|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2013.281.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 281 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
56e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
23.10.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 281/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1014/2013 VAN DE COMMISSIE
van 22 oktober 2013
tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2380/2001, (EG) nr. 1289/2004, (EG) nr. 1455/2004, (EG) nr. 1800/2004, (EG) nr. 600/2005 en (EU) nr. 874/2010 en van de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 388/2011, (EU) nr. 532/2011 en (EU) nr. 900/2011 wat betreft de naam van de houder van de vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen voor diervoeding
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 13, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Pfizer Ltd heeft een aanvraag overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingediend tot wijziging van de naam van de houder van de vergunningen wat betreft de Verordeningen (EG) nr. 2380/2001 (2), (EG) nr. 1289/2004 (3), (EG) nr. 1455/2004 (4), (EG) nr. 1800/2004 (5), (EG) nr. 600/2005 (6) en (EU) nr. 874/2010 (7) van de Commissie en de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 388/2011 (8), (EU) nr. 532/2011 (9) en (EU) nr. 900/2011 (10) van de Commissie. |
|
(2) |
De aanvrager voert aan dat door de beslissing van Pfizer Ltd om zijn afdeling diergezondheid om te vormen tot een op zichzelf staande onderneming onder de naam Zoetis Belgium SA en alle vergunningen voor het in de handel brengen van coccidiostatica van Pfizer Ltd over te dragen naar Zoetis Belgium SA, deze laatste de rechten bezit voor het in de handel brengen van de toevoegingsmiddelen decoquinaat, lasalocide A natrium, maduramicineammonium alfa, robenidinehydrochloride en salinomycine. |
|
(3) |
De voorgestelde wijziging van de voorwaarden van de vergunningen is louter administratief en maakt geen nieuwe beoordeling van de desbetreffende toevoegingsmiddelen noodzakelijk. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid is in kennis gesteld van de aanvraag. |
|
(4) |
Om de aanvrager in staat te stellen om gebruik te maken van zijn rechten voor het in de handel brengen van de toevoegingsmiddelen onder de naam Zoetis Belgium SA, moeten de voorwaarden van de respectieve vergunningen worden gewijzigd. |
|
(5) |
De Verordeningen (EG) nr. 2380/2001, (EG) nr. 1289/2004, (EG) nr. 1455/2004, (EG) nr. 1800/2004, (EG) nr. 600/2005, (EU) nr. 874/2010 en de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 388/2011, (EU) nr. 532/2011 en (EU) nr. 900/2011 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Aangezien de voorwaarden van de vergunningen niet om veiligheidsredenen worden gewijzigd, moet worden voorzien in een overgangsperiode tijdens welke bestaande voorraden kunnen worden opgebruikt. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Verordening (EG) nr. 2380/2001
In de tweede kolom van de bijlage worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”.
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1289/2004
In de tweede kolom van de bijlage worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”.
Artikel 3
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1455/2004
In de tweede kolom van de bijlage worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”.
Artikel 4
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1800/2004
In de tweede kolom van de bijlage worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”.
Artikel 5
Wijziging van Verordening (EG) nr. 600/2005
In de tweede kolom van bijlage I worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”.
Artikel 6
Wijziging van Verordening (EU) nr. 874/2010
Verordening (EU) nr. 874/2010 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
In de titel worden de woorden „Alpharma (België) BVBA” vervangen door „Zoetis Belgium SA”; |
|
b) |
in de tweede kolom van de bijlage worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”. |
Artikel 7
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 388/2011
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 388/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
In de titel worden de woorden „Alpharma (Belgium) BVBA” vervangen door „Zoetis Belgium SA”; |
|
b) |
in de tweede kolom van de bijlage worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”. |
Artikel 8
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 532/2011
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 532/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
In de titel worden de woorden „Alpharma Belgium BVBA” vervangen door „Zoetis Belgium SA”; |
|
b) |
in de tweede kolom van bijlage I worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”. |
Artikel 9
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 900/2011
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 900/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
a) |
In de titel worden de woorden „Alpharma (Belgium) BVBA” vervangen door „Zoetis Belgium SA”; |
|
b) |
in de tweede kolom van de bijlage worden de woorden „Pfizer Ltd” vervangen door „Zoetis Belgium SA”. |
Artikel 10
Overgangsmaatregelen
De bestaande voorraden die voor 12 november 2013 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die van toepassing waren voor 12 november 2013, mogen verder in de handel worden gebracht en worden opgebruikt.
Artikel 11
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 oktober 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) Verordening (EG) nr. 2380/2001 van de Commissie van 5 december 2001 tot verlening van een vergunning voor tien jaar voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 321 van 6.12.2001, blz. 18).
(3) Verordening (EG) nr. 1289/2004 van de Commissie van 14 juli 2004 tot verlening van een vergunning voor tien jaar voor het toevoegingsmiddel Deccox® van de groep „Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen” in diervoeders (PB L 243 van 15.7.2004, blz. 15).
(4) Verordening (EG) nr. 1455/2004 van de Commissie van 16 augustus 2004 tot verlening van een vergunning voor tien jaar voor het toevoegingsmiddel Avatec 15 % van de groep „Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen” in diervoeders (PB L 269 van 17.8.2004, blz. 14).
(5) Verordening (EG) nr. 1800/2004 van de Commissie van 15 oktober 2004 tot verlening van een vergunning voor tien jaar voor het toevoegingsmiddel Cycostat 66G van de groep „Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen” in diervoeders (PB L 317 van 16.10.2004, blz. 37).
(6) Verordening (EG) nr. 600/2005 van de Commissie van 18 april 2005 tot verlening van een nieuwe vergunning voor tien jaar voor een coccidiostaticum als toevoegingsmiddel in diervoeding, een voorlopige vergunning voor een toevoegingsmiddel en een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 99 van 19.4.2005, blz. 5).
(7) Verordening (EU) nr. 874/2010 van de Commissie van 5 oktober 2010 tot verlening van een vergunning voor lasalocide A natrium als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor kalkoenen tot 16 weken oud (vergunninghouder Alpharma (België) BVBA) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2430/1999 (PB L 263 van 6.10.2010, blz. 1).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 388/2011 van de Commissie van 19 april 2011 tot verlening van een vergunning voor maduramicineammonium alfa als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen (vergunninghouder Alpharma (Belgium) BVBA) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2430/1999 (PB L 104 van 20.4.2011, blz. 3).
(9) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 532/2011 van de Commissie van 31 mei 2011 tot verlening van een vergunning voor robenidinehydrochloride als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor fokkonijnen en mestkonijnen (vergunninghouder Alpharma Belgium BVBA) en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2430/1999 en (EG) nr. 1800/2004 (PB L 146 van 1.6.2011, blz. 7).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 900/2011 van de Commissie van 7 september 2011 tot verlening van een vergunning voor lasalocide A natrium als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor fazanten, parelhoenders, kwartels en patrijzen, met uitzondering van legvogels (vergunninghouder Alpharma (Belgium) BVBA) (PB L 231 van 8.9.2011, blz. 15).
|
23.10.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 281/4 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1015/2013 VAN DE COMMISSIE
van 22 oktober 2013
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 oktober 2013.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
40,0 |
|
MK |
45,6 |
|
|
ZZ |
42,8 |
|
|
0707 00 05 |
MK |
62,5 |
|
TR |
119,2 |
|
|
ZZ |
90,9 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
147,7 |
|
ZZ |
147,7 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
100,6 |
|
CL |
90,0 |
|
|
IL |
100,2 |
|
|
TR |
84,1 |
|
|
ZA |
102,7 |
|
|
ZZ |
95,5 |
|
|
0806 10 10 |
BR |
230,6 |
|
TR |
163,0 |
|
|
ZZ |
196,8 |
|
|
0808 10 80 |
CL |
94,7 |
|
NZ |
104,2 |
|
|
US |
156,2 |
|
|
ZA |
105,3 |
|
|
ZZ |
115,1 |
|
|
0808 30 90 |
TR |
120,5 |
|
ZZ |
120,5 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
23.10.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 281/6 |
BESLUIT 2013/517/GBVB VAN DE RAAD
van 21 oktober 2013
betreffende steun voor activiteiten van het Internationaal Atoomenergie Agentschap op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 26, lid 2, en artikel 31, lid 1,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens („de strategie”) aangenomen, met in hoofdstuk III een lijst van maatregelen die zowel in de Europese Unie als in derde landen met dat doel moeten worden getroffen. |
|
(2) |
De Unie geeft momenteel actief uitvoering aan de strategie en aan de in hoofdstuk III ervan genoemde maatregelen, met name door de financiële ondersteuning van specifieke projecten die uitgevoerd worden door multilaterale instellingen zoals het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA). |
|
(3) |
De Raad heeft op 17 november 2003 het Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB aangenomen betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor (1). Dat gemeenschappelijk standpunt roept er onder meer toe op te streven naar het sluiten van alomvattende IAEA-waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen, en voorziet erin dat de Unie ernaar zal streven dat de IAEA-waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen de norm worden voor het IAEA-verificatiesysteem. |
|
(4) |
De Raad heeft op 17 mei 2004 Gemeenschappelijk Optreden 2004/495/GBVB aangenomen ter ondersteuning van de activiteiten van de IAEA in het kader van haar plan voor nucleaire beveiliging en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (2). |
|
(5) |
De Raad heeft op 18 juli 2005 Gemeenschappelijk Optreden 2005/574/GBVB ter ondersteuning van de activiteiten van de IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen (3). |
|
(6) |
De Raad heeft op 12 juni 2006 Gemeenschappelijk Optreden 2006/418/GBVB ter ondersteuning van de activiteiten van de IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen (4). |
|
(7) |
De Raad heeft op 14 april 2008 Gemeenschappelijk Optreden 2008/314/GBVB ter ondersteuning van de activiteiten van de IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen (5). |
|
(8) |
De Raad heeft op 27 september 2010 Besluit 2010/585/GBVB van de Raad ter ondersteuning van de activiteiten van de IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie en ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens aangenomen (6). |
|
(9) |
Het aanscherpen van de controle op hoogactieve radioactieve bronnen overeenkomstig de verklaring en het actieplan van de G-8 betreffende de beveiliging van radioactieve bronnen, aangenomen tijdens de top van Evian van 2003, blijft voor de Unie dus een belangrijke doelstelling, die zal worden nagestreefd door het benaderen van derde landen. |
|
(10) |
Op 8 juli 2005 zijn de staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (CPPNM — Convention on the Physical Protection of Nuclear Material) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie bij consensus overeengekomen het CPPNM te wijzigen teneinde de werkingssfeer ervan te verruimen tot kernmateriaal en nucleaire inrichtingen tijdens het gebruik, de opslag en het vervoer voor vreedzame doeleinden op het nationale grondgebied, en de staten die partij zijn bij het verdrag ertoe te verplichten strafrechtelijke sancties op schendingen in te stellen. |
|
(11) |
Op 7 juli 2007 trad het Internationaal Verdrag ter bestrijding van nucleair terrorisme in werking. Het verplicht de staten die er partij bij zijn wetgeving aan te nemen die de in het verdrag omschreven inbreuken strafbaar stelt. |
|
(12) |
De in de overwegingen 3 tot en met 11 van dit besluit genoemde doelstellingen zijn dezelfde als die welke de IAEA nastreeft. Dat gebeurt via de uitvoering van zijn plan voor nucleaire beveiliging, dat volledig gefinancierd wordt uit vrijwillige bijdragen aan het fonds voor nucleaire beveiliging van de IAEA. |
|
(13) |
De Unie neemt deel aan het proces van de top nucleaire beveiliging („het NSS-proces”) en streeft ernaar haar inspanningen inzake het versterken van nucleaire beveiliging te verhogen, en derde landen in dit opzicht bij te staan. De Unie is ingenomen met recente initiatieven om het programma nucleaire beveiliging van de IAEA te versterken, alsook met de door de organisatie ingerichte Internationale Conferentie over nucleaire beveiliging, van 1 tot en met 5 juli 2013. De Unie streeft ernaar de duurzaamheid en doeltreffendheid van de uitvoering van eerdere gemeenschappelijke optredens en besluiten van de Raad ter ondersteuning van het plan voor nucleaire beveiliging van de IAEA te handhaven, en heeft haar verdere steun toegezegd met het oog op de vaststelling van het plan voor nucleaire beveiliging 2014-2017 van de IAEA. Er zal nauw worden samengewerkt met het EU-initiatief chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN-)excellentiecentra, alsook met andere initiatieven en programma’s, teneinde doublures te vermijden en de kostenefficiëntie en permanente risicoreductie te maximaliseren. |
|
(14) |
De technische uitvoering van dit besluit dient te worden toevertrouwd aan de IAEA, die op grond van haar beproefde en alom erkende expertise op het gebied van nucleaire beveiliging, de relevante capaciteiten in de doellanden beduidend zou kunnen versterken. De door de Unie gesteunde projecten kunnen enkel worden gefinancierd via vrijwillige bijdragen aan het Fonds voor nucleaire beveiliging van de IAEA. Deze bijdragen van de Unie zullen de IAEA in staat stellen een sleutelrol te spelen op het gebied van nucleaire beveiliging, door landen te ondersteunen bij hun inspanningen om hun verantwoordelijkheden inzake nucleaire beveiliging na te komen, zoals ook wordt erkend in het kader van het NSS-proces, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Om onverwijld praktische uitvoering te geven aan sommige onderdelen van de EU-strategie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens steunt de Unie de activiteiten van de IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie, ter bevordering van de volgende doelstellingen:
|
a) |
vooruitgang boeken wat betreft de wereldwijde toepassing van internationale instrumenten voor non-proliferatie en nucleaire beveiliging, inclusief IAEA-waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen; |
|
b) |
beter beschermen van proliferatiegevoelige goederen en apparatuur en van de desbetreffende technologie, bijstand verlenen met betrekking tot wet- en regelgeving op het gebied van nucleaire beveiliging en waarborgen; |
|
c) |
verbeteren van de opsporing en bestrijding van illegale handel in kernmateriaal en andere radioactieve stoffen. |
2. De projecten van de IAEA, die overeenstemmen met maatregelen van de strategie, hebben als doel:
|
— |
het verzekeren van de duurzaamheid en doeltreffendheid van de via eerdere gemeenschappelijke optredens en besluiten van de Raad verstrekte steun, |
|
— |
het versterken van de ondersteunende infrastructuren voor nucleaire beveiliging in staten, |
|
— |
het aanscherpen van het wet- en regelgevingsinstrumentarium van de staten, |
|
— |
het aanscherpen van de maatregelen in verband met de nucleaire beveiliging van kernmateriaal en andere radioactieve stoffen, |
|
— |
het versterken van de institutionele infrastructuren van staten en van hun vermogen om de problematiek van kernmateriaal en radioactieve stoffen die aan controles op naleving van de regelgeving ontsnappen, aan te pakken, |
|
— |
het verhogen van de bewustwording inzake cybermisdaad en van het reactievermogen en de veerkracht van staten tegen cybermisdaad, en het beperken van de gevolgen daarvan voor de nationale en nucleaire beveiliging, |
|
— |
het ontwikkelen van aanvullende laboratoriumcapaciteit ter ondersteuning van de evaluatie van technologieën voor industriële besturing en technologieën op elektronischsysteemniveau, die gebruikt worden om voor cybermisdaad op nucleair gebied gevoelige punten te ontdekken, en het stimuleren en vergroten van de bewustwording betreffende dergelijke kwesties, onder andere door deelname aan regionale uitwisselingen en door het gebruik van compenserende of remediërende maatregelen. |
Bij het selecteren van begunstigde staten en projecten gaat de Raad uit van een alomvattende behoefteraming door de IAEA, en van verschillende andere overwegingen, teneinde het optreden optimaal effect te doen sorteren.
In de bijlage worden bovenbedoelde projecten nader omschreven.
Artikel 2
1. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de „HV”) is belast met de uitvoering van dit besluit.
2. De in artikel 1, lid 2, genoemde projecten worden uitgevoerd door de IAEA als uitvoeringsorgaan. Zij voert deze taak uit onder verantwoordelijkheid van de HV. Daartoe treft de HV de nodige regelingen met de IAEA.
Artikel 3
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten bedraagt 8 050 000 EUR.
2. Voor het beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven gelden de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.
3. De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Hiertoe sluit zij een financieringsovereenkomst met de IAEA. In de financieringsovereenkomst wordt bepaald dat de IAEA er zorg voor moet dragen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.
4. De Commissie streeft ernaar om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden dienaangaande en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst.
Artikel 4
1. De HV brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van geregelde verslagen van de IAEA. Deze verslagen vormen de basis voor de evaluatie door de Raad.
2. De Commissie brengt verslag uit over de financiële aspecten van de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Het vervalt 36 maanden na de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst tussen de Commissie en de IAEA of twaalf maanden na de datum van vaststelling indien voor die datum geen financieringsovereenkomst is gesloten.
Gedaan te Luxemburg, 21 oktober 2013.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
(1) PB L 302 van 20.11.2003, blz. 34.
(2) PB L 182 van 19.5.2004, blz. 46.
(3) PB L 193 van 23.7.2005, blz. 44.
(4) PB L 165 van 17.6.2006, blz. 20.
(5) PB L 107 van 17.4.2008, blz. 62, gerectificeerd in PB L 212 van 7.8.2008, blz. 6.
BIJLAGE
Steun van de Europese Unie voor activiteiten van de IAEA op het gebied van nucleaire beveiliging en verificatie ter uitvoering van maatregelen van de strategie van de Europese Unie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens
Steuncriteria en selectie van begunstigde staten
Voor steun krachtens dit besluit komen in aanmerking alle lidstaten van de IAEA, en andere landen die behoefte hebben aan steun op het gebied van nucleaire beveiliging, onder voorbehoud van een verdere beslissing, op voorstel van de IAEA, tot prioritaire actie van de Unie.
De begunstigde staten en de daar uit te voeren projecten zullen door de bevoegde instanties van de Raad van de Unie worden geselecteerd op basis van een alomvattende behoefteraming door de IAEA, en van andere ter zake doende overwegingen (fase van evaluatie en uitwerking van besluiten), teneinde het optreden optimaal effect te doen sorteren. Er zal nauw worden samengewerkt met het EU-initiatief CBRN-excellentiecentra, alsmede met andere initiatieven en programma’s, teneinde doublures te vermijden en de kostenefficiëntie en permanente risicobeperking te maximaliseren. Het gebruik van middelen voor specifieke activiteiten strookt met de prioriteiten van de Unie en is aan regelmatig voorafgaand overleg onderworpen.
Projecten worden uitgevoerd in de ontvangende staten en kunnen activiteiten omvatten in de volgende zeven gebieden:
|
1. |
de duurzaamheid en doeltreffendheid van de door eerdere gemeenschappelijke optredens en besluiten van de Raad verstrekte steun; |
|
2. |
het versterken van de ondersteunende infrastructuren voor nucleaire beveiliging in staten; |
|
3. |
het aanscherpen van het wet- en regelgevingsinstrumentarium van de staten; |
|
4. |
het aanscherpen van de maatregelen in verband met de nucleaire beveiliging van kernmateriaal en andere radioactieve stoffen; |
|
5. |
het versterken van de institutionele infrastructuren van staten en van hun vermogen om de problematiek van kernmateriaal en radioactieve stoffen die aan controles op naleving van de regelgeving ontsnappen, aan te pakken; |
|
6. |
het verhogen van de bewustwording inzake cybermisdaad en van het reactievermogen en de veerkracht van staten tegen cybermisdaad die gevolgen heeft voor de nucleaire beveiliging; |
|
7. |
laboratoriumcapaciteit voor het aanpakken van cybermisdaad op nucleair gebied. |
I. FASE VAN EVALUATIE EN UITWERKING VAN BESLUITEN
Doelstelling
|
— |
Een door het IAEA uitgevoerde raming van de behoeften van ontvangende staten inzake het verhogen van hun nationale nucleaire veiligheid, gebruik makend van de onder Besluit 2010/585/GBVB ontwikkelde methodologie en criteria. Die evaluatie bestrijkt de toepasselijke criteria van elk van de zeven bovenvermelde gebieden. |
|
— |
Het gebruik van de resultaten van de alomvattende evaluatie voor de selectie van de staten waar projecten zullen worden uitgevoerd. |
Resultaten
|
— |
Overzicht van de evaluatieresultaten op het gebied van steun voor nucleaire beveiliging in de ontvangende staten, op het niveau van zowel de staat als de individuele installaties, locaties, transporten en andere toepassingen waarbij kernmateriaal en radioactieve stoffen worden gebruikt of opgeslagen, met inbegrip van infrastructuur ter behandeling van stoffen die aan controle op naleving van de regelgeving ontsnappen. |
|
— |
Voor elk van de zeven bovenvermelde gebieden worden ontvangende staten en projecten vastgelegd, en wordt een lijst verstrekt van de voorgestelde ontvangende staten en reserve-ontvangende staten (tweede prioriteit) die uit hoofde van dit besluit steun ontvangen. |
De IAEA voert een deel van dit werk uit op basis van co-financiering, waarbij zij ongeveer 1 % van de totale subsidiabele kosten van een project bijdraagt. Dit werk wordt op basis van de expertise van de IAEA ter zake uitgevoerd.
II. FASE VAN UITVOERING VAN PRIORITAIRE PROJECTEN
Gebied 1: Duurzaamheid en doeltreffendheid van de door eerdere gemeenschappelijke optredens en besluiten van de Raad verstrekte steun
Strategische doelstelling
Handhaven van de duurzaamheid en doeltreffendheid van de uitvoering van eerdere gemeenschappelijke optredens en besluiten van de Raad, op basis van de plannen voor nucleaire beveiliging van de IAEA die ontworpen zijn om:
|
— |
bij te dragen aan de actie die wereldwijd wordt ondernomen om bij het gebruik, de opslag en/of het vervoer van kernmateriaal en radioactieve stoffen, alsmede in daarmee verband houdende installaties een wereldwijde, doeltreffende beveiliging te garanderen; hiertoe worden staten die hierom verzoeken, geholpen in hun streven om een doeltreffend niveau van nucleaire beveiliging tot stand te brengen en te handhaven door middel van steun aan capaciteitsopbouw, begeleiding, ontwikkeling van menselijke hulpbronnen, duurzaamheid en risicoreductie, |
|
— |
ondersteuning te bieden wat betreft de toetreding tot en de uitvoering van internationale rechtsinstrumenten betreffende nucleaire beveiliging, en de internationale samenwerking en coördinatie van de steun die wordt verleend in het kader van bilaterale programma’s en andere internationale initiatieven te verbeteren, volgens een formule waarmee tevens het veilige en vreedzame gebruik van kernenergie en van toepassingen met radioactieve stoffen wordt vergemakkelijkt, |
|
— |
begunstigde staten aan te wijzen door het samenbrengen van resultaten van evaluatiemissies en bestaande informatie van het IAEA, en besprekingen tussen de staat en het IAEA. |
Doelstelling
|
— |
De duurzaamheid en permanente doeltreffendheid en effecten van eerdere gemeenschappelijke optredens en besluiten van de Raad waarborgen, mede door technische systemen, menselijk potentieel, en consolidatie- of repatriëringsactiviteiten. |
|
— |
De meerwaarde van internationale, regionale en nationale ondersteunende activiteiten als hefboom gebruiken om door een efficiënt gebruik van middelen kwaliteitsvolle ondersteuning te bieden op het gebied van wetenschap, techniek en human resources. |
Resultaten
|
— |
Evaluatie van de duurzaamheid, doeltreffendheid en impact van de onder vroegere gemeenschappelijke optredens en besluiten van de Raad uitgevoerde taken. |
|
— |
Ontwikkeling en terbeschikkingstelling van een kwaliteitsborgingssysteem, dat wordt getest en op proef ingevoerd in staten die steun hebben gekregen op het gebied van nucleaire beveiliging. |
|
— |
Aanwijzing van verdere steunmaatregelen die eventueel nodig zijn om het beoogde resultaat op het gebied van nucleaire beveiliging te bestendigen of te verzekeren. |
|
— |
Ondersteuning voor het in stand houden van werkende uitrusting en bekwaam personeel, door verdere bijstand bij het institutionaliseren van de plaatselijke capaciteit voor het onderhouden van uitrusting, het herstellen van slecht werkende uitrusting of het vervangen van beschadigde componenten, alsmede voor het zoveel mogelijk betrekken van staten bij regionale capaciteitsopbouw. |
|
— |
Betrouwbare toegang tot bekwaam personeel door het verstrekken van opleiding en onderwijs. |
Gebied 2: Het versterken van de ondersteunende infrastructuur voor nucleaire beveiliging in staten
Strategische doelstelling
IAEA-programma’s ondersteunen staten bij vele activiteiten ter waarborging van de duurzaamheid van verbeteringen inzake nucleaire beveiliging. Zij bieden mogelijkheden tot ontwikkeling van human resources, met zowel opleidingen als academische onderwijsprogramma’s, met het oog op de verschillende nationale en regionale verantwoordelijkheden. Het IAEA verleent ook steun aan staten die ondersteuningscentra voor nucleaire beveiliging (Nuclear Security Support Centers — NSSC) wensen te ontwikkelen, teneinde de ontwikkeling van human resources te bevorderen en technische ondersteuning te bieden, bijvoorbeeld voor uitrusting en onderhoud op nationaal en regionaal niveau.
Doelstelling
|
— |
Het ontwikkelen en evalueren van een overkoepelend nationaal ondersteuningsplan voor nucleaire beveiliging (INSSP), in samenwerking en overleg met de bevoegde staatsautoriteiten en met andere EU-initiatieven, en het uitvoeren van adviesmissies als basis voor het verhogen van de nucleaire beveiliging in de staat. |
|
— |
Het bijstaan van staten bij het waarborgen van de beschikbaarheid ter plaatse van technische en wetenschappelijke steun, en van de ontwikkeling van human resources die nodig is voor doeltreffende en duurzame nucleaire beveiliging. |
Resultaten
|
— |
Het ontwikkelen of evalueren van nationale INSSP’s op maat van de specifieke en alomvattende behoeften van de staat, waarin bevindingen en aanbevelingen worden gedaan om de beveiliging in die staat te verbeteren. |
|
— |
Het coördineren van de activiteiten inzake de oprichting van NSSC, met de huidige en toekomstige CBRN-excellentiecentra van de EU, en met andere relevante activiteiten in de desbetreffende regio’s. |
|
— |
Het verstrekken van uitrusting en expertendiensten ter ondersteuning van de oprichting van NSSC’s, het bevorderen van een passende cultuur inzake nucleaire beveiliging en het faciliteren van het toepassen van geleerde lessen en beste praktijken met het oog op voortdurende verbetering en toepassing op een breder CBRN-perspectief. |
Gebied 3: Het aanscherpen van het wet- en regelgevingsinstrumentarium van de staten
Strategische doelstelling
Het IAEA verstrekt een alomvattend geheel van aanbevelingen inzake nucleaire beveiliging en geeft advies ter ondersteuning van de globale nucleaire beveiligingsstructuur. Voortbouwend op dat advies organiseert het IAEA, op verzoek van staten, verscheidene adviesmissies met deskundigen, die specifieke wetgevende bijstand verlenen ter verbetering van nationale wetgevings- en regelgevingskaders; zij faciliteert tevens het toetreden tot en de uitvoering van de internationale rechtsinstrumenten inzake nucleaire beveiliging.
Doelstelling
|
— |
Het aanscherpen van het nationaal wet- en regelgevingsinstrumentarium, en van het vermogen van staten tot het regionaal uitwisselen van beste praktijken, zoals deze gelden voor elke autoriteit die betrokken is bij de beveiliging van kernmateriaal en andere radioactieve stoffen, binnen of buiten de controle op naleving van de regelgeving. |
|
— |
Het verstrekken van kosteneffectieve instrumenten aan staten om hen bij te staan bij het nakomen van nationale, regionale en internationale verplichtingen, de tenuitvoerlegging van bindende en internationale rechtsinstrumenten, met inbegrip van waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen, en een toewijding aan niet-bindende rechtsinstrumenten. |
Resultaten
|
— |
Het verhogen van het aantal staten die een begin maken met het ontwikkelen en vaststellen van alomvattende en samenhangende nationale wetgeving inzake nucleaire beveiliging, waarborgen, veiligheid, en aansprakelijkheid voor nucleaire schade, mede gebaseerd op synergieën met acties van de Unie in het kader van andere instrumenten, zoals het instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid en het instrument voor pretoetredingssteun; het aanmoedigen van staten die belangstelling tonen voor het starten van een kernenergieprogramma, om veel belang te hechten aan nucleaire beveiliging. |
|
— |
Het verstrekken van deskundigenadvies door het verlenen van de beoordelingsdiensten van het IAEA, waaronder de Internationale Nucleaire Veiligheidsdienst (International Nuclear Security Service — INSServ), de Internationale adviserende dienst inzake fysieke beveiliging (International Physical Protection Advisory Service — IPPAS), de Geïntegreerde Controlemissie voor Nucleaire Infrastructuur (Integrated Nuclear Infrastructure Review Mission — INIR), de Integrated Regulatory Review Service (IRRS), en de International SSAC Advisory Service (ISSAS) en andere adviserende diensten, en tevens door het verstrekken van de in de gedocumenteerde resultaten daarvan vermelde uitrusting en opleiding. |
|
— |
Een verhoging van het aantal staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (VFBK) en de wijziging ervan, of die verklaard hebben zich voor te nemen de internationale rechtsinstrumenten ter ondersteuning van de nucleaire beveiligingsstructuur uit te voeren. |
|
— |
Een aangescherpt nationaal regelgevingskader inzake stralingsveiligheid en veiligheid van radioactieve stoffen, overeenkomstig de gedragscode voor de veiligheid en de beveiliging van radioactieve bronnen en de richtsnoeren inzake de in- en uitvoer van radioactieve bronnen. |
|
— |
Aangescherpte nationale wetgevingskaders voor de uitvoering van waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen die tussen staten en het IAEA zijn gesloten, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoering van een alomvattend Nationaal boekhoud- en controlesysteem voor kernmateriaal (State System of Accounting for and Control of Nuclear Material — SSAC). |
Gebied 4: Het aanscherpen van de maatregelen in verband met de nucleaire beveiliging van kernmateriaal en andere radioactieve stoffen
Strategische doelstelling
De IAEA zal blijven bijdragen tot het verbeteren van de wereldwijde en nationale nucleaire beveiliging door staten op hun verzoek te helpen bij het beperken van het risico op kwaadwillig gebruik van nucleair materiaal of andere radioactieve stoffen die worden gebruikt, opgeslagen en/of vervoerd. Nationale systemen voor nucleaire beveiliging dienen te worden gesteund via de oprichting van nationale ondersteuningscentra voor nucleaire beveiliging; deze centra bieden hulpbronnen, bevorderen op een systematische manier de nationale opleiding, en bieden de specifieke technische ondersteuning die nodig is voor het doeltreffend gebruik en onderhoud van opsporingsinstrumenten en van andere technische systemen voor nucleaire beveiliging.
Doelstelling
|
— |
Het versterken van de eerstelijnsverdediging van een staat in de vorm van beveiliging voor kernmateriaal en andere radioactieve materialen, en de daarmee verbonden faciliteiten en transportsystemen. |
|
— |
Het opsporen en lokaliseren van radioactieve bronnen die zich in zodanige staat bevinden dat zij moeten worden geconditioneerd en veilig en beveiligd in de geselecteerde landen moeten worden opgeslagen dan wel naar het land van oorsprong of de leverancier moeten worden teruggebracht. |
|
— |
Het verbeteren van de technische en administratieve regelingen die worden toegepast voor de boekhouding en de controle van kernmateriaal, inclusief de bestaande SSAC’s), die zijn ingesteld ter uitvoering van de waarborgovereenkomsten en de aanvullende protocollen, ook in staten met beperkte nucleaire programma’s en beperkte rapportageverplichtingen overeenkomstig de zogenaamde „protocollen inzake kleine hoeveelheden” bij hun waarborgovereenkomsten. |
|
— |
Het verbeteren of, waar van toepassing, oprichten van nationale registers van radioactieve substanties, stoffen en bronnen in de geselecteerde staten. |
Resultaten
|
— |
Maatregelen voor de fysieke beveiliging met betrekking tot kernmateriaal bij de geselecteerde kerninstallaties en locaties en tot radioactieve bronnen in niet-nucleaire toepassingen (bijvoorbeeld ten behoeve van de geneeskunde of de industrie, of radioactief afval), ook via een verbeterde regionale uitwisseling van beste praktijken, waar passend. |
|
— |
Beperking van het risico van radioactieve bronnen in risicovolle situaties door een efficiëntere fysieke beveiliging of, zo nodig, ontmanteling en vervoer naar veilige opslagplaatsen in een land of in andere geselecteerde staten. |
|
— |
Vermindering van het aantal radioactieve bronnen in ongecontroleerde en onbeveiligde omstandigheden door middel van steun aan nationale opsporings- en beveiligings(„search and secure”)campagnes in de geselecteerde staten. |
|
— |
Opstelling en handhaving van doeltreffende technische en administratieve regelingen voor de boekhouding van en de controle op de veiligheid van kernmateriaal, mede door het instellen van nieuwe en/of door het verbeteren van bestaande SSAC’s waarmee uitvoering kan worden gegeven aan waarborgovereenkomsten en aanvullende protocollen, ook in staten met „protocollen inzake kleine hoeveelheden”. |
|
— |
Opgeleid personeel in staten die in aanmerking komen voor ondersteuning om de uitvoering en handhaving van een doeltreffende regeling voor fysieke beveiliging te bevorderen. |
Gebied 5: Het versterken van de institutionele infrastructuren van staten en van hun vermogen om de problematiek van kernmateriaal en radioactieve stoffen die aan controles op naleving van de regelgeving ontsnappen, aan te pakken
Strategische doelstelling
De IAEA blijft steun verstrekken aan staten met het oog op de verbetering van het nationaal vermogen tot nucleaire beveiliging, om mensen, eigendommen en het milieu te beschermen tegen voorvallen in verband met nucleaire beveiliging waarbij kernmateriaal of andere radioactieve stoffen betrokken zijn die aan controle op naleving van de regelgeving ontsnappen. Het IAEA heeft de belangrijke rol steun te verlenen bij het opsporen van deze stoffen en het reageren op dergelijke voorvallen; daarbij wordt voorrang gegeven aan het verhogen van de nationale capaciteit voor doeltreffende grenscontrole en de bescherming tegen en reactie op mogelijke kwaadwillige daden tijdens grote openbare evenementen.
Doelstelling
Het verhogen van de capaciteit van staten tot preventie van, opsporing van en reactie op criminele of opzettelijke ongeoorloofde daden waarbij kernmateriaal of andere radioactieve stoffen zijn betrokken die aan controle op naleving van de regelgeving ontsnappen, en tot het daartegen beschermen van mensen, eigendommen, het milieu en de samenleving, onder andere via eventueel voor handen zijnde regionale capaciteitsopbouw.
Resultaten
|
— |
Het opzetten van institutionele infrastructuur om stoffen die ontsnappen aan controle op naleving van de regelgeving, te beheren. |
|
— |
Het ontwikkelen en uitvoeren van nationale detectiearchitectuur ten behoeve van nucleaire beveiliging. |
|
— |
Het ontwikkelen van een doeltreffende plaatselijke capaciteit inzake plaatsdelictmanagement voor misdrijven waarbij radioactieve stoffen zijn betrokken, en het mogelijk maken van efficiënte, kosteneffectieve nucleaire forensische wetenschap (indien haalbaar dienen de gegevens ook ter beschikking worden gesteld aan andere landen in de betrokken regio). |
Gebied 6: Het verhogen van de bewustwording inzake cybermisdaad en van het reactievermogen en de veerkracht van staten tegen cybermisdaad die gevolgen heeft voor de nationale en nucleaire veiligheid
Strategische doelstelling
De IAEA streeft ernaar staten te voorzien van de hulpbronnen en de externe deskundigheid die zij nodig hebben om beschermingsprogramma’s voor computers en informatie te ontwikkelen en uit te voeren, met het oog op het verhogen van de algemene nucleaire beveiliging. De steun is voornamelijk gericht op het voorkomen van computerverrichtingen die direct of indirect zouden kunnen leiden tot het ongeoorloofd verwijderen van kernmateriaal of andere radioactieve stoffen, of het saboteren van dergelijk materiaal of van daarmee verbonden faciliteiten, en tot de diefstal van gevoelige nucleaire informatie.
Doelstelling
|
— |
Het waarborgen dat staten beschikken over de nodige technische steun en human resources ter verbetering van nationale programma’s voor cyberbeveiliging tegen opkomende dreigingen die mogelijk gevolgen hebben voor de nationale nucleaire beveiliging, middels het gebruik van beproefde technologieën voor operaties op het gebied van cyberpreventie, -opsporing en -herstel. |
|
— |
Het verbeteren van technische en administratieve systemen ter bescherming tegen cybermisdaad op kritieke infrastructuurdoelwitten die kernmateriaal en andere radioactieve stoffen bevatten, en op de daarmee verbonden faciliteiten en transportactiviteiten. |
|
— |
Het ontwikkelen van nationale netwerken ter bevordering van het delen van informatie over en het verlenen van bijstand bij het reageren op grensoverschrijdende kwesties in verband met cyberbeveiliging. |
Resultaten
|
— |
Oprichting van doeltreffende nationale technische en administratieve netwerksystemen voor de preventie en de opsporing van, en de reactie op cyberaanvallen. |
|
— |
Verbetering van het uitwisselen van informatie over cybermisdaadactiviteiten tussen de regionale en internationale informatiesystemen wat betreft huidige en toekomstige bedreigingen. |
|
— |
Verbetering van de samenwerking tussen staten inzake arrestaties en vervolgingen wat betreft cybermisdaden. |
|
— |
Instelling van instrumenten ter beperking van de „gevolgkosten” van cybermisdaden in staten, met name directe en indirecte kosten als gevolg van inbreuken op intellectuele eigendom, reactiekosten en herstelkosten. |
|
— |
Versterking van nationale beleidskaders inzake nucleaire beveiliging, door het terugdringen van activiteiten en bedreigingen in verband met cybermisdaad. |
|
— |
Verbetering van het partnerschap met en tussen de industriële partners bij het ontwikkelen van technologieën en diensten die een hogere graad van verdediging en veerkracht tegen cybermisdaad bieden. |
Gebied 7: Laboratoriumcapaciteit voor het aanpakken van cybermisdaad op nucleair gebied
Doelstelling
Het ontwikkelen van aanvullende laboratoriumcapaciteit ter ondersteuning van de evaluatie van technologieën voor industriële besturing en technologieën op elektronischsysteemniveau, die gebruikt worden om voor cybermisdaad op nucleair gebied gevoelige punten te ontdekken, en het stimuleren en vergroten van de bewustwording betreffende dergelijke kwesties, onder andere door deelname aan regionale uitwisselingen en door het gebruik van compenserende of remediërende maatregelen.
Resultaat
Ontwikkeling van laboratoriumcapaciteit ter evaluatie van technologieën voor industriële besturing en technologieën op elektronischsysteemniveau in verband met voor cybermisdaad op nucleair gebied gevoelige punten, met het oog op onderwijs en opleiding.
|
23.10.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 281/14 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 21 oktober 2013
tot wijziging van deel 1 van bijlage E bij Richtlijn 92/65/EEG van de Raad wat betreft het model van het gezondheidscertificaat voor dieren van bedrijven
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 6719)
(Voor de EER relevante tekst)
(2013/518/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (1), en met name artikel 22, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 10 van Richtlijn 92/65/EEG zijn de veterinairrechtelijke voorschriften vastgelegd waaraan honden, katten en fretten moeten voldoen om te worden toegelaten tot het handelsverkeer in de EU. Hierin is onder meer bepaald dat die dieren moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 6 en, indien van toepassing, van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (2). |
|
(2) |
In artikel 6 van Verordening (EU) nr. 576/2013 is onder meer bepaald dat die dieren vergezeld moeten gaan van een identificatiedocument in de vorm van een paspoort dat overeenkomstig een door de Commissie goed te keuren model is vastgesteld. Het model voor dat paspoort is vastgesteld in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 inzake de modelidentificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten, de vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden en de voorschriften betreffende de vorm, de opmaak en de taal van de verklaringen ten bewijze van de naleving van bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3). |
|
(3) |
In artikel 7 van Verordening (EU) nr. 576/2013 is bepaald dat de lidstaten het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied vanuit een andere lidstaat van jonge honden, katten en fretten die niet tegen rabiës zijn gevaccineerd, of tegen rabiës zijn gevaccineerd maar nog niet de beschermende immuniteit tegen die ziekte hebben verkregen, onder bepaalde voorwaarden kunnen toestaan. Wanneer zij een dergelijk verkeer toestaan, moeten de lidstaten het publiek hiervan via internetpagina’s in kennis stellen en de Commissie vermeldt op haar internetpagina de links die voor handelsdoeleinden kunnen worden gebruikt. |
|
(4) |
Daarnaast is in artikel 10 van Richtlijn 92/65/EEG bepaald dat honden, katten en fretten vergezeld moeten gaan van een gezondheidscertificaat volgens het model in deel 1 van bijlage E bij die richtlijn. |
|
(5) |
Naar aanleiding van de intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (4) door Verordening (EU) nr. 576/2013 dient het model van dat gezondheidscertificaat te worden gewijzigd om de verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 998/2003 te vervangen door verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 576/2013. |
|
(6) |
Het in deel 1 van bijlage E bij Richtlijn 92/65/EEG vastgelegde gezondheidscertificaat houdt rekening met Verordening (EU) nr. 388/2010 van de Commissie van 6 mei 2010 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het maximumaantal gezelschapsdieren van bepaalde soorten die onder niet-commercieel verkeer kunnen vallen (5), waarin is bepaald dat de in Richtlijn 92/65/EEG vastgelegde eisen en controles van toepassing zijn op het vervoer van meer dan vijf gezelschapsdieren wanneer de dieren naar een lidstaat worden vervoerd uit een andere lidstaat of uit een in bijlage II, deel B, afdeling 2, van Verordening (EG) nr. 998/2003 vermeld derde land. |
|
(7) |
De in Verordening (EU) nr. 388/2010 vastgelegde voorschriften zijn herzien en opgenomen in Verordening (EU) nr. 576/2013. In het model van het gezondheidscertificaat zoals vastgesteld in deel 1 van bijlage E bij Richtlijn 92/65/EEG moeten de verwijzingen naar Verordening (EU) nr. 388/2010 daarom worden geschrapt. |
|
(8) |
Richtlijn 92/65/EEG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
Om te vermijden dat het handelsverkeer wordt onderbroken, moet het gebruik van gezondheidscertificaten die overeenkomstig deel 1 van bijlage E bij Richtlijn 92/65/EEG zijn afgegeven voordat dit besluit in werking is getreden, gedurende een overgangsperiode onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan. |
|
(10) |
Dit besluit moet van toepassing zijn vanaf de toepassingsdatum van Verordening (EU) nr. 576/2013. |
|
(11) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Deel 1 van bijlage E bij Richtlijn 92/65/EEG wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Gedurende een overgangsperiode tot en met 29 april 2015 mogen de lidstaten de handel toestaan in honden, katten en fretten van bedrijven die vergezeld gaan van een uiterlijk op 28 december 2014 uitgegeven gezondheidscertificaat overeenkomstig de versie van het vóór de bij dit besluit doorgevoerde wijzigingen in deel 1 van bijlage E bij Richtlijn 92/65/EEG vastgestelde model.
Artikel 3
Dit besluit is van toepassing met ingang van 29 december 2014.
Artikel 4
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 21 oktober 2013.
Voor de Commissie
Tonio BORG
Lid van de Commissie
(1) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.
(2) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1.
(3) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 109.
BIJLAGE
„Deel 1 — Gezondheidscertificaat voor de handel in dieren van bedrijven (hoefdieren, tegen aviaire influenza gevaccineerde vogels, lagomorfen, honden, katten en fretten) 92/65 EI
|
23.10.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 281/20 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 21 oktober 2013
tot vaststelling van de lijst van gebieden en derde landen waaruit honden, katten en fretten mogen worden ingevoerd, en van het modelgezondheidscertificaat voor die invoer
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 6721)
(Voor de EER relevante tekst)
(2013/519/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG (1) geldt, en met name artikel 17, lid 2, aanhef en onder b), en lid 3, onder a), en artikel 19,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Richtlijn 92/65/EEG zijn de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Unie van bepaalde dieren vastgesteld. Volgens die richtlijn moeten de invoervoorwaarden voor honden, katten en fretten ten minste gelijkwaardig zijn aan de desbetreffende voorwaarden van Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (2). |
|
(2) |
In Verordening (EU) nr. 576/2013 is bepaald dat wanneer bij een eenmalige verplaatsing in het kader van niet-commercieel verkeer meer dan vijf honden, katten of fretten worden verplaatst, die gezelschapsdieren moeten voldoen aan de veterinairrechtelijke voorschriften van Richtlijn 92/65/EEG ten aanzien van de betrokken soorten, behalve voor bepaalde categorieën dieren waarvoor Verordening (EU) nr. 576/2013 onder bepaalde voorwaarden in een afwijking voorziet. |
|
(3) |
Richtlijn 92/65/EEG bepaalt dat honden, katten en fretten in de Unie alleen mogen worden ingevoerd uit een derde land dat voorkomt op een lijst die is opgesteld volgens de in die richtlijn bedoelde procedure. Bovendien moeten die dieren vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat volgens een model dat overeenkomstig de in die richtlijn bedoelde procedure is opgesteld. |
|
(4) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU van de Commissie van 15 december 2011 tot vaststelling van de lijst van derde landen en gebieden waaraan een machtiging is verleend voor de invoer van honden, katten en fretten en voor het niet-commerciële verkeer van meer dan vijf honden, katten en fretten naar de Unie en de modelcertificaten voor de invoer en het niet-commerciële verkeer van die dieren naar de Unie (3) zijn de modelgezondheidscertificaten voor de invoer van honden, katten en fretten in de Unie vastgesteld en is bepaald dat de derde landen of gebieden waaruit zij afkomstig zijn en de derde landen of gebieden waardoor zij worden doorgevoerd, opgenomen moeten zijn in de lijst in deel B, afdeling 2, of deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (4) of in deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie van 12 maart 2010 tot vaststelling van lijsten van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit bepaalde dieren en vers vlees in de Europese Unie mogen worden binnengebracht, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (5). |
|
(5) |
Voor de consistentie van de wetgeving van de Unie moet in die lijst van gebieden en derde landen waaruit de invoer is toegestaan, de lijst van derde landen worden opgenomen waaruit de invoer van paardachtigen in de Unie is toegestaan, omdat die derde landen ook voldoende garanties hebben gegeven betreffende het bestaan en de toepassing van de certificeringsvoorschriften en -beginselen die de certificerende ambtenaren van derde landen in acht moeten nemen bij de afgifte van de door de veterinaire wetgeving vereiste certificaten teneinde misleidende of frauduleuze certificering te voorkomen. De lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van levende paardachtigen toestaan, is momenteel opgenomen in bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG van de Commissie van 6 januari 2004 tot vaststelling van de lijst van derde landen en delen van hun grondgebied waaruit de lidstaten de invoer toestaan van levende paardachtigen en sperma, eicellen en embryo’s van paarden en tot wijziging van de Beschikkingen 93/195/EEG en 94/63/EG (6). |
|
(6) |
Verordening (EG) nr. 998/2003 is ingetrokken bij Verordening (EU) nr. 576/2013. De lijst van gebieden en derde landen die vroeger waren opgenomen in deel B, afdeling 2, en deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 is nu opgenomen in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 inzake de modelidentificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten, de vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden en de voorschriften betreffende de vorm, de opmaak en de taal van de verklaringen ten bewijze van de naleving van bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7). |
|
(7) |
In dit besluit moet daarom worden bepaald dat de invoer van honden, katten en fretten in de Unie alleen is toegestaan uit gebieden of derde landen die zijn opgenomen in bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG, deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 of bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013. |
|
(8) |
Verordening (EU) nr. 576/2013 bepaalt dat honden, katten en fretten niet naar een lidstaat mogen worden verplaatst vanuit een gebied of derde land dat niet is opgenomen in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013, tenzij zij een titreringstest op rabiësantilichamen hebben ondergaan die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 576/2013. |
|
(9) |
Die voorschriften omvatten de verplichting om die test uit te voeren in een laboratorium dat is erkend overeenkomstig Beschikking 2000/258/EG van de Raad van 20 maart 2000 houdende aanwijzing van een specifiek instituut dat verantwoordelijk is voor de vaststelling van de criteria die nodig zijn voor de normalisatie van de serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren (8), waarin wordt bepaald dat het Agence française de sécurité sanitaire des aliments (AFSSA) in Nancy, Frankrijk (sinds 1 juli 2010 onderdeel van het Agence nationale de sécurité sanitaire de l’alimentation, de l’environnement et du travail, ANSES) de laboratoria in de lidstaten en derde landen moet beoordelen met het oog op hun erkenning voor het uitvoeren van serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins bij honden, katten en fretten te controleren. |
|
(10) |
Beschikking 2005/64/EG van de Commissie van 26 januari 2005 tot uitvoering van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad voor wat betreft de invoervoorwaarden voor katten, honden en fretten voor erkende instellingen, instituten of centra (9) bevat een model van veterinair certificaat voor de invoer van die dieren in de Unie, als zij bestemd zijn voor instellingen, instituten of centra die overeenkomstig Richtlijn 92/65/EEG zijn erkend, mits de invoer van die dieren toegestaan is omdat zij afkomstig zijn uit derde landen of gebieden die zijn opgenomen in deel B, afdeling 2, of deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003. |
|
(11) |
In dit besluit moet daarom worden bepaald dat de invoer in de Unie van honden, katten en fretten die bestemd zijn voor instellingen, instituten of centra die overeenkomstig Richtlijn 92/65/EEG zijn erkend, alleen toegestaan is uit gebieden en derde landen die zijn opgenomen in bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013. |
|
(12) |
Bij dit besluit moet daarom de nieuwe lijst worden vastgesteld van gebieden en derde landen waaruit de invoer van honden, katten en fretten in de Unie is toegestaan, alsmede een gemeenschappelijk model van gezondheidscertificaat voor de invoer van die dieren in de Unie. Beschikking 2005/64/EG moet daarom worden ingetrokken. |
|
(13) |
Bovendien zijn Beschikking 94/274/EG van de Commissie van 18 april 1994 tot vaststelling van het systeem voor identificatie van honden en katten die in het Verenigd Koninkrijk en in Ierland in de handel worden gebracht en niet afkomstig zijn uit deze landen (10) en Beschikking 94/275/EG van de Commissie van 18 april 1994 betreffende de goedkeuring van rabiësvaccins (11), die zijn vastgesteld op grond van Richtlijn 92/65/EEG voordat die bij Verordening (EG) nr. 998/2003 werd gewijzigd, inmiddels achterhaald en moeten zij worden ingetrokken. |
|
(14) |
Richtlijn 96/93/EG van de Raad van 17 december 1996 inzake de certificering van dieren en dierlijke producten (12) bevat de voorschriften voor de afgifte van de door de veterinaire wetgeving vereiste certificering, om misleidende of frauduleuze certificering te voorkomen. Er moet voor worden gezorgd dat de officiële dierenartsen van derde landen voorschriften en beginselen toepassen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van die richtlijn. |
|
(15) |
In Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2011 van de Commissie van 14 juli 2011 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden (13) is bepaald dat met ingang van 1 januari 2012 honden die in bijlage I bij die verordening opgenomen lidstaten of delen ervan binnenkomen, moeten worden behandeld tegen de parasiet Echinococcus multilocularis overeenkomstig de voorschriften die in die verordening zijn vastgesteld. |
|
(16) |
Er moet een overgangsperiode komen om de lidstaten de tijd te geven zich aan de nieuwe voorschriften van dit besluit aan te passen en met name onder bepaalde voorwaarden toe te staan dat diergezondheidscertificaten die zijn afgegeven overeenkomstig de voorschriften van de Unie die vóór de datum van toepassing van dit besluit golden, nog worden gebruikt. |
|
(17) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Lijst van gebieden en derde landen waaruit honden, katten of fretten mogen worden ingevoerd overeenkomstig Richtlijn 92/65/EEG
1. Zendingen honden, katten en fretten waarop de bepalingen van Richtlijn 92/65/EEG van toepassing zijn, mogen alleen in de Unie worden ingevoerd als de gebieden of derde landen waaruit zij afkomstig zijn en de gebieden of derde landen waardoor zij worden doorgevoerd, zijn opgenomen in een van de lijsten in:
|
a) |
bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG; |
|
b) |
deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010; |
|
c) |
bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013. |
2. In afwijking van lid 1 mogen zendingen honden, katten en fretten die bestemd zijn voor instellingen, instituten en centra die overeenkomstig Richtlijn 92/65/EEG zijn goedgekeurd, alleen in de Unie worden ingevoerd als de gebieden of derde landen waaruit zij afkomstig zijn en de gebieden of derde landen waardoor zij worden doorgevoerd, zijn opgenomen in de in lid 1, onder c), bedoelde lijst.
Artikel 2
Diergezondheidscertificaat voor de invoer uit gebieden of derde landen
De lidstaten staan de invoer van honden, katten en fretten alleen toe als zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
a) |
zij gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat dat overeenkomstig het model in deel 1 van de bijlage is opgesteld en overeenkomstig de toelichting in deel 2 van de bijlage door een officiële dierenarts is ingevuld en ondertekend; |
|
b) |
zij voldoen aan de voorschriften voor het onder a) bedoelde diergezondheidscertificaat wat betreft de gebieden of derde landen waaruit zij afkomstig zijn en de gebieden of derde landen waardoor zij zijn doorgevoerd, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), b) en c). |
Artikel 3
Intrekkingen
De Beschikkingen 94/274/EG, 94/275/EG en 2005/64/EG worden ingetrokken.
Artikel 4
Overgangsbepalingen
Voor een overgangsperiode tot en met 29 april 2015 staan de lidstaten de invoer in de Unie toe van honden, katten en fretten die vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat dat uiterlijk op 28 december 2014 is afgegeven volgens de modellen in de bijlage bij Beschikking 2005/64/EG en bijlage I bij Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU.
Artikel 5
Toepassing
Dit besluit is van toepassing met ingang van 29 december 2014.
Artikel 6
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 21 oktober 2013.
Voor de Commissie
Tonio BORG
Lid van de Commissie
(1) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.
(2) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1.
(3) PB L 343 van 23.12.2011, blz. 65.
(4) PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.
(5) PB L 73 van 20.3.2010, blz. 1.
(6) PB L 73 van 11.3.2004, blz. 1.
(7) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 109.
(8) PB L 79 van 30.3.2000, blz. 40.
(9) PB L 27 van 29.1.2005, blz. 48.
(10) PB L 117 van 7.5.1994, blz. 40.
(11) PB L 117 van 7.5.1994, blz. 41.
BIJLAGE
DEEL 1
Modeldiergezondheidscertificaat voor de invoer van honden, katten en fretten in de Unie
DEEL 2
Toelichting voor het invullen van de diergezondheidscertificaten
|
a) |
Indien in het certificaat staat dat een verklaring in bepaalde gevallen kan worden doorgehaald, betekent dit dat niet ter zake doende verklaringen mogen worden doorgehaald, met paraaf en stempel van de officiële dierenarts, of helemaal uit het certificaat mogen worden weggelaten. |
|
b) |
Het origineel van elk certificaat bestaat uit één blad of, indien nodig, een formulier waarvan alle bladen één ondeelbaar geheel vormen. |
|
c) |
Het certificaat wordt opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de lidstaat waarin de grensinspectiepost van binnenkomst van de zending in de Unie gelegen is en van de lidstaat van bestemming. Deze lidstaten kunnen evenwel toestaan dat het certificaat in de officiële taal of talen van een andere lidstaat wordt opgesteld, zo nodig met een officiële vertaling. |
|
d) |
Indien voor de identificatie van de bestanddelen van de zending (zie punt I.28. van het modeldiergezondheidscertificaat) extra bladen of bewijsstukken aan het certificaat worden gehecht, worden deze bladen of bewijsstukken beschouwd als deel uitmakend van het originele certificaat en worden alle bladzijden voorzien van de handtekening en het stempel van de officiële dierenarts. |
|
e) |
Indien het certificaat, inclusief de onder d) bedoelde aanvullingen, meer dan één bladzijde beslaat, wordt elke bladzijde onderaan genummerd — (bladzijdenummer) van (totaal aantal bladzijden) — en wordt elke bladzijde bovenaan voorzien van het referentienummer van het certificaat dat door de bevoegde autoriteit is toegekend. |
|
f) |
Het originele exemplaar van het certificaat moet door een officiële dierenarts van het gebied of derde land van uitvoer worden ingevuld en ondertekend. De bevoegde autoriteit van het gebied of derde land van uitvoer ziet erop toe dat certificeringsvoorschriften en -beginselen worden toegepast die gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 96/93/EG van de Raad.
De kleur van de handtekening moet verschillen van die van de gedrukte tekst. Dat geldt ook voor andere stempels dan reliëfstempels en watermerken. |
|
g) |
Het in de vakken I.2. en II.a vermelde referentienummer van het certificaat moet door de bevoegde autoriteit worden toegekend. |
|
23.10.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 281/27 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 21 oktober 2013
tot intrekking van Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 6828)
(Voor de EER relevante tekst)
(2013/520/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG (1) geldt, en met name artikel 17, lid 2, aanhef en onder b), en lid 3, onder a),
Gezien Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (2), en met name artikel 8, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (3) legt de voorwaarden vast voor het verkeer van gezelschapsdieren uit derde landen en voor het modelcertificaat voor dergelijk verkeer. Die verordening vervangt Verordening (EG) nr. 998/2003 en trekt haar in, met ingang van 29 december 2014. Bij Verordening (EU) nr. 576/2013 is bepaald dat honden, katten en fretten moeten voldoen aan de veterinairrechtelijke voorschriften van Richtlijn 92/65/EEG als deze gezelschapsdieren met meer dan vijf tegelijk tijdens een eenmalige verplaatsing voor niet-commerciële doeleinden worden vervoerd. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU van de Commissie van 15 december 2011 tot vaststelling van de lijst van derde landen en gebieden waaraan een machtiging is verleend voor de invoer van honden, katten en fretten en voor het niet-commerciële verkeer van meer dan vijf honden, katten en fretten naar de Unie en de modelcertificaten voor de invoer en het niet-commerciële verkeer van die dieren naar de Unie (4) is de lijst vastgesteld van derde landen en gebieden waaruit de invoer van honden, katten en fretten en het niet-commerciële verkeer naar de Unie van meer dan vijf honden, katten of fretten overeenkomstig Richtlijn 92/65/EEG is toegestaan, en het gezondheidscertificaat voor dergelijke invoer en dergelijk niet-commercieel verkeer en het gezondheidscertificaat voor het niet-commerciële verkeer naar de Unie van maximaal vijf honden, katten of fretten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 998/2003. |
|
(3) |
Na de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 576/2013 zijn Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 inzake de modelidentificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten, de vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden en de voorschriften betreffende de vorm, de opmaak en de taal van de verklaringen ten bewijze van de naleving van bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5), en Uitvoeringsbesluit 2013/519/EU van 21 oktober 2013 van de Commissie tot vaststelling van de lijst van derde landen en gebieden waaruit de invoer van honden, katten en fretten is toegestaan en van de modellen van gezondheidscertificaten voor dergelijke invoer (6) vastgesteld. |
|
(4) |
Op de datum van inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 en Uitvoeringsbesluit 2013/519/EU, worden de bepalingen van Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU vastgestelde modelcertificaat overbodig. |
|
(5) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 en Uitvoeringsbesluit 2013/519/EU zijn met ingang van 29 december 2014 van toepassing. Voor de duidelijkheid van de wetgeving van de Unie moet Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU met ingang van dezelfde datum worden ingetrokken. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU wordt ingetrokken.
Artikel 2
Dit besluit is van toepassing met ingang van 29 december 2014.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 21 oktober 2013.
Voor de Commissie
Tonio BORG
Lid van de Commissie
(1) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.
(2) PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.
(3) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1.
(4) PB L 343 van 23.12.2011, blz. 65.
(5) PB L 178 van 28.6.2013, blz. 109.
(6) Zie bladzijde 20 van dit Publicatieblad.