen worden gecombineerd, volgens de regels van die instrumenten, op voorwaarde dat hiermee wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van die programmaprioriteiten.

12.   Volgens het partnerschapsbeginsel selecteren de deelnemende landen en, in voorkomend geval, hun lokale overheden gezamenlijk de acties voor steun van de Unie overeenkomstig de prioriteiten en maatregelen van het gemeenschappelijk operationeel programma.

13.   In specifieke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie, wanneer:

a)

vanwege moeilijkheden in de betrekkingen tussen deelnemende landen of tussen de Unie en een ander aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemend land geen gemeenschappelijk programma kan worden ingediend;

b)

vanwege moeilijkheden in de betrekkingen tussen deelnemende landen een gemeenschappelijk operationeel programma niet kan worden uitgevoerd,

c)

de deelnemende landen uiterlijk op 30 juni 2017 geen gemeenschappelijk operationeel programma hebben ingediend bij de Commissie; of

d)

geen van de andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen van het programma, vóór het eind van het jaar volgend op de vaststelling van het programma de financieringsovereenkomst heeft ondertekend;

neemt de Commissie, na raadpleging van de betrokken lidsta(a)t(en), de nodige maatregelen om de betrokken lidstaat in staat te stellen om gebruik te maken van de bijdrage uit het EFRO aan het gemeenschappelijk operationeel programma overeenkomstig artikel 4, leden 7 en 8, van Verordening (EU) nr. 1299/2013.

14.   Vastleggingen voor acties of programma's voor grensoverschrijdende samenwerking waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, kunnen in jaarlijkse tranches worden verdeeld.

Artikel 11

Beheer van gemeenschappelijke operationele programma's

1.   Gemeenschappelijke operationele programma's worden in de regel uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten. De deelnemende landen kunnen echter voorstellen om de programma's via indirect beheer te laten uitvoeren door een entiteit die wordt genoemd in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, van deze verordening bedoelde uitvoeringsvoorschriften.

2.   De Commissie vergewist zich er op basis van de beschikbare informatie van dat de lidstaat, in geval van gedeeld beheer, of het andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende land of de internationale organisatie, in geval van indirect beheer, beheer- en controlesystemen hebben opgezet, en hanteren, die voldoen aan Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, aan deze verordening en aan de in artikel 12, lid 2, bedoelde uitvoeringsvoorschriften.

De betrokken lidstaten, de andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende landen en de internationale organisaties zorgen ervoor dat hun beheer- en controlesysteem goed functioneert, zien toe op de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen en eerbiedigen het beginsel van goed financieel beheer. Zij zijn verantwoordelijk voor het beheer en de controle van de programma's.

De Commissie kan verlangen dat de betrokken lidstaat, het betrokken andere aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemende land of de betrokken internationale organisatie een onderzoek uitvoert van een bij de Commissie ingediende klacht betreffende de selectie of uitvoering van acties waarvoor uit hoofde van deze titel steun wordt verleend of betreffende de werking van het beheer- en controlesysteem.

3.   Met het oog op een adequate voorbereiding van de uitvoering van de gemeenschappelijke operationele programma's, komen uitgaven die worden gedaan na de indiening van een gemeenschappelijke operationele programma bij de Commissie, vanaf 1 januari 2014 in aanmerking voor financiering.

4.   Als overeenkomstig artikel 8, lid 7, van Verordening (EU) nr. 236/2014 beperkende eisen worden gesteld aan aanvragers, mag de in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteit, die kan oproepen tot het indienen van voorstellen en aanbestedingen, inschrijvers, aanvragers en gegadigden of goederen van oorsprong uit niet in aanmerking komende landen aanvaarden, overeenkomstig artikel 8, lid 2, en artikel 9, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014.

Artikel 12

Uitvoeringsvoorschriften voor grensoverschrijdende samenwerking

1.   De uitvoeringsvoorschriften die specifieke bepalingen voor de uitvoering van deze titel vastleggen, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   De uitvoeringsvoorschriften bevatten onder meer nadere bepalingen inzake:

a)

het percentage en de wijze van medefinanciering;

b)

de inhoud, opstelling, wijziging en afsluiting van gemeenschappelijke operationele programma's;

c)

de rol en de werking van de programmastructuren, zoals het gezamenlijk toezichtcomité en de beheerautoriteit met bijbehorend gezamenlijk technisch secretariaat, inclusief hun status, feitelijke benaming, verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid, een beschrijving van de beheer- en controlesystemen en de voorwaarden voor het technische en financiële beheer van de steun van de Unie, waaronder de subsidiabiliteitscriteria van de uitgaven;

d)

de terugvorderingsprocedures in alle deelnemende landen;

e)

het toezicht en de evaluatie;

f)

de activiteiten met betrekking tot zichtbaarheid en informatie;

g)

gedeeld en indirect beheer bedoeld in artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 236/2014.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Delegatie van bevoegdheden

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage II te wijzigen. Meer in het bijzonder stelt de Commissie uiterlijk op 31 maart 2018, na de publicatie van het tussentijdse evaluatieverslag en op basis van de in dat verslag opgenomen aanbevelingen, een gedelegeerde handeling tot wijziging van bijlage II vast.

Artikel 14

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 13 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2020.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 13 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 13 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 15

Comité

De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het Europees nabuurschapsinstrument. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Artikel 16

Deelname van een derde land waarop artikel 1 niet van toepassing is

1.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie per geval besluiten om specifieke acties overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014 uit te breiden tot landen, territoria en gebieden die anders niet in aanmerking komen voor financiering, dit om de coherentie en de doeltreffendheid van de financiering van de Unie te waarborgen of om regionale of gebiedsoverschrijdende samenwerking te bevorderen.

Onverminderd artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 236/2014, kunnen natuurlijke personen en rechtspersonen uit deze landen, territoria en gebieden deelnemen aan de procedures voor de uitvoering van deze acties.

2.   Voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde mogelijkheden kan een provisie worden vastgelegd in de in artikel 7 bedoelde programmeringsdocumenten.

Artikel 17

Financiële middelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening gedurende de periode van 2014 tot en met 2020 bedragen 15 432 634 000 EUR in lopende prijzen. Maximaal 5 % van de financiële middelen wordt toegewezen aan de in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde programma's voor grensoverschrijdende samenwerking.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader.

3.   Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13) wordt een indicatief bedrag van 1 680 000 000 EUR uit de verschillende instrumenten ter financiering van extern optreden, met name het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, als vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad (14), het ENI, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), als vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 en het partnerschapsinstrument, als vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad (15), toegewezen aan acties met betrekking tot leermobiliteit naar en vanuit niet-partnerlanden in de zin van Verordening (EU) nr. 1288/2013, en aan samenwerking en beleidsdialoog met overheden, instellingen en organisaties afkomstig uit die landen. Verordening (EU) nr. 1288/2013 is van toepassing op het gebruik van die middelen.

De financiering wordt verstrekt door middel van slechts twee meerjarentoewijzingen, ter dekking van respectievelijk de eerste vier jaar en de laatste drie jaar. De toewijzing van die financiering zal zijn weerslag vinden in de meerjarige indicatieve programmering voorzien in deze verordening, overeenkomstig de behoeften en prioriteiten van de betrokken landen. De toewijzingen kunnen worden herzien in geval van ingrijpende onvoorziene omstandigheden of belangrijke politieke veranderingen overeenkomstig de prioriteiten van de Unie inzake extern optreden.

Artikel 18

Europese Dienst voor extern optreden

Deze verordening wordt toegepast overeenkomstig Besluit 2010/427/EU.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 11 van 15.1.2013, blz. 77.

(2)  PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(4)  Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (PB L 310 van 9.11.2006, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (zie bladzijde 11 van dit Publicatieblad).

(6)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(7)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(8)  Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden (zie bladzijde 95 van dit Publicatieblad).

(9)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(10)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014–2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259).

(13)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus +”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jongeren en sport, en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(14)  Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014–2020 (zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad).

(15)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (zie bladzijde 77 van dit Publicatieblad).


BIJLAGE I

De partnerlanden, als bedoeld in artikel 1 zijn:

 

Algerije

 

Armenië

 

Azerbeidzjan

 

Belarus

 

Egypte

 

Georgië

 

Israël

 

Jordanië

 

Libanon

 

Libië

 

Republiek Moldavië

 

Marokko

 

bezet Palestijns gebied

 

Syrië

 

Tunesië

 

Oekraïne


BIJLAGE II

Prioriteiten voor steun van de Unie in het kader van deze verordening

Ter ondersteuning van de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen waarin is voorzien in artikel 2, waarbij tevens rekening wordt gehouden met gezamenlijk overeengekomen documenten als vermeld in artikel 3, lid 2, kunnen de financiële middelen van de Unie voor de prioriteiten vermeld in de punten 1, 2 en 3 van de bijlage worden ingezet.

Sommige van die prioriteiten kunnen relevant zijn voor meer dan één soort programma's. Bij eventuele wijzigingen van deze indicatieve lijst wordt het beginsel van shared ownership in acht genomen.

Horizontale kwesties, zoals diepgewortelde en duurzame democratie, mensenrechten, gendergelijkheid, de corruptiebestrijding en de milieubescherming, zullen in het kader van die prioriteiten aandacht krijgen.

1.

Steun van de Unie op bilateraal niveau wordt, naar gelang van het geval, onder meer verleend met het oog op de volgende prioriteiten:

mensenrechten, goed bestuur en de rechtsstaat, inclusief hervorming van het gerechtelijk apparaat, van het openbaar bestuur en van de veiligheidssector;

institutionele samenwerking en capaciteitsontwikkeling, ook voor de uitvoering van Unie-overeenkomsten;

ondersteuning van actoren uit het maatschappelijk middenveld en van hun rol in hervormingsprocessen en democratische transities;

duurzame en inclusieve economische ontwikkeling, ook op regionaal en lokaal niveau, en territoriale cohesie;

ontwikkeling van de sociale sectoren, met name voor de jongeren, met de nadruk op sociale rechtvaardigheid en cohesie, en werkgelegenheid;

handel en ontwikkeling van de particuliere sector, inclusief ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen, werkgelegenheid en implementatie van diepe en brede vrijhandelsruimten;

landbouw en plattelandsontwikkeling, met inbegrip van voedselzekerheid;

duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen;

de energiesector, met speciale aandacht voor energie-efficiëntie en energie uit hernieuwbare bronnen;

vervoer en infrastructuur;

onderwijs en ontwikkeling van vaardigheden, inclusief beroepsonderwijs en -opleiding;

mobiliteit en migratiebeheer, inclusief bescherming van migranten;

maatregelen om vertrouwen te scheppen en andere maatregelen die bijdragen aan de voorkoming en beslechting van conflicten, inclusief ondersteuning van getroffen bevolkingsgroepen en wederopbouw.

De prioriteiten vermeld onder dit punt kunnen aan meer dan één doelstelling van deze verordening bijdragen.

2.

Steun van de Unie aan meerdere landen tegelijk wordt, naar gelang van het geval, onder meer verleend met het oog op de volgende prioriteiten:

mensenrechten, goed bestuur en een rechtsstaat;

institutionele samenwerking en capaciteitsontwikkeling;

regionale samenwerking, met name in het kader van het Oostelijk Partnerschap, de Unie voor het Middellandse Zeegebied en het Partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart;

hoger onderwijs en ontwikkeling van vaardigheden, mobiliteit van studenten en personeel, jongeren en cultuur;

duurzame economische ontwikkeling, handel en ontwikkeling van de particuliere sector, en ondersteuning van kleine en middelgrote ondernemingen;

de energiesector, met inbegrip van energienetten;

vervoers- en infrastructuurverbindingen;

duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder water, groene groei, het milieu, en aanpassing aan en mitigatie van klimaatverandering;

ondersteuning van het maatschappelijk middenveld;

mobiliteit en migratiebeheer;

maatregelen om vertrouwen te scheppen en andere maatregelen die bijdragen aan de voorkoming en beslechting van conflicten;

De prioriteiten vermeld onder dit punt kunnen aan meer dan één doelstelling van deze verordening bijdragen.

3.

Steun van de Unie via programma's voor grensoverschrijdende samenwerking wordt, naar gelang van het geval, verleend met het oog op de volgende prioriteiten:

economische en sociale ontwikkeling;

het milieu, de volksgezondheid, veiligheid en beveiliging;

de mobiliteit van personen, goederen en kapitaal.

De prioriteiten vermeld onder dit punt weerspiegelen gemeenschappelijke uitdagingen. Zij vormen het kader voor het vaststellen van specifieke prioriteiten met de landen die aan de grensoverschrijdende samenwerking deelnemen. Bij het ontwikkelen van de programma's zullen maatschappelijke organisaties worden betrokken, die samen met lokale en regionale overheden de voornaamste begunstigen van die programma's zullen zijn.

Toewijzing van de financiële middelen per soort programma

 

Bilaterale programma's: ten hoogste 80 %

 

Meerlandenprogramma's: ten hoogste 35 %;

 

Grensoverschrijdende samenwerking: ten hoogste 5 %.


Verklaring van de Europese Commissie over de strategische dialoog met het Europees Parlement (1)

Op basis van artikel 14 VEU zal de Europese Commissie een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement voorafgaand aan de programmering van Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument, en na, voor zover dienstig, initieel overleg met de relevante begunstigden ervan. De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met indicatieve toewijzingen per land of regio, en binnen een land of regio, met prioriteiten, mogelijke resultaten en indicatieve toewijzingen per prioriteit voor de geografische programma's, alsook de keuze van steunmodaliteiten (2). De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met thematische prioriteiten, mogelijke resultaten, de keuze van steunmodaliteiten (2), en financiële toewijzingen voor dergelijke prioriteiten waarin de thematische programma's voorzien. De Europese Commissie zal rekening houden met het standpunt van het Europees Parlement op dit punt.

De Europese Commissie zal een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie en vóór elke belangrijke wijziging van de programmeringsdocumenten tijdens de geldigheidsduur van deze verordening.

De Europese Commissie zal, indien het Europees Parlement daarom verzoekt, verklaren waar in de programmeringsdocumenten met de opmerkingen van het Europees Parlement rekening is gehouden en alle verdere uitleg verstrekken over de uitkomsten van de strategische dialoog.


(1)  De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd op het niveau van de bevoegde commissaris.

(2)  Indien van toepassing.


Verklaring van de Europese Commissie betreffende het gebruik van uitvoeringshandelingen voor de vaststelling van bepalingen voor de toepassing van bepaalde regels in Verordening nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument en in Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)

De Europese Commissie is van oordeel dat de uitvoeringsbepalingen voor de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking als vastgesteld in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de financieringsinstrumenten van de Unie voor extern optreden en andere specifieke, meer gedetailleerde uitvoeringsbepalingen in Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument en in Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), de basishandeling aanvullen en derhalve als gedelegeerde handelingen moeten worden aangenomen op basis van artikel 290 VWEU. De Europese Commissie zal zich niet verzetten tegen de aanneming van de door de medewetgevers overeengekomen tekst. Toch wijst de Europese Commissie erop dat de kwestie van de afbakening tussen de artikelen 290 en 291 VWEU momenteel bij het Hof van Justitie van de EU in behandeling is in de zaak „biociden”.


Verklaring van het Europees Parlement betreffende de opschorting van de in het kader van de financiële instrumenten toegekende steun

Het Europees Parlement stelt vast dat in Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument, Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen en Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) geen uitdrukkelijke verwijzing is opgenomen naar de mogelijkheid om de steun op te schorten wanneer een begunstigd land de fundamentele beginselen van het betrokken instrument, en met name de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, niet naleeft.

Het Europees Parlement is van mening dat een eventuele opschorting van de in het kader van deze instrumenten verleende steun de volgens de gewone wetgevingsprocedure overeengekomen algemene financiële regeling zou wijzigen. Indien een dergelijk besluit zou worden genomen, heeft het Europees Parlement als medewetgever en tak van de begrotingsautoriteit het recht zijn prerogatieven in dat verband ten volle uit te oefenen.


15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/44


VERORDENING (EU) Nr. 233/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze verordening maakt deel uit van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en is een van de instrumenten die het externe beleid van de Unie ondersteunen. Zij vervangt Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3), die op 31 december 2013 verstrijkt.

(2)

Armoedebestrijding blijft het hoofddoel van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, zoals vastgelegd in hoofdstuk 1 van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in hoofdstuk 1 van titel III van het vijfde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), in overeenstemming met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDO's) en andere internationaal overeengekomen verbintenissen en doelstellingen op ontwikkelingsgebied die de Unie en haar lidstaten hebben onderschreven in het kader van de Verenigde Naties (VN) en andere bevoegde internationale fora.

(3)

De gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: „De Europese consensus” (4), (de „Europese consensus”), alsmede de overeengekomen wijzigingen daarvan, voorziet in het algemeen beleidskader, de richtsnoeren en de focus voor de uitvoering van deze verordening.

(4)

De bijstand van de Unie moet in de loop van jaren bijdragen aan het verminderen van de afhankelijkheid van steun.

(5)

Het internationaal optreden van de Unie dient te berusten op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen en die zij wereldwijd uit wil dragen: namelijk de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht. De Unie streeft ernaar door middel van dialoog en samenwerking de gehechtheid aan deze beginselen in de partnerlanden, -gebieden en –regio's te ontwikkelen en te consolideren. Door deze beginselen na te streven geeft de Unie blijk van haar meerwaarde als betrokkene bij het ontwikkelingsbeleid.

(6)

Bij het uitvoeren van deze verordening, en met name tijdens het programmeringsproces, dient de Unie terdege rekening te houden met de prioriteiten, doelstellingen en ijkpunten op het gebied van de mensenrechten en de democratie die de Unie voor haar partnerlanden heeft vastgesteld, in het bijzonder in haar landenstrategieën voor de mensenrechten.

(7)

De eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de bevordering van de rechtsstaat, de democratische beginselen, transparantie, goed bestuur, vrede en stabiliteit en gendergelijkheid zijn essentieel voor de ontwikkeling van partnerlanden, en dat die kwesties moeten worden geïntegreerd in het ontwikkelingsbeleid van de Unie, met name in de programmering en in overeenkomsten met partnerlanden.

(8)

Doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, meer transparantie, samenwerking en complementariteit en een betere harmonisatie, afstemming op de partnerlanden, alsmede coördinatie van de procedures, zowel tussen de Unie en haar lidstaten als in de betrekkingen met andere donoren en ontwikkelingsactoren, zijn van essentieel belang om de samenhang en de relevantie van de hulp te garanderen, en tegelijkertijd de door de partnerlanden te dragen kosten te verminderen. In haar ontwikkelingsbeleid streeft de Unie naar de uitvoering van de conclusies van de Verklaring over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, die door het op 2 maart 2005 in Parijs gehouden forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp werd vastgesteld, de Actieagenda van Accra, die op 4 september 2008 werd aangenomen, en de vervolgverklaring, die op 1 december 2011 in Busan werd goedgekeurd. Deze verbintenissen hebben geleid tot een aantal conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, zoals de EU-gedragscode inzake complementariteit en taakverdeling in het ontwikkelingsbeleid, en het Operationeel kader inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp. De inspanningen en procedures om gezamenlijke programmering te bewerkstelligen, moeten worden versterkt.

(9)

De bijstand van de Unie dient ondersteuning te geven aan de gemeenschappelijke strategie Afrika-EU, die tijdens de EU-Afrika top van 8 en 9 december 2007 te Lissabon is vastgesteld, en de latere wijzigingen daarop en toevoegingen daaraan, en die is gebaseerd op de gedeelde visie, beginselen en doelstellingen waarop het strategisch partnerschap Afrika-EU berust.

(10)

De Unie en de lidstaten moeten de samenhang, de coördinatie en de complementariteit van hun respectieve ontwikkelingssamenwerkingsbeleid verbeteren, met name door zowel op nationaal als op regionaal niveau in te spelen op de prioriteiten van de partnerlanden en -regio's. Om ervoor te zorgen dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie en dat van de lidstaten elkaar aanvullen en versterken, en om ervoor te zorgen dat steun op een kosteneffectieve manier wordt verleend zonder overlappingen en omissies, is het zowel urgent als aangewezen om te voorzien in gezamenlijke programmeringsprocedures die, waar mogelijk en relevant, steeds moeten worden toegepast.

(11)

Het beleid en het internationaal optreden inzake ontwikkelingssamenwerking van de Unie worden gestuurd door de MDO's, zoals het uitbannen van extreme armoede en honger, en door nieuwe internationale ontwikkelingsdoelstellingen van na 2015 die de MDO's wijzigen of vervangen, en waar de Unie mee heeft ingestemd, met inbegrip van alle daarop volgende wijzigingen daarvan, en door de doelstellingen, beginselen en verbintenissen op het gebied van ontwikkeling die Unie en haar lidstaten hebben vastgesteld, onder meer in het kader van hun samenwerking binnen de VN en andere bevoegde internationale fora op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Het beleid en het internationaal optreden van de Unie berusten tevens op haar verbintenissen en verplichtingen inzake de mensenrechten en ontwikkeling, waaronder de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, en de Verklaring van de VN over het recht op ontwikkeling.

(12)

De Unie hecht grote waarde aan gendergelijkheid als mensenrecht, kwestie van sociale rechtvaardigheid en kernwaarde van het ontwikkelingsbeleid van de Unie. Gendergelijkheid staat centraal bij het verwezenlijken van alle MDO's. Op 14 juni 2010 heeft de Raad het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkelingssamenwerking (2010-2015) bekrachtigd.

(13)

De Unie moet, bij wijze van hoge prioriteit, een alomvattende benadering bevorderen om te reageren op crises en rampen en op conflictsituaties en onstabiele situaties, met inbegrip van overgangs- en postcrisissituaties. Deze benadering moet met name worden gebaseerd op de conclusies van de Raad van 19 november 2007 inzake een antwoord van de EU op onstabiele situaties en de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, eveneens van 19 november 2007, betreffende veiligheid en ontwikkeling, en moet ook worden gebaseerd op de conclusies van de Raad van 20 juni 2011 inzake conflictpreventie, alsmede op alle relevante later vastgestelde conclusies.

(14)

In het bijzonder in situaties waarin de behoeften het meest urgent zijn en de armoede zowel het meest verbreid als het diepst is, dient de steun van de Unie gericht te zijn op het beter bestand maken van landen en hun bevolkingen tegen ongunstige omstandigheden. Dit moet gebeuren aan de hand van de passende mix van benaderingen, responsen en instrumenten, met name door te waarborgen dat de veiligheidsgeoriënteerde, humanitaire en ontwikkelingsbenaderingen evenwichtig en consistent zijn en doeltreffend worden gecoördineerd, met de koppeling van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling.

(15)

De bijstand van de Unie moet zich toespitsen op de gebieden waar die het meeste effect heeft, gelet op haar vermogen om overal ter wereld op te treden en te reageren op mondiale uitdagingen, zoals armoedebestrijding, duurzame en inclusieve ontwikkeling en de wereldwijde bevordering van de democratie, goed bestuur, de mensenrechten en de rechtsstaat, alsook haar voorspelbare inzet op lange termijn voor ontwikkelingshulp en haar rol in de coördinatie met de lidstaten. Om dit effect te garanderen moet het differentiatiebeginsel niet alleen bij de toewijzing van middelen, maar ook bij de programmering worden toegepast om ervoor te zorgen dat bilaterale ontwikkelingssamenwerking zich richt op de partnerlanden waar de behoeften het grootst zijn, met inbegrip van fragiele staten en staten met een grote kwetsbaarheid, en die maar beperkte mogelijkheden hebben om toegang te krijgen tot andere financieringsbronnen om hun eigen ontwikkeling te ondersteunen. De Unie dient nieuwe partnerschappen te sluiten met de landen die de bilaterale hulpprogramma's ontgroeid zijn, met name op basis van de regionale en de thematische programma's in het kader van dit instrument en andere thematische instrumenten voor de financiering van het extern optreden van de Unie, in het bijzonder het nieuwe partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5) („het Partnerschapsinstrument”).

(16)

De Unie moet er, voor een zo groot mogelijk effect van haar externe optreden, op toezien dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dit moet worden bewerkstelligd door middel van een alomvattende benadering van elk land, gebaseerd op samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door de totstandbrenging van synergieën tussen het instrument uit hoofde van deze verordening, andere instrumenten voor extern optreden en andere beleidsonderdelen van de Unie. Dit moet voorts leiden tot de wederzijdse versterking van de programma's die uit de instrumenten voor de financiering van externe acties voortkomen. Overeenkomstig artikel 21 VEU ziet de Unie toe op de algehele samenhang van haar externe optreden, en zij verzekert de samenhang van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid zoals vereist in artikel 208 VWEU.

(17)

Terwijl het in artikel 208 VWEU opgenomen beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkelingssamenwerking moet worden geëerbiedigd, dient deze verordening het mogelijk te maken de samenhang tussen de beleidsterreinen van de Unie te vergroten en tegelijkertijd de beleidscoherentie voor ontwikkeling na te leven. Zij moet het mogelijk maken het beleid van de Unie volledig af te stemmen op het beleid van de partnerlanden en -regio's door, waar mogelijk, als basis voor de programmering van het optreden van de Unie, gebruik te maken van nationale ontwikkelingsplannen of soortgelijke alomvattende ontwikkelingsdocumenten die zijn vastgesteld in samenwerking met de betrokken nationale en regionale organen, Zij moet bovendien een betere coördinatie tussen donoren nastreven, met name tussen de Unie en haar lidstaten, door middel van gezamenlijke programmering.

(18)

In een geglobaliseerde wereld gaan verschillende interne beleidsterreinen van de Unie, zoals milieu, klimaatverandering, bevordering van hernieuwbare energie, werkgelegenheid (waaronder fatsoenlijk werk voor iedereen), gendergelijkheid, energie, water, vervoer, gezondheid, onderwijs, justitie en veiligheid, cultuur, onderzoek en innovatie, informatiemaatschappij, migratie, en landbouw en visserij, steeds meer deel uitmaken van het extern optreden van de Unie.

(19)

In een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, te weten groeipatronen die de sociale, economische en territoriale samenhang bevorderen en de armen in staat stellen meer bij te dragen tot of een groter voordeel te halen uit de nationale welvaart, wordt benadrukt dat de Unie in haar interne en externe beleid slimme, inclusieve en duurzame groei moet bevorderen door drie pijlers te bundelen, namelijk de economische, de sociale en de milieuaspecten.

(20)

De bestrijding van de klimaatverandering en de bescherming van het milieu behoren tot de grootste uitdagingen waar de Unie en de ontwikkelingslanden voor staan en waarvoor er dringend een nationaal en internationaal optreden nodig is. Deze verordening moet derhalve bijdragen tot de doelstelling om ten minste 20 % van de begroting van de Unie te besteden aan een koolstofarme en klimaatresistente maatschappij, en het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen moet ten minste 25 % van zijn middelen gebruiken ten behoeve van de klimaatverandering en het milieu. Acties op deze gebieden moeten elkaar, waar mogelijk, ondersteunen om hun effecten te vergroten.

(21)

Deze verordening moet de Unie in staat stellen bij te dragen tot het nakomen van de gezamenlijke verbintenis van de Unie om de steun voor de menselijke ontwikkeling voort te zetten teneinde het leven van de mensen te verbeteren. Ten minste 25 % van de steun van het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen moet uitgaan naar dat ontwikkelingsgebied.

(22)

Ten minste 20 % van de uit hoofde van deze verordening toegewezen steun moet worden toegewezen voor sociale basisvoorzieningen, met bijzondere aandacht voor gezondheidszorg en onderwijs, en ook voor voortgezet onderwijs, waarbij wordt onderkend dat een bepaalde mate van flexibiliteit de norm moet zijn, bijvoorbeeld als het gaat om steun in uitzonderlijke gevallen. In het in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6) bedoelde jaarlijkse verslag dienen gegevens over de naleving van dit vereiste te worden opgenomen.

(23)

In het VN-actieprogramma van Istanbul voor de minst ontwikkelde landen voor 2011-2020 hebben de minst ontwikkelde landen zich ertoe verbonden beleidslijnen inzake handel en handelscapaciteitsopbouw op te nemen in de nationale ontwikkelingsstrategieën. Voorts zijn de ministers tijdens de achtste ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie van 15-17 december 2011 te Genève overeengekomen om na 2011 niveaus van „hulp voor handel” aan te houden die op zijn minst het gemiddelde van de periode 2006-2008 weerspiegelen. Deze inspanningen moeten gepaard gaan met betere en doelgerichtere hulp voor handel en handelsbevordering.

(24)

Terwijl thematische programma's in de eerste plaats ontwikkelingslanden moeten ondersteunen, dient niettemin een aantal begunstigden alsmede de landen en gebieden overzee (LGO) die niet de kenmerken hebben om volgens de voorschriften van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO/DAC) als ontvanger van officiële ontwikkelingshulp (ODA) te worden aangemerkt, en die vallen onder artikel 1, lid 1, onder b), ook in aanmerking te kunnen komen voor thematische programma's onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.

(25)

De bijzonderheden inzake de samenwerkingsgebieden en de aanpassingen van de financiële toewijzingen per geografisch gebied en samenwerkingsgebied vormen niet-essentiële onderdelen van deze verordening. Derhalve moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor het bijwerken van die elementen van de bijlagen bij deze verordening, die de details beschrijven van de gebieden voor samenwerking ingevolgde geografische en thematische programma's, en de indicatieve financiële toewijzingen per geografisch gebied en samenwerkingsgebied. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(26)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de in de in deze verordening bedoelde strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(27)

Gegeven de aard van dergelijke uitvoeringshandelingen, met name de beleidsgerichte aard ervan en de gevolgen ervan voor de begroting, dient bij de vaststelling ervan in beginsel de onderzoeksprocedure te worden gevolgd behalve in het geval van maatregelen met een kleine financiële omvang.

(28)

De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de behoefte aan een snelle respons van de Unie, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(29)

De gemeenschappelijke regels en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor het externe optreden van de EU zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 236/2014.

(30)

De organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden zijn vastgesteld bij Besluit 2010/427/EU van de Raad (8),

(31)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

(32)

In deze verordening worden voor de gehele looptijd van het instrument financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad het voornaamste referentiebedrag vormen, in de zin van punt 17 van het interinstitutioneel akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (9), in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure.

(33)

De looptijd van het programma dient in overeenstemming te worden gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (10). Bijgevolg is deze verordening van toepassing met ingang 1 januari 2014 tot 31 december 2020,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een instrument ingesteld („het instrument voor ontwikkelingssamenwerking”) op grond waarvan de Unie het volgende kan financieren:

a)

geografische programma's om de ontwikkelingssamenwerking te steunen met de ontwikkelingslanden die voorkomen in de lijst van ontvangers van ODA zoals vastgesteld door de OESO/DAC, met uitzondering van:

i)

landen die op 23 juni 2000 in Cotonou de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (11) hebben ondertekend, uitgezonderd Zuid-Afrika;

ii)

landen die in aanmerking komen voor het Europees Ontwikkelingsfonds;

iii)

landen die in aanmerking komen voor financiering door de Unie uit hoofde van het Europees nabuurschapsinstrument, zoals ingesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12) (het „Europees nabuurschapsinstrument”);

iv)

begunstigden die in aanmerking komen voor financiering door de Unie uit hoofde van het instrument voor pre-toetredingssteun, zoals ingesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (13) (het „instrument voor pretoetredingssteun”).

b)

thematische programma's om met ontwikkeling verband houdende mondiale collectieve goederen en uitdagingen aan te pakken en organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden in de partnerlanden te ondersteunen overeenkomstig punt a) van dit lid en landen die in aanmerking komen voor financiering door de Unie in het kader van de in punt a), onder i) tot en met iii), van dit lid bedoelde instrumenten, en landen en gebieden die onder Besluit 2013/755/EU van de Raad (14) vallen;

c)

een pan-Afrikaans programma ter ondersteuning van het strategische partnerschap tussen de Unie en Afrika en latere wijzigingen daarop en toevoegingen daaraan, teneinde transregionale, continentale of mondiale activiteiten in en met Afrika mogelijk te maken.

2.   Ten behoeve van deze verordening wordt een regio gedefinieerd als een geografische entiteit die uit meer dan één ontwikkelingsland bestaat.

3.   De in lid 1 bedoelde landen en gebieden worden in deze verordening aangeduid met „partnerlanden” of „partnerregio's” al naar gelang het geval in het desbetreffende geografische, thematische of pan-Afrikaanse programma.

Artikel 2

Doelstellingen en subsidiabiliteitscriteria

1.   In het kader van de beginselen en doelstellingen van het extern optreden van de Unie en van de Europese consensus en overeengekomen wijzigingen daarop:

a)

is het hoofddoel van samenwerking in het kader van deze verordening het terugdringen en, op lange termijn, het uitbannen van armoede;

b)

in overeenstemming met het onder a) genoemde hoofddoel draagt samenwerking in het kader van deze verordening tevens bij tot:

i)

het stimuleren van duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling; en

ii)

het consolideren en ondersteunen van de democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, de mensenrechten en de toepasselijke beginselen van het internationale recht.

De mate waarin de in de eerste alinea genoemde doelstellingen zijn bereikt, wordt gemeten aan de hand van relevante indicatoren, met inbegrip van indicatoren van de menselijke ontwikkeling, met name MDO 1 voor het doel onder genoemd onder a), en MDO 1 tot en met 8 voor de doelen genoemd in lid 1, onder b), en, na 2015, andere door de Unie en haar lidstaten op internationaal niveau overeengekomen indicatoren.

2.   Samenwerking in het kader van deze verordening draagt bij tot de verwezenlijking van de internationale toezeggingen en doelstellingen op het gebied van ontwikkeling waarmee de Unie heeft ingestemd, met name de MDO's en de nieuwe ontwikkelingsdoelstellingen voor na 2015.

3.   Acties in het kader van geografische programma's worden zodanig ontworpen dat zij voldoen aan de ODA-criteria die door de OESO/DAC zijn vastgesteld.

Acties in het kader van thematische en de pan-Afrikaanse programma's worden zodanig ontworpen dat zij voldoen aan de ODA-criteria die door de OESO/DAC zijn vastgesteld, tenzij:

a)

de actie van toepassing is op een begunstigde of gebied dat volgens de OESO/DAC niet als ontvanger van officiële ontwikkelingshulp wordt aangemerkt; of

b)

de actie uitvoering geeft aan een wereldwijd initiatief, een beleidsprioriteit van de Unie of een internationale verplichting of verbintenis van de Unie uitvoert, zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b) en e), en de actie niet de kenmerken heeft om aan de ODA-criteria te voldoen.

4.   Onverminderd lid 3, onder a), voldoet ten minste 95 % van de in het kader van de thematische programma's geplande uitgaven en ten minste 90 % van de in het kader van de pan-Afrikaanse programma's geplande uitgaven aan de door de OESO/DAC vastgestelde ODA-criteria.

5.   Acties in de zin van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad (15) die voor financiering krachtens die verordening in aanmerking komen, worden in beginsel niet op grond van deze verordening gefinancierd, tenzij de continuïteit van de samenwerking op het traject van crisissituatie naar stabiele omstandigheden voor ontwikkeling moet worden bewaard. In deze gevallen moet in het bijzonder worden toegezien op de doeltreffende samenhang tussen humanitaire hulp, rehabilitatie en ontwikkelingssteun.

Artikel 3

Algemene beginselen

1.   De Unie wil de beginselen waarop zij is gegrondvest, namelijk de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, bevorderen, ontwikkelen en bestendigen door middel van dialoog en samenwerking met de partnerlanden en -regio's.

2.   Bij de uitvoering van deze verordening wordt gestreefd naar een gedifferentieerde benadering onder de partnerlanden, om ervoor te zorgen dat zij specifieke, op maat gesneden samenwerking krijgen, op basis van:

a)

hun behoeften, gebaseerd op criteria zoals bevolking, inkomen per hoofd, mate van armoede, inkomensverdeling en niveau van menselijke ontwikkeling;

b)

hun vermogen om financiële middelen te mobiliseren en te gebruiken en hun opnemingsvermogen;

c)

hun verbintenissen en prestaties, gebaseerd op criteria en indicatoren zoals politieke, economische en maatschappelijke vooruitgang, gendergelijkheid, voortgang op het gebied van goed bestuur en de mensenrechten, en het doeltreffend gebruik van hulp, met name de manier waarop een land schaarse ontwikkelingsmiddelen, te beginnen met zijn eigen middelen, gebruikt; en

d)

het potentiële effect van de ontwikkelingshulp van de Unie in partnerlanden.

De meest behoeftige landen, met name de minst ontwikkelde landen, de lage-inkomenslanden en de landen in crisis-, postcrisis- of fragiele en kwetsbare situaties, krijgen prioriteit in de procedure voor de toewijzing van middelen.

Er wordt rekening gehouden met criteria zoals de menselijke ontwikkelingsindex, de economische-kwetsbaarheidsindex en andere relevante indices, onder meer voor het meten van de binnenlandse armoede en ongelijkheid, om de analyse en het bepalen van de meest behoeftige landen te onderbouwen.

3.   Horizontale aspecten zoals gedefinieerd in de Europese consensus worden in alle programma's opgenomen. Voorts worden conflictpreventie, fatsoenlijk werk en de klimaatverandering in voorkomend geval opgenomen.

De in de eerste alinea bedoelde horizontale aspecten omvatten de volgende dimensies, waaraan specifieke aandacht wordt besteed wanneer de omstandigheden zulks vereisen: non-discriminatie, de rechten van personen die tot minderheden behoren, de rechten van personen met een handicap, de rechten van personen met een levensbedreigende ziekte en andere kwetsbare groepen, fundamentele arbeidsrechten en sociale insluiting, de versterking van de positie van vrouwen, rechtsstatelijkheid, capaciteitsopbouw voor parlementen en het maatschappelijk middenveld, en de bevordering van de dialoog, participatie en verzoening, alsmede institutionele opbouw, onder meer op lokaal en regionaal niveau.

4.   Bij het uitvoeren van deze verordening wordt gezorgd voor een coherent beleid inzake ontwikkeling en samenhang met andere gebieden van het extern optreden en met ander relevant beleid van de Unie, overeenkomstig artikel 208 VWEU.

Met het oog hierop worden de in het kader van deze verordening gefinancierde maatregelen, met inbegrip van de maatregelen die door de Europese Investeringsbank (EIB) worden beheerd, gebaseerd op het beleid voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgelegd in instrumenten zoals overeenkomsten, verklaringen en actieplannen tussen de Unie en de betrokken partnerlanden en partnerregio's, en op de relevante besluiten, specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.

5.   De Unie en de lidstaten trachten op regelmatige en frequente basis informatie uit te wisselen, ook met andere donoren, en stimuleren een betere coördinatie en complementariteit tussen donoren door te streven naar gezamenlijke meerjarenprogrammering op basis van de armoedebestrijdings- of equivalente ontwikkelingsstrategieën van de partnerlanden. Zij kunnen een gezamenlijk optreden ondernemen, met inbegrip van gezamenlijke analyse en gezamenlijke respons op deze strategieën, waarbij prioritaire sectoren voor steun worden bepaald en een arbeidsverdeling binnen een land wordt vastgesteld, door middel van gezamenlijke donormissies en het gebruik van medefinanciering en gedelegeerde samenwerkingsregelingen.

6.   De Unie bevordert een multilaterale aanpak van de mondiale uitdagingen en werkt hiertoe samen met de lidstaten. In voorkomend geval bevordert zij de samenwerking met internationale organisaties en organen en andere bilaterale donoren.

7.   De betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de partnerlanden, anderzijds, zijn gebaseerd op en bevorderen gedeelde waarden, te weten de mensenrechten, de democratie en rechtsstatelijkheid, en de beginselen verantwoordelijkheid en wederzijdse verantwoordingsplicht.

Voorts wordt in de betrekkingen met de partnerlanden rekening gehouden met hun engagement en resultaten bij de uitvoering van internationale overeenkomsten en contractuele betrekkingen met de Unie.

8.   De Unie bevordert doelmatige samenwerking met de partnerlanden en partnerregio's overeenkomstig internationaal beproefde methoden. Zij stemt haar steun zoveel mogelijk af op de nationale of regionale ontwikkelingsstrategieën, het hervormingsbeleid en de procedures van haar partners en ondersteunt de democratische eigen verantwoordelijkheid en de binnenlandse en wederzijdse verantwoordingsplicht. Daartoe bevordert zij het volgende:

a)

een ontwikkelingsproces dat transparant is en wordt geleid door en onder de verantwoordelijkheid valt van het partnerland of de partnerregio, met inbegrip van de bevordering van lokale deskundigheid;

b)

een op rechten gebaseerde aanpak waarin alle mensenrechten vervat zitten, zowel burgerrechten als politieke, economische of sociale rechten en culturele rechten, teneinde de mensenrechtenbeginselen te integreren in de uitvoering van deze verordening, de partnerlanden bij te staan bij het nakomen van hun internationale verplichtingen inzake de mensenrechten, en de rechthebbenden, met bijzondere aandacht voor de armen en kwetsbare groepen, te ondersteunen bij het opeisen van hun rechten;

c)

de versterking van de positie van de bevolking van de partnerlanden, inclusieve en participerende ontwikkelingsmethoden en ruime inschakeling van alle segmenten van de samenleving in het ontwikkelingsproces en de nationale en regionale dialoog, waaronder de politieke dialoog. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de respectieve rol van de parlementen, de lokale autoriteiten en het maatschappelijk middenveld, onder meer wat betreft participatie, controle en verantwoordingsplicht;

d)

doelmatige samenwerkingsvormen en -instrumenten, zoals beschreven in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 236/2014, overeenkomstig de beste praktijken van de OESO/DAC, waaronder het gebruik van innovatieve instrumenten zoals het samenvoegen van subsidies en leningen en andere mechanismen voor risicodeling in bepaalde sectoren en landen, en de inzet van de particuliere sector, met inachtneming van de punten schuldhoudbaarheid, het aantal van dergelijke mechanismen en de eis van een systematische beoordeling van de impact overeenkomstig de doelstellingen van deze verordeningen, met name armoedebestrijding.

Alle programma's, acties en samenwerkingsvormen en -instrumenten worden aangepast aan de bijzondere omstandigheden van elk partnerland of -regio, met aandacht voor een programmagerichte benadering, voorspelbare steunverlening, het mobiliseren van particuliere middelen, met inbegrip van middelen uit de lokale particuliere sector, universele en niet-discriminerende toegang tot basisdiensten, en de ontwikkeling en het gebruik van nationale systemen;

e)

(nieuw) de mobilisering van binnenlandse inkomsten en de versterking van het begrotingsbeleid van de partnerlanden, teneinde de armoede terug te dringen en de afhankelijkheid van steun te verminderen;

f)

een beter effect van beleid en programma's door middel van coördinatie, samenhang en harmonisatie tussen donoren om synergieën te creëren en overlapping en herhaling te verminderen, de complementariteit te verbeteren en initiatieven van alle donoren te steunen;

g)

coördinatie in de partnerlanden en -regio's op basis van overeengekomen richtsnoeren en beginselen van beste praktijken inzake de coördinatie en doeltreffendheid van ontwikkelingshulp;

h)

(nieuw) resultaatgerichte ontwikkelingsmethoden, met inbegrip van het gebruik van transparante en door de landen zelf opgestelde resultatenkaders, eventueel gebaseerd op internationaal overeengekomen streefdoelen en indicatoren zoals die van de MDO's voor de beoordeling en mededeling van de resultaten, met inbegrip van opbrengst, resultaten en gevolgen van de ontwikkelingshulp.

9.   De Unie ondersteunt waar nodig de uitvoering van bilaterale, regionale en multilaterale samenwerking en dialoog, de ontwikkelingsdimensie van partnerschapsovereenkomsten en driehoekssamenwerking. De Unie bevordert ook de zuid-zuid-samenwerking.

10.   De Commissie informeert en wisselt regelmatig van gedachten met het Europees Parlement.

11.   De Commissie wisselt regelmatig informatie uit met het maatschappelijk middenveld en de regionale en plaatselijke overheden.

12.   In het kader van haar activiteiten inzake ontwikkelingssamenwerking zal de Unie, waar passend, putten uit de ervaringen van de lidstaten met hervorming en overgang en de geleerde lessen, en deze delen.

13.   De bijstand van de Unie op grond van deze verordening mag niet worden gebruikt ter financiering van de aanschaf van wapens of munitie, militaire acties of acties voor defensiedoeleinden.

TITEL II

PROGRAMMA'S

Artikel 4

Verlening van Unie-bijstand

De bijstand van de Unie wordt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 236/2014 verleend door middel van:

a)

geografische programma's;

b)

thematische programma's, bestaande uit:

i)

een programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen, en

ii)

een programma Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden, en

c)

een pan-Afrikaans programma.

Artikel 5

Geografische programma's

1.   De samenwerkingsactiviteiten van de Unie uit hoofde van dit artikel zullen door middel van nationale, regionale, transregionale en continentale activiteiten worden uitgevoerd.

2.   Een geografisch programma heeft betrekking op samenwerkingsactiviteiten op relevante terreinen:

a)

op regionaal niveau met partnerlanden als bedoeld in artikel 1, onder a), in het bijzonder ter vergroting van het effect van de schaalverdeling in partnerlanden met grote en groeiende ongelijkheden, of

b)

bilateraal:

i)

met partnerlanden die volgens de lijst van de OESO/DAC van ontwikkelingslanden geen hogere midden-inkomenslanden zijn of geen bruto binnenlands product van meer dan 1 % van het mondiale bruto binnenlands product hebben; en

ii)

in buitengewone gevallen kan, in het bijzonder met als doel het afbouwen van subsidies voor ontwikkeling, bilaterale samenwerking ook plaatsvinden met andere partnerlanden wanneer zulks naar behoren wordt gerechtvaardigd in overeenstemming met artikel 3, lid 2. Het geleidelijk afbouwen geschiedt in nauwe samenwerking met andere donoren. Het beëindigen van dat type samenwerking dient, in voorkomend geval, vergezeld te gaan van een beleidsdialoog met de betrokken landen, waarbij de nadruk ligt op de behoeften van de armste mensen en de meest kwetsbare groepen.

3.   Teneinde de in artikel 2 vastgelegde doelstellingen te verwezenlijken, worden geografische programma's opgesteld op basis van de samenwerkingsgebieden in de Europese consensus inzake ontwikkeling en latere overeengekomen wijzigingen daarop en op basis van de volgende samenwerkingsgebieden:

a)

Mensenrechten, democratie en goed bestuur:

i)

mensenrechten, democratie, mensenrechten en de rechtsstaat;

ii)

gendergelijkheid, het versterken van de positie van en gelijke kansen voor vrouwen;

iii)

beheer van de publieke sector op centraal en lokaal niveau;

iv)

fiscaal beleid en administratie;

v)

bestrijding van corruptie;

vi)

Maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden;

vii)

bevorderen en beschermen van de kinderrechten.

b)

Inclusieve en duurzame groei ten dienste van menselijke ontwikkeling:

i)

gezondheid, onderwijs, sociale bescherming, banen en cultuur;

ii)

bedrijfsklimaat, regionale integratie en wereldmarkten;

iii)

duurzame landbouw, voedsel- en voedingszekerheid;

iv)

duurzame energie;

v)

beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder grond, bossen en water;

vi)

klimaatverandering en milieu.

c)

Andere gebieden die van belang zijn voor ontwikkeling:

i)

migratie en asiel;

ii)

koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking;

iii)

herstelvermogen en rampenrisicovermindering;

iv)

ontwikkeling en veiligheid, met inbegrip van conflictpreventie.

4.   Verdere gegevens over de in lid 3 bedoelde samenwerkingsgebieden zijn opgenomen in bijlage I.

5.   Binnen elk bilateraal programma zal de Unie haar bijstand in beginsel richten op maximaal drie sectoren, indien mogelijk in overleg met het betrokken partnerland.

Artikel 6

Thematische programma's

1.   De acties bieden in het kader van het thematisch programma een meerwaarde aan, en vormen zij een aanvulling op en één geheel met de acties die worden gefinancierd op grond van de geografische programma's.

2.   Voor de programmering van thematische acties geldt minstens een van de volgende voorwaarden:

a)

de beleidsdoelstellingen van de Unie in het kader van deze verordening kunnen niet op passende of doeltreffende wijze worden verwezenlijkt met geografische programma's, onder meer, in voorkomend geval, indien er geen geografisch programma bestaat of indien dit is opgeschort of indien er met het partnerland geen overeenstemming over de actie is;

b)

de maatregelen geven uitvoering aan wereldomvattende initiatieven ter ondersteuning van internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen of mondiale collectieve goederen en uitdagingen;

c)

de acties zijn multiregionaal, gelden voor meer dan een land en/of zijn horizontaal van aard;

d)

de maatregelen geven uitvoering aan innovatief beleid of innovatieve initiatieven die in toekomstige acties kunnen resulteren;

e)

de acties weerspiegelen een beleidsprioriteit van de Unie of een internationale verplichting of verbintenis van de Unie met raakvlakken met ontwikkelingssamenwerking.

3.   Tenzij deze verordening anders bepaalt, komen thematische acties rechtstreeks ten goede van de in artikel 1, lid 1, punt b), vermelde landen en gebieden en worden zij in die landen en gebieden uitgevoerd. Dergelijke acties kunnen buiten die landen of gebieden worden uitgevoerd, indien dat de meest efficiënte manier is om de doelstellingen van het betrokken programma te verwezenlijken.

Artikel 7

Mondiale collectieve goederen en uitdagingen

1.   De doelstelling van de bijstand van de Unie in het kader van het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen is de ondersteuning van acties op gebieden als:

a)

milieu en klimaatverandering;

b)

duurzame energie;

c)

menselijke ontwikkeling, met inbegrip van fatsoenlijk werk, sociale rechtvaardigheid en cultuur;

d)

voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw;

e)

migratie en asiel.

2.   Verdere gegevens over de in lid 1 bedoelde samenwerkingsgebieden zijn opgenomen in bijlage II, deel A.

Artikel 8

Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden

1.   De doelstelling van de bijstand van de Unie uit hoofde van het programma Organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden is de versterking van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden in de partnerlanden, alsmede, wanneer deze verordening daarin voorziet, in de Unie en de begunstigden van Verordening (EU) nr. 231/2014.

De te financieren acties worden in de eerste plaats uitgevoerd door de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden. Deze acties kunnen, in voorkomend geval, met het oog op efficiëntie, worden uitgevoerd door andere actoren ten behoeve van de organisaties van het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke overheden.

2.   Verdere gegevens over de samenwerkingsgebieden in de zin van dit artikel staan in deel B van bijlage II.

Artikel 9

Pan-Afrikaans programma

1.   De doestelling van de bijstand van de Unie uit hoofde van het pan-Afrikaans programma is het ondersteunen van het strategisch partnerschap tussen Afrika en de EU, en latere wijzigingen daarop en toevoegingen daarop, zodat activiteiten met een transregionaal, continentaal of mondiaal karakter in en met Afrika mogelijk worden.

2.   Het pan-Afrikaans programma zal de complementariteit en de samenhang met andere onder deze verordening vallende programma's, alsook andere financieringsinstrumenten van het extern optreden van de Unie, met name het Europees Ontwikkelingsfonds en het Europees nabuurschapsinstrument waarborgen.

3.   Verdere gegevens over de samenwerkingsgebieden in de zin van dit artikel staan in bijlage III.

TITEL III

PROGRAMMERING EN TOEWIJZING VAN MIDDELEN

Artikel 10

Algemeen kader

1.   Voor de geografische programma's worden overeenkomstig artikel 11 op basis van een strategiedocument meerjarige indicatieve programma's voor de partnerlanden en -regio's opgesteld.

Voor de thematische programma's worden overeenkomstig artikel 13 meerjarige indicatieve programma's opgesteld.

Het pan-Afrikaanse meerjarige indicatieve programma wordt overeenkomstig artikel 14 opgesteld.

2.   De Commissie stelt de uitvoeringshandelingen vast die worden bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014 op basis van de in de artikelen 11, 13 en 14 van deze verordening bedoelde programmeringsdocumenten.

3.   De steun van de Unie kan echter ook de vorm aannemen van maatregelen waarin de in de artikelen 11, 13 en 14 van deze verordening bedoelde programmadocumenten niet voorzien, overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014.

4.   Bij het opstellen van de programma's in het kader van deze verordening wordt naar behoren rekening gehouden met de situatie van de mensenrechten en de democratie in de partnerlanden. De Unie en de lidstaten plegen in een vroeg stadium van en gedurende het programmeringsproces overleg met elkaar ter bevordering van coherentie, complementariteit en consistentie van hun samenwerkingsactiviteiten. Dit overleg kan leiden tot gezamenlijke programmering tussen de Unie en haar lidstaten. De Unie zal ook andere donoren en ontwikkelingsactoren raadplegen, waaronder vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, plaatselijke overheden en andere uitvoerende instanties. Het Europees Parlement wordt geïnformeerd.

5.   De programmering overeenkomstig deze verordening neemt de mensenrechten en de democratie in partnerlanden in acht.

6.   Het is toegestaan dat in deze verordening bedoelde middelen niet-toegewezen blijven om een passende respons van de Unie bij onvoorziene omstandigheden zeker te stellen, in het bijzonder in kwetsbare, crisis- en postcrisisomstandigheden, alsook om de synchronisatie met de strategiecycli van de partnerlanden en de aanpassing van indicatieve financiële toewijzingen als gevolg van de overeenkomstig artikel 11, lid 6, artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 3, uitgevoerde evaluaties mogelijk te maken. Behoudens latere toewijzing of hertoewijzing overeenkomstig de procedures in artikel 15 wordt naderhand overeenkomstig Verordening (EU) nr. 236/2014 over het gebruik van deze middelen beslist.

Op het niveau van elk programma mag het aandeel niet-toegewezen middelen niet hoger zijn dan 5 %, behalve wanneer het gaat om het op elkaar afstemmen van strategiecycli en de in artikel 12, lid 1, genoemde landen.

7.   Onverminderd artikel 2, lid 3, kan de Commissie een specifieke financiële toewijzing opnemen om partnerlanden en -regio's te helpen hun samenwerking met aan de Unie grenzende ultraperifere regio's te versterken.

8.   In de Programmeringen of herziening van programma's die plaatsvinden na de publicatie van de in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoeld tussentijdse evaluatie, worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag in acht genomen.

Artikel 11

Programmeringsdocumenten voor geografische programma's

1.   Bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van alle onder dit artikel vallende programmeringsdocumenten, dient te worden voldaan aan de in artikel 3, leden 4 tot en met 8, neergelegde beginselen inzake samenhang in ontwikkelingsbeleid en de doeltreffendheid van hulp, namelijk democratische verantwoordelijkheid, partnerschap, coördinatie, harmonisatie, afstemming op de procedures van het partnerland of de partnerregio, wederzijdse verantwoordingsplicht en resultaatgerichtheid. Waar mogelijk wordt de programmeringsperiode afgestemd op de strategiecycli van het partnerland.

Programmeringsdocumenten voor geografische programma's, waaronder gezamenlijke programmeringsdocumenten, worden, voor zover mogelijk, gebaseerd op een dialoog tussen de Unie, de lidstaten en het betrokken partnerland of de betrokken partnerregio, inclusief de respectieve nationale en regionale parlementen, en voorzien in betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, de plaatselijke overheden en andere partijen, teneinde het gevoel van verantwoordelijkheid voor het proces te versterken en steun voor nationale ontwikkelingsstrategieën, met name die strategieën welke zijn gericht op armoedebestrijding, aan te moedigen.

2.   Strategiedocumenten zijn door de Unie voor het betrokken partnerland of de betrokken partnerregio opgestelde documenten om een samenhangend kader te verschaffen voor de ontwikkelingssamenwerking tussen de Unie en het betrokken partnerland of de betrokken partnerregio, in overeenstemming met het algemene doel en het toepassingsgebied, de doelstellingen, de beginselen en de beleidsbepalingen van deze verordening.

3.   Er is geen strategiedocument vereist voor:

a)

landen die een nationale ontwikkelingsstrategie hebben in de vorm van een nationaal ontwikkelingsplan of een soortgelijk ontwikkelingsdocument dat door de Commissie is aanvaard als basis voor het daarmee overeenstemmende meerjarig indicatief programma op het moment dat laatstgenoemd document wordt vastgesteld;

b)

landen en -regio's waarvoor een gezamenlijke kaderdocument, waarin een allesomvattende strategie van de Unie, met inbegrip van speciaal hoofdstuk over ontwikkelingsbeleid, is opgenomen;

c)

landen of regio's waarvoor een gezamenlijk meerjarig programmeringsdocument tussen de Unie en de lidstaten is overeengekomen;

d)

regio's die een gezamenlijke met de Unie overeengekomen strategie hebben;

e)

landen waar de Unie voornemens is haar strategie af te stemmen op een nieuwe nationale cyclus die vóór 1 januari 2017 begint; in dergelijke gevallen bevat het meerjarig indicatief programma voor de tussenliggende periode tussen 1 januari 2014 en het begin van de nieuwe nationale cyclus de respons van de Unie voor dat land;

f)

landen of regio's die in het kader van deze verordening een toewijzing van middelen van de Unie ontvangen die voor de periode 2014-2020 niet meer dan 50 000 000 EUR bedraagt.

In de in de eerste alinea, onder b) en f), bedoelde gevallen bevat het meerjarig indicatief programma voor het betrokken land of de betrokken regio de ontwikkelingsstrategie van de Unie voor dat land of die regio.

4.   De strategiedocumenten worden onderworpen aan een tussentijdse evaluatie of, indien nodig, aan een ad-hocevaluatie waarbij in voorkomend geval de beginselen en de procedures worden toegepast die zijn overeengekomen in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten met de betrokken partnerlanden en -regio's.

5.   Voor elk van de landen of regio's die in het kader van deze verordening een indicatieve toewijzing van Unie-middelen ontvangen, worden meerjarige indicatieve financiële programma's voor geografische programma's opgesteld. Behalve voor de in lid 5, tweede alinea, onder e) en f), en in lid 5 genoemde landen of regio's worden deze documenten opgesteld op basis van de strategiedocumenten of gelijkwaardige documenten zoals bedoeld in lid 5.

Voor de toepassing van deze verordening kan het in lid 3, eerste alinea, onder c), van dit artikel, bedoelde gezamenlijk meerjarig programmeringsdocument als het meerjarig indicatief programma worden beschouwd, mits het in overeenstemming is met de in dit lid vastgestelde beginselen en voorwaarden, met inbegrip van een indicatieve toewijzing van middelen, en met de in artikel 15 vastgestelde procedures.

De meerjarige indicatieve programma's voor geografische programma's bepalen de prioritaire terreinen die voor financiering van de Unie in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke, specifieke en transparante prestatie-indicatoren en de indicatieve financiële toewijzingen, zowel in totaal als per prioritair terrein, en, in voorkomend geval, steuninstrumenten.

De Commissie stelt de meerjarige indicatieve financiële toewijzingen binnen elk geografisch programma vast in overeenstemming met de algemene beginselen van deze verordening, op basis van de in artikel 3, lid 2, vastgestelde criteria en houdt daarbij niet alleen rekening met de specificiteit van de verschillende programma's, maar ook met de specifieke problemen van de landen of regio's die in een crisis- of conflictsituatie verkeren, die kwetsbaar of zwak zijn of gevoelig zijn voor rampen.

In voorkomend geval kunnen de financiële toewijzingen met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag worden toegekend en/of kunnen sommige middelen niet worden toegewezen. Na de periode 2014-2020 kunnen geen indicatieve financiële toewijzingen worden gepland, tenzij er na die periode voor die toewijzingen een specifieke regel inzake beschikbaarheid van middelen bestaat.

De meerjarige indicatieve programma's voor geografische programma's kunnen zo nodig worden geëvalueerd op basis van de resultaten van tussentijdse of ad-hocevaluaties van het strategiedocument waarop zij gebaseerd zijn, bijvoorbeeld met het oog op doeltreffende uitvoering.

Indicatieve financiële toewijzingen, prioriteiten, specifieke doelstellingen, verwachte resultaten, prestatie-indicatoren en, in voorkomend geval, steuninstrumenten, kunnen ook worden aangepast als gevolg van evaluaties, met name na een crisis- of een postcrisissituatie.

In dergelijke evaluaties wordt aandacht besteed aan de behoeftenen ook het engagement en de vorderingen met betrekking tot overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen, waaronder die waarin verwezen wordt naar mensenrechten, democratie, rechtsstaat en goed bestuur.

6.   De Commissie rapporteert in de in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse evaluatie over de gezamenlijke programmering met de lidstaten, en doet daarin aanbevelingen wanneer de gezamenlijke programmering niet geheel is voltooid.

Artikel 12

Programmering voor landen en regio's in een crisis-, postcrisis- of kwetsbare situatie

1.   Bij het opstellen van programmeringsdocumenten voor de landen en regio's in crisis-, postcrisis- of kwetsbare situaties of die vaak met natuurrampen te kampen hebben, moet terdege rekening gehouden worden met de kwetsbaarheid, de speciale behoeften en de omstandigheden van de betrokken landen of regio's.

Voldoende aandacht moet worden besteed aan conflictpreventie, staat- en vredesopbouw, postconflictverzoening en maatregelen voor de wederopbouw en aan de rol van vrouwen en de rechten van kinderen in deze processen.

Ten aanzien van partnerlanden of -regio's die rechtstreeks betrokken zijn bij of getroffen worden door een crisis-, postcrisis- of kwetsbare situatie, wordt bijzondere nadruk gelegd op versterking van de coördinatie tussen hulp, rehabilitatie en ontwikkeling onder alle relevante actoren teneinde de overgang van noodsituatie naar ontwikkelingsfase te bevorderen.

Voor de landen en regio's in een kwetsbare situatie of waar zich regelmatig natuurrampen voordoen, ligt de nadruk op de voorbereiding op en het voorkomen van rampen en de beheersing van de gevolgen van dit soort rampen, en wordt de kwetsbaarheid voor schokken aangepakt en de weerbaarheid van mensen versterkt.

2.   De Commissie kan, om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals crisissituaties of directe bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen, overeenkomstig de procedure van artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 236/2014 om de in artikel 11 van deze verordening bedoelde strategiedocumenten en de meerjarige indicatieve programma's te herzien en te wijzigingen.

In dergelijke evaluaties mogen voorstellen voor een specifieke en gewijzigde strategie worden opgenomen, die erop is gericht om de overgang naar samenwerking en ontwikkeling op lange termijn zeker te stellen, waarbij een betere coördinatie en overgang tussen de instrumenten voor humanitaire hulp en die voor ontwikkelingsbeleid worden bevorderd.

Artikel 13

Programmeringsdocumenten voor geografische programma's

1.   Meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's leggen de strategie van de Unie voor het betrokken thema vast, alsmede, met betrekking tot het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen, voor elk samenwerkingsgebied, de prioritaire terreinen die voor financiering door de Unie in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke, specifieke en transparante prestatie-indicatoren, de internationale situatie en de activiteiten van de belangrijkste partners, en, indien toepasselijk, de steuninstrumenten.

Indien van toepassing worden middelen en prioritaire acties voor deelname aan mondiale initiatieven vastgelegd.

De indicatieve meerjarenprogramma's voor thematische programma's vormen een aanvulling op de geografische programma's en zijn samenhangend met de in artikel 11, lid 2, bedoelde strategiedocumenten.

2.   De meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's vermelden de indicatieve financiële toewijzing, zowel in totaal, per samenwerkingsgebied als per prioriteit. Eventueel kan deze indicatieve financiële toewijzing met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag worden toegekend en/of kunnen sommige middelen niet worden toegewezen.

De meerjarige indicatieve programma's voor thematische programma's worden indien nodig op basis van de resultaten van de tussentijdse en ad-hocevaluaties aangepast met het oog op een doeltreffende uitvoering.

Indicatieve financiële toewijzingen, prioriteiten, specifieke doelstellingen, verwachte resultaten, prestatie-indicatoren en, in voorkomend geval, steuninstrumenten, kunnen ook worden aangepast als gevolg van evaluaties.

Artikel 14

Programmeringsdocumenten voor het pan-Afrikaans programma

1.   De voorbereiding, uitvoering en evaluatie van de programmeringsdocumenten voor het pan-Afrikaans programma moet in overeenstemming zijn met de beginselen inzake doeltreffendheid van hulp als bedoeld in artikel 3, leden 4 tot en met 8.

De programmeringsdocumenten voor het pan-Afrikaans programma wordt gebaseerd op een dialoog waarbij alle relevante belanghebbenden worden betrokken, zoals het pan-Afrikaans Parlement.

2.   Het meerjarig indicatief programma voor het pan-Afrikaanse programma bepaalt de prioriteiten die voor financiering in aanmerking komen, de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten, duidelijke, specifieke en transparante prestatie-indicatoren en, in voorkomend geval, de steuninstrumenten.

De indicatieve meerjarenprogramma's voor het pan-Afrikaans programma stroken met de geografische en thematische programma's.

3.   De indicatieve meerjarenprogramma's voor het pan-Afrikaans programma vermelden de indicatieve financiële toewijzing, zowel in totaal, per activiteitengebied als per prioriteit. Eventueel kan deze indicatieve financiële toewijzing met vermelding van een minimum- en een maximumbedrag worden toegekend.

Het indicatieve meerjarenprogramma voor het pan-Afrikaans programma wordt indien nodig herzien om in te spelen op onvoorziene uitdagingen of uitvoeringsproblemen, en zodat rekening wordt gehouden met evaluaties van het strategisch partnerschap.

Artikel 15

Goedkeuring van strategiedocumenten en vaststelling van indicatieve meerjarenprogramma's

1.   De in artikel 11 bedoelde strategiedocumenten worden door de Commissie goedgekeurd en de in de artikelen 11, 13 en 14 bedoelde indicatieve meerjarenprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure. Die procedure wordt ook gevolgd voor evaluaties die als gevolg hebben dat de strategie of de programmering ervan aanzienlijk wordt gewijzigd.

2.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals crisissen of onmiddellijke bedreigingen van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, kan de Commissie de in artikel 11 van deze verordening bedoelde strategiedocumenten en de in de artikelen 11, 13 en 14 van deze verordening bedoelde indicatieve meerjarenprogramma's evalueren volgens de in artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde spoedprocedure.

TITEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Deelname door een onder deze verordening niet in aanmerking komend derde land

In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde omstandigheden en onverminderd artikel 2, lid 3, van deze verordening kan de Commissie, om de samenhang en de doeltreffendheid van de financiering van de Unie te garanderen of om regionale of transregionale samenwerking te stimuleren, binnen de indicatieve meerjarenprogramma's overeenkomstig artikel 15 van deze verordening of de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014 beslissen de subsidiabiliteit van acties uit te breiden tot landen en gebieden die anders op grond van artikel 1 van deze verordening niet in aanmerking zouden komen voor financiering, indien de uit te voeren actie mondiaal, regionaal, transregionaal of grensoverschrijdend is.

Artikel 17

Bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van:

a)

de nadere gegevens over de samenwerkingsgebieden bedoeld in:

i)

artikel 5, lid 3, zoals omschreven in bijlage I, delen A en B;

ii)

artikel 7, lid 2, zoals omschreven in bijlage II, deel A;

iii)

artikel 8, lid 2, zoals omschreven in bijlage II, deel B;

iv)

artikel 9, lid 3, zoals omschreven in bijlage III, in het bijzonder in het kader van de follow-up van topontmoetingen EU-Afrika;

b)

indicatieve financiële toewijzingen in het kader van de geografische programma's en in het kader van het thematisch programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen, zoals omschreven in bijlage IV. Wijzigingen mogen niet tot gevolg hebben dat het oorspronkelijke bedrag met meer dan 5 % wordt verminderd, behalve met betrekking tot toewijzingen zoals omschreven in bijlage IV, punt 1, onder b).

2.   De Commissie stelt in het bijzonder uiterlijk 31 maart 2018 na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijds verslag en op basis van de daarin opgenomen aanbevelingen, de in lid 1 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen vast.

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 17 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 17 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 17 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 19

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité („het DCI-comité”). Dat is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Een waarnemer van de EIB neemt deel aan de werkzaamheden van het DCI-comité voor wat betreft kwesties die betrekking hebben op de EIB.

Artikel 20

Financiële middelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening voor de periode 2014-2020 bedragen 19 661 639 000 EUR.

De jaarlijkse kredieten door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader.

2.   De indicatieve bedragen die voor de periode 2014-2020 aan de in de artikelen 5 tot en met 9 bedoelde programma's zijn toegewezen, zijn vastgelegd in bijlage IV.

3.   Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad (16) wordt een indicatief bedrag van 1 680 000 000 EUR van de verschillende instrumenten voor de financiering van externe actie (het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het Europees nabuurschapsinstrument, partnerschapsinstrument en het instrument voor pretoetredingssteun) toegewezen aan acties die verband houden met leermobiliteit naar en vanuit partnerlanden als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1288/2013 en aan samenwerking en beleidsdialoog met overheden, instellingen en organisaties uit die landen.

Verordening (EU) nr. 1288/2013 zal van toepassing zijn op het gebruik van deze middelen.

De middelen zullen ter beschikking worden gesteld door middel van twee meerjarige toewijzingen die respectievelijk de eerste vier en de overige drie jaar bestrijken. De toewijzing van deze middelen wordt opgenomen in de meerjarige indicatieve programmering van het instrument uit hoofde van deze verordening, in overeenstemming met de vastgestelde behoeften en prioriteiten van de betrokken landen. De toewijzingen kunnen worden herzien in geval van ernstige onvoorziene omstandigheden of politieke veranderingen in overeenstemming met de externe prioriteiten van de Unie.

4.   De middelen uit hoofde van deze verordening voor de in lid 3 bedoelde acties mogen het bedrag van 707 000 000 EUR niet overschrijden. De middelen worden geput uit de financiële toewijzingen voor geografische programma's, en de verwachte regionale verdeling en het soort acties worden nader aangeduid. De financiële middelen uit deze verordening die bestemd zijn voor de financiering van maatregelen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1288/2013 worden gebruikt voor acties in de onder deze verordening vallende partnerlanden, met bijzondere aandacht voor de armste landen. Mobiliteit van studenten en personeel met financiering van deze verordening moet gericht zijn op terreinen die relevant zijn voor de inclusieve en duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden.

5.   De Commissie neemt in haar jaarverslag over de tenuitvoerlegging van deze verordening als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 236/2014 een lijst op van alle acties als bedoeld in lid 3 van dit artikel, die zijn gefinancierd uit middelen die afkomstig zijn van dit artikel, alsook de mate waarin de doelstellingen en beginselen als uiteengezet in de artikelen 2 en 3 van deze verordening bij deze acties worden nageleefd.

Artikel 21

Europese Dienst voor extern optreden

Deze verordening wordt toegepast in overeenstemming met Besluit 2010/427/EU.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(3)  Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 14).

(4)  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen (zie bladzijde 77 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor extern optreden van de Unie (zie bladzijde 95 van dit Publicatieblad).

(7)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2001, blz. 13).

(8)  Besluit 2010/247/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(9)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(10)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014–2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(11)  PB L 317 van 15.12 2000, blz. 3.

(12)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapinstrument (zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad).

(13)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (zie bladzijde 11 van dit Publicatieblad).

(14)  Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Unie („LGO-besluit”) (PB L 344 van 19.12.2013).

(15)  Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (PB L 163 van 2.7.1996, blz. 1).

(16)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).


BIJLAGE I

SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN GEOGRAFISCHE PROGRAMMA'S

A.   GEMEENSCHAPPELIJKE SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN GEOGRAFISCHE PROGRAMMA'S

De geografische programma's worden opgesteld op basis van de hierna vastgestelde samenwerkingsgebieden, die niet met sectoren mogen worden gelijkgesteld. Er zullen prioriteiten worden vastgesteld overeenkomstig de door de Europese Unie aangegane, internationale verbintenissen op het gebied van ontwikkelingsbeleid, met name de MDO's en de internationaal overeengekomen nieuwe ontwikkelingsdoelstellingen voor de tijd na 2015, die de MDO's wijzigen of vervangen, en op basis van een beleidsdialoog met elk van de in aanmerking komende partnerlanden of partnerregio's.

I.   Mensenrechten, democratie en goed bestuur

a)   Mensenrechten, democratie en de rechtsstaat:

i)

ondersteunen van democratisering en versterken van democratische instellingen, inclusief het versterken van de rol van parlementen;

ii)

versterken van de rechtsstaat en van de onafhankelijkheid van de rechts- en de beschermingsstelsels, en garanderen van de onbelemmerde en gelijke toegang tot justitie voor iedereen;

iii)

steun verlenen aan de transparante en verantwoordelijke werking van instellingen en aan decentralisatie; bevorderen van een participerende binnenlandse sociale dialoog en andere dialogen over bestuur en mensenrechten;

iv)

bevorderen van de vrijheid van media, inclusief wat betreft de moderne communicatiemiddelen;

v)

bevorderen van politiek pluralisme, van de bescherming van burgerrechten, culturele, economische, politieke en sociale rechten en van de bescherming van personen die tot minderheden en tot de meest kwetsbare groepen behoren;

vi)

steun verlenen aan de bestrijding van discriminatie en discriminerende praktijken op welke grond ook, onder meer raciale of etnische afkomst, kaste, godsdienst of geloof, geslacht, genderidentiteit of seksuele gerichtheid, sociale afstamming, handicap, gezondheidstoestand of leeftijd;

vii)

bevorderen van inschrijving in de registers van de burgerlijke stand, met name inschrijving in de geboorte- en de overlijdensregisters.

b)   Gendergelijkheid, versterking van de positie van en gelijke kansen voor vrouwen:

i)

bevorderen van gendergelijkheid en gelijke kansen;

ii)

beschermen van de rechten van vrouwen en meisjes, onder meer door acties ter bestrijding van kinderhuwelijken en andere schadelijke traditionele praktijken zoals genitale verminking van vrouwen en alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, en door steun te verlenen aan de slachtoffers van gendergerelateerd geweld;

iii)

bevorderen van de versterking van de positie van vrouwen, met inbegrip van de rol van de vrouw als ontwikkelingsactor en vredestichter.

c)   Beheer van de publieke sector op centraal en lokaal niveau:

i)

steun verlenen aan de ontwikkeling van de publieke sector met als doel het verhogen van de universele en niet-discriminerende toegang tot basisdiensten, met name op het gebied van gezondheid en onderwijs;

ii)

ondersteunen van programma's ter verbetering van de beleidsformulering, het beheer van de overheidsfinanciën, met inbegrip van het invoeren en uitbreiden van audit-, controle- en fraudebestrijdingsinstellingen en -maatregelen, en institutionele ontwikkeling, met inbegrip van personeelsmanagement;

iii)

versterken van de technische deskundigheid van parlementen, zodat zij een oordeel kunnen vellen over en kunnen bijdragen aan de opstelling van en het toezicht op de nationale begrotingen, met inbegrip van binnenlandse ontvangsten uit ontginning van hulpbronnen en belastingkwesties.

d)   Fiscaal beleid en administratie:

i)

steun verlenen aan de opzet of versterking van eerlijke, transparante, effectieve, progressieve en duurzame binnenlandse belastingstelsels;

ii)

versterken van de controlecapaciteit in ontwikkelingslanden in de strijd tegen belastingontduiking en illegale geldstromen;

iii)

steun verlenen aan het opstellen en verspreiden van informatie over belastingfraude en de gevolgen daarvan, met name door toezichtsorganen, parlementen en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

iv)

steun verlenen aan multilaterale en regionale initiatieven op het gebied van belastingadministratie en belastinghervormingen;

v)

steun verlenen aan ontwikkelingslanden om op een meer doeltreffende manier deel te nemen aan structuren en processen voor internationale samenwerking op belastinggebied;

vi)

steun verlenen aan het opnemen in de wetgeving van partnerlanden van verslaglegging per land en per project voor het vergroten van de financiële transparantie.

e)   Bestrijding van corruptie:

i)

bijstand verlenen aan partnerlanden bij het bestrijden van alle vormen van corruptie, onder meer door belangenbehartiging, bewustmaking en verslaglegging;

ii)

versterken van de capaciteit van controle- en toezichtsorganen en van het gerechtelijk apparaat.

f)   Maatschappelijk middenveld en plaatselijke overheden:

i)

steun verlenen aan de capaciteitsopbouw van organisaties van het maatschappelijk middenveld zodat zij hun stem beter kunnen laten horen en actiever kunnen deelnemen aan het ontwikkelingsproces en om de politieke, sociale en economische dialoog te bevorderen;

ii)

steun verlenen aan de capaciteitsopbouw van plaatselijke overheden en hun deskundigheid inzetten om een territoriale aanpak voor ontwikkeling te bevorderen, onder meer door decentralisatieprocessen;

iii)

bevorderen van een gunstig klimaat voor burgerparticipatie en acties vanuit het maatschappelijk middenveld.

g)   Bevorderen en beschermen van de kinderrechten:

i)

bevorderen van het verkrijgen van rechtsgeldige documenten;

ii)

ondersteunen van een adequate en gezonde levensstandaard en het opgroeien tot gezonde volwassenen;

iii)

waarborgen van basisonderwijs voor iedereen.

II.   Inclusieve en duurzame groei ten dienste van menselijke ontwikkeling

a)   Gezondheid, onderwijs, sociale bescherming, banen en cultuur:

i)

ondersteunen van sectorale hervormingen die de toegang tot sociale basisvoorzieningen verbeteren, met name kwalitatief hoogwaardige gezondheidsvoorzieningen en onderwijs, met een bijzondere nadruk op de daaraan gerelateerde MDO's en op de toegang voor arme, gemarginaliseerde en kwetsbare groepen tot dergelijke voorzieningen;

ii)

versterken van plaatselijke capaciteit om te reageren op mondiale, regionale en plaatselijke uitdagingen, onder meer via de inzet van sectorale begrotingssteun met een intensievere politieke dialoog;

iii)

versterken van de gezondheidsstelsels, onder meer door het nijpende tekort aan gekwalificeerd personeel in de gezondheidszorg aan te pakken, de gezondheidszorg op eerlijke wijze te financieren en medicijnen en vaccins beter betaalbaar te maken voor armen;

iv)

stimuleren van de volledige en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Actieprogramma van Peking, en het actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling, en de resultaten van hun toetsingsconferenties en in dit verband de aspecten seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

v)

garanderen van een toereikende voorziening van betaalbaar en kwalitatief goed drinkwater, adequate sanitaire voorzieningen en hygiëne;

vi)

versterken van de steun voor en gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs;

vii)

ondersteunen van beroepsopleidingen voor inzetbaarheid en van de capaciteit om onderzoeksresultaten uit te voeren en te gebruiken ten gunste van duurzame ontwikkeling;

viii)

steun verlenen aan nationale stelsels van sociale bescherming en socialebeschermingsniveaus, waaronder socialeverzekeringsstelsels voor gezondheids- en pensioenregelingen, met bijzondere aandacht voor het verminderen van ongelijkheid;

ix)

ondersteunen van de agenda voor fatsoenlijk werk, en bevorderen van de sociale dialoog;

x)

bevorderen van interculturele dialoog, van culturele verscheidenheid en van eerbiediging van de gelijke waardigheid van alle culturen;

xi)

bevorderen van internationale samenwerking die de cultuurindustrie doet bijdragen aan de economische groei in ontwikkelingslanden en aldus haar volle potentieel bij de armoedebestrijding tot gelding brengt, met aandacht voor thema's als markttoegang en intellectuele-eigendomsrechten.

b)   Bedrijfsklimaat, regionale integratie en wereldmarkten:

i)

steun verlenen aan de ontwikkeling van een concurrerende lokale particuliere sector, onder meer door het uitbreiden van de capaciteit van lokale instellingen en bedrijven;

ii)

steun verlenen aan de ontwikkeling van plaatselijke productiesystemen en van plaatselijke ondernemingen, waaronder groene ondernemingen;

iii)

stimuleren van kleine en middelgrote ondernemingen, van micro-ondernemingen en coöperaties en bevorderen van de eerlijke handel;

iv)

bevorderen van de ontwikkeling van plaatselijke, binnenlandse en regionale markten, waaronder markten voor milieugoederen en -diensten;

v)

steun verlenen aan de hervorming en handhaving van wet- en regelgevingskaders;

vi)

faciliteren van de toegang tot zakelijke en financiële diensten zoals microkrediet en microsparen, microverzekeringen en betalingsoverdracht;

vii)

ondersteunen van de handhaving van internationaal overeengekomen arbeidsrechten;

viii)

invoeren en verbeteren van wetgeving en kadasters ter bescherming van eigendomsrechten op grond en intellectuele-eigendomsrechten;

ix)

bevorderen van beleid inzake onderzoek en innovatie dat bijdraagt tot duurzame en inclusieve ontwikkeling;

x)

bevorderen van investeringen die duurzame werkgelegenheid genereren, onder meer door middel van gemengde regelingen, met aandacht voor het financieren van binnenlandse bedrijven en het aantrekken van binnenlands kapitaal, met name op het niveau van het mkb, en ondersteunen van de ontwikkeling van het menselijk kapitaal;

xi)

verbeteren van de infrastructuur met volledige eerbiediging van de sociale en milieunormen;

xii)

bevorderen van een sectorale aanpak voor duurzaam vervoer door tegemoet te komen aan de behoeften van de partnerlanden, door de veiligheid, betaalbaarheid en efficiëntie van het vervoer te garanderen en door de negatieve gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken;

xiii)

aangaan van betrekkingen met de particuliere sector ter bevordering van maatschappelijk verantwoorde en duurzame ontwikkeling, bevorderen van het maatschappelijk en ecologisch verantwoord en verantwoordingsplichtig ondernemen en de sociale dialoog;

xiv)

assisteren van ontwikkelingslanden bij hun inspanningen op het gebied van handel en regionale en continentale integratie, verlenen van bijstand voor de vlotte en geleidelijke integratie van deze landen in de wereldeconomie;

xv)

steun verlenen aan een meer universele toegang tot informatie- en communicatietechnologieën teneinde de digitale kloof te dichten.

c)   Duurzame landbouw, voedsel- en voedingszekerheid:

i)

ontwikkelingslanden helpen om bestand te zijn tegen schokken (zoals gebrek aan middelen en aanvoer, prijsvolatiliteit) en bij het wegwerken van ongelijkheden door mensen in armoede een betere toegang te geven tot grond, voedsel, water, energie en financiële middelen zonder schade toe te brengen aan het milieu;

ii)

steun verlenen aan duurzame landbouwpraktijken en relevant landbouwonderzoek, en aandacht besteden aan kleinschalige landbouw en bestaanszekerheid op het platteland;

iii)

ondersteunen van vrouwen in de landbouw;

iv)

aanmoedigen van overheidsinspanningen om in maatschappelijk en ecologisch opzicht verantwoorde particuliere investeringen te faciliteren;

v)

steun verlenen aan een strategische aanpak voor voedselzekerheid, gericht op de beschikbaarheid van voedsel, toegang tot voedsel, infrastructuur, opslag en voeding;

vi)

aanpakken van voedselonzekerheid en ondervoeding door basismaatregelen te nemen in overgangssituaties en onstabiele situaties;

vii)

steun verlenen aan door landen geleide, participerende, gedecentraliseerde en ecologisch duurzame territoriale ontwikkeling.

d)   Duurzame energie:

i)

verbeteren van de toegang tot moderne, betaalbare, duurzame, efficiënte, schone en hernieuwbare energiediensten;

ii)

bevorderen van lokale en regionale duurzame-energieoplossingen en gedecentraliseerde energieproductie.

e)   Beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder grond, bossen en water, met name:

i)

het ondersteunen van processen en instanties voor toezicht en bijdragen aan bestuurlijke hervormingen die duurzaam en transparant beheer en het behoud van natuurlijke hulpbronnen bevorderen;

ii)

bevorderen van een billijke toegang tot water, alsmede van geïntegreerd beheer van watervoorraden en van beheer van stroomgebieden;

iii)

bevorderen van de bescherming en van het duurzaam gebruik van biodiversiteit en ecosysteemdiensten;

iv)

bevorderen van duurzame productie- en consumptiepatronen en een veilig en duurzaam beheer van chemische stoffen en afval, rekening houdend met de gevolgen daarvan voor de gezondheid.

f)   Klimaatverandering en milieu:

i)

bevorderen van het gebruik van schonere technologieën, duurzame energie en het efficiënt gebruik van hulpbronnen met het oog op de verwezenlijking van een koolstofarme ontwikkeling, waarbij tegelijkertijd de milieunormen worden versterkt;

ii)

de ontwikkelingslanden beter bestand maken tegen de gevolgen van klimaatverandering door steun te verlenen aan op het ecosysteem gebaseerde aanpassing aan en beperking van de klimaatverandering en aan maatregelen om het risico van rampen te beperken;

iii)

steun verlenen aan de tenuitvoerlegging van de relevante multilaterale milieuovereenkomsten, met name de versterking van de milieudimensie van het institutionele kader voor duurzame ontwikkeling en de bevordering van de bescherming van biodiversiteit;

iv)

partnerlanden helpen het hoofd te bieden aan de uitdaging van ontheemden en migratie door de gevolgen van de klimaatverandering, en bij het weer opbouwen van de leefomgeving van klimaatvluchtelingen.

III.   Andere gebieden die van belang zijn voor ontwikkeling

a)   Migratie en asiel:

i)

ondersteunen van doelgerichte inspanningen om de onderlinge relatie tussen migratie, mobiliteit, werkgelegenheid en armoedebestrijding ten volle te benutten, teneinde migratie tot een positieve factor voor ontwikkeling te maken en de braindrain te verminderen;

ii)

steun verlenen aan ontwikkelingslanden bij de vaststelling van een langetermijnbeleid voor het beheren van migratiestromen, waarin de mensenrechten van de migranten en hun families worden geëerbiedigd en hun sociale bescherming wordt verbeterd.

b)   Koppeling van humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking:

i)

wederopbouw en rehabilitatie, op de middellange en lange termijn, van regio's en landen die door conflicten, natuurrampen en door mensen veroorzaakte rampen zijn getroffen;

ii)

uitvoeren van activiteiten op de middellange en lange termijn die gericht zijn op zelfvoorziening en integratie of re-integratie van ontwortelde bevolkingsgroepen door het koppelen van humanitaire hulp, rehabilitatie en ontwikkeling.

c)   Veerkracht en rampenrisicovermindering:

i)

in onstabiele situaties basisdienstverlening ondersteunen en in samenwerking met het betrokken land legitieme, doeltreffende en veerkrachtige staatsinstellingen, alsmede een actief en georganiseerd maatschappelijk middenveld opbouwen;

ii)

bijdragen tot een preventieve aanpak inzake kwetsbaarheid van de staten, conflicten, natuurrampen en andere crisissituaties door de partnerlanden en de regionale organisaties te helpen bij hun inspanningen ter versterking van de systemen voor vroegtijdige waarschuwing en de opbouw van democratisch bestuur en institutionele capaciteit,

iii)

steun verlenen aan rampenrisicovermindering, rampenparaatheid, rampenpreventie en het beheer van de gevolgen van rampen.

d)   Ontwikkeling en veiligheid, met inbegrip van conflictpreventie:

i)

aanpakken van de onderliggende oorzaken van conflicten, waaronder armoede, achteruitgang, uitbuiting, ongelijke verdeling van en toegang tot grond en natuurlijke hulpbronnen, zwak bestuur, mensenrechtenschendingen en genderongelijkheid, als middel om conflictpreventie, conflictbeslechting en vredesopbouw te ondersteunen;

ii)

stimuleren van dialoog, participatie en verzoening teneinde vrede te bevorderen en het uitbreken van geweld te voorkomen, in overeenstemming met internationale beste praktijken;

iii)

aanmoedigen van samenwerking en beleidshervormingen inzake veiligheid en justitie, bestrijding van drugshandel en andere illegale handel, mensenhandel daaronder begrepen, corruptie en witwaspraktijken.

B.   SPECIFIEKE SAMENWERKINGSGEBIEDEN PER REGIO

De bijstand van de Unie ondersteunt acties en sectorale dialogen die in overeenstemming zijn met artikel 5 en bijlage I, deel A, en met het algemene doel en het toepassingsgebied, de doelstelling en de algemene beginselen van deze verordening. Er wordt bijzondere aandacht geschonken aan de hieronder beschreven gebieden, die aansluiten op gezamenlijk overeengekomen strategieën.

I.   Latijns-Amerika

a)

bevorderen van sociale cohesie, in het bijzonder sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen, gendergelijkheid en het versterken van de positie van vrouwen;

b)

aanpakken van bestuursaangelegenheden en ondersteunen van beleidshervormingen, vooral op het gebied van sociaal beleid, beheer van overheidsfinanciën en fiscaliteit, veiligheid (met inbegrip van drugs, criminaliteit en corruptie), versterken van goed bestuur, openbare instellingen op lokaal, regionaal en nationaal vlak (onder meer via innovatieve mechanismen voor het tot stand brengen van technische samenwerking, bv. het Bureau voor de uitwisseling van informatie over technische bijstand (TAIEX) en jumelage), bescherming van de mensenrechten, inclusief de rechten van minderheden, inheemse volkeren en mensen van Afrikaanse origine, eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), milieu, bestrijding van discriminatie, en bestrijding van seksueel en op gender gebaseerd geweld en geweld tegen kinderen en bestrijding van de productie en het gebruik van en de handel in drugs;

c)

ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

d)

versterken van de sociale samenhang, met name door middel van invoering/versterking van houdbare stelsels voor sociale bescherming, met inbegrip van sociale verzekering, en door middel van belastinghervorming, waarbij de capaciteit van belastingstelsels en de strijd tegen fraude en belastingontduiking worden opgevoerd, zodat wordt bijgedragen tot meer gelijkheid en tot een betere verdeling van de rijkdom;

e)

bijstand verlenen aan de Latijns-Amerikaanse staten bij het vervullen van hun zorgvuldigheidsverplichting inzake preventie, onderzoek, gerechtelijke vervolging en bestraffing van en genoegdoening en aandacht voor feminicide;

f)

ondersteunen van verschillende processen van regionale integratie en onderlinge verbinding van netwerkinfrastructuren, en tegelijkertijd de complementariteit met door de EIB en andere instellingen ondersteunde activiteiten garanderen;

g)

bekijken van de verwevenheid van ontwikkeling en veiligheid;

h)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs;

i)

ondersteunen van beleid inzake onderwijs en de ontwikkeling van een gemeenschappelijke Latijns-Amerikaanse ruimte voor hoger onderwijs;

j)

aanpakken van economische kwetsbaarheid en bijdragen tot structurele veranderingen door het oprichten van sterke partnerschappen rond open en eerlijke handelsbetrekkingen, productieve investeringen voor meer en betere banen in de groene en inclusieve economie, kennisoverdracht en samenwerking in onderzoek, innovatie en technologie, en bevorderen van duurzame en inclusieve groei in al zijn dimensies, met bijzondere aandacht voor de uitdagingen inzake migratiestromen, voedselzekerheid (met inbegrip van duurzame landbouw en visserij), klimaatverandering, duurzame energie en de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water, bodem en bossen; ondersteunen van de ontwikkeling van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen als de belangrijkste bron voor inclusieve groei, ontwikkeling en banen; propageren van ontwikkelingshulp voor handel om ervoor te zorgen dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in Latijns-Amerika kunnen profiteren van de kansen die de internationale handel biedt; rekening houden met de veranderingen in het stelsel van algemene preferenties;

k)

verzachten van de negatieve gevolgen die de uitsluiting van het stelsel van algemene preferenties zal hebben voor de economie van vele landen in de regio;

l)

verzekeren van een passende follow-up van met het oog op herstel na een ramp of na een crisis genomen kortetermijnnoodmaatregelen die via andere financieringsinstrumenten zijn uitgevoerd.

II.   Zuid-Azië

1)   Democratische bestuur bevorderen

a)

ondersteunen van democratische processen, stimuleren van doeltreffend democratisch bestuur, versterken van openbare instanties en organen (mede op lokaal niveau), ondersteunen van doelmatige decentralisering, staatsherstructurering en verkiezingsprocessen;

b)

de ontwikkeling ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld, de media daaronder begrepen; en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

c)

opbouwen en versterken van legitieme, democratische, effectieve en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en organen, bevorderen van institutionele en administratieve hervormingen, goed bestuur, corruptiebestrijding en beheer van de overheidsfinanciën; ondersteunen van de rechtsstaat;

d)

versterken van de bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van minderheden, migranten, inheemse volkeren en kwetsbare groepen, bestrijden van discriminatie, bestrijden van seksueel en op gender gebaseerd geweld en geweld tegen kinderen, alsook van mensenhandel;

e)

beschermen van de mensenrechten door het bevorderen van institutionele hervormingen (inclusief op het vlak van goed bestuur en corruptiebestrijding, beheer van overheidsfinanciën, belastingheffing en hervorming van het openbaar bestuur) en hervorming van de wet- en regelgeving in overeenstemming met internationale normen, in het bijzonder in fragiele staten en in landen in conflict- en postconflictsituaties.

2)   Sociale insluiting en menselijke ontwikkeling in al hun dimensies bevorderen

a)

bevorderen van sociale cohesie, in het bijzonder sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen en gendergelijkheid door middel van onderwijs, gezondheidszorg en andere vormen van sociaal beleid;

b)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; verbeteren van de toegang tot het onderwijs voor iedereen om kennis, vaardigheden en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten, onder andere — indien relevant — door het aanpakken van ongelijkheid en discriminatie op grond van werk en afkomst, en met name discriminatie op basis van kaste;

c)

bevorderen van sociale bescherming en inclusie, fatsoenlijk werk en fundamentele arbeidsnormen, gelijke kansen en gendergelijkheid door middel van onderwijs, gezondheidszorg en andere vormen van sociaal beleid;

d)

bevorderen van hoogwaardige diensten inzake onderwijs, beroepsopleiding en gezondheidszorg die voor eenieder toegankelijk zijn, ook voor meisjes en vrouwen;

e)

in de context van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van op gender of op afkomst gebaseerd geweld, kinderontvoering, corruptie en georganiseerde misdaad, drugsproductie, drugsgebruik en drugshandel en andere vormen van illegale handel;

f)

oprichten van ontwikkelingsgeoriënteerde partnerschappen rond landbouw, ontwikkeling van de particuliere sector, handel, investeringen, hulp, migratie, onderzoek, innovatie en technologie en aanbieden van collectieve goederen, gericht op armoedebestrijding en sociale insluiting.

3)   Duurzame ontwikkeling ondersteunen en de veerkracht van Zuidoost-Aziatische samenlevingen ten opzichte van klimaatverandering en natuurrampen doen toenemen

a)

bevorderen van duurzame en inclusieve groei en middelen van bestaan, geïntegreerde plattelandsontwikkeling, duurzame land- en bosbouw, duurzame voedselzekerheid en voeding;

b)

bevorderen van duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en hernieuwbare energie, bescherming van biodiversiteit, water- en afvalbeheer, bodem- en bosbescherming;

c)

bijdragen tot het aanpakken van klimaatverandering door ondersteuning van adaptatie- en mitigatiemaatregelen en maatregelen ter beperking van het risico op rampen;

d)

ondersteunen van inspanningen met het oog op economische diversifiëring, concurrentievermogen en handel, ontwikkeling van de particuliere sector met bijzondere nadruk op micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en coöperaties;

e)

bevorderen van duurzame consumptie en productie en van investeringen in schone technologieën, duurzame energie, vervoer, duurzame landbouw en visserij, de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water en bossen, en scheppen van fatsoenlijk werk in de groene economie;

f)

ondersteunen van rampenparaatheid en langetermijnherstel na rampen, inclusief op het gebied van voedsel- en voedingszekerheid en hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen.

4)   Regionale integratie en samenwerking ondersteunen

a)

aanmoedigen van regionale integratie en samenwerking, op resultaatgerichte wijze door steunverlening aan regionale integratie en regionale dialoog, met name via de Zuid-Aziatische Associatie voor Regionale Samenwerking, en bevorderen van de ontwikkelingsdoelstellingen van het proces van Istanbul („Heart of Asia”-proces);

b)

ondersteunen van efficiënt grensbeheer en van grensoverschrijdende samenwerking om duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grensregio's te bevorderen; bestrijden van georganiseerde criminaliteit en van productie en gebruik van en handel in drugs;

c)

ondersteunen van regionale initiatieven ter bestrijding van de belangrijkste overdraagbare ziekten; bijdragen aan de inspanningen van de regio inzake preventie van en respons op gezondheidsrisico's, met inbegrip van risico's die ontstaan op het raakvlak tussen dieren, mensen en hun diverse omgevingen;

III.   Noord- en Zuidoost-Azië

1)   Democratische bestuur bevorderen

a)

bijdragen aan democratisering; bouwen en versterken van legitieme, doeltreffende en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en organen, en beschermen van de mensenrechten, door het bevorderen van institutionele hervormingen (inclusief op het vlak van goed bestuur en corruptiebestrijding, beheer van overheidsfinanciën, belastingheffing en hervorming van openbaar bestuur) en hervorming van de wet- en regelgeving in overeenstemming met internationale normen, in het bijzonder in fragiele staten en in landen in conflict- en postconflictsituaties;

b)

versterken van de bescherming van de mensenrechten, inclusief de rechten van minderheden en inheemse volkeren, bevordering van de fundamentele arbeidsnormen, bestrijding van discriminatie, en bestrijding van seksueel en op gender gebaseerd geweld en geweld tegen kinderen en aanpakken van de mensenhandel;

c)

ondersteunen van het mensenrechtenbestel van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), en vooral het werk van de door de ASEAN ingestelde intergouvernementele commissie voor de rechten van de mens;

d)

bouwen en versterken van legitieme, doeltreffende en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en organen;

e)

ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld; versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

f)

ondersteunen van de inspanningen van de regio ter bevordering van democratie, rechtsstatelijkheid en burgerveiligheid, onder meer door hervorming van de justitiële sector en de veiligheidssector, en bevorderen van interetnische en interreligieuze dialoog en vredesprocessen;

g)

in de context van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van corruptie en georganiseerde misdaad, van drugsproductie, drugsgebruik en drugshandel en van andere vormen van illegale handel, en ondersteunen van efficiënt grensbeheer en van grensoverschrijdende samenwerking om duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grensregio's te bevorderen.

2)   Sociale insluiting en menselijke ontwikkeling in al hun dimensies bevorderen

a)

bevorderen van sociale cohesie, in het bijzonder sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen en gendergelijkheid;

b)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; verbeteren van de toegang tot het onderwijs voor iedereen om kennis, vaardigheden en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten, onder andere — als dit relevant is — door het aanpakken van ongelijkheid en discriminatie op grond van werk en afkomst, en met name discriminatie op basis van kaste;

c)

oprichten van ontwikkelingsgeoriënteerde partnerschappen rond landbouw, ontwikkeling van de particuliere sector, handel, investeringen, hulp, migratie, onderzoek, innovatie en technologie en aanbieden van collectieve goederen, gericht op armoedebestrijding en sociale insluiting;

d)

bijdragen aan de inspanningen van de regio inzake preventie van en respons op gezondheidsrisico's, met inbegrip van risico's die ontstaan op het raakvlak tussen dieren, mensen en hun diverse omgevingen;

e)

bevorderen van onderwijs, een leven lang leren en opleiding (met inbegrip van hoger onderwijs, beroepsonderwijs en beroepsopleiding) en van beter functionerende arbeidsmarkten;

f)

bevorderen van een groenere economie en van duurzame en inclusieve groei, vooral met betrekking tot in de landbouw, voedselzekerheid en voeding, duurzame energie en bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten;

g)

in het kader van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van op gender of afkomst gebaseerd geweld en kinderontvoering.

3)   Duurzame ontwikkeling ondersteunen en de veerkracht van Zuidoost-Aziatische samenlevingen ten opzichte van klimaatverandering en natuurrampen doen toenemen

a)

ondersteunen van mitigatie van en adaptatie aan klimaatverandering, van bevordering van duurzame consumptie en productie;

b)

ondersteunen van de regio bij het integreren van klimaatverandering in strategieën voor duurzame ontwikkeling, om de negatieve gevolgen van klimaatverandering aan te pakken en langlopende samenwerkingsinitiatieven te bevorderen en de regio minder kwetsbaar voor rampen te maken, om ondersteuning te bieden voor het multisectoraal raamwerk van de ASEAN inzake klimaatverandering: Agriculture and Forestry towards Food Security (met landbouw en bosbouw naar voedselzekerheid;

c)

met het oog op bevolkingstoename en veranderende consumentenverlangens, ondersteunen van duurzame consumptie en productie alsmede van investeringen in schone technologieën, met name op regionaal vlak, duurzame energie, vervoer, duurzame landbouw en visserij, de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water en bossen, en het scheppen van fatsoenlijk werk in de groene economie;

d)

koppelen van humanitaire hulp, rehabilitatie en ontwikkeling door te zorgen voor een passende follow-up van met het oog op herstel na een ramp of na een crisis genomen kortetermijnnoodmaatregelen die via andere financieringsinstrumenten zijn uitgevoerd; ondersteunen van rampenparaatheid en langetermijnherstel na rampen, inclusief op het gebied van voedsel- en voedingszekerheid en hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen.

4)   Regionale integratie en samenwerking in heel Noord- en Zuidoost-Azië ondersteunen

a)

aanmoedigen van meer regionale integratie en samenwerking op een resultaatgerichte manier, door ondersteuning van regionale integratie en dialoog;

b)

ondersteunen van de sociaal-economische integratie en connectiviteit van de ASEAN, met inbegrip van de uitvoering van de aan ontwikkeling gerelateerde doelstellingen van de economische ASEAN-gemeenschap, het masterplan inzake connectiviteit en de visie voor de periode na 2015;

c)

propageren van handelsgerelateerde bijstand en ontwikkelingshulp voor handel om ervoor te zorgen dat micro- kleine en middelgrote ondernemingen kunnen profiteren van de kansen die de internationale handel biedt;

d)

als hefboom fungeren voor financiering van duurzame infrastructuur en netwerken ten behoeve van regionale integratie, sociale inclusie en cohesie en duurzame groei, en daarbij zorgen voor complementariteit met activiteiten die worden ondersteund door de EIB en andere financieringsinstellingen van de Unie en met andere instellingen die zich hiermee bezighouden;

e)

aanmoedigen van dialoog tussen instellingen en landen van de ASEAN en de Unie;

f)

ondersteunen van regionale initiatieven ter bestrijding van de belangrijkste overdraagbare ziekten; bijdragen aan de inspanningen van de regio inzake preventie van en respons op gezondheidsrisico's, met inbegrip van risico's die ontstaan op het raakvlak tussen dieren, mensen en hun diverse omgevingen.

IV.   Centraal-Azië

a)

als overkoepelende doelstellingen, bijdragen tot duurzame en inclusieve economische en sociale ontwikkeling, sociale cohesie en democratie;

b)

ondersteunen van voedselzekerheid, toegang tot duurzame energiezekerheid, water en sanitaire voorzieningen voor de plaatselijke bevolking; bevorderen en ondersteunen van rampenparaatheid en adaptatie aan klimaatverandering;

c)

ondersteunen van representatieve en democratisch gekozen parlementen, bevorderen en ondersteunen van goed bestuur en democratiseringsprocessen; goed beheer van de overheidsfinanciën; de rechtsstaat, met goed functionerende instellingen en effectieve eerbiediging van de mensenrechten en gendergelijkheid; ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

d)

bevorderen van inclusieve en duurzame economische groei, aanpakken van sociale en regionale ongelijkheden, en ondersteunen van innovatie en technologie, fatsoenlijk werk, landbouw en plattelandsontwikkeling, bevorderen van economische diversifiëring door ondersteuning van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de ontwikkeling stimuleren van een gereguleerde sociale markteconomie, open en eerlijke handel en investeringen, met inbegrip van hervormingen van de regelgeving;

e)

ondersteunen van efficiënt grensbeheer en grensoverschrijdende samenwerking om duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling in grensregio's te bevorderen; in de context van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van georganiseerde misdaad en alle vormen van illegale handel, inclusief de bestrijding van drugsproductie en drugsgebruik alsmede de negatieve gevolgen ervan, met inbegrip van hiv/aids;

f)

bevorderen van bilaterale en regionale samenwerking, dialoog en integratie inclusief met de landen die vallen onder het Europees nabuurschapsinstrument en andere instrumenten van de Unie ter ondersteuning van beleidshervormingen, onder meer door institutionele opbouw indien passend, technische bijstand (bv. TAIEX), informatie-uitwisseling en jumelage, en door belangrijke investeringen via passende mechanismen voor het vrijmaken van financiële middelen in de sectoren opleiding, milieu en energie, koolstofarme ontwikkeling/veerkracht tegen de gevolgen van klimaatverandering;

g)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; ondersteunen van de toegang tot de arbeidsmarkt van de bevolking, en met name van jongeren en vrouwen, onder meer door verbeteringen in het algemeen onderwijs, het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs te ondersteunen.

V.   Midden-Oosten

a)

aanpakken van democratisering en bestuur (mede inzake belastingen), rechtsstatelijkheid, mensenrechten en gendergelijkheid, fundamentele vrijheden en politieke gelijkheid, om politieke hervormingen, de strijd tegen corruptie, en de transparantie van de rechtsgang aan te moedigen en legitieme, democratische, doeltreffende en verantwoordingsplichtige openbare instellingen en een actief, onafhankelijk en georganiseerd maatschappelijk middenveld op te bouwen; versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

b)

ondersteunen van het maatschappelijk middenveld in zijn strijd voor de bescherming van de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de democratische beginselen;

c)

bevorderen van inclusieve groei en aanmoedigen van sociale cohesie en ontwikkeling, in het bijzonder banencreatie, sociale insluiting, fatsoenlijk werk en gelijke kansen en gendergelijkheid; versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs; indien relevant, aanpakken van ongelijkheid en discriminatie op grond van werk en afkomst, en in het bijzonder discriminatie op basis van kaste;

d)

de ontwikkeling ondersteunen van een burgercultuur, vooral via opleiding, educatie en participatie van kinderen, jongeren en vrouwen;

e)

bevorderen van duurzame economische hervormingen en diversificatie, open en eerlijke handelsbetrekkingen, de ontwikkeling van een gereguleerde en duurzame sociale markteconomie, productieve en duurzame investeringen in de voornaamste sectoren (zoals energie, met nadruk op hernieuwbare energie);

f)

bevorderen van goede nabuurschapsbetrekkingen, regionale samenwerking, dialoog en integratie, ook met de landen die vallen onder het Europees nabuurschapsinstrument en de Golfstaten die vallen onder het partnerschapsinstrument en andere Unie-instrumenten, door ondersteuning van integratie-inspanningen binnen de regio, op gebieden als, bijvoorbeeld, economie, energie, water, vervoer en vluchtelingen;

g)

bevorderen van een duurzaam en billijk beheer van watervoorraden, alsook bescherming van watervoorraden;

h)

aanvullen van de middelen die krachtens deze verordening worden ingezet met samenhangend werk en steun door middel van andere instrumenten en ander beleid van de Unie, waarin de nadruk kan liggen op toegang tot de interne markt van de Unie, arbeidsmobiliteit en een bredere regionale integratie;

i)

in het kader van de verwevenheid van veiligheid en ontwikkeling, bestrijden van georganiseerde criminaliteit en van productie en gebruik van en handel in drugs;

j)

in het kader van de verwevenheid van ontwikkeling en migratie, beheren van de migratie en helpen van ontheemden en vluchtelingen.

VI.   Andere landen

a)

ondersteunen van de consolidatie van een democratische samenleving, goed bestuur, eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, en rechtsstatelijkheid, en bijdragen aan regionale en continentale stabiliteit en integratie; ondersteunen van een actief, georganiseerd en onafhankelijk maatschappelijk middenveld en versterken van de sociale dialoog door steun aan de sociale partners;

b)

ondersteunen van de aanpassingsinspanningen die voortvloeien uit de totstandbrenging van diverse vrijhandelszones;

c)

ondersteunen van de bestrijding van armoede, ongelijkheid en uitsluiting, onder andere door het lenigen van de basisbehoeften van achtergestelde gemeenschappen en door het bevorderen van sociale cohesie en herverdelingsbeleid met het oog op het verminderen van ongelijkheden;

d)

versterken van de capaciteit om eenieder toegang te bieden tot hoogwaardige sociale basisvoorzieningen, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg en onderwijs;

e)

verbeteren van de leef- en werkomstandigheden met bijzondere nadruk op het bevorderen van de IAO-agenda voor fatsoenlijk werk;

f)

aanpakken van economische kwetsbaarheid en bijdragen tot structurele veranderingen met de nadruk op fatsoenlijk werk door middel van duurzame en inclusieve economische groei en een energie-efficiënte, op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde koolstofarme economie door totstandbrenging van sterke partnerschappen rond eerlijke handelsbetrekkingen, productieve investeringen voor meer en betere banen in de groene en inclusieve economie, kennisoverdracht en samenwerking bij onderzoek, innovatie en technologie, en bevorderen van duurzame en inclusieve ontwikkeling in al haar dimensies, met bijzondere aandacht voor de uitdagingen inzake migratiestromen, huisvesting, voedselzekerheid (met inbegrip van duurzame landbouw en visserij), klimaatverandering, duurzame energie en de bescherming en versterking van biodiversiteit en ecosysteemdiensten, met inbegrip van water en bodem;

g)

het aanpakken van seksueel en op gender gebaseerd geweld en daaraan gerelateerde gezondheidskwesties, met inbegrip van hiv/aids en de gevolgen daarvan voor de samenleving.


BIJLAGE II

SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN THEMATISCHE PROGRAMMA'S

A.   PROGRAMMA VOOR MONDIALE COLLECTIEVE GOEDEREN EN UITDAGINGEN

Het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen beoogt de samenwerking en de uitwisseling van kennis en ervaring met partnerlanden en de capaciteiten van partnerlanden te versterken teneinde bij te dragen tot de uitbanning van armoede en tot sociale cohesie en duurzame ontwikkeling. Het programma wordt opgesteld op basis van de volgende samenwerkingsterreinen, waardoor gezorgd wordt voor een maximale onderlinge synergie gezien hun sterke onderlinge verwevenheid.

I.   Milieu en klimaatverandering

a)

bijdragen tot de externe dimensie van het milieubeleid en het beleid inzake klimaatverandering van de Unie, met volledige eerbiediging van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling en andere in het TFEU verankerde beginselen;

b)

stroomopwaarts werk verrichten dat de ontwikkelingslanden helpt bij het verwezenlijken van de MDO's of van enig in aansluiting daarop door de Unie en haar lidstaten overeengekomen kader inzake duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en milieuduurzaamheid;

c)

uitvoeren van de initiatieven van de Unie en de verbintenissen die op internationaal en regionaal niveau overeengekomen zijn en/of een grensoverschrijdend karakter hebben, in het bijzonder op het vlak van klimaatverandering, door de bevordering van uit klimaatoogpunt veerkrachtige koolstofarme strategieën, waarbij voorrang wordt gegeven aan strategieën ter bevordering van biodiversiteit, bescherming van ecosystemen en natuurlijke hulpbronnen, duurzaam beheer van onder meer oceanen, land, water, visserij en bossen (bv. via mechanismen zoals FLEGT), woestijnvorming, geïntegreerd beheer van waterreserves, goed beheer van chemische stoffen en afval, efficiënt gebruik van hulpbronnen en de groene economie;

d)

in sterkere mate in de ontwikkelingssamenwerking van de Unie integreren en meenemen van de doelstellingen inzake klimaatverandering en milieu, door middel van steun voor methodologisch en onderzoekswerk naar, in en door ontwikkelingslanden, met inbegrip van monitoring-, rapportage- en controlemechanismen, kartering, beoordeling en waardering van ecosystemen, verbetering van de milieudeskundigheid en bevordering van innovatieve acties en beleidssamenhang;

e)

versterken van het milieubestuur en ondersteunen van het uitwerken van internationaal beleid ter verbetering van de samenhang en efficiëntie van het mondiaal bestuur van duurzame ontwikkeling, door te assisteren bij de milieumonitoring en -evaluatie op regionaal en internationaal niveau, en door te ijveren voor effectieve nalevings- en handhavingsmaatregelen in ontwikkelingslanden met het oog op multilaterale milieuovereenkomsten;

f)

opnemen van zowel rampenrisicobeheer als aanpassing aan klimaatverandering in ontwikkelingsprogrammering en -investering, en bevorderen van de uitvoering van strategieën gericht op de vermindering van rampenrisico's, zoals bescherming van ecosystemen en herstel van wetlands;

g)

erkennen van de doorslaggevende rol van landbouw en veeteelt in het beleid inzake klimaatverandering door bevordering van kleine landbouw- en veeteeltbedrijven als autonome aanpassings- en mitigatiestrategieën in het Zuiden, wegens hun duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen zoals water en grasland.

II.   Duurzame energie

a)

bevorderen van toegang tot betrouwbare, veilige, betaalbare, klimaatvriendelijke en duurzame energiediensten als een belangrijke motor voor de uitbanning van armoede en voor inclusieve groei en ontwikkeling, met een bijzondere nadruk op het gebruik van plaatselijke en regionale hernieuwbare energiebronnen en op het waarborgen van toegang hiertoe voor mensen in armoede in afgelegen gebieden;

b)

bevorderen van een groter gebruik van hernieuwbare energietechnologieën, met name van gedecentraliseerde benaderingen, evenals van energie-efficiëntie, en bevorderen van duurzame koolstofarme ontwikkelingsstrategieën;

c)

bevorderen van energiezekerheid voor de partnerlanden en lokale gemeenschappen bijvoorbeeld door bv. diversificatie van bronnen en trajecten, waarbij rekening moet worden gehouden met problemen inzake prijsvolatiliteit en mogelijke emissiereducties, de markten moeten worden verbeterd en onderlinge verbindingen en de handel op het vlak van energie en met name elektriciteit moeten worden aangemoedigd.

III.   Menselijke ontwikkeling, met inbegrip van fatsoenlijk werk, sociale rechtvaardigheid en cultuur

a)   Gezondheid

i)

Verbeteren van de gezondheid en het welzijn van mensen in de ontwikkelingslanden door steun te verlenen aan de inclusieve en universele toegang tot en de billijke verstrekking van essentiële openbare gezondheidsvoorzieningen, -goederen en -diensten van goede kwaliteit en door te zorgen voor een zorgcontinuüm, van preventie tot nabehandeling en met speciale nadruk op personen uit kansarme of kwetsbare groepen;

ii)

ondersteunen en vormgeven van de beleidsagenda van wereldwijde initiatieven die aanzienlijk onmiddellijk voordeel opleveren voor de partnerlanden, rekening houdend met resultaatgerichtheid, de doeltreffendheid van de hulp en de gevolgen voor de stelsels voor gezondheidszorg, met inbegrip van het ondersteunen van partnerlanden om meer bij deze initiatieven betrokken te raken;

iii)

ondersteunen van specifieke initiatieven, vooral op regionaal en mondiaal niveau, die de stelsels voor gezondheidszorg versterken en landen helpen bij de ontwikkeling en uitvoering van een degelijk, empirisch onderbouwd en duurzaam nationaal gezondheidsbeleid, en op prioritaire werkterreinen zoals gezondheid van moeders en kinderen, met inbegrip van inenting en respons op mondiale gezondheidsbedreigingen (zoals hiv/aids, tuberculose en malaria, en andere armoedegerelateerde, verwaarloosde ziekten;

iv)

stimuleren van de volledige en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Actieprogramma van Peking en het actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling en de resultaten van hun toetsingsconferenties en in dit verband seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

v)

bevorderen, verschaffen en uitbreiden van essentiële diensten en psychologische bijstand voor slachtoffers van geweld, vooral vrouwen en kinderen.

b)   Onderwijs, kennis en vaardigheden

i)

Ondersteunen van de verwezenlijking van internationaal overeengekomen doelstellingen op het gebied van onderwijs via wereldwijde initiatieven en partnerschappen, met speciale nadruk op het bevorderen van kennis, vaardigheden en waarden voor duurzame en inclusieve ontwikkeling;

ii)

Bevorderen van de uitwisseling van ervaring, goede praktijken en innovatie, op basis van een evenwichtige benadering van de ontwikkeling van onderwijsstelsels;

iii)

verbeteren van de gelijke toegang tot en de kwaliteit van onderwijs, met name voor personen uit kwetsbare groepen, migranten, vrouwen en meisjes, personen uit religieuze minderheden, mensen met een handicap, personen in precaire situaties en in landen die het verst verwijderd zijn van de verwezenlijking van globale doelstellingen, en zorgen voor verbetering wat betreft de voltooiing van basisonderwijs en de overgang naar lager voortgezet onderwijs.

c)   Gendergelijkheid, het versterken van de positie van vrouwen en het beschermen van de rechten van vrouwen en meisjes:

i)

Ondersteunen van programma's op nationaal, regionaal en lokaal niveau ter bevordering van het versterken van de economische en sociale positie, het leiderschap en de politieke participatie van vrouwen en meisjes;

ii)

ondersteunen van nationale, regionale en wereldwijde initiatieven om gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes op te nemen in beleidsmaatregelen, plannen en begrotingen, met inbegrip van internationale, regionale en nationale ontwikkelingskaders, en op de agenda voor de doeltreffendheid van hulp te plaatsen; helpen om geslachtsselectie uit te bannen;

iii)

aanpakken van seksueel en seksegerelateerd geweld en ondersteunen van de slachtoffers hiervan.

d)   Kinderen en jonge mensen:

i)

bestrijden van kinderhandel en alle vormen van geweld tegen en misbruik van kinderen en alle vormen van kinderarbeid, bestrijden van kinderhuwelijken en aanmoedigen van een beleid dat aandacht heeft voor de bijzondere kwetsbaarheid en de mogelijkheden van jonge mensen en kinderen, voor de bescherming van hun rechten, waaronder registratie bij geboorte, en hun belangen, onderwijs, gezondheid en bestaansmiddelen, en dat hen allereerst inspraak en regie geeft;

ii)

vergroten van de aandacht en de capaciteit van de ontwikkelingslanden om beleid te ontwikkelen dat kinderen en jonge mensen ten goede komt en de rol van kinderen en jonge mensen als ontwikkelingsactoren bevordert;

iii)

steun verlenen aan de ontwikkeling van concrete strategieën en acties voor de aanpak van de specifieke problemen en uitdagingen waarmee kinderen en jonge mensen te maken hebben, met name op het gebied van gezondheid, onderwijs en werkgelegenheid, waarbij steeds hun belang voor ogen wordt gehouden.

e)   Non-discriminatie

i)

steun verlenen aan lokale, regionale en nationale en mondiale initiatieven voor de bevordering van non-discriminatie op grond van geslacht, genderidentiteit, raciale of etnische afkomst, kaste, godsdienst of geloof, handicap, ziekte, leeftijd en seksuele geaardheid via de ontwikkeling van beleid, plannen en begrotingen evenals via de uitwisseling van goede praktijken en expertise;

ii)

zorgen voor een breder opgezette dialoog over non-discriminatie en de bescherming van mensenrechtenverdedigers.

f)   Werkgelegenheid, vaardigheden, sociale bescherming en sociale insluiting:

i)

Ondersteunen van hoge niveaus van productieve en fatsoenlijke banen, met name via het ondersteunen van degelijke werkgelegenheidsmaatregelen en -strategieën, beroepsopleiding voor inzetbaarheid die aansluit op de behoeften van en vooruitzichten op de lokale arbeidsmarkt, en degelijke arbeidsvoorwaarden, ook in de informele economie, bevorderen van fatsoenlijk werk op basis van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO, inclusief de strijd tegen kinderarbeid, en sociale dialoog alsook faciliteren van arbeidsmobiliteit met eerbiediging en bevordering van de rechten van migranten;

ii)

versterken van de sociale samenhang, met name door te zorgen voor invoering/versterking van duurzame stelsels voor sociale bescherming, met inbegrip van sociale verzekeringsregelingen voor personen die in armoede leven, en met fiscale hervorming, versterken van de capaciteit van belastingstelsels en bestrijding van fraude en belastingontduiking, waardoor kan worden bijgedragen aan verwezenlijking van meer gelijkheid en een betere verdeling van de rijkdom;

iii)

versterken van sociale insluiting en gendergelijkheid via samenwerking op het vlak van billijke toegang tot basisdiensten, werkgelegenheid voor iedereen, de versterking van de positie van bepaalde groepen en de eerbiediging van hun rechten, met name migranten, kinderen en jonge mensen, mensen met een handicap, vrouwen, inheemse volkeren en minderheden, zodat wordt gewaarborgd dat deze groepen kunnen en zullen deelnemen aan en profiteren van de schepping van welvaart en culturele diversiteit.

g)   Groei, werkgelegenheid en betrokkenheid van de particuliere sector:

i)

bevorderen van maatregelen gericht op het scheppen van meer en betere banen, door het ontwikkelen van de concurrentiekracht en de weerbaarheid van het plaatselijke mkb en de integratie daarvan in de lokale, regionale en wereldeconomie, assisteren van de ontwikkelingslanden in de integratie in het regionale en multilaterale handelssysteem;

ii)

nader tot ontwikkeling brengen van lokale ambachten, waardoor het lokale culturele erfgoed geconserveerd wordt;

iii)

ontwikkelen van een maatschappelijk en ecologisch verantwoordelijke lokale particuliere sector en verbeteren van het ondernemingsklimaat;

iv)

bevorderen van een doelmatig economische beleid dat de ontwikkeling van de lokale economie en het lokale bedrijfsleven ondersteunt, waarbij wordt toegewerkt naar een groene en inclusieve economie, efficiënt gebruik van de hulpbronnen en duurzame consumptie en productieprocessen;

v)

bevorderen van het gebruik van elektronische communicatie als middel om groei ten bate van mensen in armoede in alle sectoren te ondersteunen om zo de digitale kloof tussen ontwikkelingslanden en geïndustrialiseerde landen en binnen ontwikkelingslanden te dichten, om op dit gebied te komen tot een adequaat beleids- en wetgevingskader, en bevorderen van de ontwikkeling van de nodige infrastructuur en het gebruik van op informatie- en communicatietechnologie gebaseerde diensten en toepassingen;

vi)

bevorderen van financiële inclusie door de toegang tot effectief gebruik van financiële diensten te bevorderen, zoals microkredieten en microsparen, microverzekeringen en betalingsoverdracht, micro-ondernemingen het mkb, en huishoudens, voor zeer kansarme en kwetsbare groepen.

h)   Cultuur:

i)

bevorderen van interculturele dialoog, van culturele verscheidenheid en van eerbiediging van de gelijke waardigheid van alle culturen;

ii)

bevorderen van internationale samenwerking die de cultuurindustrie doet bijdragen aan de economische groei in ontwikkelingslanden en aldus haar volle potentieel bij de armoedebestrijding tot gelding brengt, met aandacht voor thema's als markttoegang en intellectuele-eigendomsrechten;

iii)

bevorderen van respect voor de sociale, culturele en spirituele waarden van inheemse volkeren en minderheden ter bevordering van gelijkheid en rechtvaardigheid in multi-etnische samenlevingen overeenkomstig de universele rechten van de mens op welke eenieder, ook inheemse volkeren en minderheden, recht heeft;

iv)

ondersteunen van cultuur als economische sector die beloften voor ontwikkeling en groei inhoudt.

IV.   Voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw

Samenwerking op dit gebied zal de samenwerking, de uitwisseling van kennis en ervaring, en de capaciteiten van de partnerlanden versterken op het gebied van de vier pijlers van voedselzekerheid vanuit een genderbewuste benadering: beschikbaarheid van voedsel (productie), toegang tot voedsel (inclusief grond, infrastructuur voor vervoer van voedsel van overschot- naar schaarstegebieden, markten, het aanleggen van nationale voedselvoorraden, vangnetten), het benutten van voedsel (maatschappelijk verantwoorde voedingsmaatregelen) en stabiliteit, waarbij ook wordt gekeken naar eerlijke handel en voorrang moet worden gegeven aan vijf dimensies: kleinschalige landbouw en veeteelt, voedselverwerking die toegevoegde waarde creëert, bestuur, regionale integratie en bijstandsmechanismen voor kwetsbare bevolkingsgroepen.

a)

bevorderen van de ontwikkeling van duurzame kleinschalige landbouw en veeteelt door een op het ecosysteem gebaseerde, koolstofarme en klimaatbestendige veilige toegang tot technologie (inclusief informatie en communicatietechnologieën) door de erkenning, bevordering en versterking van lokale en autonome strategieën voor aanpassing aan de klimaatverandering, en door uitbreidings- en technische diensten, regelingen voor plattelandsontwikkeling, productieve en verantwoordelijke investeringsmaatregelen, volgens internationale richtsnoeren, het duurzame beheer van grond en natuurlijke hulpbronnen, de bescherming van de diverse vormen van de rechten van de bevolking op grond en toegang van lokale bevolkingsgroepen tot grond en de bescherming van genetische diversiteit, in een ondersteunende economische omgeving;

b)

ondersteunen van ecologisch en maatschappelijk verantwoord beleid en bestuur van de betreffende sectoren, de rol van de overheids- en niet-overheidsactoren in de regelgeving in die sectoren en het gebruik van collectieve goederen, de organisatiecapaciteit, professionele organisaties en instellingen van de sector;

c)

versterken van voedsel- en voedingszekerheid via adequaat beleid, met inbegrip van het beschermen van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten, beleid inzake klimaataanpassing, informatiesystemen, crisispreventie en -beheer, en op kwetsbare bevolkingsgroepen gerichte voedingsstrategieën waarmee de noodzakelijke middelen kunnen worden gemobiliseerd voor de tenuitvoerlegging van de fundamentele maatregelen waarmee de meeste gevallen van ondervoeding zouden kunnen worden voorkomen;

d)

bevorderen van veilige en duurzame praktijken in de hele toeleveringsketen van levensmiddelen en diervoeders.

V.   Asiel en migratie

De samenwerking op dit gebied heeft tot doel de beleidsdialoog, samenwerking, uitwisseling van kennis en ervaring, en de capaciteiten van de partnerlanden, de maatschappelijke organisaties middenveld en de plaatselijke overheden te vergroten om op die manier steun te verlenen aan menselijke mobiliteit als een positief aspect van menselijke ontwikkeling. De samenwerking op dit gebied stoelt op een op rechten gebaseerde aanpak die alle mensenrechten — zowel burgerrechten als politieke, of economische, sociale en culturele rechten — omvat, richt zich op de uitdagingen van migratiestromen, onder meer de zuid-zuidmigratie, de situatie van kwetsbare migranten zoals alleenstaande minderjarigen, slachtoffers van mensenhandel, asielzoekers, migrantenvrouwen en de toestand van kinderen, vrouwen en gezinnen die achterblijven in het land van herkomst. Dit gebeurt door het volgende:

a)

Bevorderen van bestuur op het gebied van migratie op alle niveaus, met bijzondere aandacht voor de sociale en economische gevolgen van migratie, en erkennen van de sleutelrol die maatschappelijke organisaties, met inbegrip van de diaspora, en plaatselijke overheden spelen bij de aanpak van migratie als essentieel onderdeel van de ontwikkelingsstrategie;

b)

zorgen voor beter beheer van migratiestromen in al hun dimensies; onder meer via het vergroten van de capaciteit van overheden en belanghebbenden in partnerlanden op gebieden als: legale migratie en mobiliteit, voorkomen van illegale migratie, migrantensmokkel en mensenhandel, vergemakkelijken van de duurzame terugkeer van illegale migranten en ondersteunen van vrijwillige terugkeer en reïntegratie, capaciteit voor geïntegreerd grensbeheer en internationale bescherming en asiel;

c)

maximaliseren van de effecten voor de ontwikkeling van de toegenomen regionale en wereldwijde mobiliteit van mensen, en met name van goed beheerde arbeidsmigratie, verbeteren van de integratie van migranten in de landen van bestemming, waarbij de rechten van migranten en hun gezin moeten worden bevorderd en beschermd, door het ondersteunen van de formulering en uitvoering van een degelijk regionaal en nationaal asiel- en migratiebeleid, door het opnemen van de migratiedimensie in andere regionale en nationale beleidsterreinen en door het steunen van de deelname van migrantenorganisaties en plaatselijke overheden aan de formulering van het beleid en het toezicht op het uitvoeringsproces van het beleid;

d)

verbeteren van een gemeenschappelijk standpunt over de verwevenheid van migratie en ontwikkeling, met inbegrip van de sociale en economische gevolgen van het beleid van regeringen op het gebied van migratie/asiel of in andere sectoren;

e)

vergroten van asiel- en opvangcapaciteit in partnerlanden.

De samenwerking op dit gebied zal worden beheerd in samenhang met het fonds voor asiel, migratie en integratie en het fonds voor interne veiligheid, met volledige eerbiediging van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling.

B.   PROGRAMMA VOOR MAATSCHAPPELIJKE ORGANISATIES EN PLAATSELIJKE OVERHEDEN

In overeenstemming met de conclusies van de gestructureerde dialoog van de Commissie en de steun van de Unie voor mensenrechten, democratie en goed bestuur, beoogt het programma de versterking van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden in partnerlanden en, wanneer deze verordening daarin voorziet, in de Unie, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten. Het programma wil een gunstig klimaat bevorderen voor burgerparticipatie en acties vanuit het maatschappelijk middenveld en samenwerking, uitwisseling van kennis en ervaring, en capaciteiten van de maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden in de partnerlanden, ter ondersteuning van internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „maatschappelijke organisaties” verstaan niet-winstgevende niet-overheidsactoren die op een onafhankelijke en verantwoordingsplichtige basis werken. Het gaat met name om: niet gouvernementele organisaties, organisaties van de inheemse bevolkingen, organisaties die nationale en/of etnische minderheden vertegenwoordigen, diaspora-organisaties, migrantenorganisaties in partnerlanden, plaatselijke handelsverenigingen en plaatselijke actiegroepen, coöperaties, werkgeversverenigingen en vakbonden (sociale partners), organisaties die economische en sociale actoren vertegenwoordigen, organisaties die corruptie en fraude bestrijden en goed openbaar bestuur bevorderen, burgerrechtenorganisaties en organisaties die discriminatie bestrijden, plaatselijke organisaties (en netwerken daarvan) die werkzaam zijn op het gebied van gedecentraliseerde regionale samenwerking en integratie, consumentenbonden, vrouwen- en jongerenorganisaties, milieu-, onderwijs-, culturele, onderzoeks- en wetenschappelijke organisaties, universiteiten, kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen, media, en alle niet gouvernementele organisaties en onafhankelijke stichtingen, waaronder onafhankelijke politieke stichtingen, die een bijdrage kunnen leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening.

Voor de toepassing van deze verordeningen behelzen plaatselijke overheden allerhande subnationale overheidsniveaus en -instanties: steden en gemeenten, districten, arrondissementen, provincies, regio's, enz.

Dit programma draagt bij aan:

a)

een inclusieve en op medebeslissing gebaseerde samenleving in de partnerlanden door sterkere maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden en door het verlenen van basisdiensten aan mensen in nood;

b)

een grotere mate van vertrouwdheid in Europa met de ontwikkelingsproblematiek en het mobiliseren van actieve overheidssteun in de Unie, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten voor strategieën die gericht zijn op armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling in de partnerlanden;

c)

een vergroting van de capaciteit van Europese en zuidelijke netwerken, platforms en allianties van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden, zodat een belangrijke en voortdurende beleidsdialoog op het gebied van ontwikkeling gegarandeerd is en democratisch bestuur gestimuleerd wordt.

Mogelijke activiteiten die door dit programma worden ondersteund:

a)

interventies in de partnerlanden die kwetsbare en gemarginaliseerde groepen ondersteunen door hun via maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden basisdiensten aan te bieden;

b)

capaciteitsontwikkeling van de beoogde actoren, in aanvulling op de steun die in het kader van het nationaal programma wordt toegekend, maatregelen gericht op:

i)

het creëren van een gunstig klimaat voor de participatie van burgers en voor acties van maatschappelijke organisaties en van de capaciteit van die organisaties om effectief deel te nemen aan de formulering van beleid en het toezicht op het uitvoeringsproces van het beleid;

ii)

faciliteren van een verbeterde dialoog en van een betere interactie tussen de maatschappelijke organisaties, plaatselijke overheden, de staat en andere ontwikkelingsactoren in de context van ontwikkeling;

iii)

versterken van de capaciteit van plaatselijke overheden om effectief deel te nemen aan het ontwikkelingsproces, met erkenning van hun bijzondere rol en kenmerken;

c)

bewuster maken van het publiek van de ontwikkelingsproblematiek, mensen in staat stellen om actieve en verantwoordelijke burgers te worden en bevorderen van het formele en informele onderwijs in verband met ontwikkeling in de Unie, de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaten, teneinde het ontwikkelingsbeleid te verankeren in de samenleving, meer overheidssteun beschikbaar te stellen voor armoedebestrijding en voor billijkere betrekkingen tussen de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden, het bewustzijn betreffende de problemen en moeilijkheden van de ontwikkelingslanden en hun bevolking in de Unie te vergroten en het recht op een proces van ontwikkeling waarin de mensenrechten en de fundamentele vrijheden volledig kunnen worden uitgeoefend en de sociale dimensie van de mondialisering te bevorderen;

d)

coördinatie, capaciteitsontwikkeling en institutionele versterking van de netwerken van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden, binnen hun organisaties en tussen de verschillende categorieën belanghebbenden die deelnemen aan het openbare debat over ontwikkeling, evenals coördinatie, capaciteitsontwikkeling en institutionele versterking van zuidelijke netwerken van maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden en overkoepelende organisaties.


BIJLAGE III

SAMENWERKINGSGEBIEDEN IN HET KADER VAN HET PAN-AFRIKAANS PROGRAMMA

Het pan-Afrikaans programma ondersteunt de doelstellingen en algemene beginselen van het strategisch partnerschap tussen Afrika en de EU. Het zal de beginselen „een mensgericht partnerschap” en „Afrika behandelen als één geheel” alsmede de samenhang tussen de regionale en continentale niveaus bevorderen. Het zal zich toeleggen op activiteiten met een transregionaal, continentaal of mondiaal karakter in en met Afrika en gezamenlijke Afrika-EU-initiatieven op mondiaal vlak ondersteunen. Het programma zal in het bijzonder steun verlenen op de volgende terreinen van het partnerschap:

a)

vrede en veiligheid,

b)

democratische governance en mensenrechten,

c)

handel, regionale integratie, infrastructuur (met inbegrip van grondstoffen),

d)

millenniumdoelen en internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelen voor na 2015,

e)

energie,

f)

klimaatverandering en milieu,

g)

migratie, mobiliteit en arbeid,

h)

wetenschap, informatiemaatschappij en de ruimte

i)

horizontale acties.


BIJLAGE IV

INDICATIEVE FINANCIËLE TOEWIJZINGEN VOOR DE PERIODE 2014-2020

(bedragen in miljoen EUR)

Totaal

19 662

1)

Geografische programma's

11 809 (1)

a)

Per geografisch gebied

 

i)

Latijns-Amerika

2 500

ii)

Zuid-Azië

3 813

iii)

Noord- en Zuidoost-Azië

2 870

iv)

Centraal-Azië

1 072

v)

Midden-Oosten

545

vi)

Andere landen

251

b)

per samenwerkingsgebied

 

i)

Mensenrechten, democratie en goed bestuur

minimaal 15 %

ii)

Inclusieve en duurzame groei ten dienste van menselijke ontwikkeling

minimaal 45 %

2)

Thematische programma's

7 008

a)

Mondiale collectieve goederen en uitdagingen

5 101

i)

Milieu en klimaatverandering (2)

27 %

ii)

Duurzame energie

12 %

iii)

Menselijke ontwikkeling, met inbegrip van fatsoenlijk werk, sociale rechtvaardigheid en cultuur

25 %

waarvan:

 

Gezondheid

minimaal 40 %

Onderwijs, kennis en vaardigheden

minimaal 17,5 %

Gendergelijkheid, het versterken van de positie van vrouwen en het beschermen van de rechten van vrouwen en meisjes; kinderen en jonge mensen, non-discriminatie; werkgelegenheid, vaardigheden, sociale bescherming en sociale insluiting; groei, banen en betrokkenheid van de particuliere sector, cultuur

minimaal 27,5 %

iv)

Voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw

29 %

v)

Migratie en asiel

7 %

Ten minste 50 % van de middelen zal — voorafgaand aan de toepassing van de indicatoren op basis van de OESO-methodiek (de „Rio-indicatoren”) — dienen voor klimaatmaatregelen en milieudoelstellingen.

b)

Maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden

1 907

3)

Pan-Afrikaans programma

845


(1)  Waarvan 758 000 000 EUR aan niet-toegewezen middelen.

(2)  In principe moeten de middelen gelijkmatig worden toegewezen tussen milieu en klimaatverandering.


Verklaring van de Europese Commissie over de strategische dialoog met het Europees Parlement (1)

Op basis van artikel 14 VEU zal de Europese Commissie een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement voorafgaand aan de programmering van Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, en na, voor zover dienstig, initieel overleg met de relevante begunstigden ervan. De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met indicatieve toewijzingen per land of regio, en binnen een land of regio, met prioriteiten, mogelijke resultaten en indicatieve toewijzingen per prioriteit voor de geografische programma's, alsook de keuze van steunmodaliteiten (2). De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met thematische prioriteiten, mogelijke resultaten, de keuze van steunmodaliteiten (2), en financiële toewijzingen voor dergelijke prioriteiten waarin de thematische programma's voorzien. De Europese Commissie zal rekening houden met het standpunt van het Europees Parlement op dit punt.

De Europese Commissie zal een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie en vóór elke belangrijke wijziging van de programmeringsdocumenten tijdens de looptijd van deze verordening.

De Europese Commissie zal, indien het Europees Parlement daarom verzoekt, verklaren waar in de programmeringsdocumenten met de opmerkingen van het Europees Parlement rekening is gehouden en alle andere verdere uitleg verstrekken over de uitkomsten van de strategische dialoog.


(1)  De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd op het niveau van de bevoegde commissaris.

(2)  Indien van toepassing.


Verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende artikel 5, lid 2, onder b), punt ii), van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

Met het oog op de toepassing van artikel 5, lid 2, onder b), punt ii), van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 komen op het tijdstip van inwerkingtreding van die verordening de volgende partnerlanden in aanmerking voor bilaterale samenwerking als buitengewone gevallen, met name met het oog op het afbouwen van subsidies voor ontwikkeling: Cuba, Colombia, Ecuador, Peru en Zuid-Afrika.


Verklaring van de Europese Commissie betreffende artikel 5 van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020

De Europese Commissie raadpleegt het Europees Parlement voordat de toepassing van artikel 5, lid 2, onder b), punt ii), van Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 wordt gewijzigd.


Verklaring van de Europese Commissie over de toewijzingen voor basisdiensten

Verordening nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 moet een bijdrage leveren tot de gezamenlijke verbintenis van de Unie om bijstand te blijven verlenen voor de ontwikkeling van het menselijk potentieel om het leven van mensen te verbeteren overeenkomstig de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Ten minste 20 % van de in het kader van deze verordening toegewezen steun is bestemd voor elementaire sociale voorzieningen, met speciale aandacht voor gezondheid en onderwijs en middelbaar onderwijs, erkennend dat een zekere mate van flexibiliteit de norm moet zijn, bijvoorbeeld in gevallen van buitengewone steun. Informatie betreffende de inachtneming van deze verklaring wordt opgenomen in het jaarverslag als bedoeld in artikel 13 van Verordening nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van het EU-financieringsinstrument voor extern optreden.


Verklaring van het Europees Parlement betreffende de opschorting van de in het kader van de financieringsinstrumenten verleende steun

Het Europees Parlement merkt op dat in Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument, Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen en Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) geen uitdrukkelijke verwijzing is opgenomen naar de mogelijkheid om de steun op te schorten wanneer een begunstigd land de fundamentele beginselen van het betrokken instrument, en met name de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, niet naleeft.

Het Europees Parlement is van mening dat een eventuele opschorting van de in het kader van deze instrumenten verleende steun de volgens de gewone wetgevingsprocedure overeengekomen algemene financiële regeling zou wijzigen. Indien een dergelijk besluit zou worden genomen, heeft het Europees Parlement als medewetgever en tak van de begrotingsautoriteit het recht zijn prerogatieven in dat verband ten volle uit te oefenen.


15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/77


VERORDENING (EU) Nr. 234/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2, artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie moet ernaar streven betrekkingen te ontwikkelen en partnerschappen aan te gaan met derde landen. Deze verordening vormt een nieuw, complementair instrument dat het externe beleid van de Unie rechtstreeks ondersteunt en de samenwerkingspartnerschappen en beleidsdialogen uitbreidt tot gebieden en thema's die verder reiken dan ontwikkelingssamenwerking. Met de verordening wordt voortgebouwd op de ervaring die in het kader van Verordening (EG) nr. 1934/2006 van de Raad (3) is opgedaan met geïndustrialiseerde landen en landen en gebieden met een hoog inkomen.

(2)

De werkingssfeer van de samenwerking krachtens de geografische programma's met ontwikkelingslanden, gebieden en regio's uit hoofde van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad (4) is nagenoeg volledig beperkt tot het financieren van maatregelen die zijn ontworpen te voldoen aan de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) die zijn vastgesteld door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (DAC-OESO).

(3)

Het afgelopen decennium heeft de Unie haar bilaterale betrekkingen met een groot aantal geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog of een middeninkomen in diverse regio's van de wereld stelselmatig uitgebouwd.

(4)

De Unie heeft een de hele wereld omspannend financieringsinstrument voor buitenlands beleid nodig dat het mogelijk maakt maatregelen te financieren die wellicht niet als officiële ontwikkelingshulp kunnen worden aangemerkt, maar die van cruciaal belang zijn voor het verdiepen en bestendigen van de betrekkingen met de derde landen in kwestie, met name via beleidsdialogen en de ontwikkeling van partnerschappen. Dit nieuwe instrument, dat zowel qua werkingssfeer als qua doelstellingen innovatief is, moet een gunstig klimaat scheppen voor diepere betrekkingen tussen de Unie en relevante derde landen en moet de kernbelangen van de Unie uitdragen.

(5)

Het is in haar eigen belang dat de Unie haar betrekkingen en dialoog verdiept met landen waarmee het aanhalen van de banden van strategisch belang is voor de Unie, in het bijzonder met ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds belangrijkere rol spelen in internationale aangelegenheden, onder meer wat betreft het mondiale bestuur, het buitenlands beleid, de internationale economie, in multilaterale fora en organen zoals de G8 en de G20 en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang.

(6)

De Unie moet uitgebreide partnerschappen opbouwen met nieuwe spelers op het internationale toneel teneinde een stabiele en inclusieve internationale orde te bevorderen, gemeenschappelijke mondiale collectieve goederen na te streven, de kernbelangen van de Unie uit te dragen en de kennis over de Unie in deze landen te vergroten.

(7)

Deze verordening dient een wereldwijde werkingssfeer te hebben, zodat waar dit aangewezen is samenwerkingsmaatregelen kunnen worden ondersteund ter versterking van de betrekkingen met landen waar de Unie strategische belangen heeft, in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening.

(8)

Het is in het belang van de Unie om te blijven ijveren voor dialoog en samenwerking met landen die niet meer in aanmerking komen voor bilaterale programma's krachtens het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5) (het „financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking”).

(9)

Het is bovendien in het belang van de Unie om te werken aan inclusieve mondiale instellingen, gebaseerd op doeltreffend multilateralisme.

(10)

De Unie moet krachtens deze verordening de uitvoering ondersteunen van de externe dimensie van de strategie die werd uiteengezet door de Commissie in haar mededeling van 3 maart 2010 getiteld „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” („Europa 2020”), door drie pijlers samen te brengen: de economische, de sociale en de milieupijler. Deze verordening moet met name doelstellingen ondersteunen in verband met mondiale vraagstukken zoals klimaatverandering, energiezekerheid en efficiënt hulpbronnengebruik, de overgang naar een groenere economie, wetenschap, innovatie en concurrentievermogen, mobiliteit, handel en investeringen, economische partnerschappen, samenwerking op zakelijk, werkgelegenheids- en regelgevingsgebied met derde landen, en een betere markttoegang voor ondernemingen uit de Unie, met inbegrip van de internationalisering van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's). Zij moet ook activiteiten inzake publieke diplomatie, onderwijskundige en universitaire samenwerking en outreach bevorderen.

(11)

Met name het tegengaan van klimaatverandering wordt gezien als een van de grote mondiale uitdagingen waarvoor de Unie en de bredere internationale gemeenschap zich geplaatst zien. Klimaatverandering is een terrein waarop dringend internationaal optreden nodig is en waar de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie samenwerking met partnerlanden vergt. De Unie moet daarom haar inspanningen intensiveren om op dit gebied een mondiale consensus te bevorderen. In overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 29 juni 2011 getiteld „Een begroting voor Europa 2020”, waarin de Unie ertoe wordt opgeroepen het klimaatgerelateerde gedeelte van haar begroting tot ten minste 20 % te verhogen, moet deze verordening tot de verwezenlijking van dat doel bijdragen.

(12)

Transnationale uitdagingen, zoals aantasting van het milieu en toegang tot en duurzaam gebruik van grondstoffen en zeldzame aardmetalen, vergen een gereguleerde inclusieve aanpak.

(13)

De Unie is vastbesloten bij te dragen aan het halen van de mondiale doelstellingen op het gebied van biodiversiteit voor 2020 en te presteren op het vlak van de daarmee gepaard gaande strategie voor het mobiliseren van middelen.

(14)

In haar betrekkingen met haar partners overal ter wereld ijvert de Unie voor het bevorderen van fatsoenlijk werk voor iedereen, alsook voor het bekrachtigen en daadwerkelijk uitvoeren van de internationaal erkende arbeidsnormen en multilaterale milieuovereenkomsten.

(15)

Het stimuleren van groei en banen, door op multilateraal en bilateraal niveau in te zetten op eerlijke en open handel en investeringen en door het ondersteunen van onderhandelingen over en de uitvoering van handels- en investeringsovereenkomsten waarbij de Unie partij is, vormt een belangrijk strategisch belang van de Unie. Krachtens deze verordening dient de Unie bij te dragen tot het creëren van een veilige omgeving met meer handels- en investeringskansen overal ter wereld voor bedrijven uit de Unie, niet het minst voor kmo's, onder meer door samenwerking en convergentie op reguleringsgebied te ondersteunen, internationale normen te bewerkstelligen, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten te verbeteren en ongerechtvaardigde belemmeringen voor de toegang tot de markt aan te pakken.

(16)

Krachtens artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) dient het internationaal optreden van de Unie ingegeven te worden door de beginselen die hebben gediend tot haar eigen oprichting, ontwikkeling en uitbreiding, te weten de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht.

(17)

De Unie moet ernaar streven dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt teneinde het effect van haar externe optreden te optimaliseren. Dit moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen deze verordening, andere instrumenten voor het financieren van extern optreden en het beleid van de Unie op andere terreinen. Dit moet voorts de wederzijdse versterking van de krachtens de instrumenten voor het financieren van extern optreden opgezette programma's met zich meebrengen.

(18)

Om ervoor te zorgen dat de steun van de Unie zichtbaar is voor de burgers van de begunstigde landen én de burgers van de Unie, moet er, in voorkomend geval, met adequate middelen gericht worden gecommuniceerd en geïnformeerd.

(19)

Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening is een gedifferentieerde en flexibele benadering nodig met de belangrijkste partnerlanden, rekening houdend met hun economische, sociale en politieke context, alsmede met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie, terwijl het mogelijk moet blijven om overal ter wereld waar nodig tussen te komen. De Unie moet een alomvattende benadering volgen voor zowel haar buitenlandbeleid als voor haar sectoraal beleid.

(20)

Teneinde haar toezegging om de belangen van de Unie in de betrekkingen met derde landen te bevorderen en te verdedigen doeltreffender te maken, moet de Unie in staat zijn flexibel en tijdig te reageren op veranderende of onvoorziene behoeften door het vaststellen van speciale maatregelen die niet onder indicatieve meerjarenprogramma's vallen.

(21)

De doelstellingen van deze verordening moeten, waar mogelijk en passend, worden nagestreefd in overleg met relevante partners en belanghebbenden, zoals maatschappelijke organisaties en plaatselijke overheden, met aandacht voor het belang van hun respectieve rol.

(22)

Het externe optreden van de Unie krachtens deze verordening moet bijdragen aan duidelijke resultaten (wat betreft opbrengsten, uitkomsten en effecten) in landen die bijstand van de Unie krijgen. Wanneer dat gewenst en mogelijk is, moeten de resultaten van het externe optreden van de Unie en de efficiëntie van het door deze verordening tot stand gebrachte instrument gecontroleerd en beoordeeld worden aan de hand van vooraf gedefinieerde, duidelijke, transparante en, waar passend, specifiek op een land gerichte, meetbare indicatoren, afgestemd op de kenmerken en doelstellingen van dit instrument.

(23)

In acties krachtens deze verordening moet, waar passend, terdege rekening worden gehouden met de resoluties en aanbevelingen van het Europees Parlement.

(24)

Teneinde de werkingssfeer van deze verordening aan te passen aan de snel veranderende realiteit in derde landen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen voor wat betreft de in de bijlage omschreven prioriteiten. Het is bijzonder belangrijk dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, inclusief op het niveau van deskundigen. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.

(25)

Teneinde te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6). Gelet op de aard van die uitvoeringsbepalingen, met name hun beleidsbepalende karakter en hun financiële implicaties, zou de onderzoeksprocedure moeten worden gebruikt voor het vaststellen ervan, met uitzondering van het geval van technische uitvoeringsmaatregelen die geringe financiële implicaties hebben.

(26)

Gemeenschappelijke regels en procedures voor de uitvoering van de instrumenten voor het financieren van extern optreden van de Unie worden vastgelegd in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(27)

In deze verordening worden voor de periode van toepassing ervan de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (8).

(28)

De organisatie en werkwijze van de Europese Dienst voor extern optreden worden vastgesteld in Besluit 2010/427/EU van de Raad (9).

(29)

Daar de doelstellingen van deze verordening, met name de vaststelling van een partnerschapsinstrument voor de samenwerking met derde landen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang ervan, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als bepaald in dat artikel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(30)

Het is aangewezen dat de periode waarin deze verordening van toepassing is, in overeenstemming wordt gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (10). Derhalve dient de onderhavige verordening met ingang van1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 van toepassing te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en doelstellingen

1.   Bij deze verordening wordt een partnerschapsinstrument vastgesteld voor samenwerking met derde landen („het partnerschapsinstrument”) om de belangen van de Unie en wederzijdse belangen te bevorderen. Het partnerschapsinstrument ondersteunt maatregelen die een doeltreffende en flexibele reactie vormen op doelstellingen die voortkomen uit de bilaterale, regionale of multilaterale betrekkingen van de Unie met derde landen en die verband houden met uitdagingen van mondiaal belang, en die een adequate follow-up van de op multilateraal niveau genomen beslissingen waarborgen.

2.   De krachtens het partnerschapsinstrument te financieren maatregelen weerspiegelen de volgende specifieke doelstellingen van de Unie:

a)

het ondersteunen van de strategieën van de Unie voor bilateraal, regionaal en interregionaal samenwerkingspartnerschap, door het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt onder meer afgemeten aan de hand van de vorderingen die de partnerlanden maken in de strijd tegen klimaatverandering of in het propageren van de milieunormen van de Unie;

b)

implementatie van de internationale dimensie van „Europa 2020”. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan de mate waarin belangrijke partnerlanden het beleid en de doelstellingen van „Europa 2020” overnemen;

c)

het verbeteren van de toegang tot de markten van partnerlanden en meer kansen voor bedrijven uit de Unie om handel te drijven, te investeren en zaken te doen, waarbij, door middel van economische partnerschappen en samenwerking op zakelijk en regelgevingsgebied, tegelijk belemmeringen van de markttoegang en voor investeringen worden weggenomen. De verwezenlijking van deze doelstelling wordt afgemeten aan het aandeel van de Unie in buitenlandse handel met belangrijke partnerlanden en aan handels- en investeringsstromen naar partnerlanden waarop de acties, programma's en maatregelen uit hoofde van deze verordening zich specifiek richten;

d)

het wijder verbreiden van het inzicht in en de zichtbaarheid van de Unie en van haar rol op het wereldtoneel door middel van publieksdiplomatie, contacten tussen burgers, samenwerking op onderwijskundig en universitair gebied en in denktanks, en door outreachactiviteiten om de waarden en belangen van de Unie te bevorderen. De verwezenlijking van deze doelstelling kan onder andere worden gemeten door middel van opinieonderzoeken en evaluaties.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening steunt vooral samenwerkingsmaatregelen ten aanzien van landen waarmee het aanhalen van de banden van strategisch belang is voor de Unie, vooral ontwikkelde en ontwikkelingslanden die een steeds prominentere rol spelen in mondiale aangelegenheden, waaronder het buitenlandbeleid, de internationale economie en handel, in multilaterale fora en mondiaal bestuur en bij het aanpakken van uitdagingen van mondiaal belang, of waar de Unie andere aanzienlijke belangen heeft.

2.   Onverminderd lid 1 kunnen alle derde landen, regio's en gebieden in aanmerking komen voor samenwerking uit hoofde van deze verordening.

Artikel 3

Algemene beginselen

1.   De Unie streeft ernaar de beginselen waarop zij is gegrondvest, democratie, gelijkheid, eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, door middel van dialoog en samenwerking met derde landen te bevorderen, te ontwikkelen en te consolideren.

2.   Om het effect van de door de Unie verstrekte hulp te verhogen, wordt in voorkomend geval bij het ontwerpen van de samenwerking met derde landen een gedifferentieerde en flexibele aanpak gevolgd, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische, sociale en politieke context alsook met de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.

3.   De Unie bevordert een samenhangende multilaterale aanpak van mondiale uitdagingen en stimuleert samenwerking met internationale en regionale organisaties en instanties, waaronder internationale financiële instellingen en organisaties, fondsen en programma's van de Verenigde Naties alsook andere bilaterale donoren.

4.   Bij de uitvoering van deze verordening en bij het formuleren van beleidsmaatregelen, maatregelen inzake strategische planning en programmering en uitvoeringsmaatregelen richt de Unie zich op het verzekeren van samenhang en consistentie met andere terreinen van haar extern optreden, met name het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, en met het beleid van de Unie op andere relevante terreinen.

5.   De uit hoofde van deze verordening gefinancierde maatregelen zijn, in voorkomend geval, gebaseerd op samenwerkingsbeleid dat opgenomen is in instrumenten, zoals overeenkomsten, verklaringen en actieplannen, die zijn overeengekomen tussen de Unie en de betrokken internationale organisaties of tussen de Unie en de betrokken derde landen en regio's.

De krachtens deze verordening gefinancierde maatregelen bestrijken ook terreinen die verband houden met het bevorderen van de specifieke belangen, beleidsprioriteiten en strategieën van de Unie.

6.   De steun die de Unie krachtens deze verordening verleent, wordt uitgevoerd in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 236/2014.

Artikel 4

Programmering en indicatieve toewijzing van fondsen

1.   Indicatieve meerjarenprogramma's (IMP's) worden door de Commissie volgens de in artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   In de IMP's worden de strategische of wederzijdse belangen en prioriteiten van de Unie, de specifieke doelstellingen en de verwachte resultaten beschreven. Voor landen of regio's waarvoor een gezamenlijk kaderdocument met een alomvattende strategie van de Unie is vastgesteld, worden de IMPS's op dat document gebaseerd.

3.   In de IMP's worden tevens de prioriteitsgebieden die voor financiering door de Unie in aanmerking komen beschreven en worden tevens globaal de indicatieve toewijzing van fondsen afgebakend, zowel per prioriteitsgebied en per partnerland of per groep partnerlanden voor de desbetreffende periode, met inbegrip van de deelneming aan mondiale initiatieven. Deze bedragen mogen in voorkomend geval worden uitgedrukt als een bereik tussen een minimum- en een maximumbedrag.

4.   In de IMP's kan ten hoogste 5 % van het totaalbedrag worden gereserveerd voor fondsen die niet worden toegewezen aan een prioriteitsgebied, een partnerland of een groep partnerlanden. Deze middelen worden vastgelegd overeenkomstig artikel 2, leden 2, 3 en 5, van Verordening (EU) nr. 236/2014.

5.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie kan voor het wijzigen van IMP's de in artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde procedure worden toegepast.

6.   Met betrekking tot het bereiken van de in artikel 1 vervatte doelstellingen kan de Commissie bij de samenwerking met derde landen rekening houden met de geografische nabijheid van de ultraperifere gebieden en de landen en gebieden overzee van de Unie.

7.   In programmeringen of herzieningen van programma's die plaatsvinden na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse evaluatieverslag („het tussentijdse evaluatieverslag”), worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag verwerkt.

Artikel 5

Thematische prioriteiten

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 6 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de bijlage opgenomen thematische prioriteiten die moeten worden nagestreefd bij de bijstand van de Unie uit hoofde van deze verordening en zoals uiteengezet in de bijlage bij deze verordening. Meer in het bijzonder stelt de Commissie na de bekendmaking van het tussentijdse evaluatieverslag en op basis van de daarin opgenomen aanbevelingen, uiterlijk op 31 maart 2018 een gedelegeerde handeling tot wijziging van de bijlage bij deze verordening vast.

Artikel 6

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De in artikel 5 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 5 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor de geldigheidsduur van deze verordening.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een krachtens artikel 5 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Deze termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 7

Comité

De Commissie wordt bijgestaan door het Comité Partnerschapsinstrument. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Artikel 8

Financiële middelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening voor de periode 2014-2020 bedragen 954 765 000 EUR.

De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader.

2.   In overeenstemming met artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11) wordt, om de internationale dimensie van het hoger onderwijs te bevorderen, een indicatief bedrag van 1 680 000 000 EUR van de verschillende instrumenten voor het financieren van het extern optreden (het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, het bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12) vastgestelde Europees nabuurschapsinstrument, het bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (13) vastgestelde instrument inzake pretoetredingssteun (IPA II), en het partnerschapsinstrument), toegewezen aan acties betreffende leermobiliteit naar of vanuit partnerlanden in de zin van Verordening (EU) nr. 1288/2013 en aan samenwerking en beleidsdialoog met autoriteiten, instellingen en organisaties uit deze landen. De bepalingen van Verordening (EU) nr. 1288/2013 zijn van toepassing op het gebruik van deze middelen.

De financiering wordt verstrekt door middel van twee meerjarentoewijzingen voor respectievelijk de eerste vier jaar en de resterende drie jaar. De toewijzing van die financiering vindt haar weerslag in deze verordening voorgeschreven meerjarige indicatieve programmering, overeenkomstig de onderkende behoeften en prioriteiten van de betrokken landen. De toewijzingen kunnen worden herzien ingeval van belangrijke onvoorziene omstandigheden of belangrijke politieke veranderingen overeenkomstig de prioriteiten van het extern optreden van de Unie.

3.   Maatregelen in het kader van Verordening (EU) nr. 1288/2013 worden door het partnerschapsinstrument gefinancierd alleen voor zover zij niet in aanmerking komen voor financiering krachtens andere instrumenten voor het financieren van het extern optreden en zij een aanvulling of versterking vormen van andere initiatieven krachtens deze verordening.

Artikel 9

Europese Dienst voor extern optreden

Deze verordening wordt toegepast overeenkomstig Besluit 2010/427/EU.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(3)  Verordening (EG) nr. 1934/2006 van de Raad van 21 december 2006 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor de samenwerking met geïndustrialiseerde landen en andere landen en gebieden met een hoog inkomen (PB L 405 van 30.12.2006, blz. 41).

(4)  Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41).

(5)  Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(7)  Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor extern optreden van de Unie (zie bladzijde 95 van dit Publicatieblad).

(8)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(9)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(10)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013. blz. 884).

(11)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van „Erasmus +”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jongeren en sport, en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(12)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad).

(13)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (zie bladzijde 11 van dit Publicatieblad).


BIJLAGE

THEMATISCHE PRIORITEITEN IN HET KADER VAN HET PARTNERSCHAPSINSTRUMENT: ALGEMEEN RAAMWERK VOOR DE PROGRAMMERING

1.   Doelstelling als bepaald in artikel 1, lid 2, onder a):

Ondersteuning van de strategieën van de Unie voor bilaterale, regionale en interregionale samenwerking en partnerschap, door het bevorderen van beleidsdialogen en het ontwikkelen van collectieve benaderingen van en antwoorden op uitdagingen van mondiaal belang.

Ondersteuning van de uitvoering van partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, actieplannen en soortgelijke bilaterale instrumenten;

Verdieping van de politieke en economische dialoog met derde landen die zeer belangrijk zijn op het wereldtoneel, met name in het buitenlands beleid;

Ondersteuning van de contacten met relevante derde landen met betrekking tot bilaterale en mondiale aangelegenheden van gemeenschappelijk belang;

Bevordering van de adequate follow-up of de gecoördineerde uitvoering van de conclusies van internationale fora zoals de G20.

Het versterken van de samenwerking rond mondiale uitdagingen, in het bijzonder klimaatverandering, energiezekerheid en milieubescherming.

Het aanmoedigen van de inspanningen in partnerlanden om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, in het bijzonder door het bevorderen en ondersteunen van adequate regelgevings- en prestatienormen;

Het stimuleren van de vergroening van productie en handel;

Het ontwikkelen van samenwerking op energiegebied;

Het bevorderen van hernieuwbare en duurzame energiebronnen.

2.   Doelstelling als bepaald in artikel 1, lid 2, onder b):

Implementatie van de internationale dimensie van „Europa 2020”, door drie pijlers samen te brengen: de economische, de sociale en de milieupijler.

Het intensiveren van de beleidsdialogen en de samenwerking met relevante derde landen op alle terreinen die onder „Europa 2020” vallen;

Het promoten van interne beleidsmaatregelen van de Unie bij belangrijke partnerlanden en het ondersteunen van reguleringsconvergentie in die optiek.

3.   Doelstelling als bepaald in artikel 1, lid 2, onder c):

Het faciliteren en ondersteunen van economische en handelsbetrekkingen met partnerlanden:

Het bevorderen van een veilige omgeving voor investeringen en bedrijvigheid, inclusief het beschermen van intellectuele-eigendomsrechten, het aanpakken van belemmeringen voor de markttoegang, intensievere samenwerking inzake regulering en bevordering van kansen voor goederen en diensten uit de Unie, in het bijzonder op terreinen waar de Unie een comparatief voordeel heeft, en internationale normen;

Het ondersteunen van onderhandelingen over en van de uitvoering en handhaving van handels- en investeringsovereenkomsten waarbij de Unie partij is.

4.   Doelstelling als bepaald in artikel 1, lid 2, onder d):

Het bevorderen van samenwerking in het hoger onderwijs: vergroting van de mobiliteit van studenten en universiteitspersoneel, met het oog op het creëren van partnerschappen ter verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs en gezamenlijke graden die academische erkenning bieden (programma Erasmus+);

Het bevorderen van wijd verbreide kennis over de Unie en het verbeteren van haar zichtbaarheid: promotie van de waarden en belangen van de Unie in partnerlanden door middel van intensievere open diplomatie en outreachactiviteiten ter ondersteuning van de doelstellingen van het instrument.


Verklaring van de Europese Commissie over de strategische dialoog met het Europees Parlement (1)

Op basis van artikel 14 VEU zal de Europese Commissie een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement voorafgaand aan de programmering van Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen en na, voor zover dienstig, initieel overleg met de relevante begunstigden ervan. De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met indicatieve toewijzingen per land of regio, en binnen een land of regio, met prioriteiten, mogelijke resultaten en indicatieve toewijzingen per prioriteit voor de geografische programma's, alsook de keuze van steunmodaliteiten (2). De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met thematische prioriteiten, mogelijke resultaten, de keuze van steunmodaliteiten (2), en financiële toewijzingen voor dergelijke prioriteiten waarin de thematische programma's voorzien. De Europese Commissie zal rekening houden met het standpunt van het Europees Parlement op dit punt.

De Europese Commissie zal een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie en vóór elke belangrijke wijziging van de programmeringsdocumenten tijdens de looptijd van deze verordening.

De Europese Commissie zal, indien het Europees Parlement daarom verzoekt, verklaren waar in de programmeringsdocumenten met de opmerkingen van het Europees Parlement rekening is gehouden en alle verdere uitleg verstrekken over de uitkomsten van de strategische dialoog.


(1)  De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd op het niveau van de bevoegde commissaris.

(2)  Indien van toepassing.


Verklaring van het Europees Parlement betreffende de opschorting van de in het kader van de financiële instrumenten toegekende steun

Het Europees Parlement merkt op dat in Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument, Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen en Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) geen uitdrukkelijke verwijzing is opgenomen naar de mogelijkheid om de steun op te schorten wanneer een begunstigd land de fundamentele beginselen van het betrokken instrument, en met name de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, niet naleeft.

Het Europees Parlement is van mening dat een eventuele opschorting van de in het kader van deze instrumenten verleende steun de volgens de gewone wetgevingsprocedure overeengekomen algemene financiële regeling zou wijzigen. Indien een dergelijk besluit zou worden genomen, heeft het Europees Parlement als medewetgever en tak van de begrotingsautoriteit het recht zijn prerogatieven in dat verband ten volle uit te oefenen.


15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/85


VERORDENING (EU) Nr. 235/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 209 en 212,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze verordening is een van de instrumenten voor de rechtstreekse ondersteuning van het buitenlands beleid van de Unie en treedt in de plaats van Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad (4). Bij deze verordening wordt een financieringsinstrument voor de bevordering en ondersteuning van democratie en mensenrechten in de wereld vastgesteld, waarmee het mogelijk wordt steun te verlenen ongeacht de toestemming van de regeringen of politieke autoriteiten van de betrokken derde landen.

(2)

Artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, de waarden zijn waarop de Unie berust. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen.

(3)

Krachtens artikel 2 en artikel 3, lid 3, VEU alsmede artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is de gelijkheid van vrouwen en mannen een van de fundamentele waarden en doelstellingen van de Unie, die dit in al haar activiteiten moet bevorderen en integreren.

(4)

Krachtens artikel 21 VEU dient het externe optreden van de Unie gericht te zijn op de beginselen die aan de oprichting van de Unie ten grondslag liggen, te weten de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht.

(5)

Binnen het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie zijn de bevordering van de mensenrechten, de democratie, de rechtsstaat en goed bestuur, en van inclusieve en duurzame groei, ook de twee essentiële pijlers van het ontwikkelingsbeleid van de Unie. De wil om de mensenrechten en de democratische beginselen te eerbiedigen, te bevorderen en te beschermen is een essentieel element in de contractuele betrekkingen van de Unie met derde landen.

(6)

In de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie van 12 december 2011 met als titel „Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU — Voor een meer doeltreffende aanpak” werden specifieke maatregelen voorgesteld teneinde de doeltreffendheid en de samenhang van de aanpak van de Unie met betrekking tot mensenrechten en democratie te vergroten.

(7)

Het hierbij ingestelde instrument is bedoeld om bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, met inbegrip van die van het ontwikkelingsbeleid van de Unie met name de doelstellingen die worden uiteengezet in de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: „De Europese consensus” en de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011 met als titel „Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering”, alsmede het beleid van Unie de Unie in verband met mensenrechten, met inbegrip van de doelstellingen die worden uiteengezet in het strategisch kader van de Unie en het actieplan inzake mensenrechten en democratie dat de Raad op 25 juni 2012 heeft aangenomen.

(8)

In overeenstemming met het strategisch kader van de EU en het actieplan inzake de mensenrechten en democratie en teneinde de beginselen op het gebied van de mensenrechten te integreren in de uitvoering van deze verordening, dient de Unie een op rechten gebaseerde aanpak te hanteren die alle mensenrechten — zowel burgerrechten als politieke, economische, sociale of culturele rechten — omvat.

(9)

De bijdrage van de Unie aan de democratie en de rechtsstaat en aan de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden is verankerd in de Universele Verklaring van de mensenrechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en andere mensenrechteninstrumenten die zijn vastgesteld in het kader van de Verenigde Naties (VN) en de relevante regionale mensenrechteninstrumenten.

(10)

De gelijkheid van vrouwen en mannen, de rechten van vrouwen — met inbegrip van het versterken van de positie van vrouwen — en non-discriminatie behoren tot de fundamentele mensenrechten en zijn essentieel voor sociale rechtvaardigheid en de bestrijding van ongelijkheid. De bevordering ervan moet een horizontale prioriteit zijn van deze verordening.

(11)

Democratie en mensenrechten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en versterken elkaar, zoals is uiteengezet in de Raadsconclusies van 18 november 2009 over de ondersteuning van de democratie in de externe betrekkingen van de Unie. De fundamentele vrijheden van denken, geweten, godsdienst of levensovertuiging, van meningsuiting en van vergadering en vereniging zijn de noodzakelijke voorwaarden voor politiek pluralisme, het democratisch proces en een open samenleving. Daarnaast zijn democratische controle, binnenlandse verantwoordingsplicht en de scheiding der machten essentieel voor de instandhouding van een onafhankelijke rechterlijke macht en de rechtsstaat, die op hun beurt noodzakelijk zijn voor een doeltreffende bescherming van de mensenrechten.

(12)

Het opbouwen en in stand houden van een mensenrechtencultuur en het ondersteunen van de ontwikkeling van een onafhankelijk maatschappelijk middenveld, door onder meer de rol van het maatschappelijk middenveld in de desbetreffende landen te versterken en ervoor te zorgen dat de democratie goed functioneert voor iedereen, is vooral in opkomende democratieën een moeilijke zij het absoluut noodzakelijke taak, maar vormt in wezen een voortdurende uitdaging, in de eerste plaats voor de bevolking van elk land, wat evenwel niet betekent dat de internationale gemeenschap zich hiervoor niet moet inzetten. Hiervoor zijn allerlei instellingen vereist, met inbegrip van nationale democratische parlementen en plaatselijk verkozen vergaderingen, die zorgen voor participatie, vertegenwoordiging, reactiebereidheid en verantwoordingsplicht. In deze context moet bijzondere aandacht uitgaan naar landen in transitie en in kwetsbare of postcrisissituaties. De ervaringen met en de lessen die geleerd zijn uit het transitieproces naar democratie in de context van het uitbreidings- en het nabuurschapsbeleid van de Unie, dienen te worden meegenomen.

(13)

Om deze kwesties tijdig en op effectieve, doorzichtige en flexibele wijze te kunnen aanpakken na het verstrijken van Verordening (EG) nr. 1889/2006 blijven specifieke financiële middelen en een afzonderlijk, op zichzelf staand financieringsinstrument die op een onafhankelijke wijze kunnen blijven functioneren, noodzakelijk.

(14)

De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening moet dienen ter aanvulling op verschillende andere instrumenten voor de uitvoering van beleid van de Unie in verband met democratie en mensenrechten. Deze instrumenten variëren van politieke dialoog en diplomatieke demarches tot diverse instrumenten voor financiële en technische samenwerking, die zowel geografische als thematische programma's omvatten. De steun van de Unie dient tevens een aanvulling te vormen op de meer crisisgerelateerde interventies in het kader van het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede dat is vastgesteld bij dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5), met inbegrip van dringende maatregelen die nodig zijn in de eerste fase van een transitieproces.

(15)

In het kader van deze verordening moet de Unie steun verstrekken voor de aanpak van mondiale, regionale, nationale en plaatselijke mensenrechten- en democratiseringsvraagstukken, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld. In dit geval wordt onder het maatschappelijk middenveld verstaan alle vormen van maatschappelijke activiteiten van individuen of groepen die los van de staat staan en wier activiteiten de mensenrechten en de democratie helpen te bevorderen, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers zoals gedefinieerd in de VN-Verklaring betreffende het recht en de verantwoordelijkheid van personen, groeperingen en maatschappelijke instanties voor de bevordering en bescherming van universeel erkende mensenrechten en fundamentele vrijheden (de „VN-Verklaring over mensenrechtenverdedigers”). Bij de uitvoering van deze verordening moet terdege rekening worden gehouden met de lokale landenstrategieën van de Unie betreffende de mensenrechten.

(16)

Doelstellingen met betrekking tot democratie en mensenrechten moeten in toenemende mate geïntegreerd worden in alle instrumenten voor het financieren van extern optreden, maar de steun van de Unie uit hoofde van deze verordening moet een specifieke aanvullende en bijkomende rol spelen vanwege het mondiale karakter en het feit dat de steun niet afhankelijk is van de toestemming van de regering of overheidsorganen van de betrokken derde landen. Deze rol moet samenwerking en partnerschap met het maatschappelijk middenveld mogelijk maken in zaken die gevoelig liggen qua mensenrechten en democratie, zoals het uitoefenen van de mensenrechten door migranten en de rechten van asielzoekers en intern ontheemden, en moet voldoende flexibiliteit en de nodige reactiviteit bieden om in te spelen op veranderende omstandigheden of de behoeften van begunstigden of perioden van crisis. Met deze verordening moet de Unie ook in staat worden gesteld om specifieke internationale doelstellingen en maatregelen te formuleren en te ondersteunen die geen betrekking hebben op een bepaald geografisch gebied en geen verband houden met een crisis en waarvoor een internationale aanpak vereist is of waarbij sprake is van operaties zowel binnen de Unie als in een aantal derde landen. Voorts moet deze verordening een noodzakelijk kader bieden voor operaties, zoals steun voor onafhankelijke verkiezingswaarnemingsmissies die door de Unie worden uitgevoerd (independent election observation missions conducted by the Union — EU EOMs), waarvoor samenhang van het beleid, een uniform beheerssysteem en gemeenschappelijke uitvoeringsnormen vereist zijn.

(17)

De ontwikkeling en consolidatie van de democratie krachtens deze verordening kan mogelijk de verlening van strategische steun omvatten aan nationale democratische parlementen en grondwetgevende vergaderingen, met name ter verbetering van hun vermogen om democratische hervormingsprocessen te ondersteunen en vooruit te helpen.

(18)

De Unie moet bijzondere aandacht besteden aan landen en noodsituaties waar de mensenrechten en fundamentele vrijheden het meest worden bedreigd en waar de schending van deze rechten en vrijheden het meest flagrant en systematisch is. In dergelijke gevallen moeten de politieke prioriteiten bestaan uit het bevorderen van de naleving van het relevante internationale recht, het verlenen van tastbare steun en actiemiddelen aan het lokale maatschappelijke middenveld en het leveren van een bijdrage aan de werkzaamheden van deze maatschappelijke organisaties, die in zeer moeilijke omstandigheden moeten opereren. In dergelijke landen of situaties, en om te kunnen reageren op de dringende behoeften aan bescherming van mensenrechtenverdedigers en voorvechters van de democratie moet de Unie flexibel en tijdig kunnen optreden door het gebruik van snellere en soepelere administratieve procedures en door middel van diverse financieringsmechanismen. Dit moet met name het geval zijn wanneer de keuze van de procedure rechtstreekse gevolgen zou kunnen hebben voor de doeltreffendheid van de maatregelen of begunstigden zou kunnen blootstellen aan ernstige vormen van intimidatie, vergelding of andere soorten risico's.

(19)

In conflictsituaties moet de Unie alle conflictpartijen oproepen hun wettelijke verplichtingen in het kader van het internationaal humanitair recht na te leven, overeenkomstig de desbetreffende EU-richtsnoeren. Voorts dient de steun van de Unie op grond van deze verordening in landen in transitie gunstige omstandigheden te creëren voor de opkomst van politieke actoren die waarde hechten aan een democratisch pluralistisch meerpartijenstelsel. Deze verordening dient tevens gericht te zijn op de bevordering van democratische structuren, scheiding der machten en verantwoordingsplichtige overheidsorganen.

(20)

EU EOMs dragen in aanzienlijke mate en met succes bij tot democratische processen in derde landen. De bevordering en ondersteuning van democratie omvatten echter veel meer dan alleen het verkiezingsproces en derhalve moet er rekening worden gehouden met alle fasen van de verkiezingscyclus. De uitgaven voor EU EOMs mogen derhalve geen onevenredig deel van de in het kader van deze verordening beschikbare middelen in beslag nemen.

(21)

Het belang van het vaststellen van het standpunt van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten (SVEU) dient te worden beklemtoond. De SVEU dient bij te dragen tot de eenheid, samenhang en doeltreffendheid van het optreden en het mensenrechtenbeleid van de Unie en dient ervoor te helpen zorgen dat alle instrumenten van de Unie en acties van de lidstaten op consistente wijze worden ingezet om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken.

(22)

De Unie moet er, voor een zo groot mogelijke impact van haar externe optreden, op toezien dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt. Dit moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen deze verordening, andere instrumenten van de Unie voor het financieren van extern optreden en andere beleidsonderdelen van de Unie. Dit moet leiden tot wederzijdse versterking van de programma's die uit de instrumenten voor het financieren van extern optreden voortkomen.

(23)

De Unie en de lidstaten moeten ernaar streven op regelmatige basis informatie uit te wisselen en plegen in een vroeg stadium van het programmeringsproces overleg met elkaar teneinde de complementariteit van hun respectieve activiteiten te bevorderen. De Unie moet ook andere donoren en relevante actoren raadplegen.

(24)

De Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) moeten, al naar gelang het geval, regelmatig en vaak overleg plegen en informatie uitwisselen met het Europees Parlement. Daarnaast moeten het Europees Parlement en de Raad toegang krijgen tot documenten, opdat zij hun recht van toetsing uit hoofde van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (6) met kennis van zaken kunnen uitoefenen. Bij het vaststellen van maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, moet rekening worden gehouden met de zienswijzen van het Europees Parlement en de Raad.

(25)

De Unie moet, in voorkomend geval ook via haar delegaties, trachten regelmatig informatie uit te wisselen en overleg te plegen met het maatschappelijk middenveld, op alle niveaus, ook in derde landen, en dit zo vroeg mogelijk in het programmeringsproces, teneinde de respectieve bijdragen van het maatschappelijk middenveld te faciliteren en te waarborgen dat dit een rol van betekenis speelt in het proces.

(26)

Teneinde het toepassingsgebied van deze verordening aan te passen aan de snel veranderende realiteit in derde landen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie worden overgedragen wat betreft de in de bijlage bij deze verordening omschreven prioriteiten. Het is bijzonder belangrijk dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op het niveau van deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig aan het Europees Parlement en de Raad worden toegezonden.

(27)

De uitvoeringsbevoegdheden inzake de programmering en financiering van de uit hoofde van deze verordening ondersteunde acties moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011. Gelet op de aard van die uitvoeringsbepalingen, met name hun beleidsgerichte aard en hun financiële implicaties, moet de onderzoeksprocedure in beginsel worden gebruikt voor het vaststellen ervan, behalve in het geval van technische uitvoeringsmaatregelen die geringe financiële implicaties hebben.

(28)

Gemeenschappelijke regels en procedures voor de uitvoering van de instrumenten voor het financieren van extern optreden van de Unie worden vastgelegd in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad (7).

(29)

Bij deze verordening worden voor de gehele periode van toepassing ervan de financiële middelen vastgesteld die voor het Europees Parlement en de Raad gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (8).

(30)

De organisatie en werking van de EDEO zijn vastgesteld in Besluit 2010/427/EU van de Raad (9).

(31)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(32)

Het is aangewezen om een vlotte en naadloze overgang te waarborgen tussen Verordening (EG) nr. 1889/2006 en deze verordening en om de periode van toepassing van deze verordening in overeenstemming te brengen met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1314/2013 van de Raad (10). Derhalve dient de onderhavige verordening met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 van toepassing te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en doelstellingen

Bij deze verordening wordt een Europees instrument voor democratie en mensenrechten (European Instrument for Democracy and Human Rights — EIDHR) voor de periode 2014-2020 vastgesteld, op grond waarvan de Unie steun verleent aan de ontwikkeling en consolidering van de democratie en de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.

Deze steun van de Unie is met name gericht op:

a)

de ondersteuning, ontwikkeling en consolidatie van de democratie in derde landen, door de bevordering van de participerende en representatieve democratie, de versterking van de algemene democratische cyclus, met name door een actieve rol voor het maatschappelijke middenveld binnen deze cyclus te bestendigen, en van de rechtsstaat, en een grotere betrouwbaarheid van verkiezingsprocessen, met name door middel van EU EOMs;

b)

de versterking van de eerbiediging en de naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN en andere internationale en regionale mensenrechteninstrumenten, alsook de versterking van de bescherming, de bevordering, de toepassing en de bewaking van de mensenrechten, vooral door steun aan relevante organisaties van het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers en slachtoffers van onderdrukking of mishandeling.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   De steun van de Unie wordt toegespitst op het volgende:

a)

ondersteuning en versterking, in overeenstemming met de algemene democratische cyclus, van de participerende en representatieve democratie met inbegrip van de parlementaire democratie, en de democratiseringsprocessen, voornamelijk via de organisaties van het maatschappelijk middenveld op plaatselijk, nationaal en internationaal niveau, onder meer door:

i)

het bevorderen van de vrijheid van vereniging en vergadering, onbelemmerd verkeer van personen, vrijheid van mening en van meningsuiting, met inbegrip van politieke, artistieke en culturele uitingen, onbelemmerde toegang tot informatie, persvrijheid en onafhankelijke, pluralistische, zowel klassieke als op ICT-gebaseerde, media, vrij gebruik van het internet en maatregelen ter bestrijding van administratieve belemmeringen voor het uitoefenen van deze vrijheden, onder meer de bestrijding van censuur, in het bijzonder via de vaststelling en uitvoering van desbetreffende wetgeving;

ii)

het versterken van de rechtsstaat, bevorderen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke en de wetgevende macht, aanmoedigen en evalueren van justitiële en institutionele hervormingen en de uitvoering ervan, en het bevorderen van toegang tot de rechter; het steunen van nationale mensenrechteninstellingen;

iii)

het bevorderen en versterken van het Internationale Strafhof, internationale gelegenheidstribunalen en de processen van overgangsjustitie en waarheids- en verzoeningsmechanismen;

iv)

het ondersteunen van de transitie naar democratie en hervormingen voor het bewerkstelligen van effectieve en transparante democratische en binnenlandse verantwoording en effectief en transparant democratisch en binnenlands toezicht, onder meer in de sectoren veiligheid en justitie, en het verscherpen van maatregelen tegen corruptie;

v)

het bevorderen van politiek pluralisme en democratische politieke vertegenwoordiging, en het stimuleren van de politieke participatie van vrouwen en mannen, met name leden van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen, als kiezers en als kandidaten, in democratische hervormingsprocessen op lokaal, regionaal en nationaal niveau;

vi)

het verstevigen van de lokale democratie door te zorgen voor een betere samenwerking tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld en de lokale autoriteiten en zodoende de politieke vertegenwoordiging op het niveau dat het dichtst bij de burger staat, te versterken;

vii)

het stimuleren van de gelijkwaardige participatie van vrouwen en mannen in de maatschappij, de economie en de politiek, en het ondersteunen van de gelijkheid van vrouwen en mannen, van de participatie van vrouwen in besluitvormingsprocessen en de politieke vertegenwoordiging van vrouwen, met name in processen van politieke transitie, democratisering en staatsopbouw;

viii)

het stimuleren van de gelijkwaardige participatie van mensen met een handicap in de maatschappij, de economie en de politiek, onder meer via maatregelen die de uitoefening van de desbetreffende vrijheden faciliteren, en het ondersteunen van gelijke kansen, non-discriminatie en politieke vertegenwoordiging;

ix)

het ondersteunen van maatregelen om vreedzame verzoening tussen geledingen van een samenleving te vergemakkelijken, waaronder steun voor vertrouwenwekkende maatregelen met betrekking tot mensenrechten en democratisering;

b)

bevordering en bescherming van mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals afgekondigd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN en andere internationale en regionale instrumenten op het gebied van burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten, voornamelijk via organisaties van het maatschappelijk middenveld, onder meer op de volgende terreinen:

i)

afschaffing van de doodstraf en het instellen van moratoria met het oog daarop, en, waar de doodstraf nog bestaat, pleitbezorging voor de afschaffing ervan en inachtneming van internationale minimumnormen;

ii)

de voorkoming van foltering, mishandeling en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, alsmede gedwongen verdwijningen, en de rehabilitatie van de slachtoffers van foltering;

iii)

het verlenen van ondersteuning, bescherming en bijstand aan mensenrechtenverdedigers, met inbegrip van het reageren op hun dringende behoeften aan bescherming, in de zin van artikel 1 van de VN-Verklaring over mensenrechtenverdedigers; deze doelstellingen, met inbegrip van bijstand op langere termijn en toegang tot opvang, kunnen onder een mechanisme voor mensenrechtenverdedigers vallen;

iv)

de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie op welke grond ook, zoals geslacht, ras, huidskleur, kaste, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere overtuiging, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd, seksuele gerichtheid of genderidentiteit;

v)

de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging, inclusief via maatregelen voor het uitbannen van alle vormen van haat, onverdraagzaamheid en discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging en via het aanmoedigen van verdraagzaamheid en de eerbiediging van religieuze en culturele diversiteit binnen en tussen samenlevingen;

vi)

de rechten van inheemse volken, als afgekondigd in de VN-Verklaring over de rechten van inheemse volken, onder meer door te wijzen op het belang van hun betrokkenheid bij de ontwikkeling van projecten die hen aangaan, en door steun te verlenen om hun interactie met, en deelname aan, internationale mechanismen te faciliteren;

vii)

de rechten van personen die tot nationale, etnische, godsdienstige of taalkundige minderheden behoren, als afgekondigd in de VN-Verklaring over de rechten van personen behorend tot nationale of etnische, religieuze en taalkundige minderheden;

viii)

de rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI), met inbegrip van maatregelen om homoseksualiteit te depenaliseren, homofoob en transfoob geweld en de vervolging van homo- en transseksuelen te bestrijden, en de vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting van LGBTI te bevorderen;

ix)

vrouwenrechten, zoals vervat in het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het facultatieve protocol daarbij, waaronder maatregelen ter bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, in het bijzonder genitale verminking, gedwongen en gearrangeerde huwelijken, „eerwraak”, huiselijk en seksueel geweld, en vrouwen- en meisjeshandel;

x)

de rechten van het kind, zoals vervat in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de facultatieve protocollen daarbij, waaronder de strijd tegen kinderarbeid, kinderhandel en kinderprostitutie, en tegen de rekrutering en inzet van kindsoldaten, alsmede de bescherming van kinderen tegen discriminatie ongeacht hun ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of levensovertuiging, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of sociale afkomst, vermogen, handicap, geboorte of andere status;

xi)

de rechten van personen met een handicap, zoals vervat in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

xii)

economische, sociale en culturele rechten, daaronder begrepen het recht op een behoorlijke levensstandaard en fundamentele arbeidsnormen;

xiii)

maatschappelijk verantwoord ondernemerschap, met name door de toepassing van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, en de vrijheid van ondernemerschap zoals vervat in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

xiv)

onderwijs, opleiding en toezicht op het gebied van mensenrechten en democratie;

xv)

ondersteuning voor lokale, regionale, nationale of internationale maatschappelijk organisaties die zich inzetten voor de bescherming, bevordering en verdediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

xvi)

het bevorderen van verbeterde omstandigheden en de inachtneming van de normen in gevangenissen die de menselijke waardigheid en de grondrechten eerbiedigen;

c)

versterking van het internationaal kader voor de bescherming van de mensenrechten, justitie, de gelijkheid van vrouwen en mannen, de rechtsstaat en de democratie en voor de bevordering van het internationaal humanitair recht, met name door middel van:

i)

steun voor internationale en regionale instrumenten en organen op het gebied van mensenrechten, justitie, de rechtsstaat en democratie;

ii)

bevordering van de samenwerking van het maatschappelijk middenveld met internationale en regionale intergouvernementele organisaties en steun voor de werkzaamheden van het maatschappelijk middenveld, inclusief de capaciteitsopbouw van niet-gouvernementele organisaties, met het oog op de stimulering en controle van de toepassing van internationale en regionale instrumenten op het gebied van mensenrechten, justitie, de rechtsstaat en democratie;

iii)

opleiding en verspreiding van informatie over internationaal humanitair recht en ondersteuning voor de handhaving ervan;

d)

opbouw van vertrouwen in en versterking van de betrouwbaarheid en de transparantie van democratische verkiezingsprocessen en -organen in alle fasen van de verkiezingscyclus, met name door:

i)

de inzet van EU EOMs en andere maatregelen voor de monitoring van verkiezingsprocessen;

ii)

bij te dragen aan de ontwikkeling van de verkiezingswaarnemingscapaciteit van binnenlandse organisaties uit het maatschappelijk middenveld op regionaal en lokaal niveau en steun te verlenen aan hun initiatieven om de participatie in en de follow-up van het verkiezingsproces te versterken;

iii)

het ondersteunen van maatregelen voor de consequente inpassing van verkiezingsprocessen in de democratische cyclus, het verspreiden van informatie over en het uitvoeren van aanbevelingen van EU EOMs, waarbij met name wordt samengewerkt met organisaties uit het maatschappelijk middenveld alsmede met de desbetreffende overheidsorganen, onder meer parlementen en regeringen, overeenkomstig deze verordening;

iv)

de vreedzame afwikkeling van verkiezingsprocessen, de terugdringing van verkiezingsgeweld en de aanvaarding door alle geledingen van de samenleving van geloofwaardige resultaten, te bevorderen.

2.   Bij alle in deze verordening genoemde maatregelen wordt, waar van toepassing, rekening gehouden met de beginselen non-discriminatie op welke grond ook, gendermainstreaming, participatie, empowerment, alsmede verantwoordingsplicht, openheid en transparantie.

3.   De in deze verordening bedoelde maatregelen worden uitgevoerd op het grondgebied van derde landen of houden rechtstreeks verband met situaties in derde landen of met mondiale of regionale acties.

4.   Bij de in deze verordening bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de crisis- of noodsituatie en van landen of situaties waarin de fundamentele vrijheden ernstig in het gedrang komen, de veiligheid van de mensen het meeste gevaar loopt of mensenrechtenorganisaties en mensenrechtenverdedigers in de moeilijkste omstandigheden moeten werken.

Artikel 3

Coördinatie, samenhang en complementariteit van de steun van de Unie

1.   De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening is in overeenstemming met het algemene kader van het externe optreden van de Unie, en is complementair met de steun die door andere instrumenten of overeenkomsten voor externe bijstand wordt verstrekt.

2.   Teneinde de doeltreffendheid, samenhang en consistentie van het externe optreden van de Unie te verbeteren, streven de Unie en de lidstaten ernaar regelmatig informatie uit te wisselen en in een vroeg stadium van het programmeringsproces overleg te plegen om de complementariteit en samenhang van hun respectieve activiteiten te bevorderen zowel op het niveau van de besluitvorming als ter plaatse. Dit overleg kan leiden tot gezamenlijke programmering en gezamenlijke activiteiten van de Unie en de lidstaten. De Unie raadpleegt ook andere donoren en actoren.

3.   De Commissie en de EDEO plegen, al naar gelang het geval, regelmatig overleg en wisselen regelmatig informatie uit met het Europees Parlement.

4.   De Unie tracht regelmatig informatie uit te wisselen en overleg te plegen met het maatschappelijk middenveld, op alle niveaus, ook in derde landen. In het bijzonder verstrekt de Unie, wanneer mogelijk en overeenkomstig de betrokken procedures, technische bijstand en ondersteuning in verband met de aanvraagprocedure.

Artikel 4

Algemeen kader voor de programmering en de uitvoering

1.   De steun van de Unie uit hoofde van deze verordening wordt uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 236/2014 en door middel van de volgende maatregelen:

a)

de in artikel 5 bedoelde strategiedocumenten en, in voorkomend geval, herzieningen daarvan;

b)

jaarlijkse actieprogramma's, individuele maatregelen en ondersteunende maatregelen in het kader van de artikelen 2 en 3 van Verordening (EU) nr. 236/2014;

c)

bijzondere maatregelen uit hoofde van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 236/2014.

2.   In programmeringen of herzieningen van programma's die plaatsvinden na de publicatie van het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 236/2014 bedoelde tussentijdse evaluatieverslag (het „tussentijdse evaluatieverslag” ) worden de resultaten, bevindingen en conclusies van dat verslag verwerkt.

Artikel 5

Strategiedocumenten

1.   In strategiedocumenten wordt de strategie voor de steun van de Unie uit hoofde van deze verordening beschreven, die is gebaseerd op de prioriteiten van de Unie, de internationale situatie en de activiteiten van de belangrijkste partners. De strategiedocumenten sluiten aan bij de algemene doelstellingen, het toepassingsgebied en de beginselen van deze verordening.

2.   In de strategiedocumenten worden de gebieden vermeld die tijdens de geldigheidsduur van deze verordening prioritair in aanmerking komen voor financiering door de Unie, alsmede de specifieke doelstellingen, de verwachte resultaten en de prestatie-indicatoren. Ook wordt een indicatieve financiële toewijzing vermeld, zowel in totaal als per prioriteitsgebied, indien nodig in de vorm van een vork.

3.   Strategiedocumenten worden goedgekeurd overeenkomstig de onderzoeksprocedure van artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) nr. 236/2014. Wanneer significante wijzigingen in de omstandigheden of het beleid zulks vereisen, wordt een strategiedocument overeenkomstig dezelfde procedure bijgewerkt.

Artikel 6

Thematische prioriteiten en bevoegdheidsdelegatie

De specifieke doelstellingen en prioriteiten van de steun van de Unie uit hoofde van deze verordening staan in de bijlage vermeld.

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in de bijlage opgenomen thematische prioriteiten. Meer in het bijzonder stelt de Commissie na de publicatie van het tussentijdse evaluatieverslag en op basis van de in dat verslag opgenomen aanbevelingen, uiterlijk op 31 maart 2018 een gedelegeerde handeling tot wijziging van de bijlage vast.

Artikel 7

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De in artikel 6 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 6 bedoelde bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend voor de geldigheidsperiode van deze verordening.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit vermelde bevoegdheid. Het besluit treedt op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daarvan gelijktijdig in kennis.

5.   Een overeenkomstig artikel 6 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld voornemens te zijn om geen bezwaar te maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 8

Comité

De Commissie wordt bijgestaan door een Comité voor democratie en mensenrechten. Het betreft een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Artikel 9

Toegang tot documenten

Het Europees Parlement en de Raad hebben, overeenkomstig de toepasselijke voorschriften, toegang tot alle documenten van het EIDHR die van relevant zijn voor de uitoefening van hun controlebevoegdheden, zodat zij deze bevoegdheden met kennis van zaken kunnen uitoefenen.

Artikel 10

Financiële middelen

De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening bedragen 1 332 752 000 EUR voor de periode 2014-2020.

De jaarlijkse kredieten worden door het Europees Parlement en de Raad toegestaan binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader.

Artikel 11

Europese Dienst voor extern optreden

Deze verordening wordt toegepast overeenkomstig Besluit 2010/427/EU.

Artikel 12

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 11 van 15.1.2013, blz. 81.

(2)  PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(4)  Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(7)  Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten voor het financieren van extern optreden van de Unie (zie bladzijde 95 van dit Publicatieblad).

(8)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(9)  Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese dienst voor extern optreden (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30).

(10)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).


BIJLAGE

Specifieke doelstellingen en prioriteiten van het EIDHR

De strategische oriëntatie van de Unie ter verwezenlijking van het doel van het EIDHR berust op vijf doelstellingen, die in deze bijlage worden beschreven.

1.

Doelstelling 1 — Ondersteuning van mensenrechten en mensenrechtenverdedigers in situaties waarin zij het meeste risico lopen

Maatregelen uit hoofde van deze doelstelling zullen gericht zijn op het verlenen van daadwerkelijke steun aan mensenrechtenverdedigers die het meeste risico lopen, en in situaties waarin de fundamentele vrijheden het meest worden bedreigd. Het EIDHR zal onder andere helpen tegemoet te komen aan de dringende behoeften van mensenrechtenverdedigers; verder zal het steun op middellange en op lange termijn verlenen om mensenrechtenverdedigers en het maatschappelijk middenveld in staat te stellen hun werk te doen. Daarbij zal rekening worden gehouden met de huidige, verontrustende tendens om het maatschappelijk middenveld aan banden te leggen.

2.

Doelstelling 2 — Ondersteuning van andere prioriteiten van de Unie op het gebied van de mensenrechten

Maatregelen uit hoofde van deze doelstelling zullen in de eerste plaats gericht zijn op het ondersteunen van activiteiten waarbij de Unie een meerwaarde biedt of waarvoor zij zich specifiek thematisch inzet (bijvoorbeeld de huidige en toekomstige Unierichtsnoeren op het gebied van mensenrechten die door de Raad zijn, c.q. worden vastgesteld of de door het Europees Parlement aangenomen resoluties), overeenkomstig artikel 2. De maatregelen zullen stroken met de prioriteiten van het strategisch kader van de EU en het actieplan inzake mensenrechten en democratie.

Maatregelen uit hoofde van deze doelstelling zullen onder andere dienen ter ondersteuning van de menselijke waardigheid (in het bijzonder de strijd tegen de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing); economische, sociale en culturele rechten; strijd tegen straffeloosheid; strijd tegen elke vorm van discriminatie; rechten van de vrouw en gendergelijkheid. Er zal voorts aandacht worden geschonken aan opkomende kwesties op het gebied van de mensenrechten.

3.

Doelstelling 3 — Ondersteuning van democratie

Maatregelen uit hoofde van deze doelstelling zullen dienen ter ondersteuning van actoren in derde landen die op vreedzame wijze opkomen voor de democratie, met de bedoeling een participerende en vertegenwoordigende democratie, transparantie en verantwoordingsplicht te bevorderen. De maatregelen zullen gericht zijn op het consolideren van politieke participatie en vertegenwoordiging, en het opkomen voor de democratie.

Alle aspecten van democratisering zullen daarbij aan bod komen, bijvoorbeeld de rechtsstaat en het bevorderen en beschermen van burgerrechten en politieke rechten zoals de vrijheid van meningsuiting (online en offline), de vrijheid van vergadering en vereniging. Dit houdt ook in dat actief zal worden deelgenomen aan het debat dat zich thans ontwikkelt over methoden om de democratie te ondersteunen.

Voor zover van toepassing, zal bij de maatregelen rekening worden gehouden met de aanbevelingen van de EU EOMs.

4.

Doelstelling 4 — EU EOMs

Maatregelen uit hoofde van deze doelstelling zullen toegespitst zijn op verkiezingswaarneming, die bijdraagt tot meer transparantie en meer vertrouwen in het verkiezingsproces, als onderdeel van de meer algemene bevordering en ondersteuning van democratische processen zoals beschreven in doelstelling 3.

Grootschalige EU EOMs genieten algemene waardering als ’vlaggenschipprojecten’ in het kader van het externe optreden van de Unie, en blijven de belangrijkste vorm van actie binnen deze doelstelling.

Zij zijn het beste instrument om verkiezingsprocessen met kennis van zaken te kunnen beoordelen en aanbevelingen te kunnen formuleren voor de verdere verbetering van deze processen in het kader van de samenwerking en politieke dialoog van de Unie met derde landen. Meer in het bijzonder zullen in het kader van de bilaterale programmering en projecten van het EIDHR complementaire maatregelen worden uitgewerkt om deze aanpak, die alle fasen van de verkiezingscyclus — met inbegrip van follow-upmaatregelen — omvat, verder uit te bouwen.

5.

Doelstelling 5 — Steun voor specifieke belangrijke actoren en processen, waaronder internationale en regionale instrumenten en mechanismen voor de mensenrechten

Het algemene doel is, het internationale en regionale raamwerk voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, justitie en de rechtsstaat, en de democratie te versterken, in overeenstemming met de beleidsprioriteiten van de Unie.

Maatregelen uit hoofde van deze doelstelling zullen onder meer activiteiten omvatten ter ondersteuning van de bijdrage van het lokale maatschappelijk middenveld aan de mensenrechtendialogen van de EU (in overeenstemming met de desbetreffende Unierichtsnoeren), alsook van de ontwikkeling en uitvoering van internationale en regionale mensenrechteninstrumenten en -mechanismen en van internationale strafrechtinstrumenten en -mechanismen, bijvoorbeeld het Internationaal Strafhof. Er zal speciale aandacht worden geschonken aan het bevorderen en monitoren van deze mechanismen door het maatschappelijk middenveld.


Verklaring van de Europese Commissie over de strategische dialoog met het Europees Parlement (1)

Op basis van artikel 14 VEU zal de Europese Commissie een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement voorafgaand aan de programmering van Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld en na, voor zover dienstig, initieel overleg met de relevante begunstigden ervan. De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met indicatieve toewijzingen per land of regio, en binnen een land of regio, met prioriteiten, mogelijke resultaten en indicatieve toewijzingen per prioriteit voor de geografische programma's, alsook de keuze van steunmodaliteiten (2). De Europese Commissie zal het Europees Parlement de relevante beschikbare documenten over de programmering presenteren met thematische prioriteiten, mogelijke resultaten, de keuze van steunmodaliteiten (2), en financiële toewijzingen voor dergelijke prioriteiten waarin de thematische programma's voorzien. De Europese Commissie zal rekening houden met het standpunt van het Europees Parlement op dit punt.

De Europese Commissie zal een strategische dialoog aangaan met het Europees Parlement ter voorbereiding van de tussentijdse evaluatie en vóór elke belangrijke wijziging van de programmeringsdocumenten tijdens de looptijd van deze verordening.

De Europese Commissie zal, indien het Europees Parlement daarom verzoekt, verklaren waar in de programmeringsdocumenten met de opmerkingen van het Europees Parlement rekening is gehouden en alle verdere uitleg verstrekken over de uitkomsten van de strategische dialoog.


(1)  De Europese Commissie wordt vertegenwoordigd op het niveau van de bevoegde commissaris.

(2)  Indien van toepassing.


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over verkiezingswaarnemingsmissies

Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie onderstrepen de belangrijke bijdrage van de verkiezingswaarnemingsmissies van de Europese Unie voor het buitenlandse beleid van de Unie ter ondersteuning van de democratie in de partnerlanden. De verkiezingswaarnemingsmissies van de Europese Unie dragen bij tot grotere transparantie van en meer vertrouwen in verkiezingsprocedures en bieden een geïnformeerde evaluatie van verkiezingsprocedures alsook aanbevelingen voor verdere verbetering ervan, in de context van de samenwerking en de politieke dialoog van de Unie met de partnerlanden. In dit verband komen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie overeen om tot 25 % van de middelen over de periode 2014-2020 van Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld te besteden aan de financiering van de verkiezingswaarnemingsmissies van de Europese Unie, afhankelijk van de jaarlijkse verkiezingsprioriteiten.


15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/95


VERORDENING (EU) Nr. 236/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 maart 2014

tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 209, lid 1, en artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van de wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie dient een alomvattende reeks instrumenten ter financiering van extern optreden vast te stellen die een breed beleidsspectrum met betrekking tot dat optreden bestrijkt, en voor de tenuitvoerlegging waarvan specifieke gemeenschappelijke voorschriften en procedures vereist zijn. Die instrumenten ter financiering van extern optreden voor de periode van 2014 tot en met 2020 zijn de volgende: het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (Development Cooperation Instrument — DCI), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3), het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (European Instrument for Democracy and Human Rights — EIDHR), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4), het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad (5), het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad (6), het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad (7) en het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad (8) (hierna gezamenlijk „de Instrumenten” of afzonderlijk „het Instrument” genoemd).

(2)

De gemeenschappelijke voorschriften en procedures dienen in overeenstemming te zijn met de financiële voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie, die zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (9), met inbegrip van de door de Commissie vastgestelde voorschriften ter uitvoering van die verordening (10).

(3)

Voor de Instrumenten geldt over het algemeen dat bij de uit hoofde ervan gefinancierde acties wordt uitgegaan van een meerjarige indicatieve programmering, waarin het kader wordt gegeven voor de vaststelling van financieringsbesluiten overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, en overeenkomstig de procedures van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(4)

De financieringsbesluiten dienen de vorm aan te nemen van jaarlijkse of meerjarige actieprogramma's en van afzonderlijke maatregelen wanneer de planning van de meerjarige indicatieve programmering wordt gevolgd, van bijzondere maatregelen indien zulks vereist is als gevolg van onvoorziene, naar behoren gemotiveerde behoeften of omstandigheden, en van steunmaatregelen. Steunmaatregelen kunnen worden vastgesteld als onderdeel van een jaarlijks of meerjarig actieprogramma of buiten het kader van indicatieve programmeringsdocumenten.

(5)

In een bijlage bij de financieringsbesluiten moet een beschrijving worden opgenomen van elke actie, met opgave van doelstellingen, hoofdactiviteiten, verwachte resultaten, wijzen van tenuitvoerlegging, begroting en indicatief tijdschema, ermee verband houdende steunmaatregelen en regelingen voor toezicht op de prestaties, en deze besluiten moeten worden goedgekeurd volgens de procedures van Verordening (EU) nr. 182/2011.

(6)

Gezien de aard van de uitvoeringshandelingen, die de beleidsprogrammering of de financiële uitvoering betreffen, in het bijzonder wat de gevolgen ervan voor de begroting betreft, dient voor de vaststelling ervan de onderzoeksprocedure te worden toegepast, behalve voor afzonderlijke en bijzondere maatregelen onder vooraf bepaalde drempelwaarden. De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met de noodzaak aan een snelle respons van de Unie, om dwingende redenen van urgentie vereist is. Het Europees Parlement moet daarover naar behoren worden geïnformeerd, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU) nr. 182/2011.

(7)

Wanneer, bij de tenuitvoerlegging van de Instrumenten, het beheer van een maatregel is toevertrouwd aan een financiële tussenpersoon, dient het besluit van de Commissie in het bijzonder bepalingen te bevatten betreffende risicodeling, transparantie, bezoldiging van de met de uitvoering belaste financiële tussenpersoon, gebruik en gedeeltelijk hergebruik, van middelen en van eventuele winsten, en de rapportageverplichtingen en controlemechanismen, waarbij rekening wordt gehouden met de desbetreffende bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

(8)

De Unie moet ervoor zorgen dat de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden gebruikt voor een zo groot mogelijk effect van haar externe optreden. Dat moet worden bereikt door middel van samenhang en complementariteit tussen de instrumenten van de Unie voor extern optreden, en door middel van het tot stand brengen van synergieën tussen de Instrumenten en andere beleidsonderdelen van de Unie. Dit moet leiden tot wederzijdse versterking van de programma's die uit die Instrumenten voortkomen, en, waar passend, het gebruik van financieringsinstrumenten met een hefboomeffect.

(9)

Krachtens artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), moet het internationale optreden van de Unie berusten op de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen en die zij tracht wereldwijd te verspreiden, met name de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht.

(10)

In overeenstemming met de toezeggingen van de Unie tijdens het 3e en 4e forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp (Accra 2008 en Busan 2011), en met de aanbeveling van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling („OESO/DAC”) over het vrijmaken van officiële ontwikkelingshulp (Official Development Assistance — ODA) voor de minst ontwikkelde landen en arme landen met hoge schulden, moet de Commissie zoveel mogelijk hulp van de Unie vrijmaken, onder meer voor innovatieve financieringsmechanismen, en bevorderen dat entiteiten uit partnerlanden deelnemen aan toekenningsprocedures voor opdrachten.

(11)

Om de zichtbaarheid te waarborgen van de bijstand van de Unie aan de burgers van de begunstigde landen en de burgers van de Unie, moet er, waar nodig, met adequate middelen gericht worden gecommuniceerd en geïnformeerd.

(12)

Het externe optreden van de Unie krachtens de Instrumenten moet bijdragen aan duidelijke resultaten (in termen van opbrengsten, uitkomsten en effecten) in landen die externe financiële bijstand van de Unie krijgen. Wanneer dat gewenst en mogelijk is, moeten de resultaten van het externe optreden van de Unie en de efficiëntie van een bepaald Instrument gecontroleerd en beoordeeld worden aan de hand van reeds gedefinieerde, duidelijke, transparante en, waar passend, specifiek op een land gerichte en meetbare indicatoren, afgestemd op de kenmerken en doelstellingen van het desbetreffende Instrument.

(13)

De financiële belangen van de Unie dienen gedurende de gehele uitgavencyclus te worden beschermd door middel van evenredige maatregelen, waaronder de preventie, de opsporing en het onderzoeken van onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen en, indien nodig, sancties. Deze maatregelen dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke overeenkomsten met internationale organisaties en derde landen.

(14)

Er dienen bepalingen te worden vastgesteld inzake de financieringsmethoden, de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de voorschriften inzake nationaliteit en oorsprong, de evaluatie van acties, rapportage en beoordeling, en de evaluatie van de Instrumenten.

(15)

Onverminderd de samenwerkingsmechanismen die met organisaties van het maatschappelijk middenveld op alle niveaus zijn ontwikkeld overeenkomstig artikel 11 VEU, spelen belanghebbenden van begunstigde landen, onder meer organisaties van het maatschappelijk middenveld en plaatselijke autoriteiten, een prominente rol wat betreft het externe beleid van de Unie. Tijdens het uitvoeringsproces, meer bepaald tijdens de voorbereiding en uitvoering van, het toezicht op en de evaluatie van de krachtens deze verordening genomen maatregelen, is het belangrijk hen naar behoren te raadplegen zodat zij in dat proces een rol van betekenis spelen, alsook voldoende rekening te houden met hun specifieke kenmerken.

(16)

Overeenkomstig artikel 208, artikel 209, lid 3, en artikel 212 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en onder de voorwaarden als vastgelegd in het Statuut van de Europese Investeringsbank (EIB) en in Besluit nr. 1080/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12) draagt de EIB bij aan de tenuitvoerlegging van de maatregelen die noodzakelijk zijn om de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid en van andere externe beleidsterreinen van de Unie, te realiseren, en zorgt zij in haar optreden voor complementariteit met de instrumenten van de Unie voor extern optreden. De gelegenheid moet worden aangegrepen om de financiering door de EIB te combineren met de begrotingsmiddelen van de Unie. Bij de programmering van de Unie wordt de EIB waar passend geraadpleegd in de loop van het proces.

(17)

Voor de tenuitvoerlegging werken internationale organisaties en ontwikkelingsagentschappen gewoonlijk met non-profitorganisaties waaraan zij taken tot uitvoering van de begroting kunnen toevertrouwen in naar behoren gemotiveerde gevallen. In afwijking van artikel 58, lid 1, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, moet deze verordening erin voorzien dat het mogelijk is dergelijke taken toe te vertrouwen aan non-profitorganisaties onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden die voor de Commissie gelden.

(18)

Ter intensivering van de eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden voor hun ontwikkelingsproces en van de houdbaarheid van externe hulp, en in overeenstemming met de verbintenissen van de Unie en de partnerlanden op het gebied van doeltreffendheid van internationale hulp, dient de Unie, waar passend en rekening houdend met de aard van het desbetreffende optreden, te bevorderen dat gebruik wordt gemaakt van de eigen instellingen, systemen en procedures van de partnerlanden.

(19)

In overeenstemming met de Europese consensus inzake ontwikkeling en de internationale agenda over doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, en zoals onderstreept wordt in de resolutie van het Europees Parlement van 5 juli 2011 over de toekomst van EU-begrotingssteun aan ontwikkelingslanden, de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2011 met als titel „Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering”, en de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 over „De toekomstige strategie inzake EU-begrotingssteun aan derde landen”, moet begrotingssteun doeltreffend worden ingezet voor armoedebestrijding onder toepassing van partnerlandsystemen, om hulp voorspelbaarder te maken en de eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden inzake ontwikkelingsbeleid en hervormingsprocessen te stimuleren. In het vooruitzicht gestelde begrotingstranches worden alleen uitbetaald indien er vooruitgang is geboekt bij het nastreven van de met de partnerlanden overeengekomen doelstellingen. In de landen die dat soort financiële bijstand van de Unie genieten, ondersteunt de Unie de ontwikkeling van parlementair toezicht, auditcapaciteit, transparantie en publieke toegang tot informatie.

(20)

Optreden van de Unie dat gericht is op het bevorderen van de democratische beginselen en het versterken van het democratieproces kan worden geconcretiseerd, onder meer door het verlenen van steun aan organisaties van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke instellingen die op dat terrein actief zijn, zoals het Europees Fonds voor Democratie.

(21)

Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(22)

Het is aangewezen dat de periode waarin deze verordening van toepassing is, in overeenstemming wordt gebracht met die van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 (13). Deze verordening dient derhalve met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 van toepassing te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

UITVOERING

Artikel 1

Onderwerp en beginselen

1.   Deze verordening stelt de voorschriften en voorwaarden vast voor het verlenen van financiële bijstand door de Unie aan acties, met inbegrip van actieprogramma's en andere maatregelen, uit hoofde van de volgende instrumenten ter financiering van extern optreden voor de periode van 2014 tot 2020: het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI), het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR), het Europees Nabuurschapsinstrument (ENI), het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) en het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen, (hierna ook gezamenlijk „de Instrumenten” of afzonderlijk „het Instrument” genoemd).

Voor de toepassing van deze verordening wordt, naargelang het geval, met de term „landen” ook gebieden en regio's bedoeld.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van acties tot financiering van het Erasmus+-programma uit hoofde van Verordening (EU) nr. 233/2014, Verordening (EU) nr. 232/2014, Verordening (EU) nr. 231/2014 en Verordening (EU) nr. 234/2014. Die acties worden tenuitvoergelegd overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad (14), op basis van de in het toepasselijke Instrument bedoelde indicatieve programmeringsdocumenten, met behoud van de conformiteit met die verordeningen.

3.   De Commissie ziet erop toe dat de acties worden uitgevoerd overeenkomstig de doelstellingen van het toepasselijke Instrument en in overeenstemming met een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie. De uit hoofde van de Instrumenten verstrekte financiële bijstand van de Unie voldoet aan de voorschriften en procedures die zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, dat het financiële en juridische basiskader voor de uitvoering ervan vormt.

4.   Bij de toepassing van deze verordening gebruikt de Commissie de meest doeltreffende en efficiënte uitvoeringsmethoden. Waar mogelijk en passend, gezien de aard van de actie geeft de Commissie tevens de voorkeur aan het gebruik van de eenvoudigste procedures.

5.   Rekening houdend met lid 4 geeft de Commissie, bij de toepassing van deze verordening, waar mogelijk en passend gezien de aard van de actie, de voorkeur aan het gebruik van de systemen van de partnerlanden.

6.   De Unie tracht de beginselen van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden waarop zij berust, te bevorderen, ontwikkelen en bestendigen op basis van, waar passend, dialoog en samenwerking met de partnerlanden en -regio's. De Unie integreert die beginselen in de tenuitvoerlegging van de Instrumenten.

Artikel 2

Vaststelling van actieprogramma's, afzonderlijke maatregelen en bijzondere maatregelen

1.   De Commissie stelt jaarlijkse actieprogramma's vast, indien van toepassing, op basis van de indicatieve programmeringsdocumenten waarnaar in het desbetreffende Instrument wordt verwezen. De Commissie kan ook meerjarige actieprogramma's vaststellen in overeenstemming met artikel 6, lid 3.

In de actieprogramma's worden voor elke actie de doelstellingen, de verwachte resultaten en hoofdactiviteiten, de uitvoeringsmethoden, de begroting en een indicatief tijdschema, eventuele bijbehorende steunmaatregelen en regelingen voor toezicht op de prestaties vermeld.

Indien nodig kan een actie, vóór of na de vaststellingvan jaarlijkse of meerjarige actieprogramma's, als afzonderlijke maatregel worden vastgesteld.

Bij onvoorziene, naar behoren gemotiveerde behoeften of omstandigheden, en wanneer financiering uit passender bronnen niet mogelijk is, kan de Commissie bijzondere maatregelen nemen die niet in de indicatieve programmeringsdocumenten worden vermeld, onder meer maatregelen om de overgang van noodhulp naar ontwikkelingsactiviteiten voor de lange termijn te vergemakkelijken of maatregelen om de bevolking beter in staat te stellen het hoofd te bieden aan terugkerende crises.

2.   Actieprogramma's, afzonderlijke maatregelen en bijzondere maatregelen als bedoeld in lid 1 van dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   De in lid 2 bedoelde procedure is niet vereist voor:

a)

afzonderlijke maatregelen waarvoor de financiële bijstand van de Unie niet meer dan 5 miljoen EUR bedraagt;

b)

bijzondere maatregelen waarvoor de financiële bijstand van de Unie niet meer dan 10 miljoen EUR bedraagt;

c)

technische wijzigingen in actieprogramma's, afzonderlijke maatregelen en bijzondere maatregelen. Technische wijzigingen zijn aanpassingen zoals:

i)

de verlenging van de termijn voor de uitvoering;

ii)

de herschikking van middelen tussen in een jaarlijks of een meerjarig actieprogramma opgenomen acties; of

iii)

een verhoging of verlaging van het budget van de jaarlijkse of meerjarige actieprogramma's, of van afzonderlijke of bijzondere maatregelen voor een bedrag dat niet meer dan 20 % van het oorspronkelijke budget bedraagt, met een maximum van 10 miljoen EUR,

mits deze wijzigingen de doelstellingen van de betrokken maatregel niet substantieel aantasten.

De uit hoofde van dit lid genomen maatregelen worden binnen één maand na de vaststelling ervan aan het Europees Parlement en de lidstaten meegedeeld via het in artikel 16 bedoelde relevante comité.

4.   De leden 1, 2 en 3 betreffende actieprogramma's en afzonderlijke maatregelen zijn niet van toepassing op grensoverschrijdende samenwerking in het kader van het ENI.

5.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie, zoals bij crises of onmiddellijke bedreigingen voor de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten of de fundamentele vrijheden, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 16, lid 4, afzonderlijke of bijzondere maatregelen of wijzigingen van bestaande actieprogramma's en maatregelen vaststellen.

6.   Op projectniveau vindt een passend milieuonderzoek plaats, onder meer wat betreft het effect op klimaatverandering en biodiversiteit, overeenkomstig de toepasselijke wetgevingshandelingen van de Unie met inbegrip van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad (15) en Richtlijn 85/337/EEG van de Raad (16), waar nodig, met inbegrip van een milieueffectbeoordeling voor milieugevoelige projecten, in het bijzonder voor belangrijke nieuwe infrastructuur. Waar zulks relevant is, wordt bij de uitvoering van sectorale programma's gebruik gemaakt van strategische milieueffectbeoordelingen. Er wordt op toegezien dat de belanghebbenden bij de milieubeoordelingen worden betrokken en dat het publiek toegang krijgt tot de resultaten van die beoordeling.

7.   Bij het ontwerpen en uitvoeren van programma's en projecten wordt terdege rekening gehouden met criteria inzake toegankelijkheid voor personen met een handicap.

Artikel 3

Steunmaatregelen

1.   De Uniefinanciering kan dienen ter dekking van uitgaven voor de tenuitvoerlegging van de Instrumenten en voor de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, waaronder administratieve steun in verband met activiteiten op het gebied van voorbereiding, follow-up, toezicht, audit en evaluatie die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging, alsmede van uitgaven door de delegaties van de Unie voor de administratieve ondersteuning die nodig is voor het beheer van uit hoofde van de Instrumenten gefinancierde operaties.

2.   Op voorwaarde dat de onder a), b) en c) genoemde activiteiten betrekking hebben op de algemene doelstellingen van het toepasselijke Instrument dat door middel van de acties wordt uitgevoerd, kan de financiering van de Unie dienen ter dekking van uitgaven met betrekking tot:

a)

studies, bijeenkomsten, activiteiten op het gebied van informatie, voorlichting, opleiding, voorbereiding en uitwisseling van geleerde lessen en beste praktijken, publicatie en andere uitgaven voor administratieve of technische bijstand die voor het beheer van de acties vereist zijn;

b)

onderzoeksactiviteiten en studies over relevante vraagstukken en verspreiding van de resultaten daarvan;

c)

informatie- en communicatieactiviteiten, onder meer de ontwikkeling van communicatiestrategieën en institutionele voorlichting over de politieke prioriteiten van de Unie.

3.   Steunmaatregelen kunnen buiten het kader van de indicatieve programmeringsdocumenten om worden gefinancierd. In voorkomend geval stelt de Commissie steunmaatregelen vast volgens de in artikel 16, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

De onderzoeksprocedure is niet van toepassing voor de vaststelling van steunmaatregelen waarvoor de financiële bijstand van de Unie niet meer bedraagt dan 10 miljoen EUR.

De steunmaatregelen waarvoor de financiële bijstand van de Unie niet meer bedraagt dan 10 miljoen EUR worden binnen een maand na de vaststelling ervan aan het Europees Parlement en de lidstaten gemeld via het in artikel 16 bedoelde bevoegde comité.

TITEL II

BEPALINGEN INZAKE DE FINANCIERINGSMETHODEN

Artikel 4

Algemene bepalingen inzake financiering

1.   De financiële bijstand van de Unie kan worden verstrekt door middel van de financieringsvormen waarin Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 voorziet, en met name:

a)

subsidies;

b)

overheidsopdrachten voor diensten, leveringen of werken;

c)

algemene of sectorale begrotingssteun;

d)

bijdragen aan door de Commissie opgezette trustfondsen, overeenkomstig artikel 187 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012;

e)

financieringsinstrumenten zoals leningen, garanties, beleggingen in aandelen of met eigen vermogen gelijk te stellen investeringen of deelnames, en risicodelende instrumenten, waar mogelijk onder leiding van de EIB in het kader van haar externe mandaat uit hoofde van Besluit nr. 1080/2011/EU, een multilaterale Europese financiële instelling, zoals de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, of een bilaterale Europese financiële instelling, zoals bilaterale ontwikkelingsbanken, eventueel te combineren met bijkomende subsidies uit andere bronnen.

2.   De in lid 1, onder c), bedoelde algemene of sectorale begrotingssteun van de Unie is gebaseerd op wederzijdse verantwoordingsplicht en een gemeenschappelijke inzet voor universele waarden, en is gericht op het versterken van de contractuele partnerschappen tussen de Unie en de partnerlanden, teneinde de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat te bevorderen, duurzame economische groei te ondersteunen en armoede uit te bannen.

Elk besluit om de algemene of sectorale begrotingssteun te verstrekken is gebaseerd op door de Unie overeengekomen beleidslijnen inzake begrotingssteun, een duidelijke reeks subsidiabiliteitscriteria en een zorgvuldige beoordeling van de risico's en voordelen.

Een van de belangrijkste bepalende elementen van dat besluit is een beoordeling van het engagement, de prestaties en de vorderingen van de partnerlanden met betrekking tot democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. De algemene of sectorale begrotingssteun wordt zodanig gedifferentieerd om beter in te spelen op de politieke, economische en sociale context van het partnerland, rekening houdend met kwetsbare situaties.

Bij het verstrekken van de algemene of sectorale begrotingssteun overeenkomstig artikel 186 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, stelt de Commissie strikte voorwaarden vast en ziet zij toe op de naleving daarvan, en ondersteunt zij de ontwikkeling van parlementaire controle- en auditcapaciteit en verbeterde transparantie van en publieke toegang tot informatie. De algemene of sectorale begrotingssteun wordt alleen uitbetaald indien er een bevredigende vooruitgang is geboekt bij het nastreven van de met het partnerland overeengekomen doelstellingen.

3.   Elke entiteit waaraan de uitvoering van de in het eerste lid, onder e), bedoelde financieringsinstrumenten is toevertrouwd, voldoet aan de eisen van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en aan de doelstellingen, normen en beleidslijnen evenals aan de beste praktijken inzake het gebruik van en de rapportage over Unie-middelen.

Die financieringsinstrumenten mogen worden samengevoegd in faciliteiten ten behoeve van uitvoering en rapportage.

De financiële bijstand van de Unie tevens worden verleend, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, in de vorm van bijdragen aan internationale, regionale of nationale fondsen, zoals die welke zijn ingesteld of worden beheerd door de EIB, lidstaten, partnerlanden en -regio's of door internationale organisaties, teneinde gezamenlijke financiering van een aantal donoren aan te trekken, of bijdragen aan fondsen die door een of meer donoren zijn opgezet voor gezamenlijke uitvoering van projecten.

4.   Wederzijdse toegang voor financiële instellingen van de Unie tot financieringsinstrumenten van andere organisaties, wordt, waar passend, gestimuleerd.

5.   Wanneer de Commissie de in lid 1 bedoelde financiële bijstand van de Unie verleent, neemt zij waar nodig alle vereiste maatregelen die maken dat de financiële ondersteuning door de Unie zichtbaar wordt. Dat kunnen maatregelen zijn waarmee aan de ontvangers van de Unie-fondsen eisen worden opgelegd qua zichtbaarheid, behalve in naar behoren gerechtvaardigde gevallen. De Commissie is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving door de ontvangers van deze voorschriften.

6.   Alle ontvangsten uit een financieringsinstrument worden voor het toepasselijke Instrument bestemd als interne bestemmingsontvangsten. De Commissie verricht om de vijf jaar een evaluatie van de bijdrage die de bestaande financieringsinstrumenten hebben geleverd tot de doelstellingen van de Unie, alsmede van de doeltreffendheid van deze financieringsinstrumenten.

7.   De financiële bijstand van de Unie wordt door de Commissie uitgevoerd, zoals bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, ofwel rechtstreeks door de diensten van de Commissie, door de delegaties van de Unie en door uitvoerende agentschappen, onder gedeeld beheer met de lidstaten, ofwel onrechtstreeks door taken betreffende de uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan de in Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 genoemde entiteiten. Die entiteiten zorgen voor samenhang met het externe beleid van de Unie en kunnen taken betreffende de uitvoering van de begroting toevertrouwen aan andere entiteiten, onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden die voor de Commissie gelden.

Zij komen hun verplichting uit hoofde van artikel 60, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 jaarlijks na. Waar nodig wordt het auditverslag ingediend binnen een maand na de bekendmaking van het verslag en de beheersverklaring, en de Commissie houdt hiermee rekening bij het verkrijgen van de zekerheid.

Internationale organisaties als bedoeld in artikel 58, lid 1, onder c), punt ii), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en organen van de lidstaten als bedoeld in artikel 58, lid 1, onder c), punten v) en vi), van die verordening, waaraan door de Commissie taken zijn toevertrouwd, kunnen eveneens taken betreffende de uitvoering van de begroting toevertrouwen aan non-profitorganisaties met passend operationele en financiële capaciteit, onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden die gelden voor de Commissie.

Entiteiten die voldoen aan de criteria van artikel 60, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 worden geacht te voldoen aan de selectiecriteria in artikel 139 van die verordening.

8.   De in lid 1 van dit artikel en in artikel 6, lid 1, bedoelde financieringsvormen en de in lid 3 van dit artikel bedoelde uitvoeringswijzen worden gekozen op basis van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken, en resultaten te boeken, met name rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve belasting en het verwachte risico van niet-naleving. Wat subsidies betreft, houdt dit mede in dat het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten wordt overwogen.

9.   Uit hoofde van de Instrumenten gefinancierde acties kunnen worden uitgevoerd door middel van parallelle of gemeenschappelijke medefinanciering.

Bij parallelle medefinanciering wordt een actie in meerdere, duidelijk te onderscheiden componenten opgedeeld, die elk worden gefinancierd door de verschillende partners die de medefinanciering verstrekken, en wel zo dat de eindbestemming van de financiering altijd traceerbaar is.

Bij gemeenschappelijke medefinanciering worden de totale kosten van het project of programma verdeeld tussen de partners die de medefinanciering verstrekken en worden de geldmiddelen gemeenschappelijk ingebracht, en wel zo dat het niet mogelijk is de financieringsbron van een specifieke activiteit in het kader van de actie na te gaan. In dat geval voldoet de publicatie achteraf van subsidieovereenkomsten en overheidsopdrachten, zoals bepaald in artikel 35 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, aan de regels van toepassing op de entiteit waaraan de uitvoering is toevertrouwd, als die er zijn.

10.   Bij gebruik van een financieringsvorm als bedoeld in lid 1 van dit artikel of in artikel 6, lid 1, kan de samenwerking tussen de Unie en haar partners onder andere de volgende vormen aannemen:

a)

driehoeksregelingen waarbij de Unie haar bijstand aan een partnerland of -regio coördineert met derde landen;

b)

maatregelen voor administratieve samenwerking zoals twinnings tussen overheidsinstellingen, plaatselijke overheden, nationale overheidsorganen en privaatrechtelijke entiteiten met een openbaredienstverleningstaak van de lidstaten en van de partnerlanden of -regio's, alsmede samenwerkingsmaatregelen waarbij door de lidstaten en hun regionale en lokale autoriteiten uitgezonden deskundigen van de openbare sector worden betrokken;

c)

bijdragen aan de kosten die noodzakelijk zijn voor het opzetten en beheren van een publiek-privaat partnerschap;

d)

steunprogramma's voor het sectoraal beleid waarbij de Unie steun verleent aan het sectorale programma van een partnerland;

e)

wat het ENI en IPA II betreft, bijdragen aan de kosten ten behoeve van de deelname van de landen aan programma's en agentschappen van de Unie;

f)

rentesubsidies;

g)

financiering door middel van subsidies aan agentschappen van de Unie.

11.   Wanneer de Commissie met belanghebbenden van begunstigde landen werkt, houdt zij bij het bepalen van nadere regelingen voor de financiering rekening met hun specifieke kenmerken zoals hun behoeften en context daarvan, het type bijdrage, de toekenningsmodaliteiten en de administratieve bepalingen voor het beheer van subsidies, met als doel een zo groot mogelijke verscheidenheid aan die belanghebbenden te bereiken en hen zo goed mogelijk te helpen. Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 worden specifieke modaliteiten aangemoedigd, zoals partnerschapsovereenkomsten, vergunningen voor getrapte subsidies, rechtstreekse toekenning of oproepen tot het indienen van voorstellen met beperkende eisen of vaste bedragen.

12.   Bij de uitvoering van haar steun aan transitie en hervorming in de partnerlanden put de Unie, waar passend, uit de ervaringen van de lidstaten en de geleerde lessen, en deelt zij deze.

Artikel 5

Belastingen, rechten en heffingen

De bijstand van de Unie leidt niet tot de instelling van specifieke belastingen, rechten of heffingen noch tot de inning daarvan.

Indien van toepassing, worden met derde landen door middel van onderhandelingen passende bepalingen overeengekomen teneinde de acties tot uitvoering van de financiële bijstand van de Unie vrij te stellen van belastingen, douanerechten en andere heffingen. In andere gevallen zijn dergelijke belastingen, rechten en heffingen onderworpen aan de voorwaarden van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

Artikel 6

Specifieke bepalingen inzake financiering

1.   Naast de in artikel 4, lid 1, van deze verordening bedoelde financieringsvormen kan de financiële bijstand van de Unie uit hoofde van de volgende Instrumenten overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 tevens worden verleend via de hierna vermelde financieringsvormen:

a)

in het kader van het DCI en in het kader van het ENI: schuldverlichting op grond van internationaal overeengekomen schuldverlichtingsprogramma's;

b)

in het kader van het DCI en in het kader van het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede: in uitzonderlijke gevallen, sectorale en algemene programma's ter ondersteuning van de invoer, in de vorm van:

i)

sectorale invoerprogramma's in natura;

ii)

sectorale invoerprogramma's in de vorm van deviezensteun ter financiering van invoer voor de desbetreffende sector; of

iii)

algemene invoerprogramma's in de vorm van deviezensteun ter financiering van de algemene invoer van een grote verscheidenheid aan producten;

c)

in het kader van het EIDHR: rechtstreekse toekenning van:

i)

geringe subsidies aan mensenrechtenactivisten ter financiering van dringende beschermende maatregelen, in voorkomend geval zonder dat medefinanciering nodig is;

ii)

subsidies, in voorkomend geval zonder dat medefinanciering nodig is, ter financiering van acties in de moeilijkste omstandigheden of in situaties bedoeld in artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) nr. 235/2014, indien de publicatie van een oproep tot het indienen van voorstellen niet passend is. Dergelijke subsidies bedragen ten hoogste 1 000 000 EUR en hebben een looptijd van ten hoogste 18 maanden, die met 12 maanden kan worden verlengd wanneer de tenuitvoerlegging stuit op objectieve en onvoorziene hindernissen;

iii)

subsidies aan het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, en aan het Europees Interuniversitair Centrum voor mensenrechten en democratisering, dat een Europese masteropleiding in mensenrechten en democratisering alsmede een EU-UN Fellowship Programma aanbiedt, en het geassocieerde netwerk van universiteiten die postacademische diploma's op het gebied van mensenrechten uitreiken, met inbegrip van beurzen voor studenten en mensenrechtenverdedigers uit derde landen.

2.   Uit hoofde van het ENI en IPA II worden programma's voor grensoverschrijdende samenwerking uitgevoerd, met name, onder gedeeld beheer met de lidstaten of onder indirect beheer met derde landen of internationale organisaties. Gedetailleerde voorschriften worden vastgelegd in uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 232/2014 en van Verordening (EU) nr. 231/2014 zijn aangenomen.

3.   De Commissie kan meerjarige actieprogramma's vaststellen:

a)

voor een periode van maximaal drie jaar in het geval van terugkerende acties;

b)

voor een periode van ten hoogste zeven jaar, uit hoofde van IPA II.

Meerjarige vastleggingen bevatten bepalingen die ertoe strekken dat, voor de jaren na het eerste vastleggingsjaar, de vastleggingen indicatief zijn en afhankelijk van de toekomstige jaarlijkse begrotingen van de Unie.

4.   Voor acties in het kader van het ENI en IPA II waarvan de uitvoering zich over meer dan een jaar uitstrekt, mogen de vastleggingen in jaartranches worden verdeeld.

In dergelijke gevallen, tenzij anders is bepaald in de toepasselijke voorschriften, verricht de Commissie automatisch de doorhaling van de onderdelen van een vastlegging in de begroting voor een programma dat, vóór 31 december van het vijfde jaar volgend op dat van de vastlegging in de begroting, niet is gebruikt voor de voorfinanciering of de tussentijdse betalingen of waarvoor de entiteit waaraan de uitvoering is toevertrouwd geen gecertificeerde uitgavenstaat of verzoek om betaling heeft ingediend.

5.   De voorschriften die de grensoverschrijdende samenwerking uit hoofde van het in gedeeld beheer met de lidstaten uitgevoerde IPA II regelen, stroken met de voorschriften die zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (17) en Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad (18).

Artikel 7

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van de uit hoofde van deze verordening gefinancierde acties de financiële belangen van de Unie worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten, door doeltreffende controles en, indien er onregelmatigheden worden vastgesteld, de terugvordering of, waar van toepassing, de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen en, waar nodig, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve en financiële sancties.

2.   De Commissie, of haar vertegenwoordigers, en de Rekenkamer zijn bevoegd om audits te verrichten, of, in het geval van internationale organisaties, om controles te verrichten overeenkomstig met die organisaties gesloten overeenkomsten, op basis van documenten en ter plaatse, bij alle subsidiebegunstigden, contractanten en subcontractanten die middelen van de Unie hebben ontvangen uit hoofde van deze verordening.

3.   Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan, in overeenstemming met de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad (19) en Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 (20), onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en verificaties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of een andere onwettige activiteit die de financiële belangen van de Unie schaadt in verband met een subsidieovereenkomst of subsidiebesluit of een uit hoofde van deze verordening gefinancierd contract.

4.   Onverminderd de leden 1, 2 en 3 bevatten samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en met internationale organisaties, contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten die uit de uitvoering van deze verordening voortvloeien, bepalingen die uitdrukkelijk voorzien in de bevoegdheid van de Commissie, de Rekenkamer en OLAF om dergelijke audits, controles en verificaties ter plaatse uit te voeren, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.

TITEL III

NATIONALITEITS- EN OORSPRONGSREGELS VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN, SUBSIDIES EN ANDERE TOEKENNINGSPROCEDURES

Artikel 8

Gemeenschappelijke voorschriften

1.   De deelname aan procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten, en aan subsidie- en andere toekenningsprocedures voor acties die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd ten bate van derden, staat open voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van en alle rechtspersonen die feitelijk gevestigd zijn in een onder deze titel voor het toepasselijke Instrument in aanmerking komend land, en voor internationale organisaties.

Rechtspersonen kunnen organisaties van het maatschappelijke middenveld zijn, zoals niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk en onafhankelijke politieke stichtingen, in gemeenschappen gewortelde organisaties en privaatrechtelijke organen, instituten en organisaties zonder winstoogmerk en netwerken daarvan op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau.

2.   Bij acties die het onderwerp zijn van gezamenlijke medefinanciering met een partner of andere donor of die via een lidstaat onder gedeeld beheer of door een door de Commissie opgezet trustfonds worden uitgevoerd, komen landen die voor deelname in aanmerking komen volgens de regels van die partner, andere donor of lidstaat of die in de oprichtingsakte van het trustfonds worden genoemd, ook in aanmerking.

Bij acties die onder indirect beheer worden uitgevoerd door een daarmee belaste organisatie binnen een in artikel 58, lid 1, onder c), punten ii) tot en met viii), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 genoemde categorie, komen landen die volgens de regels van de betrokken organisatie voor deelname in aanmerking komen, ook in aanmerking.

3.   Bij acties die uit hoofde van een van de Instrumenten worden gefinancierd en die tevens financiering ontvangen uit een ander instrument van de Unie voor extern optreden, met inbegrip van het Europees Ontwikkelingsfonds, worden de landen waarop een van die instrumenten van toepassing is, eveneens beschouwd als in aanmerking komend voor deelname in die acties.

Bij acties met een mondiale, regionale of grensoverschrijdende dimensie die uit één van de Instrumenten worden gefinancierd, kunnen de landen, gebieden en regio's die onder de actie vallen worden beschouwd als in aanmerking komend voor deelname in die actie.

4.   Alle leveringen die zijn aangeschaft in het kader van een overheidsopdracht of een subsidieovereenkomst die overeenkomstig deze verordening wordt gefinancierd, zijn van oorsprong uit een voor deelname in aanmerking komend land. Zij mogen echter van oorsprong zijn uit elk land wanneer het bedrag van de aan te kopen leveringen lager is dan de drempel voor het gebruik van de concurrentiële onderhandelingsprocedure. De in deze verordening gebezigde term „van oorsprong” wordt gedefinieerd in artikel 23 en 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (21) en andere wetgevingshandelingen van de Unie die gelden voor niet-preferentiële oorsprong.

5.   De voorschriften van deze titel zijn niet van toepassing op en leiden niet tot nationaliteitsbeperkingen voor natuurlijke personen die bij een voor deelname in aanmerking komende contractant of, in voorkomend geval, subcontractant in dienst zijn of anderszins door deze wettig zijn aangeworven.

6.   Om plaatselijke vermogens, markten en aankopen te bevorderen, wordt voorrang gegeven aan lokale en regionale contractanten indien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 voorziet in toekenning op basis van één offerte. In alle andere gevallen wordt deelneming van plaatselijke en regionale contracten bevorderd in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van die verordening.

7.   Er kunnen aan aanvragers beperkende eisen worden gesteld op het gebied van de nationaliteit, de geografische ligging of aard van de aanvrager, indien deze beperkingen vereist zijn op grond van de specifieke aard en de doelstellingen van de actie en voor zover zij noodzakelijk zijn voor een doeltreffende uitvoering. Dergelijke beperkingen kunnen met name van toepassing zijn op de deelname aan toekenningsprocedures voor acties met betrekking tot grensoverschrijdende samenwerking.

8.   Natuurlijke personen en rechtspersonen aan wie een opdracht is toegekend, leven de toepasselijke milieuwetgeving na, met inbegrip van multilaterale milieuovereenkomsten, en internationaal overeengekomen arbeidsnormen (22).

Artikel 9

Subsidiabiliteit op grond van het DCI, het ENI en het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen

1.   Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit de volgende landen komen voor financiering uit hoofde van het DCI, het ENI en het Partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen in aanmerking:

a)

lidstaten, in de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 231/2014 opgenomen begunstigden en partijen bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte;

b)

wat het ENI betreft: partnerlanden die onder het ENI vallen en de Russische Federatie, indien de betrokken procedure plaatsvindt in het kader van meerlandenprogramma's of programma's voor grensoverschrijdende samenwerking waaraan zij deelnemen;

c)

ontwikkelingslanden en ontwikkelingsgebieden, zoals vermeld in de lijst ODA-ontvangers zoals bekend gemaakt door de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO/DAC) („lijst van ODA-ontvangers”), die geen lid zijn van de G20, alsmede landen en gebieden overzee waarop Besluit 2001/822/EG (23) van toepassing is;

d)

ontwikkelingslanden, zoals vermeld in de lijst ODA-ontvangers van de OESO/DAC, die lid zijn van de G20, en andere landen en gebieden, indien zij begunstigden zijn van acties die door de Unie worden gefinancierd uit hoofde van de Instrumenten waarop dit artikel betrekking heeft;

e)

landen ten aanzien waarvan de Europese Commissie wederzijdse toegang tot externe bijstand heeft vastgesteld. Wederzijdse toegang kan voor een beperkte periode van ten minste één jaar worden vastgesteld indien een land entiteiten van de Unie en entiteiten uit landen die voor deelname aan de onder dit artikel vallende Instrumenten in aanmerking komen, op gelijke voorwaarden tot deelname toelaat. De Commissie beslist over de wederzijdse toegang en de duur daarvan volgens de in artikel 16, lid 2, bedoelde adviesprocedure, na raadpleging van het betrokken ontvangende land of de betrokken ontvangende landen; en

f)

landen die lid zijn van de OESO, ten aanzien van opdrachten die worden uitgevoerd in een van de minst ontwikkelde landen of arme landen met hoge schulden, zoals opgenomen in de lijst van ODA-ontvangers.

2.   Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, alsook leveringen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, kunnen door de Commissie worden toegelaten indien het gaat om:

a)

landen met traditionele economische, commerciële of geografische banden met buurlanden die een begunstigd land zijn; of

b)

urgentie of het niet-beschikbaar zijn van goederen of diensten op de markt van de betrokken landen, of in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de toepassing van de voorschriften voor het in aanmerking komen voor deelname de uitvoering van een project, een programma of actie onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken.

3.   Voor acties uitgevoerd in gedeeld beheer kunnen inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, en goederen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen zoals bedoeld in artikel 8, lid 4, namens de Commissie worden aanvaard door een lidstaat waaraan de Commissie uitvoeringstaken heeft gedelegeerd.

Artikel 10

Subsidiabiliteit op grond van het IPA II

1.   Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit de volgende landen komen voor financiering uit hoofde van het IPA II in aanmerking:

a)

lidstaten, in de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 231/2014 opgenomen begunstigden, partijen bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte en partnerlanden die vallen onder het ENI, en

b)

landen ten aanzien waarvan de Commissie wederzijdse toegang tot externe bijstand heeft vastgesteld volgens de voorwaarden van artikel 9, lid 1, onder e).

2.   Inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, alsook goederen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen, kunnen door de Commissie worden aanvaard in geval van urgentie of de niet-beschikbaarheid van goederen of diensten op de markten van de betrokken landen, of in andere naar behoren gemotiveerde gevallen waarin de toepassing van de voorschriften voor het in aanmerking nemen de uitvoering van een project, programma of actie onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken.

3.   Voor acties uitgevoerd in gedeeld beheer kunnen inschrijvers, aanvragers en gegadigden uit niet voor deelname in aanmerking komende landen zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel, en goederen van oorsprong uit niet voor deelname in aanmerking komende landen zoals bedoeld in artikel 8, lid 4, namens de Commissie worden aanvaard door een lidstaat waaraan de Commissie uitvoeringstaken heeft gedelegeerd.

Artikel 11

Subsidiabiliteit op grond van het EIDHR en het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede

1.   Onverminderd de beperkingen die inherent zijn aan de aard en de doelstellingen van de in artikel 8, lid 7, bedoelde actie, staat de deelname aan procedures voor het gunnen van overheidsopdrachten, de toekenning van subsidies of de aanwerving van deskundigen zonder beperkingen open in het kader van het EIDHR en het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede.

2.   De volgende entiteiten en actoren komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van het EIDHR overeenkomstig artikel 4, leden 1, 2 en 3, en artikel 6, lid 1, onder c):

a)

organisaties van het maatschappelijke middenveld, zoals niet-gouvernementele organisaties zonder winstoogmerk en onafhankelijke politieke stichtingen, in gemeenschappen gewortelde organisaties en privaatrechtelijke organen, instituten en organisaties zonder winstoogmerk en netwerken daarvan op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau;

b)

publiekrechtelijke agentschappen, instellingen en organisaties zonder winstoogmerk en netwerken daarvan op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau;

c)

nationale, regionale en internationale parlementaire organen, waar dit nodig is om de doelstellingen van het EIDHR te bereiken en de voorgestelde maatregel niet kan worden gefinancierd uit hoofde van een ander Instrument;

d)

internationale en regionale intergouvernementele organisaties;

e)

natuurlijke personen, entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid en, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, niet in dit lid genoemde andere entiteiten en actoren, indien dit voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EIDHR noodzakelijk is.

Artikel 12

Toezicht op en evaluatie van acties

1.   De Commissie onderwerpt haar acties geregeld aan toezicht en evalueert regelmatig de vorderingen op weg naar het bereiken van de verwachte resultaten, in termen van opbrengsten en uitkomsten. Tevens evalueert de Commissie het effect en de doeltreffendheid van haar sectoraal beleid en sectorale acties alsook de doeltreffendheid van de programmering, eventueel door middel van onafhankelijke externe evaluaties. Voorstellen van het Europees Parlement of de Raad voor externe onafhankelijke evaluaties worden naar behoren in overweging genomen. De evaluaties zijn gebaseerd op de beginselen van beste praktijken van de OESO/DAC, teneinde zich ervan te vergewissen of de specifieke doelstellingen, waar van toepassing met inachtneming van gendergelijkheid, zijn verwezenlijkt en aanbevelingen op te stellen om toekomstige operaties beter te laten verlopen. Deze evaluaties worden uitgevoerd op basis van vooraf bepaalde, duidelijke, transparante en, waar passend, landenspecifieke en meetbare indicatoren.

2.   De Commissie zendt haar evaluatieverslagen via het in artikel 16 bedoelde desbetreffende comité toe aan het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten. Specifieke evaluaties kunnen op verzoek van de lidstaten in dat comité worden besproken. De resultaten daarvan worden gebruikt bij de opzet van programma's en de toewijzing van middelen.

3.   De Commissie betrekt alle relevante belanghebbenden op passende wijze bij de evaluatie van de bijstand van de Unie waarin deze verordening voorziet en kan, in voorkomend geval, ernaar streven om gezamenlijke evaluaties met de lidstaten en de ontwikkelingspartners te verrichten.

4.   In het in artikel 13 genoemde verslag worden de voornaamste geleerde lessen vermeld alsook de follow-up van de aanbevelingen uit de evaluaties uitgevoerd in voorgaande jaren.

TITEL IV

ANDERE GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 13

Jaarverslag

1.   De Commissie onderzoekt de voortgang van de uitvoering van de maatregelen op het gebied van de externe financiële bijstand van de Unie en legt het Europees Parlement en de Raad jaarlijks, met ingang van 2015, een verslag voor over de verwezenlijking van de doelstellingen van iedere verordening, met behulp van indicatoren die de resultaten en de efficiëntie van het toepasselijke Instrument meten. Dat verslag wordt tevens voorgelegd aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

2.   Het jaarverslag bevat gegevens met betrekking tot het voorafgaande jaar inzake de gefinancierde maatregelen, de resultaten van het toezicht en de evaluatie, de inschakeling van de relevante partners en de uitvoering van de vastleggings- en de betalingskredieten, uitgesplitst per land, regio en samenwerkingssector. Het verslag bevat een resultatenbeoordeling van de financiële bijstand van de Unie, voor zover mogelijk aan de hand van specifieke en meetbare indicatoren betreffende de rol die de bijstand heeft gespeeld bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de Instrumenten. Voor ontwikkelingssamenwerking wordt in het verslag ook, waar mogelijk en passend, beoordeeld in hoeverre wordt vastgehouden aan de beginselen van doeltreffendheid van de hulp, ook voor innovatieve financieringsinstrumenten.

3.   Het in 2021 voorbereid verslag brengt informatie samen uit de jaarverslagen betreffende de periode van 2014 tot 2020 over alle financieringsmiddelen die onder deze verordening vallen, waaronder externe bestemmingsontvangsten en bijdragen aan trustfondsen, uitgesplitst in uitgaven per begunstigd land, gebruik van financieringsinstrumenten, vastleggingen en betalingen.

Artikel 14

Uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit

Op basis van de goedgekeurde indicatieve programmeringsdocumenten wordt een jaarlijkse raming opgesteld van de totale uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit. De financiering die in het kader van de instrumenten wordt toegewezen, wordt, zonder uitsluiting van het gebruik van nauwkeuriger methodieken indien deze beschikbaar zijn, onderworpen aan een jaarlijks traceringssysteem op basis van de methode van de OESO („Rio markers”), dat geïntegreerd wordt in de bestaande methode voor het prestatiebeheer van de Unieprogramma's, om de uitgaven voor klimaatactie en biodiversiteit op het niveau van de in artikel 2, lid 1, bedoelde actieprogramma's, en de afzonderlijke maatregelen en bijzondere maatregelen en opgenomen in de evaluaties en het jaarverslag te kwantificeren.

Artikel 15

Deelname van belanghebbenden van begunstigde landen

De Commissie zorgt ervoor dat, waar mogelijk en passend, plaatselijke belanghebbenden in begunstigde landen, zoals organisaties uit het maatschappelijk middenveld en plaatselijke autoriteiten, tijdens het uitvoeringsproces uitgebreid worden of zijn geraadpleegd en op tijd toegang hebben tot relevantie informatie waarmee zij in dat proces een zinvolle rol kunnen spelen.

TITEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door de comités die door de Instrumenten zijn ingesteld. Het betreft comités in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

In gevallen waarin het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

In gevallen waarin het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 in samenhang met artikel 5 van die verordening van toepassing.

Het vastgestelde besluit blijft van toepassing gedurende de geldigheidsduur van het vastgestelde of gewijzigde document, actieprogramma of maatregel.

5.   Een waarnemer van de EIB neemt deel aan de vergaderingen van het comité waar kwesties met betrekking tot de EIB aan de orde komen.

Artikel 17

Tussentijdse evaluatie en toetsing van de Instrumenten

1.   De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2017 een tussentijds evaluatieverslag in over de uitvoering van elk van de Instrumenten en van deze verordening. Het verslag bestrijkt de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2017 en gaat vooral over de verwezenlijking van de doelstellingen van ieder Instrument aan de hand van indicatoren die de behaalde resultaten en de doeltreffendheid van de Instrumenten meten.

Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van ieder Instrument beoordeelt dat verslag bovendien de meerwaarde van ieder Instrument, de mogelijkheden voor vereenvoudiging, de interne en externe samenhang, zoals de verenigbaarheid van en de synergieën tussen de Instrumenten, de verdere relevantie van alle doelstellingen, de bijdrage van de maatregelen aan een samenhangend extern optreden van de Unie en, waar van toepassing, aan de prioriteiten van de Unie op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei. Ook wordt in het verslag rekening gehouden met bevindingen en conclusies inzake het langetermijneffect van de Instrumenten. Het bevat ook voor elk van de financieringsinstrumenten informatie over het hefboomeffect dat met de middelen is bereikt.

Het specifieke doel van het verslag is het verbeteren van de uitvoering van de bijstand van de Unie. Het bevat informatie betreffende besluiten voor het verlengen, wijzigen of opschorten van de soorten acties die uit hoofde van de Instrumenten worden uitgevoerd.

Het verslag brengt ook informatie samen uit de relevante jaarverslagen over alle middelen die onder deze verordening vallen, waaronder externe bestemmingsontvangsten en bijdragen aan trustfondsen, uitgesplitst in uitgaven per begunstigd land, gebruik van financieringsinstrumenten, vastleggingen en betalingen.

Een eindevaluatieverslag over de periode van 2014 tot 2020 wordt door de Commissie opgesteld in het kader van de tussentijdse evaluatie van de volgende begrotingsperiode.

2.   Het tussentijds evaluatieverslag bedoeld in de eerste alinea van lid 1 wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad en gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen om de noodzakelijke wijzigingen in de Instrumenten en deze verordening aan te brengen.

3.   Aan de hand van de waarden van de indicatoren op 1 januari 2014 wordt beoordeeld in welke mate de doelstellingen zijn bereikt.

4.   De Commissie verplicht de partnerlanden om alle noodzakelijke gegevens te verstrekken aan de hand waarvan, overeenkomstig de internationale verbintenissen inzake de doeltreffendheid van hulp, het toezicht en de evaluatie van de betrokken maatregelen kan worden uitgevoerd.

5.   De resultaten en effecten op de langere termijn en de duurzaamheid van het effect van de Instrumenten worden beoordeeld volgens de geldende voorschriften en procedures voor toezicht, evaluatie en rapportage.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 11 maart 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 391 van 18.12.2012, blz. 110.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 maart 2014.

(3)  Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad).

(4)  Verordening (EU) nr. 235/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor democratie en mensenrechten in de wereld (zie bladzijde 85 van dit Publicatieblad).

(5)  Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument (zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(7)  Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) (zie bladzijde 11 van dit Publicatieblad).

(8)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument (zie bladzijde 77 van dit Publicatieblad).

(9)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(10)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(12)  Besluit nr. 1080/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot verlening van een EU-garantie voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen en leninggaranties voor projecten buiten de Unie en houdende intrekking van Besluit nr. 633/2009/EG (PB L 280 van 27.10.2011, blz. 1).

(13)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(14)  Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot instelling van „Erasmus+”: het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluit nr. 1719/2003/EG, Besluit nr. 1720/2003/EG en Besluit nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).

(15)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(16)  Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40).

(17)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(18)  Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259).

(19)  Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).

(20)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).

(21)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.12.1992, blz. 1).

(22)  De fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie, de overeenkomsten inzake vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen, uitbanning van gedwongen en verplichte arbeid, uitbanning van discriminatie bij arbeid en beroep en afschaffing van kinderarbeid.

(23)  Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de LGO met de Europese Economische Gemeenschap („LGO-besluit”) (PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1).


Verklaring van de Europese Commissie betreffende het gebruik van uitvoeringshandelingen voor de vaststelling van bepalingen voor de toepassing van bepaalde regels in Verordening nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument en in Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)

De Europese Commissie is van oordeel dat de uitvoeringsbepalingen voor de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking als vastgesteld in Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de financieringsinstrumenten van de Unie voor extern optreden en andere specifieke, meer gedetailleerde uitvoeringsbepalingen in Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument en in Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II), de basishandeling aanvullen en derhalve als gedelegeerde handelingen op basis van artikel 290 VWEU moeten worden aangenomen. De Europese Commissie zal zich niet verzetten tegen de aanneming van de door de medewetgevers overeengekomen tekst. Toch wijst de Europese Commissie erop dat de kwestie van de afbakening tussen de artikelen 290 en 291 VWEU momenteel bij het Hof van Justitie van de EU in behandeling is in de zaak „biociden”.


Verklaring van de Europese Commissie betreffende „terugbetalingen”

Overeenkomstig artikel 21, lid 5, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, is de Europese Commissie verplicht een begrotingsonderdeel voor interne bestemmingsontvangsten op te nemen in de ontwerpbegroting, en moet zij, voor zover mogelijk, een raming geven van dat bedrag.

De begrotingsautoriteit wordt jaarlijks in kennis gesteld van het bedrag van de geaccumuleerde middelen tijdens de begrotingsopmaak. De interne bestemmingsontvangsten worden slechts in de ontwerpbegroting opgenomen voor het bedrag dat zeker is.


Verklaring van het Europees Parlement betreffende de opschorting van de in het kader van de financiële instrumenten toegekende steun

Het Europees Parlement merkt op dat in Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020, Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument, Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een partnerschapsinstrument voor samenwerking met derde landen en Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II) geen uitdrukkelijke verwijzing is opgenomen naar de mogelijkheid om de steun op te schorten wanneer een begunstigd land de fundamentele beginselen van het betrokken instrument, en met name de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, niet naleeft.

Het Europees Parlement is van mening dat een eventuele opschorting van de in het kader van deze instrumenten verleende steun de volgens de gewone wetgevingsprocedure overeengekomen algemene financiële regeling zou wijzigen. Indien een dergelijk besluit zou worden genomen, heeft het Europees Parlement als medewetgever en tak van de begrotingsautoriteit het recht zijn prerogatieven in dat verband ten volle uit te oefenen.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

15.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 77/109


VERORDENING (EURATOM) Nr. 237/2014 VAN DE RAAD

van 13 maart 2013

tot vaststelling van een instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 203,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Instrument voor samenwerking inzake nucleaire veiligheid, opgericht bij Verordening (Euratom) nr. 300/2007 van de Raad (2) is één van de instrumenten die het externe beleid van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie rechtstreeks ondersteunen.

(2)

De Unie verleent veel economische, financiële, technische, humanitaire en macro-economische hulp aan derde landen. Deze verordening maakt deel uit van het kader dat is opgezet voor de planning van samenwerking en de hulpverlening ter ondersteuning van de inspanningen om een hoog niveau van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming te bevorderen, en de toepassing van efficiënte en effectieve veiligheidscontroles voor nucleair materiaal in derde landen te verbeteren.

(3)

De ramp in Tsjernobyl in 1986 heeft duidelijk gemaakt dat nucleaire veiligheid van mondiaal belang is. Door de ramp met de kerncentrale Fukushima Daiichi in 2011 is bevestigd dat het noodzakelijk is om de inspanningen ter verbetering van de nucleaire veiligheid voort te zetten totdat er aan de hoogst mogelijke normen wordt voldaan. Om veiligheidsvoorwaarden te scheppen waardoor de gevaren voor het leven en de gezondheid van de bevolking worden afgewend, dient de Gemeenschap de nucleaire veiligheid in derde landen te kunnen steunen.

(4)

Door samen met de lidstaten op basis van gemeenschappelijke beleidsmaatregelen en strategieën te handelen, beschikt alleen de Unie over de kritische massa die nodig is om op mondiale uitdagingen te kunnen reageren en verkeert zij tevens in de beste positie om de samenwerking met derde landen te coördineren.

(5)

Bij Besluit 1999/819/Euratom van de Commissie (3) is de Gemeenschap toegetreden tot het Verdrag inzake nucleaire veiligheid van 1994. Bij Beschikking 2005/510/Euratom van de Commissie (4) is de Gemeenschap ook toegetreden tot het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval.

(6)

Met het oog op het in stand houden en bevorderen van een continue verbetering van de nucleaire veiligheid en de bijbehorende regelgeving, heeft de Raad Richtlijn 2009/71/Euratom (5)vastgesteld. Daarnaast heeft de Raad op 19 juli 2011 Richtlijn 2011/70/Euratom (6) vastgesteld. Deze richtlijnen vormen, samen met de hoge normen voor nucleaire veiligheid en voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstof zoals die in de Gemeenschap ten uitvoer zijn gelegd, goede voorbeelden om derde landen aan te sporen vergelijkbare hoge normen vast te stellen.

(7)

Het bevorderen van samenwerking met opkomende economieën, zowel op het gebied van de regelgeving als op andere gebieden, en het promoten van de aanpak, regels, normen en praktijken van de Unie, maken deel uit van de externe-beleidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie.

(8)

De lidstaten van de Gemeenschap zijn partij bij het Non-proliferatieverdrag en het aanvullend protocol.

(9)

De Gemeenschap werkt reeds, overeenkomstig hoofdstuk 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het „Euratom-Verdrag”), nauw samen met de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA), zowel op het gebied van de nucleaire veiligheidscontroles, ter bevordering van de doelstellingen van titel II, hoofdstuk 7, van het Euratom-Verdrag, als op het gebied van de nucleaire veiligheid.

(10)

Een aantal internationale organisaties en programma's streven doelstellingen na die gelijkaardig zijn aan de doelstellingen in deze verordening, zoals het IAEA, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling/ Agentschap voor kernenergie (OESO/NEA), de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en het Milieupartnerschap voor de Noordelijke Dimensie (NDEP).

(11)

Het is in het bijzonder van belang voor de Gemeenschap om haar inspanningen ter ondersteuning van effectieve veiligheidsc