ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2014.071.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 71

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
12 maart 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 238/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

1

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2014/129/GBVB van de Raad van 10 maart 2014 met het oog op de bevordering van het Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie, ter ondersteuning van de uitvoering van een EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens

3

 

*

Besluit 2014/130/GBVB van de Raad van 10 maart 2014 tot verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Sahelregio

14

 

 

2014/131/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 10 maart 2014 betreffende een financiële bijdrage van de Unie in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van bluetongue in Duitsland in 2007 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 1444)

18

 

 

2014/132/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 11 maart 2014 tot vaststelling van de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het Europees netwerk voor luchtverkeersbeheer en de alarmdrempels voor de tweede referentieperiode 2015-2019 ( 1 )

20

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 238/2014 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2014.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

78,5

TN

86,3

TR

92,8

ZZ

85,9

0707 00 05

MA

182,1

TR

157,2

ZZ

169,7

0709 91 00

EG

45,1

ZZ

45,1

0709 93 10

MA

39,1

TR

100,0

ZZ

69,6

0805 10 20

EG

46,8

IL

67,4

MA

50,0

TN

53,6

TR

61,4

ZZ

55,8

0805 50 10

TR

68,0

ZZ

68,0

0808 10 80

CL

134,9

CN

111,8

MK

30,8

US

207,8

ZZ

121,3

0808 30 90

AR

105,1

CL

188,7

CN

68,3

TR

158,2

US

132,7

ZA

99,5

ZZ

125,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

12.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/3


BESLUIT 2014/129/GBVB VAN DE RAAD

van 10 maart 2014

met het oog op de bevordering van het Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie, ter ondersteuning van de uitvoering van een EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 26, lid 2, en artikel 31, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (hierna „de EU-MVW-non-proliferatiestrategie” genoemd) aangenomen, waarvan hoofdstuk III een lijst bevat van maatregelen die zowel in de Unie als in derde landen moeten worden getroffen.

(2)

De Unie geeft momenteel actief uitvoering aan de EU-MVW-non-proliferatiestrategie en aan de in hoofdstuk III ervan genoemde maatregelen, zoals het opzetten van de noodzakelijke structuren binnen de Unie.

(3)

De Raad heeft op 8 december 2008 conclusies aangenomen, alsmede een document getiteld „Nieuwe actielijnen voor de Europese Unie in de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor” (hierna „de nieuwe actielijnen” genoemd) waarin gesteld wordt dat proliferatie van MVW nog steeds een van de grootste veiligheidsproblemen vormt en dat het non-proliferatiebeleid een essentieel onderdeel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) is.

(4)

In de nieuwe actielijnen verzoekt de Raad de bevoegde Raadsformaties en -organen, de Commissie, de overige instellingen en de lidstaten een concreet vervolg aan dat document te geven.

(5)

In de nieuwe actielijnen onderstreept de Raad dat het optreden van de Unie ter voorkoming van proliferatie baat kan hebben bij de ondersteuning door een niet-gouvernementeel netwerk inzake non-proliferatie, waarin instellingen voor buitenlands beleid en onderzoekscentra die gespecialiseerd zijn in de strategische domeinen van de Unie, worden samengebracht en dat verankerd is in reeds bestaande nuttige netwerken. Dit netwerk kan worden uitgebreid tot instellingen in derde landen waarmee de Unie een specifieke dialoog inzake non-proliferatie voert.

(6)

De Europese Raad heeft op 15 en 16 december 2005 de EU-strategie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor (hierna „de EU-SALW-strategie” genoemd) aangenomen, waarin de richtsnoeren voor het optreden van de Unie op het gebied van SALW staan. In het kader van de EU-SALW-strategie worden de illegale handel in en de buitensporige accumulatie van SALW en munitie daarvoor aangemerkt als een ernstige bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid.

(7)

Een van de doelstellingen van de EU-SALW-strategie is het in de hand werken van een echte multilaterale aanpak bij de ontwikkeling van internationale, regionale en interne mechanismen in de Unie en haar lidstaten tegen het aanbod en de destabiliserende verspreiding van SALW en munitie daarvoor.

(8)

Op 26 juli 2010 heeft de Raad Besluit 2010/430/GBVB (1) vastgesteld, waarbij een Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie in het leven werd geroepen, en waarin werd bepaald dat de technische uitvoering van dat besluit zal gebeuren door het EU-Consortium non-proliferatie (hierna het „Consortium” genoemd).

(9)

De keuze voor het Consortium als enige ontvanger van subsidie is in dit geval gerechtvaardigd omdat de Unie de wens koestert om - met steun van haar lidstaten - voort te gaan met de vruchtbare samenwerking met een netwerk van Europese denktanks welke bijdraagt tot de totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese non-proliferatie- en ontwapeningscultuur en de Unie terzijde staat bij de uitwerking en vormgeving van haar beleid op deze gebieden en bij de vergroting van de zichtbaarheid van de Unie. Gelet op het karakter van het Consortium, dat zijn bestaan dankt aan de Unie en geheel afhankelijk is van steun van de Unie, is een financiering van 100 % in dit verband vereist. Het Consortium beschikt niet over eigen financiële middelen of over de wettige bevoegdheid om andere middelen te verwerven. Daar komt bij dat het Consortium, los van de vier met het beheer belaste denktanks, een netwerk tot stand heeft gebracht van meer dan zestig denktanks en onderzoekscentra, waarin vrijwel de gehele niet-gouvernementele expertise in de Unie is gebundeld.

(10)

Tot nu toe heeft het Consortium twee uniale studiebijeenkomsten van deskundigen georganiseerd (te Brussel in mei 2011 en juni 2013) en twee grote internationale non-proliferatieconferenties (te Brussel in februari 2012 en september/oktober 2013), terwijl op zijn website 31 gespecialiseerde beleidsdocumenten zijn geplaatst. De website zag het licht in het voorjaar van 2011 en is sindsdien regelmatig geactualiseerd, onder meer via een tweemaandelijkse e-nieuwsbrief, nonproliferation.eu. Sinds de aanvang hebben meer dan zestig onafhankelijke Europese denktanks zich bij het Consortium aangesloten.

(11)

Bij Besluiten 2010/799/GBVB (2) en 2012/422/GBVB (3) van de Raad is het Consortium belast met de organisatie van twee studiebijeenkomsten ter bevordering van een proces van vertrouwensopbouw dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen, die plaatsvonden te Brussel in juli 2011 en november 2012. Voorts is het Consortium bij Besluit 2013/43/GBVB (4) van de Raad belast met de organisatie van twee besloten studiebijeenkomsten met het oog op de succesvolle afronding van de onderhandelingen over een Wapenhandelsverdrag tijdens de VN-conferentie van maart 2013.

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Met het oog op een verbeterde toepassing van de EU-MVW-non-proliferatiestrategie, die gebaseerd is op effectief multilateralisme, preventie en samenwerking met derde landen, wordt de verdere bevordering en ondersteuning van het Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie met drie jaar verlengd, met het oog op de volgende doelstellingen:

a)

bevorderen van de politieke en veiligheidsgerelateerde dialoog en de langetermijndiscussie over maatregelen voor de bestrijding van de proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor in de civiele samenleving, en meer bepaald onder deskundigen, onderzoekers en academici;

b)

de deelnemers aan de betrokken voorbereidende instanties van de Raad de gelegenheid bieden het netwerk te consulteren over met non-proliferatie verband houdende vraagstukken en de vertegenwoordigers van de lidstaten in staat te stellen aan de vergaderingen van het netwerk deel te nemen;

c)

een nuttige opstap vormen voor non-proliferatieactiviteiten van de Unie en de internationale gemeenschap, met name door de vertegenwoordigers van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) rapporten en/of aanbevelingen te verstrekken;

d)

derde landen meer bewust helpen maken van de problemen van proliferatie en van de noodzaak van samenwerking met de Unie en in multilaterale fora, met name de Verenigde Naties, teneinde zorgwekkende proliferatieprogramma’s wereldwijd te voorkomen, te ontmoedigen, te stoppen en waar mogelijk geheel te elimineren;

e)

het leveren van een bijdrage tot de ontwikkeling van expertise en institutionele capaciteit op het gebied van non-proliferatie en ontwapening binnen denktanks en overheden in de Unie en in derde landen.

2.   In het licht van de EU-SALW-strategie beperken de werkzaamheden van het netwerk van onafhankelijke Europese denktanks inzake non-proliferatie zich niet tot vraagstukken in verband met de door de proliferatie van MVW en hun overbrengingsmiddelen veroorzaakte dreiging, maar hebben zij ook betrekking op kwesties die met conventionele wapens, zoals SALW, te maken hebben. Dat het netwerk zich ook met conventionele wapens zal bezighouden, biedt een uitstekend handvat voor dialoog en aanbevelingen voor optreden van de Unie op dit gebied, binnen het kader van de uitvoering van de EU-SALW-strategie en het Uniebeleid inzake conventionele wapens.

3.   In deze context hebben de door de Unie te steunen projecten betrekking op de volgende specifieke activiteiten:

a)

het verschaffen van middelen voor de organisatie van drie jaarlijkse consultatieve vergaderingen en maximaal zeven ad-hocstudiebijeenkomsten voor deskundigen en mensen uit de praktijk over de gehele non-proliferatie- en ontwapeningsproblematiek, met betrekking tot zowel niet-conventionele als conventionele wapens, met het oog op het voorleggen van rapporten en/of aanbevelingen aan de vertegenwoordigers van de HV;

b)

het opzetten van een helpdeskfaciliteit binnen het Consortium, om ad-hocexpertise aan te bieden inzake vragen met betrekking tot de gehele non-proliferatie- en ontwapeningsproblematiek, ten aanzien van zowel niet-conventionele als conventionele wapens, met een antwoordtermijn van twee weken;

c)

het verschaffen van de middelen voor het houden van drie grote jaarlijkse conferenties over non-proliferatie en ontwapening met derde landen en het maatschappelijk middenveld, om internationaal de EU-WHV-non-proliferatiestrategie en de EU-SALW-strategie te propageren, evenals de rol op dit gebied van de instellingen van de Unie en de denktanks in de Unie, met het oogmerk het Uniebeleid op dit gebied zichtbaarder te maken en rapporten en/of aanbevelingen aan de vertegenwoordigers van de HV voor te leggen;

d)

het verschaffen van middelen voor het beheer en de ontwikkeling van een internetplatform ter facilitering van de contacten en ter bevordering van dialoog over onderzoek binnen het netwerk van denktanks die analyses maken van thema's inzake de preventie van de proliferatie van MVW en conventionele wapens, inclusief SALW, alsmede voor de opleiding van een nieuwe generatie van non-proliferatie- en ontwapeningsdeskundigen;

e)

het verschaffen van middelen om aan de problematiek van non-proliferatie een grotere bekendheid te geven en het ontwikkelen, binnen denktanks en bij de overheden in de Unie en in derde landen, van de deskundígheid en institutionele capaciteit op dat gebied;

f)

zich buigen over aangelegenheden die door de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) worden voorgesteld in het kader van de totale onderzoeksactiviteiten van het Consortium.

In de bijlage gaat een nadere omschrijving van bovenbedoelde projecten.

Artikel 2

1.   De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit.

2.   Met de technische uitvoering van de projecten waarin de in artikel 1, lid 3, bedoelde activiteiten vorm krijgen is het EU-Consortium non-proliferatie belast, gebaseerd op de „Fondation pour la recherche stratégique” (FRS), het „Peace Research Institute Frankfurt” (HSFK/PRIF), het Internationaal Instituut voor strategische studies (IISS) en het Internationaal Instituut voor vredesonderzoek van Stockholm (SIPRI). Het Consortium voert deze taak uit onder verantwoordelijkheid van de HV. De HV treft daartoe de nodige voorzieningen met het Consortium.

3.   De lidstaten en de EDEO doen voorstellen met betrekking tot prioriteiten en punten van bijzonder belang die beoordeeld moeten worden in het kader van de onderzoeksprogramma's van het Consortium, welke behandeld moeten worden in werkdocumenten en tijdens studiebijeenkomsten, overeenkomstig het Uniebeleid.

Artikel 3

1.   Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de projecten waarin de in artikel 1, lid 3, bedoelde activiteiten vorm krijgen bedraagt 3 600 000 EUR.

2.   De financiering van de in lid 1 gespecificeerde uitgaven wordt beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.

3.   De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Hiertoe sluit zij een financieringsovereenkomst met het Consortium. In de overeenkomst wordt bepaald dat het Consortium er zorg voor moet dragen dat de Uniebijdrage zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.

4.   De Commissie streeft ernaar de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.

Artikel 4

1.   De HV brengt verslag uit aan de Raad over de toepassing van dit besluit op basis van de regelmatige rapporten van het Consortium. Deze rapporten vormen de basis voor de evaluatie door de Raad.

2.   De Commissie brengt verslag uit over de uitvoering van de in artikel 1, lid 3, bedoelde projecten.

Artikel 5

1.   Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

2.   Het loopt af 36 maanden na de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst.

Het loopt echter af zes maanden nadat het in werking is getreden indien de financieringsovereenkomst niet voor die tijd is gesloten.

Gedaan te Brussel, 10 maart 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. VROUTSIS


(1)  Besluit 2010/430/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 tot instelling van een Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie ter ondersteuning van de uitvoering van een EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (PB L 202 van 4.8.2010, blz. 5).

(2)  Besluit 2010/799/GBVB van de Raad van 13 december 2010 ter bevordering van een proces van vertrouwensopbouw dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen, ter ondersteuning van de uitvoering van de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (PB L 341 van 23.12.2010, blz. 27).

(3)  Besluit 2012/422/GBVB van de Raad van 23 juli 2012 ter bevordering van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens (PB L 196 van 24.7.2012, blz. 67).

(4)  Besluit 2013/43/GBVB van de Raad van 22 januari 2013 betreffende voortgezette activiteiten van de Unie in het kader van de Europese veiligheidsstrategie ter ondersteuning van de onderhandelingen over het Wapenhandelsverdrag (PB L 20 van 23.01.2013, blz. 53).


BIJLAGE

EUROPEES NETWERK VAN ONAFHANKELIJKE DENKTANKS INZAKE NON-PROLIFERATIE, TER ONDERSTEUNING VAN DE UITVOERING VAN EEN EU-STRATEGIE TEGEN DE VERSPREIDING VAN MASSAVERNIETIGINGSWAPENS (EU-MVW-NON-PROLIFERATIESTRATEGIE)

1.   Doelen

Doel van dit besluit is de bevestiging en verdere implementatie van de beleidsaanbeveling die de Raad op 8 december 2008 heeft vastgesteld in een document getiteld „Nieuwe actielijnen voor de Europese Unie in de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor”. Volgens dat document kan het optreden van de Unie ter voorkoming van proliferatie baat hebben bij de ondersteuning door een niet-gouvernementeel netwerk inzake non-proliferatie waarin instellingen voor buitenlands beleid en onderzoekscentra die gespecialiseerd zijn in de strategische domeinen van de Unie, worden samengebracht en dat verankerd is in reeds bestaande nuttige netwerken. Dit netwerk kan worden uitgebreid tot instellingen in derde landen waarmee de Unie een specifieke dialoog inzake non-proliferatie voert.

Dit netwerk van onafhankelijke denktanks voor non-proliferatie zou ook in de toekomst de politieke en veiligheidsgerelateerde dialoog bevorderen, alsmede de langetermijndiscussie in de civiele samenleving, en meer bepaald onder deskundigen, onderzoekers en academici over maatregelen voor de bestrijding van de proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, een impuls geven.

De werkzaamheden van het netwerk dienen te worden uitgebreid tot kwesties die met conventionele wapens, waaronder SALW, te maken hebben, daaronder begrepen maatregelen om de continue uitvoering van de EU-strategie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in SALW en de munitie daarvoor te bewerkstelligen. Dankzij dit netwerk kunnen nieuwe dimensies van het optreden van de Unie worden ontwikkeld, die zowel de preventieve als de repressieve kant van met conventionele wapens verband houdende veiligheidsaspecten omvatten, onder meer illegale handel in en de buitensporige accumulatie van SALW en munitie daarvoor, zoals bepaald in de desbetreffende EU-strategie. Het voorkómen van de illegale en ongereguleerde handel in conventionele wapens, waaronder SALW, is ook onderkend als prioriteit van de Unie in het kader van het proces voor een wapenhandelsverdrag.

Het netwerk zou ertoe kunnen bijdragen derde landen meer bewust te maken van de problemen rond MVW-proliferatie en conventionele wapens, onder meer de illegale handel in en buitensporige accumulatie van SALW en munitie daarvoor en van de noodzaak van samenwerking met de Unie en in multilaterale fora, met name de VN, teneinde zorgwekkende proliferatieprogramma’s wereldwijd te voorkomen, te ontmoedigen, te stoppen en waar mogelijk geheel te elimineren.

De Unie wil dit netwerk als volgt ondersteunen:

door het regelmatig organiseren van EU-studiebijeenkomsten alsmede, indien nodig, ad-hocvergaderingen van diplomaten en universitaire deskundigen over belangrijke gebeurtenissen en vraagstukken op het gebied van MVW- en SALW-non-proliferatie en -ontwapening, met het oog op het voorleggen van rapporten en/of aanbevelingen aan de vertegenwoordigers van de HV;

door het organiseren van grote jaarlijkse conferenties en, indien nodig, voorbereidende vergaderingen met het oog op de voorlegging van rapporten en/of aanbevelingen aan de vertegenwoordigers van de HV;

door het verder onderhouden, beheren en ontwikkelen van een internetplatform en daarmee verbonden sociale netwerken om contacten te bevorderen en de onderzoeksdialoog in het netwerk van non-proliferatie-denktanks te stimuleren;

door het faciliteren van competentie en de overdracht van knowhow betreffende het non-proliferatie- en ontwapeningsbeleid van de EU binnen de Unie en naar derde landen.

2.   Organisatie van het netwerk

Dit netwerk staat open voor alle betrokken denktanks en onderzoeksinstellingen van de Unie en de geassocieerde landen, en eerbiedigt ten volle de verscheidenheid aan opvattingen in de Unie.

Het netwerk moet ook in de toekomst contacten tussen niet-gouvernementele deskundigen, vertegenwoordigers van de lidstaten en de instellingen van de Unie faciliteren. Het netwerk moet gereed zijn om samen te werken met niet-gouvernementele actoren uit derde landen, conform de EU-MVW- en EU-SALW-strategieën, die gebaseerd zijn op multilateralisme en internationale samenwerking. Tot de taakomschrijving van het netwerk behoren non-proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, ontwapening, en kwesties die met conventionele wapens, waaronder SALW, te maken hebben.

De deelnemers aan de betrokken voorbereidende instanties van de Raad (CODUN/CONOP/COARM enz.) zullen het netwerk kunnen consulteren over thema’s die met non-proliferatie en conventionele wapens, waaronder SALW, verband houden, en hun vertegenwoordigers kunnen de vergaderingen van het netwerk bijwonen. Indien haalbaar, kunnen de vergaderingen van het netwerk in aansluiting met de vergaderingen van de werkgroepen worden gehouden.

Het netwerk zal ook in de toekomst onder leiding staan van het EU-Consortium non-proliferatie, dat gebaseerd is op FRS, HSFK/PRIF, IISS en SIPRI, en belast zal zijn met het beheer van het project, in nauwe samenwerking met de vertegenwoordigers van de HV.

In overleg met de vertegenwoordigers van de HV en de lidstaten zal het Consortium deelnemers die over expertise beschikken inzake het non-proliferatie- en ontwapeningsbeleid ten aanzien van MVW en conventionele wapens, uitnodigen voor studiebijeenkomsten van deskundigen en voor grote jaarlijkse conferenties, alsmede tot het delen van hun publicaties en activiteiten op de speciale website.

3.   Beschrijving van de projecten

3.1.   Project 1: Het jaarlijks organiseren van drie consultatieve vergaderingen en maximaal zeven studiebijeenkomsten voor diplomaten en deskundigen uit de academische wereld, uitmondend in een rapport en/of aanbevelingen

3.1.1.   Doel van het project

Het doel van de jaarlijkse consultatieve vergaderingen en ad-hocstudiebijeenkomsten is het bevorderen van een veiligheidsgerelateerde dialoog tussen deskundigen, functionarissen en universitaire deskundigen van de Unie over de bestaande uitdagingen met betrekking tot non-proliferatie en ontwapening op het gebied van MVW, de overbrengingsmiddelen ervoor en conventionele wapens, waaronder SALW. De studiebijeenkomsten moeten voorts de samenwerking bevorderen in het kader van het Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie die in de lidstaten van de Unie zijn gevestigd.

3.1.2.   Resultaten van het project

Informatieuitwisseling en analyse van de huidige proliferatietrends door mensen uit de beleidspraktijk en universitaire deskundigen uit de lidstaten, alsmede gespecialiseerd personeel van de EDEO en andere instellingen van de Unie;

Discussie over de beste manieren en middelen voor het implementeren van het Uniebeleid ter bestrijding van proliferatie;

Bevorderen van een Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie;

Het leveren van constructieve feedback aan de Unie met betrekking tot haar proliferatiebestrijdingsstrategieën voor MVW en SALW door onafhankelijke EU-denktanks, alsmede suggesties van mensen uit de praktijk aan de denktanks met betrekking tot de meest beleidsrelevante onderwerpen voor verder onderzoek;

Bepaling van de relevante vraagstukken op het gebied van non-proliferatie en ontwapening ten behoeve van beleidsgeoriënteerde rapporten;

De opstelling van beleidsgeoriënteerde rapporten, vergezeld van een reeks actiegerichte aanbevelingen aan de vertegenwoordigers van de HV. Deze verslagen zouden verspreid moeten worden onder de betrokken instellingen van de Unie en de lidstaten.

3.1.3.   Omschrijving van het project

Het project voorziet in de organisatie van jaarlijks drie consultatieve vergaderingen en maximaal zeven ad-hocstudiebijeenkomsten, alsmede de opstelling van rapporten en/of aanbevelingen in dat verband.

De agenda voor deze evenementen wordt opgesteld in nauwe samenwerking met 's Raads GBVB-groepen op het gebied van non-proliferatie en ontwapening (CODUN/CONOP/CODUN Space), overdrachten van SALW en conventionele wapens (COARM en COARM ATT). Tijdens de studiebijeenkomsten moeten uitdagingen voor de Unie op zowel de korte als de middellange termijn aan de orde komen met betrekking tot non-proliferatie en ontwapening, en wel in de volgende wapencategorieën: MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, conventionele wapens met inbegrip van SALW, en nieuwe types wapens en nieuwe overbrengingsmiddelen. Daarbij moeten besluitvormers van de Unie in het bijzonder de gelegenheid hebben zich te concentreren op de uitdagingen en ontwikkelingen met betrekking tot deze wapens op de langere termijn, alsmede op andere vraagstukken, buiten het kader van hun dagelijkse activiteiten.

De jaarlijkse consultatieve vergaderingen duren anderhalve dag; er is voorzien in de deelname van maximaal honderd personen uit EU-denktanks, lidstaten en instellingen van de Unie, die gespecialiseerd zijn in vraagstukken op het gebied van non-proliferatie en conventionele wapens, met inbegrip van SALW. Deze studiebijeenkomsten zijn voornamelijk bedoeld als platform voor overleg tussen de EU-non-proliferatiedenktanks, de Unie en haar lidstaten.

De ad-hocstudiebijeenkomsten duren ten hoogste twee dagen; het ligt in de bedoeling dat daaraan door maximaal 45 personen wordt deelgenomen; hierover wordt per geval beslist. Deze studiebijeenkomsten moeten vooral gelegenheid bieden voor overleg tussen de EU-non-proliferatiedenktanks, de Unie en haar lidstaten om zich, op ad-hocbasis, te beraden op belangrijke evenementen en beleidsopties van de Unie; ook moeten zij de EU-denktanks, de lidstaten en de instellingen van de Unie de mogelijkheid bieden welbepaalde publieksgroepen binnen en buiten de Unie te bereiken.

De jaarlijkse consultatieve vergaderingen zouden te Brussel moeten plaatsvinden, terwijl maximaal drie ad-hocvergaderingen van deskundigen buiten de Unie gehouden zouden kunnen worden.

3.2.   Project 2: Organisatie van een jaarlijkse grote conferentie, met een verslag en/of aanbevelingen

3.2.1.   Doel van het project

De bedoeling is dat in de grote jaarlijkse non-proliferatie- en ontwapeningconferenties, waaraan zal worden deelgenomen door overheidsdeskundigen en onafhankelijke denktanks en andere specialisten uit de academische wereld van de Unie en de geassocieerde landen alsmede derde landen, verdere maatregelen worden besproken en in kaart gebracht ter bestrijding van de proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor en de daarmee verbonden ontwapeningsdoelstellingen, alsmede om problemen in verband met conventionele wapens aan te pakken, onder meer het tegengaan van illegale handel en de buitensporige accumulatie van SALW en munitie daarvoor. De jaarlijkse conferentie is het meest prominente evenement in het kader van het project, en zal meer internationale aandacht genereren voor de EU-MVW-non-proliferatiestrategie en de inspanningen die de instellingen van de Unie zich voor de implementatie ervan getroosten, alsmede voor de desbetreffende werkzaamheden van onafhankelijke denktanks en universitaire deskundigen in de lidstaten.

De jaarlijkse conferenties zullen ook de gelegenheid bieden om de rol en de cohesie te bevorderen van de Europese denktanks die actief zijn op aan non-proliferatie gerelateerde gebieden, en zullen bijdragen tot de vergroting van de capaciteit van deze en andere instellingen, ook in delen van de wereld waar geen grote deskundigheid met betrekking tot non-proliferatie voorhanden is.

Tijdens de jaarlijkse conferenties en de voorbereidende vergaderingen zal de aandacht uitgaan naar afzonderlijke, aan non-proliferatie gerelateerde vraagstukken die relevant zijn voor het werk van de EDEO. Op basis van deze besprekingen en andere werkzaamheden onder auspiciën van het Consortium, worden beleidsgerichte rapporten en een pakket actiegerichte aanbevelingen opgesteld ten behoeve van de vertegenwoordigers van de HV. Het rapport zou verspreid worden onder de betrokken instellingen van de Unie en de lidstaten, en online beschikbaar worden gesteld.

3.2.2.   Resultaten van het project

Het in het leven roepen van een grote, door Europa geleide internationale non-proliferatie- en ontwapeningsconferentie die het belangrijkste forum wordt voor het bevorderen van maatregelen voor de bestrijding van de proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor en van de daarmee verbonden ontwapeningsdoelstellingen met het oog op het aanpakken van problemen in verband met conventionele wapens, onder meer het tegengaan van illegale handel en de buitensporige accumulatie van SALW en munitie daarvoor;

Vergroting van de zichtbaarheid en bekendheid van het non-proliferatiebeleid van de Unie ten aanzien van MVW en SALW en van haar optreden ten aanzien van chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) middelen onder overheidsfunctionarissen, universitaire deskundigen en het maatschappelijk middenveld van derde landen;

Bevorderen van de rol en de samenhang van het Europees netwerk van onafhankelijke denktanks inzake non-proliferatie alsmede van de rol van de Unie op dit gebied, en het opbouwen van non-proliferatie-expertise in landen waar die tekortschiet, met inbegrip van derde landen;

Indienen van beleidsgeoriënteerde rapporten en/of actiegerichte aanbevelingen die de uitvoering van de EU-MVW- en de EU-SALW-strategieën verbeteren en een nuttige opstap vormen voor activiteiten inzake non-proliferatie en conventionele wapens van de Unie en de internationale gemeenschap;

De instellingen van de Unie, de lidstaten, de civiele samenleving en derde landen meer besef en kennis bijbrengen over de dreiging die uitgaat van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, zodat zij beter kunnen anticiperen.

3.2.3.   Omschrijving van het project

Het project behelst de organisatie van twee grote jaarlijkse conferenties, zo nodig met voorbereidende vergaderingen, en het opstellen van bijbehorende rapporten en/of aanbevelingen:

Een jaarlijkse conferentie van anderhalve dag in Brussel, waaraan wordt deelgenomen door maximaal driehonderd deskundigen afkomstig van denktanks en de academische wereld en de overheden van de Unie en van de geassocieerde staten alsmede van derde landen, gespecialiseerd in non-proliferatie, ontwapening, wapenbeheersing en vraagstukken met betrekking tot conventionele wapens, met inbegrip van SALW;

Aandacht voor de opleiding van specialisten "van de volgende generatie", ook uit landen buiten Europa en Noord-Amerika, die zullen worden uitgenodigd voor een extra dag voorafgaand aan of na afloop van de conferentie, voor gespecialiseerde opleiding en contacten met relevante instellingen van de Unie;

Beleidsgeoriënteerde rapporten en/of actiegerichte aanbevelingen die de uitvoering van de EU-MVW- en de EU-SALW-strategieën een impuls zouden geven.

3.3.   Project 3: Opzetten en beheren van een helpdeskfaciliteit

3.3.1.   Doel van het project

Het opzetten en beheren van een helpdeskfaciliteit binnen het Consortium, welke ad-hocexpertise beschikbaar kan stellen voor vraagstukken in verband met het gehele scala aan non-proliferatie- en ontwapeningsvraagstukken, waaronder zowel niet-conventionele als conventionele wapens, zal een bijdrage leveren tot en behulpzaam zijn bij de vormgeving van het EDEO-beleidsoptreden met betrekking tot specifieke en dringende aangelegenheden.

3.3.2.   Resultaten van het project

Het beheer van ad-hoconderzoeksverzoeken, met een antwoordtermijn van twee weken, betreffende specifieke aangelegenheden, op verzoek van de EDEO;

Het bevorderen van een ad-hocdialoog over specifieke onderwerpen tussen de denktanks van het Consortium en de EDEO;

De EDEO in de gelegenheid stellen om op basis van de ad-hocexpertise en de voor onderzoek beschikbaar gestelde middelen van het Consortium in te gaan op verzoeken betreffende de korte termijn en inzake geïsoleerde gevallen.

3.3.3.   Omschrijving van het project

Het project zal, steeds binnen een termijn van twee weken, maximaal twintig deskundigenpapers van vijf à tien bladzijden opleveren over actuele non-proliferatie- en ontwapeningsaangelegenheden, op verzoek van de EDEO en op basis van een inventarisatie van bestaande wetenschappelijke literatuur (geen oorspronkelijk onderzoekswerk).

3.4.   Project 4: Beheer en ontwikkeling van een internetplatform

3.4.1.   Doel van het project

Het onderhouden en ontwikkelen van een internetwebsite zal de contacten in de periode tussen de vergaderingen van het netwerk vergemakkelijken en de dialoog over onderzoek tussen de non-proliferatie-denktanks stimuleren. De instellingen van de Unie en de lidstaten kunnen ook baat hebben bij een gespecialiseerde website waar de deelnemers aan het netwerk vrijelijk informatie en ideeën kunnen uitwisselen, hun studies kunnen publiceren over non-proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor en conventionele wapens, waaronder SALW. De website zal ook in de toekomst gecombineerd worden met een elektronische nieuwsbrief. Het project moet online een vervolg geven aan de evenementen en een venster voor Europees onderzoek bieden. Het moet mede leiden tot een efficiënte verspreiding van onderzoeksresultaten binnen de denktank-gemeenschap en in overheidskringen. Daardoor zal beter worden geanticipeerd op en zal er betere kennis zijn over de dreigingen die verband houden met de proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, en met conventionele wapens, onder meer de illegale handel in en de buitensporige accumulatie van SALW en de munitie daarvoor.

3.4.2.   Resultaten van het project

Een platform beheren waar non-proliferatie-denktanks hun onafhankelijke standpunten en analysen over met de proliferatie van MVW en conventionele wapens, waaronder SALW, verband houdende thema’s, te allen tijde kunnen delen;

De uitbouw, het beheer en de actualisering van het huidige netwerk van onafhankelijke denktanks;

Een beter begrip van de strategieën van de Unie tegen de verspreiding van MVW en SALW binnen het maatschappelijk middenveld bevorderen en een interface vormen tussen de Unie en het netwerk van denktanks;

Het te allen tijde gratis downloaden mogelijk maken van documenten over de vergaderingen van het netwerk en van onafhankelijke denktanks die hun onderzoeksresultaten willen delen zonder financiële tegenprestatie;

De instellingen van de Unie, de lidstaten, het maatschappelijk middenveld en derde landen meer besef en kennis bijbrengen over de dreiging die uitgaat van conventionele wapens, MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, zodat zij beter kunnen anticiperen.

3.4.3.   Omschrijving van het project

Indien haalbaar en wenselijk kan het gebruik van technologie van het facebook-type worden ontwikkeld, teneinde actieve onlinecommunicatie en de uitwisseling van informatie tussen de deelnemers aan het netwerk in een vertrouwd milieu mogelijk te maken.;

Het Consortium, dat de leiding over het project heeft, wordt belast met webhosting, webontwerp en het technische onderhoud van de website;

Het Uniebeleid betreffende aangelegenheden op het gebied van MVW-proliferatie en conventionele wapens, met inbegrip van SALW, wordt gevolgd en gesteund met behulp van op regelmatige basis beschikbare passende documentatie;

Publicaties van het Consortium worden onder de aandacht gebracht en ondersteund door specifieke historische dossiers;

Aan door het Consortium georganiseerde conferenties wordt bekendheid gegeven op de website (achtergronddocumentatie, agenda, presentaties, indien mogelijk video-opname van openbare vergaderingen), via welke ook verspreiding plaatsvindt;

Tweemaandelijks verschijnt een e-nieuwsbrief met institutioneel non-proliferatienieuws van binnen de Unie; ook wordt hierin het wetenschappelijk werk van de onderzoekscentra van het netwerk gevolgd;

Maandelijks worden bijzondere verslagen gepubliceerd over specifieke onderwerpen met betrekking tot aangelegenheden op het gebied van MVW-proliferatie en conventionele wapens, met inbegrip van SALW.

3.5.   Project 5: Publicaties

3.5.1.   Doel van het project

Het produceren van maximaal twintig beleidsdocumenten over onderwerpen die verband houden met non-proliferatie van MVW, de overbrengingssystemen daarvoor, SALW en ontwapening;

Het aanbieden van informatie en een analyse ten behoeve van een politieke en veiligheidsgerelateerde dialoog over maatregelen ter bestrijding van de proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, met name door deskundigen, onderzoekers en wetenschappers;

Het aanbieden van een hulpmiddel waarvan de deelnemers in de betrokken voorbereidende Raadsinstanties zich kunnen bedienen om hun besprekingen over het non-proliferatiebeleid en de non-proliferatiepraktijken van de EU te stofferen;

Het aandragen van ideeën, informatie en een analyse die van nut kunnen zijn bij de uitwerking van non-proliferatiemaatregelen op Unieniveau.

3.5.2.   Resultaten van het project

Het versterken van de politieke en veiligheidsgerelateerde dialoog over maatregelen ter bestrijding van de proliferatie van MVW en de overbrengingsmiddelen daarvoor, vooral door deskundigen, onderzoekers en wetenschappers;

Het versterken van het bewustzijn, de kennis en het begrip in het maatschappelijk middenveld en binnen de overheden met betrekking tot vraagstukken in verband met het non-proliferatie- en het ontwapeningsbeleid van de EU;

Het aanbieden van politieke en/of operationele beleidsopties ten behoeve van de HV, de instellingen van de Unie en de lidstaten;

Het aandragen van ideeën, informatie en een analyse die van nut kunnen zijn bij de uitwerking van non-proliferatiemaatregelen op Unieniveau.

3.5.3.   Omschrijving van het project

Het project voorziet in de opstelling en publicatie van maximaal twintig beleidsdocumenten. Deze beleidsdocumenten worden opgesteld door of in opdracht van het Consortium en geven niet noodzakelijk de standpunten weer van de instellingen van de Unie of de lidstaten.

De beleidsdocumenten hebben betrekking op onderwerpen die onder het mandaat van het Consortium vallen. In elk document worden politieke en/of operationele beleidsopties geformuleerd.

Er wordt voor gezorgd dat formaat en stijl van de beleidsdocumenten deze toegankelijk en leesbaar maken voor de doelgroepen.

De beleidsdocumenten kunnen worden gepubliceerd op de website van het Consortium.

3.6.   Project 6: Onderwijs

3.6.1.   Doel van het project

Het creëren van capaciteit, onder de komende generatie van wetenschappers en mensen uit de praktijk, op het gebied van non-proliferatiebeleid en -programmering;

Het vergroten van de gedetailleerde kennis, in de Unie en in derde landen, omtrent het non-proliferatie- en ontwapeningsbeleid van de Unie;

De totstandbrenging van netwerken van jonge mensen uit de praktijk en wetenschappers op regionaal niveau, daar waar de Unie veel belang heeft bij non-proliferatie;

Vernieuwing en verruiming van de expertise met betrekking tot MVW- en SALW-vraagstukken in de Unie en haar partnerlanden;

De instellingen van de Unie, de lidstaten en het EU-non-proliferatienetwerk nieuwe ideeën en een nieuwe analyse betreffende non-proliferatie bieden.

3.6.2.   Resultaten van het project

Het leggen van de grondslagen voor de totstandbrenging van een online-onderwijsinstrument dat een modelcurriculum beschikbaar stelt met betrekking tot non-proliferatie en ontwapeningsaangelegenheden, en dat 24 maanden na het begin van de looptijd van het contract operationeel moet worden;

Vergroting van de capaciteiten, onder de komende generatie van wetenschappers en beroepsbeoefenaren, op het gebied van non-proliferatiebeleid en -programmering;

Een meer gedetailleerde kennis, in de Unie en in derde landen, omtrent het non-proliferatie- en ontwapeningsbeleid van de EU;

De totstandbrenging van netwerken van jonge mensen uit de praktijk en wetenschappers, alsmede het faciliteren van praktische samenwerking;

Grotere expertise inzake aangelegenheden op het gebied van non-proliferatie en ontwapening met betrekking tot MVW en SALW in de Unie en in derde landen;

Nieuwe input betreffende instellingen van de Unie, lidstaten, partnerlanden en het EU-non-proliferatienetwerk met betrekking tot non-proliferatie.

3.6.3.   Omschrijving van het project

In het kader van het project zou het Consortium maximaal 48 net afgestudeerden en jonge diplomaten een stage moeten aanbieden, ieder gedurende ten hoogste drie maanden. Tijdens de stage vinden lezingen en discussiebijeenkomsten plaats alsmede gestructureerd lezen („structured reading”), terwijl het project geïntegreerd wordt in ten minste twee van de instituten van het Consortium. Met het oog op de benodigde flexibiliteit kunnen kortere modules in het project worden opgenomen. Alle studenten ontvangen uitnodigingen voor de door het Consortium georganiseerde conferenties en studiebijeenkomsten.

Het uiteindelijke doel van het project is het leggen van de grondvesten voor een online-onderwijsinstrument waarin een modelcurriculum beschikbaar wordt gesteld voor aangelegenheden op het gebied van non-proliferatie en ontwapening. Dit online-onderwijsinstrument moet het gehele spectrum bestrijken van aangelegenheden met betrekking tot conventionele en niet-conventionele wapens, en moet aan verschillende doelgroepen kunnen worden aangepast (jonge diplomaten, journalisten, net afgestudeerden en postdocs, zowel uit Europa als van elders). Naargelang van de gevoeligheid van de inhoud kunnen passende veiligheidsmachtigingen vereist worden. Tevens moet er in het online-onderwijsinstrument ruimte zijn voor integratie in universitaire masterprogramma's; de standaardlengte moet bestaan uit 15 lessen waarin alle aspecten aan bod komen. Dit komt qua studiepunten overeen met een doctoraalcollege van een semester, en dekt ook de behoeften van andere publieksgroepen.

4.   Duur

De totale geschatte duur van de uitvoering van de projecten bedraagt 36 maanden.

5.   Begunstigden

5.1.   Directe begunstigden

De proliferatie van MVW door zowel staten als niet-gouvernementele actoren is zowel in de Europese veiligheidsstrategie als in de EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van MVW bestempeld als de potentieel belangrijkste bedreiging voor de veiligheid van de Unie. Evenzo vormen volgens de EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van MVW de illegale handel in en de buitensporige accumulatie van SALW en munitie daarvoor een ernstige bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid. De voorgestelde projecten dienen de doelstellingen van het GBVB en dragen bij tot het verwezenlijken van de in de Europese veiligheidsstrategie vastgestelde doelstellingen.

5.2.   Indirecte begunstigden

De indirecte begunstigden van dit project zijn:

a)

onafhankelijke denktanks en wetenschappers die gespecialiseerd zijn in met non-proliferatie en conventionele wapens verband houdende thema’s, waaronder SALW, uit de Unie en derde landen;

b)

instellingen van de Unie, met inbegrip van onderwijsinstellingen, studenten en alle andere personen aan wie het online-onderwijsinstrument ter beschikking wordt gesteld;

c)

lidstaten;

d)

derde landen.

6.   Deelneming door derde partijen

De projecten worden volledig gefinancierd krachtens dit besluit. Deskundigen van de netwerken mogen als deelnemende derde partijen worden beschouwd. Zij zullen hun werkzaamheden verrichten volgens hun standaardwerkwijze.

7.   Procedurele aspecten, coördinatie en het Stuurcomité

Het Stuurcomité voor dit project is samengesteld uit een vertegenwoordiger van de HV en van het in punt 8 van deze bijlage vermelde uitvoeringsorgaan. Het Stuurcomité zal de uitvoering van dit besluit regelmatig evalueren, ten minste elk half jaar, ook met behulp van elektronische communicatiemiddelen.

8.   Uitvoeringsorgaan

Met de technische uitvoering van dit besluit wordt het Consortium belast, dat zijn taken zal uitvoeren onder toezicht van de HV. Bij de uitvoering van zijn activiteiten werkt het Consortium samen met de HV, en de lidstaten en andere verdragsluitende staten en internationale organisaties, naargelang van het geval.


12.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/14


BESLUIT 2014/130/GBVB VAN DE RAAD

van 10 maart 2014

tot verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Sahelregio

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2, en artikel 33,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 maart 2013 heeft de Raad Besluit 2013/133/GBVB (1) tot benoeming van de heer Michel Dominique REVEYRAND - DE MENTHON tot speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie (SVEU) voor de Sahelregio vastgesteld. Het mandaat van de SVEU verstrijkt op 28 februari 2014.

(2)

Het mandaat van de SVEU dient met 12 maanden te worden verlengd.

(3)

De SVEU zal zijn mandaat uitvoeren in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie

1.   Het mandaat van de heer Michel Dominique REVEYRAND - DE MENTHON als SVEU voor de Sahelregio wordt verlengd voor de periode van 1 maart 2014 tot 28 februari 2015. Het mandaat van de SVEU kan eerder worden beëindigd, indien de Raad daartoe besluit, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV).

2.   Voor de toepassing van het mandaat van de SVEU wordt onder de Sahelregio verstaan het gebied waarop de EU-strategie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahelregio („de strategie”) zich voornamelijk richt, namelijk Mali, Mauritanië en Niger. In kwesties met bredere regionale implicaties zal de SVEU zich in verbinding stellen met andere landen en met regionale of internationale entiteiten buiten de Sahelregio, naargelang van het geval.

3.   Vanwege de noodzaak van een regionale aanpak van de met elkaar verband houdende uitdagingen waarmee de regio te kampen heeft, zal de SVEU voor de Sahelregio nauw overleg moeten voeren met andere betrokken SVEU's, met inbegrip van de SVEU in het zuidelijke Middellandse Zeegebied, de SVEU voor de mensenrechten en de SVEU bij de Afrikaanse Unie.

Artikel 2

Beleidsdoelstellingen

1.   Het mandaat van de SVEU is gebaseerd op de beleidsdoelstelling van de Unie met betrekking tot de Sahelregio, namelijk actief bijdragen aan de regionale en internationale inspanningen voor een duurzame vrede, veiligheid en ontwikkeling in de regio. Voorts zal de SVEU ernaar streven de kwaliteit, de intensiteit en het effect van het meervoudige engagement van de Unie in de Sahelregio te vergroten.

2.   DE SVEU zal bijdragen aan de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van de aanpak van de Unie, welke aanpak alle aspecten van het optreden van de Unie omvat, in het bijzonder op politiek, veiligheids- en ontwikkelingsgebied, met inbegrip van de strategie, en aan het coördineren van alle toepasselijke instrumenten voor acties van de Unie.

3.   De eerste prioriteiten zijn Mali en de stabilisatie ervan op de lange termijn en de regionale dimensies van het conflict aldaar.

4.   Wat Mali betreft, zijn de beleidsdoelstellingen van de Unie gericht op de gecoördineerde en doeltreffende inzet van al haar instrumenten om voor Mali en zijn bevolking een terugkeer te bevorderen naar de weg naar vrede, verzoening, veiligheid en ontwikkeling. De nodige aandacht wordt tevens aan Burkina Faso en aan Niger geschonken, vooral met het oog op de verkiezingen in die landen.

Artikel 3

Mandaat

1.   Ter verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie met betrekking tot de Sahelregio krijgt de SVEU het mandaat om:

a)

actief bij te dragen aan de tenuitvoerlegging, de coördinatie en de verdere ontwikkeling van de algemene aanpak door de Unie van de regionale crisis, uitgaande van haar strategie, met als doel de algemene samenhang en doeltreffendheid van de activiteiten van de Unie in de Sahelregio te vergroten, in het bijzonder in Mali;

b)

overleg te plegen met alle relevante belanghebbenden van de regio, regeringen, regionale autoriteiten, regionale en internationale organisaties, het middenveld en de diaspora, om de doelstellingen van de Unie vooruit te helpen en bij te dragen tot een beter begrip van de rol van de Unie in de Sahelregio;

c)

de Unie in de bevoegde regionale en internationale fora te vertegenwoordigen, onder meer de groep voor ondersteuning en follow-up van de situatie in Mali, en zorg te dragen voor de zichtbaarheid van de steun van de Unie voor crisisbeheersing en conflictpreventie, onder meer de militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) en de GVDB-missie van de Europese Unie in Niger (EUCAP Sahel Niger);

d)

nauw samen te werken met de Verenigde Naties (VN), in het bijzonder met de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor West-Afrika en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor Mali, met de Afrikaanse Unie (AU), in het bijzonder met de hoge vertegenwoordiger van de AU voor Mali en de Sahelregio, met de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (Ecowas) en met andere leidende nationale, regionale en internationale belanghebbende partijen, met inbegrip van andere speciale gezanten voor de Sahelregio, alsook met de relevante instanties in de Maghrebregio;

e)

de regionale en grensoverschrijdende dimensie van de crisis nauwlettend te volgen, met inbegrip van terrorisme, georganiseerde misdaad, wapensmokkel, mensenhandel, drugssmokkel, vluchtelingen- en migratiestromen en de daarmee verband houdende financiële stromen, in nauwe samenwerking met de EU-coördinator voor terrorismebestrijding, en bij te dragen aan de verdere tenuitvoerlegging van de EU-terrorismebestrijdingsstrategie;

f)

regelmatig politieke contacten op hoog niveau te onderhouden met de landen in de regio die getroffen zijn door terrorisme en internationale misdaad om te zorgen voor een coherente en omvattende aanpak en de belangrijke rol van de Unie in de internationale inspanningen ter bestrijding van terrorisme en internationale misdaad te verzekeren. Dit omvat de actieve steun van de Unie voor regionale capaciteitsopbouw in de veiligheidssector, en het verzekeren van een adequate aanpak van de onderliggende oorzaken van terrorisme en internationale misdaad in de Sahelregio;

g)

de politieke en veiligheidsgevolgen van humanitaire crisissen in de regio van nabij te volgen;

h)

met betrekking tot Mali, een bijdrage te leveren aan de regionale en internationale inspanningen om te helpen bij het oplossen van de crisis in Mali, in het bijzonder een volledige terugkeer naar de normale grondwettige toestand en governance op het gehele grondgebied, en een geloofwaardige en inclusieve dialoog op nationaal niveau die leidt tot een duurzame politieke regeling;

i)

de institutionele opbouw, de hervorming van de veiligheidssector en het tot stand brengen van vrede op lange termijn en verzoening in Mali te bevorderen;

j)

bij te dragen aan de uitvoering van het mensenrechtenbeleid van de Unie in de regio in samenwerking met de SVEU voor de mensenrechten, met inbegrip van de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten, in het bijzonder de EU-richtsnoeren over kinderen en gewapende conflicten, alsook de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van deze groepen, en het beleid van de Unie inzake vrouwen, vrede en veiligheid, onder meer door de ontwikkelingen te volgen, er verslag over uit te brengen en aanbevelingen ter zake te formuleren, en regelmatige contacten te onderhouden met de relevante autoriteiten in Mali en in de regio, met het bureau van de openbaar aanklager van het Internationaal Strafhof, met het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten en met de mensenrechtenverdedigers en -waarnemers in de regio;

k)

toe te zien op en verslag uit te brengen over de naleving van toepasselijke resoluties van de VN-Veiligheidsraad (VNVR-resoluties), meer bepaald VNVR-resoluties 2056 (2012), 2071 (2012), 2085 (2012) en 2100 (2013).

2.   Ter vervulling van zijn mandaat zal de SVEU onder meer:

a)

advies en verslag uitbrengen over het formuleren van de standpunten van de Unie in regionale en internationale fora, waar dit passend is, met het oog op het proactief bevorderen en consolideren van de alomvattende benadering van de crisis in de Sahelregio door de Unie;

b)

een overzicht behouden over alle werkzaamheden van de Unie en nauw samenwerken met de betrokken delegaties van de Unie.

Artikel 4

Tenuitvoerlegging van het mandaat

1.   De SVEU is onder het gezag en de operationele leiding van de HV verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het mandaat.

2.   Het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) onderhoudt een bevoorrechte relatie met de SVEU en vormt het eerste contactpunt van de SVEU met de Raad. Onverminderd de verantwoordelijkheden van de HV zorgt het PVC binnen het kader van het mandaat voor strategische aansturing en politieke leiding ten behoeve van de SVEU.

3.   De SVEU werkt nauw samen met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en zijn relevante afdelingen, in het bijzonder met het Directoraat West-Afrika.

Artikel 5

Financiering

1.   Het financieel referentiebedrag ter dekking van de kosten in verband met het mandaat van de SVEU voor de periode van 1 maart 2014 tot en met 28 februari 2015 bedraagt 1 350 000 EUR.

2.   De uitgaven worden beheerd volgens de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.

3.   Voor het uitgavenbeheer wordt een overeenkomst gesloten tussen de SVEU en de Commissie. De SVEU legt van alle uitgaven verantwoording af aan de Commissie.

Artikel 6

Samenstelling van het team

1.   Binnen de grenzen van het mandaat en de daartoe vrijgemaakte financiële middelen is de SVEU verantwoordelijk voor het samenstellen van zijn team. In het team dient de door het mandaat vereiste deskundigheid inzake specifieke beleids- en veiligheidsvraagstukken aanwezig te zijn. De SVEU houdt de Raad en de Commissie voortdurend op de hoogte van de samenstelling van het team.

2.   De lidstaten, de instellingen van de Unie en de EDEO kunnen voorstellen personeel te detacheren bij de SVEU. De bezoldiging van het bij de SVEU gedetacheerde personeel komt ten laste van de betrokken lidstaat, de betrokken instelling van de Unie of de EDEO. Deskundigen die door de lidstaten bij de instellingen van de Unie of de EDEO zijn gedetacheerd, kunnen eveneens aan de SVEU worden toegewezen. Internationaal aangeworven personeel moet de nationaliteit van een lidstaat hebben.

3.   Al het gedetacheerde personeel blijft onder het administratieve gezag van de detacherende lidstaat, van de instelling van de Unie of van de EDEO, en voert zijn taken uit en handelt in het belang van het mandaat van de SVEU.

4.   Het personeel van de SVEU wordt bij de betrokken afdelingen van de EDEO of delegaties van de Unie ondergebracht, om de samenhang en consistentie van hun respectieve activiteiten te verzekeren.

Artikel 7

Voorrechten en immuniteiten van de SVEU en van zijn personeel

De voorrechten, immuniteiten en andere garanties die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het goede verloop van de missie van de SVEU en zijn personeel, worden naargelang het geval met de ontvangende landen overeengekomen. De lidstaten en de EDEO verlenen daartoe alle nodige steun.

Artikel 8

Beveiliging van gerubriceerde EU-informatie

De SVEU en de leden van zijn team leven de beveiligingsbeginselen en -minimumnormen na die zijn vastgelegd in Besluit 2013/488/EU van de Raad (2).

Artikel 9

Toegang tot informatie en logistieke steun

1.   De lidstaten, de Commissie, de EDEO en het secretariaat-generaal van de Raad zorgen ervoor dat de SVEU toegang krijgt tot alle relevante informatie.

2.   De delegaties van de Unie en/of de lidstaten, naar gelang van het geval, verlenen logistieke steun in de regio.

Artikel 10

Beveiliging

Overeenkomstig het beleid van de Unie inzake de veiligheid van personeel dat op grond van titel V van het Verdrag wordt ingezet in operaties buiten de Unie, neemt de SVEU alle redelijkerwijs haalbare maatregelen voor de beveiliging van het personeel dat rechtstreeks onder zijn gezag staat, in overeenstemming met zijn mandaat en de veiligheidssituatie in het gebied waarvoor hij verantwoordelijk is; in het bijzonder:

a)

stelt hij een specifiek veiligheidsplan op basis van richtsnoeren van de EDEO op, dat onder meer specifieke fysieke, organisatorische en procedurele beveiligingsmaatregelen voor het beheer van veilige personeelsbewegingen naar en binnen het geografisch gebied, het beheer van veiligheidsincidenten en een nood- en evacuatieplan behelst;

b)

zorgt hij ervoor dat alle buiten de Unie ingezette personeelsleden gedekt zijn door een op de omstandigheden in het geografisch gebied afgestemde verzekering voor grote risico's;

c)

zorgt hij ervoor dat alle buiten de Unie ingezette leden van zijn team, ook het ter plaatse aangeworven personeel, voor of bij aankomst in het missiegebied een passende beveiligingsopleiding hebben genoten waarvan de inhoud is bepaald op basis van de risicoklasse waarin het geografisch gebied is ingedeeld;

d)

zorgt hij ervoor dat alle naar aanleiding van geregelde beveiligingsbeoordelingen overeengekomen aanbevelingen worden opgevolgd, en brengt hij aan de Raad, de HV en de Commissie schriftelijk verslag uit over de uitvoering daarvan en over andere veiligheidskwesties, in het kader van het voortgangsverslag en het verslag over de uitvoering van het mandaat.

Artikel 11

Het uitbrengen van verslagen

1.   De SVEU brengt geregeld verslag uit aan de HV en aan het PVC. De SVEU brengt zo nodig tevens verslag uit aan de werkgroepen van de Raad. De geregelde schriftelijke verslagen worden verspreid via het COREU-netwerk. De SVEU kan de Raad Buitenlandse Zaken verslagen voorleggen. Overeenkomstig artikel 36 van het Verdrag kan de SVEU worden ingeschakeld bij de informatieverstrekking aan het Europees Parlement.

2.   De SVEU brengt verslag uit over de wijze waarop het best uitvoering kan worden gegeven aan de initiatieven van de Unie, zoals de bijdrage die de Unie levert aan hervormingen, en gaat daarbij mede in op de politieke aspecten van relevante ontwikkelingsprojecten van de Unie, in coördinatie met de delegaties van de Unie in de regio.

Artikel 12

Coördinatie met andere actoren van de Unie

1.   In het kader van de strategie levert de SVEU een bijdrage tot de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het politiek en diplomatiek optreden van de Unie en helpt hij ervoor te zorgen dat alle instrumenten van de Unie op coherente wijze worden ingezet en het optreden van de lidstaten op coherente wijze gebeurt om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken.

2.   De activiteiten van de SVEU worden gecoördineerd met de activiteiten van de delegaties van de Unie en met de activiteiten van de Commissie, alsmede met de activiteiten van de andere SVEU's die in de regio actief zijn. De SVEU brengt regelmatig verslag uit aan de missies van de lidstaten en aan de delegaties van de Unie in de regio.

3.   Ter plaatse worden nauwe contacten onderhouden met de hoofden van de delegaties van de Unie en de hoofden van de missies van de lidstaten. In nauwe samenwerking met de relevante delegaties van de Unie geeft de SVEU plaatselijke politieke aansturing aan het hoofd van de missie EUCAP Sahel Niger en aan de commandant van de missie EUTM Mali. De SVEU, de commandant van de missie EUTM Mali en de civiele operationele commandant van EUCAP Sahel Niger plegen indien nodig overleg.

Artikel 13

Toetsing

De uitvoering van dit besluit en de samenhang ervan met andere bijdragen van de Unie in de regio worden op gezette tijden getoetst. De SVEU legt de Raad, de HV en de Commissie uiterlijk 30 juni 2014 een voortgangsverslag, en uiterlijk 30 november 2014 een uitvoerig verslag over de uitvoering van het mandaat voor.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 maart 2014.

Gedaan te Brussel, 10 maart 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. VROUTSIS


(1)  Besluit 2013/133/GBVB van de Raad van 18 maart 2013 tot benoeming van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Sahelregio (PB L 75 van 19.3.2013, blz. 29).

(2)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).


12.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/18


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 10 maart 2014

betreffende een financiële bijdrage van de Unie in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van bluetongue in Duitsland in 2007

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 1444)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(2014/131/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name artikel 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 84 van het Financieel Reglement en artikel 94 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (2) (hierna „de uitvoeringsvoorschriften” genoemd) moet de vastlegging van een uitgave uit de begroting van de Unie worden voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling of de door haar daartoe gemachtigde autoriteiten, waarin de essentiële elementen worden uiteengezet van de actie die een uitgave ten laste van de begroting meebrengt.

(2)

Beschikking 2009/470/EG van de Raad stelt de procedures vast voor de financiële bijdrage van de Unie in de kosten van specifieke veterinaire maatregelen, waaronder urgente maatregelen. Om bluetongue zo spoedig mogelijk te helpen uitroeien, moet de Unie financieel bijdragen in de door de lidstaten gemaakte subsidiabele kosten. Artikel 3, lid 6, eerste streepje, van die beschikking behelst voorschriften inzake het op de door de lidstaten gemaakte kosten toe te passen percentage.

(3)

Bij artikel 3 van Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie van 28 februari 2005 tot vaststelling van voorschriften inzake de communautaire financiering van de in Beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen en maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten (3) worden voorschriften vastgesteld inzake voor een financiële bijdrage van de Unie in aanmerking komende uitgaven.

(4)

Beschikking 2008/444/EG van de Commissie van 5 juni 2008 betreffende een financiële bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van bluetongue in Duitsland in 2007 (4) voorzag in een financiële bijdrage van de Unie in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van bluetongue in Duitsland in 2007. Op 6 juni 2008 heeft Duitsland een officieel verzoek om vergoeding ingediend overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 349/2005.

(5)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 349/2005 wordt die financiële bijdrage van de Unie alleen uitbetaald als de geplande activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de autoriteiten alle noodzakelijke informatie binnen de vastgestelde termijnen hebben verstrekt.

(6)

Krachtens Beschikking 2008/444/EG moest een eerste tranche van 950 000,00 EUR en krachtens Uitvoeringsbesluit 2011/800/EU van de Commissie van 30 november 2011 betreffende een financiële bijdrage van de Unie in de kosten van urgente maatregelen ter bestrijding van bluetongue in Duitsland in 2007 (5) een tweede tranche van 1 950 000,00 EUR worden betaald als onderdeel van de financiële bijdrage van de Unie.

(7)

Na verificatie en controle tijdens de door de bevoegde controledienst geleide audit ter plaatse en rekening houdend met de voorlopige resultaten moet nu de derde tranche worden vastgesteld van de financiële bijdrage van de Unie in de subsidiabele uitgaven voor de uitroeiing van bluetongue in Duitsland in 2007.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Een derde tranche van 1 000 000,00 EUR wordt aan Duitsland betaald als deel van de financiële bijdrage van de Unie.

Artikel 2

Dit besluit, dat een financieringsbesluit vormt in de zin van artikel 84 van het Financieel Reglement, is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 10 maart 2014.

Voor de Commissie

Tonio BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.

(2)  PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.

(3)  PB L 55 van 1.3.2005, blz. 12.

(4)  PB L 156 van 14.6.2008, blz. 18.

(5)  PB L 320 van 3.12.2011, blz. 49.


12.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 71/20


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2014

tot vaststelling van de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het Europees netwerk voor luchtverkeersbeheer en de alarmdrempels voor de tweede referentieperiode 2015-2019

(Voor de EER relevante tekst)

(2014/132/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (de kaderverordening) (1), en met name artikel 11, lid 3, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 549/2004 is bepaald dat een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkdiensten moet worden opgezet. De verordening schrijft met name voor dat de Commissie EU-wijde prestatiedoelstellingen moet vaststellen voor de prestatiekerngebieden veiligheid, milieu, capaciteit en kostenefficiëntie. Aanvullende voorschriften met betrekking tot deze doelstellingen zijn vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 van de Commissie (2).

(2)

De EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de tweede referentieperiode, die loopt van 2015 tot en met 2019, moeten thans worden vastgesteld.

(3)

Op 29 juli 2010 heeft de Commissie een prestatiebeoordelingsorgaan aangewezen, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004 en artikel 3 van Verordening (EU) nr. 691/2010 van de Commissie (3), om haar bij te staan bij de tenuitvoerlegging van de prestatieregeling, en met name bij de vaststelling van EU-wijde prestatiedoelstellingen.

(4)

Om de vaststelling van EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de tweede referentieperiode te vergemakkelijken, heeft het prestatiebeoordelingsorgaan, ondersteund door de Commissie, alle in artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 549/2004 vermelde belanghebbenden geraadpleegd over de benadering die moet worden gevolgd voor het vaststellen van EU-wijde prestatiedoelstellingen, de wijze waarop deze moeten worden vastgesteld en het indicatieve bereik waarbinnen zij moeten vallen. Deze raadpleging heeft plaatsgevonden van 25 januari 2013 tot 3 juli 2013. Het Comité voor de sectoriële dialoog, opgericht bij Besluit 98/500/EG van de Commissie (4) werd hierbij betrokken en alle Europese belangenorganisaties van beroepspersoneel in de burgerluchtvaartsector kregen de gelegenheid om opmerkingen te maken.

(5)

Rekening houdende met het resultaat van het overleg met de belanghebbenden heeft het prestatiebeoordelingsorgaan de EU-wijde prestatiedoelstellingen voorgesteld in een verslag dat op 27 september 2013 bij de Commissie is ingediend. Het verslag bevatte de hypothesen en de grondgedachte achter de voorgestelde doelstellingen en de samenstelling van de groepen dienstverleners op het gebied van luchtvaartnavigatie of functionele luchtruimblokken met vergelijkbare operationele en economische omstandigheden.

(6)

De in dit besluit uiteengezette EU-wijde prestatiedoelstellingen voldoen aan Verordening (EG) nr. 549/2004 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013. Zij zijn opgesteld met de medewerking van het prestatiebeoordelingsorgaan. Er is ook rekening gehouden met het overleg met de belanghebbenden en de input van de netwerkbeheerder die is opgericht bij artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5) en artikel 3 van Verordening (EU) nr. 677/2011 van de Commissie (6), het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (het EASA) en de nationale toezichthoudende autoriteiten. De doelstellingen zijn gebaseerd op de informatie waarover de Commissie en het prestatiebeoordelingsorgaan op 17 december 2013 beschikten.

(7)

De EU-wijde prestatiedoelstellingen zijn gebaseerd op gegevens van de lidstaten, Noorwegen en Zwitserland.

(8)

De in dit besluit uiteengezette EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied veiligheid zijn opgesteld in samenwerking met het EASA. Bij de vaststelling van aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 moet het EASA de definities van de categorieën van het risicoanalyse-instrument (Risk Analysis Tool, RAT) verder verduidelijken om te zorgen voor een geharmoniseerde toepassing van de EU-wijde prestatiedoelstellingen op het prestatiekerngebied veiligheid, met name met betrekking tot de definitie van categorie C (vermogen om veilige, maar minderwaardige ATM-diensten te verlenen). Het EASA is ook geraadpleegd over de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de andere prestatiekerngebieden, met het oog op de samenhang met de prioritaire veiligheidsdoelstellingen.

(9)

De EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied milieu moeten worden vastgesteld ten opzichte van de baseline van de bereikte prestatieniveaus in 2012, zoals berekend door het prestatiebeoordelingsorgaan, namelijk 3,17 % voor de gemiddelde horizontale en-routevluchtefficiëntie van het reële traject en 5,15 % voor de gemiddelde horizontale en-routevluchtefficiëntie van het traject van het laatste ingediende vliegplan.

(10)

Voor elk jaar van de referentieperiode moeten de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied capaciteit, gemeten als de gemiddelde en-routevertraging bij het beheer van de luchtverkeersstromen, overeenstemmen met de EU-wijde prestatiedoelstelling voor 2014, rekening houdend met de verkeersraming voor de tweede referentieperiode.

(11)

De EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied kosteneffectiviteit voor elk jaar van de referentieperiode worden uitgedrukt in reële termen en in waarden van 2009 (EUR2009), onder meer om vergelijkingen mogelijk te maken met het prestatieniveau dat in de vorige referentieperiode is bereikt.

(12)

De verwachte verbetering van de kosteneffectiviteit voor de tweede referentieperiode moet worden gemeten ten opzichte van 6,242 miljoen EUR (7) aan bepaalde kosten voor 2014 (in EUR2009). Op basis van de meest recente verkeershypothesen voor 2014 (8) bedraagt de uitgangswaarde voor de vastgestelde eenheidskosten 58,09 EUR (in EUR2009). De kostenefficiëntiedoelstelling dient te zorgen voor een vermindering van de vastgestelde eenheidskosten met 3,3 % per jaar in de tweede referentieperiode. De uitgangswaarde van 58,09 EUR (in EUR2009) is hoger dan de voor 2014 vastgestelde EU-wijde prestatiedoelstelling van 53,92 EUR (in EUR2009) omdat het geraamde verkeersvolume voor 2014 lager is dan oorspronkelijk werd aangenomen in Besluit 2011/121/EU van de Commissie (9).

(13)

De verkeershypothesen voor de tweede referentieperiode zijn overgenomen uit het ongunstigste scenario van de meest recente STATFOR-raming, die op 30 september 2013 is gepubliceerd en waarin is aangegeven dat de gemiddelde jaarlijkse groei van het verkeer 1,2 % zal bedragen. De lange prognoseperiode tot het einde van 2019 is echter gedeeltelijk onzeker. Derhalve moet de Commissie, in het kader van haar verslag aan het Comité voor het gemeenschappelijk luchtruim als bedoeld in artikel 18, lid 4, van Verordening (EU) nr. 390/2013, tegen 2016 deze verkeershypothesen opnieuw beoordelen in het licht van de meest recente beschikbare prognoses van STATFOR. Op grond van die beoordeling kan de Commissie, in voorkomend geval, beslissen de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2019 te herzien overeenkomstig artikel 17, lid 1, onder a), van die verordening.

(14)

Volgens de prognoses zullen de vermelde bepaalde kosten voor de tweede referentieperiode afnemen met gemiddeld 2,1 % per jaar.

(15)

Naast de EU-wijde prestatiedoelstellingen moeten alarmdrempels worden vastgesteld waarboven de in Verordening (EU) nr. 390/2013 vermelde waarschuwingsmechanismen kunnen worden geactiveerd.

(16)

Overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 hoeven de lokale doelstellingen niet noodzakelijk gelijk te zijn aan de EU-wijde prestatiedoelstellingen. Ze moeten wel samenhangend zijn met en op passende wijze bijdragen tot de EU-wijde prestatiedoelstellingen. Deze samenhang met en bijdrage tot de EU-wijde prestatiedoelstellingen moeten tot uiting komen in het prestatieplan, dat overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 moet worden opgesteld op het niveau van de functionele luchtruimblokken.

(17)

Om de voorbereiding van de prestatieplannen overeenkomstig hoofdstuk II van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 te vergemakkelijken, dient dit besluit in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan.

(18)

De maatregelen in dit besluit zijn in overeenstemming met het advies van het Single Sky Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

EU-wijde prestatiedoelstelling voor het prestatiekerngebied veiligheid

1.   De EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied veiligheid voor de tweede referentieperiode worden uiteengezet in de leden 2 en 3.

2.   De EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de effectiviteit van het veiligheidsbeheer, als bedoeld in punt 1.1, onder a), van deel 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013, zijn als volgt:

a)

Uiterlijk op 31 december 2019 bereiken de nationale toezichthoudende autoriteiten ten minste niveau C (10) voor alle beheersdoelstellingen („veiligheidsbeleid en — doelstellingen”, „beheer van veiligheidsrisico’s”, „veiligheidsborging”, „bevordering van de veiligheid” en „veiligheidscultuur”);

b)

Uiterlijk op 31 december 2019 bereiken de verleners van luchtvaartnavigatiediensten ten minste niveau D voor de beheersdoelstellingen „veiligheidsbeleid en — doelstellingen”, „beheer van veiligheidsrisico’s”, „veiligheidsborging” en „bevordering van de veiligheid” en ten minste niveau C voor de beheersdoelstelling „veiligheidscultuur”.

3.   De EU-wijde prestatiedoelstellingen voor de toepassing van de ernstclassificatie, als bedoeld in punt 1.1, onder b), van deel 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013, zijn als volgt:

a)

Uiterlijk op 31 december 2017 en vervolgens elk jaar tot het einde van de tweede referentieperiode zorgen de lidstaten, via hun nationale toezichthoudende autoriteiten, voor de verzameling en melding aan het EASA van de ernstgegevens voor „ATM overall”, aan de hand van het risicoanalyse-instrument (Risk Analysis Tool), met het oog op de classificering van minstens 80 % van de jaarlijks gerapporteerde overschrijdingen van de minimale separatieafstand en runway incursions met categorieën A (ernstige incidenten), B (belangrijke incidenten) en C (significante incidenten) (11);

b)

Tegen 31 december 2017 en uiterlijk in 2019 zorgen de lidstaten, via hun nationale toezichthoudende autoriteiten, voor de verzameling en melding aan het EASA van de ernstgegevens voor „ATM overall”, aan de hand van het risicoanalyse-instrument (Risk Analysis Tool), met het oog op de classificering van respectievelijk minstens 80 % en 100 % van de jaarlijks gemelde ATM-specifieke voorvallen van categorieën AA (volledig onvermogen om veilige ATM-diensten te verlenen), A (ernstig onvermogen om veilige ATM-diensten te verlenen), B (gedeeltelijk onvermogen om veilige ATM-diensten te verlenen) en C (vermogen om veilige, maar minderwaardige ATM-diensten te verlenen);

c)

Tegen 31 december 2017 en uiterlijk in 2019 brengen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten bij de nationale toezichthoudende autoriteiten verslag uit over de ernstgegevens van „ATM Ground”, aan de hand van het risicoanalyse-instrument (Risk Analysis Tool), met het oog op de classificering van respectievelijk minstens 80 % en 100 % van de jaarlijks gemelde overschrijdingen van de minimale separatieafstand en runway incursions met categorieën A (ernstige incidenten), B (belangrijke incidenten) en C (significante incidenten);

d)

Tegen 31 december 2017 en uiterlijk in 2019 brengen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten aan de nationale toezichthoudende autoriteiten verslag uit over de ernstgegevens voor „ATM Ground”, aan de hand van het risicoanalyse-instrument (Risk Analysis Tool), met het oog op de classificering van respectievelijk minstens 80 % en 100 % van de jaarlijks gemelde ATM-specifieke voorvallen van categorieën AA (volledig onvermogen om veilige ATM-diensten te verlenen), A (ernstig onvermogen om veilige ATM-diensten te verlenen), B (gedeeltelijk onvermogen om veilige ATM-diensten te verlenen) en C (vermogen om veilige, maar minderwaardige ATM-diensten te verlenen).

Artikel 2

EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied milieu

Voor de tweede referentieperiode zijn de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied milieu als volgt:

1.

een gemiddelde horizontale en-routevluchtefficiëntie van ten minste 2,6 % in 2019 voor het werkelijke traject, zoals gedefinieerd in punt 2.1, onder a), van deel 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013;

2.

een gemiddelde horizontale en-routevluchtefficiëntie van ten minste 4,1 % in 2019 voor het traject van het laatste ingediende vliegplan, zoals gedefinieerd in punt 2.1, onder b), van deel 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013.

Artikel 3

EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied capaciteit

Voor de tweede referentieperiode zijn de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied capaciteit een gemiddelde en-route-ATFM-vertraging per vlucht, zoals gedefinieerd in punt 3.1 van deel 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013, van niet meer dan 0,5 minuten per vlucht, welke moet worden bereikt in elk kalenderjaar.

Artikel 4

EU-wijde prestatiedoelstelling voor het prestatiekerngebied kostenefficiëntie

Voor de tweede referentieperiode zijn de EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het prestatiekerngebied kostenefficiëntie een gemiddelde EU-wijde vastgestelde eenheidskost voor en-routeluchtvaartnavigatiediensten, als gedefinieerd in punt 4.1, onder a), van deel 1 van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013, van 56,64 EUR voor 2015, 54,95 EUR voor 2016, 52,98 EUR voor 2017, 51,00 EUR voor 2018 en 49,10 EUR voor 2019, uitgedrukt in reële termen EUR2009.

Artikel 5

Uitgangspunten

Dit besluit is gebaseerd op de hypothesen die zijn uiteengezet in de bijlage.

Artikel 6

Alarmdrempels

1.   Wanneer het verkeer dat in werkelijkheid door het prestatiebeoordelingsorgaan wordt geregistreerd, gedurende een bepaald kalenderjaar met minstens 10 % afwijkt van de hypothesen in de bijlage, kan het in artikel 19, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 vermelde EU- waarschuwingsmechanisme worden geactiveerd.

2.   Wanneer het verkeer dat in werkelijkheid door het prestatiebeoordelingsorgaan wordt geregistreerd, gedurende een bepaald kalenderjaar met minstens 10 % afwijkt van het in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 vermelde prestatieplan, kan het in artikel 19, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 vermelde lokale waarschuwingsmechanisme worden geactiveerd.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 houdende vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties (PB L 128 van 9.5.2013, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 691/2010 van de Commissie van 29 juli 2010 houdende vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties (PB L 201 van 3.8.2010, blz. 1).

(4)  Besluit 98/500/EG van de Commissie van 20 mei 1998 betreffende de oprichting van Comités voor de sectoriële dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 27).

(5)  Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (PB L 96 van 31.3.2004, blz. 20).

(6)  Verordening (EU) nr. 677/2011 van de Commissie van 7 juli 2011 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van de netwerkfuncties voor luchtverkeersbeheer (PB L 185 van 15.7.2011, blz. 1).

(7)  Met inbegrip van de kosten voor Kroatië, dat in de eerste referentieperiode niet heeft deelgenomen aan de prestatieregeling, en aanpassingen voor alle lidstaten teneinde rekening te houden met de verwachte aftrek voor vrijgestelde VFR-vluchten.

(8)  107 439 000 en-routediensteenheden (bron: STATFOR, low case forecast, September 2013).

(9)  Besluit 2011/121/EU van de Commissie van 21 februari 2011 inzake de vaststelling van EU-wijde prestatiedoelen voor de periode 2012-2014 (PB L 48 van 23.2.2011, blz. 16).

(10)  Niveaus C en D worden gedefinieerd in de aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren van het EASA voor de tenuitvoerlegging en meting van prestatiekernindicatoren op het gebied van veiligheid als bedoeld in artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013.

(11)  De categorieën AA, A, B, C, D en E worden gedefinieerd in de aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren van het EASA voor de tenuitvoerlegging en meting van prestatiekernindicatoren op het gebied van veiligheid als bedoeld in artikel 7 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013.


BIJLAGE

1.

Verkeershypothesen op het niveau van de hele Unie, uitgedrukt in en-routediensteenheden

en-routediensteenheden

2015

2016

2017

2018

2019

108 541 000

110 196 000

111 436 000

112 884 000

114 305 000

2.

Vermelde bepaalde kosten voor en-routeluchtvaartnavigatiediensten, geraamd op EU-niveau

Bepaalde kosten (EUR2009)

2015

2016

2017

2018

2019

6 147 905 000

6 055 686 000

5 904 294 000

5 756 687 000

5 612 769 000