ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.332.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 332

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
11 december 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1279/2013 van de Commissie van 9 december 2013 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Aceto balsamico tradizionale di Reggio Emilia (BOB))

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1280/2013 van de Commissie van 9 december 2013 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Cítricos Valencianos/Cítrics Valencians (BGA))

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1281/2013 van de Commissie van 10 december 2013 tot vaststelling van bijzondere regels voor het beheer en de verdeling van bepaalde krachtens Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad voor 2014 ingestelde kwantitatieve contingenten voor textielproducten

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1282/2013 van de Commissie van 10 december 2013 tot rectificatie van de Poolse taalversie van Verordening (EG) nr. 2508/2000 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de werkprogramma's in de visserijsector

13

 

*

Verordening (EU) nr. 1283/2013 van de Commissie van 10 december 2013 houdende rectificatie van de Franse versie van Verordening (EG) nr. 865/2006 houdende gedetailleerde uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

14

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1284/2013 van de Commissie van 10 december 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

15

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/728/EU

 

*

Besluit van de Raad van 2 december 2013 tot vaststelling van het door de Europese Unie in de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in te nemen standpunt over een verlenging van het moratorium op invoerrechten op elektronische transmissies en het moratorium op klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties

17

 

*

Besluit 2013/729/GBVB van de Raad van 9 december 2013 tot wijziging van Besluit 2013/34/GBVB betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali)

18

 

*

Besluit 2013/730/GBVB van de Raad van 9 december 2013 ter ondersteuning van de ontwapenings- en wapenbeheersingsactiviteiten van het SEESAC in Zuidoost-Europa in het kader van de strategie van de EU ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor

19

 

 

2013/731/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 9 december 2013 inzake de kennisgeving door Ierland van een nationaal plan voor de overgangsfase als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 8638)

31

 

 

2013/732/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 9 december 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van chlooralkali (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 8589)  ( 1 )

34

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

 

2013/733/EU

 

*

Besluit nr. 1/2013 van het Gemengd Landbouwcomité van 28 november 2013 betreffende de wijziging van bijlage 10 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten

49

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1279/2013 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2013

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Aceto balsamico tradizionale di Reggio Emilia (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over het verzoek van Italië tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier voor de beschermde oorsprongsbenaming „Aceto balsamico tradizionale di Reggio Emilia”, die bij Verordening (EG) nr. 813/2000 van de Raad (2) is geregistreerd.

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 december 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB L 100 van 20.4.2000, blz. 5.

(3)  PB C 172 van 18.6.2013, blz. 8.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.8:   Andere in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten (specerijen, enz.)

ITALIË

Aceto balsamico tradizionale di Reggio Emilia (BOB)


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1280/2013 VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2013

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Cítricos Valencianos/Cítrics Valencians (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Spanje ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding „Cítricos Valencianos”/„Cítrics Valencians”, die bij Verordening (EG) nr. 865/2003 van de Commissie is geregistreerd (2).

(2)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3).

(3)

Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 december 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 17.

(3)  PB C 168 van 14.6.2013, blz. 26.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

SPANJE

Cítricos Valencianos/Cítrics Valencians (BGA)


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1281/2013 VAN DE COMMISSIE

van 10 december 2013

tot vaststelling van bijzondere regels voor het beheer en de verdeling van bepaalde krachtens Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad voor 2014 ingestelde kwantitatieve contingenten voor textielproducten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer van textielproducten uit bepaalde derde landen, die niet vallen onder bilaterale overeenkomsten, protocollen of andere regelingen, noch onder een andere, bijzondere, communautaire regeling (1), en met name artikel 17, leden 3 en 6, en artikel 21, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 517/94 zijn kwantitatieve restricties ingesteld voor de invoer van bepaalde textielproducten van oorsprong uit bepaalde derde landen, die worden toegewezen in chronologische volgorde van binnenkomst van de kennisgevingen van de lidstaten.

(2)

Overeenkomstig de genoemde verordening is het in bepaalde omstandigheden mogelijk om bij de toewijzing van hoeveelheden andere methoden toe te passen, het contingent in tranches te verdelen of een aandeel van een specifiek kwantitatief maximum te reserveren voor aanvragen die door bewijzen van eerdere invoerprestaties worden gestaafd.

(3)

Om de continuïteit van het handelsverkeer niet te verstoren, dienen de regels voor het beheer van de kwantitatieve contingenten voor 2014 vóór aanvang van het contingentjaar te worden vastgesteld.

(4)

De in voorgaande jaren goedgekeurde maatregelen, zoals die in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1163/2012 van de Commissie (2), hebben tot een bevredigend resultaat geleid en het is derhalve passend soortgelijke regels goed te keuren voor 2014.

(5)

Om aan de behoeften van een zo groot mogelijk aantal bedrijven te voldoen, verdient het aanbeveling de methode van toewijzing op grond van de chronologische volgorde van binnenkomst van de kennisgevingen van de lidstaten flexibeler te maken door de hoeveelheden die op grond van deze methode per bedrijf kunnen worden toegewezen tot een maximumhoeveelheid te beperken.

(6)

Om de continuïteit van het handelsverkeer zoveel mogelijk te waarborgen en om een doelmatig beheer van de contingenten mogelijk te maken, is het wenselijk toe te staan dat bedrijven een eerste aanvraag voor een invoervergunning voor 2014 indienen voor de hoeveelheid producten die zij in 2013 hebben ingevoerd.

(7)

Met het oog op een optimale benutting van de contingenten dient te worden bepaald dat elk bedrijf, na gebruik van ten minste 50 % van een vergunning, een nieuwe aanvraag voor een vergunning kan indienen voor een bijkomende hoeveelheid, voor zover het contingent niet is uitgeput.

(8)

Met het oog op een goed beheer van de contingenten is het dienstig de geldigheidsduur van de invoervergunningen vast te stellen op negen maanden vanaf de datum van afgifte, met dien verstande dat zij niet langer geldig zijn dan tot het einde van het jaar. De lidstaten geven de invoervergunningen pas af nadat zij van de Commissie hebben vernomen dat hoeveelheden beschikbaar zijn, en uitsluitend indien het betrokken bedrijf het bestaan van een contract kan aantonen en, bij afwezigheid van een specifieke verklaring van het tegendeel, schriftelijk verklaart dat het binnen de Unie niet reeds eerder op grond van deze verordening een invoervergunning voor de betrokken categorie en het betrokken land heeft verkregen. De bevoegde nationale autoriteiten mogen de geldigheidsduur van vergunningen echter op verzoek van de betrokken importeurs verlengen met drie maanden, doch uiterlijk tot en met 31 maart 2015, indien de vergunningen op de datum van de aanvraag van de verlenging reeds voor ten minste 50 % zijn benut.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 25 van Verordening (EG) nr. 517/94 ingestelde Textielcomité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor het beheer van kwantitatieve contingenten voor de invoer van bepaalde textielproducten, genoemd in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 517/94, voor 2014.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde contingenten worden toegewezen in chronologische volgorde van binnenkomst van de kennisgevingen van de lidstaten bij de Commissie; in deze kennisgevingen zijn de hoeveelheden aangegeven die de bedrijven hebben aangevraagd en die per bedrijf de in bijlage I aangegeven maximumhoeveelheden niet mogen overschrijden.

De maximumhoeveelheden zijn echter niet van toepassing op bedrijven die ten overstaan van de bevoegde nationale autoriteiten bij hun eerste aanvraag voor 2014 aan de hand van de hun in 2013 verleende invoervergunningen kunnen aantonen uit het betrokken derde land een grotere hoeveelheid van dezelfde categorie producten te hebben ingevoerd dan bovenbedoelde maximumhoeveelheid voor die categorie.

Voor die bedrijven kan de hoeveelheid die door de bevoegde autoriteiten kan worden toegestaan, binnen de grenzen van de beschikbare hoeveelheden, niet hoger zijn dan de in 2013 uit hetzelfde derde land ingevoerde hoeveelheid van dezelfde categorie.

Artikel 3

Een importeur die reeds 50 % van de hem op grond van deze verordening toegewezen hoeveelheid heeft benut, kan een nieuwe aanvraag indienen voor de invoer van producten van dezelfde categorie en uit hetzelfde land van oorsprong, voor hoeveelheden die de in bijlage I genoemde maximumhoeveelheden niet overschrijden.

Artikel 4

1.   De in bijlage II opgenomen bevoegde nationale autoriteiten kunnen de Commissie vanaf 8 januari 2014, 10.00 uur, in kennis stellen van de hoeveelheden waarvoor aanvragen voor invoervergunningen worden ingediend.

Met de in de eerste alinea vastgestelde tijd wordt plaatselijke tijd in Brussel bedoeld.

2.   De bevoegde nationale autoriteiten geven de invoervergunningen pas af nadat zij van de Commissie hebben vernomen dat hoeveelheden voor invoer beschikbaar zijn, overeenkomstig artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 517/94.

Zij geven de invoervergunningen slechts af indien het betrokken bedrijf:

a)

het bestaan kan aantonen van een contract voor de levering van de goederen, en

b)

schriftelijk verklaart, voor de betrokken categorie en het betrokken land:

i)

niet reeds een vergunning te hebben gekregen krachtens deze verordening, of

ii)

een vergunning te hebben gekregen krachtens deze verordening, maar deze voor ten minste 50 % te hebben opgebruikt.

3.   De invoervergunningen zijn vanaf de datum van afgifte negen maanden geldig, echter uiterlijk tot en met 31 december 2014.

De bevoegde nationale autoriteiten kunnen echter, op verzoek van de betrokken importeur, de geldigheidsduur van een vergunning verlengen met drie maanden, indien de vergunning op het moment van de aanvraag voor verlenging voor ten minste 50 % was benut. Een dergelijke verlenging verstrijkt in geen geval later dan 31 maart 2015.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 december 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 67 van 10.3.1994, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1163/2012 van de Commissie van 7 december 2012 tot vaststelling van bijzondere regels voor het beheer en de verdeling van bepaalde krachtens Verordening (EG) nr. 517/94 van de Raad voor 2013 ingestelde kwantitatieve contingenten voor textielproducten (PB L 336 van 8.12.2012, blz. 22).


BIJLAGE I

Maximumhoeveelheden bedoeld in de artikelen 2 en 3

Land

Categorie

Eenheid

Maximumbedrag

Belarus

1

Kilogram

20 000

2

Kilogram

80 000

3

Kilogram

5 000

4

Stuks

20 000

5

Stuks

15 000

6

Stuks

20 000

7

Stuks

20 000

8

Stuks

20 000

15

Stuks

17 000

20

Kilogram

5 000

21

Stuks

5 000

22

Kilogram

6 000

24

Stuks

5 000

26/27

Stuks

10 000

29

Stuks

5 000

67

Kilogram

3 000

73

Stuks

6 000

115

Kilogram

20 000

117

Kilogram

30 000

118

Kilogram

5 000


Land

Categorie

Eenheid

Maximumbedrag

Noord-Korea

1

Kilogram

10 000

2

Kilogram

10 000

3

Kilogram

10 000

4

Stuks

10 000

5

Stuks

10 000

6

Stuks

10 000

7

Stuks

10 000

8

Stuks

10 000

9

Kilogram

10 000

12

Paar

10 000

13

Stuks

10 000

14

Stuks

10 000

15

Stuks

10 000

16

Stuks

10 000

17

Stuks

10 000

18

Kilogram

10 000

19

Stuks

10 000

20

Kilogram

10 000

21

Stuks

10 000

24

Stuks

10 000

26

Stuks

10 000

27

Stuks

10 000

28

Stuks

10 000

29

Stuks

10 000

31

Stuks

10 000

36

Kilogram

10 000

37

Kilogram

10 000

39

Kilogram

10 000

59

Kilogram

10 000

61

Kilogram

10 000

68

Kilogram

10 000

69

Stuks

10 000

70

Paar

10 000

73

Stuks

10 000

74

Stuks

10 000

75

Stuks

10 000

76

Kilogram

10 000

77

Kilogram

5 000

78

Kilogram

5 000

83

Kilogram

10 000

87

Kilogram

8 000

109

Kilogram

10 000

117

Kilogram

10 000

118

Kilogram

10 000

142

Kilogram

10 000

151A

Kilogram

10 000

151B

Kilogram

10 000

161

Kilogram

10 000


BIJLAGE II

Lijst van bureaus die vergunningen afgeven als bedoeld in artikel 4

1.   België

FOD Economie, kmo, Middenstand en Energie Algemene Directie Economisch Potentieel

Dienst Vergunningen

Vooruitgangstraat 50

1210 Brussel

BELGIË

Tel. +32 22776713

Fax +32 22775063

SPF Economie, PME, Classes moyennes et Énergie Direction générale Potentiel économique

Service Licences

Rue du Progrès 50

1210 Bruxelles

BELGIQUE

Tel. +32 22776713

Fax +322 2775063

2.   Bulgarije

Министерство на икономиката, енергетиката и туризма

Дирекция „Регистриране, лицензиране и контрол“

ул. „Славянска“ 8

1052 София

Тел.: +359 29407008/+359 29407673/+359 29407800

Факс: +359 29815041/+359 29804710/+359 29883654

Ministerie van Economische Zaken, Energie en Tourisme

8, Slavyanska Str., Sofia 1052 BULGARIA

Tel. +359 29407008/+359 29407673/+359 29407800

Fax +359 29815041/+359 29804710/+359 29883654

3.   Tsjechië

Ministerstvo průmyslu a obchodu (Ministerie van Industrie en Handel)

Licenční správa

Na Františku 32

110 15 Praha 1

ČESKÁ REPUBLIKA

Tel. +420 224907111

Fax +420 224212133

4.   Denemarken

Erhvervs- og Vækstministeriet (Ministerie van Ondernemerschap en Groei)

Erhvervsstyrelsen

Langelinje Allé 17

2100 København

DANMARK

Tel. +45 35466030

Fax +45 35466029

5.   Duitsland

Bundesamt für Wirtschaft und Ausfuhrkontrolle (BAFA) (Federaal Bureau voor Economie en Uitvoercontrole)

Frankfurter Str. 29-35

65760 Eschborn

DEUTSCHLAND

Tel. +49 6196908-0

Fax +49 6196908-800

6.   Estland

Majandus- ja Kommunikatsiooniministeerium (Ministerie van Economische Zaken en Communicatie)

Harju 11

15072 Tallinn

EESTI/ESTONIA

Tel. +372 6256400

Fax +372 6313660

7.   Ierland

Department of Enterprise, Trade and Employment

Internal Market (Ministerie van Ondernemingen, Handel en Werkgelegenheid)

Kildare Street

Dublin 2

IRELAND

Tel. +353 16312121

Fax +353 16312826

8.   Griekenland

Υπουργείο Ανάπτυξης, Ανταγωνιστικότητας & Ναυτιλίας

Γενική Διεύθυνση Διεθνούς Οικονομικής Πολιτικής

Διεύθυνση Καθεστώτων Εισαγωγών-Εξαγωγών, Εμπορικής Άμυνας

Κορνάρου 1

105 63 Αθήνα

ΕΛΛΑΔΑ

Τηλ. +30 2103286041-43, 2103286021

Fax +30 2103286094

Ministerie van Ontwikkeling, Concurrentievermogen en Scheepvaart, Directoraat-generaal voor Internationaal

Economisch Beleid, Directoraat Invoer-Uitvoerstelsels, Handelsverdedigingsinstrumenten

Eenheid A’

1 Kornarou Str.

10563 Athene

ΕΛΛΑΔΑ/GREECE

Tel. +30 2103286041-43, 210 3286021

Fax +30 2103286094

9.   Spanje

Ministerio de Economía y Competitividad (Ministerie van Economische Zaken en Concurrentievermogen)

Dirección General de Comercio e Inversiones

Paseo de la Castellana no 162

28046 Madrid

ESPAÑA

Tel. +34 913493817, 3493874

Fax +34 913493831

E-mail: sgindustrial.sscc@comercio.mineco.es

10.   Frankrijk

Ministère du Redressement Productif

(Ministerie van Herstel van de productie)

Direction générale de la compétitivité, de l’industrie et des services

Bureau des matérieaux

BP 80001

67, Rue Barbès

94201 Ivry-sur-Seine CEDEX

FRANCE

tel. +33 179843449

E-mail: isabelle.paimblanc@finances.gouv.fr

11.   Kroatië

Ministarstvo vanjskih i europskih poslova (Ministerie van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken)

Trg N. Š. Zrinskog 7-8

10 000 Zagreb

HRVATSKA

Tel: +385 16444626

Fax: +385 16444601

12.   Italië

Ministero dello Sviluppo Economico (Ministerie van Economische Ontwikkeling)

Dipartimento per l’impresa e l’internazionalizzazione

Direzione Generale per la Politica Commerciale Internazionale

Divisione III — Politiche settoriali

Viale Boston, 25

00144 Roma

ITALIA

Tel. +39 659647517, 59932202, 59932406

Fax +39 659932263, 59932636

E-mail: polcom3@mise.gov.it

13.   Cyprus

Ministry of Commerce, Industry and Tourism (Ministerie van Handel, Industrie en Toerisme)

Trade Department

6 Andrea Araouzou Str.

1421 Nicosia

CYPRUS

Tel. +357 2867100

Fax +357 2375120

14.   Letland

Latvijas Republikas Ekonomikas ministrija (Ministerie van Economische Zaken van de Republiek Letland)

Brīvības iela 55

Rīga, LV-1519

LATVIJA

Tel. +371 67013248

Fax +371 67280882

15.   Litouwen

Lietuvos Respublikos ūkio ministerija (Ministerie van Economische Zaken van de Republiek Litouwen)

Gedimino pr. 38/Vasario 16-osios g. 2

LT-01104 Vilnius

LIETUVA/LITHUANIA

Tel. +370 70664658, +370 70664808

Faks. +370 70664762

E-mail: vienaslangelis@ukmin.lt

16.   Luxemburg

Ministère de l’Economie et du Commerce Exterieur (Ministerie van Economische Zaken en Buitenlandse Handel)

Office des licences

Boîte postale 113

2011 Luxembourg

LUXEMBOURG

Tel. +352 4782371

Fax +352 466138

17.   Hongarije

Magyar Kereskedelmi Engedélyezési Hivatal

(Hongaars handelslicentiebureau)

Budapest

Németvölgyi út 37-39.

1124

MAGYARORSZÁG/HUNGARY

Tel. +36 14585503

Fax + 36 14585814

E-mail: keo@mkeh.gov.hu

18.   Malta

Ministry of Finance, Economy and Investment (Ministerie van Financiën, Economische Zaken en Investeringen)

Commerce Department, Trade Services Directorate

Lascaris

Valletta LTV2000

MALTA

Tel. +356 25690202

Fax +356 21237112

19.   Nederland

Belastingdienst/Douane

Centrale dienst voor in- en uitvoer

Kempkensberg 12

Postbus 30003

9700 RD Groningen

NEDERLAND

Tel. +31 881512122

Fax +31 881513182

20.   Oostenrijk

Bundesministerium für Wirtschaft, Familie und Jugend (Federaal Ministerie van Economische Zaken, Gezin en Jeugd)

Außenwirtschaftskontrolle

Abteilung C2/9

Stubenring 1

1011 Wien

ÖSTERREICH

Tel. +43 171100-0

Fax +43 171100-8386

21.   Polen

Ministerstwo Gospodarki (Ministerie van Economische zaken)

Pl.Trzech Krzyzy 3/5

00-950 Warszawa

POLSKA/POLAND

Tel. +48 226935553

Fax +48 226934021

22.   Portugal

Ministério das Finanças (Ministerie van Financiën)

Direcção Geral das Alfândegas e dos Impostos Especiais sobre o Consumo

Rua Terreiro do Trigo

Edifício da Alfândega

1149-060 Lisboa

PORTUGAL

Tel. +351 1218814263

Fax +351 1218814261

E-mail: dsl@dgaiec.min-financas.pt

23.   Roemenië

Ministerul Economiei (Ministerie van Economische Zaken)

Comerțului și Mediului de Afaceri

Direcția Politici Comerciale

Calea Victoriei, nr.152, sector 1

010096 București

ROMÂNIA

Tel. +40 213150081

Fax +40 213150454

E-mail: clc@dce.gov.ro

24.   Slovenië

Ministrstvo za finance (Ministerie van Financiën)

Carinska uprava Republike Slovenije

Carinski urad Jesenice

Center za Taric in kvote

Spodnji Plavž 6 c

SI-4270 Jesenice

SLOVENIJA

Tel. +386 42974470

Fax +386 42974472

E-mail: taric.cuje@gov.si

25.   Slowakije

Ministerstvo hospodárstva SR (Ministerie van Economische Zaken van de Slowaakse Republiek)

Odbor výkonu obchodných opatrení

Mierová 19

827 15 Bratislava

SLOVENSKO/SLOVAKIA

Tel. +421 248547019

Fax +421 243423915

E-mail: jan.krocka@mhsr.sk

26.   Finland

Tullihallitus (Nationale Douanedienst)

PL 512

FIN-00101 Helsinki

SUOMI/FINLAND

Tel. +358 96141

Fax +358 204922852

Tullstyrelsen (Nationale Douanedienst)

PB 512

FIN-00101 Helsingfors

Fax +358 204922852

27.   Zweden

Kommerskollegium (Nationale Kamer van Koophandel)

Box 6803

S-113 86 Stockholm

SVERIGE

Tel. +46 86904800

Fax +46 8306759

E-mail: registrator@kommers.se

28.   Verenigd Koninkrijk

Import Licensing Branch (ILB)

Department for Business, Innovation and Skills

E-mail: enquiries.ilb@bis.gsi.gov.uk


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1282/2013 VAN DE COMMISSIE

van 10 december 2013

tot rectificatie van de Poolse taalversie van Verordening (EG) nr. 2508/2000 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de werkprogramma's in de visserijsector

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (1), en met name artikel 9, lid 5, en artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er is een fout geslopen in artikel 12 van de Poolse taalversie van Verordening (EG) nr. 2508/2000 van de Commissie van 15 november 2000 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad wat betreft de werkprogramma’s in de visserijsector (2). Daarom is een rectificatie van de Poolse taalversie nodig. Met de overige taalversies zijn er geen problemen.

(2)

Verordening (EG) nr. 2508/2000 moet derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd. Om de fouten in de te rectificeren handeling zo snel mogelijk te verwijderen, is het aangewezen dat deze verordening in werking treedt op de derde dag na die van de bekendmaking ervan.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor visserijproducten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Betreft alleen de Poolse taalversie.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 december 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 17 van 21.1.2000, blz. 22.

(2)  PB L 289 van 16.11.2000, blz. 8.


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/14


VERORDENING (EU) Nr. 1283/2013 VAN DE COMMISSIE

van 10 december 2013

houdende rectificatie van de Franse versie van Verordening (EG) nr. 865/2006 houdende gedetailleerde uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (1), en met name artikel 19, leden 2, 3 en 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de Franse versie van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende gedetailleerde uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (2) is een fout geslopen. De fout, die geen invloed heeft op de geldigheid van vergunningen en certificaten of aanvragen voor vergunningen en certificaten, betreft de code die is toegewezen aan de omschrijving van het specimen „Kaviaar”.

(2)

Verordening (EG) nr. 865/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de handel in wilde dier- en plantensoorten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Betreft alleen de Franse versie.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 december 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.

(2)  PB L 166 van 19.6.2006, blz. 1.


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1284/2013 VAN DE COMMISSIE

van 10 december 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 december 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

45,1

IL

200,7

MA

84,7

TN

102,7

TR

130,3

ZZ

112,7

0707 00 05

AL

59,9

MA

158,2

TR

134,0

ZZ

117,4

0709 93 10

MA

158,9

TR

183,4

ZZ

171,2

0805 10 20

AR

30,3

MA

36,7

TR

64,2

ZA

58,8

ZW

19,7

ZZ

41,9

0805 20 10

MA

54,1

ZZ

54,1

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

107,2

JM

138,2

TR

67,3

ZZ

104,2

0805 50 10

TR

65,9

ZZ

65,9

0808 10 80

BA

78,8

MK

39,0

US

165,4

ZA

199,9

ZZ

120,8

0808 30 90

TR

121,5

US

211,2

ZZ

166,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/17


BESLUIT VAN DE RAAD

van 2 december 2013

tot vaststelling van het door de Europese Unie in de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in te nemen standpunt over een verlenging van het moratorium op invoerrechten op elektronische transmissies en het moratorium op klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties

(2013/728/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie („WTO”) van 1998 is een moratorium op douanerechten op elektronische transmissies („e-handelmoratorium”) goedgekeurd in die zin dat de leden hun huidige praktijk handhaven, die eruit bestaat dat zij geen invoerrechten heffen op elektronische transmissies.

(2)

Momenteel heeft het moratorium de vorm van een besluit van de ministeriële conferentie van de WTO, dat sinds 1998 elke twee jaar is vernieuwd. Het moratorium is de laatste keer verlengd tot en met 2013 tijdens de ministeriële confertentie van de WTO in december 2011.

(3)

Tot nu toe is er geen consensus mogelijk geweest over een verbod op of het toestaan van klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties in het kader van de TRIPS-overeenkomst. De verklaring die door de ministeriële conferentie van de WTO in 2005 in Hongkong is aangenomen, luidt als volgt: „Wij nemen kennis van de werkzaamheden die zijn verricht door de Raad voor handelsaspecten van de intellectuele eigendom overeenkomstig paragraaf 11, lid 1, van het Besluit van Doha over vraagstukken en problemen in verband met de tenuitvoerlegging en paragraaf 1, onder h, van het door de Algemene Raad van 1 augustus 2004 aangenomen besluit en verzoeken de raad om voortzetting van zijn onderzoek naar de mogelijkheden en modaliteiten voor klachten van het soort bedoeld in artikel XXIII, lid 1, onder b) en c), van GATT 1994 en aanbevelingen te doen tijdens onze volgende vergadering. Overeengekomen wordt dat de leden in afwachting daarvan geen aanzet zullen geven tot dergelijke klachten in het kader van de TRIPS-overeenkomst.”.

(4)

De procedure bij de opeenvolgende verlengingen van het moratorium op klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties bestond tot dusverre uit het vaststellen van een besluit van de ministeriële conferentie van de WTO op aanbeveling van de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom.

(5)

Het is in het belang van de Unie om steun te verlenen aan de verlenging van het e-handelmoratorium en het moratorium op klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties.

(6)

Het door de Europese Unie in de ministeriële conferentie van de WTO in te nemen standpunt over een verlenging van het e-handelmoratorium en het moratorium op klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties, dient derhalve te worden vastgelegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt van de Europese Unie in de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie luidt dat steun wordt gegeven aan de verlenging van het moratorium op invoerrechten op elektronische transmissies („e-handelmoratorium”) en van het moratorium op klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties tot de volgende ministeriële conferentie van de WTO, zoals vermeld in de volgende ontwerpbesluiten van de WTO:

klachten die geen verband houden met schendingen en andere situaties van TRIPS […]

e-handel […].

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 2 december 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

E. GUSTAS


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/18


BESLUIT 2013/729/GBVB VAN DE RAAD

van 9 december 2013

tot wijziging van Besluit 2013/34/GBVB betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 17 januari 2013 heeft de Raad Besluit 2013/34/GBVB (1) vastgesteld, betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali).

(2)

Op 18 februari 2013 heeft de Raad Besluit 2013/87/GBVB (2) vastgesteld, betreffende de aanvang van EUTM Mali.

(3)

EUTM Mali dient te beschikken over een projectcel voor het beheer van de projecten ter ondersteuning van haar doelstellingen.

(4)

Besluit 2013/34/GBVB dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In Besluit 2013/34/GBVB wordt het volgende artikel toegevoegd:

„Artikel 3 bis

Projectcel

1.   EUTM Mali beschikt over een projectcel voor het in kaart brengen en uitvoeren van projecten. Op gebieden die verband houden met het mandaat van de missie en ter ondersteuning van de doelstellingen ervan, zal de missie, waar nodig, projecten die door de lidstaten en derde landen onder hun verantwoordelijkheid worden uitgevoerd, coördineren, faciliteren en van advies voorzien.

2.   Onder voorbehoud van lid 3 is de commandant van de EU-missie gemachtigd financiële bijdragen van de lidstaten of derde staten aan te wenden voor de uitvoering van projecten die zijn aangemerkt als een consistente aanvulling op de andere acties van EUTM Mali. In dat geval, sluit de commandant van de EU-missie een regeling met die staten, waarin met name wordt vastgelegd welke concrete procedures gelden voor het behandelen van klachten van derden betreffende schade die is opgelopen als gevolg van een handelen of nalaten van de commandant van de EU-missie bij de besteding van de middelen die door die staten ter beschikking zijn gesteld.

In geen geval wordt de Unie of de HV door de bijdragende staten aansprakelijk gesteld voor een handelen of nalaten van de commandant van de EU-missie in verband met de besteding van de middelen van die staten.

3.   Het PVC beslist over het aanvaarden van een financiële bijdrage van derde staten aan de projectcel.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 9 december 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

A. PABEDINSKIENĖ


(1)  PB L 14 van 18.1.2013, blz. 19.

(2)  Besluit 2013/87/GBVB van de Raad van 18 februari 2013 betreffende de aanvang van een militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) (PB L 46 van 19.2.2013, blz. 27).


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/19


BESLUIT 2013/730/GBVB VAN DE RAAD

van 9 december 2013

ter ondersteuning van de ontwapenings- en wapenbeheersingsactiviteiten van het SEESAC in Zuidoost-Europa in het kader van de strategie van de EU ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 26, lid 2, en artikel 31, lid 1,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad heeft op 13 december 2003 een Europese veiligheidsstrategie aangenomen waarin vijf belangrijke uitdagingen worden genoemd waaraan de Unie het hoofd moet bieden: terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, regionale conflicten, het falen van staten en georganiseerde criminaliteit. De gevolgen van de illegale productie, overdracht en circulatie van conventionele wapens, met inbegrip van handvuurwapens en lichte wapens (small arms and light weapons - hierna „SALW” genoemd), en de buitensporige accumulatie en ongecontroleerde verspreiding ervan vormen een belangrijk aspect van vier van deze vijf uitdagingen. Zij vergroten de onveiligheid in Zuidoost-Europa, de aangrenzende regio's en vele andere delen van de wereld, verergeren conflicten en ondergraven de vredesopbouw na conflicten, en vormen derhalve een ernstige bedreiging voor vrede en veiligheid.

(2)

De Europese Raad heeft op 15 en 16 december 2005 de strategie van de EU ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in SALW en munitie daarvoor aangenomen (hierna de „strategie” genoemd), waarin de richtsnoeren voor het Unie-optreden op het gebied van SALW worden omschreven. In die strategie worden de Balkan en Zuidoost-Europa aangemerkt als de regio’s die het sterkst getroffen worden door de bovenmatige accumulatie en verspreiding van SALW. Er staat in dat de Unie bij voorrang aandacht zal besteden aan Midden- en Oost-Europa en er wordt onderstreept dat met name in de Balkan het ondersteunen van effectief multilateralisme en van regionale initiatieven ter zake een doeltreffend instrument voor de uitvoering van de strategie zal zijn. Voorts wordt het deelnemen aan de vermindering van overtollige, uit de koude oorlog stammende SALW-voorraden in Oost-Europa uitdrukkelijk bepleit.

(3)

Tijdens de tweede toetsingsconferentie van het op 20 juli 2001 aangenomen VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitroeiing van de illegale handel in SALW in al zijn aspecten (hierna het „VN-actieprogramma”), in 2012, hebben alle VN-lidstaten zich opnieuw gecommitteerd aan voorkoming van illegale handel in SALW en hebben zij aangedrongen op maatregelen ter verdere versterking van de effectieve rol die regionale en subregionale organisaties kunnen spelen bij de uitvoering van het VN-actieprogramma en het internationale instrument waarmee staten tijdig en op betrouwbare wijze illegale handvuurwapens en lichte wapens kunnen identificeren en traceren (hierna het „internationaal traceringsinstrument”).

(4)

Het in 2002 opgerichte Uitwisselingscentrum voor Zuidoost- en Oost-Europa inzake de beheersing van het aantal handvuurwapens en lichte wapens (South-Eastern and Eastern Europe Clearinghouse for the Control of Small Arms and Light Weapons - SEESAC) in Belgrado, dat functioneert onder de gezamenlijke bevoegdheid van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en van de Raad voor regionale samenwerking (opvolger van het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa), steunt de nationale en regionale belanghebbenden bij het beheersen en beperken van de verspreiding en het misbruik van SALW en munitie daarvoor en derhalve bij het helpen verbeteren van de stabiliteit, de veiligheid en de ontwikkeling in Zuidoost- en Oost-Europa. Het SEESAC legt bijzondere nadruk op de uitwerking van regionale projecten om het reële probleem van de grensoverschrijdende wapenstromen aan te pakken.

(5)

In het verleden heeft de Unie het SEESAC ondersteund door Besluit 2002/842/GBVB van de Raad, verlengd en gewijzigd bij Besluiten 2003/807/GBVB van de Raad (1) en 2004/791/GBVB van de Raad (2). Recentelijk heeft de Unie de wapenbeheersingsactiviteiten van het SEESAC ondersteund door middel van Besluit 2010/179/GBVB van de Raad (3).

(6)

De Unie wenst nog een ander SEESAC-project ter beperking van de dreiging van illegale verspreiding van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor in Zuidoost-Europa te financieren teneinde verder bij te dragen tot het verminderen van het risico op illegale handel en aldus de bovengenoemde doelstellingen te verwezenlijken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De door de Unie te steunen projectactiviteiten inzake het project ter beperking van de dreiging van illegale verspreiding van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor in Zuidoost-Europa, waarmee beoogd wordt uitvoering te geven aan de strategie van de EU ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor en vrede en veiligheid te bevorderen, hebben de volgende specifieke doelstellingen:

de verbetering van de beveiliging van voorraden SALW en munitie daarvoor in Zuidoost-Europa,

de verkleining van de beschikbare voorraden SALW en munitie daarvoor in Zuidoost-Europa door middel van vernietiging,

de verbetering van de markering en tracering door het verlenen van steun voor de invoering van elektronische systemen voor wapenregistratie en -administratie of het verbeteren van bestaande systemen in Zuidoost-Europa,

de intensivering van de controles op SALW en de munitie daarvoor, door het aanmoedigen en faciliteren van kennisdeling, informatie-uitwisseling en bewustmaking via nauwere regionale samenwerking in Zuidoost-Europa,

het ondersteunen van de inzameling van illegale SALW, explosieven, oorlogsmaterieel en bijbehorende munitie die in handen zijn van burgers in de landen van Zuidoost-Europa.

De Unie financiert dit project, waarvan een uitvoerige beschrijving in de bijlage gaat.

Artikel 2

1.   De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid („HV”) is belast met de uitvoering van dit besluit.

2.   De technische uitvoering van het in artikel 1 bedoelde project wordt verricht door het SEESAC.

3.   Het SEESAC voert zijn taken uit onder de verantwoordelijkheid van de HV. Daartoe treft de HV de nodige regelingen met het UNDP, dat handelt namens het SEESAC.

Artikel 3

1.   Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van het in artikel 1 bedoelde, door de Unie gefinancierde project bedraagt 5 127 650 EUR. De totale geraamde begroting voor het gehele programma bedraagt 14 335 403 EUR. Het programma wordt medegefinancierd door de Unie, het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Noorwegen en de begunstigde.

2.   Voor het beheer van de uit het in lid 1 genoemde referentiebedrag gefinancierde uitgaven gelden de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de begroting van de Unie.

3.   De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Hiertoe sluit zij de vereiste overeenkomst met het UNDP, dat handelt namens het SEESAC. In de overeenkomst wordt bepaald dat het SEESAC er zorg voor moet dragen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met de omvang ervan.

4.   De Commissie tracht de in lid 3 bedoelde overeenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden die zich in dat verband voordoen en van de datum van sluiting van de overeenkomst.

Artikel 4

1.   De HV brengt verslag uit aan de Raad over de uitvoering van dit besluit, op basis van regelmatige kwartaalverslagen die door het SEESAC worden opgesteld. Deze verslagen vormen de basis voor de evaluatie door de Raad.

2.   De Commissie brengt verslag uit over de financiële aspecten van het in artikel 1 bedoelde project.

Artikel 5

1.   Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

2.   Dit besluit verstrijkt 36 maanden na de datum van sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde overeenkomst. Niettemin verstrijkt het zes maanden na de datum van inwerkingtreding indien er binnen die termijn nog geen overeenkomst is gesloten.

Gedaan te Brussel, 9 december 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

A. PABEDINSKIENĖ


(1)  Besluit 2003/807/GBVB van de Raad van 17 november 2003 tot verlenging en wijziging van Besluit 2002/842/GBVB betreffende de uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2002/589/GBVB met het oog op een bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens in Zuidoost-Europa (PB L 302 van 20.11.2003, blz. 39).

(2)  Besluit 2004/791/GBVB van de Raad van 22 november 2004 tot verlenging en wijziging van Besluit 2002/842/GBVB betreffende de uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2002/589/GBVB met het oog op een bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens in Zuidoost-Europa (PB L 348 van 24.11.2004, blz. 46).

(3)  Besluit 2010/179/GBVB van 11 maart 2010 ter ondersteuning van de wapenbeheersingsactiviteiten van het SEESAC in de westelijke Balkan in het kader van de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor (PB L 80 van 26.3.2010, blz. 48).


BIJLAGE

Bijdrage van de Europese Unie ten behoeve van het SEESAC-project ter beperking van het risico op illegale verspreiding van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor in Zuidoost-Europa

1.   Inleiding en doelstellingen

Wegens de historische grootschalige accumulatie van handvuurwapens en lichte wapens en munitievoorraden in Zuidoost-Europa, het gebrek aan beveiligde opslagplaatsen en de aanhoudend ontoereikende capaciteit om de opslagplaatsen volledig te beveiligen worden de landen in de regio in de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en ammunitie daarvoor aangemerkt als een bron van grote zorg en een belangrijke uitdaging. De blijvende ondersteuning door de Unie van het tegengaan van de dreiging die veroorzaakt wordt door de verspreiding van en de illegale handel in SALW in en vanuit Zuidoost-Europa vormt dan ook een essentieel onderdeel van de inspanningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-SALW-strategie.

De algemene doelstelling van het project is het bevorderen van de internationale vrede en veiligheid door middel van de voortgezette ondersteuning van de inspanningen ter beperking van de dreiging van grootschalige accumulatie van en illegale handel in SALW en munitie daarvoor in Zuidoost-Europa. Meer concreet zal het project de beschikbaarheid van overtollige SALW en munitie daarvoor verminderen; de beveiliging van de opslagplaatsen verbeteren; het traceren van wapens faciliteren door de registratie en markering ervan te verbeteren; alsmede zorgen voor een intensievere gegevensuitwisseling en kennisoverdracht en een beter inzicht in de dreiging die SALW vormen. Daarnaast zal het programma de stabiliteit in Zuidoost-Europa bevorderen door middel van werkzaamheden in het kader van de Raad voor regionale samenwerking (RCC).

Voortbouwend op de succesvolle uitvoering van met name Besluit 2010/179/GBVB van de Raad en conform de EU-SALW-strategie beoogt dit vervolgproject dus de nationale beheersingsregelingen verder te versterken en de multilaterale aanpak bij de ontwikkeling van regionale mechanismen tegen het aanbod en de destabiliserende verspreiding van SALW en munitie daarvoor verder in de hand te werken. Met het oog op de verruiming van de regionale dimensie zullen de Republiek Moldavië en Kosovo (1) in dit vervolgproject eveneens betrokken worden bij het regionale proces van SALW-beheersing teneinde te komen tot een werkelijk holistische en regionale aanpak die op lange termijn effectief en duurzaam is.

2.   Keuze van het uitvoeringsorgaan en coördinatie met andere financieringsinitiatieven

Het SEESAC is een gezamenlijk initiatief van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties en van de Raad voor regionale samenwerking (opvolger van het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa) en fungeert derhalve als aanspreekpunt voor alle activiteiten in verband met SALW in Zuidoost-Europa. Als uitvoerende instantie van het Regionaal uitvoeringsplan voor Zuidoost-Europa tegen de verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) werkt het SEESAC al meer dan elf jaar met nationale stakeholders in Zuidoost-Europa aan de toepassing van een holistische aanpak van SALW-beheersing door middel van het ontplooien van een breed spectrum van activiteiten, waaronder: bewustmakingscampagnes en SALW-inzamelingscampagnes, voorraadbeheer, vermindering van overschotten en verbetering van de markerings- en traceringscapaciteiten en van de controle op wapenexport. Het SEESAC beschikt dus over een unieke capaciteit en ervaring wat de uitvoering van regionale multi-stakeholder initiatieven betreft in de gemeenschappelijke economische en politieke context van de landen in de regio; het draagt daarbij zorg voor nationaal en regionaal ownership en levensvatbaarheid op lange termijn van zijn acties en heeft zich ontwikkeld tot voornaamste regionale instantie op het gebied van SALW-beheersing.

Het SEESAC heeft open bilaterale en multilaterale communicatiekanalen met alle relevante actoren en organisaties. Het is tevens het secretariaat van de regionale stuurgroep handvuurwapens en lichte wapens voor Zuidoost-Europa (RSG). Voorts is het SEESAC lid en voormalig voorzitter van de stuurgroep van het Initiatief Regionale aanpak van het verkleinen van de wapenvoorraden (RASR). Het SEESAC wordt regelmatig uitgenodigd om deel te nemen aan alle desbetreffende regionale fora, zoals de jaarlijkse bijeenkomsten van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van de EU en de Westelijke Balkan, het structureel informatie-uitwisselingsproces over SALW van de Navo, en het proces van bijeenkomsten van de ministers van Defensie van Zuidoost-Europa (SEDM). Het heeft een uitgebreid netwerk van formele en informele partnerschappen met organisaties zoals RACVIAC (regionaal centrum voor het toezicht op de wapenbeheersing en steun op het gebied van uitvoering), het Centrum voor samenwerking op veiligheidsgebied en het OVSE-Forum voor Veiligheidssamenwerking (FSC). Er vinden regelmatig coördinatievergaderingen plaats met VN-organisaties zoals UNODC en UNODA via het VN-mechanisme tot coördinatie van de actie op het gebied van handvuurwapens (CASA) en andere mechanismen. Het SEESAC heeft zich derhalve ontwikkeld tot een regionaal aanspreekpunt voor een brede waaier aan thema's in verband met de hervorming van de veiligheidssector en in het bijzonder SALW-beheersing en het beheer van voorraden. Het SEESAC, dat in Belgrado gevestigd is, bestrijkt momenteel heel Zuidoost-Europa en is actief in Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, de Republiek Moldavië, Montenegro, Servië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM). Het regionale ownership wordt gegarandeerd via de Raad voor regionale samenwerking (RCC) en de regionale stuurgroep SALW, waar vertegenwoordigers van alle staten in Zuidoost-Europa strategische sturing verlenen en met initiatieven en verzoeken om SEESAC-activiteiten komen.

Het aanpakken van gemeenschappelijke problemen door middel van regionale initiatieven in Zuidoost-Europa is nuttig gebleken, niet alleen wegens de essentiële informatie-uitwisseling en de gezonde regionale mededinging waartoe dit heeft geleid, maar ook omdat de holistische uitvoering samenhangende en gemakkelijk meetbare resultaten heeft opgeleverd. De deelname van het SEESAC aan alle belangrijke regionale processen en initiatieven (zoals SEDM, RASR en RACVIAC) garandeert de tijdige en open informatie-uitwisseling, een sterk omgevingsbewustzijn en voldoende vooruitziendheid om er zorg voor te dragen dat bij de uitvoering overlappingen worden voorkomen en wordt ingespeeld op de huidige behoeften van de regeringen en de regio's en op nieuwe trends.

Het SEESAC baseert al zijn activiteiten op verzamelde baselinegegevens, onderneemt niets zonder goedkeuring en politieke steun van de nationale stakeholders. Het heeft bij vorige door de EU gefinancierde projecten een zeer groot deel van de voorgenomen activiteiten ook daadwerkelijk uitgevoerd en heeft duurzame projectresultaten bereikt door het tot stand brengen en bevorderen van het nationaal ownership van de projecten en activiteiten, alsmede het aanmoedigen van regionale coördinatie, uitwisseling van ervaringen en best practices en regionaal onderzoek. Door zijn expertise inzake SALW en zijn grondige kennis van de regionale aangelegenheden en de stakeholders is het de meest geschikte uitvoeringspartner voor deze specifieke actie.

Het project vormt ook een aanvulling op een parallel SEESAC-initiatief betreffende controle van wapenoverdrachten dat ten doel heeft de capaciteit inzake beheersing van wapenhandel te vergroten door het verbeteren van de transparantie en de regionale samenwerking (2). Wat met name Bosnië en Herzegovina betreft, vult het project twee andere projecten aan, met name:

het EXPLODE-project dat gefinancierd wordt door de kortetermijncomponent van het stabiliteitsinstrument van de EU en wordt uitgevoerd door het UNDP-kantoor in Sarajevo in partnerschap met de OVSE-missie naar Bosnië en Herzegovina en ten doel heeft de veiligheid van de bevolking van Bosnië en Herzegovina te vergroten door de hoeveelheid instabiele munitie te verminderen en de opslag veiliger te maken,

het SECUP Bosnië en Herzegovina-project ter verbetering van de beveiliging van munitie- en wapenopslagplaatsen, dat gezamenlijk wordt uitgevoerd door de OVSE-missie naar Bosnië en Herzegovina en het ministerie van Defensie van Bosnië en Herzegovina, terwijl EUFOR bijdraagt met deskundige technische advisering en monitoring van de veiligheids- en beveiligingsaspecten van de projectuitvoering en het SEESAC regelmatig contact zal onderhouden met EUFOR Althea, de OVSE-missie naar Bosnië en Herzegovina en het UNDP-kantoor in Sarajevo met het oog op de permanente coördinatie en om te zorgen voor complementariteit met die projecten en met de inspanningen van de internationale gemeenschap om een oplossing te vinden voor de overtollige voorraden conventionele munitie in handen van het ministerie van Defensie van Bosnië en Herzegovina en om mogelijke toekomstige campagnes voor het inzamelen van illegale conventionele wapens in Bosnië en Herzegovina voor te bereiden.

Voor andere projectlanden zal het SEESAC zijn werkzaamheden coördineren met de volgende internationale hulpverleningsinitiatieven:

in Montenegro, het Mondem-project, dat door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties in partnerschap met de OVSE wordt beheerd en gericht is op de beperking van het risico van contraproliferatie door het creëren van veilige en beveiligde opslaginfrastructuur en beheersystemen voor conventionele munitie, het beperken van het explosiegevaar voor de bevolking, milieuvriendelijke demilitarisering, het vernietigen van giftige gevaarlijke afvalstoffen (vloeibare raketbrandstof) en de ondersteuning van de defensiehervorming door de vernietiging van een beperkt aantal door het ministerie van Defensie van Montenegro aangewezen zware wapens.

in Kosovo (1), het Kossac-project, dat aanvankelijk gericht was op de terugdringing van het gewapend geweld in Kosovo (1) en het vergroten van de veiligheid van de bevolking, maar zich in de loop der jaren ontwikkeld heeft tot een uitgebreid project ter preventie van gewapend geweld met een sterke nadruk op hervorming van de veiligheidssector en capaciteitsopbouw.

in Servië, het CASM-project, dat door het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa wordt gefinancierd en ten doel heeft de veiligheid en beveiliging van bepaalde opslagplaatsen van conventionele wapens te vergroten en gerapporteerde overtollige munitie te vernietigen.

Het SEESAC zal tevens regelmatig contact onderhouden met de OVSE, de Navo en Norwegian Peoples Aid, alsmede met andere betrokkenen, teneinde zorg te dragen voor de complementariteit van de acties, tijdig optreden en een kosteneffectief gebruik van middelen.

3.   Projectbeschrijving

De uitvoering van het project zal de veiligheid en stabiliteit in Zuidoost-Europa en daarbuiten vergroten door het tegengaan van de verspreiding van en de illegale handel in SALW en munitie daarvoor. Het project zal rechtsreeks bijdragen tot de uitvoering van de veiligheidsstrategie van de EU, de EU-SALW-strategie, het VN-actieprogramma, het internationaal traceringsinstrument en het VN-Vuurwapenprotocol en zal in het bijzonder de regionale samenwerking bij het tegengaan van de dreiging die uitgaat van de verspreiding van SALW en munitie daarvoor intensiveren. Meer concreet zal het project leiden tot:

betere beveiliging en beter voorraadbeheer van SALW door middel van het upgraden van de opslagplaatsen;

de terugdringing van het aantal overtollige en geconfisqueerde SALW en munitie daarvoor door middel van vernietiging;

betere capaciteiten voor de markering, tracering en registratie van SALW;

intensievere regionale samenwerking en informatie-uitwisseling;

de vermindering van het aantal illegale wapens in burgerhanden door middel van bewustmakings- en wapeninzamelingscampagnes.

Het geografisch toepassingsgebied van het project is Zuidoost-Europa. De rechtstreekse begunstigden zijn Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo (1), de Republiek Moldavië, Montenegro, Servië en de FYROM.

3.1.   Betere beveiliging van voorraden door infrastructurele verbeteringen en capaciteitsopbouw

Doel

Deze activiteit zal de dreiging die uitgaat van de verspreiding van en de illegale handel in SALW en munitie daarvoor verminderen door middel van het verbeteren van de beveiligingsvoorschriften en het voorraadbeheer voor de opslag van conventionele wapens en munitie in Bosnië en Herzegovina, Kosovo (1), de Republiek Moldavië, Montenegro, Servië en de FYROM.

Beschrijving

De succesvolle uitvoering van Besluit 2010/179/GBVB van de Raad door middel van een tweevoudige aanpak bestaande uit 1) de betere beveiliging van opslagplaatsen in drie landen (3) en 2) het opbouwen van de capaciteit van het met voorraadbeheer belaste personeel (4) hebben de beveiligingsvoorzieningen aanzienlijk verbeterd en het risico op ongewenste proliferatie van SALW en munitie daarvoor teruggedrongen. Voortbouwend op deze resultaten zal de beveiliging van de wapen- en munitieopslagplaatsen in Zuidoost-Europa in de tweede fase van het project verder worden verbeterd door middel van de voortzetting van de specifieke technische en infrastructurele bijstand conform de internationale beste praktijken en normen. De projectactiviteiten zullen steun verlenen aan het ministerie van Defensie van Bosnië en Herzegovina, de Republiek Moldavië, Montenegro en de FYROM en aan de ministeries van Binnenlandse Zaken van de Republiek Servië, FYROM en Kosovo (1) door middel van de aanschaf en de installatie van de nodige apparatuur voor de beveiliging van wapen- en munitievoorraden. Waar nodig zal tevens opleiding worden verstrekt aan het personeel dat belast is met het voorraadbeheer. De locaties waar de veiligheid zal worden verbeterd, zullen worden geselecteerd op basis van een beoordeling van de prioriteiten en van de veiligheidsrisico's die zij met zich meebrengen.

Specifiek beoogt het project de volgende activiteiten:

Bosnië en Herzegovina: verbetering van de beveiliging van de opslagplaatsen van munitie en conventionele wapens van het ministerie van Defensie, met name door de installatie en/of vernieuwing van de omheining van het terrein, inbraakalarmsystemen, een gesloten televisiecircuit (CCTV) en telecommunicatieapparatuur ter aanvulling van de activiteiten van het UNDP en de OVSE op het gebied van voorraadbeveiliging.

Kosovo (1): verbetering van de capaciteiten inzake voorraadbeheer van de politie door middel van opleiding en evaluatie van de huidige situatie. Vernieuwing van een kleine lokale SALW- en munitieopslagplaats.

FYROM: verbetering van de beveiliging van de centrale opslagplaats van het ministerie van Binnenlandse Zaken (Orman) door middel van de aanschaf van beveiligingsapparatuur en verbetering van de infrastructuur, waaronder de vernieuwing van de omheining van het terrein; CCTV-apparatuur en verlichting; en nieuwe veiligheidsdeuren voor opslagloodsen. verbetering van de beveiliging van de centrale opslagplaats van het leger van de FYROM door de aanschaf en het aanbrengen van videobewaking en verbetering van de beveiliging van het terrein en van de gebouwen door het repareren van de omheiningen, de installatie van nieuwe toegangpoorten en de vernieuwing van de veiligheidsdeuren van het magazijn.

De Republiek Moldavië: verbetering van de beveiliging van het centrale wapen- en munitiedepot (CAMD) van het ministerie van Binnenlandse Zaken, mede door de installatie van een omheining, toegangscontrolesystemen en het verwerven van een elektronisch wapenregister.

Montenegro: fysieke verbeteringen van het munitiedepot van Brezovik, waaronder algemene verbeteringen van de beveiligingsinfrastructuur. Opzetten van een centraal register van opgeslagen wapens en munitie.

Servië: verbetering van de beveiliging van de belangrijkste SALW-opslagplaats van het ministerie van Binnenlandse Zaken, waaronder videobewaking en toegangscontrole.

Regionale opleiding voorraadbeheer: zal op regionaal niveau (jaarlijks) en op nationaal niveau (wanneer nodig) worden georganiseerd.

Projectresultaten en indicatoren betreffende de uitvoering:

Het project zal de veiligheid in Zuidoost-Europa vergroten door het risico op illegale handel te verminderen via:

het verbeteren van de beveiliging van de SALW-opslagplaatsen in Bosnië en Herzegovina (4), Kosovo (1) (1), de Republiek Moldavië (2), Montenegro (1), Servië (1) en de FYROM (2) door middel van meetbare beveiligingsgerelateerde infrastructuurverbeteringen.

het verbeteren van de capaciteit van het personeel om de opslagplaatsen te beschermen door het opleiden van tenminste zestig personeelsleden van de begunstigde landen in drie workshops en het verstrekken van gerichte opleiding op nationaal niveau.

3.2.   Verkleinen van de voorraden door de vernietiging van SALW en munitie daarvoor

Doel

De veiligheid vergroten en het proliferatierisico verminderen door het aantal opgeslagen overtollige conventionele wapens en munitie daarvoor terug te dringen.

Beschrijving

Voortbouwend op het succes van de vorige fase, waarin toezicht werd gehouden op de vernietiging van in totaal 78 366 wapens (45 275 in Servië en 33 091 in Kroatië) en teneinde de hoeveelheden overtollige SALW in handen van de overheid en burgers verder terug te dringen en daardoor het risico op omleiding van en illegale handel in deze wapens te verminderen, zal het project tot 165 000 SALW opruimen door diverse destructieactiviteiten te ondernemen:

Albanië (tot 120 000 stuks)

Bosnië en Herzegovina (tot 4 500 stuks)

Kosovo (1) (tot 2 500 stuks)

de FYROM (tot 1 500 stuks)

Republiek Moldavië (tot 2 500 stuks)

Montenegro (tot 4 000 stuks)

Servië (tot 30 000 stuks)

In Albanië dient bij het vernietigen van SALW evenveel vooruitgang te worden geboekt als bij het opruimen van overtollige munitie in handen van het ministerie van Defensie, met name gezien de omvang van de overtollige voorraden en de problemen die de beveiliging ervan doen rijzen. In Servië dient de in het kader van Besluit 2012/712/GBVB van de Raad geboekte vooruitgang te worden versterkt door de verdere opruiming van overtollige en geconfisqueerde wapens. Tevens is het cruciaal dat in andere landen soortgelijke acties worden opgezet teneinde het risico op verspreiding van en de illegale handel in overtollige wapens te verminderen. Voorts zullen in het kader van het project de overtollige of geconfisqueerde explosieven en SALW-munitie in handen van de ministeries van Binnenlandse Zaken en van de ministeries van Defensie worden vernietigd.

Projectresultaten/ Indicatoren betreffende de uitvoering:

Het project zal het risico van SALW-proliferatie aanzienlijk verkleinen door de vermindering van het aantal overtollige en geconfisqueerde handvuurwapens en lichte wapens, explosieven en munitie die zijn opgeslagen in Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo (1), de Republiek Moldavië, Montenegro, Servië en de voormalige FYROM:

een totaal van tot 165 000 stuks conventionele wapens moet worden vernietigd;

een totaal van 12 442 stuks munitie en explosieven die een proliferatierisico met zich meebrengen moet worden gedemilitariseerd en vernietigd.

3.3.   Verbetering van de markering, tracering en registratie van SALW

Doel

Het verbeteren van de markerings- en traceringscapaciteiten door middel van ondersteuning van de invoering van elektronische systemen voor wapenregistratie en -administratie of van de verbetering van bestaande systemen in Zuidoost-Europa.

Beschrijving

Dit onderdeel van het project ondersteunt de versterking van een effectieve rechtsstaat en de beperking, registratie en kwantificering van de hoeveelheid van en de vraag naar SALW. Dit project is opgezet met inachtneming van het VN-actieprogramma, het internationaal traceringsinstrument, het VN-Vuurwapenprotocol, Richtlijn 91/477/EEG van de Raad en Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, en zal derhalve bijdragen tot de implementatie daarvan door het verbeteren van de capaciteit van de Zuidoost-Europese landen voor markering, tracering en administratie van wapens; het zal met name gericht zijn op de capaciteiten van de nationale overheden om de legale wapens in handen van burgers te administreren door het upgraden en digitaliseren van die systemen te ondersteunen. Tevens zal de capaciteit inzake markering, tracering en ballistische analyse van wapens worden verbeterd.

Bij het project zal aandacht worden besteed aan het garanderen van samenhang en complementariteit van de activiteiten van de EU en de VN in het kader van nationale, regionale en thematische programma's; bij alle activiteiten uit hoofde van deze doelstelling zal worden gestreefd naar een grote mate van synergie en complementariteit met initiatieven van Interpol (iARMS) en Europol op dit terrein.

Dit project zal het versterken van de capaciteiten inzake markering, tracering en registratie van SALW in Zuidoost-Europa ondersteunen door een combinatie van opleiding en technische bijstand, die zal worden geschraagd door een analyse van de regelgeving en het institutionele kader.

Albanië: het project zal de Albanese politie steunen bij het ontwikkelen en opzetten van een elektronisch centraal wapenregister door het ontwerpen van het systeem, de aanschaf en de installatie van de nodige apparatuur en het verstrekken van opleiding aan het personeel.

Bosnië en Herzegovina: het project zal het Staatsbureau voor onderzoek en bescherming (SIPA) ondersteunen bij het continueren van de inspanningen en resultaten op het gebied van non-proliferatie van SALW door middel van het verbeteren van de technische capaciteiten voor het onderzoeken en uitvoeren van SALW-beheersing.

FYROM: het project zal samen met de nationale overheden aan de verdere verbetering van het bestaande wapenregister werken door middel van het upgraden van de software om ook de wapens van de veiligheidsdiensten in het register op te nemen en via scholing van het personeel om de wapenregistratie af te stemmen op de wetgeving.

Kosovo (1): het project zal met de Kosovaarse politiedienst (KPS) werken aan het ontwikkelen van operationele standaardprocedures en het verstrekken van opleiding in het gebruik ervan. Tevens zal het de structuur van de illegale handel in SALW in kaart trachten te brengen door met de betrokken autoriteiten samen te werken om de belangrijkste risicogebieden te benoemen.

Servië: het project zal de verbetering van de technische capaciteiten van het ballistisch laboratorium van het ministerie van Binnenlandse Zaken inzake markering en tracering van wapens en munitie verbeteren door middel van de aanschaf van gespecialiseerde apparatuur en het verstrekken van opleiding.

Op het niveau van de regio:

Het project zal de oprichting van een regionaal netwerk van vuurwapendeskundigen in Zuidoost-Europa ondersteunen en zal tot zes regionale workshops organiseren om de kennisdeling te intensiveren;

Het netwerk zal worden ondersteund door een onlineplatform om de kennisdeling en de informatie-uitwisseling te vergemakkelijken;

Het SEESAC zal in nauw contact staan met Conflict Armament Research (CAR) zodat er gemakkelijker informatie kan worden uitgewisseld tussen het SEESAC, het regionale netwerk van vuurwapendeskundigen en het iTrace-project van CAR;

Er zal een haalbaarheidsstudie worden uitgevoerd die een overzicht moet bieden van de wettelijke en de technische mogelijkheden voor nauwere en formelere uitwisseling van tracerings- en ballistische gegevens.

Projectresultaten/ Indicatoren betreffende de uitvoering:

Albanië beschikt over een elektronisch centraal wapenregister;

de technische capaciteiten van het Staatsbureau voor onderzoek en bescherming van Bosnië en Herzegovina inzake tracering en onderzoek van SALW en munitie daarvoor zijn verbeterd;

het elektronisch wapenregister van de FYROM is geüpgraded om de wapens van de veiligheidsdiensten erin op te nemen; ten minste 25 personeelsleden hebben een opleiding in de nieuwe bepalingen gevolgd;

de operationele standaardprocedures inzake markering, tracering en registratie van SALW voor de politie van Kosovo (1) zijn ontwikkeld; de studie die de structuur van de illegale handel in SALW in kaart brengt is voltooid;

het ballistisch laboratorium van het Servische ministerie van Binnenlandse Zaken beschikt over meer technische capaciteit inzake tracering van wapens en munitie;

er is een regionaal netwerk van wapendeskundigen opgezet en het is operationeel; er zijn zes workshops gehouden;

er is een onlineplatform opgezet om de kennisdeling en de informatie-uitwisseling via het regionaal netwerk van vuurwapendeskundigen te faciliteren;

er is meer informatie-uitwisseling tussen het SEESAC, het regionaal netwerk van vuurwapendeskundigen.

de haalbaarheidsstudie naar de koppeling van registratiesystemen is voltooid.

3.4.   Regionale samenwerking op het gebied van bewustmaking, informatie-uitwisseling en kennisoverdracht

Doel

De capaciteit voor het bestrijden van de dreiging die wordt gevormd door SALW en munitie daarvoor in Zuidoost-Europa nog verder versterken en de kennisdeling, informatie-uitwisseling en bewustmaking faciliteren via nauwere regionale samenwerking.

Beschrijving

Dit project zal de capaciteit van de nationale SALW-commissies en van andere instanties die zich bezighouden met wapenbeheersing versterken door middel van technische bijstand en capaciteitsopbouw en zal tevens het uitwisselen van informatie faciliteren. Het project zal nauw samenwerken met de instanties om hun behoeften in kaart te brengen en de nodige ondersteuningsinstrumenten te ontwikkelen zodat zij hun capaciteiten inzake beheersing van conventionele wapens en de munitie daarvoor verder kunnen versterken. Het project zal tevens een regionaal informatie-uitwisselingsproces instellen en faciliteren, dat vertegenwoordigers van de nationale SALW-commissies en van instanties die zich bezighouden met wapenbeheersing samenbrengt om de regionale samenwerking en kennisdeling te intensiveren. Het proces van regionale informatie-uitwisseling zal bestaan uit:

formele regionale bijeenkomsten van de nationale SALW-commissies twee keer per jaar;

het formeel vastleggen van geleerde lessen betreffende SALW-beheersing in Zuidoost-Europa;

het opstellen van een compendium van de nationale SALW-wetgeving in Zuidoost-Europa, achtergrondnotities en andere kennisproducten die nodig zijn voor een effectieve SALW-beheersing;

het opzetten van een regionaal onderzoek naar de invloed van SALW op huiselijk en seksegerelateerd geweld;

het opzetten van een onlinekennisdelingsplatform en webportaal, die de regelmatige uitwisseling van kennis en ervaring betreffende projecten, activiteiten en maatregelen op het gebied van SALW-beheersing mogelijk maken;

het faciliteren van bilaterale informatie-uitwisseling via studiebezoeken en het uitwisselen van deskundigen.

Het formeel vastleggen van geleerde lessen en het opbouwen van een kennisbestand zal de capaciteit van de landen van Zuidoost-Europa om SALW-beheersingsactiviteiten te ontwerpen, op te zetten en uit te voeren verder versterken en zal van de landen tevens kennisexporteurs naar andere regio's maken. De ruime ervaring die in Zuidoost-Europa hierdoor wordt opgedaan, zal ook in andere delen van de wereld nuttig zijn.

Projectresultaten/ Indicatoren betreffende de uitvoering:

Er is meer regionale samenwerking bij het tegengaan van de dreiging die uitgaat van de grootschalige accumulatie van en de illegale handel in SALW en munitie daarvoor doordat:

er tot zes formele bijeenkomsten van de SALW-commissies zijn georganiseerd;

de bilaterale kennisdeling en informatie-uitwisseling is gefaciliteerd;

in voorkomend geval, een nationale SALW-strategie is ontwikkeld;

opleiding op nationaal niveau en capaciteitsopbouw op basis van een behoeftenonderzoek hebben plaatsgevonden;

het besef van de invloed van SALW op huiselijk en seksegerelateerd geweld is vergroot door het opzetten en promoten van een regionale studie.

De capaciteit van de nationale SALW-commissies en van andere instanties die zich bezighouden met wapenbeheersing is vergroot doordat:

een kennisdelingsplatform is opgezet;

een compendium van de wapenbeheersingswetgeving is gepubliceerd en alle geleerde lessen betreffende SALW-beheersing in Zuidoost-Europa formeel zijn vastgelegd;

technisch advies is verstrekt.

3.5.   Inzamelings- en bewustmakingscampagnes

Doel

De veiligheid vergroten en de dreiging die veroorzaakt wordt door de illegale handel in SALW en munitie daarvoor verminderen door middel van:

het ondersteunen van de inzameling van illegale en ongewenste wapens, explosieven, oorlogsmaterieel en bijbehorende munitie in handen van burgers in de landen van Zuidoost-Europa;

het ondersteunen van de legalisering van wapens in handen van burgers via registratie van deze wapens;

bewustmaking van het gevaar van illegaal wapenbezit.

Beschrijving

Tijdens de eerste fase van het project (Besluit 2010/179/GBVB van de Raad) heeft gedurende anderhalf jaar een inzamelings- en bewustmakingscampagne in Kroatië plaatsgevonden. Daarbij zijn 1 753 wapens, 16 368 illegale fragmentatiewapens, 818 153 stuks munitie en 620 kg explosieven ingezameld wat ertoe geleid heeft dat de bevolking zich meer bewust is geworden van de problematiek. In Servië heeft een innoverende bewustmakingscampagnes met behulp van een onlineplatform het SEESAC geholpen om uiterst nuttige informatie te verzamelen over de heersende attitudes en de aanwezigheid van SALW. Op basis van de lering uit deze campagnes zal de tweede fase van het project gericht zijn op drie elkaar versterkende werkrichtingen:

het op touw zetten en voeren van inzamelingscampagnes die gebaseerd zullen zijn op gerichte bewustmakingsacties teneinde op passende wijze bekendheid te geven aan de nadere bepalingen van de legalisering en de vrijwillige inlevering van illegale vuurwapens;

het op touw zetten en uitvoeren van bewustmakingsactiviteiten over de gevaren van het bezit van illegale vuurwapens, munitie en explosieven;

het gebruik van innoverende instrumenten zoals crowdsourcing om het illegale bezit van vuurwapens in kaart te brengen en het publiek bewuster maken van het gevaar van illegaal wapenbezit.

Projectresultaten/ Indicatoren betreffende de uitvoering:

Het project zal de veiligheid in Zuidoost-Europa vergroten door het illegale wapenbezit onder de bevolking terug te dringen door middel van:

het beperken van het aantal wapens, oorlogsmaterieel, munitie en explosieven in burgerhanden;

bewustmaking door het op touw zetten en voeren van campagnes in ten minste zes landen.

4.   Begunstigden

De directe begunstigden van het project zijn de nationale instanties die belast zijn met SALW-beheersing in Zuidoost-Europa. Wat voorraadbeheer betreft, zullen de ministeries van Defensie van Bosnië en Herzegovina, de Republiek Moldavië, Montenegro en de FYROM, alsmede de ministeries van Binnenlandse Zaken van Kosovo (1), de Republiek Moldavië, Servië en de FYROM profiteren van de capaciteitsuitbreiding en de verbetering van de infrastructuur van de opslagplaatsen. De directe begunstigden van de inspanningen om de voorraden te beperken zijn de ministeries van Binnenlandse Zaken van Bosnië en Herzegovina, Kosovo (1), de Republiek Moldavië, Montenegro, Servië en de FYROM en de ministeries van Defensie van Albanië, Bosnië en Herzegovina, de FYROM en de Republiek Moldavië. De directe begunstigden van de uitbreiding van de capaciteiten inzake markering, tracering en registratie van SALW zijn de ministeries van Binnenlandse Zaken van Albanië, de FYROM, Kosovo (1) en Servië en het Staatsbureau voor onderzoek en bescherming van Bosnië en Herzegovina. De overige ministeries van Binnenlandse Zaken zullen baat hebben bij het regionale netwerk van vuurwapendeskundigen. De nationale SALW-commissies en andere instanties die belast zijn met de beheersing van handvuurwapens en lichte wapens in Zuidoost-Europa zullen profiteren van opleiding en gegevensuitwisseling en van regionale samenwerking.

De voorgestelde activiteiten stemmen volledig overeen met de nationale prioriteiten inzake SALW-beheersing en zijn door de bevoegde nationale SALW-beheersinstanties goedgekeurd, waaruit hun betrokkenheid bij en hun inzet voor het boeken van projectresultaten blijken.

De bevolking van de landen in Zuidoost-Europa en de EU, die bedreigd worden door de grootschalige SALW-proliferatie zullen indirect profiteren van deze projecten doordat het risico vermindert.

5.   Zichtbaarheid van de EU

Het SEESAC zal er met passende maatregelen voor zorgen dat bekend wordt gemaakt dat de Unie de actie heeft gefinancierd. Die maatregelen worden getroffen aan de hand van de Communications and Visibility Manual for European Union External Actions (Handleiding communicatie en zichtbaarheid voor het externe optreden van de EU) die de Europese Commissie heeft opgesteld en gepubliceerd. Het SEESAC zal aldus de zichtbaarheid van de EU-bijdrage verzekeren met passende profilering en publiciteit, waarin de rol van de Unie benadrukt wordt, voor transparantie van het optreden van de Unie wordt gezorgd en bekendheid wordt gegeven aan de redenen die tot het besluit hebben geleid, aan de steun van de Unie voor het besluit en aan de resultaten waartoe die steun heeft geleid. Op het door het project geproduceerde materiaal zal de EU-vlag duidelijk zichtbaar zijn, overeenkomstig de EU-richtsnoeren voor het juiste gebruik en de juiste weergave van de vlag.

Aangezien de voorgenomen activiteiten sterk verschillen qua reikwijdte en aard zal gebruik worden gemaakt van een veelheid aan promotie-instrumenten: traditionele media, website, sociale media, informatie- en promotiemateriaal waaronder infographics, folders, nieuwsbrieven, persmededelingen en andere instrumenten, naargelang het geval. Op de in het kader van dit project gefinancierde publicaties, publieke evenementen, campagnes, uitrusting en bouwwerken zal de nodige informatie worden vermeld. Teneinde de impact van het project te vergroten door middel van bewustmaking van de diverse nationale regeringen en bevolkingen, de internationale gemeenschap en de lokale en internationale media, wordt iedere doelgroep aangesproken in een passende taal.

6.   Looptijd

Op basis van de ervaring met de uitvoering van Besluit 2010/799/GBVB van de Raad en gezien de regionale werkingssfeer van het project, het aantal begunstigden en het aantal en de complexiteit van de voorgenomen activiteiten, is voor de uitvoering 36 maanden uitgetrokken.

7.   Algemene opzet

Het SEESAC, het regionale initiatief dat in opdracht van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en van de Raad voor regionale samenwerking (opvolger van het Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa) handelt, wordt belast met de technische uitvoering van deze actie. Het SEESAC is de uitvoerende instantie van het Regionale uitvoeringsplan tegen de verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en fungeert derhalve als aanspreekpunt voor alle vraagstukken in verband met SALW in de regio Zuidoost-Europa.

Het SEESAC draagt de algemene verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de projectactiviteiten en moet verantwoording afleggen voor de uitvoering van het project. De looptijd van het project bedraagt drie jaar (36 maanden) en de totale geraamde begroting voor het project bedraagt 14 335 403 EUR, met gegarandeerde medefinanciering van Noorwegen.

8.   Partners

Het SEESAC voert de actie rechtstreeks uit in nauwe samenwerking met de ministeries van Defensie van Albanië, Bosnië en Herzegovina, de Republiek Moldavië, Montenegro, de FYROM, de ministeries van Binnenlandse Zaken van Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo (1), de Republiek Moldavië, Montenegro, Servië, de FYROM, het Staatsbureau voor onderzoek en bescherming van Bosnië en Herzegovina, en de nationale SALW-commissies in Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo (1), de Republiek Moldavië, Montenegro, Servië, en de FYROM.

Deze actie maakt deel uit van een breder wapenbeheersingsprogramma in de Westelijke Balkan en wordt aangevuld met een door het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Noorwegen gefinancierd project inzake de controle op wapenexport en het programma voor capaciteitsopbouw voor het beheer van munitievoorraden in de republiek Servië (CASM). De totale geraamde begroting voor het programma bedraagt 14 335 403 EUR; de bijdrage van de Unie bedraagt 5 127 650 EUR, wat overeenkomt met 35,77 % van de totale geraamde begroting. De bijdrage van Noorwegen beloopt 411 689 EUR (NOK 3 140 000) volgens de „UN Operational Rate of Exchange” (geldende VN-wisselkoers) voor juni 2013 en is goed voor 2,87 % van de totale begroting van het programma. De bijdrage van de begunstigde bedraagt in totaal 61,36 % van de totale begroting van het programma.

9.   Verslaglegging

De inhoudelijke en financiële verslaglegging heeft betrekking op de volledige actie die wordt beschreven in de overeenkomst voor de betrokken bijdrage en de bijbehorende begroting, ongeacht of de actie volledig of gedeeltelijk door de Commissie wordt gefinancierd.

Er worden inhoudelijke kwartaalverslagen ingediend om de vooruitgang met betrekking tot het bereiken van de kernresultaten te registreren en in het oog te houden.

10.   Geraamde begroting

De totale kosten van het door de EU gefinancierde programma worden op 5 127 650 EUR geraamd.


(1)  Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met resolutie 1244(1999) van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.

(2)  Het onderdeel „controle van wapenoverdrachten” wordt gefinancierd door het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Noorwegen en wordt uitgevoerd door het SEESAC.

(3)  In Kroatië is de beveiliging van de centrale wapenopslagplaats van het ministerie van Binnenlandse Zaken „MURAT” verbeterd door de installatie van videobewaking; in Bosnië en Herzegovina zijn 41 veiligheidsdeuren geïnstalleerd en is de beveiliging van 4 SALW- en munitieopslagplaatsen van het ministerie van Defensie verscherpt; de beveiliging van het munitiedepot „TARAS” van het ministerie van Defensie van Montenegro is aangepast aan de internationale beveiligingsnormen.

(4)  Er is een cursus voorraadbeheer opgesteld en in totaal 58 praktijkfunctionarissen van de ministeries van Defensie, het leger en de ministeries van Binnenlandse Zaken van Bosnië en Herzegovina, Kroatië, de FYROM, Montenegro en Servië hebben een opleiding voorraadbeheer gevolgd.


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/31


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2013

inzake de kennisgeving door Ierland van een nationaal plan voor de overgangsfase als bedoeld in artikel 32 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 8638)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(2013/731/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (1), met name artikel 32, lid 5, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 32, lid 5, eerste alinea, van Richtlijn 2010/75/EU heeft Ierland op 31 december 2012 een nationaal plan voor de overgangsfase (transitional national plan of TNP) bij de Commissie ingediend (2).

(2)

Tijdens haar beoordeling van de volledigheid van het TNP stelde de Commissie verschillen vast tussen de lijst van onder het TNP vallende installaties en de installaties die door Ierland zijn opgegeven in zijn emissie-inventaris volgens Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), die samen met het ontbreken van informatie over een installatie de beoordeling van de TNP-gegevens hebben bemoeilijkt.

(3)

De Commissie heeft de Ierse autoriteiten per brief van 3 juni 2013 (4) verzocht om opheldering van eventuele inconsistenties tussen het TNP en de inventaris volgens Richtlijn 2001/80/EG en om verduidelijking betreffende een stookinstallatie.

(4)

Ierland heeft per brief van 10 juli 2013 aanvullende informatie aan de Commissie verstrekt in verband met, onder meer, het schrappen van een installatie uit het TNP (5).

(5)

Na verdere evaluatie van het TNP en de aanvullende informatie heeft de Commissie op 4 september 2013 een tweede schrijven gestuurd (6), waarin werd verzocht om opheldering ten aanzien van de datum waarop de eerste vergunning is verleend voor verschillende installaties, en om correcte toepassing van de samentellingsregels van artikel 29 van de richtlijn industriële emissies. De Commissie heeft ook verzocht om een herziening van de berekening van de bijdrage aan de TNP-plafonds voor stookinstallaties op meerdere brandstoffen.

(6)

Ierland heeft de gevraagde aanvullende informatie en verduidelijkingen per e-mail van 23 september 2013 (7) verstrekt, overeenkomstig Uitvoeringsbesluit 2012/115/EU (8).

(7)

Het TNP is derhalve door de Commissie beoordeeld overeenkomstig artikel 32, leden 1, 3 en 4, van Richtlijn 2010/75/EU en Uitvoeringsbesluit 2012/115/EU van de Commissie.

(8)

De Commissie heeft met name gekeken naar de consistentie en juistheid van de gegevens, de veronderstellingen en de berekeningen die zijn gebruikt voor het bepalen van de bijdragen die elke onder het TNP vallende stookinstallatie levert aan de in het TNP vastgestelde emissieplafonds, en heeft het TNP onderzocht op de aanwezigheid van doelstellingen en bijbehorende streefwaarden, maatregelen en tijdschema’s voor het bereiken van deze doelstellingen, en van een toezichtsmechanisme ter beoordeling van de toekomstige naleving van de voorschriften.

(9)

Wat betreft de aanvullende ingediende informatie stelde de Commissie vast dat de emissieplafonds voor 2016 en 2019 aan de hand van de passende gegevens en formules zijn berekend, en dat de berekeningen correct waren. Ierland heeft voldoende informatie verstrekt inzake de maatregelen die zullen worden genomen met het oog op het bereiken van de emissieplafonds, het toezicht en de verslaglegging aan de Commissie over de tenuitvoerlegging van het TNP.

(10)

De Commissie is van mening dat de Ierse autoriteiten rekening hebben gehouden met artikel 32, leden 1, 3 en 4, van Richtlijn 2010/75/EU en Uitvoeringsbesluit 2012/115/EU.

(11)

De tenuitvoerlegging van het TNP mag geen afbreuk mag doen aan andere toepasselijke nationale of Unie-wetgeving. Bij het stellen van afzonderlijke vergunningsvoorwaarden voor onder het TNP vallende stookinstallaties moet Ierland er met name voor zorgen dat de naleving van onder meer Richtlijn 2010/75/EU, Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) en Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) niet in gevaar wordt gebracht.

(12)

Volgens artikel 32, lid 6, van Richtlijn 2010/75/EU moet Ierland elke wijziging van het TNP aan de Commissie melden. De Commissie moet vervolgens beoordelen of die wijzigingen in overeenstemming zijn met artikel 32, leden 1, 3 en 4, van Richtlijn 2010/75/EU en Uitvoeringsbesluit 2012/115/EU,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Op grond van artikel 32, leden 1, 3 en 4, van Richtlijn 2010/75/EU en Uitvoeringsbesluit 2012/115/EU zijn er geen bezwaren tegen het nationale plan voor de overgangsfase dat Ierland op 31 december 2012 bij de Commissie heeft gemeld op grond van artikel 32, lid 5, van Richtlijn 2010/75/EU, zoals gewijzigd in overeenstemming met de aanvullende inlichtingen van 10 juli 2013 en 23 september 2013 (11).

2.   De lijst van installaties die onder het nationale plan voor de overgangsfase vallen, de verontreinigende stoffen die op die installaties van toepassing zijn en de desbetreffende emissieplafonds staan in de bijlage.

3.   De uitvoering van het nationale plan voor de overgangsfase door de Ierse autoriteiten stelt Ierland niet vrij van de verplichting tot naleving van Richtlijn 2010/75/EU wat betreft de emissies van de afzonderlijke stookinstallaties waarop het plan betrekking heeft, en van andere relevante milieuwetgeving van de EU.

Artikel 2

De Commissie beoordeelt of door Ierland in de toekomst gemelde wijzigingen van het nationale plan voor de overgangsfase in overeenstemming zijn met artikel 32, leden 1, 3 en 4, van Richtlijn 2010/75/EU en Uitvoeringsbesluit 2012/115/EU.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Ierland.

Gedaan te Brussel, 9 december 2013.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.

(2)  De door Ierland per brief gestuurde kennisgeving is op 31 december 2012 via de post door de Commissie ontvangen en op dezelfde datum opgetekend onder registratienummer: Ares(2012)10636.

(3)  Richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 1).

(4)  Ares(2013)1636798

(5)  Ares(2013)2640846

(6)  Ares(2013)2991162

(7)  Ares(2013)3103789

(8)  Uitvoeringsbesluit 2012/115/EU van de Commissie van 10 februari 2012 houdende vaststelling van de in Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies bedoelde nationale plannen voor de overgangsfase (PB L 52 van 24.2.2012, blz. 12).

(9)  Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22).

(11)  De geconsolideerde versie van het TNP is door de Commissie op 26 november 2013 opgetekend onder registratienummer Ares(2013)3571076.


BIJLAGE

Lijst van de onder het TNP vallende installaties

Nummer

Naam van de installatie in het TNP

Totaal nominaal thermisch vermogen op 31.12.2010 (MW)

Verontreinigende stof die onder het TNP valt

SO2

NOx

stof

1

P0605-MP1/2

Units 1 and 2, Moneypoint Generating Station

1 540

2

P0605-MP3

Unit 3, Moneypoint Generating Station

770

3

P0561-AD1

Unit 1, Aghada Generating Station

670

4

P0561-AT1

Turbine CT11, Aghada Generating Station

283

5

P0561-AT2

Turbine CT12, Aghada Generating Station

283

6

P0561-AT4

Turbine CT14, Aghada Generating Station

283

7

P0578-MR1

CT Unit, Marina Generating Station

277

8

P0606-GR1/2

Units 1 and 2, Great Island Generating Station

346

9

P0606-GR3

Unit 3, Great Island Generating Station

303

10

P0607-TB1/2

Units 1 and 2, Tarbert Generating Station

340

11

P0607-TB3/4

Units 3 and 4, Tarbert Generating Station

1 232

12

P0482-EP1

Edenderry Power Limited

299


Emissieplafonds (ton)

 

2016

2017

2018

2019

1.1 – 30.6.2020

SO2

15 202

12 076

8 950

5 824

2 912

NOx

8 811

7 853

6 896

5 938

2 969

stof

1 514

1 196

878

560

280


11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/34


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 9 december 2013

tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van chlooralkali

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 8589)

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/732/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (1), en met name artikel 13, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU schrijft voor dat de Commissie een uitwisseling van informatie over industriële emissies organiseert tussen zichzelf, de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming, teneinde het opstellen van de BBT-referentiedocumenten als bepaald in artikel 3, lid 11, van die richtlijn te vergemakkelijken.

(2)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2010/75/EU heeft de uitwisseling van informatie betrekking op de prestaties van installaties en technieken wat betreft emissies uitgedrukt als gemiddelden over de korte en de lange termijn, naargelang van het geval, en de daarmee samenhangende referentieomstandigheden, verbruik en aard van de grondstoffen, waterverbruik, energieverbruik en afvalproductie, op de gebruikte technieken, de daarmee samenhangende monitoring, de effecten op alle milieucompartimenten, de economische en technische levensvatbaarheid en de ontwikkelingen daarin, alsook op de beste beschikbare technieken en de technieken in opkomst die worden vastgesteld na bestudering van de onder a) en b) van artikel 13, lid 2, van die richtlijn vermelde punten.

(3)

„BBT-conclusies” als gedefinieerd in artikel 3, punt 12, van Richtlijn 2010/75/EU zijn het belangrijkste deel van BBT-referentiedocumenten en bevatten de conclusies over de beste beschikbare technieken, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden verbruiksniveaus en, in voorkomend geval, toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen.

(4)

Overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU moeten de BBT-conclusies het ijkpunt vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden voor installaties als bedoeld in hoofdstuk II van die richtlijn.

(5)

Artikel 15, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU schrijft voor dat de bevoegde autoriteit emissiegrenswaarden vaststelt die waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de in artikel 13, lid 5, van Richtlijn 2010/75/EU bedoelde besluiten over BBT-conclusies.

(6)

Artikel 15, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU voorziet in afwijkingen op het vereiste van artikel 15, lid 3, indien de kosten voor het halen van emissieniveaus met betrekking tot de BBT buitensporig hoog zijn in verhouding tot de milieuvoordelen als gevolg van de geografische ligging, de plaatselijke milieusituatie of de technische kenmerken van de betrokken installatie.

(7)

Op grond van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU moeten de in artikel 14, lid 1, onder c), van de richtlijn bedoelde eisen inzake monitoring worden gebaseerd op de in de BBT-conclusies beschreven conclusies inzake monitoring.

(8)

Overeenkomstig artikel 21, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU moet de bevoegde autoriteit, binnen vier jaar na de bekendmaking van de besluiten over BBT-conclusies, alle vergunningsvoorwaarden toetsen en indien nodig actualiseren en erop toezien dat de installatie aan die vergunningsvoorwaarden voldoet.

(9)

Bij het besluit van de Commissie van 16 mei 2011 is een forum (2) voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies opgericht dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming.

(10)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU heeft de Commissie op donderdag 6 juni 2013 het advies van dat forum ingewonnen over de voorgestelde inhoud van het BBT-referentiedocument voor de productie van chlooralkali en heeft zij dat voor het publiek toegankelijk gemaakt (3).

(11)

De in dit besluit vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali zijn in de bijlage bij dit besluit opgenomen.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 december 2013.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.

(2)  PB C 146 van 17.5.2011, blz. 3.

(3)  https://circabc.europa.eu/w/browse/d4fbf23d-0da7-47fd-a954-0ada9ca91560


BIJLAGE

BBT-CONCLUSIES VOOR DE PRODUCTIE VAN CHLOORALKALI

TOEPASSINGSGEBIED 37
ALGEMENE OVERWEGINGEN 38
DEFINITIES 38
BBT-CONCLUSIES 39

1.

Celtechniek 39

2.

Buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelinstallaties 39

3.

Het ontstaan van afvalwater 41

4.

Energie-efficiëntie 42

5.

Monitoring van emissies 43

6.

Emissies naar de lucht 44

7.

Emissies naar het water 45

8.

Het ontstaan van afval 47

9.

Terreinsanering 47
VERKLARENDE WOORDENLIJST 48

TOEPASSINGSGEBIED

Deze BBT-conclusies hebben betrekking op bepaalde industriële activiteiten aangegeven in de punten 4.2 a) en 4.2 c) van bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU, namelijk de productie van chlooralkali (chloor, waterstof, kaliumhydroxide en natriumhydroxide) door de elektrolyse van pekel.

Deze BBT-conclusies hebben in het bijzonder betrekking op de volgende processen en activiteiten:

de opslag van zout;

de bereiding, zuivering en resaturatie van pekel;

de elektrolyse van pekel;

de concentratie, zuivering, opslag en het werken met natrium-/kaliumhydroxide;

het koelen, drogen, de zuivering, de compressie, het vloeibaar maken, de opslag en het werken met chloor;

het koelen, de zuivering, de compressie, de opslag en het werken met waterstof;

de ombouw van kwikcelleninstallaties tot membraancelleninstallaties;

de buitengebruikstelling van kwikcelleninstallaties;

de sanering van locaties voor productie van chlooralkali.

Deze BBT-conclusies gaan niet in op de volgende activiteiten of processen:

de elektrolyse van zoutzuur voor de productie van chloor;

de elektrolyse van pekel voor de productie van natriumchloraat; dit wordt behandeld in het BBT-referentiedocument voor anorganische bulkchemicaliën — vast en overig (LVIC-S);

de elektrolyse van gesmolten zouten voor de productie van alkali- of aardalkalimetalen en chloor; dit wordt behandeld in het BBT-referentiedocument voor de non-ferrometaalindustrie (NFM);

de productie van specialiteiten zoals alcoholaten, dithionieten en alkalimetalen door het gebruik van amalgaam van alkalimetalen geproduceerd met de kwikcellentechniek;

de productie van chloor, waterstof of natrium-/kaliumhydroxide door processen anders dan elektrolyse.

In deze BBT-conclusies wordt niet ingegaan op de volgende aspecten van productie van chlooralkali, aangezien deze worden behandeld in het BBT-referentiedocument voor afvalwater- en afvalgasbehandelings-/beheersystemen in de chemiesector (CWW):

de behandeling van afvalwater in een downstream-behandelingsinstallatie;

milieumanagementsystemen;

geluidsemissies.

Andere referentiedocumenten die relevant zijn voor de activiteiten waarop deze BBT-conclusies betrekking hebben, zijn de volgende:

Referentiedocument

Onderwerp

BREF gemeenschappelijke afvalwater- en afvalgasbehandelings-/beheersystemen in de chemiesector (CWW)

Gemeenschappelijke afvalwater- en afvalgasbehandeling-/beheersystemen

Economische aspecten en cross-media-effecten (ECM)

Economische aspecten en cross-media-effecten van technieken

Emissies uit opslag (EFS)

Opslag en behandeling van grondstoffen en producten

Energie-efficiëntie (ENE)

Algemene aspecten van energie-efficiëntie

Industriële koelsystemen (ICS)

Indirecte koeling met water

Grote verbrandingsinstallaties (LCP)

Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van 50 MW of meer

Algemene monitoringsbeginselen (MON)

Algemene aspecten van monitoring van emissies en verbruik

Afvalverbranding (WI)

Afvalverbranding

Afvalverwerkingsindustrie (WT)

Afvalverwerking

ALGEMENE OVERWEGINGEN

De technieken die in deze BBT-conclusies worden opgesomd en beschreven, zijn niet prescriptief en niet uitputtend. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.

Tenzij anders aangegeven, kunnen de BBT-conclusies algemeen worden toegepast.

De met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies naar de lucht die in deze BBT-conclusies worden genoemd, verwijzen naar:

concentratieniveaus uitgedrukt als massa uitgestoten stoffen per volume afvalgas onder standaardomstandigheden (273,15 K, 101,3 kPa), na aftrek van het watergehalte maar zonder correctie van het zuurstofgehalte, in de eenheid mg/m3;

BBT-GEN’s voor emissies naar het water genoemd in deze BBT-conclusies verwijzen naar:

concentratieniveaus uitgedrukt als massa uitgestoten stoffen per volume afvalwater, in de eenheid mg/l.

DEFINITIES

In deze BBT-conclusies zijn de volgende definities van toepassing:

Gebruikt begrip

Definitie

Nieuwe installatie

Een installatie die pas na de publicatie van deze BBT-conclusies in gebruik is genomen of een volledige vervanging is van een installatie op de bestaande fundamenten van de installatie na de publicatie van deze BBT-conclusies.

Bestaande installatie

Een andere dan een nieuwe installatie.

Een nieuwe eenheid voor het vloeibaar maken van chloor

Een eenheid voor het vloeibaar maken van chloor die pas na de publicatie van deze BBT-conclusies in gebruik is genomen of een volledige vervanging is van een eenheid voor het vloeibaar maken van chloor na de publicatie van deze BBT-conclusies.

Chloor en chloordioxide, uitgedrukt als Cl2

De som van chloor (Cl2) en chloordioxide (ClO2), samen gemeten en uitgedrukt als chloor (Cl2).

Vrij chloor, uitgedrukt als Cl2

De som van opgelost elementair chloor, hypochloriet, hypochlorigzuur, opgelost elementair broom, hypobromiet en hypobroomzuur, samen gemeten en uitgedrukt als Cl2

Kwik, uitgedrukt als Hg

De som van alle anorganische en organische kwiksoorten, samen gemeten en uitgedrukt als Hg.

BBT-CONCLUSIES

1.   Celtechniek

BBT 1: Voor de productie van chlooralkali is het BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken. De kwikcellentechniek kan onder geen omstandigheden als BBT worden beschouwd. Het gebruik van diafragma’s van asbest is geen BBT.

 

Techniek

Beschrijving

Toepasbaarheid

a

Bipolaire membraancellentechniek

Membraancellen bestaan uit een anode en een kathode gescheiden door een membraan. In een bipolaire opstelling worden afzonderlijke membraancellen elektrisch in serie geschakeld.

Algemeen toepasbaar.

b

Monopolaire membraancellentechniek

Membraancellen bestaan uit een anode en een kathode gescheiden door een membraan. In een monopolaire opstelling worden afzonderlijke membraancellen elektrisch parallel geschakeld.

Niet van toepassing op nieuwe installaties met een chloorcapaciteit van > 20 kt/jaar.

c

Asbestvrije diafragmaceltechniek

Asbestvrije diafragmacellen bestaan uit een anode en een kathode gescheiden door een asbestvrij diafragma. Afzonderlijke diafragmacellen worden elektrisch in serie (bipolair) of parallel (monopolair) geschakeld.

Algemeen toepasbaar.

2.   Buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelleninstallaties

BBT 2: Om de emissies van kwik te beperken en om het ontstaan van met kwik vervuild afval tijdens de buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelleninstallaties te beperken, is het BBT om een buitengebruikstellingsplan uit te werken en uit te voeren waarin al de volgende kenmerken zijn verwerkt:

i)

het betrekken van een deel van het personeel dat ervaring heeft met het beheer van de voormalige installatie in alle fasen van uitwerking en uitvoering;

ii)

het voorzien in procedures en instructies voor alle uitvoeringsfasen;

iii)

het voorzien in een gedetailleerd trainings- en toezichtprogramma voor personeel zonder ervaring met het werken met kwik;

iv)

het bepalen van de hoeveelheid metallisch kwik dat moet worden teruggewonnen en het schatten van de hoeveelheid afval die moet worden afgevoerd, en van de kwikvervuiling die zich hierin bevindt;

v)

het voorzien in werkzones die:

a)

zijn voorzien van een overdakking;

b)

zijn uitgerust met een gladde, aflopende en ondoordringbare vloer om gemorste kwik naar een opvangbak te leiden;

c)

goed verlicht zijn;

d)

vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;

e)

zijn uitgerust met een watertoevoer voor wassen;

f)

zijn aangesloten op een afvalwaterbehandelingssysteem;

vi)

het legen van de cellen en overbrengen van metallisch kwik naar houders door middel van:

a)

het gesloten houden van het systeem, indien mogelijk;

b)

het wassen van kwik;

c)

het gebruik van overbrengen onder invloed van de zwaartekracht, indien mogelijk;

d)

het verwijderen van vaste onzuiverheden uit het kwik, indien noodzakelijk;

e)

het vullen van de houders tot ≤ 80 % van hun volumetrische inhoud;

f)

het hermetisch afdichten van de houders na het vullen;

g)

het wassen van de lege cellen, gevolgd door het vullen met water;

vii)

het uitvoeren van alle ontmantelings- en sloopactiviteiten door:

a)

het vervangen van hete methoden om uitrusting te slopen door koude methoden, indien mogelijk;

b)

het opslaan van vervuilde uitrusting in daarvoor geschikte zones;

c)

het regelmatig wassen van de vloer in het werkgebied;

d)

het snel opruimen van gemorst kwik met gebruik van ademhalingsuitrusting met actieve koolfilters;

e)

het registreren van afvalstromen;

f)

het scheiden van afval dat met kwik is vervuild van afval dat niet met kwik is vervuild;

g)

het decontamineren van afval dat met kwik vervuild is geraakt door het gebruik van mechanische en fysieke behandelingstechnieken (bv. wassen, ultrasone trilling, stofzuigers), chemische behandelingstechnieken (bv. wassen met hypochloriet, gechloreerde pekel of waterstofperoxide) en/of thermische behandelingstechnieken (bv. destillatie/sterilisatie);

h)

het hergebruiken of recyclen van gedecontamineerde uitrusting, indien mogelijk;

i)

het reinigen van het gebouw waarin de cellenzaal zich bevindt, door de muren en de vloer schoon te maken, gevolgd door coaten of verven om ze een ondoordringbaar oppervlak te geven als het gebouw opnieuw gaat worden gebruikt;

j)

het reinigen of vervangen van de afvalwateropvangsystemen in of rond de installatie;

k)

het afsluiten van het werkgebied en het zuiveren van ventilatielucht wanneer hoge concentraties kwik worden verwacht (bv. bij wassen met een hogedrukspuit); zuiveringstechnieken voor ventilatielucht zijn onder meer adsorptie op jodium- of zwavelhoudend actieve kool, gasreinigen met hypochloriet of gechloreerd pekel, of het toevoegen van chloor om vast dikwikdichloride te vormen.

l)

het behandelen van kwikhoudend afvalwater, waaronder waswater afkomstig van het reinigen van beschermende uitrusting;

m)

het monitoren van kwik in lucht, water en afval, waaronder gedurende een gepaste tijd na de afronding van de buitengebruikstelling of ombouw;

viii)

indien nodig, tussentijdse opslag van metallisch kwik op de locatie in opslagruimtes die:

a)

goed verlicht en weerbestendig zijn;

b)

zijn uitgerust met een geschikte secondaire insluiting die 110 % van het vloeistofvolume van enige afzonderlijke houder kan vasthouden;

c)

vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;

d)

zijn uitgerust met ademhalingsuitrusting met actieve koolfilters;

e)

periodiek worden geïnspecteerd, zowel visueel als met kwikbewakingsapparatuur;

ix)

indien nodig, het transport, mogelijk verdere behandeling en afvoer van afval.

BBT 3: Om kwikemissies naar het water tijdens buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelleninstallaties te beperken, is het BBT om gebruik te maken van één of een combinatie van de onderstaande technieken.

 

Techniek

Beschrijving

a

Oxidatie en ionenuitwisseling

Oxiderende middelen zoals hypochloriet, chloor of waterstofperoxide worden gebruikt om kwik volledig in zijn geoxideerde vorm om te zetten, welke vervolgens wordt verwijderd door ionen uitwisselende harsen.

b

Oxidatie en neerslag

Oxiderende middelen zoals hypochloriet, chloor of waterstofperoxide worden gebruikt om kwik volledig in zijn geoxideerde vorm om te zetten, welke vervolgens wordt verwijderd door neerslag als kwiksulfide gevolgd door filtratie.

c

Reductie en adsorptie op actieve kool

Reducerende middelen zoals hydroxylamine worden gebruikt om kwik volledig om te zetten naar zijn elementaire vorm, welke vervolgens wordt verwijderd door coalescentie en terugwinning van metallisch kwik, gevolgd door adsorptie op actieve kool.

Het met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveau  (1) voor kwikemissies naar het water, uitgedrukt als Hg, bij de uitlaat van de kwikzuiveringseenheid tijdens buitengebruikstelling of ombouw is 3 - 15 μg/l in debietproportionele 24-uurmengmonsters die dagelijks worden genomen. De bijbehorende monitoring is in BBT 7 te vinden.

3.   Het ontstaan van afvalwater

BBT 4: Om het ontstaan van afvalwater te beperken, is het BBT om gebruik te maken van een combinatie van de onderstaande technieken.

 

Techniek

Beschrijving

Toepasbaarheid

a

Pekelrecirculatie

De gebruikte pekel uit de elektrolysecellen wordt opnieuw verzadigd met vast zout of door verdamping en wordt weer in de cellen gebracht.

Niet van toepassing op diafragmacelleninstallaties. Niet van toepassing op membraancelleninstallaties die gebruikmaken van uitlogingsmijnbouwpekel, wanneer overvloedige bronnen van zout en water en een ontvangend zoutwaterlichaam dat bestand is tegen hoge chlooremissieniveaus aanwezig zijn. Niet van toepassing op membraancelleninstallaties die de pekelspui in andere productie-eenheden gebruiken.

b

Recycling van andere processtromen

Processtromen van de chlooralkali-installatie zoals verwerking van chloorcondensaten, natrium-/kaliumhydroxide en waterstof worden teruggevoerd naar verschillende stappen van het proces. De mate van recycling wordt beperkt door de zuiverheidseisen van de vloeibare stroom waarnaar de processtroom terugstroomt en door de waterbalans van de installatie.

Algemeen toepasbaar.

c

Recycling van zouthoudend afvalwater van andere productieprocessen

Zouthoudend afvalwater van andere productieprocessen wordt behandeld en teruggevoerd naar het pekelsysteem. De mate van recycling wordt beperkt door de zuiverheidseisen van het pekelsysteem en door de waterbalans van de installatie.

Niet van toepassing op installaties waar aanvullende behandeling van dit afvalwater de milieuvoordelen tenietdoet.

d

Gebruik van afvalwater voor uitlogingsmijnbouw

Afvalwater van de chlooralkali-installatie wordt behandeld en naar de zoutmijn teruggepompt.

Niet van toepassing op membraancelleninstallaties die de pekelspui in andere productie-eenheden gebruiken. Niet van toepassing als de mijn zich op een significant grotere hoogte dan de installatie bevindt.

e

Concentratie van pekelfiltratiebezinksel

Pekelfiltratiebezinksel wordt geconcentreerd in persfilters, roterende vacuümfilters of centrifuges. Het restwater wordt teruggevoerd naar het pekelsysteem.

Niet van toepassing als het pekelfiltratiebezinksel als droge koek kan worden verwijderd. Niet van toepassing op installaties die afvalwater hergebruiken voor uitlogingsmijnbouw.

f

Nanofiltratie

Een specifiek type membraanfiltratie met membraanporiegrootte van ongeveer 1 nm, gebruikt om sulfaat in de pekelspui te concentreren, waardoor het volume van het afvalwater wordt beperkt.

Van toepassing op membraancelleninstallaties met pekelrecirculatie, als het pekelspuidebiet door de sulfaatconcentratie wordt bepaald.

g

Technieken voor het beperken van chloraatemissies

Technieken voor het beperken van chloraatemissies worden in BBT 14 beschreven. Deze technieken beperken de hoeveelheid pekelspui.

Van toepassing op membraancelleninstallaties met pekelrecirculatie, als het pekelspuidebiet door de chloraatconcentratie wordt bepaald.

4.   Energie-efficiëntie

BBT 5: Om in het elektrolyseproces efficiënt met energie om te gaan, is het BBT om gebruik te maken van een combinatie van de onderstaande technieken.

 

Techniek

Beschrijving

Toepasbaarheid

a

Hoogwaardige membranen

Hoogwaardige membranen vertonen een lage spanningsval en een hoge stroomefficiëntie, gecombineerd met mechanische en chemische stabiliteit onder de gegeven bedrijfsomstandigheden.

Van toepassing op membraancelleninstallaties wanneer membranen aan het einde van hun levensduur worden vervangen.

b

Asbestvrije diafragma’s

Asbestvrije diafragma’s bestaan uit een fluorkoolstofpolymeer en vulmateriaal zoals zirkoniumdioxide. Deze diafragma’s vertonen een lagere ohmse overspanning dan asbestdiafragma’s.

Algemeen toepasbaar

c

Hoogwaardige elektroden en coatings

Elektroden en coatings met verbeterde gasontwikkeling (lage gasbellenoverspanning) en lage elektrodeoverspanning.

Van toepassing wanneer coatings aan het einde van hun levensduur worden vervangen.

d

Pekel met hoge zuiverheidsgraad

De pekel is voldoende gezuiverd om verontreiniging van de elektroden en diafragma’s/membranen tot een minimum te beperken, wat anders het energieverbruik zou doen toenemen.

Algemeen toepasbaar.

BBT 6: Om efficiënt met energie om te gaan, is het BBT om zoveel mogelijk het tijdens de elektrolyse mede geproduceerde waterstof als een chemisch reagens of brandstof te gebruiken.

Beschrijving

Waterstof kan in chemische reacties worden gebruikt (bv. productie van ammoniak, waterstofperoxide, zoutzuur en methanol; reductie van organische verbindingen; waterstofontzwaveling van petroleum; hydrogenering van oliën en vetten; ketenstopper in polyolefinproductie) of als een brandstof in een verbrandingsproces om stoom en/of elektriciteit te genereren of om een oven te verhitten. De mate waarin waterstof wordt gebruikt, is afhankelijk van een aantal factoren (bv. de vraag naar waterstof als reagens op de locatie, de vraag naar stoom op de locatie, de afstand tot potentiële gebruikers).

5.   Monitoring van emissies

BBT 7: Het is BBT om emissies naar lucht en water te monitoren door het gebruik van monitoringstechnieken in overeenstemming met EN-normen, ten minste zo vaak als hieronder aangegeven. Als EN-normen niet beschikbaar zijn, is het BBT om ISO-normen, nationale normen of andere internationale normen te gebruiken die garanderen dat er gegevens van equivalente wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd.

Milieumedium

Stof(fen)

Monsternamepunt

Methode

Norm(en)

Minimale monitoringfrequentie

Monitoring heeft betrekking op

Lucht

Chloor en chloordioxide, uitgedrukt als Cl2  (2)

Uitlaat van chloorabsorptie-eenheid

Elektrochemische cellen

Geen EN- of ISO-norm beschikbaar

Voortdurend

Absorptie in een oplossing, met vervolgens analyse

Geen EN- of ISO-norm beschikbaar

Jaarlijks (ten minste drie opeenvolgende metingen met tussentijd van een uur)

BBT 8

Water

Chloraat

Waar de emissie de installatie verlaat

Ionchromatografie

EN ISO 10304-4

Maandelijks

BBT 14

Chloride

Pekelspui

Ionchromatografie of doorstroomanalyse

EN ISO 10304-1 of EN ISO 15682

Maandelijks

BBT 12

Vrij chloor (2)

Dicht bij de bron

Redoxpotentiaal

Geen EN- of ISO-norm beschikbaar

Voortdurend

Waar de emissie de installatie verlaat

Vrij chloor

EN ISO 7393-1 of -2

Maandelijks

BBT 13

Gehalogeneerde organische verbinding

Pekelspui

Adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX)

Bijlage A bij EN ISO 9562

Jaarlijks

BBT 15

Kwik

Uitlaat van de kwikbehandelingseenheid

Atomaire absorptiespectrometrie of atomaire fluorescentiespectrometrie

EN ISO 12846 of EN ISO 17852

Dagelijks

BBT 3

Sulfaat

Pekelspui

Ionchromatografie

EN ISO 10304-1

Jaarlijks

Relevante zware metalen (bv. nikkel, koper)

Pekelspui

Optische emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma of massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma

EN ISO 11885 of EN ISO 17294-2

Jaarlijks

6.   Emissies naar de lucht

BBT 8: Om geleide emissies van chloor en chloordioxide naar de lucht als gevolg van het verwerken van chloor te beperken, is het BBT om een chloorabsorptie-eenheid te ontwerpen, onderhouden en beheren die een passende combinatie van de volgende eigenschappen heeft:

i)

een absorptie-eenheid op basis van gevulde kolommen en/of ejectoren met een basische oplossing (bv. natriumhydroxide-oplossing) als een gaswasvloeistof;

ii)

waterstofperoxidedoseringsapparatuur of een afzonderlijke natte gaswasser met waterstofperoxide, indien nodig, om chloordioxideconcentraties te beperken;

iii)

een grootte die geschikt is voor het worstcasescenario (afkomstig uit een risicobeoordeling), wat betreft de hoeveelheid chloor en debiet van het geproduceerde chloor (absorptie van de volledige productie van de cellenzaal die lang genoeg duurt tot dat de installatie wordt stilgelegd);

iv)

de grootte van de gaswasvloeistofvoorraad en -opslagcapaciteit die voldoende is om te allen tijde voor extra vloeistof te zorgen;

v)

in het geval van gevulde kolommen moet hun omvang geschikt zijn om te allen tijde overstroming te voorkomen;

vi)

voorkomen dat vloeibaar chloor in de absorptie-eenheid binnendringt;

vii)

voorkomen dat gaswasvloeistof naar het chloorsysteem terugstroomt;

viii)

voorkomen dat vaste stoffen in de absorptie-eenheid neerslaan;

ix)

het gebruik van warmtewisselaars om de temperatuur in de absorptie-eenheid te allen tijde onder de 55 °C te houden;

x)

de aanvoer van verdunningslucht na chloorabsorptie om het ontstaan van explosieve gasmengsels te voorkomen;

xi)

het gebruik van bouwmaterialen die te allen tijde de zeer corrosieve omstandigheden kunnen weerstaan;

xii)

het gebruik van reserveapparatuur, zoals een extra gaswasser in serie met de gaswasser die wordt gebruikt, een noodtank met gaswasvloeistof die de gaswasser door middel van de zwaartekracht aanvult, reserveventilatoren die klaar zijn voor gebruik en reservepompen die klaar zijn voor gebruik;

xiii)

het voorzien in een onafhankelijk reservesysteem voor essentiële elektrische apparatuur;

xiv)

het voorzien in een automatische schakelaar voor overschakeling op het reservesysteem voor noodgevallen, waaronder periodieke tests van dit systeem en de schakelaar;

xv)

het voorzien in een monitoring- en alarmsysteem voor de volgende parameters:

a)

chloor in de uitlaat van de absorptie-eenheid en de omringende zone;

b)

temperatuur van de gaswasvloeistoffen;

c)

redoxpotentiaal en de alkaliteit van de gaswasvloeistoffen;

d)

zuigdruk;

e)

debiet van de gaswasvloeistoffen.

Het met de BBT geassocieerde emissieniveau van chloor en chloordioxide, samen gemeten en uitgedrukt als Cl2, is 0,2 - 1,0 mg/m3, als een gemiddelde waarde van ten minste drie opeenvolgende metingen elk uur, uitgevoerd ten minste eenmaal per jaar bij de uitlaat van de chloorabsorptie-eenheid. De bijbehorende monitoring is in BBT 7 te vinden.

BBT 9: Het gebruik van tetrachloormethaan voor de eliminatie van stikstoftrichloride of de terugwinning van chloor uit restgas is geen BBT.

BBT 10: Het gebruik van koelvloeistoffen met een hoog broeikasgaspotentieel en in ieder geval hoger dan 150 (bv. veel fluorkoolwaterstoffen (HFK’s)) in nieuwe eenheden voor het vloeibaar maken van chloor, kan niet als BBT worden beschouwd.

Beschrijving

Geschikte koelvloeistoffen zijn onder meer:

een combinatie van kooldioxide en ammoniak in twee koelcircuits;

chloor;

water.

Toepasbaarheid

Bij de keuze van een koelmiddel moet rekening worden gehouden met de bedrijfsveiligheid en energie-efficiëntie.

7.   Emissies naar het water

BBT 11: Om emissies van vervuilende stoffen naar het water te beperken, is het BBT om gebruik te maken van een combinatie van de onderstaande technieken.

 

Techniek

Beschrijving

a

Procesgeïntegreerde technieken (3)

Technieken die het ontstaan van vervuilende stoffen voorkomen of beperken.

b

Afvalwaterbehandeling bij de bron (3)

Technieken om vervuilende stoffen te verminderen of terug te winnen vóór afvoer naar het afvalwaterverzamelsysteem.

c

Voorbehandeling afvalwater (4)

Technieken om vervuilende stoffen te verminderen vóór de finale afvalwaterbehandeling.

d

Finale afvalwaterbehandeling (4)

Finale afvalwaterbehandeling met mechanische, fysisch-chemische en/of biologische technieken vóór afvoer naar een ontvangend waterlichaam.

BBT 12: Om chloride-emissies van de chlooralkali-installatie naar het water te beperken, is het BBT om een combinatie van technieken, gegeven in BBT 4, te gebruiken.

BBT 13: Om emissies van vrij chloor van de chlooralkali-installatie naar water te beperken, is het BBT om afvalwaterstromen die vrij chloor bevatten zo dicht mogelijk bij de bron te behandelen om vervluchtiging van chloor en/of het ontstaan van gehalogeneerde organische verbindingen te voorkomen door één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.

 

Techniek

Beschrijving

a

Chemische reductie

Het vrije chloor wordt afgebroken door reactie met reducerende middelen, zoals sulfiet en waterstofperoxide, in geroerde tanks.

b

Katalytische ontbinding

Het vrije chloor ontbindt tot chloride en zuurstof in katalytische vastbedreactoren. De katalysator kan nikkeloxide zijn, bevorderd door ijzer op een aluminium drager.

c

Thermische ontbinding

Het vrije chloor wordt door middel van thermische ontbinding bij een temperatuur van ongeveer 70 °C omgezet naar chloride en chloraat. Het resulterende afvalwater moet verder worden behandeld om emissies van chloraat en bromaat te beperken (BBT 14).

d

Zuurontbinding

Het vrije chloor wordt ontbonden door aanzuring, met vervolgens het vrijkomen en terugwinnen van chloor. Zuurontbinding kan worden uitgevoerd in een afzonderlijke reactor of door het afvalwater naar het pekelsysteem te recyclen. De mate waarin afvalwater door het pekelsysteem wordt gerecycled, wordt beperkt door de waterbalans van de installatie.

e

Afvalwaterrecycling

Afvalwaterstromen van de chlooralkali-installatie die vrij chloor bevatten, worden naar andere productie-eenheden gerecycled.

Het met de BBT geassocieerde emissieniveau voor vrij chloor, uitgedrukt als Cl2, is 0,05 - 0,2 mg/l in steekproefmonsters die ten minste één keer per maand worden genomen op het punt waar de emissie de installatie verlaat. De bijbehorende monitoring is te vinden in BBT 7.

BBT 14: Om chloraatemissies van de chlooralkali-installatie naar het water te beperken, is het BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.

 

Techniek

Beschrijving

Toepasbaarheid

a

Hoogwaardige membranen

Membranen met een hoge stroomefficiëntie, die de vorming van chloraat beperken, gecombineerd met mechanische en chemische stabiliteit onder de gegeven bedrijfsomstandigheden.

Van toepassing op membraancelleninstallaties wanneer membranen aan het einde van hun levensduur worden vervangen.

b

Hoogwaardige coatings

Coatings met lage elektrodeoverspanning, wat leidt tot beperkte chloraatvorming en verhoogde vorming van zuurstof bij de anode.

Van toepassing wanneer coatings aan het einde van hun levensduur worden vervangen. De toepasbaarheid kan worden beperkt door de kwaliteitseisen van het geproduceerde chloor (zuurstofconcentratie).

c

Pekel met hoge zuiverheidsgraad

De pekel is voldoende gezuiverd om verontreiniging van elektroden en diafragma’s/membranen tot een minimum te beperken, wat anders de vorming van chloraat zou doen toenemen.

Algemeen toepasbaar.

d

Aanzuring van pekel

De pekel wordt voor de elektrolyse aangezuurd om de vorming van chloraat te beperken. De mate van aanzuring wordt beperkt door de soortelijke weerstand van de gebruikte uitrusting (bv. membranen en anodes).

Algemeen toepasbaar.

e

Zuurreductie

Chloraat wordt gereduceerd met zoutzuur bij pH-waarden van 0 en bij een temperatuur hoger dan 85 °C.

Niet van toepassing op once-through-pekelplants.

f

Katalytische reductie

In een trickle-bed-drukreactor wordt chloraat gereduceerd tot chloride door het gebruik van waterstof en een rhodiumkatalysator in een driefasenreactie.

Niet van toepassing op once-through-pekelplants.

g

Het gebruik van chloraathoudende afvalwaterstromen in andere productie-eenheden

De afvalwaterstromen van de chlooralkali-installatie worden gerecycled naar andere productie-eenheden, meestal naar het pekelsysteem van een productie-eenheid voor natriumchloraat.

Beperkt tot locaties die gebruik kunnen maken van afvalwaterstromen van deze kwaliteit in andere productie-eenheden.

BBT 15: Om emissies van gehalogeneerde organische verbindingen van de chlooralkali-installatie naar het water te beperken, is het BBT om een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.

 

Techniek

Beschrijving

a

Selectie en beheer van zout en hulpmaterialen

Zout en hulpmaterialen worden geselecteerd en beheerd om het niveau van organische vervuilende stoffen in de pekel te verminderen.

b

Waterzuivering

Technieken zoals membraanfiltratie, ionenuitwisseling, uv-bestraling en adsorptie op geactiveerd kool kunnen worden gebruikt om proceswater te zuiveren, waardoor het niveau van organische vervuilende stoffen in de pekel wordt verminderd.

c

Selectie en beheer van uitrusting

Uitrusting, zoals cellen, buizen, kleppen en pompen, wordt zorgvuldig geselecteerd om de mogelijkheid van het lekken van organische vervuilende stoffen in de pekel te beperken.

8.   Het ontstaan van afval

BBT 16: Om de hoeveelheid van afgewerkt zwavelzuur dat moet worden afgevoerd te verminderen, is het BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken. De neutralisering van afgewerkt zwavelzuur door het drogen van chloor met nieuw geproduceerde reagentia is geen BBT.

 

Techniek

Beschrijving

Toepasbaarheid

a

Gebruik op of buiten de locatie

Het afgewerkte zuur wordt voor andere doeleinden gebruikt zoals het aanpassen van de pH in proces- en afvalwater of om overmatig hypochloriet af te breken.

Van toepassing op locaties met een vraag op of buiten de locatie voor afgewerkt zuur van deze kwaliteit.

b

Opnieuw concentreren

Het afgewerkte zuur wordt op of buiten de locatie opnieuw geconcentreerd in verdampers met een gesloten systeem onder vacuüm door indirecte verhitting of door versterking door het gebruik van zwaveltrioxide.

Opnieuw concentreren buiten de locatie is beperkt tot locaties waar een dienstverlener in de buurt is gevestigd.

Het met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveau voor de hoeveelheid van afgewerkt zwavelzuur dat moet worden afgevoerd, uitgedrukt als H2SO4 (96 gewichtspercenten), is ≤ 0,1 kg per ton geproduceerd chloor.

9.   Terreinsanering

BBT 17: Om de vervuiling van de bodem, het grondwater en de lucht te beperken en om de verspreiding van vervuiling en overdracht naar flora en fauna van vervuilde chlooralkalisites te stoppen, is het BBT om een terreinsaneringsplan op te stellen en uit te werken waarin elk van de volgende elementen is verwerkt:

i)

implementatie van noodtechnieken om de blootstellingsroutes af te sluiten en de uitbreiding van de vervuiling te stoppen;

ii)

bureaustudie om de herkomst, mate van en samenstelling van de vervuiling vast te stellen (bv. kwik, PCDD’s/PCDF’s, polychloornaftalenen);

iii)

karakterisering van de vervuiling, waaronder onderzoeken en het opstellen van een rapport;

iv)

risicobeoordeling in de tijd en ruimte als functie van het huidige en goedgekeurde toekomstige gebruik van het terrein;

v)

opstellen van een technisch project, waaronder:

a)

verwijdering van vervuiling en/of permanente insluiting;

b)

tijdschema’s;

c)

monitoringsplan;

d)

financiële planning en investeringen om de doelstelling te halen;

vi)

implementatie van het technische project, zodat het terrein ten aanzien van het huidige en goedgekeurde toekomstige gebruik ervan niet langer een significant risico voor de menselijke gezondheid of voor het milieu vormt. Afhankelijk van andere verplichtingen kan het zijn dat het technische project op striktere wijze uitgevoerd dient te worden;

vii)

beperkingen voor het gebruik van het terrein als gevolg van restvervuiling en ten aanzien van het huidige en goedgekeurde toekomstige gebruik van het terrein;

viii)

bijbehorende monitoring op het terrein en in de omliggende gebieden om te controleren of de doelen worden gehaald en of hieraan wordt vastgehouden.

Beschrijving

Een terreinsaneringsplan wordt vaak opgesteld en uitgevoerd na de beslissing om de installatie uit bedrijf te nemen, hoewel andere voorschriften een (gedeeltelijk) terreinsaneringsplan kunnen eisen terwijl de installatie nog in bedrijf is.

Sommige kenmerken van het terreinsaneringsplan kunnen overlappen, worden overgeslagen of in een andere volgorde worden uitgevoerd, afhankelijk van andere voorschriften.

Toepasbaarheid

De toepasbaarheid van BBT 17 v) tot en met 17 viii) hangt af van de resultaten van de risicoboordeling genoemd onder BBT 17 iv).

VERKLARENDE WOORDENLIJST

Anode

Elektrode waardoor elektrische stroom in een gepolariseerde elektrische eenheid stroomt. De polariteit kan positief of negatief zijn. In elektrolytische cellen vindt oxidatie bij de positief geladen anode plaats.

Asbest

Een aantal natuurlijk voorkomende silicaatmineralen die commercieel worden geëxploiteerd ten behoeve van hun gewenste fysische eigenschappen. Chrysotiel (witte asbest) is de enige vorm van asbest die in diafragmacelleninstallaties wordt gebruikt.

Pekel

Oplossing die verzadigd of deels verzadigd is met natriumchloride of kaliumchloride.

Kathode

Elektrode waardoor elektrische stroom uit een gepolariseerde elektrische eenheid stroomt. De polariteit kan positief of negatief zijn. In elektrolytische cellen vindt reductie bij de negatief geladen kathode plaats.

Elektrode

Elektrische geleider die wordt gebruikt om contact te maken met een niet-metallisch deel van een elektrisch circuit.

Elektrolyse

Proces waarbij een elektrische stroom door een ionensubstantie gaat, wat bij de elektroden tot chemische reacties leidt. De ionensubstantie is gesmolten of opgelost in een geschikt oplosmiddel.

EN

Europese norm die door CEN is vastgesteld (Europees Comité voor Normalisatie).

HFK

Fluorkoolwaterstof.

ISO

Internationale Organisatie voor Normalisatie of een norm die door deze organisatie is vastgesteld.

Overspanning

Spanningsverschil tussen het thermodynamisch bepaalde redoxpotentiaal van een halfreactie en het potentiaal waarbij de redox experimenteel wordt waargenomen. In een elektrolytische cel leidt overspanning tot het verbruik van meer energie dan thermodynamisch wordt verwacht om een reactie te voltrekken.

PCDD

Polychloordibenzo-p-dioxine.

PCDF

Polychloordibenzofuraan.


(1)  Gegeven het feit dat dit prestatieniveau geen betrekking heeft op normale bedrijfsomstandigheden, is het geen met de beste beschikbare technieken geassocieerd emissieniveau in de zin van artikel 3, punt 13, van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies.

(2)  Monitoring behelst zowel voortdurende als periodieke monitoring zoals aangegeven.

(3)  Behandeld in BBT 1, 4, 12, 13, 14 en 15.

(4)  Binnen het toepassingsgebied van het BBT-referentiedocument over gemeenschappelijke afvalwater- en afvalgasbehandelings-/beheersystemen in de chemiesector (CWW-BREF).


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

11.12.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/49


BESLUIT Nr. 1/2013 VAN HET GEMENGD LANDBOUWCOMITÉ

van 28 november 2013

betreffende de wijziging van bijlage 10 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten

(2013/733/EU)

HET GEMENGD LANDBOUWCOMITÉ,

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, en met name artikel 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (hierna „de overeenkomst” genoemd) is op 1 juni 2002 in werking getreden.

(2)

Bijlage 10 bij de overeenkomst betreft de erkenning van de normcontroles voor verse groenten en fruit.

(3)

Krachtens artikel 6 van bijlage 10 bij de overeenkomst onderzoekt de „Werkgroep groenten en fruit” elke kwestie die betrekking heeft op bijlage 10 en op de tenuitvoerlegging daarvan en onderzoekt zij op gezette tijden de ontwikkeling van de interne wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de partijen op de gebieden die onder bijlage 10 vallen. De werkgroep stelt met name voorstellen op die zij aan het Comité voorlegt met het oog op de aanpassing en de bijwerking van de aanhangsels van de bijlage. Zo heeft de werkgroep beslist dat de inhoud van de artikelen alsook de aanhangsels van bijlage 10 moeten worden aangepast,

BESLUIT:

Artikel 1

Bijlage 10 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op 17 december 2013.

Gedaan te Bern, 28 november 2013.

Voor het Gemengd Landbouwcomité

Hoofd van de EU-delegatie

Susana MARAZUELA-AZPIROZ

De voorzitter en het hoofd van de delegatie van Zwitserland

Jacques CHAVAZ

De secretaris van het Comité

Michaël WÜRZNER


BIJLAGE

BIJLAGE 10

BETREFFENDE DE ERKENNING VAN DE NORMCONTROLES VOOR VERSE GROENTEN EN FRUIT

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze bijlage geldt voor groenten en fruit voor verse consumptie en voor droge groenten en fruit, met uitzondering van citrusvruchten, waarvoor de Europese Unie op grond van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1) handelsnormen heeft vastgesteld of handelsnormen als alternatief voor de algemene norm heeft erkend.

Artikel 2

Doel

1.   Op de in artikel 1 bedoelde producten die van oorsprong uit Zwitserland of van oorsprong uit de Europese Unie zijn en vanuit Zwitserland opnieuw naar de Unie worden uitgevoerd en die vergezeld gaan van het in artikel 3 bedoelde conformiteitscertificaat, wordt in de Europese Unie geen normcontrole toegepast bij het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie.

2.   Het Office fédéral de l'agriculture wordt erkend als instantie die moet nagaan of producten die van oorsprong uit Zwitserland of van oorsprong uit de Europese Unie zijn en vanuit Zwitserland opnieuw naar de Unie worden uitgevoerd, voldoen aan de normen van de Unie of aan gelijkwaardige normen. Het Office fédéral de l'agriculture kan daartoe de in aanhangsel 1 genoemde controle-instanties machtigen de normcontrole uit te voeren op voorwaarde dat:

het Office fédéral de l'agriculture de Europese Commissie ervan in kennis stelt welke instanties gemachtigd zijn om de controles uit te voeren;

deze controle-instanties het in artikel 3 bedoelde certificaat afgeven;

de gemachtigde instanties beschikken over controleurs die een door het Office fédéral de l'agriculture erkende opleiding hebben genoten, alsmede over het nodige materieel en de nodige installaties voor het uitvoeren van verificaties en analysen die voor de controle vereist zijn, en adequate apparatuur om de informatie door te zenden.

3.   Indien Zwitserland een controle verricht om na te gaan of de in artikel 1 bedoelde producten aan de handelsnormen voldoen voordat deze producten in het douanegebied van Zwitserland worden binnengebracht, worden aan de in deze bijlage vervatte bepalingen gelijkwaardige bepalingen vastgesteld op grond waarvan de producten van oorsprong uit de Europese Unie van dergelijke controle worden vrijgesteld.

Artikel 3

Conformiteitscertificaat

1.   In deze bijlage wordt onder „conformiteitscertificaat” verstaan:

hetzij het model in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2);

hetzij het Zwitserse model in aanhangsel 2 bij deze bijlage;

hetzij het UN/ECE-model dat is gehecht aan het protocol van Genève inzake de standaardisatie van verse groenten en fruit, en droge en gedroogde vruchten („Geneva Protocol on Standardization of Fresh Fruit and Vegetables, and Dry and Dried Fruit”);

hetzij het OESO-model dat is gehecht aan het besluit van de Raad van de OESO betreffende de OESO-regeling inzake de toepassing van internationale normen voor groenten en fruit („OECD — Scheme for the Application of International Standards for Fruit and Vegetables”).

2.   Het conformiteitscertificaat vergezelt de partij producten die van oorsprong uit Zwitserland of van oorsprong uit de Europese Unie zijn en vanuit Zwitserland opnieuw naar de Unie worden uitgevoerd, totdat zij op het grondgebied van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht.

3.   Op het conformiteitscertificaat moet het stempel van één van de in het aanhangsel 1 bij deze bijlage genoemde instanties zijn aangebracht.

4.   Wanneer de in artikel 2, lid 2, bedoelde machtiging wordt ingetrokken, worden de door de betrokken controle-instantie afgegeven conformiteitscertificaten niet langer erkend in de zin van deze bijlage.

Artikel 4

Uitwisseling van informatie

1.   Overeenkomstig artikel 8 van de overeenkomst deelt elke partij de andere partij met name de lijst mee van de bevoegde instanties en de instanties die de normcontroles uitvoeren. De Europese Commissie stelt het Office fédéral de l'agriculture in kennis van onregelmatigheden of inbreuken ten aanzien van de geldende normen die zij heeft geconstateerd met betrekking tot partijen groenten en fruit die van oorsprong uit Zwitserland of van oorsprong uit de Europese Unie zijn en vanuit Zwitserland opnieuw naar de Unie worden uitgevoerd en die vergezeld gaan van het conformiteitscertificaat.

2.   Teneinde te kunnen nagaan of aan de in artikel 2, lid 2, derde streepje, vastgestelde voorwaarden wordt voldaan, accepteert het Office fédéral de l'agriculture, wanneer de Europese Commissie daartoe een verzoek indient, dat ter plaatse een gezamenlijke controle van de gemachtigde instanties plaatsvindt.

3.   De gezamenlijke controle wordt uitgevoerd volgens de door de „Werkgroep groenten en fruit” voorgestelde en door het Comité goedgekeurde procedure.

Artikel 5

Vrijwaringclausule

1.   De overeenkomstsluitende partijen plegen overleg indien een partij van mening is dat de andere partij een uit deze bijlage voortvloeiende verplichting niet is nagekomen.

2.   De overeenkomstsluitende partij die het overleg vraagt, verstrekt de andere partij alle gegevens die nodig zijn voor een grondig onderzoek van het betrokken geval.

3.   Wanneer wordt geconstateerd dat partijen producten die van oorsprong uit Zwitserland of van oorsprong uit de Europese Unie zijn en vanuit Zwitserland opnieuw naar de Unie worden uitgevoerd en die vergezeld gaan van het conformiteitscertificaat, niet aan de geldende normen beantwoorden en dat elk uitstel of elke vertraging afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid van de maatregelen om fraude te voorkomen of aanleiding zou geven tot concurrentievervalsing, mogen zonder voorafgaand overleg voorlopige vrijwaringsmaatregelen worden genomen, op voorwaarde dat er onmiddellijk nadat die maatregelen zijn genomen, overleg plaatsvindt.

4.   Wanneer de overeenkomstsluitende partijen bij het in lid 1 of lid 3 bedoelde overleg geen overeenstemming bereiken, kan de partij die om het overleg heeft verzocht of die de in lid 3 bedoelde maatregelen heeft genomen, passende vrijwaringsmaatregelen nemen die kunnen gaan tot de gedeeltelijke of volledige schorsing van het bepaalde in deze bijlage.

Artikel 6

Werkgroep groenten en fruit

1.   De op grond van artikel 6, lid 7, van de overeenkomst opgerichte „Werkgroep groenten en fruit” onderzoekt elke kwestie die betrekking heeft op deze bijlage en op de tenuitvoerlegging daarvan. Zij onderzoekt op gezette tijden de ontwikkeling van de interne wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de partijen op de gebieden die onder deze bijlage vallen.

2.   De werkgroep stelt met name voorstellen op die zij aan het Comité voorlegt met het oog op de aanpassing en de bijwerking van de aanhangsels bij deze bijlage.

Aanhangsel 1

Zwitserse controle-instanties die gemachtigd zijn het in artikel 3 van bijlage 10 bedoelde conformiteitscertificaat af te geven

Qualiservice

Boîte postale 7960

CH-3001 Bern

Aanhangsel 2

Image


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1