ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.145.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 145

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
31 mei 2013


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2013/14/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 tot wijziging van Richtlijn 2003/41/EG betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) en Richtlijn 2011/61/EU inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen ter voorkoming van een overmatig vertrouwen in ratings ( 1 )

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 499/2013 van de Commissie van 30 mei 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

4

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/250/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 21 mei 2013 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor sanitaire kranen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2826)  ( 1 )

6

 

 

2013/251/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 27 mei 2013 tot vaststelling van de financiële bijdrage van de Unie in de kosten van de noodvaccinatieprogramma’s ter bestrijding van bluetongue in Portugal in 2007 en 2008 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2864)

31

 

 

2013/252/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 27 mei 2013 tot vaststelling van de financiële bijdrage van de Unie in de kosten van de noodvaccinatieprogramma’s ter bestrijding van bluetongue in Denemarken in 2007 en 2008 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2865)

33

 

 

2013/253/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 29 mei 2013 tot wijziging van Beschikking 2006/473/EG wat betreft de erkenning van sommige derde landen en sommige gebieden van derde landen als zijnde vrij van Xanthomonas campestris (alle voor Citrus pathogene stammen), Cercospora angolensis Carv. et Mendes of Guignardia citricarpa Kiely (alle voor Citrus pathogene stammen) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 3057)

35

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 469/2013 van de Commissie van 22 mei 2013 betreffende de verlening van een vergunning voor DL-methionine, natriumzout van DL-methionine, het hydroxy-analoog van methionine, calciumzout van het hydroxy-analoog van methionine, isopropylacrylaat van het hydroxy-analoog van methionine, DL-methionine beschermd door copolymeer vinylpyridine/styreen en DL-methionine beschermd door ethylcellulose, als toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 136 van 23.5.2013)

37

 

 

 

*

Bericht aan de lezer — Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/1


RICHTLIJN 2013/14/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 mei 2013

tot wijziging van Richtlijn 2003/41/EG betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, Richtlijn 2009/65/EG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) en Richtlijn 2011/61/EU inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen ter voorkoming van een overmatig vertrouwen in ratings

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) voorziet in regelgeving op uniaal niveau voor instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) voorziet in regelgeving op uniaal niveau voor instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s). Evenzo voorziet Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) in regelgeving op uniaal niveau voor beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerders). Alle drie de richtlijnen stellen prudentiële eisen in met betrekking tot respectievelijk het risicobeheer door instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, door beheer- en beleggingsmaatschappijen op het gebied van icbe’s en door abi-beheerders.

(2)

Een van de gevolgen van de financiële crisis is geweest dat er een overmatig vertrouwen in ratings is door beleggers, met inbegrip van instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, icbe’s en alternatieve beleggingsinstellingen (abi’s) bij hun beleggingen in schuldinstrumenten, zonder noodzakelijkerwijze zelf de kredietwaardigheid van emittenten van dergelijke schuldinstrumenten te beoordelen. Om een betere kwaliteit van de beleggingen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, icbe’s en abi’s te bewerkstelligen en op die manier de beleggers in dergelijke instellingen te beschermen, is het passend dat van instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, beheer- of beleggingsmaatschappijen op het gebied van icbe’s en abi-beheerders wordt verlangd dat zij vermijden uitsluitend of mechanisch op ratings te vertrouwen of deze als het enige criterium te gebruiken bij het inschatten van de risico’s die aan de beleggingen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, icbe’s en abi’s verbonden zijn. Het algemene beginsel tegen overmatig vertrouwen in ratings dient derhalve in de risicobeheerprocedures en -systemen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, beheer- en beleggingsmaatschappijen op het gebied van icbe’s en abi-beheerders te worden geïntegreerd en aan de specifieke kenmerken ervan te worden aangepast.

(3)

Teneinde het in Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU op te nemen algemene beginsel tegen een overmatig vertrouwen op ratings verder te preciseren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om erop toe te zien dat beheer- of beleggingsmaatschappijen op het gebied van icbe’s en abi-beheerders daadwerkelijk worden weerhouden van een overmatig vertrouwen op ratings voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van aangehouden activa. Het is in dat verband passend de in deze richtlijnen vastgelegde bevoegdheden van de Commissie voor het vaststellen van gedelegeerde handelingen met betrekking tot de algemene bepalingen aangaande de door beheer- en beleggingsmaatschappijen op het gebied van icbe’s en abi-beheerders gehanteerde risicobeheerprocedures en -systemen te wijzigen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat zij de resultaten van dergelijke raadplegingen openbaar maakt. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(4)

De in deze richtlijn vervatte desbetreffende maatregelen moeten complementair zijn aan andere bepalingen die vervat zijn in Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (7). Deze bepalingen voeren de algemene doelstelling in om een overmatig vertrouwen van beleggers in ratings tegen te gaan en moeten de verwezenlijking van deze doelstelling faciliteren.

(5)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk helpen voorkomen dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, icbe’s en abi’s overmatig op ratings vertrouwen bij het verrichten van hun beleggingen, niet voldoende door de lidstaten op een gecoördineerde wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de panuniale structuur en gevolgen van de activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, icbe’s en abi’s en ratingbureaus beter op uniaal niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(6)

Richtlijnen 2003/41/EG, 2009/65/EG en 2011/61/EU dienen derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(7)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (8) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging in Richtlijn 2003/41/EG

In artikel 18 van Richtlijn 2003/41/EG wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 bis.   Met inachtneming van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de onder toezicht vallende instellingen, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteiten toezicht houden op de toereikendheid van de kredietbeoordelingsprocessen van deze instellingen, dat zij het gebruik van verwijzingen naar ratings, uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (9), in het beleggingsbeleid van die instellingen beoordelen en dat zij, indien passend, de beperking van de impact van dergelijke referenties aanmoedigen, met als doel het verminderen van het uitsluitend en mechanisch vertrouwen op dergelijke ratings.

Artikel 2

Wijzigingen in Richtlijn 2009/65/EG

Artikel 51 van Richtlijn 2009/65/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.   Een beheer- of beleggingsmaatschappij maakt gebruik van een risicobeheerprocedure die haar in staat stelt te allen tijde het risico van de posities en het aandeel daarvan in het totale risicoprofiel van de portefeuille van een icbe te bewaken en te meten. In het bijzonder vertrouwt zij niet uitsluitend of mechanisch op ratings, uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (10), voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de icbe.

2)

Het volgende lid wordt ingevoegd:

„3 bis.   Met inachtneming van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de icbe, houden de bevoegde autoriteiten toezicht op de toereikendheid van de kredietbeoordelingsprocessen van de beheer- of beleggingsmaatschappijen, beoordelen zij het gebruik van verwijzingen naar ratings als bedoeld in lid 1, eerste alinea, in het beleggingsbeleid van de icbe, en moedigen zij, indien passend, de beperking van de impact van dergelijke verwijzingen aan, met als doel het verminderen van het uitsluitend en mechanisch vertrouwen op dergelijke ratings.”.

3)

Lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt a) wordt vervangen door:

„a)

criteria voor de beoordeling van de deugdelijkheid van de door de beheer- of beleggingsmaatschappij overeenkomstig de eerste alinea van lid 1 toegepaste risicobeheerprocedure;”;

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„De criteria als bedoeld in de eerste alinea, punt a), beletten de beheer- of beleggingsmaatschappij uitsluitend of mechanisch te vertrouwen op ratings als bedoeld in lid 1, eerste alinea, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de icbe.”.

Artikel 3

Wijzigingen in Richtlijn 2011/61/EU

Artikel 15 van Richtlijn 2011/61/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In lid 2 wordt de eerste alinea vervangen door:

„2.   Abi-beheerders implementeren passende risicobeheersystemen om alle relevante risico’s die verbonden zijn met elke abi-beleggingsstrategie en waaraan elke abi blootstaat of kan blootstaan, op afdoende wijze te herkennen, te meten, te beheersen en te bewaken. In het bijzonder vertrouwen abi-beheerders niet uitsluitend of mechanisch op ratings, uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (11), voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de abi.

2)

Het volgende lid wordt ingevoegd:

„3 bis.   Met inachtneming van de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de abi’s, houden de bevoegde autoriteiten toezicht op de toereikendheid van kredietbeoordelingsprocessen van abi’s, beoordelen zij het gebruik van verwijzingen naar ratings als bedoeld in lid 2, eerste alinea, in het beleggingsbeleid van de abi’s, en moedigen zij, indien passend, de beperking van de impact van dergelijke verwijzingen aan, met als doel het verminderen van het uitsluitend en mechanisch vertrouwen op dergelijke ratings.”.

3)

In lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De maatregelen ter precisering van de risicobeheersystemen als bedoeld in de eerste alinea, punt a), beletten abi-beheerders uitsluitend of mechanisch te vertrouwen op ratings als bedoeld in lid 2, eerste alinea, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de abi’s.”.

Artikel 4

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 21 december 2014 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 21 mei 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 167 van 13.6.2012, blz. 2.

(2)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 64.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 januari 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 mei 2013.

(4)  PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10.

(5)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32.

(6)  PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1.

(7)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.

(8)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(9)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.”.

(10)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.”.

(11)  PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1.”.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 499/2013 VAN DE COMMISSIE

van 30 mei 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 mei 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

15,1

MA

57,6

MK

65,0

TN

48,3

TR

71,8

ZZ

51,6

0707 00 05

AL

41,5

MK

42,6

TR

142,5

ZZ

75,5

0709 93 10

TR

140,2

ZZ

140,2

0805 10 20

EG

45,2

IL

71,7

MA

72,3

ZA

76,7

ZZ

66,5

0805 50 10

AR

105,4

TR

95,7

ZA

100,3

ZZ

100,5

0808 10 80

AR

168,1

BR

65,1

CL

119,8

CN

96,0

NZ

146,0

US

166,5

ZA

117,8

ZZ

125,6

0809 29 00

US

785,8

ZZ

785,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/6


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 21 mei 2013

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor sanitaire kranen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2826)

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/250/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (1), en met name artikel 8, lid 2,

Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 kan de EU-milieukeur worden toegekend aan producten die gedurende hun volledige levenscyclus een verminderd milieueffect hebben.

(2)

In Verordening (EG) nr. 66/2010 is bepaald dat per productengroep specifieke EU-milieukeurcriteria moeten worden vastgesteld.

(3)

Omdat de consumptie van water en het daarmee gepaard gaande energieverbruik om het water te verwarmen in belangrijke mate bijdragen aan de totale milieueffecten van huishoudens en niet-huishoudelijke installaties, is het passend om criteria voor de EU-milieukeur vast te stellen voor de productgroep „sanitaire kranen”. De criteria moeten in het bijzonder waterzuinige producten bevorderen die bijdragen aan een beperking van de waterconsumptie en bijgevolg ook van de energie die nodig is om het water te verwarmen.

(4)

De in dit besluit vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 16 van Verordening (EG) nr. 66/2010 opgerichte comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De productgroep „sanitaire kranen” omvat: huishoudkranen, douchekoppen en douches die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het aftappen van water voor persoonlijke hygiëne, schoonmaken, koken en drinken, ook wanneer zij voor niet-huishoudelijk gebruik op de markt worden gebracht.

2.   De volgende producten worden niet tot de productgroep „sanitaire kranen” gerekend:

a)

badkranen;

b)

douches met dubbele handgreep of dubbele hendel;

c)

speciale sanitaire kranen voor niet-huishoudelijk gebruik.

Artikel 2

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1.   „kraan”: een direct of indirect, mechanisch en/of automatisch bediend ventiel waarlangs water wordt onttrokken;

2.   „douchekop”:

a)

een vast geïnstalleerde, eventueel verstelbare hoofddouche of zijdouche, bodyjetdouche of vergelijkbare inrichting, van waaruit water uit een toevoersysteem op de gebruiker wordt gericht; of

b)

een met een doucheslang op een kraan aangesloten afneembare handdouche, die rechtstreeks aan de kraan of in een aan de wand bevestigde houder kan worden opgehangen;

3.   „douche”: een combinatie van douchekop en bijbehorende controleventielen en/of -apparaten die als set verpakt en verkocht worden;

4.   „douche met dubbele handgreep of dubbele hendel”: een douche met afzonderlijke handgrepen of hendels voor de regeling van de aanvoer van koud en warm water;

5.   „elektrische douche”: een douche met elektrische doorstromer voor de lokale verwarming van water;

6.   „speciale sanitaire kranen voor niet-huishoudelijk gebruik”: sanitaire kranen die voor het bedoelde gebruik voor niet-huishoudelijke doeleinden een onbeperkte waterstroom vereisen;

7.   „doorstroombegrenzer”: een technische inrichting die de waterstroom tot een bepaald volume beperkt en een sterkere doorstroming alleen toestaat wanneer de gebruiker deze functie eenmalig gedurende een bepaalde tijd activeert;

8.   „maximaal beschikbaar waterdebiet”: het grootst mogelijke waterdebiet door het systeem of door een afzonderlijke kraan;

9.   „kleinste maximaal beschikbaar waterdebiet”: het kleinst mogelijke waterdebiet door het systeem of door een afzonderlijke kraan wanneer het ventiel volledig wordt geopend;

10.   „technisch veiligheidsmechanisme”: een onderdeel van een sensorgestuurde sanitaire kraan dat voorkomt dat het water na een voorgeprogrammeerde tijdspanne blijft stromen, zelfs wanneer zich een persoon of object binnen het bereik van de sensor bevindt.

Artikel 3

Om krachtens Verordening (EG) nr. 66/2010 in aanmerking te komen voor de EU-milieukeur voldoet een product behorend tot de productgroep „sanitaire kranen” zoals gedefinieerd in artikel 1 van dit besluit, aan de criteria en de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en controle die zijn uiteengezet in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 4

De in de bijlage uiteengezette criteria en de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling zijn geldig gedurende een periode van vier jaar vanaf de datum waarop dit besluit wordt vastgesteld.

Artikel 5

Voor administratieve doeleinden wordt aan de productgroep „sanitaire kranen” het codenummer „x” toegekend.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 mei 2013.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

CRITERIA VOOR DE TOEKENNING VAN DE EU-MILIEUKEUR EN EISEN INZAKE BEOORDELING EN CONTROLE

Criteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor sanitaire kranen:

1.

Waterconsumptie en daarmee verband houdende energiebesparing

2.

Materialen die met drinkwater in aanraking komen

3.

Verboden of beperkte stoffen en mengsels

4.

Productkwaliteit en levensduur

5.

Verpakking

6.

Gebruikersinformatie

7.

Informatie op de EU-milieukeur

Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is verklaringen, documentatie, analyses, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan, kunnen deze bescheiden afkomstig zijn van de aanvrager en/of diens leverancier.

Waar mogelijk moeten de tests worden uitgevoerd door laboratoria die voldoen aan de algemene eisen van de Europese norm EN ISO 17025 (1) of aan gelijkwaardige eisen.

Indien nodig kunnen, naast de voor elk criterium vermelde testmethoden, andere methoden worden gebruikt, mits de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt deze methoden gelijkwaardig acht.

Voorwaarde is dat het product voldoet aan alle respectieve wettelijke eisen van het land (de landen) waar het product op de markt zal worden gebracht. De aanvrager bevestigt in een verklaring dat het product aan deze eisen voldoet.

Criterium 1.   Waterconsumptie en daarmee verband houdende energiebesparing

a)   Maximaal beschikbaar waterdebiet

Het maximaal beschikbare waterdebiet van sanitaire kranen mag, ongeacht de waterdruk, de in tabel 1 gegeven waarden niet overschrijden.

Tabel 1

Maximaal beschikbaar waterdebiet voor „sanitaire kranen”

Productsubgroep

Waterdebiet

[l/min]

Keukenkranen

zonder doorstroombegrenzer

6,0

met doorstroombegrenzer (2)

8,0

Wastafelkranen

zonder doorstroombegrenzer

6,0

met doorstroombegrenzer (2)

8,0

Douchekoppen en douches (3)

8,0

Beoordeling en controle: de aanvrager moet verklaren dat het product waarvoor de milieukeur wordt aangevraagd, aan de relevante eis voldoet en moet het maximale waterdebiet (in l/min) van het product vermelden, samen met de resultaten van de tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testmethoden die in de respectieve EN-normen (zie tabel 2) voor deze productsoort zijn voorgeschreven. De tests moeten worden uitgevoerd bij een druk van 1,5, 3,0 en 4,5 bar (± 0,2 bar) voor producten die als geschikt voor hogedrukinstallaties (normaliter 1,0 tot 5,0 bar) worden aangemerkt, en bij een druk van 0,2, 0,3 en 0,5 bar (± 0,02 bar) voor producten die als geschikt voor lagedrukinstallaties (normaliter 0,1 tot 0,5 bar) worden aangemerkt. De gemiddelde waarde van drie metingen mag de in tabel 1 vermelde maximale debietwaarden niet overschrijden. Voor staande kranen en keukenkranen met gescheiden uitloop is het debiet de som van de twee waterstromen, d.w.z. de totale uit de warm- en de koudwaterleiding stromende hoeveelheid water. Voor spaarkranen (d.w.z. producten met doorstroombegrenzer) moet bovendien een beschrijving van de doorstroombegrenzer (d.w.z. de belangrijkste technische parameters en instructies voor installatie, instelling en gebruik) worden ingediend.

Tabel 2

EN-normen voor de productgroep „sanitaire kranen”

Nummer

Titel

EN 200

Sanitaire kranen. Tapkranen en mengkranen voor waterleidingstelsels type 1 en type 2 — Algemene technische specificatie

EN 816

Sanitaire kranen. Zelfsluitende kranen (PN10)

EN 817

Sanitaire kranen. Mechanisch instelbare mengkranen (PN10) — Algemene technische eisen

EN 1111

Sanitaire kranen. Thermostatische mengkranen (PN 10) — Algemene technische eisen

EN 1112

Sanitaire kranen. Douchekoppen voor sanitaire kranen voor waterleidingstelsels type 1 en type 2 — Algemene technische eisen

EN 1286

Sanitaire kranen. Instelbare mengkranen voor lagedruktoepassingen. Algemene technische specificatie

EN 1287

Sanitaire kranen. Thermostatische mengkranen voor lagedruktoepassingen. Algemene technische specificaties

EN 15091

Sanitaire kranen. Elektronisch openende en sluitende kranen en hulpstukken

EN 248

Sanitaire kranen. Algemene eis voor elektrolytisch aangebrachte coatings van Ni-Cr

EN60335-1

Elektrische toestellen voor huishoudelijk en soortgelijk gebruik

EN60335-2-35

Elektrische toestellen voor huishoudelijk en soortgelijk gebruik, veiligheid, bijzondere eisen voor doorstroomverwarmers voor vloeistoffen

b)   Kleinste maximaal beschikbaar waterdebiet

Het kleinste maximaal beschikbare waterdebiet van sanitaire kranen mag, ongeacht de waterdruk, niet lager zijn dan de in tabel 3 gegeven waarden.

Tabel 3

Kleinste maximaal beschikbaar waterdebiet voor „sanitaire kranen”

Productsubgroep

Waterdebiet

[l/min]

Keukenkranen

2,0

Wastafelkranen

2,0

Douches en douchekoppen

4,5

Elektronische douches en lagedrukdouches (4)

3,0

Beoordeling en controle: de aanvrager moet verklaren dat het product waarvoor de milieukeur wordt aangevraagd, aan de relevante eis voldoet en moet het kleinste maximaal beschikbare waterdebiet van het product vermelden, samen met de resultaten van de tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de testmethoden die in de respectieve EN-normen (zie tabel 2) voor deze productsoort zijn voorgeschreven. De tests moeten worden uitgevoerd bij een druk van 1,5, 3,0 en 4,5 bar (± 0,2 bar) voor producten die als geschikt voor hogedrukinstallaties (normaliter 1,0 tot 5,0 bar) worden aangemerkt, en bij een druk van 0,2, 0,3 en 0,5 bar (± 0,02 bar) voor producten die als geschikt voor lagedrukinstallaties (normaliter 0,1 tot 0,5 bar) worden aangemerkt. De gemiddelde waarde van drie metingen mag niet lager zijn dan de in tabel 3 vermelde debietwaarde. Voor staande kranen en keukenkranen met gescheiden uitloop is het debiet de som van de twee waterstromen, d.w.z. de totale uit de warm- en de koudwaterleiding stromende hoeveelheid water.

c)   Temperatuurregeling

Sanitaire kranen moeten zijn uitgerust met een geavanceerd regelmechanisme of regelsysteem waarmee de eindgebruiker de watertemperatuur en/of de toevoer van warm water kan regelen, bijvoorbeeld door het beperken van de watertemperatuur of de toevoer van warm water, of door middel van thermostatische bijsturing.

Het regelsysteem moet het de gebruiker mogelijk maken de temperatuur van het water dat uit de kraan of douche stroomt nauwkeurig te regelen, onafhankelijk van het verwarmingssysteem waarop het is aangesloten. Mogelijke regelsystemen zijn bijvoorbeeld een warmwaterbarrière, koudwater in de middenpositie en/of thermostatische mengkranen.

Dit criterium geldt niet voor sanitaire kranen die op een reeds temperatuurgestuurd watertoevoersysteem moeten worden aangesloten en evenmin voor douchekoppen.

Beoordeling en controle: in zijn bij de bevoegde instantie ingediende aanvraag moet de aanvrager verklaren dat het product aan de eis voldoet en moet hij documentatie indienen met een beschrijving van de in het product gebruikte technologie of inrichting. Indien de watertoevoer al temperatuurgestuurd is, moet de aanvrager toelichten welke specifieke regeltechniek is gebruikt die de sanitaire kraan geschikt maakt voor dit soort systeem.

d)   Tijdregeling

Dit criterium heeft betrekking op sanitaire kranen die met tijdschakelaars worden verkocht of op de markt gebracht (d.w.z. met systemen die de waterstroom na een bepaald tijdsinterval stoppen wanneer de kraan niet wordt gebruikt, bijvoorbeeld sensoren die de waterstroom beëindigen wanneer een gebruiker het sensorbereik verlaat, of systemen die de waterstroom na afloop van een vooraf ingesteld tijdsinterval beëindigen, bijvoorbeeld tijdsbegrenzers, die de waterstroom aan het einde van het ingestelde maximuminterval beëindigen).

Voor sanitaire kranen met tijdbegrenzers mag de vooraf ingestelde maximale uitlooptijd maximaal 15 seconden zijn voor kranen en maximaal 35 seconden voor douches. Het product moet echter zodanig zijn ontworpen dat de installateur de uitlooptijd kan aanpassen aan de beoogde toepassing ervan.

Voor sanitaire kranen met sensor mag de uitschakeltijd na gebruik maximaal 1 seconde zijn in het geval van kranen en maximaal 3 seconden in het geval van douches. Bovendien moeten sanitaire kranen met sensor een ingebouwd veiligheidsmechanisme hebben dat de waterstroom afsluit na een vooraf ingestelde tijd van maximaal 2 minuten om ongevallen of een continue waterstroom uit kranen of douches die niet in gebruik zijn, te voorkomen.

Beoordeling en controle: het product of systeem moet in het vastgestelde drukbereik (3,0 bar (± 0,2 bar) voor hogedrukventielen of 0,5 bar (± 0,02 bar) voor lagedrukventielen) worden getest om te controleren of de tijdschakelaar de waterstroom binnen een tolerantiemarge van 10 % van de door de aanvrager aangegeven waarde beëindigt. De aanvrager moet verklaren dat het product aan de eis voldoet en aangeven welke regeltechniek binnen de technische parameters is gebruikt (vooraf ingesteld tijdsinterval voor de waterstroom bij tijdsbegrenzers, uitschakeltijd bij sensoren). Ook moet hij de bevoegde instantie samen met de aanvraag de resultaten van de tests voorleggen die overeenkomstig norm EN 15091 voor elektronisch openende en sluitende kranen en hulpstukken of norm EN 816 voor zelfsluitende kranen zijn uitgevoerd.

Criterium 2.   Materialen die met drinkwater in aanraking komen

Chemische en hygiënische eigenschappen van materialen die met drinkwater in aanraking komen

Materialen die worden gebruikt in producten die met voor menselijke consumptie bestemd drinkwater in aanraking komen, en de met dergelijke stoffen of materialen samenhangende onzuiverheden, mogen niet in een hogere concentratie in het water vrijkomen dan voor het gebruik van die stoffen of materialen noodzakelijk is en mogen er direct noch indirect toe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de volksgezondheid (5). Zij mogen de kwaliteit van het voor menselijke consumptie bestemde water niet verslechteren, wat betreft voorkomen, geur of smaak. Binnen de aanbevolen grenzen voor correcte bediening (d.w.z. de gebruiksvoorwaarden overeenkomstig de toepasselijke EN-normen van tabel 2) mogen de materialen geen zodanige veranderingen ondergaan dat dit ten koste gaat van de deugdelijkheid van het product. Materialen die niet voldoende corrosiebestendig zijn, moeten op passende wijze worden beschermd opdat zij geen gezondheidsrisico vormen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet verklaren dat het product aan de eis voldoet en dient relevante documentatie of testresultaten in, zoals hieronder is aangegeven:

In sanitaire kranen gebruikte metallische materialen die met drinkwater in aanraking komen, worden opgenomen in de positieve lijst „Goedkeuring van metallische materialen voor producten die met drinkwater in aanraking komen”, zoals vastgesteld in het aanhangsel. De aanvrager dient een verklaring in dat aan deze eis wordt voldaan. Indien de metallische materialen niet in de positieve lijst zijn opgenomen, worden de resultaten ingediend van de test die is uitgevoerd met gebruikmaking van de norm EN 15664-1 en overeenkomstig de in het aanhangsel beschreven aanpak voor „Toevoeging van materialen aan de samenstellingslijst in een categorie materialen”. Indien er verplichte nationale regelingen van kracht zijn in de lidstaten waar het product op de markt wordt gebracht, wordt een door de nationale autoriteiten of de bevoegde laboratoria afgegeven goedkeuringscertificaat voor deze metallische materialen en/of het product ingediend.

Organische materialen die met drinkwater in aanraking komen, worden getest overeenkomstig de respectieve eisen van de lidstaat waar het product op de markt wordt gebracht. Er wordt een door de nationale autoriteiten of de bevoegde laboratoria afgegeven certificaat of, indien van toepassing, een overzicht van de testresultaten, ingediend.

Voorts worden, indien de nationale regelingen van de lidstaat waar het product op de markt wordt gebracht dat voorschrijven, de resultaten van tests met betrekking tot de bevordering van microbiële groei en de beoordeling van de geur en de smaak van het water ingediend.

Criterium 3.   Verboden of beperkte stoffen en mengsels

a)   Gevaarlijke stoffen en mengsels

Overeenkomstig artikel 6, lid 6, van Verordening (EG) nr. 66/2010 betreffende de EU-milieukeur mag het product of een voorwerp (6) daarvan geen stoffen bevatten die beantwoorden aan de criteria voor classificatie bij de hieronder gespecificeerde gevarenaanduidingen of waarschuwingszinnen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (7) of Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (8), noch stoffen waarnaar in artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (9) wordt verwezen. De onderstaande waarschuwingszinnen verwijzen in het algemeen naar stoffen. Indien er echter geen informatie over de stoffen kan worden verkregen, zijn de classificatieregels voor mengsels van toepassing.

Lijst van gevaarlijke stoffen

Gevarenaanduiding (10)

Waarschuwingszin (11)

H300 Dodelijk bij inslikken

R28

H301 Giftig bij inslikken

R25

H304 Kan dodelijk zijn als de stof bij inslikken in de luchtwegen terechtkomt

R65

H310 Dodelijk bij contact met de huid

R27

H311 Giftig bij contact met de huid

R24

H330 Dodelijk bij inademing

R23/26

H331 Giftig bij inademing

R23

H340 Kan genetische schade veroorzaken

R46

H341 Verdacht van het veroorzaken van genetische schade

R68

H350 Kan kanker veroorzaken

R45

H350i Kan kanker veroorzaken bij inademing

R49

H351 Verdacht van het veroorzaken van kanker

R40

H360F Kan de vruchtbaarheid schaden

R60

H360D Kan het ongeboren kind schaden

R61

H360FD Kan de vruchtbaarheid schaden. Kan het ongeboren kind schaden

R60/61/60-61

H360Fd Kan de vruchtbaarheid schaden. Verdacht van het schaden van het ongeboren kind

R60/63

H360Df Kan het ongeboren kind schaden. Verdacht van het verminderen van de vruchtbaarheid

R61/62

H361f Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid

R62

H361d Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind

R63

H361fd Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid. Verdacht van het schaden van het ongeboren kind

R62-63

H362 Kan schadelijk zijn via de borstvoeding

R64

H370 Veroorzaakt schade aan organen

R39/23/24/25/26/27/28

H371 Kan schade aan organen veroorzaken

R68/20/21/22

H372 Veroorzaakt schade aan organen bij langdurige of herhaalde blootstelling

R48/25/24/23

H373 Kan schade aan organen veroorzaken bij langdurige of herhaalde blootstelling

R48/20/21/22

H400 Zeer giftig voor in het water levende organismen

R50

H410 Zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen

R50-53

H411 Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen

R51-53

H412 Schadelijk voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen

R52-53

H413 Kan langdurige schadelijke gevolgen voor in het water levende organismen hebben

R53

EUH059 Gevaarlijk voor de ozonlaag

R59

EUH029 Vormt giftig gas in contact met water

R29

EUH031 Vormt giftig gas in contact met zuren

R31

EUH032 Vormt zeer giftig gas in contact met zuren

R32

EUH070 Giftig bij oogcontact

R39-41

Uitgesloten van bovenstaande eis zijn stoffen of mengsels waarvan de eigenschappen tijdens de verwerking veranderen (ze worden bijvoorbeeld niet meer biologisch beschikbaar of de chemische samenstelling ervan verandert waardoor het eerder vastgestelde gevaar is geweken).

Concentratiegrenzen van stoffen of mengsels waaraan bovenstaande gevarenaanduidingen of waarschuwingszinnen kunnen worden of zijn toegekend, die voldoen aan de criteria voor indeling in de gevarenklassen of -categorieën, en van stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57, onder a), b) of c), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, mogen de algemene en specifieke concentratiegrenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 niet overschrijden. Indien er specifieke concentratiegrenzen zijn vastgesteld, hebben deze voorrang op de algemene concentratiegrenzen.

Concentratiegrenzen voor stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57, onder d), e) of f), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 mogen niet meer dan 0,1 gewichtsprocent bedragen.

Het eindproduct mag niet volgens de bovenstaande gevarenaanduidingen worden geëtiketteerd.

Met name de onderstaande stoffen/bestanddelen zijn vrijgesteld van deze eis:

Nikkel in alle soorten roestvrij staal

Alle gevarenaanduidingen en waarschuwingszinnen

Met drinkwater in aanraking komende voorwerpen en homogene delen van sanitaire kranen gemaakt van legeringen, die onder artikel 23, onder d), van Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen en zijn opgenomen in deel B van de „Goedkeuring van metallische materialen gebruikt voor producten die met drinkwater in aanraking komen — gemeenschappelijke aanpak” of voldoen aan de in het aanhangsel opgenomen eisen om aan deze lijst te worden toegevoegd.

Alle gevarenaanduidingen en waarschuwingszinnen

Nikkel in beschermende coating, indien de afgifte van nikkel uit nikkellagen of een coating die nikkel bevatten op de binnenkant van overeenkomstig norm EN 16058 (14)  (15) geteste producten die bestemd zijn om met drinkwater in aanraking te komen niet meer dan 10 μg/l bedraagt.

Alle gevarenaanduidingen en waarschuwingszinnen

Elektronische onderdelen van sanitaire kranen die voldoen aan de eisen van Richtlijn 2011/65/EU (16)

Alle gevarenaanduidingen en waarschuwingszinnen

Beoordeling en controle: voor elk voorwerp of elk homogeen onderdeel verstrekt de aanvrager een verklaring dat aan dit criterium wordt voldaan, samen met hiermee verband houdende documentatie, zoals door de leveranciers ervan ondertekende verklaringen van overeenstemming, over de niet-classificatie van de stoffen of materialen in de gevarenklassen die bij de in bovenstaande lijst genoemde gevarenaanduidingen horen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008, voor zover dit ten minste kan worden bepaald aan de hand van de informatie die voldoet aan de in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 genoemde eisen. Deze verklaring wordt gestaafd door een samenvatting van de informatie over de relevante kenmerken met betrekking tot de in bovenstaande lijst genoemde gevarenaanduidingen, op het detailleringsniveau dat wordt gespecificeerd in bijlage II, punten 10, 11 en 12, bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 (Voorschriften voor de samenstelling van veiligheidsinformatiebladen).

Informatie over de intrinsieke eigenschappen van stoffen kan worden verkregen door andere middelen dan met tests, bijvoorbeeld door het gebruik van alternatieve methoden, zoals in-vitromethoden, via kwantitatieve structuur-activiteitsmodellen of door het gebruik van groepering of „read-across’ overeenkomstig bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 1907/2006. Het uitwisselen van relevante gegevens wordt sterk aangemoedigd.

De verstrekte informatie moet betrekking hebben op de vorm of fysieke staat van de stof of mengsels zoals gebruikt in het eindproduct.

Voor in de bijlagen IV en V bij REACH genoemde stoffen die zijn uitgesloten van registratieverplichtingen krachtens artikel 2, lid 7, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1907/2006 REACH, volstaat een verklaring dienaangaande om te voldoen aan de bovenstaande eisen.

b)   Stoffen die zijn opgenomen in de lijst overeenkomstig artikel 59, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1907/2006

Er wordt geen afwijking toegestaan van het verbod in artikel 6, lid 6, van Verordening (EG) nr. 66/2010 voor stoffen die zijn geïdentificeerd als zeer zorgwekkende stoffen en zijn opgenomen in de lijst waarin is voorzien in artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH), die voorkomen in mengsels, in een artikel of in een homogeen deel van een samengesteld artikel in concentraties hoger dan 0,1 %. Specifieke concentratiegrenzen die zijn bepaald overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn van toepassing in gevallen waarin de concentratie minder dan 0,1 % bedraagt.

Beoordeling en controle: De lijst van stoffen die worden beschouwd als zeer zorgwekkende stoffen en die zijn opgenomen in de kandidaatslijst krachtens artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 is beschikbaar op de ECHA-website (17).

Deze lijst dient te worden geraadpleegd op de datum van de aanvraag. De aanvrager dient een verklaring in dat aan dit criterium is voldaan, samen met hiermee verband houdende documentatie, zoals door de leveranciers van de materialen ondertekende verklaringen van overeenstemming en kopieën van relevante veiligheidsinformatiebladen voor stoffen of mengsels overeenkomstig bijlage II van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor stoffen of mengsels. De concentratiegrenzen moeten worden opgegeven in de veiligheidsinformatiebladen overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 voor stoffen en mengsels.

Criterium 4.   Productkwaliteit en levensduur

a)   Algemene eisen

Het product moet voldoen aan de algemene eisen van de toepasselijke EN-normen van tabel 2 of aan de overeenkomstige dwingende nationale regelgeving. Dit criterium geldt niet voor het waterdebiet.

In voorkomend geval moet de reiniging van de productonderdelen, die onder normale gebruiksomstandigheden nodig kan zijn, met eenvoudige middelen of producten kunnen worden uitgevoerd.

b)   Blootgestelde oppervlakken en kwaliteit van de NiCr-coating

Sanitaire kranen met NiCr-coating moeten (ongeacht het dragermateriaal) voldoen aan norm EN 248.

c)   Repareerbaarheid en beschikbaarheid van reserveonderdelen

Het product moet zodanig zijn ontworpen dat verwisselbare onderdelen gemakkelijk door de eindgebruiker of, in voorkomend geval, door een technicus kunnen worden vervangen. Informatie over welke onderdelen kunnen worden vervangen, dient duidelijk te worden vermeld op het aan het product gehechte informatieblad. De aanvrager dient ook duidelijke instructies te verstrekken die de eindgebruiker of, in voorkomend geval, een naar behoren opgeleide vakman, in staat stellen eenvoudige reparaties uit te voeren.

De aanvrager dient er voorts voor te zorgen dat er gedurende ten minste zeven jaar na de beëindiging van de productie reserveonderdelen beschikbaar zijn.

d)   Garantie

De aanvrager moet ten minste vier jaar garantie op herstel of vervanging bieden.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet verklaren dat het product aan deze eisen voldoet en samen met zijn aanvraag monsters van het productinformatieblad en de garantievoorwaarden bij de bevoegde instantie indienen.

Met betrekking tot de punten a) en b) moet de aanvrager de bevoegde instantie bovendien samen met de aanvraag de resultaten overleggen van tests die zijn uitgevoerd overeenkomstig de normen van tabel 2 wat betreft punt a), respectievelijk norm EN 248 wat betreft punt b).

Criterium 5.   Verpakking

De verpakking moet aan de volgende eisen voldoen:

a)

alle verpakkingsonderdelen moeten gemakkelijk met de hand kunnen worden gescheiden in afzonderlijke materialen om recycling te vergemakkelijken;

b)

indien kartonnen verpakking wordt gebruikt, moet deze voor ten minste 80 % uit gerecycleerd materiaal bestaan.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet verklaren dat het product aan de eis voldoet en de bevoegde instantie samen met de aanvraag een of meer monsters van de verpakking doen toekomen.

Criterium 6.   Gebruikersinformatie

Het product dient vergezeld te gaan van relevante gebruikersinformatie, die advies bevat over het juiste en milieuvriendelijke gebruik van het product alsmede over het onderhoud ervan. Een en ander omvat de volgende informatie in gedrukte (op de verpakking en/of in de documentatie die het product vergezelt) en/of elektronische vorm:

a)

het feit dat het voornaamste milieueffect samenhangt met de gebruiksfase van het product, namelijk met de waterconsumptie en het daarmee gepaard gaande energieverbruik om het water te verwarmen, alsook advies over hoe dit milieueffect door verstandig gebruik kan worden geminimaliseerd;

b)

het feit dat aan het product de EU-milieukeur is toegekend, samen met een korte, specifieke uitleg over wat dit inhoudt, naast de algemene informatie die naast het EU-milieukeurlogo wordt vermeld;

c)

het maximale debiet in l/min (gemeten zoals aangegeven onder criterium 1 a));

d)

instructies voor de installatie, met inbegrip van informatie over de specifieke bedrijfsdruk waarvoor het product geschikt is;

e)

advies over het risico van stagnerend water en, in samenhang daarmee, een waarschuwing om geen leidingwater te drinken dat langere tijd in de leidingen heeft stilgestaan (van toepassing op kranen), zoals „Gebruik water dat lang in de leidingen heeft stilgestaan (zoals water dat u ’s morgens of na een vakantie gebruikt) bijvoorbeeld om toiletten door te spoelen, een douche te nemen of de tuin te besproeien”.);

f)

aanbevelingen over correct gebruik en onderhoud (met inbegrip van schoonmaken en ontkalken) van het product, met vermelding van alle relevant instructies, met name:

i)

advies over het onderhoud en het gebruik van het product;

ii)

informatie over welke onderdelen kunnen worden vervangen;

iii)

instructies betreffende de vervanging van de sluitring wanneer een kraan lekt;

iv)

advies over het reinigen van sanitaire kranen met geschikte schoonmaakmiddelen om schade aan de interne en externe oppervlakken te voorkomen;

v)

advies over regelmatig en correct onderhoud van beluchtingstoestellen.

In het geval van sanitaire kranen (met uitzondering van douchekoppen) die niet met een tijdschakelaar zijn uitgerust, wordt de volgende tekst goed zichtbaar op de verpakking van het product aangebracht:

„Dit product met de EU-milieukeur is bestemd voor huishoudelijk gebruik. Het is niet bestemd voor intensief en frequent gebruik in een niet-huishoudelijke omgeving (bijv. openbare voorzieningen in scholen, kantoren, ziekenhuizen of zwembaden)”.

In het geval van sanitaire kranen die met een tijdschakelaar zijn uitgerust, wordt de volgende tekst goed zichtbaar op de verpakking van het product aangebracht:

„Dit product met de EU-milieukeur is met name bestemd voor intensief en frequent gebruik in niet-huishoudelijke omgevingen (bijv. openbare voorzieningen in scholen, kantoren, ziekenhuizen of zwembaden)”.

Voor „waterbesparende douchekoppen” moet op het productblad informatie worden geplaatst over de noodzaak om de compatibiliteit te controleren indien deze worden gebruikt met een elektrische douche, bijvoorbeeld „gelieve te controleren of deze waterbesparende douchekop compatibel is met uw bestaande douche indien u van plan bent hem te gebruiken met een elektrische douche”.

Beoordeling en controle: de aanvrager moet verklaren dat het product aan de eis voldoet en de bevoegde instantie samen met de aanvraag een of meer voorbeelden van de gebruikersinformatie en/of een link naar een website van de fabrikant waar deze informatie wordt verstrekt, doen toekomen.

Criterium 7.   Informatie op de EU-milieukeur

Het facultatieve label met tekstruimte moet de volgende tekst bevatten:

Efficiënter watergebruik;

Meer energiebesparing mogelijk;

Met dit gecertificeerde product bespaart u water, energie en geld.

De richtsnoeren voor het gebruik van het facultatieve label met tekstruimte kunnen worden geraadpleegd in de „Guidelines for the use of the EU Ecolabel logo” op de website:

http://ec.europa.eu/environment/ecolabel/promo/pdf/logo%20guidelines.pdf

Beoordeling en controle: de aanvrager dient een monster van het etiket in, alsmede een verklaring dat aan dit criterium is voldaan.


(1)  ISO/IEC 17025:2005 — Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria.

(2)  De doorstroombegrenzer moet de instelling van het standaarddebiet (spaarstand) op maximaal 6 l/min toestaan. Het maximaal beschikbare waterdebiet mag niet meer dan 8 l/min bedragen.

(3)  Douchekoppen en douches met verschillende soorten stralen moeten aan deze eis voldoen voor de instelling met het hoogste waterdebiet.

(4)  Producten die in de handel worden gebracht als geschikt voor lagedrukinstallaties, doorgaans functionerend bij 0,1 tot 0,5 bar.

(5)  Artikel 10 van Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 inzake voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32).

(6)  In Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH) wordt „voorwerp” gedefinieerd als „een object waaraan tijdens de productie een speciale vorm, oppervlak of patroon wordt gegeven waardoor zijn functie in hogere mate wordt bepaald dan door de chemische samenstelling”.

(7)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(8)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(9)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(10)  Verordening (EG) nr. 1272/2008.

(11)  Richtlijn 67/548/EEG met aanpassingen aan de REACH-verordening conform Richtlijn 2006/121/EG van het Europees Parlement en de Raad () en Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad () als gewijzigd.

(12)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 849.

(13)  PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

(14)  Indien er in de lidstaat waar het product op de markt wordt gebracht nationale eisen of respectieve testprocedures voor de afgifte van nikkel uit coating bestaan, kan een bewijs dat aan deze nationale eisen is voldaan worden ingediend in plaats van naleving van deze eisen aan te tonen.

(15)  EN 16058 Influence of metallic materials on water intended for human consumption — Dynamic rig test for assessment of surface coatings with nickel layers — Long-term test method.

(16)  Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur.

(17)  http://echa.europa.eu/chem_data/authorisation_process/candidate_list_table_en.asp

Aanhangsel

De volgende informatie is gebaseerd op het verslag „GOEDKEURING VAN METALLISCHE MATERIALEN GEBRUIKT VOOR PRODUCTEN DIE MET DRINKWATER IN AANRAKING KOMEN. Gemeenschappelijke aanpak. Deel A — Goedkeuringsprocedure en deel B — Gemeenschappelijke samenstellingslijst” raadpleegbaar via http://www.umweltbundesamt.de/wasser/themen/trinkwasser/4ms-initiative-nl.htm.

Uittreksel 1 van de „GOEDKEURING VAN METALLISCHE MATERIALEN GEBRUIKT VOOR PRODUCTEN DIE MET DRINKWATER IN AANRAKING KOMEN. Gemeenschappelijke aanpak. Deel A — Goedkeuringsprocedure”, voorgesteld in hoofdstuk 2.

1.   Goedkeuring van metallische materialen op de samenstellingslijst

Metallische materialen gebruikt voor producten die met drinkwater in aanraking komen, moeten in de samenstellingslijst zijn opgenomen.

1.1.   Procedure voor het toevoegen van materialen aan de samenstellingslijst

De primaire verantwoordelijkheid voor de beoordeling van materialen blijft op het nationale niveau liggen, waar wordt gebruikgemaakt van gevestigde processen en de aldaar beschikbare deskundigheid. De interpretatie van de testresultaten en de toepassing van de hieronder beschreven goedkeuringscriteria is echter complex. Daarom moet een comité van deskundigen advies geven tijdens het besluitvormingsproces.

Het deskundigencomité moet over de volgende deskundigheid beschikken:

deskundige kennis over corrosie en afgifte van metalen;

deskundigheid inzake toxicologie en evaluatie van drinkwaterkwaliteit in verband met gezondheidsaspecten;

kennis van de wijzen waarop metallische materialen en producten worden gebruikt bij drinkwaterbehandeling en -voorziening.

De groep van vier lidstaten zijn een gezamenlijke procedure voor het opnemen van materialen op een gemeenschappelijke samenstellingslijst overeengekomen. Deze procedure wordt beschreven in deel B van dit document.

1.2.   Structuur van de samenstellingslijst

De samenstellingslijst bevat verschillende categorieën metallische materialen.

Een categorie wordt gedefinieerd als:

een groep materialen met dezelfde eigenschappen wat betreft toepassingsgebied, gedrag in aanraking met drinkwater en beperkingen ten aanzien van de watersamenstelling en/of het contactoppervlak.

De samenstellingslijst bevat de samenstellingen van de categorieën.

Elke categorie heeft een referentiemateriaal.

Een referentiemateriaal wordt gedefinieerd als:

een materiaal binnen een categorie waarvan de eigenschappen van de afgifte van metalen naar drinkwater bekend en reproduceerbaar zijn, waarvan de samenstelling strikt wordt gecontroleerd en waarvan de van belang zijnde componenten zich op of nabij de bovengrens voor aanvaardbaarheid bevinden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de mogelijke effecten van bepaalde bestanddelen die de afgifte van metalen kunnen remmen.

Onder elke categorie worden de in de handel verkrijgbare metalen genoemd die zijn toegestaan voor gebruik in producten die met drinkwater in aanraking komen. Vanwege de beperkingen ten aanzien van het contactoppervlak mogen de materialen enkel voor bepaalde producten worden gebruikt (tabel 1).

Tabel 1

Productgroepen voor metallische materialen

Productgroep

Voorbeelden van producten of delen van producten

Aangenomen contactoppervlak

„a”

A

Leidingen in gebouwinstallaties

Ongecoate pijpleidingen in waterleidingstelsels

100 %

B

Fittingen

Hulpstukken

Delen van pompen in gebouwinstallaties

Delen van ventielen in gebouwinstallaties

10 %

C

Bewegende delen van watermeters

Delen van pompen in waterleidingstelsels

Delen van ventielen in waterleidingstelsels

1 %

—   Productgroep A: tot 100 % contactoppervlak

Voor leidingen in een gebouwinstallatie mag voor alle diameters hetzelfde materiaal worden gebruikt. Het oppervlak dat met water in aanraking komt, kan voor bijna 100 % bestaan uit een enkel materiaal, bijvoorbeeld koper, gegalvaniseerd staal of roestvrij staal. Voor de evaluatie van de voorwaarden voor veilig gebruik moet van het hoogst mogelijke percentage worden uitgegaan. Als een samenstelling wordt goedgekeurd voor gebruik als leiding, wordt zij goedgekeurd voor elk gebruik (fittingen, onderdelen enz.).

Deze groep omvat tevens ongecoate metallische pijpleidingen in waterleidingstelsels en waterbehandelingsprocessen.

—   Productgroep B: tot 10 % contactoppervlak

Fittingen of hulpstukken in gebouwinstallaties kunnen worden vervaardigd uit een materiaal of uit materialen die daar licht van afwijken. De meest voorkomende zijn gemaakt van koperlegeringen die lood bevatten. Omdat uit deze legeringen vervaardigde producten lood kunnen afgeven, moet het totale contactoppervlak ervan worden beperkt. Voor beoordelingen van de materialen voor deze producten wordt uitgegaan van een bijdrage van 10 % aan het watercontactoppervlak.

Deze groep omvat tevens metallische onderdelen van in gebouwinstallaties gebruikte pompen en ventielen.

—   Productgroep C: minder dan 1 % van het contactoppervlak

Om technische redenen kan het nodig zijn kleine delen te vervaardigen uit samenstellingen die niet zijn goedgekeurd voor productgroep B, fittingen en hulpstukken. Andere samenstellingen met hogere afgiftepercentages kunnen in deze onderdelen worden aanvaard zolang het gebruik ervan de totale contaminatie van het drinkwater niet aanzienlijk verhoogt. Het gebruik van zulke samenstellingen moet worden beperkt tot delen die niet meer dan 1 % uitmaken van het totale oppervlak dat met drinkwater in aanraking komt; zo moet het grootste deel van een watermeter uit een voor productgroep B goedgekeurde samenstelling worden vervaardigd, maar mag een bewegend deel worden vervaardigd uit een in productgroep C opgenomen materiaal.

Deze groep omvat tevens metallische onderdelen van in waterleidingstelsels en waterbehandelingsprocessen gebruikte pompen en ventielen.

1.3.   Voor de beoordeling vereiste gegevens

De goedkeuring van metallische materialen is gebaseerd op de resultaten van langetermijntests in een proefinstallatie volgens EN 15664-1. De minimale testperiode is zes maanden en kan worden verlengd. Aanvullende eisen voor het testen volgens EN 15664-1 zijn beschreven in 1.4 en 1.5.

Voor de goedkeuring van een referentiemateriaal is de goedkeuring van de resultaten van de EN 15664-1-test nodig die is uitgevoerd met verschillende waters (zie EN 15664-2) die de normale samenstellingen van de verschillende drinkwaters in de EU vertegenwoordigen.

Om een materiaal aan een categorie toe te voegen, moet het via een vergelijkende test volgens EN 15664-1 aan het referentiemateriaal worden getoetst. Voor vergelijkende tests volstaat het een plaatselijk drinkwater te gebruiken, op voorwaarde dat het water voldoende corrosief is (zie EN 15664-2).

De volgende informatie moet worden verstrekt:

verslagen van tests volgens EN 15664-1;

testverslagen over de samenstelling van het geteste monster;

voor elke samenstelling, informatie over de grenzen voor de voornaamste bestanddelen van de legering en maximumwaarden voor onzuiverheden. Zulke grenzen zijn strikter voor referentiematerialen dan voor commerciële legeringen;

bestaande toepasselijke Europese norm(en) voor het materiaal;

de kenmerken van het materiaal;

producten die uit het materiaal worden vervaardigd en het gebruik ervan (a-factor);

het productieproces;

andere informatie die passend wordt geacht voor de beoordeling.

1.4.   Specificatie van het testmonster

Voor het testen van materiaal volgens EN 15664-1 moeten de testmonsters een bepaalde samenstelling hebben.

Alle bestanddelen die meer dan 0,02 % bedragen, kunnen van belang zijn en moeten worden opgegeven voor de samenstelling van het op te nemen materiaal. Voor onzuiverheden van minder dan 0,02 % is het de verantwoordelijkheid van de producent van de legeringen/materialen om te waarborgen dat er geen afgifte met mogelijke negatieve gezondheidseffecten plaatsvindt.

De samenstelling van de testmonsters is als volgt:

1.4.1.   Referentiematerialen

De testmonsters die worden ingediend om een nieuw referentiemateriaal te testen en de als referentiematerialen voor de vergelijkende tests gebruikte testmonsters moeten aan de volgende eisen voldoen:

Onderdelen en onzuiverheden moeten zich binnen het meegedeelde bereik bevinden.

Opmerking: De samenstelling van het referentiemateriaal moet worden goedgekeurd voor de aanvang van de tests. Het bereik van de samenstelling moet zeer beperkt zijn en het referentiemateriaal moet in termen van afgifte van het zorgwekkende metaal een worstcasemateriaal voor de categorie zijn.

1.4.2.   Kandidaat-materialen voor vergelijkende tests

Het bereik van de samenstelling en de toegestane onzuiverheden van de kandidaat-materialen moeten worden bepaald. Vergelijkende tests zijn mogelijk indien het vastgestelde bereik van de samenstelling van het kandidaat-materiaal voldoet aan de voorwaarden van een bestaande categorie materialen.

De samenstelling van de voor tests gebruikte testmonsters moet beperkter zijn dan het vastgestelde bereik van de samenstelling van het materiaal. Op basis van de kennis over koperlegeringen moet de samenstelling van de testmonsters aan de volgende eisen voldoen:

 

Bestanddelen:

Cu en Zn als bestanddelen moeten zich binnen het meegedeelde bereik bevinden;

een bestanddeel moet groter zijn dan 66 % van het meegedeelde bereik. (bijvoorbeeld: indien het meegedeelde bereik ≤ 0,15 % is, dan is 66 % van het bereik (0,15 %) 0,10 %; het gehalte van het bestanddeel moet daarom 0,10-0,15 % bedragen);

Al, Si en P moeten minder dan 50 % van het meegedeelde bereik bedragen;

het gehalte van alle andere bestanddelen moet groter dan 80 % van het meegedeelde bereik zijn (bijvoorbeeld: indien het meegedeelde bereik 1,6-2,2 % bedraagt, dan is 80 % van het bereik (0,6 %) 0,48 %; het gehalte van het bestanddeel moet daarom groter dan 2,08 % zijn).

 

Onzuiverheden:

In het contactwater te analyseren onzuiverheden (zie 1.5) moeten groter zijn dan 60 % van het meegedeelde maximumgehalte.

Voor andere niet-koperlegeringen kunnen deze eisen verschillen.

1.5.   Wateranalyse

Indien een nieuw referentiemateriaal wordt getest, moet het contactwater volgens EN 15664-1 worden geanalyseerd op alle elementen die meer dan 0,02 % van de samenstelling van het meegedeelde materiaal uitmaken, met uitzondering van:

Sn, Si en P indien aanwezig als bestanddelen;

Fe, Sn, Mn, Al, Si en P indien aanwezig als onzuiverheden in de legering.

Voor vergelijkende tests mag de analyse van het contactwater worden beperkt tot bepaalde voor elke categorie in de samenstellingslijst gespecificeerde elementen.

1.6.   Goedkeuringscriteria

In tabel 2 worden de aanvaardbare bijdragen van metallische producten die met drinkwater in aanraking komen aan de totale concentraties van metalen in consumentenkranen voorgesteld. Ze is gebaseerd op de goedkeuringswaarden voor chemische en indicatorparameterwaarden in de drinkwaterrichtlijn. De aanvaardbare bijdragen zijn afgeleid aan de hand van de volgende principes:

90 % voor elementen waarvoor metallische producten die met drinkwater in aanraking komen de enige belangrijke bron van contaminatie vormen;

50 % voor elementen waarvoor andere bronnen van contaminatie mogelijk zijn.

In het geval van andere parameters die niet in de drinkwaterrichtlijn zijn opgenomen, zijn de volgende criteria gebruikt:

zink: dit element is niet toxisch in de concentraties die worden aangetroffen in waterleidingstelsels waarin leidingen uit gegalvaniseerd staal zijn gebruikt. Zink kan echter tot klachten over de smaak en het voorkomen van water leiden. De voorgestelde referentiewaarde is vastgesteld om te waarborgen dat de esthetische aanvaardbaarheid van water niet wordt verminderd door zink (WHO, 2004).

tin, bismut, molybdeen, titaan: deze referentiewaarden zijn gebaseerd op voorlopige waarden die door een deskundige inzake toxicologie zijn aanbevolen (Fawell, 2003).

overige metalen: zo nodig wordt deskundigen inzake toxicologie om advies over een passende referentiewaarde verzocht.

Om tijd te geven voor de ontwikkeling van natuurlijke beschermlagen wordt voorgesteld dat de testprocedure een aanpassingsperiode van drie maanden simuleert, waarin een lichte afwijking van de referentieconcentratie wordt getolereerd.

Tabel 2

Aanvaardbare bijdragen en referentieconcentraties voor de goedkeuring van metallische bestanddelen van metallische producten die met drinkwater in aanraking komen

Parameter

Aanvaardbare bijdrage van metallische producten die met drinkwater in aanraking komen

Parameterwaarde van de drinkwaterrichtlijn of voorgestelde referentiewaarde in het drinkwater

(μg/l)

Referentieconcentratie „RC” voor het goedkeuringstelsel

(μg/l)

Deel B:   Chemische parameters

Antimoon

50 %

5

2,5

Arsenicum

50 %

10

5

Chroom

50 %

50

25

Cadmium

50 %

5

2,5

Koper

90 %

2 000

1 800

Lood

50 %

10

5

Nikkel

50 %

20

10

Seleen (selenium)

50 %

10

5

Deel C:   Indicatorparameters

Aluminium

50 %

200

100

IJzer

50 %

200

100

Mangaan

50 %

50

25

Andere: niet opgenomen in de drinkwaterrichtlijn

Bismut

90 %

10

9

Molybdeen

50 %

20

10

Tin

50 %

6 000

3 000

Titaan

50 %

15

7,5

Zink

90 %

3 000

2 700

1.7.   Toevoeging van een referentiemateriaal voor een categorie of van een materiaal dat niet onder een opgenomen categorie valt

De toevoeging van of wijziging van het bereik van een legeringselement kan een legering buiten een categorie doen vallen en deze wijziging kan de metaalafgiftekenmerken van het materiaal aanzienlijk beïnvloeden. In dit geval en voor een legering die representatief is voor een categorie (referentiemateriaal) wordt de volgende informatie verstrekt.

de in 1.3 genoemde informatie;

wanneer een voorgestelde nieuwe samenstelling niet vergelijkbaar is met een opgenomen categorie materialen worden de volledige testresultaten verstrekt van de proefinstallatietests voor leidingen volgens EN15664-1 waarbij ten minste drie verschillende, in EN15664-2 vastgestelde drinkwaters worden gebruikt.

1.7.1.   Goedkeuring van een referentiemateriaal

Voor de beoordeling van de proefinstallatieresultaten (volgens EN 15664-1) wordt het rekenkundig gemiddelde van de equivalente leidingconcentraties MEPn(T) in aanmerking genomen.

Voor alle bedrijfsperioden (T) wordt een gemiddelde van de MEPn(T) van de drie testleidingen in een installatie berekend: MEPa(T).

Het materiaal kan worden goedgekeurd voor een productgroep met het aangenomen contactoppervlak a (zie tabel 1), indien:

I)

MEPa(T) * a ≤ RC voor T = 16, 21 en 26 weken

II)

MEPa(Tb) ≥ MEPa(T) voor {Tb, T} = {12, 16}, {16, 21} en {21, 26} weken

voor alle geteste drinkwaters worden nagekomen.

Deze test kan worden verlengd tot één jaar, indien niet aan criterium II is voldaan. In dit geval is het materiaal aanvaardbaar, indien

III)

MEPa(Tb) ≥ MEPa(T) voor {Tb, T} = {26, 39} en {39, 52} weken

voor de geteste drinkwaters wordt nagekomen, wanneer niet aan criterium II is voldaan.

De volledige reeks beschikbare gegevens moet in aanmerking worden genomen. Voor de proefinstallatie overeenkomstig EN 15664-1 zijn deze:

de resultaten van de individuele testleidingen;

de resultaten van de 4 uur durende stilstand; en

de parameters van de watersamenstelling.

Indien bovenop de eisen in EN 15664-1 stilstandmonsters zijn geanalyseerd, worden deze gegevens ook voor de beoordeling in aanmerking genomen.

Het comité van deskundigen beslist of de beschikbare gegevens van voldoende kwaliteit zijn (bijvoorbeeld geen grote afwijkingen tussen de drie testleidingen en verklaring van uitschieters) om een beoordeling uit te voeren en indien dat het geval is, om het materiaal goed te keuren op basis van de bovengenoemde criteria. Goedgekeurde materialen worden samen met de categorie als referentiemateriaal aan de samenstellingslijst toegevoegd.

1.8.   Toevoeging van materialen aan de samenstellingslijst binnen een categorie materialen

Wanneer is aangetoond dat de bestanddelen van een kandidaat-materiaal voor goedkeuring binnen een categorie vallen, kan het materiaal aan de samenstellingslijst worden toegevoegd op voorwaarde dat de resultaten van een vergelijkende test met het respectieve referentiemateriaal in een gestandaardiseerde proefinstallatietest volgens EN15664-1, met gebruikmaking van een in EN 15664-2 vastgesteld water bevredigend zijn.

Voor elk materiaal moet de volgende informatie worden verstrekt:

de in 1.3 genoemde informatie;

de resultaten van de vergelijkende tests aan de hand van de proefinstallatietest voor leidingen EN 15664-1 met betrekking tot het referentiemateriaal van de categorie.

1.8.1.   Goedkeuring van een materiaal door vergelijkende tests

Voor de beoordeling van de proefinstallatieresultaten (volgens EN 15664-1) wordt het rekenkundig gemiddelde van de equivalente leidingconcentraties MEPn(T) in aanmerking genomen.

Voor alle bedrijfsperioden (T) wordt een gemiddelde van de MEPn(T) van de drie testleidingen in de installatie berekend: MEPa(T).

Voor het referentiemateriaal wordt MEPa,RM(T) van de drie referentieleidingen in aanmerking genomen.

Het materiaal kan worden goedgekeurd voor een productgroep met het aangenomen contactoppervlak a van het referentiemateriaal (zie tabel 1), indien:

I)

MEPa(T) ≤ MEPa,RM(T) voor T = 16, 21 en 26 weken

II)

MEPa(Tb) ≥ MEPa(T) voor {Tb, T} = {12, 16}, {16, 21} en {21, 26} weken

voor het geteste drinkwater worden nagekomen.

Deze test kan worden verlengd tot één jaar, indien niet aan criterium II is voldaan. In dit geval is het materiaal aanvaardbaar, indien

III)

MEPa(Tb) ≥ MEPa(T) voor {Tb, T} = {26, 39} en {39, 52} weken

wordt nagekomen.

De volledige reeks beschikbare gegevens moet in aanmerking worden genomen. Voor de proefinstallatie overeenkomstig EN 15664-1 zijn deze:

de resultaten van de individuele testleidingen;

de resultaten van 4 uur durende stilstand; en

de parameters van de watersamenstelling.

Indien bovenop de eisen in EN 15664-1 stilstandmonsters zijn geanalyseerd, worden deze gegevens ook voor de beoordeling in aanmerking genomen.

Het comité van deskundigen beslist of de beschikbare gegevens van voldoende kwaliteit zijn (bijvoorbeeld geen grote afwijkingen tussen de drie testleidingen en verklaring van uitschieters) om een beoordeling uit te voeren en indien dat het geval is, om de materialen goed te keuren op basis van de bovengenoemde criteria. Goedgekeurde materialen worden toegevoegd aan de samenstellingslijst voor de categorie van het voor de vergelijkende tests gebruikte referentiemateriaal.

Uittreksel 2 van de „GOEDKEURING VAN METALLISCHE MATERIALEN GEBRUIKT VOOR PRODUCTEN DIE MET DRINKWATER IN AANRAKING KOMEN. Gemeenschappelijke aanpak. Deel B — Gemeenschappelijke samenstellingslijst” voorgesteld in hoofdstuk 2.

Koperlegeringen

Koper-zink-loodlegeringen

1.8.1.1.   Categorie

Samenstellingsgrenzen van de categorie

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

≥ 57,0

Antimoon

0,02

Zink

Rest

Arsenicum

0,02

Lood

≤ 3,5

Bismut

0,02

Aluminium

≤ 1,0

Cadmium

0,02

IJzer

≤ 0,5

Chroom

0,02

Silicium

≤ 1,0

Nikkel

0,2

Tin

≤ 0,5

 

 


Samenstelling van het referentiemateriaal

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

57,0-59,0

Antimoon

0,02

Zink

Rest

Arsenicum

0,02

Lood

1,9-2,1

Bismut

0,02

 

 

Cadmium

0,02

 

 

Chroom

0,02

 

 

Nikkel

0,2

 

 

Aluminium

0,2

 

 

IJzer

0,3

 

 

Silicium

0,02

 

 

Tin

0,3

In aanmerking te nemen elementen in het migratiewater:

Lood, nikkel, koper, zink

Toevoeging van:

Voor elk element: Goedkeuringsfactoren ten opzichte van het vermelde referentiemateriaal

1.8.1.2.   Goedgekeurde legeringen

Goedgekeurde legering messing B2 (gebaseerd op CW617N CW612N)

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

57,0-60,0

Antimoon

0,02

Zink

Rest

Arsenicum

0,02

Lood

1,6-2,2

Bismut

0,02

 

 

Cadmium

0,02

 

 

Chroom

0,02

 

 

Nikkel

0,1

 

 

Aluminium

0,05

 

 

IJzer

0,3

 

 

Silicium

0,03

 

 

Tin

0,3

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Productgroep B

Productgroep C

Basis voor goedkeuring

Duits conormatief onderzoeksverslag RG_CPDW_01_074

Dossier John Nuttall (maart 2006)

Goedgekeurde legering messing B1 (gebaseerd op CW614N, CW603N)

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

57,0-62,0

Antimoon

0,02

Zink

Rest

Arsenicum

0,02

Lood

2,5-3,5

Bismut

0,02

 

 

Cadmium

0,02

 

 

Chroom

0,02

 

 

Nikkel

0,2

 

 

Aluminium

0,05

 

 

IJzer

0,3

 

 

Silicium

0,03

 

 

Tin

0,3

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Productgroep C

Basis voor goedkeuring

Duits conormatief onderzoeksverslag RG_CPDW_01_074

Dossier John Nuttall (maart 2006)

Koper-zink-lood-arsenicumlegeringen

1.8.1.3.   Categorie

Samenstellingsgrenzen van de categorie

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

≥ 61,0

Antimoon

0,02

Zink

Rest

Bismut

0,02

Arsenicum

≤ 0,15

Cadmium

0,02

Lood

≤ 2,2

Chroom

0,02

Aluminium

≤ 1,0

Nikkel

0,2

IJzer

≤ 0,5

 

 

Silicium

≤ 1,0

 

 

Tin

≤ 0,5

 

 


Samenstelling van het referentiemateriaal

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

61,0-63,0

Antimoon

0,02

Zink

Rest

Bismut

0,02

Arsenicum

0,09-0,13

Cadmium

0,02

Lood

1,4-1,6

Chroom

0,02

Aluminium

0,5-0,7

Nikkel

0,2

 

 

IJzer

0,12

 

 

Silicium

0,02

 

 

Tin

0,3

In aanmerking te nemen elementen in het migratiewater:

Lood, nikkel, arsenicum, koper, zink

Beperkingen op het gebruik van metallische materialen in verband met de watersamenstelling (gezondheidsgebaseerd)

Gebaseerd op de resultaten van lopend gericht onderzoek (door de sector) worden de legeringselementen (bestanddelen) en de onzuiverheden zodanig beperkt dat de legeringen in elk drinkwater kunnen worden gebruikt.

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Productgroep B

Productgroep C

Basis voor het voorstel

Dossier John Nuttall (maart 2006)

Toevoeging van:

Voor elk element: Goedkeuringsfactoren ten opzichte van het vermelde referentiemateriaal

Koper-tin-zink-loodlegeringen

1.8.1.4.   Categorie

Samenstellingsgrenzen van de categorie

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

Rest

Aluminium

0,01

Zink

≤ 6,5

Antimoon

0,1

Tin

≤ 13,0

Arsenicum

0,03

Lood

≤ 3,0

Bismut

0,02

Nikkel

≤ 0,6

Cadmium

0,02

 

 

Chroom

0,02

 

 

IJzer

0,3

 

 

Silicium

0,01


Samenstelling van het referentiemateriaal

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

Rest

Aluminium

0,01

Zink

5,9-6,2

Antimoon

0,1

Tin

3,9-4,1

Arsenicum

0,03

Lood

2,8-3,0

Bismut

0,02

Nikkel

0,5-0,6

Cadmium

0,02

 

 

Chroom

0,02

 

 

IJzer

0,3

 

 

Silicium

0,01

In aanmerking te nemen elementen in het migratiewater:

Lood, nikkel, antimoon, koper, zink, tin

Toevoeging van:

Voor elk element: Goedkeuringsfactoren ten opzichte van het vermelde referentiemateriaal

1.8.1.5.   Goedgekeurde legeringen

Goedgekeurde legering geschutbrons GM1 (gebaseerd op CC491K)

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

84,0 - 88,0

Aluminium

0,01

Zink

4,0-6,0

Antimoon

0,1

Tin

4,0-6,0

Arsenicum

0,03

Lood

2,5-3,0

Bismut

0,02

Nikkel

0,1-0,6

Cadmium

0,02

 

 

Chroom

0,02

 

 

IJzer

0,3

 

 

Silicium

0,01

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Productgroep B

Productgroep C

Basis voor het voorstel: Duits conormatief onderzoeksverslag RG_CPDW_01_074, Dossier John Nuttal (maart 2006)

Kopers

Koper

1.8.1.6.   Categorie

Samenstellingsgrenzen van de categorie

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

≥ 99,9

Overige totaal

≤ 0,1

Fosfor

≤ 0,04

 

 


Referentiesamenstelling

Bestanddeel

EN-nummer

Cu-DHP

CW 024A

In aanmerking te nemen elementen in het migratiewater:

Geen: geen vergelijkende tests nodig

1.8.1.7.   Goedgekeurde legeringen

Koper (Cu-DHP)

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Koper

≥ 99,9

Overige totaal

≤ 0,1

Fosfor

≤ 0,04

 

 

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Productgroep A

Productgroep B

Productgroep C

Beperkingen op het gebruik van metallische materialen in verband met de watersamenstelling (gezondheidsgebaseerd)

De formatie van de koperverbindingen aan het oppervlak van koperen leidingen en bijgevolg de oplossing worden sterk beïnvloed door kleine onderdelen van de watersamenstelling. In bepaalde watersamenstellingen kan de uitlogingsgraad van koper onaanvaardbaar hoog zijn. De lidstaten moeten de watersector alsmede leveranciers en installateurs van koperen leidingen mogelijk richtsnoeren verstrekken over beperkingen die mogelijk moeten worden gesteld aan het gebruik van koperen leidingen bij watersamenstellingen waarin buitensporige uitloging van koper kan voorkomen.

Er moet verder onderzoek naar de verenigbaarheid van koper met bepaalde watersamenstellingen worden gevoerd aan de hand van geharmoniseerde onderzoeks- en evaluatieprocedures.

Basis voor het voorstel

Er is behoefte aan onderzoeksresultaten en praktische ervaring in verscheidene lidstaten om de voorwaarden voor veilig gebruik te bepalen.

Opmerking:

De contaminatie van drinkwater door koperen leidingen hangt af van verscheidene kenmerken van de watersamenstelling. Er bestaat op dit ogenblik geen consensus over de gecombineerde actie en interactie ervan. Er is met name onvoldoende informatie over de reeks samenstellingen van drinkwater waarvoor niet-naleving van de drinkwaterrichtlijn waarschijnlijk is.

Leidingen en fittingen van vertind koper

Voor buizen van vertind koper en fittingen van vertind koper wordt als uitgangsmateriaal koper overeenkomstig 4.3.1 gebruikt. Op dit substraatmateriaal wordt door verschillende processen een tinlaag afgezet. Door de diffusie van koperionen in de tinlaag vindt de formatie van een toenemende intermetallische verbinding bestaande uit tin en koper (η-fase = Cu6Sn5) plaats.

1.8.1.8.   Categorie

Samenstellingsgrenzen van de categorie: tinlaag

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid van

Maximum (%)

Tin en koper

99,90

Antimoon

0,01

 

 

Arsenicum

0,01

 

 

Bismut

0,01

 

 

Cadmium

0,01

 

 

Chroom

0,01

 

 

Lood

0,01

 

 

Nikkel

0,01


Referentiesamenstelling

Koperen buis overeenkomstig EN 1057

Bestanddeel

EN-nummer

Cu-DHP

CW 024A

1.8.1.9.   Goedgekeurde legeringen

CW 024A-koper met een tinlaag met een dikte van 1μm met de volgende samenstelling:

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid van

Maximum (%)

Tin

90

Antimoon

0,01

Koper

< 10

Arsenicum

0,01

 

 

Bismut

0,01

 

 

Cadmium

0,01

 

 

Chroom

0,01

 

 

Lood

0,01

 

 

Nikkel

0,01

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Productgroep A

Productgroep B

Productgroep C

Basis voor het voorstel:

Uitloogproeven

a

:

Proefinstallatietests in representatieve Duitse drinkwaters, gepubliceerd: A. Baukloh, S. Priggemeyer, U. Reiter, B. Winkler, Chemically inner tinned Copper Pipes, Less Copper in Corrosive Drinking Waters, Metall 10-11 (1998) 592 - 600.

b

:

Proefinstallatietests overeenkomstig DIN 50931 (proefinstallatietest): Technisch verslag DVGW/TZW, 2000

Reeds bestaande goedkeuringen zonder beperkingen in drinkwaters

Nederland: overeenkomstig BRL-K19005,

Duitsland: overeenkomstig DIN 50930, T6 en DVGW GW 392

Denemarken, ETA

Gegalvaniseerd staal

1.8.1.10.   Categorie

De zinkcoating die ontstaat tijdens het galvaniseringsproces moet aan de volgende eisen voldoen:

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Zink

 

Antimoon

0,01

 

 

Arsenicum

0,02

 

 

Cadmium

0,01

 

 

Chroom

0,02

 

 

Lood

0,05

 

 

Bismut

0,01

1.8.1.11.   Goedgekeurde legeringen

De zinkcoating die ontstaat tijdens het galvaniseringsproces moet aan de volgende eisen voldoen:

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

Zink

 

Antimoon

0,01

 

 

Arsenicum

0,02

 

 

Cadmium

0,01

 

 

Chroom

0,02

 

 

Lood

0,05

 

 

Bismut

0,01

Richtsnoeren over beperkingen op het gebruik van metallische materialen in verband met de watersamenstelling

De volgende formule wordt voorgesteld als een middel ter identificatie van watersamenstellingen met aanvaardbare corrosiesnelheden voor gegalvaniseerd staal.

pH ≥ 7,5 of vrij CO2 ≤ 0,25 mmol/L

EN

Alkaliniteit ≥ 1,5 mmol/L

EN

S1 < 2 (definitie van S1 hieronder)

EN

Calcium ≥ 0,5 mmol/L

EN

Geleidingsvermogen ≤ 600 μS/cm bij 25 °C

EN

S2 < 1 of S2> 3 (definitie van S2 hieronder)

Formula concentraties in mmol/l

Formula concentraties in mmol/l

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Productgroep A

Productgroep B

Productgroep C

Basis voor het voorstel

Er is regelgeving inzake watersamenstelling in Frankrijk (DTU 60.1/NF P 40-201) en in Duitsland (DIN 50930-3). Deze grenswaarden zijn gebaseerd op praktische ervaring maar worden op verschillende manieren uitgedrukt. Het voorstel behelst voornamelijk dezelfde watersamenstellingen als de twee regelgevingen. Het voorstel houdt rekening met de beschikbare resultaten van onderzoek in Duitsland en conormatief onderzoek.

Het voorstel omvat tevens de in EN 12502-3 opgenomen aanbevelingen met betrekking tot het risico op lokale corrosie. Deze lokale corrosie leidt frequent tot een vermindering van de waterkwaliteit door de corrosieproducten van ijzer.

Het voorstel is gebaseerd op de resultaten die zijn verkregen met leidingen uit gegalvaniseerd staal met loodconcentraties tussen 1,0 % en 0,6 % in de zinklaag, uitgaande van een soortgelijk gedrag van leidingen met lagere loodconcentraties.

Koolstofstaal

Koolstofstaal voor leidingen en tanks

Koolstofstaal zonder permanente beschermlagen is niet geschikt voor gebruik in aanraking met drinkwater.

Koolstofstaal voor hulpstukken

Onbeschermd koolstofstaal kan voor specifieke toepassingen (bijvoorbeeld pompen, ventielen) worden gebruikt en enkel voor een klein oppervlak dat met water in aanraking komt.

1.8.1.12.   Categorie

De bestanddelen en onzuiverheden mogen de hieronder vastgestelde grenswaarden niet overschrijden:

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

IJzer

 

Antimoon

0,02

Koolstof

≤ 2,11

Arsenicum

0,02

Chroom

≤ 1,0

Cadmium

0,02

Molybdeen

≤ 1,0

Lood

0,02

Nikkel

≤ 0,5

 

 

1.8.1.13.   Goedgekeurde legeringen

De bestanddelen en onzuiverheden mogen de hieronder vastgestelde grenswaarden niet overschrijden:

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

IJzer

 

Antimoon

0,02

Koolstof

≤ 2,11

Arsenicum

0,02

Chroom

≤ 1,0

Cadmium

0,02

Molybdeen

≤ 1,0

Lood

0,02

Nikkel

≤ 0,5

 

 

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Groep C

Basis voor het voorstel

Italiaanse ontwerpregelgeving

Berekening van het mogelijke effect op drinkwater

Gietijzer

Gietijzer voor leidingen en tanks

Gietijzer zonder permanente beschermlagen is niet geschikt voor leidingen en fittingen die met drinkwater in aanraking komen.

Gietijzer voor hulpstukken

Onbeschermd gietijzer kan voor specifieke toepassingen (bijvoorbeeld pompen, ventielen) worden gebruikt en enkel voor een zeer klein oppervlak dat met water in aanraking komt. De samenstelling ervan moet worden gereguleerd.

1.8.1.14.   Categorie

De bestanddelen en onzuiverheden mogen de hieronder vastgestelde grenswaarden niet overschrijden:

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

 

 

Antimoon

0,02

IJzer

 

Arsenicum

0,02

Koolstof

 

Cadmium

0,02

Chroom

≤ 1,0

Lood

0,02

Molybdeen

≤ 1,0

 

 

Nikkel

≤ 6,0

 

 

1.8.1.15.   Goedgekeurde legeringen

De bestanddelen en onzuiverheden mogen de hieronder vastgestelde grenswaarden niet overschrijden:

Bestanddeel

Gehalte (%)

Onzuiverheid

Maximum (%)

 

 

Antimoon

0,02

IJzer

 

Arsenicum

0,02

Koolstof

 

Cadmium

0,02

Chroom

≤ 1,0

Lood

0,02

Molybdeen

≤ 1,0

 

 

Nikkel

≤ 6,0

 

 

Goedgekeurd voor de volgende productgroepen

Groep C

Basis voor het voorstel

Italiaanse ontwerpregelgeving

Franse regelgeving

Berekening van het mogelijke effect op drinkwater


31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/31


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2013

tot vaststelling van de financiële bijdrage van de Unie in de kosten van de noodvaccinatieprogramma’s ter bestrijding van bluetongue in Portugal in 2007 en 2008

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2864)

(Slechts de tekst in de Portugese taal is authentiek)

(2013/251/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name artikel 3, leden 3 en 4, en artikel 3, lid 6, tweede streepje,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (2) (hierna het „Financieel Reglement” genoemd), en met name artikel 84,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 84 van het Financieel Reglement en artikel 94 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (3) (hierna „de uitvoeringsvoorschriften” genoemd) moet de vastlegging van een uitgave uit de begroting van de Unie worden voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling of de door haar gedelegeerde autoriteiten, waarin de essentiële elementen worden uiteengezet van een actie die een uitgave ten laste van de begroting meebrengt.

(2)

Beschikking 2009/470/EG stelt de procedures vast voor de financiële bijdrage van de Unie in de kosten van specifieke veterinaire maatregelen, waaronder urgente maatregelen. Om bluetongue zo spoedig mogelijk te helpen uitroeien, moet de Unie financieel bijdragen in de door de lidstaten gemaakte subsidiabele kosten. Artikel 3, lid 6, tweede streepje, van die beschikking bevat voorschriften inzake het op de door de lidstaten gemaakte kosten toe te passen percentage.

(3)

Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie (4) stelt voorschriften vast inzake de communautaire financiering van de in Beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen en maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten. Artikel 3 van die verordening stelt voorschriften vast inzake de uitgaven die in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Unie.

(4)

Bij Beschikking 2008/655/EG van de Commissie (5) heeft de Unie een financiële bijdrage toegekend voor noodmaatregelen ter bestrijding van bluetongue in Portugal in 2007 en 2008.

(5)

Op 30 maart 2009 heeft Portugal een officieel verzoek om vergoeding ingediend overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 349/2005. De opmerkingen van de Commissie, de wijze van berekening van de subsidiabele kosten en de slotconclusies zijn per brief van 16 februari 2012 aan Portugal meegedeeld. De definitieve reactie met de instemming van de Portugese autoriteiten is op 3 augustus 2012 ontvangen.

(6)

De financiële bijdrage van de Unie wordt alleen uitbetaald als de geplande activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de autoriteiten alle noodzakelijke informatie binnen de vastgestelde termijnen hebben verstrekt.

(7)

De Portugese autoriteiten hebben volledig voldaan aan hun technische en administratieve verplichtingen overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Beschikking 2009/470/EG en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 349/2005.

(8)

Rekening houdend met het voorgaande moet nu — overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Beschikking 2008/655/EG — het totale bedrag worden vastgesteld van de financiële bijdrage van de Unie in de subsidiabele kosten voor de uitroeiing van bluetongue in Portugal in 2007 en 2008.

(9)

Een eerste tranche van 1 498 023,27 EUR, een tweede tranche van 900 000,00 EUR en een derde tranche van 550 000,00 EUR zijn al uitbetaald.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De financiële bijdrage van de Unie in de kosten voor de uitroeiing van bluetongue in Portugal in 2007 en 2008 is vastgesteld op 2 986 419,35 EUR. Het is een financieringsbesluit in de zin van artikel 84 van het Financieel Reglement.

Artikel 2

Aangezien de totale bijdrage van de Unie is vastgesteld op 2 986 419,35 EUR, bedraagt het nog uit te betalen saldo 38 396,08 EUR.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2013.

Voor de Commissie

Tonio BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.

(2)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(3)  PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.

(4)  PB L 55 van 1.3.2005, blz. 12.

(5)  PB L 214 van 9.8.2008, blz. 66.


31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/33


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 27 mei 2013

tot vaststelling van de financiële bijdrage van de Unie in de kosten van de noodvaccinatieprogramma’s ter bestrijding van bluetongue in Denemarken in 2007 en 2008

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2865)

(Slechts de tekst in de Deense taal is authentiek)

(2013/252/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (1), en met name artikel 3, leden 3 en 4, en artikel 3, lid 6, tweede streepje,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (2) (hierna het „Financieel Reglement” genoemd), en met name artikel 84,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 84 van het Financieel Reglement en artikel 94 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (3) (hierna „de uitvoeringsvoorschriften” genoemd) moet de vastlegging van een uitgave uit de begroting van de Unie worden voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling of de door haar gedelegeerde autoriteiten, waarin de essentiële elementen worden uiteengezet van een actie die een uitgave ten laste van de begroting meebrengt.

(2)

Beschikking 2009/470/EG stelt de procedures vast voor de financiële bijdrage van de Unie in de kosten van specifieke veterinaire maatregelen, waaronder urgente maatregelen. Om bluetongue zo spoedig mogelijk te helpen uitroeien, moet de Unie financieel bijdragen in de door de lidstaten gemaakte subsidiabele kosten. Artikel 3, lid 6, tweede streepje, van die beschikking bevat voorschriften inzake het op de door de lidstaten gemaakte kosten toe te passen percentage.

(3)

Verordening (EG) nr. 349/2005 van de Commissie (4) stelt voorschriften vast inzake de communautaire financiering van de in Beschikking 90/424/EEG van de Raad bedoelde urgente maatregelen en maatregelen ter bestrijding van bepaalde dierziekten. Artikel 3 van die verordening stelt voorschriften vast inzake de uitgaven die in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Unie.

(4)

Bij Beschikking 2008/655/EG van de Commissie (5) heeft de Unie een financiële bijdrage toegekend voor noodmaatregelen ter bestrijding van bluetongue in Denemarken in 2007 en 2008.

(5)

Op 31 maart 2009 heeft Denemarken een officieel verzoek om vergoeding ingediend overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 349/2005. De kostendeclaratie werd onderworpen aan een audit vooraf die in juli 2010 plaatsvond. De daaruit voortvloeiende aanbeveling is door de Deense autoriteiten uiteindelijk begin 2013 opgevolgd. De wijze van berekening door de Commissie van de subsidiabele kosten en de slotconclusies zijn per brief van 21 februari 2013 aan Denemarken meegedeeld. Denemarken heeft daar op 22 februari 2013 mee ingestemd.

(6)

De financiële bijdrage van de Unie wordt alleen uitbetaald als de geplande activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd en de autoriteiten alle noodzakelijke informatie binnen de vastgestelde termijnen hebben verstrekt.

(7)

De Deense autoriteiten hebben volledig voldaan aan hun technische en administratieve verplichtingen overeenkomstig artikel 3, lid 4, van Beschikking 2009/470/EG en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 349/2005.

(8)

Rekening houdend met het voorgaande moet nu — overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Beschikking 2008/655/EG — het totale bedrag worden vastgesteld van de financiële bijdrage van de Unie in de subsidiabele kosten voor de uitroeiing van bluetongue in Denemarken in 2007 en 2008.

(9)

Een eerste tranche van 800 000,00 EUR is al uitbetaald.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De financiële bijdrage van de Unie in de kosten voor de uitroeiing van bluetongue in Denemarken in 2007 en 2008 is vastgesteld op 3 061 529,48 EUR. Het is een financieringsbesluit in de zin van artikel 84 van het Financieel Reglement.

Artikel 2

Aangezien de totale bijdrage van de Unie is vastgesteld op 3 061 529,48 EUR bedraagt het nog uit te betalen saldo 2 261 529,48 EUR.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Denemarken.

Gedaan te Brussel, 27 mei 2013.

Voor de Commissie

Tonio BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.

(2)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(3)  PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1.

(4)  PB L 55 van 1.3.2005, blz. 12.

(5)  PB L 214 van 9.8.2008, blz. 66.


31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/35


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 29 mei 2013

tot wijziging van Beschikking 2006/473/EG wat betreft de erkenning van sommige derde landen en sommige gebieden van derde landen als zijnde vrij van Xanthomonas campestris (alle voor Citrus pathogene stammen), Cercospora angolensis Carv. et Mendes of Guignardia citricarpa Kiely (alle voor Citrus pathogene stammen)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 3057)

(2013/253/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 16.2, 16.3 en 16.4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2006/473/EG van de Commissie van 5 juli 2006 waarbij sommige derde landen en sommige gebieden van derde landen worden erkend als zijnde vrij van Xanthomonas campestris (alle voor Citrus pathogene stammen), Cercospora angolensis Carv. et Mendes of Guignardia citricarpa Kiely (alle voor Citrus pathogene stammen) (2) worden sommige derde landen en sommige gebieden van derde landen erkend als zijnde vrij van deze schadelijke organismen.

(2)

Bij Beschikking 2006/473/EG wordt Bangladesh erkend als zijnde vrij van Cercospora angolensis Carv. et Mendes en Guignardia citricarpa Kiely (alle voor Citrus pathogene stammen). Uit de door het Voedsel- en Veterinair Bureau in juni 2010 en februari 2013 in Bangladesh verrichte audit blijkt dat Bangladesh niet langer kan worden erkend als zijnde vrij van deze schadelijke organismen.

(3)

Bij Beschikking 2006/473/EG worden bepaalde staten van Brazilië erkend als zijnde vrij van Xanthomonas campestris (alle voor Citrus pathogene stammen) en bepaalde staten van Brazilië als zijnde vrij van Guignardia citricarpa Kiely (alle voor Citrus pathogene stammen). Uit de door Brazilië verstrekte informatie en de door het Voedsel- en Veterinair Bureau in november 2011 in Brazilië verrichte audit blijkt echter dat de staten Maranhão, Mato Grosso en Roraima niet langer kunnen worden erkend als zijnde vrij van Xanthomonas campestris, en dat de staten Amazonas, Bahia, Espírito Santo, Mato Grosso, Mato Grosso do Sul, Minas Gerais, Paraná en Santa Catarina niet langer kunnen worden erkend als zijnde vrij van Guignardia citricarpa Kiely.

(4)

Bij Beschikking 2006/473/EG wordt Ghana erkend als zijnde vrij van Cercospora angolensis Carv. et Mendes en Guignardia citricarpa Kiely (alle voor Citrus pathogene stammen). Uit de door het Voedsel- en Veterinair Bureau in april-mei 2012 in Ghana verrichte audit blijkt dat Ghana niet langer kan worden erkend als zijnde vrij van deze schadelijke organismen.

(5)

Bij Beschikking 2006/473/EG worden de Verenigde Staten erkend als zijnde vrij van Guignardia citricarpa Kiely (alle voor Citrus pathogene stammen). Uit de door de Verenigde Staten verstrekte informatie blijkt echter dat Collier County, Hendry County en Polk County in de staat Florida niet langer kunnen worden erkend als zijnde vrij van dit schadelijk organisme.

(6)

Bij Beschikking 2006/473/EG wordt ook Sudan erkend als derde land dat vrij is van voor Citrus pathogene Xanthomonas campestris. Zuid-Sudan is in 2011 een onafhankelijke natiestaat geworden. Bijgevolg moet Zuid-Sudan in die beschikking worden opgenomen als een derde land dat vrij is van voor Citrus pathogene Xanthomonas campestris.

(7)

Beschikking 2006/473/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2006/473/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder b), wordt vervangen door:

„b)

Afrika: Gambia, Ghana, Guinee, Kenia, Sudan, Swaziland, Zimbabwe, Zuid-Afrika en Zuid-Sudan;”;

b)

lid 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

Brazilië, met uitzondering van de staten Maranhão, Mato Grosso, Mato Grosso do Sul, Minas Gerais, Paraná, Rio Grande do Sul, Roraima, Santa Catarina en São Paulo;”.

2)

Artikel 2, onder a) en b), wordt vervangen door:

„a)

alle derde landen in Noord-, Midden- of Zuid-Amerika en in het Caribisch gebied, Azië (met uitzondering van Bangladesh en Jemen), Europa en Oceanië, waar citrusvruchten worden geproduceerd;

b)

alle derde landen in Afrika, waar citrusvruchten worden geproduceerd, met uitzondering van Angola, Centraal-Afrikaanse Republiek, Democratische Republiek Congo, Gabon, Ghana, Guinee, Kameroen, Kenia, Mozambique, Nigeria, Uganda, Zambia en Zimbabwe.”.

3)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, onder a), b) en c), wordt vervangen door:

„a)

alle derde landen in Noord-, Midden- of Zuid-Amerika (met uitzondering van Argentinië, Brazilië en de Verenigde Staten), het Caribisch gebied en Europa, waar citrusvruchten worden geproduceerd;

b)

alle derde landen in Azië, waar citrusvruchten worden geproduceerd, met uitzondering van Bangladesh, Bhutan, China, Filipijnen, Indonesië en Taiwan;

c)

alle derde landen in Afrika, waar citrusvruchten worden geproduceerd, met uitzondering van Ghana, Kenia, Mozambique, Swaziland, Zambia, Zimbabwe en Zuid-Afrika;”;

b)

lid 2, onder d), wordt vervangen door:

„d)

Brazilië: alle gebieden, met uitzondering van de staten Amazonas, Bahia, Espírito Santo, Mato Grosso, Mato Grosso do Sul, Minas Gerais, Paraná, Rio de Janeiro, Rio Grande do Sul, Santa Catarina en São Paulo.”;

c)

in lid 2 wordt het volgende punt e) toegevoegd:

„e)

de Verenigde Staten: alle gebieden, met uitzondering van Collier County, Hendry County en Polk County in de staat Florida.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 mei 2013.

Voor de Commissie

Tonio BORG

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  PB L 187 van 8.7.2006, blz. 35.


Rectificaties

31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/37


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 469/2013 van de Commissie van 22 mei 2013 betreffende de verlening van een vergunning voor DL-methionine, natriumzout van DL-methionine, het hydroxy-analoog van methionine, calciumzout van het hydroxy-analoog van methionine, isopropylacrylaat van het hydroxy-analoog van methionine, DL-methionine beschermd door copolymeer vinylpyridine/styreen en DL-methionine beschermd door ethylcellulose, als toevoegingsmiddelen voor diervoeding

( Publicatieblad van de Europese Unie L 136 van 23 mei 2013 )

Op bladzijde 7, bijlage, eerste kolom, „Identificatienummer van het toevoegingsmiddel” komt de eerste vermelding „3c3108” als volgt te luiden: „3c308”.


31.5.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 145/s3


BERICHT AAN DE LEZER

Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (PB L 69 van 13.3.2013, blz. 1) zal, met ingang van 1 juli 2013, enkel de elektronische editie van het Publicatieblad authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben.

Indien het door onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is de elektronische editie van het Publicatieblad te publiceren, zal de gedrukte editie authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 216/2013.