ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.240.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 240

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
7 september 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 861/2013 van de Raad van 2 september 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 862/2013 van de Commissie van 5 september 2013 tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Casatella Trevigiana (BOB))

15

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 863/2013 van de Commissie van 5 september 2013 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

17

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 864/2013 van de Commissie van 6 september 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

19

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2013/446/GBVB van de Raad van 6 september 2013 tot wijziging van Besluit 2010/452/GBVB inzake de Waarnemingsmissie van de Europese Unie in Georgië, EUMM Georgia

21

 

 

2013/447/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende de standaardcapaciteitsbenuttingsfactor overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Besluit 2011/278/EU ( 1 )

23

 

 

2013/448/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5666)  ( 1 )

27

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

 

2013/449/EU

 

*

Besluit nr. 1/2013 van het OZA-EU Comité douanesamenwerking van 7 augustus 2013 betreffende een afwijking van de oorsprongsregels in Protocol nr. 1 bij de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, in verband met de bijzondere situatie van Mauritius met betrekking tot conserven van boniet

36

 

 

 

*

Bericht aan de lezer — Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 

*

Bericht aan de lezer — Wijze van vermelden van de handelingen (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 861/2013 VAN DE RAAD

van 2 september 2013

tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) („de basisverordening”), en met name artikel 15,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie („de Commissie”), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorlopige maatregelen

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EU) nr. 419/2013 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig compenserend recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India ingesteld.

(2)

Het onderzoek werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 28 juni 2012 was ingediend door de Europese Vereniging van IJzer- en Staalproducerende Industrieën (European Confederation of Iron and Steel Industries — Eurofer) („de klager”) namens producenten die meer dan 50 % van de totale productie van bepaalde draad van roestvrij staal in de Unie voor hun rekening nemen.

(3)

Naar aanleiding van het parallelle antidumpingonderzoek, heeft de Commissie bij Verordening (EU) nr. 418/2013 (3) een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India ingesteld.

1.2.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(4)

In de voorlopige fase van het onderzoek was het oorspronkelijk de bedoeling om zowel voor de producenten-exporteurs in India en de producenten in de Unie als voor de niet-verbonden importeurs gebruik te maken van een steekproef. Omdat twee van de voor de steekproef geselecteerde importeurs echter geen ingevulde vragenlijst terugstuurden, was dat voor de importeurs echter niet mogelijk. Voor de definitieve bevindingen, met name die welke op het belang van de Unie betrekking hebben, werd gebruikgemaakt van alle van medewerkende importeurs ontvangen informatie.

(5)

Zeven niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India verzochten om een individueel onderzoek. Twee van hen vulden de vragenlijst in. De overige vijf deden dat niet. Van de twee die de vragenlijst invulden, trok één het verzoek om een individueel onderzoek later weer in. Bijgevolg heeft de Commissie het verzoek onderzocht van één van de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India:

KEI Industries Limited, New Delhi (KEI).

(6)

Afgezien van het bovenstaande worden de overwegingen 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 14 van de voorlopige verordening bevestigd.

1.3.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(7)

Zoals in overweging 20 van de voorlopige verordening wordt uiteengezet, had het onderzoek naar subsidiëring en schade betrekking op de periode van 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2012 („de beoordelingsperiode”).

1.4.   Vervolg van de procedure

(8)

Na mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd besloten voorlopige compenserende maatregelen in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben verscheidene belanghebbenden opmerkingen gemaakt, namelijk: twee producenten-exporteurs, de klager en elf gebruikers. De partijen die hierom verzochten, werden gehoord. De Commissie ging vervolgens door met het verzamelen van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en, waar nodig, in aanmerking genomen.

(9)

De Commissie stelde de belanghebbenden in kennis van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India alsmede de definitieve inning van de bedragen die voor het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, aan te bevelen („mededeling van de definitieve bevindingen”). De belanghebbenden konden binnen een bepaalde termijn ook opmerkingen maken over deze mededeling van de definitieve bevindingen. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en in aanmerking genomen indien zij gegrond werden geacht.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(10)

Zoals opgemerkt in overweging 21 van de voorlopige verordening wordt het betrokken product omschreven als draad van roestvrij staal bevattende:

i)

2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat,

ii)

minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat,

momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00 19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India.

(11)

Sommige gebruikers uitten hun zorgen over het kennelijke gebrek aan onderscheid tussen de verschillende soorten van het betrokken product en het soortgelijk product, omdat binnen alle productsoorten een breed productassortiment bestaat. Men toonde zich met name bezorgd over de vraag hoe in het onderzoek een eerlijke vergelijking van alle productsoorten kon worden verzekerd. Zoals voor de meeste onderzoeken het geval is, geldt ook voor dit onderzoek dat de omschrijving van het betrokken product een grote verscheidenheid aan productsoorten bestrijkt die allemaal dezelfde of vergelijkbare fysische, technische en chemische basiseigenschappen hebben. Het feit dat deze eigenschappen van productsoort tot productsoort kunnen variëren, kan inderdaad, in een onderzoek, tot gevolg hebben dat een grote verscheidenheid aan productsoorten onder de omschrijving valt. Dit is het geval in het onderhavige onderzoek. De Commissie hield rekening met de verschillen tussen de productsoorten en zorgde voor een eerlijke vergelijking. Elke productsoort die door producenten-exporteurs in India werd geproduceerd en verkocht en elke productsoort die door de bedrijfstak van de Unie werd geproduceerd en verkocht, kreeg een uniek productcontrolenummer (PCN). Dit nummer was afhankelijk van de belangrijkste eigenschappen van het product. In het onderhavige geval hadden die betrekking op de staalsoort, de treksterkte, de coating, het oppervlak, de diameter en de vorm. De soorten draad die naar de Unie werden uitgevoerd, werden bijgevolg op PCN-basis vergeleken met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte producten die dezelfde of vergelijkbare eigenschappen hadden. Al die soorten vielen onder de omschrijving van het betrokken product en het soortgelijk product zoals die in het bericht van inleiding (4) en de voorlopige verordening werd gegeven.

(12)

Een partij herhaalde haar argument dat de zogenaamde „hoogtechnische” productsoorten verschillend waren en niet onderling verwisselbaar met de andere soorten van het betrokken product. Bijgevolg, argumenteerde men, zouden ze van de productomschrijving moeten worden uitgesloten. Om te kunnen bepalen of producten voldoende gelijk zijn om hen als hetzelfde product te kunnen beschouwen, moet volgens de jurisprudentie worden vastgesteld of ze dezelfde technische en fysische eigenschappen, basisgebruiksdoeleinden en prijs-kwaliteitverhouding hebben. In dat verband, moet ook worden gekeken naar de onderlinge verwisselbaarheid en de concurrentie tussen die producten (5). Uit het onderzoek is gebleken dat de door de partij bedoelde „hoogtechnologische” productsoorten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben als de andere producten die voorwerp van het onderzoek waren. Zij zijn gemaakt van roestvrij staal en het zijn draden. Het gaat om een halffabricaat (dat in de meeste gevallen verder verwerkt wordt voor de productie van een grote verscheidenheid van eindproducten), en het productieproces is vergelijkbaar, met gebruikmaking van vergelijkbare machines, zodat producenten kunnen omschakelen op andere varianten van het product, al naar gelang de vraag. Dus hoewel de verschillende soorten draad onderling niet rechtstreeks verwisselbaar zijn en geen rechtstreeks concurrerende producten zijn, moet in aanmerking worden genomen dat producenten naar opdrachten dingen die een breed scala aan draden van roestvrij staal bestrijken. Bovendien worden deze productsoorten zowel door de bedrijfstak van de Unie als door de producenten-exporteurs in India geproduceerd en verkocht, waarbij gebruik wordt gemaakt van een vergelijkbare productiemethode. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

(13)

In antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen voerde een belanghebbende partij aan dat de analyse van de Commissie met betrekking tot het al of niet in het onderzoek opnemen van zogenaamde „hoogtechnische” productsoorten onvoldoende was. Dit argument wordt verworpen. Uit het onderzoek blijkt dat de hoogtechnische productsoorten binnen de definitie van het product vallen, zoals aangegeven in de genoemde overweging 12. De belanghebbende partij neemt ten onrechte aan dat aan alle in de jurisprudentie genoemde criteria tegelijkertijd voldaan moet worden; dit is echter niet het geval. Volgens de jurisprudentie heeft de Commissie een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen welke producten soortgelijk zijn (6), en dient zij deze beoordeling te baseren op de door het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde criteria. Het komt vaker voor, zoals ook in dit geval, dat verschillende criteria in verschillende richtingen wijzen; in een dergelijke situatie moet de Commissie een globale beoordeling verrichten, wat zij in dit geval ook gedaan heeft. De betreffende belanghebbende partij ging er dan ook ten onrechte van uit dat productsoorten alle kenmerken gemeenschappelijk moeten hebben om onder dezelfde definitie te vallen.

(14)

Sommige gebruikers stelden dat draad van roestvrij staal van de „serie 200” van de productomschrijving moest worden uitgesloten. Dit type draad zou nauwelijks door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Deze bewering is ongegrond. Ten eerste is het feit dat een bepaald producttype niet door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd, onvoldoende reden om het buiten de reikwijdte van het onderzoek te plaatsen wanneer het productieproces voor dat producttype zodanig is dat de producenten in de Unie met de productie ervan zouden kunnen beginnen. Ten tweede is voor dit type van het betrokken product hetzelfde gebleken als voor „hoogtechnische” draad (zie overweging 12), namelijk dat het dezelfde of vergelijkbare fysische, chemische en technische basiseigenschappen heeft als andere typen van het soortgelijk product die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

(15)

Volgens deze gebruikers zou walsdraad juist wel in de productomschrijving moeten worden opgenomen. Walsdraad wordt als grondstof voor de productie van het betrokken product gebruikt, maar kan ook voor de productie van andere producten worden gebruikt, zoals bevestigingsmiddelen en nagels. In tegenstelling tot het product dat het voorwerp van onderzoek is, is walsdraad dus geen staal-eindproduct. Walsdraad kan, net als andere producten, door het koudvervormen worden omgevormd tot het betrokken product of een soortgelijk product. Op grond hiervan kan walsdraad niet in de productomschrijving van de basisverordening worden opgenomen.

(16)

Op grond van het bovenstaande wordt de in de overwegingen 21 tot en met 24 van de voorlopige verordening gegeven omschrijving van het betrokken product en het soortgelijk product bevestigd.

3.   SUBSIDIËRING

3.1.   Inleiding

(17)

In overweging 25 van de voorlopige verordening wordt verwezen naar de volgende regelingen, in het kader waarvan tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies zouden zijn verstrekt:

a)

Duty Entitlement Passbook Scheme („DEPBS”, kredietregeling voor invoerrechten),

b)

Duty Drawback Scheme („DDS”, regeling voor de terugbetaling van rechten),

c)

Advance Authorisation Scheme („AAS”, regeling voorafgaande vergunningen),

d)

Export Promotion Capital Goods Scheme („EPCGS”, regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering),

e)

Export Credit Scheme („ECS”, regeling exportkredieten),

f)

Focus Market Scheme („FMS”, focusmarktregeling),

g)

Special Economic Zones/Export Oriented Units („SEZ/EOU”, regeling bijzondere economische zones/exportgerichte bedrijven).

(18)

De bedrijfstak van de Unie beweerde dat de Commissie een aantal subsidieregelingen buiten beschouwing had gelaten, met name regionale, en meende dat de subsidies die de Indiase producenten bleken te hebben ontvangen, onderschat waren. Deze bewering is ongegrond. De Commissie heeft alle in de klacht genoemde nationale en lokale subsidieregelingen onderzocht. De in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs bleken in het OT echter uitsluitend subsidies uit hoofde van de in overweging 14 hierboven genoemde regelingen te hebben ontvangen.

(19)

De bedrijfstak van de Unie voerde tevens aan dat aangezien tijdens het parallelle antidumpingonderzoek was gebleken dat de gegevens van de in de steekproef opgenomen Indiase producenten onbetrouwbaar waren en bijgevolg artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (7) was toegepast, in het huidige onderzoek het overeenkomstige artikel 28 van de basisverordening had moeten worden toegepast. Artikel 28 van de basisverordening is echter alleen onder bepaalde voorwaarden van toepassing en aan die voorwaarden is in dit geval niet voldaan wat betreft de informatie die de in de steekproef opgenomen Indiase producenten hebben verstrekt. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

(20)

Uit het onderzoek is gebleken dat de DEPBS, DDS en AAS allemaal onderdeel van hetzelfde subsidiemechanisme vormen, dat een mechanisme voor de terugbetaling van rechten is. In India bestaan al lang verscheidene vormen van dit mechanisme. De afzonderlijke deelmechanismen worden veelvuldig gewijzigd. Uit het onderzoek is gebleken dat deze deelmechanismen gezamenlijk moeten worden geanalyseerd, omdat exporteurs in de regel één ervan moeten kiezen (zij sluiten elkaar wederzijds uit) en in het geval dat één van de deelmechanismen wordt stopgezet, naar een ander moeten overstappen.

(21)

Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 25 tot en met 28 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.2.   Kredietregeling voor invoerrechten (DEPBS)

(22)

Een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India voerde aan dat de DEPBS niet mocht worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie, aangezien de regeling bedoeld was om invoerrechten te compenseren. Verder werd aangevoerd dat voor het product dat voorwerp van onderzoek is, in India geen inputs worden geproduceerd, zodat het redelijk is om aan te nemen dat alle invoer met 5 % is belast en het door de Indiase overheid vastgestelde maximum overcompensatie voorkomt. Zoals uiteengezet in overweging 38 van de voorlopige verordening, kan deze regeling niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor rechten op inputs of rechten op vervangende inputs in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, aangezien zij niet voldoet aan de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II (definitie van en voorschriften voor de terugbetaling van rechten op inputs) en bijlage III (definitie van en voorschriften voor de terugbetaling van rechten op vervangende inputs) van de basisverordening. Meer in het bijzonder is een exporteur die gebruik maakt van de DEPBS niet verplicht de goederen die vrij van rechten werden ingevoerd, ook echt bij het productieproces te gebruiken en wordt het kredietbedrag niet berekend op basis van de werkelijke waarde van de gebruikte inputs. Ten slotte komt een exporteur ook als hij geen inputs invoert voor DEPBS-steun in aanmerking. Om die steun te verkrijgen, is het voldoende dat de exporteur goederen uitvoert; hij hoeft niet aan te tonen dat inputs werden ingevoerd.

De Indiase overheid heeft verzuimd om een stelsel in te voeren waarin een verband bestaat tussen de hoogte van de vrijstelling voor inputs en het gebruik van die inputs bij de productie van de uitgevoerde producten. Verder kunnen de ondernemingen die gebruikmaken van de regeling niet aantonen dat zij niet te veel restitutie hebben gekregen. Wat betreft het al dan niet sprake zijn van overcompensatie in dit specifieke geval kon de onderneming in kwestie niet aantonen dat zij niet werd overgecompenseerd. Zij had bijvoorbeeld een compensatie kunnen ontvangen voor andere ingevoerde producten of voor ingevoerde inputs die in werkelijkheid niet bij de productie van het betrokken product worden verbruikt. Verder is de verklaring dat in India geen inputs voor het betrokken product worden, geproduceerd, onjuist, omdat ten minste één van de onderzochte ondernemingen de inputs in India produceerde en twee anderen de inputs van een binnenlandse producent kochten, en niet van een importeur-handelaar. Deze argumenten moeten derhalve worden afgewezen.

(23)

Een partij voerde aan dat bij verkoop van de DEPBS-vergunning de werkelijke verkoopprijs lager was dan de waarde van de vergunning en derhalve ook het tot compenserende maatregelen aanleiding gevende voordeel kleiner was. In dit verband wordt opgemerkt dat het uit deze regeling verkregen voordeel werd berekend op basis van het in de vergunning toegekende kredietbedrag, ongeacht of de vergunning ter compensatie van invoerrechten was gebruikt of verkocht. Het verkopen van een vergunning tegen een prijs die lager is dan de nominale waarde is een louter commerciële beslissing die het bedrag van het uit deze regeling ontvangen voordeel niet verandert. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

(24)

De Indiase overheid voerde aan dat de DEPBS in de loop van het OT was ingetrokken en daarom geen compenserende maatregel tegen deze regeling moest worden ingesteld. Een ander argument dat tegen het instellen van een compenserende maatregel tegen de DEPBS werd aangevoerd, was dat de terugbetalingsregeling geen opvolger van de DEPBS is. Het is juist dat de DEPBS op 30 september 2011, dus tijdens het OT, verviel. De subsidiëring bleef echter bestaan. Exporteurs die eerder steun uit de DEPBS ontvingen, bleken na 30 september 2011 steun uit de AAS en vooral de DDS te ontvangen. Zoals beschreven in de overwegingen 42, 43 en 44 van de voorlopige verordening werden de AAS en DDS zo aangepast dat die overgang soepel zou verlopen. Daarnaast is de aard van de voordelen die uit de drie regelingen werden verkregen, namelijk vergoeding van gederfde inkomsten in de vorm van vrijstelling van douanerechten, precies hetzelfde. Ondernemingen konden dus kiezen welke regeling zij voor de compensatie van douanerechten wilden gebruiken. Vandaar dat ondanks het feit dat de DEPBS halverwege het OT ophield te bestaan, tegen de subsidies die de Indiase regering in die periode verstrekte compenserende maatregelen moeten worden ingesteld, omdat het overkoepelende subsidiesysteem bleef bestaan. Om de in overweging 20 genoemde redenen vormen alle regelingen voor de terugbetaling van rechten immers éénn enkel subsidiemechanisme met verschillende, vaak veranderende deelmechanismen. Ditargument moeten bijgevolg worden afgewezen.

(25)

In haar antwoord op de definitieve bevindingen heeft de Indiase overheid haar argumenten betreffende de intrekking van de DEPBS na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaald. Aangezien echter geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven tot een wijziging van de conclusie betreffende de vervanging van de subsidiëring uit hoofde van de ingetrokken DEPBS door de aangepaste DDS kan dit argument niet worden aanvaard.

(26)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 29 tot en met 47 van de voorlopige verordening bevestigd.

(27)

Daarnaast is gebleken dat de Indiase producent-exporteur KEI in het OT gebruik heeft gemaakt van de DEPBS. Het subsidiepercentage bedroeg 0,50 %.

3.3.   Regeling voor de terugbetaling van rechten (DDS)

(28)

De Indiase overheid voerde aan dat de DDS niet mocht worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie, aangezien de regeling bedoeld was ter compensatie van betaalde invoerrechten en accijnzen op inputs. Zoals uiteengezet in de overwegingen 58, 59 en 60 van de voorlopige verordening, kan deze regeling niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, omdat zij niet voldoet aan de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II en bijlage III van de basisverordening. Meer in het bijzonder is er geen systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs bij de productie van het uitgevoerde product worden verbruikt, dan wel of te veel restitutie werd betaald in de zin van bijlage I, punt i), en bijlagen II en III van de basisverordening. Bovendien komt een exporteur ook als hij geen inputs invoert voor de DDS-voordelen in aanmerking. Om die voordelen te verkrijgen, is het voldoende dat de exporteur goederen gewoonweg uitvoert; hij hoeft niet aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. Het bovenstaande werd bevestigd tijdens de controlebezoeken en blijkt ook uit de relevante nationale wetgeving circulaire nr. 24/2001 zoals uiteengezet in overweging 60 van de voorlopige verordening. Daarnaast gaf de Indiase overheid ook zelf in punt 32 van haar schriftelijke opmerkingen toe dat de DDS tot een te hoge restitutie kan leiden. Het argument van de Indiase overheid moet derhalve worden afgewezen.

(29)

De Indiase overheid voerde verder aan dat de verificatieregeling voor de consumptie van inputs weliswaar niet compleet was, met name door het grote aantal begunstigden en de administratieve lasten die de controle van al die begunstigden met zich meebrengt, maar dat het bestaande verificatiemechanisme op basis van steekproeven aanvaardbaar zou moeten zijn. Dit argument moet echter worden afgewezen, omdat artikel 3, lid 1, onder a), ii), bijlage I, punt i), bijlage II en bijlage III van de basisverordening, niet voorzien in het gebruik van steekproeven.

(30)

Aangezien geen andere opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 48 tot en met 64 van de voorlopige verordening bevestigd.

(31)

Daarnaast is gebleken dat de Indiase producent-exporteur KEI Industries in het OT gebruik heeft gemaakt van de DDS. Het subsidiepercentage bedroeg 0,29 %.

3.4.   Regeling voorafgaande vergunningen (AAS)

(32)

Een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in India voerde aan dat de AAS moest worden beschouwd als een regeling voor de terugbetaling van rechten, omdat de ingevoerde materialen voor de productie van uitgevoerde producten werden gebruikt. Zoals uiteengezet in overweging 76 van de voorlopige verordening kan de subregeling waarvan in dit geval gebruik wordt gemaakt, niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Zij voldoet niet aan de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II en bijlage III van de basisverordening. De Indiase overheid heeft niet daadwerkelijk een verificatieregeling of procedure toegepast om na te gaan of, en zo ja in welke mate, de inputs bij de productie van het uitgevoerde product werden verbruikt (bijlage II, punt II.4, van de basisverordening en, in het geval van terugbetalingsregelingen voor vervangende inputs, bijlage III, punt II.2, van de basisverordening). Bovendien zijn de standaard-input-outputnormen (SION’s) voor het betrokken product niet nauwkeurig genoeg en kunnen zij niet voor de verificatie van het werkelijke verbruik worden gebruikt. De Indiase overheid kan aan de hand van deze standaardnormen niet met voldoende nauwkeurigheid vaststellen hoeveel inputs bij de productie van de uitgevoerde producten zijn verbruikt. De Indiase overheid doet ook geen verder onderzoek naar de werkelijk verbruikte inputs, zoals uiteengezet in overweging 73 van de voorlopige verordening, hoewel dit normaliter vereist is als er geen effectieve verificatieregeling is (bijlage II, punt II.5, en bijlage III, punt II.3, van de basisverordening). De subregeling geeft daarom aanleiding tot compenserende maatregelen, en het argument wordt verworpen.

(33)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 65 tot en met 80 van de voorlopige verordening bevestigd.

(34)

De Indiase producent-exporteur KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van de AAS.

3.5.   Regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering (EPCGS)

(35)

Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen diende een van de Indiase producenten-exporteurs een opmerking in betreffende een rekenfout. Deze opmerking was deels terecht en er is rekening mee gehouden bij de berekening van het subsidiebedrag. Aangezien de totale subsidiemarge voor deze onderneming zelfs vóór deze correctie reeds onder de de-minimisdrempel lag, heeft deze aanpassing geen invloed op de uiteindelijke hoogte van het compenserend recht voor deze onderneming, en ook niet op de gemiddelde subsidiemarge voor de medewerkende niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, noch ook op de subsidiemarge voor het hele land.

(36)

Afgezien van het bovenstaande, worden de overwegingen 81 tot en met 91 van de voorlopige verordening bevestigd.

(37)

De Indiase producent-exporteur KEI bleek in het OT met betrekking tot het betrokken product geen voordeel te hebben verkregen uit de EPCGS.

3.6.   Regeling exportkredieten (ECS)

(38)

De Indiase overheid merkte op dat de Commissie in overweging 92 van de voorlopige verordening de rechtsgrond van de ECS verkeerd had aangehaald. De Indiase overheid gaf aan dat Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 01/04.02.02/2007-2008 („MC 07-08”) en Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 09/04.02.02/2008-2009 („MC 08-09”) waren herzien en na de herziening als volgt moesten worden aangehaald: Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 06/04.02.002/2010-2011 („MC 10-11”) en Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC 04/04.02.002/2011-2012 („MC 11-12”); deze herziene versies vormden in het OT de rechtsgrond van de ECS. De opmerking van de Indiase overheid is dan ook terecht.

(39)

De Indiase overheid voerde verder aan dat wanneer de Commissie de geactualiseerde rechtsgrond in aanmerking had genomen, zij vastgesteld zou hebben dat het maximumrentetarief voor exportkredieten die de Reserve Bank of India (nationale centrale bank) voor alle handelsbanken verplicht had gesteld, al vóór het OT niet meer voor exportkredieten in roepies werd toegepast. Bijgevolg zou deze regeling, voor zover het exportkredieten in roepies betreft, niet langer als subsidie kunnen worden beschouwd. Uit het onderzoek is gebleken dat twee in de steekproef opgenomen ondernemingen van private banken exportkredieten kregen tegen een lagere rente dan de door de centrale bank vastgestelde referentierentevoet. Uit het onderzoek is niet gebleken van een commercieel motief voor het verstrekken van kredieten tegen een lagere en kennelijk verliesgevende rente. Bijgevolg duiden deze kredietverleningspraktijken erop dat nog steeds sprake is van overheidsbemoeienis. Het onderzoek heeft echter niet de in de WTO-regels vereiste mate van bewijs opgeleverd om te kunnen vaststellen dat de overheid nog steeds opdrachten of instructies geeft aan de handelsbanken. Vandaar dat de Commissie bij ontstentenis van voldoende bewijs van een gezagsverhouding tussen overheid en banken en/of van een financiële bijdrage van de Indiase overheid aan de banken, heeft besloten om de verlaagde rentetarieven niet aan te merken als subsidie uit hoofde van deze subregeling.

(40)

Ten slotte voerde de Indiase overheid aan dat de laatste gewijzigde versie van Master Circular — DBOD No. DIR(Exp.) BC. 06/04.02.002/2012-2013 („MC 12-13”), die twee maanden na het einde van het OT van kracht is geworden, de maximale rentetarieven voor exportkredieten heeft opgeheven, ook voor kredieten in buitenlandse valuta. onder verwijzing naar artikel 15, lid 1, van de basisverordening stelde de Indiase overheid dat tegen dit onderdeel van de ECS geen compenserende maatregelen zouden moeten worden ingesteld, omdat de overheid niet langer aanwijzingen geeft aan banken. Hoewel de overgelegde MC 12-13 een bepaling bevat die handelsbanken met ingang van mei 2012 de vrijheid geeft om zelf de rentetarieven voor exportkredieten in buitenlandse valuta te bepalen, zoals gesteld door de Indiase overheid, zou een dergelijke verandering van instructies van de RBI aan particuliere banken gedurende het onderzoek op zichzelf onvoldoende grond zijn om deze regeling uit te sluiten, aangezien de overheid nog steeds op informele wijze instructies kan geven, hetgeen nader zou moeten worden onderzocht. Gezien deze conclusie over exportkredieten in roepies uit hoofde van de subregeling, heeft de Commissie echter besloten om in dit stadium geen compenserende maatregelen tegen deze subregeling in te stellen voor zover hieruit exportkredieten in buitenlandse valuta worden verstrekt.

(41)

Gezien het bovenstaande worden de rechten, voor zover van toepassing, gecorrigeerd.

3.7.   Focus Market Scheme (FMS)

(42)

Naar aanleiding van mededeling van de definitieve bevindingen heeft de Indiase overheid enkele opmerkingen gemaakt over de FMS-regeling. Zij voerde aan dat deze regeling geografisch gerelateerd is aan landen die geen deel uitmaken van de Unie en dat er dus geen aanleiding is voor de Unie om compenserende maatregelen in te stellen. De Indiase overheid kon echter niet ontkennen dat deze regeling in de praktijk wordt toegepast en dat de FMS-steun gebruikt kan worden voor het betrokken product, en met name dat de FMS-kredietpunten vrij verhandelbaar zijn en gebruikt kunnen worden om douanerechten te betalen op later ingevoerde inputs of goederen, met inbegrip van kapitaalgoederen. Dit argument moest dus worden afgewezen, aangezien uit het onderzoek bleek dat het betrokken product van deze regeling kan profiteren en het ook inderdaad daarvan profiteert wanneer het naar de Unie wordt uitgevoerd.

(43)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 101 tot en met 111 van de voorlopige verordening bevestigd.

(44)

De Indiase producent-exporteur KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van de FMS.

3.8.   Regeling exportgerichte bedrijven (EOUS)

(45)

Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen diende de enige onderzochte producent-exporteur die gebruik maakte van EOUS opmerkingen in met betrekking tot deze regeling. De onderneming stelde dat de Commissie een andere methode zou moeten gebruiken om de uit hoofde van EOUS ontvangen steun te berekenen. Zij voerde aan dat bepaalde steun uit hoofde van EOUS beschouwd zou moeten worden als een toelaatbare regeling voor de terugbetaling van rechten in de zin van bijlagen II en III van de basisverordening en dat daarop om die reden geen compenserend recht zou moeten worden toegepast.

(46)

Het bleek echter dat ongeacht de wijze van berekening het subsidiepercentage uit hoofde van deze regeling niet meer dan 0,95 % zou bedragen, zodat de totale subsidiemarge voor deze onderneming onder de de-minimisdrempel zou blijven. Het werd daarom niet noodzakelijk geacht deze claim verder te analyseren in de context van dit onderzoek.

(47)

Aangezien geen verdere opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 112 van de voorlopige verordening bevestigd.

(48)

De Indiase producent-exporteur KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van deze regeling.

3.9.   Hoogte van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

(49)

Na de beslissing om de steun uit hoofde van de ESC niet als een subsidie te beschouwen, zoals beschreven in de overwegingen 38 tot en met 41, en na correctie van de berekening van de EPCGS-steun voor een van de ondernemingen, zoals beschreven in overweging 35, zijn de rechten waar nodig aangepast. De definitieve subsidiemarges die tot compenserende maatregelen aanleiding geven, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening en uitgedrukt ad valorem, variëren nu van 0,79 % tot 3,72 %.

Regeling

Onderneming

Raajratna

Venus Group

Viraj

KEI

DEPBS (8)

0,58 %

0,93 %, 1,04 %, 1,32 %, 2,04 %

0,50 %

DDS (8)

0,61 %

1,14 %, 1,77 %, 1,68 %, 1,91 %

0,29 %

AAS (8)

2,43 %

0,15 %, 0 %, 0 %, 0 %

EPCGS (8)

0,09 %

0,02 %, 0 %, 0 %, 0 %

0,03 %

ECS (8)

FMS (8)

0,13 %, 0,71 %, 0,07 %, 0 %

EOU (8)

0,95 %

Totaal

3,72 %

3,03 % (9)

0,98 % (10)

0,79 % (10)

(50)

De opnieuw berekende subsidiemarge voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen is 3,41 %.

(51)

De opnieuw berekende voor het gehele land geldende subsidiemarge is 3,72 %.

4.   BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE

4.1.   Bedrijfstak van de Unie

(52)

Sommige gebruikers zetten vraagtekens bij het aantal producenten in de Unie dat in overweging 116 van de voorlopige verordening wordt genoemd. Zij stellen dat dit aantal onjuist is en dat er in werkelijkheid minder producenten op de markt van de Unie zijn.

(53)

De Commissie wijst erop dat deze stelling niet is onderbouwd en bevestigt de in overweging 116 van de voorlopige verordening gegeven informatie, namelijk dat het betrokken product in het OT door 27 producenten in de Unie werd vervaardigd. Dit is het aantal dat is vastgesteld op basis van de klacht, in de representativiteitsfase en gedurende het onderzoek. De Commissie heeft zich in verbinding gesteld met alle bekende producenten en de gegevens die naar aanleiding daarvan werden ontvangen, voor het huidige onderzoek gebruikt.

4.2.   Productie in de Unie en steekproef van producenten in de Unie

(54)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 117, 118 en 119 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   SCHADE

5.1.   Verbruik in de Unie

(55)

Enkele gebruikers stelden dat de gegevens voor 2009 niet in de schadeanalyse hadden moeten worden meegenomen, omdat de financiële crisis van dat jaar verstorende effecten had, met name op het verbruik in de Unie. Maar zelfs als de gegevens voor dat jaar niet waren meegenomen, dan nog zouden de verbruikscijfers een stijgende trend hebben laten zien (+ 5 %), wat duidt op een verbeterende markt. Bovendien worden de negatieve effecten van de financiële crisis in overweging 120 van de voorlopige verordening expliciet genoemd, maar wordt desalniettemin geconcludeerd dat de marktsituatie was verbeterd. Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 120 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   Invoer in de Unie uit het betrokken land

(56)

De voor KEI Industries vastgestelde subsidiemarge ligt onder de de-minimisdrempel van artikel 14, lid 5, van de basisverordening (zie overweging 49 hierboven). Vandaar dat deze producent-exporteur wordt geacht tijdens het OT geen voordeel te hebben verkregen uit subsidieregelingen in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening. Bijgevolg werd de omvang van de invoer afkomstig van die onderneming niet opgenomen in de totale omvang van de invoer met subsidiëring uit India. Eén producent-exporteur, de Venus Group, merkte op dat bepaalde transacties bij vergissing dubbel waren geteld. De Commissie was het hiermee eens en bracht de invoer in verband met die transacties in mindering op de totale omvang van de invoer met subsidiëring uit India. De omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijs van de invoer met subsidiëring werden dienovereenkomstig gecorrigeerd.

(57)

Omvang en marktaandeel van de invoer met subsidiëring:

 

2009

2010

2011

OT

Volume (Mt)

11 620

20 038

25 326

24 415

Index (2009 = 100)

100

172

218

210

Marktaandeel

8,8 %

10,7 %

12,9 %

12,4 %

Index (2009 = 100)

100

121

146

140

Bron:

Eurostat en antwoorden op de vragenlijst.

(58)

Omdat KEI tijdens het OT maar beperkte hoeveelheden van het betrokken product uitvoerde en bovengenoemde transacties van de Venus-groep maar op de invoer van een beperkte hoeveelheid van het betrokken product betrekking hadden, heeft de aftrek van de betreffende invoerhoeveelheden geen gevolgen voor de in de overwegingen 123 en 124 van de basisverordening beschreven trends. Deze overwegingen van de voorlopige verordening worden bijgevolg bevestigd.

(59)

Gemiddelde prijs van de invoer met subsidiëring:

 

2009

2010

2011

OT

Gemiddelde prijs

(EUR/Mt)

2 419

2 856

3 311

3 259

Index (2009 = 100)

100

118

137

135

Bron:

Eurostat en antwoorden op de vragenlijst.

(60)

Zoals hierboven uiteengezet, voerde KEI tijdens het OT maar beperkte hoeveelheden uit en had de verwijdering van bepaalde transacties van de Venus Group maar beperkte gevolgen voor de totale omvang van de invoer van het betrokken product. Het niet meenemen van de invoer afkomstig van KEI en van de invoer in verband met bovengenoemde transacties van de Venus Group heeft derhalve geen significante gevolgen voor de gemiddelde prijs van de invoer met subsidiëring uit India en evenmin voor de marge van de prijsonderbieding. De opnieuw berekende prijsonderbiedingsmarge is 11,7 %. Voor het overige worden de conclusies die zijn getrokken uit de in de overwegingen 128, 129 en 130 van de voorlopige verordening beschreven bevindingen bevestigd.

(61)

In antwoord op de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Indiase overheid aan dat de Commissie de prorata-reductie van invoer met subsidie alleen had toegepast op de importvolumes van medewerkende producenten-exporteurs teneinde rekening te houden met de de-minimisbevindingen betreffende KEI en de correcties betreffende dubbel getelde transacties van de Venus Group. Dit argument is gebaseerd op een misverstand. De Commissie heeft de prorata-reductie toegepast op het gehele invoervolume, ook van niet-medewerkende importeurs. Het argument moet daarom worden verworpen.

5.3.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

(62)

Sommige partijen merkten op dat de resultaten van de bedrijfstak van de Unie gezien de wereldwijde economische crisis toch redelijk positief waren en dat behalve de schade-indicator „marktaandeel” geen enkele van de andere indicatoren op het bestaan van schade wees.

(63)

Eén partij merkte op dat de gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode veel meer was gestegen dan de productiekosten, respectievelijk 34 % en 13 %. In dit verband wordt opgemerkt dat in het begin van de beoordelingsperiode, in 2009, de bedrijfstak van de Unie onder de kostprijs verkocht en de bedrijfstak er pas vanaf 2011 in slaagde om boven de kostprijs te verkopen.

(64)

Uit het onderzoek is gebleken dat sommige schade-indicatoren, zoals productieomvang en bezettingsgraad, weliswaar een positieve trend voor de beoordelingsperiode laten zien, of een stabiele trend, zoals werkgelegenheid, maar dat een aantal andere, die verband houden met de financiële situatie van de bedrijfstak, namelijk winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen, voor die periode geen bevredigende trend tonen. De indicator betreffende investeringen verbeterde in 2010, maar viel in 2011 en in het OT weer beneden het peil van 2009. Het is juist dat het rendement van investeringen verbeterde in 2009-2011 en 6,7 % bereikte, maar het daalde weer tot 0,8 % in het OT. Ook de indicatoren betreffende winstgevendheid en kasstroom verbeterden tot 2011 maar verslechterden weer in het OT. Geconcludeerd kan dus worden dat de bedrijfstak van de Unie na 2009 verbetering vertoonde, maar dat dit herstel daarna vertraagd werd door de invoer met subsidiëring vanuit India.

(65)

Op verzoek van een belanghebbende partij wordt bevestigd dat de in overweging 153 van de voorlopige verordening genoemde voorraadniveaus betrekking hebben op de activiteiten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de Unie.

(66)

De bedrijfstak van de Unie stelde dat de in het voorlopige stadium vastgestelde streefwinstmarge van 5 % te laag was. Deze stelling werd onvoldoende onderbouwd. In overweging 148 van de voorlopige verordening wordt aangegeven waarom voor deze winstmarge is gekozen. Uit het onderzoek is niet gebleken van enige reden om deze winstmarge te veranderen. Vandaar dat de winstmarge van 5 % voor de definitieve bevindingen wordt gehandhaafd.

(67)

Eén producent-exporteur stelde dat de moeilijkheden van de bedrijfstak van de Unie grotendeels het gevolg waren van structurele problemen. De streefwinstmarge van 5 % zou daarom niet realistisch zijn.

(68)

De Commissie roept in herinnering dat volgens de jurisprudentie (11), de instellingen een winstmarge moeten vaststellen die de bedrijfstak van de Unie onder normale concurrentievoorwaarden, zonder invoer met subsidiëring, redelijkerwijs mag verwachten. Het uitvoeren van een dergelijke analyse bleek in onderhavige zaak om de volgende redenen onmogelijk. Alleen voor de periode na 2007 is voldoende informatie beschikbaar voor het berekenen van de winstmarges voor het betrokken product. In 2007 was de winstmarge 3,7 %; vanaf 2008 was de winstmarge negatief als gevolg van de financiële en economische crisis. In de klacht wordt aangevoerd, en het onderzoek heeft dit bevestigd, dat de invoer met subsidiëring in 2007 begon: de omvang van de invoer steeg dat jaar van 17 727 ton naar 24 811,3 ton. Vandaar dat de instellingen de streefwinstmarges hebben vastgesteld op basis van de werkelijke winsten in sectoren van de staalindustrie die geen schade door invoer met dumping of subsidiëring hebben geleden (12).

5.4.   Conclusie over schade

(69)

De Commissie concludeert derhalve dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden tijdens het OT.

6.   OORZAKELIJK VERBAND

6.1.   Gevolgen van invoer met subsidiëring

(70)

Eén producent-exporteur voerde aan dat in de voorlopige verordening voorbij werd gegaan aan het feit dat de bedrijfstak van de Unie sinds 2009 kon profiteren van een stijging van het verbruik en dat de Commissie er niet van uit kon gaan dat de bedrijfstak zijn marktaandeel voor eeuwig zou handhaven.

(71)

Als reactie op deze argumenten wordt opgemerkt dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat het marktaandeel van de invoer met subsidiëring uit India sneller groeide dan het verbruik in de Unie. De omvang van de invoer met subsidiëring uit India steeg met 110 %, terwijl het verbruik in de Unie in dezelfde periode met 50 % steeg. Bovendien bleek uit het onderzoek ook dat de gemiddelde Indiase prijs constant onder de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode lag, en dat de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie met 11,7 % onderboden werd gedurende het OT. Het resultaat was dat de bedrijfstak van de Unie inderdaad in zekere mate van de toegenomen consumptie profiteerde, en zijn verkoopvolume met 40 % kon opvoeren, maar zijn marktaandeel niet kon handhaven, zoals te verwachten zou zijn geweest bij een positieve ontwikkeling van de markt en gezien de beschikbare productiecapaciteit.

6.2.   Gevolgen van andere factoren

6.2.1.   Invoer zonder subsidiëring

(72)

Enkele belanghebbende partijen stelden dat het effect van de invoer zonder subsidiëring opnieuw beoordeeld zou moeten worden in het licht van het feit dat KEI Industries een de-minimissubsidiemarge werd toegekend en het feit dat bepaalde dubbeltellingen betreffende transacties van de Venus Group uit de analyse waren verwijderd. Zij voerden verder aan dat de prijzen van de invoer zonder subsidiëring lager waren dan de prijzen van de invoer met subsidiëring.

(73)

De tabel hieronder laat de ontwikkeling van het volume van de uitvoer zonder subsidiëring en van de prijzen in de beoordelingsperiode zien. Dit volume vertegenwoordigde ongeveer een derde van de uitvoer van India gedurende het OT en volgde dezelfde trend als de invoer met subsidiëring.

 

2009

2010

2011

OT

Volume (Mt)

5 227

9 015

11 394

10 938

Volume (index)

100

172

218

210

Gemiddelde prijs (EUR/MT)

2 268

2 678

3 105

3 056

Gemiddelde prijs (index)

100

118

137

135

Bron:

Antwoorden op vragenlijst en Eurostat.

(74)

Het is dus juist dat de prijzen van invoer zonder subsidiëring lager waren dan de prijzen van invoer met subsidiëring. Het volume van de invoer zonder subsidiëring bedraagt echter slechts een derde van het volume van de invoer met subsidiëring. De schade veroorzaakt door invoer zonder subsidiëring verbreekt daarom niet het oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring vanuit India en de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT heeft geleden.

6.2.2.   Invoer uit derde landen

(75)

Een producent-exporteur in India en de Indiase overheid herhaalden de stelling dat de Volksrepubliek China in het onderzoek had moeten worden meegenomen en dat de gevolgen van de invoer uit de VRC voor de markt en de bedrijfstak van de Unie waren onderschat.

(76)

Zoals opgemerkt in overweging 170 van de voorlopige verordening is er noch in de inleidingsfase noch in de definitieve fase van het onderzoek enig bewijs van subsidiëring gevonden dat de inleiding van een antisubsidieprocedure met betrekking tot invoer van oorsprong uit de VRC gerechtvaardigd zou hebben. De stelling dat het onderzoek tot de VRC had moeten worden uitgebreid, is derhalve ongegrond en wordt verworpen.

(77)

Dat neemt niet weg dat de invoer uit de VRC in de beoordelingsperiode een stijgende trend vertoonde en aan het einde van het OT een marktaandeel van 8,3 % vertegenwoordigde, zoals vermeld in punt 168 van de voorlopige verordening. Verder waren de prijzen van de invoer uit de VRC lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en ook van de prijzen van de Indiase producenten-exporteurs op de markt van de Unie. Vandaar dat nader werd onderzocht of de invoer uit de VRC aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade had kunnen bijdragen en zo het oorzakelijk verband tussen die schade en de invoer met subsidiëring uit India had verbroken.

(78)

De informatie die in de voorlopige fase van het onderzoek beschikbaar was, duidt er echter op dat de invoer uit de VRC uit een andere productmix bestond en tot andere productcategorieën behoorde dan de producten van de bedrijfstak van de Unie of de producten van oorsprong uit India die op de markt van de Unie werden verkocht.

(79)

Na publicatie van de voorlopige maatregel ontving de Commissie verschillende opmerkingen die wezen op de mogelijkheid dat Chinese laaggeprijsde invoer gedurende het OT het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit India en de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade had kunnen verbreken.

(80)

Uit een analyse van de invoerstatistieken voor de producten die onder de betreffende twee GN-codes vallen, is naar voren gekomen dat 29 % van de invoer uit China was bedoeld voor het lagere marktsegment (producten die vallen onder GN-code 7223 00 99). Dit verklaart deels waarom de prijzen van de invoer uit de VRC gemiddeld lager waren dan die van de bedrijfstak van de Unie en van de producenten-exporteurs in India. De statistieken voor producten die onder de GN-code 7223 00 99 vallen, laten ook zien dat de afnemers van Chinese producenten waren geconcentreerd in het Verenigd Koninkrijk, waar de bedrijfstak van de Unie nauwelijks was vertegenwoordigd.

Gemiddelde prijs

(EUR/Mt)

2009

2010

2011

OT

72 230 019

2 974

3 286

3 436

2 995

72 230 099

765

1 458

1 472

1 320

Bron:

Eurostat.

(81)

Wat betreft de producten onder GN-code 7223 00 19, bleek uit een analyse op PCN-basis dat zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs in India vooral in het hogere marktsegment actief waren, waar de prijzen soms wel vier keer hoger waren dan in het lagere marktsegment, voor producten uit dezelfde GN-categorie (13). Uit het onderzoek bleek ook dat prijsverschillen in het algemeen verband hielden met verschillen in productsoort en nikkelgehalte. Verder bleek dat Chinese exporteurs op de markt van de Unie hoofdzakelijk productsoorten van lagere kwaliteit verkochten, die vallen onder bovengenoemde GN-code. De productmix is dus een bepalende factor bij het beoordelen van de invoer vanuit China.

(82)

Wat het prijspeil van de invoer vanuit de Volksrepubliek China betreft, zij erop gewezen dat van 2009 tot het OT de gemiddelde prijs van de Chinese invoer hoger lag dan die van de gesubsidieerde Indiase producenten-exporteurs, zoals blijkt uit de volgende tabel die de gemiddelde prijs weergeeft van onder GN-code 7223 00 19 vallende Indiase uitvoer met subsidiëring.

Gemiddelde prijs

(EUR/Mt)

2009

2010

2011

OT

OT + 1

73 320 019

2 974

3 286

3 436

2 995

3 093

Bron:

Eurostat.

(83)

Tijdens het OT daalde de gemiddelde prijs van de invoer uit China voor het eerst onder die van de Indiase invoerprijs voor invoer met subsidiëring. Deze waarneming bleek echter van tijdelijke aard te zijn aangezien het Chinese prijspeil in het jaar na het OT weer steeg en hoger was dan de Indiase prijzen.

(84)

Voorts bleek uit een vergelijking van de omvang van de invoer uit India en die uit de VRC dat over de gehele beoordelingsperiode en met name in het OT de invoer uit de VRC veel lager was dan die uit India. De omvang van de invoer uit de VRC bedroeg minder dan de helft van die uit India.

(85)

Op basis van het bovenstaande wordt bevestigd dat in het OT een significant deel van de invoer uit de VRC verschilde van de productmix van de bedrijfstak van de Unie en dat van directe concurrentie met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte producten maar beperkt sprake was.

(86)

De invoer vanuit de VRC kan dus de situatie van de bedrijfstak van de Unie niet zodanig beïnvloed hebben dat daardoor het oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring vanuit India en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade werd verbroken. Overweging 168 van de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd.

6.2.3.   Concurrentie van andere producenten in de Unie

(87)

Een partij voerde aan dat de zwakke financiële prestaties van de producenten van de Unie te wijten zouden kunnen zijn aan concurrentie van andere producenten in de Unie die zich niet bij de klacht hadden aangesloten en geen steun hadden uitgesproken voor de inleiding van het onderzoek.

(88)

Het marktaandeel van andere producenten in de Unie ontwikkelde zich als volgt:

 

2009

2010

2011

OT

Volume (Mt)

34 926

55 740

55 124

55 124

Index (2009 = 100)

100

160

158

158

Marktaandeel van andere producenten in de Unie

26,6 %

29,8 %

28,1 %

27,9 %

Bron:

Klacht.

(89)

De producenten in de Unie die geen klacht hadden ingediend en niet uitdrukkelijk hun steun hadden uitgesproken voor het onderzoek, vertegenwoordigden 44 % van het totale verkoopvolume van de Unie dat in overweging 139 van de voorlopige verordening wordt vermeld. Hun verkoopvolume steeg in de beoordelingsperiode met 58 %: van naar schatting 34 926 ton in 2009 tot 55 124 ton aan het einde van het OT. Vergeleken met de groei van de invoer met subsidiëring uit India in dezelfde periode (+ 110 %), is deze groei echter relatief bescheiden. Bovendien bleef het marktaandeel van deze producenten gedurende de beoordelingsperiode vrij stabiel en duidt niets erop dat hun prijzen lager waren die van de in de steekproef opgenomen producenten. Bijgevolg wordt geconcludeerd dat hun afzet op de markt van de Unie niet bijdroeg aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade.

6.3.   Conclusie inzake oorzakelijk verband

(90)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 176 tot en met 179 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.   BELANG VAN DE UNIE

7.1.   Algemene overwegingen

(91)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 180 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(92)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 181 tot en met 188 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.3.   Belang van gebruikers

(93)

Na de instelling van voorlopige maatregelen lieten zeven gebruikers en één vereniging van gebruikers weten hun medewerking aan het onderzoek te willen verlenen. Naar aanleiding van hun verzoek stuurde de Commissie hen in april 2013 een vragenlijst. Deze vragenlijst werd echter slechts door slechts twee gebruikers volledig ingevuld teruggestuurd. Alle medewerkende gebruikers samen vertegenwoordigden in het OT 12 % van de totale invoer uit India en 2,5 % van het totale verbruik in de Unie. Op basis van de nieuwe gegevens uit de ingevulde vragenlijsten en de bevindingen van een controlebezoek aan twee gebruikers voor het verifiëren van de verstrekte gegevens, werden de economische gevolgen van de maatregelen voor gebruikers opnieuw beoordeeld.

(94)

De gebruikers stelden dat het winstgevendheidspercentage van 9 % dat in overweging 191 van de voorlopige verordening wordt genoemd, te hoog was en niet representatief voor de verwerkende ondernemingen. Na ontvangst van de antwoorden op een aanvullende vragenlijst werd de gemiddelde winstgevendheid van alle medewerkende gebruikers opnieuw berekend en vastgesteld op 2 % van de omzet.

(95)

Ook bleek dat de medewerkende gebruikers gemiddeld 44 % van hun aankopen van het betrokken product uit India betrokken en dat voor twee van hen India de enige voorzieningsbron was. De omzet van het product waarin het betrokken product werd opgenomen, bedroeg in het OT gemiddeld 14 % van de omzet van de medewerkende gebruikers.

(96)

Uitgaande van het worst-casescenario voor de markt van de Unie, namelijk dat eventuele prijsstijgingen niet aan de distributieketen kunnen worden doorberekend en de gebruikers dezelfde hoeveelheden uit India blijven betrekken als voorheen, zou de instelling van het recht voor gebruikers tot gevolg hebben dat de winstgevendheid van activiteiten waarvoor het betrokken product wordt gebruikt, met gemiddeld 0,25 procentpunten afneemt tot 1,75 %.

(97)

De Commissie erkent dat de gevolgen op individueel niveau groter zijn voor gebruikers die hun volledige invoer uit India betrekken. Dit betreft echter een relatief klein aantal (twee van de medewerkende gebruikers). Verder kan krachtens artikel 21 van de basisverordening om terugbetaling van de rechten worden verzocht als aan alle voorwaarden voor een dergelijke terugbetaling is voldaan. Daarvoor is wel de medewerking van de Indiase producent vereist.

(98)

Enkele gebruikers gaven opnieuw uiting aan de zorg dat compenserende maatregelen gevolgen zouden hebben voor bepaalde typen draad die niet in Europa worden geproduceerd, namelijk typen van de zogeheten „serie 200”, zoals beschreven in overweging 194 van de voorlopige verordening. Volgens die gebruikers zouden die typen draad niet in de Unie worden geproduceerd omdat er in de Unie maar een beperkte vraag naar bestaat en het heel specifieke productieprocessen betreft.

(99)

Uit het onderzoek is echter gebleken dat dergelijke typen draad van roestvrij staal wel degelijk door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd en een beperkt aandeel van de markt van de Unie vertegenwoordigen. Daarnaast zijn er voor gebruikers alternatieve voorzieningsbronnen in landen waartegen geen antidumping- of antisubsidiemaatregelen zijn ingesteld. Bovendien zal voor twee producenten-exporteurs in India een compenserend recht van 0 % gelden, waardoor de maatregelen geen aanzienlijke gevolgen zullen hebben voor leveringen van die producenten-exporteurs. Verder kunnen voor dezelfde doeleinden ook andere typen draad van roestvrij staal worden gebruikt. Vandaar dat het instellen van de maatregelen geen aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de markt van de Unie of voor deze gebruikers. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

(100)

Enkele gebruikers wezen erop dat voor de levering van het soortgelijk product door producenten in de Unie een langere leveringstijd geldt dan voor de levering van het betrokken product door producenten-exporteurs in India. Het feit dat handelaren een voorraad van de producten kunnen aanleggen en de producten snel beschikbaar kunnen zijn, doet evenwel geen afbreuk aan het feitelijk bewijs voor de negatieve gevolgen van de invoer met subsidiëring uit India. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

(101)

Gelet op het bovenstaande en ondanks het feit dat sommige gebruikers vermoedelijk meer negatieve gevolgen van de maatregelen tegen de invoer uit India zullen ondervinden dan andere, wordt aangenomen dat de markt van de Unie per saldo profijt zal hebben van de instelling van de maatregelen. Het is met name te verwachten dat het herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie de bedrijfstak van de Unie in staat zal stellen om de prijzen aan te passen aan de productiekosten; productie en werkgelegenheid in stand te houden; het verloren marktaandeel te heroveren en te profiteren van meer schaalvoordelen. Het zou de bedrijfstak in staat stellen om redelijke winstmarges te behalen die het mogelijk maken om op de middellange en lange termijn efficiënt te functioneren. Tegelijkertijd zal ook de algehele financiële situatie van de bedrijfstak worden verbeterd. Verder is uit het onderzoek gebleken dat de maatregelen in het algemeen maar beperkte negatieve gevolgen voor gebruikers en niet-verbonden importeurs zullen hebben. Derhalve wordt geconcludeerd dat de voordelen van de maatregelen de negatieve gevolgen voor gebruikers van het betrokken product op de markt van de Unie compenseren.

7.4.   Belang van niet-verbonden importeurs

(102)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 197, 198 en 199 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.5.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(103)

Gezien het bovenstaande worden de conclusies in de overwegingen 200 en 201 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.   DEFINITIEVE COMPENSERENDE MAATREGELEN

8.1.   Schademarge

(104)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 203 tot en met 206 van de voorlopige verordening bevestigd.

8.2.   Conclusie over de schademarge

(105)

Omdat de definitieve subsidiemarge voor KEI Industries onder de de-minimisdrempel ligt (zie overweging 49 hierboven), is voor deze onderneming geen individuele schademarge berekend.

(106)

De in de voorlopige verordening gebruikte berekeningsmethode wordt bevestigd.

8.3.   Definitieve maatregelen

(107)

Gelet op het bovenstaande moet overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening een definitief compenserend recht worden ingesteld dat hoog genoeg is om de door de invoer met subsidiëring veroorzaakte schade op te heffen, maar dat het niveau van de vastgestelde subsidiemarge niet mag overschrijden.

(108)

Daarom zijn de compenserende rechten vastgesteld door de schademarges en de subsidiemarges met elkaar te vergelijken. Bijgevolg worden de volgende compenserende rechten voorgesteld:

Onderneming

Subsidiemarge

Schademarge

Compenserend recht

Raajratna Metal Industries

3,7 %

17,2 %

3,7 %

Venus Group

3,0 %

23,4 %

3,0 %

Viraj Profiles Vpl. Ltd

0,9 %

n.v.t.

0,0 %

KEI Industries Limited

0,7 %

n.v.t.

0,0 %

Niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen

3,4 %

19,3 %

3,4 %

Alle andere ondernemingen

3,7 %

23,4 %

3,7 %

(109)

De in dit werkdocument vermelde compenserende rechten voor individuele ondernemingen zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van het onderhavige onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten gelden (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) uitsluitend voor de invoer van producten van oorsprong uit India die vervaardigd zijn door de vermelde specifieke juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van dit werkdocument genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen. Op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(110)

Verzoeken in verband met de toepassing van individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie te worden gericht (14), onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening tot instelling van de definitieve compenserende rechten dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

8.4.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(111)

Wegens de hoogte van de vastgestelde subsidiemarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige compenserende recht, definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde definitieve rechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Een definitief compenserend recht wordt ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende:

i)

2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat;

ii)

minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat;

momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00 19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India.

2.   Het definitieve compenserende recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt:

Onderneming

Recht (%)

Aanvullende Taric-code

Raajratna Metal Industries, Ahmedabad, Gujarat

3,7

B775

Venus Wire Industries Pvt. Ltd, Mumbai, Maharashtra

3,0

B776

Precision Metals, Mumbai, Maharashtra

3,0

B777

Hindustan Inox Ltd, Mumbai, Maharashtra

3,0

B778

Sieves Manufacturer India Pvt. Ltd, Mumbai, Maharashtra

3,0

B779

Viraj Profiles Vpl. Ltd, Thane, Maharashtra

0,0

B780

Kei Industries Limited, New Delhi

0,0

B925

In de bijlage opgenomen ondernemingen

3,4

 

Alle andere ondernemingen

3,7

B999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 419/2013 als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige compenserende rechten die zijn ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende:

i)

2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat;

ii)

minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat;

momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00 19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India,

worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het definitieve bedrag van het compenserend recht overschrijden, worden vrijgegeven.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 september 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.

(2)  Verordening (EU) nr. 419/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India

(PB L 126 van 8.5.2013, blz. 19).

(3)  Verordening (EU) nr. 418/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde draad van roestvrij staal van oorsprong uit India

(PB L 126 van 8.5.2013, blz. 1).

(4)  PB C 240 van 10.8.2012, blz. 6.

(5)  Zaak C-595/11 Steinel [2013], nog niet gepubliceerd, punt 44.

(6)  Zaak T-170/94 Shanghai Bicycles, Jurispr. 1997, blz. II-1383, punt 64.

(7)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).

(8)  De met een sterretje gemerkte subsidies zijn exportsubsidies.

(9)  Totale subsidiemarge op basis van de berekening voor de groep als geheel.

(10)  De minimis.

(11)  Zaak T-210/95 European Fertilizer Manufacturer’s Association (EFMA) vs. Raad, Jurispr. 1999, blz. II-3291, punt 60.

(12)  Verordening (EG) nr. 383/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde voor- en naspandraad en voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 118 van 13.5.2009, blz. 1); Verordening (EU) nr. 1071/2012 van de Commissie van 14 november 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand (PB L 318 van 15.11.2012, blz. 10); Verordening (EU) nr. 845/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 33).

(13)  Zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs in India zijn echter ook in het lagere marktsegment actief, zij het in mindere mate.

(14)  Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, 1049 Brussel, BELGIË.


BIJLAGE

NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEDEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS IN INDIA

Naam van de onderneming

Plaats

Aanvullende Taric-code

Bekaert Mukand Wire Industries

Lonand, Tal. Khandala, Satara District, Maharastra

B781

Bhansali Bright Bars Pvt. Ltd

Mumbai, Maharashtra

B781

Bhansali Stainless Wire

Mumbai, Maharashtra

B781

Chandan Steel

Mumbai, Maharashtra

B781

Drawmet Wires

Bhiwadi, Rajastan

B781

Garg Inox Ltd

Bahadurgarh, Haryana

B931

Jyoti Steel Industries Ltd

Mumbai, Maharashtra

B781

Macro Bars and Wires

Mumbai, Maharashtra

B932

Mukand Ltd

Thane

B781

Nevatia Steel & Alloys Pvt. Ltd

Mumbai, Maharashtra

B933

Panchmahal Steel Ltd

Dist. Panchmahals, Gujarat

B781


7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 862/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 september 2013

tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Casatella Trevigiana (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1151/2012 is op 3 januari 2013 in werking getreden. Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2) is bij die verordening ingetrokken en daardoor vervangen.

(2)

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 heeft de Commissie zich gebogen over een aanvraag van Italië tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming „Casatella Trevigiana”, die bij Verordening (EG) nr. 487/2008 van de Commissie (3) is geregistreerd.

(3)

Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4). Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 7 van die verordening heeft ontvangen, moet de wijziging worden goedgekeurd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 september 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(3)  PB L 143 van 3.6.2008, blz. 12.

(4)  PB C 322 van 24.10.2012, blz. 4.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

ITALIË

Casatella Trevigiana (BOB)


7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 863/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 september 2013

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting inzake de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog drie maanden mag worden gebruikt op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2).

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 kan een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting die in strijd is met onderhavige verordening, nog voor een periode van drie maanden worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 september 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Algirdas ŠEMETA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(2)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Een product (een zogenaamde realtimeklokmodule) bestaande uit een monolithische geïntegreerde schakeling en een kwartskristal, gemonteerd op een metalen frame en ingebouwd in een behuizing van kunststof, met afmetingen van circa 10 × 7 × 3 mm.

Het product werkt op een oscillatiefrequentie van 32,768 kHz en een voedingsspanning tussen 2,7 en 3,6 V. Het heeft een digitaal uitgangssignaal.

Het product wordt gebruikt in verschillende toestellen om een kloksignaal te genereren voor het bepalen van tijdsintervallen.

 (1) Zie afbeelding.

9114 90 00

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 1 n) op afdeling XVI en de bewoordingen van de GN-codes 9114 en 9114 90 00.

Aangezien het product zowel een monolithische geïntegreerde schakeling als een kwartskristal bevat, voldoet het niet aan de voorwaarden van aantekening 8 b) op hoofdstuk 85. Indeling onder post 8542 is derhalve uitgesloten.

Het product genereert een kloksignaal voor het bepalen van tijdsintervallen, hetgeen een functie van hoofdstuk 91 is.

Indeling onder post 9110 is ook uitgesloten omdat het product niet alle noodzakelijke componenten bevat om te worden aangemerkt als een niet-compleet uurwerk, en het niet gemonteerd is (zie ook de GS-toelichtingen bij post 9110, derde alinea).

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 9114 90 00 als andere delen voor de uurwerkmakerij (zie ook de GS-toelichtingen bij post 9114, A), punt 8)).

Image


(1)  De afbeelding is louter ter informatie.


7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 864/2013 VAN DE COMMISSIE

van 6 september 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 september 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

29,8

ZZ

29,8

0707 00 05

TR

95,4

ZZ

95,4

0709 93 10

TR

124,0

ZZ

124,0

0805 50 10

AR

109,7

CL

126,2

TR

74,0

UY

120,7

ZA

124,0

ZZ

110,9

0806 10 10

BR

183,4

EG

184,2

IL

162,2

TR

143,0

ZA

168,3

ZZ

168,2

0808 10 80

AR

155,4

BR

103,3

CL

135,2

CN

67,2

NZ

133,1

US

147,8

ZA

115,0

ZZ

122,4

0808 30 90

AR

160,7

CN

84,1

TR

137,4

ZA

138,4

ZZ

130,2

0809 30

TR

129,9

ZZ

129,9

0809 40 05

BA

50,7

MK

50,9

XS

55,5

ZZ

52,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/21


BESLUIT 2013/446/GBVB VAN DE RAAD

van 6 september 2013

tot wijziging van Besluit 2010/452/GBVB inzake de Waarnemingsmissie van de Europese Unie in Georgië, EUMM Georgia

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 augustus 2010 heeft de Raad Besluit 2010/452/GBVB (1) vastgesteld, waarbij de Waarnemingsmissie van de Europese Unie in Georgië, EUMM Georgia (hierna „EUMM Georgia” of „de missie” genoemd), die op 15 september 2008 bij Gemeenschappelijk Optreden 2008/736/GBVB (2) was ingesteld, werd verlengd. Besluit 2010/452/GBVB verstrijkt op 14 september 2013.

(2)

EUMM Georgia dient op basis van het huidige mandaat met nog eens 15 maanden te worden verlengd.

(3)

De missie zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie, zoals geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag, kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2010/452/GBVB wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1bis   Het hoofd van de missie is de vertegenwoordiger van de missie. Het hoofd van de missie kan, onder zijn algemene verantwoordelijkheid, beheerstaken betreffende personeels- en financiële aangelegenheden delegeren aan personeelsleden van de missie.”;

b)

lid 4 wordt geschrapt.

2)

In artikel 8 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De arbeidsvoorwaarden en de rechten en plichten van het internationale en het plaatselijke personeel worden neergelegd in contracten tussen EUMM Georgia en het betrokken personeelslid.”.

3)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 13bis

Wettelijke regelingen

EUMM Georgia heeft de bevoegdheid diensten en leveringen aan te besteden, contracten en administratieve regelingen te sluiten, personeel in dienst te nemen, bankrekeningen te bezitten, eigendommen te verkrijgen of te vervreemden en haar schulden te vereffenen, en in rechte op te treden, zoals vereist om uitvoering te geven aan dit besluit.”.

4)

Artikel 14 wordt vervangen door:

„Artikel 14

Financiële regelingen

1.   Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven voor de missie van 15 september 2010 tot en met 14 september 2011 bedraagt 26 600 000 EUR.

Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven voor de missie van 15 september 2011 tot en met 14 september 2012 bedraagt 23 900 000 EUR.

Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven voor de missie van 15 september 2012 tot en met 14 september 2013 bedraagt 20 900 000 EUR.

Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven voor de missie van 15 september 2013 tot en met 14 december 2014 bedraagt 26 650 000 EUR.

2.   De uitgaven worden beheerd overeenkomstig de voorschriften en procedures die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie.

3.   Onderdanen van derde staten, van de gaststaat en van buurlanden mogen inschrijven bij aanbestedingen. Behoudens goedkeuring van de Commissie mag de missie technische regelingen sluiten met lidstaten, deelnemende derde staten en andere internationale actoren over het leveren van uitrusting, diensten en gebouwen aan EUMM Georgia.

4.   EUMM Georgia is verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting van de missie. Daartoe ondertekent de missie een overeenkomst met de Commissie.

5.   EUMM Georgia is met ingang van 15 september 2013 verantwoordelijk voor eventuele vorderingen en verplichtingen die uit de uitvoering van het mandaat voortvloeien, met uitzondering van vorderingen met betrekking tot ernstig wangedrag van het hoofd van de missie, waarvoor de verantwoordelijkheid op laatstgenoemde blijft rusten.

6.   De financiële regelingen eerbiedigen de commandostructuur zoals bepaald in de artikelen 5, 6 en 9, en voldoen aan de operationele vereisten van EUMM Georgia, met inbegrip van de verenigbaarheid van uitrusting en de interoperabiliteit van haar teams.

7.   De uitgaven komen voor financiering in aanmerking vanaf de datum waarop dit besluit in werking treedt.”.

5)

In artikel 18 wordt het tweede lid vervangen door:

„Het verstrijkt op 14 december 2014.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld. Het is van toepassing met ingang van 15 september 2013.

Gedaan te Brussel, 6 september 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  PB L 213 van 13.8.2010, blz. 43.

(2)  PB L 248 van 17.9.2008, blz. 26.


7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/23


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 5 september 2013

betreffende de standaardcapaciteitsbenuttingsfactor overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Besluit 2011/278/EU

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/447/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (1), en met name artikel 10 bis,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de lidstaten in staat te stellen overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 3, van Besluit 2011/278/EU van de Commissie (2) de activiteitsniveaus van in artikel 3, onder h), van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde nieuwkomer-installaties te bepalen, moet de Commissie standaardcapaciteitsbenuttingsfactoren bepalen en bekendmaken.

(2)

Om het aantal kosteloze emissierechten te berekenen dat moet worden toegewezen aan nieuwkomer-installaties die in de periode 2013-2020 voor een dergelijke toewijzing in aanmerking komen, moeten de lidstaten de activiteitsniveaus van deze installaties bepalen. In dit verband is de standaardcapaciteitsbenuttingsfactor nodig om het productgerelateerde activiteitsniveau te bepalen voor producten waarvoor in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU een productbenchmark is bepaald. Voor nieuwkomer-installaties, met uitzondering van nieuwkomers ten gevolge van een aanzienlijke uitbreiding, wordt dit activiteitsniveau bepaald door de aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit voor de productie van dit product overeenkomstig artikel 17, lid 4, van Besluit 2011/278/EU te vermenigvuldigen met de standaardcapaciteitsbenuttingsfactor. Voor installaties die een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding of -vermindering hebben ondergaan, moeten de lidstaten gebruikmaken van de standaardcapaciteitsbenuttingsfactor om het productgerelateerde activiteitsniveau van de toegevoegde of ingeboete capaciteit van de betrokken subinstallatie te bepalen.

(3)

De standaardcapaciteitsbenuttingsfactor moet gelijk zijn aan het 80-percentiel van de gemiddelde jaarlijkse capaciteitsbenutting van alle installaties die het betrokken product vervaardigen. In het kader van de algemene verzameling van referentiegegevens die plaatsvond met het oog op de opstelling van de nationale uitvoeringsmaatregelen (NUM’s), verzamelden de lidstaten gegevens over de gemiddelde jaarlijkse productie van het betrokken product in de periode 2005-2008. Door deze productiecijfers te delen door de aanvankelijk geïnstalleerde capaciteit als bedoeld in artikel 7, lid 3, van Besluit 2011/278/EU bepaalden de lidstaten vervolgens op basis daarvan de capaciteitsbenuttingsfactoren van de desbetreffende installaties op hun grondgebied. De lidstaten verstrekten deze informatie dan aan de Commissie als onderdeel van de NUM’s.

(4)

Na ontvangst van de NUM’s van alle lidstaten en rekening houdend met de NUM’s van de EER-EVA-landen bepaalde de Commissie de 80-percentiel van de gemiddelde jaarlijkse capaciteitsbenuttingsfactoren van installaties die een product vervaardigen waarvoor een benchmark bestaat, rekening houdend met de noodzaak om neutrale concurrentievoorwaarden te waarborgen voor industriële activiteiten in installaties die door één exploitant worden beheerd en productie in installaties in onderaanneming. De berekening is gebaseerd op informatie waarover de Commissie uiterlijk op 31 december 2012 beschikte.

(5)

De standaardcapaciteitsbenuttingsfactoren per productbenchmark zijn in de bijlage bij dit besluit vermeld. Deze factoren gelden voor de jaren 2013 tot en met 2020,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde standaardcapaciteitsbenuttingsfactoren worden door de lidstaten gebruikt om overeenkomstig artikel 18 van Besluit 2011/278/EU het productgerelateerde activiteitsniveau van in artikel 3, onder h), van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde installaties te bepalen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 5 september 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(2)  Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 130 van 17.5.2011, blz. 1).


BIJLAGE

Productbenchmark vermeld in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU

Standaardcapaciteitsbenuttingsfactor

Cokes

0,960

Gesinterd erts

0,886

Vloeibaar ruwijzer

0,894

Voorgebakken anode

0,928

Aluminium

0,964

Grijze cementklinker

0,831

Witte cementklinker

0,787

Kalk

0,813

Dolime (gebrand dolomiet)

0,748

Gesinterd dolomiet

0,784

Floatglas

0,946

Flessen en potten in kleurloos glas

0,883

Flessen en potten in gekleurd glas

0,912

Continuglasvezelproducten

0,892

Bekledingsstenen

0,809

Straatstenen

0,731

Dakpannen

0,836

Gesproeidroogd poeder

0,802

Pleisterkalk

0,801

Droog secundair gips

0,812

Kortvezelige kraftpulp

0,808

Langvezelige kraftpulp

0,823

Sulfietpulp, thermomechanische en mechanische pulp

0,862

Teruggewonnen papierpulp

0,887

Krantenpapier

0,919

Ongecoat fijnpapier

0,872

Gecoat fijnpapier

0,883

Kristalpapier

0,900

Testliner en golfblad

0,889

Ongecoat karton

0,863

Gecoat karton

0,868

Salpeterzuur

0,876

Adipinezuur

0,849

Monomeer vinylchloride (VCM)

0,842

Fenol/aceton

0,870

S-pvc

0,873

E-pvc

0,834

Dinatriumcarbonaat

0,926

Raffinageproducten

0,902

Ongelegeerd staal uit vlamboogovens

0,798

Hooggelegeerd staal uit vlamboogovens

0,802

Gietijzer

0,772

Minerale wol

0,851

Gipsplaat

0,843

Roet

0,865

Ammoniak

0,888

Stoomkraker

0,872

Aromaten

0,902

Styreen

0,879

Waterstof

0,902

Synthesegas

0,902

Ethyleenoxide/ethyleenglycolen

0,840


7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/27


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 5 september 2013

betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5666)

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/448/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (1), en met name de artikelen 10 bis en 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Vanaf 2013 is veiling de regel voor de toewijzing van emissierechten voor exploitanten van installaties die binnen het toepassingsgebied van de regeling van de Unie voor de handel in emissierechten (EU-ETS) vallen. In aanmerking komende exploitanten zullen echter tussen 2013 en 2020 verder kosteloze emissierechten ontvangen. De hoeveelheid emissierechten die elk van die exploitanten ontvangt, wordt vastgesteld op basis van voor de hele Unie geldende geharmoniseerde regels die zijn opgenomen in Richtlijn 2003/87/EG en Besluit 2011/278/EU van de Commissie (2).

(2)

De lidstaten dienden uiterlijk op 30 september 2011 hun nationale uitvoeringsmaatregelen (NUM’s) bij de Commissie in te dienen; deze omvatten naast andere verplichte informatie een lijst van onder Richtlijn 2003/87/EG vallende installaties op hun grondgebied en de voorlopige hoeveelheid kosteloze emissierechten die tussen 2013 en 2020 zal worden toegewezen, berekend op basis van de voor de hele Unie geldende geharmoniseerde regels.

(3)

Artikel 18 van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (3) voorziet in voor Kroatië geldende overgangsmaatregelen die in bijlage V bij die akte zijn opgenomen. Krachtens punt 10 van die bijlage V moet Kroatië ervoor zorgen dat exploitanten het hele jaar 2013 voldoen aan Richtlijn 2003/87/EG. Voorts krijgen exploitanten van in aanmerking komende installaties een kosteloze toewijzing voor het hele jaar 2013 om hen in staat te stellen volledig te voldoen aan de EU-ETS en de beginselen ervan wat betreft de jaarlijkse bewaking, rapportage en verificatie van emissies en de inlevering van emissierechten. Kroatië heeft derhalve overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG en artikel 15, lid 1, van Besluit 2011/278/EU de NUM’s bij de Commissie ingediend.

(4)

Om de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van de gegevens te waarborgen, heeft de Commissie een elektronische template voor de indiening van de NUM’s beschikbaar gesteld. Alle lidstaten hebben in dit of in een soortgelijk formaat een lijst van installaties ingediend, alsook een tabel met alle relevante gegevens per installatie en een verslag over de toegepaste methode waarin de door de autoriteiten van de lidstaten gevolgde gegevensverzamelingsprocedure wordt beschreven.

(5)

Gezien het brede scala van ingediende informatie en gegevens is de Commissie eerst nagegaan of alle NUM’s compleet waren. Als de Commissie constateerde dat de ingediende gegevens niet compleet waren, heeft zij de betrokken lidstaten om aanvullende informatie verzocht. In antwoord op die verzoeken hebben de desbetreffende autoriteiten aanvullende relevante informatie verstrekt om de ingediende NUM’s te completeren.

(6)

De NUM’s, met inbegrip van de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die tussen 2013 en 2020 zullen worden toegewezen, werden vervolgens geëvalueerd aan de hand van de criteria van Richtlijn 2003/87/EG, met name artikel 10 bis, en Besluit 2011/278/EU, rekening houdend met de richtsnoeren van de Commissie voor de lidstaten die op 14 april 2011 door het Comité klimaatverandering zijn goedgekeurd. Indien van toepassing is rekening gehouden met het richtsnoer over de interpretatie van bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG.

(7)

De Commissie heeft voor elke afzonderlijke lidstaat een grondige evaluatie van de naleving van de NUM’s uitgevoerd. In het kader van die uitgebreide evaluatie heeft de Commissie de consistentie van de gegevens zelf en de consistentie van de gegevens met de geharmoniseerde toewijzingsregels geanalyseerd. Eerst heeft de Commissie onderzocht of de installaties voor kosteloze toewijzing in aanmerking kwamen, hoe de installaties in subinstallaties zijn ingedeeld en wat de grenzen ervan zijn. Vervolgens heeft de Commissie de toepassing van de juiste benchmarkwaarden op de desbetreffende subinstallaties geanalyseerd. Aangezien Besluit 2011/278/EU voor productbenchmarksubinstallaties in principe voor elk product één benchmark vaststelt, besteedde de Commissie bijzondere aandacht aan de toepassing van de benchmarkwaarde op het eindproduct dat wordt geproduceerd overeenkomstig de productomschrijving en de systeemgrenzen die in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU zijn vermeld. Bovendien heeft de Commissie, wegens het aanzienlijke effect op de toewijzingen, een gedetailleerde analyse gemaakt van de berekening van de historische activiteitsniveaus van installaties, gevallen van aanzienlijke capaciteitswijzigingen tijdens de referentieperiode, alsook gevallen waarin installaties tijdens de referentieperiode activiteiten opstarten, de berekening van het voorlopige aantal kosteloos toe te wijzen emissierechten, rekening houdend met de uitwisselbaarheid van brandstof en elektriciteit, de CO2-weglekstatus, en de uitvoer van warmte naar privéhuishoudens. Voorts hebben statistische analyses en plausibiliteitscontroles waarbij gebruik werd gemaakt van indicatoren zoals bijvoorbeeld de voorgestelde toewijzing per historisch activiteitsniveau vergeleken met benchmarkwaarden of historisch activiteitsniveau vergeleken met productiecapaciteit, geholpen om nog meer potentiële onregelmatigheden bij de toepassing van de geharmoniseerde toewijzingsregels te constateren.

(8)

Op basis van de resultaten van die evaluatie heeft de Commissie een gedetailleerde evaluatie uitgevoerd van installaties waar potentiële onregelmatigheden bij de toepassing van de geharmoniseerde toewijzingsregels werden geconstateerd, waarbij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om verdere verduidelijking werd verzocht.

(9)

In het licht van de resultaten van die nalevingsevaluatie acht de Commissie de NUM’s van België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Kroatië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden verenigbaar met Richtlijn 2003/87/EG en Besluit 2011/278/EU. De door deze lidstaten in de NUM’s opgenomen installaties werden geacht in aanmerking te komen voor kosteloze toewijzing en er konden geen inconsistenties met betrekking tot de door elk van deze lidstaten voorgestelde voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden kosteloos toegewezen emissierechten worden geconstateerd.

(10)

In het licht van de resultaten van de evaluatie is de Commissie echter van oordeel dat bepaalde aspecten van de door Duitsland en Tsjechië ingediende NUM’s onverenigbaar zijn met de criteria van Richtlijn 2003/87/EG en Besluit 2011/278/EU, rekening houdend met de richtsnoeren van de Commissie voor de lidstaten die op 14 april 2011 door het Comité klimaatverandering zijn goedgekeurd.

(11)

De Commissie neemt er nota van dat Duitsland heeft voorgesteld dat aan zeven installaties een verhoging van het niveau van kosteloze toewijzing van emissierechten wordt toegekend omdat het van oordeel is dat op die manier onbillijke gevolgen worden vermeden. Overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG en Besluit 2011/278/EU worden de voorlopige hoeveelheden kosteloze toewijzingen die als onderdeel van de NUM’s moeten worden ingediend, berekend op basis van geharmoniseerde voor de hele Unie geldende regels. Besluit 2011/278/EU voorziet niet in de correctie die Duitsland zou willen aanbrengen op grond van artikel 9, lid 5, van de Duitse wet op de handel in broeikasgasemissierechten — TEHG van 28 juli 2011. Tot en met 2012 werd de kosteloze toewijzing van emissierechten weliswaar nationaal georganiseerd, maar voor de periode vanaf 2013 heeft de wetgever doelbewust volledig geharmoniseerde regels voor de kosteloze toewijzing aan installaties vastgesteld, zodat alle installaties op dezelfde wijze worden behandeld. Elke unilaterale wijziging van de voorlopige hoeveelheden kosteloze toewijzingen die door de lidstaten op grond van Besluit 2011/278/EU worden berekend, zou deze geharmoniseerde aanpak ondermijnen. Duitsland heeft niet met bewijzen gestaafd dat de op grond van Besluit 2011/278/EU berekende toewijzing voor de installaties in kwestie duidelijk inadequaat was gelet op het te verwezenlijken doel van volledige harmonisatie van toewijzingen. De toekenning van meer kosteloze emissierechten aan sommige installaties zou de concurrentie verstoren of dreigen te verstoren en heeft grensoverschrijdende gevolgen gezien de handel in de hele Unie in alle onder Richtlijn 2003/87/EG vallende sectoren. In het licht van het beginsel van gelijke behandeling van installaties in het kader van de EU-ETS en van de lidstaten is de Commissie dan ook van oordeel dat het passend is bezwaar te maken tegen de voorlopige hoeveelheden kosteloze toewijzingen aan bepaalde installaties die in de Duitse NUM’s zijn opgenomen en in bijlage I, punt A, worden vermeld.

(12)

De Commissie is van oordeel dat de door Duitsland voorgestelde NUM’s ook in strijd zijn met Besluit 2011/278/EU omdat de toepassing van de productbenchmark voor vloeibaar ruwijzer in de in bijlage I, punt B, bij dit besluit vermelde gevallen inconsistent is met de desbetreffende regels. In dit verband merkt de Commissie op dat in de Duitse NUM’s, in gevallen van op de oxystaaloven (OSO) gebaseerde staalproductieprocessen en wanneer vloeibaar ruwijzer uit de hoogoven niet in dezelfde installatie tot staal wordt geraffineerd, maar voor verdere verwerking wordt uitgevoerd, geen kosteloze toewijzing van emissierechten wordt verleend aan de exploitant van de installatie met de hoogoven voor de productie van het vloeibare ruwijzer. In plaats daarvan wordt de kosteloze toewijzing verleend aan de installatie waar de staalraffinage plaatsvindt.

(13)

De Commissie merkt op dat met het oog op de toewijzing van emissierechten bij Besluit 2011/278/EU productbenchmarks zijn vastgesteld rekening houdend met de productomschrijvingen en de complexiteit van de productieprocessen die de verificatie van de productiegegevens en een uniforme toepassing van de productbenchmarks in de hele Unie mogelijk maken. Voor de toepassing van de productbenchmarks zijn installaties ingedeeld in subinstallaties, waarbij een productbenchmarksubinstallatie wordt omschreven als de inputs, outputs en daarmee samenhangende emissies met betrekking tot de vervaardiging van een product waarvoor in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU een benchmark is vastgesteld. Benchmarks worden dus vastgesteld voor producten en niet voor processen. Dienovereenkomstig is een benchmark ontwikkeld voor vloeibaar ruwijzer, waarbij het product wordt omschreven als met koolstof verzadigd vloeibaar ijzer voor verdere verwerking. Het feit dat de in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU vermelde systeemgrenzen voor de benchmark voor vloeibaar ruwijzer de OSO omvatten, kan de lidstaten niet toelaten buiten beschouwing te laten dat toewijzingen dienen te worden gedaan voor de vervaardiging van een bepaald product. Deze overweging wordt onderbouwd door het feit dat de benchmarkwaarden alle met productie verbonden directe emissies moeten omvatten. Het is echter hoofdzakelijk de productie van vloeibaar ruwijzer in de hoogoven die emissies veroorzaakt, terwijl het proces van het raffineren van het vloeibare ruwijzer tot staal in de OSO-convertor betrekkelijk weinig emissies teweegbrengt. Bijgevolg zou de benchmarkwaarde veel lager zijn als zij ook installaties zou omvatten die vloeibaar ruwijzer invoeren en in de OSO-convertor tot staal raffineren. Bovendien kan, in het licht van de algemene toewijzingsregeling die bij Besluit 2011/278/EU is ingesteld, met name wat de regels inzake aanzienlijke capaciteitswijzigingen betreft, de door Duitsland voorgestelde toewijzing niet als consistent worden beschouwd. Daarom is de Commissie van oordeel dat, wegens het ontbreken van een overeenkomstige subinstallatie die het mogelijk zou maken de toewijzing overeenkomstig artikel 10 van Besluit 2011/278/EU te bepalen, installaties die vloeibaar ruwijzer invoeren voor verdere verwerking, niet kunnen worden geacht in aanmerking te komen voor de toekenning van kosteloze toewijzingen voor de hoeveelheid ingevoerd vloeibaar ruwijzer op basis van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer. De Commissie maakt dan ook bezwaar tegen de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden kosteloze toewijzingen die voor de in bijlage I, punt B, bij dit besluit vermelde installaties worden voorgesteld.

(14)

Met betrekking tot de toepassing van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer in de NUM’s zoals voorgesteld door Tsjechië merkt de Commissie op dat de toewijzing aan de in punt C vermelde installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-73-CZ-0134-11/M niet overeenstemt met de waarde van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer vermenigvuldigd met het relevante productgerelateerde historische activiteitsniveau zoals ingediend in de NUM’s, en bijgevolg niet in overeenstemming is met artikel 10, lid 2, onder a), van Besluit 2011/278/EU. De Commissie maakt dan ook bezwaar tegen de toewijzing aan deze installatie, tenzij deze fout wordt gecorrigeerd. Bovendien merkt de Commissie op dat bij de toewijzing aan de in punt C vermelde installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05 rekening wordt gehouden met processen die begrepen zijn in de systeemgrenzen van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer. De installatie produceert echter geen vloeibaar ruwijzer, maar voert het in. Wegens het ontbreken van de productie van vloeibaar ruwijzer in de installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05 en bijgevolg het ontbreken van een overeenkomstige productbenchmarksubinstallatie die het mogelijk zou maken de toewijzing overeenkomstig artikel 10 van Besluit 2011/278/EU te bepalen, is de voorgestelde toewijzing niet consistent met de toewijzingsregels en kan zij aanleiding geven tot dubbeltelling. De Commissie maakt dan ook bezwaar tegen de toewijzing aan de in bijlage I, punt C, bij dit besluit vermelde installaties.

(15)

De Commissie merkt op dat aan de in bijlage I, punt D, bij dit besluit vermelde installaties een toewijzing wordt verleend op basis van een procesemissiessubinstallatie voor de productie van zink in de hoogoven en daarmee verbonden processen. In dit verband merkt de Commissie op dat de onder de procesemissiessubinstallatie vallende emissies reeds begrepen zijn onder de productbenchmarksubinstallatie voor vloeibaar ruwijzer op basis waarvan aan een van de installaties ook een toewijzing wordt verleend, en bijgevolg dubbel worden geteld. De productbenchmarksubinstallatie voor vloeibaar ruwijzer omvat duidelijk inputs, outputs en daarmee samenhangende emissies met betrekking tot de vervaardiging van vloeibaar ruwijzer in de hoogoven en alle daarmee verbonden processen zoals vermeld in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU, met inbegrip van slakkenbehandeling. De door Duitsland voorgestelde NUM’s zijn bijgevolg in strijd met artikel 10, lid 8, van Besluit 2011/278/EU en de verplichting om dubbeltelling van emissies te vermijden, omdat bepaalde emissies bij de toewijzing aan deze installaties tweemaal zijn geteld. De Commissie maakt dan ook bezwaar tegen de toewijzing aan deze installaties op basis van een procesemissiessubinstallatie voor de productie van zink in de hoogoven en daarmee verbonden processen.

(16)

De Commissie merkt ook op dat de in de Duitse NUM’s opgenomen lijst van installaties onvolledig is en bijgevolg in strijd is met artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG. De lijst omvat geen installaties die polymeren, met name S-pvc en E-pvc, en monomeer vinylchloride (VCM) produceren tezamen met de hoeveelheden emissierechten die naar verwachting zullen worden toegewezen aan elk van deze op het grondgebied van Duitsland gevestigde installaties waarop die richtlijn van toepassing is en die worden bedoeld in punt 5.1 van het richtsnoer van de Commissie betreffende de interpretatie van bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG dat op 18 maart 2010 door het Comité klimaatverandering is goedgekeurd. In dit verband is de Commissie zich bewust van de door Duitsland geformuleerde mening dat de productie van polymeren, met name S-pvc en E-pvc, en VCM niet onder bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG valt. De Commissie is van oordeel dat polymeren, met inbegrip van S-pvc en E-pvc, en VCM beantwoorden aan de omschrijving van de desbetreffende activiteit (productie van organische bulkchemicaliën) in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG. Dienovereenkomstig werden in nauwe samenwerking met de lidstaten en de betrokken bedrijfstakken overeenkomstige productbenchmarks voor S-pvc, E-pvc en VCM afgeleid zoals vermeld in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU.

(17)

De Commissie merkt op dat het feit dat de Duitse lijst van installaties onvolledig is, ongerechtvaardigde gevolgen heeft voor de toewijzing op basis van de warmtebenchmarksubinstallatie voor in bijlage I, punt E, bij dit besluit vermelde installaties die warmte uitvoeren naar installaties die organische bulkchemicaliën produceren. Terwijl alleen warmte-uitvoer naar een installatie of andere entiteit die niet onder Richtlijn 2003/87/EG valt, aanleiding geeft tot kosteloze toewijzing op basis van de warmtebenchmarksubinstallatie, wordt in de Duitse NUM’s warmte-uitvoer naar installaties die activiteiten uitvoeren die onder het toepassingsgebied van bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG vallen, in aanmerking genomen voor de toewijzing aan in bijlage I, punt E, bij dit besluit vermelde installaties. De voorgestelde toewijzingen aan de in bijlage I, punt E, vermelde installaties zijn bijgevolg niet consistent met de toewijzingsregels. De Commissie maakt dan ook bezwaar tegen de toewijzing aan de in bijlage I, punt E, bij dit besluit vermelde installaties.

(18)

Overeenkomstig de artikelen 9 en 9 bis van Richtlijn 2003/87/EG heeft de Commissie bij Besluit 2010/634/EU (4) de absolute hoeveelheid emissierechten voor de hele Unie voor de periode van 2013 tot en met 2020 gepubliceerd. In dit verband wordt de krachtens artikel 9 van Richtlijn 2003/87/EG in aanmerking genomen hoeveelheid gebaseerd op de totale hoeveelheden emissierechten die door de lidstaten overeenkomstig de besluiten van de Commissie inzake hun nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot en met 2012 zijn verleend. Na afloop van de handelsperiode van 2008 tot en met 2012 zijn aanvullende informatie en nauwkeuriger gegevens ter beschikking van de Commissie gekomen, met name over de hoeveelheid emissierechten die uit de nieuwkomersreserves van de lidstaten aan nieuwkomers is verleend, en over het gebruik van emissierechten in de reserves van de lidstaten voor Gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten die krachtens artikel 3 van Beschikking 2006/780/EG van de Commissie (5) zijn aangelegd. Bovendien moet met betrekking tot de aanpassing van de hoeveelheid emissierechten voor de hele Unie krachtens artikel 9 bis, met name de leden 1 en 4, van Richtlijn 2003/87/EG rekening worden gehouden met de recentste wetenschappelijke gegevens betreffende het aardopwarmingspotentieel van broeikasgassen, de Besluiten C(2011)3798 en C(2012)497 van de Commissie tot goedkeuring van de unilaterale opneming van verdere broeikasgassen en activiteiten door Italië en het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 24 van Richtlijn 2003/87/EG, alsook de uitsluiting van installaties met geringe emissies van de EU-ETS door Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland, Spanje, Slovenië en Italië krachtens artikel 27 van Richtlijn 2003/87/EG.

(19)

Voorts moet bij de absolute hoeveelheid emissierechten voor de hele Unie rekening worden gehouden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie en met de uitbreiding van de EU-ETS tot de EER-EVA-staten. Krachtens bijlage III, punt 8, bij de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie wordt de krachtens artikel 9 van Richtlijn 2003/87/EG in aanmerking genomen hoeveelheid ten gevolge van de toetreding van Kroatië verhoogd met de hoeveelheid emissierechten die Kroatië krachtens artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG veilt. De opneming in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) van Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) en Besluit 2011/278/EU, als gewijzigd bij Besluit 2011/745/EU van de Commissie (7), bij Besluit nr. 152/2012 van het Gemengd Comité van de EER (8) impliceert een verhoging van de totale hoeveelheid emissierechten in de EU-ETS in haar geheel op grond van de artikelen 9 en 9 bis van Richtlijn 2003/87/EG. Daarom moet rekening worden gehouden met de desbetreffende door de EER-EVA-staten verstrekte cijfers in deel A van het aanhangsel bij die richtlijn in de EER-overeenkomst.

(20)

Besluit 2010/634/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(21)

In 2014 en elk daaropvolgend jaar neemt de hoeveelheid emissierechten die voor 2013 op basis van de artikelen 9 en 9 bis van Richtlijn 2003/87/EG is bepaald, vanaf 2010 af met een lineaire factor 1,74 %, wat neerkomt op 38 264 246 emissierechten.

(22)

Artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG beperkt de maximale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten die als basis wordt gebruikt voor de berekening van kosteloze toewijzingen aan installaties die niet onder artikel 10 bis, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG vallen. Deze beperking bestaat uit twee elementen als bedoeld in artikel 10 bis, lid 5, onder a) en b), van Richtlijn 2003/87/EG, die elk door de Commissie zijn bepaald op basis van de krachtens de artikelen 9 en 9 bis van Richtlijn 2003/87/EG bepaalde hoeveelheden, algemeen toegankelijke gegevens in het EU-register en door de lidstaten verstrekte informatie, met name over het aandeel van emissies van elektriciteitsopwekkers en andere niet voor kosteloze toewijzing in aanmerking komende installaties als bedoeld in artikel 10 bis, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG, alsook geverifieerde emissies in de periode van 2005 tot en met 2007 van installaties die pas vanaf 2013 in de EU-ETS zijn opgenomen, voor zover beschikbaar, rekening houdend met de recentste wetenschappelijke gegevens betreffende het aardopwarmingspotentieel van broeikasgassen.

(23)

De bij artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde beperking mag niet worden overschreden, en daarvoor wordt gezorgd door toepassing van een jaarlijkse transsectorale correctiefactor die, zo nodig, op uniforme wijze het aantal kosteloze emissierechten vermindert in alle installaties die voor kosteloze toewijzing in aanmerking komen. De lidstaten moeten met deze factor rekening houden wanneer zij op basis van voorlopige toewijzingen en dit besluit een beslissing nemen over de definitieve jaarlijkse hoeveelheden toewijzingen aan installaties. Artikel 15, lid 3, van Besluit 2011/278/EU verplicht de Commissie de transsectorale correctiefactor te bepalen door vergelijking, op de in artikel 15, lid 3, van Besluit 2011/278/EU beschreven wijze, van de som van de door de lidstaten ingediende voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden kosteloze toewijzingen met de bij artikel 10 bis, lid 5, vastgestelde beperking.

(24)

Na de opneming van Richtlijn 2009/29/EG in de EER-overeenkomst bij Besluit nr. 152/2012 van het Gemengd Comité van de EER moeten de bij artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde beperking, de geharmoniseerde toewijzingsregels en de transsectorale correctiefactor in de EER-EVA-landen worden toegepast. Daarom moet rekening worden gehouden met de voorlopige jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die in de periode van 2013 tot en met 2020 kosteloos worden toegewezen, zoals vastgesteld bij de besluiten van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van 10 juli 2013 betreffende de NUM’s van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein.

(25)

De bij artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde beperking bedraagt in 2013 809 315 756 emissierechten. Om deze beperking te bepalen heeft de Commissie eerst bij de lidstaten en de EER-EVA-landen informatie ingewonnen over de vraag of installaties in aanmerking komen als elektriciteitsopwekker of andere onder artikel 10 bis, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG vallende installatie. Daarna bepaalde de Commissie het aandeel van de emissies in de periode van 2005 tot en met 2007 van de installaties die niet onder die bepaling vallen, maar in de periode van 2008 tot en met 2012 wel in de EU-ETS waren opgenomen. Vervolgens paste de Commissie dit aandeel van 34,78289436 % toe op de hoeveelheid die op basis van artikel 9 van Richtlijn 2003/87/EG werd bepaald (1 976 784 044 emissierechten). Aan het resultaat van deze berekening voegde de Commissie dan 121 733 050 emissierechten toe op basis van de gemiddelde jaarlijkse geverifieerde emissies in de periode van 2005 tot en met 2007 van relevante installaties, rekening houdend met het herziene toepassingsgebied van de EU-ETS vanaf 2013. In dit verband maakte de Commissie gebruik van de door de lidstaten en de EER-EVA-landen verstrekte informatie voor de aanpassing van het maximum. Als geen jaarlijkse geverifieerde emissies voor de periode 2005-2007 beschikbaar waren, heeft de Commissie, uitgaande van geverifieerde emissies in latere jaren, in zoverre mogelijk de desbetreffende emissiecijfers geëxtrapoleerd door toepassing van de factor 1,74 % in omgekeerde richting. De Commissie heeft de autoriteiten van de lidstaten geraadpleegd over in dit verband gebruikte informatie en gegevens en dienaangaande bevestiging verkregen. De bij artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde beperking vergeleken met de som van de voorlopige jaarlijkse hoeveelheden kosteloze emissierechten zonder toepassing van de in bijlage VI bij Besluit 2011/278/EU bedoelde factoren geeft de jaarlijkse transsectorale correctiefactor zoals vermeld in bijlage II bij dit besluit.

(26)

Gezien het door middel van dit besluit verkregen betere overzicht van het aantal emissierechten dat kosteloos zal worden toegewezen, is de Commissie beter in staat om de hoeveelheden emissierechten te ramen die overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG moeten worden geveild. Rekening houdend met de bij artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde beperking, de in de onderstaande tabel vermelde toewijzing met betrekking tot warmteproductie krachtens artikel 10 bis, lid 4, en de omvang van de nieuwkomersreserve raamt de Commissie de in de periode van 2013 tot en met 2020 te veilen hoeveelheid emissierechten op 8 176 193 157.

(27)

In de onderstaande tabel wordt de jaarlijkse toewijzing met betrekking tot warmteproductie krachtens artikel 10 bis, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG vermeld:

Jaar

Kosteloze toewijzing krachtens artikel 10 bis, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG

2013

104 326 872

2014

93 819 860

2015

84 216 053

2016

75 513 746

2017

67 735 206

2018

60 673 411

2019

54 076 655

2020

47 798 754

(28)

De lidstaten moeten op basis van de NUM’s, de transsectorale correctiefactor en de lineaire factor de definitieve jaarlijkse hoeveelheid emissierechten vaststellen die voor elk jaar in de periode van 2013 tot en met 2020 kosteloos zal worden toegewezen. De definitieve jaarlijkse hoeveelheid kosteloze emissierechten moet door de lidstaten worden vastgesteld overeenkomstig dit besluit, Richtlijn 2003/87/EG, Besluit 2011/278/EU en andere relevante bepalingen van de wetgeving van de Unie. Zo moeten ook de EER-EVA-staten de definitieve jaarlijkse hoeveelheid emissierechten vaststellen die voor elk jaar in de periode van 2013 tot en met 2020 overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Besluit 2011/278/EU kosteloos zal worden toegewezen aan installaties op hun grondgebied op basis van hun NUM’s, de transsectorale correctiefactor en de lineaire factor.

(29)

De Commissie is van oordeel dat de kosteloze toewijzing van emissierechten aan onder de EU-ETS-regeling vallende installaties op basis van voor de hele Unie geldende geharmoniseerde regels geen selectief economisch voordeel aan ondernemingen toekent dat de concurrentie kan verstoren en de handel binnen de Unie kan belemmeren. De lidstaten zijn krachtens de wetgeving van de Unie verplicht kosteloos emissierechten toe te wijzen en kunnen er niet voor kiezen de desbetreffende hoeveelheden in de plaats daarvan te veilen. De besluiten van de lidstaten met betrekking tot de kosteloze toewijzing van emissierechten kunnen derhalve niet worden geacht staatssteun in de zin van de artikelen 107 en 108 VWEU te impliceren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

NATIONALE UITVOERINGSMAATREGELEN

Artikel 1

1.   De opneming van de in bijlage I bij dit besluit vermelde installaties in de lijsten van onder Richtlijn 2003/87/EG vallende installaties die krachtens artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG bij de Commissie zijn ingediend, en de overeenkomstige voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die kosteloos aan deze installaties zijn toegewezen, worden afgewezen.

2.   Er worden geen bezwaren gemaakt indien een lidstaat de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die zijn ingediend voor de installaties op zijn grondgebied die in de in lid 1 bedoelde lijsten zijn opgenomen en in bijlage I, punt A, bij dit besluit zijn vermeld, wijzigt alvorens de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid voor elk jaar van 2013 tot en met 2020 te bepalen overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Besluit 2011/278/EU in zoverre de wijziging erin bestaat elke verhoging van de toewijzing waarin dat besluit niet voorziet, uit te sluiten.

Er worden geen bezwaren gemaakt indien een lidstaat de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die kosteloos zijn toegewezen aan installaties op zijn grondgebied die in de in lid 1 bedoelde lijsten zijn opgenomen en in bijlage I, punt B, bij dit besluit zijn vermeld, wijzigt alvorens de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid voor elk jaar van 2013 tot en met 2020 te bepalen overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Besluit 2011/278/EU in zoverre de wijziging erin bestaat elke toewijzing op basis van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer aan installaties die vloeibaar ruwijzer, zoals omschreven in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU, voor verdere verwerking invoeren, uit te sluiten. Als dit leidt tot een verhoging van de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid emissierechten in een installatie die vloeibaar ruwijzer produceert en uitvoert naar een in bijlage I, punt B, bij dit besluit vermelde installatie, worden geen bezwaren gemaakt indien de betrokken lidstaat de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid van deze installatie die vloeibaar ruwijzer produceert en uitvoert, dienovereenkomstig wijzigt.

Er worden geen bezwaren gemaakt indien een lidstaat de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die kosteloos zijn toegewezen aan installaties op zijn grondgebied die in de in lid 1 bedoelde lijsten zijn opgenomen en in bijlage I, punt C, bij dit besluit zijn vermeld, wijzigt alvorens de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid voor elk jaar van 2013 tot en met 2020 te bepalen overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Besluit 2011/278/EU in zoverre de wijziging erin bestaat de toewijzing in overeenstemming te brengen met artikel 10, lid 2, onder a), van Besluit 2011/278/EU en elke toewijzing voor processen die begrepen zijn in de systeemgrenzen van de benchmark voor vloeibaar ruwijzer, zoals omschreven in bijlage I bij Besluit 2011/278/EU, aan een installatie die geen vloeibaar ruwijzer produceert, maar invoert, uit te sluiten die anders tot dubbeltelling zou leiden.

Er worden geen bezwaren gemaakt indien een lidstaat de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die kosteloos zijn toegewezen aan installaties op zijn grondgebied die in de in lid 1 bedoelde lijsten zijn opgenomen en in bijlage I, punt D, bij dit besluit zijn vermeld, wijzigt alvorens de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid voor elk jaar van 2013 tot en met 2020 te bepalen overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Besluit 2011/278/EU in zoverre de wijziging erin bestaat elke toewijzing op basis van een procesemissiessubinstallatie voor de productie van zink in de hoogoven en daarmee verbonden processen uit te sluiten. Als dit leidt tot een verhoging van de voorlopige toewijzing aan de brandstofbenchmark- of de warmtebenchmarksubinstallatie in een in bijlage I, punt D, bij dit besluit vermelde installatie met een hoogoven, worden geen bezwaren gemaakt indien de betrokken lidstaat de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheid van deze installatie dienovereenkomstig wijzigt.

Er worden geen bezwaren gemaakt indien een lidstaat de voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die kosteloos zijn toegewezen aan installaties op zijn grondgebied die in de in lid 1 bedoelde lijsten zijn opgenomen en in bijlage I, punt E, bij dit besluit zijn vermeld, wijzigt alvorens de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid voor elk jaar van 2013 tot en met 2020 te bepalen overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Besluit 2011/278/EU in zoverre de wijziging erin bestaat elke toewijzing voor warmte die wordt uitgevoerd naar installaties die polymeren, zoals S-pvc en E-pvc, en VCM produceren, uit te sluiten.

3.   De Commissie wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van elke in lid 2 bedoelde wijziging, en een lidstaat mag de definitieve totale jaarlijkse hoeveelheid voor elk jaar van 2013 tot en met 2020 niet bepalen overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Besluit 2011/278/EU voordat aanvaardbare wijzigingen zijn aangebracht.

Artikel 2

Onverminderd artikel 1 worden geen bezwaren gemaakt met betrekking tot de lijsten van onder Richtlijn 2003/87/EG vallende installaties die krachtens artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG door de lidstaten zijn ingediend, en de overeenkomstige voorlopige totale jaarlijkse hoeveelheden emissierechten die kosteloos aan deze installaties zijn toegewezen.

HOOFDSTUK II

TOTALE HOEVEELHEID EMISSIERECHTEN

Artikel 3

Artikel 1 van Besluit 2010/634/EU wordt vervangen door:

„Artikel 1

Op grond van de artikelen 9 en 9 bis van Richtlijn 2003/87/EG bedraagt de hoeveelheid emissierechten die vanaf 2013 moet worden verleend en jaarlijks lineair wordt verminderd krachtens artikel 9 van Richtlijn 2003/87/EG, in totaal 2 084 301 856.”.

HOOFDSTUK III

TRANSSECTORALE CORRECTIEFACTOR

Artikel 4

De in artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde uniforme transsectorale correctiefactor die overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Besluit 2011/278/EU wordt bepaald, is vermeld in bijlage II bij dit besluit.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 5 september 2013.

Voor de Commissie

Connie HEDEGAARD

Lid van de Commissie


(1)  PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(2)  Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 130 van 17.5.2011, blz. 1).

(3)  PB L 112 van 24.4.2012, blz. 21.

(4)  Besluit 2010/634/EU van de Commissie van 22 oktober 2010 tot aanpassing van de hoeveelheid emissierechten voor de hele Unie die in het kader van de EU-regeling voor de handel in emissierechten voor 2013 moet worden verleend en tot intrekking van Besluit 2010/384/EU (PB L 279 van 23.10.2010, blz. 34).

(5)  Beschikking 2006/780/EG van de Commissie van 13 november 2006 inzake het voorkomen van dubbeltellingen van reducties van broeikasgasemissies in het kader van de communautaire regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten voor projectactiviteiten uit hoofde van het Protocol van Kyoto overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 16.11.2006, blz. 12).

(6)  Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 63).

(7)  Besluit 2011/745/EU van de Commissie van 11 november 2011 tot wijziging van de Besluiten 2010/2/EU en 2011/278/EU wat betreft de bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico (PB L 299 van 17.11.2011, blz. 9).

(8)  Besluit van het Gemengd Comité van de EER nr. 152/2012 van 26 juli 2012 tot wijziging van bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst (PB L 309 van 8.11.2012, blz. 38).


BIJLAGE I

PUNT A

Identificatiecode van de installatie zoals verstrekt in de NUM’s

DE000000000000010

DE000000000000563

DE000000000000978

DE000000000001320

DE000000000001425

DE-new-14220-0045

DE-new-14310-1474

PUNT B

Identificatiecode van de installatie zoals verstrekt in de NUM’s

DE000000000000044

DE000000000000053

DE000000000000056

DE000000000000059

DE000000000000069

PUNT C

Identificatiecode van de installatie zoals verstrekt in de NUM’s

CZ-existing-CZ-73-CZ-0134-11/M

CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05

PUNT D

Identificatiecode van de installatie zoals verstrekt in de NUM’s

DE-new-14220-0045

DE000000000001320

PUNT E

Identificatiecode van de installatie zoals verstrekt in de NUM’s

DE000000000000005

DE000000000000762

DE000000000001050

DE000000000001537

DE000000000002198


BIJLAGE II

Jaar

Transsectorale correctiefactor

2013

94,272151 %

2014

92,634731 %

2015

90,978052 %

2016

89,304105 %

2017

87,612124 %

2018

85,903685 %

2019

84,173950 %

2020

82,438204 %


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/36


BESLUIT Nr. 1/2013 VAN HET OZA-EU COMITÉ DOUANESAMENWERKING

van 7 augustus 2013

betreffende een afwijking van de oorsprongsregels in Protocol nr. 1 bij de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, in verband met de bijzondere situatie van Mauritius met betrekking tot conserven van boniet

(2013/449/EU)

HET COMITÉ DOUANESAMENWERKING,

Gezien de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, en met name artikel 41, lid 4, van Protocol nr. 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1), („de tussentijdse EPO”), wordt met ingang van 14 mei 2012 voorlopig toegepast tussen de Unie en de Republiek Madagaskar, de Republiek Mauritius, de Republiek der Seychellen en de Republiek Zimbabwe.

(2)

Bij Protocol nr. 1 bij de tussentijdse EPO betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking zijn de oorsprongsregels vastgelegd voor de invoer van producten van oorsprong uit OZA-staten naar de Unie.

(3)

Overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Protocol nr. 1 bij de tussentijdse EPO worden afwijkingen van deze oorsprongsregels toegestaan indien dit vanwege de ontwikkeling van bestaande industrieën in de OZA-staten gerechtvaardigd is.

(4)

Wanneer het verzoek om een afwijking een insulaire staat betreft, wordt het overeenkomstig artikel 42, lid 5, in een geest van welwillendheid onderzocht, waarbij met name rekening wordt gehouden met de economische en sociale gevolgen van het te nemen besluit, in het bijzonder voor de werkgelegenheid, en met de noodzaak de afwijking gedurende een bepaalde periode toe te passen, met inachtneming van de bijzondere situatie van de insulaire staat en de moeilijkheden waarmee deze te kampen heeft.

(5)

Op 29 november stond het OZA-EU Comité douanesamenwerking, overeenkomstig artikel 42, lid 8, van Protocol nr. 1 bij de tussentijdse EPO, een automatische afwijking toe (2) aan de begunstigde OZA-staten (Mauritius, de Seychellen en Madagaskar) voor 8 000 ton tonijnconserven en 2 000 ton tonijnzijden („loins”).

(6)

Naast de hiervoor bedoelde automatische afwijking heeft Mauritius een afwijking aangevraagd voor een hoeveelheid van 6 000 ton tonijnconserven van de GN-codes 1604 14 11, 1604 14 18 en 1604 20 70 vervaardigd van tonijn van het geslacht Katsuwonus pelamis (boniet), Thunnus alalunga (witte tonijn), Thunnus albacares (geelvintonijn) en Thunnus obesus (grootoogtonijn), bestemd voor invoer in de Unie van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Protocol nr. 1 bij de tussentijdse EPO.

(7)

De tonijn verwerkende bedrijven van Mauritius zijn erg afhankelijk van de levering van van oorsprong zijnde tonijn die op grond van de tussentijdse EPO door ringzegenvaartuigen van de EU wordt geleverd. De recente vangst van van oorsprong zijnde boniet (Katsuwonus pelamis) in de Indische Oceaan is afgenomen, wat zorgt voor nieuwe uitdagingen voor de verwerkers van Mauritius, die te maken krijgen met een toenemende vraag in de Unie naar op boniet gebaseerde producten. Het toestaan van een afwijking voor op geelvintonijn gebaseerde producten (Thunnus albacares) is niet gerechtvaardigd, aangezien de vangst van van oorsprong zijnde geelvintonijn in de Indische Oceaan is toegenomen. Daarom dient alleen een afwijking voor boniet te worden toegestaan.

(8)

De uitvoer van tonijnconserven vanuit Mauritius naar de Unie is de afgelopen vijf jaar voortdurend gestegen.

(9)

Mauritius komt in aanmerking voor de totale quota die op basis van de automatische afwijking zijn toegekend aan alle begunstigde OZA-staten (Mauritius, de Seychellen en Madagaskar). Indien de andere begunstigde OZA-staten de quota slechts gedeeltelijk gebruiken, zou Mauritius eveneens in aanmerking kunnen komen voor mogelijke jaarlijkse hertoewijzingen van hoeveelheden die niet door deze staten zijn gebruikt. Gezien de recente voorlopige toepassing van de tussentijdse EPO is er nog geen passend toezicht op de benutting van de automatische afwijking mogelijk geweest om na te gaan of zich bij de hertoewijzing van ongebruikte hoeveelheden tussen de begunstigde OZA-staten patronen aftekenen.

(10)

Mauritius kan van oorsprong zijnde rauwe tonijn van buiten de Indische Oceaan betrekken overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van Protocol nr. 1 bij de tussentijdse EPO.

(11)

De lopende EPO-onderhandelingen tussen de Europese Unie en andere ACS-staten van waaruit Mauritius van oorsprong zijnde rauwe tonijn kan betrekken voor zijn verwerkende industrie, kunnen in de nabije toekomst alternatieve mogelijkheden bieden voor de levering van van oorsprong zijnde tonijn.

(12)

Het is daarom passend Mauritius een afwijking toe te staan voor 2 000 ton conserven van boniet, hetgeen de bestaande industrie in staat stelt haar uitvoer naar de Unie voort te zetten.

(13)

De mogelijke hertoewijzing van ongebruikte hoeveelheden tussen de begunstigde OZA-staten en de in de tussentijdse EPO voorziene cumulatie rechtvaardigen dat de afwijking tijdelijk wordt toegestaan. Om te zorgen voor rechtszekerheid voor de ondernemers, moet de afwijking met ingang van 1 april 2013 worden toegestaan voor een periode van één jaar.

(14)

Om in aanmerking te komen voor de afwijking, moet het niet van oorsprong zijnde materiaal voor de productie van conserven van boniet van de GN-codes 1604 14 11, 1604 14 18 en 1604 20 70 bevroren boniet (Katsuwonus pelamis) van GS-post 0303 zijn.

(15)

Bij Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3) zijn voorschriften voor het beheer van tariefcontingenten vastgesteld. Met het oog op een efficiënt beheer in nauwe samenwerking tussen de autoriteiten van de OZA-staten, de douaneautoriteiten van de Unie en de Commissie, moeten deze voorschriften van overeenkomstige toepassing zijn op de hoeveelheden die in het kader van de bij dit besluit toegestane afwijking worden ingevoerd.

(16)

Om efficiënt toezicht te kunnen uitoefenen op de wijze waarop de afwijking wordt toegepast, moeten de autoriteiten van de OZA-staten de gegevens over de afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 regelmatig meedelen aan de Commissie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van Protocol nr. 1 bij de tussentijdse EPO en overeenkomstig artikel 42, leden 1 en 5, van dat protocol, worden conserven van boniet van GS-post 1604, vervaardigd uit niet van oorsprong zijnde boniet (Katsuwonus pelamis) van GS-post 0303, overeenkomstig de voorwaarden in de artikelen 2 tot en met 5 van dit besluit beschouwd als van oorsprong uit Mauritius.

Artikel 2

De in artikel 1 bedoelde afwijking geldt voor één jaar voor het in de bijlage bij dit besluit vermelde product en de daar vermelde hoeveelheid die van 1 april 2013 tot en met 31 maart 2014 worden aangegeven om vanuit Mauritius in het vrije verkeer in de Unie te worden gebracht.

Artikel 3

De in de bijlage vermelde hoeveelheid wordt beheerd overeenkomstig de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater, van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 4

De douaneautoriteiten van Mauritius verrichten kwantitatieve controles bij de uitvoer van de in artikel 1 bedoelde producten.

In alle certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 die zijn afgeven voor de in artikel 1 bedoelde producten, wordt naar dit besluit verwezen.

Voor het eind van de maand die volgt op elk kwartaal doen de douaneautoriteiten van Mauritius, via het secretariaat van het Comité Douanesamenwerking, de Commissie een overzicht toekomen van de hoeveelheden waarvoor op grond van dit besluit certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn afgegeven, en van de volgnummers van die certificaten.

Artikel 5

In vak 7 van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 die op grond van dit besluit worden afgegeven, wordt één van de volgende vermeldingen aangebracht:

„Derogation — Decision No 1/2013 of the ESA-EU Customs Cooperation Committee of 7 August 2013”;

„Dérogation — Décision no 1/2013 du Comité de Coopération Douanière AfOA-UE du 7 août 2013”.

Artikel 6

1.   Mauritius en de Unie nemen, elk voor zich, de nodige maatregelen ter uitvoering van dit besluit.

2.   Wanneer de Unie op basis van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat er sprake is geweest van onregelmatigheden of fraude of dat de verplichtingen van artikel 4 herhaaldelijk niet zijn nagekomen, kan de Unie om een tijdelijke schorsing van de in artikel 1 bedoelde afwijking verzoeken overeenkomstig de procedure van artikel 22, leden 5 en 6, van de tussentijdse EPO.

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Dit besluit is van toepassing vanaf 1 april 2013.

Gedaan te Brussel, 7 augustus 2013.

Voor het OZA-EU Comité douanesamenwerking

De gezamenlijke voorzitters

Vivianne FOCK TAVE

Péter KOVÁCS


(1)  PB L 111 van 24.4.2012, blz. 2.

(2)  PB L 347 van 15.12.2012, blz. 38.

(3)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE

Volgnummer

GN-code

Omschrijving

Periode

Hoeveelheid

(in ton)

09.1620

ex 1604 14 11, ex 1604 14 18, ex 1604 20 70,

Conserven van boniet (Katsuwonus pelamis) (1)

1.4.2013 - 31.3.2014

2 000


(1)  In elke verpakkingsvorm waarbij het product wordt beschouwd als conserven in de zin van GS-post 1604.


7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/s3


BERICHT AAN DE LEZER

Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (PB L 69 van 13.3.2013, blz. 1) zal, met ingang van 1 juli 2013, enkel de elektronische editie van het Publicatieblad authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben.

Indien het door onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is de elektronische editie van het Publicatieblad te publiceren, zal de gedrukte editie authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 216/2013.


7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/s3


BERICHT AAN DE LEZER — WIJZE VAN VERMELDEN VAN DE HANDELINGEN

Vanaf 1 juli 2013 is de wijze van vermelden van de handelingen veranderd.

Gedurende een overgangsperiode zal zowel de oude als de nieuwe manier worden gebruikt.