ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.178.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 178

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
28 juni 2013


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 ( 1 )

1

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2013/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking) ( 1 )

27

 

*

Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG ( 1 )

66

 

*

Richtlijn 2013/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 tot wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad wat betreft de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Unie van honden, katten en fretten ( 1 )

107

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 577/2013 van de Commissie van 28 juni 2013 inzake de modelidentificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten, de vaststelling van de lijsten van derde landen en gebieden en de voorschriften betreffende de vorm, de opmaak en de taal van de verklaringen ten bewijze van de naleving van bepaalde voorwaarden die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

109

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

28.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/1


VERORDENING (EU) Nr. 576/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 juni 2013

betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, en artikel 168, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn de veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat uit een andere lidstaat of uit derde landen en de controles op dat verkeer vastgesteld. De verordening is bedoeld om te zorgen voor een toereikend niveau van veiligheid ten aanzien van de risico’s voor de volks- en de diergezondheid in verband met dit niet-commerciële verkeer en om ongerechtvaardigde obstakels voor dergelijk verkeer weg te nemen.

(2)

In een verklaring die gevoegd is bij Verordening (EU) nr. 438/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 998/2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (4), heeft de Commissie toegezegd met een voorstel te zullen komen voor de herziening van Verordening (EG) nr. 998/2003 in haar geheel, met name van de aspecten van de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. Daarom moeten als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de aan de Commissie krachtens Verordening (EG) nr. 998/2003 toegekende bevoegdheden in overeenstemming worden gebracht met de artikelen 290 en 291 VWEU. Rekening houdend met het aantal wijzigingen dat in de veterinairrechtelijke voorschriften van Verordening (EG) nr. 998/2003 moet worden aangebracht en om ervoor te zorgen dat deze voorschriften voldoende duidelijk en toegankelijk zijn voor de gewone burger, moet die verordening worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen.

(3)

Bij deze verordening moet een lijst van diersoorten worden vastgesteld waarvoor geharmoniseerde veterinairrechtelijke voorschriften moeten gelden wanneer dieren van deze soorten als gezelschapsdier worden gehouden en aan het niet-commerciële verkeer deelnemen. Bij de opstelling van die lijst moet rekening worden gehouden met hun gevoeligheid voor of hun rol in de epidemiologie van rabiës.

(4)

Bij Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG (5) geldt, zijn onder meer veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer in en de invoer van honden, katten en fretten vastgesteld, dieren die behoren tot soorten die gevoelig zijn voor rabiës. Aangezien die soorten ook worden gehouden als gezelschapsdieren die vaak hun eigenaar of een gemachtigde persoon tijdens niet-commercieel verkeer binnen en naar de Unie vergezellen, moeten in deze verordening de veterinairrechtelijke voorschriften worden vastgesteld voor het niet-commerciële verkeer van die soorten naar de lidstaten. Die soorten moeten in een lijst worden opgenomen in deel A van bijlage I bij deze verordening.

(5)

Er moet eveneens een rechtskader worden vastgesteld voor de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het niet-commerciële verkeer van dieren die niet gevoelig zijn voor rabiës of die van geen epidemiologische betekenis voor rabiës zijn, waarop, indien zij niet als gezelschapsdier werden gehouden, andere rechtshandelingen van de Unie van toepassing zou zijn, waaronder wetgeving betreffende voedselproducerende dieren. Die soorten moeten in een lijst worden opgenomen in deel B van bijlage I.

(6)

De lijst in deel B van bijlage I moet ongewervelde dieren omvatten, met uitzondering van bijen en hommels die vallen onder Richtlijn 92/65/EEG en week- en schelpdieren die vallen onder Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (6). Zij moet ook voor sierdoeleinden gehouden waterdieren omvatten, die worden gekweekt in niet-commerciële aquaria en die zijn uitgesloten van de werkingssfeer van Richtlijn 2006/88/EG, alsook amfibieën en reptielen.

(7)

De lijst in deel B van bijlage I moet verder alle andere soorten vogels omvatten dan die welke onder de werkingssfeer vallen van Richtlijn 2009/158/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (7), alsook andere knaagdieren en konijnen dan die welke voor de voedselproductie bestemd zijn en die in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (8) zijn gedefinieerd.

(8)

Voor de consistentie van het recht van de Unie moeten, in afwachting van de vaststelling van voorschriften van de Unie voor het niet-commerciële verkeer naar een lidstaat van gezelschapsdieren van in deel B van bijlage I opgenomen soorten uit een andere lidstaat of gebied of derde land, voor dergelijk verkeer nationale voorschriften kunnen gelden, mits zij niet stringenter zijn dan die welke worden toegepast op het verkeer van die dieren voor commerciële doeleinden.

(9)

Aangezien dieren van de in deel B van bijlage I bij deze verordening opgenomen soorten kunnen behoren tot soorten die een bijzondere bescherming vereisen, moet deze verordening van toepassing zijn onverminderd Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (9).

(10)

Om een duidelijk onderscheid te maken tussen de voorschriften die gelden voor het niet-commerciële verkeer en die welke gelden voor het handelsverkeer in en de invoer in de Unie uit derde landen van honden, katten en fretten waarop de veterinairrechtelijke voorschriften van Richtlijn 92/65/EEG van toepassing zijn, moet deze verordening niet alleen een definitie geven van een gezelschapsdier, maar ook van het niet-commerciële verkeer van een gezelschapsdier tijdens hetwelk een dergelijk gezelschapsdier zijn eigenaar of een gemachtigde persoon vergezelt. De ervaring leert dat bij niet-commercieel verkeer het gezelschapsdier zich niet te allen tijde direct in de buurt van de eigenaar of de gemachtigde persoon kan bevinden. In naar behoren onderbouwde en gedocumenteerde gevallen, moet er zelfs van worden uitgegaan dat het gezelschapsdier zijn eigenaar of de gemachtigde persoon vergezelt, zelfs als het niet-commerciële verkeer van het gezelschapsdier tot vijf dagen eerder of later plaatsvindt dan de verplaatsing van de eigenaar of de gemachtigde persoon, of plaatsvindt in een andere fysieke locatie dan die waar de eigenaar of de gemachtigde persoon zich bevindt.

(11)

De ervaring met de toepassing van de huidige regels leert dat de handel in de soorten gezelschapsdieren die zijn vermeld in deel A van bijlage I en de invoer ervan in de Unie vanuit derde landen, frauduleus als niet-commercieel verkeer kan worden verhuld. Teneinde dergelijke praktijken te voorkomen — deze kunnen immers risico’s voor de gezondheid van dieren inhouden — moet in deze verordening een maximaal aantal worden vastgesteld voor gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten, die hun eigenaar of een gemachtigde persoon mogen vergezellen. Het moet evenwel mogelijk zijn dat maximumaantal, enkel onder bepaalde, vastgestelde voorwaarden, te overschrijden. Voorts moet worden verduidelijkt dat, indien niet aan de vastgestelde voorwaarden wordt voldaan en het aantal gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I bij deze verordening opgenomen soorten het vastgestelde maximumaantal overschrijdt, de toepasselijke bepalingen van Richtlijn 92/65/EEG en van Richtlijn 90/425/EEG (10) of van Richtlijn 91/496/EEG (11) op die gezelschapsdieren van toepassing zijn.

(12)

Verordening (EG) nr. 998/2003 bepaalt dat gezelschapsdieren van de in de delen A en B van bijlage I bij die verordening opgenomen soorten gedurende een overgangsperiode als geïdentificeerd moeten worden beschouwd, als zij voorzien zijn van een duidelijk leesbare tatoeage of een elektronisch identificatiesysteem („transponder”). De onderhavige verordening moet daarom voorschriften neerleggen voor het merken van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I bij deze verordening opgenomen soorten na het verstrijken van de overgangsperiode op 3 juli 2011.

(13)

Het inplanten van een transponder is een invasieve ingreep waarvoor specifieke kwalificaties vereist zijn. Om die reden mogen transponders uitsluitend worden ingeplant door een behoorlijk gekwalificeerde persoon. Indien een lidstaat een andere persoon dan een dierenarts toestaat transponders in te planten, moet die lidstaat voorschriften vaststellen betreffende de minimumkwalificaties van deze persoon.

(14)

Bij bijlage I bis bij Verordening (EG) nr. 998/2003 zijn technische voorschriften vastgesteld voor de identificatie van gezelschapsdieren door middel van transponders. Die technische voorschriften beantwoorden aan internationaal aanvaarde normen en moeten in bijlage II bij de onderhavige verordening worden vastgesteld, zonder dat daarin wezenlijke wijzigingen worden aangebracht.

(15)

Ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten moet deze verordening voorzien in de mogelijkheid om preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten en infecties dan rabiës vast te stellen. Die maatregelen moeten gebaseerd zijn op gevalideerde wetenschappelijke informatie en worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot het risico voor de volks- of diergezondheid dat het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren welke voor die ziekten of infecties gevoelig zijn, met zich mee brengt. De maatregelen moeten regels omvatten voor de indeling van de lidstaten of delen daarvan, de procedures in het kader waarvan de lidstaten die de toepassing van preventieve gezondheidsmaatregelen vereisen de redenen voor dergelijke maatregelen continu moeten staven, de voorwaarden voor de toepassing en documentering van de preventieve gezondheidsmaatregelen en, zo nodig, de voorwaarden voor de afwijking van de toepassing van die maatregelen. Er moet een lijst van lidstaten of delen daarvan, die overeenkomstig de desbetreffende regels zijn ingedeeld, moet derhalve worden opgesteld in een op grond van deze verordening vast te stellen uitvoeringshandeling.

(16)

Het is mogelijk dat rabiësvaccins die zijn toegediend aan gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten voordat zij de leeftijd van drie maanden hebben bereikt, geen beschermende immuniteit bieden wegens de competitie met antilichamen van de moeder. Bijgevolg bevelen vaccinproducenten aan jonge gezelschapsdieren vóór die leeftijd niet te vaccineren. Om het niet-commerciële verkeer van niet tegen rabiës gevaccineerde dan wel gevaccineerde maar nog niet geïmmuniseerde jonge gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten toe te staan, moeten bij deze verordening bepaalde te treffen voorzorgsmaatregelen worden vastgesteld en moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden om dat verkeer naar hun grondgebied toe te staan wanneer jonge gezelschapsdieren aan die maatregelen voldoen.

(17)

Om de voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten tussen lidstaten met een gelijkwaardige gunstige status ten aanzien van rabiës te vereenvoudigen, moet deze verordening ook voorzien in de mogelijkheid om van het voorschrift betreffende de vaccinatie tegen rabiës af te wijken. Deze mogelijkheid moet beschikbaar zijn bij indiening van een gezamenlijke aanvraag door de belangstellende lidstaten. Een dergelijke afwijking moet gebaseerd zijn op gevalideerde wetenschappelijke informatie en worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot het risico voor de volks- of diergezondheid, dat verbonden is aan het niet-commerciële verkeer van dieren die voor rabiës gevoelig zijn. lidstaten of delen daarvan die van een dergelijke afwijking gebruikmaken, moeten in een lijst worden vermeld in een uitvoeringshandeling die op grond van deze verordening moet worden vastgesteld.

(18)

Landen en gebieden die opgenomen zijn in afdeling 2 van deel B van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003, passen voorschriften toe die gelijkwaardig zijn met die welke door de lidstaten worden toegepast, terwijl landen en gebieden die in deel C van bijlage II bij die verordening zijn opgenomen, moeten voldoen aan de criteria van artikel 10 van die verordening. Zonder dat daarin wezenlijke wijzigingen worden aangebracht, moeten die lijsten worden opgenomen in een op grond van deze verordening vast te stellen uitvoeringshandeling.

(19)

Voorts moet een lijst van gebieden of derde landen die voorschriften toepassen met dezelfde inhoud en hetzelfde effect als die welke in deze verordening ten aanzien van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I bij deze verordening vermelde soorten zijn vastgesteld, worden opgenomen in een op grond van deze verordening vast te stellen uitvoeringshandeling.

(20)

Bij Verordening (EG) nr. 998/2003 zijn bepaalde voorschriften vastgesteld voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar lidstaten uit andere lidstaten en uit in afdeling 2 van deel B en in deel C van bijlage II bij die verordening opgenomen landen en gebieden. Die voorschriften omvatten een geldige vaccinatie van de gezelschapsdieren in kwestie tegen rabiës, uitgevoerd met vaccins die voldoen aan de minimumnormen van het desbetreffende hoofdstuk van het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals (Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE), of waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen is verleend overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG (12) of Verordening (EG) nr. 726/2004 (13). Die vaccins hebben bewezen dat zij doeltreffend zijn voor de bescherming van dieren tegen rabiës en maken deel uit van de geldigheidsvoorschriften voor de vaccinatie tegen rabiës, die zijn vastgesteld in bijlage I ter bij Verordening (EG) nr. 998/2003. Zonder dat daarin wezenlijke wijzigingen worden aangebracht, moeten die voorschriften in bijlage III bij onderhavige verordening worden vastgesteld.

(21)

Bij Verordening (EG) nr. 998/2003 zijn stringentere veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld voor het verkeer van gezelschapsdieren naar lidstaten uit andere landen en gebieden dan die vermeld in deel C van bijlage II bij die verordening. Die voorschriften omvatten controles op de doeltreffendheid bij afzonderlijke dieren van de vaccinatie tegen rabiës door titrering van de antilichamen in een laboratorium dat is erkend overeenkomstig Beschikking 2000/258/EG van de Raad van 20 maart 2000 houdende aanwijzing van een specifiek instituut dat verantwoordelijk is voor de vaststelling van de criteria die nodig zijn voor de normalisatie van de serologische tests om de doelmatigheid van antirabiësvaccins te controleren (14). Die voorschriften moeten daarom in bijlage IV bij deze verordening behouden blijven en er moet een voorwaarde worden opgenomen die bepaalt dat de test moet worden uitgevoerd overeenkomstig de methoden die zijn vastgesteld in het desbetreffende hoofdstuk van het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE).

(22)

Identificatiedocumenten die gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten die deelnemen aan het niet-commerciële verkeer naar lidstaten, vergezellen, zijn nodig om te bewijzen dat deze dieren aan deze verordening voldoen. Deze verordening moet daarom de voorwaarden voor de afgifte van identificatiedocumenten en de voorschriften voor de inhoud, geldigheid, beveiligingskenmerken, formaat en opmaak daarvan vaststellen.

(23)

Deze verordening moet het mogelijk maken dat de lidstaten het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten toestaan, als deze dieren vergezeld gaan van een identificatiedocument dat is afgegeven in een derde land of gebied dat voorschriften toepast met dezelfde inhoud en hetzelfde effect als die welke door lidstaten worden toegepast. Zij moet het ook mogelijk maken dat de lidstaten het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied, na verkeer naar een gebied of derde land toestaan voor gezelschapsdieren die vergezeld gaan van een identificatiedocument dat is afgegeven in een lidstaat, mits aan de voorwaarden voor de terugkeer uit die gebieden of derde landen wordt voldaan voordat het gezelschapsdier de Unie verliet.

(24)

Deze verordening moet lidstaten ook de mogelijkheid bieden om, wanneer het urgente vertrek van de eigenaar — bijvoorbeeld in geval van een onverwachte natuurramp of politieke onrust of ander geval van overmacht dat de eigenaar treft — nodig is, de directe toegang tot hun grondgebied toe te staan voor gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten die niet voldoen aan deze verordening, mits van tevoren een vergunning is aangevraagd en door de lidstaat van bestemming is verleend, en een in de tijd beperkte afzonderingsperiode onder officieel toezicht wordt uitgevoerd om aan de voorwaarden van deze verordening te voldoen. Ondanks de noodzaak van een dergelijk urgent vertrek zijn dergelijke vergunningen onontbeerlijk wegens de diergezondheidsrisico’s die ontstaan door in de Unie een gezelschapsdier binnen te brengen dat niet aan deze verordening voldoet.

(25)

Richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG zijn niet van toepassing op veterinaire controles van gezelschapsdieren die reizigers vergezellen tijdens niet-commercieel verkeer.

(26)

Om de lidstaten in staat te stellen na te gaan of deze verordening wordt nageleefd en de nodige actie te ondernemen, moet deze verordening derhalve bepalen dat de persoon die het gezelschapsdier vergezelt, het voorgeschreven identificatiedocument bij niet-commercieel verkeer naar een lidstaat moet voorleggen, en moet zij voorzien in passende documenten- en identiteitscontroles op gezelschapsdieren die de eigenaar tijdens niet-commercieel verkeer naar een lidstaat vanuit een andere lidstaat of bepaalde gebieden of derde landen vergezellen.

(27)

Zij moet ook voorschrijven dat de lidstaten op aangewezen punten van binnenkomst systematische documenten- en identiteitscontroles moeten uitvoeren op gezelschapsdieren die de eigenaar tijdens niet-commercieel verkeer naar een lidstaat vanuit een andere lidstaat of bepaalde gebieden of derde landen vergezellen. Bij die controles moet rekening worden gehouden met de toepasselijke beginselen van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (15). Wanneer zulks voor het verdere verkeer naar andere lidstaten nodig is, moeten de lidstaten verplicht worden gesteld de controles in het identificatiedocument te documenteren, zodat de datum van deze controles kan worden gebruikt om de geldigheidsduur van het identificatiedocument te bepalen.

(28)

Bovendien moet deze verordening voorzien in vrijwaringsmaatregelen om de risico’s voor de volks- of diergezondheid aan te pakken die ontstaan door het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren.

(29)

Om de burger duidelijke en toegankelijke informatie te verschaffen over de voorschriften die gelden voor het niet-commerciële verkeer naar de Unie van gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten, moeten de lidstaten worden verplicht om die informatie, met name de toepasselijke bepalingen van nationaal recht, beschikbaar te stellen voor het publiek.

(30)

Om te zorgen voor de correcte toepassing van deze verordening moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU betreffende soortspecifieke voorschriften voor het merken van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten, alsook betreffende soortspecifieke preventieve gezondheidsmaatregelen tegen andere ziekten en infecties dan rabiës die voorkomen bij de in bijlage I vermelde soorten, alsook om voorschriften vast te stellen tot beperking van het aantal gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I van deze verordening vermelde soorten die hun eigenaar bij niet-commerciële verkeer vergezellen en om de bijlagen II tot en met IV te wijzigen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(31)

Bovendien moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen volgens de spoedprocedure aan de Commissie worden gedelegeerd voor naar behoren gerechtvaardigde gevallen waar risico’s voor de volks- en de diergezondheid bestaan ten aanzien van preventieve gezondheidsmaatregelen tegen andere ziekten of infecties dan rabiës waarvoor gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten gevoelig zijn.

(32)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend ten aanzien van de lijst van lidstaten of delen daarvan die over een gelijkwaardige gunstige status ten aanzien van rabiës beschikken en die de toestemming hebben om wederzijdse overeenkomsten te sluiten waarmee van bepaalde voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren kan worden afgeweken, de lijst van lidstaten die zijn ingedeeld overeenkomstig de voorschriften betreffende preventieve gezondheidsmaatregelen tegen andere ziekten en infecties dan rabiës, de lijsten van gebieden en derde landen die zijn opgesteld om af te wijken van bepaalde voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer, het model voor de identificatiedocumenten die gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten moeten vergezellen tijdens het niet-commerciële verkeer naar een lidstaat uit een andere lidstaat, een gebied of derde land, de voorschriften betreffende het formaat, de opmaak en de talen van de te ondertekenen verklaringen, en van de vrijwaringsmaatregelen bij het uitbreken en de verspreiding van rabiës of van een andere ziekte of infectie dan rabiës. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (16).

(33)

De Commissie moet onmiddellijk van toepassing zijnde uitvoeringshandelingen vaststellen tot bijwerking van de lijst van lidstaten of delen daarvan die over een gelijkwaardige gunstige status ten aanzien van rabiës beschikken en die de toestemming hebben om wederzijdse overeenkomsten te sluiten waarmee van bepaalde voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren kan worden afgeweken en van de lijst van gebieden of derde landen die zijn opgesteld om af te wijken van bepaalde voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer, en met betrekking tot vrijwaringsmaatregelen bij het uitbreken en de verspreiding van rabiës of een andere ziekte of infectie dan rabiës, wanneer dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen in verband met de dier- en volksgezondheid, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(34)

In een aantal lidstaten zijn bepaalde gebreken bij de naleving van de voorschriften van Verordening (EG) nr. 998/2003 geconstateerd. Bijgevolg moeten de lidstaten voorschriften vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening.

(35)

Beschikking 2003/803/EG van de Commissie van 26 november 2003 tot vaststelling van een modelpaspoort voor het intracommunautair verkeer van honden, katten en fretten (17) stelt het modelpaspoort voor het verkeer van gezelschapsdieren van de soorten honden, katten en fretten tussen de lidstaten vast op grond van Verordening (EG) nr. 998/2003. De overeenkomstig dat modelpaspoort afgegeven identificatiedocumenten moeten onder bepaalde voorwaarden geldig blijven voor de gehele levensduur van een gezelschapsdier, teneinde de administratieve en financiële last voor de eigenaren te beperken.

(36)

Uitvoeringsbesluit 2011/874/EU van de Commissie van 15 december 2011 tot vaststelling van de lijst van derde landen en gebieden waaraan een machtiging is verleend voor de invoer van honden, katten en fretten en voor het niet-commerciële verkeer van meer dan vijf honden, katten en fretten naar de Unie en de modelcertificaten voor de invoer en het niet-commerciële verkeer van die dieren naar de Unie (18) stelt het modelgezondheidscertificaat vast waarin wordt verklaard dat de voorschriften van Verordening (EG) nr. 998/2003 voor het niet-commerciële verkeer van vijf of minder honden, katten of fretten naar de Unie worden nageleefd. Om een soepele overgang naar de nieuwe voorschriften van onderhavige verordening te waarborgen, moet dat modelcertificaat onder bepaalde voorwaarden geldig blijven.

(37)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in bijlage I vermelde soorten om de risico’s die dat verkeer oplevert voor de volksgezondheid of de diergezondheid te voorkomen of tot een minimum te beperken, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en daarom beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel vastgestelde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(38)

Om een gelijktijdige bekendmaking zeker te stellen van deze verordening en de uitvoeringshandelingen met betrekking tot de lijsten van gebieden en derde landen die worden opgesteld om af te wijken van bepaalde voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer, met betrekking tot het model voor de identificatiedocumenten die gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten moeten vergezellen tijdens het niet-commerciële verkeer naar een lidstaat uit een andere lidstaat, een gebied of derde land, en met betrekking tot de voorschriften betreffende het formaat, de opmaak en de talen van de te ondertekenen verklaringen, dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt de veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en de voorschriften voor de nalevingscontroles op dat verkeer vast.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat uit een andere lidstaat of uit een gebied of derde land.

2.   Deze verordening is van toepassing onverminderd:

a)

Verordening (EG) nr. 338/97;

b)

alle nationale door de lidstaten aangenomen, bekendgemaakte en aan het publiek beschikbaar gestelde maatregelen om het verkeer van bepaalde soorten of rassen van gezelschapsdieren te beperken op grond van andere overwegingen dan die welke betrekking hebben op de diergezondheid.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a)   „niet-commercieel verkeer”: elk verplaatsing die niet tot doel heeft om een gezelschapsdier te verkopen of de eigendom ervan over te dragen;

b)   „gezelschapsdier”: een dier van de in bijlage I vermelde soorten dat zijn eigenaar of een gemachtigde persoon vergezelt tijdens niet-commercieel verkeer, en dat voor de duur van dit niet-commerciële verkeer onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar of de gemachtigde persoon blijft vallen;

c)   „eigenaar”: een natuurlijke persoon die in het identificatiedocument als eigenaar staat vermeld;

d)   „gemachtigde persoon”: een natuurlijke persoon die schriftelijk door de eigenaar gemachtigd is namens de eigenaar het niet-commerciële verkeer van het gezelschapsdier te verrichten;

e)   „transponder”: een passief, uitsluitend uitleesbaar op radiofrequentie werkend identificatiemiddel;

f)   „identificatiedocument”: een document dat is opgesteld volgens het model dat is vastgelegd in op grond van deze verordening vast te stellen uitvoeringshandelingen, en dat het mogelijk maakt het gezelschapsdier duidelijk te identificeren en te controleren of zijn gezondheidsstatus aan deze verordening voldoet;

g)   „gemachtigde dierenarts”: een dierenarts die door de bevoegde autoriteit gemachtigd is specifieke opdrachten te verrichten overeenkomstig deze verordening of op grond van deze verordening vastgestelde handelingen;

h)   „officiële dierenarts”: een door de bevoegde autoriteit aangewezen dierenarts;

i)   „documentencontrole”: verificatie van het identificatiedocument dat het gezelschapsdier vergezelt;

j)   „identiteitscontrole”: controle op de overeenstemming van het identificatiedocument met het gezelschapsdier en waar passend op de aanwezigheid en overeenstemming van het merken;

k)   „punt van binnenkomst voor reizigers”: door de lidstaten voor de uitvoering van de controles als bedoeld in artikel 34, lid 1, aangewezen zone.

Artikel 4

Algemene verplichting

Niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren dat voldoet aan de veterinairrechtelijke voorschriften van deze verordening mag niet worden verboden, beperkt of belemmerd om andere diergezondheidsredenen dan die welke voortvloeien uit de toepassing van deze verordening.

Artikel 5

Maximaal aantal gezelschapsdieren

1.   Het maximaal aantal gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten dat de eigenaar of een gemachtigde persoon tijdens een eenmalige verplaatsing in het kader van niet-commercieel verkeer mag begeleiden, mag niet groter zijn dan vijf.

2.   In afwijking van lid 1 mag het maximaal aantal gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten groter zijn dan vijf, indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren vindt plaats met het oog op deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen of sportactiviteiten, of aan trainingen voor deze evenementen;

b)

de eigenaar of de gemachtigde persoon legt het schriftelijke bewijs over dat de gezelschapsdieren geregistreerd zijn met het oog op het bijwonen van een onder a) genoemd evenement, of geregistreerd zijn bij een vereniging die deze evenementen organiseert;

c)

de gezelschapsdieren zijn ouder dan zes maanden.

3.   De lidstaten kunnen standaardsteekproeven uitvoeren om na te gaan of de overeenkomstig lid 2, onder b), verstrekte informatie correct is.

4.   Wanneer het in lid 1 bedoelde maximaal aantal gezelschapsdieren wordt overschreden en de in lid 2 bedoelde voorwaarden niet vervuld zijn, dienen de betrokken gezelschapsdieren te voldoen aan de veterinairrechtelijke voorschriften van Richtlijn 92/65/EEG ten aanzien van de betrokken soorten, en zorgen de lidstaten ervoor dat deze dieren onderworpen worden aan de veterinaire inspecties bepaald in de Richtlijnen 90/425/EEG en 91/496/EEG, al naar gelang het geval.

5.   Om te vermijden dat het commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten op frauduleuze wijze als niet-commercieel verkeer wordt verhuld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 39 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van het maximaal aantal gezelschapsdieren van deze soorten dat de eigenaar of een gemachtigde persoon tijdens een eenmalige verplaatsing in het kader van niet-commercieel verkeer mag vergezellen.

6.   De Commissie dient uiterlijk 29 juni 2018 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van dit artikel. Op grond van haar verslag stelt de Commissie eventueel wijzigingen van deze verordening voor.

HOOFDSTUK II

VOORWAARDEN DIE GELDEN VOOR HET NIET-COMMERCIËLE VERKEER VAN GEZELSCHAPSDIEREN VAN EEN LIDSTAAT NAAR EEN ANDERE LIDSTAAT

AFDELING 1

Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

Artikel 6

Voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten mogen niet van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verplaatst, tenzij zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

zij zijn gemerkt overeenkomstig artikel 17, lid 1;

b)

zij hebben een vaccinatie tegen rabiës ontvangen die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage III;

c)

zij voldoen aan de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 19, lid 1;

d)

zij gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 22.

Artikel 7

Afwijking van de voorwaarde betreffende de vaccinatie tegen rabiës voor jonge gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

1.   Onder voorbehoud van lid 2, kunnen de lidstaten, in afwijking van artikel 6, onder b), het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied vanuit een andere lidstaat van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten toestaan, mits de gezelschapsdieren:

a)

minder dan twaalf weken oud zijn en niet tegen rabiës zijn gevaccineerd, of

b)

tussen 12 en 16 weken oud zijn en tegen rabiës gevaccineerd zijn, maar nog niet aan de geldigheidsvoorschriften als bedoeld in punt 2, onder e), van bijlage III voldoen.

2.   De in lid 1 vermelde toestemming mag alleen worden verleend indien:

a)

hetzij de eigenaar of de gemachtigde persoon een ondertekende verklaring verstrekt dat de gezelschapsdieren vanaf hun geboorte tot het moment waarop het niet-commerciële verkeer plaatsvindt, niet in contact zijn geweest met wilde dieren van voor rabiës gevoelige soorten, of

b)

de gezelschapsdieren vergezeld gaan van het moederdier waarvan zij nog steeds afhankelijk zijn en met het identificatiedocument dat het moederdier vergezelt kan worden aangetoond dat het moederdier vóór hun geboorte een vaccin tegen rabiës is toegediend overeenkomstig de geldigheidsvoorschriften van bijlage III.

3.   De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling voorschriften vaststellen over het formaat, de opmaak en de talen van de in lid 2, onder a), van dit artikel bedoelde verklaringen. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 8

Afwijking van de voorwaarde betreffende de vaccinatie tegen rabiës voor gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

1.   In afwijking van artikel 6, onder b), kan, op gezamenlijke aanvraag door de betrokken lidstaten, het rechtstreekse niet-commerciële verkeer tussen lidstaten of delen daarvan van niet tegen rabiës gevaccineerde gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten worden toegestaan overeenkomstig de procedure van lid 2.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van lidstaten die toestemming krijgen wederzijdse overeenkomsten te sluiten om in overeenstemming met lid 1 van dit artikel af te wijken van artikel 6, onder b). In die lijst worden de delen van de lidstaten vermeld waarop de afwijking van toepassing kan zijn.

3.   Om in de in lid 2 bedoelde lijst te worden vermeld, dienen de lidstaten die voor een dergelijke wederzijdse overeenkomst belangstelling hebben, bij de Commissie een gezamenlijke aanvraag in, met de nadere details van de ontwerpovereenkomst, waarmee zij kunnen aantonen dat zij, met inachtneming van de procedures van de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) wat betreft de verklaring van een land dat het grondgebied of een zone daarvan vrij is van rabiës, ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de aanvragende lidstaten beschikken over een continu operationeel bewakings- en rapportagesysteem met betrekking tot rabiës;

b)

de aanvragende lidstaten, of de delen van hun grondgebied waarop de aanvraag van toepassing is, zijn sedert ten minste twee jaar voorafgaand aan de gezamenlijke aanvraag op basis van de onder a) genoemde systemen, vrij van rabiës, en op hun grondgebied of delen daarvan is tijdens die periode geen rabiës vastgesteld bij wilde dieren;.

c)

de aanvragende lidstaten beschikken over efficiënte en doeltreffende beheersmaatregelen om de insleep en verspreiding van rabiës op hun grondgebied te voorkomen;

d)

de toepassing van de afwijking van artikel 6, onder b) is gerechtvaardigd en staat in verhouding tot de risico’s voor de volks- en diergezondheid in verband met het rechtstreekse niet-commerciële verkeer van niet-gevaccineerde gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten vanuit een van de aanvragende lidstaten naar de andere lidstaat of naar een deel van zijn grondgebied.

De gezamenlijke aanvraag bevat adequate, betrouwbare en wetenschappelijk gevalideerde informatie.

4.   De Commissie schrapt door middel van een uitvoeringshandeling het gehele grondgebied van een lidstaat of delen daarvan van de in lid 2 bedoelde lijst, indien de in lid 3 bedoelde gegevens niet langer de toepassing van de afwijking ondersteunen.

5.   De in de leden 2 en 4 bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

6.   Om naar behoren gerechtvaardigde dwingende urgente redenen in verband met risico’s voor de volks- en diergezondheid stelt de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast tot bijwerking van de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijst van lidstaten of delen daarvan, volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde procedure.

AFDELING 2

Gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

Artikel 9

Voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

1.   Voor zover de Commissie op grond van artikel 19, lid 1, gedelegeerde handelingen betreffende gezelschapsdieren van één van de in deel B van bijlage I vermelde soorten heeft vastgesteld, is het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van die soort van een lidstaat naar een andere lidstaat onderworpen aan de naleving van de in lid 2 van dit artikel genoemde voorwaarden.

2.   Het verkeer van de in lid 1 genoemde soorten gezelschapsdieren van een lidstaat naar een andere lidstaat is alleen toegestaan, indien de gezelschapsdieren voldoen aan de volgende voorwaarden;

a)

zij zijn gemerkt of beschreven overeenkomstig de uit hoofde van artikel 17, lid 2, vastgestelde voorschriften;

b)

zij voldoen aan de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 19, lid 1;

c)

zij gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 29.

3.   Zolang de in lid 1 bedoelde betrokken gedelegeerde handelingen niet zijn vastgesteld, kunnen lidstaten nationale regels toepassen op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten naar hun grondgebied uit een andere lidstaat, mits die regels:

a)

worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot het risico voor de volks- en diergezondheid dat het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van deze soorten met zich mee brengt, en

b)

niet verder gaan dan die welke worden toegepast op de handel in dieren van die soorten overeenkomstig de Richtlijnen 92/65/EEG en 2006/88/EG.

HOOFDSTUK III

VOORWAARDEN VOOR HET NIET-COMMERCIËLE VERKEER VAN GEZELSCHAPSDIEREN NAAR EEN LIDSTAAT UIT EEN GEBIED OF DERDE LAND

AFDELING 1

Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

Artikel 10

Voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

1.   Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten mogen niet uit een gebied of een derde land naar een lidstaat worden verplaatst, tenzij zij voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

zij zijn gemerkt overeenkomstig artikel 17, lid 1;

b)

zij hebben een vaccinatie tegen rabiës ontvangen die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage III;

c)

zij hebben een titreringstest op rabiësantilichamen ondergaan die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage IV;

d)

zij voldoen aan de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 19, lid 1;

e)

zij gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 26.

2.   Het verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten naar een lidstaat uit een ander gebied of derde land dan die welke vermeld zijn in de op grond van artikel 13, lid 1, vastgestelde lijst, mag uitsluitend via een punt van binnenkomst voor reizigers, dat op grond van artikel 34, lid 3, vermeld is op een lijst.

3.   In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten toestaan dat het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden via een ander punt van binnenkomst dan dat voor reizigers verloopt, op voorwaarde dat:

a)

de eigenaar of de gemachtigde persoon van tevoren een vergunning heeft aangevraagd en de lidstaat deze vergunning heeft verstrekt, en

b)

de honden aan nalevingscontroles zijn onderworpen op een door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen plaats overeenkomstig artikel 34, lid 2, en overeenkomstig de voorwaarden van de in de onder a) van dit lid bedoelde vergunning.

Artikel 11

Afwijking van de voorwaarde betreffende de vaccinatie tegen rabiës voor jonge gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

1.   Onder voorbehoud van lid 2, kunnen de lidstaten, in afwijking van artikel 10, lid 1, onder b), het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied uit gebieden of derde landen die vermeld zijn in de op grond van artikel 13, lid 1 of lid 2, vastgestelde lijst, toestaan van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten, die:

a)

minder dan twaalf weken oud zijn en niet tegen rabiës zijn gevaccineerd, of

b)

tussen 12 en 16 weken oud zijn en tegen rabiës gevaccineerd zijn, maar nog niet aan de geldigheidsvoorschriften als bedoeld in punt 2, onder e), van bijlage III voldoen.

2.   De in lid 1 vermelde toestemming mag alleen worden verleend indien:

a)

de eigenaar of de gemachtigde persoon een ondertekende verklaring verstrekt dat de gezelschapsdieren vanaf hun geboorte tot het moment waarop het niet-commerciële verkeer plaatsvindt, niet in contact zijn geweest met wilde dieren van voor rabiës gevoelige soorten, of

b)

de gezelschapsdieren vergezeld gaan van het moederdier waarvan zij nog steeds afhankelijk zijn en met het identificatiedocument dat het moederdier vergezelt kan worden aangetoond dat het moederdier vóór hun geboorte een vaccin tegen rabiës is toegediend overeenkomstig de geldigheidsvoorschriften van bijlage III.

3.   Het daaropvolgend niet-commerciële verkeer naar een andere lidstaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde gezelschapsdieren is verboden, behalve wanneer dit verkeer plaatsvindt overeenkomstig de in artikel 6 vastgestelde voorwaarden of toegestaan is overeenkomstig artikel 7 en ook de lidstaat van bestemming overeenkomstig lid 1 van dit artikel met het verkeer naar zijn grondgebied vanuit gebieden of derde landen heeft ingestemd.

4.   De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling voorschriften vaststellen over het formaat, de opmaak en de talen van de in lid 2, onder a), van dit artikel bedoelde verklaringen. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 12

Afwijking van de voorwaarde betreffende de titreringstest op antilichamen voor gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

1.   In afwijking van artikel 10, lid 1, onder c), is de titreringstest op antilichamen niet vereist voor het verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten uit een gebied of derde land dat in de op grond van artikel 13, lid 1 of lid 2, vastgestelde lijst is opgenomen, in een lidstaat:

a)

hetzij rechtstreeks;

b)

na een verblijf in uitsluitend een of meer van die gebieden of derde landen, of

c)

na doorvoer door een ander dan in de op grond van artikel 13, lid 1 of lid 2, vastgestelde lijst opgenomen gebied of derde land, mits de eigenaar of de gemachtigde persoon een ondertekende verklaring overlegt waarin is gesteld dat de gezelschapsdieren tijdens de doorvoer geen contact hebben gehad met dieren van voor rabiës gevoelige soorten en beveiligd zijn gebleven in een vervoermiddel of binnen de grenzen van een internationale luchthaven.

2.   De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling voorschriften vaststellen over het formaat, de opmaak en de talen van de in lid 1, onder c), van dit artikel bedoelde verklaringen. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 13

Opstelling van een lijst van gebieden en derde landen

1.   De Commissie is bevoegd om door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast te stellen van gebieden en derde landen die een aanvraag tot opname op de lijst hebben gedaan waarin zij aantonen dat zij voor gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten voorschriften toepassen met dezelfde inhoud en hetzelfde effect als die welke zijn vastgesteld in afdeling 1 van hoofdstuk II, deze afdeling en afdeling 2 van hoofdstuk VI en, indien van toepassing, de bepalingen die op basis van deze voorschriften zijn vastgesteld.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van gebieden en derde landen die een aanvraag tot opname op de lijst hebben gedaan waarin zij aantonen dat zij voor gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten ten minste aan de volgende criteria voldoen:

a)

de kennisgeving van gevallen van rabiës aan de bevoegde autoriteiten is verplicht;

b)

er bestaat sinds ten minste twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een naar behoren functionerend toezichtssysteem voor rabiës, met minimaal een continu programma voor vroegtijdige opsporing, zodat dieren waarvan vermoed wordt dat ze met rabiës zijn besmet, onderzocht worden en dat hierover wordt gerapporteerd.

c)

de structuur en organisatie van hun veterinaire en bestrijdingsdiensten, en de bevoegdheden van deze diensten, het toezicht erop en de deze diensten ter beschikking staande middelen, met inbegrip van personeel en laboratoriumcapaciteit, zijn toereikend om:

i)

de nationale wetgeving voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren doeltreffend toe te passen en te handhaven, en

ii)

de geldigheid te garanderen van de identificatiedocumenten die volgens het in artikel 25 vastgestelde formaat zijn opgesteld en overeenkomstig artikel 26 zijn afgegeven;

d)

er zijn voorschriften inzake preventie en bestrijding van rabiës van kracht die daadwerkelijk worden toegepast om het besmettingsrisico voor gezelschapsdieren tot een minimum te beperken, met inbegrip van voorschriften inzake de invoer van gezelschapsdieren uit andere landen of gebieden, en waar passend, voorschriften betreffende:

i)

de bestrijding van de zwerfhonden- en zwerfkattenpopulatie;

ii)

het vaccineren van huisdieren tegen rabiës, in het bijzonder wanneer rabiës voorkomt bij vampiervleermuizen, en

iii)

de bestrijding en uitroeiing van rabiës bij wilde dieren;

e)

er gelden voorschriften voor het verlenen van licenties voor en het in de handel brengen van antirabiësvaccins.

3.   De in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Om naar behoren gerechtvaardigde dwingende urgente redenen in verband met risico’s voor de volks- en diergezondheid stelt de Commissie onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast tot bijwerking van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde lijst van gebieden of derde landen volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde procedure.

AFDELING 2

Gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

Artikel 14

Voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

1.   Voor zover de Commissie op grond van artikel 19, lid 1, een gedelegeerde handeling over gezelschapsdieren van één van de in deel B van bijlage I vermelde soorten heeft vastgesteld, is het niet-commercieel verkeer van gezelschapsdieren van die soorten naar een lidstaat vanuit een gebied of derde land onderworpen aan de naleving van de in lid 2 van dit artikel genoemde voorwaarden.

2.   Het verkeer van de in lid 1 genoemde gezelschapsdieren uit een gebied of derde land naar een andere lidstaat, is alleen toegestaan indien de gezelschapsdieren voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

zij zijn gemerkt of beschreven overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 17, lid 2;

b)

zij voldoen aan de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës die zijn vastgesteld in uit hoofde van artikel 19, lid 1;

c)

zij gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 31;

d)

zij komen binnen via een punt van binnenkomst voor reizigers vanuit een ander gebied of derde land dan die welke zijn opgenomen op de uit hoofde van artikel 15 vastgestelde lijst.

3.   Zolang de in lid 1 bedoelde betrokken gedelegeerde handelingen niet zijn vastgesteld, kunnen lidstaten nationale regels toepassen op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten naar hun grondgebied uit een gebied of derde land, mits die regels:

a)

worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot het risico voor de volks- of diergezondheid dat het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van deze soorten met zich mee brengt, en

b)

niet verder gaan dan zijn dan die welke worden toegepast op de invoer van dieren van die soorten overeenkomstig de Richtlijnen 92/65/EEG of 2006/88/EG.

Artikel 15

Opstelling van een lijst van gebieden en derde landen

De Commissie is bevoegd om door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast te stellen van gebieden en derde landen die hebben aangetoond dat zij voor gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten voorschriften toepassen met dezelfde inhoud en hetzelfde effect als die welke zijn vastgesteld in afdeling 2 van hoofdstuk II, deze afdeling en afdeling 2 van hoofdstuk VI en, indien van toepassing, van de bepalingen die op basis van deze voorschriften zijn vastgesteld.

AFDELING 3

Afwijking van de voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren

Artikel 16

Afwijking van de voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren tussen bepaalde landen en gebieden

In afwijking van de artikelen 10 en 14 mag het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren tussen de volgende landen en gebieden blijven doorgaan onder de voorwaarden van de nationale voorschriften van deze landen en gebieden:

a)

San Marino en Italië;

b)

Vaticaanstad en Italië;

c)

Monaco en Frankrijk;

d)

Andorra en Frankrijk;

e)

Andorra en Spanje;

f)

Noorwegen en Zweden;

g)

De Faeröer en Denemarken;

h)

Groenland en Denemarken.

HOOFDSTUK IV

HET MERKEN EN PREVENTIEVE GEZONDHEIDSMAATREGELEN

AFDELING 1

Het merken

Artikel 17

Het merken van gezelschapsdieren

1.   Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten worden gemerkt door het inplanten van een transponder of door een duidelijk leesbare tatoeage die vóór 3 juli 2011 is aangebracht.

Wanneer de in de eerste alinea bedoelde transponder niet voldoet aan de technische voorschriften van bijlage II, verstrekt de eigenaar of de gemachtigde persoon de nodige middelen om die transponder af te lezen bij de controle van de markering, als vastgesteld in artikel 22, leden 1 en 2, en artikel 26, en de identiteitscontroles als vastgestelde in artikel 33 en artikel 34, lid 1.

2.   Gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten worden gemerkt of beschreven, waarbij zodanig met de specifieke kenmerken van elke soort rekening wordt gehouden dat een verband wordt gelegd tussen het gezelschapsdier en zijn identificatiedocument.

Met het oog op de diversiteit van de in deel B van bijlage I vermelde soorten is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 39 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende soortspecifieke voorschriften voor het merken of beschrijven van gezelschapsdieren van die soorten, met inachtneming van alle toepasselijke nationale voorschriften.

Artikel 18

Vereiste kwalificaties voor het inplanten van transponders in gezelschapsdieren

Indien een lidstaat voornemens is een andere persoon dan een dierenarts toe te staan transponders in te planten, stelt die lidstaat voorschriften vast betreffende de minimumkwalificaties die deze persoon dienen te hebben.

AFDELING 2

Preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës

Artikel 19

Preventieve gezondheidsmaatregelen en toepassingsvoorwaarden daarvan

1.   Wanneer preventieve gezondheidsmaatregelen nodig zijn voor de bescherming van de volksgezondheid of de gezondheid van gezelschapsdieren en voor de bestrijding van andere ziekten of infecties dan rabiës die zich waarschijnlijk zullen verspreiden als gevolg van het verkeer van die gezelschapsdieren, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 39 gedelegeerde handelingen betreffende soortspecifieke preventieve gezondheidsmaatregelen voor dergelijke ziekten of infecties vast te stellen.

Indien dit in geval van risico’s voor de volks- en diergezondheid om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 40 neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.

2.   De soortspecifieke preventieve gezondheidsmaatregelen die worden toegestaan door een overeenkomstig lid 1 vastgestelde gedelegeerde handeling, worden gebaseerd op adequate, betrouwbare en gevalideerde wetenschappelijke informatie en toegepast op een wijze die in verhouding staat tot het risico voor de volks- en de diergezondheid dat het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren die gevoelig zijn voor andere ziekten of infecties dan rabiës met zich mee brengt.

3.   De in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen kunnen ook het volgende omvatten:

a)

voorschriften voor de indeling van de lidstaten of delen daarvan, al naar gelang hun diergezondheidsstatus en hun surveillance- en rapportagesystemen in verband met bepaalde andere ziekten of infecties dan rabiës;

b)

de voorwaarden waaraan de lidstaten moeten voldoen om in aanmerking te blijven komen voor de toepassing van de in lid 2 bedoelde preventieve gezondheidsmaatregelen;

c)

de voorwaarden voor het toepassen en documenteren van de in lid 2 bedoelde preventieve gezondheidsmaatregelen vóór het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren;

d)

de voorwaarden voor de toekenning van afwijkingen, in bepaalde nader omschreven omstandigheden, van de toepassing van de in lid 2 bedoelde preventieve gezondheidsmaatregelen.

Artikel 20

Lijst van lidstaten of delen daarvan als bedoeld in artikel 19, lid 3, onder a)

De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling lijsten van lidstaten of delen van het grondgebied van lidstaten vaststellen, die voldoen aan de voorschriften voor de indeling van lidstaten of delen daarvan, als bedoeld in artikel 19, lid 3, onder a). Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

HOOFDSTUK V

IDENTIFICATIEDOCUMENTEN

AFDELING 1

Identificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer naar een lidstaat uit een andere lidstaat van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

Artikel 21

Formaat en inhoud van het identificatiedocument bedoeld in artikel 6, onder d)

1.   Het in artikel 6, onder d), bedoelde identificatiedocument heeft het formaat van een paspoort overeenkomstig het uit hoofde van lid 2 van dit artikel vast te stellen model en bevat rubrieken voor het vermelden van de volgende informatie:

a)

plaats van de transponder of de tatoeage en, hetzij de datum waarop de transponder is ingebracht, hetzij de datum waarop de transponder is uitgelezen of de tatoeage is gecontroleerd, alsmede de alfanumerieke code die op de transponder of de tatoeage is vermeld;

b)

naam, soort, ras, geslacht, kleur, door de eigenaar opgegeven geboortedatum, en eventuele opvallende of zichtbare kenmerken of eigenschappen van het gezelschapsdier;

c)

naam en contactgegevens van de eigenaar;

d)

naam, contactgegevens en handtekening van de gemachtigde dierenarts die het identificatiedocument afgeeft of invult;

e)

de handtekening van de eigenaar;

f)

bijzonderheden over de vaccinatie tegen rabiës;

g)

datum van de bloedbemonstering voor de titreringstest op rabiësantilichamen;

h)

naleving van de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës;

i)

andere relevante informatie betreffende de gezondheidsstatus van het gezelschapsdier.

2.   De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het in lid 1 van dit artikel bedoelde model alsmede van de voorschriften betreffende de talen, de opmaak en de beveiligingskenmerken van het in dat lid bedoelde paspoort, en de nodige regels betreffende de overgang naar het genoemde paspoortmodel. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   Het in lid 1 bedoelde paspoort is voorzien van een nummer, bestaande uit de ISO-code van de lidstaat van afgifte, gevolgd door een unieke alfanumerieke code.

Artikel 22

Afgifte en invulling van het identificatiedocument bedoeld in artikel 6, onder d)

1.   Het in artikel 6, onder d), bedoelde identificatiedocument wordt door een daartoe gemachtigde dierenarts afgegeven, nadat:

a)

hij zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier overeenkomstig artikel 17, lid 1, is gemerkt;

b)

hij de in artikel 21, lid 1, onder a) tot en met d) genoemde informatie naar behoren in de betrokken rubrieken van het identificatiedocument heeft vermeld, en

c)

de eigenaar het identificatiedocument heeft ondertekend.

2.   Nadat hij zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier gemerkt is in overeenstemming met artikel 17, lid 1, vermeldt een gemachtigde dierenarts in de betrokken rubrieken van het identificatiedocument de in artikel 21, lid 1, onder d), f), g) en h) bedoelde informatie, en certificeert daarmee dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, onder b) en c), en, indien van toepassing, die van artikel 27, onder b), punt ii).

Niettegenstaande de eerste alinea kan de rubriek betreffende de in artikel 21, lid 1, onder h), bedoelde informatie worden ingevuld door een andere dan de gemachtigde dierenarts, indien zulks op grond van de uit hoofde van artikel 19, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling is toegestaan.

3.   De gemachtigde dierenarts die het identificatiedocument afgeeft, registreert de in artikel 21, lid 1, onder a) tot en met c), en artikel 21, lid 3, bedoelde informatie en bewaart die informatie gedurende een door de bevoegde autoriteit te bepalen periode van ten minste drie jaar.

4.   Indien nodig kan de naleving van de in lid 2 van dit artikel bedoelde voorwaarden worden gedocumenteerd in meer dan een identificatiedocument van het in artikel 21, lid 1, vastgestelde formaat.

Artikel 23

Verspreiding van blanco identificatiedocumenten

1.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat blanco identiteitsdocumenten alleen ter beschikking worden gesteld aan gemachtigde dierenartsen en dat hun namen en contactgegevens worden geregistreerd met vermelding van het in artikel 21, lid 3, bedoelde nummer.

2.   De in lid 1 bedoelde registers worden gedurende een door de bevoegde autoriteit te bepalen periode van ten minste drie jaar bewaard.

Artikel 24

Afwijking van het in artikel 21, lid 1, bepaalde formaat van het identificatiedocument

1.   In afwijking van artikel 21, lid 1, staan de lidstaten het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten naar een lidstaat uit een andere lidstaat toe, mits die vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 26 afgegeven identificatiedocument:

2.   Zo nodig wordt de naleving van de in artikel 6, onder c), bedoelde voorwaarden in het in lid 1 bedoelde identificatiedocument na voltooiing van de in artikel 34, lid 1, vastgestelde controles gedocumenteerd.

AFDELING 2

Identificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer naar een lidstaat uit een gebied of derde land van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten

Artikel 25

Formaat en inhoud van het identificatiedocument bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e)

1.   Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument heeft het formaat van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig het uit hoofde van lid 2 van dit artikel vast te stellen model en bevat rubrieken voor het vermelden van de volgende informatie:

a)

plaats van de transponder of de tatoeage en, hetzij de datum waarop de transponder is ingebracht, hetzij de datum waarop de transponder is uitgelezen of de tatoeage is gecontroleerd, alsmede de alfanumerieke code die op de transponder of de tatoeage is vermeld;

b)

soort, ras, door de eigenaar opgegeven geboortedatum, geslacht en kleur van het gezelschapsdier;

c)

een uniek referentienummer van het certificaat;

d)

naam en contactgegevens van de eigenaar of de gemachtigde persoon;

e)

naam, contactgegevens en handtekening van de officiële of gemachtigde dierenarts die het identificatiedocument afgeeft;

f)

bijzonderheden over de vaccinatie tegen rabiës;

g)

datum van de bloedbemonstering voor de titreringstest op rabiësantilichamen;

h)

naleving van de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës;

i)

naam en handtekening van de vertegenwoordiger van de goedkeurende bevoegde autoriteit;

j)

naam, handtekening en contactgegevens van de vertegenwoordiger van bevoegde autoriteit die de controles bedoeld in artikel 34 uitvoert en de datum van die controles;

k)

andere relevante informatie betreffende de gezondheidsstatus van het gezelschapsdier.

2.   De Commissie stelt de uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het in lid 1 van dit artikel bedoelde model alsmede van de voorschriften betreffende de talen, de opmaak en de geldigheid van het in dat lid bedoelde diergezondheidscertificaat. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument bevat een schriftelijke verklaring, ondertekend door de eigenaar of de gemachtigde persoon, waarin wordt bevestigd dat de verplaatsing van het gezelschapsdier naar de Unie niet-commercieel verkeer betreft.

Artikel 26

Afgifte en invulling van het identificatiedocument bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e)

Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument wordt afgegeven door een officiële dierenarts van het gebied of derde land van verzending op grond van bewijsstukken, of door een gemachtigde dierenarts, waarna het door de bevoegde autoriteit van het gebied of derde land van verzending wordt bekrachtigd, nadat de afgevende dierenarts:

a)

zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier overeenkomstig artikel 17, lid 1, is gemerkt, en

b)

naar behoren de betrokken rubrieken met de in artikel 25, lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde informatie in het identificatiedocument heeft ingevuld, waarmee wordt gecertificeerd dat aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, onder a) en, indien van toepassing, onder b), c) en d), is voldaan.

Artikel 27

Afwijking van het in artikel 25, lid 1, bepaalde formaat van het identificatiedocument

In afwijking van artikel 25, lid 1, staan de lidstaten het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten toe, mits die vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 22 afgegeven identificatiedocument, en mits:

a)

het identificatiedocument is afgegeven in een van de gebieden of derde landen die vermeld worden in de op grond van artikel 13, lid 1, vastgestelde lijst, of

b)

deze gezelschapsdieren na verplaatsing naar of doorvoer door een gebied of derde land uit een lidstaat, in een lidstaat worden binnengebracht en het identificatiedocument is ingevuld en afgegeven door een gemachtigde dierenarts die certificeert dat de gezelschapsdieren, voordat zij de Unie verlaten:

i)

de in artikel 10, lid 1, onder b), bedoelde vaccinatie tegen rabiës hebben ontvangen, en

ii)

de in artikel 10, lid 1, onder c), bedoelde titreringstest op rabiësantilichamen hebben ondergaan, behalve bij de in artikel 12 vastgestelde afwijking.

AFDELING 3

Identificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer naar een lidstaat uit een andere lidstaat van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

Artikel 28

Formaat en inhoud van het identificatiedocument bedoeld in artikel 9, lid 2, onder c)

1.   De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling een model voor het in artikel 9, lid 2, onder c), bedoelde identificatiedocument vaststellen, dat rubrieken bevat voor de invulling van de volgende informatie:

a)

de kenmerken van het merk of de beschrijving van het gezelschapsdier, als vastgesteld in artikel 17, lid 2;

b)

soort en, indien relevant, ras, door de eigenaar opgegeven geboortedatum, geslacht en kleur van het gezelschapsdier;

c)

naam en contactgegevens van de eigenaar;

d)

naam, contactgegevens en handtekening van de gemachtigde dierenarts die het identificatiedocument afgeeft of invult;

e)

handtekening van de eigenaar;

f)

nadere informatie over de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës, en

g)

andere relevante informatie betreffende de gezondheidsstatus van het gezelschapsdier.

2.   In de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling worden ook voorschriften vastgesteld betreffende de talen, de opmaak, de geldigheid of de beveiligingskenmerken van het in dat lid bedoelde identificatiedocument. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 29

Afgifte en invulling van het identificatiedocument bedoeld in artikel 9, lid 2, onder c)

1.   Het in artikel 9, lid 2, onder c), bedoelde identificatiedocument wordt door een gemachtigde dierenarts afgegeven nadat:

a)

hij zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier overeenkomstig artikel 17, lid 2, gemerkt of beschreven is;

b)

hij de in artikel 28, lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde informatie naar behoren in de betrokken rubrieken van het identificatiedocument heeft ingevuld, en

c)

de eigenaar het identificatiedocument heeft ondertekend.

2.   Nadat hij zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier gemerkt of beschreven is in overeenstemming met artikel 17, lid 2, vermeldt een gemachtigde dierenarts in de betrokken rubrieken van het identificatiedocument bedoeld in artikel 9, lid 2, onder c), de in artikel 28, lid 1, onder d) en f), bedoelde informatie, en certificeert daarmee dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, lid 2, onder b), indien van toepassing.

AFDELING 4

Identificatiedocumenten voor het niet-commerciële verkeer naar een lidstaat uit een gebied of derde land van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten

Artikel 30

Formaat en inhoud van het identificatiedocument bedoeld in artikel 14, lid 2, onder c)

1.   De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling een model voor het in artikel 14, lid 2, onder c), bedoelde identificatiedocument vaststellen, dat rubrieken bevat voor de invulling van de volgende informatie:

a)

de kenmerken van het merk of de beschrijving van het gezelschapsdier, als vastgesteld in artikel 17, lid 2;

b)

soort en, indien relevant, ras, door de eigenaar opgegeven geboortedatum, geslacht en kleur van het gezelschapsdier;

c)

naam en contactgegevens van de eigenaar of de gemachtigde persoon;

d)

naam, contactgegevens en handtekening van de afgevende officiële of gemachtigde dierenarts;

e)

een uniek referentienummer van het certificaat;

f)

nadere informatie over de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës;

g)

naam en handtekening van de vertegenwoordiger van de goedkeurende bevoegde autoriteit;

h)

naam, handtekening en contactgegevens van de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit die de controles bedoeld in artikel 34 uitvoert en de datum van die controles;

i)

andere relevante informatie betreffende de gezondheidsstatus van het gezelschapsdier.

2.   In de in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling worden ook voorschriften vastgesteld betreffende de talen, de opmaak en de geldigheid van het in dat lid bedoelde identificatiedocument. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   Het in artikel 14, lid 2, onder c), bedoelde identificatiedocument bevat een schriftelijke verklaring, ondertekend door de eigenaar of de gemachtigde persoon, waarin wordt bevestigd dat de verplaatsing van het gezelschapsdier naar de Unie niet-commercieel verkeer betreft.

Artikel 31

Afgifte en invulling van het identificatiedocument bedoeld in artikel 14, lid 2, onder c)

Het in artikel 14, lid 2, onder c), bedoelde identificatiedocument wordt afgegeven door een officiële dierenarts van het gebied of derde land van verzending op grond van bewijsstukken, of door een gemachtigde dierenarts, waarna het door de bevoegde autoriteit van het gebied of derde land van verzending wordt bekrachtigd, nadat de afgevende dierenarts:

a)

zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier overeenkomstig artikel 17, lid 2, gemerkt of beschreven is, en

b)

naar behoren de betrokken rubrieken van het identificatiedocument met de in artikel 30, lid 1, onder a) tot en met f), bedoelde informatie heeft ingevuld, waarmee wordt gecertificeerd dat, indien van toepassing, aan de voorwaarden van artikel 14, lid 2, onder a) en b), is voldaan.

HOOFDSTUK VI

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

AFDELING 1

Afwijking voor het directe niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar lidstaten

Artikel 32

Afwijking van de voorwaarden van de artikelen 6, 9, 10 en 14

1.   In afwijking van de in de artikelen 6, 9, 10 en 14 vastgestelde voorwaarden kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied toestaan van gezelschapsdieren die niet voldoen aan de in die artikelen vastgestelde voorwaarden, mits:

a)

de eigenaar vooraf een vergunningsaanvraag heeft gedaan en de lidstaat van bestemming een dergelijke vergunning heeft verleend;

b)

de gezelschapsdieren gedurende de tijd die nodig is om aan die voorwaarden te voldoen (maximaal zes maanden) onder officieel toezicht afgezonderd zijn geweest:

i)

op een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde plaats, en

ii)

overeenkomstig de in de vergunning bepaalde regelingen.

2.   De in lid 1, onder a), bedoelde vergunning kan een machtiging tot doorvoer door een andere lidstaat omvatten, mits de lidstaat van doorvoer de lidstaat van bestemming daartoe vooraf toestemming heeft verleend.

AFDELING 2

Algemene voorwaarden betreffende de naleving van de voorschriften

Artikel 33

Uit te voeren documenten- en identiteitscontroles met betrekking tot het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat uit een andere lidstaat of een in de overeenkomstig artikel 13, lid 1, en artikel 15 vastgestelde lijst opgenomen gebied of derde land

1.   Onverminderd artikel 16 voeren de lidstaten teneinde na te gaan of aan hoofdstuk II wordt voldaan op niet-discriminerende wijze documenten- en identiteitscontroles uit op gezelschapsdieren die deelnemen aan het niet-commerciële verkeer naar hun grondgebied uit een andere lidstaat of gebied of een derde land dat is opgenomen in de op grond van artikel 13, lid 1 en, indien van toepassing, artikel 15 vastgestelde lijst.

2.   Tijdens niet-commercieel verkeer naar een lidstaat uit een andere lidstaat of een in de op grond van artikel 13, lid 1, en, indien van toepassing, artikel 15, vastgestelde lijst opgenomen gebied of derde land, dient de eigenaar of de gemachtigde persoon op verzoek van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de in lid 1 vastgestelde controles:

a)

het krachtens deze verordening vereiste identificatiedocument van het gezelschapsdier over te leggen dat aantoont dat wordt voldaan aan de voorschriften voor dit verkeer, en

b)

stelt het gezelschapsdier voor die controles ter beschikking.

Artikel 34

Uit te voeren documenten- en identiteitscontroles met betrekking tot het niet-commerciële verkeer uit een ander gebied of derde land dan die welke zijn opgenomen in de op grond van artikel 13, lid 1 of artikel 15 vastgestelde lijst

1.   Teneinde te controleren of aan hoofdstuk III wordt voldaan wordt het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar een lidstaat uit een ander gebied of derde land dan die welke zijn opgenomen in de op grond van artikel 13, lid 1, en, indien van toepassing, artikel 15 vastgestelde lijst, op het punt van binnenkomst voor reizigers onderworpen aan documenten- en identiteitscontroles door de bevoegde autoriteit van een lidstaat.

2.   De eigenaar of de gemachtigde persoon neemt bij binnenkomst in een lidstaat uit een ander gebied of derde land dan die welke zijn opgenomen in de op grond van artikel 13, lid 1 en, indien van toepassing, artikel 15 vastgestelde lijst, contact op met de bevoegde autoriteit die op het punt van binnenkomst aanwezig is met het oog op de in lid 1 genoemde controles, en:

a)

legt het krachtens deze verordening vereiste identificatiedocument van het gezelschapsdier over dat aantoont dat wordt voldaan aan de voorschriften voor dit verkeer, en

b)

stelt het gezelschapsdier voor die controles ter beschikking.

3.   De lidstaten stellen een lijst met de punten van binnenkomst voor reizigers vast en werken deze lijst bij.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit die zij hebben aangewezen om de in lid 1 vastgestelde controles uit te voeren:

a)

volledig in kennis wordt gesteld van de in hoofdstuk III vastgestelde voorschriften en dat de functionarissen van de bevoegde autoriteit over de nodige opleiding beschikken om deze uit te voeren;

b)

gegevens bijhoudt over het totale aantal controles dat is uitgevoerd en over het aantal gevallen waarin tijdens deze controles niet-naleving is gebleken, en

c)

de uitgevoerde controles in de betrokken rubriek van het identificatiedocument documenteert indien zulke documentering noodzakelijk is voor het niet-commerciële verkeer naar een andere lidstaten als bepaald in artikel 24, lid 1.

Artikel 35

Maatregelen wanneer tijdens de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat niet aan de voorschriften wordt voldaan

1.   Wanneer uit de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat een gezelschapsdier niet voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk II of III, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts en, indien nodig, met de eigenaar of de gemachtigde persoon om:

a)

het gezelschapsdier terug te sturen naar zijn land of gebied van verzending;

b)

het gezelschapsdier onder officieel toezicht af te zonderen gedurende de tijd die nodig is om te voldoen aan de in hoofdstuk II of III vastgestelde voorwaarden, of

c)

in laatste instantie, wanneer terugzending of afzondering niet uitvoerbaar is, het dier af te maken overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften inzake de bescherming van gezelschapsdieren bij het doden.

2.   Wanneer het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar de Unie door de bevoegde autoriteit wordt geweigerd, worden de gezelschapsdieren onder officiële controle afgezonderd in afwachting van:

a)

hun terugkeer naar hun land of gebied van verzending, of

b)

de vaststelling van een ander administratief besluit betreffende die gezelschapsdieren.

3.   De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden toegepast op kosten van de eigenaar, zonder mogelijke financiële compensatie voor de eigenaar of de gemachtigde persoon.

Artikel 36

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Wanneer rabiës of een andere ziekte of infectie dan rabiës uitbreekt of zich verspreidt in een lidstaat, een gebied of derde land en een ernstige bedreiging voor de volks- en diergezondheid vormt, kan de Commissie, handelend op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, door middel van een uitvoeringshandeling, onverwijld en afhankelijk van de ernst van de situatie een van de volgende maatregelen nemen:

a)

het schorsen van het niet-commerciële verkeer of de doorvoer van gezelschapsdieren vanuit het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat, het betrokken gebied of derde land dan wel uit een deel daarvan;

b)

het vaststellen van bijzondere voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren vanuit het gehele grondgebied van de betrokken lidstaat, het betrokken gebied of derde land dan wel uit een deel daarvan.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Om naar behoren gerechtvaardigde, dwingende redenen van urgentie om een ernstig risico voor de volks- en de diergezondheid in te perken of aan te pakken, stelt de Commissie volgens de in artikel 41, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

Artikel 37

Voorlichtingsverplichtingen

1.   De lidstaten stellen het publiek duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie ter beschikking over de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en de voorschriften voor de nalevingscontroles die in deze verordening voor dat verkeer zijn vastgesteld.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat in het bijzonder het volgende:

a)

de vereiste kwalificaties voor de personen die de transponder inplanten bepaald in artikel 18;

b)

de toestemming tot afwijking van de voorwaarde betreffende de vaccinatie tegen rabiës van jonge gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten, als bepaald in de artikelen 7 en 11;

c)

de voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer naar het grondgebied van de lidstaten van gezelschapsdieren:

i)

die niet voldoen aan de artikelen 6, 9, 10 of 14;

ii)

die afkomstig zijn uit bepaalde landen en gebieden onder door hun nationale voorschriften vastgestelde voorwaarden, als bepaald in artikel 16;

d)

de lijst met de punten van binnenkomst voor reizigers, als opgesteld op grond van artikel 34, lid 3, inclusief de voor de uitvoering van de controles aangewezen bevoegde autoriteit, bepaald in artikel 34, lid 4;

e)

de door hun nationale voorschriften vastgestelde voorwaarden die gelden voor het niet-commerciële verkeer naar het grondgebied van de lidstaten van gezelschapsdieren van de in deel B van bijlage I vermelde soorten, als bepaald in artikel 9, lid 3 en artikel 14, lid 3;

f)

informatie over antirabiësvaccins waarvoor de bevoegde autoriteit van de lidstaten een vergunning voor het in de handel brengen heeft verleend, overeenkomstig punt 1, onder b), van bijlage III, en met name over het betrokken vaccinatieprotocol.

3.   De lidstaten stellen internetpagina’s ter beschikking met de in lid 1 bedoelde informatie en delen de Commissie het internetadres daarvan mee.

4.   De Commissie ondersteunt de lidstaten bij het ter beschikking stellen van deze informatie voor het publiek, door op haar internetpagina het volgende te vermelden:

a)

de links naar de internetpagina’s van de lidstaten, en

b)

de in lid 2, onder b), d) en e), van dit artikel bedoelde informatie, alsook de aan het publiek beschikbaar gestelde informatie zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onder b), naar gelang van het geval in bijkomende talen.

AFDELING 3

Procedurebepalingen

Artikel 38

Wijzigingen in de bijlagen

Om rekening te houden met de technische vooruitgang, de wetenschappelijke ontwikkelingen en de bescherming van de volksgezondheid of de gezondheid van gezelschapsdieren is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 39 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de bijlagen II tot en met IV te wijzigen.

Artikel 39

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 5, lid 5, artikel 17, lid 2, tweede alinea, artikel 19, lid 1, eerste alinea, en artikel 38, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf 28 juni 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van 5 jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 5, lid 5, artikel 17, lid 2, tweede alinea, artikel 19, lid 1, eerste alinea, en artikel 38, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5.   Een overeenkomstig een artikel 5, lid 5, artikel 17, lid 2, tweede alinea, artikel 19, lid 1, eerste alinea, of artikel 38 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 40

Spoedprocedure

1.   Overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen treden onverwijld in werking en zijn van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 39, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 41

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid dat is ingesteld bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (19). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure moet worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd als, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5, van toepassing.

Artikel 42

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De voorziene sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze bepalingen en van alle wijzigingen daarvan.

HOOFDSTUK VII

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 43

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 998/2003 wordt ingetrokken, met uitzondering van afdeling 2 van deel B en deel C van bijlage II, die van kracht blijven tot de inwerkingtreding van de op grond van, respectievelijk, artikel 13, lid 1, en artikel 13, lid 2, van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen.

Verwijzingen in deze verordening naar de lijst in de op grond van artikel 13, lid 1 of 2, vastgestelde uitvoeringshandelingen gelden tot de inwerkingtreding van die uitvoeringshandelingen als verwijzingen naar de in, respectievelijk, afdeling 2 van deel B en in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 vastgestelde lijst van derde landen en gebieden.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

3.   De intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 laat onverlet dat Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2011 van de Commissie van 14 juli 2011 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden (20), die uit hoofde van artikel 5, lid 1, tweede alinea, van eerstgenoemde verordening is aangenomen, van kracht blijft.

Artikel 44

Overgangsmaatregelen betreffende identificatiedocumenten

1.   In afwijking van artikel 21, lid 1, wordt het in artikel 6, onder d), bedoelde identificatiedocument geacht aan deze verordening te voldoen, wanneer het was:

a)

opgesteld overeenkomstig het bij Beschikking 2003/803/EG vastgestelde modelpaspoort, en

b)

afgegeven voor 29 december 2014.

2.   In afwijking van artikel 25, lid 1, en artikel 27, onder a), wordt het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument geacht aan deze verordening te voldoen, wanneer het was:

a)

opgesteld overeenkomstig het in bijlage II bij Besluit 2011/874/EU vastgestelde modelcertificaat, of indien van toepassing, het bij Beschikking 2003/803/EG vastgestelde modelpaspoort, en

b)

afgegeven voor 29 december 2014.

Artikel 45

Inwerkingtreding en toepasselijkheid

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 29 december 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 12 juni 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 119.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 23 mei 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 juni 2013.

(3)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.

(4)  PB L 132 van 29.5.2010, blz. 3.

(5)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.

(6)  PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.

(7)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74.

(8)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(9)  PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1.

(10)  Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29).

(11)  Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56).

(12)  Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).

(14)  PB L 79 van 30.3.2000, blz. 40.

(15)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(16)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(17)  PB L 312 van 27.11.2003, blz. 1.

(18)  PB L 343 van 23.12.2011, blz. 65.

(19)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(20)  PB L 296 van 15.11.2011, blz. 6.


BIJLAGE I

Soorten gezelschapsdieren

DEEL A

Honden (Canis lupus familiaris)

Katten (Felis silvestris catus)

Fretten (Mustela putorius furo)

DEEL B

Ongewervelde dieren (met uitzondering van bijen en hommels die onder de werkingssfeer van artikel 8 van Richtlijn 92/65/EEG vallen en week- en schaaldieren als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder e), punt ii), respectievelijk onder e), punt iii), van Richtlijn 2006/88/EG).

Waterdieren voor sierdoeleinden als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder k), van Richtlijn 2006/88/EG en die door artikel 2, lid 1, onder a) van die richtlijn van de werkingssfeer van die richtlijn zijn uitgesloten.

Amfibieën

Reptielen

Vogels: andere vogelsoorten dan die bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2009/158/EG.

Zoogdieren: andere dan voor de voedselproductie bedoelde knaagdieren en konijnen, die als „lagomorfen” zijn gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004.


BIJLAGE II

Technische voorschriften voor transponders

Transponders dienen:

a)

te voldoen aan ISO-norm 11784 en gebruik te maken van HDX- of FDX-B-technologie, en

b)

te kunnen worden uitgelezen door een uitleesapparaat dat voldoet aan ISO-norm 11785.


BIJLAGE III

Geldigheidsvoorschriften voor vaccinaties tegen rabiës

1.

Het vaccin tegen rabiës moet:

a)

een ander dan een levend gemodificeerd vaccin zijn en onder een van de volgende categorieën vallen:

i)

een geïnactiveerd vaccin met ten minste één antigeneenheid per dosis (aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie), of

ii)

een recombinant vaccin dat de immuniserende glycoproteïne van het rabiësvirus in een levende virusvector tot expressie brengt;

b)

wanneer het wordt toegediend in een lidstaat, een vergunning voor het in de handel brengen hebben verkregen overeenkomstig:

i)

artikel 5 van Richtlijn 2001/82/EG, of

ii)

artikel 3 van Verordening (EG) nr. 726/2004;

c)

wanneer het wordt toegediend in een gebied of derde land, een goedkeuring of een licentie van de bevoegde autoriteit hebben ontvangen en ten minste voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld in het relevante deel van het hoofdstuk betreffende rabiës in het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid.

2.

Een vaccinatie tegen rabiës moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

het vaccin is toegediend door een gemachtigde dierenarts;

b)

het gezelschapsdier is op de datum van toediening van het vaccin minstens twaalf weken oud;

c)

de vaccinatiedatum is door een gemachtigde of officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument;

d)

de onder c) bedoelde vaccinatiedatum mag niet voorafgaan aan de datum waarop de transponder is ingeplant of de tatoeage is aangebracht, dan wel aan de datum waarop de transponder of de tatoeage gelezen zijn, als vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument;

e)

de geldigheidsduur van de vaccinatie gaat in vanaf de vaststelling van de beschermende immuniteit, die niet minder dan 21 dagen na de voltooiing van het door de producent voor de primaire vaccinatie vereiste vaccinatieprotocol plaatsvindt, en loopt door tot het einde van de periode van beschermende immuniteit, als voorgeschreven in de technische specificatie van de in punt 1, onder b), bedoelde vergunning of de in punt 1, onder c), bedoelde goedkeuring of licentie voor het vaccin tegen rabiës in de lidstaat of het gebied of derde land waar het vaccin wordt toegediend;

De geldigheidsduur van de vaccinatie is door een gemachtigde of een officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument.

f)

een herhalingsvaccinatie moet als een primaire vaccinatie worden beschouwd indien deze niet binnen de onder e) bedoelde geldigheidsduur van de eerdere vaccinatie is uitgevoerd.


BIJLAGE IV

Geldigheidsvoorschriften voor de titreringstest op rabiësantilichamen

1.

De verzameling van het bloedmonster voor de uitvoering van de titreringstest op rabiësantilichamen moet door een gemachtigde dierenarts worden uitgevoerd en in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument worden gedocumenteerd.

2.

De titreringstest op rabiësantilichamen moet:

a)

worden uitgevoerd op een monster dat ten minste 30 dagen na de vaccinatiedatum is verzameld, en

i)

niet minder dan drie maanden vóór de datum van:

het niet-commerciële verkeer uit een ander gebied of derde land dan die welke zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 13, lid 1 of lid 2, vastgestelde uitvoeringshandelingen, of

de doorvoer door een dergelijk gebied of derde land waar niet aan de voorwaarden van artikel 12, onder c), wordt voldaan, of

ii)

voordat het dier de Unie heeft verlaten om verplaatst te worden naar of doorgevoerd te worden door een ander gebied of derde land dan die welke op grond van artikel 13, lid 1 of lid 2, op de lijst zijn opgenomen; het identificatiedocument in het in artikel 21, lid 1, vastgestelde formaat moet bevestigen dat vóór de datum van de verplaatsing een titreringstest op rabiësantilichamen met gunstig resultaat is uitgevoerd;

b)

een niveau van neutraliserende antilichamen tegen het rabiësvirus in serum meten dat gelijk is aan of groter is dan 0,5 IU/ml, waarbij gebruik wordt gemaakt van een methode die wordt voorgeschreven in het desbetreffende deel van het hoofdstuk betreffende rabiës in het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid;

c)

worden uitgevoerd in een erkend laboratorium overeenkomstig artikel 3 van Beschikking 2000/258/EG;

d)

niet worden hernieuwd na een toereikend resultaat, als beschreven onder b), mits het gezelschapsdier opnieuw wordt gevaccineerd binnen de in punt 2, onder e), van bijlage III vermelde geldigheidsduur van de vorige vaccinatie.


BIJLAGE V

Concordantietabel bedoeld in artikel 43, lid 2

Verordening (EG) nr. 998/2003

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, eerste lid

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, tweede lid

Artikel 2, lid 2, onder a)

Artikel 2, derde lid

Artikel 2, lid 2, onder b)

Artikel 3, onder a)

Artikel 3, onder a) en b)

Artikel 3, onder b)

Artikel 3, onder f)

Artikel 3, onder c)

Artikel 2, lid 1

Artikel 4, lid 1, eerste alinea

 

 

Artikel 17, lid 1, eerste alinea

Artikel 4, lid 1, tweede alinea

Artikel 17, lid 1, tweede alinea

Artikel 4, lid 2

Artikel 4, lid 3

Artikel 4, lid 4

Artikel 5, lid 1, onder a)

Artikel 6, onder a)

Artikel 5, lid 1, onder b)

Artikel 6, onder d)

Artikel 5, lid 1, onder b) i)

Artikel 6, onder b)

Artikel 5, lid 1, onder b) ii)

Artikel 6, onder c)

Artikel 5, lid 1, tweede alinea

Artikel 19

Artikel 5, lid 2

Artikel 7

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 5, lid 5, Artikelen 9, 14 en 28

Artikel 8, lid 1

Artikelen 10 en 12

Artikel 8, lid 2

Artikel 10, lid 1, onder e), en Artikel 27

Artikel 8, lid 3, onder a)

Artikel 13, lid 1

Artikel 8, lid 3, onder b)

Artikel 16

Artikel 8, lid 3, onder c)

Artikel 11

Artikel 8, lid 4

Artikel 25, leden 1 en 2

Artikel 9

Artikel 14 en Artikel 30, leden 1 en 2

Artikel 10, eerste alinea

Artikel 13, lid 2

Artikel 10, tweede alinea

Artikel 13, lid 3

Artikel 11, eerste zin

Artikel 37, lid 1

Artikel 11, tweede zin

Artikel 34, lid 4, onder a)

Artikel 12, eerste alinea, inleidende zin en onder a)

Artikel 10, lid 2, en Artikel 34, lid 1

Artikel 12, eerste alinea, inleidende zin en onder b)

Artikel 5, lid 4

Artikel 12, tweede alinea

Artikel 34, lid 3, en Artikel 37, lid 2, onder d)

Artikel 13

Artikel 34, lid 3, en Artikel 37, lid 2, onder d)

Artikel 14, eerste lid

Artikel 34, lid 2, onder a)

Artikel 14, tweede lid

Artikel 17, lid 1, tweede alinea

Artikel 14, derde lid

Artikel 35, lid 1 en 3

Artikel 14, vierde lid

Artikel 35, lid 2

Artikel 15

Bijlage IV, punt 1 en punt 2, onder c)

Artikel 16

Artikel 17, eerste lid

Artikel 17, tweede lid

Artikel 21, lid 1

Artikel 18, eerste lid

Artikel 18, tweede lid

Artikel 36

Artikel 19

Artikel 13, lid 3, en Artikel 5, lid 5

Artikel 19 bis, leden 1 en 2

Artikel 38

Artikel 19 bis, lid 3

Artikel 19 ter, lid 1

Artikel 39, lid 2

Artikel 19 ter, lid 2

Artikel 39, lid 4

Artikel 19 ter, lid 3

Artikel 39, lid 1

Artikel 19 quater, leden 1 en 3

Artikel 39, lid 3

Artikel 19 quater, lid 2

Artikel 19 quinquies, leden 1 en 2

Artikel 39, lid 5

Artikel 19 quinquies, lid 3

Artikelen 20 tot en met 23

Artikel 24, leden 1, 2 en 3

Artikel 41, leden 1, 2 en 3

Artikel 24, leden 4 en 5

Artikel 25

Artikel 45

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage I bis

Bijlage II

Bijlage I ter

Bijlage III

Bijlage II, deel A en deel B, afdeling 1

Bijlage II, deel B, afdeling 2

Artikel 13, lid 1

Bijlage II, deel C

Artikel 13, lid 2


VERKLARING VAN DE COMMISSIE

In het kader van de Strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren (1) zal de Commissie een studie verrichten betreffende het welzijn van honden en katten die betrokken zijn bij handelspraktijken.

Als die studie uitwijst dat de handelspraktijken gezondheidsrisico’s opleveren, zal de Commissie passende mogelijkheden overwegen om de gezondheid van mensen en dieren te beschermen, waaronder het doen van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad tot aanpassing van de huidige wetgeving van de Unie betreffende de handel in honden en katten, waarbij bijvoorbeeld compatibele, in alle lidstaten toegankelijke systemen voor de registratie van die dieren kunnen worden ingevoerd.

In het licht daarvan zal de Commissie nagaan of het haalbaar en passend is dergelijke registratiesystemen uit te breiden tot honden en katten die gemerkt en geïdentificeerd zijn overeenkomstig de wetgeving van de Unie betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren.


(1)  COM(2012) 6 final/2 — Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015.


RICHTLIJNEN

28.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/27


RICHTLIJN 2013/29/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 juni 2013

betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen (herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (3) is ingrijpend gewijzigd (4). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van die richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (5) stelt regels vast inzake de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties, verschaft een kader voor het markttoezicht op producten en voor de controle van producten uit derde landen, en voorziet in de algemene beginselen inzake CE-markering.

(3)

Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten (6) stelt gemeenschappelijke beginselen en referentiebepalingen vast die bedoeld zijn om in alle sectorale wetgeving te worden toegepast, zodat een coherente basis voor de herziening of herschikking van die wetgeving wordt gelegd. Richtlijn 2007/23/EG moet aan dat besluit worden aangepast.

(4)

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in de lidstaten gelden met betrekking tot het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen lopen uiteen, met name wat veiligheid en prestatiekenmerken betreft.

(5)

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten kunnen de handel in de Unie belemmeren en moeten worden geharmoniseerd om het vrije verkeer van pyrotechnische artikelen in de interne markt te garanderen en tegelijkertijd een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en de veiligheid en de bescherming van de consument en de professionele eindgebruiker te bieden. Tot een hoog niveau van bescherming moeten ook de relevante leeftijdsgrenzen behoren die moeten gelden voor gebruikers van pyrotechnische artikelen.

(6)

Richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (7) sluit pyrotechnische artikelen van haar toepassingsgebied uit.

(7)

Veiligheid tijdens de opslag wordt geregeld door Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (8), waarin veiligheidseisen zijn vastgesteld voor bedrijven waar explosieven met inbegrip van pyrotechnische stoffen aanwezig zijn.

(8)

Wat veilig vervoer betreft, vallen de voorschriften inzake het vervoer van pyrotechnische artikelen onder internationale conventies en akkoorden, inclusief de aanbevelingen van de Verenigde Naties inzake het vervoer van gevaarlijke goederen. Deze aspecten vallen derhalve niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn.

(9)

Deze richtlijn moet van toepassing zijn op alle leveringsvormen, inclusief verkoop op afstand.

(10)

Deze richtlijn is niet van toepassing op pyrotechnische artikelen waarop Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (9) en de daarin genoemde relevante internationale verdragen van toepassing zijn. Deze richtlijn is ook niet van toepassing op klappertjes die speciaal zijn ontworpen voor speelgoed en die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed vallen (10).

(11)

Vuurwerk dat door een fabrikant wordt vervaardigd voor eigen gebruik en door de lidstaat waarin de fabrikant is gevestigd uitsluitend voor gebruik op zijn grondgebied is goedgekeurd, en dat op het grondgebied van die lidstaat blijft, kan evenwel niet worden geacht op de markt te zijn aangeboden en hoeft daarom niet aan deze richtlijn te voldoen.

(12)

Wanneer de in deze richtlijn neergelegde eisen worden nageleefd, mogen de lidstaten het vrije verkeer van pyrotechnische artikelen niet verbieden, beperken of belemmeren. Deze richtlijn dient van toepassing te zijn onverminderd de nationale wetgeving inzake de afgifte van vergunningen door de lidstaten aan fabrikanten, distributeurs en importeurs.

(13)

Onder pyrotechnische artikelen moet verstaan worden vuurwerk, pyrotechnische artikelen voor het theater en andere pyrotechnische artikelen voor technische doeleinden, zoals gasontwikkelaars gebruikt in airbags of in gordelspanners.

(14)

Om voor voldoende hoge beschermingsniveaus te zorgen, moeten pyrotechnische artikelen in categorieën worden ondergebracht op grond van het gevaar ervan wat betreft toepassing, doel of geluidsniveau.

(15)

Gezien de inherente gevaren van het gebruik van pyrotechnische artikelen is het wenselijk leeftijdsgrenzen voor het aanbieden ervan aan personen vast te stellen en ervoor te zorgen dat het etiket voldoende en passende informatie over veilig gebruik bevat teneinde de gezondheid en de veiligheid van de mens en het milieu te beschermen. Sommige pyrotechnische artikelen mogen uitsluitend beschikbaar zijn voor personen die over de nodige kennis, vaardigheden en ervaring beschikken. Ten aanzien van pyrotechnische artikelen voor voertuigen moet in de etiketteringsvoorschriften rekening worden gehouden met de huidige praktijk alsmede met de omstandigheid dat deze artikelen uitsluitend aan professionele afnemers geleverd worden.

(16)

Wat het gebruik van pyrotechnische artikelen en met name van vuurwerk betreft, bestaan er in de verschillende lidstaten sterk uiteenlopende culturele gebruiken en tradities. Daarom moeten de lidstaten nationale maatregelen kunnen nemen om het gebruik of de verkoop van bepaalde categorieën pyrotechnische artikelen aan het publiek te beperken voor redenen zoals de openbare veiligheid of gezondheid en veiligheid.

(17)

Het is de verantwoordelijkheid van de marktdeelnemers dat pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met de eisen van deze richtlijn, gelet op de respectieve rol die zij vervullen in de toeleveringsketen, teneinde algemene belangen zoals gezondheid en veiligheid, en de consumenten in grote mate te beschermen en eerlijke mededinging op de markt van de Unie te waarborgen.

(18)

Alle marktdeelnemers die een rol vervullen in de toeleverings- en distributieketen moeten passende maatregelen nemen om te waarborgen dat zij uitsluitend pyrotechnische artikelen op de markt aanbieden die aan deze richtlijn voldoen. Er moet worden gezorgd voor een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van iedere marktdeelnemer in de toeleverings- en distributieketen.

(19)

Om de communicatie tussen marktdeelnemers, markttoezichtautoriteiten en consumenten te vergemakkelijken, moeten de lidstaten de marktdeelnemers ertoe aansporen om naast hun postadres ook een webadres te vermelden.

(20)

De fabrikant, die op de hoogte is van de details van het ontwerp- en productieproces, is het best geplaatst om de conformiteitsbeoordelingsprocedure uit te voeren. De verplichting voor de conformiteitsbeoordeling moet daarom uitsluitend op de fabrikant blijven rusten.

(21)

Er moet worden gewaarborgd dat pyrotechnische artikelen die vanuit derde landen in de Unie in de handel komen, aan de eisen van deze richtlijn voldoen, en met name dat de fabrikanten adequate conformiteitsbeoordelingsprocedures met betrekking tot deze pyrotechnische artikelen hebben uitgevoerd. Bijgevolg moet worden bepaald dat importeurs erop toezien dat de pyrotechnische artikelen die zij in de handel brengen aan de eisen van deze richtlijn voldoen en dat zij geen pyrotechnische artikelen in de handel brengen die niet aan deze eisen voldoen of een risico inhouden. Er moet eveneens worden bepaald dat importeurs erop toezien dat er conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben plaatsgevonden en dat markering van pyrotechnische artikelen en documenten die de fabrikanten opstellen ter beschikking staan van de bevoegde nationale autoriteiten.

(22)

De distributeur mag een pyrotechnisch artikel pas aanbieden op de markt nadat het door de fabrikant of de importeur in de handel is gebracht, en hij moet de nodige zorgvuldigheid betrachten om ervoor te zorgen dat de wijze waarop hij met het pyrotechnische artikel omgaat geen negatieve invloed heeft op de conformiteit van het artikel.

(23)

Wanneer een marktdeelnemer een pyrotechnisch artikel onder zijn eigen naam of merknaam in de handel brengt of een pyrotechnisch artikel zodanig wijzigt dat de conformiteit met de eisen van deze richtlijn in het gedrang kan komen, moet hij als fabrikant worden beschouwd en de verplichtingen van de fabrikant opnemen.

(24)

Omdat distributeurs en importeurs dicht bij de markt staan, moeten zij worden betrokken bij de markttoezichttaken van de bevoegde nationale autoriteiten, en moeten zij bereid zijn actief medewerking te verlenen door die autoriteiten alle nodige informatie over het pyrotechnische artikel te verstrekken.

(25)

Van de marktdeelnemers mag niet gevraagd worden dat zij, wanneer zij de bij deze richtlijn voorgeschreven gegevens voor de identificatie van andere marktdeelnemers bewaren, die gegevens bijwerken voor wat betreft andere marktdeelnemers die een pyrotechnisch artikel aan hen hebben geleverd of aan wie zij een pyrotechnisch artikel hebben geleverd.

(26)

Het is wenselijk essentiële veiligheidseisen voor pyrotechnische artikelen vast te stellen ter bescherming van de consument en ter voorkoming van ongevallen.

(27)

Sommige pyrotechnische artikelen, met name pyrotechnische artikelen voor voertuigen zoals gasontwikkelaars voor airbags, bevatten kleine hoeveelheden commerciële springstoffen en militaire explosieven. Na de vaststelling van Richtlijn 2007/23/EG is duidelijk geworden dat het niet mogelijk is deze stoffen als additieven in zuiver ontvlambare mengsels, waar zij worden gebruikt om de energiebalans te versterken, te vervangen. De essentiële veiligheidseis waarin het gebruik van commerciële springstoffen en militaire explosieven wordt beperkt, moet derhalve worden gewijzigd.

(28)

Om de beoordeling van conformiteit met de essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn te vergemakkelijken moet worden voorzien in een vermoeden van conformiteit voor pyrotechnische artikelen die voldoen aan geharmoniseerde normen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie en tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) zijn vastgesteld om die eisen in gedetailleerde technische specificaties om te zetten.

(29)

Verordening (EU) nr. 1025/2012 voorziet in een procedure voor bezwaren tegen geharmoniseerde normen die niet volledig aan de eisen van deze richtlijn voldoen.

(30)

Er moet worden gezorgd voor conformiteitsbeoordelingsprocedures waarmee marktdeelnemers kunnen aantonen en de bevoegde instanties kunnen waarborgen dat op de markt aangeboden pyrotechnische artikelen aan de essentiële veiligheidseisen voldoen. Besluit nr. 768/2008/EG stelt modules voor conformiteitsbeoordelingsprocedures vast, uiteenlopend van de minst tot de meest stringente procedure, afhankelijk van de hoogte van het risico en het vereiste veiligheidsniveau. Om voor coherentie tussen de sectoren te zorgen en ad-hocvarianten te voorkomen, moeten conformiteitsbeoordelingsprocedures uit die modules worden gekozen.

(31)

Fabrikanten moeten een EU-conformiteitsverklaring opstellen waarin zij de bij deze richtlijn voorgeschreven informatie verstrekken over de conformiteit van een pyrotechnisch artikel met de eisen van deze richtlijn en die van overige relevante harmonisatiewetgeving van de Unie.

(32)

Om effectieve toegang tot informatie voor markttoezichtdoeleinden te waarborgen, moet de informatie die vereist is om alle toepasselijke handelingen van de Unie te identificeren in één EU-conformiteitsverklaring beschikbaar zijn. Om de administratieve lasten voor marktdeelnemers te verkleinen, mag die EU-conformiteitsverklaring bestaan uit een dossier van afzonderlijke relevante conformiteitsverklaringen.

(33)

De CE-markering, waarmee de conformiteit van een pyrotechnisch artikel wordt aangegeven, is de zichtbare uitkomst van het proces van conformiteitsbeoordeling in brede zin. In Verordening (EG) nr. 765/2008 zijn algemene beginselen voor het gebruik van de CE-markering vastgesteld. In deze richtlijn moeten voorschriften met betrekking tot het aanbrengen van de CE-markering worden vastgesteld.

(34)

Conformiteitsbeoordelingsinstanties, die door de lidstaten bij de Commissie worden aangemeld, moeten een rol spelen bij de in deze richtlijn beschreven conformiteitsbeoordelingsprocedures.

(35)

De ervaring heeft geleerd dat de in Richtlijn 2007/23/EG vastgestelde criteria waaraan conformiteitsbeoordelingsinstanties moeten voldoen om bij de Commissie aangemeld te kunnen worden, ontoereikend zijn om een uniform, hoog prestatieniveau van aangemelde instanties in de hele Unie te waarborgen. Het is echter essentieel dat alle aangemelde instanties hun functies op hetzelfde niveau en onder eerlijke concurrentievoorwaarden uitoefenen. Hiertoe moeten verplichte eisen worden vastgesteld voor conformiteitsbeoordelingsinstanties die aangemeld willen worden met het oog op het verlenen van conformiteitsbeoordelingsdiensten.

(36)

Om een samenhangend kwaliteitsniveau van de conformiteitsbeoordeling te kunnen waarborgen, moeten ook eisen worden vastgesteld voor de aanmeldende autoriteiten en andere instanties die bij de beoordeling en aanmelding van en bij het toezicht op aangemelde instanties betrokken zijn.

(37)

Het in deze richtlijn beschreven systeem moet worden aangevuld door het accreditatiesysteem van Verordening (EG) nr. 765/2008. Omdat accreditatie een essentieel middel is om te controleren of de conformiteitsbeoordelingsinstanties bekwaam zijn, moet accreditatie ook bij aanmelding worden gebruikt.

(38)

Accreditatie die zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 765/2008 op transparante wijze georganiseerd is en het nodige vertrouwen in conformiteitscertificaten waarborgt, moet door de nationale autoriteiten in de hele Unie beschouwd worden als het geschiktste middel waarmee de technische bekwaamheid van deze instanties aangetoond kan worden. De nationale autoriteiten kunnen evenwel van oordeel zijn dat zij over de passende middelen beschikken om deze beoordeling zelf te verrichten. In dit geval moeten zij, om te waarborgen dat de beoordeling door de andere nationale autoriteiten voldoende betrouwbaar is, aan de Commissie en de andere lidstaten het nodige bewijsmateriaal overleggen waaruit blijkt dat de beoordeelde conformiteitsbeoordelingsinstanties aan de relevante regelgevingseisen voldoen.

(39)

Conformiteitsbeoordelingsinstanties besteden veelal een deel van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit of maken gebruik van een ondergeschikte instantie. Om het beschermingsniveau te kunnen garanderen dat nodig is voor pyrotechnische artikelen die in de Unie in de handel worden gebracht, is het essentieel dat onderaannemers en dochterondernemingen bij de uitvoering van conformiteitsbeoordelingstaken aan dezelfde eisen voldoen als aangemelde instanties. Daarom is het belangrijk dat ook de activiteiten die door onderaannemers en dochterondernemingen worden verricht, worden betrokken in de beoordeling van de bekwaamheid en de prestaties van instanties die worden aangemeld en in het toezicht op reeds aangemelde instanties.

(40)

De aanmeldingsprocedure moet efficiënter en transparanter worden, en met name worden aangepast aan nieuwe technologie, zodat de aanmelding online kan worden verricht.

(41)

Omdat aangemelde instanties hun diensten in de hele Unie kunnen aanbieden, moeten de andere lidstaten en de Commissie in staat worden gesteld bezwaren in te brengen tegen een aangemelde instantie. Daarom is het belangrijk te voorzien in een termijn waarbinnen twijfels of bedenkingen omtrent de bekwaamheid van conformiteitsbeoordelingsinstanties kunnen worden weggenomen alvorens zij als aangemelde instantie gaan functioneren.

(42)

Uit concurrentieoogpunt is het cruciaal dat de aangemelde instanties bij de toepassing van de conformiteitsbeoordelingsprocedures geen onnodige lasten voor marktdeelnemers creëren. Bij de technische uitvoering van de conformiteitsbeoordelingsprocedures moet om dezelfde reden worden gezorgd voor consistentie, zodat de marktdeelnemers gelijk worden behandeld. Dit kan het best worden bereikt door passende coördinatie en samenwerking tussen de aangemelde instanties.

(43)

De lidstaten moeten alle passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat pyrotechnische artikelen alleen in de handel mogen worden gebracht indien ze, wanneer ze worden opgeslagen zoals het hoort en worden gebruikt waarvoor ze zijn bestemd of onder gebruiksomstandigheden die redelijkerwijs kunnen worden voorzien, de gezondheid en veiligheid van personen niet in gevaar brengen. Pyrotechnische artikelen moeten slechts als niet in overeenstemming met de in deze richtlijn neergelegde essentiële veiligheidseisen worden beschouwd als zij gebruikt worden in omstandigheden die redelijkerwijs te voorzien zijn, d.w.z. gebruik dat het gevolg zou kunnen zijn van rechtmatig en gemakkelijk voorspelbaar menselijk gedrag.

(44)

Om rechtszekerheid te waarborgen, moet duidelijk worden gemaakt dat de in Verordening (EG) nr. 765/2008 vastgestelde voorschriften inzake markttoezicht in de Unie en controle van producten die de markt van de Unie binnenkomen, op pyrotechnische artikelen van toepassing zijn. Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten te kiezen welke autoriteiten voor de uitvoering van die taken bevoegd zijn.

(45)

Groepen van pyrotechnische artikelen die qua ontwerp, functie of gedrag overeenkomen dienen door de aangemelde instanties te worden beoordeeld als productfamilies.

(46)

Er is een vrijwaringsprocedure nodig om de conformiteit van een pyrotechnisch artikel te kunnen aanvechten. Om de transparantie te vergroten en tijdverlies te beperken, moet de bestaande vrijwaringsprocedure worden verbeterd teneinde de efficiëntie te vergroten en van de deskundigheid in de lidstaten te profiteren.

(47)

Het bestaande systeem moet worden aangevuld met een procedure om belanghebbenden te informeren over voorgenomen maatregelen tegen pyrotechnische artikelen die een risico meebrengen voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere aspecten van de bescherming van algemene belangen. Deze procedure moet ook markttoezichtautoriteiten in staat stellen samen met de betrokken marktdeelnemers eerder tegen dergelijke pyrotechnische artikelen op te treden.

(48)

Indien de lidstaten en de Commissie het eens zijn dat een maatregel van een lidstaat gerechtvaardigd is, is nadere betrokkenheid van de Commissie hierbij niet nodig, behalve wanneer de niet-conformiteit kan worden toegeschreven aan tekortkomingen van de geharmoniseerde norm.

(49)

Het is in het belang van de fabrikant en de importeur om veilige pyrotechnische artikelen te leveren ter vermijding van kosten wegens aansprakelijkheid voor gebrekkige producten die schade toebrengen aan personen en particuliere eigendommen. In dit opzicht wordt deze richtlijn aangevuld door Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (12), omdat Richtlijn 85/374/EEG een risicoaansprakelijkheid kent voor fabrikanten en importeurs en de consument een afdoende beschermingsniveau biedt. Voorts bepaalt Richtlijn 85/374/EEG dat aangemelde instanties afdoende verzekerd moeten zijn in verband met hun beroepsactiviteiten, tenzij hun aansprakelijkheid volgens nationaal recht door de staat wordt gedragen of de lidstaat zelf rechtstreeks aansprakelijk is voor de proeven.

(50)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (13).

(51)

Voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen teneinde de aanmeldende lidstaat te verzoeken de nodige corrigerende maatregelen te nemen ten aanzien van aangemelde instanties niet of niet meer aan de aanmeldingseisen voldoen, moet de raadplegingsprocedure worden toegepast.

(52)

Voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen ter bepaling van een eenvormig nummeringsysteem voor de identificatie van pyrotechnische artikelen en de praktische regelingen voor een register met registratienummers van pyrotechnische artikelen, alsook voor het regelmatig verzamelen en bijwerken van gegevens over ongevallen in verband met pyrotechnische artikelen, moet de onderzoeksprocedure worden toegepast.

(53)

Voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen met betrekking tot conforme pyrotechnische artikelen die een gevaar opleveren voor de gezondheid of veiligheid van personen of tot andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang moet de onderzoeksprocedure ook worden toegepast.

(54)

De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met conforme pyrotechnische artikelen die een gevaar opleveren voor de gezondheid of veiligheid van personen, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(55)

In overeenstemming met de vaste praktijk kan het bij deze richtlijn ingestelde comité overeenkomstig zijn reglement van orde een nuttige rol spelen bij het onderzoeken van kwesties in verband met de toepassing van deze richtlijn die door zijn voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde worden gesteld.

(56)

De Commissie moet, door middel van uitvoeringshandelingen en, gezien het bijzondere karakter ervan, zonder Verordening (EU) nr. 182/2011 toe te passen, bepalen of de maatregelen die de lidstaten hebben getroffen met betrekking tot niet-conforme pyrotechnische artikelen gerechtvaardigd zijn of niet.

(57)

De lidstaten moeten regels voor sancties op overtredingen van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen vaststellen en ervoor zorgen dat deze regels worden gehandhaafd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(58)

Fabrikanten en importeurs moeten de tijd krijgen voor de uitoefening van eventuele rechten uit hoofde van nationale bepalingen die gelden vóór de inwerkingtreding van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, om bijvoorbeeld hun voorraden van vervaardigde producten te kunnen verkopen. Daarom moet in een redelijke overgangsregeling worden voorzien zodat pyrotechnische artikelen die vóór de datum van toepassing van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn al overeenkomstig Richtlijn 2007/23/EG in de handel zijn gebracht, op de markt kunnen worden aangeboden zonder dat zij aan verdere productvereisten hoeven te voldoen. Distributeurs moeten derhalve pyrotechnische artikelen die vóór de toepassingsdatum van de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn in de handel zijn gebracht, m.a.w. voorraden die zich reeds in de distributieketen bevinden, kunnen leveren.

(59)

Pyrotechnische artikelen voor voertuigen zijn ontworpen voor de levenscyclus van voertuigen en vereisen daarom speciale overgangsregelingen. Een dergelijk pyrotechnisch artikel moet voldoen aan alle voorschriften van de wet die van toepassing is op het moment waarop het voor het eerst op de markt wordt aangeboden en voor de volledige levensduur van het voertuig waarin het gemonteerd is.

(60)

Om het ononderbroken gebruik van bepaalde pyrotechnische artikelen, met name in de automobielindustrie, te waarborgen, moet punt 4 van bijlage I van toepassing zijn met ingang van 4 juli 2013.

(61)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk waarborgen dat pyrotechnische artikelen op de markt aan de eisen voldoen die een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid en van andere algemene belangen bieden zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de werking van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en gevolgen ervan beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(62)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in intern recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijn materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeide voort uit Richtlijn 2007/23/EG.

(63)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in intern recht en de toepassingsdata van de aldaar genoemde richtlijn onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn stelt regels vast om tot vrij verkeer van pyrotechnische artikelen in de interne markt te komen en een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en openbare veiligheid en bescherming en veiligheid van de consument te bieden en wel met inachtneming van de relevante aspecten in verband met milieubescherming.

2.   Deze richtlijn stelt de essentiële veiligheidseisen vast waaraan pyrotechnische artikelen moeten voldoen om op de markt te kunnen worden aangeboden. Die eisen zijn opgenomen in bijlage I.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op pyrotechnische artikelen.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

pyrotechnische artikelen bestemd voor niet-commercieel gebruik, overeenkomstig de nationale wetgeving, door strijdkrachten, politie of brandweer;

b)

uitrusting die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 96/98/EG valt;

c)

pyrotechnische artikelen bestemd voor gebruik in de lucht- en ruimtevaartindustrie;

d)

klappertjes die speciaal zijn ontworpen voor speelgoed en andere artikelen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/48/EG vallen;

e)

explosieven die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 93/15/EEG vallen;

f)

munitie;

g)

vuurwerk dat door een fabrikant voor eigen gebruik is vervaardigd en dat door de lidstaat waarin de fabrikant is gevestigd uitsluitend voor gebruik op zijn grondgebied is goedgekeurd en dat op het grondgebied van die lidstaat blijft.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.   „pyrotechnisch artikel”: elk artikel dat explosieve stoffen of een explosief mengsel van stoffen bevat die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties;

2.   „vuurwerk”: pyrotechnische artikelen ter vermaak;

3.   „pyrotechnische artikelen voor theatergebruik”: pyrotechnische artikelen die bestemd zijn voor binnenshuis of buitenshuis plaatsvindend podiumgebruik, met inbegrip van film- en tv-producties of soortgelijke vormen van gebruik;

4.   „pyrotechnische artikelen voor voertuigen”: een onderdeel van een veiligheidsvoorziening in een voertuig dat pyrotechnische stoffen bevat waarmee die of een andere voorziening wordt geactiveerd;

5.   „munitie”: projectielen en drijfladingen, alsmede losse flodders die worden gebruikt in draagbare vuurwapens, artillerie en andere vuurwapens;

6.   „persoon met gespecialiseerde kennis”: een persoon die van een lidstaat toestemming heeft gekregen om op zijn grondgebied vuurwerk van categorie F4, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T2 en/of andere pyrotechnische artikelen van categorie P2 te hanteren en/of te gebruiken;

7.   „op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een pyrotechnisch artikel met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie;

8.   „in de handel brengen”: het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een pyrotechnisch artikel;

9.   „fabrikant”: een natuurlijke of rechtspersoon die een pyrotechnisch artikel vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen, en dat pyrotechnisch artikel onder zijn naam of merknaam verhandelt;

10.   „importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een pyrotechnisch artikel uit een derde land in de Unie in de handel brengt;

11.   „distributeur”: een natuurlijke of rechtspersoon in de leveringsketen, verschillend van de fabrikant of de importeur, die een pyrotechnisch artikel op de markt aanbiedt;

12.   „marktdeelnemers”: de fabrikant, de importeur en de distributeur;

13.   „technische specificatie”: een document dat de technische vereisten voorschrijft waaraan een pyrotechnisch artikel moet voldoen;

14.   „geharmoniseerde norm”: een geharmoniseerde norm zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1025/2012;

15.   „accreditatie”: accreditatie zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 10, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

16.   „nationale accreditatie-instantie”: nationale accreditatie-instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

17.   „conformiteitsbeoordeling”: het proces waarin wordt aangetoond of voldaan is aan de essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn voor een pyrotechnisch artikel;

18.   „conformiteitsbeoordelingsinstantie”: een instantie die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verricht, zoals onder meer ijken, testen, certificeren en inspecteren;

19.   „terugroepen”: maatregel waarmee wordt beoogd een pyrotechnisch artikel te doen terugkeren dat al aan de eindgebruiker ter beschikking is gesteld;

20.   „uit de handel nemen”: maatregel waarmee wordt beoogd te voorkomen dat een pyrotechnisch artikel dat zich in de toeleveringsketen bevindt, op de markt wordt aangeboden;

21.   „harmonisatiewetgeving van de Unie”: alle wetgeving van de Unie die de voorwaarden voor het verhandelen van producten harmoniseert;

22.   „CE-markering”: een markering waarmee de fabrikant aangeeft dat het pyrotechnische artikel in overeenstemming is met alle toepasselijke eisen van de harmonisatiewetgeving van de Unie die in het aanbrengen ervan voorziet.

Artikel 4

Vrij verkeer

1.   De lidstaten mogen het op de markt aanbieden van pyrotechnische artikelen die aan de eisen van deze richtlijn voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren.

2.   Deze richtlijn laat onverlet dat een lidstaat omwille van de openbare orde of gezondheid en veiligheid, of omwille van milieubescherming maatregelen neemt om het bezit, gebruik en/of de verkoop aan het grote publiek van vuurwerk van de categorieën F2 en F3, pyrotechnische artikelen voor theatergebruik en andere pyrotechnische artikelen te verbieden of te beperken.

3.   De lidstaten verhinderen niet dat pyrotechnische artikelen die niet met deze richtlijn in overeenstemming zijn worden getoond en gebruikt op handelsbeurzen, tentoonstellingen en demonstraties voor het verhandelen van pyrotechnische artikelen, op voorwaarde dat een zichtbaar teken duidelijk de naam en de datum van de handelsbeurs, tentoonstelling of demonstratie vermeldt en aangeeft dat de pyrotechnische artikelen niet in overeenstemming zijn en niet verkocht mogen worden tot zij in overeenstemming zijn gemaakt. Tijdens dergelijke evenementen worden passende veiligheidsmaatregelen genomen overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat vastgestelde eisen.

4.   De lidstaten verhinderen niet dat pyrotechnische artikelen die voor onderzoeks-, ontwikkelings- en testdoeleinden zijn vervaardigd en niet met deze richtlijn in overeenstemming zijn, vrij circuleren en worden gebruikt, op voorwaarde dat een zichtbaar teken duidelijk aangeeft dat zij niet in overeenstemming zijn en niet beschikbaar zijn voor andere doeleinden dan voor ontwikkeling, tests en onderzoek.

Artikel 5

Op de markt aanbieden

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat pyrotechnische artikelen uitsluitend op de markt worden aangeboden indien zij aan de eisen van deze richtlijn voldoen.

Artikel 6

Categorieën pyrotechnische artikelen

1.   Pyrotechnische artikelen worden door de fabrikant in een bepaalde categorie ondergebracht op grond van hun toepassing, doel en gevaar, met inbegrip van hun geluidsniveau. De categorisering wordt door de in artikel 21 bedoelde aangemelde instanties bevestigd als onderdeel van de in artikel 17 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedures.

De categorieën luiden als volgt:

a)

vuurwerk:

i)

categorie F1: vuurwerk dat zeer weinig gevaar en een te verwaarlozen geluidsniveau oplevert en bestemd is voor gebruik in een besloten ruimte, inclusief vuurwerk dat bestemd is voor gebruik binnenshuis;

ii)

categorie F2: vuurwerk dat weinig gevaar en een laag geluidsniveau oplevert en bestemd is voor gebruik buitenshuis in een afgebakende plaats;

iii)

categorie F3: vuurwerk dat middelmatig gevaar oplevert en bestemd is voor gebruik buitenshuis in een grote open ruimte, en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid;

iv)

categorie F4: vuurwerk dat veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met gespecialiseerde kennis (veelal „vuurwerk voor professioneel gebruik” genoemd) en waarvan het geluidsniveau niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid;

b)

pyrotechnische artikelen voor theatergebruik:

i)

categorie T1: pyrotechnische artikelen voor podiumgebruik met gering gevaar;

ii)

categorie T2: pyrotechnische artikelen voor podiumgebruik die uitsluitend bestemd zijn om door personen met gespecialiseerde kennis te worden gebruikt;

c)

andere pyrotechnische artikelen:

i)

categorie P1: andere pyrotechnische artikelen dan vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, die weinig gevaar opleveren;

ii)

categorie P2: andere pyrotechnische artikelen dan vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die uitsluitend bestemd zijn om door personen met gespecialiseerde kennis te worden gehanteerd of gebruikt.

2.   De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van de procedures volgens welke zij personen met gespecialiseerde kennis identificeren en machtigen.

Artikel 7

Leeftijdsgrenzen en andere beperkingen

1.   Pyrotechnische artikelen worden niet op de markt aangeboden aan personen onder de volgende leeftijdsgrenzen:

a)

vuurwerk:

i)

categorie F1: 12 jaar;

ii)

categorie F2: 16 jaar;

iii)

categorie F3: 18 jaar;

b)

pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T1 andere pyrotechnische artikelen van categorie P1: 18 jaar.

2.   De lidstaten kunnen de in lid 1 genoemde leeftijdsgrenzen verhogen wanneer dat omwille van de openbare orde of gezondheid en veiligheid gerechtvaardigd is. De lidstaten kunnen de leeftijdsgrenzen ook verlagen voor personen die een beroepsopleiding ter zake hebben gevolgd of volgen.

3.   De volgende pyrotechnische artikelen mogen door fabrikanten, importeurs of distributeurs uitsluitend aan personen met gespecialiseerde kennis op de markt worden aangeboden:

a)

vuurwerk van categorie F4;

b)

pyrotechnische artikelen voor theatergebruik van categorie T2 en andere pyrotechnische artikelen van categorie P2.

4.   Andere pyrotechnische artikelen van categorie P1 voor voertuigen, met inbegrip van airbags en gordelspanners, worden niet aan het grote publiek aangeboden, behalve wanneer die pyrotechnische artikelen voor voertuigen ingebouwd zijn in een voertuig of in een verwijderbaar voertuigonderdeel.

HOOFDSTUK 2

VERPLICHTINGEN VAN MARKTDEELNEMERS

Artikel 8

Verplichtingen van fabrikanten

1.   Wanneer zij hun pyrotechnische artikelen in de handel brengen, waarborgen fabrikanten dat deze werden ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de essentiële veiligheidseisen in bijlage I.

2.   Fabrikanten stellen de in bijlage II genoemde technische documentatie op en laten de in artikel 17 bedoelde toepasselijke conformiteitsbeoordelingsprocedure uitvoeren.

Wanneer met die procedure is aangetoond dat een pyrotechnisch artikel aan de toepasselijke eisen voldoet, stellen fabrikanten een EU-conformiteitsverklaring op en brengen zij de CE-markering aan.

3.   Fabrikanten bewaren de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring gedurende tien jaar nadat het pyrotechnische artikel in de handel is gebracht.

4.   Fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van hun serieproductie met deze richtlijn te blijven waarborgen. Er wordt terdege rekening gehouden met veranderingen in het ontwerp of in de kenmerken van het pyrotechnische artikel en met veranderingen in de geharmoniseerde normen of andere technische specificaties waarnaar in de conformiteitsverklaring van het pyrotechnische artikel is verwezen.

Indien dit gezien de risico’s van een pyrotechnisch artikel passend wordt geacht, voeren fabrikanten met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteiten steekproeven uit op de verhandelde pyrotechnische artikelen, onderzoeken zij klachten, niet-conforme pyrotechnische artikelen en teruggeroepen pyrotechnische artikelen en houden zij daarvan zo nodig een register bij, en houden zij de distributeurs op de hoogte van dergelijk toezicht.

5.   Fabrikanten zorgen ervoor dat door hen in de handel gebrachte pyrotechnische artikelen overeenkomstig artikel 10 of artikel 11 zijn geëtiketteerd.

6.   Fabrikanten vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen op het pyrotechnische artikel of, wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking ervan of in een bij het pyrotechnische artikel gevoegd document. Het adres vermeldt één enkel punt waar contact met de fabrikant opgenomen kan worden. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

7.   Fabrikanten zien erop toe dat pyrotechnische artikelen vergezeld gaan van instructies en informatie aangaande de veiligheid, in een taal die de consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de betrokken lidstaat. Die instructies en informatie aangaande de veiligheid, alsmede eventuele etikettering, zijn duidelijk en begrijpelijk.

8.   Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht pyrotechnisch artikel niet in overeenstemming is met deze richtlijn, nemen onmiddellijk de corrigerende maatregelen die nodig zijn om dat pyrotechnische artikel in overeenstemming te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen fabrikanten, indien het pyrotechnische artikel een risico vertoont, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het pyrotechnische artikel op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

9.   Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde nationale autoriteit aan deze autoriteit op papier of elektronisch alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van het pyrotechnische artikel met deze richtlijn aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle genomen maatregelen om de risico’s van de door hen in de handel gebrachte pyrotechnische artikelen uit te sluiten.

Artikel 9

Traceerbaarheid

1.   Om de traceerbaarheid van pyrotechnische artikelen te vergemakkelijken, etiketteren de fabrikanten die artikelen met een registratienummer dat wordt toegewezen door de aangemelde instantie die de conformiteitsbeoordeling krachtens artikel 17 verricht. De nummering geschiedt volgens een door de Commissie vastgesteld uniform systeem.

2.   Fabrikanten en importeurs houden gegevens bij over de registratienummers van de pyrotechnische artikelen die zij op de markt aanbieden en stellen deze informatie op verzoek ter beschikking van de betrokken autoriteiten.

Artikel 10

Etikettering van andere pyrotechnische artikelen dan pyrotechnische artikelen voor voertuigen

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat andere pyrotechnische artikelen dan pyrotechnische artikelen voor voertuigen zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar zijn geëtiketteerd in de officiële taal (talen) van de lidstaat waar het pyrotechnisch artikel aan de consument wordt aangeboden. Die etikettering is duidelijk en begrijpelijk.

2.   Het etiket van pyrotechnische artikelen vermeldt ten minste de in artikel 8, lid 6, vermelde gegevens over de fabrikant en, als de fabrikant niet in de Unie is gevestigd, de in artikel 8, lid 6 respectievelijk artikel 12, lid 3, vermelde gegevens over de fabrikant en de importeur, alsook de naam en het type van het pyrotechnische artikel, het registratienummer en het product-, partij- of serienummer ervan, de in artikel 7, leden 1 en 2, genoemde minimumleeftijdsgrenzen, de desbetreffende categorie en gebruiksaanwijzingen, het productiejaar bij vuurwerk van categorie F3 en F4 en, in voorkomend geval, een minimale veiligheidsafstand. Het etiket vermeldt tevens de netto explosieve massa (NEM).

3.   Op vuurwerk moet ook ten minste de volgende informatie staan:

a)

categorie F1: in voorkomend geval: „uitsluitend buitenshuis te gebruiken” en een minimale veiligheidsafstand;

b)

categorie F2: „uitsluitend buitenshuis te gebruiken” en, in voorkomend geval, de minimale veiligheidsafstand(en);

c)

categorie F3: „uitsluitend buitenshuis te gebruiken” en de minimale veiligheidsafstand(en);

d)

categorie F4: „uitsluitend door personen met gespecialiseerde kennis te gebruiken” en de minimale veiligheidsafstand(en).

4.   Op pyrotechnische artikelen voor theatergebruik moet ook ten minste de volgende informatie staan:

a)

categorie T1: in voorkomend geval: „uitsluitend buitenshuis te gebruiken” en de minimale veiligheidsafstand(en);

b)

categorie T2: „uitsluitend door personen met gespecialiseerde kennis te gebruiken” en de minimale veiligheidsafstand(en).

5.   Indien op het pyrotechnische artikel niet voldoende plaats is voor de vereiste informatie als bedoeld in de leden 2, 3 en 4, wordt de informatie op de kleinste verpakkingseenheid weergegeven.

Artikel 11

Etikettering van pyrotechnische artikelen voor voertuigen

1.   Het etiket van pyrotechnische artikelen voor voertuigen vermeldt de in artikel 8, lid 6, vermelde gegevens over de fabrikant, de naam en het type van het pyrotechnische artikel, het registratienummer en het product-, partij- of serienummer ervan en, indien noodzakelijk, de veiligheidsvoorschriften.

2.   Als het pyrotechnische artikel voor voertuigen niet voldoende plaats biedt voor de etiketteringsvoorschriften van lid 1, wordt de vereiste informatie op de verpakking van het artikel vermeld.

3.   Een veiligheidsinformatieblad voor het pyrotechnische artikel voor voertuigen dat is opgesteld volgens bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (14) en dat rekening houdt met de specifieke behoeften van de professionele gebruikers wordt aan die gebruikers verstrekt in de door hem gevraagde taal.

Het veiligheidsinformatieblad mag op papier of elektronisch worden geleverd, op voorwaarde dat de professionele gebruiker over de nodige middelen beschikt om er toegang toe te hebben.

Artikel 12

Verplichtingen van importeurs

1.   Importeurs brengen alleen pyrotechnische artikelen in de handel die aan de gestelde eisen voldoen.

2.   Alvorens een pyrotechnisch artikel in de handel te brengen, zien importeurs erop toe dat de fabrikant de in artikel 17 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedure heeft uitgevoerd. Zij zorgen ervoor dat de fabrikant de technische documentatie heeft opgesteld, dat het pyrotechnische artikel voorzien is van de CE-markering en vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten, en dat de fabrikant aan de eisen van artikel 8, leden 5 en 6, heeft voldaan.

Wanneer een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een pyrotechnisch artikel niet in overeenstemming is met de essentiële veiligheidseisen in bijlage I, mag hij het pyrotechnische artikel niet in de handel brengen alvorens het in overeenstemming is gemaakt. Wanneer het pyrotechnische artikel een risico vertoont, brengt de importeur de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan bovendien op de hoogte.

3.   Importeurs vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde merknaam en het postadres waarop contact met hen kan worden opgenomen op het pyrotechnische artikel, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking ervan of in een bij het pyrotechnische artikel gevoegd document. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

4.   Importeurs zien erop toe dat het pyrotechnische artikel vergezeld gaat van instructies en informatie aangaande de veiligheid, in een door de betrokken lidstaat bepaalde taal die de consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen.

5.   Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een pyrotechnisch artikel verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden ervan dat de conformiteit van het pyrotechnische artikel met de essentiële veiligheidseisen in bijlage I niet in het gedrang komt.

6.   Indien dit gezien de risico’s van een pyrotechnisch artikel passend wordt geacht, voeren importeurs met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde autoriteiten steekproeven uit op de verhandelde pyrotechnische artikelen, onderzoeken zij klachten, niet-conforme pyrotechnische artikelen en teruggeroepen pyrotechnische artikelen en houden zij daarvan zo nodig een register bij, en houden zij de distributeurs steeds op de hoogte van dit toezicht.

7.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht pyrotechnisch artikel niet in overeenstemming is met deze richtlijn, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat pyrotechnische artikel in overeenstemming te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen importeurs, indien het pyrotechnische artikel een risico vertoont, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het pyrotechnische artikel op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

8.   Importeurs houden gedurende tien jaar nadat het pyrotechnische artikel in de handel is gebracht, een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de markttoezichtautoriteiten en zorgen ervoor dat de technische documentatie op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.

9.   Importeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde nationale autoriteit aan deze autoriteit op papier of elektronisch alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van een pyrotechnisch artikel aan te tonen, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle genomen maatregelen om de risico’s van de door hen in de handel gebrachte pyrotechnische artikelen uit te sluiten.

Artikel 13

Verplichtingen van distributeurs

1.   Distributeurs die een pyrotechnisch artikel op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid in verband met de eisen van deze richtlijn.

2.   Alvorens een pyrotechnisch artikel op de markt aan te bieden, controleren distributeurs of het pyrotechnische artikel voorzien is van de CE-markering en vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van instructies en informatie aangaande de veiligheid, in een taal die de consumenten en andere eindgebruikers in de lidstaat waar het pyrotechnische artikel op de markt wordt aangeboden, gemakkelijk kunnen begrijpen, en of de fabrikant en de importeur aan de voorschriften van respectievelijk artikel 8, leden 5 en 6, en artikel 12, lid 3, hebben voldaan.

Wanneer een distributeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een pyrotechnisch artikel niet in overeenstemming is met de essentiële veiligheidseisen in bijlage I, mag hij het pyrotechnische artikel pas op de markt aanbieden nadat het in overeenstemming is gemaakt. Wanneer het pyrotechnische artikel een risico vertoont, brengt de distributeur voorts de fabrikant of de importeur hiervan op de hoogte, evenals de markttoezichtautoriteiten.

3.   Distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een pyrotechnisch artikel verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden ervan dat de conformiteit van het pyrotechnische artikel met de essentiële veiligheidseisen in bijlage I niet in het gedrang komt.

4.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen op de markt aangeboden pyrotechnisch artikel niet in overeenstemming is met deze richtlijn, zien erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om het pyrotechnische artikel in overeenstemming te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen distributeurs, indien het pyrotechnische artikel een risico vertoont, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het pyrotechnische artikel op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

5.   Distributeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een bevoegde nationale autoriteit aan deze autoriteit op papier of elektronisch alle benodigde informatie en documentatie om de conformiteit van een pyrotechnisch artikel aan te tonen. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle genomen maatregelen om de risico’s van de door hen op de markt aangeboden pyrotechnische artikelen uit te sluiten.

Artikel 14

Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur wordt voor de toepassing van deze richtlijn als een fabrikant beschouwd en hij moet aan de in artikel 8 vermelde verplichtingen van de fabrikant voldoen wanneer hij een pyrotechnisch artikel onder zijn eigen naam of merknaam in de handel brengt of een reeds in de handel gebracht pyrotechnisch artikel zodanig wijzigt dat de conformiteit met de eisen van deze richtlijn in het gedrang kan komen.

Artikel 15

Identificatie van marktdeelnemers

Marktdeelnemers delen, op verzoek, aan de markttoezichtautoriteiten mee:

a)

welke marktdeelnemer een pyrotechnisch artikel aan hen heeft geleverd;

b)

aan welke marktdeelnemer zij een pyrotechnisch artikel hebben geleverd.

Marktdeelnemers moeten tot tien jaar nadat het pyrotechnische artikel aan hen is geleverd en tot tien jaar nadat zij het pyrotechnische artikel hebben geleverd, de in de eerste alinea bedoelde informatie kunnen verstrekken.

HOOFDSTUK 3

CONFORMITEIT VAN HET PYROTECHNISCHE ARTIKEL

Artikel 16

Vermoeden van conformiteit van pyrotechnische artikelen

Pyrotechnische artikelen die in overeenstemming zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de in bijlage I beschreven essentiële veiligheidseisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken.

Artikel 17

Conformiteitsbeoordelingsprocedures

Voor de beoordeling van de conformiteit van pyrotechnische artikelen volgt de fabrikant een van de volgende procedures bedoeld in bijlage II:

a)

het EU-typeonderzoek (module B), en naar keuze van de fabrikant een van de volgende procedures:

i)

conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole plus productcontroles onder toezicht met willekeurige tussenpozen (module C2);

ii)

conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces (module D);

iii)

conformiteit met het type op basis van productkwaliteitsborging (module E);

b)

conformiteit op basis van eenheidskeuring (module G);

c)

conformiteit op basis van volledige kwaliteitsborging (module H), voor zover het gaat om vuurwerk van categorie F4.

Artikel 18

EU-conformiteitsverklaring

1.   In de EU-conformiteitsverklaring wordt vermeld dat aangetoond is dat aan de essentiële veiligheidseisen in bijlage I is voldaan.

2.   De EU-conformiteitsverklaring komt qua structuur overeen met het model van bijlage III, bevat de in de desbetreffende modules van bijlage II vermelde elementen en wordt voortdurend bijgewerkt. Zij wordt vertaald in de taal of talen zoals gevraagd door de lidstaat waar het pyrotechnische artikel in de handel wordt gebracht of op de markt wordt aangeboden.

3.   Indien voor een pyrotechnisch artikel uit hoofde van meer dan één handeling van de Unie een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt één EU-conformiteitsverklaring met betrekking tot al die handelingen van de Unie opgesteld. In die verklaring moet duidelijk worden aangegeven om welke handelingen van de Unie het gaat, met vermelding van de publicatiereferenties ervan.

4.   Door de EU-conformiteitsverklaring op te stellen, neemt de fabrikant de verantwoordelijkheid voor de conformiteit van het pyrotechnische artikel met de eisen van deze richtlijn op zich.

Artikel 19

Algemene beginselen van de CE-markering

De CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen die zijn vastgesteld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.

Artikel 20

Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de CE-markering en andere markeringen

1.   De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op de pyrotechnische artikelen aangebracht. Wanneer dit gezien de aard van het pyrotechnische artikel niet mogelijk of niet gerechtvaardigd is, wordt de CE-markering aangebracht op de verpakking en in de begeleidende documenten.

2.   De CE-markering wordt aangebracht voordat het pyrotechnische artikel in de handel wordt gebracht.

3.   De CE-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie wanneer een dergelijke instantie betrokken is bij de productiecontrolefase.

Het identificatienummer van de aangemelde instantie wordt aangebracht door die instantie zelf dan wel overeenkomstig haar instructies door de fabrikant.

4.   De CE-markering en, indien van toepassing, het identificatienummer van de aangemelde instantie, kunnen worden gevolgd door een ander teken dat een bijzonder risico of gebruik aanduidt.

5.   De lidstaten bouwen voort op bestaande mechanismen om te zorgen voor een juiste toepassing van de voorschriften voor de CE-markering en nemen passende maatregelen in geval van oneigenlijk gebruik van dat merkteken.

HOOFDSTUK 4

AANMELDING VAN CONFORMITEITSBEOORDELINGSINSTANTIES

Artikel 21

Aanmelding

De instanties die bevoegd zijn om conformiteitsbeoordelingstaken van derden uit hoofde van deze richtlijn te verrichten, worden door de lidstaten bij de Commissie en de andere lidstaten aangemeld.

Artikel 22

Aanmeldende autoriteiten

1.   De lidstaten wijzen een aanmeldende autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en het toezicht op de aangemelde instanties, met inbegrip van de naleving van artikel 27.

2.   De lidstaten kunnen de beoordeling en het toezicht als bedoeld in lid 1 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 laten uitvoeren door een nationale accreditatie-instantie, zoals gedefinieerd in die verordening.

Artikel 23

Eisen voor aanmeldende autoriteiten

1.   Een aanmeldende autoriteit is zodanig opgericht dat zich geen belangenconflicten met conformiteitsbeoordelingsinstanties voordoen.

2.   Een aanmeldende autoriteit is zodanig georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en onpartijdigheid van haar activiteiten gewaarborgd zijn.

3.   Een aanmeldende autoriteit is zodanig georganiseerd dat elk besluit in verband met de aanmelding van een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt genomen door bekwame personen die niet de beoordeling hebben verricht.

4.   Een aanmeldende autoriteit verricht geen activiteiten die worden uitgevoerd door conformiteitsbeoordelingsinstanties en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie en biedt evenmin aan dergelijke activiteiten te verrichten of dergelijke adviezen te verlenen.

5.   Een aanmeldende autoriteit waarborgt dat de verkregen informatie vertrouwelijk wordt behandeld.

6.   Een aanmeldende autoriteit beschikt over een voldoende aantal bekwame personeelsleden om haar taken naar behoren uit te voeren.

Artikel 24

Informatieverplichting voor aanmeldende autoriteiten

De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van hun procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op aangemelde instanties, en van alle wijzigingen daarin.

De Commissie maakt deze informatie openbaar.

Artikel 25

Eisen in verband met aangemelde instanties

1.   Om te kunnen worden aangemeld moeten conformiteitsbeoordelingsinstanties aan de eisen in de leden 2 tot en met 11 voldoen.

2.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is naar nationaal recht van een lidstaat opgericht en heeft rechtspersoonlijkheid.

3.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is een derde partij die onafhankelijk is van de door haar beoordeelde organisaties of pyrotechnische artikelen.

4.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder van de pyrotechnische artikelen en/of explosieve stoffen, noch de vertegenwoordiger van een van die partijen. Dit belet echter niet het gebruik van pyrotechnische artikelen en/of explosieve stoffen die nodig zijn voor de activiteiten van de conformiteitsbeoordelingsinstantie of het gebruik van pyrotechnische artikelen voor persoonlijke doeleinden.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet rechtstreeks of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen betrokken bij het ontwerpen, vervaardigen of bouwen, verhandelen, installeren, gebruiken of onderhouden van pyrotechnische artikelen en/of explosieve stoffen. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld in het gedrang kunnen brengen. Dit geldt met name voor adviesdiensten.

Conformiteitsbeoordelingsinstanties zorgen ervoor dat de activiteiten van hun dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten.

5.   Conformiteitsbeoordelingsinstanties en hun personeel voeren de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, met name van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is in staat alle conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten die in bijlage II aan haar zijn toegewezen en waarvoor zij is aangemeld, ongeacht of deze taken door de conformiteitsbeoordelingsinstantie zelf of namens haar en onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt te allen tijde, voor elke conformiteitsbeoordelingsprocedure en voor elke soort of elke categorie pyrotechnische artikelen waarvoor zij is aangemeld over:

a)

het benodigde personeel met technische kennis en voldoende passende ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten;

b)

de beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de mogelijkheid tot reproductie van deze procedures worden gewaarborgd. Zij beschikt over een gepast beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen taken die zij als aangemelde instantie verricht en andere activiteiten;

c)

procedures voor de uitoefening van haar activiteiten die naar behoren rekening houden met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, de structuur ervan, de relatieve complexiteit van de producttechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt over de middelen die nodig zijn om de technische en administratieve taken in verband met de beoordelingsactiviteiten ten behoeve van de overeenstemming op passende wijze uit te voeren en heeft toegang tot alle vereiste apparatuur en faciliteiten.

7.   Het voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordelingstaken verantwoordelijke personeel beschikt over:

a)

een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingsactiviteiten omvat waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie is aangemeld;

b)

een bevredigende kennis van de eisen inzake de beoordelingen die het verricht en voldoende bevoegdheden om deze beoordelingen uit te voeren;

c)

voldoende kennis over en inzicht in de essentiële veiligheidseisen in bijlage I, de toepasselijke geharmoniseerde normen en de relevante bepalingen van de harmonisatiewetgeving van de Unie en van de nationale wetgeving;

d)

de bekwaamheid om certificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat de beoordelingen zijn verricht.

8.   De onpartijdigheid van de conformiteitsbeoordelingsinstanties, hun hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, moet worden gewaarborgd.

De beloning van de hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken van een conformiteitsbeoordelingsinstantie verricht, hangt niet af van het aantal uitgevoerde beoordelingen of van de resultaten daarvan.

9.   Conformiteitsbeoordelingsinstanties sluiten een aansprakelijkheidsverzekering af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de staat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.

10.   Het personeel van een conformiteitsbeoordelingsinstantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de uitoefening van haar taken uit hoofde van bijlage II of bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering geven, behalve ten opzichte van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de werkzaamheden plaatsvinden. De eigendomsrechten worden beschermd.

11.   Conformiteitsbeoordelingsinstanties nemen deel aan, of zorgen ervoor dat het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, op de hoogte is van de desbetreffende normalisatieactiviteiten en de activiteiten van de coördinatiegroep van aangemelde instanties die is opgericht uit hoofde van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie, en hanteren de door die groep genomen administratieve beslissingen en geproduceerde documenten als algemene richtsnoeren.

Artikel 26

Vermoeden van conformiteit van aangemelde instanties

Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de ter zake doende geharmoniseerde normen of delen ervan, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt zij geacht aan de eisen in artikel 25 te voldoen, op voorwaarde dat de van toepassing zijnde geharmoniseerde normen deze eisen dekken.

Artikel 27

Dochterondernemingen en uitbesteding door aangemelde instanties

1.   Wanneer de aangemelde instantie specifieke taken in verband met de conformiteitsbeoordeling uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de eisen in artikel 25 voldoet, en brengt zij de aanmeldende autoriteit hiervan op de hoogte.

2.   Aangemelde instanties nemen de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze gevestigd zijn.

3.   Activiteiten mogen uitsluitend met instemming van de klant worden uitbesteed of door een dochteronderneming worden uitgevoerd.

4.   Aangemelde instanties houden de relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door de onderaannemer of dochteronderneming uit hoofde van bijlage II uitgevoerde werkzaamheden ter beschikking van de aanmeldende autoriteit.

Artikel 28

Verzoek om aanmelding

1.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie dient een verzoek om aanmelding in bij de aanmeldende autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd is.

2.   Het verzoek om aanmelding gaat vergezeld van een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodule(s) en het pyrotechnische artikel of de pyrotechnische artikelen waarvoor de instantie verklaart bekwaam te zijn en, indien dit bestaat, van een accreditatiecertificaat dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie, waarin wordt verklaard dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie voldoet aan de eisen in artikel 25.

3.   Wanneer de betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie geen accreditatiecertificaat kan overleggen, verschaft zij de aanmeldende autoriteit alle bewijsstukken die nodig zijn om haar conformiteit met de eisen in artikel 25 te verifiëren en te erkennen en daar geregeld toezicht op te houden.

Artikel 29

Aanmeldingsprocedure

1.   Aanmeldende autoriteiten mogen uitsluitend conformiteitsbeoordelingsinstanties aanmelden die aan de eisen in artikel 25 hebben voldaan.

2.   Zij verrichten de aanmelding bij de Commissie en de andere lidstaten door middel van het door de Commissie ontwikkelde en beheerde elektronische aanmeldingssysteem.

3.   Bij de aanmelding worden de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodule(s), het pyrotechnische artikel of de pyrotechnische artikelen en de bekwaamheidsattestatie uitvoerig beschreven.

4.   Wanneer een aanmelding niet gebaseerd is op een accreditatiecertificaat als bedoeld in artikel 28, lid 2, verschaft de aanmeldende autoriteit de Commissie en de andere lidstaten de bewijsstukken waaruit de bekwaamheid van de conformiteitsbeoordelingsinstantie blijkt, evenals de regeling die waarborgt dat de instantie regelmatig wordt gecontroleerd en zal blijven voldoen aan de eisen van artikel 25.

5.   De betrokken instantie mag de activiteiten van een aangemelde instantie alleen verrichten als de Commissie en de andere lidstaten binnen twee weken na een aanmelding indien een accreditatiecertificaat wordt gebruikt en binnen twee maanden na een aanmelding indien geen accreditatiecertificaat wordt gebruikt, geen bezwaren hebben ingediend.

Alleen een dergelijke instantie wordt voor de toepassing van deze richtlijn als aangemelde instantie beschouwd.

6.   De aanmeldende autoriteit stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van alle relevante latere wijzigingen in de aanmelding.

Artikel 30

Identificatienummers en lijsten van aangemelde instanties

1.   De Commissie kent aan aangemelde instanties een identificatienummer toe.

Zij kent per instantie slechts één nummer toe, ook als de instantie uit hoofde van diverse handelingen van de Unie is aangemeld.

2.   De Commissie maakt de lijst van uit hoofde van deze richtlijn aangemelde instanties openbaar, onder vermelding van de aan die instanties toegekende identificatienummers en de activiteiten waarvoor zij zijn aangemeld.

Zij zorgt ervoor dat de lijst wordt bijgewerkt.

Artikel 31

Wijzigingen van de aanmelding

1.   Wanneer een aanmeldende autoriteit heeft geconstateerd of vernomen dat een aangemelde instantie niet meer aan de eisen in artikel 25 voldoet of haar verplichtingen niet nakomt, wordt de aanmelding door de aanmeldende autoriteit beperkt, geschorst of ingetrokken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan die eisen of het niet-nakomen van die verplichtingen. Zij brengt de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte.

2.   Wanneer de aanmelding wordt beperkt, geschorst of ingetrokken, of de aangemelde instantie haar activiteiten heeft gestaakt, doet de aanmeldende lidstaat het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die instantie hetzij door een andere aangemelde instantie worden behandeld, hetzij aan de verantwoordelijke aanmeldende autoriteiten en markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 32

Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties

1.   De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels over de bekwaamheid van een aangemelde instantie of over de vraag of een aangemelde instantie nog aan de eisen voldoet en haar verantwoordelijkheden nakomt.

2.   De aanmeldende lidstaat verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken aangemelde instantie.

3.   Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.

4.   Indien de Commissie vaststelt dat een aangemelde instantie niet of niet meer aan de aanmeldingseisen voldoet, stelt zij een uitvoeringshandeling vast die de aanmeldende lidstaat verzoekt de nodige corrigerende maatregelen te nemen, en zo nodig de aanmelding in te trekken.

Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Artikel 33

Operationele verplichtingen van aangemelde instanties

1.   Aangemelde instanties voeren conformiteitsbeoordelingen uit volgens de conformiteitsbeoordelingsprocedures in bijlage II.

2.   De conformiteitsbeoordelingen worden op evenredige wijze uitgevoerd, waarbij voorkomen wordt de marktdeelnemers onnodig te belasten. De conformiteitsbeoordelingsinstantie houdt bij de uitoefening van haar activiteiten naar behoren rekening met de omvang van een onderneming, de sector waarin zij actief is, haar structuur, de relatieve technologische complexiteit van de producten en het massa- of seriële karakter van het productieproces.

Hierbij eerbiedigt zij echter de striktheid en het beschermingsniveau die nodig zijn opdat het pyrotechnische artikel voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn.

3.   Aangemelde instanties die conformiteitsbeoordelingen verrichten, kennen registratienummers toe ter identificatie van pyrotechnische artikelen die aan een conformiteitsbeoordeling zijn onderworpen en van de fabrikanten ervan, en houden een register bij met de registratienummers van pyrotechnische artikelen waarvoor zij certificaten hebben afgegeven.

4.   Wanneer een aangemelde instantie vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan de essentiële veiligheidseisen in bijlage I of aan de overeenkomstige geharmoniseerde normen of andere technische specificaties, verlangt zij van die fabrikant dat hij passende corrigerende maatregelen neemt en verleent zij geen conformiteitscertificaat.

5.   Wanneer een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit na verlening van een certificaat vaststelt dat een pyrotechnisch artikel niet meer in overeenstemming is, verlangt zij van de fabrikant dat hij passende corrigerende maatregelen neemt; zo nodig schorst zij het certificaat of trekt zij dit in.

6.   Wanneer geen corrigerende maatregelen worden genomen of de genomen maatregelen niet het vereiste effect hebben, worden de certificaten door de aangemelde instantie naargelang het geval beperkt, geschorst of ingetrokken.

Artikel 34

Beroep tegen besluiten van aangemelde instanties

De lidstaten voorzien in een beroepsprocedure tegen besluiten van de aangemelde instanties.

Artikel 35

Informatieverplichting voor aangemelde instanties

1.   Aangemelde instanties brengen de aanmeldende autoriteit op de hoogte van:

a)

elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van certificaten;

b)

omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van of de voorwaarden voor aanmelding;

c)

informatieverzoeken over conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangen;

d)

op verzoek, de binnen de werkingssfeer van hun aanmelding verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbesteding.

2.   Aangemelde instanties verstrekken de andere uit hoofde van deze richtlijn aangemelde instanties die soortgelijke conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde pyrotechnische artikelen verrichten, relevante informatie over negatieve conformiteitsbeoordelingsresultaten, en op verzoek ook over positieve conformiteitsbeoordelingsresultaten.

Artikel 36

Uitwisseling van ervaringen

De Commissie voorziet in de organisatie van de uitwisseling van ervaringen tussen de nationale autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aanmeldingsbeleid.

Artikel 37

Coördinatie van aangemelde instanties

De Commissie zorgt voor passende coördinatie en samenwerking tussen instanties die zijn aangemeld uit hoofde van deze richtlijn in de vorm van een forum van aangemelde instanties.

De lidstaten zorgen ervoor dat de door hen aangemelde instanties rechtstreeks of via aangestelde vertegenwoordigers aan de werkzaamheden van dat forum deelnemen.

HOOFDSTUK 5

MARKTTOEZICHT IN DE UNIE, CONTROLE VAN PYROTECHNISCHE ARTIKELEN DIE DE MARKT VAN DE UNIE BINNENKOMEN, EN VRIJWARINGSPROCEDURE VAN DE UNIE

Artikel 38

Markttoezicht in de Unie en controle van pyrotechnische artikelen die de markt van de Unie binnenkomen

1.   De lidstaten nemen alle passende maatregelen om ervoor te zorgen dat pyrotechnische artikelen alleen in de handel mogen worden gebracht indien ze de gezondheid en veiligheid van personen niet in gevaar brengen wanneer ze worden opgeslagen zoals het hoort en worden gebruikt waarvoor ze zijn bestemd.

2.   Artikel 15, lid 3, en de artikelen 16 tot en met 29 van Verordening (EG) nr. 765/2008 zijn van toepassing op pyrotechnische artikelen.

3.   De lidstaten stellen de Commissie jaarlijks in kennis van hun activiteiten op het gebied van markttoezicht.

Artikel 39

Procedure voor pyrotechnische artikelen die op nationaal niveau een risico vertonen

1.   Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een pyrotechnisch artikel een risico voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze richtlijn vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen vormt, voeren zij een beoordeling van het pyrotechnische artikel uit in het licht van alle relevante eisen die bij deze richtlijn zijn vastgesteld. De desbetreffende marktdeelnemers werken hiertoe op elke vereiste wijze met de markttoezichtautoriteiten samen.

Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij de in de eerste alinea bedoelde beoordeling vaststellen dat het pyrotechnische artikel niet aan de eisen van deze richtlijn voldoet, verlangen zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemer dat hij passende corrigerende maatregelen neemt om het pyrotechnische artikel met deze eisen in overeenstemming te maken of binnen een door hen vast te stellen redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, uit de handel te nemen of terug te roepen.

De markttoezichtautoriteiten brengen de desbetreffende aangemelde instantie hiervan op de hoogte.

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in de tweede alinea van dit lid genoemde maatregelen.

2.   Wanneer de markttoezichtautoriteiten van mening zijn dat de niet-conformiteit niet tot hun nationale grondgebied beperkt is, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben verlangd.

3.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken pyrotechnische artikelen die hij in de Unie op de markt heeft aangeboden.

4.   Wanneer de desbetreffende marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden van het pyrotechnische artikel te verbieden of te beperken, dan wel het pyrotechnische artikel in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.

De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen op de hoogte.

5.   De in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het niet-conforme pyrotechnische artikel te identificeren en om de oorsprong van het pyrotechnische artikel, de aard van de beweerde niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die worden aangevoerd door de desbetreffende marktdeelnemer. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de niet-conformiteit een van de volgende redenen heeft:

a)

het pyrotechnisch artikel voldoet niet aan de in deze richtlijn vastgestelde eisen ten aanzien van de gezondheid of veiligheid van personen of andere aspecten van de bescherming van algemene belangen, of

b)

tekortkomingen in de geharmoniseerde normen waarnaar in artikel 16 wordt verwezen als normen die een vermoeden van conformiteit vestigen.

6.   De andere lidstaten dan die welke de procedure krachtens dit artikel in gang heeft gezet, brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie over de niet-conformiteit van het pyrotechnische artikel waarover zij beschikken, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de genomen nationale maatregel.

7.   Indien binnen drie maanden na de ontvangst van de in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie geen bezwaar tegen een voorlopige maatregel van een lidstaat is ingebracht door een lidstaat of de Commissie, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het betrokken pyrotechnische artikel onmiddellijk passende beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van dit pyrotechnische artikel.

Artikel 40

Vrijwaringsprocedure van de Unie

1.   Wanneer na voltooiing van de procedure in artikel 39, leden 3 en 4, bezwaren tegen maatregelen van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat de nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast teneinde te bepalen of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.

De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.

2.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om het niet-conforme pyrotechnische artikel op hun grondgebied uit de handel te nemen, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat die maatregel in.

3.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de niet-conformiteit van het pyrotechnische artikel wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen als bedoeld in artikel 39, lid 5, onder b), van deze richtlijn, past de Commissie de in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 bedoelde procedure toe.

Artikel 41

Conforme pyrotechnische artikelen die toch een risico voor de gezondheid of veiligheid meebrengen

1.   Wanneer een lidstaat na een beoordeling overeenkomstig artikel 39, lid 1, te hebben verricht, vaststelt dat een pyrotechnisch artikel dat in overeenstemming is met deze richtlijn toch een risico voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere aspecten van de bescherming van algemene belangen meebrengt, verlangt deze lidstaat van de desbetreffende marktdeelnemer dat hij alle passende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het pyrotechnische artikel dat risico niet meer meebrengt wanneer het in de handel wordt gebracht, of om het pyrotechnische artikel binnen een door de lidstaat vast te stellen redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, uit de handel te nemen of terug te roepen.

2.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat de door hem genomen corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken pyrotechnische artikelen die hij in de Unie op de markt heeft aangeboden.

3.   De lidstaat brengt de Commissie en de andere lidstaten onmiddellijk op de hoogte. Die informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het pyrotechnische artikel te identificeren en om de oorsprong en de toeleveringsketen van het pyrotechnische artikel, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen.

4.   De Commissie treedt onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en beoordeelt de nationale maatregelen die zijn genomen. Aan de hand van die beoordeling besluit de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is, en stelt zij zo nodig passende maatregelen voor.

De in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met de bescherming van de gezondheid en veiligheid van personen stelt de Commissie volgens de in artikel 44, lid 4, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

5.   De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.

Artikel 42

Formele niet-conformiteit

1.   Onverminderd artikel 39 verlangt een lidstaat, wanneer hij een van de volgende feiten vaststelt, van de betrokken marktdeelnemer dat deze een einde maakt aan de niet-conformiteit:

a)

de CE-markering is in strijd met artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008 of artikel 20 van deze richtlijn aangebracht;

b)

de CE-markering is niet aangebracht;

c)

het identificatienummer van de aangemelde instantie, wanneer die instantie betrokken is bij de productiecontrolefase, is niet volgens de voorschriften van artikel 20 aangebracht of is niet aangebracht;

d)

de EU-conformiteitsverklaring is niet opgesteld;

e)

de EU-conformiteitsverklaring is niet correct opgesteld;

f)

technische documentatie is niet beschikbaar of onvolledig;

g)

de gegevens als bedoeld in artikel 8, lid 6, of artikel 12, lid 3, ontbreken, zijn onjuist of zijn onvolledig;

h)

er is niet voldaan aan een ander administratief voorschrift van artikel 8 of artikel 12.

2.   Wanneer de in lid 1 bedoelde niet-conformiteit voortduurt, neemt de betrokken lidstaat alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden van het pyrotechnische artikel te beperken of te verbieden, of het pyrotechnische artikel terug te roepen of uit de handel te nemen.

HOOFDSTUK 6

UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN

Artikel 43

Uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen:

a)

het eenvormig nummeringsysteem als bedoeld in artikel 9, lid 1, en de praktische regelingen voor het register als bedoeld in artikel 33, lid 3;

b)

de praktische regelingen voor het regelmatig verzamelen en bijwerken van gegevens over ongevallen in verband met pyrotechnische artikelen.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 3, bedoelde onderzoekprocedure.

Artikel 44

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité inzake pyrotechnische artikelen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 daarvan, van toepassing.

5.   Het comité wordt door de Commissie geraadpleegd over elke aangelegenheid waarvoor krachtens Verordening (EU) nr. 1025/2012 of andere wetgeving van de Unie raadpleging van deskundigen uit de sector vereist is.

Het comité kan voorts overeenkomstig zijn reglement van orde elke kwestie in verband met de toepassing van deze richtlijn onderzoeken, die door zijn voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde wordt gesteld.

HOOFDSTUK 7

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 45

Sancties

De lidstaten stellen regels vast voor sancties op overtredingen door marktdeelnemers van ingevolge deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. Deze regels kunnen strafrechtelijke sancties voor ernstige overtredingen omvatten.

De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 46

Overgangsbepalingen

1.   De lidstaten belemmeren niet dat pyrotechnische artikelen die in overeenstemming met Richtlijn 2007/23/EG zijn, op de markt wordt aangeboden wanneer die pyrotechnische artikelen vóór 1 juli 2015 in de handel zijn gebracht.

2.   Nationale vergunningen voor vuurwerk van de categorieën F1, F2 en F3 die vóór 4 juli 2010 zijn verleend, blijven tot hun vervaldatum of tot 4 juli 2017 (de vroegste datum is van toepassing) geldig op het grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft verleend.

3.   Nationale vergunningen voor andere pyrotechnische artikelen, vuurwerk van categorie F4 en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik die vóór 4 juli 2013 zijn verleend, blijven tot hun vervaldatum of tot 4 juli 2017 (de vroegste datum is van toepassing) geldig op het grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft verleend.

4.   In afwijking van lid 3 blijven nationale vergunningen voor pyrotechnische artikelen voor voertuigen, ook als reserveonderdelen, die vóór 4 juli 2013 zijn verleend, geldig tot zij vervallen.

5.   Uit hoofde van Richtlijn 2007/23/EG verstrekte certificaten zijn uit hoofde van deze richtlijn geldig.

Artikel 47

Omzetting

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 30 juni 2015 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan artikel 3, punten 7, 12, 13 en 15 tot en met 22, artikel 4, lid 1, artikel 5, artikel 7, lid 4, artikel 8, leden 2 tot en met 9, artikel 9, artikel 10, lid 2, artikel 11, leden 1 en 3, de artikelen 12 tot en met 16, de artikelen 18 tot en met 29, de artikelen 31 tot en met 35, artikel 37, artikel 38, leden 1 en 2, de artikelen 39 tot en met 42, de artikelen 45 en 46 en de bijlagen I, II en III te voldoen. Zij delen de tekst van die bepalingen onverwijld mee aan de Commissie.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van 1 juli 2015.

2.   In afwijking van lid 1 dienen de lidstaten uiterlijk op 3 oktober 2013 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om te voldoen aan punt 4 van bijlage I. Zij delen de tekst van die bepalingen onverwijld mede aan de Commissie. Zij passen die bepalingen toe met ingang van 4 juli 2013.

3.   Wanneer de lidstaten de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn, gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

4.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 48

Intrekking

Richtlijn 2007/23/EG, zoals gewijzigd bij de in deel A van bijlage IV bij deze richtlijn vermelde handeling, wordt met ingang van 1 juli 2015 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in deel B van bijlage IV genoemde termijnen voor omzetting in intern recht en toepassingsdatum van de aldaar genoemde richtlijn.

In afwijking van de eerste alinea van dit artikel wordt punt 4 van bijlage I bij Richtlijn 2007/23/EG ingetrokken met ingang van 4 juli 2013.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 49

Inwerkingtreding en toepassing

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1, artikel 2, artikel 3, punten 1 tot en met 6, punten 8 tot en met 11 en punt 14, artikel 4, leden 2, 3 en 4, artikel 6, artikel 7, lid 1, 2 en 3, artikel 8, lid 1, artikel 10, leden 1, 3 en 4, artikel 11, lid 2, de artikelen 17, 30 en 36, artikel 38, lid 3, de artikelen 43 en 44 en de bijlagen IV en V zijn van toepassing met ingang van 1 juli 2015.

Artikel 50

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 12 juni 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 181 van 21.6.2012, blz. 105.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 22 mei 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 juni 2013.

(3)  PB L 154 van 14.6.2007, blz. 1.

(4)  Zie bijlage IV, deel A.

(5)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

(6)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82.

(7)  PB L 121 van 15.5.1993, blz. 20.

(8)  PB L 10 van 14.1.1997, blz. 13.

(9)  PB L 46 van 17.2.1997, blz. 25.

(10)  PB L 170 van 30.6.2009, blz. 1.

(11)  PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12.

(12)  PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29.

(13)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(14)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.


BIJLAGE I

ESSENTIËLE VEILIGHEIDSEISEN

1.   Elk pyrotechnisch artikel moet de prestaties leveren die de fabrikant bij de aangemelde instantie heeft opgegeven om maximale veiligheid en betrouwbaarheid te garanderen.

2.   Elk pyrotechnisch artikel moet zo zijn ontworpen en gefabriceerd dat men zich er met behulp van een passend proces veilig van kan ontdoen met minimale gevolgen voor het milieu.

3.   Elk pyrotechnisch artikel moet correct functioneren wanneer het gebruikt wordt waarvoor het is bestemd.

Elk pyrotechnisch artikel moet onder realistische omstandigheden worden getest. Indien dit niet mogelijk is in een laboratorium, moeten de tests worden uitgevoerd onder de omstandigheden waarin het pyrotechnische artikel zal worden gebruikt.

De volgende gegevens en eigenschappen moeten in voorkomend geval worden gecontroleerd of getest:

a)

ontwerp, constructie en kenmerkende eigenschappen, inclusief gedetailleerde chemische samenstelling (massa en percentage van de gebruikte stoffen) en afmetingen;

b)

fysische en chemische stabiliteit van het pyrotechnische artikel in alle normale, te verwachten omgevingsomstandigheden;

c)

gevoeligheid voor de normale, te verwachten hantering en vervoersomstandigheden;

d)

compatibiliteit van alle componenten wat chemische stabiliteit betreft;

e)

weerstand van het pyrotechnische artikel tegen vocht wanneer het bestemd is om in vochtige of natte omstandigheden te worden gebruikt en vocht de veiligheid of betrouwbaarheid negatief kan beïnvloeden;

f)

weerstand tegen lage en hoge temperaturen wanneer het pyrotechnische artikel bestemd is om bij dergelijke temperaturen te worden bewaard of gebruikt en het afkoelen of opwarmen van een component of van het pyrotechnische artikel in zijn geheel de veiligheid of betrouwbaarheid negatief kan beïnvloeden;

g)

veiligheidsvoorzieningen om voortijdige of onbedoelde inwerkingstelling of ontsteking te voorkomen;

h)

passende instructies en, waar nodig, markeringen inzake het veilig hanteren, opslaan, gebruiken (inclusief veiligheidsafstand) en verwijderen;

i)

weerstand van het pyrotechnische artikel, de verpakking ervan of andere componenten tegen aantasting onder normale, te verwachten opslagomstandigheden;

j)

specificatie van alle benodigde apparatuur en accessoires en van gebruiksaanwijzingen voor de veilige werking van het pyrotechnische artikel.

Tenzij anders vermeld in de instructies van de fabrikant, moeten de pyrotechnische artikelen hun pyrotechnische samenstelling bevatten tijdens het vervoer en bij normale hantering daarvan.

4.   Pyrotechnische artikelen mogen geen andere detonatie-explosieven dan zwart kruit of een samenstelling voor een lichtflits bevatten tenzij het pyrotechnische artikelen van de categorieën P1, P2, T2 en vuurwerk van categorie F4 betreft die aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

het detonatie-explosief kan niet gemakkelijk uit het pyrotechnische artikel worden verwijderd;

b)

met betrekking tot categorie P1: het pyrotechnische artikel mag niet als detonator werken of mag, zoals het ontworpen en gefabriceerd is, niet de ontsteking van secundaire explosieven inleiden;

c)

met betrekking tot de categorieën F4, T2 en P2: het pyrotechnische artikel is ontworpen en bedoeld om niet als detonator te werken, of, als het is ontworpen om te detoneren, mag het, zoals het ontworpen en gefabriceerd is, niet de ontsteking van secundaire explosieven inleiden.

5.   De verschillende groepen pyrotechnische artikelen moeten ten minste ook aan de volgende voorschriften voldoen:

A.   Vuurwerk

1.

De fabrikant brengt vuurwerk krachtens artikel 6 onder in verschillende categorieën op basis van netto explosieve massa, veiligheidsafstanden, geluidsniveau en dergelijke. De categorie staat duidelijk vermeld op het etiket.

a)

Voor vuurwerk van categorie F1 moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

i)

de veiligheidsafstand bedraagt minstens 1 m. Indien nodig, kan de veiligheidsafstand echter minder bedragen;

ii)

het maximale geluidsniveau op de veiligheidsafstand is niet meer dan 120 dB (A, imp) of een gelijkwaardig geluidsniveau gemeten aan de hand van een andere geschikte methode;

iii)

categorie F1 bevat geen rotjes en ratelbanden, al dan niet met flitspoeder;

iv)

knalerwten in categorie F1 bevatten niet meer dan 2,5 mg zilverfulminaat.

b)

Voor vuurwerk van categorie F2 moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

i)

de veiligheidsafstand bedraagt minstens 8 m. Indien nodig, kan de veiligheidsafstand echter minder bedragen;

ii)

het maximale geluidsniveau op de veiligheidsafstand is niet meer dan 120 dB (A, imp) of een gelijkwaardig geluidsniveau gemeten aan de hand van een andere geschikte methode.

c)

Voor vuurwerk van categorie F3 moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

i)

de veiligheidsafstand bedraagt minstens 15 m. Indien nodig, kan de veiligheidsafstand echter minder bedragen;

ii)

het maximale geluidsniveau op de veiligheidsafstand is niet meer dan 120 dB (A, imp) of een gelijkwaardig geluidsniveau gemeten aan de hand van een andere geschikte methode.

2.

Vuurwerk mag uitsluitend gebouwd zijn met materialen die de risico’s van brokstukken voor de gezondheid, gebouwen of het milieu zoveel mogelijk beperken.

3.

De ontstekingsmethode moet duidelijk zichtbaar zijn en worden aangegeven aan de hand van etiketten of instructies.

4.

Vuurwerk mag niet op een grillige en onvoorspelbare manier bewegen.

5.

Vuurwerk van de categorieën F1, F2 en F3 moet beschermd zijn tegen onbedoelde ontsteking, hetzij door een beschermlaag, hetzij door de verpakking, hetzij door de constructie van het artikel. Vuurwerk van categorie F4 moet tegen onbedoelde ontsteking beschermd zijn door methoden die door de fabrikant worden gespecificeerd.

B.   Andere pyrotechnische artikelen

1.

Pyrotechnische artikelen moeten zo zijn ontworpen dat de risico’s voor de gezondheid, gebouwen en het milieu bij normaal gebruik zo klein mogelijk zijn.

2.

De ontstekingsmethode moet duidelijk zichtbaar zijn en worden aangegeven aan de hand van etiketten of instructies.

3.

Het pyrotechnische artikel moet zo zijn ontworpen dat het risico van brokstukken voor de gezondheid, gebouwen of het milieu bij onbedoelde inwerkingtreding zo klein mogelijk is.

4.

In voorkomend geval moet het pyrotechnische artikel naar behoren werken tot de houdbaarheidsdatum die de fabrikant heeft opgegeven.

C.   Ontstekers

1.

Ontstekers moeten op betrouwbare wijze in werking kunnen worden gesteld en moeten onder alle normale, te verwachten gebruiksomstandigheden voldoende ontstekingscapaciteit hebben.

2.

Ontstekers moeten beschermd zijn tegen elektrostatische ontlading onder normale, te verwachten opslag- en gebruiksomstandigheden.

3.

Elektrische ontstekers moeten beschermd zijn tegen elektromagnetische velden onder normale, te verwachten opslag- en gebruiksomstandigheden.

4.

Het omhulsel van de lonten moet de juiste mechanische sterkte hebben en de explosieve vulling afdoende beschermen wanneer deze aan normale, te verwachten mechanische spanning wordt blootgesteld.

5.

De parameters voor de brandduur van lonten moeten bij het pyrotechnische artikel zijn gevoegd.

6.

De elektrische kenmerken (bv. minimuminleidingsstroom, weerstand enz.) van elektrische ontstekers moeten bij het pyrotechnische artikel zijn gevoegd.

7.

De draden van elektrische ontstekers moeten voldoende geïsoleerd en mechanisch sterk genoeg zijn, inclusief de verbinding met de ontsteker, rekening houdend met het bedoelde gebruik.


BIJLAGE II

CONFORMITEITSBEOORDELINGSPROCEDURES

MODULE B:   EU-typeonderzoek

1.

Met „EU-typeonderzoek” wordt dat gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de aangemelde instantie het technisch ontwerp van een pyrotechnisch artikel onderzoekt om te controleren of het voldoet aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn, en een verklaring hierover verstrekt.

2.

Het EU-typeonderzoek wordt verricht als een beoordeling van de geschiktheid van het technisch ontwerp van het pyrotechnische artikel door middel van de bestudering van de technische documentatie en het bewijsmateriaal bedoeld in punt 3, alsmede een onderzoek van een voor de betrokken productie representatief monster van het volledige product (combinatie van productietype en ontwerptype).

3.

De fabrikant dient een aanvraag voor het EU-typeonderzoek in bij een aangemelde instantie van zijn keuze.

De aanvraag omvat:

a)

naam en adres van de fabrikant;

b)

een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag bij een andere aangemelde instantie is ingediend;

c)

de technische documentatie. Aan de hand van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het pyrotechnische artikel aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoet; zij omvat een adequate risicoanalyse en -beoordeling. In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van het pyrotechnische artikel. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:

i)

een algemene beschrijving van het pyrotechnische artikel;

ii)

ontwerp- en fabricagetekeningen, alsmede schema’s van componenten, onderdelen, circuits, enz.;

iii)

beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van die tekeningen en schema’s en van de werking van het pyrotechnische artikel;

iv)

een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, en indien de geharmoniseerde normen niet zijn toegepast, een beschrijving van de wijze waarop aan de essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn is voldaan, inclusief een lijst van andere relevante technische specificaties die zijn toegepast. Bij gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen wordt in de technische documentatie gespecificeerd welke delen zijn toegepast;

v)

berekeningen voor ontwerpen, uitgevoerde controles enz.;

vi)

testrapporten;

d)

de monsters, die representatief zijn voor de betrokken productie. De aangemelde instantie kan meer monsters verlangen als dit voor het testprogramma nodig is;

e)

het bewijsmateriaal voor de geschiktheid van het technisch ontwerp. Hierin worden de gevolgde documenten vermeld, in het bijzonder wanneer de desbetreffende geharmoniseerde normen niet volledig zijn toegepast. Zo nodig worden ook de resultaten vermeld van tests die overeenkomstig andere relevante technische specificaties door het geschikt laboratorium van de fabrikant of namens hem en onder zijn verantwoordelijkheid door een ander laboratorium zijn verricht.

4.

De aangemelde instantie verricht de volgende handelingen:

 

Voor het pyrotechnische artikel:

4.1.

onderzoekt zij de technische documentatie en het bewijsmateriaal om te beoordelen of het technisch ontwerp van het pyrotechnische artikel geschikt is.

 

Voor het monster/de monsters:

4.2.

controleert zij of zij overeenkomstig de technische documentatie zijn vervaardigd en stelt zij vast welke elementen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van de relevante geharmoniseerde normen zijn ontworpen, alsook welke elementen zijn ontworpen overeenkomstig andere relevante technische specificaties;

4.3.

verricht zij de nodige onderzoeken en tests, of laat zij die verrichten om, ingeval de fabrikant heeft gekozen voor de oplossingen uit de relevante geharmoniseerde normen, te controleren of deze op de juiste wijze zijn toegepast;

4.4.

verricht zij de nodige onderzoeken en tests, of laat zij die verrichten om, ingeval de oplossingen uit de relevante geharmoniseerde normen niet zijn toegepast, te controleren of de door de fabrikant die gekozen oplossingen, met inbegrip van andere relevante technische specificaties die zijn toegepast, aan de desbetreffende essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn voldoen;

4.5.

stelt zij in overleg met de fabrikant de plaats vast waar de onderzoeken en tests zullen worden uitgevoerd.

5.

De aangemelde instantie stelt een evaluatieverslag op over de overeenkomstig punt 4 verrichte activiteiten en de resultaten daarvan. Onverminderd haar verplichtingen jegens de aanmeldende autoriteiten maakt de aangemelde instantie de inhoud van het verslag uitsluitend met instemming van de fabrikant geheel of gedeeltelijk openbaar.

6.

Indien het type voldoet aan de voor het betrokken pyrotechnische artikel toepasselijke eisen van deze richtlijn, verstrekt de aangemelde instantie de fabrikant een certificaat van EU-typeonderzoek. Dat certificaat bevat naam en adres van de fabrikant, de conclusies van het onderzoek, de eventuele voorwaarden voor de geldigheid van het certificaat en de noodzakelijke gegevens voor de identificatie van het goedgekeurde type. Het certificaat van EU-typeonderzoek kan vergezeld gaan van een of meer bijlagen.

Het certificaat van EU-typeonderzoek en de bijlagen bevatten alle informatie die nodig is om de conformiteit van de gefabriceerde pyrotechnische artikelen met het onderzochte type te kunnen toetsen en controles tijdens het gebruik te kunnen verrichten.

Wanneer het type niet aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoet, weigert de aangemelde instantie een certificaat van EU-typeonderzoek te verstrekken en brengt zij de aanvrager hiervan op de hoogte met vermelding van de precieze redenen voor de weigering.

7.

De aangemelde instantie houdt zich op de hoogte van elke verandering in de algemeen erkende stand van de techniek; indien het goedgekeurde type vanwege deze ontwikkeling mogelijk niet meer aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoet, beoordeelt zij of nader onderzoek nodig is. Als dit het geval is, stelt de aangemelde instantie de fabrikant daarvan in kennis.

De fabrikant brengt de aangemelde instantie die de technische documentatie betreffende het certificaat van EU -typeonderzoek bewaart op de hoogte van alle wijzigingen van het goedgekeurde type die van invloed kunnen zijn op de conformiteit van het pyrotechnische artikel met de essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn of de voorwaarden voor de geldigheid van dat certificaat. Dergelijke wijzigingen vereisen een aanvullende goedkeuring in de vorm van een aanvulling op het oorspronkelijke certificaat van EU-typeonderzoek.

8.

Elke aangemelde instantie brengt de autoriteiten die haar hebben aangemeld op de hoogte van de door haar verstrekte of ingetrokken certificaten van EU-typeonderzoek en aanvullingen daarop en verstrekt deze autoriteiten op gezette tijden of op verzoek een lijst van dergelijke geweigerde, geschorste of anderszins beperkte certificaten en aanvullingen daarop.

Elke aangemelde instantie brengt de andere aangemelde instanties op de hoogte van de door haar geweigerde, ingetrokken, geschorste of anderszins beperkte certificaten van EU-typeonderzoek en aanvullingen daarop alsmede, op verzoek, van dergelijke door haar verstrekte certificaten en aanvullingen daarop.

De Commissie, de lidstaten en de andere aangemelde instanties kunnen op verzoek een kopie van de certificaten van EU-typeonderzoek en aanvullingen daarop ontvangen. De Commissie en de lidstaten kunnen op verzoek een kopie van de technische documentatie en de resultaten van het door de aangemelde instantie verrichte onderzoek ontvangen. De aangemelde instantie bewaart een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek, de bijlagen en aanvullingen, alsook het technisch dossier, met inbegrip van de door de fabrikant overgelegde documentatie, tot het einde van de geldigheidsduur van dat certificaat.

9.

De fabrikant houdt tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek, de bijlagen en aanvullingen, samen met de technische documentatie, ter beschikking van de nationale autoriteiten.

MODULE C2:   conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole plus productcontroles onder toezicht met willekeurige tussenpozen

1.   Met „conformiteit met het type op basis van interne productiecontrole plus productcontroles onder toezicht met willekeurige tussenpozen” wordt het gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 3 en 4 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat de betrokken pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoen aan de op hen toepasselijke eisen van deze richtlijn.

2.   Fabricage

De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricage- en controleproces waarborgt dat de vervaardigde pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke eisen van deze richtlijn.

3.   Productcontroles

Met willekeurige, door de instantie te bepalen tussenpozen worden productcontroles uitgevoerd om de kwaliteit van de interne productcontroles te verifiëren, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de technologische complexiteit van de pyrotechnische artikelen en de geproduceerde hoeveelheid; deze controles worden door of namens een door de fabrikant hem gekozen aangemelde instantie uitgevoerd. Voordat de producten in de handel worden gebracht, trekt de aangemelde instantie op de plaats van fabricage een adequate steekproef van de eindproducten, die aan een onderzoek wordt onderworpen en waarop passende tests als omschreven in de relevante delen van de geharmoniseerde normen en/of gelijkwaardige tests opgenomen in andere technische specificaties, worden verricht om te controleren of het pyrotechnische artikel met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de desbetreffende eisen van deze Richtlijn overeenstemt. Indien een monster geen aanvaardbaar kwaliteitsniveau heeft, neemt de instantie passende maatregelen.

De monsternameprocedure is bedoeld om te beoordelen of de prestaties van het fabricageproces van het betrokken pyrotechnische artikel binnen aanvaardbare marges vallen, teneinde de conformiteit van het pyrotechnische artikel te waarborgen.

De fabrikant brengt, onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie, tijdens het fabricageproces het identificatienummer van deze instantie aan.

4.   CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

4.1.

De fabrikant brengt de CE-markering aan op elk afzonderlijk pyrotechnisch artikel dat in overeenstemming is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoet aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn.

4.2.

De fabrikant stelt voor elk productmodel een EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het pyrotechnische artikel beschreven.

Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring wordt op verzoek aan de relevante autoriteiten verstrekt.

MODULE D:   conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces

1.   Met „conformiteit met het type op basis van kwaliteitsborging van het productieproces” wordt het gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de fabrikant de verplichtingen in de punten 2 en 5 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat de betrokken pyrotechnische artikelen overeenstemmen met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoen aan de op hen toepasselijke eisen van deze richtlijn.

2.   Fabricage

De fabrikant past op de productie, de eindproductcontrole en de beproeving van de betrokken pyrotechnische artikelen een goedgekeurd kwaliteitssysteem als bedoeld in punt 3 toe, waarop overeenkomstig punt 4 toezicht wordt uitgeoefend.

3.   Kwaliteitssysteem

3.1.

De fabrikant dient voor de betrokken pyrotechnische artikelen bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag tot beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

De aanvraag omvat:

a)

naam en adres van de fabrikant;

b)

een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag bij een andere aangemelde instantie is ingediend;

c)

alle relevante informatie voor de bedoelde categorie pyrotechnische artikelen;

d)

de documentatie over het kwaliteitssysteem;

e)

de technische documentatie betreffende het goedgekeurde type en een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek.

3.2.

Het kwaliteitssysteem waarborgt dat de pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke eisen van deze richtlijn.

Alle door de fabrikant vastgestelde gegevens, eisen en bepalingen dienen systematisch en geordend bijeen te worden gebracht in een document met schriftelijk vastgelegde beleidsmaatregelen, procedures en instructies. Aan de hand van de documentatie van het kwaliteitssysteem moeten de kwaliteitsprogramma’s, plannen, handboeken en dossiers eenduidig kunnen worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:

a)

de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de productkwaliteit;

b)

de daarbij gebruikte fabricage-, kwaliteitsbeheersings- en kwaliteitsborgingstechnieken en -procedés, alsmede de in dat verband systematisch toe te passen maatregelen;

c)

de onderzoeken en tests die vóór, tijdens of na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;

d)

de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz., en

e)

de middelen om toezicht uit te oefenen op het bereiken van de vereiste productkwaliteit en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3.

De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om te controleren of het aan de in punt 3.2 bedoelde eisen voldoet.

Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan voor elementen van het kwaliteitssysteem die voldoen aan de desbetreffende specificaties van de relevante geharmoniseerde norm.

Het auditteam moet ervaring hebben met kwaliteitsmanagementsystemen; bovendien moet ten minste één lid van het team ervaring hebben met beoordelingen van het betrokken productgebied en de betrokken producttechnologie en op de hoogte zijn van de toepasselijke eisen van deze richtlijn. De audit omvat een inspectiebezoek aan de fabrikant. Het auditteam evalueert de in punt 3.1, onder e), bedoelde technische documentatie om te controleren of de fabrikant zich bewust is van de toepasselijke eisen van deze richtlijn en het vereiste onderzoek kan verrichten om te waarborgen dat het pyrotechnische artikel aan deze eisen voldoet.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. In deze kennisgeving zijn de conclusies van de audit opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

3.4.

De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

3.5.

De fabrikant brengt de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd op de hoogte van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem blijft voldoen aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. In deze kennisgeving zijn de conclusies van het onderzoek opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

4.   Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie.

4.1.

Het toezicht heeft tot doel te controleren of de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2.

De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de fabricage-, controle-, test- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name:

a)

de documentatie over het kwaliteitssysteem;

b)

de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.

4.3.

De aangemelde instantie verricht periodieke audits om te controleren of de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en verstrekt de fabrikant een auditverslag.

4.4.

De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken aan de fabrikant brengen. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig producttests verrichten of laten verrichten om te controleren of het kwaliteitssysteem goed functioneert. De aangemelde instantie verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, indien tests zijn verricht, een testverslag.

5.   CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

5.1.

De fabrikant brengt de CE-markering en, onder verantwoordelijkheid van de in punt 3.1 bedoelde aangemelde instantie, het identificatienummer van die instantie aan op elk afzonderlijk pyrotechnisch artikel dat in overeenstemming is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke eisen van deze richtlijn.

5.2.

De fabrikant stelt voor elk productmodel een EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het pyrotechnische artikel beschreven.

Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring wordt op verzoek aan de relevante autoriteiten verstrekt.

6.   De fabrikant houdt gedurende een periode van tien jaar nadat het pyrotechnische artikel in de handel is gebracht de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

a)

de in punt 3.1 bedoelde documentatie;

b)

de informatie over de in punt 3.5 bedoelde wijzigingen zoals deze zijn goedgekeurd;

c)

de in de punten 3.5, 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

7.   Elke aangemelde instantie brengt de autoriteiten die haar hebben aangemeld op de hoogte van de verleende en ingetrokken goedkeuringen voor kwaliteitssystemen en verstrekt deze autoriteiten op gezette tijden of op verzoek een lijst van geweigerde, geschorste of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.

Elke aangemelde instantie brengt de andere aangemelde instanties op de hoogte van de door haar geweigerde, geschorste, ingetrokken of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen alsmede, op verzoek, van de door haar verleende goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.

MODULE E:   conformiteit met het type op basis van productkwaliteitsborging

1.   Met „conformiteit met het type op basis van productkwaliteitsborging” wordt het gedeelte van een conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarin de fabrikant de verplichtingen in de punten 2 en 5 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat de betrokken pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en voldoen aan de op hen toepasselijke eisen van deze richtlijn.

2.   Fabricage

De fabrikant past op de productie, de eindproductcontrole en de beproeving van de betrokken pyrotechnische artikelen een goedgekeurd kwaliteitssysteem als bedoeld in punt 3 toe, waarop overeenkomstig punt 4 toezicht wordt uitgeoefend.

3.   Kwaliteitssysteem

3.1.

De fabrikant dient voor de betrokken pyrotechnische artikelen bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag tot beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

De aanvraag omvat de volgende informatie:

a)

naam en adres van de fabrikant;

b)

een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag bij een andere aangemelde instantie is ingediend;

c)

alle relevante informatie voor de bedoelde categorie pyrotechnische artikelen;

d)

de documentatie over het kwaliteitssysteem;

e)

de technische documentatie betreffende het goedgekeurde type en een kopie van het certificaat van EU-typeonderzoek.

3.2.

Het kwaliteitssysteem waarborgt dat de pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke eisen van deze richtlijn.

Alle door de fabrikant vastgestelde gegevens, eisen en bepalingen dienen systematisch en geordend bijeen te worden gebracht in een document met schriftelijk vastgelegde beleidsmaatregelen, procedures en instructies. Aan de hand van de documentatie van het kwaliteitssysteem moeten de kwaliteitsprogramma’s, plannen, handboeken en dossiers eenduidig kunnen worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:

a)

de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de productkwaliteit;

b)

de onderzoeken en tests die na de fabricage worden uitgevoerd;

c)

de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.;

d)

de middelen om toezicht uit te oefenen op de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3.

De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om te controleren of het aan de in punt 3.2 bedoelde eisen voldoet.

Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan voor elementen van het kwaliteitssysteem die voldoen aan de desbetreffende specificaties van de relevante geharmoniseerde norm.

Het auditteam moet ervaring hebben met kwaliteitsmanagementsystemen; bovendien moet ten minste één lid van het team ervaring hebben met beoordelingen van het betrokken productgebied en de betrokken producttechnologie en op de hoogte zijn van de toepasselijke eisen van deze richtlijn. De audit omvat een inspectiebezoek aan de fabrikant. Het auditteam evalueert de in punt 3.1, onder e), bedoelde technische documentatie om te controleren of de fabrikant zich bewust is van de toepasselijke eisen van deze richtlijn en het vereiste onderzoek kan verrichten om te waarborgen dat het pyrotechnische artikel aan deze eisen voldoet.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. In deze kennisgeving zijn de conclusies van de audit opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

3.4.

De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

3.5.

De fabrikant brengt de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd op de hoogte van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem blijft voldoen aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. In deze kennisgeving zijn de conclusies van het onderzoek opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

4.   Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1.

Het toezicht heeft tot doel te controleren of de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2.

De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de fabricage-, controle-, test- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name:

a)

de documentatie over het kwaliteitssysteem;

b)

de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.

4.3.

De aangemelde instantie verricht periodieke audits om te controleren of de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en verstrekt de fabrikant een auditverslag.

4.4.

De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken aan de fabrikant brengen. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig producttests verrichten of laten verrichten om te controleren of het kwaliteitssysteem goed functioneert. De aangemelde instantie verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, indien tests zijn verricht, een testverslag.

5.   CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

5.1.

De fabrikant brengt de CE-markering en, onder verantwoordelijkheid van de in punt 3.1 bedoelde aangemelde instantie, het identificatienummer van die instantie aan op elk afzonderlijk pyrotechnisch artikel dat in overeenstemming is met het type als beschreven in het certificaat van EU-typeonderzoek en met de toepasselijke eisen van deze richtlijn.

5.2.

De fabrikant stelt voor elk productmodel een EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het pyrotechnische artikel beschreven.

Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring wordt op verzoek aan de relevante autoriteiten verstrekt.

6.   De fabrikant houdt gedurende een periode van tien jaar nadat het pyrotechnische artikel in de handel is gebracht de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

a)

de in punt 3.1 bedoelde documentatie;

b)

de informatie over de in punt 3.5 bedoelde wijzigingen zoals deze zijn goedgekeurd;

c)

de in de punten 3.5, 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

7.   Elke aangemelde instantie brengt de autoriteiten die haar hebben aangemeld op de hoogte van de verleende en ingetrokken goedkeuringen voor kwaliteitssystemen en verstrekt deze autoriteiten op gezette tijden of op verzoek een lijst van geweigerde, geschorste of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.

Elke aangemelde instantie brengt de andere aangemelde instanties op de hoogte van de door haar geweigerde, geschorste of ingetrokken goedkeuringen voor kwaliteitssystemen alsmede, op verzoek, van de door haar verleende goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.

MODULE G:   conformiteit op basis van eenheidskeuring

1.   Met „conformiteit op basis van eenheidskeuring” wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 3 en 5 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat de betrokken pyrotechnische artikelen waarop de bepalingen van punt 4 zijn toegepast, aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoen.

2.   Technische documentatie

De fabrikant stelt de technische documentatie samen en stelt deze ter beschikking van de in punt 4 bedoelde aangemelde instantie. Aan de hand van deze documentatie moet kunnen worden beoordeeld of het pyrotechnische artikel aan de relevante eisen voldoet; zij omvat een adequate risicoanalyse en -beoordeling. In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van het pyrotechnische artikel. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:

a)

een algemene beschrijving van het pyrotechnische artikel;

b)

ontwerp- en fabricagetekeningen, alsmede schema’s van componenten, onderdelen, circuits, enz.;

c)

beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van die tekeningen en schema’s en van de werking van het pyrotechnische artikel;

d)

een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, en indien de geharmoniseerde normen niet zijn toegepast, een beschrijving van de wijze waarop aan de essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn is voldaan, inclusief een lijst van andere toegepaste relevante technische specificaties. Bij gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen wordt in de technische documentatie gespecificeerd welke delen zijn toegepast;

e)

berekeningen voor ontwerpen, uitgevoerde controles, enz.;

f)

testverslagen.

De fabrikant houdt tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel de technische documentatie ter beschikking van de relevante nationale autoriteiten.

3.   Fabricage

De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricage- en controleproces waarborgt dat de vervaardigde pyrotechnisch artikelen aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoen.

4.   Keuring

Een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie verricht de nodige onderzoeken en tests als omschreven in de relevante geharmoniseerde normen en/of gelijkwaardige tests opgenomen in andere relevante technische specificaties, of laat die verrichten, om te controleren of het pyrotechnische artikel met de toepasselijke eisen van deze richtlijn overeenstemt. Indien er geen geharmoniseerde normen zijn, beslist de aangemelde instantie over de te verrichten passende tests.

De aangemelde instantie geeft een conformiteitscertificaat af voor de verrichte onderzoeken en tests, en brengt haar identificatienummer aan op het goedgekeurde pyrotechnisch artikel of laat dit onder haar verantwoordelijkheid aanbrengen.

De fabrikant houdt de conformiteitscertificaten tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel ter beschikking van de nationale autoriteiten.

5.   CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

5.1.

De fabrikant brengt de CE-markering en, onder verantwoordelijkheid van de in punt 4 bedoelde aangemelde instantie, het identificatienummer van die instantie aan op elk pyrotechnisch artikel dat aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoet.

5.2.

De fabrikant stelt een EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het pyrotechnische artikel beschreven.

Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring wordt op verzoek aan de relevante autoriteiten verstrekt.

MODULE H:   conformiteit op basis van volledige kwaliteitsborging

1.   Met „conformiteit op basis van volledige kwaliteitsborging” wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2 en 5 nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat de betrokken pyrotechnische artikelen aan de op hen toepasselijke eisen van deze Richtlijn voldoen.

2.   Fabricage

De fabrikant past op het ontwerp, de fabricage, de eindproductcontrole en de beproeving van de betrokken pyrotechnische artikelen een goedgekeurd kwaliteitssysteem als bedoeld in punt 3 toe, waarop overeenkomstig punt 4 toezicht wordt uitgeoefend.

3.   Kwaliteitssysteem

3.1.

De fabrikant dient voor de betrokken pyrotechnische artikelen bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag tot beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

De aanvraag omvat:

a)

naam en adres van de fabrikant;

b)

de technische documentatie voor één model van elke te vervaardigen categorie pyrotechnische artikelen. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:

een algemene beschrijving van het pyrotechnische artikel;

ontwerp- en fabricagetekeningen, alsmede schema’s van componenten, onderdelen, circuits, enz.;

beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van die tekeningen en schema’s en van de werking van het pyrotechnische artikel;

een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, en indien de geharmoniseerde normen niet zijn toegepast, een beschrijving van de wijze waarop aan de essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn is voldaan, inclusief een lijst van andere relevante technische specificaties die zijn toegepast. Bij gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen wordt in de technische documentatie gespecificeerd welke delen zijn toegepast;

berekeningen voor ontwerpen, uitgevoerde controles, enz.;

testrapporten;

c)

de documentatie over het kwaliteitssysteem;

d)

een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag bij een andere aangemelde instantie is ingediend.

3.2.

Het kwaliteitssysteem waarborgt dat de pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met de toepasselijke eisen van deze richtlijn.

Alle door de fabrikant vastgestelde gegevens, eisen en bepalingen dienen systematisch en geordend bijeen te worden gebracht in een document met schriftelijk vastgelegde beleidsmaatregelen, procedures en instructies. Aan de hand van deze documentatie van het kwaliteitssysteem moeten de kwaliteitsprogramma’s, plannen, handboeken en dossiers eenduidig kunnen worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een behoorlijke beschrijving te bevatten van:

a)

de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot het ontwerp en de productkwaliteit;

b)

de specificaties van het technisch ontwerp, met inbegrip van normen, die worden toegepast en, indien de relevante geharmoniseerde normen niet volledig worden toegepast, de middelen waarmee wordt gewaarborgd dat aan de essentiële veiligheidseisen van deze richtlijn wordt voldaan;

c)

de controle- en keuringstechnieken voor het ontwerp, de procedés en de systematische maatregelen die zullen worden toegepast bij het ontwerpen van de pyrotechnische artikelen van de betrokken categorie;

d)

de daarbij gebruikte fabricage-, kwaliteitsbeheersings- en kwaliteitsborgingstechnieken en -procedés, alsmede de in dat verband systematisch toe te passen maatregelen;

e)

de onderzoeken en tests die vóór, tijdens of na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;

f)

de kwaliteitsdossiers, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel, enz.;

g)

de middelen om controle uit te oefenen op het bereiken van de vereiste ontwerp- en productkwaliteit en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3.

De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen.

Zij veronderstelt dat aan deze eisen wordt voldaan voor elementen van het kwaliteitssysteem die voldoen aan de desbetreffende specificaties van de relevante geharmoniseerde norm.

Het auditteam moet ervaring hebben met kwaliteitsmanagementsystemen; bovendien moet ten minste één lid van het team ervaring hebben met beoordelingen van het betrokken productgebied en de betrokken producttechnologie en op de hoogte zijn van de toepasselijke eisen van deze richtlijn. De audit omvat een inspectiebezoek aan de fabrikant. Het auditteam evalueert de in punt 3.1, onder b), bedoelde technische documentatie om te controleren of de fabrikant zich bewust is van de toepasselijke eisen van deze richtlijn en het vereiste onderzoek kan verrichten om te waarborgen dat het pyrotechnische artikel aan deze eisen voldoet.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld.

In deze kennisgeving zijn de conclusies van de audit opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

3.4.

De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem na te komen en te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

3.5.

De fabrikant brengt de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd op de hoogte van elke voorgenomen wijziging van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem blijft voldoen aan de in punt 3.2 bedoelde eisen dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar beslissing in kennis. In deze kennisgeving zijn de conclusies van het onderzoek opgenomen, evenals de met redenen omklede beoordelingsbeslissing.

4.   Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1.

Het toezicht heeft tot doel te controleren of de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2.

De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de ontwerp-, fabricage-, controle-, test- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name:

a)

de documentatie over het kwaliteitssysteem;

b)

de kwaliteitsdossiers als bedoeld in het deel van het kwaliteitssysteem dat betrekking heeft op het ontwerp, zoals resultaten van analyses, berekeningen, tests, enz.;

c)

de kwaliteitsdossiers als bedoeld in het deel van het kwaliteitssysteem dat betrekking heeft op de fabricage, zoals controleverslagen, test- en ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel.

4.3.

De aangemelde instantie verricht periodieke audits om te controleren of de fabrikant het kwaliteitssysteem onderhoudt en toepast en verstrekt de fabrikant een auditverslag.

4.4.

De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken aan de fabrikant brengen. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig producttests verrichten of laten verrichten om te controleren of het kwaliteitssysteem goed functioneert. Zij verstrekt de fabrikant een verslag van het bezoek en, indien tests zijn verricht, een testverslag.

5.   CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

5.1.

De fabrikant brengt de CE-markering en, onder verantwoordelijkheid van de in punt 3.1 bedoelde aangemelde instantie, het identificatienummer van die instantie aan op elk pyrotechnisch artikel dat aan de toepasselijke eisen van deze richtlijn voldoet.

5.2.

De fabrikant stelt voor elk productmodel een EU-conformiteitsverklaring op en houdt deze verklaring tot tien jaar na het in de handel brengen van het pyrotechnische artikel ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het pyrotechnische artikel beschreven.

Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring wordt op verzoek aan de relevante autoriteiten verstrekt.

6.   De fabrikant houdt gedurende een periode van tien jaar nadat het pyrotechnisch artikel in de handel is gebracht de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

a)

de in punt 3.1 bedoelde technische documentatie;

b)

de in punt 3.1 bedoelde documentatie over het kwaliteitssysteem;

c)

de informatie over de in punt 3.5 bedoelde wijzigingen zoals deze zijn goedgekeurd;

d)

de in de punten 3.5, 4.3 en 4.4 bedoelde beslissingen en verslagen van de aangemelde instantie.

7.   Elke aangemelde instantie brengt de autoriteiten die haar hebben aangemeld op de hoogte van de verleende en ingetrokken goedkeuringen voor kwaliteitssystemen en verstrekt deze autoriteiten op gezette tijden of op verzoek een lijst van geweigerde, geschorste of anderszins beperkte goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.

Elke aangemelde instantie brengt de andere aangemelde instanties op de hoogte van de door haar geweigerde, geschorste of ingetrokken goedkeuringen voor kwaliteitssystemen alsmede, op verzoek, van de door haar verleende goedkeuringen voor kwaliteitssystemen.


BIJLAGE III

EU-CONFORMITEITSVERKLARING (Nr. XXXX)  (1)

1.

Registratienummer overeenkomstig artikel 9:

2.

Product-, partij- of serienummer:

3.

Naam en adres van de fabrikant:

4.

Deze conformiteitsverklaring wordt verstrekt onder volledige verantwoordelijkheid van de fabrikant:

5.

Voorwerp van de verklaring (beschrijving aan de hand waarvan het product kan worden getraceerd):

6.

Het hierboven beschreven voorwerp is in overeenstemming de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie:

7.

Vermelding van de toegepaste relevante geharmoniseerde normen of van de andere technische specificaties waarop de conformiteitsverklaring betrekking heeft:

8.

De aangemelde instantie … (naam, nummer) heeft een … (werkzaamheden beschrijven) uitgevoerd en het certificaat verstrekt:

9.

Aanvullende informatie:

 

Ondertekend voor en namens:

 

(plaats en datum van afgifte):

 

(naam, functie) (handtekening):


(1)  De toekenning van een nummer aan de conformiteitsverklaring door de fabrikant is facultatief.


BIJLAGE IV

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met de wijziging ervan

(bedoeld in artikel 48)

Richtlijn 2007/23/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 154 van 14.6.2007, blz. 1)

 

Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12)

Uitsluitend punt h) van artikel 26, lid 1

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassingsdatum

(bedoeld in artikel 48)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

2007/23/EG

4 januari 2010

4 juli 2010 (vuurwerk van de categorieën F1, F2 en F3)

4 juli 2013 (vuurwerk van categorie F4, andere pyrotechnische artikelen en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik)


BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 2007/23/EG

Deze richtlijn

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 2

Artikel 1, lid 3

Artikel 2, lid 1

Artikel 1, lid 4, onder a)

Artikel 2, lid 2, onder a)

Artikel 1, lid 4, onder b)

Artikel 2, lid 2, onder b)

Artikel 1, lid 4, onder c)

Artikel 2, lid 2, onder c)

Artikel 1, lid 4, onder d)

Artikel 2, lid 2, onder d)

Artikel 1, lid 4, onder e)

Artikel 2, lid 2, onder e)

Artikel 1, lid 4, onder f)

Artikel 2, lid 2, onder f), en artikel 3, lid 5

Artikel 2, lid 1

Artikel 3, lid 1

Artikel 2, lid 2, eerste zin

Artikel 3, lid 8

Artikel 2, lid 2, tweede zin

Artikel 2, lid 2, onder g)

Artikel 2, lid 3

Artikel 3, lid 2

Artikel 2, lid 4

Artikel 3, lid 3

Artikel 2, lid 5

Artikel 3, lid 4

Artikel 2, lid 6

Artikel 3, lid 9

Artikel 2, lid 7

Artikel 3, lid 10

Artikel 2, lid 8

Artikel 3, lid 11

Artikel 2, lid 9

Artikel 3, lid 14

Artikel 2, lid 10

Artikel 3, lid 6

Artikel 3, lid 7

Artikel 3, lid 12

Artikel 3, lid 13

Artikel 3, leden 15 tot en met 22

Artikel 3, lid 1

Artikel 6, lid 1

Artikel 3, lid 2

Artikel 6, lid 2

Artikel 4, lid 1

Artikel 8, lid 1

Artikel 4, lid 2, eerste alinea

Artikel 12, leden 1 tot en met 9, en artikel 14

Artikel 4, lid 2, tweede alinea

Artikel 14

Artikel 4, lid 3

Artikel 13, lid 1, en artikel 13, lid 2, eerste alinea

Artikel 13, lid 2, tweede alinea

Artikel 13, lid 3

Artikel 13, lid 4

Artikel 13, lid 5

Artikel 4, lid 4, onder a)

Artikel 8, lid 2, eerste alinea

Artikel 4, lid 4, onder b)

Artikel 8, lid 2, tweede alinea, en artikel 8, lid 5

Artikel 8, lid 3, lid 4 en leden 6 tot en met 9

Artikel 15

Artikel 9

Artikel 5, lid 1

Artikel 5

Artikel 5, lid 2

Artikel 6, lid 1

Artikel 4, lid 1

Artikel 6, lid 2

Artikel 4, lid 2

Artikel 6, lid 3

Artikel 4, lid 3

Artikel 6, lid 4

Artikel 4, lid 4

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 1

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 3

Artikel 7, lid 3

Artikel 7, lid 4

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 8, lid 3, eerste zin

Artikel 8, lid 3, tweede zin

Artikel 16

Artikel 8, lid 3, derde zin

Artikel 8, lid 4

Artikel 9

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 10, lid 1

Artikel 21 en artikel 30, lid 1

Artikel 10, lid 2

Artikel 30, lid 2

Artikel 10, lid 3

Artikelen 25 en 26

Artikel 10, lid 4

Artikel 31, lid 1

Artikel 10, lid 5

Artikel 31, lid 2

Artikel 10, lid 6

Artikelen 22 tot en met 24

Artikelen 27 tot en met 29

 

Artikelen 32 tot en met 37

Artikel 11, lid 1

Artikel 20, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 19

Artikel 11, lid 3

Artikel 19

Artikel 20, lid 2

 

Artikel 20, lid 3

Artikel 20, lid 4

Artikel 20, lid 5

Artikel 12, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 10, lid 2

Artikel 12, lid 3

Artikel 10, lid 3

Artikel 12, lid 4

Artikel 10, lid 4

Artikel 12, lid 5

Artikel 10, lid 5

Artikel 12, lid 6

Artikel 13, lid 1

Artikel 11, lid 1

Artikel 13, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikel 13, lid 3

Artikel 11, lid 3

Artikel 14, lid 1

Artikel 38, lid 1

Artikel 14, lid 2

Artikel 38, lid 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 38, lid 2

Artikel 14, lid 4

Artikel 38, lid 2

Artikel 14, lid 5

Artikel 38, lid 3

Artikel 14, lid 6

Artikel 38, lid 2

Artikel 14, lid 7

Artikel 38, lid 2

Artikel 15

Artikel 39, lid 1, eerste alinea

Artikel 39, lid 1, tweede, derde en vierde alinea

Artikel 39, leden 2 tot en met 8

Artikel 16, lid 1

Artikel 40, lid 1, eerste alinea

Artikel 16, lid 2

Artikel 40, leden 2 en 3

Artikel 16, lid 3

Artikel 42, lid 1, onder a)

Artikel 40, lid 1, tweede alinea

Artikel 41

Artikel 42, lid 1, onder b) tot en met h), en Artikel 42, lid 2

Artikel 17, lid 1

Artikel 38, lid 2

Artikel 17, lid 2

Artikel 38, lid 2

Artikel 18, lid 1

Artikel 18, lid 2

Artikel 43

Artikel 19

Artikel 44

Artikel 20

Artikel 45

Artikel 46, lid 1

Artikel 21, lid 1

Artikel 47, lid 1, eerste alinea

Artikel 21, lid 2

Artikel 47, lid 1, tweede alinea

Artikel 47, lid 2

Artikel 21, lid 3

Artikel 47, lid 3

Artikel 21, lid 4

Artikel 47, lid 4

Artikel 21, lid 5

Artikel 46, leden 2 en 3

Artikel 21, lid 6

Artikel 46, lid 4

Artikel 46, lid 5

Artikel 48

Artikel 22

Artikel 49

Artikel 23

Artikel 50

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 2

Bijlage I, punt 2

Bijlage I, punt 3

Bijlage I, punt 3

Bijlage I, punt 4, onder a)

Bijlage I, punt 4

Bijlage I, punt 4, onder b)

Bijlage I, punt 4

Bijlage I, punt 5

Bijlage I, punt 5

Bijlage II, punt 1

Bijlage II, module B

Bijlage II, punt 2

Bijlage II, module C2

Bijlage II, punt 3

Bijlage II, module D

Bijlage II, punt 4

Bijlage II, module E

Bijlage II, punt 5

Bijlage II, module G

Bijlage II, punt 6

Bijlage II, module H

Bijlage III

Artikel 25

Bijlage IV

Artikel 19

Bijlage III

Bijlage IV

Bijlage V


28.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 178/66


RICHTLIJN 2013/30/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 juni 2013

betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt de doelstellingen van behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Het schrijft voor dat elk optreden van de Unie moet worden ondersteund door een hoog niveau van bescherming op basis van het voorzorgsbeginsel, en van het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(2)

Deze richtlijn heeft tot doel de kans op zware ongevallen met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten zo veel mogelijk te verkleinen en de gevolgen ervan te beperken. Op die manier wil zij het mariene milieu en kusteconomieën tegen verontreiniging beschermen, alsook minimumvoorwaarden vastleggen voor veilige offshore olie- en gasexploratie en -exploitatie, en mogelijke onderbrekingen in de eigen energieproductie van de Unie beperken en de reactiemechanismen bij ongevallen verbeteren.

(3)

Deze richtlijn moet niet enkel op toekomstige offshore olie- en gasinstallaties en activiteiten van toepassing zijn, maar, behoudens overgangsmaatregelen ook op bestaande installaties.

(4)

Zware ongevallen met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten hebben waarschijnlijk verwoestende en onomkeerbare gevolgen voor het mariene en het kustmilieu, alsmede grote negatieve effecten op de kusteconomieën.

(5)

De ongevallen met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten, met name het ongeval in de Golf van Mexico in 2010, hebben het publiek bewust gemaakt van de risico’s die verbonden zijn aan offshore olie- en gasactiviteiten en hebben aanleiding gegeven tot een aantal beleidsherzieningen met het oog op de veiligheid van dergelijke activiteiten. De Commissie lanceerde een herziening van offshore olie- en gasactiviteiten en bracht haar eerste bevindingen over de veiligheid van dergelijke activiteiten samen in haar mededeling „De veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten beter waarborgen” van 13 oktober 2010. Het Europees Parlement heeft op 7 oktober 2010 en 13 september 2011 resoluties over dit thema aangenomen. De ministers van de verschillende lidstaten die verantwoordelijk zijn voor energie hebben hun standpunt te kennen gegeven in de conclusies van de Raad van 3 december 2010.

(6)

De risico’s in verband met zware offshore olie- of gasongevallen zijn aanzienlijk. Door het risico van verontreiniging van offshore wateren te verkleinen, draagt deze richtlijn bij tot het zorgen voor de bescherming van het mariene milieu en in het bijzonder tot het bereiken of het in stand houden van een goede milieutoestand tegen uiterlijk 2020, zoals beoogd in Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (3).

(7)

Richtlijn 2008/56/EG heeft als een van haar kerndoelstellingen de totale impact van alle activiteiten op het mariene milieu aan te pakken en vormt de milieupijler van het geïntegreerde maritieme beleid. Dat beleid is van belang voor offshore olie- en gasactiviteiten, aangezien het de specifieke redenen voor bezorgdheid van elke economische sector koppelt aan de algemene doelstelling van het zorgen voor een omvattend inzicht in de oceanen, zeeën en kustgebieden, teneinde een coherente benadering van de zeeën te ontwikkelen, waarbij met alle economische, ecologische en sociale aspecten rekening wordt gehouden via het gebruik van maritieme ruimtelijke ordening en mariene kennis.

(8)

Er zijn in een aantal regio’s van de Unie offshore olie- en gasindustrieën gevestigd en er zijn plannen voor enkele nieuwe regionale ontwikkelingen in de offshorewateren van de lidstaten, met technologische ontwikkelingen die het boren in moeilijker omstandigheden mogelijk maken. De offshore olie- en gasproductie is een belangrijk element van de energievoorzieningszekerheid in de Unie.

(9)

Het bestaande uiteenlopende en versnipperde regelgevend kader dat van toepassing is op de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten in de Unie, alsook de huidige veiligheidspraktijken in de sector waarborgen onvoldoende dat risico’s van offshore-ongevallen tot een minimum worden beperkt en dat bij eventuele ongevallen in offshorewateren van de lidstaten tijdig de meest doeltreffende reactie volgt. Op basis van de huidige aansprakelijkheidsregelingen is het niet altijd mogelijk om de aansprakelijke partij duidelijk aan te wijzen, en deze is soms ook niet in staat, of niet wettelijk verplicht, om alle kosten voor de schade die de ramp heeft aangericht, te vergoeden. De verantwoordelijke partij moet altijd duidelijk te bepalen zijn voordat offshore olie- en gasactiviteiten worden begonnen.

(10)

Krachtens Richtlijn 94/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de voorwaarden voor het verlenen en het gebruikmaken van vergunningen voor de prospectie, de exploratie en de productie van koolwaterstoffen (4) mogen offshore olie- en gasactiviteiten in de Unie worden uitgevoerd na het verkrijgen van een vergunning. In dit kader moet de vergunningverlenende autoriteit de technische en financiële risico’s in overweging nemen, alsook waar mogelijk het aansprakelijkheidsverleden van kandidaten die exclusieve exploratie- en productievergunningen aanvragen. Het is nodig dat de vergunningverlenende autoriteit bij het onderzoek naar de technische bekwaamheden en financiële draagkracht van de vergunninghouder ook grondig nagaat of hij in alle verwachte omstandigheden ononderbroken, veilige en doeltreffende activiteiten kan waarborgen. Bij de beoordeling van de financiële draagkracht van entiteiten die een vergunning aanvragen op grond van Richtlijn 94/22/EG, gaan de lidstaten na of deze entiteiten op passende wijze hebben aangetoond dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn of zullen zijn om alle uit zware ongevallen voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen.

(11)

Verduidelijkt moet worden dat houders van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten uit hoofde van Richtlijn 94/22/EG ook de aansprakelijke „exploitanten” zijn in de zin van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (5) en bijgevolg hun verantwoordelijkheden in dit opzicht niet aan door hen aangenomen derden mogen overdragen.

(12)

Hoewel de algemene vergunningen overeenkomstig Richtlijn 94/22/EG de vergunninghouders exclusieve rechten verlenen voor de exploratie en productie van olie of gas in een bepaald gebied waarvoor een vergunning geldt, moeten de offshore olie- en gasactiviteiten in dat gebied worden onderworpen aan een ononderbroken en deskundig regelgevend toezicht door de lidstaten. Op die manier wordt gewaarborgd dat er effectieve controles plaatsvinden om zware ongevallen te vermijden en om hun impact op personen, het milieu en de energievoorzieningszekerheid te beperken.

(13)

Offshore olie- en gasactiviteiten mogen alleen worden uitgevoerd door exploitanten die door vergunninghouders of vergunningverlenende autoriteiten zijn aangesteld. De exploitant kan een derde zijn of de vergunninghouder of een van de vergunninghouders, afhankelijk van handelsafspraken of nationale administratieve vereisten. De exploitant moet altijd de entiteit zijn die in eerste instantie verantwoordelijk is voor de veiligheid van de activiteiten en moet dienaangaande altijd bevoegdheid tot handelen hebben. Zijn rol verschilt naargelang de specifieke fase van de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend. In de exploratiefase bestaat de rol van de exploitant derhalve erin een boorput te exploiteren, en in de productiefase een productie-installatie. De exploitant van een boorput in de exploratiefase en de exploitant van een productie-installatie moeten voor een bepaald vergunningsgebied dezelfde entiteit kunnen zijn.

(14)

Exploitanten moeten het risico van een zwaar ongeval zover terugdringen als redelijkerwijs haalbaar is, tot het niveau waar de kosten van verdere risicoreductie volstrekt onevenredig zouden zijn met de voordelen van een dergelijke terugdringing. De redelijke haalbaarheid van maatregelen inzake risicoreductie moet constant getoetst worden aan nieuwe inzichten en technologische ontwikkelingen. Bij het beoordelen of tijd, kosten en inspanningen volstrekt onevenredig zouden zijn met de voordelen van verdere risicoreductie, moet worden gekeken naar de tot de beste praktijken behorende risiconiveaus die passen bij de onderneming.

(15)

Het is van belang er zorg voor te dragen dat het publiek in een vroeg stadium echte kansen krijgt om deel te nemen aan de besluitvorming omtrent activiteiten die mogelijk grote invloed hebben op het milieu in de Unie. Dit beleid strookt met de internationale verbintenissen van de Unie, zoals het VN-ECE-Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (6) (het Verdrag van Aarhus). Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus voorziet in inspraak in besluiten over specifieke in bijlage I bij dat Verdrag vermelde activiteiten en over niet daarin vermelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu kunnen hebben. Krachtens artikel 7 van het Verdrag van Aarhus moet worden voorzien in inspraak betreffende milieuplannen en -programma’s.

(16)

Soortgelijke eisen bestaan in de wetgeving van de Unie met betrekking tot de ontwikkeling van plannen en projecten, met name in Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (7), Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu (8), Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (9) en Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (10). Niet alle activiteiten in verband met olie- en gasexploratie vallen echter onder de bestaande Unievoorschriften inzake inspraak bij de besluitvorming. Dit geldt met name voor de besluitvorming die gericht is op of kan leiden tot het starten van exploratieactiviteiten vanuit een niet-productie-installatie. Die exploratieactiviteiten kunnen in bepaalde omstandigheden evenwel aanzienlijke effecten op het milieu hebben en het publiek moet dan ook inspraak hebben bij de besluitvorming, zoals vereist in het Verdrag van Aarhus.

(17)

Binnen de Unie zijn er al voorbeelden van goede normen in nationale regelgevingspraktijken met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten. Deze normen worden echter op onsamenhangende wijze toegepast in de gehele Unie en geen enkele lidstaat heeft tot dusver alle beste regelgevingspraktijken in zijn wetgeving opgenomen om ernstige offshore-ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan voor het menselijk leven, de menselijke gezondheid en het milieu te beperken. De beste regelgevingspraktijken zijn nodig om tot een effectieve regelgeving te komen die de hoogste veiligheidsnormen waarborgt en het milieu beschermt en kunnen, onder meer, worden verwezenlijkt door dergelijke functies in een bevoegde autoriteit bijeen te brengen, die van de middelen van één of meer nationale organen gebruik kan maken.

(18)

Overeenkomstig Richtlijn 92/91/EEG van de Raad van 3 november 1992 betreffende minimumvoorschriften ter verbetering van de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers in de winningsindustrieën die delfstoffen winnen met behulp van boringen (elfde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) (11) moeten de werknemers en/of hun vertegenwoordigers worden geraadpleegd over zaken die verband houden met de veiligheid en gezondheid op het werk en moeten zij de kans krijgen om deel te nemen aan debatten over alle aspecten van veiligheid en gezondheid op het werk. Voorts is de beste praktijk in de Unie dat overlegmechanismen formeel door de lidstaten worden vastgesteld in het tripartiete overleg met de bevoegde autoriteit, de exploitanten en eigenaars, en werknemersorganisaties. Een voorbeeld van een dergelijk formeel overleg is Verdrag 144 betreffende tripartiete raadpleging (internationale arbeidsnormen) van de Internationale Arbeidsorganisatie uit 1976.

(19)

De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteit wettelijk bevoegd is en voldoende middelen ter beschikking heeft zodat zij doelmatige, evenredige en transparante handhavingsmaatregelen kan nemen, waaronder in voorkomend geval de stopzetting van de activiteiten, wanneer de veiligheidsprestaties en de milieubescherming door exploitanten en eigenaars ondermaats zijn.

(20)

De onafhankelijkheid en de objectiviteit van de bevoegde autoriteit moeten worden gewaarborgd. In dit verband blijkt uit ervaringen met zware offshore-ongevallen duidelijk dat de organisatie van administratieve bevoegdheden binnen een lidstaat belangenconflicten kan voorkomen door een duidelijke scheiding tussen de wettelijk opgedragen functies en de hiermee samenhangende besluiten betreffende offshoreveiligheid en milieu, en de wettelijk opgedragen functies die verband houden met de economische ontwikkeling van offshore natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van het verlenen van vergunningen en het beheer van inkomsten. Dergelijke belangenconflicten kunnen het best worden voorkomen door te zorgen voor een volledige scheiding tussen de bevoegde autoriteit en de functies die verband houden met de economische ontwikkeling van offshore natuurlijk hulpbronnen.

(21)

Volledige scheiding tussen de bevoegde autoriteit en de economische ontwikkeling van offshore natuurlijke hulpbronnen kan echter onevenredig zijn wanneer er in een lidstaat geringe offshore olie- en gasactiviteiten plaatsvinden. In een dergelijk geval wordt er van de betrokken lidstaat verwacht dat hij de beste alternatieve regelingen treft om de onafhankelijkheid en de objectiviteit van de bevoegde autoriteit te waarborgen.

(22)

Er is specifieke wetgeving nodig om de grote gevaren in de offshore olie- en gassector, met name op het gebied van procesveiligheid, een veilige insluiting van koolwaterstoffen, structurele integriteit, voorkoming van brand en explosies, evacuatie, ontsnapping en redding en beperking van de milieueffecten van een zwaar ongeval aan te pakken.

(23)

Deze richtlijn moet worden toegepast onverminderd de eisen op grond van andere wetgevingshandelingen van de Unie, met name op het gebied van veiligheid en gezondheid van werknemers op het werk, in het bijzonder Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (12) en Richtlijn 92/91/EEG.

(24)

Een offshoreregeling moet zowel van toepassing zijn op activiteiten die op vaste en op mobiele installaties worden uitgevoerd, alsook op alle exploratie- en productieactiviteiten van het ontwerp tot de buitenbedrijfstelling en definitieve ontmanteling van platformen.

(25)

De beste praktijken die momenteel beschikbaar zijn voor de preventie van zware ongevallen bij offshore olie- en gasactiviteiten zijn gebaseerd op het stellen van doelen en op de verwezenlijking van wenselijke resultaten door middel van een grondige risicobeoordeling en betrouwbare beheersingssystemen.

(26)

Overeenkomstig de beste praktijken in de Unie worden exploitanten en eigenaars aangemoedigd om een efficiënt veiligheids- en milieubeleid voor bedrijven uit te werken, en dit uit te voeren binnen een uitgebreid veiligheids- en milieubeheersysteem en een bestaand rampenplan. Teneinde geschikte maatregelen te kunnen nemen voor het voorkomen van zware ongevallen, moeten exploitanten en eigenaars een volledig en systematisch overzicht opstellen van alle scenario’s inzake grote gevaren met betrekking tot alle mogelijke gevaarlijke activiteiten op die installaties, met inbegrip van de gevolgen van zware ongevallen voor het milieu. Deze beste praktijken vereisen ook een evaluatie van de kans op, de gevolgen van en dus het risico van die grote gevaren, alsmede van de maatregelen die nodig zijn om deze te beheersen en van de reactie op noodsituaties als zich toch een ernstig ongeval voordoet. De risico-evaluaties en de regelingen voor het voorkomen van grote ongevallen moeten duidelijk beschreven worden in het rapport inzake grote gevaren. Het rapport inzake grote gevaren moet een aanvulling vormen op het veiligheids- en gezondheidsdocument als bedoeld in Richtlijn 92/91/EEG. Werknemers moeten worden geraadpleegd in de relevante fasen van het opstellen van het rapport inzake grote gevaren. Het rapport inzake grote gevaren moet grondig worden beoordeeld, en worden aanvaard, door de bevoegde autoriteit.

(27)

Teneinde de doeltreffendheid van controles op risico’s van zware ongevallen in de offshorewateren van de lidstaten te handhaven, moet het rapport inzake grote gevaren worden opgesteld en, indien nodig, gewijzigd ten aanzien van elk belangrijk aspect van de levenscyclus van een productie-installatie, met inbegrip van het ontwerp, het gebruik, de activiteiten in combinatie met andere installaties, de verplaatsing van de installatie binnen de offshore wateren van de betrokken lidstaat, grote wijzigingen en de definitieve ontmanteling. Evenzo moet een rapport inzake grote gevaren worden opgesteld voor niet-productie-installaties, en worden gewijzigd voor zover nodig om aanmerkelijke veranderingen aan de installatie in aanmerking te nemen. In de offshorewateren van de lidstaten kan een installatie alleen worden geëxploiteerd indien de bevoegde autoriteit een rapport inzake grote gevaren heeft aanvaard dat is ingediend door de exploitant of de eigenaar. Aanvaarding door de bevoegde autoriteit van het rapport inzake grote gevaren betekent niet dat de exploitant of de eigenaar enige verantwoordelijkheid voor de beheersing van grote gevaren kan overdragen aan de bevoegde autoriteit.

(28)

Boorputactiviteiten mogen uitsluitend worden verricht door een installatie die technisch uitgerust is om alle bij een olie- of gasboorput voorzienbare gevaren te beheersen en waarvoor een rapport inzake grote gevaren is aanvaard.

(29)

De exploitant moet niet alleen een geschikte installatie gebruiken, maar hij moet ook een gedetailleerd ontwerpplan en een uitvoeringsplan opstellen voor de specifieke omstandigheden en gevaren van elke boorputactiviteit. Overeenkomstig de beste praktijken in de Unie moet de exploitant het ontwerp van de boorput door onafhankelijke deskundigen laten onderzoeken. De exploitant moet een kennisgeving van zijn boorputplannen aan de bevoegde autoriteit bezorgen zodat die voldoende tijd heeft om de nodige maatregelen met betrekking tot de geplande boorputactiviteit te treffen. In dit verband kunnen de lidstaten strengere nationale eisen stellen voordat met een boorputactiviteit wordt begonnen.

(30)

Teneinde een veilig ontwerp en ononderbroken veilige activiteiten te waarborgen, moet de sector de beste praktijken toepassen die in gezaghebbende normen en richtsnoeren zijn bepaald. Deze normen en richtsnoeren moeten worden aangepast op basis van nieuwe kennis en ontdekkingen en zij moeten steeds worden verbeterd. Exploitanten, eigenaars en bevoegde autoriteiten moeten samenwerken om prioriteiten te bepalen om nieuwe of verbeterde normen en richtsnoeren vast te stellen in het licht van de ervaring met het Deepwater Horizon ongeval en andere zware ongevallen. Met het oog op de gestelde prioriteiten moet onverwijld opdracht worden gegeven tot de opstelling van nieuwe of verbeterde normen en richtsnoeren.

(31)

Gezien het complexe karakter van offshore olie- en gasactiviteiten vergt de tenuitvoerlegging van beste praktijken door de exploitanten en eigenaren een regeling voor een onafhankelijke verificatie van veiligheids- en milieukritische elementen tijdens de hele levenscyclus van de installatie waaronder, in het geval van productie- en vaste installaties, de ontwerpfase.

(32)

Wanneer mobiele offshore boorinstallaties verplaatst worden en als schepen moeten worden beschouwd, zijn zij onderworpen aan internationale zeeverdragen, met name Solas, Marpol of de equivalente normen van de toepasselijke versie van de Code voor de bouw en uitrusting van mobiele offshoreboorinstallaties (MODU-code). Dergelijke mobiele offshoreboorinstallaties die in offshorewateren verplaatst worden zijn tevens onderworpen aan het uniale recht betreffende havenstaatcontrole en naleving van de vlaggenstaatvereisten. Deze richtlijn heeft betrekking op dergelijke installaties wanneer zij in offshorewateren gestationeerd zijn met het oog op boringen, productie of andere activiteiten die verband houden met offshore olie- en gasactiviteiten.

(33)

Het rapport inzake grote gevaren moet onder andere ook de risico’s voor het milieu omvatten, met inbegrip van het effect van klimaatomstandigheden en klimaatverandering op de bestendigheid op lange termijn van de installaties. Aangezien offshore olie- en gasactiviteiten die plaatsvinden in een bepaalde lidstaat belangrijke nadelige milieueffecten kunnen hebben in een andere lidstaat, moeten er bovendien specifieke bepalingen worden vastgelegd en toegepast overeenkomstig het VN-ECE -Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend te Espoo, Finland, op 25 februari 1991. lidstaten met offshorewateren waar geen offshore olie- en gasactiviteiten plaatsvinden, moeten contactpunten aanwijzen om effectieve samenwerking op dit terrein te vergemakkelijken.

(34)

Exploitanten moeten lidstaten er onverwijld van in kennis stellen wanneer een zwaar ongeval plaatsvindt, of dreigt te zullen plaatsvinden, zodat die lidstaten daarop in voorkomend geval kunnen reageren. Daarom moeten exploitanten in de kennisgeving voldoende geschikte gegevens opnemen over de plaats, de omvang en de aard van het feitelijke of dreigende zware ongeval, hun eigen reactie, het worst case scenario met mogelijke escalatie, ook wat betreft mogelijke grensoverschrijdende gevolgen.

(35)

Met het oog op een effectieve reactie op noodsituaties moeten exploitanten locatiespecifieke interne rampenplannen opstellen op basis van de in het rapport inzake grote gevaren vastgestelde risico’s en gevarenscenario’s; zij moeten die plannen vervolgens bij hun bevoegde autoriteit indienen en voldoende middelen aanhouden om de plannen zo nodig snel uit te voeren. In het geval van offshore boorinstallaties moeten exploitanten er voor zorgen dat het interne rampenplannen van de eigenaar voor de installatie worden gewijzigd voor zover als nodig is voor de toepassing op gevaren op de specifieke locatie en bij booractiviteiten. Dergelijke wijzigingen moeten worden opgenomen in de kennisgeving van de booractiviteiten. Of de beschikbaarheid van reactiemiddelen voor noodsituaties toereikend is, moet worden beoordeeld aan de hand van het vermogen om deze op de locatie van een ongeval in te zetten. De paraatheid en de doeltreffendheid van de reactiemiddelen voor noodsituaties moeten door de exploitanten worden verzekerd en regelmatig worden getest. Indien naar behoren gerechtvaardigd, mogen de reactieregelingen gebaseerd zijn op het snelle vervoer van reactie-uitrusting zoals overkappingsvoorzieningen en andere middelen, vanaf verafgelegen locaties.

(36)

De wereldwijde beste praktijk vereist dat vergunninghouders, exploitanten en eigenaars in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het beheersen van de risico’s die zij creëren met hun activiteiten, waaronder activiteiten die voor hun rekening door aannemers worden uitgevoerd, en bijgevolg moeten zij in het kader van een bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen een mechanisme instellen zodat bedoeld beleid in de hele organisatie in en buiten de Unie door de hoogste bedrijfsleiding consistent kan worden uitgevoerd.

(37)

Verantwoordelijke exploitanten en eigenaars behoren hun activiteiten wereldwijd uit te voeren overeenkomstig de beste praktijken. De consistente toepassing van dergelijke beste praktijken en normen moet in de Unie verplicht worden, en het is wenselijk dat exploitanten en eigenaars die zijn geregistreerd op het grondgebied van een lidstaat, het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen toepassen wanneer zij buiten de offshorewateren van de lidstaten actief zijn, voor zover mogelijk binnen het toepasselijke nationale rechtskader.

(38)

Hoewel moet worden erkend dat de toepassing van het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen buiten de Unie wellicht niet kan worden afgedwongen, moeten de lidstaten erop toezien dat exploitanten en eigenaars hun offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie opnemen in hun documenten betreffende het beleid ter voorkoming van zware ongevallen.

(39)

Informatie over zware ongevallen bij offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie kan helpen beter inzicht te verwerven in hun mogelijke oorzaken, alsook bij het bevorderen van het leren van essentiële lessen en bij het verder uitbouwen van het regelgevend kader. Daarom moeten alle lidstaten, ook de lidstaten zonder offshorewateren en de lidstaten met offshorewateren waar geen offshore olie- en gasactiviteiten of vergunningverlening plaatsvinden, verzoeken om rapporten over zware ongevallen die plaatsvinden buiten de Unie en waarbij op hun grondgebied geregistreerde bedrijven betrokken zijn, en moeten zij deze informatie op Unieniveau delen. De rapportagevereisten mogen de rampenbestrijding of de juridische procedures in verband met het ongeval niet doorkruisen. Zij moeten gericht zijn op de betekenis van het ongeval voor de verdere verbetering van de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten in de Unie.

(40)

De lidstaten moeten van exploitanten en eigenaars verlangen dat zij bij het toepassen van de beste praktijken effectieve samenwerkingsrelaties met de bevoegde autoriteit ontwikkelen, de beste regelgevende praktijken van de bevoegde autoriteit ondersteunen en pro-actief zorgen voor de hoogste veiligheidsniveaus, onder meer, waar nodig, door het stopzetten van activiteiten zonder dat de bevoegde autoriteit moet optreden.

(41)

Opdat geen enkele relevante veiligheidskwestie over het hoofd wordt gezien of wordt genegeerd, moeten er gepaste middelen worden ontwikkeld en moet worden aangemoedigd dat dergelijke kwesties op vertrouwelijke wijze worden gerapporteerd en dat klokkenluiders worden beschermd. Hoewel de lidstaten buiten de Unie geen naleving van regels kunnen afdwingen, moeten deze middelen de rapportage van redenen voor bezorgdheid van bij offshore olie- en gasactiviteiten betrokken personen buiten de EU mogelijk maken.

(42)

De uitwisseling van vergelijkbare gegevens tussen lidstaten verloopt moeizaam en is onbetrouwbaar omdat het de lidstaten aan een gemeenschappelijk model voor gegevensrapportage ontbreekt. Een gemeenschappelijk model voor het rapporteren van gegevens door exploitanten en eigenaars zou de veiligheids- en milieuprestaties van exploitanten en eigenaars niet alleen transparant maken, maar zou ook relevante en vergelijkbare informatie over de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten in de hele Unie voor het publiek toegankelijk maken en zou de uit zware ongevallen en bijna-ongevallen getrokken lessen kunnen helpen verspreiden.

(43)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitwisseling van informatie en de bevordering van de transparantie van de prestaties van de offshore olie- en gassector te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend wat betreft het rapportagemodel en de bijzonderheden van de informatie die moet worden uitgewisseld en aan het publiek beschikbaar moet worden gesteld. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (13).

(44)

Voor het vaststellen van de desbetreffende uitvoeringshandelingen wordt de adviesprocedure gevolgd, aangezien deze handelingen hoofdzakelijk van praktische aard zijn. Toepassing van de onderzoeksprocedure zou bijgevolg niet terecht zijn.

(45)

Om het vertrouwen van het publiek in het gezag en de integriteit van offshore olie- en gasactiviteiten in de hele Unie te bevorderen, moeten de lidstaten regelmatig activiteiten- en voorvallenrapporten aan de Commissie overleggen. De Commissie moet regelmatig rapporten publiceren over activiteiten en tendensen in de Unie op het gebied van de veiligheids- en de milieuprestaties van de offshore olie- en gassector. Wanneer er een zwaar ongeval plaatsvindt, moeten de lidstaten de Commissie en elke andere lidstaat waar het zware ongeval gevolgen heeft voor het grondgebied of de wateren, alsmede het betrokken publiek, onverwijld hiervan op de hoogte brengen.

(46)

Uit ervaring blijkt dat de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens moet worden gewaarborgd om een open dialoog tussen de bevoegde autoriteit en de exploitant en de eigenaars te kunnen onderhouden. Te dien einde moet de dialoog tussen exploitanten, eigenaars en alle lidstaten gebaseerd zijn op toepasselijke bestaande internationale wetgevingsinstrumenten en de wetgeving van de Unie inzake toegang tot milieugerelateerde informatie die onderworpen is aan een dwingende eis van veiligheid en milieubescherming.

(47)

De waarde van samenwerking tussen offshoreautoriteiten blijkt duidelijk uit de activiteiten van het North Sea Offshore Authorities Forum en het Internationaal Forum van regelgevers. Een soortgelijke samenwerking is in de hele Unie tot stand gebracht door middel van een deskundigengroep, namelijk de EU-Groep van autoriteiten voor offshore olie- en gasactiviteiten (European Union Offshore Oil and Gas Authorities Group — EUOAG) (14) die tot taak heeft de efficiënte samenwerking tussen nationale vertegenwoordigers en de Commissie te bevorderen, onder andere door het verspreiden van beste praktijken en operationele inlichtingen, het vaststellen van prioriteiten inzake aanscherping van de normen, en het adviseren van de Commissie over hervormingen van de regelgeving.

(48)

De nood- en rampenbestrijdingsplannen voor zware ongevallen worden doeltreffender gemaakt door een systematische en geplande samenwerking tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en de olie- en gassector, alsmede door het delen van toepasbare reactiemiddelen voor noodsituaties, bijvoorbeeld deskundigheid. Zo nodig moeten deze reacties en planning ook gebruikmaken van de bestaande middelen en bijstand die in de Unie beschikbaar zijn, in het bijzonder via het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid („het Agentschap”), opgericht bij Verordening (EG) nr. 1406/2002 (15) en het Mechanisme voor civiele bescherming van de Unie, ingesteld bij Beschikking 2007/779/EG, Euratom van de Raad (16). De lidstaten moeten ook de mogelijkheid hebben om extra bijstand van het Agentschap te vragen via het mechanisme voor civiele bescherming van de Unie.

(49)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1406/2002 is het Agentschap opgericht teneinde in de Unie een hoog, uniform en doeltreffend niveau van veiligheid op zee en van voorkoming van verontreiniging door schepen te waarborgen en een reactie op door olie- en gasinstallaties veroorzaakte vervuiling van mariene wateren te verzekeren.

(50)

Bij de tenuitvoerlegging van de verplichtingen krachtens deze richtlijn moet rekening worden gehouden met het feit dat de mariene wateren die onder de soevereiniteit van lidstaten vallen of waarover zij soevereine rechten en jurisdictie uitoefenen, volledig deel uitmaken van de vier mariene regio’s als omschreven in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, namelijk de Oostzee, de noordoostelijke Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Daarom moet de Unie, bij wijze van prioriteit, de coördinatie met derde landen die soevereiniteit of soevereine rechten en jurisdictie hebben over mariene wateren in dergelijke mariene regio’s versterken. Een passend kader voor samenwerking omvat regionale zeeverdragen, als bepaald in artikel 3, punt 10, van Richtlijn 2008/56/EG.

(51)

Met betrekking tot de Middellandse Zee zijn in combinatie met deze richtlijn de nodige stappen gezet opdat de Unie kan toetreden tot het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging die het gevolg is van de exploratie en de exploitatie van het continentaal plat, de zeebodem en de ondergrond daarvan (17) („het offshoreprotocol”) bij het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee („het Verdrag van Barcelona”), gesloten bij Besluit 77/585/EEG van de Raad (18).

(52)

De Arctische wateren vormen een aangrenzend marien milieu dat van bijzonder belang is voor de Unie, en zij spelen een belangrijke rol bij het beperken van de klimaatverandering. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan de ernstige milieuzorgen met betrekking tot de Arctische wateren teneinde te waarborgen dat het milieu in het Noordpoolgebied bij offshore olie- en gasactiviteiten, met inbegrip van exploratie, en rekening houdend met het risico van zware ongevallen en de noodzaak van een doeltreffende reactie, beschermd wordt. De lidstaten die lid zijn van de Arctische Raad worden aangemoedigd actief de hoogste normen ten aanzien van de milieuveiligheid in dit kwetsbare en unieke ecosysteem te propageren, onder meer door middel van het creëren van internationale instrumenten betreffende voorkoming van, paraatheid bij en reactie op olievervuiling van de Arctische wateren, bijvoorbeeld door voort te bouwen op de verwezenlijkingen van de door de Arctische Raad opgerichte Task Force en de bestaande richtsnoeren voor offshore olie- en gasactiviteiten van de Arctische Raad.

(53)

Nationale externe rampenplannen moeten gebaseerd zijn op een risicobeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de rapporten inzake grote gevaren van de installaties in de betrokken offshore wateren. lidstaten moeten de meest actuele richtsnoeren betreffende risicobeoordeling en -kartering met het oog op rampenbeheersing, in acht nemen, zoals die door de Commissie zijn opgesteld.

(54)

Een doeltreffende reactie op noodsituaties vereist onmiddellijke maatregelen van de exploitant en de eigenaar, en een nauwe samenwerking met rampenbestrijdingsorganisaties van de lidstaten die het gebruik van extra reactiemiddelen coördineren naarmate de situatie zich ontwikkelt. Deze reactie moet ook een grondig onderzoek omvatten van de noodsituatie, dat onverwijld moet worden begonnen om verlies van relevante informatie en bewijsmateriaal te voorkomen. Na het noodgeval moeten de lidstaten de juiste conclusies trekken en alle noodzakelijke maatregelen treffen.

(55)

Het is van essentieel belang dat alle relevante informatie, onder meer de technische gegevens en parameters, beschikbaar zijn voor later onderzoek. De lidstaten dragen er zorg voor dat de relevante gegevens tijdens de olie- en gasactiviteiten worden verzameld en bij een ongeval veilig worden gesteld, alsook dat de gegevensverzameling op passende wijze wordt geïntensiveerd. De lidstaten moeten in dit verband het gebruik van passende technische middelen aanmoedigen om de betrouwbaarheid en de gedetailleerdheid van de registers te bevorderen en eventuele manipulatie ervan te voorkomen.

(56)

Teneinde een effectieve tenuitvoerlegging van de eisen van deze richtlijn te waarborgen, moet er worden voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op inbreuken.

(57)

Teneinde bepaalde bijlagen aan te passen om aanvullende informatie op te nemen die door de technische vooruitgang noodzakelijk kan worden, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de eisen in sommige bijlagen bij deze richtlijn. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handeling ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(58)

De definitie van schade aan wateren in Richtlijn 2004/35/EG moet worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat de aansprakelijkheid van de vergunninghouders op grond van die ríchtlijn van toepassing is op de mariene wateren van de lidstaten als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG.

(59)

Een groot aantal bepalingen van deze richtlijn zijn niet relevant voor landen die geen offshore wateren hebben, met name Oostenrijk, Tsjechië, Hongarije, Luxemburg en Slowakije. Niettemin is het wenselijk dat deze lidstaten de beginselen en hoge normen op het gebied van de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten van het recht van de Unie propageren in hun bilaterale contacten met derde landen en met de betrokken internationale organisaties.

(60)

Niet alle lidstaten met offshorewateren laten offshore olie- en gasactiviteiten toe in de gebieden onder hun jurisdictie. Deze lidstaten zijn niet betrokken bij de vergunningverlening en de voorkoming van zware ongevallen bij dergelijke activiteiten. Daarom zou het onevenredig en onnodig zijn deze lidstaten te verplichten alle bepalingen van deze richtlijn om te zetten en uit te voeren. Toch kunnen ongevallen tijdens offshore olie- en gasactiviteiten gevolgen hebben voor hun kusten. Daarom moeten deze lidstaten onder meer bereid zijn te reageren en onderzoek uit te voeren bij zware ongevallen, en moeten zij via contactpunten samenwerken met andere betrokken lidstaten en betrokken derde landen.

(61)

Gezien hun geografische ligging zijn lidstaten zonder offshorewateren niet betrokken bij de vergunningverlening en bij de voorkoming van zware ongevallen bij offshore olie- en gasactiviteiten, noch kunnen dergelijke ongevallen in de offshorewateren van andere lidstaten gevolgen voor hen hebben. De meeste bepalingen in deze richtlijn zouden derhalve niet door hen behoeven te worden omgezet. Indien evenwel een onderneming, die zelf of via dochterondernemingen offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie verricht, in een lidstaat zonder offshorewateren staat geregistreerd, moet die lidstaat de betreffende onderneming verzoeken een verslag over dergelijke ongevallen voor te leggen dat op het niveau van de Unie kan worden gedeeld, opdat alle belanghebbenden in de Unie kunnen leren uit de ervaringen die zijn opgedaan met dergelijke ongevallen.

(62)

Afgezien van de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen moet de Commissie onderzoeken of er andere geschikte middelen bestaan om de voorkoming van zware -ongevallen en de gevolgen daarvan te beperken.

(63)

Exploitanten moeten ervoor zorgen dat zij toegang hebben tot voldoende fysieke, personele en financiële middelen om grote ongevallen te voorkomen en de gevolgen van dergelijke ongevallen tot een minimum te beperken. Aangezien echter geen enkele van de bestaande instrumenten inzake financiële zekerheid, waaronder maatregelen inzake onderlinge risicoverdeling, alle mogelijke gevolgen van grote ongevallen kan opvangen, moet de Commissie overgaan tot verdere analyses en studies van passende maatregelen om een voldoende strikt aansprakelijkheidsstelsel voor schade door offshore olie- en gasactiviteiten te waarborgen, met daarbij ook eisen betreffende de financiële draagkracht, met inbegrip van de beschikbaarheid van passende financiëlezekerheidsinstrumenten of andere maatregelen. Dit kan een toetsing van de haalbaarheid van een regeling voor wederzijdse compensatie omvatten. De Commissie moet bij het Europees Parlement en bij de Raad een rapport indienen over haar bevindingen en, waar passend, voorstellen doen.

(64)

Op uniaal niveau is het van belang dat technische normen worden aangevuld met een overeenkomstig kader voor wetgeving inzake productveiligheid, en dat deze normen van toepassing zijn op offshore-installaties in de offshorewateren van de lidstaten en niet enkel op niet-mobiele productie-installaties. De Commissie moet bijgevolg overgaan tot verdere analyses van de productveiligheidsnormen die van toepassing zijn op offshore olie- en gasactiviteiten.

(65)

Daar de doestelling van deze richtlijn, namelijk het vaststellen van minimumvereisten ter voorkoming van grote ongevallen in offshore olie- en gasactiviteiten en het tot een minimum beperken van de gevolgen van dergelijke ongevallen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, en derhalve, in verband met de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen vaststellen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn stelt minimumeisen vast voor het voorkomen van zware ongevallen bij offshore olie- en gasactiviteiten en het beperken van de gevolgen van dergelijke ongevallen.

2.   Deze richtlijn is van toepassing onverminderd het Unierecht betreffende de veiligheid en gezondheid van werknemers op het werk, met name de Richtlijnen 89/391/EEG en 92/91/EEG.

3.   Deze richtlijn laat Richtlijnen 94/22/EG, 2001/42/EG, 2003/4/EG (19), 2003/35/EG, 2010/75/EU (20) en 2011/92/EU onverlet.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„zwaar ongeval”: met betrekking tot een installatie of verbonden infrastructuur:

a)

een incident met daarbij een explosie, brand of verlies van controle over de boorput; of lekkage van olie, gas of gevaarlijke stoffen, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;

b)

een incident dat tot ernstige schade aan de installatie of de verbonden infrastructuur leidt, waarbij sprake is van of een aanzienlijke kans bestaat op slachtoffers of ernstig lichamelijk letsel;

c)

elk ander incident leidend tot de dood of ernstige verwonding van vijf of meer personen die aanwezig zijn op de offshore-installatie waar het gevaar zijn oorsprong vindt of die betrokken zijn bij een offshore olie- of gasactiviteit in verband met de installatie of de verbonden infrastructuur, of

d)

ieder zwaar milieu-incident dat voortvloeit uit de incidenten als bedoeld onder a), b) en c).

Met het oog op het vaststellen of een incident een groot ongeval vormt als bedoeld onder a), b) of d), wordt een installatie die normaliter onbemand is, beschouwd als een bemande installatie;

2.

„offshore”: in de territoriale wateren van de lidstaten, de exclusieve economische zones of het continentale plat in de zin van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee;

3.

„offshore olie- en gasactiviteiten”: alle activiteiten met betrekking tot installaties of verbonden infrastructuur, onder meer het ontwerp, de planning, de bouw, de exploitatie en de buitengebruikstelling ervan, die verband houden met de exploratie en de productie van olie of gas, maar met uitzondering van de overbrenging van olie en gas van de ene kust naar de andere;

4.

„risico”: de combinatie van de waarschijnlijkheid van een gebeurtenis en de gevolgen van de gebeurtenis;

5.

„exploitant” een entiteit die door de vergunninghouder of de vergunningverlenende autoriteit is aangeduid om offshore olie- en gasactiviteiten uit te voeren, waaronder het plannen en uitvoeren van boorputactiviteiten of het beheren en controleren van productieactiviteiten;

6.

„geschikt”: goed of volledig gepast, mede gelet op de criteria evenredige inspanning en kosten, voor een bepaalde eis of situatie, gebaseerd op objectief bewijsmateriaal en aangetoond aan de hand van een analyse of vergelijking met geschikte normen of andere oplossingen die in vergelijkbare situaties door andere autoriteiten of de sector worden gebruikt;

7.

„entiteit”: iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of groepering van deze personen;

8.

„aanvaardbaar” met betrekking tot een risico: een risiconiveau waarbij de tijd, kosten of inspanningen voor een verdere beperking ervan zwaar onevenredig zouden zijn met het voordeel van een dergelijke beperking. Bij het beoordelen of tijd, kosten en inspanningen zwaar onevenredig zouden zijn met de voordelen van verdere risicoreductie, moeten de tot de beste praktijken behorende risiconiveaus die passen bij de onderneming in aanmerking worden genomen;

9.

„vergunning”: toestemming om offshore olie- en gasactiviteiten overeenkomstig Richtlijn 94/22/EG uit te voeren;

10.

„vergunningsgebied”: het geografisch gebied dat onder de vergunning valt;

11.

„vergunninghouder”: de houder of gezamenlijke houders van een vergunning;

12.

„aannemer”: elke entiteit die door de exploitant of de eigenaar is gecontracteerd om namens hem specifieke taken uit te voeren;

13.

„vergunningverlenende autoriteit”: de overheidsinstantie die bevoegd is een vergunning te verlenen en/of het gebruik van vergunningen als omschreven in Richtlijn 94/22/EG te controleren;

14.

„bevoegde autoriteit”: de overheidsinstantie die aangesteld is op grond van deze richtlijn en belast is met de haar krachtens deze richtlijn opgedragen taken. De bevoegde autoriteit kan uit een of meer overheidsorganen bestaan;

15.

„exploratie”: het boren op vindplaatsen en alle daarmee verband houdende offshore olie- en gasactiviteiten die noodzakelijk zijn voordat met de productieactiviteiten wordt begonnen;

16.

„productie”: de offshorewinning van olie en gas uit de ondergrondse lagen van het vergunningsgebied, met inbegrip van de offshoreverwerking van olie en gas, alsmede het vervoer ervan via verbonden infrastructuur;

17.

„niet-productie-installatie”: een installatie, niet zijnde een installatie die wordt gebruikt voor de productie van olie en gas;

18.

„publiek”: één of meer entiteiten en, overeenkomstig de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

19.

„installatie”: een statische vaste of mobiele voorzieninginrichting, of een combinatie van voorzieningeninrichtingen die permanent onderling zijn verbonden door bruggen of andere structuren en die worden gebruikt voor offshore olie- en gasactiviteiten of in het kader van zulke dergelijke activiteiten. Installaties omvatten mobiele offshoreboorinstallaties enkel wanneer zij in offshorewateren verankerd liggen met het oog op boringen, productie of andere activiteiten die verband houden met offshore olie- en gasactiviteiten;

20.

„productie-installatie”: een installatie die wordt gebruikt voor de productie;

21.

„verbonden infrastructuur”: infrastructuur binnen de veiligheidszone of een nabijgelegen zone op grotere afstand van de installatie die ter beschikking staat van de lidstaat:

a)

alle boorputten en de structuren bijbehorende constructies, het toebehoren en de apparaten die daaraan gekoppeld zijn en die zijn aangesloten op de offshore-installatie;

b)

alle apparaten of werken op de hoofdstructuurconstructie van de offshore-installatie of apparaten of werken die eraan zijn bevestigd;

c)

alle pijplijnleidingapparaten of werken die op de installatie zijn aangesloten;

22.

„aanvaarding”: in verband met het rapport inzake grote gevaren, de schriftelijke overbrenging door de bevoegde autoriteit aan de exploitant of de eigenaar van het feit dat het rapport, indien uitgevoerd volgens de daarin vervatte voorschriften, voldoet aan de vereisten van deze richtlijn. Aanvaarding betekent niet dat er verantwoordelijkheid voor de beheersing van grote gevaren wordt overgedragen aan de bevoegde autoriteit;

23.

„groot gevaar”: een situatie die in een zwaar ongeval kan uitmonden;

24.

„boorputactiviteit”: elke activiteit met betrekking tot een boorput waarbij per ongeluk stoffen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, zoals het boren van een boorput voor offshore olie- en gasactiviteiten, het herstel of de aanpassing van een boorput, de opschorting van de boorputactiviteiten of het definitief verlaten van een boorput;

25.

„gecombineerde activiteit”: een activiteit die wordt uitgevoerd vanaf een installatie samen met een andere installatie of andere installaties ten behoeve van aan de andere installatie(s) gerelateerde doeleinden, waarbij de risico’s voor de veiligheid van personen of de bescherming van het milieu op één of alle installaties aanzienlijk worden beïnvloed;

26.

„veiligheidszone”: het gebied binnen een afstand van 500 m van enig onderdeel van de installatie, ingericht door de lidstaat;

27.

„eigenaar van de niet-productie-installatie”: een entiteit die wettelijk bevoegd is om de werking van een niet-productie-installatie te beheren;

28.

„intern rampenplan”: een plan dat is opgesteld door de exploitanten of de eigenaars overeenkomstig de eisen van deze richtlijn, met betrekking tot de maatregelen om escalatie van een zwaar ongeval in verband met offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken;

29.

„onafhankelijke verificatie”: een beoordeling en bevestiging van de geldigheid van bepaalde schriftelijke verklaringen door een entiteit of organisatorisch onderdeel van de exploitant of eigenaar die niet onder de controle of invloed valt van de entiteit die of het organisatorisch onderdeel dat de verklaringen gebruikt;

30.

„essentiële wijziging”:

a)

in het geval van een rapport inzake grote gevaren: een wijziging in de grondslagen op basis waarvan het oorspronkelijke rapport is aanvaard, onder meer fysieke wijzigingen, nieuwe kennis of technologie en veranderingen in het beheer van de activiteiten;

b)

in het geval van een kennisgeving van boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten, een wijziging in de grondslagen op basis waarvan de oorspronkelijke kennisgeving is ingediend, onder meer fysieke wijzigingen, vervanging van een installatie door een andere, beschikbaarheid van nieuwe kennis of technologie en veranderingen in het beheer van de activiteiten;

31.

„begin van activiteiten”: het tijdstip waarop de installatie of de ermee verbonden infrastructuur voor het eerst wordt gebruikt voor de activiteiten waarvoor ze bedoeld is;

32.

„doeltreffendheid van de respons op olielekken”: de doeltreffendheid van de lekkagebestrijdingssystemen bij het reageren op een olielek, aan de hand van een analyse van de frequentie, de duur en het tijdstip van de milieuomstandigheden die een bestrijding zouden verhinderen. De beoordeling van de doeltreffendheid van de respons op olielekken zal worden uitgedrukt als percentage van de tijd waarin niet van dergelijke omstandigheden sprake is en een omschrijving omvatten van de operationele beperkingen voor de betreffende installaties als gevolg van die beoordeling;

33.

„veiligheids- en milieukritische elementen”: onderdelen van een installatie en van uitrusting, met inbegrip van computerprogramma’s, die tot doel hebben zware ongevallen te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken, of waarvan het uitvallen een zwaar ongeval zou kunnen veroorzaken of substantieel zou kunnen bijdragen tot het ontstaan van zulk ongeval;

34.

„tripartiet overleg”: formele regeling om dialoog en samenwerking mogelijk te maken tussen de bevoegde autoriteit, de exploitanten en eigenaars van niet-productie-installaties en werknemersorganisaties;

35.

„sector”: entiteiten die rechtstreeks betrokken zijn bij offshore olie- en gasactiviteiten die onder deze richtlijn vallen of waarvan de activiteiten nauw samenhangen met dergelijke activiteiten;

36.

„extern rampenplan”: lokale, nationale of regionale strategie om escalatie van een zwaar ongeval met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen of de gevolgen ervan te beperken met behulp van alle beschikbare middelen van de exploitant als beschreven in bestaande interne rampenplannen en aanvullende middelen die door de lidstaten beschikbaar worden gesteld;

37.

„zwaar milieu-incident”: een ongeval dat leidt of naar verwachting zal leiden tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu, zoals bedoeld in Richtlijn 2004/35/EG.

HOOFDSTUK II

VOORKOMING VAN ZWARE ONGEVALLEN IN VERBAND MET OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN

Artikel 3

Algemene beginselen van risicobeheer in offshore olie- en gasactiviteiten

1.   De lidstaten eisen van de exploitanten dat zij erop toezien dat alle geschikte maatregelen worden getroffen om zware ongevallen ten gevolge van offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen.

2.   De lidstaten zien erop toe dat exploitanten niet van hun verplichtingen onder deze richtlijn worden vrijgesteld wanneer een handelen of nalaten van aannemers tot een zwaar ongeval leidt of ertoe bijdraagt.

3.   Wanneer er zich toch een zwaar ongeval voordoet, zien de lidstaten erop toe dat de exploitanten alle geschikte maatregelen nemen om de gevolgen ervan voor de gezondheid van mensen en voor het milieu te beperken.

4.   De lidstaten eisen van exploitanten dat offshore olie- en gasactiviteiten worden verricht op basis van systematische risicobeheersing, zodat de overblijvende risico’s op zware ongevallen voor mensen, het milieu en offshore-installaties aanvaardbaar zijn.

Artikel 4

Veiligheids- en milieuoverwegingen in het kader van vergunningen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat besluiten over het verlenen of overdragen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten rekening houden met het vermogen van de aanvrager van een dergelijke vergunning om te voldoen aan de eisen voor activiteiten in het kader van de vergunning, als vereist door de betreffende bepalingen van uniaal recht, met name deze richtlijn.

2.   In het bijzonder bij de beoordeling van de technische bekwaamheid en financiële draagkracht van de aanvrager van een vergunning, moet er rekening worden gehouden met het volgende:

a)

het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het vergunningsgebied, waaronder, in voorkomend geval, de kosten van aantasting van het mariene milieu als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), van Richtlijn 2008/56/EG;

b)

het specifieke stadium van de offshore olie- en gasactiviteiten;

c)

de financiële draagkracht van de aanvrager, waaronder enige financiële zekerheid, om alle eventueel uit de desbetreffende offshore olie- en gasactiviteiten voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen. Hiertoe behoort de aansprakelijkheid voor eventuele economische schade indien de nationale wetgeving in een dergelijke aansprakelijkheid voorziet;

d)

de beschikbare informatie betreffende de technische bekwaamheden en de veiligheids- en milieuprestaties van de aanvrager, onder meer met betrekking tot zware ongevallen, voor zover van toepassing op de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd.

Voorafgaand aan het verlenen of overdragen van een vergunning voor offshore olie- en gasactiviteiten, raadpleegt de vergunningverlenende autoriteit zo nodig de bevoegde autoriteit.

3.   De lidstaten zien erop toe dat de vergunningverlenende autoriteit alleen een vergunning verleent indien zij van oordeel is dat de aanvrager het bewijs heeft geleverd dat er voldoende voorzorgsmaatregelen zijn of zullen zijn op basis van door de lidstaten te treffen regelingen om alle eventueel uit de offshore olie- en gasactiviteiten van de aanvrager voortvloeiende aansprakelijkheden te dragen. De voorzorgsmaatregelen moeten van kracht en effectief zijn vanaf het begin van de offshore olie- en gasactiviteiten. De lidstaten eisen dat aanvragers op een passende manier het bewijs van technische bekwaamheid en financiële draagkracht verstrekken, alsmede alle andere relevante informatie over het gebied waar de vergunning betrekking op heeft en het specifieke stadium van de offshore olie- en gasactiviteiten.

De lidstaten beoordelen de geschiktheid van de voorzorgsmaatregelen als bedoeld in de eerste alinea om te bepalen of de aanvrager over toereikende financiële middelen beschikt voor het onmiddellijk treffen en het ononderbroken voortzetten van alle maatregelen die nodig zijn voor een doeltreffende reactie in noodsituaties en het daaropvolgend herstel.

De lidstaten faciliteren de gebruikmaking van duurzame financiële instrumenten en andere regelingen om aanvragers van vergunningen te helpen bij het aantonen van hun financiële draagkracht ingevolge de eerste alinea.

De lidstaten stellen ten minste procedures vast om te zorgen voor de snelle en adequate afhandeling van compensatievorderingen, onder meer met betrekking tot compensatiebetalingen voor grensoverschrijdende incidenten.

De lidstaten verplichten de vergunninghouder toereikende middelen aan te houden om te voldoen aan zijn financiële verplichtingen die voortvloeien uit aansprakelijkheden voor offshore olie- en gasactiviteiten.

4.   De vergunningverlenende autoriteit of de vergunninghouder stellen de exploitant aan. Indien de exploitant door de vergunninghouder wordt aangesteld, wordt de vergunningverlenende autoriteit vooraf in kennis gesteld van de aanstelling. In dergelijke gevallen kan de vergunningverlenende autoriteit, indien nodig in overleg met de overeenkomstig artikel 8 aangestelde bevoegde autoriteit, bezwaar maken tegen de aanstelling van de exploitant. Indien zodanig bezwaar wordt gemaakt, eisen de lidstaten dat de vergunninghouder een andere geschikte exploitant aanstelt of de verantwoordelijkheden van de exploitant op grond van deze richtlijn op zich neemt.

5.   De vergunningsprocedures voor offshore olie- en gasactiviteiten die betrekking hebben op een bepaald vergunningsgebied worden zo ingericht dat informatie die is ingezameld als gevolg van exploratie door de lidstaten in overweging genomen kan worden, voordat met de productieactiviteiten wordt begonnen.

6.   Bij de beoordeling van de technische en financiële capaciteiten van een aanvrager van een vergunning moet bijzondere aandacht worden besteed aan alle in milieutechnisch opzicht gevoelige mariene en kustmilieus, met name ecosystemen die een belangrijke rol spelen bij de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, zoals zoutmoerassen en zeegrasbedden; en mariene beschermde gebieden, zoals speciale beschermingszones ingevolge Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (21), speciale beschermingszones ingevolge Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (22), en beschermde mariene zones zoals overeengekomen door de Unie of de betrokken lidstaten in het kader van internationale of regionale overeenkomsten waarbij zij een partij zijn.

Artikel 5

Inspraak met betrekking tot de gevolgen van voorgenomen offshore olie- en gasexploraties op het milieu

1.   Met het boren van een boorput voor exploratie vanaf een niet-productie-installatie wordt pas begonnen nadat de betreffende autoriteiten van de lidstaten zich ervan vergewist hebben dat in een vroeg stadium effectieve inspraak over de mogelijke gevolgen van voorgenomen offshore olie- en gasexploratie op het milieu heeft plaatsgevonden op grond van andere wetgevingshandelingen van de Unie, met name Richtlijn 2001/42/EG of Richtlijn 2011/92/EU.

2.   Indien geen inspraak heeft plaatsgevonden ingevolge lid 1, zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende regelingen worden getroffen:

a)

aan het publiek wordt via openbare bekendmaking of andere passende middelen zoals elektronische media meegedeeld op welke plaatsen exploratieactiviteiten zullen worden toegelaten;

b)

het betrokken publiek wordt aangeduid, waaronder het publiek dat het effect zal ondergaan of waarschijnlijk zal ondergaan van, of belang heeft bij, het besluit om exploratieactiviteiten toe te staan, waaronder relevante niet-gouvernementele organisaties, zoals die welke milieubescherming bevorderen en andere relevante organisaties;

c)

relevante informatie over deze voorgenomen activiteiten wordt ter beschikking gesteld van het publiek, zoals informatie over het recht op inspraak bij de besluitvorming en over de instantie waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend;

d)

het publiek heeft het recht opmerkingen en meningen kenbaar te maken, op een moment waarop alle opties nog open zijn voordat een beslissing om exploratie toe te staan wordt genomen;

e)

bij het nemen van beslissingen als bedoeld onder d) wordt naar behoren rekening gehouden met de resultaten van de inspraak, en

f)

nadat hij de opmerkingen en meningen van het publiek heeft bestudeerd, informeert de betrokken lidstaat het publiek onmiddellijk over de genomen beslissingen en de redenen en overwegingen waarop die beslissingen gebaseerd zijn, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure;

Er wordt in redelijke termijnen voorzien zodat er voldoende tijd is voor elke fase van de inspraak.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op gebieden waarvoor voor 18 juli 2013 een vergunning is verleend.

Artikel 6

Offshore olie- en gasactiviteiten in vergunningsgebieden

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat productie-installaties en verbonden infrastructuur uitsluitend in vergunningsgebieden worden geëxploiteerd en uitsluitend door exploitanten die daartoe zijn aangesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4.

2.   De lidstaten eisen van de vergunninghouder dat hij erop toeziet dat de exploitant in staat is om te voldoen aan de eisen voor de specifieke activiteiten in het kader van de vergunning.

3.   De lidstaten eisen dat de vergunninghouder voor de duur van de offshore olie- en gasactiviteiten alle redelijke maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de exploitant aan de eisen voldoet, zijn taken uitvoert en zijn plichten nakomt zoals bepaald in deze richtlijn.

4.   Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat de exploitant niet meer bekwaam is om aan de relevante eisen van deze richtlijn te voldoen, wordt de vergunningverlenende autoriteit daarvan op de hoogte gebracht. Vervolgens stelt de vergunningverlenende autoriteit de vergunninghouder hiervan op de hoogte en de vergunninghouder neemt de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de betrokken plichten op zich en doet aan de vergunningverlenende autoriteit terstond een voorstel voor een vervangende exploitant.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat niet met activiteiten in verband met productie- en niet-productie-installaties wordt begonnen of dat deze niet worden voortgezet alvorens het rapport inzake grote gevaren is aanvaard door de bevoegde autoriteit, overeenkomstig deze richtlijn.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat niet met boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten wordt begonnen of dat deze niet worden voortgezet alvorens het rapport inzake grote gevaren voor de betrokken installaties is aanvaard overeenkomstig deze richtlijn. Bovendien mag er met dergelijke activiteiten niet worden begonnen en mogen zij niet worden voortgezet zolang er geen kennisgeving van boorputactiviteiten of kennisgeving van gecombineerde activiteiten aan de bevoegde autoriteit is voorgelegd, overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder respectievelijk h) of i), of indien de bevoegde autoriteit bezwaren heeft bij de inhoud van de kennisgeving.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat een veiligheidszone wordt ingesteld rond een installatie en dat het verboden is voor schepen om die veiligheidszone binnen te varen of daar te blijven.

Dit verbod geldt echter niet voor een schip dat de veiligheidszone binnenvaart of daar blijft:

a)

in verband met de aanleg, de inspectie, het testen, de reparatie, het onderhoud, de verandering, vernieuwing of verwijdering van onderzeese kabels of pijpleidingen in of in de nabijheid van die veiligheidszone;

b)

om diensten te verlenen voor, personen of goederen te vervoeren van of naar, alle installaties in die veiligheidszone;

c)

onder het gezag van de lidstaat inspectie te verrichten aan en op een installatie in de veiligheidszone;

d)

met het oog op het redden van levens of eigendommen, of het doen van pogingen daartoe;

e)

gedwongen door de weersomstandigheden, of

f)

wanneer het in nood verkeert, of

g)

indien het de toestemming heeft van de exploitant, de eigenaar of de lidstaat waarin de veiligheidszone zich bevindt.

8.   De lidstaten stellen een mechanisme in voor effectieve participatie in het tripartiete overleg tussen de bevoegde autoriteit, de exploitanten en eigenaars en werknemersorganisaties bij het formuleren van normen en beleid in verband met de voorkoming van zware ongevallen.

Artikel 7

Aansprakelijkheid voor milieuschade

Onverminderd de bestaande werkingssfeer van de aansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade overeenkomstig Richtlijn 2004/35/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat de vergunninghouder financieel aansprakelijk is voor de voorkoming en het herstel van de in die richtlijn omschreven milieuschade die wordt veroorzaakt door offshore olie- en gasactiviteiten van of namens de vergunninghouder of de exploitant.

Artikel 8

Aanwijzing van de bevoegde autoriteit

1.   De lidstaten wijzen een bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de volgende wettelijk opgedragen functies:

a)

rapporten inzake grote gevaren beoordelen en aanvaarden, kennisgevingen van ontwerpen, kennisgevingen van boorputactiviteiten of gecombineerde activiteiten beoordelen, alsook andere soortgelijke documenten die hun worden overgelegd;

b)

toezien op de naleving door exploitanten en eigenaars van deze richtlijn o.a. door inspecties, onderzoeken en handhavingsacties;

c)

het adviseren van andere autoriteiten of organen, met inbegrip van de vergunningverlenende autoriteit;

d)

het opstellen van jaarplannen op grond van artikel 21;

e)

het opstellen van verslagen;

f)

samenwerken met de bevoegde autoriteiten of contactpunten die overeenkomstig artikel 27 zijn ingesteld.

2.   De lidstaten zorgen te allen tijde voor de onafhankelijkheid en objectiviteit van de bevoegde autoriteit bij de uitoefening van haar wettelijk opgedragen functies en met name wat betreft lid 1, onder a), b) en c). Belangenconflicten tussen enerzijds de wettelijk opgedragen functies van de bevoegde autoriteit en anderzijds de regelgevende functies inzake de economische ontwikkeling van de offshore natuurlijke hulpbronnen en het verlenen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten in de lidstaat, en de inning en het beheer van met die activiteiten verband houdende inkomsten worden dan ook voorkomen.

3.   Om de in lid 2 genoemde doelstellingen te verwezenlijken, vereisen de lidstaten dat de wettelijk opgedragen functies van de bevoegde autoriteit worden uitgeoefend binnen een instantie die onafhankelijk is ten opzichte van de functies van de lidstaat met betrekking tot economische ontwikkeling van de offshore natuurlijke hulpbronnen en het verlenen van vergunningen voor offshore olie- en gasactiviteiten in die lidstaat, en de inning en het beheer van met die activiteiten verband houdende inkomsten.

Wanneer evenwel het totale aantal normaliter bemande installaties minder dan zes bedraagt, kan de betrokken lidstaat besluiten de eerste alinea niet toe te passen. Een dergelijk besluit laat zijn verplichtingen als bedoeld in lid 2 onverlet.

4.   De lidstaten stellen voor het publiek een beschrijving beschikbaar van de wijze waarop de bevoegde autoriteit is georganiseerd, met onder meer de redenen voor de betreffende wijze van organisatie, en de manier waarop de uitoefening van de wettelijk opgedragen functies als neergelegd in lid 1 worden uitgeoefend en de verplichtingen als neergelegd in lid 2 worden nagekomen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten over adequate personele en financiële middelen beschikken om de in deze richtlijn vastgestelde wettelijk opgedragen functies uit te voeren. Deze middelen staan in verhouding tot de omvang van de offshore olie- en gasactiviteiten van de lidstaten.

6.   De lidstaten kunnen formele overeenkomsten sluiten met relevante instanties van de Unie of andere geschikte organen indien beschikbaar, sluiten voor het leveren van specialistische expertise om de bevoegde autoriteit te ondersteunen bij het uitoefenen van haar wettelijk opgedragen functies. Voor de toepassing van dit lid kan een orgaan als niet geschikt worden beschouwd wanneer de objectiviteit ervan in gevaar kan komen door belangenconflicten.

7.   De lidstaten kunnen mechanismen instellen volgens dewelke de financiële kosten van de bevoegde autoriteit voor het uitvoeren van haar taken uit hoofde van deze richtlijn kunnen worden teruggevorderd van vergunninghouders of exploitanten of eigenaars.

8.   Indien de bevoegde autoriteit uit één of meer organen bestaat, moeten de lidstaten er alles aan doen om overlapping van de wettelijk opgedragen functies tussen deze organen te voorkomen. De lidstaten kunnen een van de deelorganen aanwijzen als leidend orgaan met verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de wettelijk opgedragen functies die op grond van deze richtlijn zijn toegewezen en voor het rapporteren aan de Commissie.

9.   De lidstaten houden toezicht op de activiteiten van de bevoegde autoriteit en nemen alle noodzakelijke maatregelen om de doeltreffendheid ervan bij de uitoefening van de in lid 1 bedoelde wettelijk opgedragen functies te verbeteren.

Artikel 9

Werkwijze van de bevoegde autoriteit

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit:

a)

onafhankelijk handelt van het beleid, de regulerende besluiten of andere overwegingen die los staan van haar taken uit hoofde van deze richtlijn;

b)

duidelijk maakt tot waar haar verantwoordelijkheden en de verantwoordelijkheden van de exploitant en de eigenaar met betrekking tot de beheersing van het risico op een zwaar ongeval uit hoofde van deze richtlijn, reiken;

c)

een beleid, werkwijze en procedures vaststelt voor een grondige beoordeling van rapporten inzake grote gevaren en kennisgevingen ingediend overeenkomstig artikel 11, en voor het toezicht op de naleving van deze richtlijn binnen het rechtsgebied van de lidstaat, onder andere inspectie, onderzoek en handhaving;

d)

dat beleid en de processen en procedures overeenkomstig punt c) beschikbaar maakt voor exploitanten en eigenaars en samenvattingen daarvan ter beschikking stelt van het publiek;

e)

indien nodig, samen met andere autoriteiten in de lidstaat gecoördineerde of gezamenlijke procedures opstelt en uitvoert, om de taken uit hoofde van deze richtlijn uit te voeren, en

f)

haar beleid, organisatie en operationele procedures baseert op de in bijlage III vastgestelde beginselen.

Artikel 10

Taken van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid

1.   Het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA, hierna „het Agentschap”) verleent technische en wetenschappelijke bijstand aan lidstaten en de Commissie overeenkomstig zijn mandaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1406/2002.

2.   Binnen het kader van zijn mandaat:

a)

verleent het Agentschap de Commissie en de getroffen lidstaat, op zijn verzoek, bijstand bij het opsporen van en het toezien op de omvang van een olie- of gaslek;

b)

verleent het Agentschap de lidstaten, op hun verzoek, bijstand bij de opstelling en de uitvoering van externe rampenplannen, vooral wanneer er sprake is van grensoverschrijdende gevolgen binnen de offshorewateren van de lidstaten en daarbuiten;

c)

ontwikkelt het Agentschap met de lidstaten en exploitanten op basis van hun interne en externe rampenplannen een catalogus van voor noodsituaties beschikbare apparatuur en diensten.

3.   Het Agentschap kan, indien daartoe verzocht:

a)

de Commissie bijstand verlenen bij het beoordelen van de externe rampenplannen van de lidstaten, om na te gaan of deze plannen in overeenstemming zijn met deze richtlijn;

b)

oefeningen evalueren die toegespitst zijn op het testen van grensoverschrijdende en uniale noodmechanismen.

HOOFDSTUK III

VOORBEREIDING EN UITVOERING VAN OFFSHORE OLIE- EN GASACTIVITEITEN

Artikel 11

Documenten die moeten worden ingediend voor het uitvoeren van offshore olie- en gasactiviteiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant of de eigenaar of beide de bevoegde autoriteit de volgende documenten verstrekken:

a)

het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen of een passende beschrijving daarvan overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 5;

b)

het veiligheids- en milieubeheersysteem dat van toepassing is op de installatie, of een passende beschrijving daarvan, in overeenstemming met artikel 19, leden 3 en 5;

c)

een kennisgeving van het ontwerp overeenkomstig de eisen van bijlage I, deel 1, in geval van een geplande productie-installatie;

d)

een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie overeenkomstig artikel 17;

e)

een rapport inzake grote gevaren overeenkomstig de artikelen 12 en 13;

f)

in het geval van een essentiële verandering, of ontmanteling van een installatie, een gewijzigd rapport inzake grote gevaren overeenkomstig de artikelen 12 en 13;

g)

het intern rampenplan of een passende beschrijving daarvan overeenkomstig de artikelen 14 en 28;

h)

In geval van een boorputoperatie, een kennisgeving van die boorputoperatie en informatie over die boorputoperatie overeenkomstig artikel 15;

i)

in geval van een gecombineerde activiteit, een kennisgeving van gecombineerde activiteiten overeenkomstig artikel 16;

j)

in geval van een bestaande productie-installatie die moet worden verplaatst naar een nieuwe productielocatie waar zij in bedrijf zal worden gesteld, een kennisgeving van verplaatsing overeenkomstig bijlage I, deel 1;

k)

elk ander relevant document waar de bevoegde autoriteit om vraagt.

2.   De documenten die moeten worden ingediend overeenkomstig lid 1, onder a), b), d) en g), worden gevoegd bij het overeenkomstig lid 1, onder e), vereiste rapport inzake grote gevaren. Het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen van de exploitant van een boorput, dat overeenkomstig punt a) van lid 1 moet worden ingediend, wordt, indien het niet eerder is ingediend, ook gevoegd bij de kennisgeving van de boorputactiviteit die overeenkomstig lid 1, onder h), moet worden ingediend.

3.   De overeenkomstig lid 1, onder c), gevraagde kennisgeving van het ontwerp wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn vóór de voorgenomen indiening van een rapport inzake grote gevaren voor de geplande activiteiten. De bevoegde autoriteit antwoordt op de kennisgeving van het ontwerp met opmerkingen waarmee rekening moet worden gehouden in het rapport inzake grote gevaren.

4.   Wanneer een bestaande productie-installatie de offshorewateren van een lidstaat zal binnenkomen of verlaten, stelt de exploitant de bevoegde autoriteit daarvan schriftelijk in kennis vóór de datum waarop de productie-installatie de offshorewateren van de lidstaat moet binnenkomen of verlaten.

5.   De overeenkomstig lid 1, onder j), vereiste kennisgeving van de verplaatsing wordt in een voldoende vroege fase van de voorgestelde ontwikkeling ingediend bij de bevoegde autoriteit teneinde de exploitant in staat te stellen door de bevoegde autoriteit gemelde belangrijke punten in aanmerking te nemen bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren.

6.   Wanneer er vóór de indiening van het rapport inzake grote gevaren een essentiële wijziging wordt aangebracht in de kennisgeving van het ontwerp of de kennisgeving van de verplaatsing, wordt de bevoegde autoriteit zo snel mogelijk in kennis gesteld van die wijziging.

7.   Het overeenkomstig lid 1, onder e), vereiste rapport inzake grote gevaren wordt binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn vóór de geplande start van de activiteiten bij de bevoegde autoriteit ingediend.

Artikel 12

Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie

1.   Lidstaten zien erop toe dat de exploitant een rapport inzake grote gevaren aangaande een productie-installatie opstelt, dat moet worden ingediend krachtens artikel 11, lid 1, onder e). Dat rapport bevat de gegevens als bepaald in bijlage I, delen 2 en 5, en wordt bijgewerkt als daartoe aanleiding is of als dit door de bevoegde autoriteit wordt gevraagd.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat werknemersvertegenwoordigers worden geraadpleegd in de relevante fasen van de opstelling van het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie, en dat daartoe het bewijs wordt verstrekt overeenkomstig bijlage I, deel 2, punt 3.

3.   Een rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie kan na goedkeuring van de bevoegde autoriteit voor een groep van installaties worden opgesteld.

4.   Wanneer meer informatie vereist is voordat een rapport inzake grote gevaren kan worden aanvaard, zien de lidstaten erop toe dat de exploitant deze informatie op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt en alle nodige wijzigingen in het voorgelegde rapport inzake grote gevaren aanbrengt.

5.   Wanneer er aanpassingen aan de productie-installatie zullen worden aangebracht die een essentiële wijziging tot gevolg hebben, of wanneer het de bedoeling is een vaste productie-installatie te ontmantelen, stelt de exploitant een gewijzigd rapport inzake grote gevaren op, dat moet worden ingediend krachtens artikel 11, lid 1, onder f), binnen de door de bevoegde autoriteit bepaalde uiterste termijn overeenkomstig bijlage I, deel 6.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat de geplande wijzigingen niet in gebruik worden genomen en er niet met de ontmanteling wordt begonnen voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de productie-installatie heeft aanvaard.

7.   Het rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie wordt minstens om de vijf jaar of eerder indien dit door de bevoegde autoriteit wordt geëist, grondig door de exploitant herzien. De resultaten van de herziening worden ter kennis van de bevoegde autoriteit gebracht.

Artikel 13

Rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie

1.   Lidstaten zien erop toe dat de eigenaar een rapport inzake grote gevaren aangaande een niet-productie-installatie opstelt, dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder e). Dat rapport bevat de gegevens als bepaald in bijlage I, delen 3 en 5, en wordt bijgewerkt als daartoe aanleiding is of als dit door de bevoegde autoriteit wordt gevraagd.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat werknemersvertegenwoordigers worden geraadpleegd in de relevante fasen van de opstelling van het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie, en dat daartoe het bewijs wordt verstrekt overeenkomstig bijlage I, deel 3, punt 2.

3.   Indien meer informatie vereist is voordat een rapport inzake grote gevaren aangaande een vaste niet-productie-installatie kan worden aanvaard, eisen de lidstaten dat de eigenaar van een niet-productie-installatie deze informatie op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt en alle nodige wijzigingen in het voorgelegde rapport inzake grote gevaren aanbrengt.

4.   Wanneer er aanpassingen aan de niet-productie-installatie zullen worden aangebracht die een essentiële wijziging tot gevolg hebben, of wanneer het de bedoeling is een vaste niet-productie-installatie te ontmantelen, stelt de eigenaar een gewijzigd rapport inzake grote gevaren op dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder f), binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde uiterste termijn overeenkomstig bijlage I, deel 6, punten 1, 2 en 3.

5.   De lidstaten zien er voor een vaste niet-productie-installatie op toe dat de geplande wijzigingen niet in gebruik worden genomen en er niet met de ontmanteling wordt begonnen voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de niet-productie-installatie heeft aanvaard.

6.   De lidstaten zien er voor een mobiele niet-productie-installatie op toe dat de geplande wijzigingen niet in gebruik worden genomen voordat de bevoegde autoriteit het gewijzigde rapport inzake grote gevaren voor de mobiele niet-productie-installatie heeft aanvaard.

7.   Het rapport inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie wordt minstens om de vijf jaar, of eerder indien dit door de bevoegde autoriteit wordt geëist, grondig door de eigenaar herzien. De resultaten van de herziening worden ter kennis van de bevoegde autoriteit gebracht.

Artikel 14

Interne rampenplannen

1.   De lidstaten zien erop toe dat de exploitanten of de eigenaars, als toepasselijk, interne rampenplannen opstellen, die moeten worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder g). De plannen moeten worden opgesteld overeenkomstig artikel 28 en daarbij moet rekening worden gehouden met de risicobeoordeling van zware ongevallen die tijdens de opstelling van het meest recente rapport inzake grote gevaren is uitgevoerd. Het plan omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken.

2.   Wanneer er vanuit een mobiele niet-productie-installatie een boorput wordt geboord, wordt in het interne rampenplan voor de installatie rekening gehouden met de risicobeoordeling die is uitgevoerd tijdens de opstelling van de kennisgeving van boorputactiviteiten die moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder h). Wanneer het interne rampenplan moet worden gewijzigd vanwege de bijzondere aard of ligging van de boorput, zien de lidstaten erop toe dat de exploitant van de boorput het gewijzigde interne rampenplan, of een adequate beschrijving daarvan, bij de bevoegde autoriteit indient ter aanvulling van de betrokken kennisgeving van boorputactiviteiten.

3.   Wanneer een niet-productie-installatie wordt gebruikt voor de uitvoering van gecombineerde activiteiten, wordt het interne rampenplan gewijzigd zodat het ook de gecombineerde activiteiten omvat, en wordt het bij de bevoegde autoriteit ingediend ter aanvulling van de betrokken kennisgeving van gecombineerde activiteiten.

Artikel 15

Kennisgeving van en verstrekking van gegevens over boorputactiviteiten

1.   De lidstaten zien erop toe dat de exploitant van de boorput de kennisgeving opstelt die overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder h), moet worden ingediend bij de bevoegde autoriteit. Zij wordt ingediend binnen de door de bevoegde autoriteit gestelde termijn die valt vóór de start van de boorputactiviteit. Deze kennisgeving bevat de gegevens van het ontwerp van de boorput en de voorgestelde boorputactiviteiten overeenkomstig bijlage I, deel 4. Dit omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken.

2.   De bevoegde autoriteit neemt de kennisgeving in overweging en treft, indien zij dat nodig acht, voordat de boorputactiviteiten zijn begonnen, passende maatregelen, met inbegrip van een verbod van het beginnen van de activiteiten.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant van de boorput de onafhankelijke verificateur betrekt bij de planning en opstelling van een essentiële wijziging in de gegevens van de kennisgeving van boorputactiviteiten ingediend overeenkomstig artikel 17, lid 4, punt b), en de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis stelt van elke essentiële wijziging in de gegevens van de ingediende kennisgeving van boorputactiviteiten. De bevoegde autoriteit neemt deze wijzigingen in overweging en treft indien zij dat nodig acht passende maatregelen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant van de boorput bij de bevoegde autoriteit rapporten over boorputactiviteiten indient overeenkomstig de voorschriften van bijlage II. De rapporten worden wekelijks voorgelegd, vanaf de dag waarop de booractiviteiten beginnen, of volgens een door de bevoegde autoriteit vastgesteld tijdpad.

Artikel 16

Kennisgeving van gecombineerde activiteiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars die betrokken zijn bij een gecombineerde activiteit, gezamenlijk de kennisgeving opstellen die moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder i). De kennisgeving bevat de gegevens vermeld in bijlage I, deel 7. De lidstaten zorgen ervoor dat één van de betrokken exploitanten de kennisgeving van gecombineerde activiteiten bij de bevoegde autoriteit indient. De kennisgeving wordt ingediend binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn voordat de gecombineerde activiteiten zijn begonnen.

2.   De bevoegde autoriteit neemt de kennisgeving in overweging en treft, indien zij dat nodig acht, voordat de gecombineerde activiteiten zijn begonnen passende maatregelen, met inbegrip van een verbod op het beginnen van de activiteiten.

3.   De lidstaten zien erop toe dat de exploitant die de kennisgeving heeft ingediend, de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis stelt van elke essentiële wijziging in de ingediende kennisgeving. De bevoegde autoriteit neemt deze wijzigingen in overweging en treft indien zij dat nodig acht passende maatregelen.

Artikel 17

Onafhankelijke verificatie

1.   De lidstaten zien erop toe dat exploitanten en eigenaren regelingen voor onafhankelijke verificatie instellen en dat zij een beschrijving van dergelijke regelingen opstellen, die moet worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder d) en moet worden opgenomen als onderdeel van het veiligheids- en milieubeheersysteem dat wordt ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder b). De beschrijving bevat de in bijlage I, deel 5, bepaalde gegevens.

2.   De resultaten van de onafhankelijke verificatie doen geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van de exploitant of de eigenaar voor de correcte en veilige werking van de te verifiëren uitrusting en systemen.

3.   Bij de selectie van de onafhankelijke verificateur en het ontwerp van de regelingen voor onafhankelijke verificatie moet worden voldaan aan de criteria van bijlage V.

4.   De regelingen voor een onafhankelijke verificatie worden getroffen:

a)

voor installaties, om onafhankelijk te waarborgen dat de veiligheids- en milieukritische elementen die worden vermeld in de risicobeoordeling voor de installatie als beschreven in het rapport inzake grote gevaren, geschikt zijn en dat de planning van inspecties en tests van de veiligheids- en milieukritische elementen geschikt en bijgewerkt is en verloopt zoals voorzien;

b)

voor kennisgevingen van boorputactiviteiten, om onafhankelijk te waarborgen dat het ontwerp en de controlemaatregelen voor de boorputten te allen tijde geschikt zijn voor de verwachte boorputomstandigheden.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars reageren op het advies van de onafhankelijke verificateur en op basis daarvan passende maatregelen treffen.

6.   De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars ervoor zorgen dat advies van de onafhankelijke verificateur overeenkomstig lid 4, onder a), alsook verslagen van maatregelen die op grond van een dergelijk advies zijn genomen, ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gesteld en door de exploitant of de eigenaar worden bewaard gedurende zes maanden na voltooiing van de offshore olie- en gasactiviteiten waarop zij betrekking hebben.

7.   De lidstaten schrijven voor dat exploitanten van boorputten ervoor zorgen dat de bevindingen en opmerkingen van de onafhankelijke verificateur overeenkomstig lid 4, onder b), van dit artikel, alsook hun reacties en maatregelen ten gevolge daarvan, worden opgenomen in de kennisgeving van boorputactiviteiten in overeenstemming met artikel 15.

8.   Voor productie-installaties moeten de verificatieregelingen zijn getroffen voordat het ontwerp is voltooid. In geval van een niet-productie-installatie moeten de regelingen zijn getroffen voor er wordt begonnen met offshore-operaties in de offshorewateren van de lidstaten.

Artikel 18

Bevoegdheid van de bevoegde autoriteit met betrekking tot activiteiten op installaties

De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteit:

a)

de exploitatie of het begin van de exploitatie van een installatie of van verbonden infrastructuur verbiedt, indien de in het rapport inzake grote gevaren voorgestelde maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan of kennisgevingen van boorputoperaties of gecombineerde operatie ingediend respectievelijk overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder h) of i), onvoldoende worden geacht om aan de vereisten van deze richtlijn te voldoen;

b)

in uitzonderlijke omstandigheden en indien zij oordeelt dat veiligheid en milieubescherming niet in het gedrang komen, de termijn tussen de indiening van het rapport inzake grote gevaren of andere documenten die overeenkomstig artikel 11 moeten worden ingediend, en het begin van de operaties, verkort;

c)

de exploitant ertoe verplicht de evenredige maatregelen te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om ervoor te zorgen dat weer aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, wordt voldaan;

d)

wanneer artikel 6, lid 4, van toepassing is, passende maatregelen neemt om de permanente veiligheid van de activiteiten te garanderen;

e)

gemachtigd is verbeteringen te eisen en, indien nodig, de voortzetting van de exploitatie van een installatie, van een gedeelte daarvan of van verbonden infrastructuur te verbieden indien uit de resultaten van een inspectie, uit een vaststelling overeenkomstig artikel 6, lid 4, uit een regelmatige herziening van het rapport inzake grote gevaren ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder e), of uit wijzigingen in kennisgevingen overeenkomstig artikel 11, blijkt dat niet is voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn of dat er gegronde bezorgdheid is over de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten of installaties.

HOOFDSTUK IV

PREVENTIEBELEID

Artikel 19

Voorkoming van zware ongevallen door exploitanten en eigenaars

1.   De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars een document opstellen waarin hun bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder a), wordt uiteengezet, en dat zij ervoor zorgen dat het bij al hun offshore olie- en gasactiviteiten wordt toegepast, onder meer door passende controleregelingen te treffen om de doeltreffendheid van het beleid te waarborgen. Het document bevat de gegevens vermeld in bijlage I, deel 8.

2.   In het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen wordt er rekening mee gehouden dat de exploitant in eerste instantie verantwoordelijk is voor onder meer de beheersing van de risico’s van een zwaar ongeval ten gevolge van zijn activiteiten en voor het steeds beter beheersen van die risico’s, teneinde te allen tijde een hoog beschermingsniveau te garanderen.

3.   De lidstaten zien erop toe dat exploitanten en eigenaars een document opstellen waarin zij hun veiligheids- en milieubeheerssysteem beschrijven, en dat moet worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder b). Dat document bevat een beschrijving van:

a)

hun organisatorische regelingen voor de controle op grote gevaren;

b)

regelingen voor het opstellen en indienen van rapporten inzake grote gevaren en andere documenten, in voorkomend geval, uit hoofde van deze richtlijn, en

c)

regelingen voor onafhankelijke verificatie ingesteld op grond van artikel 17.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars de kans krijgen om bij te dragen tot mechanismen voor het overeenkomstig artikel 6, lid 8, ingestelde doeltreffende tripartiete overleg. In voorkomend geval kan in het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen worden vermeld dat de exploitant zich aan dergelijke mechanismen gebonden acht.

5.   Het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen en de veiligheids- en milieubeheersystemen worden ontwikkeld overeenkomstig bijlage I, delen 8 en 9, en bijlage IV. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

a)

het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen wordt schriftelijk opgesteld en daarbij worden de algemene doelstellingen en de organisatie met betrekking tot de regelingen voor de beheersing van de risico’s van zware ongevallen vastgesteld en wordt bepaald hoe deze doelstellingen moeten worden bereikt en hoe regelingen op bedrijfsniveau worden toegepast;

b)

het veiligheids- en milieubeheersysteem wordt geïntegreerd in het totale beheersysteem van de exploitant of de eigenaar en omvat de organisatorische structuur, verantwoordelijkheden, praktijken, procedures, processen en middelen om het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen te bepalen en uit te voeren.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars een volledige inventaris opstellen en aanhouden van voor hun offshore olie- en gasactiviteiten bestemde uitrusting om te reageren op noodsituaties.

7.   De lidstaten zien erop toe dat exploitanten en eigenaars, in overleg met de bevoegde autoriteit en met gebruikmaking van de uitwisseling van kennis, informatie en ervaringen als bedoeld in artikel 27, lid 1, normen en richtsnoeren voor beste praktijken in verband met de beheersing van grote gevaren opstellen en toetsen tijdens het ontwerp en de exploitatiecyclus van offshore olie- en gasactiviteiten. Zij hanteren daarbij minimaal de hoofdpunten uit bijlage VI.

8.   De lidstaten verplichten exploitanten en eigenaars ervoor te zorgen dat het in lid 1 bedoelde document waarin hun bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen wordt uiteengezet, tevens hun productie- en niet-productie-installaties buiten de Unie omvat.

9.   Wanneer een door een exploitant of een eigenaar verrichte activiteit een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of het risico op een zwaar ongeval aanzienlijk vergroot, zorgen de lidstaten ervoor dat de exploitant of de eigenaar geschikte maatregelen neemt die, indien dat nodig wordt geacht, de opschorting van de betrokken activiteit kunnen inhouden totdat het gevaar of het risico voldoende wordt beheerst. De lidstaten zien erop toe dat wanneer dergelijke maatregelen worden genomen, de exploitant of de eigenaar de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld, binnen 24 uur nadat de maatregelen zijn genomen, in kennis stelt.

10.   De lidstaten zien erop toe dat de exploitanten en eigenaars, waar toepasselijk, maatregelen nemen om de betrouwbaarheid van passende technische middelen of procedures om het verzamelen van gegevens uit registers nog betrouwbaarder te maken en de eventuele manipulatie daarvan te voorkomen.

Artikel 20

Offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie

1.   De lidstaten schrijven voor dat op hun grondgebied geregistreerde bedrijven die zelf of via dochterondernemingen offshore olie- en gasactiviteiten buiten de Unie verrichten als vergunninghouder of exploitant, op verzoek bij hen verslag uitbrengen over de omstandigheden van elk zwaar ongeval waar zij bij betrokken waren.

2.   In het in lid 1 van dit artikel bedoelde verzoek specificeert de betrokken lidstaat welke gegevens hij verlangt. Dergelijke verslagen worden uitgewisseld overeenkomstig artikel 27, lid 1. lidstaten die noch over een bevoegde autoriteit, noch over een contactpunt beschikken, dienen de ontvangen verslagen overeenkomstig dit artikel in bij de Commissie.

Artikel 21

Het waarborgen van de naleving van de regels voor de voorkoming van zware ongevallen

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars voldoen aan de maatregelen die zijn vastgesteld in het rapport inzake grote gevaren en in de in de kennisgeving van boorputactiviteiten en de kennisgeving van gecombineerde activiteiten vermelde plannen die op grond van artikel 11, lid 1, punten e), h) en i), zijn ingediend.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars de bevoegde autoriteit, of andere personen die onder leiding van de bevoegde autoriteit optreden, op elk redelijk tijdstip voorzien van transport van en naar een installatie of een schip dat bij olie- en gasactiviteiten betrokken is, met inbegrip van het overbrengen van hun uitrusting, evenals van een verblijfplaats, maaltijden en andere benodigdheden in verband met het bezoek aan de installaties, teneinde het toezicht door de bevoegde autoriteit, dat onder meer inspecties, onderzoeken en de handhaving van de naleving van deze richtlijn behelst, te vergemakkelijken.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit jaarplannen uitwerkt voor een effectief toezicht, inclusief inspecties, op grote gevaren gebaseerd op risicobeheer en daarbij bijzondere aandacht besteedt aan de naleving van de op grond van artikel 11 ingediende rapporten inzake grote gevaren en andere documenten. De doeltreffendheid van de plannen wordt regelmatig getoetst en de bevoegde autoriteit neemt alle noodzakelijke maatregelen om deze te verbeteren.

Artikel 22

Vertrouwelijke melding van veiligheidskwesties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit mechanismen opzet voor:

a)

de vertrouwelijke melding van veiligheids- en milieukwesties met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten uit elke bron, en

b)

het onderzoeken van deze meldingen zonder de anonimiteit van de betrokken individuen te schenden.

2.   De lidstaten schrijven voor dat exploitanten en eigenaars de bijzonderheden van de nationale maatregelen voor de in lid 1 bedoelde mechanismen meedelen aan hun werknemers, en aan de aannemers en onderaannemers die bij de activiteiten betrokken zijn en hun werknemers. Zij zorgen er ook voor dat in de relevante opleidingen en mededelingen naar de procedures voor vertrouwelijke meldingen wordt verwezen.

HOOFDSTUK V

TRANSPARANTIE EN UITWISSELING VAN INFORMATIE

Artikel 23

Uitwisseling van informatie

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten en eigenaars ten minste de in bijlage IX beschreven informatie aan de bevoegde autoriteit verstrekken.

2.   Door middel van een uitvoeringshandeling bepaalt de Commissie een gemeenschappelijk gegevensrapporteringsmodel en de bijzonderheden van de uit te wisselen informatie. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de adviesprocedure als bedoeld in artikel 37, lid 2.

Artikel 24

Transparantie

1.   De lidstaten maken de in bijlage IX bedoelde informatie openbaar.

2.   Door middel van een uitvoeringshandeling bepaalt de Commissie een gemeenschappelijk publicatiemodel om de vlotte grensoverschrijdende vergelijking van gegevens mogelijk te maken. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. Het gemeenschappelijk publicatiemodel maakt een betrouwbare vergelijking van nationale praktijken overeenkomstig dit artikel en artikel 25 mogelijk.

Artikel 25

Rapportering over het veiligheids- en milieueffect

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie een jaarverslag in met de in bijlage IX, punt 3, gespecificeerde informatie.

2.   De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de informatie-uitwisseling overeenkomstig artikel 23 en de publicatie van informatie overeenkomstig artikel 24.

3.   De Commissie publiceert een jaarverslag op basis van de informatie die overeenkomstig lid 1 aan haar is gerapporteerd door de lidstaten.

Artikel 26

Onderzoek na een zwaar ongeval

1.   De lidstaten stellen een grondig onderzoek in naar zware ongevallen die plaatsvinden binnen hun rechtsgebied.

2.   De Commissie ontvangt een samenvatting van de overeenkomstig lid 1 gedane bevindingen bij het afronden van het onderzoek of aan het einde van de gerechtelijke procedure, naargelang van het geval. De lidstaten maken een niet-vertrouwelijke versie van de bevindingen openbaar.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteit, in aansluiting op de onderzoeken overeenkomstig lid 1, de onderzoeksaanbevelingen uitvoert die binnen haar bevoegdheid vallen.

HOOFDSTUK VI

SAMENWERKING

Artikel 27

Samenwerking tussen lidstaten

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat zijn bevoegde autoriteit regelmatig kennis, gegevens en ervaringen uitwisselt met andere bevoegde autoriteiten, onder meer via de EU-Groep van autoriteiten voor offshore olie- en gasactiviteiten (EUOAG), en dat zij overleg pleegt met de sector, andere belanghebbenden en de Commissie over de toepassing van de betrokken nationale en uniale wetgeving.

Met betrekking tot lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten worden de in de eerste alinea bedoelde gegevens ontvangen door de op grond van artikel 32, lid 1, aangestelde contactpunten.

2.   De kennis, informatie en ervaring die wordt uitgewisseld overeenkomstig lid 1 heeft met name betrekking op de werking van de maatregelen voor risicobeheer, de voorkoming van zware ongevallen, het toezicht op de naleving en de reactie op noodsituaties in verband met offshore olie- en gasactiviteiten binnen de Unie en, in voorkomend geval, buiten de Unie.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun bevoegde autoriteit deelneemt aan het vaststellen van duidelijke gemeenschappelijke prioriteiten voor de opstelling en actualisering van normen en richtsnoeren, teneinde beste praktijken in offshore olie- en gasactiviteiten te bepalen en de uitvoering en consistente toepassing daarvan te vergemakkelijken.

4.   Uiterlijk 19 juli 2014 legt de Commissie de lidstaten een verslag voor betreffende de toereikendheid van de nationale beschikbare deskundigheid voor het vervullen van de wettelijk opgedragen functies overeenkomstig deze richtlijn; indien nodig zal dit verslag vergezeld gaan van voorstellen die ervoor moeten zorgen dat alle lidstaten toegang hebben tot toereikende deskundigheid.

5.   Uiterlijk 19 juli 2016 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de nationale maatregelen die zij hebben genomen in verband met toegang tot kennis, reactiemiddelen en deskundigheid, onder meer formele overeenkomsten overeenkomstig artikel 8, lid 6.

HOOFDSTUK VII

VOORBEREIDHEID EN REACTIE OP NOODSITUATIES

Artikel 28

Eisen inzake interne rampenplannen

1.   De lidstaten zien erop toe dat interne rampenplannen die overeenkomstig artikel 14 moeten worden opgesteld door de exploitant of de eigenaar en die op grond van artikel 11, lid 1, onder g), moet worden ingediend:

a)

onverwijld in werking worden gesteld als reactie op een zwaar ongeval of een situatie met een onmiddellijk risico op een zwaar ongeval, en

b)

consistent zijn met het in artikel 29 bedoelde externe rampenplan.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant en de eigenaar beschikken over apparatuur en deskundigheid die nodig zijn voor het interne rampenplan, zodat deze apparatuur en deskundigheid te allen tijde beschikbaar zijn en deze bij de uitvoering van het externe rampenplan in voorkomend geval kan worden gedeeld met de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het externe rampenplan van de lidstaat waar het interne rampenplan van toepassing is.

3.   Het interne rampenplan wordt opgesteld overeenkomstig bijlage I, deel 10, en bijgewerkt als gevolg van elke essentiële wijziging in de op grond van artikel 11 ingediende rapporten inzake grote gevaren of kennisgevingen. Elke bijwerking wordt op grond van artikel 11, lid 1, onder g), bij de bevoegde autoriteit ingediend en ter kennis gebracht van de autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het opstellen van de externe rampenplannen voor het betrokken gebied.

4.   Het interne rampenplan wordt geïntegreerd met andere maatregelen voor de bescherming en redding van personeel van de getroffen installatie, teneinde de persoonlijke veiligheid te beschermen en goede overlevingskansen te waarborgen.

Artikel 29

Externe rampenplannen en de gereedheid bij noodsituaties

1.   De lidstaten stellen externe rampenplannen op voor alle offshore olie- en gasinstallaties of hieraan verbonden infrastructuur en potentieel getroffen gebieden binnen hun rechtsgebied. De lidstaten specificeren de rol en de financiële verplichtingen van vergunninghouders en exploitanten bij de externe rampenplannen.

2.   De externe rampenplannen worden door de lidstaat opgesteld in samenwerking met de betrokken exploitanten en eigenaars en, in voorkomend geval, vergunninghouders en de bevoegde autoriteit, en houden rekening met de laatste versie van de interne rampenplannen van bestaande of geplande installaties of verbonden infrastructuur in het gebied waarvoor een extern rampenplan geldt. Tevens wordt rekening gehouden met aanpassingen van de interne rampenplannen door de exploitant.

3.   De externe rampenplannen worden opgesteld overeenkomstig bijlage VII en ter beschikking gesteld van de Commissie, overige potentieel getroffen lidstaten en het publiek. Bij het ter beschikking stellen van hun externe rampenplannen zorgen de lidstaten ervoor dat de meegedeelde informatie geen risico’s doet ontstaan voor de veiligheid en beveiliging van de offshore olie- en gasinstallaties en de werking ervan, en evenmin schade toebrengt aan de economische belangen van de lidstaten of de persoonlijke veiligheid en het welzijn van functionarissen van de lidstaten.

4.   De lidstaten treffen geschikte maatregelen om een hoog niveau van verenigbaarheid en interoperabiliteit van noodapparatuur en knowhow tot stand te brengen tussen alle lidstaten in een geografische streek, en verder indien nodig. De lidstaten moedigen de sector aan om reactieapparatuur en contractueel overeengekomen diensten te ontwikkelen die op elkaar aansluiten en wederzijds toepasbaar zijn in heel de regio.

5.   De lidstaten houden overeenkomstig bijlage VIII, punt 1, registers bij van apparatuur en diensten om te reageren op noodsituaties. Deze registers worden ter beschikking gesteld van de overige potentieel getroffen lidstaten en de Commissie, alsook, op basis van wederkerigheid, van aangrenzende derde landen.

6.   De lidstaten zorgen er voor dat de exploitanten en eigenaars regelmatig en in nauwe samenwerking met de betrokken autoriteiten van de lidstaten testen of zij er op voorbereid zijn om doeltreffend te reageren op grote ongevallen.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten of, in voorkomend geval, de contactpunten samenwerkingsscenario’s voor noodsituaties opstellen. Deze scenario’s worden regelmatig beoordeeld en indien nodig bijgewerkt.

Artikel 30

Reactie op noodsituaties

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant of, in voorkomend geval, de eigenaar de betrokken autoriteiten onverwijld in kennis stelt van een zwaar ongeval of een situatie met een onmiddellijk risico op een zwaar ongeval. Die kennisgeving schetst de omstandigheden, alsmede, waar mogelijk, de oorzaken en de mogelijke milieueffecten en de mogelijke ernstige gevolgen ervan.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat in geval van een zwaar ongeval, de exploitant of de eigenaar alle geschikte maatregelen nemen om een escalatie van het ongeval te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken. Betrokken autoriteiten van de lidstaten kunnen de exploitant of de eigenaar bijstaan, onder andere door hen aanvullende middelen ter beschikking te stellen.

3.   Tijdens de reactie op de noodsituatie verzamelt de lidstaat de nodige informatie voor een grondig onderzoek naar het ongeval overeenkomstig artikel 26, lid 1.

HOOFDSTUK VIII

GRENSOVERSCHRIJDENDE EFFECTEN

Artikel 31

Voorbereidheid en reactie op grensoverschrijdende noodsituaties van lidstaten met offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied

1.   Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een groot gevaar in verband met een offshore olie- en gasexploitatie die in zijn rechtsgebied zal plaatsvinden, wellicht aanzienlijke gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat zal hebben, dan zendt de lidstaat voorafgaand aan het begin van de exploitatie de betrokken informatie aan de potentieel getroffen lidstaat toe en streeft hij ernaar om samen met die lidstaat maatregelen vast te stellen om schade te voorkomen.

Lidstaten die zich als potentieel getroffen beschouwen, kunnen de lidstaat in wiens rechtsgebied de offshore olie- en gasexploitatie zal plaatsvinden, te allen tijde alle relevante informatie toezenden. Deze lidstaten kunnen gezamenlijk de doeltreffendheid van de maatregelen beoordelen, onverminderd de wettelijk opgedragen functies van de bevoegde autoriteit in wiens rechtsgebied voorschriften van artikel 8, lid 1, punten a), b) en c).

2.   In interne en externe rampenplannen wordt rekening gehouden met de overeenkomstig lid 1 bepaalde grote gevaren teneinde een gezamenlijke doeltreffende reactie op een ernstig ongeval vlotter te laten verlopen.

3.   Wanneer er een risico bestaat dat voorspelbare grensoverschrijdende gevolgen van grote ongevallen derde landen treffen, stellen de lidstaten, op basis van wederkerigheid, informatie ter beschikking van deze derde landen.

4.   De lidstaten coördineren onderling de maatregelen die betrekking hebben op gebieden buiten de Unie om mogelijke negatieve gevolgen van offshore olie- en gasactiviteiten te voorkomen.

5.   De lidstaten testen regelmatig of zij voorbereid zijn om doeltreffend op ernstige ongevallen te reageren in samenwerking met potentieel getroffen lidstaten, de relevante agentschappen van de Unie en, op basis van wederkerigheid, potentieel getroffen derde landen. De Commissie kan een bijdrage leveren tot oefeningen die toegespitst zijn op het testen van grensoverschrijdende noodmechanismen.

6.   Bij een zwaar ongeval, of de onmiddellijke dreiging daarvan, dat c.q. die grensoverschrijdende gevolgen heeft of kan hebben, brengt de lidstaat in wiens rechtsgebied de gebeurtenis plaatsvindt, de Commissie en de lidstaten of derde landen die door de gebeurtenis getroffen kunnen worden, onmiddellijk op de hoogte en verstrekt hij hun voortdurend informatie die van belang is voor een doeltreffende reactie op de noodsituatie.

Artikel 32

Voorbereidheid op grensoverschrijdende noodsituaties en reactie van lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied

1.   Lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied wijzen een contactpunt aan voor de uitwisseling van informatie met de betrokken aangrenzende lidstaten.

2.   Lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied passen artikel 29, leden 4 en 7, toe om ervoor te zorgen dat zij beschikken over een passende reactiecapaciteit ingeval zij worden getroffen door een groot ongeval.

3.   Lidstaten zonder offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied coördineren hun nationale noodplanning in het mariene milieu met andere betrokken lidstaten voor zover dat nodig is om de meest doeltreffende reactie op een zwaar ongeval te bewerkstelligen.

4.   Wanneer een lidstaat zonder offshore olie- en gasactiviteiten in zijn rechtsgebied wordt getroffen door een zwaar ongeval:

a)

neemt hij alle passende maatregelen overeenkomstig de in lid 3 bedoelde nationale noodplanning;

b)

zorgt hij ervoor dat alle door hem gecontroleerde informatie die in zijn rechtsgebied beschikbaar is en die van belang kan zijn voor een volledig onderzoek naar het zware ongeval, op verzoek wordt verstrekt aan of toegankelijk wordt gemaakt voor de lidstaat die het onderzoek overeenkomstig artikel 26 uitvoert.

Artikel 33

Gecoördineerde aanpak met het oog op de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten op internationaal niveau

1.   De Commissie bevordert, in nauwe samenwerking met de lidstaten en zonder afbreuk te doen aan desbetreffende internationale overeenkomsten, de samenwerking met derde landen die offshore olie- en gasactiviteiten ondernemen in dezelfde mariene regio’s als de lidstaten.

2.   De Commissie vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie tussen lidstaten met offshore olie- en gasactiviteiten en aangrenzende derde landen die soortgelijke activiteiten verrichten, met het oog op de bevordering van preventieve maatregelen en regionale rampenplannen.

3.   De Commissie bevordert hoge veiligheidsnormen voor offshore olie- en gasactiviteiten op internationaal niveau in de betrokken regionale en wereldfora, inclusief die welke betrekking hebben op de Arctische wateren.

HOOFDSTUK IX

LOTBEPALINGEN

Artikel 34

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 19 juli 2015 in kennis van die bepalingen en delen haar onmiddellijk alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

Artikel 35

Gedelegeerde bevoegdheden van de Commissie

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 36 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I, II, VI en VII aan te passen en er aanvullende informatie in op te nemen die door de technische vooruitgang noodzakelijk zou kunnen worden. Dergelijke aanpassingen leiden niet tot essentiële wijzigingen met betrekking tot de in deze richtlijn vervatte verplichtingen.

Artikel 36

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 35 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 18 juli 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk vier maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 35 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 35 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 37

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 38

Wijziging van Richtlijn 2004/35/EG

1.   In artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2004/35/EG wordt punt b) vervangen door:

„b)

„schade aan wateren”, dat wil zeggen elke vorm van schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op:

i)

de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel, als omschreven in Richtlijn 2000/60/EG, van de betrokken wateren, met uitzondering van de negatieve effecten waarop artikel 4, lid 7, van die richtlijn van toepassing is, of

ii)

de milieutoestand van de betrokken maritieme wateren, als omschreven in Richtlijn 2008/56/EG, voor zover bijzondere aspecten van de milieutoestand van het mariene milieu al niet in Richtlijn 2000/60/EG worden behandeld.”.

2.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 19 juli 2015 aan lid 1 te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 39

Verslaglegging aan het Europees Parlement en de Raad

1.   De Commissie dient uiterlijk 31 december 2014 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de beschikbaarheid van financiëlezekerheidsinstrumenten en over de behandeling van schadeclaims, dat in voorkomend geval vergezeld gaat van voorstellen.

2.   De Commissie dient uiterlijk 19 juli 2015 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over haar beoordeling van de doeltreffendheid van de aansprakelijkheidsregelingen in de Unie in verband met schade die wordt veroorzaakt door offshore olie- en gasactiviteiten. In dat verslag wordt tevens beoordeeld of de aansprakelijkheidsregelingen dienen te worden uitgebreid. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen.

3.   De Commissie gaat na of bepaalde handelwijzen die tot een zwaar ongeval leiden, onder de werkingssfeer van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (23) dienen te worden gebracht. De Commissie brengt uiterlijk 31 december 2014 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over haar bevindingen. Daarbij formuleert zij in voorkomend geval wetgevingsvoorstellen, mits de lidstaten passende informatie ter beschikking stellen.

Artikel 40

Verslag en herziening

1.   Uiterlijk 19 juli 2019, beoordeelt de Commissie, daarbij terdege rekening houdend met de inspanningen en de ervaringen van de bevoegde autoriteiten, de ervaring die met de uitvoering van deze richtlijn is opgedaan.

2.   De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met het resultaat van die beoordeling. Dat verslag bevat in voorkomend geval passende voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.

Artikel 41

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 19 juli 2015 aan deze richtlijn te voldoen.

Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.   In afwijking van de eerste alinea van lid 1 en behoudens lid 5 zijn lidstaten met offshorewateren die geen offshore olie- en gasactiviteiten in hun rechtsgebied hebben en niet voornemens zijn daarvoor een vergunning af te leveren, gehouden de Commissie daarvan in kennis te stellen en enkel die maatregelen in werking te doen treden, uiterlijk 19 juli 2015 die nodig zijn om te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 20, 32 en 34. Deze lidstaten mogen geen vergunning voor dergelijke activiteiten afleveren totdat zij de resterende bepalingen van deze richtlijn hebben omgezet en de Commissie daarvan in kennis hebben gesteld.

4.   In afwijking van de eerste alinea van lid 1 en behoudens lid 5 zijn lidstaten zonder offshore wateren gehouden enkel die maatregelen in werking te doen treden, uiterlijk 19 juli 2015 die nodig zijn om te voldoen aan artikel 20.

5.   Indien er op 18 juli 2013 geen bedrijf dat valt onder artikel 20 geregistreerd staat in een lidstaat waarop hetzij lid 3, hetzij lid 4, van toepassing is, dan is de lidstaat niet eerder dan uiterlijk twaalf maanden na elke latere registratie van een dergelijk bedrijf in die lidstaat verplicht de maatregelen in werking te doen treden die nodig zijn om de naleving te verzekeren van artikel 20, of uiterlijk 19 juli 2015, indien deze datum later valt.

Artikel 42

Overgangsbepalingen

1.   Met betrekking tot eigenaars, exploitanten van geplande productie-installaties en exploitanten die boorputactiviteiten plannen of uitvoeren, passen de lidstaten uiterlijk 19 juli 2016 de overeenkomstig artikel 41 aangenomen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe.

2.   Met betrekking tot bestaande installaties passen de lidstaten de overeenkomstig artikel 41 aangenomen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toe vanaf de datum van de overeenkomstig de regelgeving geplande toetsing van de risicobeoordelingsdocumentatie en uiterlijk 19 juli 2018.

Artikel 43

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 44

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 12 juni 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 125.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 21 mei 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 juni 2013.

(3)  PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(4)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 3.

(5)  PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56.

(6)  PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.

(7)  PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.

(8)  PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17.

(9)  PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1.

(10)  PB L 197 van 24.7.2012, blz. 1.

(11)  PB L 348 van 28.11.1992, blz. 9.

(12)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.

(13)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(14)  Besluit van de Commissie van 19 januari 2012 tot oprichting van de EU-Groep van autoriteiten voor offshore-olie- en -gasactiviteiten (PB C 18 van 21.1.2012, blz. 8).

(15)  Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1).

(16)  PB L 314 van 1.12.2007, blz. 9.

(17)  Besluit van de Raad van 17 december 2012 betreffende de toetreding van de Europese Unie tot het Protocol inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging door exploratie en exploitatie van het continentaal plat en de zeebodem en de ondergrond daarvan (PB L 4 van 9.1.2013, blz. 13).

(18)  PB L 240 van 19.9.1977, blz. 1.

(19)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(20)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(21)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.

(22)  PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

(23)  PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28.


BIJLAGE I

Informatie die moet worden opgenomen in documenten die worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 11

1.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN OVERGELEGD IN DE KENNISGEVING VAN HET ONTWERP OF VAN DE VERPLAATSING MET BETREKKING TOT EEN PRODUCTIE-INSTALLATIE

De kennisgeving van het ontwerp of van de verplaatsing met betrekking tot een productie-installatie die moet worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder c) en j), omvat ten minste de volgende informatie:

1.

de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

2.

een beschrijving van het ontwerpproces voor de productieactiviteiten en -systemen, van een eerste concept tot het ingediende ontwerp of de keuze van een bestaande installatie, de relevante gebruikte normen, en de ontwerpconcepten die in het proces zijn opgenomen;

3.

een beschrijving van het geselecteerde ontwerpconcept met betrekking tot de grote gevarenscenario’s voor de specifieke installatie en de locatie ervan, en de voornaamste kenmerken van het risicobeheer;

4.

een bewijs dat het concept ertoe bijdraagt dat grote risico’s tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt;

5.

een beschrijving van de installatie en de omstandigheden op de geplande locatie;

6.

een beschrijving van meteorologische, milieu- en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico’s te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;

7.

een beschrijving van de types uit te voeren activiteiten waarmee grote gevaren gepaard gaan;

8.

een algemene beschrijving van het veiligheids- en milieubeheersysteem waardoor de geplande controlemaatregelen voor grote risico’s goed blijven functioneren;

9.

een beschrijving van de regelingen voor onafhankelijke verificatie en een eerste lijst met veiligheids- en milieukritische elementen en de vereiste prestaties daarvoor;

10.

wanneer een bestaande productie-installatie verplaatst wordt naar een nieuwe locatie om voor een andere productieactiviteit te dienen, een demonstratie waaruit blijkt dat de installatie geschikt is voor de voorgestelde productieactiviteit;

11.

wanneer een niet-productie-installatie wordt veranderd om als productie-installatie te worden gebruikt, een verklaring waaruit blijkt dat de installatie geschikt is voor verandering naar een productie-installatie.

2.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN RAPPORT INZAKE GROTE GEVAREN VOOR DE EXPLOITATIE VAN EEN PRODUCTIE-INSTALLATIE

Rapporten inzake grote gevaren voor een productie-installatie die moeten worden opgesteld overeenkomstig artikel 12 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder e), omvatten ten minste de volgende informatie:

1.

een beschrijving van het feit dat er rekening werd gehouden met de reactie van de bevoegde autoriteit op de kennisgeving van het ontwerp;

2.

de naam en het adres van de exploitant van de installatie;

3.

een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren;

4.

een beschrijving van de installatie en elke koppeling met andere installaties of verbonden infrastructuur, met inbegrip van boorputten;

5.

het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen, ook milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen, met inbegrip van de relevante veiligheids- en milieukritische elementen, geschikt zijn om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dit bewijs omvat een beoordeling van de doeltreffendheid van de respons op olielekken;

6.

een beschrijving van de types uit te voeren activiteiten met mogelijk grote gevaren, en het maximumaantal personen dat zich steeds op de installatie kan bevinden;

7.

een beschrijving van de uitrusting en maatregelen om de boorputcontrole, procesbeveiliging, insluiting van gevaarlijke stoffen, voorkoming van brand en ontploffingen, bescherming van het personeel tegen gevaarlijke stoffen en bescherming van het milieu tegen een zwaar ongeval in een vroeg stadium te waarborgen;

8.

een beschrijving van de regelingen om personen op de installatie te beschermen tegen grote gevaren, om hun veilige ontsnapping, evacuatie en redding te verzekeren, en om regelingen voor het onderhoud van de controlesystemen te waarborgen teneinde schade aan de installatie en het milieu te vermijden indien alle personeelsleden geëvacueerd worden;

9.

de relevante codes, normen en richtsnoeren die gebruikt zijn bij de bouw en inbedrijfstelling van de installatie;

10.

informatie betreffende het veiligheids- en milieubeheersysteem van de exploitant die van belang is voor de productie-installatie;

11.

een intern rampenplan of een adequate beschrijving daarvan;

12.

een beschrijving van de onafhankelijke verificatieregeling;

13.

alle andere relevante bijzonderheden, bijvoorbeeld ingeval twee of meer installaties gecombineerd werken op een manier die een invloed heeft op de mogelijke grote gevaren van één of alle installaties;

14.

informatie die relevant is voor andere vereisten uit deze richtlijn die verkregen wordt overeenkomstig de eisen op het vlak van voorkoming van zware ongevallen van Richtlijn 92/91/EEG;

15.

inzake activiteiten die vanuit de installaties moeten worden geleid, informatie over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die van belang is voor de overige eisen overeenkomstig deze richtlijn en die krachtens Richtlijn 2011/92/EU wordt verkregen;

16.

een beoordeling van de in kaart gebrachte potentiële gevolgen voor het milieu van het vrijkomen van verontreinigde stoffen als gevolg van een zwaar ongeval, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om deze te voorkomen, te beperken of te bestrijden, met inbegrip van monitoring.

3.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN RAPPORT INZAKE GROTE GEVAREN VOOR EEN NIET-PRODUCTIE-INSTALLATIE

Rapporten inzake grote gevaren voor een niet-productie-installatie die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 13 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder e), omvatten ten minste de volgende informatie:

1.

de naam en het adres van de eigenaar;

2.

een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het rapport inzake grote gevaren;

3.

een beschrijving van de installatie en, in het geval van een mobiele installatie, een beschrijving van de manier van verplaatsing tussen locaties en het systeem voor het stationeren ervan;

4.

een beschrijving van de types activiteiten met mogelijke grote gevaren die de installatie kan uitvoeren, en het maximumaantal personen dat zich steeds op de installatie kan bevinden;

5.

het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn, dat hun waarschijnlijkheid en gevolgen, ook milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, beoordeeld zijn en dat de controlemaatregelen, met inbegrip van de relevante veiligheids- en milieukritische elementen, geschikt zijn om het risico op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken; dit bewijs omvat een analyse van de doeltreffendheid van de respons op olielekken;

6.

een beschrijving van de uitrusting en maatregelen om de boorputcontrole, procesbeveiliging, insluiting van gevaarlijke stoffen, voorkoming van brand en ontploffingen, bescherming van het personeel tegen gevaarlijke stoffen en bescherming van het milieu tegen een zwaar ongeval in een vroeg stadium te waarborgen;

7.

een beschrijving van de regelingen om personen op de installatie te beschermen tegen grote gevaren, om hun veilige ontsnapping, evacuatie en redding te verzekeren, en om regelingen voor het onderhoud van de controlesystemen te waarborgen teneinde schade aan de installatie en het milieu te vermijden indien alle personeelsleden geëvacueerd worden;

8.

de relevante codes, normen en richtsnoeren die gebruikt zijn bij de bouw en inbedrijfstelling van de installatie;

9.

het bewijs dat alle grote gevaren bepaald zijn voor alle activiteiten die de installatie kan uitvoeren, en dat de risico’s op een zwaar ongeval voor mens en milieu tot een aanvaardbaar niveau zijn beperkt;

10.

een beschrijving van alle milieu-, meteorologische en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico’s te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;

11.

informatie over het veiligheids- en milieubeheersysteem die van belang is voor de niet-productie-installatie;

12.

een interne rampenplan of een passende beschrijving daarvan;

13.

een beschrijving van de onafhankelijke verificatieregeling;

14.

alle andere relevante bijzonderheden, bijvoorbeeld ingeval twee of meer installaties gecombineerd werken op een manier die een invloed heeft op de mogelijke grote gevaren van één of alle installaties;

15.

inzake activiteiten die vanuit de installaties moeten worden geleid, informatie op grond van Richtlijn 2011/92/EU verkregen betreffende de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben, die van belang is voor de overige eisen uit hoofde van deze richtlijn;

16.

een beoordeling van de in kaart gebrachte potentiële gevolgen voor het milieu van het vrijkomen van verontreinigde stoffen als gevolg van een zwaar ongeval, en een beschrijving van de technische en niet-technische maatregelen die worden overwogen om deze te voorkomen, te beperken of te bestrijden, met inbegrip van monitoring.

4.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN KENNISGEVING VAN BOORPUTACTIVITEITEN

De kennisgevingen van boorputactiviteiten die moeten worden opgesteld overeenkomstig artikel 15 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder h), omvat ten minste de volgende informatie:

1.

de naam en het adres van de exploitant van de boorput;

2.

de naam van de te gebruiken installatie en de naam en het adres van de eigenaar of, in het geval van een productie-installatie, de aannemer die booractiviteiten uitvoert;

3.

bijzonderheden die de boorput kenmerken en enig verband met installaties en verbonden infrastructuur;

4.

informatie over het werkprogramma van de boorput, met inbegrip van de exploitatieperiode, bijzonderheden en de verificatie van de barrières tegen het verlies van controle over de boorput (uitrusting, boorvloeistoffen en cement enz.), controle over de richting van de boorput en beperkingen op veilige activiteiten, overeenkomstig het risicobeheer;

5.

in het geval van een bestaande boorput, informatie met betrekking tot de geschiedenis en toestand ervan;

6.

bijzonderheden over de in te zetten veiligheidsapparatuur die niet beschreven is in het huidige rapport inzake grote gevaren voor de installatie;

7.

een risicobeoordeling met een beschrijving van:

a)

de specifieke gevaren die gerelateerd zijn aan de boorputexploitatie, met inbegrip van meteorologische, milieu- en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten;

b)

de ondergrondse gevaren;

c)

alle oppervlakte- of onderzeese activiteiten die tegelijkertijd potentieel grote gevaren meebrengen;

d)

geschikte controlemaatregelen;

8.

een beschrijving van de boorputconfiguratie op het einde van de activiteiten, dat wil zeggen permanent of tijdelijk verlaten en of productie-uitrusting in de put is geplaatst voor toekomstig gebruik;

9.

in het geval van een wijziging van een eerder ingediende kennisgeving van boorputactiviteiten, voldoende bijzonderheden om de kennisgeving volledig bij te werken;

10.

wanneer het een boorput betreft die moet worden aangelegd, gewijzigd of onderhouden met behulp van een niet-productie-installatie, de volgende extra informatie:

a)

een beschrijving van de meteorologische, milieu-, en zeebodembeperkingen op veilige activiteiten, en de regelingen om zeebodem- en mariene risico’s te bepalen, zoals pijpleidingen en de verankeringen van aangrenzende installaties;

b)

een beschrijving van de milieuomstandigheden waarmee rekening werd gehouden in het interne rampenplan voor de installatie;

c)

een beschrijving van de voorzieningen voor reacties op noodsituaties, met inbegrip van de voorzieningen voor gevallen van een zwaar milieu-incident, die niet zijn beschreven in het rapport inzake grote gevaren, en

d)

een beschrijving van de wijze waarop de beheersystemen van de exploitant van de boorput en de eigenaar gecoördineerd moeten worden om op elk moment de grote gevaren doeltreffend te beheren;

11.

een rapport met bevindingen van het onafhankelijk boorputonderzoek, met inbegrip van een verklaring van de exploitant van de boorput waarin na het rapport en de bevindingen van het onafhankelijk boorputonderzoek door de onafhankelijke verificateur in overweging te hebben genomen wordt aangegeven, dat de risicobeoordeling met betrekking tot het boorputontwerp en de barrières tegen het verlies van de controle over de boorput geschikt zijn voor alle verwachte omstandigheden;

12.

informatie die relevant is voor deze richtlijn verkregen overeenkomstig de eisen op het vlak van voorkoming van zware ongevallen van Richtlijn 92/91/EEG;

13.

inzake boorputactiviteiten die moeten worden geleid, informatie die van belang is voor de overige eisen overeenkomstig deze richtlijn en die krachtens Richtlijn 2011/92/EU wordt verkregen over de voorkoming van zware ongevallen die aanzienlijke of ernstige milieuschade tot gevolg hebben.

5.   INFORMATIE OVER EEN VERIFICATIEREGELING DIE MOET WORDEN VOORGELEGD

Beschrijvingen die moeten worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder d), in verband met de regeling voor onafhankelijke verificatie die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 17, lid 1, bevatten de volgende informatie:

a)

een verklaring van de exploitant of van de eigenaar opgesteld na overweging van het rapport van de onafhankelijke verificateur dat het register van veiligheidskritische elementen en de onderhoudsregeling hiervan zoals vermeld in het rapport inzake grote gevaren, geschikt zijn of zullen zijn;

b)

een beschrijving van de verificatieregeling, met inbegrip van de selectie van onafhankelijke verificateurs, de methode van onderzoek of veiligheids- en milieukritische elementen en bepaalde uitrusting in de regeling in goede staat van onderhoud blijven;

c)

een beschrijving van de in onder b) bedoelde verificatiemethode die bijzonderheden bevat over de beginselen die zullen worden toegepast voor de uitvoering van de functies onder de regeling en om de regeling gedurende de levenscyclus van de installatie voortdurend te herzien, inhoudende:

i)

onderzoek en tests van de veiligheids- en milieukritische elementen door onafhankelijke en competente verificateurs;

ii)

de verificatie van het ontwerp, de norm, de certificering of een ander conformiteitssysteem van de veiligheids- en milieukritische elementen;

iii)

het onderzoek van het werk in uitvoering;

iv)

de melding van elk geval van niet-naleving;

v)

corrigerende maatregelen, genomen door de exploitant of de eigenaar.

6.   TE VERSTREKKEN INFORMATIE MET BETREKKING TOT EEN ESSENTIËLE VERANDERING AAN EEN INSTALLATIE, MET INBEGRIP VAN DE VERWIJDERING VAN EEN VASTE INSTALLATIE

Indien er essentiële veranderingen nodig zijn aan de in artikel 12, lid 5, en artikel 13, lid 4, bedoelde installatie, bevat het gewijzigde rapport inzake grote gevaren met daarin de essentiële wijzigingen, dat moet worden ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 1, onder f), minstens de volgende informatie:

1.

de naam en het adres van de exploitant of de eigenaar;

2.

een samenvatting van elke betrokkenheid van werknemers bij de opstelling van het herziene rapport inzake grote gevaren;

3.

voldoende bijzonderheden om het eerdere rapport inzake grote gevaren en het bijbehorende interne rampenplan voor de installatie volledig bij te werken, en te bewijzen dat de grote risico’s verminderd zijn tot een aanvaardbaar niveau;

4.

in het geval van een vaste productie-installatie die uit gebruik is genomen:

a)

de middelen om alle gevaarlijke stoffen te isoleren en, als er boorputten met de installatie verbonden zijn, de permanente afsluiting van de boorputten van de installatie en het milieu;

b)

een beschrijving van de grote risico’s, verbonden met de buitenbedrijfstelling van de installatie, voor personeel en milieu, de totale blootgestelde bevolking en de risicobeheersingsmaatregelen;

c)

regelingen in het kader van de reactie op noodsituaties om de veilige evacuatie en redding van personeel te verzekeren en controlesystemen ter voorkoming van een zwaar milieuongeval, te behouden.

7.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN OPGENOMEN IN EEN KENNISGEVING VAN GECOMBINEERDE ACTIVITEITEN

De kennisgeving voor gecombineerde activiteiten die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 16 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder i), omvat ten minste de volgende informatie:

1.

de naam en het adres van de exploitant die de kennisgeving indient;

2.

indien andere exploitanten of eigenaars bij de gecombineerde activiteiten betrokken zijn, hun namen en adressen en een bevestiging dat zij instemmen met de inhoud van de kennisgeving;

3.

een beschrijving, in de vorm van een overbruggingsdocument dat door alle betrokken partijen is goedgekeurd, van hoe de beheersystemen voor de installaties die bij de gecombineerde activiteit betrokken zijn, gecoördineerd worden om het risico op een zwaar ongeval tot een aanvaardbaar niveau te beperken;

4.

een beschrijving van de uitrusting die in verband met de gecombineerde activiteit moet worden gebruikt, maar die niet beschreven is in het huidige rapport inzake grote gevaren voor elke installatie die bij de gecombineerde activiteiten betrokken is;

5.

een samenvatting van de risicobeoordeling die is uitgevoerd door alle exploitanten en eigenaars die bij de gecombineerde activiteiten betrokken zijn, met inbegrip van:

a)

een beschrijving van alle activiteiten tijdens de gecombineerde activiteit die gevaren met zich mee kunnen brengen met mogelijk een zwaar ongeval tot gevolg op of in verband met een installatie;

b)

een beschrijving van alle risicobeheersingsmaatregelen die ingevoerd worden naar aanleiding van de risicobeoordeling;

6.

een beschrijving van de gecombineerde activiteit en een werkprogramma, waarop de gecombineerde activiteit volgens de planning zal beginnen.

8.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD OVER HET BEDRIJFSBELEID TER VOORKOMING VAN ZWARE ONGEVALLEN

Het bedrijfsbeleid inzake voorkoming van zware ongevallen dat moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 19, lid 1, en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder a), omvat maar blijft niet beperkt tot:

1.

de verantwoordelijkheid van de bestuursraad die er te allen tijde voor moet zorgen dat het bedrijfsbeleid ter voorkoming van zware ongevallen geschikt is, ingevoerd is en werkt zoals het bedoeld is;

2.

maatregelen voor het opbouwen en handhaven van een sterke veiligheidscultuur die het zeer waarschijnlijk maakt dat er permanent een veilige exploitatie kan plaatsvinden;

3.

de omvang en de intensiteit van de procesdoorlichting;

4.

maatregelen ter beloning en erkenning van gewenst gedrag;

5.

evaluatie van de capaciteiten en doelstellingen van het bedrijf;

6.

maatregelen voor de handhaving van normen voor veiligheid en milieubescherming als een kernwaarde van het bedrijf;

7.

formele controle- en besturingssystemen waarbij bestuursleden en het hoger management van het bedrijf worden betrokken;

8.

de aanpak van bekwaamheid op alle bedrijfsniveaus;

9.

de mate waarin de onder de punten 1 tot en met 8 genoemde bijzonderheden van toepassing zijn op de olie- en gasactiviteiten die het bedrijf buiten de Unie uitvoert.

9.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD MET BETREKKING TOT EEN VEILIGHEIDS- EN MILIEUBEHEERSYSTEEM

Het veiligheids- en milieubeheersysteem dat moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 19, lid 3, en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder b), omvat, maar blijft niet beperkt tot:

1.

de organisatiestructuur en taken en verantwoordelijkheden van het personeel;

2.

de bepaling en evaluatie van grote gevaren, de waarschijnlijkheid en de mogelijke gevolgen ervan;

3.

de integratie van het milieu-effect in de beoordelingen van het risico op zware ongevallen in het rapport inzake grote gevaren;

4.

het beheer van de grote gevaren tijdens de normale activiteiten;

5.

het beheer van wijzigingen;

6.

rampenplannen en de reactie op noodsituaties;

7.

de beperking van de milieuschade;

8.

het toezicht op de prestaties;

9.

regelingen voor doorlichting en herzieningen, en

10.

de vigerende maatregelen voor deelname aan het tripartiete overleg en hoe daaruit voortkomende maatregelen worden uitgevoerd.

10.   INFORMATIE DIE MOET WORDEN VOORGELEGD IN EEN INTERN RAMPENPLAN VAN EEN EXPLOITANT

Interne rampenplannen die moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 14 en worden ingediend op grond van artikel 11, lid 1, onder g), omvatten, maar blijven niet beperkt tot:

1.

de naam en functie van de personen die bevoegd zijn om responseprocedures voor noodsituaties in werking te stellen en van de persoon die de interne reactie op de noodsituatie leidt;

2.

de naam of functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe rampenplan verantwoordelijke autoriteit(en);

3.

een beschrijving van alle te voorziene omstandigheden of gebeurtenissen die een zwaar ongeval zouden kunnen veroorzaken, zoals beschreven in het rapport inzake grote gevaren waarbij het plan gevoegd is;

4.

een beschrijving van de acties die genomen zullen worden om de relevante omstandigheden of gebeurtenissen te beheersen en om de gevolgen ervan te beperken;

5.

een beschrijving van de beschikbare apparatuur en middelen, ook voor het overkappen van mogelijke lekken;

6.

de regelingen ter beperking van de risico’s voor personen op de installatie en voor het milieu, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;

7.

in het geval van een gecombineerde activiteit, de regelingen voor de coördinatie tussen de betrokken installaties van ontsnapping, evacuatie en redding, om goede overlevingskansen te waarborgen voor personen die zich tijdens een zwaar ongeval op de installatie bevinden;

8.

een raming van de doeltreffendheid van de respons op olielekken: Bij deze analyse van de respons moet onder meer rekening worden gehouden met de volgende milieufactoren:

i)

het weer, met inbegrip van wind, zichtbaarheid, neerslag en temperatuur;

ii)

toestanden, getijden en stromingen;

iii)

de aanwezigheid van ijs en slik;

iv)

het aantal uren daglicht, en

v)

andere bekende milieufactoren die van invloed kunnen zijn op de doeltreffendheid van de bestrijdingsapparatuur of de algemene doeltreffendheid van de bestrijdingsinspanning;

9.

de regelingen om de autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het in werking te stellen van het externe rampenplan bij een zwaar ongeval snel in te lichten, het type informatie dat onmiddellijk moet worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger informatie, wanneer deze beschikbaar wordt;

10.

de regelingen om personeelsleden op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen worden verwacht en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten;

11.

de regelingen om de interne reactie op de noodsituatie te coördineren met de externe reactie op de noodsituatie;

12.

het bewijs van eerdere beoordelingen van als dispergeermiddel gebruikte chemische stoffen die zijn verricht om de gevolgen voor de volksgezondheid en alle verdere milieuschade te beperken.


BIJLAGE II

Rapporten over boorputactiviteiten in te dienen uit hoofde van artikel 15, lid 4

De uit hoofde van artikel 15, lid 4, bij de bevoegde autoriteit in te dienen rapporten bevatten ten minste de volgende informatie:

1.

de naam en het adres van de exploitant van de boorput;

2.

de naam van de installatie en de naam en het adres van de exploitant of de eigenaar ervan;

3.

bijzonderheden die de boorput kenmerken en enig verband met installaties of verbonden infrastructuur;

4.

een samenvatting van de activiteiten uitgevoerd sinds het begin van de activiteiten of sinds het vorige verslag;

5.

de diameter en de werkelijke verticale en gemeten diepte van:

a)

elk boorgat, en

b)

elke geïnstalleerde verbuizing;

6.

de dichtheid van de boorvloeistof op het moment waarop het rapport wordt opgesteld, en

7.

in het geval van activiteiten in een bestaande boorput, de huidige operationele status van die boorput.


BIJLAGE III

Bepalingen met betrekking tot de aanstelling en het functioneren van de bevoegde autoriteit op grond van artikelen 8 en 9

1.   BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE LIDSTATEN

1.

Met het oog op de aanstelling van een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de taken zoals neergelegd in artikel 8, ondernemen de lidstaten op zijn minst het volgende:

a)

zij treffen organisatorische regelingen waarmee de plichten die in deze richtlijn aan de bevoegde autoriteit worden toegewezen, doeltreffend nagekomen kunnen worden, met inbegrip van regelingen om veiligheid en milieubescherming op een billijke manier te regelen;

b)

zij stellen een beleidsverklaring op over de doelstellingen van toezicht en handhaving, en de verplichtingen voor de bevoegde autoriteit om transparantie, consistentie, evenredigheid en objectiviteit tot stand te brengen in haar regelgeving met betrekking tot offshore olie- en gasactiviteiten.

2.

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de onder punt 1 vermelde regelingen in werking te doen treden, met inbegrip van:

a)

het financieren van voldoende gespecialiseerde deskundigheid die intern en/of middels formele overeenkomsten met derden beschikbaar is zodat de bevoegde autoriteit activiteiten kan inspecteren en onderzoeken, dwingende maatregelen kan nemen en rapporten inzake grote gevaren en kennisgevingen kan afhandelen;

b)

wanneer er een beroep wordt gedaan op externe deskundigheid, het financieren van de opstelling van voldoende schriftelijke richtsnoeren en toezicht om een consistente aanpak te behouden en te waarborgen dat de wettelijke aangestelde bevoegde autoriteit de volledige verantwoordelijkheid behoudt onder deze richtlijn;

c)

het financieren van essentiële opleiding, communicatie, toegang tot technologie, en reizen en vergoeding van het personeel van de bevoegde autoriteit voor de uitvoering van hun functies en om de actieve samenwerking tussen bevoegde autoriteiten op grond van artikel 27 te bevorderen;

d)

waar nodig eisen dat exploitanten of eigenaars de bevoegde autoriteit vergoeden voor de kosten van haar functies die uitgevoerd worden op grond van deze richtlijn;

e)

het financieren en aanmoedigen van een onderzoek op grond van de functies van de bevoegde autoriteit onder deze richtlijn;

f)

het verzorgen van de financiering voor het opstellen van rapporten door de bevoegde autoriteit.

2.   BEPALINGEN BETREFFENDE DE WERKING VAN DE BEVOEGDE AUTORITEIT

1.

Voor de daadwerkelijke uitoefening van haar taken overeenkomstig artikel 9, stelt de bevoegde autoriteit het volgende op:

a)

een schriftelijke strategie die de taken en de prioriteiten bij het optreden van de bevoegde autoriteit beschrijft, te weten bij het ontwerp en de exploitatie van de installaties, integriteitsbeheer en de voorbereidheid en reactie op noodsituaties, en hoe dit georganiseerd is;

b)

operationele procedures die beschrijven hoe de bevoegde autoriteit de naleving van de plichten van exploitanten en eigenaars overeenkomstig deze richtlijn zal inspecteren en handhaven, met inbegrip van de vraag hoe zij de rapporten inzake grote gevaren zal behandelen, beoordelen en goedkeuren, hoe zij kennisgevingen van boorputactiviteiten zal behandelen en hoe de tussentijd tussen de inspecties van groterisicobeheersingsmaatregelen (inclusief voor het milieu) voor een bepaalde installatie of activiteit bepaald moet worden;

c)

procedures om de taken van de bevoegde autoriteit te vervullen, onverminderd andere verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld in verband met onshore olie- en gasactiviteiten en regelingen op grond van Richtlijn 92/91/EEG;

d)

indien de bevoegde autoriteit twee of meer organen omvat, een formele overeenkomst waarin de noodzakelijke mechanismen voor de gezamenlijke werking van de bevoegde autoriteit worden vastgelegd, inclusief toezicht op het hoger management en monitoring en herziening, gemeenschappelijke planning en inspectie, verdeling van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van rapporten inzake grote gevaren, gemeenschappelijk onderzoek, interne communicatie en rapporten die gezamenlijk extern moeten worden bekendgemaakt.

2.

De gedetailleerde procedures voor de beoordeling van rapporten inzake grote gevaren vereisen dat alle feitelijke informatie en andere bijzonderheden zoals vereist krachtens deze richtlijn, door de exploitant of de eigenaar worden overgelegd. De bevoegde autoriteit moet er ten minste op toezien dat de volgende gegevens worden ingediend en dat deze eisen duidelijk zijn uiteengezet in richtsnoeren voor exploitanten en eigenaars:

a)

alle te voorziene gevaren die aanleiding kunnen geven tot een zwaar ongeval, met inbegrip van een zwaar milieuongeval, zijn vastgesteld, de risico’s ervan zijn geëvalueerd en er zijn maatregelen, zoals rampenplannen, vastgesteld om de risico’s te beheersen;

b)

het veiligheids- en milieubeheerssysteem wordt adequaat beschreven om de overeenstemming met deze richtlijn aan te tonen;

c)

er zijn passende regelingen getroffen voor een onafhankelijke verificatie en een controle door de exploitant of de eigenaar.

3.

Bij het uitvoeren van een grondige beoordeling van rapporten inzake grote gevaren ziet de bevoegde autoriteit erop toe:

a)

dat alle vereiste feitelijke informatie is overgelegd;

b)

dat de exploitant of de eigenaar alle redelijkerwijs te voorspellen grote gevaren die van toepassing zijn op de installatie en de functies ervan heeft geïdentificeerd, evenals mogelijke gebeurtenissen die aanleiding kunnen geven tot zulke gevaren, en dat de methodologie en de evaluatiecriteria betreffende risicobeheer bij zware ongevallen duidelijk zijn toegelicht, met inbegrip van factoren die tot onzekerheid kunnen leiden in de analyse;

c)

dat in het risicobeheer aandacht is besteed aan alle relevante fasen van de levenscyclus van de installatie en alle voorspelbare situaties zijn bestudeerd, zoals:

i)

hoe bij de beslissingen met betrekking tot het ontwerp, beschreven in de kennisgeving van het ontwerp, rekening is gehouden met het risicobeheer om te garanderen dat de inherente veiligheids- en milieubeginselen erin worden opgenomen;

ii)

hoe boorputactiviteiten zullen worden uitgevoerd vanaf de installatie wanneer zij in bedrijf is;

iii)

hoe boorputactiviteiten zullen worden uitgevoerd en tijdelijk zullen worden opgeschort voordat de productie begint op een productie-installatie;

iv)

hoe gecombineerde activiteiten moeten worden uitgevoerd met andere installaties;

v)

hoe de ontmanteling van de installatie zal worden uitgevoerd;

d)

dat risicobeperkingsmaatregelen, vastgesteld in het kader van het risicobeheer, bedoeld zijn om toegepast te worden indien dat nodig is om het risico tot een aanvaardbaar niveau te beperken;

e)

dat de exploitant of de eigenaar bij het bepalen van de nodige maatregelen om het risico tot aanvaardbare niveaus te beperken duidelijk heeft aangetoond hoe de relevante goede praktijken en inzichten op basis van een degelijk ontwerp, de beste beheerpraktijken en menselijke en organisatorische factoren en beginselen in aanmerking zijn genomen;

f)

dat de maatregelen en regelingen voor het opsporen van en het snel en effectief reageren op een noodsituatie duidelijk zijn geïdentificeerd en gemotiveerd;

g)

dat de ontsnappings-, evacuatie- en reddingsmaatregelen en -regelingen om te voorkomen dat een noodsituatie escaleert en de milieugevolgen ervan te beperken op een logische en systematische manier worden geïntegreerd, rekening houdende met de te verwachten noodomstandigheden waarin deze maatregelen zullen worden toegepast;

h)

dat de eisen worden verwerkt in de interne rampenplannen, en dat een afschrift of een passende beschrijving van het interne rampenplan bij de bevoegde autoriteit wordt ingediend;

i)

dat het veiligheids- en milieubeheersysteem dat beschreven is in het rapport inzake grote gevaren toereikend is om de beheersing van grote gevaren in elk stadium van de levenscyclus van de installatie te verzekeren en de naleving van alle relevante wettelijke bepalingen verzekert, en controle van het systeem en toepassing van de controleaanbevelingen mogelijk maakt;

j)

dat de regeling voor onafhankelijke verificatie duidelijk is uitgelegd.


BIJLAGE IV

Voorzieningen door exploitanten en eigenaars voor de voorkoming van zware ongevallen overeenkomstig artikel 19

1.

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitanten en de eigenaars:

a)

bijzondere aandacht besteden aan de evaluatie van de betrouwbaarheids- en integriteitsvereisten van alle veiligheids- en milieukritische systemen en hun inspectie- en onderhoudssystemen baseren op de verwezenlijking van het vereiste niveau van veiligheids- en milieu-integriteit;

b)

passende maatregelen nemen die ervoor zorgen, in een mate die redelijkerwijs haalbaar is, dat gevaarlijke stoffen niet onverhoeds ontsnappen uit de pijpleidingen, vaten en systemen die bestemd zijn voor de veilige opslag ervan. Bovendien verzekeren de exploitanten en eigenaars dat geen enkel defect van een insluitingsbarrière tot een zwaar ongeval kan leiden;

c)

een inventaris opstellen van de beschikbare apparatuur, met vermelding van eigenaar, locatie, vervoer naar en gebruikswijze op de installatie en van entiteiten die relevant zijn voor de uitvoering van het interne rampenplan. De inventaris bevat een overzicht van de maatregelen die waarborgen dat de apparatuur en procedures bedrijfsklaar zijn;

d)

ervoor zorgen dat zij een geschikt kader hebben om te controleren of er voldaan is aan alle relevante wettelijke bepalingen door hun wettelijke plichten met betrekking tot controle en milieubescherming bij grote gevaren in hun standaardwerkwijzen op te nemen, en

e)

bijzondere aandacht besteden aan de ontwikkeling en instandhouding van een sterke veiligheidscultuur waardoor de waarschijnlijkheid van een permanent veilige exploitatie zeer hoog ligt, ook wat betreft het verzekeren van de onderlinge samenwerking van het personeel door onder meer:

i)

zichtbare gehechtheid aan tripartiet overleg en acties die daaruit voortvloeien;

ii)

stimulering en beloning van het melden van ongevallen en bijna-ongevallen;

iii)

effectieve samenwerking met verkozen veiligheidsverantwoordelijken;

iv)

bescherming van klokkenluiders.

2.

De lidstaten zorgen ervoor dat de sector samenwerkt met bevoegde autoriteiten om een prioriteitenplan op te stellen en uit te voeren voor de ontwikkeling van normen, richtsnoeren en regels ter uitvoering van beste praktijken bij de voorkoming van zware ongevallen en het beperken van de gevolgen van zware ongevallen, mochten die zich toch voordoen.


BIJLAGE V

Keuze van de onafhankelijke verificateur en het ontwerp van de plannen voor onafhankelijke verificatie overeenkomstig artikel 17, lid 3

1.

De lidstaten verplichten de exploitant of de eigenaar te voldoen aan de volgende vereisten met betrekking tot de onafhankelijkheid van de verificateur ten aanzien van de exploitant en de eigenaar:

a)

er wordt niet geëist dat de onafhankelijke verificateur enig aspect van een veiligheids- of milieukritisch element of bepaalde uitrusting onderzoekt waarbij hij eerder, nog voor de verificatieactiviteit, betrokken is geweest of waarbij zijn objectiviteit in het gedrang kan komen;

b)

de onafhankelijke verificateur is voldoende onafhankelijk van een beheersysteem dat verantwoordelijk is of was voor een aspect van een component in de regeling voor het onafhankelijke boorputonderzoek, teneinde zijn objectiviteit bij de uitoefening van zijn functies onder de regeling te waarborgen.

2.

De lidstaten verplichten de exploitant of de eigenaar ervoor zorgen dat de onafhankelijke verificateur ten aanzien van het schema voor de onafhankelijke verificatie in verband met de onafhankelijke verificatie van een installatie of een bron, aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de onafhankelijke verificateur beschikt over de passende technische bekwaamheid, inclusief, indien nodig, voldoende personeel met de juiste kwalificaties en met voldoende ervaring dat voldoet aan de vereisten van punt 1 van deze bijlage;

b)

de taken die vallen onder het schema voor onafhankelijke verificatie worden door de onafhankelijke verificateur op passende wijze toegewezen aan personeel dat gekwalificeerd is om ze uit te voeren;

c)

passende regelingen worden opgesteld voor de informatiestroom tussen de exploitant of de eigenaar en de onafhankelijke verificateur;

d)

aan de onafhankelijke verificateur wordt toegekend door de exploitant of de eigenaar voldoende gezag toegekend om zijn functies adequaat uit te oefenen.

3.

Essentiële wijzigingen moeten overeenkomstig het schema voor onafhankelijke verificatie voor verdere verificatie worden voorgelegd aan de onafhankelijke verificateur en de resultaten van die verdere verificatie moeten aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld, als daartoe een verzoek wordt gedaan.


BIJLAGE VI

Informatie betreffende prioriteiten voor samenwerking tussen exploitanten en eigenaars en bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 19, lid 7

De factoren die in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van prioriteiten voor de ontwikkeling van normen en richtsnoeren, moeten praktische uitvoering geven aan voorkoming van zware ongevallen en beperking van de gevolgen ervan. Tot deze factoren behoren:

a)

verbetering van de boorputintegriteit, boorputcontroleapparatuur en boorputbarrières en toezicht op de doeltreffendheid ervan;

b)

verbetering van de primaire insluiting;

c)

verbetering van de secundaire insluiting die de escalatie van een zwaar ongeval in een vroeg stadium beperkt, inclusief explosies in een boorput;

d)

betrouwbare besluitvorming;

e)

beheer van en toezicht op activiteiten met grote gevaren;

f)

bekwaamheid van de personen die sleutelfuncties bekleden;

g)

doeltreffend risicobeheer;

h)

betrouwbaarheidsbeoordeling voor veiligheids- en milieukritische systemen;

i)

prestatie-kernindicatoren;

j)

doeltreffende integratie van de veiligheids- en milieubeheersystemen onder exploitanten en de eigenaars en andere entiteiten die betrokken zijn bij olie- en gasactiviteiten.


BIJLAGE VII

In externe rampenplannen uit hoofde van artikel 29 te verstrekken informatie

Externe rampenplannen, opgezet overeenkomstig artikel 29, omvatten, maar blijven niet beperkt tot:

a)

namen en functies van personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te stellen en van personen die bevoegd zijn om de externe reactie op de noodsituatie te leiden;

b)

regelingen om snel op de hoogte te worden gesteld van zware ongevallen, en de bijbehorende alarmprocedures en procedures voor reacties op noodsituaties;

c)

regelingen voor de coördinatie van de middelen die noodzakelijk zijn om het externe rampenplan uit te voeren;

d)

regelingen om bijstand te verlenen aan de interne reactie op noodsituaties;

e)

een gedetailleerde beschrijving van de regelingen voor de externe reactie op een noodsituatie;

f)

de regelingen om personen en organisaties die mogelijk getroffen zijn door het zware ongeval passend te informeren en hierover te adviseren;

g)

de regelingen voor het verstrekken van informatie aan de hulpdiensten van andere lidstaten en de Commissie in het geval van een zwaar ongeval met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen;

h)

de regelingen voor de beperking van de negatieve effecten op in het wild levende dieren zowel onshore als offshore, met inbegrip van de situaties waarbij met olie besmeurde dieren eerder de kust bereiken dan de eigenlijke olievlek.


BIJLAGE VIII

Bij de opstelling van externe rampenplannen uit hoofde van artikel 29 mee te nemen bijzonderheden

1.

De autoriteit(en) die verantwoordelijk is (zijn) voor het coördineren van het rampenplan, stelt/stellen het volgende beschikbaar:

a)

een inventaris van beschikbare apparatuur, met vermelding van eigenaar, locatie, de wijze van vervoer naar en gebruikswijze op de plek van het zware ongeval;

b)

een beschrijving van de maatregelen die waarborgen dat de apparatuur en procedures bedrijfsklaar worden gehouden;

c)

een inventaris van apparatuur in het bezit van de sector die in een noodsituatie kan worden ingezet;

d)

een beschrijving van de algemene regelingen voor het reageren op zware ongevallen, met inbegrip van de competenties en verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen en de organisaties die instaan voor deze regelingen;

e)

maatregelen die waarborgen dat de apparatuur, het personeel en de procedures op elk moment beschikbaar zijn, dat er op elk moment voldoende opgeleide personeelsleden aanwezig zijn en dat een en ander up-to-date is.

f)

het bewijs van eerdere beoordelingen, vanuit het oogpunt van het milieu en de volksgezondheid, van chemische stoffen die als dispergeermiddel worden gebruikt.

2.

De externe rampenplannen bevatten een duidelijke toelichting inzake de rol van de autoriteiten, de hulpdiensten, de coördinatoren en de andere per