ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.218.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 218

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
14 augustus 2013


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2013/38/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG betreffende havenstaatcontrole ( 1 )

1

 

*

Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad

8

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit nr. 778/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan Georgië

15

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 779/2013 van de Commissie van 13 augustus 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

24

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/430/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 12 augustus 2013 betreffende de bedragen die voor begrotingsjaar 2014 uit de nationale steunprogramma’s in de wijnsector worden overgedragen naar de bedrijfstoeslagregeling, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5180)

26

 

 

2013/431/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 12 augustus 2013 waarbij aan de lidstaten toestemming wordt verleend om de geldigheidsduur van de voorlopige toelatingen voor de werkzame stoffen benalaxyl-M en valifenalaat te verlengen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5184)  ( 1 )

28

 

 

 

*

Bericht aan de lezer — Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 

*

Bericht aan de lezer — Wijze van vermelden van de handelingen(zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/1


RICHTLIJN 2013/38/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 augustus 2013

tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG betreffende havenstaatcontrole

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) heeft op 23 februari 2006 het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006 (Maritime Labour Convention 2006 — MLC 2006), vastgesteld, met de bedoeling één enkel coherent instrument te creëren dat voor zover mogelijk alle actuele normen van de bestaande maritieme arbeidsverdragen en aanbevelingen bundelt, en ook de grondbeginselen van andere internationale arbeidsverdragen.

(2)

Bij Beschikking 2007/431/EG van de Raad (3) zijn de lidstaten gemachtigd het MLC 2006 te ratificeren. De lidstaten dienen het derhalve zo snel mogelijk te ratificeren.

(3)

Lidstaten moeten, wanneer zij overeenkomstig Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (4) havenstaatcontrole-inspecties verrichten met betrekking tot aangelegenheden die worden bestreken door verdragen die zij nog niet geratificeerd hebben en die bepalen dat elk schip dat zich in de haven van een andere verdragsluitende staat of partij bevindt, onderworpen is aan controle door daartoe naar behoren gemachtigde ambtenaren, alles in het werk stellen om te voldoen aan de krachtens deze verdragen toepasselijke procedures en praktijken en moeten zich bijgevolg onthouden van het opstellen van voor de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en/of de IAO bestemde rapporten met betrekking tot havenstaatcontroles. De lidstaten die een onder Richtlijn 2009/16/EG vallend internationaal verdrag op het tijdstip van de inwerkingtreding ervan nog niet hebben geratificeerd, moeten alles in het werk stellen om aan boord van hun schepen soortgelijke arbeidsomstandigheden te creëren in overeenstemming met de voorschriften van dat verdrag.

(4)

Om een geharmoniseerde aanpak zeker te stellen met betrekking tot het doen naleven van de internationale normen door de lidstaten bij vlaggenstaatinspecties en havenstaatcontrole-inspecties, alsmede om conflicten tussen het internationaal en het Europees recht te vermijden, moeten lidstaten ernaar streven de verdragen, of in elk geval de onderdelen daarvan die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, te ratificeren vóór de datum waarop zij van kracht worden.

(5)

In het MLC 2006 zijn maritieme arbeidsnormen voor alle zeevarenden, ongeacht hun nationaliteit of de vlag van het schip waarop zij werkzaam zijn, vastgesteld.

(6)

Voor de toepassing van Richtlijn 2009/16/EG verdient het de voorkeur, boven het definiëren van deze termen, dat de termen „zeevarende” en „bemanning” in elk afzonderlijk geval worden uitgelegd op een wijze, zoals deze onder de relevante internationale verdragen worden gedefinieerd of worden uitgelegd. In het bijzonder voor alle aangelegenheden die verband houden met de handhaving van MLC 2006, moet onder „bemanning” worden verstaan „zeevarenden” als omschreven in MLC 2006.

(7)

Voor iedere, door deze richtlijn bestreken aangelegenheid betreffende de handhaving van MLC 2006, waaronder voor schepen waarop de Internationale Veiligheidsmanagementcode niet van toepassing is, moeten de verwijzingen in Richtlijn 2009/16/EG naar „maatschappij” worden begrepen als verwijzingen naar „reder” als omschreven in de desbetreffende definitie van MLC 2006, aangezien bedoelde definitie beter aansluit bij de specifieke behoeften van MLC 2006.

(8)

Een aanzienlijk deel van de normen van MLC 2006 is in het Unierecht opgenomen middels Richtlijn 2009/13/EG van de Raad van 16 februari 2009 tot tenuitvoerlegging van de Overeenkomst tussen de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Europese Federatie van vervoerswerknemers (ETF) inzake het Verdrag betreffende maritieme arbeid van 2006 (5) en Richtlijn 1999/63/EG van de Raad van 21 juni 1999 inzake de Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van zeevarenden, gesloten door de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA) en de Federatie van de bonden voor het vervoerspersoneel in de Europese Unie (FST) (6). De normen van MLC 2006 die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/13/EG of Richtlijn 1999/63/EG vallen, moeten door de lidstaten overeenkomstig die richtlijnen worden toegepast.

(9)

Als algemeen beginsel mogen de maatregelen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld, in geen geval een rechtvaardigingsgrond geven voor een vermindering door een lidstaat van het algemene beschermingsniveau die zeevarenden genieten aan boord van onder de vlag van een lidstaat varende schepen uit hoofde van het toepasselijke sociaal recht van de Unie.

(10)

In MLC 2006 zijn handhavingsregels opgenomen waarin de verantwoordelijkheden van de staten die havenstaatcontroles moeten uitvoeren, worden gedefinieerd. Om de veiligheid te beschermen en concurrentieverstoring tegen te gaan, moeten de lidstaten het recht krijgen controle uit te oefenen op de naleving van de normen van MLC 2006 door alle schepen die hun havens en hun ankerplaatsen aandoen, ongeacht onder de vlag van welke staat zij varen.

(11)

De havenstaatcontrole wordt geregeld bij Richtlijn 2009/16/EG, waarin MLC 2006 moet worden toegevoegd aan de verdragen, waarvan de tenuitvoerlegging door de autoriteiten van de lidstaten in hun havens wordt gecontroleerd.

(12)

Wanneer de lidstaten in overeenstemming met Richtlijn 2009/16/EG havenstaatcontrole-inspecties verrichten, dienen zij de bepalingen van MLC 2006 in acht te nemen, volgens welke de lidstaten het maritiemearbeidscertificaat en de conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid moeten aanvaarden als prima facie-bewijs dat aan de voorschriften van MLC 2006 is voldaan.

(13)

In het Unierecht moet eveneens vorm worden gegeven aan de in MLC 2006 vervatte procedures voor de behandeling van klachten aan wal in verband met aangelegenheden die onder MLC 2006 vallen.

(14)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/16/EG, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. De Commissie dient de bevoegdheid te krijgen om uitvoeringshandelingen vast te stellen: voor de uitvoering van een methode voor het beoordelen van algemene risicoparameters aangaande met name de vlaggenstaatcriteria en de prestatiecriteria voor rederijen; voor het zekerstellen van uniforme voorwaarden voor de reikwijdte van een uitgebreide inspectie, met inbegrip van de te inspecteren risicogebieden; voor het zekerstellen van de uniforme toepassing van de procedures voor de controle en de beveiligingscontroles van schepen; voor het vaststellen van een geharmoniseerd elektronisch formaat voor het rapporteren van klachten in verband met MLC 2006; voor het invoeren van geharmoniseerde procedures voor het rapporteren van klaarblijkelijke onregelmatigheden door loodsen en havenautoriteiten of haveninstanties en de naar aanleiding daarvan door de lidstaten getroffen vervolgmaatregelen; en voor de vaststelling van nadere voorschriften voor de publicatie van informatie aangaande rederijen met een laag en zeer laag prestatieniveau, de criteria voor de verzameling van relevante gegevens en de frequentie van actualiseringen. Dat is zeer technisch werk dat moet worden verricht op basis van de in die richtlijn vastgestelde beginselen en criteria. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (7).

(15)

Uitvoeringshandelingen die betrekking hebben op de methode voor het beoordelen van algemene risicoparameters aangaande met name de vlaggenstaatcriteria en de prestatiecriteria voor rederijen, op de verslagen van loodsen en havenautoriteiten of haveninstanties, onder meer geharmoniseerde procedures voor het rapporteren van klaarblijkelijke onregelmatigheden door loodsen en havenautoriteiten of haveninstanties en de naar aanleiding daarvan door de lidstaten getroffen maatregelen, en op de nadere voorschriften voor de publicatie van informatie over rederijen die laag of zeer laag hebben gepresteerd, mogen niet door de Commissie worden vastgesteld indien het in deze richtlijn bedoelde comité geen advies uitbrengt over het door de Commissie ingediende ontwerpuitvoeringshandeling.

(16)

Bij het vaststellen van de uitvoeringsvoorschriften dient de Commissie specifiek rekening te houden met de expertise en ervaring die is opgedaan met het inspectiesysteem in de Unie, en dient zij voort te bouwen op de expertise van het op 26 januari 1982 te Parijs ondertekende Memorandum van overeenstemming inzake havenstaatcontrole („MOU van Parijs”), in zijn meest actuele versie.

(17)

De uitvoeringsvoorschriften, waaronder de verwijzingen naar de instructies en richtsnoeren van het MOU van Parijs, mogen geen afbreuk doen aan het professionele oordeel van de inspecteurs of van de bevoegde autoriteit, noch aan de flexibiliteit voorzien in Richtlijn 2009/16/EG.

(18)

De in Richtlijn 2009/16/EG bedoelde inspectiedatabank moet worden aangepast en ontwikkeld op basis van de bij deze richtlijn ingevoerde wijzigingen, of de in het kader van het MOU van Parijs aangenomen wijzigingen.

(19)

Met het MOU van Parijs wordt beoogd via een geharmoniseerd systeem van havenstaatcontrole uit te sluiten dat schepen die niet aan de norm voldoen, nog worden gebruikt, onder meer door middel van gecoördineerde inspecties van schepen die een haven aandoen, met inbegrip van havens van de lidstaten, in het onder het MOU van Parijs vallend gebied. Met deze inspecties moet worden nagegaan of schepen voldoen aan internationale veiligheids-, beveiligings- en milieunormen en of de leef- en werkomstandigheden van de zeevarenden adequaat zijn en stroken met de geldende internationale verdragen. Bij het uitvoeren van inspecties en wanneer wordt verwezen naar de instructies en richtsnoeren van het MOU van Parijs, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze instructies en richtsnoeren ontwikkeld en vastgesteld worden om de samenhang te waarborgen en om de inspecties aan te sturen teneinde een zo hoog mogelijke graad van convergentie mogelijk te maken.

(20)

Inspecteurs moeten beschikken over het noodzakelijke opleidingsniveau om de leef- en werkomstandigheden van zeevarenden aan boord alsmede hun opleiding en kwalificaties te kunnen inspecteren en na te gaan of deze voldoen aan de eisen van MLC 2006. Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en de lidstaten moeten het geven van opleiding voor inspecteurs met het oog op het controleren van de uitvoering van MLC 2006 bevorderen.

(21)

Teneinde de Commissie de mogelijkheid te bieden om de relevante procedures snel te actualiseren, en zo bij te dragen tot de doelstelling om op wereldschaal gelijke concurrentievoorwaarden voor de scheepvaart tot stand te brengen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen voor wijzigingen van bijlage VI bij Richtlijn 2009/16/EG, waarin de lijst van de door het MOU van Parijs vastgestelde instructies is opgenomen, om de procedures, in overeenstemming met de op internationaal niveau afgesproken procedures en overeenkomstig de desbetreffende verdragen, toepasbaar en afdwingbaar te houden op het grondgebied van de lidstaten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(22)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(23)

Richtlijn 2009/16/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(24)

Overeenkomstig artikel VIII ervan, treedt MLC 2006 in werking twaalf maanden na de datum waarop door ten minste 30 leden van de IAO ratificaties zijn geregistreerd, die samen een totaal aandeel van 33 procent in het mondiaal bruto tonnage hebben. Aan deze voorwaarde werd op 20 augustus 2012 voldaan, waardoor de MLC 2006 op 20 augustus 2013 in werking treedt.

(25)

Deze richtlijn dient op dezelfde datum als MLC 2006 in werking te treden,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2009/16/EG

Richtlijn 2009/16/EG wordt hierbij als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt g) wordt geschrapt;

ii)

de volgende punten worden toegevoegd:

„i)

het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006 (Maritime Labour Convention 2006 — MLC 2006);

j)

het Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen, 2001 (AFS-verdrag 2001);

k)

Internationaal Verdrag van 2001 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie (Bunkerolieverdrag, 2001).”;

b)

onderstaande punten worden toegevoegd:

„23.   „maritiem arbeidscertificaat”: het in voorschrift 5.1.3 van MLC 2006 bedoelde certificaat;

24.   „conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid”: de in voorschrift 5.1.3 van MLC 2006 bedoelde verklaring.”;

c)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Alle verwijzingen in deze richtlijn naar de verdragen, internationale codes en resoluties, waaronder voor certificaten en andere documenten, worden beschouwd als verwijzingen naar de actuele versies van die verdragen, internationale codes en resoluties.”.

2)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Bij de inspectie van een schip dat vaart onder de vlag van een staat die geen partij is bij een verdrag, zien de lidstaten erop toe dat schip en bemanning geen gunstiger behandeling krijgen dan een schip dat vaart onder de vlag van een staat die wel partij is bij dat verdrag. Een dergelijk schip wordt onderworpen aan een meer gedetailleerde inspectie in overeenstemming met de procedures van het MOU van Parijs.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„5.   Maatregelen die ter uitvoering van deze richtlijn worden vastgesteld, leiden niet tot een verlaging van het algemene niveau van de bescherming die zeevarenden op grond van het sociaal recht van de Unie genieten op de gebieden waarop deze richtlijn van toepassing is, ten opzichte van de situatie die in iedere lidstaat reeds bestaat. Als de bevoegde autoriteit van de havenstaat bij de uitvoering van die maatregelen te weten komt dat er sprake is van een duidelijke schending van het Unierecht aan boord van schepen die onder de vlag van een lidstaat varen, meldt deze autoriteit dit in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk onverwijld aan andere bevoegde autoriteiten met het oog op passende reacties daarop.”.

3)

Artikel 8, lid 4, wordt geschrapt.

4)

In artikel 10 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   Aan de Commissie worden uitvoeringsbevoegdheden toegekend voor de uitvoering van een methode voor het beoordelen van algemene risicoparameters aangaande met name de vlaggenstaatcriteria en de prestatiecriteria voor rederijen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

5)

In artikel 14 wordt lid 4 vervangen door:

„4.   De reikwijdte van een uitgebreide inspectie, met inbegrip van de te inspecteren risicogebieden, wordt omschreven in bijlage VII. De Commissie kan nadere maatregelen vaststellen met het oog op uniforme voorwaarden voor de toepassing van bijlage VII. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

6)

In artikel 15 wordt lid 4 vervangen door:

„4.   De Commissie kan nadere maatregelen vaststellen met het oog op de uniforme toepassing van de procedures als bedoeld in lid 1 en van de beveiligingscontroles als bedoeld in lid 2 van dit artikel. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

7)

Aan artikel 17 worden de volgende alinea’s toegevoegd:

„Indien uit een meer gedetailleerde inspectie blijkt dat de leef- en werkomstandigheden aan boord niet voldoen aan de vereisten van het MLC 2006, brengt de inspecteur de tekortkomingen onmiddellijk onder de aandacht van de kapitein van het schip en stelt hij de termijnen waarbinnen deze tekortkomingen moeten worden verholpen.

Als de inspecteur deze tekortkomingen aanzienlijk vindt of als deze betrekking hebben op een mogelijke klacht als bedoeld in punt 19 van deel A van bijlage V, brengt de inspecteur de tekortkomingen ook onder de aandacht van de betrokken zeevarenden- en redersorganisaties in de lidstaat waar de inspectie wordt uitgevoerd, en kan hij:

a)

een vertegenwoordiger van de vlaggenstaat in kennis stellen;

b)

de relevante informatie verstrekken aan de bevoegde instanties van de volgende aanloophaven.

Met betrekking tot zaken die betrekking hebben op MLC 2006 heeft de lidstaat waar de inspectie wordt uitgevoerd, het recht een afschrift van het inspectieverslag, waarbij alle binnen de gestelde termijn ontvangen antwoorden van de bevoegde instanties van de vlaggenstaat zijn gevoegd, te doen toekomen aan de directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau met het oog op de maatregelen die passend of aangewezen worden geacht om ervoor te zorgen dat die informatie wordt opgeslagen en onder de aandacht wordt gebracht van partijen die mogelijk gebruik willen maken van de beroepsprocedures.”.

8)

Artikel 18, vierde alinea, komt als volgt te luiden:

„De identiteit van de persoon die de klacht heeft ingediend wordt niet bekendgemaakt aan de kapitein of de eigenaar van het betrokken schip. De inspecteur neemt de gepaste stappen om de vertrouwelijkheid van door zeevarenden ingediende klachten te garanderen, onder andere door de vertrouwelijkheid gedurende elk gesprek met zeevarenden te waarborgen.”.

9)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 18 bis

Aan land toepasselijke klachtafhandelingsprocedures aangaande MLC 2006

1.   Een klacht van een zeevarende waarin een inbreuk op de voorschriften van MLC 2006 (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) wordt aangevoerd, kan worden gemeld aan een inspecteur in de haven waar het schip van de zeevarende is binnengelopen. In die gevallen verricht de inspecteur een eerste onderzoek.

2.   Indien zulks gelet op de aard van de klacht passend is, wordt tijdens het eerste onderzoek ook nagegaan, of aan boord de klachtenprocedures zijn gevolgd waarin voorschrift 5.1.5 van MLC 2006 voorziet. De inspecteur kan ook een meer gedetailleerde inspectie in overeenstemming met artikel 13 van deze richtlijn verrichten.

3.   De inspecteur tracht, in voorkomend geval, een oplossing voor de klacht aan boord te bevorderen.

4.   Indien het onderzoek of de inspectie een onder artikel 19 vallende inbreuk uitwijst, is dat artikel van toepassing.

5.   Indien lid 4 niet van toepassing is en een klacht van een zeevarende over aangelegenheden die onder MLC 2006 vallen niet aan boord is opgelost, stelt de inspecteur de vlaggenstaat daarvan onmiddellijk in kennis en verlangt hij binnen een vastgestelde termijn advies en een corrigerend actieplan van de vlaggenstaat. Een verslag van iedere verrichte inspectie wordt via elektronische weg naar de in artikel 24 bedoelde inspectiedatabank gestuurd.

6.   Indien de klacht na de overeenkomstig lid 5 ondernomen actie niet is opgelost, stuurt de havenstaat de directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau een afschrift van het verslag van de inspecteur. Elk antwoord dat binnen de voorgeschreven termijn van de bevoegde instantie van de vlaggenstaat is ontvangen, wordt bij het verslag gevoegd. De desbetreffende zeevarenden- en redersorganisaties in de havenstaat worden eveneens op de hoogte gebracht. Daarnaast stuurt de havenstaat de directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau regelmatig statistieken en informatie over de opgeloste klachten.

Dergelijke toezendingen worden voorzien om een bestand van dergelijke informatie bij te houden, voor zover op basis van dergelijke acties als passend en doelmatige kan worden beschouwd, en die onder de aandacht van partijen wordt gebracht, waaronder de organisaties van zeevarenden en reders, die eventueel gebruik willen maken van de beroepsprocedures.

7.   Teneinde uniforme voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, worden aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden toegekend voor het vaststellen van een geharmoniseerd elektronisch formaat en procedure voor de rapportering van door de lidstaten genomen vervolgmaatregelen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

8.   Dit artikel laat artikel 18 onverlet. Artikel 18, vierde alinea, geldt ook voor klachten over aangelegenheden die vallen onder MLC 2006.”.

10)

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„2 bis.   Bij leef- en werkomstandigheden aan boord die een manifest gevaar voor de veiligheid, de gezondheid of de bescherming van de zeevarenden inhouden of bij tekortkomingen die een ernstige of herhaalde inbreuk op de voorschriften van MLC 2006 (met inbegrip van de rechten van zeevarenden) vormen, moet de bevoegde instantie van de havenstaat waar het schip wordt geïnspecteerd, erop toezien dat het schip wordt aangehouden of dat de nog in gang zijnde operatie waarop die tekortkomingen betrekking hebben, wordt stopgezet.

De aanhouding van het schip of de stopzetting van een operatie wordt pas opgeheven wanneer deze tekortkomingen verholpen zijn of de bevoegde instantie een actieplan om de betrokken tekortkomingen te verhelpen, heeft aanvaard en zich ervan heeft vergewist dat het actieplan spoedig zal worden uitgevoerd. Alvorens een actieplan te aanvaarden, kan de inspecteur de vlaggenstaat raadplegen.”;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   In geval van aanhouding dient de bevoegde instantie onmiddellijk, schriftelijk en onder overlegging van het inspectierapport, de administratie van de vlaggenstaat of, wanneer dit niet mogelijk is, de consul, of, bij diens afwezigheid, de dichtstbijzijnde diplomatieke vertegenwoordiger van die staat in kennis te stellen van het geheel van omstandigheden waarin optreden noodzakelijk werd geacht. Bovendien moeten, indien relevant, ook de aangewezen inspecteurs of de erkende organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de classificatiecertificaten of de wettelijk voorgeschreven certificaten die overeenkomstig verdragen worden afgegeven, worden ingelicht. Indien een schip niet kan uitvaren wegens ernstige of herhaalde inbreuk op de voorschriften van MLC 2006, met inbegrip van de rechten van zeevarenden, of indien de leef- en werkomstandigheden aan boord een duidelijk gevaar voor de veiligheid, de gezondheid of de bescherming van zeevarenden vormen, stelt de bevoegde instantie voorts de vlaggenstaat daarvan onverwijld in kennis met een verzoek aan een vertegenwoordiger van de vlaggenstaat om, indien mogelijk, aanwezig te zijn, en verlangt hij dat de vlaggenstaat binnen een voorgeschreven termijn antwoordt. De bevoegde instantie brengt de betrokken zeevarenden- en redersorganisaties in de havenstaat waar de inspectie is uitgevoerd onverwijld op de hoogte.”.

11)

In artikel 23 wordt lid 5 vervangen door:

„5.   Aan de Commissie worden uitvoeringsbevoegdheden toegekend om maatregelen voor de uitvoering van dit artikel vast te stellen, onder meer geharmoniseerde procedures voor het rapporteren van klaarblijkelijke onregelmatigheden door loodsen en havenautoriteiten of haveninstanties en de naar aanleiding daarvan door de lidstaten getroffen vervolgmaatregelen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

12)

In artikel 27 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Aan de Commissie worden uitvoeringsbevoegdheden toegekend met het oog op de vaststelling van nadere voorschriften voor de publicatie van de in de eerste alinea bedoelde informatie, de criteria voor de verzameling van relevante gegevens en de frequentie van actualiseringen. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 31, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

13)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 30 bis

Gedelegeerde handelingen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen in bijlage VI, teneinde de in die bijlage opgenomen lijst aan te vullen met instructies inzake havenstaatcontrole die zijn vastgesteld door de organisatie als ingesteld bij het MOU van Parijs.

Artikel 30 ter

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 30 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 20 augustus 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 30 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 30 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld voornemens te zijn om geen bezwaar te maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”.

14)

Artikel 31 wordt vervangen door:

„Artikel 31

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2099/2002 van het Europees Parlement en de Raad (8) ingestelde Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht over een krachtens artikel 10, lid 3, artikel 23, lid 5, en artikel 27, lid 2, vast te stellen ontwerpuitvoeringshandeling, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

15)

Artikel 32 wordt geschrapt;

16)

Artikel 33 wordt vervangen door:

„Artikel 33

Uitvoeringsvoorschriften

Bij de vaststelling van de in artikel 10, lid 3, artikel 14, lid 4, artikel 15, lid 4, artikel 18 bis, lid 7, artikel 23, lid 5, en artikel 27 bedoelde uitvoeringsvoorschriften overeenkomstig de in artikel 31, lid 3, bedoelde procedures ziet de Commissie er in het bijzonder op toe dat in deze uitvoeringsvoorschriften rekening wordt gehouden met de expertise en ervaringen die zijn opgedaan met het inspectiesysteem in de Unie en met de expertise van het MOU van Parijs.”.

17)

In bijlage I wordt deel II, punt 2B, als volgt gewijzigd:

a)

het vijfde streepje wordt vervangen door:

„—

Schepen waarover een rapport of klacht, daaronder begrepen een klacht aan wal, is ingediend door de kapitein, een bemanningslid of een persoon of organisatie die een rechtmatig belang heeft bij de veilige werking van het schip, de leef- en werkomstandigheden aan boord of de preventie van verontreiniging, tenzij de betrokken lidstaat het rapport of de klacht als kennelijk ongegrond beschouwt.”;

b)

het volgende streepje wordt toegevoegd:

„—

schepen waarvoor een actieplan is overeengekomen om tekortkomingen als bedoeld in artikel 19, lid 2 bis, weg te werken maar waarvan de uitvoering van dat plan niet door een inspecteur is geverifieerd.”.

18)

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten 14, 15 en 16 worden vervangen door:

„14.

Geneeskundige verklaringen (zie MLC 2006).

15.

Tabel met de arbeidsorganisatie aan boord (zie MLC 2006 en STCW 78/95).

16.

Register van de werk- en rusttijden van zeevarenden (zie MLC 2006).”;

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

„45.

Maritiem arbeidscertificaat.

46.

Conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid, delen I en II.

47.

Internationaal certificaat inzake aangroeiwerende systemen.

48.

Certificaat van verzekering of andere financiële zekerheid ter zake van wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie.”.

19)

In bijlage V, punt A, worden de volgende punten toegevoegd:

„16.

De op grond van MLC 2006 vereiste documenten worden niet overlegd, worden niet gehandhaafd of worden valselijk gehouden, of de overgelegde documenten bevatten niet de op grond van het MLC 2006 vereiste informatie of zijn om een andere reden ongeldig.

17.

De leef- en werkomstandigheden op het schip zijn niet in overeenstemming met de normen van MLC 2006.

18.

Er kan redelijkerwijs worden aangenomen dat het schip van vlag heeft gewisseld opdat MLC 2006 niet hoeft te worden nageleefd.

19.

Er is een klacht ingediend dat de leef- en werkomstandigheden op het schip niet in overeenstemming met de normen van MLC 2006 zijn.”.

20)

Bijlage X, punt 3.10, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Werkingssfeer van MLC 2006”;

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

„8.

De omstandigheden aan boord vormen een duidelijk gevaar voor de veiligheid, gezondheid of bescherming van zeevarenden.

9.

De tekortkoming vormt een ernstige of herhaalde inbreuk op de voorschriften van MLC 2006, met inbegrip van de rechten van zeevarenden met betrekking tot de leef- en werkomstandigheden van zeevarenden op het schip, zoals bepaald in het maritiem arbeidscertificaat en de conformiteitsverklaring voor maritieme arbeid van het schip.”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 21 november 2014 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mee. Wanneer de lidstaten die maatregelen vaststellen, wordt in die maatregelen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste maatregelen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op 20 augustus 2013, de datum van inwerkingtreding van MLC 2006.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 augustus 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  PB C 299 van 4.10.2012, blz. 153.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 2 juli 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 juli 2013.

(3)  PB L 161 van 22.6.2007, blz. 63.

(4)  PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57.

(5)  PB L 124 van 20.5.2009, blz. 30.

(6)  PB L 167 van 2.7.1999, blz. 33.

(7)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(8)  PB L 324 van 29.11.2002, blz. 1.”.


14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/8


RICHTLIJN 2013/40/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 augustus 2013

over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deze richtlijn heeft ten doel het strafrecht van de lidstaten inzake aanvallen op informatiesystemen onderling af te stemmen door minimumvoorschriften vast te stellen voor de definitie van strafbare feiten en de relevante sancties, en de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, waaronder de politie en andere gespecialiseerde rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten, alsook de bevoegde gespecialiseerde agentschappen en organen van de Unie, zoals Eurojust, Europol en zijn Europees cybercriminaliteitscentrum, en het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa), te verbeteren.

(2)

Informatiesystemen zijn een essentieel onderdeel van de politieke, maatschappelijke en economische interactie in de Unie. De samenleving is sterk en in toenemende mate afhankelijk van dit soort systemen. De goede werking en de veiligheid van die systemen in de Unie is cruciaal voor de ontwikkeling van de interne markt en van een concurrerende en innovatieve economie. Het waarborgen van passende beschermingsniveaus voor informatiesystemen dient deel uit te maken van een effectief alomvattend kader van preventieve maatregelen, in combinatie met strafrechtelijke reacties op cybercriminaliteit.

(3)

Aanvallen op informatiesystemen, in het bijzonder aanvallen in het kader van de georganiseerde criminaliteit, vormen een groeiende bedreiging, zowel in de Unie als in de rest van de wereld, en de bezorgdheid over mogelijke terroristische of politiek gemotiveerde aanvallen op informatiesystemen die deel uitmaken van de vitale infrastructuur van de lidstaten en van de Unie neemt toe. Dit brengt de totstandbrenging van een veiliger informatiemaatschappij en een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht in gevaar en maakt derhalve een reactie op het niveau van de Unie en betere internationale samenwerking en coördinatie noodzakelijk.

(4)

Ontwrichting of vernietiging van een aantal vitale infrastructuren in de Unie zou aanzienlijke grensoverschrijdende gevolgen hebben. Uit de behoefte aan een grotere mate van bescherming van de vitale infrastructuur in de Unie is gebleken dat de maatregelen tegen cyberaanvallen moeten worden aangevuld met zware strafrechtelijke straffen die in verhouding staan tot de ernst van deze aanvallen. Onder „vitale infrastructuur” kan worden verstaan een voorziening, systeem of een deel daarvan op het grondgebied van een lidstaat dat van essentieel belang is voor bijvoorbeeld het behoud van vitale maatschappelijke functies, de gezondheid, de veiligheid, de beveiliging, de economische welvaart of het maatschappelijk welzijn, zoals energiecentrales, vervoersnetwerken of overheidsnetwerken, en waarvan de verstoring of vernietiging in een lidstaat aanzienlijke gevolgen zou hebben doordat die functies ontregeld zouden raken.

(5)

Er zijn aanwijzingen dat grootschalige aanvallen op de informatiesystemen die vaak van vitaal belang kunnen zijn voor staten of voor specifieke onderdelen van de publieke of particuliere sector steeds gevaarlijker en frequenter worden. Deze tendens gaat gepaard met de ontwikkeling van steeds geavanceerder methoden, zoals het creëren en gebruiken van zogenaamde „botnets”, waarbij de strafbare handeling in verschillende fasen plaatsvindt en iedere fase afzonderlijk een ernstig risico voor openbare belangen kan opleveren. De richtlijn is er onder meer op gericht strafrechtelijke straffen in te voeren voor de fase waar de „botnet” tot stand wordt gebracht, namelijk wanneer controle op afstand over een aanzienlijk aantal computers tot stand wordt gebracht door deze door middel van gerichte cyberaanvallen te besmetten met kwaadaardige software. Als het eenmaal tot stand is gekomen, kan het netwerk van besmette computers, dat de „botnet” vormt, zonder medeweten van de gebruikers ervan worden ingezet om een grootschalige cyberaanval uit te voeren, die gewoonlijk het vermogen heeft om ernstige schade te veroorzaken als bedoeld in deze richtlijn. De lidstaten kunnen bepalen wat overeenkomstig hun nationaal recht en hun nationale praktijk onder ernstige schade wordt verstaan, zoals de ontregeling van systeemdiensten van groot openbaar nut, het veroorzaken van aanzienlijke financiële schade of het verlies van persoonsgegevens of gevoelige informatie.

(6)

Grootschalige cyberaanvallen kunnen ernstige economische schade veroorzaken doordat informatiesystemen uitvallen en de communicatie wordt onderbroken en doordat er commercieel belangrijke vertrouwelijke of andere gegevens verloren gaan of worden gewijzigd. Er dient met name op te worden gelet dat innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen bewuster worden gemaakt van bedreigingen en zwakke punten in verband met dergelijke aanvallen, vanwege hun grotere afhankelijkheid van de goede werking en beschikbaarheid van informatiesystemen en hun vaak beperkte middelen voor informatiebeveiliging.

(7)

Gemeenschappelijke definities op dit gebied zijn van belang om te garanderen dat de richtlijn in de lidstaten coherent wordt toegepast.

(8)

Teneinde tot een gemeenschappelijke aanpak van de bestanddelen van strafbare feiten te komen, moet een gemeenschappelijk begrip van de strafbare feiten „onrechtmatige toegang tot een informatiesysteem”, „onrechtmatige systeemverstoring”, „onrechtmatige gegevensverstoring” en „onrechtmatige onderschepping” worden ingevoerd.

(9)

Onderschepping omvat, maar is niet noodzakelijkerwijs beperkt tot, het afluisteren van, monitoren van of houden van toezicht op de inhoud van communicatie, en het ofwel rechtstreeks, door middel van toegang tot en gebruik van de informatiesystemen, ofwel indirect, door middel van het gebruik van een technisch hulpmiddel, zoals elektronische afluister- of aftapapparatuur, verkrijgen van de inhoud van gegevens.

(10)

De lidstaten dienen met betrekking tot aanvallen op informatiesystemen in straffen te voorzien. Die straffen dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn en dienen gevangenisstraffen en/of geldboeten te omvatten.

(11)

Deze richtlijn voorziet in elk geval in strafrechtelijke straffen voor gevallen die niet onbeduidend zijn. De lidstaten kunnen volgens hun nationaal recht en hun nationale praktijk bepalen welke gevallen onbeduidende gevallen zijn. Een geval kan bijvoorbeeld als onbeduidend worden beschouwd, wanneer de door het strafbare feit aangerichte schade aan en/of het risico voor openbare of particuliere belangen, zoals de integriteit van een computersysteem of computergegevens, of de integriteit, de rechten of andere belangen van een persoon, te verwaarlozen zijn of van dien aard zijn dat het binnen de wettelijke grenzen opleggen van een strafrechtelijke sanctie of het strafrechtelijk aansprakelijk stellen voor deze feiten niet noodzakelijk is.

(12)

Het onderkennen en rapporteren van bedreigingen en risico’s die uitgaan van cyberaanvallen en de kwetsbaarheid van informatiesystemen in dat verband, is een belangrijk element om cyberaanvallen daadwerkelijk te voorkomen en te bestrijden en om de beveiliging van informatiesystemen te verbeteren. Door het rapporteren van beveiligingslacunes te stimuleren kan op dit gebied nog meer effect worden gesorteerd. De lidstaten moeten mogelijkheden trachten aan te reiken voor de wettige opsporing en rapportering van beveiligingslacunes.

(13)

Het is passend te voorzien in zwaardere straffen voor aanvallen op een informatiesysteem die gepleegd zijn door een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (3), of voor grootschalige cyberaanvallen, die een aanzienlijk aantal informatiesystemen treffen, met inbegrip van aanvallen die tot doel hebben een „botnet” te creëren, of voor cyberaanvallen die ernstige schade veroorzaken, inclusief wanneer die worden uitgevoerd door middel van een „botnet”. Het is tevens passend te voorzien in zwaardere straffen voor aanvallen op een vitale infrastructuur van de lidstaten of van de Unie.

(14)

Het nemen van doeltreffende maatregelen tegen identiteitsdiefstal en andere identiteitsgerelateerde strafbare feiten is een ander belangrijk onderdeel van een geïntegreerde aanpak van cybercriminaliteit. De behoefte aan een optreden van de Unie tegen dit soort crimineel gedrag kan eveneens worden nagegaan in het kader van het onderzoek naar de noodzaak van een alomvattend horizontaal instrument van de Unie.

(15)

De conclusies van de Raad van 27 tot en met 28 november 2008 hielden in dat er binnen de lidstaten en de Commissie een nieuwe strategie dient te worden ontwikkeld, waarbij rekening wordt gehouden met de inhoud van het uit 2001 daterende Verdrag inzake cybercriminaliteit van de Raad van Europa. Dat verdrag is het wettelijke referentiekader voor de bestrijding van cybercriminaliteit, waaronder aanvallen op informatiesystemen. Deze richtlijn bouwt daarop voort. Het zo spoedig mogelijk afronden van het proces van ratificering van dat verdrag door alle lidstaten moet als een prioriteit worden beschouwd.

(16)

Gelet op de verschillende manieren waarop aanvallen kunnen worden uitgevoerd, en gelet op de snelle ontwikkelingen op het gebied van hardware en software, wordt er in deze richtlijn verwezen naar „instrumenten” die kunnen worden gebruikt voor het plegen van de in deze richtlijn opgesomde strafbare feiten. Onder instrumenten wordt bijvoorbeeld kwaadaardige software verstaan, zoals die voor het vervaardigen van botnets, waarmee cyberaanvallen worden gepleegd. Zelfs als een instrument geschikt of zelfs specifiek geschikt is voor het plegen van de in deze richtlijn opgesomde strafbare feiten, kan het toch voor legitieme doeleinden zijn vervaardigd. Aangezien strafbaarstelling moet worden voorkomen wanneer dergelijke instrumenten worden vervaardigd en in de handel worden gebracht voor legitieme doeleinden, zoals het testen van de betrouwbaarheid van informatietechnologieproducten of de beveiliging van informatiesystemen, moet er, naast het algemene vereiste van opzet, ook een bijzonder oogmerk zijn vereist om deze hulpmiddelen te gebruiken voor het plegen van een van de in deze richtlijn opgesomde strafbare feiten.

(17)

Deze richtlijn verplicht niet tot strafbaarstelling wanneer aan de objectieve bestanddelen van de in deze richtlijn opgesomde strafbare feiten is voldaan, maar er geen sprake is van criminele opzet, bijvoorbeeld wanneer een persoon zich er niet bewust van was dat de toegang niet was toegestaan, of in het geval van het gemachtigd testen of beschermen van informatiesystemen, zoals wanneer een persoon door een bedrijf of een verkoper is aangewezen om de sterkte van zijn beveiligingssysteem te testen. In de context van deze richtlijn mogen contractuele verplichtingen of overeenkomsten om de toegang tot informatiesystemen door middel van gebruikersbeleid of functievoorwaarden te beperken, alsook arbeidsconflicten met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van informatiesystemen van een werkgever voor privé-gebruik, geen strafrechtelijke gevolgen hebben indien de toegang onder die omstandigheden ongeoorloofd wordt geacht en derhalve de enige grondslag voor een strafprocedure zou vormen. Deze richtlijn doet niet af aan het recht van toegang tot informatie zoals dat is vastgelegd in het nationale recht en het recht van de Unie maar dat recht mag tegelijkertijd niet worden ingeroepen om onrechtmatige of willekeurige toegang tot informatie te rechtvaardigen.

(18)

Cyberaanvallen kunnen door verschillende omstandigheden in de hand worden gewerkt, zoals wanneer de dader uit hoofde van zijn functie toegang heeft tot de beveiligingsmechanismen van de getroffen informatiesystemen. In het kader van het nationale recht moet in strafprocedures voor zover nodig rekening worden gehouden met dergelijke omstandigheden.

(19)

De lidstaten moeten in hun nationaal recht verzwarende omstandigheden opnemen overeenkomstig de in hun rechtsstelsels vastgestelde regels die hierop van toepassing zijn. Zij dienen ervoor te zorgen dat rechters deze verzwarende omstandigheden bij de straftoemeting van daders kunnen laten meewegen. Het behoort tot de beoordelingsvrijheid van de rechter deze omstandigheden samen met de andere feiten en omstandigheden van de zaak te beoordelen.

(20)

Deze richtlijn betreft niet de voorwaarden voor de uitoefening van rechtsmacht met betrekking tot een van de daarin genoemde strafbare feiten, zoals een aangifte door het slachtoffer op de plaats waar de feiten zijn gepleegd, een aanklacht die is geformuleerd door de staat van de plaats waar de feiten zijn gepleegd of het feit dat de dader niet vervolgd is op de plaats waar de feiten zijn gepleegd.

(21)

Staten en overheidsorganen moeten in het kader van deze richtlijn de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden onverkort blijven waarborgen, overeenkomstig bestaande internationale verplichtingen.

(22)

Deze richtlijn vergroot het belang van netwerken, zoals dat van de G-8 of het netwerk van contactpunten van de Raad van Europa, die vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week bereikbaar zijn. Die contactpunten moeten effectieve bijstand kunnen verlenen en aldus bijvoorbeeld uitwisseling van beschikbare relevante gegevens of verstrekking van technisch advies of juridische informatie ten behoeve van onderzoeken of procedures inzake strafbare feiten op het gebied van informatiesystemen en daarmee samenhangende gegevens, die de verzoekende lidstaat betreffen, vergemakkelijken. Met het oog op een goede werking van de netwerken moet elk contactpunt over de capaciteit beschikken om snel met het contactpunt van een andere lidstaat te communiceren, mede dankzij de ondersteuning van daartoe opgeleid en toegerust personeel. Gelet op de snelheid waarmee grootschalige cyberaanvallen kunnen worden uitgevoerd, dienen de lidstaten onverwijld te kunnen reageren op dringende bijstandsverzoeken van dit netwerk van contactpunten. In zulke gevallen kan het passend zijn dat naast het verzoek tot het verstrekken van gegevens telefonisch contact wordt opgenomen, teneinde te waarborgen dat het verzoek spoedig door de aangezochte staat in behandeling wordt genomen en dat binnen acht uur respons wordt gegeven.

(23)

Om aanvallen op informatiesystemen te voorkomen en te bestrijden, is het van groot belang dat de overheidsinstanties zowel onderling als met de particuliere sector en het maatschappelijke middenveld samenwerken. De samenwerking tussen serviceproviders, producenten, rechtshandhavingsinstanties en justitiële autoriteiten moet worden gestimuleerd en verbeterd, met volledige inachtneming van de rechtsstaat. Deze samenwerking kan steun door serviceproviders omvatten om mogelijk bewijsmateriaal te helpen bewaren, om elementen aan te leveren die kunnen helpen bij de identificatie van daders, en om, in laatste instantie, informatiesystemen of -functies die zijn besmet of voor illegale doeleinden zijn gebruikt, overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk geheel of gedeeltelijk buiten werking te stellen. De lidstaten moeten tevens de oprichting overwegen van samenwerkingsverbanden en partnerschappen met serviceproviders en producenten voor de uitwisseling van informatie in verband met strafbare feiten die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.

(24)

Er is behoefte aan het verzamelen van vergelijkbare gegevens over in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten. Relevante gegevens moeten ter beschikking worden gesteld van de bevoegde gespecialiseerde agentschappen en organen van de Unie, zoals Europol en Enisa, naar gelang hun taken en informatiebehoeften, opdat er een vollediger beeld ontstaat van de problematiek van cybercriminaliteit en netwerk- en informatiebeveiliging op het niveau van de Unie en er een doeltreffender reactie kan worden geformuleerd. De lidstaten moeten aan Europol en zijn Europees centrum inzake cybercriminaliteit gegevens over de modus operandi van de daders verstrekken met het oog op dreigingsevaluatie en strategische analyses van cybercriminaliteit in overeenstemming met Besluit 2009/371/JBZ van de Raad van 6 april 2009 tot oprichting van de Europese politiedienst (Europol) (4). Het verstrekken van informatie kan een beter inzicht bevorderen in huidige en toekomstige bedreigingen, en aldus bijdragen tot een meer passende en gerichte besluitvorming over het bestrijden en voorkomen van aanvallen op informatiesystemen.

(25)

De Commissie moet een verslag over de toepassing van deze richtlijn presenteren en de nodige wetgevingsvoorstellen indienen die zouden kunnen leiden tot een verruiming van de werkingssfeer ervan, rekening houdend met ontwikkelingen op het gebied van cybercriminaliteit. Deze ontwikkelingen kunnen technologische ontwikkelingen zijn, die bijvoorbeeld een effectievere handhaving op het gebied van aanvallen op informatiesystemen mogelijk maken, de voorkoming ervan vergemakkelijken of de gevolgen ervan tot een minimum beperken. Daartoe dient de Commissie rekening te houden met de beschikbare analyses en verslagen van betrokken actoren, meer bepaald Europol en Enisa.

(26)

Om cybercriminaliteit op een effectieve manier te bestrijden, is het eveneens van belang de weerstandscapaciteit van informatiesystemen te verhogen door deze beter te beschermen tegen cyberaanvallen en de juiste maatregelen te nemen om dit te doen. De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om vitale infrastructuur te beschermen tegen cyberaanvallen, en in het kader daarvan moeten zij de bescherming van hun informatiesystemen en daarmee samenhangende gegevens overwegen. Het waarborgen van een passend niveau van bescherming en beveiliging van informatiesystemen door rechtspersonen, bijvoorbeeld in het kader van het verstrekken van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten overeenkomstig bestaande wetgeving van de Unie inzake de persoonlijke levenssfeer en elektronische communicatie en gegevensbescherming, is een wezenlijk bestanddeel van een alomvattende aanpak voor de doeltreffende bestrijding van cybercriminaliteit. Er moet worden gezorgd voor passende niveaus van bescherming tegen op een redelijke manier te identificeren bedreigingen en kwetsbaarheden, overeenkomstig de allernieuwste technieken voor specifieke sectoren en specifieke gegevensverwerkingssituaties. De kosten en lasten van dergelijke bescherming dienen evenredig te zijn met de waarschijnlijke schade die een cyberaanval voor de betrokkenen veroorzaakt. De lidstaten worden ertoe aangemoedigd om in het kader van hun nationaal recht te voorzien in aansprakelijkheidsmaatregelen ingeval een rechtspersoon duidelijk geen passend niveau van bescherming tegen cyberaanvallen heeft ingesteld.

(27)

Aanzienlijke lacunes en verschillen in de wetgeving en de strafrechtelijke procedures van de lidstaten op het gebied van aanvallen op informatiesystemen kunnen een belemmering vormen voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit en terrorisme, en kunnen doeltreffende politiële en justitiële samenwerking op dit gebied bemoeilijken. Het transnationale en grensloze karakter van moderne informatiesystemen houdt in dat aanvallen op deze systemen een grensoverschrijdende dimensie hebben, wat tot gevolg heeft dat er dringend behoefte bestaat aan verdere onderlinge afstemming van het strafrecht op dit gebied. Bovendien dient de coördinatie van de vervolging van aanvallen op informatiesystemen te worden vergemakkelijkt door de passende uitvoering en toepassing van Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (5). De lidstaten moeten in samenwerking met de Unie tevens streven naar een betere internationale samenwerking op het gebied van de beveiliging van informatiesystemen, computernetwerken en computergegevens. In elke internationale overeenkomst die betrekking heeft op gegevensuitwisseling, moet passende aandacht worden besteed aan de beveiliging van het verzenden en het opslaan van gegevens.

(28)

Een verbeterde samenwerking tussen de bevoegde rechtshandhavingsinstanties en justitiële autoriteiten in de hele Unie is van wezenlijk belang voor de effectieve bestrijding van cybercriminaliteit. In dit verband moet er meer werk worden gemaakt van een passende opleiding voor de betrokken instanties, met als doel een beter begrip te kweken van cybercriminaliteit en de gevolgen daarvan, en samenwerking en uitwisseling van „best practices” te bevorderen, bijvoorbeeld via de bevoegde gespecialiseerde agentschappen en organen van de Unie. Die opleiding moet onder meer de verschillende nationale rechtsstelsels, de mogelijke juridische en technische uitdagingen bij strafrechtelijke onderzoeken of de bevoegdheidsverdeling tussen de betrokken nationale autoriteiten onder de aandacht brengen.

(29)

Deze richtlijn eerbiedigt de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en is in overeenstemming met de beginselen die met name bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn erkend, waaronder de bescherming van persoonsgegevens, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, het recht op een eerlijk proces, het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, alsmede het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen. Deze richtlijn beoogt in het bijzonder de onverkorte eerbiediging van deze rechten en beginselen te waarborgen en moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd.

(30)

De bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht overeenkomstig artikel 16, lid 1, VWEU en artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Derhalve moet elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van deze richtlijn volledig voldoen aan de op grond van de Verdragen aangenomen EU-wetgeving inzake gegevensbescherming.

(31)

Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hebben die lidstaten te kennen gegeven dat zij aan de vaststelling en toepassing van deze richtlijn wensen deel te nemen.

(32)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn; deze richtlijn is niet bindend voor noch van toepassing in deze lidstaat.

(33)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk aanvallen op informatiesystemen in alle lidstaten te bestraffen met doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen en de justitiële samenwerking te verbeteren en te bevorderen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde beginsel van evenredigheid, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(34)

Deze richtlijn strekt tot wijziging en uitbreiding van de bepalingen van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 over aanvallen op informatiesystemen (6). Aangezien de aan te brengen wijzigingen zowel in aantal als wat betreft hun inhoud substantieel zijn, dient het Kaderbesluit 2005/222/JBZ ter wille van de duidelijkheid integraal te worden vervangen voor de lidstaten die aan de vaststelling van deze richtlijn deelnemen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast voor de definitie van strafbare feiten en sancties op het gebied van aanvallen op informatiesystemen. Zij strekt er tevens toe de preventie van deze strafbare feiten te vergemakkelijken en de samenwerking tussen de justitiële en de andere bevoegde autoriteiten te verbeteren.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „informatiesysteem”: apparaat of groep van onderling verbonden of samenhangende apparaten, waarvan er één of meer op basis van een programma automatisch computergegevens verwerken, alsmede de computergegevens die met dat apparaat of die groep van apparaten worden opgeslagen, verwerkt, opgehaald of verzonden met het oog op de werking, het gebruik, de beveiliging en het onderhoud daarvan;

b)   „computergegevens”: een weergave van feiten, gegevens of begrippen in een vorm die geschikt is voor verwerking in een informatiesysteem, met inbegrip van programma’s die een informatiesysteem een bepaalde functie kunnen laten vervullen;

c)   „rechtspersoon”: een entiteit die krachtens het toepasselijke recht de hoedanigheid van rechtspersoon bezit, met uitzondering van staten of overheidsentiteiten die handelen in de uitoefening van het openbaar gezag of van publiekrechtelijke internationale organisaties;

d)   „onrechtmatig”: een gedraging waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen, waaronder toegang, verstoring, onderschepping, die niet is toegestaan door de eigenaar of een andere houder van rechten op het systeem of op een deel daarvan, of niet is toegestaan krachtens het nationale recht.

Artikel 3

Onrechtmatige toegang tot informatiesystemen

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om opzettelijke, onrechtmatige toegang tot een informatiesysteem of tot een deel daarvan, strafbaar te stellen wanneer het strafbaar feit is gepleegd door een beveiligingsmaatregel te doorbreken, althans voor gevallen die niet onbeduidend zijn.

Artikel 4

Onrechtmatige systeemverstoring

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om het ernstig hinderen of het onderbreken van de werking van een informatiesysteem, door de invoer, de transmissie, het beschadigen, wissen, verminken, wijzigen, onderdrukken of ontoegankelijk maken van computergegevens, indien dat opzettelijk en op onrechtmatige wijze geschiedt, strafbaar te stellen, althans voor gevallen die niet onbeduidend zijn.

Artikel 5

Onrechtmatige gegevensverstoring

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om het wissen, beschadigen, verminken, wijzigen, onderdrukken of ontoegankelijk maken van computergegevens in een informatiesysteem, indien dat opzettelijk en op onrechtmatige wijze geschiedt, strafbaar te stellen, althans voor gevallen die niet onbeduidend zijn.

Artikel 6

Onrechtmatige onderschepping

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om het met technische middelen onderscheppen van niet-openbare transmissies van computergegevens naar, vanuit of binnen een informatiesysteem, met inbegrip van elektromagnetische emissies uit een informatiesysteem dat zulke computergegevens draagt, indien dat opzettelijk en op onrechtmatige wijze geschiedt, strafbaar te stellen, althans voor gevallen die niet onbeduidend zijn.

Artikel 7

Instrumenten voor het plegen van strafbare feiten

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om het opzettelijk vervaardigen, verkopen, verkrijgen voor gebruik, invoeren, verspreiden of op andere wijze beschikbaar maken van één van de volgende instrumenten, indien dat opzettelijk geschiedt en met het oogmerk deze te gebruiken voor het plegen van een van de in de artikelen 3 tot en met 6 bedoelde feiten, strafbaar te stellen, althans voor gevallen die niet onbeduidend zijn:

a)

een computerprogramma, dat hoofdzakelijk ontworpen of geschikt gemaakt is voor het plegen van de in de artikelen 3 tot en met 6 bedoelde strafbare feiten;

b)

een computerwachtwoord, toegangscode of soortgelijke gegevens waarmee toegang kan worden verkregen tot een informatiesysteem of een deel daarvan.

Artikel 8

Uitlokking, medeplichtigheid en poging

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat uitlokking van of medeplichtigheid aan een van de in de artikelen 3 tot en met 7 genoemde feiten strafbaar wordt gesteld.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat poging tot het plegen van een van de in de artikelen 4 en 5 genoemde feiten strafbaar wordt gesteld.

Artikel 9

Straffen

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen worden gesteld.

2.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op de in de artikelen 3 tot en met 7 bedoelde strafbare feiten een maximale gevangenisstraf van ten minste twee jaar wordt gesteld, althans voor gevallen die niet onbeduidend zijn.

3.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op de in de artikelen 4 en 5 bedoelde strafbare feiten, wanneer deze opzettelijk worden gepleegd, een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar wordt gesteld, wanneer een aanzienlijk aantal informatiesystemen getroffen zijn door het gebruik van een in artikel 7 bedoeld instrument, dat hoofdzakelijk voor dit doel is ontworpen of geschikt gemaakt.

4.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op de in de artikelen 4 en 5 bedoelde strafbare feiten een maximale gevangenisstraf van ten minste vijf jaar wordt gesteld wanneer het strafbare feit:

a)

is gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals omschreven in Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad, ongeacht de daarin aangegeven straf, of

b)

ernstige schade teweegbrengt, of

c)

is gepleegd tegen een informatiesysteem van een vitale infrastructuur.

5.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer de in de artikelen 4 en 5 bedoelde strafbare feiten worden gepleegd door misbruik te maken van persoonsgegevens van een andere persoon met het oogmerk het vertrouwen van een derde te winnen, waardoor de rechtmatige bezitter van een identiteit schade wordt berokkend, dit, overeenkomstig de betrokken bepalingen van het nationale recht, kan worden beschouwd als verzwarende omstandigheden, tenzij deze omstandigheden reeds worden bestreken door een ander feit dat overeenkomstig het nationaal recht strafbaar is.

Artikel 10

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in de artikelen 3 tot en met 8 genoemde strafbare feiten wanneer die feiten ten voordele van die rechtspersonen zijn gepleegd door personen die hetzij individueel, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelen en die in de rechtspersoon een leidende functie bekleden op grond van:

a)

de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, of

b)

de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of

c)

de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon toezicht uit te oefenen.

2.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld indien het gebrek aan toezicht of controle door een in lid 1 bedoelde persoon het voor een persoon die onder het gezag van de rechtspersoon staat, mogelijk heeft gemaakt ten voordele van die rechtspersoon een van de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten te plegen.

3.   De aansprakelijkheid van rechtspersonen krachtens de leden 1 en 2 sluit strafvervolging van natuurlijke personen die als daders, uitlokkers of medeplichtigen betrokken zijn bij een in de artikelen 3 tot en met 8 bedoeld strafbaar feit, niet uit.

Artikel 11

Sancties tegen rechtspersonen

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen een rechtspersoon die uit hoofde van artikel 10, lid 1, aansprakelijk is gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties kunnen worden opgelegd. Deze sancties omvatten al dan niet strafrechtelijke geldboetes en kunnen andere sancties omvatten, zoals:

a)

uitsluiting van door de overheid verleende uitkeringen of steun;

b)

een tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten;

c)

plaatsing onder toezicht van de rechter;

d)

een gerechtelijk bevel tot ontbinding;

e)

tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen die zijn gebruikt voor het plegen van het strafbare feit.

2.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan een rechtspersoon die volgens artikel 10, lid 2, aansprakelijk is, sancties of andere maatregelen kunnen worden opgelegd die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 12

Rechtsmacht

1.   De lidstaten vestigen hun rechtsmacht ten aanzien van de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten indien deze:

a)

geheel of gedeeltelijk op hun grondgebied zijn gepleegd, of

b)

door een van hun onderdanen zijn gepleegd, in elk geval voor zover het feit op de plaats waar het is gepleegd strafbaar is gesteld.

2.   Bij het vestigen van zijn rechtsmacht overeenkomstig lid 1, onder a), zorgt elke lidstaat ervoor dat deze zich uitstrekt tot gevallen waarin:

a)

de dader het strafbare feit pleegt terwijl hij zich fysiek op zijn grondgebied bevindt, ongeacht of het strafbare feit is gericht tegen een informatiesysteem op dat grondgebied, of

b)

het strafbare feit gericht is tegen een informatiesysteem op zijn grondgebied, ongeacht of de dader het strafbare feit pleegt terwijl hij zich fysiek op dat grondgebied bevindt.

3.   Elke lidstaat stelt de Commissie ervan in kennis wanneer hij besluit om ook over een strafbaar feit als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8 dat buiten zijn grondgebied is gepleegd zijn rechtsmacht te vestigen, bijvoorbeeld indien het strafbare feit is gepleegd:

a)

door iemand die zijn vaste woon- of verblijfplaats op zijn grondgebied heeft, of

b)

ten voordele van een rechtspersoon die gevestigd is op zijn grondgebied.

Artikel 13

Uitwisseling van informatie

1.   Voor informatie-uitwisseling over strafbare feiten in de zin van de artikelen 3 tot en met 8 zorgen de lidstaten ervoor dat zij beschikken over een operationeel nationaal contactpunt en gebruikmaken van het bestaande netwerk van operationele contactpunten die vierentwintig uur per dag en zeven dagen per week bereikbaar zijn. De lidstaten zorgen er tevens voor dat zij over procedures beschikken waarmee zij in geval van dringende verzoeken voor bijstand binnen maximaal acht uur na ontvangst ten minste kunnen aangeven of het verzoek om bijstand zal worden ingewilligd, alsmede de vorm en het tijdstip waarop dit naar verwachting zal gebeuren.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het in lid 1 bedoelde contactpunt dat is aangewezen. De Commissie geeft deze informatie door aan de overige lidstaten en aan de bevoegde gespecialiseerde agentschappen en organen van de Unie.

3.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat passende rapportagekanalen ter beschikking worden gesteld om het rapporteren zonder onnodige vertraging van de in de artikelen 3 tot en met 6 genoemde strafbare feiten aan de bevoegde nationale autoriteiten te vergemakkelijken.

Artikel 14

Toetsing en statistieken

1.   De lidstaten zorgen voor een systeem voor het registreren, aanmaken en verstrekken van statistische gegevens over de in de artikelen 3 tot en met 7 bedoelde strafbare feiten.

2.   De in lid 1 bedoelde statistieken vermelden ten minste de beschikbare gegevens over het aantal in de artikelen 3 tot en met 7 bedoelde strafbare feiten die door de lidstaten zijn geregistreerd en het aantal personen dat is vervolgd en veroordeeld in verband met de in de artikelen 3 tot en met 7 bedoelde strafbare feiten.

3.   De lidstaten verstrekken de overeenkomstig dit artikel verzamelde gegevens aan de Commissie. De Commissie zorgt ervoor dat een geconsolideerd overzicht van hun statistische verslagen wordt gepubliceerd en aan de bevoegde gespecialiseerde agentschappen en organen van de Unie wordt toegezonden.

Artikel 15

Vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ

Kaderbesluit 2005/222/JBZ wordt vervangen voor de lidstaten die aan de vaststelling van deze richtlijn deelnemen, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat betreft de termijn voor de omzetting van het kaderbesluit in intern recht.

Voor de lidstaten die aan de vaststelling van deze richtlijn deelnemen, gelden verwijzingen naar Kaderbesluit 2005/222/JBZ als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 16

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 4 september 2015 aan deze richtlijn te voldoen.

2.   De lidstaten delen aan de Commissie de tekst mede van alle bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn in intern recht omzetten.

3.   Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 17

Rapportering

De Commissie dient uiterlijk 4 september 2017 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin wordt beoordeeld in hoeverre de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen. De Commissie houdt tevens rekening met de technische en juridische ontwikkelingen op het vlak van cybercriminaliteit, met name met betrekking tot het toepassingsgebied van deze richtlijn.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 19

Adressaten

Deze richtlijn is overeenkomstig de Verdragen gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 augustus 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 130.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 juli 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 juli 2013.

(3)  PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42.

(4)  PB L 121 van 15.5.2009, blz. 37.

(5)  PB L 328 van 15.12.2009, blz. 42.

(6)  PB L 69 van 16.3.2005, blz. 67.


BESLUITEN

14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/15


BESLUIT Nr. 778/2013/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 augustus 2013

tot toekenning van macrofinanciële bijstand aan Georgië

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 212, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure in het licht van de gemeenschappelijke ontwerptekst goedgekeurd door het bemiddelingscomité op 26 juni 2013 (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De betrekkingen tussen Georgië en de Europese Unie ontwikkelen zich in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB). In 2006 hebben de Gemeenschap en Georgië overeenstemming bereikt over een ENB-actieplan waarin prioriteiten op middellange termijn voor de bilaterale betrekkingen werden vastgesteld. In 2010 hebben de Unie en Georgië onderhandelingen aangeknoopt over een associatieovereenkomst, die naar verwachting in de plaats zal komen van de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Georgië (2). Het kader van de betrekkingen tussen de Unie en Georgië wordt verder versterkt door het onlangs gelanceerde oostelijk partnerschap.

(2)

De buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad van 1 september 2008 heeft bevestigd dat de Unie bereid is de banden met Georgië aan te halen na het gewapende conflict tussen Georgië en de Russische Federatie in augustus 2008.

(3)

De Georgische economie wordt sinds het derde kwartaal van 2008 getroffen door de internationale financiële crisis, hetgeen tot een dalende productie, afnemende belastingopbrengsten en een toenemende behoefte aan externe financiering heeft geleid.

(4)

Op de internationale donorconferentie op 22 oktober 2008 heeft de internationale gemeenschap steun toegezegd voor het economische herstel van Georgië in overeenstemming met de door de Verenigde Naties en de Wereldbank gezamenlijk uitgevoerde behoeftenevaluatie.

(5)

De Unie heeft aangekondigd maximaal 500 miljoen EUR aan financiële bijstand aan Georgië te zullen toekennen.

(6)

Het economische aanpassings- en herstelprogramma van Georgië wordt ondersteund door financiële bijstand van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). In september 2008 heeft de Georgische overheid met het IMF een stand-by-overeenkomst gesloten ten belope van 750 miljoen USD ter ondersteuning van de Georgische economie bij het doen van de noodzakelijke aanpassingen in het licht van de financiële crisis.

(7)

Na een verdere verslechtering van de economische situatie in Georgië en een noodzakelijke herziening van de onderliggende economische aannames van het IMF-programma, alsook de grotere externe financieringsbehoeften van Georgië, bereikten Georgië en het IMF overeenstemming over een uitbreiding van de stand-by-overeenkomst met 424 miljoen USD, die in augustus 2009 door de raad van bestuur van het IMF werd goedgekeurd.

(8)

De Unie verstrekte in het kader van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) voor 2010-2012 begrotingssteun in de vorm van giften aan Georgië ter grootte van gemiddeld 24 miljoen EUR per jaar.

(9)

In het licht van de verslechterende economische situatie in en vooruitzichten voor Georgië heeft het om macrofinanciële bijstand van de Unie verzocht.

(10)

Aangezien er nog steeds sprake is van een resterend financieringstekort op de betalingsbalans van Georgië, wordt de toekenning van macrofinanciële bijstand onder de huidige uitzonderlijke omstandigheden aangemerkt als een passende reactie op het verzoek van Georgië om in samenhang met het lopende IMF-programma de economische stabilisatie te ondersteunen.

(11)

De aan Georgië te verstrekken macrofinanciële bijstand van de Unie („de macrofinanciële bijstand van de Unie”) is niet alleen bedoeld als aanvulling op de programma's en de middelen van het IMF en de Wereldbank, maar moet een toegevoegde waarde van de betrokkenheid van de Unie waarborgen.

(12)

De Commissie moet ervoor zorgen dat de macrofinanciële bijstand van de Unie juridisch en materieel verenigbaar is met de in het kader van de verschillende onderdelen van het extern optreden genomen maatregelen en met het relevante beleid van de Unie op andere terreinen.

(13)

De specifieke doelstellingen van de macrofinanciële bijstand van de Unie dienen de doelmatigheid, transparantie en verantwoordingsplicht te versterken. Deze doelstellingen dienen regelmatig door de Commissie te worden gecontroleerd.

(14)

De aan de toekenning van de macrofinanciële bijstand van de Unie verbonden voorwaarden moeten stroken met de hoofdbeginselen en doelstellingen van het beleid van de Unie ten aanzien van Georgië.

(15)

Met het oog op een efficiënte bescherming van de financiële belangen van de Unie in het kader van de macrofinanciële bijstand van de Unie moet Georgië passende maatregelen nemen voor de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden met betrekking tot deze bijstand. De Commissie moet tevens zorgen voor passende controles en erop toezien dat de Rekenkamer passende audits uitvoert.

(16)

De uitkering van de macrofinanciële bijstand van de Unie laat de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit onverlet.

(17)

De macrofinanciële bijstand van de Unie moet door de Commissie worden beheerd. Teneinde te waarborgen dat het Europees Parlement en het Economisch en Financieel Comité op de tenuitvoerlegging van dit besluit kunnen toezien, dient de Commissie hen regelmatig in te lichten over ontwikkelingen met betrekking tot de macrofinanciële bijstand van de Unie en hun daarbij de relevante documenten te verschaffen.

(18)

Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit besluit te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (3).

(19)

In dit kader wordt eraan herinnerd dat overeenkomstig die verordening de raadplegingsprocedure, als een algemene regel, moet worden toegepast in alle gevallen, behalve in die gevallen bepaald in die verordening. Gezien de mogelijk belangrijke effecten van operaties boven het drempelbedrag van 90 miljoen EUR, past het dat de onderzoeksprocedure voor deze verrichtingen wordt gebruikt. Gezien het bedrag van de macrofinanciële bijstand van de Unie aan Georgië moet de raadplegingsprocedure toegepast worden voor de vaststelling van het memorandum van overeenstemming, of voor het verlagen, opschorten of annuleren van de bijstand,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De Unie stelt Georgië macrofinanciële bijstand beschikbaar ten belope van maximaal 46 miljoen EUR om de economische stabilisatie van Georgië te ondersteunen en de in het kader van het lopende programma van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) vastgestelde betalingsbalansbehoefte te lenigen. Van dat maximale bedrag wordt ten hoogste 23 miljoen EUR verstrekt in de vorm van giften en ten hoogste 23 miljoen EUR in de vorm van leningen. De uitkering van de macrofinanciële bijstand van de Unie is slechts mogelijk onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting van de Unie voor 2013 door de begrotingsautoriteit.

2.   Ter financiering van de leningcomponent van de macrofinanciële bijstand van de Unie krijgt de Commissie de bevoegdheid de nodige middelen te lenen namens de Unie. De lening heeft een looptijd van ten hoogste 15 jaar.

3.   De uitkering van de macrofinanciële bijstand van de Unie wordt door de Commissie beheerd op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomsten of afspraken tussen het IMF en Georgië en met de hoofdbeginselen en -doelstellingen van de economische hervorming zoals die worden uiteengezet in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Unie en Georgië. De Commissie licht het Europees Parlement en het Economisch en Financieel Comité regelmatig in over de ontwikkelingen in het beheer van de macrofinanciële bijstand van de Unie en verstrekt daarbij de relevante documenten.

4.   De macrofinanciële bijstand van de Unie wordt voor een periode van twee jaar en zes maanden beschikbaar gesteld met ingang van de eerste dag na de inwerkingtreding van het in artikel 2, lid 1, bedoelde memorandum van overeenstemming.

Artikel 2

1.   De Commissie stelt, overeenkomstig de in artikel 6, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, een memorandum van overeenstemming vast met de voorwaarden inzake economische beleid en de financiële voorwaarden waaraan de macrofinanciële bijstand van de Unie is onderworpen, met inbegrip van een tijdschema om aan die voorwaarden te voldoen. De voorwaarden inzake economisch beleid en de financiële voorwaarden vastgelegd in het memorandum van overeenstemming stroken met de in artikel 1, lid 3, bedoelde overeenkomsten of afspraken. Die voorwaarden zijn er in het bijzonder op gericht de doelmatigheid, transparantie en verantwoording van de macrofinanciële bijstand van de Unie te bevorderen, waaronder de systemen voor het beheer van de overheidsfinanciën in Georgië. De vooruitgang behaald bij het verwezenlijken van die doelstellingen wordt regelmatig door de Commissie gecontroleerd. De gedetailleerde financiële voorwaarden van de macrofinanciële bijstand van de Unie worden vastgelegd in de tussen de Commissie en de Georgische overheid te sluiten giftovereenkomst en leningovereenkomst.

2.   Tijdens de tenuitvoerlegging van de macrofinanciële bijstand van de Unie houdt de Commissie toezicht op de deugdelijkheid van de voor deze bijstand relevante financiële en administratieve procedures en interne en externe controlemechanismen in Georgië, alsook de naleving door Georgië van het overeengekomen tijdschema.

3.   De Commissie onderzoekt periodiek of het economische beleid van Georgië verenigbaar is met de doelstellingen van de macrofinanciële bijstand van de Unie en of op bevredigende wijze aan de daaraan verbonden voorwaarden inzake economische beleid is voldaan. De Commissie werkt daartoe nauw samen met het IMF en de Wereldbank en, waar nodig, met het Economisch en Financieel Comité.

Artikel 3

1.   Behoudens de in lid 2 vermelde voorwaarden, wordt de macrofinanciële bijstand van de Unie door de Commissie beschikbaar gesteld in twee tranches, die elk bestaan uit een gift- en een leningcomponent. De omvang van elke tranche wordt in het memorandum van overeenstemming vastgelegd.

2.   De Commissie besluit tot uitkering van de tranches bij een bevredigende naleving van de voorwaarden inzake economische beleid en financiële voorwaarden die in het memorandum van overeenstemming zijn overeengekomen. De tweede tranche wordt niet vroeger dan drie maanden na de uitkering van de eerste tranche uitbetaald.

3.   De middelen van de Unie worden aan de Nationale Bank van Georgië betaald. Met inachtneming van de in het memorandum van overeenstemming overeen te komen bepalingen, onder andere betreffende een bevestiging van de resterende budgettaire financieringsbehoefte, kunnen de middelen van de Unie aan de Schatkist van Georgië als eindbegunstigde worden overgemaakt.

Artikel 4

1.   De op de leningcomponent van de macrofinanciële bijstand van de Unie betrekking hebbende verrichtingen tot het opnemen en verstrekken van leningen worden uitgevoerd in euro met dezelfde valutadatum, en mogen de Unie niet blootstellen aan enige looptijdtransformatie, enig valuta- of renterisico, of enig ander commercieel risico.

2.   Indien Georgie hierom verzoekt, neemt de Commissie de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat in de leningsvoorwaarden een clausule inzake vervroegde aflossing wordt opgenomen en dat in de voorwaarden verbonden aan de verrichtingen van de Commissie tot het opnemen van leningen een overeenkomstige clausule voorkomt.

3.   De Commissie kan, indien de omstandigheden een gunstigere rente op de verstrekte lening mogelijk maken en Georgië hierom verzoekt, haar oorspronkelijk verstrekte leningen geheel of gedeeltelijk herfinancieren of de desbetreffende financiële voorwaarden herstructureren. De herfinancieringen of herstructureringen geschieden onder de in lid 1 gestelde voorwaarden en mogen niet leiden tot een verlenging van de gemiddelde looptijd van de betrokken verstrekte leningen en evenmin tot een verhoging van het op de datum van deze herfinancieringen of herstructureringen nog uitstaande bedrag.

4.   Alle kosten die de Unie ter zake van de uit hoofde van dit besluit opgenomen of verstrekte leningen maakt, komen ten laste van Georgië.

5.   De Commissie houdt het Europees Parlement en het Economisch en Financieel Comité op de hoogte van de ontwikkelingen met betrekking tot de in de leden 2 en 3 bedoelde verrichtingen.

Artikel 5

De macrofinanciële bijstand van de Unie wordt ten uitvoer gelegd overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (4) en de uitvoeringsvoorschriften (5) daarvan. In het bijzonder worden in het memorandum van overeenstemming, in de leningovereenkomst en de giftovereenkomst die met de Georgische overheid moeten worden gesloten, specifieke maatregelen vastgesteld met het oog op de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden in verband met de macrofinanciële bijstand van de Unie. Om een grotere transparantie bij het beheer en de uitbetaling van de middelen te verzekeren, wordt in het memorandum van overeenstemming, de leningovereenkomst en de giftovereenkomst tevens bepaald dat de Commissie, met inbegrip van het Europees Bureau voor fraudebestrijding, het recht heeft controles te verrichten, waaronder waar nodig controles en inspecties ter plaatse. Tevens wordt daarin bepaald dat de Rekenkamer audits kan uitvoeren, waaronder audits ter plaatse.

Artikel 6

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 7

1.   Uiterlijk op 30 juni van elk jaar doet de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag toekomen over de uitvoering van dit besluit in het voorgaande jaar, waarin een evaluatie daarvan is opgenomen. In dit verslag wordt het verband gespecificeerd tussen de in het memorandum van overeenstemming vastgelegde voorwaarden inzake economische beleid en financiële voorwaarden, de actuele economische en budgettaire prestaties van Georgië en de besluiten van de Commissie tot uitkering van de tranches van de macrofinanciële bijstand van de Unie.

2.   Uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de in artikel 1, lid 4, bedoelde beschikbaarheidsperiode dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een ex post-evaluatieverslag in.

Artikel 8

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 12 augustus 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 10 mei 2011 (PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 211) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 10 mei 2012 (PB C 291 E van 27.9.2012, blz. 1). Standpunt van het Europees parlement van 11 december 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 9 juli 2013.

(2)  Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Georgië, anderzijds (PB L 205 van 4.8.1999, blz. 3).

(3)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(4)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).


Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad die samen met het besluit tot toekenning van verdere macrofinanciële bijstand aan Georgië is aangenomen

Het Europees Parlement en de Raad:

zijn het erover eens dat de aanneming van het besluit tot toekenning van verdere macrofinanciële bijstand aan Georgië in een bredere context moet worden geplaatst, gezien de behoefte aan een kader dat degelijke en doeltreffende besluiten betreffende de toekenning van macrofinanciële bijstand aan derde landen waarborgt;

delen het standpunt dat de aanneming van besluiten over macrofinanciële bijstandsoperaties gebaseerd moet zijn op onderstaande overwegingen en beginselen voor het verlenen van macrofinanciële bijstand van de Unie aan derde landen en gebieden die daarvoor in aanmerking komen, zonder afbreuk te doen aan het initiatiefrecht inzake wetgeving en de rechtsvorm van het toekomstige instrument waarin deze overwegingen en beginselen vorm krijgen;

legt zich erop toe om in toekomstige afzonderlijke besluiten over het verlenen van macrofinanciële bijstand van de Unie volledig rekening te houden met deze overwegingen en beginselen.

DEEL A —   OVERWEGINGEN

1.

De Unie is een belangrijke verstrekker van economische, financiële en technische bijstand aan derde landen. Macrofinanciële bijstand van de Unie (hierna „macrofinanciële bijstand” genoemd) is een efficiënt instrument voor economische stabilisatie gebleken, alsook een stimulans voor structurele hervormingen in de begunstigde landen en gebieden (hierna „begunstigden” genoemd). Overeenkomstig haar algemene beleid ten aanzien van kandidaat- en potentiële kandidaatlidstaten en nabuurschapslanden moet de Unie in staat zijn die landen macrofinanciële bijstand te verlenen om een gebied van gedeelde stabiliteit, zekerheid en welvaart te ontwikkelen.

2.

Macrofinanciële bijstand moet worden verleend op basis van landenspecifieke ad-hocbesluiten van het Europees Parlement en de Raad. Deze beginselen zijn gericht op een grotere efficiëntie en doeltreffendheid van het besluitvormingsproces dat tot dergelijke besluiten en de tenuitvoerlegging ervan leidt, alsook op een betere toepassing door de begunstigde van de politieke randvoorwaarden voor de toekenning van macrofinanciële bijstand en meer transparantie en democratische toetsing van deze bijstand.

3.

In zijn resolutie van 3 juni 2003 over het verlenen van macrofinanciële bijstand aan derde landen heeft het Europees Parlement gepleit voor een kaderverordening voor macrofinanciële bijstand om het besluitvormingsproces te versnellen en om dit financiële instrument van een formele en transparante grondslag te voorzien.

4.

In zijn conclusies van 8 oktober 2002 heeft de Raad criteria vastgesteld (de zogeheten Genval-criteria) die als richtsnoeren dienen voor macrofinanciële bijstandsoperaties. Het is wenselijk deze criteria te actualiseren en verduidelijken, met name de criteria voor het bepalen van de meest geschikte vorm van bijstand (lening, gift of een combinatie daarvan).

5.

Deze beginselen moeten de Unie in staat stellen snel macrofinanciële bijstand te verlenen, met name wanneer de omstandigheden om een onmiddellijk optreden vragen, en om de criteria voor de verlening van macrofinanciële bijstand duidelijker en transparanter te maken.

6.

De Commissie moet ervoor zorgen dat de macrofinanciële bijstand van de Unie verenigbaar is met de voornaamste beginselen, doelstellingen en maatregelen in het kader van de verschillende onderdelen van het extern optreden en met het desbetreffende beleid van de Unie op andere terreinen.

7.

Macrofinanciële bijstand moet het extern beleid van de Unie ondersteunen. De diensten van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) moeten tijdens de gehele macrofinanciële bijstandsoperatie nauw samenwerken om het externe beleid van de Unie te coördineren en de consistentie ervan te waarborgen.

8.

Macrofinanciële bijstand moet de begunstigden ondersteunen in hun gehechtheid aan de waarden die zij met de Unie delen, waaronder democratie, de rechtsstaat, goed bestuur, eerbiediging van de mensenrechten, duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, alsook aan de beginselen van open, op regels gebaseerde en eerlijke handel.

9.

Eerbied van het in aanmerking komende land voor effectieve democratische mechanismen, waaronder een parlementair stelsel met meerdere partijen, de rechtsstaat en de mensenrechten, moet een randvoorwaarde zijn voor het verlenen van macrofinanciële bijstand. Deze randvoorwaarden dienen regelmatig door de Commissie te worden gecontroleerd.

10.

Individuele macrofinanciële bijstandsbesluiten moeten onder meer het specifieke doel hebben de efficiëntie, transparantie en verantwoordingsplicht inzake het beheer van overheidsfinanciën in de begunstigde landen en gebieden te versterken. De Commissie moet regelmatig controleren of deze doelstellingen worden gehaald.

11.

Macrofinanciële bijstand moet gericht zijn op het herstellen van een houdbare externe financiële situatie voor derde landen en gebieden die een tekort hebben aan buitenlandse deviezen en daaraan gerelateerde externe financieringsmoeilijkheden ondervinden. Macrofinanciële bijstand is niet bedoeld als periodieke financiële steun en heeft evenmin als eerste doelstelling de ondersteuning van de economische en sociale ontwikkeling van de begunstigden.

12.

Macrofinanciële bijstand moet aanvullend zijn op de door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en andere multilaterale financiële instellingen verstrekte middelen en de lasten moeten billijk tussen de Unie en andere donoren worden verdeeld. Bij het verlenen van macrofinanciële bijstand moet ervoor worden gezorgd dat de betrokkenheid van de Unie toegevoegde waarde biedt.

13.

Om te verzekeren dat de financiële belangen van de Unie in het kader van macrofinanciële bijstand op efficiënte wijze worden beschermd, moeten de begunstigden passende maatregelen nemen in verband met de preventie en bestrijding van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden met betrekking tot deze bijstand en moet er eveneens worden voorzien in controles door de Commissie en audits door de Rekenkamer.

14.

De procedure voor de vaststelling van het memorandum van overeenstemming moet in overeenstemming met de in Verordening (EU) nr. 182/2011 vervatte criteria worden gekozen. In dit verband moet de raadplegingsprocedure als algemene regel gelden, maar gezien de potentieel belangrijke gevolgen van operaties boven het in deel B vastgelegde drempelbedrag, is het wenselijk dat voor deze operaties de onderzoeksprocedure wordt toegepast.

DEEL B —   BEGINSELEN

1.   Doel van de bijstand

a)

Macrofinanciële bijstand moet een uitzonderlijk financieel instrument zijn van ongebonden en niet-toegewezen betalingsbalanssteun aan in aanmerking komende landen en gebieden. Het moet gericht zijn op het herstellen van een houdbare externe financiële situatie voor in aanmerking komende landen en gebieden die externe financieringsmoeilijkheden ondervinden. De bijstand moet dienen als ondersteuning van een beleidsprogramma met krachtige aanpassings- en structurele hervormingsmaatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de betalingsbalanspositie, met name tijdens de programmeringsperiode, en op het versterken van de uitvoering van gerelateerde overeenkomsten en samenwerkingsprogramma's met de Unie.

b)

Macrofinanciële bijstand mag alleen worden verleend indien er sprake is van een aanzienlijk en resterend extern financieringstekort dat is vastgesteld door de Commissie in samenwerking met de multilaterale financiële instellingen en dat de door het IMF en andere multilaterale instellingen verstrekte middelen overschrijdt, ondanks het feit dat het betrokken land of gebied krachtige economische stabilisatie- en hervormingsprogramma's uitvoert.

c)

Macrofinanciële bijstand moet van kortlopende aard zijn en worden beëindigd zodra de externe financiële situatie weer houdbaar is.

2.   In aanmerking komende landen en gebieden

De derde landen en gebieden die in aanmerking komen voor macrofinanciële bijstand zijn:

kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten;

landen en gebieden die onder het Europese nabuurschapsbeleid vallen;

in uitzonderlijke en naar behoren gerechtvaardigde omstandigheden, andere derde landen die een beslissende rol spelen op het vlak van de regionale stabiliteit, van strategisch belang zijn voor de Unie, politiek en economisch nauw met de Unie verbonden zijn en geografisch dicht bij de Unie liggen.

3.   Bijstandsvorm

a)

Macrofinanciële bijstand moet over het algemeen in de vorm van een lening worden verstrekt. In uitzonderlijke gevallen mag de steun echter in de vorm van een gift of een combinatie van een lening en een gift worden verstrekt. Bij het bepalen van de passende vorm van een eventueel giftgedeelte moet de Commissie, bij het voorbereiden van haar voorstel, rekening houden met het economisch ontwikkelingspeil van de begunstigde — gemeten naar het inkomen per hoofd van de bevolking en het armoedepercentage — alsook met het vermogen tot terugbetaling op basis van een schuldhoudbaarheidsanalyse. Daarnaast moet zij erop toezien dat het beginsel van billijke lastenverdeling tussen de Unie en andere donoren wordt geëerbiedigd. In dit verband moet de Commissie ook rekening houden met de mate waarin andere financiële instellingen en donoren het betrokken land concessionele voorwaarden bieden.

b)

Wanneer macrofinanciële bijstand de vorm van een lening aanneemt, moet de Commissie worden gemachtigd om namens de Unie op de kapitaalmarkten of bij financiële instellingen de nodige middelen te lenen en deze aan de begunstigde door te lenen.

c)

De verrichtingen tot het opnemen en verstrekken van leningen moeten worden uitgevoerd in euro, op dezelfde valutadatum worden verricht en mogen voor de Unie geen transformatie van looptijd en geen valuta- of renterisico met zich meebrengen.

d)

Alle kosten die de Unie ter zake van de opgenomen of verstrekte leningen maakt, moeten ten laste van de begunstigde komen.

e)

De Commissie kan op verzoek van het begunstigde land of gebied en indien de omstandigheden een gunstiger rente op de lening mogelijk maken, haar oorspronkelijk opgenomen leningen geheel of gedeeltelijk herfinancieren of de desbetreffende financiële voorwaarden herstructureren. De herfinancieringen of herstructureringen geschieden onder de in punt 3, onder d) gestelde voorwaarden en mogen niet leiden tot een verlenging van de gemiddelde looptijd van de desbetreffende opgenomen leningen en evenmin tot een verhoging van het op de dag van de herfinancieringen of herstructureringen nog uitstaande kapitaal.

4.   Financiële bepalingen

a)

De in de vorm van een gift verstrekte bedragen aan macrofinanciële bijstand moeten sporen met de in het meerjarig financieel kader vastgestelde begrotingskredieten.

b)

In de in de vorm van een lening verstrekte bedragen aan macrofinanciële bijstand moet worden voorzien overeenkomstig de verordening tot instelling van een Garantiefonds. De bedragen van de voorzieningen moeten sporen met de in het meerjarig financieel kader vastgestelde begrotingskredieten.

c)

De jaarlijkse kredieten moeten door de begrotingsautoriteit worden toegestaan binnen de grenzen van het meerjarig financieel kader.

5.   Bedrag van de bijstand

a)

Het bedrag van de bijstand moet gebaseerd zijn op de resterende externe financieringsbehoeften van het in aanmerking komende land of gebied. Bij de vaststelling van het bedrag moet rekening worden gehouden met het vermogen van dit land of gebied om zichzelf te financieren met eigen middelen, en met name de internationale reserves die het tot zijn beschikking heeft. Deze financieringsbehoeften moeten door de Commissie worden vastgesteld, in samenwerking met internationale financiële instellingen, op basis van een volledige kwantitatieve beoordeling en transparante ondersteunende documenten. Met name moet de Commissie zich baseren op de laatste, door het IMF opgestelde betalingsbalansprognoses voor het desbetreffende land of gebied en rekening houden met de verwachte financiële bijdragen van multilaterale donoren en met de reeds bestaande verdeling van de andere externe financieringsinstrumenten van de Unie in dat in aanmerking komende land of gebied.

b)

Wanneer geen macrofinanciële bijstand plaatsvindt, moeten de documenten van de Commissie informatie bevatten over de verwachte deviezenreserves en de passend geachte niveaus, afgemeten aan relevante indicatoren zoals de verhouding tussen de reserves en de buitenlandse schuld op korte termijn, en de verhouding tussen de reserves en de invoer van het begunstigde land.

c)

Bij de vaststelling van de bedragen van de verleende macrofinanciële bijstand moet er ook rekening mee worden gehouden dat de lasten billijk tussen de Unie en de andere donoren moeten worden verdeeld en moet worden gewaarborgd dat de betrokkenheid van de Unie toegevoegde waarde biedt.

d)

Indien de financieringsbehoeften van de begunstigde tijdens de periode van uitbetaling van de macrofinanciële bijstand aanzienlijk verminderen ten opzichte van de oorspronkelijke prognoses, moet de Commissie daarbij handelend volgens de raadplegingsprocedure wanneer de bijstand lager is of gelijk aan 90 miljoen EUR, en volgens de onderzoeksprocedure wanneer de bijstand hoger is dan 90 miljoen EUR, het bedrag van zulke bijstand verlagen of deze opschorten of annuleren.

6.   Conditionaliteit

a)

Eerbiediging door het in aanmerking komende land of gebied van effectieve democratische mechanismen, waaronder een parlementair stelsel met meerdere partijen, de rechtsstaat en de mensenrechten, moet een randvoorwaarde zijn voor het verlenen van macrofinanciële bijstand. De Commissie moet een voor het publiek toegankelijke evaluatie (1) publiceren over het vervullen van deze randvoorwaarde, en moet hier tijdens de gehele loopduur van de macrofinanciële bijstand toezicht op uitoefenen. Dit punt moet worden toegepast in overeenstemming met het besluit tot vaststelling van de organisatie en werking van de EDEO.

b)

Macrofinanciële bijstand mag worden verleend mits er een niet uit voorzorg getroffen kredietregeling bestaat tussen het in aanmerking komende land of gebied en het IMF, die aan de volgende voorwaarden voldoet:

de doelstelling van de regeling spoort met het doel van de macrofinanciële bijstand, namelijk het verzachten van betalingsbalansmoeilijkheden op korte termijn;

er worden krachtige aanpassingsmaatregelen ten uitvoer gelegd, overeenkomstig het in punt 1, onder a), omschreven doel van macrofinanciële bijstand.

c)

De bijstand mag pas worden uitgekeerd indien sprake is van een bevredigende voortgang van een door het IMF ondersteund beleidsprogramma en indien aan de in letter a) van dit punt omschreven randvoorwaarden is voldaan. Zij moet ook afhankelijk zijn van de voorwaarde dat binnen een specifieke termijn uitvoering wordt gegeven aan een reeks duidelijk bepaalde economische beleidsmaatregelen, in de eerste plaats met het oog op structurele hervormingen en gezonde overheidsfinanciën, die tussen de Commissie en de begunstigde worden overeengekomen en in een memorandum van overeenstemming worden vastgelegd.

d)

Met het oog op het beschermen van de financiële belangen van de Unie en het versterken van het bestuur van de begunstigden, moet het memorandum van overeenstemming maatregelen bevatten ter versterking van de efficiëntie en transparantie van en de verantwoordingsplicht voor systemen voor het beheer van overheidsfinanciën.

e)

Bij het bepalen van de beleidsmaatregelen moet ook terdege rekening worden gehouden met vooruitgang wat betreft het wederzijds openstellen van markten, de ontwikkeling van op regels gebaseerde en eerlijke handel en andere prioriteiten in het kader van het externe beleid van de Unie.

f)

De beleidsmaatregelen moeten sporen met de bestaande partnerschaps-, samenwerkings- of associatieovereenkomsten die tussen de Unie en de begunstigde zijn gesloten, en met de macro-economische aanpassings- en structurele hervormingsprogramma's die door de begunstigde met de steun van het IMF worden uitgevoerd.

7.   Procedure

a)

Een land of gebied dat macrofinanciële bijstand wenst te ontvangen, moet de Commissie daar schriftelijk om verzoeken. De Commissie moet controleren of aan de in de punten 1, 2, 4 en 6 genoemde voorwaarden is voldaan en kan, in voorkomend geval, een voorstel voor een besluit indienen bij het Europees Parlement en de Raad.

b)

In het besluit tot verstrekking van een lening moeten het bedrag, de maximale gemiddelde looptijd en het maximale aantal tranches van de macrofinanciële bijstand worden vermeld. Indien het besluit een giftgedeelte omvat, moeten ook het bedrag en het maximale aantal tranches worden vermeld. Het besluit om een gift ter beschikking te stellen moet vergezeld gaan van een rechtvaardiging van de gift die, of het giftgedeelte dat, deel uitmaakt van de bijstand. In beide gevallen moet worden bepaald gedurende welke periode de macrofinanciële bijstand beschikbaar is. Deze periode duurt als regel niet langer dan drie jaar. Bij het indienen van een voorstel voor een nieuw besluit tot het verlenen van macrofinanciële bijstand, moet de Commissie de in punt 12, onder c), genoemde gegevens verstrekken.

c)

Na de vaststelling van het besluit tot het verlenen van macrofinanciële bijstand, moet de Commissie in het memorandum van overeenstemming de in punt 6, onder c), d), e) en f), omschreven beleidsmaatregelen met de begunstigde overeenkomen, daarbij handelend volgens de raadplegingsprocedure wanneer de bijstand lager is dan of gelijk aan 90 miljoen EUR en volgens de onderzoeksprocedure wanneer deze hoger is dan 90 miljoen EUR.

d)

Na de vaststelling van het besluit tot verlening van macrofinanciële bijstand komt de Commissie met de begunstigde de nadere financiële voorwaarden van de bijstand overeen. Deze nadere financiële voorwaarden moeten in een gift- of leningsovereenkomst worden vastgelegd.

e)

De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad inlichten over de ontwikkelingen op het vlak van landenspecifieke bijstand, met inbegrip van de uitkeringen, en verstrekt daarbij tijdig de relevante documenten aan die instellingen.

8.   Uitvoering en financieel beheer

a)

De Commissie moet de verleende macrofinanciële bijstand uitvoeren overeenkomstig de financiële voorschriften van de Unie.

b)

Macrofinanciële bijstand moet onder direct gecentraliseerd beheer worden uitgevoerd.

c)

Begrotingsvastleggingen moeten plaatsvinden op basis van besluiten die door de Commissie overeenkomstig dit punt zijn genomen. Indien macrofinanciële bijstand over een aantal boekjaren wordt verleend, mogen begrotingsvastleggingen voor die bijstand in jaarlijkse tranches worden gesplitst.

9.   Uitkering van de bijstand

a)

Macrofinanciële bijstand moet worden betaald aan de centrale bank van het begunstigde land.

b)

De macrofinanciële bijstand moet in opeenvolgende tranches worden betaald, mits de in punt 6, onder a), bedoelde randvoorwaarde en de in punt 6, onder b) en c), bedoelde voorwaarden zijn vervuld.

c)

De Commissie moet op gezette tijden nagaan of de in punt 6, onder b) en c), bedoelde voorwaarden vervuld blijven.

d)

Als de in punt 6, onder a), genoemde randvoorwaarde en de in punt 6, onder b) en c), genoemde voorwaarden niet zijn vervuld, moet de Commissie de uitkering van de macrofinanciële bijstand tijdelijk opschorten of annuleren. In die gevallen moet zij het Europees Parlement en de Raad in kennis stellen van de redenen van de opschorting of annulering.

10.   Ondersteunende maatregelen

Uit de begrotingsmiddelen van de Unie kunnen ook uitgaven worden gefinancierd die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van macrofinanciële bijstand.

11.   Bescherming van de financiële belangen van de Unie

a)

Overeenkomsten die uit ieder landenspecifiek besluit voortvloeien moeten bepalingen bevatten die ervoor zorgen dat de begunstigden regelmatig nagaan of de uit de begroting van de Unie verstrekte financiering naar behoren is gebruikt, passende maatregelen nemen ter voorkoming van onregelmatigheden en fraude en zo nodig gerechtelijke stappen ondernemen om uit hoofde van ieder landenspecifiek besluit verstrekte middelen die zijn verduisterd, terug te vorderen.

b)

In alle overeenkomsten die uit landenspecifieke besluiten voortvloeien, moeten bepalingen worden opgenomen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name ten aanzien van fraude, corruptie en andere onregelmatigheden, overeenkomstig het desbetreffende Unierecht.

c)

Het in artikel 6, onder c), bedoelde memorandum van overeenstemming moet de Commissie en de Rekenkamer de uitdrukkelijke het recht geven om tijdens en na de periode dat de macrofinanciële bijstand beschikbaar is audits uit te voeren, met inbegrip van documentaudits en audits ter plaatse, zoals onder meer operationele beoordelingen. Voorts moet het memorandum de Commissie of haar vertegenwoordigers de uitdrukkelijke toestemming verlenen controles en verificaties ter plaatse uit te voeren.

d)

Tijdens de uitvoering van de macrofinanciële bijstand moet de Commissie door middel van operationele beoordelingen toezicht houden op de deugdelijkheid van de voor deze bijstand geldende financiële en administratieve procedures en interne en externe controlemechanismen van de begunstigde.

e)

Overeenkomsten die uit een landenspecifiek besluit voortvloeien moeten bepalingen bevatten die verzekeren dat de Unie recht heeft op de volledige terugbetaling van de gift en/of de vervroegde terugbetaling van de lening indien is vastgesteld dat een begunstigde met betrekking tot het beheer van macrofinanciële bijstand fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit heeft gepleegd die de financiële belangen van de Unie schaadt.

12.   Jaarverslag

a)

De Commissie moet de geboekte vooruitgang bij het uitvoeren van de macrofinanciële bijstand onderzoeken en jaarlijks uiterlijk 30 juni bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen.

b)

In het jaarverslag moeten de economische situatie en de vooruitzichten van de begunstigden worden beoordeeld, alsook de vooruitgang die is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de in artikel 6, onder c), bedoelde beleidsmaatregelen.

c)

Voorts moet het jaarverslag geactualiseerde informatie bevatten over de beschikbare begrotingsmiddelen in de vorm van leningen en giften, waarbij rekening wordt gehouden met de beoogde operaties.

13.   Evaluatie

a)

De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad verslagen sturen van evaluaties achteraf, waarin de resultaten en de efficiëntie van onlangs voltooide macrofinanciële bijstandsoperaties worden beoordeeld, alsook in welke mate zij tot de doelstellingen van de bijstand hebben bijgedragen.

b)

De Commissie moet regelmatig en minstens iedere vier jaar een evaluatie uitvoeren van de verleende macrofinanciële bijstand, en het Europees Parlement en de Raad een gedetailleerd overzicht daarvan bieden. Een dergelijke evaluatie moet tot doel hebben na te gaan of de doelstellingen van de macrofinanciële bijstand zijn behaald, of nog altijd aan de voorwaarden van de macrofinanciële bijstand — met inbegrip van het in punt 7, onder c), vastgelegde drempelbedrag — wordt voldaan, en om de Commissie in staat te stellen aanbevelingen te doen met het oog op de verbetering van toekomstige operaties. De Commissie moet in haar evaluatie ook de samenwerking met Europese of multilaterale financiële instellingen bij het verlenen van macrofinanciële bijstand beoordelen.


(1)  Deze evaluatie zal gebaseerd zijn op het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld dat in het kader van het strategisch kader van de EU en het actieplan inzake de mensenrechten en democratie wordt verwacht (conclusies van de Raad inzake mensenrechten en democratie, 25 juni 2012).


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 779/2013 VAN DE COMMISSIE

van 13 augustus 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 augustus 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0709 93 10

TR

138,1

ZZ

138,1

0805 50 10

AR

89,8

CL

100,4

TR

70,0

UY

107,6

ZA

102,4

ZZ

94,0

0806 10 10

EG

185,9

MA

161,8

MX

263,5

TR

156,3

ZZ

191,9

0808 10 80

AR

188,5

BR

106,6

CL

134,6

CN

74,0

NZ

136,5

US

164,7

ZA

110,9

ZZ

130,8

0808 30 90

AR

177,3

CL

146,4

NZ

194,4

TR

153,8

ZA

110,4

ZZ

156,5

0809 30

TR

146,5

ZZ

146,5

0809 40 05

BA

47,7

MK

61,9

TR

83,7

ZZ

64,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/26


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 12 augustus 2013

betreffende de bedragen die voor begrotingsjaar 2014 uit de nationale steunprogramma’s in de wijnsector worden overgedragen naar de bedrijfstoeslagregeling, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5180)

(Slechts de teksten in de Engelse, de Franse, de Griekse, de Maltese en de Spaanse taal zijn authentiek)

(2013/430/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 103 octovicies, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 103 quindecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat de toewijzing van de beschikbare EU-middelen en de begrotingslimieten voor de nationale steunprogramma’s in de wijnsector zijn vastgesteld in bijlage X ter bij die verordening.

(2)

Krachtens artikel 103 sexdecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 hadden de lidstaten de mogelijkheid om uiterlijk op 1 december 2012 te beslissen voor begrotingsjaar 2014 steun aan wijnbouwers te verlenen door hun toeslagrechten toe te kennen in de zin van titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (2).

(3)

Lidstaten met de intentie steun te verlenen krachtens artikel 103 sexdecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007, hebben de betrokken bedragen meegedeeld. Ter wille van de duidelijkheid dient de Commissie deze bedragen bekend te maken.

(4)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bedragen die voor begrotingsjaar 2014 uit de in Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde nationale steunprogramma’s worden overgedragen naar de in Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedrijfstoeslagregeling, worden vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Malta en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

Gedaan te Brussel, 12 augustus 2013.

Voor de Commissie

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.


BIJLAGE

De bedragen die uit de nationale steunprogramma’s in de wijnsector worden overgedragen naar de bedrijfstoeslagregeling (begrotingsjaar 2014)

(1000 EUR)

Begrotingsjaar

2014

Griekenland

16 000

Spanje

142 749

Luxemburg

588

Malta

402

Verenigd Koninkrijk

120


14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/28


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 12 augustus 2013

waarbij aan de lidstaten toestemming wordt verleend om de geldigheidsduur van de voorlopige toelatingen voor de werkzame stoffen benalaxyl-M en valifenalaat te verlengen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5184)

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/431/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (1), en met name artikel 8, lid 1, vierde alinea,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (2), en met name artikel 80, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 blijft Richtlijn 91/414/EEG van toepassing op werkzame stoffen waarvoor overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn vóór 14 juni 2011 een besluit is genomen.

(2)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft Portugal in februari 2002 van ISAGRO IT een aanvraag ontvangen om opneming van de werkzame stof benalaxyl-M in bijlage I bij de richtlijn. Bij Beschikking 2003/35/EG van de Commissie (3) is bevestigd dat het dossier volledig is en geacht wordt in beginsel te voldoen aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij die richtlijn.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft Hongarije in september 2005 van ISAGRO SpA een aanvraag ontvangen om opneming van de werkzame stof valifenalaat in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2006/586/EG van de Commissie (4) is bevestigd dat het dossier volledig is en geacht wordt in beginsel te voldoen aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij die richtlijn.

(4)

De bevestiging dat de dossiers volledig zijn, was nodig om deze grondig te kunnen onderzoeken en de lidstaten de mogelijkheid te geven gewasbeschermingsmiddelen die de betrokken werkzame stoffen bevatten, voorlopig toe te laten voor een periode van ten hoogste drie jaar, met inachtneming van de voorwaarden van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 91/414/EEG en met name de voorwaarde dat de werkzame stoffen en de gewasbeschermingsmiddelen grondig worden beoordeeld in het licht van de voorschriften van die richtlijn.

(5)

De effecten op de menselijke gezondheid en het milieu van de door de aanvragers voorgestelde toepassingen van deze werkzame stoffen zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld. De als rapporteur optredende lidstaten hebben de respectieve ontwerpbeoordelingsverslagen op 21 november 2003 (benalaxyl-M) en 19 februari 2008 (valifenalaat) bij de Commissie ingediend.

(6)

Nadat de lidstaten-rapporteurs de ontwerpbeoordelingsverslagen hadden ingediend, bleek het nodig de aanvragers om aanvullende informatie te vragen en moesten de lidstaten-rapporteurs deze informatie bestuderen en beoordelen. Daardoor is het onderzoek van de dossiers nog aan de gang en kan de evaluatie niet worden afgerond binnen de bij Richtlijn 91/414/EEG, te lezen in samenhang met Uitvoeringsbesluit 2011/671/EU van de Commissie (5), vastgestelde termijn.

(7)

Aangezien de evaluatie tot nu toe geen aanleiding tot onmiddellijke bezorgdheid heeft gegeven, moet de lidstaten toestemming worden verleend om de voorlopige toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die de betrokken werkzame stoffen bevatten, overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 91/414/EEG voor een periode van 24 maanden te verlengen, zodat het onderzoek van de dossiers kan worden voortgezet. Verwacht wordt dat het evaluatie- en besluitvormingsproces voor een besluit betreffende een mogelijke goedkeuring overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voor benalaxyl-M en valifenalaat binnen 24 maanden zal zijn voltooid.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De lidstaten mogen de geldigheidsduur van de voorlopige toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die benalaxyl-M of valifenalaat bevatten, verlengen tot uiterlijk 31 augustus 2015.

Artikel 2

Dit besluit vervalt op 31 augustus 2015.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 augustus 2013.

Voor de Commissie

Tonio BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(2)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(3)  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 52.

(4)  PB L 236 van 31.8.2006, blz. 31.

(5)  PB L 267 van 12.10.2011, blz. 19.


14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/s3


BERICHT AAN DE LEZER

Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (PB L 69 van 13.3.2013, blz. 1) zal, met ingang van 1 juli 2013, enkel de elektronische editie van het Publicatieblad authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben.

Indien het door onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is de elektronische editie van het Publicatieblad te publiceren, zal de gedrukte editie authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 216/2013.


14.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 218/s3


BERICHT AAN DE LEZER — WIJZE VAN VERMELDEN VAN DE HANDELINGEN

Vanaf 1 juli 2013 is de wijze van vermelden van de handelingen veranderd.

Gedurende een overgangsperiode zal zowel de oude als de nieuwe manier worden gebruikt.