ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.312.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 312

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
21 november 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1174/2013 van de Commissie van 20 november 2013 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standards 10 en 12 en Internationale Accounting Standard 27 betreft ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1175/2013 van de Commissie van 20 november 2013 tot goedkeuring van de werkzame stof benalaxyl-M overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1176/2013 van de Commissie van 20 november 2013 tot goedkeuring van de werkzame stof pyroxsulam overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

23

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1177/2013 van de Commissie van 20 november 2013 tot goedkeuring van de werkzame stof spirotetramat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

28

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1178/2013 van de Commissie van 20 november 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof ethoprofos ( 1 )

33

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1179/2013 van de Commissie van 20 november 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

36

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2013/57/EU van de Commissie van 20 november 2013 tot wijziging van de Richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad, respectievelijk artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad, met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek ( 1 )

38

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/669/EU

 

*

Besluit van de Raad van 15 november 2013 houdende benoeming van een Deens lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

46

 

 

2013/670/EU

 

*

Besluit van de Raad van 15 november 2013 houdende benoeming van een Duits lid en een Duitse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

47

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1/2009 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/96 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde industrie-, landbouw- en visserijproducten (PB L 1 van 5.1.2009)

48

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/1


VERORDENING (EU) Nr. 1174/2013 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2013

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standards 10 en 12 en Internationale Accounting Standard 27 betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) werd een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

In oktober 2012 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) wijzigingen gepubliceerd in International Financial Reporting Standard (IFRS) 10 Geconsolideerde jaarrekening, IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten en International Accounting Standard (IAS) 27 Enkelvoudige jaarrekening. IFRS 10 is gewijzigd om beter aan te sluiten bij het bedrijfsmodel van beleggingsentiteiten. Op grond van de standaard zijn beleggingsentiteiten verplicht hun dochterondernemingen te waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening in plaats van hen te consolideren. IFRS 12 is gewijzigd om de verschaffing van specifieke informatie over dergelijke dochterondernemingen van beleggingsentiteiten verplicht te stellen. Als gevolg van de wijzigingen in IAS 27 beschikken beleggingsondernemingen tevens niet meer over de mogelijkheid om investeringen in bepaalde dochterondernemingen ofwel tegen kostprijs, ofwel tegen reële waarde in hun enkelvoudige jaarrekening te waarderen. De wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27 brengen met zich mee dat IFRS 1, IFRS 3, IFRS 7, IAS 7, IAS 12, IAS 24, IAS 32, IAS 34 en IAS 39 worden gewijzigd om de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen.

(3)

De wijzigingen in IFRS 10 en IAS 27 en sommige daaruit voortvloeiende wijzigingen in andere standaarden bevatten verwijzingen naar IFRS 9 Financiële instrumenten welke momenteel niet kunnen worden toegepast omdat IFRS 9 nog niet door de Unie is goedgekeurd. Daarom dienen alle in de bijlage bij deze verordening voorkomende verwijzingen naar IFRS 9 te worden gelezen als verwijzingen naar IAS 39.

(4)

Overleg met de werkgroep van technische deskundigen van de European Financial Reporting Advisory Group heeft bevestigd dat de wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27 beantwoorden aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte technische goedkeuringscriteria.

(5)

Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt als volgt gewijzigd:

(a)

International Financial Reporting Standard (IFRS) 10 Geconsolideerde jaarrekening wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening;

(b)

IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening;

(c)

International Accounting Standard (IAS) 27 Enkelvoudige jaarrekening wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening;

(d)

IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards, IFRS 3 Bedrijfscombinaties, IFRS 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing, IAS 7 Het kasstroomoverzicht, IAS 12 Winstbelastingen, IAS 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen, IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie, IAS 34 Tussentijdse financiële verslaggeving en IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering worden gewijzigd overeenkomstig de in de bijlage bij deze verordening vervatte wijzigingen in IFRS 10.

2.   Alle verwijzingen naar IFRS 9 Financiële instrumenten welke in de in lid 1 bedoelde wijzigingen voorkomen, worden gelezen als verwijzingen naar IAS 39.

Artikel 2

Elke onderneming past de in artikel 1, lid 1, bedoelde wijzigingen toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2014 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)  PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1.


BIJLAGE

INTERNATIONALE STANDAARDEN VOOR JAARREKENINGEN

IFRS 10

IFRS 10

Geconsolideerde jaarrekening

IFRS 12

IFRS 12

Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten

IAS 27

IAS 27

Enkelvoudige jaarrekening

"Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte. Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org"

Beleggingsentiteiten

(Wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27)

Wijzigingen in IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening

De alinea's 2 en 4 worden gewijzigd.

2

Om het in alinea 1 beschreven doel te verwezenlijken, wordt in deze IFRS:

(a)

(c)

uiteengezet hoe het principe van zeggenschap moet worden toegepast om te bepalen of een investeerder zeggenschap heeft over een deelneming en daarom de deelneming moet consolideren;

(d)

uiteengezet welke verwerkingsvereisten in acht moeten worden genomen voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening; en

(e)

een beleggingsentiteit gedefinieerd en een uitzondering op de consolidatie van bepaalde dochterondernemingen van een beleggingsentiteit gespecificeerd.

3

4

Een entiteit die een moedermaatschappij is, moet een geconsolideerde jaarrekening presenteren. Deze IFRS is van toepassing op alle entiteiten, uitgezonderd in de volgende gevallen:

(a)

(c)

een beleggingsentiteit hoeft geen geconsolideerde jaarrekening te presenteren als zij overeenkomstig alinea 31 van deze IFRS verplicht is al haar dochterondernemingen te waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening.

Na alinea 26 worden kopjes en de alinea's 27 tot en met 33 toegevoegd.

BEPALING OF EEN ENTITEIT EEN BELEGGINGSENTITEIT IS

27

Een moedermaatschappij moet bepalen of zij een beleggingsentiteit is. Een beleggingsentiteit is een entiteit die:

(a)

middelen verkrijgt van een of meer beleggers om beleggingsdiensten voor deze belegger(s) te verrichten;

(b)

zich er jegens haar belegger(s) toe verbindt dat haar zakelijke doel bestaat in het beleggen van middelen met als enige bedoeling opbrengsten uit hoofde van waardestijgingen, beleggingsinkomsten of beide te realiseren; en

(c)

de prestaties van vrijwel al haar beleggingen waardeert en evalueert op basis van de reële waarde.

De alinea's B85A tot en met B85M verschaffen hiermee verband houdende toepassingsleidraden.

28

Bij de toetsing of zij aan de definitie van alinea 27 voldoet, moet een entiteit nagaan of zij de volgende typische kenmerken van een beleggingsentiteit heeft:

(a)

zij heeft meer dan één belegging (zie de alinea's B85O en B85P);

(b)

zij heeft meer dan één belegger (zie de alinea's B85Q, B85R en B85S);

(c)

zij heeft beleggers die geen verbonden partijen van de entiteit zijn (zie de alinea's B85T en B85U); en

(d)

zij heeft eigendomsbelangen in de vorm van aandelen- of soortgelijke belangen (zie de alinea's B85V en B85W).

Het ontbreken van enigerlei van deze typische kenmerken betekent niet noodzakelijkerwijze dat een entiteit niet in aanmerking komt om als beleggingsentiteit te worden geclassificeerd. Een beleggingsentiteit die niet al deze typische kenmerken heeft, verstrekt de aanvullende informatie die moet worden vermeld op grond van alinea 9A van IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten.

29

Indien feiten en omstandigheden erop duiden dat er sprake is van wijzigingen in een of meer van de drie elementen waaruit de in alinea 27 beschreven definitie van een beleggingsentiteit bestaat, dan wel in de in alinea 28 beschreven typische kenmerken van een beleggingsentiteit, dan moet een moedermaatschappij opnieuw nagaan of zij een beleggingsentiteit is.

30

Een moedermaatschappij die ofwel geen beleggingsentiteit meer is, ofwel een beleggingsentiteit wordt, moet de wijziging in haar status prospectief verwerken vanaf de datum waarop de statuswijziging heeft plaatsgevonden (zie de alinea's B100 en B101).

BELEGGINGSENTITEITEN: UITZONDERING OP DE CONSOLIDATIE

31

Behoudens het bepaalde in alinea 32 mag een beleggingsentiteit niet overgaan tot de consolidatie van haar dochterondernemingen of de toepassing van IFRS 3 wanneer zij zeggenschap over een andere entiteit verkrijgt. In plaats daarvan moet een beleggingsentiteit een belegging in een dochteronderneming overeenkomstig IFRS 9 waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening (1).

32

Niettegenstaande het vereiste van alinea 31 moet een beleggingsentiteit die een dochteronderneming heeft die diensten verricht die met de beleggingsactiviteiten van de beleggingsentiteit verband houden (zie de alinea's 85C, 85D en 85E), deze dochteronderneming overeenkomstig de alinea's 19 tot en met 26 van deze IFRS consolideren en op de overname van een dergelijke dochteronderneming de vereisten van IFRS 3 toepassen.

33

Een moedermaatschappij van een beleggingsentiteit moet alle entiteiten consolideren waarover zij zeggenschap heeft, met inbegrip van de entiteiten waarover zij zeggenschap heeft via een dochteronderneming die een beleggingsentiteit is, tenzij de moedermaatschappij zelf een beleggingsentiteit is.

In bijlage A wordt een nieuwe definitie toegevoegd.

Groep

beleggingsentiteit

Een entiteit die:

(a)

middelen verkrijgt van een of meer beleggers om beleggingsdiensten voor deze belegger(s) te verrichten;

(b)

zich er jegens haar belegger(s) toe verbindt dat haar zakelijke doel bestaat in het beleggen van middelen met als enige bedoeling opbrengsten uit hoofde van waardestijgingen, beleggingsinkomsten of beide te realiseren; en

(c)

de prestaties van vrijwel al haar beleggingen waardeert en evalueert op basis van de reële waarde.

In bijlage B worden kopjes en de alinea's B85A tot en met B85W toegevoegd.

BEPALING OF EEN ENTITEIT EEN BELEGGINGSENTITEIT IS

B85A

Bij de toetsing of zij een beleggingsentiteit is, moet een entiteit alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemen, ook haar doel en opzet. Een entiteit die de in alinea 27 vermelde drie elementen van de definitie van een beleggingsentiteit in zich verenigt, is een beleggingsentiteit. De elementen van de definitie worden meer gedetailleerd beschreven in de alinea's B85B tot en met B85M.

Zakelijk doel

B85B

Volgens de definitie van een beleggingsentiteit moet het doel van de entiteit bestaan in het beleggen van middelen met als enige bedoeling opbrengsten uit hoofde van waardestijgingen, beleggingsinkomsten (zoals dividenden, rente of huuropbrengsten) of beide te realiseren. In documenten waarin de beleggingsdoelstellingen van de entiteit zijn vermeld, zoals het emissieprospectus van de entiteit, door de entiteit verspreide publicaties en andere vennootschaps- of maatschapsdocumenten, wordt gewoonlijk aangegeven wat het zakelijke doel van een beleggingsentiteit is. Een andere indicatie kan onder meer de manier zijn waarop de entiteit zich presenteert tegenover andere partijen (zoals potentiële beleggers of potentiële deelnemingen). Zo kan een entiteit haar bedrijf presenteren als het aanbieden van beleggingen op middellange termijn om waardestijgingen te realiseren. Een entiteit die zich daarentegen presenteert als een investeerder die ten doel heeft gezamenlijk met zijn deelnemingen producten te ontwikkelen, te vervaardigen of te verkopen, heeft een zakelijk doel dat strijdig is met het zakelijk doel van een beleggingsentiteit, omdat de entiteit opbrengsten zal verkrijgen uit zowel de ontwikkelings-, productie- of verkoopsactiviteit als haar beleggingen (zie alinea B85I).

B85C

Een beleggingsentiteit mag ofwel rechtstreeks, ofwel via een dochteronderneming beleggingsgerelateerde diensten (bv. beleggingsadviesdiensten, beleggingsbeheer, beleggingsondersteunende en administratieve diensten) aanbieden aan zowel derden als aan haar beleggers, ook al zijn die activiteiten belangrijk voor de entiteit.

B85D

Een beleggingsentiteit mag ook, ofwel rechtstreeks, ofwel via een dochteronderneming, in de volgende beleggingsgerelateerde activiteiten deelnemen indien deze activiteiten worden uitgevoerd met het oog op een maximaal beleggingsrendement (waardestijgingen of beleggingsinkomsten) van haar deelnemingen en geen afzonderlijke belangrijke bedrijfsactiviteit of bron van inkomsten van de beleggingsentiteit vormen:

(a)

verlenen van beheersdiensten en strategisch advies aan een deelneming; en

(b)

verlenen van financiële steun aan een deelneming, zoals een lening, investeringsverplichting of garantie.

B85E

Indien een beleggingsentiteit een dochteronderneming heeft die ten behoeve van de entiteit of andere partijen beleggingsgerelateerde diensten of activiteiten verricht zoals die welke in de alinea's B85C en B85D zijn beschreven, dan moet zij haar dochteronderneming overeenkomstig alinea 32 consolideren.

Exitstrategieën

B85F

Ook de beleggingsplannen van een entiteit geven een indicatie van haar zakelijk doel. Een kenmerk dat een beleggingsentiteit van andere entiteiten onderscheidt, is dat een beleggingsentiteit niet voornemens is haar beleggingen voor onbepaalde tijd aan te houden; zij houdt ze aan voor een beperkte periode. Aangezien beleggingen in eigenvermogensinstrumenten en beleggingen in niet-financiële activa potentieel voor onbepaalde tijd kunnen worden aangehouden, moet een beleggingsentiteit een exitstrategie hebben die beschrijft hoe de entiteit de waardestijgingen van vrijwel al haar beleggingen in eigenvermogensinstrumenten en beleggingen in niet-financiële activa van plan is te realiseren. Een beleggingsentiteit moet ook een exitstrategie hebben voor alle schuldbewijzen die potentieel voor onbepaalde tijd kunnen worden aangehouden, zoals beleggingen in "eeuwigdurende" schuldbewijzen. De entiteit hoeft geen specifieke exitstrategieën voor elke afzonderlijke belegging te beschrijven, maar moet verschillende mogelijke strategieën voor verschillende types beleggingen of beleggingsportefeuilles aangeven, onder vermelding van een concreet tijdsbestek om uit de beleggingen te stappen. Exitmechanismen die uitsluitend zijn opgezet voor gebeurtenissen waardoor wanbetaling ontstaat, zoals contractbreuk of niet-prestatie, worden in het kader van deze toetsing niet als exitstrategieën beschouwd.

B85G

Exitstrategieën kunnen variëren naar gelang van het type belegging. Bij beleggingen in private-equity-effecten kunnen exitstrategieën bijvoorbeeld de volgende vorm aannemen: een beursintroductie, een onderhandse plaatsing, een trade sale van een bedrijf, uitkeringen (aan beleggers) van eigendomsbelangen in deelnemingen en activaverkopen (met inbegrip van de verkoop van de activa van een deelneming, gevolgd door een liquidatie van de deelneming). Bij beleggingen in eigenvermogensinstrumenten die op een voor het publiek toegankelijke markt worden verhandeld, kunnen exitstrategieën bijvoorbeeld de vorm aannemen van de verkoop van de belegging in het kader van een onderhandse plaatsing of op een markt die voor het publiek toegankelijk is. Bij vastgoedbeleggingen kan een exitstrategie bijvoorbeeld de vorm aannemen van de verkoop van het vastgoed via gespecialiseerde vastgoedmakelaars of de open markt.

B85H

Een beleggingsentiteit kan een belegging bezitten in een andere beleggingsentiteit die in connectie met de entiteit is opgericht voor juridische, regelgevende, fiscale of soortgelijke zakelijke doeleinden. In dat geval behoeft de beleggingsentiteit geen exitstrategie voor deze belegging te hebben, op voorwaarde dat de deelneming van de beleggingsentiteit passende exitstrategieën voor haar beleggingen heeft.

Beleggingsopbrengsten

B85I

Een entiteit belegt niet uitsluitend om waardestijgingen, beleggingsinkomsten of beide te realiseren als de entiteit of een ander lid van de groep waarvan de entiteit deel uitmaakt (d.w.z. de groep waarover de hoofdmoedermaatschappij van de beleggingsentiteit de zeggenschap heeft) andere voordelen van de beleggingen van de entiteit verkrijgt of beoogt te verkrijgen welke niet beschikbaar zijn voor andere partijen die geen verbonden partij van de deelneming zijn. Dergelijke voordelen omvatten onder meer:

(a)

de verwerving, het gebruik, de uitwisseling of de benutting van de processen, activa of technologie van een deelneming. Het betreft onder meer ook gevallen waarin de entiteit of een ander lid van de groep onevenredige, of exclusieve, rechten heeft om activa, technologie, producten of diensten van een deelneming te verkrijgen; bijvoorbeeld door het bezit van een optie om een actief van een deelneming te kopen indien de ontwikkeling van het actief succesvol wordt geacht;

(b)

gezamenlijke overeenkomsten (zoals gedefinieerd in IFRS 11) of andere afspraken tussen de entiteit of een ander lid van de groep en een deelneming om producten of diensten te ontwikkelen, te produceren, te verkopen of aan te bieden;

(c)

financiële garanties of activa die door een deelneming worden verstrekt om te dienen als zekerheden voor financieringsovereenkomsten van de entiteit of een ander lid van de groep (een beleggingsentiteit zou echter wel nog altijd in staat zijn een belegging in een deelneming als zekerheid voor haar financieringen te gebruiken);

(d)

een optie in het bezit van een verbonden partij van de entiteit om van die entiteit of een ander lid van de groep een eigendomsbelang in een deelneming van de entiteit te kopen;

(e)

behalve wanneer hetgeen vermeld in alinea B85J van toepassing is, transacties tussen de entiteit of een ander lid van de groep en een deelneming die:

(i)

plaatsvinden onder voorwaarden die niet beschikbaar zijn voor entiteiten die geen verbonden partijen zijn van de entiteit, een ander lid van de groep of de deelneming;

(ii)

niet tegen reële waarde worden gewaardeerd; of

(iii)

een aanzienlijk deel van de bedrijfsactiviteit van de deelneming of de entiteit vertegenwoordigen, met inbegrip van de bedrijfsactiviteiten van andere groepsentiteiten.

B85J

Een beleggingsentiteit kan een strategie hebben om in meer dan één deelneming in dezelfde sector, dezelfde markt of hetzelfde geografische gebied te beleggen om te profiteren van synergieën die de waardestijgingen van of beleggingsinkomsten uit deze deelnemingen doen toenemen. Niettegenstaande alinea B85I(e) is een entiteit niet uitgesloten van classificatie als een beleggingsentiteit louter omdat die deelnemingen met elkaar zakendoen.

Waardering tegen reële waarde

B85K

Een essentieel element van de definitie van een beleggingsentiteit is dat zij de prestaties van vrijwel al haar beleggingen waardeert en evalueert op basis van de reële waarde, omdat het gebruik van de reële waarde in relevantere informatie resulteert dan bijvoorbeeld de consolidatie van haar dochterondernemingen of het gebruik van de "equity"-methode voor haar belangen in geassocieerde deelnemingen of joint ventures. Om aan te tonen dat zij aan dit element van de definitie voldoet, gaat een beleggingsentiteit over tot:

(a)

de verstrekking aan beleggers van informatie over de reële waarde en de waardering in de jaarrekening van vrijwel al haar beleggingen tegen reële waarde telkens als op grond van de IFRSs de reële waarde is voorgeschreven of toegestaan; en

(b)

de interne rapportage van informatie over de reële waarde aan managers van de entiteit op sleutelposities (zoals gedefinieerd in IAS 24), die de reële waarde als voornaamste waarderingscriterium hanteren voor het evalueren van de prestaties van vrijwel alle beleggingen van de entiteit en voor het nemen van beleggingsbeslissingen.

B85L

Om aan de vereisten van alinea B85K(a) te voldoen, moet een beleggingsentiteit:

(a)

ervoor kiezen alle vastgoedbeleggingen volgens het reëlewaardemodel in IAS 40 Vastgoedbeleggingen administratief te verwerken;

(b)

kiezen voor de vrijstelling van de toepassing van de "equity"-methode in IAS 28 voor haar beleggingen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures; en

(c)

haar financiële activa tegen reële waarde waarderen overeenkomstig de vereisten van IFRS 9.

B85M

Een beleggingsentiteit mag een aantal niet-beleggingsactiva hebben, zoals een gebouw van het hoofdkantoor en de bijbehorende installaties; zij mag ook financiële verplichtingen hebben. Het in alinea 27(c) beschreven onderdeel van de definitie van een beleggingsentiteit dat op de waardering tegen reële waarde betrekking heeft, is van toepassing op de beleggingen van een beleggingsentiteit. Een beleggingsentiteit hoeft haar niet-beleggingsactiva of haar verplichtingen derhalve niet tegen reële waarde te waarderen.

Typische kenmerken van een beleggingsentiteit

B85N

Om te bepalen of zij aan de definitie van een beleggingsentiteit voldoet, moet een entiteit nagaan of zij de typische kenmerken daarvan vertoont (zie alinea 28). Het ontbreken van een of meer van deze typische kenmerken betekent niet noodzakelijkerwijze dat een entiteit niet in aanmerking komt om als beleggingsentiteit te worden geclassificeerd, maar wijst erop dat verdere oordeelsvorming is vereist om uit te maken of de entiteit een beleggingsentiteit is.

Meer dan één belegging

B85O

Een beleggingsentiteit bezit gewoonlijk meerdere beleggingen om haar risico te spreiden en haar rendement te maximaliseren. Een entiteit kan een portefeuille van beleggingen direct of indirect aanhouden, bijvoorbeeld door een enkele belegging aan te houden in een andere beleggingsentiteit die zelf meerdere beleggingen bezit.

B85P

Er kunnen momenten zijn waarop de entiteit slechts één belegging bezit. Het aanhouden van één enkele belegging belet een entiteit echter niet noodzakelijkerwijze om aan de definitie van een beleggingsentiteit te voldoen. Een beleggingsentiteit kan bijvoorbeeld slechts één belegging aanhouden wanneer de entiteit:

(a)

zich in haar opstartperiode bevindt, nog geen passende beleggingen heeft gevonden en dus haar beleggingsplan voor het verrichten van meerdere beleggingen nog niet heeft uitgevoerd;

(b)

nog geen andere beleggingen heeft verricht ter vervanging van die welke zij heeft afgestoten;

(c)

is opgericht om middelen van beleggers samen te brengen om tot één enkele belegging over te gaan wanneer deze belegging buiten het bereik van individuele beleggers ligt (bv. wanneer de vereiste minimumbelegging te hoog is voor een individuele belegger); of

(d)

in liquidatie is.

Meer dan één belegger

B85Q

Een beleggingsentiteit heeft gewoonlijk meerdere beleggers die hun middelen samenbrengen om toegang te krijgen tot beleggingsdiensten en –mogelijkheden waartoe zij individueel mogelijk geen toegang zouden hebben. Het hebben van meerdere beleggers maakt het minder waarschijnlijk dat de entiteit, of enigerlei ander lid van de groep waarvan de entiteit deel uitmaakt, andere voordelen verkrijgt dan opbrengsten uit hoofde van waardestijgingen of beleggingsinkomsten (zie alinea B85I).

B85R

Ook kan een beleggingsentiteit worden opgericht door, of voor, één enkele belegger die de belangen van een grotere groep beleggers vertegenwoordigt of ondersteunt (bv. een pensioenfonds, een investeringsfonds van de overheid of een family trust).

B85S

Er kunnen ook momenten zijn waarop de entiteit slechts één belegger heeft. Een beleggingsentiteit kan bijvoorbeeld slechts één belegger hebben wanneer de entiteit:

(a)

zich in haar beursintroductieperiode bevindt die nog niet is verstreken en de entiteit actief op zoek is naar geschikte beleggers;

(b)

nog geen geschikte beleggers heeft aangewezen ter vervanging van eigendomsbelangen die zijn terugbetaald; of

(c)

in liquidatie is.

Beleggers die geen verbonden partijen zijn

B85T

Een beleggingsentiteit heeft gewoonlijk meerdere beleggers die geen verbonden partijen (zoals gedefinieerd in IAS 24) zijn van de entiteit of andere leden van de groep waarvan de entiteit deel uitmaakt. Het hebben van beleggers die geen verbonden partijen zijn, maakt het minder waarschijnlijk dat de entiteit, of enigerlei ander lid van de groep waarvan de entiteit deel uitmaakt, andere voordelen verkrijgt dan opbrengsten uit hoofde van waardestijgingen of beleggingsinkomsten (zie alinea B85I).

B85U

Een entiteit kan echter nog steeds in aanmerking komen als een beleggingsentiteit ook al zijn haar beleggers verbonden partijen van de entiteit. Zo kan een beleggingsentiteit voor een groep van haar werknemers (zoals managers op sleutelposities) of (een) andere belegger(s) die (een) verbonden partij(en) zijn (is), een afzonderlijk "parallel" fonds opzetten dat de beleggingen van het voornaamste beleggingsfonds van de entiteit weerspiegelt. Dit "parallel" fonds kan in aanmerking komen als een beleggingsentiteit, ook al zijn alle beleggers daarin verbonden partijen.

Eigendomsbelangen

B85V

Een beleggingsentiteit is gewoonlijk een afzonderlijke rechtspersoon, maar dat is niet verplicht. Eigendomsbelangen in een beleggingsentiteit nemen gewoonlijk de vorm aan van aandelen- of soortgelijke belangen (bv. maatschapsbelangen), waaraan evenredige delen van de netto-activa van de beleggingsentiteit worden toegerekend. Het feit dat een entiteit verschillende categorieën beleggers heeft, waarvan sommige alleen rechten hebben op een specifieke belegging of groepen van beleggingen, of die verschillende evenredige delen van de netto-activa bezitten, sluit evenwel niet uit dat de entiteit een beleggingsentiteit kan zijn.

B85W

Bovendien kan een entiteit die aanzienlijke eigendomsbelangen heeft in de vorm van schuld die overeenkomstig andere toepasselijke IFRSs niet aan de definitie van eigen vermogen voldoet, toch in aanmerking komen als beleggingsentiteit, mits de houders van de schuld uit hoofde van veranderingen in de reële waarde van de netto-activa van de entiteit aan veranderlijke opbrengsten zijn blootgesteld.

In bijlage B worden een kopje en de alinea's B100 en B101 toegevoegd.

ADMINISTRATIEVE VERWERKING VAN EEN WIJZIGING IN DE STATUS VAN EEN BELEGGINGSENTITEIT

B100

Wanneer een entiteit geen beleggingsentiteit meer is, moet zij IFRS 3 toepassen op alle dochterondernemingen die eerder overeenkomstig alinea 31 werden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening. De datum van de statuswijziging wordt geacht de overnamedatum te zijn. Bij de waardering van eventuele goodwill of van enigerlei voordeel uit een voordelige koop die uit de veronderstelde overname voortvloeit, moet de reële waarde van de dochteronderneming op de veronderstelde overnamedatum de overgeboekte veronderstelde vergoeding vertegenwoordigen. Vanaf de datum van de statuswijziging moeten alle dochterondernemingen worden geconsolideerd overeenkomstig de alinea's 19 tot en met 24 van deze IFRS.

B101

Wanneer een entiteit een beleggingsentiteit wordt, mag zij op de datum van de statuswijziging haar dochterondernemingen niet langer consolideren, met uitzondering van alle dochterondernemingen die overeenkomstig alinea 32 nog steeds moeten worden geconsolideerd. De beleggingsentiteit moet de vereisten van de alinea's 25 en 26 toepassen op de dochterondernemingen die zij niet langer consolideert, alsof zij op die datum de zeggenschap over deze dochterondernemingen had verloren.

In bijlage C wordt een nieuwe alinea C1B toegevoegd.

C1B

De alinea's 2, 4, C2A, C6A en bijlage A zijn gewijzigd en de alinea's 27 tot en met 33, B85A tot en met B85W, B100 en B101 en C3A tot en met C3F zijn toegevoegd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij dit feit vermelden en tegelijkertijd alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

In bijlage C wordt alinea C2A gewijzigd.

C2A

Niettegenstaande de vereisten van alinea 28 van IAS 8 moet een entiteit, wanneer deze IFRS voor het eerst wordt toegepast, en, indien dit later is, wanneer de door Beleggingsentiteiten in deze IFRS aangebrachte wijzigingen voor het eerst worden toegepast, alleen de door alinea 28(f) van IAS 8 vereiste kwantitatieve informatie presenteren voor de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing van deze IFRS (de "onmiddellijk voorafgaande periode"). Een entiteit mag deze informatie ook voor de lopende periode of voor eerdere vergelijkende perioden presenteren, maar is daartoe niet verplicht.

In bijlage C worden de nieuwe alinea's C3A tot en met C3F toegevoegd.

C3A

Op de datum van eerste toepassing moet een entiteit op basis van de op die datum bestaande feiten en omstandigheden bepalen of zij een beleggingsentiteit is. Indien een entiteit op de datum van eerste toepassing concludeert dat zij een beleggingsentiteit is, moet zij de vereisten van de alinea's C3B tot en met C3F in plaats van de alinea's C5 en C5A toepassen.

C3B

Behoudens als het een dochteronderneming betreft die overeenkomstig alinea 32 is geconsolideerd (en waarop, al naargelang het geval, de alinea's C3 en C6 of de alinea's C4 tot en met C4C van toepassing zijn), moet een beleggingsentiteit haar belegging in elke dochteronderneming waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening, alsof de vereisten van deze IFRS steeds van kracht zijn geweest. De beleggingsentiteit moet zowel de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing, als het eigen vermogen aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode retroactief aanpassen in verband met eventuele verschillen tussen:

(a)

de vorige boekwaarde van de dochteronderneming; en

(b)

de reële waarde van de belegging van de beleggingsentiteit in de dochteronderneming.

Het cumulatieve bedrag van eventuele aanpassingen van de reële waarde dat voorheen in niet-gerealiseerde resultaten was opgenomen, moet aan het begin van de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing, naar de ingehouden winst worden overgeboekt.

C3C

Vóór de datum waarop IFRS 13 Waardering tegen reële waarde wordt toegepast, moet een beleggingsentiteit gebruikmaken van de voorheen aan de beleggers of het management gerapporteerde bedragen van de reële waarde indien deze bedragen op de datum van de waardering overeenstemmen met het bedrag waarvoor de belegging zou kunnen worden geruild in een zakelijke, objectieve transactie tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn.

C3D

Als waardering van een belegging in een dochteronderneming in overeenstemming met de alinea's C3B en C3C onuitvoerbaar is (zoals omschreven in IAS 8), dan moet een beleggingsentiteit de vereisten van deze IFRS toepassen aan het begin van de vroegste periode waarop de alinea's C3B en C3C toepasbaar zijn en die mogelijk de lopende periode is. De investeerder moet de jaarperiode die onmiddellijk aan de datum van eerste toepassing voorafgaat, retroactief aanpassen, tenzij het begin van de vroegste periode waarop deze alinea toepasbaar is, de lopende periode is. Indien dat het geval is, moet de aanpassing van het eigen vermogen aan het begin van de lopende periode worden opgenomen.

C3E

Indien een beleggingsentiteit voor de datum van eerste toepassing van deze IFRS een belegging in een dochteronderneming heeft afgestoten of de zeggenschap daarover heeft verloren, is de beleggingsentiteit niet verplicht aanpassingen aan te brengen in de eerdere administratieve verwerking van de betrokken dochteronderneming.

C3F

Indien een entiteit de in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepast op een periode die volgt op de periode waarin zij IFRS 10 voor het eerst toepast, moeten verwijzingen in de alinea's C3A tot en met C3E naar "de datum van eerste toepassing" worden gelezen als verwijzingen naar "het begin van de jaarlijkse verslagperiode waarop de wijzigingen in Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012, voor het eerst worden toegepast".

In bijlage C wordt alinea C6A gewijzigd.

C6A

Niettegenstaande de verwijzingen in de alinea's C3B tot en met C5A naar de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing (de "onmiddellijk voorafgaande periode"), mag een entiteit ook aangepaste vergelijkende informatie voor eerder gepresenteerde perioden presenteren, maar zij is daartoe niet verplicht. Indien een entiteit geen aangepaste vergelijkende informatie voor eerdere perioden presenteert, moeten alle verwijzingen in de alinea's C3B tot en met C5A naar de "onmiddellijk voorafgaande periode" worden gelezen als verwijzingen naar de "vroegst aangepaste vergelijkende periode die is gepresenteerd".

Bijlage

Dienovereenkomstige wijzigingen in andere standaarden

In deze bijlage zijn wijzigingen in andere standaarden beschreven die het gevolg zijn van de uitgifte door de IASB van Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27). Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij tegelijkertijd alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen. In de gewijzigde alinea's is de nieuwe tekst onderstreept en de verwijderde tekst doorgehaald.

IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards

Alinea 39T wordt toegevoegd.

39T

De alinea's D16, D17 en bijlage C zijn gewijzigd en een kopje en de alinea's E6 en E7 zijn toegevoegd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

Bijlage C wordt gewijzigd.

Deze bijlage is een integraal onderdeel van de IFRS. Een entiteit moet de volgende vereisten toepassen op bedrijfscombinaties die ze vóór de datum van de overgang naar de IFRSs heeft verwerkt. Deze bijlage mag alleen worden toegepast op bedrijfscombinaties die binnen het toepassingsgebied van IFRS 3 Bedrijfscombinaties vallen.

In bijlage D worden de alinea's D16 en D17 gewijzigd.

D16

Als een dochteronderneming de IFRSs voor het eerst toepast op een latere datum dan de moedermaatschappij, moet de dochteronderneming in de jaarrekening haar activa en verplichtingen waarderen tegen:

(a)

de boekwaarden die op basis van de datum van de overgang naar de IFRSs van de moedermaatschappij in de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij zouden worden opgenomen indien er geen aanpassingen werden aangebracht voor consolidatiedoeleinden en voor de gevolgen van de bedrijfscombinatie waarin de moedermaatschappij de dochteronderneming heeft overgenomen (deze optie is niet beschikbaar voor een dochteronderneming van een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10), die moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening); of

(b)

D17

Indien de eerste toepassing van de IFRSs door een entiteit echter later plaatsvindt dan door haar dochteronderneming (of geassocieerde deelneming of joint venture), dan moet de entiteit in haar geconsolideerde jaarrekening de activa en verplichtingen van de dochteronderneming (of geassocieerde deelneming of joint venture) tegen dezelfde boekwaarde waarderen als in de jaarrekening van de dochteronderneming (of geassocieerde deelneming of joint venture), na verwerking van aanpassingen uit hoofde van de consolidatie, de toepassing van de vermogensmutatiemethode en de gevolgen van de bedrijfscombinatie waarin de entiteit de dochteronderneming heeft overgenomen. Niettegenstaande dit vereiste mag een moedermaatschappij die geen beleggingsentiteit is, niet overgaan tot de toepassing van de uitzondering op de consolidatie waarvan wordt gebruikgemaakt door eventuele dochterondernemingen die beleggingsentiteiten zijn. …

In bijlage E worden na alinea E5 een kopje en de alinea's E6 en E7 toegevoegd.

Beleggingsentiteiten

E6

Een eerste toepasser die een moedermaatschappij is, moet bepalen of hij een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10) is op basis van de feiten en omstandigheden die op de datum van de overgang naar de IFRSs bestaan.

E7

Een eerste toepasser die een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10) is, mag de overgangsbepalingen in de alinea's C3C en C3D van IFRS 10 en in de alinea's 18C tot en met 18G van IAS 27 toepassen indien zijn eerste IFRS-jaarrekening betrekking heeft op een jaarperiode die op of na 31 december 2014 eindigt. De verwijzingen in deze alinea's naar de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing, moeten worden gelezen als verwijzingen naar de vroegste jaarperiode die is gepresenteerd. De verwijzingen in deze alinea's moeten bijgevolg worden gelezen als verwijzingen naar de datum van de overgang naar de IFRSs.

IFRS 3 Bedrijfscombinaties

Alinea 7 wordt gewijzigd en de alinea's 2A en 64G worden toegevoegd.

2A

De vereisten van deze standaard zijn niet van toepassing op de overname door een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening) van een belegging in een dochteronderneming die moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening.

7

De leidraden in IFRS 10 moeten worden toegepast om de overnemende partij te identificeren …

64G

Alinea 7 is gewijzigd en alinea 2A is toegevoegd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

IFRS 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing

Alinea 3 wordt gewijzigd en alinea 44X wordt toegevoegd.

3

Deze IFRS moet door alle entiteiten worden toegepast op alle soorten financiële instrumenten, met uitzondering van:

(a)

belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen of joint ventures die administratief worden verwerkt in overeenstemming met IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening, IAS 27 Enkelvoudige jaarrekening of IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures. In bepaalde gevallen wordt door IFRS 10, IAS 27 of IAS 28 echter voorgeschreven of toegestaan dat een entiteit een belang in een dochteronderneming, geassocieerde onderneming of joint venture administratief verwerkt overeenkomstig IFRS 9; in deze gevallen moeten entiteiten aan de vereisten van deze IFRS voldoen en moeten entiteiten die tegen reële waarde worden gewaardeerd, aan de vereisten van IFRS 13 Waardering tegen reële waarde voldoen. Entiteiten moeten deze IFRS eveneens toepassen op alle derivaten gekoppeld aan belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen of joint ventures, tenzij de derivaten aan de in IAS 32 opgenomen definitie van een eigenvermogensinstrument voldoen.

44X

Alinea 3 is gewijzigd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijziging toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijziging eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

IAS 7 Het kasstroomoverzicht

De alinea's 42A en 42B worden gewijzigd en de alinea's 40A en 58 worden toegevoegd.

40A

Een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10 Geconsolideerde Jaarrekening) hoeft de alinea's 40(c) of 40(d) niet toe te passen op een belegging in een dochteronderneming die moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening.

42A

Kasstromen die voortkomen uit wijzigingen in eigendomsbelangen in een dochteronderneming die niet tot een verlies van zeggenschap leiden, moeten worden geclassificeerd als kasstromen uit financieringsactiviteiten, tenzij de betrokken dochteronderneming in handen is van een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10) en moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening.

42B

Wijzigingen in eigendomsbelangen in een dochteronderneming die niet tot een verlies van zeggenschap leiden, zoals de latere aankoop of verkoop van eigenvermogensinstrumenten van een dochteronderneming door een moedermaatschappij, moeten administratief worden verwerkt als eigenvermogenstransacties (zie IFRS 10), tenzij de betrokken dochteronderneming in handen is van een beleggingsentiteit en moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening. Dienovereenkomstig moeten de resulterende kasstromen worden geclassificeerd op dezelfde wijze als andere transacties met eigenaars die in alinea 17 beschreven zijn.

58

De alinea's 42A en 42B zijn gewijzigd en alinea 40A is toegevoegd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

IAS 12 Winstbelastingen

De alinea's 58 en 68C worden gewijzigd en alinea 98C wordt toegevoegd.

58

Over de verslagperiode verschuldigde en verrekenbare belastingen en uitgestelde belastingen moeten als baten of lasten worden opgenomen in de winst of het verlies over de periode, tenzij de belasting voortvloeit uit:

(a)

(b)

een bedrijfscombinatie (die geen overname door een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening) is van een dochteronderneming die moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening) (zie de alinea's 66 tot en met 68).

68C

Zoals vermeld in alinea 68A, kan het fiscaal aftrekbare bedrag (of het geschatte in de toekomst fiscaal aftrekbare bedrag, bepaald in overeenstemming met alinea 68B) afwijken van de hiermee verband houdende cumulatieve last uit hoofde van personeelsbeloningen. Op grond van alinea 58 van de standaard moeten actuele en uitgestelde belastingen als baten of lasten worden opgenomen in de winst-en-verliesrekening over de periode, behalve indien de belasting voortvloeit uit a) een transactie of gebeurtenis die in dezelfde of een andere periode rechtstreeks in het eigen vermogen wordt opgenomen, of b) een bedrijfscombinatie (die geen overname door een beleggingsentiteit is van een dochteronderneming die moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening). Als het fiscaal aftrekbare bedrag (of het geschatte in de toekomst fiscaal aftrekbare bedrag) groter is dan het bedrag van de hiermee verband houdende cumulatieve last uit hoofde van personeelsbeloningen, dan geeft dit aan dat de belastingaftrek niet alleen betrekking heeft op een last uit hoofde van personeelbeloningen, maar ook op een eigenvermogenspost. In deze situatie moet het aan de actuele of uitgestelde belasting gerelateerde surplus rechtstreeks in het eigen vermogen worden verwerkt.

98C

De alinea's 58 en 68C zijn gewijzigd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

IAS 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen

De alinea's 4 en 9 worden gewijzigd en alinea 28B wordt toegevoegd.

4

Transacties met verbonden partijen en uitstaande saldi met andere entiteiten binnen een groep worden in de jaarrekening van een entiteit vermeld. Bij de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening van de groep worden transacties tussen verbonden partijen en uitstaande saldi binnen een groep geëlimineerd, met uitzondering van die tussen een beleggingsentiteit en haar dochterondernemingen die worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening.

9

De begrippen "zeggenschap" en "beleggingsentiteit", "gezamenlijke zeggenschap", en "invloed van betekenis" worden gedefinieerd in respectievelijk IFRS 10, IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten en IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures en worden in deze standaard gebruikt met de betekenis die in de genoemde IFRSs wordt omschreven.

28B

De alinea's 4 en 9 zijn gewijzigd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie

Alinea 4 wordt gewijzigd en alinea 97N wordt toegevoegd.

4

Deze standaard moet door alle entiteiten worden toegepast op alle soorten financiële instrumenten, met uitzondering van:

(a)

belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen of joint ventures die administratief worden verwerkt in overeenstemming met IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening, IAS 27 Enkelvoudige jaarrekening of IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures. In bepaalde gevallen wordt door IFRS 10, IAS 27 of IAS 28 echter voorgeschreven of toegestaan dat een entiteit een belang in een dochteronderneming, geassocieerde onderneming of joint venture administratief verwerkt overeenkomstig IFRS 9; in deze gevallen moeten entiteiten aan de vereisten van deze standaard voldoen. Entiteiten moeten deze standaard eveneens toepassen op alle derivaten gekoppeld aan belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen of joint ventures.

97N

Alinea 4 is gewijzigd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijziging toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijziging eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

IAS 34 Tussentijdse financiële verslaggeving

Alinea 16A wordt gewijzigd en alinea 54 wordt toegevoegd. Nieuwe tekst is onderstreept.

16A

Naast het vermelden van wezenlijke gebeurtenissen en transacties in overeenstemming met de alinea's 15 tot en met 15C moet een entiteit de onderstaande informatie in de toelichtingen bij haar tussentijdse financiële overzichten opnemen indien deze informatie niet elders in het tussentijds financieel verslag is vermeld. De informatie moet normaliter cumulatief voor het lopende boekjaar worden gerapporteerd.

(a)

(k)

voor entiteiten die beleggingsentiteiten (zoals gedefinieerd in IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening) worden of geen beleggingsentiteiten meer zijn, de informatie die moet worden verstrekt op grond van alinea 9B van IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten.

54

Alinea 16A is toegevoegd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijziging toepassen op jaarperioden die op 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijziging eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering

De alinea's 2 en 80 worden gewijzigd en alinea 103R wordt toegevoegd.

2

Deze standaard moet door alle entiteiten worden toegepast op alle soorten financiële instrumenten, met uitzondering van:

(a)

belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen en joint ventures die administratief worden verwerkt overeenkomstig IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening, IAS 27 Enkelvoudige jaarrekening of IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures. In bepaalde gevallen wordt door IFRS 10, IAS 27 of IAS 28 echter voorgeschreven of toegestaan dat een entiteit een belang in een dochteronderneming, geassocieerde onderneming of joint venture administratief verwerkt overeenkomstig sommige of alle vereisten van deze standaard. Entiteiten moeten deze standaard eveneens toepassen op derivaten gekoppeld aan belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen of joint ventures, tenzij de derivaten aan de in IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie opgenomen definitie van een eigenvermogensinstrument van de entiteit voldoen;

(b)

(g)

alle termijncontracten tussen een overnemende partij en een verkopende aandeelhouder tot aankoop of verkoop van een overgenomen partij welke op een toekomstige overnamedatum zullen resulteren in een bedrijfscombinatie die binnen het toepassingsgebied van IFRS 3 Bedrijfscombinaties valt. De looptijd van het termijncontract mag niet langer zijn dan de redelijke termijn die normaliter noodzakelijk is om alle vereiste goedkeuringen te verkrijgen en de transactie te voltooien;

80

… Dit houdt in dat de toepassing van hedge accounting op transacties tussen entiteiten in dezelfde groep alleen is toegestaan in de individuele of enkelvoudige jaarrekening van die entiteiten en niet in de geconsolideerde jaarrekening van de groep, behalve wat de geconsolideerde jaarrekening van een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10) betreft, waarin transacties tussen een beleggingsentiteit en haar dochterondernemingen die worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening, niet in de geconsolideerde jaarrekening worden geëlimineerd. …

103R

De alinea's 2 en 80 zijn gewijzigd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing van Beleggingsentiteiten is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij tegelijkertijd ook alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

Wijzigingen in IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten

Alinea 2 wordt gewijzigd.

2

Om het in alinea 1 beschreven doel te verwezenlijken, moet een entiteit de volgende informatie verschaffen:

(a)

de belangrijke oordelen en veronderstellingen waarvan zij is uitgegaan bij de bepaling:

(i)

van de aard van haar belang in een andere entiteit of overeenkomst;

(ii)

van het type gezamenlijke overeenkomst waarin zij een belang heeft (alinea's 7, 8 en 9);

(iii)

indien toepasselijk, of zij aan de definitie van een beleggingsentiteit voldoet (alinea 9A); en

(b)

Na alinea 9 worden een kopje en de alinea's 9A en 9B toegevoegd.

Status van beleggingsentiteit

9A

Wanneer een moedermaatschappij overeenkomstig alinea 27 van IFRS 10 bepaalt dat zij een beleggingsentiteit is, dan moet de beleggingsentiteit informatie verschaffen over de belangrijke oordelen en veronderstellingen waarvan zij is uitgegaan bij de bepaling dat zij een beleggingsentiteit is. Als de beleggingsentiteit een of meer van de typische kenmerken van een beleggingsentiteit (zie alinea 28 van IFRS 10) ontbeert, dan moet zij de redenen opgeven waarom zij concludeert dat zij toch een beleggingsentiteit is.

9B

Wanneer een entiteit een beleggingsentiteit wordt of geen beleggingsentiteit meer is, dan moet zij de wijziging van haar status als beleggingsentiteit en de redenen voor deze statuswijziging vermelden. Daarnaast moet een entiteit die een beleggingsentiteit wordt, het effect van de statuswijziging op de jaarrekening voor de gepresenteerde periode toelichten, onder vermelding van:

(a)

de totale reële waarde op de datum van de statuswijziging van de dochterondernemingen die niet langer worden geconsolideerd;

(b)

de eventuele totale winst of het eventuele totale verlies, berekend overeenkomstig alinea B101 van IFRS 10; en

(c)

de post(en) in de winst-en-verliesrekening waarin de winst of het verlies is opgenomen (indien niet afzonderlijk gepresenteerd).

Na alinea 19 worden een kopje en de alinea's 19A tot en met 19G toegevoegd.

BELANGEN IN NIET-GECONSOLIDEERDE DOCHTERONDERNEMINGEN (BELEGGINGSENTITEITEN)

19A

Een beleggingsentiteit die overeenkomstig IFRS 10 verplicht is de uitzondering op de consolidatie toe te passen en haar belegging in een dochteronderneming administratief moet verwerken tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening, moet dit feit vermelden.

19B

Voor elke niet-geconsolideerde dochteronderneming moet een beleggingsentiteit het volgende vermelden:

(a)

de naam van de dochteronderneming;

(b)

de hoofdvestiging (en het land van oprichting, indien verschillend van het land van de hoofdvestiging) van de dochteronderneming; en

(c)

de omvang van het eigendomsbelang van de beleggingsentiteit en, indien verschillend, de omvang van de gehouden stemrechten.

19C

Indien een beleggingsentiteit de moedermaatschappij van een andere beleggingsentiteit is, moet de moedermaatschappij ook de op grond van de alinea's 19B(a), 19B(b) en 19B(c) vereiste informatie verstrekken voor beleggingen waarover zeggenschap wordt uitgeoefend door de beleggingsentiteit die haar dochteronderneming is. Deze informatie mag worden verschaft door in de jaarrekening van de moedermaatschappij de financiële overzichten van de dochteronderneming (of dochterondernemingen) op te nemen die de bovenbedoelde informatie bevatten.

19D

Een beleggingsentiteit moet de volgende informatie verschaffen:

(a)

de aard en omvang van eventuele belangrijke beperkingen (die bijvoorbeeld voortvloeien uit financieringsovereenkomsten, voorschriften van regelgevende instanties of contractuele overeenkomsten) op het vermogen van een niet-geconsolideerde dochteronderneming om middelen aan de beleggingsentiteit over te dragen in de vorm van dividenden in contanten, of om leningen of voorschotten van de beleggingsentiteit aan de niet-geconsolideerde dochteronderneming terug te betalen; en

(b)

alle bestaande verbintenissen of voornemens om financiële of andere steun aan een niet-geconsolideerde dochteronderneming te verlenen, met inbegrip van verbintenissen of voornemens om de dochteronderneming bij te staan bij het verkrijgen van financiële steun.

19E

Indien een beleggingsentiteit of een van haar dochterondernemingen, zonder daartoe contractueel verplicht te zijn, tijdens de verslagperiode financiële of andere steun aan een niet-geconsolideerde dochteronderneming heeft verleend (bv. kopen van activa van of van instrumenten uitgegeven door de dochteronderneming of bijstaan van de dochteronderneming bij het verkrijgen van financiële steun), moet de entiteit het volgende vermelden:

(a)

het type en de omvang van de steun die aan elke niet-geconsolideerde dochteronderneming is verleend; en

(b)

de redenen voor het verlenen van de steun.

19F

Een beleggingsentiteit moet de voorwaarden vermelden van alle contractuele overeenkomsten op grond waarvan de entiteit of haar niet-geconsolideerde dochterondernemingen verplicht kunnen zijn financiële steun te verlenen aan een niet-geconsolideerde, gestructureerde entiteit waarover zij de zeggenschap heeft, met inbegrip van gebeurtenissen of omstandigheden die de verslaggevende entiteit aan een verlies kunnen blootstellen (bv. liquiditeitsovereenkomsten of credit rating triggers die gerelateerd zijn aan verplichtingen om activa van de gestructureerde entiteit te kopen of financiële steun te verlenen).

19G

Indien een beleggingsentiteit of een van haar niet-geconsolideerde dochterondernemingen, zonder daartoe contractueel verplicht te zijn, tijdens de verslagperiode financiële of andere steun heeft verleend aan een niet-geconsolideerde gestructureerde entiteit waarover de beleggingsentiteit geen zeggenschap had, en indien die steunverlening resulteerde in zeggenschap van de beleggingsentiteit over de gestructureerde entiteit, dan moet de beleggingsentiteit een verklaring vermelden van de relevante factoren die hebben geleid tot de beslissing om deze steun te verlenen.

Na alinea 21 wordt alinea 21A toegevoegd.

21A

Een beleggingsentiteit hoeft de overeenkomstig de alinea's 21(b) en 21(c) vereiste informatie niet te verstrekken.

Na alinea 25 wordt alinea 25A toegevoegd.

25A

Een beleggingsentiteit hoeft de overeenkomstig alinea 24 vereiste informatie niet te verstrekken voor een niet-geconsolideerde gestructureerde entiteit waarover zij de zeggenschap heeft en waarvoor zij de overeenkomstig de alinea's 19A tot en met 19G vereiste informatie presenteert.

In bijlage A wordt een begrip toegevoegd.

De volgende begrippen worden gedefinieerd in IAS 27 (herziene versie van 2011), IAS 28 (herziene versie van 2011), IFRS 10 en IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten en worden in deze IFRS gebruikt met de betekenis die in de genoemde IFRSs wordt omschreven:

geassocieerde deelneming

geconsolideerde jaarrekening

zeggenschap over een entiteit

"equity"-methode

groep

beleggingsentiteit

gezamenlijke overeenkomst

In bijlage C wordt alinea C1B toegevoegd.

C1B

Alinea 2 en bijlage A zijn gewijzigd en de alinea's 9A, 9B, 19A tot en met 19G, 21A en 25A zijn toegevoegd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij dit feit vermelden en tegelijkertijd alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

Wijzigingen in IAS 27 Enkelvoudige jaarrekening

De alinea's 5 en 6 worden gewijzigd.

5

De volgende begrippen worden gedefinieerd in bijlage A bij IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening, bijlage A bij IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten en alinea 3 van IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures:

geassocieerde deelneming

zeggenschap over een deelneming

groep

beleggingsentiteit

gezamenlijke zeggenschap

6

Een enkelvoudige jaarrekening is de jaarrekening die in andere dan in de alinea's 8 en 8A beschreven omstandigheden wordt gepresenteerd naast de geconsolideerde jaarrekening of naast de jaarrekening waarin investeringen, respectievelijk beleggingen in geassocieerde deelnemingen of joint ventures administratief worden verwerkt volgens de "equity"-methode. De enkelvoudige jaarrekening hoeft niet als bijlage bij die jaarrekening te worden opgenomen of hoeft die jaarrekening niet te vergezellen.

Na alinea 8 wordt alinea 8A toegevoegd.

8A

Een beleggingsentiteit die overeenkomstig alinea 31 van IFRS 10 verplicht is tijdens de lopende periode en alle vergelijkende perioden die worden gepresenteerd, op al haar dochterondernemingen de uitzondering op de consolidatie toe te passen, presenteert een enkelvoudige jaarrekening als haar enige jaarrekening.

Na alinea 11 worden de alinea's 11A en 11B toegevoegd.

11A

Indien een moedermaatschappij overeenkomstig alinea 31 van IFRS 10 verplicht is haar belegging in een dochteronderneming overeenkomstig IFRS 9 te waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening, moet zij haar belegging in de dochteronderneming ook op dezelfde wijze in haar enkelvoudige jaarrekening verwerken.

11B

Wanneer een moedermaatschappij geen beleggingsentiteit meer is of een beleggingsentiteit wordt, moet zij de wijziging in haar status als volgt administratief verwerken vanaf de datum waarop de statuswijziging heeft plaatsgevonden:

(a)

wanneer een entiteit geen beleggingsentiteit meer is, moet de entiteit overeenkomstig alinea 10:

(i)

ofwel een belegging in een dochteronderneming tegen kostprijs verwerken. De reële waarde van de dochteronderneming op de datum van de statuswijziging moet als de veronderstelde kostprijs op die datum worden beschouwd;

(ii)

ofwel een belegging in een dochteronderneming administratief blijven verwerken in overeenstemming met IFRS 9;

(b)

wanneer een entiteit een beleggingsentiteit wordt, moet zij een belegging in een dochteronderneming overeenkomstig IFRS 9 waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening. Het verschil tussen de vorige boekwaarde van de dochteronderneming en haar reële waarde op de datum van de statuswijziging van de investeerder, moet als winst of verlies in de winst-en-verliesrekening worden opgenomen. Het cumulatieve bedrag van eventuele aanpassingen van de reële waarde dat voorheen met betrekking tot die dochterondernemingen in niet-gerealiseerde resultaten was opgenomen, moet worden behandeld alsof de beleggingsentiteit die dochterondernemingen op de datum van de statuswijziging had afgestoten.

Na alinea 16 wordt alinea 16A toegevoegd.

16A

Indien een beleggingsentiteit die een moedermaatschappij is (uitgezonderd een moedermaatschappij die onder alinea 16 valt), overeenkomstig alinea 8A een enkelvoudige jaarrekening als haar enige jaarrekening opstelt, moet zij dit feit vermelden. De beleggingsentiteit moet ook de door IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten vereiste informatie presenteren.

Alinea 17 wordt gewijzigd.

17

Indien een moedermaatschappij (uitgezonderd een moedermaatschappij die onder de alinea's 16 en 16A valt) of een investeerder die gezamenlijk de zeggenschap uitoefent over, of invloed van betekenis heeft in een deelneming, een enkelvoudige jaarrekening opstelt, moet de betrokken moedermaatschappij of investeerder verwijzen naar de in overeenstemming met IFRS 10, IFRS 11 of IAS 28 (herziene versie van 2011) opgestelde jaarrekening waarop die enkelvoudige jaarrekening betrekking heeft. De moedermaatschappij of investeerder moet in de enkelvoudige jaarrekening ook het volgende vermelden:

(a)

Alinea 18 wordt gewijzigd.

18

… Als een entiteit deze standaard eerder toepast, moet zij dit feit vermelden en tegelijkertijd IFRS 10, IFRS 11, IFRS 12 en IAS 28 (herziene versie van 2011) toepassen.

Na alinea 18 worden de alinea's 18A tot en met 18I toegevoegd.

18A

De alinea's 5, 6, 17 en 18 zijn gewijzigd en de alinea's 8A, 11A en 11B, 16A en 18B tot en met 18I zijn toegevoegd door Beleggingsentiteiten (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 12 en IAS 27), uitgegeven in oktober 2012. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2014 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Indien een entiteit deze wijzigingen eerder toepast, moet zij dit feit vermelden en tegelijkertijd alle in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen toepassen.

18B

Indien een moedermaatschappij op de datum van eerste toepassing van de in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen (die, voor de toepassing van deze IFRS, het begin is van de jaarlijkse verslagperiode waarop deze wijzigingen voor het eerst worden toegepast) concludeert dat zij een beleggingsentiteit is, dan moet zij op haar belegging in een dochteronderneming de alinea's 18C tot en met 18I toepassen.

18C

Op de datum van eerste toepassing moet een beleggingsentiteit die haar belegging in een dochteronderneming eerder tegen kostprijs waardeerde, deze belegging in plaats daarvan waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening, alsof de vereisten van deze IFRS steeds van kracht zijn geweest. De beleggingsentiteit moet zowel de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing, als de ingehouden winsten aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode retroactief aanpassen in verband met eventuele verschillen tussen:

(a)

de vorige boekwaarde van de belegging; en

(b)

de reële waarde van de investering van de investeerder in de dochteronderneming.

18D

Op de datum van eerste toepassing moet een beleggingsentiteit die haar belegging in een dochteronderneming eerder waardeerde tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening, deze belegging tegen reële waarde blijven waarderen. Het cumulatieve bedrag van eventuele aanpassingen van de reële waarde dat voorheen in niet-gerealiseerde resultaten was opgenomen, moet aan het begin van de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing, naar de ingehouden winst worden overgeboekt.

18E

Op de datum van eerste toepassing mag een beleggingsentiteit geen aanpassingen aanbrengen in de eerdere administratieve verwerking van een belang in een dochteronderneming dat zij eerder had verkozen overeenkomstig IFRS 9 te waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de winst-en-verliesrekening, zoals door alinea 10 is toegestaan.

18F

Vóór de datum waarop IFRS 13 Waardering tegen reële waarde wordt toegepast, moet een beleggingsentiteit gebruikmaken van de voorheen aan beleggers of het management gerapporteerde bedragen van de reële waarde indien deze bedragen op de datum van de waardering overeenstemmen met het bedrag waarvoor de belegging zou kunnen worden geruild in een zakelijke, objectieve transactie tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn.

18G

Als waardering van de belegging in de dochteronderneming in overeenstemming met de alinea's 18C tot en met 18F onuitvoerbaar is (zoals omschreven in IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten), dan moet een beleggingsentiteit de vereisten van deze IFRS toepassen aan het begin van de vroegste periode waarop de alinea's 18C tot en met 18F toepasbaar zijn en die mogelijk de lopende periode is. De investeerder moet de jaarperiode die onmiddellijk aan de datum van eerste toepassing voorafgaat, retroactief aanpassen, tenzij het begin van de vroegste periode waarop deze alinea toepasbaar is, de lopende periode is. Indien de datum waarop het voor de beleggingsentiteit uitvoerbaar is de reële waarde van de dochteronderneming te bepalen, vroeger valt dan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode, moet de investeerder een eventueel verschil tussen de volgende bedragen aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode als een aanpassing van het eigen vermogen opnemen:

(a)

de vorige boekwaarde van de belegging; en

(b)

de reële waarde van de investering van de investeerder in de dochteronderneming.

Indien de vroegste periode waarop deze alinea toepasbaar is, de lopende periode is, moet de aanpassing van het eigen vermogen aan het begin van de lopende periode worden opgenomen.

18H

Indien een beleggingsentiteit vóór de datum van eerste toepassing van de in Beleggingsentiteiten vervatte wijzigingen een belegging in een dochteronderneming heeft afgestoten of de zeggenschap daarover heeft verloren, is de beleggingsentiteit niet verplicht aanpassingen aan te brengen in de eerdere administratieve verwerking van de betrokken belegging.

18I

Niettegenstaande de verwijzingen in de alinea's 18C tot en met 18G naar de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing (de "onmiddellijk voorafgaande periode"), mag een entiteit ook aangepaste vergelijkende informatie voor eerder gepresenteerde perioden presenteren, maar zij is daartoe niet verplicht. Indien een entiteit wel aangepaste vergelijkende informatie voor eerdere perioden presenteert, moeten alle verwijzingen in de alinea's 18C tot en met 18G naar de "onmiddellijk voorafgaande periode" worden gelezen als verwijzingen naar de "vroegst aangepaste vergelijkende periode die is gepresenteerd". Als een entiteit niet-aangepaste vergelijkende informatie voor eerdere perioden presenteert, moet zij duidelijk aangeven welke informatie niet is aangepast, vermelden dat deze op basis van een andere grondslag is opgesteld, en deze grondslag toelichten.


(1)  In alinea C7 van IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening is het volgende bepaald: "Als een entiteit wel deze IFRS maar nog niet IFRS 9 toepast, moeten alle verwijzingen naar deze IFRS en IFRS 9 worden gelezen als verwijzingen naar IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering."


21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1175/2013 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2013

tot goedkeuring van de werkzame stof benalaxyl-M overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor vóór 14 juni 2011 een besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor benalaxyl-M is bij Beschikking 2003/35/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Portugal heeft op 22 februari 2002 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van Isagro SpA een aanvraag ontvangen tot opneming van de werkzame stof benalaxyl-M in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2003/35/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht kan worden aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 21 november 2003 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. Dat ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie (4) over de risicobeoordeling van de werkzame stof benalaxyl-M als bestrijdingsmiddel op 28 juli 2007 aan de Commissie voorgelegd.

(4)

In haar conclusie heeft de EFSA niet alle informatie in overweging genomen die door de aanvrager voor die datum is ingediend en door de aangewezen lidstaat-rapporteur is beoordeeld. De Commissie heeft de EFSA verzocht haar conclusie te herzien en alle ingediende informatie in overweging te nemen.

(5)

De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft alle door de aanvrager ingediende informatie beoordeeld en op 16 april 2012 een addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag ingediend.

(6)

Het addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de EFSA onderzocht. De EFSA heeft op 21 maart 2013 een eerste versie van haar conclusie (5) over de risicobeoordeling van de werkzame stof benalaxyl-M als bestrijdingsmiddel aan de Commissie voorgelegd, en vervolgens op 25 maart 2013 een gewijzigde versie. Het geactualiseerde ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 3 oktober 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor benalaxyl-M.

(7)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die benalaxyl-M bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en artikel 5, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet benalaxyl-M worden goedgekeurd.

(8)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(9)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die benalaxyl-M bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van het volledige dossier conform bijlage III, zoals vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing volgens de uniforme beginselen.

(10)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (6) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten dus worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen echter geen nieuwe verplichtingen op.

(11)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (7) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De werkzame stof benalaxyl-M, als gespecificeerd in bijlage I, wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   De lidstaten moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, zo nodig, bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die benalaxyl-M als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 oktober 2014 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat volgens de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat benalaxyl-M bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 april 2014 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als benalaxyl-M de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast benalaxyl-M nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(3)  Beschikking 2003/35/EG van de Commissie van 10 januari 2003 houdende principiële erkenning dat de dossiers die zijn ingediend voor grondig onderzoek met het oog op eventuele opneming van benalaxyl-M, benthiavalicarb, 1-methylcyclopropeen, prothioconazool en fluoxastrobin in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, volledig zijn (PB L 11 van 16.1.2003, blz. 52).

(4)  EFSA Scientific Report (2007) 108, 1-86.

(5)  EFSA Journal 2013; 11(1):3052. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(6)  Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Benalaxyl-M

CAS-nr. 98243-83-5

CIPAC-nr. 766

Methyl N-(fenylacetyl)-N-(2,6-xylyl)-D-alaninaat

≥ 950 g/kg

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over benalaxyl-M (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van werknemers bij terugkeer;

het risico voor het grondwater van de metabolieten BM-M2 (N-(malonyl)-N-(2,6-xylyl)-DL-alanine) en BM-M3 (N-(malonyl)-N-(2,6-xylyl)-D-alanine), wanneer de stof wordt toegepast in gebieden met gevoelige bodem- en/of klimaatomstandigheden.

De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

Aan deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„58

Benalaxyl-M

CAS-nr. 98243-83-5

CIPAC-nr. 766

Methyl N-(fenylacetyl)-N-(2,6-xylyl)-D-alaninaat

≥ 950 g/kg

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over benalaxyl-M (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van werknemers bij terugkeer;

het risico voor het grondwater van de metabolieten BM-M2 (N-(malonyl)-N-(2,6-xylyl)-DL-alanine) en BM-M3 (N-(malonyl)-N-(2,6-xylyl)-D-alanine), wanneer de stof wordt toegepast in gebieden met kwetsbare bodem- en/of klimaatomstandigheden.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/23


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1176/2013 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2013

tot goedkeuring van de werkzame stof pyroxsulam overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeurings voorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor vóór 14 juni 2011 een besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor pyroxsulam is bij Beschikking 2007/277/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2007 voldaan.

(2)

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 28 februari 2006 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van Dow AgroSciences GmbH een aanvraag ontvangen om de werkzame stof pyroxsulam op te nemen in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2007/277/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht kan worden aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 20 maart 2008 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. Overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie (4) is de aanvrager op 5 juli 2012 om aanvullende informatie verzocht. In november 2012 heeft het Verenigd Koninkrijk de evaluatie van de aanvullende informatie ingediend in de vorm van een bijgewerkt ontwerpbeoordelingsverslag.

(4)

Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie over de risicobeoordeling van de werkzame stof pyroxsulam (5) als bestrijdingsmiddel op 3 april 2013 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 3 oktober 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor pyroxsulam.

(5)

Uit de verschillende analysen is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die pyroxsulam bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en artikel 5, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet pyroxsulam worden goedgekeurd.

(6)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis, is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden gevraagd.

(7)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(8)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. Aan de lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die pyroxsulam bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van de bijwerking van het volledige dossier conform bijlage III, zoals vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing volgens de uniforme beginselen.

(9)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (6) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten dus worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen echter geen nieuwe verplichtingen op.

(10)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (7) dienovereen komstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De werkzame stof pyroxsulam, als gespecificeerd in bijlage I, wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   De lidstaten moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, zo nodig, bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die pyroxsulam als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 oktober 2014 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat volgens de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat pyroxsulam bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 april 2014 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als pyroxsulam de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast pyroxsulam nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(3)  Beschikking 2007/277/EG van de Commissie van 20 april 2007 houdende de principiële erkenning dat het dossier dat is ingediend voor grondig onderzoek met het oog op de eventuele opneming van pyroxsulam in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad, volledig is (PB L 116 van 4.5.2007, blz. 59).

(4)  Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn niet op de markt waren (PB L 53 van 26.2.2011, blz. 51).

(5)  EFSA Journal (2013) 11(4):3182. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(6)  Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.)

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Pyroxsulam

CAS-nr.: 422556-08-9

CIPAC-nr.: 793

N-(5,7-dimethoxy[1,2,4]triazolo[1,5-a]pyri-midine-2-yl)-2-methoxy-4-(trifluormethyl)pyridine-3-sulfonamide

≥ 965 g/kg

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over pyroxsulam dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten vooral aandacht schenken aan:

a)

het risico voor het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden;

b)

het risico voor in het water levende organismen.

De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen wat betreft:

1.

de toxicologische relevantie van onzuiverheid nummer 3 (als bedoeld in het evaluatieverslag);

2.

de acute toxiciteit van de metaboliet PSA;

3.

de toxicologische relevantie van de metaboliet 6-Cl-7-OH-XDE-742.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 30 april 2016 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„61

Pyroxsulam

CAS-nr.: 422556-08-9

CIPAC-nr.: 793

N-(5,7-dimethoxy[1,2,4]triazolo[1,5-a]pyrimidine-2-yl)-2-methoxy-4-(trifluormethyl)pyridine-3-sulfonamide

≥ 965 g/kg

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over pyroxsulam dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten vooral aandacht schenken aan:

a)

het risico voor het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden;

b)

het risico voor in het water levende organismen.

De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen wat betreft:

1.

de toxicologische relevantie van onzuiverheid nummer 3 (als bedoeld in het evaluatieverslag);

2.

de acute toxiciteit van de metaboliet PSA;

3.

de toxicologische relevantie van de metaboliet 6-Cl-7-OH-XDE-742.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 30 april 2016 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/28


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1177/2013 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2013

tot goedkeuring van de werkzame stof spirotetramat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor vóór 14 juni 2011 een besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor spirotetramat is bij Beschikking 2007/560/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Oostenrijk heeft op 9 oktober 2006 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van Bayer CropScience AG een aanvraag ontvangen tot opneming van de werkzame stof spirotetramat in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2007/560/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht kan worden aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 5 mei 2008 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend.

(4)

Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie over de risicobeoordeling van de werkzame stof spirotetramat als bestrijdingsmiddel (4) op 27 mei 2013 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 3 oktober 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor spirotetramat.

(5)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die spirotetramat bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en artikel 5, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassing waarvoor zij is onderzocht en die is opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet spirotetramat worden goedgekeurd.

(6)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis, is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden gevraagd.

(7)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(8)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die spirotetramat bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van het volledige dossier conform bijlage III, zoals vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing volgens de uniforme beginselen.

(9)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (5) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten dus worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen echter geen nieuwe verplichtingen op.

(10)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (6) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De in bijlage I gespecificeerde werkzame stof spirotetramat wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   Indien nodig moeten de lidstaten de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die spirotetramat als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 oktober 2014 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat volgens de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat spirotetramat bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 april 2014 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als spirotetramat de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast spirotetramat nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(3)  Beschikking 2007/560/EG van de Commissie van 2 augustus 2007 houdende de principiële erkenning dat de dossiers die zijn ingediend voor grondig onderzoek met het oog op de eventuele opneming van chlorantraniliprole, heptamaloxyglucan, spirotetramat en Helicoverpa armigera kernpolyedervirus in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad, volledig zijn (PB L 213 van 15.8.2007, blz. 29).

(4)  EFSA Journal (2013) 11(6):3243. Online beschikbaar: www.efsa.europa.eu

(5)  Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Spirotetramat

CAS-nr.: 203313-25-1

CIPAC-nr. 795

cis-4-(ethoxycarbonyloxy)-8-methoxy-3-(2,5-xylyl)-1-azaspiro[4.5]dec-3-een-2-on

≥ 970 g/kg

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over spirotetramat (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algehele evaluatie besteden de lidstaten bijzondere aandacht aan het risico voor insectenetende vogels.

De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie betreffende mogelijke hormoonontregelende effecten in vogels en vissen verstrekken aan de Commissie, de lidstaten en de EFSA binnen twee jaar na de goedkeuring van de OESO-richtsnoeren voor hormoonontregelingstests of, bij wijze van alternatief, van op het niveau van de Unie overeengekomen testrichtsnoeren.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„60

Spirotetramat

CAS-nr.: 203313-25-1

CIPAC-nr. 795

cis-4-(ethoxycarbonyloxy)-8-methoxy-3-(2,5-xylyl)-1-azaspiro[4.5]dec-3-een-2-on

≥ 970 g/kg

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over spirotetramat (en met name met de aanhangsels I en II), dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algehele evaluatie besteden de lidstaten bijzondere aandacht aan het risico voor insectenetende vogels.

De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie in betreffende mogelijke hormoonontregelende effecten in vogels en vissen verstrekken aan de Commissie, de lidstaten en de EFSA binnen twee jaar na de goedkeuring van de OESO-richtsnoeren voor hormoonontregelingstests of, bij wijze van alternatief, van op het niveau van de Unie overeengekomen testrichtsnoeren.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/33


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1178/2013 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2013

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof ethoprofos

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 21, lid 3, tweede alternatief, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ethoprofos is bij Richtlijn 2007/52/EG van de Commissie (2) als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3), onder de voorwaarde dat de betrokken lidstaten er zorg voor dragen dat de kennisgever die om opneming van ethoprofos in die bijlage heeft verzocht, verdere bevestigende informatie indient in de vorm van studies naar het risico voor vogels en regenwormen etende zoogdieren.

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De kennisgever heeft binnen de daarvoor gestelde termijn bij de lidstaat-rapporteur, het Verenigd Koninkrijk, aanvullende informatie in de vorm van studies ingediend over het risico voor vogels en regenwormen etende zoogdieren.

(4)

Het Verenigd Koninkrijk heeft de door de kennisgever ingediende aanvullende informatie beoordeeld. Op 5 september 2011 heeft het Verenigd Koninkrijk zijn beoordeling, in de vorm van een addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag, aan de andere lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) overgelegd.

(5)

De Commissie heeft de EFSA geraadpleegd en die heeft haar advies over de risicobeoordeling voor ethoprofos op 30 januari 2013 gepresenteerd (5). Het ontwerpbeoordelingsverslag, het addendum en het advies van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 3 oktober 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor ethoprofos.

(6)

De Commissie heeft de kennisgever verzocht zijn opmerkingen over het evaluatieverslag voor ethoprofos in te dienen.

(7)

De Commissie is tot de conclusie gekomen dat uit de verdere bevestigende informatie blijkt dat een hoog risico voor vogels en regenwormen etende zoogdieren niet kan worden uitgesloten, tenzij verdere beperkingen worden gesteld.

(8)

Er wordt bevestigd dat de werkzame stof ethoprofos geacht moet worden krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 te zijn goedgekeurd. Om de blootstelling van vogels en regenwormen etende zoogdieren tot een minimum te beperken, is het evenwel passend het gebruik van deze werkzame stof verder te beperken en in specifieke risicobeperkende maatregelen te voorzien voor de bescherming van deze soorten.

(9)

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De lidstaten moet voldoende tijd worden gegund om de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die ethoprofos bevatten, in te trekken.

(11)

Als de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een respijtperiode toekennen voor gewasbeschermingsmiddelen die ethoprofos bevatten, moet deze periode uiterlijk achttien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening aflopen.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 moeten de lidstaten indien nodig de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die ethoprofos als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 11 juni 2014 wijzigen of intrekken.

Artikel 3

Respijtperiode

Een door de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 toegekende respijtperiode moet zo kort mogelijk zijn en uiterlijk op 11 juni 2015 aflopen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2007/52/EG van de Commissie van 16 augustus 2007 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde ethoprofos, pirimifos-methyl en fipronil op te nemen als werkzame stoffen (PB L 214 van 17.8.2007, blz. 3).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of confirmatory data submitted for the active substance ethoprophos. EFSA Journal 2013; 11(2):3089. [27 blz.] doi:10.2903/j.efsa.2013.3089. Online beschikbaar: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm


BIJLAGE

De kolom „Specifieke bepalingen” van rij 155, ethoprofos, van deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt vervangen door:

„DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als nematicide en insecticide bij bodembehandeling. Er mag slechts één toepassing per seizoen worden toegestaan, met een dosering van maximaal 6 kg werkzame stof/ha.

Toelatingen moeten worden beperkt tot professionele gebruikers.

DEEL B

Bij het beoordelen van aanvragen om toelating van gewasbeschermingsmiddelen die ethoprofos bevatten voor andere toepassingen dan bij niet voor menselijke of dierlijke consumptie verbouwde aardappelen, moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de criteria in artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en ervoor zorgen dat de vereiste informatie en gegevens worden verstrekt voordat de toelating wordt verleend.

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over ethoprofos dat op 16 maart 2007 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten vooral aandacht schenken aan:

a)

de blootstelling van consumenten via de voeding;

b)

de veiligheid van de toedieners, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat in de gebruiksvoorwaarden de toepassing van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen en ademhalingsbeschermingsmiddelen wordt voorgeschreven, alsmede andere risicobeperkende maatregelen, zoals het gebruik van een gesloten transfersysteem voor de verdeling van het product;

c)

de bescherming van vogels, zoogdieren, in het water levende organismen en oppervlakte- en grondwater in kwetsbare omstandigheden.

De toelatingsvoorwaarden moeten risicobeperkende maatregelen omvatten, zoals bufferzones en de volledige inwerking van de korrels in de bodem.”.


21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/36


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1179/2013 VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 november 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

59,9

MA

40,6

MK

50,7

TR

116,2

ZZ

66,9

0707 00 05

AL

44,6

MK

57,9

TR

91,5

ZZ

64,7

0709 93 10

MA

97,2

TR

134,2

ZZ

115,7

0805 20 10

MA

73,6

TR

76,1

ZA

155,8

ZZ

101,8

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

78,7

TR

75,0

UY

56,3

ZZ

70,0

0805 50 10

TR

72,6

ZZ

72,6

0808 10 80

BA

54,0

BR

93,9

CL

102,3

MK

38,5

NZ

93,9

US

117,9

ZA

204,0

ZZ

100,6

0808 30 90

CN

57,5

TR

116,3

ZZ

86,9


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/38


UITVOERINGSRICHTLIJN 2013/57/EU VAN DE COMMISSIE

van 20 november 2013

tot wijziging van de Richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad, respectievelijk artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad, met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen en groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (1), en met name artikel 7, lid 2, onder a) en b),

Gezien Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (2), en met name artikel 7, lid 2, onder a) en b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Richtlijnen 2003/90/EG (3) en 2003/91/EG (4) van de Commissie zijn vastgesteld om ervoor te zorgen dat de rassen die de lidstaten in hun nationale rassenlijsten opnemen, aan de richtsnoeren van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) voldoen met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van de rassen zich ten minste moet uitstrekken en de minimumeisen voor dat onderzoek, voor zover deze richtsnoeren waren vastgesteld. Voor andere rassen bepalen die richtlijnen dat de richtsnoeren van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV) van toepassing zijn.

(2)

Het CBP en de UPOV hebben sindsdien verdere richtsnoeren vastgesteld en bestaande richtsnoeren bijgewerkt.

(3)

De Richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2003/90/EG worden vervangen door de tekst in deel A van de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De bijlagen bij Richtlijn 2003/91/EG worden vervangen door de tekst in deel B van de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 3

Voor onderzoeken die vóór 1 juli 2014 zijn begonnen, mogen de lidstaten de Richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG toepassen in de versie die vóór de wijziging bij deze richtlijn gold.

Artikel 4

De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2014.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1.

(2)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33.

(3)  Richtlijn 2003/90/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PB L 254 van 8.10.2003, blz. 7).

(4)  Richtlijn 2003/91/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PB L 254 van 8.10.2003, blz. 11).


BIJLAGE

DEEL A

BIJLAGE I

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de CBP-testprotocollen

Wetenschappelijke naam

Gangbare naam

CBP-protocol

Festuca filiformis Pourr.

Fijnbladig schapengras

TP 67/1 van 23.6.2011

Festuca ovina L.

Schapengras

TP 67/1 van 23.6.2011

Festuca rubra L.

Roodzwenkgras

TP 67/1 van 23.6.2011

Festuca trachyphylla (Hack.) Krajina

Hardzwenkgras

TP 67/1 van 23.6.2011

Lolium multiflorum Lam.

Italiaans raaigras

TP 4/1 van 23.6.2011

Lolium perenne L.

Engels raaigras

TP 4/1 van 23.6.2011

Lolium x boucheanum Kunth

Gekruist raaigras

TP 4/1 van 23.6.2011

Pisum sativum L.

Voedererwt

TP 7/2 van 11.3.2010

Brassica napus L.

Koolzaad

TP 36/2 van 16.11.2011

Cannabis sativa L.

Hennep

TP 276/1 van 28.11.2012

Helianthus annuus L.

Zonnebloem

TP 81/1 van 31.10.2002

Linum usitatissimum L.

Vlas/lijnzaad

TP 57/1 van 21.3.2007

Avena nuda L.

Naakte haver

TP 20/1 van 6.11.2003

Avena sativa L. (inclusief A. byzantina K. Koch)

Haver

TP 20/1 van 6.11.2003

Hordeum vulgare L.

Gerst

TP 19/3 van 21.3.2012

Oryza sativa L.

Rijst

TP 16/2 van 21.3.2012

Secale cereale L.

Rogge

TP 58/1 van 31.10.2002

xTriticosecale Wittm. ex A. Camus

Hybriden die het gevolg zijn van de kruising van een soort van het geslacht Triticum met een soort van het geslacht Secale

TP 121/2 rev. 1 van 16.2.2011

Triticum aestivum L.

Tarwe

TP 3/4 rev. 2 van 16.2.2011

Triticum durum Desf.

Harde tarwe

TP 120/2 van 6.11.2003

Zea mays L.

Maïs

TP 2/3 van 11.3.2010

Solanum tuberosum L.

Aardappel

TP 23/2 van 1.12.2005

De tekst van deze protocollen is te vinden op de website van het CBP (www.cpvo.europa.eu).

BIJLAGE II

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de UPOV-testrichtsnoeren

Wetenschappelijke naam

Gangbare naam

UPOV-richtsnoer

Beta vulgaris L.

Voederbiet

TG/150/3 van 4.11.1994

Agrostis canina L.

Moerasstruisgras/kruipend struisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Agrostis gigantea Roth.

Hoog struisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Agrostis stolonifera L.

Fioringras/wit struisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Agrostis capillaris L.

Gewoon struisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Bromus catharticus Vahl

Paardengras

TG/180/3 van 4.4.2001

Bromus sitchensis Trin.

Alaskadravik

TG/180/3 van 4.4.2001

Dactylis glomerata L.

Kropaar

TG/31/8 van 17.4.2002

Festuca arundinacea Schreber

Rietzwenkgras

TG/39/8 van 17.4.2002

Festuca pratensis Huds.

Beemdlangbloem

TG/39/8 van 17.4.2002

xFestulolium Asch. et Graebn.

Hybriden die het gevolg zijn van de kruising van een soort van het geslacht Festuca met een soort van het geslacht Lolium

TG/243/1 van 9.4.2008

Phleum nodosum L.

Klein timotheegras

TG/34/6 van 7.11.1984

Phleum pratense L.

Timotheegras

TG/34/6 van 7.11.1984

Poa pratensis L.

Veldbeemdgras

TG/33/6 van 12.10.1990

Lotus corniculatus L.

Rolklaver

TG 193/1 van 9.4.2008

Lupinus albus L.

Witte lupine

TG/66/4 van 31.3.2004

Lupinus angustifolius L.

Blauwe lupine

TG/66/4 van 31.3.2004

Lupinus luteus L.

Gele lupine

TG/66/4 van 31.3.2004

Medicago sativa L.

Luzerne

TG/6/5 van 6.4.2005

Medicago x varia T. Martyn

Bonte luzerne

TG/6/5 van 6.4.2005

Trifolium pratense L.

Rode klaver

TG/5/7 van 4.4.2001

Trifolium repens L.

Witte klaver

TG/38/7 van 9.4.2003

Vicia faba L.

Paardenboon/veldboon

TG/8/6 van 17.4.2002

Vicia sativa L.

Voederwikke

TG/32/7 van 20.3.2013

Brassica napus L. var. napobrassica (L.) Rchb.

Koolraap

TG/89/6rev. van 4.4.2001 + 1.4.2009

Raphanus sativus L. var. oleiformis Pers.

Bladrammenas

TG/178/3 van 4.4.2001

Arachis hypogea L.

Grondnoot/pinda

TG/93/3 van 13.11.1985

Brassica rapa L. var. silvestris (Lam.) Briggs

Raapzaad

TG/185/3 van 17.4.2002

 

 

 

Carthamus tinctorius L.

Saffloer

TG/134/3 van 12.10.1990

Gossypium spp.

Katoen

TG/88/6 van 4.4.2001

Papaver somniferum L.

Blauwmaanzaad

TG/166/3 van 24.3.1999

Sinapis alba L.

Witte mosterd

TG/179/3 van 4.4.2001

Glycine max (L.) Merrill

Sojaboon

TG/80/6 van 1.4.1998

Sorghum bicolor (L.) Moench

Kafferkoren

TG/122/3 van 6.10.1989

De tekst van deze richtsnoeren is te vinden op de website van de UPOV (www.upov.int).

DEEL B

BIJLAGE I

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de CBP-testprotocollen

Wetenschappelijke naam

Gangbare naam

CBP-protocol

Allium cepa L. (Cepa-groep)

Ui en echalion

TP 46/2 van 1.4.2009

Allium cepa L. (Aggregatum-groep)

Sjalot

TP 46/2 van 1.4.2009

Allium fistulosum L.

Stengelui

TP 161/1 van 11.3.2010

Allium porrum L.

Prei

TP 85/2 van 1.4.2009

Allium sativum L.

Knoflook

TP 162/1 van 25.3.2004

Allium schoenoprasum L.

Bieslook

TP 198/1 van 1.4.2009

Apium graveolens L.

Selderij

TP 82/1 van 13.3.2008

Apium graveolens L.

Knolselderij

TP 74/1 van 13.3.2008

Asparagus officinalis L.

Asperge

TP 130/2 van 16.2.2011

Beta vulgaris L.

Rode biet, inclusief Cheltenham beet

TP 60/1 van 1.4.2009

Brassica oleracea L.

Boerenkool

TP 90/1 van 16.2.2011

Brassica oleracea L.

Bloemkool

TP 45/2 van 11.3.2010

Brassica oleracea L.

Broccoli

TP 151/2 van 21.3.2007

Brassica oleracea L.

Spruitkool

TP 54/2 van 1.12.2005

Brassica oleracea L.

Koolrabi

TP 65/1 van 25.3.2004

Brassica oleracea L.

Savooiekool, wittekool en rodekool

TP 48/3 van 16.2.2011

Brassica rapa L.

Paksoi

TP 105/1 van 13.3.2008

Capsicum annuum L.

Paprika of Spaanse peper

TP 76/2 van 21.3.2007

Cichorium endivia L.

Krulandijvie en andijvie

TP 118/2 van 1.12.2005

Cichorium intybus L.

Cichorei voor de industrie

TP 172/2 van 1.12.2005

Cichorium intybus L.

Witlof

TP 173/1 van 25.3.2004

Citrullus lanatus (Thumb.) Matsum. et Nakai

Watermeloen

TP 142/1 van 21.3.2007

Cucumis melo L.

Meloen

TP 104/2 van 21.3.2007

Cucumis sativus L.

Komkommer en augurk

TP 61/2 van 13.3.2008

Cucurbita pepo L.

Courgette

TP 119/1 van 25.3.2004

Cynara cardunculus L.

Artisjok en kardoen

TP 184/2 van 27.2.2013

Daucus carota L.

Wortel en voederwortel

TP 49/3 van 13.3.2008

Foeniculum vulgare Mill.

Knolvenkel

TP 183/1 van 25.3.2004

Lactuca sativa L.

Sla

TP 13/5 van 16.2.2011

Solanum Lycopersicum L.

Tomaat

TP 44/4 rev. van 27.2.2013

Petroselinum crispum (Mill.) Nyman ex A. W. Hill

Peterselie

TP 136/1 van 21.3.2007

Phaseolus coccineus L.

Pronkboon

TP 9/1 van 21.3.2007

Phaseolus vulgaris L.

Stamboon en stokboon

TP 12/4 van 27.2.2013

Pisum sativum L. (partim)

Kreukzadige doperwt, rondzadige doperwt en peul

TP 7/2 van 11.3.2010

Raphanus sativus L.

Radijs, rammenas

TP 64/2 van 27.2.2013

Solanum melongena L.

Aubergine

TP 117/1 van 13.3.2008

Spinacia oleracea L.

Spinazie

TP 55/5 van 27.2.2013

Valerianella locusta (L.) Laterr.

Veldsla

TP 75/2 van 21.3.2007

Vicia faba L. (partim)

Tuinboon

TP Broadbean/1 van 25.3.2004

Zea mays L. (partim)

Suikermais en pofmais

TP 2/3 van 11.3.2010

De tekst van deze protocollen is te vinden op de website van het CBP (www.cpvo.europa.eu).

BIJLAGE II

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de UPOV-testrichtsnoeren

Wetenschappelijke naam

Gangbare naam

UPOV-richtsnoer

Beta vulgaris L.

Snijbiet

TG/106/4 van 31.3.2004

Brassica rapa L.

Meiraap/stoppelknol

TG/37/10 van 4.4.2001

Cichorium intybus L.

Bladcichorei

TG/154/3 van 18.10.1996

Cucurbita maxima Duchesne

Pompoen

TG/155/4rev. van 28.3.2007 + 1.4.2009

Rheum rhabarbarum L.

Rabarber

TG/62/6 van 24.3.1999

Scorzonera hispanica L.

Schorseneer

TG/116/4 van 24.3.2010

Solanum lycopersicum L. x Solanum habrochaites S. Knapp & D.M. Spooner; Solanum lycopersicum L. x Solanum peruvianum (L.) Mill.; Solanum lycopersicum L. x Solanum cheesmaniae (L. Ridley) Fosberg

Tomaatwortelstokken

TG/294/1 van 20.3.2013

De tekst van deze richtsnoeren is te vinden op de website van de UPOV (www.upov.int).


BESLUITEN

21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/46


BESLUIT VAN DE RAAD

van 15 november 2013

houdende benoeming van een Deens lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2013/669/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 302,

Gezien de voordracht van de Deense regering,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 13 september 2010 heeft de Raad Besluit 2010/570/EU, Euratom tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015 vastgesteld (1).

(2)

Een zetel van lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité is vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Peder Munch HANSEN,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De heer Bernt FALLENKAMP wordt benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de resterende duur van de ambtstermijn, te weten tot en met 20 september 2015.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 15 november 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

R. ŠADŽIUS


(1)  PB L 251 van 25.9.2010, blz. 8.


21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/47


BESLUIT VAN DE RAAD

van 15 november 2013

houdende benoeming van een Duits lid en een Duitse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

(2013/670/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Duitse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 respectievelijk 18 januari 2010 heeft de Raad Besluit 2009/1014/EU (1) en Besluit 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio’s is een zetel van lid vrijgekomen door de beëindiging van het mandaat van mevrouw Martina KROGMANN.

(3)

In het Comité is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen door de beëindiging van het mandaat van de heer Wilhelm HOGREFE,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s worden de volgende personen benoemd voor de verdere duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015:

a)

als lid:

mevrouw Birgit HONÉ, Staatssekretärin

en

b)

als plaatsvervanger:

de heer Sven AMBROSY, Landrat des Kreises Friesland.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 15 november 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

R. ŠADŽIUS


(1)  PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)  PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.


Rectificaties

21.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 312/48


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 1/2009 van de Raad van 18 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/96 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde industrie-, landbouw- en visserijproducten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 1 van 5 januari 2009 )

Bladzijde 46:

in plaats van:

„…

*ex 8504 31 80

30

Schakeltransformatoren met een vermogen van niet meer dan 1 kVA voor gebruik bij de vervaardiging van statische convertors (1)

0 %

1.1.2009-31.12.2013

*ex 8504 40 84

20

Omzetter die de achtergrondverlichting aanstuurt en een bepaalde spanning genereert, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van lcd-modules (1)

0 %

1.1.2009-31.12.2013

*ex 8504 40 90

20

Gelijkstroomomvormers

0 %

1.1.2009-31.12.2013

…”,

te lezen:

„…

*ex 8504 31 80

30

Schakeltransformatoren met een vermogen van niet meer dan 1 kVA voor gebruik bij de vervaardiging van statische convertors (1)

0 %

1.1.2009-31.12.2013

*ex 8504 40 90

20

Gelijkstroomomvormers

0 %

1.1.2009-31.12.2013

…”.