ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.173.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 173

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
26 juni 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Kennisgeving van de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 611/2013 van de Commissie van 24 juni 2013 betreffende maatregelen voor het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens op grond van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende privacy en elektronische communicatie

2

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 612/2013 van de Commissie van 25 juni 2013 over het beheer van het register van marktdeelnemers en belastingentrepots, daarmee verband houdende statistieken en rapportage overeenkomstig Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen

9

 

*

Verordening (EU) nr. 613/2013 van de Commissie van 25 juni 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1451/2007 wat betreft aanvullende werkzame stoffen van biociden die in het kader van het beoordelingsprogramma moeten worden onderzocht

34

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 614/2013 van de Commissie van 25 juni 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

38

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/313/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Raad van 21 juni 2013 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Ierland

40

 

 

2013/314/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 juni 2013 tot intrekking van Besluit 2010/286/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Italië

41

 

 

2013/315/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 juni 2013 tot intrekking van Beschikking 2004/918/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Hongarije

43

 

 

2013/316/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 juni 2013 tot intrekking van Beschikking 2009/588/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Litouwen

46

 

 

2013/317/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 juni 2013 tot intrekking van Beschikking 2009/591/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Letland

48

 

 

2013/318/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 juni 2013 tot intrekking van Beschikking 2009/590/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Roemenië

50

 

 

2013/319/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 juni 2013 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort op Malta

52

 

*

Besluit 2013/320/GBVB van de Raad van 24 juni 2013 betreffende activiteiten ter ondersteuning van de fysieke beveiliging en het voorraadbeheer met het doel het risico op illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en de munitie daarvoor in Libië en de regio te voorkomen

54

 

 

REGLEMENTEN VAN ORDE EN REGLEMENTEN VOOR DE PROCESVOERING

 

*

Wijziging van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie

65

 

*

Wijziging van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

66

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

 

2013/321/EU

 

*

Besluit nr. 1/2013 van de ACS-EU-Raad van ministers van 7 juni 2013 tot vaststelling van een protocol over het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 in het kader van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

67

 

 

2013/322/EU

 

*

Besluit nr. 2/2013 van de ACS-EU-Raad van ministers van 7 juni 2013 over het verzoek van de Federale Republiek Somalië tot het verkrijgen van de status van waarnemer en nadien de toetreding bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

70

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsbesluit 2012/830/EU van de Commissie van 7 december 2012 inzake een aanvullende financiële bijdrage voor 2012 aan de programma’s van de lidstaten met betrekking tot de controle, inspectie en bewaking van visserijactiviteiten (PB L 356 van 22.12.2012)

71

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/1


Kennisgeving van de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie

De op 7 december 2012 in Genève ondertekende Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie (1), zal op 1 juli 2013 in werking treden.


(1)  PB L 69 van 13.3.2013, blz. 5.


VERORDENINGEN

26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/2


VERORDENING (EU) Nr. 611/2013 VAN DE COMMISSIE

van 24 juni 2013

betreffende maatregelen voor het melden van inbreuken in verband met persoonsgegevens op grond van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende privacy en elektronische communicatie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (1), en met name artikel 4, lid 5,

Na raadpleging van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa),

Na raadpleging van de Groep voor de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, ingesteld bij artikel 29 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (2) (de Groep artikel 29),

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/58/EG voorziet in de harmonisering van de nationale bepalingen die nodig zijn om te zorgen voor een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden, met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en het vertrouwelijke karakter in verband met de verwerking van persoonsgegevens in de elektronischecommunicatiesector en om het vrije verkeer van dergelijke data en van de elektronischecommunicatieapparatuur en -diensten in de Unie te garanderen.

(2)

Overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2002/58/EG moeten aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten de nationale bevoegde autoriteiten en in sommige gevallen ook de betrokken abonnees en andere personen in kennis stellen van inbreuken in verband met persoonsgegevens. Inbreuken in verband met persoonsgegevens worden in artikel 2, onder i), van Richtlijn 2002/58/EG omschreven als inbreuken op de beveiliging die resulteren in een accidentele of onwettige vernietiging, wijziging, niet-geautoriseerde vrijgave van of toegang tot persoonsgegevens die zijn verstuurd, opgeslagen of anderszins verwerkt in verband met de levering van een openbare elektronischecommunicatiedienst in de Unie.

(3)

Om een samenhangende tenuitvoerlegging te waarborgen van de in artikel 4, leden 2, 3 en 4, van Richtlijn 2002/58/EG bedoelde maatregelen, kan de Commissie op grond van artikel 4, lid 5, technische uitvoeringsmaatregelen vaststellen in verband met de omstandigheden, het formaat en de procedures die gelden voor de in dit artikel bedoelde informatieverstrekkings- en kennisgevingseisen.

(4)

Wanneer deze eisen per land verschillen, kan dit leiden tot rechtsonzekerheid, meer complexe en omslachtige procedures en aanzienlijke administratieve kosten voor aanbieders die grensoverschrijdend actief zijn. De Commissie vindt het derhalve noodzakelijk dergelijke technische uitvoeringsmaatregelen vast te stellen.

(5)

Deze verordening heeft alleen betrekking op de melding van inbreuken in verband met persoonsgegevens en omvat dan ook geen technische uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot de verplichting van artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2002/58/EG om, wanneer er een bijzonder risico bestaat van inbreuken op de beveiliging van het netwerk, de abonnees hiervan in kennis te stellen.

(6)

Uit artikel 4, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2002/58/EG volgt dat aanbieders de bevoegde nationale autoriteit in kennis moeten stellen van alle inbreuken in verband met persoonsgegevens. Aanbieders mogen dan ook niet zelf bepalen of zij een inbreuk in verband met persoonsgegevens al dan niet aan de bevoegde nationale autoriteit melden. Dit mag de bevoegde nationale autoriteit echter niet verhinderen om naar eigen goeddunken voorrang te verlenen aan het onderzoek van bepaalde inbreuken in overeenstemming met het toepasselijk recht en passende maatregelen te nemen om over- of onderrapportering te voorkomen.

(7)

Er moet dan ook een systeem worden vastgesteld voor het aanmelden van inbreuken in verband met persoonsgegevens aan de bevoegde nationale autoriteit dat, indien wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden, bestaat uit verschillende fasen, met telkens een bepaalde termijn. Dit systeem moet ervoor zorgen dat de bevoegde nationale autoriteit zo vroeg en zo volledig mogelijk in kennis wordt gesteld zonder dat de aanbieder daarbij onnodig wordt gehinderd bij zijn pogingen om de inbreuk te onderzoeken en de nodige maatregelen te treffen om de inbreuk te beperken en de gevolgen ervan te verhelpen.

(8)

Noch een simpel vermoeden dat een inbreuk in verband met persoonsgegevens heeft plaatsgevonden, noch een simpele opsporing van een incident zonder dat voldoende informatie beschikbaar is, ondanks het feit de aanbieder hiertoe al het mogelijke heeft gedaan, is voldoende om ervan uit te gaan dat een inbreuk in verband met persoonsgegevens is ontdekt in de zin van deze verordening. In dit verband moet met name worden gelet op de beschikbaarheid van de in Bijlage I bedoelde informatie.

(9)

In de context van de toepassing van deze verordening moeten de bevoegde nationale autoriteiten hun medewerking verlenen in gevallen van inbreuken in verband met persoonsgegevens met een grensoverschrijdende dimensie.

(10)

Een aanvullende specificatie van de inventaris van inbreuken op persoonsgegevens die aanbieders moeten bijhouden is op grond van deze verordening niet verplicht omdat de inhoud hiervan al uitvoerig is beschreven in artikel 4 van Richtlijn 2002/58/EG. Om het formaat van de inventaris te bepalen kunnen aanbieders echter gebruikmaken van deze verordening.

(11)

Alle bevoegde nationale autoriteiten moeten beveiligde elektronische middelen ter beschikking stellen zodat aanbieders in een gemeenschappelijk formaat, gebaseerd op een norm als XML, inbreuken in verband met persoonsgegevens kunnen melden, met inbegrip van de in bijlage I vermelde informatie in de desbetreffende talen, zodat alle aanbieders in de Unie een soortgelijke kennisgevingsprocedure kunnen volgen, ongeacht hun vestigingsplaats of de plaats waar de inbreuk in verband met persoonsgegevens plaatsvond. In dit verband moet de Commissie indien noodzakelijk de tenuitvoerlegging van beveiligde elektronische middelen vergemakkelijken door bijeenkomsten te organiseren met de bevoegde nationale autoriteiten.

(12)

Om na te gaan of een inbreuk op persoonsgegevens wellicht negatieve gevolgen kan hebben voor de persoonsgegevens of de privacy van een abonnee of een ander persoon, moet vooral rekening worden gehouden met de aard en inhoud van de betrokken persoonsgegevens, met name wanneer de gegevens betrekking hebben op financiële informatie zoals creditcardgegevens of informatie met betrekking tot een bankrekening; de bijzondere categorieën gegevens van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 95/46/EG; en bepaalde gegevens die specifiek betrekking hebben op het verstrekken van telefoon- of internetdiensten, dat wil zeggen, e-mail gegevens, locatiegegevens, internetlogbestanden, webbrowsegeschiedenis en gespecificeerde lijsten van oproepen.

(13)

In uitzonderlijke omstandigheden moet, wanneer kennisgeving aan een abonnee of een andere persoon de doeltreffendheid van het onderzoek naar de inbreuk in verband met persoonsgegevens in gevaar zou brengen, de aanbieder de kennisgeving aan een abonnee of een persoon kunnen uitstellen. Uitzonderlijke omstandigheden zijn in deze context niet alleen strafrechtelijke onderzoeken maar ook andere inbreuken in verband met persoonsgegevens die geen ernstig delict vormen maar uitstel van de termijn voor kennisgeving wel kunnen rechtvaardigen. Het is in ieder geval aan de bevoegde nationale autoriteit om per geval en rekening houdend met de omstandigheden te beoordelen of uitstel gerechtvaardigd is dan wel of kennisgeving noodzakelijk is.

(14)

Aanbieders moeten weliswaar in het bezit zijn van contactgegevens van hun abonnees, gezien hun rechtstreekse contractuele relatie, maar niet van dergelijke gegevens van andere personen voor wie inbreuk op persoonsgegevens ook gevolgen kunnen hebben. In dat geval moet de aanbieder de personen in kwestie zo spoedig mogelijk, in eerste instantie via advertenties in de voornaamste nationale of regionale media, zoals kranten, en vervolgens, overeenkomstig onderhavige verordening, via een individuele kennisgeving, hiervan op de hoogte kunnen brengen. De aanbieder is derhalve niet verplicht kennisgeving te doen via de media, maar kan hiertoe desgewenst wel overgaan wanneer hij nog bezig is met het identificeren van de betrokkenen.

(15)

De informatie over de inbreuk mag alleen betrekking hebben op de inbreuk en mag geen verband houden met informatie over andere onderwerpen. Het bijsluiten van informatie over een inbreuk op persoonsgegevens in een periodieke factuur kan derhalve niet worden beschouwd als een adequate manier om kennisgeving te doen van een inbreuk in verband met persoonsgegevens.

(16)

In deze verordening worden geen specifieke maatregelen inzake technologische bescherming vastgesteld die een afwijking rechtvaardigen van de verplichting om abonnees of andere personen in kennis te stellen van inbreuken op persoonsgegevens omdat dergelijke maatregelen met de technische vooruitgang kunnen evolueren. Wel moet de Commissie, overeenkomstig de huidige praktijken, een indicatieve lijst kunnen publiceren van dergelijke specifieke maatregelen inzake technologische bescherming.

(17)

Aanbieders kunnen zich niet alleen op encryptie of hashing beroepen om te verklaren dat zij voldaan hebben aan de algemene beveiligingsverplichting van artikel 17 van Richtlijn 95/46/EG. Aanbieders moeten in dit verband ook adequate organisatorische en technische maatregelen nemen om inbreuk in verband met persoonsgegevens te voorkomen, op te sporen en te blokkeren. Aanbieders moeten elk risico dat na controles eventueel nog bestaat, onderzoeken om na te gaan waar inbreuken op persoonsgegevens zich eventueel kunnen voordoen.

(18)

Wanneer de aanbieder voor het uitvoeren van een deel van zijn diensten gebruik maakt van een andere aanbieder, bijvoorbeeld voor facturering of managementdiensten, is die andere aanbieder, die geen rechtstreekse contractuele overeenkomst heeft met de eindgebruiker, niet verplicht kennisgeving te doen van inbreuken in verband met persoonsgegevens. Deze derde partij moet de inbreuk echter wel signaleren en de aanbieder, waarmee hij een rechtstreekse contractuele overeenkomst heeft, hiervan in kennis stellen. Dit geldt ook in de context van wholesalelevering van elektronischecommunicatiediensten, waar de wholesaleaanbieder normaliter geen rechtstreekse contractuele overeenkomst met de eindgebruiker heeft.

(19)

In Richtlijn 95/46/EG wordt een definitie gegeven van een algemeen kader voor de bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie. De Commissie heeft een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad die de plaats moet innemen van Richtlijn 95/46/EG (de gegevensbeschermingsverordening). De voorgestelde gegevensbeschermingsverordening zou alle voor de verwerking van gegevens verantwoordelijke personen ertoe verplichten om, voortbouwend op artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2002/58/EG, kennisgeving te doen van inbreuken in verband met persoonsgegevens. De onderhavige verordening van de Commissie is volledig in overeenstemming met deze voorgestelde maatregel.

(20)

De voorgestelde gegevensbeschermingsverordening houdt ook een beperkt aantal technische aanpassingen in van Richtlijn 2002/58/EG teneinde rekening te houden met de omvorming van Richtlijn 95/46/EG tot een verordening. De inhoudelijke juridische gevolgen van de nieuwe verordening voor Richtlijn 2002/58/EG zullen door de Commissie worden geëvalueerd.

(21)

De toepassing van deze verordening moet drie jaar na de inwerkingtreding ervan worden geëvalueerd en de inhoud moet worden herzien in het licht van het juridisch kader dat op dat moment van toepassing is, met inbegrip van de voorgestelde gegevensbeschermingsverordening. De herziening van deze verordening moet waar mogelijk worden gekoppeld aan een eventuele toekomstige herziening van Richtlijn 2002/58/EG.

(22)

De toepassing van deze verordening kan onder meer worden beoordeeld op basis van eventuele door de bevoegde nationale autoriteiten bijgehouden statistieken over bij hen aangemelde inbreuken op persoonsgegevens. Deze statistieken kunnen bijvoorbeeld informatie bevatten over het aantal bij de bevoegde nationale autoriteit aangemelde inbreuken, het aantal inbreuken in verband met persoonsgegevens waarvan kennisgeving werd gedaan bij de abonnee of een andere persoon, de tijd die nodig was om de inbreuk op persoonsgegevens op te lossen en informatie over genomen maatregelen inzake technologische bescherming. Deze statistieken moeten de Commissie en de lidstaten consistente en vergelijkbare statistische gegevens verstrekken en de identiteit van noch de aanbieder die de inbreuk aanmeldt, noch de abonnee of andere personen voor wie de inbreuk ook gevolgen kunnen hebben, onthullen. De Commissie kan met het oog hierop ook periodiek bijeenkomen met de bevoegde nationale autoriteiten en andere betrokkenen.

(23)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor communicatie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op de aanmelding van inbreuken in verband met persoonsgegevens door aanbieders van openbare elektronischecommunicatiediensten („de aanbieder”).

Artikel 2

Aanmelding bij de bevoegde nationale autoriteit

1.   De aanbieder stelt de bevoegde nationale autoriteit in kennis van alle inbreuken in verband met persoonsgegevens.

2.   De aanbieder stelt de bevoegde nationale autoriteit waar mogelijk uiterlijk 24 uur na opsporing in kennis van de inbreuk in verband met persoonsgegevens.

De aanbieder vermeldt in zijn kennisgeving aan de bevoegde nationale autoriteit de in bijlage I vermelde informatie.

Opsporing van een inbreuk in verband met persoonsgegevens wordt geacht te hebben plaatsgevonden zodra de aanbieder zich voldoende bewust is van een veiligheidsincident dat heeft geleid tot een inbreuk in verband met persoonsgegevens, om een zinvolle kennisgeving te kunnen doen, zoals vereist is op grond van deze verordening.

3.   Wanneer niet alle in bijlage I vermelde informatie beschikbaar is en de inbreuk in verband met persoonsgegevens verder onderzoek vergt, kan de aanbieder de bevoegde nationale autoriteit niet later dan 24 uur na opsporing van de inbreuk in verband met persoonsgegevens voorlopige kennisgeving hiervan doen. Deze voorlopige kennisgeving aan de bevoegde nationale autoriteit omvat de in deel 1 van bijlage I vermelde informatie. De aanbieder doet de bevoegde nationale autoriteit zo spoedig mogelijk, en ten laatste binnen drie dagen volgend op de voorlopige kennisgeving, een tweede kennisgeving. Deze tweede kennisgeving omvat de in deel 2 van bijlage I vermelde informatie en eventueel bijgewerkte informatie.

Wanneer de aanbieder ondanks zijn onderzoek niet binnen drie dagen na de voorlopige kennisgeving alle informatie kan verstrekken, geeft hij de bevoegde nationale autoriteit alle informatie door die hij binnen die termijn heeft kunnen verzamelen en licht hij toe waarom de overige informatie laattijdig wordt ingediend. De aanbieder stelt de bevoegde nationale autoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de overige informatie en werkt deze waar nodig bij.

4.   De bevoegde nationale autoriteit stelt alle in de desbetreffende lidstaat gevestigde aanbieders beveiligde elektronische middelen ter beschikking zodat zij inbreuken in verband met persoonsgegevens kunnen aanmelden en informatie over de procedures voor toegang tot en gebruik van deze middelen kunnen verstrekken. Indien nodig organiseert de Commissie vergaderingen met de bevoegde nationale autoriteiten om de toepassing van deze bepaling te vergemakkelijken.

5.   Wanneer de inbreuk in verband met persoonsgegevens betrekking heeft op abonnees of andere personen in andere lidstaten dan die van de bevoegde nationale autoriteit die in kennis is gesteld van de inbreuk in verband met persoonsgegevens, informeert de bevoegde nationale autoriteit de andere betrokken nationale autoriteiten hierover.

Om de toepassing van deze bepaling te vergemakkelijken stelt de Commissie een lijst op van de bevoegde nationale autoriteiten en de desbetreffende contactpunten.

Artikel 3

Kennisgeving aan de abonnee of andere betrokkenen

1.   Wanneer de inbreuk in verband met persoonsgegevens waarschijnlijk ook gevolgen zal hebben voor de persoonsgegevens of de privacy van een abonnee of een ander persoon, stelt de aanbieder, los van de in artikel 2 bedoelde kennisgeving, ook deze abonnee of andere persoon in kennis van de inbreuk in verband met persoonsgegevens.

2.   Of een inbreuk in verband met persoonsgegevens waarschijnlijk ook negatieve gevolgen zal hebben voor de persoonsgegevens of de privacy van een abonnee of een ander persoon wordt beoordeeld op grond van met name de volgende omstandigheden:

a)

de aard en de inhoud van de desbetreffende persoonsgegevens, met name wanneer het om financiële gegevens gaat die onder de bijzondere categorieën van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 95/46/EG vallen, alsmede locatiegegevens, internetlogbestanden, webbrowsegeschiedenis, e-mailgegevens en gespecificeerde lijsten van oproepen;

b)

de vermoedelijke gevolgen van de inbreuk op persoonsgegevens voor de betrokken abonnee of andere persoon, met name wanneer een inbreuk kan leiden tot bijvoorbeeld identiteitsdiefstal of -fraude, lichamelijke schade, ernstige vernedering of aantasting van de reputatie; alsmede

c)

de omstandigheden van de inbreuk in verband met persoonsgegevens, met name wanneer de gegevens zijn gestolen of wanneer de aanbieder weet dat de gegevens in het bezit zijn van een niet-geautoriseerde derde.

3.   De kennisgeving aan de abonnee of de andere persoon geschiedt zonder onnodige vertraging na opsporing van de inbreuk in verband met persoonsgegevens zoals beschreven in artikel 2, lid 2, derde alinea. Een dergelijke kennisgeving staat los van de kennisgeving van de inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de bevoegde nationale autoriteit, als bedoeld in artikel 2.

4.   De aanbieder voegt bij de kennisgeving aan de abonnee of de andere persoon de informatie van bijlage II. De kennisgeving aan de abonnee of de andere persoon moet zijn opgesteld in heldere en begrijpelijke taal. De aanbieder gebruikt de kennisgeving niet als een mogelijkheid om nieuwe of aanvullende diensten te bevorderen of als reclame.

5.   In uitzonderlijke omstandigheden, kan de aanbieder, wanneer kennisgeving aan de abonnee of de andere persoon een correct onderzoek van de inbreuk in verband met persoonsgegevens in gevaar kan brengen, na toestemming van de bevoegde nationale autoriteit te hebben ontvangen, de kennisgeving aan de abonnee of de andere persoon uitstellen tot het moment waarop de bevoegde nationale autoriteit kennisgeving van de inbreuk in verband met persoonsgegevens overeenkomstig dit artikel mogelijk acht.

6.   De aanbieder stelt de abonnee of de andere persoon in kennis van de inbreuk in verband met persoonsgegevens via een communicatiemiddel dat een snelle ontvangst van de informatie waarborgt en volgens de laatste technische ontwikkelingen is beveiligd. De informatie over de inbreuk heeft alleen betrekking op de inbreuk en kan niet aan een ander onderwerp worden gekoppeld.

7.   Wanneer de aanbieder die een rechtstreekse contractuele overeenkomst met de eindgebruiker heeft, ondanks redelijke inspanningen er niet in is geslaagd binnen de in lid 3 vermelde termijn alle personen die waarschijnlijk negatieve gevolgen zullen ondervinden van de inbreuk in verband met persoonsgegevens te identificeren, kan hij hen binnen die termijn hiervan op de hoogte brengen via een advertentie in de grote nationale of regionale media in de betrokken lidstaten. Deze advertenties bevatten de in bijlage II vermelde informatie, eventueel in beknopte vorm. In dat geval blijft de aanbieder al het nodige doen om deze betrokkenen te identificeren en hen zo spoedig mogelijk kennisgeving te doen van de in bijlage II vermelde informatie.

Artikel 4

Maatregelen inzake technologische bescherming

1.   In afwijking van artikel 3, lid 1, is kennisgeving van een inbreuk in verband met persoonsgegevens niet vereist als de aanbieder ten genoegen van de bevoegde nationale autoriteit heeft aangetoond dat zij passende maatregelen inzake technologische bescherming heeft genomen en dat die maatregelen zijn toegepast op de gegevens die door de inbreuk zijn getroffen. Dergelijke maatregelen inzake technologische bescherming maken de gegevens onbegrijpelijk voor personen zonder geautoriseerde toegang tot deze gegevens.

2.   Gegevens worden als onbegrijpelijk beschouwd als ze:

a)

op veilige wijze zijn versleuteld met een standaardalgoritme, de sleutel voor decryptie door geen enkele inbreuk gevaar heeft gelopen en de sleutel voor decryptie zodanig werd gegenereerd dat personen zonder geautoriseerde toegang de sleutel met de beschikbare technologische middelen niet kunnen vinden; of

b)

zijn vervangen door een met een cryptografisch versleutelde hashfunctie berekende hashwaarde, de sleutel die hiervoor werd gebruikt door geen enkele inbreuk gevaar heeft gelopen en deze voor datahashing gebruikte sleutel zodanig is gegenereerd dat personen zonder geautoriseerde toegang de sleutel niet kunnen vinden met de beschikbare technologische middelen.

3.   De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde nationale autoriteiten via de Groep artikel 29, het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, een indicatieve lijst bekendmaken van de in lid 1 bedoelde, volgens de huidige gebruiken passende maatregelen inzake technologische bescherming.

Artikel 5

Beroep doen op een andere aanbieder

Wanneer de levering van een deel van de elektronischecommunicatiediensten is uitbesteed aan een andere aanbieder die geen rechtstreekse contractuele overeenkomst met de abonnees heeft, moet deze andere aanbieder onmiddellijk de uitbestedende aanbieder op de hoogte brengen wanneer zich een inbreuk in verband met persoonsgegevens voordoet.

Artikel 6

Verslag en herziening

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening brengt de Commissie een verslag uit over de toepassing van deze verordening, de doelmatigheid ervan en de impact op aanbieders, abonnees en andere betrokkenen. Op basis van dat verslag gaat de Commissie over tot een herziening van deze verordening.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 25 augustus 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 juni 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37.

(2)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.


BIJLAGE I

Inhoud van de kennisgeving aan de bevoegde nationale autoriteit

Deel 1

Gegevens van de aanbieder

1.

Naam van de aanbieder

2.

Naam en contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming of ander contactpunt waar verdere informatie kan worden verkregen

3.

Vermelding of het om een eerste of een tweede kennisgeving gaat

Voorlopige informatie over de inbreuk in verband met persoonsgegevens (die eventueel in latere kennisgevingen moet worden aangevuld)

4.

Datum en tijdstip van het incident (indien bekend; eventueel bij benadering) en van het moment waarop dit werd vastgesteld

5.

Omstandigheden van de inbreuk in verband met persoonsgegevens (bv. diefstal, verlies kopiëren)

6.

Aard en inhoud van de desbetreffende gegevens

7.

Technische en organisatorische maatregelen die met betrekking tot de desbetreffende persoonsgegevens door de aanbieder zijn (of worden) toegepast

8.

Indien van toepassing, vermelding van de andere aanbieders waarop een beroep is gedaan

Deel 2

Verdere informatie over de inbreuk in verband met persoonsgegevens

9.

Samenvatting van het incident dat de inbreuk in verband met persoonsgegevens heeft veroorzaakt (met inbegrip van de fysieke locatie waar de inbreuk plaatsvond en de betrokken opslagmedia)

10.

Aantal betrokken abonnees of andere personen

11.

Potentiële gevolgen en potentiële negatieve gevolgen voor abonnees of andere personen

12.

Technische en organisatorische maatregelen die de aanbieder heeft genomen om de potentiële negatieve gevolgen tegen te gaan

Mogelijke aanvullende kennisgeving aan abonnees of andere personen

13.

Inhoud van de kennisgeving

14.

Gebruikte communicatiemiddelen

15.

Aantal in kennis gestelde abonnees of andere personen

Mogelijke grensoverschrijdende problemen

16.

Inbreuk in verband met persoonsgegevens die betrekking heeft op abonnees of andere personen in andere lidstaten

17.

Kennisgeving aan andere bevoegde nationale autoriteiten


BIJLAGE II

Inhoud van de kennisgeving aan de abonnee of de andere persoon

1.

Naam van de aanbieder

2.

Naam en contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming of ander contactpunt waar verdere informatie kan worden verkregen

3.

Samenvatting van het incident dat de inbreuk in verband met persoonsgegevens heeft veroorzaakt

4.

Vermoedelijke datum van het incident

5.

Aard en inhoud van de in artikel 3, lid 2, bedoelde persoonsgegevens

6.

Waarschijnlijke gevolgen van de inbreuk in verband met persoonsgegevens voor de in artikel 3, lid 2 bedoelde abonnee of andere persoon

7.

Omstandigheden van de in artikel 3, lid 2 bedoelde inbreuk in verband met persoonsgegevens

8.

Door de aanbieder genomen maatregelen om de inbreuk in verband met persoonsgegevens aan te pakken

9.

Door de aanbieder aanbevolen maatregelen om mogelijke negatieve gevolgen tegen gaan


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 612/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2013

over het beheer van het register van marktdeelnemers en belastingentrepots, daarmee verband houdende statistieken en rapportage overeenkomstig Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 389/2012 van de Raad van 2 mei 2012 betreffende administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 2073/2004 (1), en met name artikel 22 en artikel 34, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 389/2012 is een kader vastgesteld voor de vereenvoudiging en de versterking van de administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de accijnzen.

(2)

Artikel 21 van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (2) vereist dat de lidstaat van verzending de gegevens van een voorlopig elektronisch administratief document controleert voordat accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling kunnen worden overgebracht. Bij Verordening (EG) nr. 684/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad wat betreft de geautomatiseerde procedures voor de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns (3) is de inhoud van het voorlopige elektronische administratieve document gepreciseerd. Aangezien de informatie in dat administratieve document over accijnsvergunningen wordt getoetst aan de gegevens in de overeenkomstige nationale registers, moeten de gegevens van elk nationaal register regelmatig aan elke lidstaat van verzending worden verstrekt en worden bijgewerkt.

(3)

De gegevens in de nationale registers over marktdeelnemers die accijnsgoederen overbrengen onder een accijnsschorsingsregeling, dienen automatisch te worden uitgewisseld via een centraal register van marktdeelnemers („centraal register”) dat door de Commissie wordt geëxploiteerd, zoals voorzien in artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) nr. 389/2012.

(4)

Om de gegevensuitwisseling via het centrale register te vergemakkelijken, moeten de structuur en de inhoud van de te gebruiken standaardformaten worden vastgesteld, inclusief de daarin te vermelden codes.

(5)

Om ervoor te zorgen dat de beschikbare gegevens in het centrale register juist zijn en automatisch worden bijgewerkt, moet het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verbindingsdienst kennis geven van wijzigingen in het nationale register en deze doorsturen naar het centrale register.

(6)

Om ervoor te zorgen dat de gegevens in de nationale registers juist en bijgewerkt zijn, moet het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verbindingsdienst het nationale register bijwerken op dezelfde dag dat er sprake is van een wijziging in een vergunning en de wijzigingen onverwijld naar het centrale register doorsturen.

(7)

Om te garanderen dat de lidstaten een correcte kopie van de gegevens van andere nationale registers hebben, moet het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de aangewezen verbindingsdienst ervoor zorgen dat nieuwe wijzigingen van het centrale register regelmatig en tijdig worden ontvangen.

(8)

Marktdeelnemers moeten de mogelijkheid hebben om na te gaan of de gegevens van hun vergunning door het centrale register correct zijn verwerkt en verspreid, en om de gegevens van een handelspartner te controleren alvorens een voorlopig elektronisch administratief document in te dienen. Om een dergelijke controle van de geldigheid van de accijnsnummers mogelijk te maken, zoals is voorzien in artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) nr. 389/2012, moet de Commissie de noodzakelijke kerngegevens van een vergunning die in het centrale register wordt bijgehouden, verstrekken wanneer een geldig uniek accijnsnummer wordt ingevoerd. Daarnaast moeten er regels worden vastgesteld voor het corrigeren van onjuiste informatie in verband met de vergunning van een marktdeelnemer.

(9)

Om ervoor te zorgen dat het centrale register efficiënt wordt beheerd en er een maximale tijd wordt gegarandeerd om een kennisgeving van een wijziging van een nationaal register of een algemeen verzoek te verwerken, moet het beschikbaarheidsniveau van het centrale register en de nationale registers worden gepreciseerd, evenals de omstandigheden waaronder de beschikbaarheid of de prestaties van het centrale register of de nationale registers onder dit niveau mogen komen.

(10)

Om het beheer van het centrale register te kunnen evalueren, dient de Commissie statistische gegevens uit het register te extraheren en deze maandelijks aan de lidstaten te bezorgen.

(11)

Om de Commissie en de lidstaten voldoende tijd te bieden regelingen te treffen om aan de verplichtingen te kunnen voldoen wat de in deze verordening vereiste termijnen en beschikbaarheid van diensten betreft, moet de toepassing van de artikelen 8, 9 en 10 tot 1 januari 2015 worden uitgesteld.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Accijnscomité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Door het geautomatiseerde systeem uitgewisselde berichten die betrekking hebben op de nationale registers en het centrale register

1.   De structuur en de inhoud van de berichten die betrekking hebben op de registratie van marktdeelnemers en belastingentrepots in de nationale registers en in het centrale register, moeten voldoen aan de voorschriften in bijlage I.

Die berichten worden via het geautomatiseerde systeem uitgewisseld.

2.   De in lid 1 bedoelde berichten worden voor de volgende doeleinden uitgewisseld:

a)

kennisgeving van wijzigingen van nationale registers die door de centrale verbindingsbureaus voor accijnszaken en de verbindingsdiensten naar het centrale register worden gestuurd;

b)

kennisgeving van wijzigingen van het centrale register die naar de nationale registers worden gestuurd;

c)

verzoeken van de centrale verbindingsbureaus voor accijnszaken en de verbindingsdiensten om nadere informatie over wijzigingen in het centrale register;

d)

verzoeken van de centrale verbindingsbureaus voor accijnszaken en de verbindingsdiensten om uit het centrale register geëxtraheerde statistische gegevens;

e)

het doorsturen door de Commissie van uit het centrale register geëxtraheerde statistische gegevens aan de lidstaten die daarom verzoeken.

3.   Wanneer in bepaalde gegevensvelden van de in lid 1 bedoelde berichten een code moet worden ingevuld, moet gebruik worden gemaakt van de codes die zijn vermeld in bijlage II bij deze verordening of in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „record”: een opname in een nationaal register of het centrale register als bedoeld in artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) nr. 389/2012;

2.   „wijziging”: het creëren, bijwerken of ongeldig maken van een record;

3.   „activeringsdatum”: de door de verantwoordelijke lidstaat vastgestelde datum in een record vanaf wanneer de registratie elektronisch kan worden geverifieerd in alle lidstaten en vanaf wanneer marktdeelnemers de geëxtraheerde gegevens ervan kunnen raadplegen.

Artikel 3

Het doorsturen van wijzigingen naar het centrale register door de centrale verbindingsbureaus voor accijnszaken en de verbindingsdiensten

1.   Elk centraal verbindingsbureau voor accijnszaken of elke verbindingsdienst, aangewezen overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 389/2012, is verantwoordelijk voor het doorsturen van wijzigingen van zijn nationale register naar het centrale register en voor het aanbrengen van wijzigingen in zijn nationale register die vanuit het centrale register zijn verzonden of zijn opgevraagd, of beide.

2.   De Commissie stelt een lijst vast van de verantwoordelijke centrale verbindingsbureaus voor accijnszaken of verbindingsdiensten op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, onderhoudt deze lijst en stelt hem ter beschikking aan de lidstaten.

3.   Elk centraal verbindingsbureau voor accijnszaken of elke verbindingsdienst zendt de kennisgevingen van wijzigingen in zijn nationale register uiterlijk op de activeringsdatum van de wijziging naar het centrale register. Het te gebruiken bericht voor wijzigingen in de nationale registers is het bericht „Verrichtingen in het register van marktdeelnemers” dat in tabel 2 van bijlage I is opgenomen.

Artikel 4

Het beheer van het centrale register en het doorsturen van wijzigingen aan de nationale registers

1.   Bij ontvangst van een bericht „Verrichtingen in het register van marktdeelnemers” van een centraal verbindingsbureau voor accijnszaken of een verbindingsdienst met een kennisgeving van een wijziging in een nationaal register, ziet de Commissie erop toe dat de structuur en de inhoud van het bericht voldoen aan de voorschriften van tabel 2 van bijlage I.

2.   Wanneer de structuur en inhoud van het in lid 1 bedoelde bericht voldoen aan de voorschriften van tabel 2 van bijlage I, wordt als volgt gehandeld:

a)

de Commissie registreert de wijziging onverwijld in het centrale register;

b)

er wordt een kennisgeving verzonden naar elke lidstaat waarin een centraal verbindingsbureau voor accijnszaken of een verbindingsdienst geregistreerd staat om kennisgevingen van wijzigingen te ontvangen via het bericht „Verrichtingen in het register voor marktdeelnemers” dat in tabel 2 van bijlage I is opgenomen.

3.   Wanneer de structuur of inhoud van het in lid 1 bedoelde bericht „Verrichtingen in het register van marktdeelnemers” niet aan de voorschriften van tabel 2 van bijlage I voldoet, zendt de Commissie de kennisgeving terug aan het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verbindingsdienst die de kennisgeving heeft doorgestuurd, door middel van het bericht „Weigering van bijwerking van marktdeelnemers” dat in tabel 3 van bijlage I is opgenomen, met een motiveringscode waarin de reden voor de weigering wordt gespecificeerd.

4.   Bij ontvangst van een bericht „Weigering van bijwerking van marktdeelnemers” neemt het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verbindingsdienst onverwijld de noodzakelijke corrigerende maatregelen en wordt de kennisgeving opnieuw ingediend.

5.   Het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken dat, of de verbindingsdienst van elke lidstaat die, niet geregistreerd staat om kennisgevingen van wijzigingen van de Commissie te ontvangen, dient ten minste twee keer per dag een verzoek in voor een uittreksel van de wijzigingen die in het centrale register zijn aangebracht, door middel van het in tabel 1 van bijlage I opgenomen bericht „Algemeen verzoek”.

Artikel 5

Opname van wijzigingen in de nationale registers

1.   Het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verbindingsdienst van elke lidstaat neemt minstens twee keer per dag de van het centrale register ontvangen wijzigingen op in het nationale register.

2.   De in lid 1 bedoelde wijzigingen kunnen door het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verbindingsdienst worden geraadpleegd zodra zij in het nationale register zijn opgenomen en kunnen vanaf de activeringsdatum van de wijziging elektronisch worden geverifieerd.

Artikel 6

Raadpleging van het centrale register door de marktdeelnemers

1.   De Commissie maakt ten minste twee keer per dag een uittreksel uit het centrale register van alle actieve records. Bij het maken van dit uittreksel verwijdert de Commissie alle records die niet beschikbaar zijn voor openbare raadpleging. De Commissie verwijdert van de resterende records eveneens alle bijzonderheden van elk soort marktdeelnemer of diens bedrijfsruimten die niet overeenkomen met de in de punten a), b) en c) van lid 3 vastgelegde omschrijvingen van de geëxtraheerde bijzonderheden van de gegevensregistraties.

2.   Marktdeelnemers kunnen de Commissie om geëxtraheerde bijzonderheden van een record verzoeken door het in artikel 19, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 389/2012 bedoelde unieke accijnsnummer over te leggen.

3.   Wanneer het overgelegde unieke accijnsnummer overeenkomt met een accijnsnummer in het uittreksel van het centrale register, worden de uit het register geëxtraheerde bijzonderheden in de volgende gevallen aan de marktdeelnemer die het verzoek heeft gedaan, teruggezonden:

a)

indien het overgelegde unieke accijnsnummer overeenkomt met een record van een erkende entrepothouder, een geregistreerde geadresseerde of een geregistreerde afzender, bevat het uittreksel één van de volgende gegevens:

i)

de omschrijving van de code soort marktdeelnemer (gegevensgroep 2 e in tabel 2 van bijlage I);

ii)

ten minste één code categorie accijnsgoed (gegevensgroep 2.4 a in het bericht „Verrichtingen in het register van marktdeelnemers”) of ten minste één code accijnsgoed (gegevensgroep 2.5 a in tabel 2 van bijlage I);

iii)

een combinatie van de gegevensgroepen 2.4 a en 2.5 a overeenkomstig de regels in de omschrijving in tabel 2 van bijlage I;

b)

indien het overgelegde unieke accijnsnummer overeenkomt met een record van een belastingentrepot, bevat het uittreksel een van de volgende gegevens:

i)

ten minste één code categorie accijnsgoed (gegevensgroep 3.4 a in tabel 2 van bijlage I);

ii)

ten minste één code accijnsgoed (gegevensgroep 3.5 a in tabel 2 van bijlage I);

iii)

een combinatie van de gegevensgroepen 3.4 a en 3.5 a overeenkomstig de regels in de omschrijving in tabel 2 van bijlage I;

c)

indien het overgelegde unieke accijnsnummer overeenkomt met een geregistreerde geadresseerde die onder artikel 19, lid 2, onder h), van Verordening (EU) nr. 389/2012, valt, bevat het uittreksel naast de informatie in punt a), het volgende:

i)

de vervaldatum van de machtiging (gegevensgroep 4 c in tabel 2 van bijlage I);

ii)

de vermelding of de machtiging voor meer dan één overbrenging kan worden gebruikt (gegevensgroep 4 d in tabel 2 van bijlage I);

iii)

ten minste één reeks gegevens tijdelijke machtiging (gegevensgroep 4.3 in tabel 2 van bijlage I).

4.   Wanneer er geen overeenkomst is tussen het overgelegde unieke accijnsnummer en het uittreksel van het centrale register, wordt de marktdeelnemer die het verzoek heeft ingediend, daarvan in kennis gesteld.

5.   Indien een marktdeelnemer meent dat een record in verband met zijn vergunning ontbreekt of onjuist is, informeert de Commissie hem desgevraagd over de manier waarop een verzoek kan worden ingediend om de record te corrigeren, en verstrekt zij de contactgegevens van het centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verbindingsdienst van de verantwoordelijke lidstaat.

Artikel 7

Statistische informatie en verslagen

1.   De door de Commissie uit het centrale register te extraheren statistische informatie overeenkomstig artikel 34, lid 5, van Verordening (EU) nr. 389/2012 bevat het volgende:

a)

het aantal actieve en niet-actieve records van marktdeelnemers;

b)

het aantal vergunningen die binnenkort aflopen, dat wil zeggen het totale aantal vergunningen die de komende maand of het komende kwartaal aflopen;

c)

de soorten marktdeelnemers, het aantal marktdeelnemers per soort, en het aantal belastingentrepots;

d)

het aantal geautoriseerde marktdeelnemers per product en per productcategorie;

e)

het aantal wijzigingen in accijnsvergunningen.

Op basis van de in de eerste alinea bedoelde statistische gegevens stelt de Commissie een maandelijks verslag op voor de lidstaten.

2.   Elk centraal verbindingsbureau voor accijnszaken of elke verbindingsdienst kan de Commissie verzoeken een specifiek statistisch verslag over het centrale register op te stellen. Dat verzoek wordt ingediend door middel van het bericht „Algemeen verzoek” in tabel 1 van bijlage I. De Commissie antwoordt met het bericht „SEED-statistieken” in tabel 4 van bijlage I.

Artikel 8

Termijn voor de verwerking van kennisgevingen van wijzigingen in het nationale register en algemene verzoeken

1.   Binnen twee uur na ontvangst van een kennisgeving van een wijziging van een nationaal register verwerkt de Commissie deze wijziging overeenkomstig artikel 4.

2.   Binnen twee uur na ontvangst van het in tabel 1 van bijlage 1 opgenomen bericht „Algemeen verzoek” verstrekt de Commissie de gevraagde informatie aan het verzoekende centrale verbindingsbureau voor accijnszaken of de verzoekende verbindingsdienst.

Artikel 9

Beschikbaarheid

Het centrale register en de nationale registers zijn te allen tijde beschikbaar.

Artikel 10

Beperking van de dienstverplichting

De in de artikelen 8 en 9 beschreven dienstverplichting van de Commissie en de lidstaten is niet van toepassing in de volgende, naar behoren verantwoorde omstandigheden:

a)

het centrale register of een nationaal register is niet beschikbaar vanwege hardware— of telecommunicatiestoringen;

b)

er treden problemen op in een netwerk waar de Commissie of de betrokken lidstaat niet direct zeggenschap over hebben;

c)

overmacht;

d)

gepland onderhoud dat ten minste achtenveertig uur vóór het voorgenomen begin van de onderhoudsperiode is aangekondigd.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 8, 9 en 10 zijn van toepassing vanaf 1 januari 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 121 van 8.5.2012, blz. 1.

(2)  PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12.

(3)  PB L 197 van 29.7.2009, blz. 24.


BIJLAGE I

TOELICHTINGEN OP DE ELEKTRONISCHE BERICHTEN DIE BIJ HET ONDERHOUD VAN HET REGISTER VAN MARKTDEELNEMERS WORDEN GEBRUIKT

1.

De gegevenselementen van de elektronische berichten voor het geautomatiseerde systeem zijn gestructureerd in gegevensgroepen en, in voorkomend geval, gegevenssubgroepen. In de tabellen van deze bijlage zijn bijzonderheden opgenomen over de gegevenselementen en het gebruik ervan, waarbij:

a)

kolom A de numerieke code (cijfer) bevat die aan elke gegevensgroep en -subgroep is toegekend; elke subgroep krijgt het volgnummer van de gegevens(sub)groep waartoe hij behoort (bijvoorbeeld: wanneer de gegevensgroep het nummer 1 heeft, krijgt een gegevenssubgroep van deze groep het nummer 1.1 en een gegevenssubgroep van deze subgroep het nummer 1.1.1);

b)

kolom B de alfabetische code (letter) bevat die aan elk gegevenselement in een gegevens(sub)groep is toegekend;

c)

kolom C de gegevens(sub)groep of het gegevenselement identificeert;

d)

kolom D aan elke gegevens(sub)groep of elk gegevenselement een van de volgende waarden toekent:

i)

„R” (Required) betekent dat de gegevens verstrekt moeten worden. Wanneer een gegevens(sub)groep de waarde „O” (Optional) of „C” (Conditional) heeft, kunnen gegevenselementen van die groep nog altijd de waarde „R” (Required) hebben als de bevoegde autoriteiten van de lidstaat hebben besloten dat de gegevens in deze (sub)groep ingevuld moeten worden of wanneer de voorwaarde vervuld is;

ii)

„O” (Optional) betekent dat de persoon die het bericht indient (afzender of geadresseerde) de gegevens mag vermelden, tenzij een lidstaat heeft bepaald dat de gegevens verplicht zijn in overeenstemming met de optie die is opgenomen in kolom E voor een aantal van de optionele gegevens(sub)groepen of gegevenselementen;

iii)

„C” (Conditional) betekent dat het gebruik van de gegevens(sub)groep of het gegevenselement afhankelijk is van andere gegevens(sub)groepen of gegevenselementen in hetzelfde bericht;

iv)

„D” (Dependent) betekent dat het gebruik van de gegevens(sub)groep of het gegevenselement afhankelijk is van een voorwaarde die niet kan worden gecontroleerd door het geautomatiseerde systeem, zoals opgenomen in de kolommen E en F;

e)

kolom E bevat de voorwaarde(n) voor de gegevens waarvan de vermelding de waarde „C” heeft, specificeert in voorkomend geval het gebruik van de gegevens met de waarde „O” en „D”, en geeft aan welke gegevens door de bevoegde autoriteiten moeten worden verstrekt;

f)

kolom F bevat, indien nodig, nadere uitleg voor het invullen van het bericht;

g)

kolom G bevat:

i)

voor sommige gegevens(sub)groepen een cijfer gevolgd door het teken „x” waarmee wordt aangegeven hoe vaak de gegevens(sub)groep kan worden herhaald in het bericht (standaard = 1);

ii)

voor ieder gegevenselement, behalve de gegevenselementen die het tijdstip of de datum of beide weergeven, de identificatiekenmerken van het gegevenstype en de gegevenslengte. Voor het gegevenstype worden de volgende codes gebruikt:

a alfabetisch,

n numeriek,

an alfanumeriek.

Het cijfer na de code geeft de toegestane gegevenslengte voor het desbetreffende gegevenselement aan. De facultatieve twee punten vóór de lengte-indicator betekenen dat de gegevens geen vaste lengte hebben, maar het maximale aantal karakters kunnen bevatten dat door de lengte-indicator wordt aangegeven. Een komma in de gegevenslengte betekent dat het gegeven decimalen kan bevatten, waarbij het cijfer voor de komma de totale lengte van het kenmerk aangeeft en het cijfer na de komma het maximale aantal cijfers na de decimale punt;

iii)

voor gegevenselementen die het tijdstip of de datum of beide aangeven, de vermelding „datum", „tijd” of „datumtijd”, hetgeen betekent dat de datum, het tijdstip of de datum en het tijdstip moeten worden vermeld volgens de ISO-norm 8601 voor de weergave van datum en tijd.

2.

In de tabellen van deze bijlage worden de volgende afkortingen gebruikt:

a)   e-AD: elektronisch administratief document;

b)   ARC: administratieve referentiecode;

c)   SEED: systeem voor de uitwisseling van accijnsgegevens (de in artikel 19, lid 1 van Verordening (EU) nr. 389/2012 bedoelde elektronische gegevensbank);

d)   GN-code: code van de gecombineerde nomenclatuur.

3.

In de tabellen van deze bijlage worden de volgende definities gebruikt:

a)   „Begindatum”: „Begindatum vergunning” of „Begindatum geldigheid”;

b)   „Einddatum”: „Einddatum vergunning” of „Einddatum geldigheid”;

c)   „Begindatum vergunning”: de datum vanaf wanneer de verantwoordelijke lidstaat een marktdeelnemer machtiging verleent om accijnsgoederen onder schorsing van accijns te produceren, op te slaan, te verzenden of te ontvangen;

d)   „Einddatum vergunning”: de datum vanaf wanneer de verantwoordelijke lidstaat een marktdeelnemer niet langer machtiging verleent;

e)   „Begindatum geldigheid”: de datum vanaf wanneer de verantwoordelijke lidstaat de bedrijfsruimten van een marktdeelnemer heeft aangemerkt als een geldige locatie om accijnsgoederen onder schorsing van accijns te produceren, te verzenden of te ontvangen;

f)   „Einddatum geldigheid”: de datum vanaf wanneer de bedrijfsruimten van een marktdeelnemer niet langer als een geldige locatie zijn aangemerkt.

Tabel 1

Algemeen verzoek

(als bedoeld in de artikelen 4, 7 en 8)

A

B

C

D

E

F

G

1.

KENMERKEN

R

 

 

 

 

a

Soort verzoek

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

2

=

verzoek om extractie van referentiegegevens.

=

3

=

verzoek om opvraging van referentiegegevens.

=

4

=

verzoek om extractie van marktdeelnemers.

=

5

=

verzoek om opvraging van marktdeelnemers.

=

6

=

verzoek om een lijst van accijnsbureaus.

=

7

=

verzoek om opvraging van een lijst van e-AD's.

=

8

=

verzoek om SEED-statistieken.

n1

 

b

Naam bericht verzoek

C

„R” indien <Soort verzoek> „2” of „3” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

De volgende waarden zijn mogelijk:

—   „C_COD_DAT”= gemeenschappelijke codelijst

—   „C_PAR_DAT”= gemeenschappelijke systeemparameters

—   „ALL”= voor de volledige structuur

a..9

 

c

Verzoekend kantoor

R

 

Een bestaand identificerend kenmerk <Identificatienummer kantoor> in de reeks <KANTOOR>.

an8

 

d

Correlation identifier verzoek

C

„R” indien <Soort verzoek> „2”, „3”, „4”, „5”, „7” of „8” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

De waarde van <Correlation identifier verzoek> is uniek per lidstaat.

An..16

 

e

Begindatum

C

Voor 1 e en f:

„R” indien <Soort verzoek> „3” of „5” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

 

datum

 

f

Einddatum

C

 

datum

 

g

Eén datum

C

„R” indien <Soort verzoek> „2” of „4” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

 

datum

2.

VERZOEK E-AD-LIJST

C

„R” indien <Soort verzoek> „7” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

 

 

 

a

Code lidstaat

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

2.1.

VK_BELANGRIJKSTE CRITERIUM

R

 

 

99x

 

a

Code soort belangrijkste criterium

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

ARC

=

2

=

Merknaam van het product

=

3

=

Categorieën accijnsgoederen die deel uitmaken van de overbrenging

=

4

=

(voorbehouden)

=

5

=

(voorbehouden)

=

6

=

(voorbehouden)

=

7

=

(voorbehouden)

=

8

=

Stad van de geadresseerde

=

9

=

Stad van de afzender

=

10

=

Stad van de zekerheidsteller

=

11

=

(voorbehouden)

=

12

=

Stad van de plaats van levering

=

13

=

Stad van het belastingentrepot van verzending

=

14

=

Stad van de vervoerder

=

15

=

GN-code van het product

=

16

=

Factuurdatum

=

17

=

Accijnsnummer van de geadresseerde

=

18

=

Accijnsnummer van de afzender

=

19

=

Accijnsnummer van de zekerheidsteller

=

20

=

(voorbehouden)

=

21

=

(voorbehouden)

=

22

=

Accijnsnummer van het belastingentrepot van bestemming

=

23

=

Accijnsnummer van het belastingentrepot van verzending

=

24

=

(voorbehouden)

=

25

=

Code accijnsgoed

=

26

=

Reistijd

=

27

=

Lidstaat van bestemming

=

28

=

Lidstaat van verzending

=

29

=

Naam van de geadresseerde

=

30

=

Naam van de afzender

=

31

=

Naam van de zekerheidsteller

=

32

=

(voorbehouden)

=

33

=

Naam van de plaats van levering

=

34

=

Naam van het belastingentrepot van verzending

=

35

=

Naam van de vervoerder

=

36

=

Nummer van de factuur

=

37

=

Postcode van de geadresseerde

=

38

=

Postcode van de afzender

=

39

=

Postcode van de zekerheidsteller

=

40

=

(voorbehouden)

=

41

=

Postcode van de plaats van levering

=

42

=

Postcode van het belastingentrepot van verzending

=

43

=

Postcode van de vervoerder

=

44

=

Hoeveelheid goederen (in een hoofdgedeelte e-AD)

=

45

=

Lokaal referentienummer, te weten een volgnummer, toegekend door de afzender

=

46

=

Soort vervoer

=

47

=

(voorbehouden)

=

48

=

(voorbehouden)

=

49

=

Btw-nummer van de geadresseerde

=

50

=

(voorbehouden)

=

51

=

Btw-nummer van de vervoerder

=

52

=

Wijziging van bestemming (volgnummer ≥ 2)

n..2

2.1.1.

VK_BELANGRIJKSTE WAARDE

O

 

 

99x

 

a

Waarde

R

 

 

an..255

3

STA_VERZOEK

C

„R” indien <Soort verzoek> „8” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

 

 

 

a

Soort statistiek

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Actieve en niet-actieve marktdeelnemers

=

2

=

Vergunningen die binnenkort aflopen

=

3

=

Marktdeelnemers per soort en belastingentrepots

=

4

=

Accijnsgerelateerde activiteit

=

5

=

Wijzigingen in accijnsvergunningen

n1

3.1.

CODE LIJST VAN LIDSTATEN

R

 

 

99x

 

a

Code lidstaat

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

4.

STA_PERIODE

C

„R” indien <Soort verzoek> „8” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

 

 

 

a

Jaar

R

 

 

n4

 

b

Halfjaar

C

Voor 4 b, c, en d:

de volgende drie gegevensvelden zijn facultatief en exclusief:

<Halfjaar>

<Kwartaal>

<Maand>

d.w.z. indien sprake is van een van deze gegevensvelden, zijn de twee andere gegevensvelden niet van toepassing.

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Eerste halfjaar

=

2

=

Tweede halfjaar

n1

 

c

Kwartaal

C

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Eerste kwartaal

=

2

=

Tweede kwartaal

=

3

=

Derde kwartaal

=

4

=

Vierde kwartaal

n1

 

d

Maand

C

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Januari

=

2

=

Februari

=

3

=

Maart

=

4

=

April

=

5

=

Mei

=

6

=

Juni

=

7

=

Juli

=

8

=

Augustus

=

9

=

September

=

10

=

Oktober

=

11

=

November

=

12

=

December

n..2

5.

REF_VERZOEK

C

„R” indien <Soort verzoek> „2” of „3” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort verzoek in vak 1a)

 

 

5.1.

CODE CODELIJST

O

 

 

99x

 

a

Gevraagde codelijst

O

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Maateenheid

=

2

=

Soorten voorval

=

3

=

Soorten bewijs

=

4

=

(voorbehouden)

=

5

=

(voorbehouden)

=

6

=

Taalcodes

=

7

=

Lidstaten

=

8

=

Landencodes

=

9

=

Verpakkingscodes

=

10

=

Redenen voor niet-conforme ontvangst of niet-conform controleverslag

=

11

=

Redenen voor de onderbreking

=

12

=

(voorbehouden)

=

13

=

Vervoerswijzen

=

14

=

Vervoerseenheden

=

15

=

Wijnbouwzones

=

16

=

Codes wijnbehandeling

=

17

=

Categorieën accijnsgoederen

=

18

=

Accijnsgoederen

=

19

=

GN-codes

=

20

=

Overeenkomsten GN-code — accijnsgoed

=

21

=

Redenen annulering

=

22

=

Redenen alertering of afwijzing e-AD

=

23

=

Verklaring vertraging

=

24

=

(voorbehouden)

=

25

=

Personen die het voorval melden

=

26

=

Geschiedenis weigeringsgronden

=

27

=

Redenen voor laattijdig resultaat

=

28

=

Acties op het gebied van administratieve samenwerking

=

29

=

Redenen verzoek tot administratieve samenwerking

=

30

=

(voorbehouden)

=

31

=

(voorbehouden)

=

32

=

(voorbehouden)

=

33

=

(voorbehouden)

=

34

=

Redenen waarom acties op het gebied van administratieve samenwerking niet mogelijk zijn

=

35

=

Redenen afwijzing algemeen verzoek

=

36

=

(voorbehouden)

n..2

Tabel 2

Verrichtingen in het register van marktdeelnemers

(als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 6)

A

B

C

D

E

F

G

1.

KENMERKEN

R

 

 

 

 

a

Soort bericht

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Bijwerking van marktdeelnemers (Kennisgeving van wijzigingen van CD/RD)

=

2

=

Verspreiding van bijwerkingen van marktdeelnemers

=

3

=

Opvraging van marktdeelnemers

=

4

=

Extractie van marktdeelnemers

n1

 

b

Correlation identifier verzoek

C

„R” indien <Soort bericht> „3” of „4” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Soort bericht in vak 1a)

De waarde van <Correlation identifier verzoek> is uniek per lidstaat.

an..16

2.

HANDELAAR VERGUNNING

O

 

 

999999x

 

a

Accijnsnummer handelaar

R

 

(zie codelijst 1 in bijlage II Het <Accijnsnummer handelaar> moet uniek zijn in de lijst <HANDELAAR VERGUNNING>.

an13

 

b

Btw-nummer

O

 

 

an..14

 

c

Begindatum vergunning

R

 

 

datum

 

d

Einddatum vergunning

O

 

 

datum

 

e

Code soort marktdeelnemer

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Erkende entrepothouder

=

2

=

Geregistreerde geadresseerde

=

3

=

Geregistreerde afzender

De waarde van het gegevenskenmerk <Code soort marktdeelnemer> kan niet worden gewijzigd na het aanmaken van de HANDELAAR VERGUNNING.

n1

 

f

Referentienummer accijnsbureau

R

 

(zie codelijst 5 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

an8

2.1.

ACTIE

R

 

 

 

 

a

Verrichting

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

—   C= Creëren

—   U= Bijwerken (Updaten)

—   I= Ongeldig maken (Invalideren)

a1

 

b

Activeringsdatum

C

„R” indien <Verrichting> „C” of „U” is.

Anders „O”.

(zie Verrichting in vak 2.1a)

Indien de <Activeringsdatum> niet is ingevuld, wordt de datum waarop de verrichting „Ongeldig maken” in het centrale register is opgenomen, aangemerkt als de activeringsdatum van de verrichting „Ongeldig maken”.

Datum

 

c

Verantwoordelijke gegevensbeheerder

O

 

 

an..35

2.2.

NAAM EN ADRES

R

 

 

99x

 

a

Naam

R

 

 

an..182

 

b

NAD_LNG

R

 

(zie codelijst 1 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

2.2.1.

ADRES

R

 

 

 

 

a

Straat

R

 

 

an..65

 

b

Nummer

O

 

 

an..11

 

c

Postcode

R

 

 

an..10

 

d

Stad

R

 

 

an..50

 

e

Code lidstaat

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

2.3.

CODE ROL MARKTDEELNEMER

O

 

 

9x

 

a

Code rol marktdeelnemer

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Toestemming voor rechtstreekse aflevering

=

2

=

Toestemming om de bestemmingsvelden leeg te laten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 389/2012, artikel 19, lid 2, onder f).

De combinaties <Code soort marktdeelnemer (OT)/ Code rol marktdeelnemer (OR)> zijn als volgt:

OP/OR SOORT / OP/OR ROL

ERK. ENTR:HOUDER

GEREG. GEADR.

GEREG: AFZ.

Toestemming voor rechtstreekse aflevering

X

X

 

Toestemming om de bestemmingsvelden leeg te laten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 389/2012, artikel 19, lid 2, onder f)

X

 

 

n1

2.4.

CODE CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN

C

Ten minste één van de gegevensgroepen <Code CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN> of <Code ACCIJNSGOED> moet vermeld zijn

 

999x

 

a

Code categorie accijnsgoederen

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II)

De <Code categorie accijnsgoederen> moet uniek zijn in de lijst <Code CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN> binnen dezelfde <HANDELAAR VERGUNNING> of <BELASTINGENTREPOT>.

aa1

2.5.

CODE ACCIJNSGOED

C

Ten minste één van de gegevensgroepen <Code CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN> of <Code ACCIJNSGOED> moet vermeld zijn.

 

999x

 

a

Code accijnsgoed

R

 

(zie codelijst 11 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

De <Code categorie accijnsgoederen> van de <Code accijnsgoed> mag niet bestaan in dezelfde <HANDELAAR VERGUNNING> of <BELASTINGENTREPOT>.

De <Code accijnsgoed> moet uniek zijn in de lijst <Code ACCIJNSGOED> binnen dezelfde <HANDELAAR VERGUNNING>, <BELASTINGENTREPOT> of <TIJDELIJKE MACHTIGING>.

an..4

2.6.

(GEBRUIKT) BELASTINGENTREPOT

C

„R” indien <Code soort marktdeelnemer> een „erkende entrepothouder” is.

Anderszins niet van toepassing.

(zie Code soort marktdeelnemer in vak 2e)

 

99x

 

a

Referentie belastingentrepot

R

 

(zie codelijst 1 in bijlage II)

De „Referentie belastingentrepot” moet er één zijn uit <BELASTINGENTREPOT. Referentie belastingentrepot> zodat er ten minste één actieve versie bestaat waarbij de geldigheidstermijn ten minste één dag samenvalt met de geldigheidstermijn van de <HANDELAAR VERGUNNING>, na de activeringsdatum van laatstgenoemde.

De <Referentie belastingentrepot> moet uniek zijn in de lijst van <BELASTINGENTREPOT>.

an13

3.

BELASTINGENTREPOT

O

 

 

999999x

 

a

Referentie belastingentrepot

R

 

(zie codelijst 1 in bijlage II)

De <Referentie belastingentrepot> moet uniek zijn in de lijst <BELASTINGENTREPOT>.

De „Referentie belastingentrepot” is dezelfde als één in <(GEBRUIKT) BELASTINGENTREPOT. Referentie belastingentrepot> binnen één of meer gegevensgroepen <HANDELAAR VERGUNNING> van het soort „erkende entrepothouder” die ook aan voorschrift 204 voldoet.

an13

 

b

Begindatum geldigheid

R

 

 

datum

 

c

Einddatum geldigheid

O

 

 

datum

 

d

Referentienummer accijnsbureau

R

 

(zie codelijst 5 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

an8

3.1.

ACTIE

R

 

 

 

 

a

Verrichting

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

—   C= Creëren

—   U= Bijwerken (Updaten)

—   I= Ongeldig maken (Invalideren)

a1

 

b

Activeringsdatum

C

„R” indien <Verrichting> „C” of „U” is.

Anders „O”.

(zie Verrichting in vak 3.1a)

Indien de <Activeringsdatum> niet is ingevuld, wordt de datum waarop de verrichting „Ongeldig maken” in het centrale register is opgenomen, aangemerkt als de activeringsdatum van de verrichting „Ongeldig maken”.

datum

 

c

Verantwoordelijke gegevensbeheerder

O

 

 

an..35

3.2.

NAAM EN ADRES

R

 

 

99x

 

a

Naam

R

 

 

an..182

 

b

NAD_LNG

R

 

(zie codelijst 1 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

3.2.1.

ADRES

R

 

 

 

 

a

Straat

R

 

 

an..65

 

b

Nummer

O

 

 

an..11

 

c

Postcode

R

 

 

an..10

 

d

Stad

R

 

 

an..50

 

e

Code lidstaat

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

3.4.

CODE CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN

C

Ten minste één van de gegevensgroepen <Code CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN> of <Code ACCIJNSGOED> moet vermeld zijn.

 

999x

 

a

Code categorie accijnsgoederen

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II)

De <Code categorie accijnsgoederen> moet uniek zijn in de lijst <Code CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN> binnen dezelfde <HANDELAAR VERGUNNING> of <BELASTINGENTREPOT>.

an1

3.5.

CODE ACCIJNSGOED

C

Ten minste één van de gegevensgroepen <Code CATEGORIE ACCIJNSGOEDEREN> of <Code ACCIJNSGOED> moet vermeld zijn.

 

999x

 

a

Code accijnsgoed

R

 

(zie codelijst 11 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

De <Code categorie accijnsgoederen> van de <Code accijnsgoed> mag niet bestaan in dezelfde <HANDELAAR VERGUNNING> of <BELASTINGENTREPOT>.

De <Code accijnsgoed> moet uniek zijn in de lijst <Code ACCIJNSGOED> binnen dezelfde <HANDELAAR VERGUNNING>, <BELASTINGENTREPOT> of <TIJDELIJKE MACHTIGING>.

an..4

4.

TIJDELIJKE MACHTIGING

O

 

 

999999x

 

a

Referentie tijdelijke machtiging

R

 

(zie codelijst 2 in bijlage II)

an13

 

b

Identificatienummer kantoor van afgifte

R

 

(zie codelijst 5 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

an8

 

c

Vervaldatum

R

 

 

datum

 

d

Indicatie herbruikbare tijdelijke machtiging

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

0

=

Neen of onwaar

=

1

=

Ja of waar

n1

 

e

Btw-nummer

O

 

 

an..14

 

f

Begindatum machtiging

R

 

 

datum

 

g

Indicatie kleine wijnproducent

O

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

0

=

Neen of onwaar

=

1

=

Ja of waar

n1

4.1.

ACTIE

R

 

 

 

 

a

Verrichting

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

—   C= Creëren

—   U= Bijwerken (Updaten)

—   I= Ongeldig maken (Invalideren)

a1

 

b

Activeringsdatum

C

„R” indien <Verrichting> „C” of „U” is.

Anders „O”.

(zie Verrichting in vak 4.1a)

Indien de <Activeringsdatum> niet is ingevuld, wordt de datum waarop de verrichting „Ongeldig maken” in het centrale register is opgenomen, aangemerkt als de activeringsdatum van de verrichting „Ongeldig maken”.

datum

 

c

Verantwoordelijke gegevensbeheerder

O

 

 

an..35

4.2.

HANDELAAR AFZENDER

R

 

 

 

 

a

Accijnsnummer handelaar

C

„R” indien <Tijdelijke machtiging — indicatie kleine wijnproducent> niet vermeld is of onwaar is.

Anders „O”.

Voor HANDELAAR afzender

een bestaand identificerend kenmerk <Accijnsnummer handelaar> in de reeks <HANDELAAR VERGUNNING>

De <Code soort marktdeelnemer> van de genoemde <HANDELAAR> moet zijn:

„erkende entrepothouder”; OF

„geregistreerde afzender”

an13

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

(zie codelijst 1 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

4.3.

GEGEVENS TIJDELIJKE MACHTIGING

R

 

 

999x

 

a

Code accijnsgoed

R

 

(zie codelijst 11 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

De <Code accijnsgoed> moet uniek zijn in de lijst <Code ACCIJNSGOED> binnen dezelfde <HANDELAAR VERGUNNING>, <BELASTINGENTREPOT> of <TIJDELIJKE MACHTIGING>.

Als <Tijdelijke machtiging — kleine wijnproducent> is vermeld en waar is DAN moet de

<Code accijnsgoed>:

„W200”; OF

„W300” zijn.

an..4

 

b

Hoeveelheid

R

 

 

n..15,3

4.4.

NAAM EN ADRES

R

 

 

99x

 

a

Naam

R

 

 

an..182

 

b

NAD_LNG

R

 

(zie codelijst 1 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

4.4.1.

ADRES

R

 

 

 

 

a

Straat

R

 

 

an..65

 

b

Nummer

O

 

 

an..11

 

c

Postcode

R

 

 

an..10

 

d

Stad

R

 

 

an..50

 

e

Code lidstaat

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

Tabel 3

Weigering van bijwerking van marktdeelnemers

(als bedoeld in artikel 4)

A

B

C

D

E

F

G

1.

Indiening bericht verrichtingen in het register van marktdeelnemers

R

 

(zie tabel 2 voor gegevens)

 

2.

AFWIJZING

R

 

 

9999x

 

a

Datum en tijdstip afwijzing

R

 

 

datumtijd

 

b

Code reden afwijzing

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Ontbrekende verrichting

=

2

=

Onbekende verrichting

=

3

=

Onjuist formaat accijnsnummer marktdeelnemer

=

4

=

Onjuist formaat referentie belastingentrepot

=

5

=

Onjuist formaat tijdelijke machtiging

=

6

=

Onjuist formaat identificatienummer kantoor

=

7

=

Ontbrekende naam

=

8

=

Marktdeelnemer bestaat reeds (creatie)

=

9

=

Belastingentrepot bestaat reeds (creatie)

=

10

=

Tijdelijke machtiging bestaat reeds (creatie)

=

11

=

Marktdeelnemer niet gevonden (bijwerking / schrapping)

=

12

=

Belastingentrepot niet gevonden (bijwerking / schrapping)

=

13

=

Tijdelijke machtiging niet gevonden (bijwerking / schrapping)

=

14

=

Onbekende marktdeelnemer

=

18

=

Ontbrekende soort marktdeelnemer

=

19

=

Onbekende soort marktdeelnemer

=

20

=

Ontbrekende rol marktdeelnemer

=

21

=

Onbekende rol marktdeelnemer

=

22

=

Inconsistentie tussen soort marktdeelnemer en rol marktdeelnemer

=

23

=

Ontbrekend of onjuist formaat van de begindatum van de vergunning

=

24

=

Onjuist formaat van de einddatum van de vergunning

=

25

=

Ontbrekend of onjuist formaat van de vervaldatum

=

26

=

Ontbrekend of onbekend identificatienummer kantoor

=

27

=

Inconsistentie tussen accijnsnummer en accijnsbureau

=

28

=

Een belastingentrepot kan niet toebehoren aan meer dan één erkende entrepothouder

=

29

=

Het accijnsnummer van een erkende entrepothouder kan niet hetzelfde zijn als het accijnsnummer van een marktdeelnemer, tenzij deze laatste zijn eigen erkende entrepothouder is

=

30

=

Ontbrekende categorie accijnsgoed

=

31

=

Onbekende categorie accijnsgoed

=

32

=

Ontbrekend accijnsgoed

=

33

=

Onbekend accijnsgoed

=

34

=

Onvolledig adres

=

35

=

Ontbrekende taalcode

=

36

=

Onbekende taalcode

=

37

=

Ten minste het telefoonnummer, het faxnummer of het e-mailadres moet worden opgegeven

=

38

=

Ontbrekende eigenaar/beheerder van het belastingentrepot

=

39

=

Onbekende eigenaar/beheerder van het belastingentrepot

=

40

=

De eigenaar/beheerder van het belastingentrepot moet een entrepothouder zijn

=

41

=

Alleen een entrepothouder mag toestemming krijgen voor het gebruik van een belastingentrepot

=

42

=

Ongeldige referentie van belastingentrepot (overtreding voorschrift 204)

=

43

=

Ontbrekende erkende entrepothouder bij vermelding belastingentrepot (overtreding voorschrift 205)

=

44

=

<Accijnsnummer handelaar> ontbreekt (Overtreding voorw. 157)

=

45

=

Ongeldige waarde voor <Code accijnsgoed> (overtreding voorschrift 212)

n..2

Tabel 4

SEED-statistieken

(als bedoeld in artikel 7)

A

B

C

D

E

F

G

1.

KENMERKEN

R

 

 

 

 

a

Correlation identifier verzoek

R

 

De waarde van <Correlation identifier verzoek > is uniek per lidstaat.

an..16

2.

STA_PERIODE

R

 

 

 

 

a

Jaar

R

 

 

n4

 

b

Halfjaar

C

Voor 2 b, c, en d:

de volgende drie gegevensvelden zijn facultatief en exclusief:

<Halfjaar>

<Kwartaal>

<Maand>

d.w.z. indien sprake is van een van deze gegevensvelden, zijn de twee andere gegevensvelden niet van toepassing.

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Eerste halfjaar

=

2

=

Tweede halfjaar

n1

 

c

Kwartaal

C

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Eerste kwartaal

=

2

=

Tweede kwartaal

=

3

=

Derde kwartaal

=

4

=

Vierde kwartaal

n1

 

d

Maand

C

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Januari

=

2

=

Februari

=

3

=

Maart

=

4

=

April

=

5

=

Mei

=

6

=

Juni

=

7

=

Juli

=

8

=

Augustus

=

9

=

September

=

10

=

Oktober

=

11

=

November

=

12

=

December

n..2

3.

STA_PER_LS

O

 

 

99x

 

a

Code lidstaat

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

a2

 

b

Aantal actieve marktdeelnemers

O

 

 

n..15

 

c

Aantal niet-actieve marktdeelnemers

O

 

 

n..15

 

d

Aantal vergunningen die binnenkort aflopen

O

 

 

n..15

 

e

Aantal belastingentrepots

O

 

 

n..15

 

f

Wijzigingen aantal accijnsvergunningen

O

 

 

n..15

3.1.

MARKTDEELNEMER_SOORT

O

 

 

9x

 

a

Code soort marktdeelnemer

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Erkende entrepothouder

=

2

=

Geregistreerde geadresseerde

=

3

=

Geregistreerde afzender

n1

 

b

Aantal marktdeelnemers

R

 

 

n..15

3.2.

ACCIJNSGOED_CATEGORIE_ACTIVITEIT

O

 

 

9x

 

a

Code categorie accijnsgoederen

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II)

a1

 

b

Aantal marktdeelnemers

R

 

 

n..15

3.3.

ACCIJNSGOED_ACTIVITEIT

O

 

 

9999x

 

a

Code accijnsgoed

R

 

(zie codelijst 11 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

an..4

 

b

Aantal marktdeelnemers

R

 

 

n..15

4.

STA_ALLE_LS

O

 

 

 

 

a

Totale aantal actieve marktdeelnemers

O

 

 

n..15

 

b

Totale aantal niet-actieve marktdeelnemers

O

 

 

n..15

 

c

Totale aantal vergunningen die binnenkort aflopen

O

 

 

n..15

 

d

Totale aantal belastingentrepots

O

 

 

n..15

 

e

Totale aantal wijzigingen accijnsvergunningen

O

 

 

n..15

4.1.

MARKTDEELNEMER_SOORT_ALLE_LS

O

 

 

9x

 

a

Code soort marktdeelnemer

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

=

1

=

Erkende entrepothouder

=

2

=

Geregistreerde geadresseerde

=

3

=

Geregistreerde afzender

n1

 

b

Totale aantal marktdeelnemers

R

 

 

n..15

4.2.

ACCIJNSGOED_CATEGORIE_ACTIVITEIT_ALLE_LS

O

 

 

9x

 

a

Code categorie accijnsgoederen

R

 

(zie codelijst 3 in bijlage II)

a1

 

b

Totale aantal marktdeelnemers

R

 

 

n..15

4.3.

ACCIJNSGOED_ACTIVITEIT_ALLE_LS

O

 

 

9999x

 

a

Code accijnsgoed

R

 

(zie codelijst 11 in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009)

an..4

 

b

Totale aantal marktdeelnemers

R

 

 

n..15


BIJLAGE II

CODELIJSTEN

Codelijst 1: Accijnsnummer handelaar/Referentie belastingentrepot

Veld

Inhoud

Veldtype

Voorbeelden

1

Identificerend kenmerk van de lidstaat waar de marktdeelnemer of het belastingentrepot is geregistreerd.

Alfabetisch 2

PL

2

Nationaal toegekende unieke code

Alfanumeriek 11

2005764CL78

Veld 1 bevat een code uit de lijst van <LIDSTATEN> (punt 3 van de codelijsten, bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009).

Veld 2 moet worden ingevuld met een unieke code voor de voor accijnsdoeleinden geregistreerde marktdeelnemer (erkende entrepothouder, geregistreerde geadresseerde en geregistreerde afzender) of voor het belastingentrepot. De wijze waarop deze waarde wordt toegekend, valt onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaten, maar elke voor accijnsdoeleinden geregistreerde marktdeelnemer (erkende entrepothouder, geregistreerde geadresseerde en geregistreerde afzender) en ieder belastingentrepot moet een uniek accijnsnummer hebben.

Codelijst 2: Referentie tijdelijke machtiging

Veld

Inhoud

Veldtype

Voorbeelden

1

Identificerend kenmerk van de lidstaat waar de marktdeelnemer of het belastingentrepot is geregistreerd.

Alfabetisch 2

PL

2

Nationaal toegekende unieke code

Alfanumeriek 11

2005764CL78

De referentie tijdelijke machtiging heeft dezelfde structuur als het accijnsnummer handelaar/referentie belastingentrepot.

Veld 1 bevat een code uit de lijst van <LIDSTATEN> (punt 3 van de codelijsten, bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009).

Veld 2 moet worden ingevuld met een unieke code voor de voor accijnsdoeleinden geregistreerde marktdeelnemer (erkende entrepothouder, geregistreerde geadresseerde en geregistreerde afzender) of voor het belastingentrepot. De wijze waarop deze waarde wordt toegekend, valt onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de lidstaten, maar elke voor accijnsdoeleinden geregistreerde marktdeelnemer (erkende entrepothouder, geregistreerde geadresseerde en geregistreerde afzender) en ieder belastingentrepot moet een uniek accijnsnummer hebben.

Codelijst 3: Categorie accijnsgoed

Code categorie accijnsgoed

Omschrijving

T

Tabaksfabrikaten

B

Bier

W

Wijn en andere gegiste dranken dan wijn en bier

I

Tussenproducten

S

Ethylalcohol en gedistilleerde dranken

E

Energieproducten


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/34


VERORDENING (EU) Nr. 613/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1451/2007 wat betreft aanvullende werkzame stoffen van biociden die in het kader van het beoordelingsprogramma moeten worden onderzocht

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een uitputtende lijst vastgesteld van bestaande werkzame stoffen die moeten worden beoordeeld in het kader van het werkprogramma voor een systematisch onderzoek van de werkzame stoffen die reeds op de markt zijn (hierna het „beoordelingsprogramma” genoemd), en bij die verordening is het op de markt brengen van biociden die combinaties van werkzame stof en productsoort bevatten die niet in die bijlage, noch in de bijlagen I of IA bij Richtlijn 98/8/EG zijn opgenomen, of waarvoor de Commissie een besluit tot niet-opneming heeft genomen, verboden.

(2)

De lijst in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 omvat combinaties van bestaande werkzame stof en productsoort waarvan kennisgeving is gedaan overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1896/2000 van de Commissie van 7 september 2000 inzake de eerste fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende biociden bedoelde programma (3), waarin een lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1896/2000 belang heeft aangemeld of waarvoor uiterlijk op 1 maart 2006 een dossier werd ingediend dat als volledig is aanvaard.

(3)

De definitie van biociden in artikel 2, lid 1, onder a), van Richtlijn 98/8/EG, de definitie van werkzame stof in artikel 2, lid 1, onder d), van die richtlijn en de beschrijvingen van productsoorten in bijlage V bij die richtlijn zijn op uiteenlopende wijze geïnterpreteerd. In sommige gevallen is de gemeenschappelijke visie tussen de Commissie en de overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn 98/8/EG aangewezen bevoegde autoriteiten in de loop van de tijd veranderd. Met name het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 maart 2012 in zaak C-420/10, Söll GmbH v Tetra GmbH (4), verduidelijkte dat het begrip „biociden” aldus moet worden uitgelegd dat daartoe ook bepaalde producten behoren die louter indirect op de bestreden schadelijke organismen inwerken.

(4)

Personen die zich baseerden op door de Commissie of door een overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn 98/8/EG aangewezen bevoegde autoriteit gepubliceerde richtsnoeren of verstrekte schriftelijke adviezen kunnen daardoor hebben nagelaten kennisgeving te doen van de combinatie van bestaande werkzame stof en productsoort in een in de handel gebracht product, of de taak van deelnemer over te nemen, in de objectief gerechtvaardigde mening dat het product is uitgesloten van de werkingssfeer van Richtlijn 98/8/EG of dat het onder een andere productsoort valt.

(5)

Die personen moeten in dergelijke gevallen de mogelijkheid hebben om, indien relevant met voorafgaande kennisgeving, een dossier voor onderzoek in het kader van het beoordelingsprogramma in te dienen, teneinde te voorkomen dat producten uit de handel worden genomen waarvoor een gerechtvaardigde interpretatie wat betreft de aard ervan als biocide of de juiste productsoort ervan naderhand door lidstaten of de Commissie wordt betwist.

(6)

Bovendien moet, in de gevallen waarin om dezelfde redenen werkzame stoffen nog niet als bestaand zijn geïdentificeerd, bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1451/2007 worden geactualiseerd zodat alle bestaande werkzame stoffen correct worden weergegeven.

(7)

De situatie waarin personen op basis van deze verordening kennisgeving willen doen van een combinatie van werkzame stof en productsoort, zal vergelijkbaar zijn met de situatie waarin personen overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1451/2007 de taak van deelnemer willen overnemen. Het is dan ook passend te voorzien in een vergelijkbare procedure en vergelijkbare termijnen om de belanghebbenden op de hoogte te brengen en intentieverklaringen bij de Commissie in te dienen.

(8)

Bovendien is het passend de termijnen en andere voorschriften voor de kennisgeving zo veel mogelijk in overeenstemming te brengen met die in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1896/2000 voor de eerste kennisgeving van bestaande werkzame stoffen, rekening houdend met de huidige werkmethoden van het Europees Agentschap voor chemische stoffen, dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(9)

In de gevallen waarin geen rapporterende lidstaat is aangewezen voor de werkzame stof waarop een kennisgeving betrekking heeft, moet, om ervoor te zorgen dat de stof ter goedkeuring zal worden beoordeeld, van de kennisgever bevestiging worden verlangd dat een bevoegde autoriteit ermee instemt de aangekondigde aanvraag tot goedkeuring van de werkzame stof te beoordelen.

(10)

Verordening (EG) nr. 1451/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Om te zorgen voor een vlotte overgang van Richtlijn 98/8/EG naar Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (6), moeten bepaalde delen van deze verordening van toepassing zijn vanaf dezelfde datum als Verordening (EU) nr. 528/2012.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1451/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Voorts wordt verstaan onder „deelnemer”: een persoon die een kennisgeving heeft ingediend die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1896/2000 of artikel 3 quater, lid 1, van deze verordening door de Commissie is aanvaard, of een lidstaat die overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1896/2000 belang heeft aangemeld.”.

2)

Aan artikel 3, lid 2, wordt het volgende punt d) toegevoegd:

„d)

bestaande werkzame stoffen waarvan overeenkomstig artikel 3 ter kennisgeving is gedaan.”.

3)

Het volgende artikel 3 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 3 bis

Procedure voor de intentieverklaring om kennisgeving te doen

1.   Een persoon of een lidstaat die van oordeel is dat een biocide die op de markt wordt gebracht en alleen bestaande werkzame stoffen bevat, onder Richtlijn 98/8/EG valt en onder één of meer productsoorten valt waarvoor artikel 4 het op de markt brengen verbiedt, kan bij de Commissie een verzoek indienen om de kennisgeving van de in dat product opgenomen werkzame stoffen voor de desbetreffende productsoorten toe te staan.

In het verzoek worden de desbetreffende combinaties van werkzame stof en productsoort vermeld, alsook de redenen waarom geen kennisgeving is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1896/2000, of geen belang is aangemeld overeenkomstig artikel 5, lid 3, van die verordening, of de taak van deelnemer niet is overgenomen overeenkomstig artikel 12 van deze verordening, of geen volledig dossier is ingediend overeenkomstig artikel 9, lid 1, van deze verordening.

2.   Nadat de Commissie een verzoek overeenkomstig lid 1 heeft ontvangen, raadpleegt zij de lidstaten over de vraag of het verzoek aanvaardbaar is.

Het verzoek is aanvaardbaar als de biocide onder Richtlijn 98/8/EG valt en onder één of meer productsoorten valt waarvoor artikel 4 van deze verordening het op de markt brengen verbiedt, en de aanvrager, voordat hij dat verzoek indiende, op basis van door de Commissie of door een overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn 98/8/EG aangewezen bevoegde autoriteit gepubliceerde richtsnoeren of verstrekte schriftelijke adviezen de objectief gerechtvaardigde mening was toegedaan dat het product was uitgesloten van de werkingssfeer van Richtlijn 98/8/EG of dat het onder een andere productsoort viel.

Het verzoek is echter niet aanvaardbaar als ten aanzien van de betrokken combinatie van werkzame stof en productsoort reeds is besloten ze niet in bijlage I of IA bij Richtlijn 98/8/EG op te nemen op basis van een beoordelingsverslag dat overeenkomstig artikel 15, lid 4, van deze verordening door het Permanent Comité voor biociden is onderzocht.

3.   Als de Commissie het verzoek na de raadpleging overeenkomstig lid 2 aanvaardbaar acht, aanvaardt zij het verzoek en staat zij de kennisgeving van de werkzame stof voor de desbetreffende productsoorten toe.

Als het door de rapporterende lidstaat voor de desbetreffende werkzame stof ingediende dossier reeds alle nodige gegevens bevat voor de beoordeling van de desbetreffende productsoorten waarvoor artikel 4 het op de markt brengen verbiedt, en de deelnemer die dat dossier heeft ingediend, wil worden geacht kennisgeving te hebben gedaan van de werkzame stof voor die productsoorten, brengt de rapporterende lidstaat de Commissie daarvan op de hoogte en wordt geen aanvullende kennisgeving krachtens de eerste alinea toegestaan.

De Commissie brengt de lidstaten daarvan op de hoogte en maakt die informatie langs elektronische weg bekend.

4.   Een persoon die voornemens is kennisgeving te doen van de combinatie van werkzame stof en productsoort die is opgenomen in de in lid 3, derde alinea, bedoelde elektronische bekendmaking, doet de Commissie uiterlijk drie maanden na de datum van die elektronische bekendmaking mededeling van dat voornemen.”.

4.

Het volgende artikel 3 ter wordt ingevoegd:

„Artikel 3 ter

Kennisgevingsprocedure

1.   Na de intentieverklaring om kennisgeving te doen dient de in artikel 3 bis, lid 4, bedoelde persoon uiterlijk 18 maanden na de datum van de in artikel 3 bis, lid 3, derde alinea, bedoelde elektronische bekendmaking een kennisgeving van de combinatie van werkzame stof en productsoort in bij het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (hierna het „Agentschap” genoemd).

De kennisgeving wordt gedaan via het biocidenregister als bedoeld in artikel 71 van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (7).

2.   De kennisgeving wordt in IUCLID-formaat ingediend. Zij bevat al de in de punten 1, 2 en 3 en de tabel in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1896/2000 bedoelde informatie en het bewijs dat de stof op de datum van de in artikel 3 bis, lid 3, derde alinea, bedoelde elektronische bekendmaking op de markt was als werkzame stof van een biocide die onder de desbetreffende productsoort valt.

3.   Tenzij reeds een rapporterende lidstaat is aangewezen voor de werkzame stof in kwestie, geeft de kennisgever aan bij welke bevoegde instantie van een lidstaat hij voornemens is een dossier in te dienen, en verstrekt hij een schriftelijke bevestiging dat die bevoegde instantie ermee instemt het dossier te beoordelen.

4.   Nadat het Agentschap een kennisgeving heeft ontvangen, brengt het de Commissie daarvan op de hoogte en deelt het aan de kennisgever de vergoedingen mee die verschuldigd zijn krachtens de verordening die op grond van artikel 80, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 is vastgesteld. Als de kennisgever de vergoeding niet binnen dertig dagen na ontvangst van die informatie betaalt, wijst het Agentschap de kennisgeving af en brengt het de kennisgever daarvan op de hoogte.

5.   Nadat het Agentschap de vergoedingen heeft ontvangen, gaat het binnen dertig dagen na of de kennisgeving aan de eisen van lid 2 voldoet. Indien de kennisgeving niet aan die eisen voldoet, geeft het Agentschap de kennisgever een periode van dertig dagen om de kennisgeving aan te vullen of te corrigeren. Na afloop van die periode van dertig dagen dient het Agentschap binnen dertig dagen hetzij te verklaren dat de kennisgeving aan de eisen van lid 2 voldoet, hetzij de kennisgeving af te wijzen, en de kennisgever daarvan op de hoogte te brengen.

6.   Beroepen tegen besluiten van het Agentschap die overeenkomstig lid 4 of lid 5 zijn genomen, worden behandeld door de kamer van beroep die bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 is opgericht. Artikel 92, leden 1 en 2, en de artikelen 93 en 94 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 zijn op dergelijke beroepsprocedures van toepassing. Het beroep heeft schorsende werking.

7.   Het Agentschap deelt de Commissie onverwijld mede of de kennisgeving aan de eisen van lid 2 voldoet of is afgewezen.

5)

Het volgende artikel 3 quater wordt ingevoegd:

„Artikel 3 quater

Opneming in of uitsluiting van het beoordelingsprogramma

1.   Als overeenkomstig artikel 3 bis, lid 3, tweede alinea, wordt geacht dat van een werkzame stof kennisgeving is gedaan, of als het Agentschap de Commissie overeenkomstig artikel 3 ter, lid 7, mededeelt dat een kennisgeving aan de eisen van artikel 3 ter, lid 2, voldoet, aanvaardt de Commissie de kennisgeving en:

a)

als de betrokken combinatie van werkzame stof en productsoort niet in bijlage II bij deze verordening is opgenomen, neemt zij de combinatie van werkzame stof en productsoort daarin op en neemt zij, indien relevant, de werkzame stof in bijlage I bij deze verordening op;

b)

als de betrokken combinatie van werkzame stof en productsoort in bijlage II bij deze verordening is opgenomen, maar het voorwerp uitmaakt van een besluit van de Commissie om ze niet in bijlage I of IA bij Richtlijn 98/8/EG op te nemen, verklaart zij dat besluit nietig.

2.   Als een intentieverklaring om kennisgeving te doen niet binnen de in artikel 3 bis, lid 4, vermelde termijn is ontvangen, als een kennisgeving niet binnen de in artikel 3 ter, lid 1, vermelde termijn is ontvangen, of als het Agentschap de Commissie overeenkomstig artikel 3 ter, lid 7, mededeelt dat een overeenkomstig artikel 3 ter, lid 1, ingediende kennisgeving is afgewezen, brengt de Commissie de lidstaten daarvan op de hoogte en maakt zij die informatie langs elektronische weg bekend.”.

6)

Aan artikel 4 wordt het volgende lid 4 toegevoegd:

„4.   In afwijking van de leden 1 en 2 mogen biociden die een werkzame stof bevatten waarvoor de Commissie de relevante informatie overeenkomstig artikel 3 bis, lid 3, derde alinea, voor de desbetreffende productsoorten langs elektronische weg heeft bekendgemaakt, overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG op de markt worden gebracht tot de datum waarop de Commissie een besluit heeft genomen om de combinatie van werkzame stof en productsoort in bijlage II op te nemen overeenkomstig artikel 3 quater, lid 1, onder a), of een vroeger besluit tot niet-opneming nietig te verklaren overeenkomstig artikel 3 quater, lid 1, onder b), of gedurende een periode van zes maanden vanaf de datum waarop de Commissie de relevante informatie langs elektronische weg heeft bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3 quater, lid 2.”.

7)

Aan artikel 9 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

„3.   In afwijking van lid 2 worden, voor combinaties van werkzame stof en productsoort die overeenkomstig artikel 3 quater, lid 1, onder a), in bijlage II zijn opgenomen, of waarvoor overeenkomstig artikel 3 quater, lid 1, onder b), een besluit nietig werd verklaard, aanvragen tot goedkeuring van een werkzame stof die overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 528/2012 worden gedaan, uiterlijk twee jaar na de datum van het overeenkomstig artikel 3 quater, lid 1, onder a) of b), vastgestelde besluit ingediend.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De punten 2, 4 en 7 van artikel 1 zijn echter van toepassing vanaf 1 september 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)  PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.

(3)  PB L 228 van 8.9.2000, blz. 6.

(4)  Nog niet bekendgemaakt in de Jurisprudentie van het Hof van Justitie.

(5)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(7)  PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.”.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/38


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 614/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

49,2

TR

98,7

ZZ

74,0

0707 00 05

MK

27,7

TR

116,3

ZZ

72,0

0709 93 10

MA

102,6

TR

127,8

ZZ

115,2

0805 50 10

AR

97,3

BR

96,4

TR

78,7

ZA

103,0

ZZ

93,9

0808 10 80

AR

165,4

BR

114,4

CL

130,5

CN

96,0

NZ

144,5

US

156,1

ZA

124,6

ZZ

133,1

0809 10 00

IL

342,4

TR

214,9

ZZ

278,7

0809 29 00

TR

340,7

ZZ

340,7

0809 30

TR

179,1

ZZ

179,1

0809 40 05

CL

216,3

IL

308,9

ZA

377,0

ZZ

300,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/40


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2013

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Ierland

(2013/313/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (1), en met name artikel 3, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op verzoek van Ierland heeft de Raad aan dat land financiële bijstand verleend door middel van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU (2) ter ondersteuning van een krachtig economisch en hervormingsprogramma dat erop gericht is het vertrouwen te herstellen, de economie wederom op een duurzaam groeipad te brengen en de financiële stabiliteit in Ierland, de eurozone en de EU te waarborgen.

(2)

Op 22 april 2013 heeft de Commissie de negende evaluatie van het Ierse economische hervormingsprogramma afgerond.

(3)

Een verlenging van de gemiddelde maximumlooptijd van de EU-lening zou nuttig zijn, aangezien hierdoor de inspanningen van Ierland zouden worden ondersteund om opnieuw volledige markttoegang te verkrijgen en zijn programma met succes af te ronden. Om de verlenging van de gemiddelde maximumlooptijd van de EU-lening ten volle te kunnen benutten, moet de Commissie gemachtigd worden om de looptijd van de termijnen en tranches te verlengen.

(4)

In het licht van die ontwikkelingen moet Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1 van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

Lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De Unie stelt Ierland een lening van maximaal 22,5 miljard EUR met een gemiddelde maximumlooptijd van 19,5 jaar ter beschikking. De looptijd van afzonderlijke tranches van de leenfaciliteit kan ten hoogste 30 jaar bedragen.”.

2)

Het volgende lid wordt toegevoegd:

„9.   Op verzoek van Ierland kan de Commissie de looptijd van een termijn of een tranche verlengen, op voorwaarde dat de in lid 1 vastgestelde gemiddelde maximumlooptijd in acht wordt genomen. Hiertoe kan de Commissie overgaan tot de herfinanciering van het geheel of een deel van haar lening. Alle vooraf opgenomen bedragen worden gestort op een rekening bij de ECB die de Commissie heeft geopend voor het beheer van de financiële bijstand.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot Ierland.

Artikel 3

Dit besluit wordt van kracht op de dag van de kennisgeving ervan.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOONAN


(1)  PB L 118 van 12.5.2010, blz. 1.

(2)  PB L 30 van 4.2.2011, blz. 34.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/41


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2013

tot intrekking van Besluit 2010/286/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Italië

(2013/314/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 2 december 2009 besloot de Raad, op aanbeveling van de Commissie, in Besluit 2010/286/EU (1) dat er in Italië een buitensporig tekort bestond. De Raad stelde vast dat voor 2009 met een overheidstekort van 5,3% van het bbp werd gerekend en dat daarmee de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp werd overschreden, terwijl de bruto overheidsschuld zou uitkomen op 115,1% van het bbp in 2009, dus boven de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60% van het bbp (2).

(2)

Op 2 december 2009 heeft de Raad, overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (3), op basis van een aanbeveling van de Commissie, tot Italië een aanbeveling gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2012 aan de buitensporigtekortsituatie een eind te maken. Die aanbeveling werd openbaar gemaakt.

(3)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol dienen de lidstaten, overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (4), tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens te verstrekken over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsmede over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(4)

Wanneer de Raad overweegt of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet hij een besluit nemen op basis van de ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de drempel van 3% van het bbp niet zal overschrijden.

(5)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat), overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009, na de vóór 1 april 2013 door Italië gedane kennisgeving heeft verstrekt, uit het stabiliteitsprogramma voor 2013, uit de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie en uit de beoordeling van de aanvullende maatregelen die bij wetsbesluit nr. 54 van 21 mei 2013 zijn goedgekeurd, blijk dat de volgende conclusies gerechtvaardigd zijn:

Nadat het overheidstekort in 2009 een piek bereikte van 5,5% van het bbp, werd het geleidelijk teruggebracht en kwam het uit op 3,0% van het bbp in 2012, dus binnen de door de Raad vastgestelde termijn. Deze verbetering kwam er door een aanzienlijke begrotingsconsolidatie, terwijl in 2012 de rentebetalingen 0,8 procentpunt van het bbp hoger lagen dan in 2009 en de samenstelling van de economische activiteiten minder belastinginkomsten opleverde.

Volgens het stabiliteitsprogramma voor de periode 2013-2017 dat de Italiaanse regering op 10 april 2013 heeft vastgesteld en dat op 7 mei 2013 door het Italiaanse Parlement is bekrachtigd, zal het tekort licht afnemen tot 2,9% van het bbp in 2013 en daarna dalen tot 1,8% van het bbp in 2014. Bij ongewijzigd beleid zal volgens de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie het tekort in 2013 uitkomen op 2,9% van het bbp en in 2014 op 2,5% van het bbp. Zowel het stabiliteitsprogramma als de voorjaarsprognoses houden rekening met de effecten van wetsbesluit nr. 35 van 8 april 2013, dat voorziet in de betaling van de achterstallige schulden van de overheidssector bij particuliere leveranciers, voor een totaalbedrag van 40 miljard EUR (of ongeveer 2,5% van het bbp) in de periode 2013-2014. Hoewel dit bedrag leidt tot een overeenkomstige toename van het overheidstekort, beïnvloedt dit het tekort alleen voor het gedeelte dat met kapitaaluitgaven verband houdt. In het genoemde wetsbesluit worden deze betalingen voor 2013 vastgesteld op 0,5% van het bbp, met een overeenkomstige toename van het tekort. Het bevat ook een garantiemechanisme dat de overheid machtigt om de voldoening van tekortvergrotende handelsschulden te vertragen of om andere corrigerende maatregelen te nemen, zodat het bereiken van de begrotingsdoelstelling voor 2013 gegarandeerd blijft.

Het Italiaanse Parlement heeft de in het stabiliteitsprogramma voor 2013 naar voren geschoven begrotingsdoelstellingen formeel bekrachtigd op 7 mei. Op 17 mei - met name ná de voorjaarsprognoses - heeft de nieuwe regering een formele verklaring afgelegd om deze toezeggingen te bevestigen en om de vaststelling aan te kondigen van nieuwe maatregelen, met volledige inachtneming van de begrotingsdoelstellingen uit het stabiliteitsprogramma. In het wetsbesluit nr. 54, dat diezelfde dag is vastgesteld, worden die nieuwe maatregelen uiteengezet. Daarbij gaat het onder meer om:

de opschorting van de in juni verschuldigde tranche van de onroerende voorheffing voor de eigen woning - onder uitsluiting van luxewoningen - en voor agrarisch eigendom, terwijl de regering zich verbindt tot een algemene hertekening van de wetgeving inzake de belasting op onroerend goed. Een garantiemechanisme moet ervoor zorgen dat deze hertekening plaatsvindt met volledige inachtneming van de begrotingsdoelstellingen in primaire termen. Bovendien zal, indien de begrotingsneutrale hervorming niet tegen eind augustus 2013 goedgekeurd geraakt, de opgeschorte tranche onroerende voorheffing verschuldigd zijn tegen 16 september;

de uitbreiding van loonsuppletieregelingen (ammortizzatori sociali in deroga) tot werknemers die voor het jaar 2013 nog niet onder die regeling vallen, door ombuiging van de begrotingsmiddelen die beschikbaar zijn bovenop die welke voor de arbeidsmarkthervorming van 2012 zijn uitgetrokken.

Alles samengenomen, blijkt bij een beoordeling van deze nieuwe bepalingen dat zij geen significant effect hebben op het tekort, mits zij consequent worden toegepast. Aldus zal het tekort duurzaam onder de referentiewaarde van 3% van het bbp blijven.

Na een verbetering van in totaal bijna 2,75 procentpunt van het bbp over de periode 2009-2012, zal het structurele saldo - met name conjunctuurgezuiverd, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen - bij ongewijzigd beleid volgens de prognoses in 2013 verder verbeteren met bijna 1 procentpunt (tot rond -0,5% van het bbp) en in 2014 licht verslechteren.

De schuldquota is in de periode 2009-2012 met 10,6 procentpunt toegenomen tot 127,0%, mede door Italiës bijdrage in de financiële bijstand aan lidstaten van de eurozone. Doordat de conjuncturele omstandigheden ongunstig blijven, is de verwachting dat het begrotingstekort zal toenemen tot 131,4% van het bbp in 2013 en tot 132,2% in 2014, mede door het voldoen van achterstallige handelsschulden ten belope van 2,5 procentpunt van het bbp zoals voor 2013-2014 gepland staat alsook verdere bijdragen in de financiële bijstand aan lidstaten van de eurozone.

(6)

Met ingang van 2013, het jaar volgend op de correctie van zijn buitensporig tekort, moet Italië in een passend tempo verdere vorderingen in de richting van zijn middellangetermijndoelstelling voor de begroting maken, daaronder begrepen de naleving van de uitgavenbenchmark, en voldoende vooruitgang boeken in de richting van de vervulling van het schuldcriterium, overeenkomstig artikel 2, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97.

(7)

Overeenkomstig artikel 126, lid 12 VWEU, moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(8)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Italië gecorrigeerd en dient Besluit 2010/286/EU derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat de buitensporigtekortsituatie in Italië is gecorrigeerd.

Artikel 2

Besluit 2010/286/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOONAN


(1)  PB L 125 van 21.5.2010, blz. 40.

(2)  Na de vaststelling van Besluit 2010/286/EU, werden het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2009 herzien tot, respectievelijk, 5,5% en 116,4% van het bbp.

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(4)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/43


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2013

tot intrekking van Beschikking 2004/918/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Hongarije

(2013/315/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 5 juli 2004, heeft de Raad in Beschikking 2004/918/EG (1) overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) besloten dat er in Hongarije een buitensporig tekort bestond en overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG een aanbeveling tot het land gericht om uiterlijk in 2008 een eind aan de buitensporigtekortsituatie te maken.

(2)

Op 18 januari 2005 oordeelde de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 8, VEG dat Hongarije geen effectief gevolg had gegeven aan zijn aanbeveling enp 8 maart 2005 werd een andere aanbeveling vastgesteld op grond van artikel 104, lid 7, VEG waarin werd vastgehouden aan 2008 als jaar waarin het buitensporige tekort uiterlijk gecorrigeerd zou moeten zijn. Op 8 november 2005 besloot de Raad dat Hongarije voor de tweede maal had verzuimd gevolg te geven aan zijn aanbeveling op grond van artikel 104, lid 7, VEG. Bijgevolg richtte de Raad op 10 oktober 2006 een derde aanbeveling op grond van artikel 104, lid 7, VEG tot Hongarije waarin de termijn voor de correctie van het buitensporige tekort werd verlengd tot 2009. Op 7 juli 2009 concludeerde de Raad dat ervan uit mocht worden gegaan dat de Hongaarse autoriteiten effectief gevolg hadden gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 10 oktober 2006, en vanwege de ernstige economische neergang richtte de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG een herziene aanbeveling ("de Aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009") tot het land, waarin nog eens een nieuwe termijn voor de correctie werd vastgesteld, namelijk 2011. Op 27 januari 2010 concludeerde de Commissie dat Hongarije effectief gevolg had gegeven aan de Aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009, die zich in zijn conclusies van 16 februari 2010 bij deze zienswijze aansloot, maar er werd wel gewaarschuwd voor aanzienlijke risico's.

(3)

Overeenkomstig de bepalingen in artikel 126, lid 8, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), heeft de Raad op 24 januari 2012 besloten dat Hongarije geen effectief gevolg had gegeven aan de Aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009 binnen de daarin voorgeschreven termijn. De in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp werd in 2011 weliswaar niet overschreden, maar dat was niet het gevolg van een structurele en duurzame correctie maar veeleer van aanzienlijke eenmalige ontvangsten. Deze ontwikkeling ging gepaard met een geraamde cumulatieve structurele verslechtering van meer dan 2% van het bbp zowel in 2010 als in 2011, terwijl juist een cumulatieve budgettaire verbetering van 0,5% van het bbp was aanbevolen. Bovendien zouden de autoriteiten in 2012 weliswaar structurele maatregelen implementeren waardoor de eerdere verslechtering naar verwachting grotendeels zou worden goedgemaakt, maar de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp zou ook in 2012 alleen in acht worden genomen dankzij eenmalige maatregelen ten belope van bijna 1% van het bbp. In 2013 zou de referentiewaarde worden overschreden.

(4)

Op 13 maart 2012 heeft de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU een nieuwe aanbeveling ("Aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012") tot Hongarije gericht om uiterlijk 2012 een eind te maken aan de buitensporigtekortsituatie. De Hongaarse autoriteiten werd verzocht met name de volgende stappen te nemen: i) op geloofwaardige en duurzame wijze een eind te maken aan de buitensporigtekortsituatie uiterlijk 2012; ii) een extra begrotingsinspanning van ten minste 0,5% van het bbp te leveren om ervoor te zorgen dat de tekortdoelstelling voor 2012 van 2,5% van het bbp werd gehaald; en iii) de nodige aanvullende maatregelen van structurele aard te nemen om te garanderen dat het tekort in 2013 ruim onder de drempel van 3% van het bbp bleef. Tegelijkertijd werd aanbevolen om de schuldquote van de overheid zo spoedig mogelijk op een neerwaarts traject te brengen zodat er voldoende vooruitgang werd geboekt bij de naleving van de schuldreductiebenchmark. Voorts diende de begrotingsaanpassing te worden ondersteund door de voorgestelde verbeteringen van het kader voor het begrotingsbeheer. De Raad stelde 13 september 2012 vast als uiterste datum voor de Hongaarse regering om effectieve maatregelen te nemen. Ook op 13 maart 2012 heeft de Raad besloten (2) de vastleggingskredieten uit het Cohesiefonds voor het jaar 2013 voor Hongarije gedeeltelijk te schorsen.

(5)

Op 30 mei 2012 oordeelde de Commissie, op basis van het convergentieprogramma voor 2011-2015 en verdere toelichtingen op de besparingsmaatregelen, dat Hongarije effectieve maatregelen had genomen met het oog op de correctie van het buitensporige tekort. Met name werd verwacht dat het overheidstekort in 2012 tot 2,5% van het bbp zou dalen en in 2013 ruim onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp zou blijven, zoals door de Aanbeveling van de Raad van 13 maart 2012 was aanbevolen. Bovendien werd bevestigd dat er enige vooruitgang was geboekt met de versterking van het kader voor het begrotingsbeheer, ofschoon de vooruitgang op dit gebied in het algemeen als traag kon worden aangemerkt. Tegen deze achtergrond, heeft de Raad op 22 juni 2012, in navolging van een voorstel van de Commissie van 30 mei 2012, Uitvoeringsbesluit 2012/323/EU (3) vastgesteld tot opheffing van de schorsing van vastleggingen uit het Cohesiefonds voor Hongarije.

(6)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol dienen de lidstaten ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (4) tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens te verstrekken over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(7)

Wanneer wordt overwogen of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet de Raad een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp niet zal overschrijden.

(8)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2013 door Hongarije gedane kennisgeving heeft verstrekt, de voorjaarsprognoses 2013 van diensten van de Commissie en de evaluatie van aanvullende corrigerende maatregelen die in een regeringsbesluit op 13 mei 2013 zijn vastgesteld, zijn de volgende conclusies gerechtvaardigd:

In 2012 daalde het overheidstekort, dankzij een aanzienlijke begrotingsinspanning, tot 1,9% van het bbp. Dit was mede te danken aan eenmalige ontvangsten ten belope van 0,75% van het bbp, waaronder de hoger dan begrote eenmalige ontvangsten van 0,2% van het bbp in verband met een verdere overdracht van activa van de particuliere naar de openbare pensioenpijler. De voor 2012 vastgestelde begroting streefde naar een tekort van 2,5% van het bbp op basis van een groei van 0,5%. De begroting voorzag in een buitengewone reserve van 1,1% van het bbp en talrijke consolidatiemaatregelen, waaronder met name: i) inkomstenverhogende maatregelen van circa 1,75% van het bbp, waaronder verhogingen van indirecte belastingen en socialezekerheidsbijdragen; ii) structurele maatregelen aan de uitgavenzijde ten belope van 0,75% van het bbp, zoals een herziening van sociale uitkeringen; en iii) uitgavenbeperkingen van 0,25% van het bbp in de openbare sector, waaronder een nominale bevriezing van de salarissen in de meeste sectoren. Om de almaar verslechterende groeivooruitzichten een halt toe te roepen, heeft de regering in april en in oktober 2012 twee grote pakketten aanvullende corrigerende maatregelen vastgesteld (ten belope van in totaal 0,7% van het bbp) - met hoofdzakelijk verdere verlagingen van de kredieten voor de begrotingsinstellingen -, waarvan ongeveer de helft ten uitvoer is gelegd. Daarnaast verbeterde het saldo van de lokale overheid met ongeveer 0,7% van het bbp ten opzichte van de begrote cijfers, hoofdzakelijk als gevolg van de lage investeringsbedrijvigheid in die sector.

In het kader van het voortgangsverslag betreffende de procedure bij buitensporige tekorten van oktober 2012 werd de officiële tekortdoelstelling voor 2012 van 2,5% van het bbp naar boven bijgesteld tot 2,7%. Kortom, de effectieve uitvoering van corrigerende maatregelen van de centrale overheid ten belope van ongeveer 3% van het bbp en het betere saldo van de lokale overheid hebben uiteindelijk geleid tot een tekort van 1,9% van het bbp, d.w.z. een score die 0,6% van het bbp beter is dan de oorspronkelijke tekortdoelstelling. De begrote buitengewone reserves werden aangesproken om de begrotingstegenvallers op te vangen, die deels te wijten waren aan het slechter dan verwachte macro-economische klimaat.

Volgens het convergentieprogramma voor 2012-2016 zal het overheidstekort zowel in 2013 als in 2014 op 2,7% van het bbp blijven liggen. De voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie verwachten evenwel een tekort van 3,0% van het bbp in 2013 en 3,3% van het bbp in 2014, hetgeen erop wijst dat het buitensporige tekort niet op duurzame wijze is verholpen. Op 13 mei 2013 heeft de regering, naar aanleiding van de publicatie van de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie, verdere corrigerende maatregelen aangenomen die bruto ongeveer 0,3% en 0,7% van het bbp vertegenwoordigen voor respectievelijk 2013 en 2014. Volgens de geactualiseerde budgettaire beoordeling van de diensten van de Commissie, waarin het netto tekortverlagende effect van deze aanvullende corrigerende maatregelen is meegenomen, zal het tekort daardoor in 2013 op 2,7% van het bbp en in 2014 op 2,9% van het bbp uitkomen. Er wordt derhalve verwacht dat het tekort gedurende de prognoseperiode van de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp zal blijven. Voorts zal het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, exclusief eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, volgens de ramingen van de diensten van de Commissie, respectievelijk in 2013 op -0,75% van het bbp en in 2014 op -1,50% van het bbp liggen en dus in overeenstemming zijn met de Hongaarse middellangetermijndoelstelling voor de begroting van -1,7% van het bbp.

De schuldquota is teruggebracht van een uitschieter van bijna 82% in 2010 tot 79,2% in 2012, dankzij aanzienlijke eenmalige kapitaaloverdrachten naar aanleiding van de afschaffing van de verplichte particuliere pensioenpijler en een aantal consolidatiemaatregelen. Volgens het convergentieprogramma zal de schuldquota verder dalen naar 78,1% in 2013 en 77,2% in 2014 en ook nadien deze neerwaartse trend voortzetten. In de prognoses van de Commissie wordt evenwel verwacht dat het traject van de schuldratio zowel in 2013 als in 2014 één procentpunt hoger zal liggen, zelfs als rekening wordt gehouden met het effect van de nieuwe correctiemaatregelen die op 13 mei 2013 zijn aangenomen.

(9)

Wat het begrotingsbeheer betreft, verzocht de Raad de Hongaarse autoriteiten om een waarlijk bindend middellangetermijnkader vast te stellen en de analyseopdracht van de begrotingsraad, gelet op zijn recht om een veto uit te spreken tegen de jaarlijkse begroting, te verruimen. In het convergentieprogramma voor 2012-2016 wordt het voornemen uitgesproken om op dit gebied vooruitgang te boeken in het najaar van 2013. Op deze vooruitgang zal onverminderd nauwlettend worden toegezien in het kader van het Europees semester.

(10)

Vanaf 2013, het jaar na de correctie van het buitensporige tekort, dient Hongarije een begrotingsbeleid te handhaven dat in overeenstemming is met zijn middellangetermijndoelstelling voor de begroting, waaronder het inachtnemen van de uitgavenbenchmark, en dat het voldoende vooruitgang dient te boeken bij het naleven van het schuldcriterium in overeenstemming met artikel 2, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (5).

(11)

Volgens artikel 126, lid 12 VWEU moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(12)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Hongarije gecorrigeerd en dient Beschikking 2004/918/EG derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporige tekort in Hongarije is gecorrigeerd.

Artikel 2

Beschikking 2004/918/EG wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Hongarije.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOONAN


(1)  PB L 389 van 30.12.2004, blz. 27.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2012/156/EU van de Raad van 13 maart 2012 tot schorsing van vastleggingen van het Cohesiefonds voor Hongarije met ingang van 1 januari 2013 (PB L 78 van 17.3.2012, blz. 19).

(3)  PB L 165 van 26.6.2012, blz. 46.

(4)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(5)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/46


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2013

tot intrekking van Beschikking 2009/588/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Litouwen

(2013/316/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 7 juli 2009 heeft de Raad op aanbeveling van de Commissie overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bij Beschikking 2009/588/EG (1) besloten dat er in Litouwen een buitensporig tekort bestond. De Raad merkte op dat het overheidstekort in 2008 3,2 % van het bbp had bereikt, waarmee de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp werd overschreden, en dat het tekort volgens de voorjaarsprognoses van de diensten van de Commissie van 2009 zou toenemen tot 5,4 % van het bbp in 2009 en daarna tot 8 % van het bbp in 2010. De bruto-overheidsschuld beliep in 2008 15,6 % van het bbp en bleef daarmee ruimschoots onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp.

(2)

Overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEU en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (2) heeft de Raad op 7 juli 2009 op aanbeveling van de Commissie een aanbeveling tot Litouwen gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2011 aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken („Aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009”). De Aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009 werd openbaar gemaakt.

(3)

Overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 heeft de Raad op 9 februari 2010 op aanbeveling van de Commissie, erkennende dat de Litouwse autoriteiten naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009 doeltreffende maatregelen hadden genomen en dat zich in Litouwen onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën hadden voorgedaan, een herziene aanbeveling tot Litouwen gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2012 aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken. Deze herziene aanbeveling werd openbaar gemaakt.

(4)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol dienen de lidstaten ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (3) tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens te verstrekken over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(5)

Wanneer hij beziet of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet de Raad een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de diensten van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de drempel van 3 % van het bbp niet zal overschrijden (4).

(6)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2013 door Litouwen gedane kennisgeving heeft verstrekt en uit de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie blijkt dat de volgende conclusies gerechtvaardigd zijn:

het overheidstekort in Litouwen, dat in 2009 een piek van 9,4 % van het bbp bereikte, is in 2010 teruggebracht tot 7,2 % van het bbp, in 2011 tot 5,5 % van het bbp en in 2012 tot 3,2 % van het bbp. Deze verbetering kwam tot stand als gevolg van consolidatiemaatregelen aan de uitgavenzijde, met name een aanhoudende beperking van de groei van de uitgaven overeenkomstig de Litouwse wet inzake begrotingsdiscipline, en door gunstige conjunctuuromstandigheden;

omdat het tekort van 3,2 % kan worden beschouwd als dichtbij de referentiewaarde en de Litouwse schuldquote duurzaam onder de referentiewaarde van 60 % ligt, valt Litouwen onder de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de hervorming van de pensioenstelsels in het kader van het stabiliteits- en groeipact. De rechtstreekse nettokosten van de pensioenhervormingen moeten derhalve in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de maatregelen die worden getroffen om het buitensporige tekort te corrigeren. Aangezien de nettokosten van de hervorming van het pensioenstelsel in Litouwen in 2012 0,2 % van het bbp bedragen, zoals de Commissie (Eurostat) heeft bevestigd, is door deze kosten de overschrijding van de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp in 2012 verklaard;

volgens het convergentieprogramma voor 2013-2016 van Litouwen zal het overheidstekort blijven dalen, in 2013 tot 2,5 % van het bbp en in 2014 tot 1,5 % van het bbp, terwijl de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie uitgaan van een iets tragere verbetering, namelijk een daling tot 2,9 % van het bbp in 2013 en 2,4 % van het bbp in 2014, bij ongewijzigd beleid. Aldus zal het tekort gedurende de prognoseperiode onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven;

volgens de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie zal de bruto-overheidsschuld licht afnemen, namelijk van 40,7 % van het bbp in 2013 tot 40,1 % van het bbp in 2014.

(7)

Litouwen moet vanaf 2013, het jaar na de correctie van het buitensporige tekort, in een passend tempo verdere vorderingen in de richting van de middellangetermijnbegrotingsdoelstelling maken en daarbij de uitgavenbenchmark in acht nemen.

(8)

Volgens artikel 126, lid 12, VWEU moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(9)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Litouwen gecorrigeerd en dient Beschikking 2009/588/EG derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporige tekort in Litouwen is gecorrigeerd.

Artikel 2

Beschikking 2009/588/EG wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Litouwen.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOONAN


(1)  PB L 202 van 4.8.2009, blz. 44.

(2)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(3)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(4)  Overeenkomstig de „Specificaties inzake de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van stabiliteits- en convergentieprogramma’s” van 3 september 2012. Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/coc/code_of_conduct_en.pdf


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/48


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2013

tot intrekking van Beschikking 2009/591/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Letland

(2013/317/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 7 juli 2009, op aanbeveling van de Commissie, overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG), bij Beschikking 2009/591/EG (1) besloten dat er in Letland een buitensporig tekort bestond. De Raad merkte op dat het overheidstekort in 2008 4,0% van het bbp had bereikt en daarmee de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp overschreed, terwijl de bruto-overheidsschuld 19,5% van het bbp beliep, ruim onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60% van het bbp (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (3) heeft de Raad op 7 juli 2009 op aanbeveling van de Commissie een aanbeveling tot Letland gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2012 aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken. De aanbeveling werd openbaar gemaakt.

(3)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol dienen de lidstaten ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (4) tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens te verstrekken over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(4)

Wanneer hij beziet of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet de Raad een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de diensten van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de drempel van 3% van het bbp niet zal overschrijden.

(5)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2013 door Letland gedane kennisgeving heeft verstrekt en uit de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

na de hoge overheidstekorten in 2009 en 2010 (respectievelijk 9,8% en 8,1% van het bbp), die ten dele de maatregelen ter stabilisering van de financiële sector weerspiegelden, begon het tekort in 2011 snel te dalen tot 3,6% van het bbp. Deze verbetering was te danken aan een omvangrijke, brede begrotingsconsolidatie die in de periode 2009–2011 in het kader van het economische aanpassingsprogramma werd uitgevoerd, ondersteund met betalingsbalanssteun, alsook aan de verbeterende conjunctuur; het aanpassingsprogramma werd in januari 2012 met succes afgerond. In 2012 is het overheidstekort verder teruggedrongen tot 1,2% van het bbp, veel beter dus dan het streefcijfer van 2,1% van het bbp dat in het convergentieprogramma voor 2012-2016 was opgenomen en ruim onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3% van het bbp. Aan de ontvangstenzijde weerspiegelde dit de gunstige conjunctuuromstandigheden en de verbeterde belastinginning, terwijl de groei van de uitgaven aanzienlijk onder de nominale groei van het bbp bleef. Het aandeel van de overheidsontvangsten in het bbp steeg daardoor met een kwart procentpunt, terwijl het aandeel van de overheidsuitgaven in 2012 met 2 procentpunten afnam;

volgens het convergentieprogramma voor 2012-2016 zal het nominale tekort in 2013 1,1% van het bbp bedragen en zich vervolgens tot 2016 stabiliseren op een peil van 0,9% van het bbp. De diensten van de Commissie gaan er in hun voorjaarsprognoses 2013 van uit dat het overheidstekort in 2013 ruwweg ongewijzigd op 1,2% van het bbp zal blijven staan en in 2014 tot 0,9% van het bbp zal dalen, dus ruim onder de referentiewaarde van 3% van het bbp;

de overheidsschuld beliep in 2012 40,7% van het bbp. Volgens de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie zal de bruto-overheidsschuld in 2013 tot 43,2% van het bbp stijgen, doordat de overheid activa bijeenbrengt voor omvangrijke schuldaflossingen die voor 2014–2015 zijn gepland. De schuld zal naar verwachting in 2014 weer teruglopen tot rond 40% van het bbp, wanneer die aflossingen worden uitgevoerd.

(6)

De Raad herinnert eraan dat Letland vanaf 2013, het jaar na de correctie van het buitensporige tekort, de vereisten van het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact dient na te leven en daarbij de uitgavenbenchmark in acht moet nemen.

(7)

Volgens artikel 126, lid 12, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(8)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Letland gecorrigeerd en dient Beschikking 2009/591/EG derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporige tekort in Letland is gecorrigeerd.

Artikel 2

Beschikking 2009/591/EG wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Letland.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOONAN


(1)  PB L 202 van 4.8.2009, blz. 50.

(2)  Na de vaststelling van Beschikking 2009/591/EG werden het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2008 herzien tot momenteel 4,2% van het bbp respectievelijk 19,8% van het bbp.

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(4)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/50


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2013

tot intrekking van Beschikking 2009/590/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Roemenië

(2013/318/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 7 juli 2009, op aanbeveling van de Commissie, overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG), bij Beschikking 2009/590/EG (1) besloten dat er in Roemenië een buitensporig tekort bestond. De Raad merkte op dat het overheidstekort in 2008 5,4 % van het bbp bereikte en aldus de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp overschreed, terwijl de bruto-overheidsschuld 13,6 % van het bbp beliep, ruim onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (3) heeft de Raad op 7 juli 2009 op aanbeveling van de Commissie een aanbeveling tot Roemenië gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk tegen eind 2011 aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken („Aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009”). De Aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009 is openbaar gemaakt.

(3)

De Raad heeft op 12 februari 2010, op aanbeveling van de Commissie, overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 erkend dat de Roemeense autoriteiten effectieve actie hadden ondernomen om de aanbeveling van de Raad van 7 juli 2009 uit te voeren, alsook dat er zich in Roemenië onverwachte schadelijke economische gebeurtenissen met belangrijke ongunstige gevolgen voor de overheidsfinanciën hadden voorgedaan. Daarom nam de Raad een herziene aanbeveling aan Roemenië aan om uiterlijk tegen 2012 aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken. Deze herziene aanbeveling is openbaar gemaakt.

(4)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol moeten de lidstaten ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (4) tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens verstrekken over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(5)

Wanneer hij overweegt of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet de Raad een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de diensten van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de drempel van 3 % van het bbp niet zal overschrijden.

(6)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2013 door Roemenië gedane kennisgeving heeft verstrekt en uit de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie blijkt dat de volgende conclusies gerechtvaardigd zijn:

De dieper dan verwachte recessie in 2009 heeft geleid tot een aanzienlijke inkomstentegenvaller bij de overheid, waardoor het overheidstekort naar schatting toenam tot 9 % van het bbp ondanks inspanningen om de overheidsuitgaven te verlagen. Na deze onverwachte ontwikkeling en de verlenging van de termijn voor de correctie van het buitensporig tekort met een jaar, werd het overheidstekort vervolgens verminderd tot 6,8 % van het bbp in 2010, tot 5,6 % van het bbp in 2011 en tot 2,9 % van het bbp in 2012, wat onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp van het Verdrag is. De correctie van het tekort is voornamelijk het gevolg van streng toezicht op de toename van de uitgaven, met inbegrip van de lonen in de overheidssector, een bevriezing van de pensioenen en een vermindering van alle sociale uitkeringen met uitzondering van de pensioenen. De correctie kwam er ook door maatregelen aan de ontvangstenzijde, zoals een verhoging van het btw-percentage met 5 procentpunten en een verbreding van de grondslag voor de personenbelasting. De begrotingsaanpassing werd uitgevoerd in het kader van twee opeenvolgende economische aanpassingsprogramma’s, die met betalingsbalanssteun zijn ondersteund.

Volgens het convergentieprogramma voor 2012-2016 zal het tekort in 2013 verder dalen tot 2,4 % van het bbp en in 2014 tot 2,0 % van het bbp. In de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie wordt, op basis van de veronderstelling dat het beleid ongewijzigd blijft, aangenomen dat het overheidstekort in 2013 zal dalen tot 2,6 % van het bbp en in 2014 tot 2,4 % van het bbp, waarmee het onder de referentiewaarde van het Verdrag blijft.

Volgens de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie zal de bruto-overheidsschuld licht stijgen van 37,8 % van het bbp in 2012 tot 38,5 % van het bbp in 2014.

(7)

Vanaf 2013, het jaar na de correctie van het buitensporig tekort, moet Roemenië in een passend tempo vooruitgang boeken in de richting van de middellangetermijnbegrotingsdoelstelling en daarbij de uitgavennorm in acht nemen.

(8)

Volgens artikel 126, lid 12, VWEU moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(9)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Roemenië gecorrigeerd en dient Beschikking 2009/590/EG derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporige tekort in Roemenië is gecorrigeerd.

Artikel 2

Besluit 2009/590/EC wordt hierbij ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Roemenië.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOONAN


(1)  PB L 202 van 4.8.2009, blz. 48.

(2)  Na de vaststelling van Beschikking 2009/590/EG werden het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2008 herzien tot momenteel 5,8 % van het bbp respectievelijk 13,4 % van het bbp.

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 8.

(4)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/52


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 juni 2013

betreffende het bestaan van een buitensporig tekort op Malta

(2013/319/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de opmerkingen van Malta,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren.

(3)

De buitensporigtekortprocedure (btp) van artikel 126 VWEU, die wordt verduidelijkt in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (1) (die deel uitmaakt van het stabiliteits- en groeipact), voorziet in een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort. Het aan het Verdrag gehechte protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten bevat nadere bepalingen betreffende de toepassing van de btp. Verordening (EG) nr. 479/2009 (2) van de Raad bevat gedetailleerde regels en definities voor de toepassing van de bepalingen van genoemd protocol.

(4)

Artikel 126, lid 5, VWEU bepaalt dat de Commissie, indien zij van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan, een advies tot de betrokken lidstaat richt en de Raad daarvan op de hoogte brengt. Rekening houdend met haar verslag op grond van artikel 126, lid 3, VWEU en gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité overeenkomstig artikel 126, lid 4, VWEU is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er in Malta een buitensporig tekort bestaat. De Commissie heeft derhalve een advies tot Malta gericht en de Raad daarvan op de hoogte gebracht op 29 mei 2013 (3).

(5)

In artikel 126, lid 6, VWEU wordt bepaald dat de Raad rekening moet houden met de opmerkingen die de betrokken lidstaat eventueel wenst te maken, alvorens, na een algehele evaluatie te hebben gemaakt, te besluiten of er al dan niet een buitensporig tekort bestaat. In het geval van Malta leidt deze algehele evaluatie tot de volgende conclusies.

(6)

Volgens de gegevens die de Maltese autoriteiten in april 2013 hebben meegedeeld, bedroeg het overheidstekort in Malta in 2012 3,3% van het bbp, waarmee het boven de referentiewaarde van 3% van het bbp uitkwam. In het verslag dat de Commissie overeenkomstig artikel 126, lid 3, VWEU heeft opgesteld, wordt geconstateerd dat het tekort dicht bij de referentiewaarde van 3% van het bbp is uitgekomen, maar dat de overschrijding van de referentiewaarde niet kon worden aangemerkt als uitzonderlijk in de zin van het VWEU en het stabiliteits- en groeipact. De overschrijding vloeit met name niet voort uit een ernstige economische neergang in de zin van het Verdrag en het stabiliteits- en groeipact. In 2010 en 2011 lag de reële groei van het bbp gemiddeld 2% boven de potentiële groei. Uit voorlopige bbp-gegevens die op 11 maart 2013 door de nationale dienst voor statistiek zijn gepubliceerd, blijkt dat de economische groei in 2012 vertraagde maar met 0,8% positief is gebleven. Geraamd wordt dat de positieve output gap van 2011 lichtjes negatief is geworden in 2012. De verwachte overschrijding van de referentiewaarde kan niet als tijdelijk worden beschouwd. Volgens de voorjaarsprognose 2013 van de diensten van de Commissie zou het tekort in 2013 stijgen tot 3,7% van het bbp en in 2014 uitkomen op 3,6% van het bbp. Er is derhalve niet voldaan aan het tekortcriterium van het Verdrag.

(7)

Uit de meegedeelde gegevens blijkt ook dat de bruto-overheidsschuld in 2012 72,1% van het bbp bedroeg en dus boven de referentiewaarde van 60% van het bbp lag. Volgens de voorjaarsprognoses 2013 van de diensten van de Commissie zou de schuldquote toenemen tot 74,9% van het bbp in 2014. Na de intrekking van de btp in december 2012 (4) genoot Malta een overgangsperiode van 3 jaar om te voldoen aan de schuldreductiebenchmark, te beginnen in 2012. In 2012 boekte Malta niet voldoende vooruitgang in de naleving van de schuldreductiebenchmark omdat zijn structureel tekort verslechterde terwijl het dit moest verbeteren. Derhalve kan worden geconcludeerd dat niet aan het schuldcriterium van het VWEU is voldaan.

(8)

Overeenkomstig de bepalingen in het VWEU en het stabiliteits- en groeipact heeft de Commissie in haar verslag ook "relevante factoren" onderzocht. Zoals in het stabiliteits- en groeipact is bepaald, kan voor landen met een schuldquote van meer dan 60% van het bbp (zoals Malta) in de stappen die naar het besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort leiden, bij de beoordeling van de naleving op basis van het tekortcriterium alleen met deze factoren rekening worden gehouden indien het overheidstekort dicht bij de referentiewaarde blijft en de overschrijding van de referentiewaarde slechts van tijdelijke aard is, hetgeen niet het geval is voor Malta (5). Tegelijkertijd is met deze factoren rekening gehouden bij de beoordeling van de inbreuk op het schuldcriterium maar het besluit inzake het bestaan van een buitensporig tekort lijkt daardoor evenmin te worden aangetast. De vooruitgang in de naleving van de schuldreductiebenchmark is met name beoordeeld in het licht van de schuld- en tekortverhogende impact van de financiële bijstand aan lidstaten van de eurozone. Voor Malta zou de cumulatieve impact van de Griekse leningfaciliteit, de uitbetalingen van de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit, de kapitaalbijdragen aan het Europees stabiliteitsmechanisme en de transacties in het kader van het Griekse programma over de periode 2011-2014 op de schuld 3,9 van het bbp en op het tekort 0,1% van het bbp bedragen. Rekening houdend met de impact van deze transacties zou de structurele inspanning die voor 2012 van Malta wordt gevraagd om aan het schuldcriterium te voldoen, lager zijn geweest maar nog steeds duidelijk meer dan de structurele inspanning die in 2012 in werkelijkheid door Malta is geleverd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat er in Malta een buitensporig tekort bestaat.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Republiek Malta.

Gedaan te Luxemburg, 21 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOONAN


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(2)  Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).

(3)  Alle btp-documenten voor Malta zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/economy_finance/sgp/deficit/countries/malta_en.htm

(4)  Besluit 2012/778/EU van de Raad van 4 december 2012 tot intrekking van Beschikking 2009/587/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort op Malta (PB L 342 van 14.12.2012, blz. 43).

(5)  Artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/54


BESLUIT 2013/320/GBVB VAN DE RAAD

van 24 juni 2013

betreffende activiteiten ter ondersteuning van de fysieke beveiliging en het voorraadbeheer met het doel het risico op illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en de munitie daarvoor in Libië en de regio te voorkomen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 26, lid 2, en artikel 31, lid 1,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Na de volksopstand in Libië in februari 2011 en het daaruit voortkomende gewapende conflict wordt Libië geconfronteerd met omvangrijke voorraden conventionele wapens en munitie, waarvan er vele, alhoewel onbruikbaar, toch gevaarlijk zijn. De ongecontroleerde verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie heeft Libië, zijn buurlanden en de ruimere regio onveiliger gemaakt, het conflict verergerd en de vredesopbouw na het conflict ondermijnd, waardoor de vrede en de veiligheid ernstig worden bedreigd.

(2)

Als vervolg op haar steun voor het Libische volk tijdens en na het conflict wil de Unie verder met Libië samenwerken ten aanzien van een brede reeks vraagstukken, waaronder veiligheidsvraagstukken, en de overgang naar democratie en duurzame vrede en veiligheid te ondersteunen.

(3)

Op 15 en16 december 2005 heeft de Europese Raad de strategie van de Unie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens en van munitie daarvoor aangenomen. In deze strategie wordt ervan uitgegaan dat door de overvloedige voorraden SALW en munitie dergelijke wapens voor burgers, misdadigers, terroristen en strijders makkelijk te krijgen zijn, en benadrukt dat preventieve actie moet worden ondernomen om het illegale aanbod van conventionele wapens en de vraag ernaar te bestrijden. In de strategie wordt Afrika aangewezen als het werelddeel dat het meest te lijden heeft van de gevolgen van interne conflicten, die nog versterkt worden door de destabiliserende instroom van SALW.

(4)

Op 23 mei 2012 hebben Libië, Sudan, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad en de Democratische Republiek Congo de verklaring van Khartoum over het beperken van handvuurwapens en lichte wapens in de buurlanden van West-Sudan ondertekend. In die verklaring hebben Libië en de andere ondertekenaars zich onder andere verbonden tot het versterken van de nationale vermogens en instellingen voor het ontwikkelen en uitvoeren van alomvattende SALW-beperkingsstrategieën, nationale actieplannen en maatregelen, onder andere in verband met fysieke beveiliging en voorraadbeheer (PSSM) van SALW en munitie in handen van de staat, zulks in overeenstemming met de internationale normen.

(5)

De verklaring van Khartoum doet een beroep op regionale en internationale organisaties om in coördinatie met de internationale gemeenschap technische en financiële steun te verlenen bij de uitvoering van de resultaten van de conferentie van 22 en 23 mei 2012 in Khartoum en alle daaropvolgende activiteiten en initiatieven betreffende SALW in elk land.

(6)

Op 18 juni 2004 heeft Libië het Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad geratificeerd.

(7)

De Duitse Gesellschaft für internationale Zusammenarbeit – GIZ GmbH (GIZ - vereniging voor internationale samenwerking) is een project in oprichting ter beheersing van conventionele wapens in Libië aan het opzetten. Op 2 mei 2012 hebben de GIZ en het Libische ontmijningscentrum als onderdeel van het ministerie van Defensie overeenstemming bereikt over de grote lijnen van een programma voor ontmijningsmaatregelen en beheersing van conventionele wapens. Het programma ter beheersing van conventionele wapens in Libië ("het programma") bestaat uit twee specifieke modules en wordt medegefinancierd door de Unie en het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken.

(8)

Er moet voor worden gezorgd dat Libië een zo groot mogelijke verantwoordelijkheid draagt bij de uitvoering van PSSM-activiteiten, in overeenstemming met de kernbeginselen van nationale verantwoordelijkheid en daadwerkelijke taaktoewijzing aan plaatselijke partners. Het programma tracht dan ook Libische belanghebbenden (waaronder, waar passend, het ministerie van Binnenlandse Zaken, het ministerie van Defensie, de strijdkrachten e.a.., bij de PSSM-activiteiten te betrekken. De GIZ zal operationele steun en technisch advies aan de belangrijkste partners van het programma verstrekken.

(9)

Het programma houdt rekening met de huidige dynamiek in Libië en de noodzaak alle belanghebbenden en potentiële nationale partners er van meet af aan bij te betrekken. Het programma beoogt ook partnerschappen tot stand te brengen met internationale niet-gouvernementele organisaties die zijn gespecialiseerd in ontmijningsacties en PSSM die hun operationele vermogens in Libië al hebben aangetoond. Ook wordt in het programma nadruk gelegd op het stimuleren van regionale samenwerking met buurlanden. De Unie is van oordeel dat financiële bijstand aan de GIZ de risico's in verband met de mogelijke illegale verspreiding van conventionele wapens en munitie in en vanuit Libië en de omliggende regio helpt verminderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De Unie streeft ernaar vrede en veiligheid in Libië en de omliggende regio te bevorderen door het steunen van maatregelen met het oog op een gedegen fysieke beveiliging en voorraadbeheer van de Libische wapenarsenalen door de Libische staatsinstellingen zodat vrede en veiligheid minder in het gedrang komen als gevolg van de illegale verspreiding en buitensporige accumulatie van SALW en de munitie daarvoor, welke maatregelen in dit verband mede het stimuleren van effectief multilateralisme op regionaal niveau omvatten.

2.   Om de in lid 1 bedoelde doelstelling te bereiken, ondersteunt de Unie activiteiten met de volgende specifieke doelstellingen:

de Libische staatsinstellingen bijstaan bij het ontwikkelen van een nationale strategie en standaardprocedures voor PSSM;

de Libische staatsinstellingen steunen bij het invoeren van een opleidingskader inzake PSSM-vraagstukken;

steunen van het verbeteren en beveiligen van munitieopslagplaatsen volgens nationale normen;

beschikbaar stellen van tijdelijke opslagplaatsen voor conventionele wapens en munitievoorraadbeheer;

steunen van het verplaatsen van munitieopslagplaatsen die gevestigd zijn in bevolkte gebieden;

uitvoeren van een haalbaarheidsstudie naar opties voor het verminderen van beschikbare munitievoorraden door recyclage;

stimuleren van regionale samenwerking inzake PSSM-vraagstukken met buurlanden;

invoeren van een bestendig risicomanagementsysteem opdat het programma onder snel veranderende uitvoeringsvoorwaarden resultaten blijft opleveren.

3.   Teneinde de in lid 1 genoemde doelstelling te verwezenlijken, streeft de Unie ernaar de Libische staatsinstellingen te steunen bij het herstellen van niet-beveiligde munitieopslagfaciliteiten die tijdens het conflict zijn beschadigd, en het waarborgen van fysieke beveiliging en voorraadbeheer van de arsenalen. Het project zal volgens het beginsel van nationale verantwoordelijkheid worden uitgevoerd, met langetermijnduurzaamheid als doel. Alle activiteiten zullen dienovereenkomstig met de betrokken Libische staatsinstellingen en andere relevante belanghebbenden worden gecoördineerd. Voorts mag het project vanuit het oogpunt van conflictgevoeligheid geen schade kunnen berokkenen.

In de bijlage is een nadere omschrijving van het project opgenomen.

Artikel 2

1.   De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid ("de HV") is belast met de uitvoering van dit besluit.

2.   De technische uitvoering van het in artikel 1, lid 3, bedoelde project berust bij de Duitse Gesellschaft für internationale Zusammenarbeit - GIZ GmbH (GIZ - vereniging voor internationale samenwerking).

3.   De GIZ voert haar taak uit onder de verantwoordelijkheid van de HV. Daartoe treft de HV de nodige regelingen met de GIZ.

Artikel 3

1.   Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1 bedoelde projecten bedraagt 5 000 000 EUR. Het budget van het integrale project wordt in totaal op 6 600 000 EUR geraamd, welk bedrag wordt medegefinancierd door het Duits ministerie van Buitenlandse Zaken.

2.   Voor het beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven gelden de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de begroting van de Unie.

3.   De Commissie ziet erop toe dat de in lid 1 bedoelde uitgaven correct worden beheerd. Hiertoe sluit zij de nodige overeenkomst met de GIZ. In de overeenkomst wordt bepaald dat de GIZ er zorg voor moet dragen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.

4.   De Commissie streeft ernaar om de in lid 3 bedoelde overeenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden in dat opzicht en van de datum van sluiting van de overeenkomst.

Artikel 4

1.   De HV brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van de geregelde verslagen die worden opgesteld door de GIZ. Deze rapporten vormen de grondslag voor de evaluatie door de Raad.

2.   De Commissie brengt verslag uit over de financiële aspecten van de uitvoering van de in artikel 1 bedoelde projecten.

Artikel 5

1.   Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Het wordt uiterlijk 24 maanden na de datum van de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde overeenkomst in het licht van de politieke situatie in Libië geëvalueerd en herzien.

2.   Dit besluit verstrijkt 60 maanden na de datum van de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde overeenkomst, tenzij als resultaat van de ingevolge lid 2 uitgevoerde evaluatie een andersluidend besluit wordt genomen. Niettemin verstrijkt het zes maanden na de datum van inwerkingtreding indien er binnen die termijn nog geen overeenkomst is gesloten.

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


BIJLAGE

Programma ter beheersing van conventionele wapens in Libië

1.   ACHTERGROND EN MOTIVERING

1.1   Achtergrond

In de loop van de Libische revolutie in 2011 heeft het Kadhafi-regime de controle over grote delen van zijn arsenaal aan conventionele wapens verloren. Ten gevolge hiervan waren de opslagplaatsen voor wapens toegankelijk voor strijders van de oppositie, burgers en soldaten. Sedert het eind van de gevechten is de centrale controle over het wapenarsenaal niet volledig hersteld, en de proliferatie van en de handel in wapens heeft gevolgen voor conflicten in de aangrenzende regio's. Daarnaast zijn conventionele wapens in woningen van burgers terechtgekomen, hetgeen in een omvangrijk aantal conventionele wapens in particulier bezit in de Libische samenleving heeft geresulteerd. Bovendien vervuilen explosieve oorlogsresten gebieden rond wapens- en ammunitieopslagplaatsen, landbouwgrond en openbare ruimten.

Volgens Libische overheidsinstellingen is er dringend behoefte aan versterkte en centrale controle op conventionele wapens en munitie in heel Libië. De Libische overheidsinstellingen hebben aangegeven dat zij behoefte hebben aan kennisoverdracht, uitrusting en technische capaciteiten teneinde deze controle doeltreffend uit te oefenen. Voorts ontbreekt het de Libische maatschappelijke organisaties die op dit gebied werkzaam zijn aan financiële middelen en moeten zij hun technische capaciteiten verbeteren. In een reactie op deze uitdagingen hebben de Deutsche Gesellschaft für internationale Zusammenarbeit (GIZ) GmbH (GIZ) en de leiding van het Libische mijnactiecentrum (LMAC), onder auspiciën van het Libische ministerie van Defensie, overeenstemming bereikt over een ondersteuningsprogramma op het gebied van de beheersing van conventionele wapens, waaronder fysieke beveiliging en voorraadbeheer (PSSM).

Op basis van het door de GIZ bij het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken ingediende projectvoorstel heeft het ministerie de GIZ in oktober 2012 opdracht gegeven het programma ter beheersing van conventionele wapens in Libië ("het programma") uit te voeren. De projectduur bedraagt 5 jaar (60 maanden), onderverdeeld in 4 fasen. De totale geraamde begroting voor het project is 6 600 000 EUR en wordt gezamenlijk gefinancierd door twee donors, het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken en de Europese Unie. De bijdrage van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken beloopt 1 600 000 EUR en de bijdrage van de Unie maximaal 5 000 000 EUR. De verantwoordelijkheid voor het beheer van de uitvoering zal berusten bij de GIZ.

De uitvoering van de activiteiten is op 1 november 2012 van start gegaan en zal op 31 oktober 2017 worden beëindigd. Het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken zal de kosten van de module capaciteitsontwikkeling dekken, alsmede de eventuele kosten van de PSSM-module die door de Unie niet-subsidiabel worden geacht.

De steun aan de Libische partners zal worden verstrekt in de vorm van kennisoverdracht door deskundigen voor de lange en de korte termijn die gespecialiseerde opleidingen organiseren en uitvoeren, alsmede in de vorm van levering van materiaal en uitrusting en enkele financiële bijdragen voor de uitvoering van maatregelen via overheidsinstellingen en gespecialiseerde organen, waaronder subsidies.

De samenwerkingsregelingen tussen de GIZ en het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn uiteengezet in een in 2005 door de GIZ en het ministerie ondertekende kaderovereenkomst.

De samenwerkingsregelingen tussen de GIZ en de Commissie zullen worden opgenomen in de door de GIZ en de Commissie ondertekende overeenkomst.

1.2   Motivering voor steun van het GBVB, zichtbaarheid en duurzaamheid

De ongecontroleerde proliferatie van conventionele wapens en munitie daarvoor in Libië in de nasleep van de gebeurtenissen in februari 2011 en daarna, heeft de onveiligheid in Libië, zijn buurlanden en de ruimere regio doen toenemen, conflicten verergerd en de vredesopbouw na conflicten ondermijnd, en vormt aldus een ernstige bedreiging voor vrede en veiligheid. Voorts wordt in de strategie voor handvuurwapens en lichte wapens (SALW) van de EU Afrika aangewezen als het werelddeel dat het meest te lijden heeft van de gevolgen van interne conflicten, die nog versterkt worden door de destabiliserende instroom van SALW. Met de steun van de Unie voor het programma ter beheersing van conventionele wapens en munitie in Libië wordt ernaar gestreefd een antwoord op deze bedreigingen te formuleren. Tevens wordt ervoor gezorgd dat haar veiligheids- en haar ontwikkelingsbeleid met elkaar stroken. In aansluiting op de steun van de Unie voor de Libische bevolking tijdens en na het conflict, met name de steun door de kortetermijncomponent van het stabiliteitsinstrument aan de Deense vluchtelingenraad, de Deense kerkelijke hulpinstantie en de adviesgroep mijnen voor de opruiming van niet-geëxplodeerde oorlogsmunitie, en het gegroeide bewustzijn over SALW en explosieve oorlogsresten onder de burgerbevolking, streeft de Unie naar verdere samenwerking met Libië betreffende een breed scala van vraagstukken, waaronder veiligheidskwesties.

Teneinde de middelen die aan de Unie, binnen de Unie en in de bilaterale betrekkingen van de EU ter beschikking staan optimaal te benutten, zal de Unie het programma steunen door middel van gezamenlijke financiering om haar steun doeltreffend te verstrekken door het delen van technische en beheerscapaciteit en -systemen, en om het gebruik van gemeenschappelijke toezichts-, evaluatie- en boekhoudkundige procedures aan te moedigen.

Als één van de leidende organisaties op het gebied van internationale ontwikkelingsdiensten voor duurzame ontwikkeling heeft de GIZ een jarenlange ervaring met het zorgen voor de eigen zichtbaarheid en die van haar partners. De GIZ beschikt daartoe over haar eigen interne communicatieafdeling met gespecialiseerde externe communicatie-instrumenten. De zichtbaarheid van de Unie zal dan ook verzekerd worden met passende profilering en publiciteit, waarin de rol van de Unie benadrukt wordt, voor de transparantie van de activiteiten van de Unie wordt gezorgd en specifieke doelgroepen of het algemene publiek bewust worden gemaakt van de redenen voor de actie, alsmede van de EU-steun voor de actie en de resultaten van deze steun. De publiciteit kan de vorm aannemen van publicaties en verslagen, evenementen, foto's, videodocumenten, enz. Op het door het project geproduceerde materiaal zal de EU-vlag duidelijk zichtbaar zijn, overeenkomstig de EU-richtsnoeren voor het juiste gebruik en de juiste weergave van de vlag.

Het project is erop gericht de duurzaamheid van de beoogde maatregelen te bewerkstelligen door middel van zijn specifieke structuur en aanpak op meerdere niveaus. Het is opgezet als een middellangetermijnproject over vijf jaar en vult derhalve het hiaat tussen noodacties op de korte termijn en langetermijnprojecten voor bevordering van duurzame ontwikkeling. Vanaf het begin zijn de Libische partners betrokken bij de opzet van het project, waardoor voor een zo groot mogelijke eigen verantwoordelijkheid wordt gezorgd, en door middel van een zes maanden durende overgangsfase aan het eind van het project zullen zij erop worden voorbereid de verantwoordelijkheid na vijf jaar volledig over te nemen. Voorts zal de GIZ op verschillende niveaus werkzaam zijn, en met staatsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties en het maatschappelijk middenveld, alsook met internationale donors samenwerken. Teneinde de voortzetting van de projectactiviteiten in een veranderlijk land als Libië te waarborgen is het project uitgerust met een risicobeheersingscomponent. De duurzaamheid van de maatregelen na afloop van het project wordt specifiek bevorderd door de ontwikkeling van menselijke capaciteit, institutionele ontwikkeling en regionale netwerkelementen in de opzet van het project te integreren. Dit betekent dat de capaciteiten zullen worden vergroot opdat de Libische staatsinstellingen in de toekomst de nodige hiermee verband houdende initiatieven kunnen ontplooien.

2.   DOELSTELLINGEN

2.1   Algemene doelstelling

De algemene doelstelling van het programma is de Libische staatsinstellingen te steunen bij het uitoefenen van een effectieve nationale controle over hun conventionele wapens en munitie, het risico van illegale proliferatie van conventionele wapens en de munitie daarvoor te minimaliseren en de met veiligheid verband houdende gevolgen van het gewapende conflict in Libië te beheersen. Met dit project wordt er met name naar gestreefd de Libische staatsinstellingen en niet-gouvernementele organisaties op het gebied van beheersing van conventionele wapens en munitie te versterken. Het project zal tevens de regionale samenwerking bevorderen.

2.2   Specifieke doelstellingen

i)

de Libische staatsinstellingen die belast zijn met toezicht en coördinatie op het gebied van conventionele wapens en mijnbestrijding (LMAC) steunen bij de vervulling van hun taken;

ii)

de Libische niet-gouvernementele organisaties die werkzaam zijn op het gebied van de beheersing van conventionele wapens en mijnbestrijding versterken wat betreft hun pleitbezorgings-, bewustmakings- en technische taken;

iii)

de Libische staatsinstellingen die belast zijn met coördinatie en toezicht op het gebied van PSSM steunen bij het ontwikkelen, coördineren en uitvoeren van PSSM-maatregelen;

iv)

rechtstreeks de uitvoering steunen van voorraadbeheersactiviteiten, waaronder de verplaatsing van munitieopslagplaatsen uit bevolkte gebieden, het aanpassen van munitieopslagplaatsen aan nationale normen en de beschikbaarstelling en installatie van tijdelijke munitieopslageenheden;

v)

stimulansen geven aan regionale samenwerking, kennisdeling en wederzijds leren op het vlak van PSSM en de proliferatie en illegale accumulatie van conventionele wapens.

3.   PROJECTMODULES EN VERWACHTE RESULTATEN

Dit project bestaat uit twee specifieke modules:

3.1

Capaciteitsontwikkeling (gefinancierd door het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken) en

3.2

PSSM (gefinancierd door de Unie)

3.1   Capaciteitsontwikkeling (gefinancierd door het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken)

Deze module is gericht op het versterken van de capaciteiten van de Libische staatsinstellingen die belast zijn met toezicht en coördinatie op het gebied van de beheersing van conventionele wapens en mijnactie, alsmede die van Libische niet-gouvernementele organisaties die betrokken zijn bij wapenbeheersing en mijnbestrijding. Dit omvat het bevorderen van organisatorische ontwikkeling, het verbeteren van financieel beheer en kwaliteitsbeheer en de ontwikkeling van technische vaardigheden.

Overeenkomstig de algemene doelstellingen van het programma wordt het beginsel van nationale eigen verantwoordelijkheid via deze module in praktijk gebracht en wordt ernaar gestreefd de Libische instellingen en capaciteiten te versterken met het oog op duurzaamheid op de lange termijn. Bij de capaciteitsontwikkeling ligt de nadruk op twee punten. In de eerste plaats gaat de aandacht uit naar de nationale autoriteit voor mijnbestrijding in Libië (LMAC), als onderdeel van het ministerie van Defensie. In de tweede plaats ligt de nadruk op de Libische maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met mijnopruimingsactiviteiten en bewustmaking.

Resultaat 1: De behoefte aan opleiding en uitrusting van het Libische mijnactiecentrum (LMAC), de nationale Libische instelling die door het Libische ministerie van Buitenlandse Zaken is belast met toezicht en coördinatie op het gebied van beheersing van conventionele wapens en ontmijningsmaatregelen, zal in kaart worden gebracht en beoordeeld. Door het LMAC zullen onder meer strategieën voor versterking van de institutionele capaciteit op het gebied van organisatorische ontwikkeling en financieel en kwaliteitsbeheer worden uitgewerkt.

Activiteit 1

:

Opstellen en analyseren van een beoordeling van behoeften betreffende institutionele capaciteiten

Activiteit 2

:

Ontwikkeling van een bedrijfsplan en kwaliteitsbeheerssysteem

Activiteit 3

:

Uitwerken van een kaderprogramma voor onderwijs en opleiding voor het personeel van de wapens- en munitieopslagfaciliteiten

Activiteit 4

:

Ondersteunen van de installatie van coördinatiebureaus van de partnerinstelling (LMAC).

Resultaat:

uiterlijk aan het eind van de 18e maand van het project is er een beoordeling van de behoeften betreffende institutionele capaciteitsontwikkeling van het LMAC verricht en schriftelijk vastgelegd;

uiterlijk aan het eind van de 30e maand van het project heeft de betreffende instelling (LMAC) een bedrijfsplan en kwaliteitsbeheersingsprocedure uitgewerkt;

uiterlijk in de 30e maand van het project is de betreffende instelling (LMAC) adequaat uitgerust;

het opleidingskader is in samenwerking met de partnerinstelling (LMAC) opgesteld.

Uiterlijk aan het eind van de 6e maand van het project zullen in samenwerking met het LMAC verdere resultaten van deze activiteiten worden gespecificeerd. Gezien de recente aanwijzing van de partnerinstelling door het Libische ministerie van Buitenlandse zaken zullen de relevante indicatoren zo spoedig mogelijk worden gespecificeerd.

Resultaat 2: De opleidings-en uitrustingsbehoeften van Libische niet-gouvernementele organisaties die werkzaam zijn op het gebied van de beheersing van conventionele wapens en mijnbestrijding zullen in kaart worden gebracht en beoordeeld. De capaciteiten van deze niet-gouvernementele organisaties, met name op het gebied van beheer, financieel beheer en technische vaardigheden, zullen worden versterkt.

Activiteit 1

:

Opleiding op het gebied van beheer en financieel beheer

Activiteit 2

:

Technische opleidingsmaatregelen op het gebied van mijnbestrijding

Resultaat:

In 2013, 2014 en 2015 zijn per jaar drie managementopleidingen voor niet-gouvernementele organisaties georganiseerd.

3.2   PSSM (gefinancierd door de Unie)

Activiteit 1

:

Ontwikkeling van een nationale strategie en standaardwerkwijzen voor PSSM

Activiteit 2

:

Invoering van een opleidingskader inzake PSSM-vraagstukken

Activiteit 3

:

Verbetering en beveiliging van munitieopslagplaatsen

Activiteit 4

:

Beschikbaarstelling van tijdelijke opslagplaatsen

Activiteit 5

:

Verplaatsing van munitieopslagplaatsen

Activiteit 6

:

Recyclageopties voor munitievoorraden

Activiteit 7

:

Regionale samenwerking inzake PSSM-vraagstukken

Activiteit 8

:

Invoering van een robuust systeem voor risicomanagement

3.2.1   Ontwikkeling van een nationale strategie en standaardwerkwijzen voor PSSM

Doelstellingen:

Deze activiteit zal leiden tot een betere coördinatie tussen de Libische instanties die betrokken zijn bij voorraadbeheer, en tot een hogere kwaliteit van de uitvoering van voorraadbeheerprocedures, waardoor conventionele wapens en munitievoorraden beter beveiligd en veiliger worden. De Libische staatsinstellingen die belast zijn met coördinatie en toezicht op het gebied van PSSM zullen PSSM-maatregelen kunnen ontwikkelen, coördineren en uitvoeren.

Beschrijving:

Onderzoek en evaluatie van bestaande nationale strategieën en standaardwerkwijzen (SOP's) op met PSSM-gerelateerde gebieden en daaruit conclusies trekken met het oog op de ontwikkeling van een nieuwe nationale strategie en herziene SOP's;

Verspreiding en bespreking van de geleerde lessen en de globale contouren van een nationale strategie in een overlegproces waaraan alle relevante belanghebbenden deelnemen, met inbegrip van, bijvoorbeeld, de ministeries van Binnenlandse Zaken, Defensie en Buitenlandse Zaken, de Libische strijdkrachten, de nationale garde en nationale ngo's;

Verschaffen van organisatorische steun en technische deskundigheid aan de Libische instantie die verantwoordelijk is voor het redigeren van een nationale strategie en het ontwikkelen van SOP's;

Steun voor een verantwoordelijke nationale instantie voor het faciliteren van een proces voor het evalueren van de strategie en het ontwikkelen van consensus met relevante belanghebbenden voor het afronden van de nationale strategie en de SOP's inzake PSSM.

Resultaat:

een tekst van een nationale strategie betreffende PSSM is opgesteld;

een tekst van standaardwerkwijzen voor PSSM is opgesteld.

3.2.2   Invoering van een opleidingskader inzake PSSM-vraagstukken

Doelstellingen:

Een betere opleiding van degenen die de wapens- en munitieopslagfaciliteiten bemannen en aldus bijdragen tot een betere beveiliging op die plaatsen.

Beschrijving:

Evalueren van bestaande beoordelingen van opleidingsbehoeften in verband met aspecten van PSSM en produceren van geleerde lessen voor de ontwikkeling van een nieuw opleidingskader;

Maken van een overzicht van bestaande en geplande partnerentiteiten en opleidingsinstellingen voor PSSM-cursussen;

Faciliteren van een overlegproces met belanghebbenden teneinde een globale beschrijving en kerndoelstellingen voor een toekomstig opleidingskader inzake PSSM te formuleren;

Faciliteren van het redigeren van een opleidingskader door een deskundigenteam met Libische en internationale deskundigen. Het opleidingskader moet onder meer bestaan uit een definitie van de doelgroep, een strategie voor het bereiken en selecteren van de doelgroep, het ontwerp van een opleidingscurriculum, een omschrijving van de opleidingsmethoden, een tijdsschema, een organigram, een berekening van de kosten alsmede het ontwerp van een documentatie- en evaluatiesysteem.

Resultaat:

Er zijn workshops voor het overleg met belanghebbenden en het opstellen van de benodigde teksten gehouden;

Er is een opleidingskader uitgewerkt.

3.2.3   Verbetering en beveiliging van munitieopslagplaatsen

Doelstellingen:

Aanzienlijke vermindering van het risico van diefstal, plunderen en ongeoorloofde toegang tot opslagplaatsen voor conventionele wapens en munitie.

Beschrijving:

Evalueren van bestaande overzichten van munitieopslagplaatsen (ASA's) alsmede van meldingen uit de gemeenschap van onbeveiligde wapen- en munitiestortplaatsen in bevolkte gebieden en opstellen van een rapport met de resultaten van de evaluatie;

Faciliteren van de prioriteitstelling door relevante Libische instellingen voor het selecteren van de in het kader van een proefproject te verbeteren ASA's;

Opdracht geven tot een technische haalbaarheidsstudie en aanstellen van bouwkundigenteams voor het maken van overzichten van kostenefficiënte renovatieopties;

Faciliteren van een consensus over de ASA's die moeten worden gerenoveerd. De volgende selectiecriteria zullen deel uitmaken van het besluitvormingsproces: nationale selectieprioriteiten, veiligheidsdreigingen voor de plaatselijke bevolking, verschaffen van toegang door de respectieve beveiligingsactoren (militaire raden enz.), operationele en financiële beperkingen en gemeenschapsvoorkeuren;

Faciliteren van het uitbesteden van een technisch onderzoek en het opstellen van een opdracht alsmede van aannemingsprocedures voor de diverse renovatieprojecten;

Faciliteren van gezamenlijk(e) toezicht en kwaliteitsbeoordeling;

Faciliteren van de ontwikkeling van een veiligheids- en beveiligingsconcept voor proef-munitieopslagplaatsen;

Beschikbaar maken van beveiligingsuitrusting voor proef-ASA's;

Zorgen voor opleiding van toekomstig personeel van opslagplaatsen.

Resultaat:

Een vastgesteld aantal munitieopslagfaciliteiten is gerenoveerd (aantal moet worden vastgesteld aan het eind van fase 1).

3.2.4   Beschikbaarstelling van tijdelijke opslagplaatsen

Doelstellingen:

Deze activiteit zal leiden tot een betere controle van geselecteerde Libische conventionele wapenarsenalen, waardoor er minder risico is op diefstal en burgers beter worden beschermd tegen ongecontroleerde explosies.

Beschrijving:

Opdracht geven tot een onderzoek naar potentiële locaties voor tijdelijke opslagplaatsen en een haalbaarheidsstudie naar kostenefficiënte opties voor de bouw van tijdelijke opslagplaatsen. De resultaten van het onderzoek zullen uitvoerig worden weergegeven in een rapport over de beste locatie van tijdelijke opslagplaatsen en de technische specificaties daarvan;

Faciliteren van consensus over de locatie van tijdelijke opslagplaatsen. De volgende selectiecriteria zullen deel uitmaken van het besluitvormingsproces: nationale prioriteiten, veiligheidsdreigingen voor de plaatselijke bevolking, verschaffen van toegang door de respectieve beveiligingsactoren (militaire raden enz.), operationele en financiële beperkingen en gemeenschapsvoorkeuren;

Faciliteren van het uitbesteden van een technisch onderzoek en het opstellen van een opdracht alsmede van aannemingsprocedures voor de diverse renovatieprojecten;

Faciliteren van gezamenlijk(e) toezicht en kwaliteitsbeoordeling;

Faciliteren van de ontwikkeling van een veiligheids- en beveiligingsconcept voor elke proef-munitieopslagplaats;

Beschikbaar stellen van beveiligingsuitrusting voor geselecteerde tijdelijke opslagplaatsen;

Zorgen voor opleiding van toekomstig personeel van opslagplaatsen.

Resultaat:

Een vastgesteld aantal tijdelijke munitieopslagfaciliteiten is gerenoveerd (aantal moet worden vastgesteld aan het eind van fase 1).

3.2.5.   Verplaatsing van munitieopslagplaatsen

Doelstellingen:

Deze activiteit zal leiden tot een betere beveiliging van de opslagplaatsen en tot een betere beveiligingssituatie in bevolkte gebieden.

Beschrijving:

Opdracht geven tot een onderzoek in heel Libië naar opslagplaatsen die moeten worden verplaatst;

Opdracht geven tot een haalbaarheidsstudie en bijpassend rapport over kostenefficiënte opties voor vervoer/verplaatsing en over opties voor nieuwe locaties voor ASA's;

Faciliteren van een consensus over de selectie van ASA's die moeten worden verplaatst. De volgende selectiecriteria zullen deel uitmaken van het besluitvormingsproces: nationale prioriteiten, veiligheidsdreigingen voor de plaatselijke bevolking, verschaffen van toegang door de respectieve beveiligingsactoren (militaire raden enz.), operationele en financiële beperkingen en gemeenschapsvoorkeuren;

Faciliteren van het uitbesteden van een technisch onderzoek en het opstellen van een opdracht alsmede van aannemingsprocedures voor de diverse verplaatsings-/vervoersprojecten;

Faciliteren van gezamenlijk(e) toezicht en kwaliteitsbeoordeling.

Resultaat:

Een vastgesteld aantal munitieopslagfaciliteiten is verplaatst (aantal moet worden vastgesteld aan het eind van fase 1).

3.2.6   Recyclageopties voor munitievoorraden

Doelstelling:

Uitvoeren van een haalbaarheidsstudie inzake opties voor het verminderen van beschikbare munitievoorraden door recyclage en aldus creëren van een stimulans voor het vernietigen van conventionele wapens.

Beschrijving:

Opstellen van een opdracht, samen met de betrokken Libische autoriteiten;

Faciliteren van het internationale aanbestedings- en selectieproces;

Opdracht geven tot de haalbaarheidsstudie;

Faciliteren van de gezamenlijke kwaliteitscontrole van de haalbaarheidsstudie;

Verspreiding van studieresultaten onder de betrokken Libische belanghebbenden;

Faciliteren van het vertalen en drukken van de studie.

Resultaat:

Rapport van de haalbaarheidsstudie naar opties voor het verminderen van beschikbare munitievoorraden door recyclage;

Workshop voor verspreiding.

3.2.7   Regionale samenwerking inzake PSSM-vraagstukken

Doelstelling:

De activiteit zal de regionale interactie en coördinatie versterken en daardoor de deskundigheid en de capaciteiten vergroten van de bevoegde overheidsinstellingen en niet-gouvernementele organisaties die betrokken zijn bij beheersing van conventionele wapens en voorraadbeheer in de regio.

Beschrijving:

Steunen van de organisatie van maximaal twee tweedaagse conferenties als fora voor regionale dialoog, informatie, kennisdeling en wederzijds leren op basis van een driesporenaanpak: i) prominente deelnemers uit overheidsinstellingen, spoor 1; ii) vakmensen voor de uitvoering van het voorraadbeheer, spoor 2; en iii) niet-gouvernementele organisaties, spoor 3, met een aantal presentaties en workshops;

Faciliteren van het besluitvormingsproces over de onderwerpen van presentaties en workshops;

Faciliteren van het selecteren van mogelijke deelnemers en sprekers met assistentie van de Unie, Libische partners en naburige landen;

Faciliteren van het opstellen van een opdracht en van de procedure voor het aannemen van een bedrijf voor conferentiemanagement, publieke communicatie en documentatie.

Resultaat:

Maximaal twee tweedaagse conferenties binnen 2,5 jaar met maximaal 45 deelnemers.

3.2.8   Invoering van een systeem voor risicomanagement

Doelstelling:

Stimuleren van een geslaagde en conflictmijdende uitvoering van projectactiviteiten in een problematische risico-omgeving, zoals een broze openbare veiligheid, allerhande gewapende groepen en een wisselende veiligheidsdreiging.

Beschrijving:

Ontwikkeling van projectrichtsnoeren voor conflictmijdende programmering overeenkomstig de ‧berokken geen schade‧-benadering, wat wil zeggen dat de projectactiviteiten zo worden uitgevoerd dat zo min mogelijk onbedoelde negatieve effecten optreden;

Uitvoeren van een risico- en dreigingsanalyse en ontwikkelen van een beveiligingsconcept met inbegrip van standaardwerkwijzen voor het programma, teneinde het personeel en het projectmateriaal optimaal te beveiligen;

Voortdurend plaatselijk toezicht op risico en dreiging en risicoadviesdiensten ter plaatse voor het personeel en de uitvoering van het project;

Beveiligingsuitrusting ter bescherming van het personeel en het materiaal van het project;

Ontwikkeling van een flexibel projectbeheersinstrument dat waarborgt dat een project in een verslechterende beveiligingsomgeving toch wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld door beheer op afstand.

Resultaat:

Beveiligingsconcept voor een lopend project;

Richtsnoeren voor conflictmijdende programmering;

Risicobeheersadviseur in functie.

4.   UITVOERING

4.1   Algemene opzet

Op basis van het door de GIZ bij het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken ingediende projectvoorstel heeft het ministerie de GIZ in oktober 2012 opdracht gegeven het "programma ter beheersing van conventionele wapens in Libië" uit te voeren. De uitvoering van de activiteiten is op 1 november 2012 van start gegaan en zal op 31 oktober 2017 worden beëindigd. Met behulp van de bijdrage van de Europese Unie zal dit project worden uitgebreid door ondersteuning van een bijkomende module betreffende PSSM. De PSSM-module zal parallel aan de capaciteitsontwikkelingsmodule worden uitgevoerd, met activiteiten die in 2013 van start gaan en lopen tot oktober 2017.

De GIZ zal de twee modules 1) capaciteitsontwikkeling en 2) PSSM uitvoeren door de beschikbaarstelling van deskundigen voor de lange en de korte termijn en in samenwerking met internationale en nationale partners, deels via onderaannemingsovereenkomsten.

De voornaamste partner van de GIZ voor de module capaciteitsontwikkeling is het LMAC. In een nota-verbaal aan de Duitse ambassade in Tripoli van 17 december 2012 heeft het Libische ministerie van Buitenlandse Zaken bevestigd dat het LMAC de Libische nationale instantie is die belast is met toezicht en coördinatie op het gebied van de beheersing van conventionele wapens en mijnbestrijding en heeft het zijn waardering uitgesproken voor het GIZ-programma betreffende de beheersing van conventionele wapens.

De GIZ is als uitvoerende instantie voor dit project gekozen vanwege haar specifieke deskundigheid en ervaring wereldwijd en haar presentatie in de Groep CODUN over haar evaluatiemissie naar Libië en haar aanbevelingen en voorgestelde actiestrategie, waaronder, met name, het zorgen voor de deelname en eigen verantwoordelijkheid van alle relevante belanghebbenden en de nadruk op duurzame resultaten.

4.2   Partners

De programma-activiteiten in Libië voor beide modules zullen worden uitgevoerd in samenwerking met internationale partners. Er zijn verscheidene partners waarmee de GIZ zal samenwerken en thans reeds samenwerkt. De Ondersteuningsmissie van de Verenigde Naties in Libië (UNSMIL) steunt Libische instanties, onder meer door middel van het ter beschikking stellen van strategische en technische consultants op het gebied van beveiliging en wapenbeheersing. Aan UNSMIL is uit hoofde van Resolutie 2040 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 12 maart 2012 mandaat verleend op de gebieden mijnbestrijding, munitiebeheer en wapenbeheer. Andere donors op het gebied van wapenbeheersing en mijnbestrijding in Libië waarmee de GIZ samenwerkt, zijn met name de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.

Ofschoon de algemene beheersverantwoordelijkheid voor het programma bij de GIZ zal blijven liggen, zal het programma ook partnerschappen tot stand brengen met internationale, in PSSM en mijnbestrijding gespecialiseerde ngo's om nog meer gespecialiseerde deskundigheid te bieden in de twee modules en opruimingsactiviteiten ter plaatse uit te voeren. Vanwege de modulaire aanpak van het programma zullen bij het GIZ-programma verscheidene ngo's betrokken worden, die worden gekozen op grond van hun aanwezigheid in de regio, sterke en zwakke punten en eerdere ervaring en operationale vermogens in Libië.

4.3   Actiebeheer

Programmaopzet: een modulaire platformaanpak

Het programma is zodanig opgezet dat in de loop van het programma specifieke modules kunnen worden toegevoegd of geschrapt, met het oog op een conflictmijdende en flexibele aanpassing aan een veranderende omgeving. De structuur maakt het mogelijk dat verschillende donors delen van het programma financieren en dat de bijdrage van iedere donor zichtbaar is. Tot slot is het programma zodanig opgezet dat er capaciteit voor betrouwbaar risicobeheer en deugdelijk projectbeheer beschikbaar is. De GIZ biedt dan ook een projectplatform waarmee voor het beheer van het programma wordt gezorgd en beide projectmodules worden uitgevoerd.

Programmastrategie: vier fasen in vijf jaar

Het programma is opgezet om het hiaat te vullen tussen de noodoperaties in Libië die ten einde lopen en nationale ontwikkelingsstrategieën en -programma's die naar verwacht de komende jaren door de Libische regering zullen worden opgestart en uitgevoerd.

Als leidraad dient derhalve een vijf jaar bestrijkende middellangetermijnstrategie die langer is dan de gebruikelijke noodprogrammeringscycli. Vooral de module capaciteitsontwikkeling zal tijd en een betrouwbaar partnerschap tussen het programma en de nationale partners vergen, wil deze concrete resultaten opleveren en ertoe leiden dat aan het eind van fase 4 de nationale eigen verantwoordelijkheid gepaard gaat met evenredige nationale capaciteiten.

De vierfasenaanpak zorgt ervoor dat de programmamodules in de loop van het programma kunnen worden aangepast, vanwege hetzij andere behoeften bij de partner hetzij gewijzigde financieringssituaties. Ook wordt hierdoor mogelijk gemaakt dat in fase 3 bijkomende modules in het programma worden opgenomen, indien de voorwaarden voor die activiteiten op dat tijdstip gunstiger zijn dan thans het geval is.

Afspraken onder donors:

Het programma is een project met meerdere donors dat wordt gecofinancierd door de Unie en het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken zal regelmatig toezien op het hele door de GIZ uitgevoerde project, zowel op de component capaciteitsontwikkeling als op de component PSSM, door middel van de vaste procedures van het ministerie.

Duur en fasen van het programma:

Image


REGLEMENTEN VAN ORDE EN REGLEMENTEN VOOR DE PROCESVOERING

26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/65


WIJZIGING VAN HET REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING VAN HET HOF VAN JUSTITIE

HET HOF VAN JUSTITIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met name artikel 253, zesde alinea,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en met name artikel 106 bis, lid 1,

Gezien artikel 64, tweede alinea, van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

Overwegende dat met de toetreding van de Republiek Kroatië het Kroatisch een officiële taal van de Europese Unie wordt en dat deze taal moet worden opgenomen bij de in het reglement voor de procesvoering bepaalde procestalen,

Met de goedkeuring van de Raad, gegeven op 7 juni 2013,

STELT DE VOLGENDE WIJZIGING VAN ZIJN REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING VAST:

Artikel 1

Artikel 36 van het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van 25 september 2012 (1), wordt vervangen door:

„Artikel 36

De procestalen zijn het Bulgaars, het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Iers, het Italiaans, het Kroatisch, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Sloveens, het Slowaaks, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds.”.

Artikel 2

1.   Deze wijziging van het reglement voor de procesvoering wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij treedt tegelijk met het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie in werking.

2.   De tekst van het reglement voor de procesvoering in het Kroatisch zal worden vastgesteld na de inwerkingtreding van het in het vorige lid bedoelde Verdrag.

Gedaan te Luxemburg, 18 juni 2013.

 


(1)  PB L 265 van 29.9.2012, blz. 1.


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/66


WIJZIGING VAN HET REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING VAN HET GERECHT

HET GERECHT,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 254, vijfde alinea,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,

Gezien artikel 64, tweede alinea, van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

Gezien de instemming van het Hof van Justitie,

Overwegende dat met de toetreding van de Republiek Kroatië het Kroatisch een officiële taal van de Europese Unie wordt en dat deze taal moet worden opgenomen bij de in het Reglement voor de procesvoering bepaalde procestalen,

Met de goedkeuring van de Raad, gegeven op 7 juni 2013,

STELT DE VOLGENDE WIJZIGING VAN ZIJN REGLEMENT VOOR DE PROCESVOERING VAST:

Artikel 1

Het reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 (PB L 136 van 30 mei 1991, blz. 1, met rectificatie in PB L 317 van 19 november 1991, blz. 34) (1) wordt gewijzigd als volgt:

Artikel 35, lid 1, wordt vervangen door:

„De procestalen zijn het Bulgaars, het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Iers, het Italiaans, het Kroatisch, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Sloveens, het Slowaaks, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds.”

Artikel 2

1.   Deze wijziging van het reglement voor de procesvoering wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij treedt tegelijk met het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie in werking.

2.   De tekst van het reglement voor de procesvoering in het Kroatisch zal worden vastgesteld na de inwerkingtreding van het in het vorige lid bedoelde Verdrag.

Gedaan te Luxemburg, 19 juni 2013.

De Griffier

E. COULON

De president

M. JAEGER


(1)  Gewijzigd op 15 september 1994 (PB L 249 van 24 september 1994, blz. 17), op 17 februari 1995 (PB L 44 van 28 februari 1995, blz. 64), op 6 juli 1995 (PB L 172 van 22 juli 1995, blz. 3), op 12 maart 1997 (PB L 103 van 19 april 1997, blz. 6, met rectificatie in PB L 351 van 23 december 1997, blz. 72), op 17 mei 1999 (PB L 135 van 29 mei 1999, blz. 92), op 6 december 2000 (PB L 322 van 19 december 2000, blz. 4), op 21 mei 2003 (PB L 147 van 14 juni 2003, blz. 22), op 19 april 2004 (PB L 132 van 29 april 2004, blz. 3), op 21 april 2004 (PB L 127 van 29 april 2004, blz. 108), op 12 oktober 2005 (PB L 298 van 15 november 2005, blz. 1), op 18 december 2006 (PB L 386 van 29 december 2006, blz. 45), op 12 juni 2008 (PB L 179 van 8 juli 2008, blz. 12), op 14 januari 2009 (PB L 24 van 28 januari 2009, blz. 9), op 16 februari 2009 (PB L 60 van 4 maart 2009, blz. 3), op 7 juli 2009 (PB L 184 van 16 juli 2009, blz. 10), op 26 maart 2010 (PB L 92 van 13 april 2010, blz. 14) en op 24 mei 2011 (PB L 162 van 22 juni 2011, blz. 18).


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/67


BESLUIT Nr. 1/2013 VAN DE ACS-EU-RAAD VAN MINISTERS

van 7 juni 2013

tot vaststelling van een protocol over het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 in het kader van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds,

(2013/321/EU)

DE ACS-EU-RAAD VAN MINISTERS,

Gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (1), als gewijzigd in Luxemburg op 25 juni 2005 (2) en in Ouagadougou op 22 juni 2010 (3) (hierna de "ACS-EU-partnerschapsovereenkomst" genoemd), en met name artikel 95, lid 2, en artikel 100,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie en haar lidstaten hebben tezamen met de ACS-landen overeenkomstig artikel 7 van bijlage I ter bij de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst een prestatie-evaluatie doorgevoerd, om ondermeer na te gaan in welke mate de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd.

(2)

De Europese Unie en haar lidstaten kwamen overeen het financieringsmechanisme vast te stellen, met name het elfde Europees Ontwikkelingsfonds, de precieze te bestrijken periode (2014-2020), en het bedrag van de middelen die aan dit mechanisme moeten worden toegewezen.

(3)

Het protocol tot oprichting van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020 dient als bijlage I quater in de Overeenkomst te worden ingevoegd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij dit besluit wordt vastgesteld als nieuwe bijlage I quater bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000, als gewijzigd in Luxemburg op 25 juni 2005 en in Ouagadougou op 22 juni 2010.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 7 juni 2013.

Voor de ACS-EU-Raad van ministers

De voorzitter

P. T. C. SKELEMANI


(1)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3. Overeenkomst als gerectificeerd in PB L 385 van 29.12.2004, blz. 88.

(2)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27.

(3)  PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.


BIJLAGE

De volgende bijlage wordt ingevoegd in de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst:

"BIJLAGE I quater

Meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020

1.

Voor de doelstellingen van deze Overeenkomst en voor een periode vanaf 1 januari 2014 wordt het totaalbedrag van de financiële steun die beschikbaar is voor de ACS-landen binnen dit meerjarig financieel kader vastgesteld op 31,589 miljard EUR, als gespecificeerd in de punten 2 en 3.

2.

De som van 29,089 miljard EUR in het kader van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) wordt beschikbaar gesteld met ingang van de datum van inwerkingtreding van het meerjarig financieel kader. Bedoelde som wordt tussen de samenwerkingsinstrumenten als volgt verdeeld:

a)

24,365 miljard EUR voor de financiering van de nationale en regionale indicatieve programma's. Deze toewijzing wordt gebruikt voor de financiering van:

i)

de nationale indicatieve programma’s van de ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 5 van bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

ii)

regionale indicatieve programma’s ter ondersteuning van de regionale en interregionale samenwerking en integratie van de ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11 van bijlage IV inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer;

b)

3,590 miljard EUR voor de financiering van intra-ACS- en interregionale samenwerking tussen vele of alle ACS-landen, overeenkomstig de artikelen 12, 13 en 14 van bijlage IV bij deze Overeenkomst inzake de procedures voor de tenuitvoerlegging en het beheer. Dit bedrag omvat steun aan gezamenlijke instellingen en lichamen die zijn ingesteld onder deze Overeenkomst. Dit bedrag bestrijkt ook steun aan de huishoudelijke uitgaven van het ACS-secretariaat als bedoeld in de punten 1 en 2 van protocol nr. 1 betreffende de huishoudelijke uitgaven van de gezamenlijke instellingen;

c)

1,134 miljard EUR voor de financiering van de investeringsfaciliteit overeenkomstig de voorwaarden van bijlage II (Financieringsvoorwaarden) bij deze Overeenkomst, met inbegrip van een bijkomende bijdrage van 500 miljoen EUR aan de investeringsfaciliteit, in de vorm van een roterend fonds, en 634 miljoen EUR, in de vorm van subsidies voor de financiering van de rentesubsidies en van projectgerelateerde technische bijstand als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 4 van die bijlage, gedurende de looptijd van het elfde EOF.

3.

De verrichtingen die in het kader van de investeringsfaciliteit worden gefinancierd, met inbegrip van de overeenstemmende rentesubsidies, worden beheerd door de Europese Investeringsbank (EIB). Een bedrag van maximaal 2,500 miljard EUR wordt, bovenop de uit het elfde EOF beschikbare middelen, door de EIB beschikbaar gesteld in de vorm van leningen uit eigen middelen. Deze middelen worden toegekend voor de doelstellingen als uiteengezet in bijlage II bij deze Overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden die zijn neergelegd in het statuut van de EIB en de relevante bepalingen van de voorwaarden voor de financiering van investeringsprojecten in die bijlage. Alle andere financiële middelen in het kader van dit meerjarig financieel kader worden door de Commissie beheerd.

4.

Na 31 december 2013 of na de datum van de inwerkingtreding van dit meerjarig financieel kader, zo dit later is, worden de saldi van het 10e EOF of van vroegere EOF's en vrijgemaakte middelen voor projecten in het kader van voorgaande EOF’s niet langer vastgelegd, tenzij de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen anders besluit, met uitzondering van de overblijvende saldi en terugbetalingen van de middelen die waren toegewezen voor de financiering van de investeringsfaciliteit, exclusief de daarmee verband houdende rentesubsidies en de overblijvende saldi van het stelsel voor de stabilisatie van de exportopbrengsten van landbouwproducten (Stabex) in het kader van de EOF’s voorafgaand aan het 9e EOF.

5.

Het totaalbedrag van dit meerjarig financieel kader is bestemd voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. De middelen van het 11e EOF en, in het geval van de investeringsfaciliteit, de middelen afkomstig van gelden die terugvloeien, worden na 31 december 2020 niet verder vastgelegd, tenzij de Raad van de Europese Unie, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen anders besluit. De middelen die echter door de lidstaten in het kader van het 9e, het 10e en het 11e EOF zijn geplaatst ter financiering van de investeringsfaciliteit blijven echter na 31 december 2020 beschikbaar voor uitbetaling.

6.

Het Comité van Ambassadeurs kan namens de ACS-EU-Raad van Ministers, binnen het totaalbedrag van het meerjarig financieel kader, passende maatregelen nemen om te voldoen aan de programmeringsbehoeften voor een van de in punt 2 beschreven toewijzingen, waaronder de herverdeling van middelen tussen de verschillende toewijzingen.

7.

Op verzoek van een van beide partijen kan worden besloten tot een prestatie-evaluatie, om op een onderling afgesproken tijdstip na te gaan in welke mate de vastleggingen en betalingen zijn gerealiseerd, alsook de resultaten en gevolgen van de verleende steun. Deze evaluatie wordt verricht op basis van een voorstel van de Commissie. Zij kan bijdragen tot de in artikel 95, lid 4, van deze Overeenkomst bedoelde onderhandelingen.

8.

Elke lidstaat kan de Commissie of de EIB vrijwillige bijdragen verstrekken om de doelstellingen van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst te steunen. De lidstaten kunnen ook projecten of programma's medefinancieren, bijvoorbeeld in het kader van specifieke initiatieven die door de Commissie of de EIB moeten worden beheerd. De verantwoordelijkheid van de ACS-landen over dergelijke initiatieven op nationaal niveau dient te worden gewaarborgd."


26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/70


BESLUIT Nr. 2/2013 VAN DE ACS-EU-RAAD VAN MINISTERS

van 7 juni 2013

over het verzoek van de Federale Republiek Somalië tot het verkrijgen van de status van waarnemer en nadien de toetreding bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

(2013/322/EU)

DE ACS-EU-RAAD VAN MINISTERS,

Gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000 (1), zoals gewijzigd in Luxemburg op 25 juni 2005 (2) en gewijzigd in Ouagadougou op 22 juni 2010 (3) (de "ACS-EU-Overeenkomst "), en met name artikel 94,

Gezien Besluit nr. 1/2005 van de ACS-EG-Raad van Ministers van 8 maart 2005 tot vaststelling van het reglement van orde van de ACS-EG-Raad van Ministers (4), en met name artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De overeenkomst van Cotonou is krachtens artikel 93, lid 3, op 1 juli 2008 in werking getreden. De overeenkomst werd voor de eerste maal gewijzigd in Luxemburg op 25 juni 2005, en voor de tweede maal in Ouagadougou op 22 juni 2010. De tweede wijziging wordt voorlopig toegepast sinds 31 oktober 2010 (5).

(2)

In artikel 94 van de ACS-EU-Overeenkomst is bepaald dat elk verzoek tot toetreding van een staat moet worden voorgelegd aan en goedgekeurd door de ACS-EU-Raad van ministers.

(3)

Op 25 februari 2013 heeft de Federale Republiek Somalië overeenkomstig artikel 94 van de ACS-EU-Overeenkomst een verzoek tot het verkrijgen van de status van waarnemer en nadien de toetreding ingediend.

(4)

De Federale Republiek Somalië moet haar akte van toetreding neerleggen bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en het secretariaat van de ACS-staten, zijnde de depositarissen van de ACS-EU-Overeenkomst,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van het verzoek tot toetreding en de status van waarnemer

Het verzoek van de Federale Republiek Somalië tot toetreding tot de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000, gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 en gewijzigd te Ouagadougou op 22 juni 2010, wordt goedgekeurd.

De Federale Republiek Somalië moet haar akte van toetreding neerleggen bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en het secretariaat van de ACS-staten, zijnde de depositarissen van de ACS-EU-Overeenkomst.

In afwachting van de toetreding kan de Federale Republiek Somalië als waarnemer aan de zittingen van de Raad deelnemen.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag volgend op die van de vaststelling ervan.

Gedaan te Brussel, 7 juni 2013.

Voor de ACS-EU-Raad van ministers

De voorzitter

P. T. C. SKELEMANI


(1)  PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27).

(3)  Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3).

(4)  PB L 95 van 14.4.2005, blz. 44.

(5)  Besluit nr. 2/2010 van de ACS-EU-Raad van ministers van 21 juni 2010 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 68).


Rectificaties

26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/71


Rectificatie van Uitvoeringsbesluit 2012/830/EU van de Commissie van 7 december 2012 inzake een aanvullende financiële bijdrage voor 2012 aan de programma’s van de lidstaten met betrekking tot de controle, inspectie en bewaking van visserijactiviteiten

( Publicatieblad van de Europese Unie L 356 van 22 december 2012 )

De bijlagen I, III en V bij Uitvoeringsbesluit 2012/830/EU van de Commissie komen als volgt te luiden:

„BIJLAGE I

NIEUWE TECHNOLOGIEËN EN IT-NETWERKEN

(EUR)

Lidstaat en projectcode

Uitgaven die zijn gepland in de aanvullende nationale programma’s voor visserijcontrole

Uitgaven voor op grond van dit besluit geselecteerde projecten

Maximale bijdrage van de Unie

België:

BE/12/08

30 000

30 000

27 000

BE/12/09

4 250

4 250

3 825

BE/12/10

100 000

0

0

Subtotaal

134 250

34 250

30 825

Bulgarije:

BG/12/02

30 678

30 678

27 610

Subtotaal

30 678

30 678

27 610

Denemarken:

DK/12/20

336 419

0

0

DK/12/22

269 136

0

0

DK/12/23

538 271

0

0

DK/12/24

134 568

134 568

121 110

DK/12/25

95 637

0

0

DK/12/26

158 911

0

0

DK/12/27

275 864

275 864

248 278

DK/12/28

272 500

272 500

245 250

DK/12/29

281 265

281 265

250 000

DK/12/30

282 592

282 592

250 000

DK/12/31

280 439

280 439

250 000

DK/12/32

296 049

296 049

250 000

DK/12/33

262 407

138 936

125 043

DK/12/34

269 136

0

0

DK/12/35

22 000

0

0

DK/12/36

405 000

0

0

DK/12/37

375 000

0

0

DK/12/38

163 500

0

0

Subtotaal

4 718 694

1 962 213

1 739 681

Duitsland:

DE/12/23

400 000

400 000

360 000

DE/12/24

165 000

0

0

DE/12/25

250 000

0

0

DE/12/27

358 000

0

0

DE/12/28

110 000

0

0

DE/12/29

350 000

0

0

DE/12/30

95 000

0

0

DE/12/31

443 100

0

0

DE/12/32

650 000

0

0

DE/12/33

970 000

0

0

DE/12/34

275 000

0

0

DE/12/35

420 000

0

0

Subtotaal

4 486 100

400 000

360 000

Ierland:

IE/12/06

20 000

0

0

IE/12/08

70 000

0

0

Subtotaal

90 000

0

0

Griekenland:

EL/12/11

180 000

180 000

162 000

EL/12/12

750 000

750 000

675 000

EL/12/13

180 000

180 000

162 000

EL/12/14

26 750

26 750

24 075

EL/12/15

110 000

110 000

99 000

Subtotaal

1 246 750

1 246 750

1 122 075

Spanje:

ES/12/02

939 263

939 263

845 336

ES/12/03

974 727

974 727

877 255

ES/12/05

795 882

795 883

716 294

ES/12/06

759 305

759 305

683 375

ES/12/08

163 250

163 250

146 925

ES/12/09

72 000

72 000

64 800

ES/12/10

100 000

100 000

90 000

ES/12/11

379 000

379 000

341 100

ES/12/12

490 000

490 000

441 000

ES/12/13

150 000

150 000

135 000

ES/12/15

150 000

0

0

ES/12/18

54 000

54 000

48 600

ES/12/19

290 440

290 440

261 396

ES/12/21

17 500

17 500

15 750

ES/12/22

681 000

0

0

ES/12/23

372 880

372 880

335 592

ES/12/24

415 254

0

0

Subtotaal

6 804 501

5 558 247

5 002 423

Frankrijk:

FR/12/08

777 600

777 600

699 840

FR/12/09

870 730

870 730

783 656

FR/12/10

229 766

229 766

206 789

FR/12/11

277 395

277 395

249 656

FR/12/12

230 363

230 363

207 327

FR/12/13

197 403

197 403

177 663

FR/12/14

450 000

450 000

405 000

FR/12/15

211 500

0

0

FR/12/16

274 330

274 330

246 897

FR/12/17

254 350

0

0

Subtotaal

3 773 437

3 307 587

2 976 828

Italië:

IT/12/13

135 000

135 000

121 500

IT/12/15

125 000

125 000

112 500

IT/12/16

ingetrokken

0

0

IT/12/17

250 000

250 000

225 000

IT/12/18

250 000

0

0

IT/12/19

630 000

630 000

567 000

IT/12/21

1 500 000

1 500 000

1 350 000

IT/12/22

311 000

0

0

IT/12/23

38 000

0

0

IT/12/26

1 900 000