ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.112.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 112

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
24 april 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 372/2013 van de Raad van 22 april 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 373/2013 van de Commissie van 23 april 2013 tot goedkeuring van de werkzame stof Candida oleophila stam O overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 374/2013 van de Commissie van 23 april 2013 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Clostridium butyricum (FERM BP-2789) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfokleghennen (vergunninghouder: Miyarisan Pharmaceutical Co. Ltd, vertegenwoordigd door Miyarisan Pharmaceutical Europe S.L.U.) ( 1 )

13

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 375/2013 van de Commissie van 23 april 2013 tot goedkeuring van de werkzame stof spiromesifen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

15

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 376/2013 van de Commissie van 23 april 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

20

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2013/189/GBVB van de Raad van 22 april 2013 tot oprichting van een Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) en houdende intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 2008/550/GBVB

22

 

 

2013/190/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 22 april 2013 betreffende de geldigheid van een bepaalde bindende tariefinlichting (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2297)

30

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

24.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 112/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 372/2013 VAN DE RAAD

van 22 april 2013

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4, en artikel 11, leden 3, 5 en 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Vorige onderzoeken en geldende antidumpingmaatregelen

(1)

In juli 2005 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1174/2005 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (de „VRC”). De maatregel bestond in een ad-valoremantidumpingrecht, dat varieerde van 7,6 % tot 46,7 %.

(2)

In juli 2008 heeft de Raad naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek dat tot de productomschrijving beperkt was, bij Verordening (EG) nr. 684/2008 (3) de productomschrijving van het oorspronkelijke onderzoek verduidelijkt.

(3)

Naar aanleiding van een anti-ontwijkingsonderzoek heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 499/2009 (4) in juni 2009, het bij Verordening (EG) nr. 1174/2005 op „alle andere ondernemingen” ingestelde definitieve antidumpingrecht uitgebreid tot handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan verzonden vanuit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Thailand.

(4)

Na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Raad in oktober 2011 bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 (5) een definitief antidumpingrecht ingesteld op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong zijnde uit de Volksrepubliek China. Het uitgebreide recht zoals vermeld in overweging 3 werd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 gehandhaafd.

2.   Opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek

(5)

Tijdens het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen heeft de Europese Commissie (de „Commissie”) een verandering opgemerkt in de concurrentiesituatie op de markt van de Unie sinds de maatregelen werden ingesteld. De Chinese producent-exporteur met het laagste recht — aan wie in het oorspronkelijke onderzoek een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) werd toegekend — was er namelijk in geslaagd een zeer groot deel van de markt van de Unie virtueel over te nemen en had zijn aandeel in de invoer in de Unie aanzienlijk vergroot. De Commissie had ook twijfels bij de oorspronkelijke toekenning van een BMO, gezien het voorlopige bewijsmateriaal betreffende verstoringen van de staalmarkt in de Volksrepubliek China. Er werd dan ook aangenomen dat de omstandigheden op basis waarvan de bestaande maatregelen werden vastgesteld, waren gewijzigd. Bovendien bleken die wijzigingen van blijvende aard te zijn.

(6)

Daar de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om de opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te rechtvaardigen, kondigde zij bij een op 14 februari 2012 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt bericht (6) (het „bericht van opening”) aan, overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening, ambtshalve een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te zullen openen dat uitsluitend betrekking zou hebben op dumping door Chinese producenten-exporteurs.

3.   Tijdvak van het nieuwe onderzoek

(7)

Het onderzoek naar de hoogte van de dumping had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (het „tijdvak van het nieuwe onderzoek” of het „TNO”).

4.   Betrokken partijen

(8)

De Commissie heeft producenten-exporteurs, haar bekende betrokken niet-verbonden importeurs, de autoriteiten van de Volksrepubliek China en de bedrijfstak van de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(9)

Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(10)

Wegens het mogelijk grote aantal producenten-exporteurs en niet-verbonden importeurs werd in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening besloten na te gaan of een steekproef moest worden gebruikt. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werd bovengenoemde partijen op grond van artikel 17 van de basisverordening verzocht zich binnen 15 dagen na de opening van het onderzoek kenbaar te maken en de in het bericht van opening gevraagde gegevens te verstrekken. Twee producenten-exporteurs en acht niet-verbonden importeurs meldden zich om aan het onderzoek mee te werken. Bijgevolg diende noch voor de producenten-exporteurs, noch voor de niet-verbonden importeurs een steekproef te worden samengesteld.

(11)

De Commissie heeft alle haar bekende betrokken partijen en alle partijen die zich binnen de in het bericht van opening vermelde termijn kenbaar hadden gemaakt, een vragenlijst en een BMO-aanvraagformulier toegezonden. Eén Chinese producent-exporteur, Zhejiang Noblelift Equipment Joint Stock Co. Ltd („Noblelift”), en drie niet-verbonden importeurs hebben de vragenlijst beantwoord, respectievelijk een ingevuld BMO-aanvraagformulier ingestuurd.

(12)

De Commissie heeft alle informatie ingewonnen en onderzocht die zij voor het vaststellen van dumping nodig achtte. Er werd een controle ter plaatse verricht bij Noblelift in Changxing, Volksrepubliek China.

(13)

Ten behoeve van het vaststellen van de normale waarde voor de producent-exporteur in de Volksrepubliek China aan wie geen BMO werd verleend, vond een controlebezoek plaats bij de onderstaande producent in Brazilië, dat als referentieland werd gebruikt:

Paletrans Equipamentos Ltda, Cravinhos, São Paulo („Paletrans”).

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(14)

Dit nieuwe onderzoek betreft hetzelfde product als het oorspronkelijke onderzoek en het product dat het voorwerp uitmaakte van het tussentijdse nieuwe onderzoek waarbij de productomschrijving werd verduidelijkt, namelijk handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, d.w.z. het chassis en de hydraulische onderdelen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8427 90 00 en ex 8431 20 00. In deze verordening worden onder handpallettrucks, toestellen verstaan met een door wielen ondersteunde hefvork die gebruikt worden om pallets te verplaatsen en die door een persoon, te voet met behulp van een beweegbare dissel manueel geduwd, getrokken en gestuurd worden op een glad, vlak en hard oppervlak. De handpallettrucks zijn uitsluitend bestemd om ladingen met behulp van de als pomp gebruikte dissel hoog genoeg op te heffen om ze te kunnen verplaatsen. Ze hebben geen andere extra functies of gebruiksdoeleinden, zoals bijvoorbeeld i) ladingen verplaatsen en heffen om ze hoger te plaatsen of te helpen opslaan (hoogheffende pallettrucks), ii) pallets boven elkaar stapelen (stapelaars), iii) ladingen tot een werkplatform heffen (schaarpallettrucks) of iv) ladingen heffen en wegen (weegpallettrucks).

2.   Soortgelijk product

(15)

Het onderzoek heeft bevestigd dat het betrokken product en het product dat in de Volksrepubliek China wordt vervaardigd en op de binnenlandse markt wordt verkocht, het product dat in het referentieland, Brazilië, wordt vervaardigd en verkocht, en het product dat in de Unie door de producenten in de Unie wordt vervaardigd en verkocht, dezelfde fysieke en technische basiskenmerken en dezelfde gebruiksdoeleinden hebben.

(16)

Die producten worden daarom beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   DUMPING

a)   Behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”)

(17)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken inzake invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China vastgesteld volgens de leden 1 tot en met 6 van dat artikel voor producenten waarvan is aangetoond dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, namelijk dat zij het soortgelijke product tegen marktconforme voorwaarden vervaardigen en verkopen. Voor de duidelijkheid zijn deze criteria hieronder nog eens samengevat:

besluiten van ondernemingen en de door hen gemaakte kosten zijn een reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis; en de kosten van de voornaamste productiefactoren weerspiegelen de marktprijzen;

ondernemingen beschikken over een duidelijke basisboekhouding die alle terreinen bestrijkt en die door een onafhankelijke instantie wordt gecontroleerd in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen;

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

de betrokken ondernemingen zijn onderworpen aan faillissements- en eigendomswetten die rechtszekerheid en stabiliteit verschaffen;

omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

(18)

Noblelift verzocht om een BMO overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening en heeft binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende aanvraagformulier ingevuld.

(19)

De Commissie heeft alle gegevens die zij noodzakelijk achtte, ingewonnen en heeft de gegevens die in het aanvraagformulier waren verstrekt bij de onderneming ter plaatse gecontroleerd.

(20)

Uit het onderzoek is gebleken dat de prijzen die Noblelift in het TNO betaalde voor Chinees warmgewalst koolstofstaal, een belangrijke grondstof die ongeveer 25 % van de kosten van het afgewerkte product uitmaakt, aanzienlijk verstoord waren, aangezien zij bij benadering tijdens deze periode tussen de 24 % en 31 % onder de internationale prijzen lagen. De internationale prijzen waren gebaseerd op statistieken van de Steel Business Briefing  (7) voor de markt van de Unie en de Noord-Amerikaanse markt, en op statistieken van invoerprijzen van Comext. Op grond hiervan werd vastgesteld dat de Chinese staalprijzen de marktwaarden duidelijk niet weergaven. Bovendien is er een vaste praktijk van staatsinmenging in de grondstoffenmarkt. Het Chinese twaalfde vijfjarenplan (2011-2015) voor de ijzer- en staalsector bevat een reeks maatregelen die aantonen dat staalondernemingen, doordat de Chinese staat streng de hand houdt aan die sector, niet anders kunnen dan de instructies van de Chinese regering volgen. Er wordt bijgevolg geconcludeerd dat Noblelift niet voldoet aan de eisen van het eerste BMO-criterium.

(21)

Voorts gaf een verbonden onderneming Noblelift in het boekjaar 2010 een bankgarantie voor twee leningen die een aanzienlijk aandeel vertegenwoordigen van de totale activa van de verbonden onderneming en van Noblelift. De garanties kwamen noch in de jaarrekening van Noblelift, noch in de rekeningen van de verbonden onderneming voor. Dit is niet conform IAS 24 (Verbonden partijen — Related Party Disclosures) en de auditor heeft geen voorbehoud gemaakt bij deze praktijk. Het is van belang dat transacties tussen verbonden partijen in de jaarrekeningen worden vermeld, omdat zo de aandacht wordt gevestigd op mogelijke gevolgen voor de financiële situatie van een onderneming. In dit geval kunnen de activiteiten van de onderneming en met name de risico’s die zij loopt en de kansen die zij heeft niet goed worden beoordeeld doordat belangrijke verbintenissen zoals de garanties in kwestie niet worden vermeld. Er wordt dan ook geoordeeld dat de boekhouding van de onderneming geen behoorlijke audit heeft ondergaan zoals de internationale boekhoudnormen voorschrijven, en dus niet voldoet aan de eisen van het tweede criterium.

(22)

Tot slot heeft Noblelift van de staat voordelen ontvangen in de vorm van een preferentiële inkomstenbelasting, alsook subsidies die de financiële situatie van de onderneming verstoren; de onderneming voldoet bijgevolg niet aan de eisen van het derde criterium.

(23)

De betrokken producent-exporteur en de bedrijfstak van de Unie werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen over de bovenstaande bevindingen te maken.

(24)

Na de mededeling van de bevindingen inzake de BMO heeft Noblelift meer details gevraagd wat de berekening van de internationale marktprijs voor staal betreft. De onderneming voerde aan dat verstoringen van de grondstoffenprijzen moeten worden gecompenseerd door de normale waarde in de berekening van de dumpingmarge te corrigeren en niet door een BMO te weigeren. Artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening is echter zeer duidelijk en vereist dat „kosten van de belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk de marktwaarde weergeven”. Een correctie van de berekening van de dumpingmarge om de verstoorde kosten van productiemiddelen te compenseren zou artikel 2, lid 7, onder c), bijgevolg grotendeels betekenisloos maken. De opmerkingen waren bijgevolg niet van die aard dat zij de bovenstaande bevindingen zouden wijzigen.

(25)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Noblelift zijn argumenten herhaald. In de eerste plaats voerde de onderneming aan dat de Commissie had nagelaten de details mee te delen, met name alle gegevens die werden gebruikt voor de berekening van de verschillen in grondstoffenprijzen.

(26)

In dit verband wordt eerst en vooral opgemerkt dat de Commissie de bronnen van de gegevens voor de vergelijkingen van staalprijzen herhaaldelijk heeft vermeld. De Commissie heeft de eerder in de procedure verstrekte uitleg herhaald, namelijk dat de prijzen die op de Steel Business Briefing gebaseerd zijn door auteursrecht beschermd zijn daar deze dienst per abonnement beschikbaar is. Het is de Commissie bijgevolg bij wet verboden die gegevens rechtstreeks bekend te maken, maar de gegevensbank is via andere wegen beschikbaar en is mits betaling van een abonnementsgeld toegankelijk. Om het evenwicht te garanderen tussen de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en de bescherming van de rechten van verdediging, werden de gebruikte gegevens evenwel door de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal Buitenlandse Handel gecontroleerd, die de berekening van het prijsverschil heeft bevestigd en het resultaat van deze controle aan Noblelift heeft meegedeeld.

(27)

Voorts wordt opgemerkt dat de Steel Business Briefing exact de gebruikte methodologie beschrijft (afmetingen, dikte, breedte, gerealiseerd vervoer). Deze parameters zijn algemeen en vormen een aanwijzing die ook indicatief is voor de mate waarin de vergelijkingen van grondstoffenprijzen op basis waarvan moet worden vastgesteld of de kosten van de belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk de marktwaarde weergeven, zijn gedetailleerd. De Commissie heeft Europese en Noord-Amerikaanse prijzen als referentie gebruikt.

(28)

Noblelift voerde voorts aan dat de verschillen tussen de binnenlandse staalprijzen in de Volksrepubliek China en internationale staalprijzen in het oorspronkelijke onderzoek niet werden beschouwd als een factor waardoor de onderneming niet aan het eerste BMO-criterium voldeed. Zoals vermeld in overweging 22 van Verordening (EG) nr. 128/2005 van de Commissie (8) van 27 januari 2005 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht in het kader van het oorspronkelijk onderzoek, bleken de kosten en prijzen van de vier ondernemingen in overeenstemming te zijn met de marktvoorwaarden. Het oorspronkelijke onderzoek heeft inderdaad geen aanzienlijk prijsverschil vastgesteld tussen grondstoffen die plaatselijk in de Volksrepubliek China werden aangekocht en die welke tegen internationale prijzen werden aangekocht. Deze conclusie verhindert de instellingen echter niet om in een later onderzoek een prijsverschil vast te stellen wanneer de omstandigheden veranderd zijn en de prijzen verschillen. Zoals vermeld in overweging 76 zijn de omstandigheden tussen 2004 (het tijdstip van het oorspronkelijke onderzoek) en 2011 (het OT van dit nieuwe onderzoek), d.i. in een periode van zeven jaar, aanzienlijk veranderd. Hierover werd met name tijdens het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen in 2010 voorlopig bewijsmateriaal verzameld over prijsverstoringen door staatsinmenging in de staalmarkt in de Volksrepubliek China. Dat was ook een van de redenen waarom dit nieuwe onderzoek ambtshalve werd geopend, en het werd door dit onderzoek inderdaad bevestigd (zie overweging 20).

(29)

Vervolgens heeft Noblelift zijn argumenten herhaald dat leningsgaranties geen wezenlijk effect hebben en dat het effect van door de staat verleende voordelen verwaarloosbaar is. In dit verband wordt opgemerkt dat artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening duidelijk is en niet verwijst naar aanzienlijke gevolgen voor de financiële resultaten („bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt”). In elk geval en zoals vermeld in overweging 21 kunnen de activiteiten van de onderneming en met name de risico’s die zij loopt en de kansen die zij heeft, niet goed worden beoordeeld doordat belangrijke verbintenissen zoals de leningsgaranties in kwestie niet worden vermeld. Wat de door de staat verleende voordelen betreft, heeft de Commissie de partij in de loop van het onderzoek reeds geantwoord dat deze voordelen, bedragen van meer dan 10 miljoen RMB vertegenwoordigen. De argumenten konden bijgevolg niet worden aanvaard.

(30)

Tot slot argumenteerde Noblelift dat het onderzoek had moeten worden beëindigd omdat de termijn van drie maanden, om overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening te beslissen of al dan niet een BMO wordt toegekend, niet werd nageleefd. In dit verband wordt verwezen naar de bij Verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1225/2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (9) ingevoerde wijziging en de retroactieve effecten daarvan. Voorts zij opgemerkt dat de beslissing of al dan niet een BMO wordt toegekend wegens procedurele aspecten en tijdsgebrek meer dan drie maanden na het begin van het onderzoek werd genomen. Omdat de aangelegenheden die in de context van de BMO-beoordeling naar voren worden gebracht steeds complexer zijn, bleek het inderdaad virtueel onmogelijk te zijn de termijn van drie maanden na te leven. Er wordt niettemin op gewezen dat de timing van de beslissing om al dan niet een BMO toe te kennen geen invloed had op het resultaat.

(31)

Bijgevolg wordt geconcludeerd dat de opmerkingen dat een BMO moet worden toegekend, niet gegrond zijn.

(32)

Gezien het bovenstaande en op grond van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening wordt besloten aan Noblelift geen BMO toe te kennen.

b)   Normale waarde

(33)

Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet voor landen zonder markteconomie en, voor zover geen BMO kon worden toegekend, voor landen die op weg zijn naar een markteconomie de normale waarde worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een referentieland.

(34)

In het oorspronkelijke onderzoek was Canada referentieland om een normale waarde vast te stellen. Aangezien de productie in Canada is stopgezet, werd in het bericht van opening van dit nieuwe onderzoek Brazilië als referentieland overwogen.

(35)

Twee producenten-exporteurs en een importeur hebben bezwaar gemaakt tegen het voorstel om Brazilië als referentieland te gebruiken. De argumenten tegen de keuze van Brazilië waren dat er op de Braziliaanse markt voor handpallettrucks weinig concurrentie is omdat er slechts zeer weinig binnenlandse producenten zijn en de verkoopprijzen, winsten en productiekosten in Brazilië bijgevolg kunstmatig hoog zijn. De desbetreffende producenten-exporteurs stelden India, Maleisië of Taiwan als geschikte referentielanden voor.

(36)

Gevolg gevend aan deze opmerkingen heeft de Commissie contact opgenomen met 38 haar bekende Indiase, drie Taiwanese, twee Maleisische en twee Braziliaanse producenten van handpallettrucks en hen de desbetreffende vragenlijst toegestuurd. Slechts één producent in Brazilië zegde zijn medewerking toe: Paletrans.

(37)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen en het voorstel van de Commissie, hebben de partijen hun opmerkingen herhaald dat Brazilië geen geschikt referentieland was wegens het gebrek aan concurrentie op de Braziliaanse markt. De partijen voerden aan dat de medewerkende producent in het referentieland op de Braziliaanse markt een monopoliepositie genoot, die nog versterkt werd door hoge invoerrechten. Andere opmerkingen betroffen tekortkomingen in de niet-vertrouwelijke antwoorden op de vragenlijst van de producent in het referentieland. Tot slot werd geargumenteerd dat correcties dienden te worden aangebracht om rekening te houden met de verschillen tussen de producent in het referentieland en de producent-exporteur in het betrokken land.

(38)

Wat de geschiktheid van Brazilië als referentieland betreft, moet erop worden gewezen dat de producent in het referentieland weliswaar de grootste producent op de Braziliaanse markt is, maar deze markt niet monopoliseert. Hij concurreert met minstens twee plaatselijke producenten en een aanzienlijke invoer, en de winstmarge van de producent in het referentieland werd geacht in overeenstemming te zijn met een open markt.

(39)

Zoals vermeld in overweging 36 heeft de Commissie, nadat zij vroeg in de procedure opmerkingen had ontvangen tegen het gebruik van Brazilië als referentieland, contact opgenomen met 45 producenten in vier verschillende landen, waaronder de door Noblelift voorgestelde ondernemingen. Ondanks herhaaldelijke telefonische en e-mailcontacten met deze ondernemingen heeft slechts één Braziliaanse producent de gevraagde informatie verstrekt en aan het onderzoek meegewerkt.

(40)

Wat de beweerde tekortkomingen betreft, moet worden opgemerkt dat slechts één producent in het referentieland aan het onderzoek heeft meegewerkt. Een dergelijke situatie is niet ongewoon, maar levert problemen op voor de mededeling van gegevens. Gezien de frequente problemen om de medewerking te verkrijgen van producenten in referentielanden, moet de Commissie een hoge bescherming van vertrouwelijke informatie garanderen. In dit geval, heeft de presentatie van de niet-vertrouwelijke gegevens tot enig misverstand geleid over vermeende tekortkomingen, maar daar werd met de partijen duidelijkheid over geschapen. Eén partij argumenteerde met name dat de tekortkomingen in het antwoord van de producent in het referentieland, Brazilië als referentieland zouden moeten uitsluiten en dat het onderzoek zou moeten worden beëindigd aangezien de Commissie de normale waarde niet kan vaststellen. In dit verband wordt opgemerkt dat de Commissie in dit onderzoek wel degelijk over alle nodige informatie beschikte om de dumpingmarge te berekenen.

(41)

Bijgevolg konden de argumenten inzake de geschiktheid van Brazilië als referentieland niet worden aanvaard.

(42)

Wat de argumenten inzake de correcties betreft, zij opgemerkt dat rekening werd gehouden met de verschillen in handelsstadium tussen de Braziliaanse producent en de Chinese producent-exporteur door een correctie van het handelsstadium toe te passen (zie overweging 59).

(43)

Tot slot voerde een partij aan dat een correctie nodig was om rekening te houden met een vermeend verstorend effect van het invoerrecht van 14 % in het referentieland. Dit argument kan niet worden aanvaard aangezien er geen verband kan worden gelegd tussen een invoerrecht op zich en het prijsniveau op de binnenlandse markt.

(44)

Bijgevolg wordt Brazilië beschouwd als een geschikt referentieland, aangezien er voldoende concurrentie is met minstens twee producenten en een aanzienlijke invoer.

(45)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie eerst onderzocht of de binnenlandse verkoop van Paletrans van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers representatief was. In dit verband werd vastgesteld dat het totale volume van die verkoop minstens 5 % vertegenwoordigde van het totale volume van de uitvoer van Noblelift naar de Unie.

(46)

Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of er soorten van het door Paletrans op de binnenlandse markt verkochte soortgelijke product waren die, wat de functies en de gebruikte materialen betrof, voldoende vergelijkbaar waren met de soorten die Noblelift naar de Unie uitvoerde. Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal soorten die Paletrans op de binnenlandse markt verkocht voldoende vergelijkbaar waren met de soorten die Noblelift naar de Unie uitvoerde.

(47)

Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of elke vergelijkbare soort van het soortgelijke product dat de producent in het referentieland op de binnenlandse markt heeft verkocht, kon worden beschouwd als zijnde verkocht in het kader van normale handelstransacties. Hiertoe werd voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het TNO vastgesteld.

(48)

Wanneer meer dan 80 % van de totale verkoop van een productsoort was verkocht tegen een nettoprijs die gelijk was aan of hoger was dan de berekende productiekosten, en de gewogen gemiddelde verkoopprijs van die soort gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs. Dat was het geval voor alle vergelijkbare soorten; de normale waarde werd berekend als een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkoop van elke vergelijkbare soort tijdens het TNO.

(49)

Voor niet-vergelijkbare soorten kon de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening door berekening worden vastgesteld door aan de productiekosten, waar nodig gecorrigeerd, een redelijk percentage voor de verkoop op de binnenlandse markt, algemene en administratiekosten en een redelijke winstmarge voor de verkoop op de binnenlandse markt toe te voegen. De verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en de winst werden gebaseerd op werkelijke gegevens betreffende de productie en de verkoop, in het kader van normale handelstransacties, van het soortgelijke product door de producent in het referentieland. Er zij op gewezen dat op de prijs die op die basis door berekening werd vastgesteld de in overweging 59 beschreven correcties werden toegepast, met name teneinde rekening te houden met het verschil in handelsstadium tussen de uitvoer door Noblelift en de binnenlandse verkoop van de producent in het referentieland.

(50)

De enige medewerkende producent-exporteur argumenteerde dat de Commissie de berekening van de dumpingmarge baseerde op „partiële productcontrolenummers (PCN’s)” en dat geen verklaringen werden gegeven over de parameters die voor de vergelijking werden gebruikt.

(51)

Onder voorbehoud van de relevante bepalingen betreffende de billijke vergelijking wordt de dumpingmarge overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening gewoonlijk vastgesteld op grond van een vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle uitvoertransacties.

(52)

Wat de billijke vergelijking betreft, zij opgemerkt dat het productcontrolenummer een instrument is dat in het onderzoek wordt gebruikt om de vele, zeer gedetailleerde gegevens die de ondernemingen indienen, te structureren en te organiseren. Het is een hulpmiddel om de verschillende productkenmerken in de categorie van het betrokken product en het soortgelijke product gedetailleerder te analyseren.

(53)

De Commissie heeft informatie verzameld over een aantal parameters (materiaal waaruit het chassis is vervaardigd, geschilderd chassis, hefvermogen, soort hydraulisch systeem, werklengte, vork, breedte over de vorken, materiaal waaruit het stuurwiel is vervaardigd, materiaal waaruit het laadwiel is vervaardigd, soort laadwiel, soort rem), maar om alle uitvoertransacties in overweging te nemen, werd het redelijk geacht en mogelijk bevonden om de vergelijking in dit geval te baseren op bepaalde van die parameters die de meest pertinente kenmerken uitmaken (materiaal waaruit het chassis is vervaardigd, geschilderd chassis, materiaal waaruit het stuurwiel is vervaardigd, materiaal waaruit het laadwiel is vervaardigd, soort laadwiel).

(54)

De vergelijking werd dan ook gebaseerd op de meest pertinente kenmerken om tot een zo groot mogelijke overeenstemming te komen en een billijke vergelijking te garanderen. Er dient op te worden gewezen dat de Commissie geen informatie buiten beschouwing heeft gelaten. Het is echter niet ongewoon dat bepaalde parameters die in het productcontrolenummer worden gebruikt minder gewicht hebben en dat specifieke parameters meer dan andere een betere basis vormen voor een billijke vergelijking. Voor de vergelijking zijn geen producten wegens fysieke verschillen of om enige andere reden buiten beschouwing gelaten; evenmin zijn nieuwe productsoorten gecreëerd. Alle verkoop was daarentegen in de vergelijking opgenomen. Hoewel werd erkend dat andere parameters enig effect hadden op de prijzen, werd het geschikter geacht dat de berekeningen werden gebaseerd op de vijf relevantste parameters, aangezien dat leidde tot het hoogste niveau van overeenstemming.

(55)

Wat de procedurele aspecten van de vergelijking betreft, zij opgemerkt dat de producent-exporteur steeds de kans heeft gekregen om opmerkingen te maken over de berekeningen die in dit geval werden uitgevoerd. Alle details van de berekeningen werden herhaaldelijk medegedeeld.

(56)

De bovenstaande argumenten moesten daarom worden afgewezen.

c)   Uitvoerprijs

(57)

De gehele uitvoer naar de Unie van de Chinese producent-exporteur ging rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie. Daarom werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de werkelijk voor het betrokken product betaalde of te betalen prijzen.

(58)

Eén partij argumenteerde dat de uitvoer van chassis en hydraulische onderdelen in de berekening had moeten worden opgenomen. Dat argument werd aanvaard.

d)   Vergelijking

(59)

De vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs geschiedde op basis van de prijs af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om te zorgen voor een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werd in overeenstemming met artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen in factoren die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan. Daartoe werd door middel van correcties, waar die van toepassing en gerechtvaardigd waren, rekening gehouden met verschillen in handelsstadium (geschat prijsverschil voor verkoop aan verschillende soorten afnemers op de binnenlandse markt van het referentieland), vervoer (onder meer kosten van vervoer in het land van uitvoer en kosten van vervoer over zee voor vervoer naar de Unie), verzekering (kosten van verzekering van vervoer over zee), lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, commissies (betaald voor uitvoer), bankkosten (betaald voor uitvoer), kredietkosten (gebaseerd op de overeengekomen betalingsvoorwaarden en de geldende intrestvoet) en verpakkingskosten (kosten van het gebruikte verpakkingsmateriaal).

(60)

Op grond van een argument van de enige medewerkende producent-exporteur werd de normale waarde gecorrigeerd voor de verschillen in de dikte van het staal dat door de producent in het referentieland en door de producent-exporteur in het betrokken land werd gebruikt omdat het argument redelijk werd bevonden. De correctie was gebaseerd op het verschil in dikte in verhouding tot het aandeel van het staal in de prijs van het soortelijke product dat in Brazilië door de producent in het referentieland wordt verkocht. Op grond hiervan werd de dumpingmarge gewijzigd (zie overweging 73). Na een extra mededeling van feiten en overwegingen (waarbij gelegenheid werd geboden om opmerkingen te formuleren over de correctie voor de dikte van het staal), heeft één partij die correctie betwist omdat die volgens haar niet op een feitelijke basis berustte. Die partij merkte ook op dat de niet-vertrouwelijke gegevens die de producent-exporteur heeft verstrekt om de correctie te verkrijgen, onvolledig waren en daardoor de rechten van verdediging van de andere partijen schonden. De Commissie heeft de gegevens in het dossier waarop de correctie voor de dikte van het staal was gebaseerd, gecontroleerd en bevestigd dat deze correctie gerechtvaardigd was.

(61)

De enige medewerkende exporteur heeft argumenten aangevoerd voor verschillende andere correcties wegens verschillen in efficiëntie en productiviteit; hij voerde onder meer aan dat de producent in het referentieland minder productief was (m.a.w. minder productie per werknemer had) en per eenheid meer grondstoffen verbruikte.

(62)

Meteen zij opgemerkt dat er weliswaar verschillen in efficiëntie of productiviteit kunnen bestaan tussen ondernemingen, maar dat de stelregel erin bestaat de vergelijkbaarheid van uitvoerprijzen en normale waarde te garanderen, wat niet vereist dat de omstandigheden van een producent in het referentieland en van een producent-exporteur in een land zonder markteconomie volledig gelijklopen. Slechts verschillen voor factoren die van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen tussen een producent in het referentieland en een producent-exporteur in een land zonder markteconomie rechtvaardigen namelijk een correctie.

(63)

Niettemin moet erop worden gewezen dat uit het onderzoek geen omstandigheden zijn gebleken die laten uitschijnen dat de producent in het referentieland niet over een redelijk efficiënt productieproces zou beschikken.

(64)

De kostenfactoren (zoals de productiviteit) mogen niet individueel worden uitgekozen en beoordeeld. Er is veeleer een alomvattende analyse nodig om te beoordelen of de voordelen voor één kostenfactor (bijvoorbeeld de productiviteit) mogelijk door nadelen voor andere kostenfactoren worden gecompenseerd. De inzet van minder arbeidskrachten is inderdaad vaak het resultaat van een hogere graad van automatisering, wat op zijn beurt leidt tot hogere kosten op andere gebieden (afschrijvingen, kapitaal, financiering, vaste productiekosten). Slechts een alomvattende analyse kan alle verschillen in kostenfactoren aan het licht brengen en aantonen of deze gevolgen hebben voor de prijzen of de vergelijkbaarheid van de prijzen, en aldus een correctie rechtvaardigen. De argumenten kunnen bijgevolg niet worden aanvaard.

(65)

Daarnaast waren de argumenten voor een correctie voor een verschil in energieverbruik per eenheid en voor een verschil in afschrijvingskosten en vaste productiekosten per eenheid ongegrond. Met name wat de energie-efficiëntie betreft, werd niet toegelicht welke elementen in het productieproces de Braziliaanse producent inefficiënt maken in vergelijking met de enige medewerkende producent-exporteur. Het bedrag van de correctie werd gebaseerd op een verhouding van de verschillen in arbeidskosten per eenheid (gebaseerd op het productiviteitsverschil) tot het aandeel van de arbeidskosten in de totale kosten. Het verband tussen een dergelijke verhouding en de verschillen in energie-efficiëntie, afschrijvingskosten en vaste productiekosten werd niet uitgelegd en was niet duidelijk. De argumenten worden derhalve afgewezen.

(66)

Eén partij voerde eveneens aan dat correcties moeten worden aangebracht voor parameters zoals hefvermogen en vork. In dit verband wordt verwezen naar opmerkingen over parameters voor de vergelijking (zie overweging 50); daar wordt erop gewezen dat de vergelijking op de meest relevante parameters wordt gebaseerd om het hoogste niveau van overeenstemming te bereiken. De argumenten waren in ieder geval niet met bewijsmateriaal gestaafd.

(67)

Een ander argument was dat een correctie nodig was omdat de producent-exporteur gepatenteerde technologie gebruikt. Dit argument werd evenwel niet verder onderbouwd. De producent-exporteur heeft de correctie namelijk niet gekwantificeerd. De enige informatie die werd verstrekt, was een document dat volgens de producent-exporteur het patent was. De producent-exporteur heeft de correctie later gedeeltelijk gekwantificeerd, maar heeft geen bewijsmateriaal overgelegd. Dit argument kon derhalve niet worden aanvaard.

(68)

Voorts werd gevolg gegeven aan het argument dat een correctie nodig was voor het verschil in efficiëntie in het gebruik van grondstoffen door een correctie voor de dikte van het staal toe te passen (zie overweging 60), aangezien het gebruik van staal van een verschillende dikte een lager totaal staalverbruik tot gevolg kan hebben.

(69)

Tot slot verklaarde de producent-exporteur dat hij via kanalen verkocht die verschilden van die van de producent in het referentieland: hij verkocht met name merkloze producten via fabrikanten van originele uitrusting (OEM — Original Equipment Manufacturer). Er werd dienovereenkomstig geargumenteerd dat een correctie moest worden aangebracht om dit verschil weer te geven. Zoals vermeld in overweging 59 werd een correctie voor het handelsstadium uitgevoerd. Deze correctie was gebaseerd op een geschat prijsverschil voor verkoop aan verschillende soorten afnemers, waaronder verkoop aan fabrikanten van originele uitrusting, op de binnenlandse markt van het referentieland. De omvang van deze correctie kon om redenen van vertrouwelijkheid niet openbaar worden gemaakt aangezien daaruit de normale waarde zou blijken die op gegevens van de enige producent in het referentieland is gebaseerd. Daarom werd geconcludeerd dat de verschillen waarvoor op een correctie werd aangedrongen, reeds waren gecompenseerd.

(70)

Niettemin moet erop worden gewezen dat de producent-exporteur de correctie waar hij op aandrong niet heeft gekwantificeerd. Hij vermeldde alleen dat in een andere procedure een correctie van 40 % werd toegekend. Een correctie die in een andere procedure werd toegekend (en die dus specifiek is voor de typische omstandigheden van een andere procedure), kan op zich niet dienen als referentiepunt om in dit geval een correctie te kwantificeren.

(71)

Na de extra mededeling van feiten en overwegingen (waarbij gelegenheid werd geboden om opmerkingen te formuleren over de correctie voor de dikte van het staal), heeft de producent-exporteur nieuwe argumenten voor correcties aangevoerd (die geen verband hielden met de correctie voor de dikte van het staal): correcties voor de coating, de dissel, en de staalprijzen in Brazilië.

(72)

Eerst en vooral wordt opgemerkt dat de argumenten werden aangevoerd nadat de termijn daarvoor was verlopen en formeel gezien konden die dus niet in aanmerking worden genomen. De argumenten waren in ieder geval ofwel niet gekwantificeerd, ofwel niet met bewijsmateriaal gestaafd. De onderneming verstrekte geen bewijsmateriaal voor haar argumenten en legde evenmin uit hoe de omvang van de verschillende correcties werd of zou moeten worden berekend.

e)   Dumpingmarge

(73)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per soort vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van het betrokken product. Deze dumpingmarge bedraagt 70,8 % van de cif-prijs, franco grens Unie, vóór inklaring.

(74)

In het oorspronkelijke onderzoek varieerden de dumpingmarges voor alle andere producenten-exporteurs dan Noblelift van 28,5 % tot 46,7 %. Aangezien aan dit nieuwe onderzoek alleen Noblelift heeft meegewerkt en het niveau van medewerking als hoog kan worden beschouwd omdat het grootste deel van de uitvoer uit China van Noblelift afkomstig was, heeft de Commissie ook de dumpingmarge voor het gehele land voor alle andere exporteurs herbekeken. Bijgevolg moet de residuele dumpingmarge op hetzelfde niveau worden vastgesteld als de dumpingmarge voor Noblelift, namelijk op 70,8 %.

(75)

Eén partij argumenteerde dat het recht voor het gehele land niet mag worden vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge van de enige medewerkende producent-exporteur, aangezien niets bewijst dat het grootste deel van de invoer van die enige medewerkende exporteur afkomstig was. In dit verband werd bevestigd dat het grootste deel van de invoer uit de VRC volgens statistische gegevens van de enige medewerkende producent-exporteur afkomstig was. Het argument werd daarom van de hand gewezen.

D.   BLIJVENDE AARD VAN DE GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN

(76)

Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening werd ook onderzocht of de gewijzigde omstandigheden redelijkerwijs als van blijvende aard konden worden aangemerkt.

(77)

Het oorspronkelijk onderzoek heeft in dit verband geen aanzienlijk prijsverschil vastgesteld tussen grondstoffen die plaatselijk in de VRC door de Chinese producenten-exporteurs (waaronder Noblelift) werden aangekocht en die welke op internationale markten werden aangekocht. De omstandigheden zijn sterk veranderd tussen 2004 (het tijdstip van het oorspronkelijke onderzoek) en 2011 (het TNO), toen de prijs van warmgewalst staal, de belangrijkste grondstof, tussen 24 % en 31 % onder de internationale prijzen lag. Door prijsverstoringen op de staalmarkt in de Volksrepubliek China (zie overweging 20) gaven deze prijzen geen marktwaarden weer. De Chinese staalmarkt is in die zeven jaar inderdaad sterk veranderd, en van een netto-importeur van staal is de Volksrepubliek China ondertussen wereldwijd een vrij grote staalproducent en -exporteur geworden; dit feit kon redelijkerwijs als van blijvende aard worden beschouwd.

(78)

Bovendien ontvangen Chinese hightechbedrijven, waaronder Noblelift, sinds 2008 voordelen van de staat in de vorm van een preferentiële inkomstenbelasting (15 %). In het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek gold voor de bedrijven een standaardtarief van 25 %. Deze gewijzigde omstandigheid kan eveneens redelijkerwijs als van blijvende aard worden beschouwd.

(79)

Daarom wordt het niet waarschijnlijk geacht dat de omstandigheden die tot de opening van dit tussentijdse nieuwe onderzoek hebben geleid in de nabije toekomst op zodanige wijze zullen veranderen dat dit gevolgen zou hebben voor de bevindingen van het tussentijdse nieuwe onderzoek. Daarom werd geconcludeerd dat de gewijzigde omstandigheden van blijvende aard zijn en dat de handhaving van de maatregel op zijn huidige niveau niet langer gerechtvaardigd is.

E.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(80)

In het licht van de resultaten van dit nieuwe onderzoek en aangezien de nieuwe dumpingmarge van 70,8 % lager is dan de schademarge die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld (zie de overwegingen 120 tot en met 123 van Verordening (EG) nr. 128/2005), wordt het passend geacht om het antidumpingrecht dat van toepassing is op het betrokken product dat zowel door Noblelift als door alle andere producenten-exporteurs wordt ingevoerd, te wijzigen en op 70,8 % vast te stellen.

(81)

Eén partij voerde aan dat de nieuwe dumpingmarge niet had mogen worden vergeleken met de schademarge die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld. Er zou daarentegen een schademarge moeten worden vastgesteld in elk onderzoek, zelfs wanneer het een gedeeltelijk nieuw onderzoek is dat beperkt is tot dumping. Volgens die partij vormt de huidige praktijk, waarbij de schade niet wordt beoordeeld, een inbreuk op de regel van het laagste recht. De partij voerde eveneens aan dat een volledig tussentijds nieuw onderzoek had moeten worden geopend.

(82)

In dit verband wordt opgemerkt dat de schade in dit kader niet kon worden herbeoordeeld omdat de Commissie een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek heeft geopend dat beperkt was tot dumping. Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening kan de handhaving van maatregelen, wanneer dat gerechtvaardigd is, op initiatief van de Commissie worden onderzocht. De Commissie is bijgevolg niet verplicht om ambtshalve een tussentijds nieuw onderzoek te openen dat zowel betrekking heeft op dumping als op schade, en in elk geval moet het onderzoek gerechtvaardigd zijn. In dit geval volstonden de informatie en het bewijsmateriaal waarover de Commissie beschikte om een tussentijds nieuw onderzoek te openen dat beperkt was tot dumping. Indien de schade in een tussentijds nieuw onderzoek steeds zou moeten worden onderzocht, zou de bepaling van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, namelijk dat een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek beperkt kan zijn tot dumping, bovendien betekenisloos zijn. Dit argument moet daarom worden afgewezen. Er zij niettemin nogmaals op gewezen dat de belanghebbende in kwestie over de mogelijkheid beschikt om op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening om een gedeeltelijk nieuw onderzoek te verzoeken dat betrekking heeft op de schade.

(83)

De regel van het laagste recht is volledig gerespecteerd en de nieuwe dumpingmarge werd inderdaad vergeleken met de schademarge die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld (de recentste bevindingen inzake schade).

(84)

Eén partij voerde aan dat een minimuminvoerprijs in dit geval beter geschikt zou zijn. Zo niet, dient een vast recht te worden ingesteld.

(85)

In dit verband wordt opgemerkt dat noch de minimuminvoerprijs, noch het vaste recht geschikt zijn voor producten die in zeer veel verschillende soorten met variërende prijzen bestaan, die ook constant veranderen en worden verbeterd. Zoveel uiteenlopende rechten zouden zeer moeilijk te beheren zijn. Een extra beperking in deze zaak is dat, aangezien het recht op dumping gebaseerd is, voor de minimuminvoerprijs zou moeten worden uitgegaan van de normale waarde, waarvoor vertrouwelijke gegevens van één onderneming op de markt van een referentieland als uitgangspunt dienen. De argumenten worden derhalve afgewezen.

(86)

De producent-exporteur liet binnen de voorgeschreven termijn zijn belangstelling blijken voor een verbintenis. Er werd evenwel geen formeel aanbod ingediend, en de Commissie kon dat dan ook niet verder onderzoeken.

(87)

De belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was de rechten die van toepassing zijn op producenten-exporteurs te wijzigen, en zij konden hierover opmerkingen maken.

(88)

De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de partijen werden onderzocht.

(89)

Bij artikel 1, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 werd het antidumpingrecht van 70,8 % dat bij die verordening voor „alle andere ondernemingen” werd ingesteld, uitgebreid tot handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011, verzonden uit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Thailand,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 wordt vervangen door:

„2.   De definitieve antidumpingrechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, geproduceerd door onderstaande ondernemingen, zijn als volgt:

Onderneming

Recht

(%)

Aanvullende Taric-code

Zhejiang Noblelift Equipment Joint Stock Co. Ltd, 58, Jing Yi Road, Economy Development Zone, Changxing, provincie Zhejiang, 313100, Volksrepubliek China

70,8

A603

Alle andere ondernemingen

70,8

A999”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 22 april 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

S. COVENEY


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  PB L 189 van 21.7.2005, blz. 1.

(3)  PB L 192 van 19.7.2008, blz. 1.

(4)  PB L 151 van 16.6.2009, blz. 1.

(5)  PB L 268 van 13.10.2011, blz. 1.

(6)  PB C 41 van 14.2.2012, blz. 14.

(7)  http://www.steelbb.com/steelprices/

(8)  PB L 25 van 28.1.2005, blz. 16.

(9)  PB L 344 van 14.12.2012, blz. 1.


24.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 112/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 373/2013 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2013

tot goedkeuring van de werkzame stof Candida oleophila stam O overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor voor 14 juni 2011 een besluit is genomen overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor Candida oleophila stam O is bij Beschikking 2007/380/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 12 juli 2006 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van Bionext sprl een aanvraag ontvangen om de werkzame stof Candida oleophila stam O op te nemen in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2007/380/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht wordt aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 15 november 2011 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend.

(4)

Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie over het onderzoek van de risicobeoordeling van de werkzame stof Candida oleophila stam O als bestrijdingsmiddel (4) op 24 oktober 2012 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en het ontwerpbeoordelingsverslag is op 15 maart 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor Candida oleophila stam O.

(5)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die Candida oleophila stam O bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en artikel 5, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet Candida oleophila stam O worden goedgekeurd.

(6)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(7)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die Candida oleophila stam O bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van de bijwerking van het volledige dossier conform bijlage III, als vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de uniforme beginselen.

(8)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (5) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen geen nieuwe verplichtingen op.

(9)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (6) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De in bijlage I gespecificeerde werkzame stof Candida oleophila stam O wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   De lidstaten moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, zo nodig, bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die Candida oleophila stam O als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 maart 2014 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat Candida oleophila stam O bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 september 2013 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als Candida oleophila stam O de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 maart 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast Candida oleophila stam O nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 maart 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(3)  PB L 141 van 2.6.2007, blz. 78.

(4)  EFSA Journal 2012; 10(11):2944. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(5)  PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.

(6)  PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Candida oleophila stam O

Collectienummer: MUCL40654

Niet van toepassing

nominaal gehalte: 3 × 1010 CFU/g gedroogd product

Bereik: 6 × 109 – 1 × 1011 CFU/g gedroogd product

1 oktober 2013

30 september 2023

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over Candida oleophila stam O dat op 15 maart 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„37

Candida oleophila stam O

Collectienummer: MUCL40654

Niet van toepassing

nominaal gehalte: 3 × 1010 CFU/g gedroogd product

Bereik: 6 × 109 – 1 × 1011 CFU/g gedroogd product

1 oktober 2013

30 september 2023

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over Candida oleophila stam O dat op 15 maart 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


24.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 112/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 374/2013 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2013

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Clostridium butyricum (FERM BP-2789) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfokleghennen (vergunninghouder: Miyarisan Pharmaceutical Co. Ltd, vertegenwoordigd door Miyarisan Pharmaceutical Europe S.L.U.)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Voor een preparaat van Clostridium butyricum (FERM BP-2789), dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”, is bij Verordening (EG) nr. 903/2009 van de Commissie (2) een vergunning voor tien jaar verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen en bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 373/2011 van de Commissie (3) een vergunning voor tien jaar voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor kleine vogelsoorten (met uitzondering van legvogels), gespeende biggen en kleine varkenssoorten (gespeend).

(3)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor een nieuwe toepassing van het preparaat van Clostridium butyricum (FERM BP-2789) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfokleghennen, waarbij is verzocht om indeling van dat toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”.

(4)

Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd, evenals de relevante gegevens ter ondersteuning van het verzoek.

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) concludeerde in haar advies van 11 december 2012 (4) dat het preparaat van Clostridium butyricum (FERM BP-2789) onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft. Zij concludeerde eveneens dat er aanwijzingen zijn dat het toevoegingsmiddel de prestaties van opfokleghennen kan verbeteren. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van het preparaat van Clostridium butyricum (FERM BP-2789) blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van het preparaat zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 256 van 29.9.2009, blz. 26.

(3)  PB L 102 van 16.4.2011, blz. 10.

(4)  EFSA Journal 2013; 11(1):3040.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren

4b1830

Miyarisan Pharmaceutical Co. Ltd vertegenwoordigd door Miyarisan Pharmaceutical Europe S.L.U.

Clostridium butyricum

(FERM BP-2789)

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van Clostridium butyricum FERM BP-2789 met minimaal 5 × 108 CFU/g vast toevoegingsmiddel.

 

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare sporen van Clostridium butyricum FERM BP-2789.

 

Analysemethode  (1)

Kwantificering: gietplaatmethode gebaseerd op ISO-norm 15213.

Identificatie: pulsed-field gelelektroforese (PFGE).

Opfokleghennen

2,5 × 108

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtemperatuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Het gebruik is toegestaan in diervoeding die de volgende toegestane coccidiostatica bevat: monensin-natrium, diclazuril, salinomycine-natrium of lasalocide-natrium.

3.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming en veiligheidsbril tijdens hantering.

14 mei 2023


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium van de Europese Unie voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding: www.irmm.jrc.be/crl-feed-additives


24.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 112/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 375/2013 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2013

tot goedkeuring van de werkzame stof spiromesifen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor voor 14 juni 2011 een besluit is genomen overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor spiromesifen is bij Beschikking 2003/105/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Het Verenigd Koninkrijk heeft op 18 april 2002 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van Bayer CropScience AG een aanvraag ontvangen om de werkzame stof spiromesifen op te nemen in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2003/105/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht wordt aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 9 maart 2004 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht, en de eindberaadslaging vond op 26 april 2007 plaats. De EFSA heeft haar conclusie over het onderzoek van de risicobeoordeling van de werkzame stof spiromesifen als bestrijdingsmiddel (4) op 13 juni 2007 aan de Commissie voorgelegd.

(4)

In haar conclusie heeft de EFSA niet alle informatie die door de aanvrager voor 26 april 2007 is ingediend in overweging genomen. De Commissie heeft de EFSA verzocht haar conclusie te herzien en alle ingediende informatie in overweging te nemen.

(5)

De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft alle aanvullende informatie beoordeeld en op 28 september 2009 een addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag ingediend.

(6)

Het addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de EFSA onderzocht. De EFSA heeft haar tweede conclusie over het onderzoek van de risicobeoordeling van de werkzame stof spiromesifen als bestrijdingsmiddel (5) op 19 september 2012 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en het ontwerpbeoordelingsverslag is op 15 maart 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor spiromesifen.

(7)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die spiromesifen bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet spiromesifen worden goedgekeurd.

(8)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis, is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden gevraagd.

(9)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(10)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die spiromesifen bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van de bijwerking van het volledige dossier conform bijlage III, als vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de uniforme beginselen.

(11)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (6) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen geen nieuwe verplichtingen op.

(12)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (7) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De werkzame stof spiromesifen, als gespecificeerd in bijlage I, wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   De lidstaten moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, zo nodig, bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die spiromesifen als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 maart 2014 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat spiromesifen bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 september 2013 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als spiromesifen de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 maart 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast spiromesifen nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 maart 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(3)  PB L 43 van 18.2.2003, blz. 45.

(4)  EFSA Scientific Report (2007) 105, 1-69. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(5)  EFSA Journal 2012; 10(10):2873. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(6)  PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.

(7)  PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Spiromesifen

CAS-nr. 283594-90-1

CIPAC-nr. 747

3-mesityl-2-oxo-1-oxaspiro[4.4]non-3-een-4-yl 3,3-dimethylbutyraat

≥ 965 g/kg (racemisch)

De onzuiverheid N,N-dimethylaceetamide is toxicologisch relevant en mag niet meer dan 4 g/kg bedragen in het technische materiaal.

1 oktober 2013

30 september 2023

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over spiromesifen (met name de aanhangsels I en II), dat op 15 maart 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

het risico op lange termijn voor in het water levende ongewervelde organismen,

het risico voor bestuivende vliesvleugeligen en geleedpotigen die geen doelsoorten zijn, indien de blootstelling niet verwaarloosbaar is,

de bescherming van de werknemers en toedieners.

De gebruiksvoorwaarden moeten indien nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager dient bevestigende informatie te verstrekken over de herberekening van de voorspelde concentratie in het grondwater (PECGW) met een FOCUS GW-scenario dat is aangepast aan de ondersteunde toepassingen en waarbij een Q10-waarde van 2,58 wordt gebruikt.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 30 september 2015 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„41

Spiromesifen

CAS-nr. 283594-90-1

CIPAC-nr. 747

3-mesityl-2-oxo-1-oxaspiro[4.4]non-3-een-4-yl 3,3- dimethylbutyraat

≥ 965 g/kg (racemisch)

De onzuiverheid N,N-dimethylaceetamide is toxicologisch relevant en mag niet meer dan 4 g/kg bedragen in het technische materiaal.

1 oktober 2013

30 september 2023

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over spiromesifen (met name de aanhangsels I en II), dat op 15 maart 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

het risico op lange termijn voor in het water levende ongewervelde organismen,

het risico voor bestuivende vliesvleugeligen en geleedpotigen die geen doelsoorten zijn, indien de blootstelling niet verwaarloosbaar is,

de bescherming van de werknemers en toedieners.

De gebruiksvoorwaarden moeten indien nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager dient bevestigende informatie te verstrekken over de herberekening van de voorspelde concentratie in het grondwater (PECGW) met een FOCUS GW-scenario dat is aangepast aan de ondersteunde toepassingen en waarbij een Q10-waarde van 2,58 wordt gebruikt.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 30 september 2015 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


24.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 112/20


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 376/2013 VAN DE COMMISSIE

van 23 april 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 april 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

58,1

TN

81,5

TR

101,9

ZZ

80,5

0707 00 05

MA

99,6

TR

134,3

ZZ

117,0

0709 93 10

MA

91,2

TR

107,5

ZZ

99,4

0805 10 20

EG

55,4

IL

71,6

MA

52,7

TN

69,6

TR

63,4

US

84,5

ZZ

66,2

0805 50 10

TR

91,6

ZA

116,4

ZZ

104,0

0808 10 80

AR

109,1

BR

93,0

CL

114,3

CN

79,3

MK

30,8

NZ

142,4

US

196,8

ZA

109,4

ZZ

109,4

0808 30 90

AR

113,2

CL

120,8

CN

72,9

ZA

122,9

ZZ

107,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

24.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 112/22


BESLUIT 2013/189/GBVB VAN DE RAAD

van 22 april 2013

tot oprichting van een Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) en houdende intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 2008/550/GBVB

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, lid 1, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 18 juli 2005 Gemeenschappelijk Optreden 2005/575/GBVB tot oprichting van een Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) (1) vastgesteld. Dat gemeenschappelijk optreden werd vervangen door Gemeenschappelijk Optreden 2008/550/GBVB van 23 juni 2008 tot oprichting van een Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) (2).

(2)

Het bestuur van de EVDA („het bestuur”) heeft op 1 december 2008 conform artikel 13 van Gemeenschappelijk Optreden 2008/550/GBVB overeenstemming bereikt over aanbevelingen betreffende de toekomstperspectieven van de EVDA.

(3)

De Raad heeft in zijn conclusies van 8 december 2008 de aanbevelingen van het bestuur onderschreven. Daarom dient Gemeenschappelijk Optreden 2008/550/GBVB te worden vervangen door een nieuwe rechtshandeling waarin die aanbevelingen tot uiting komen.

(4)

De opleidingsactiviteiten in het kader van de EVDA dienen betrekking te hebben op het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), inclusief de aspecten conflictoplossing en stabilisering.

(5)

Het is passend dat de EVDA tijdens de onder onderhavig besluit vallende periode alleen gedetacheerd personeel inzet.

(6)

Overeenkomstig Besluit 2010/427/EU van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de organisatie en werking van de Europese Dienst voor extern optreden (3) (EDEO) moet de EDEO de EVDA de ondersteuning bieden die voorheen door het secretariaat-generaal van de Raad werd verleend,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

OPRICHTING, OPDRACHT, DOELSTELLINGEN EN TAKEN

Artikel 1

Oprichting

Hierbij wordt een Europese Veiligheids- en defensieacademie (EVDA) opgericht.

Artikel 2

Opdracht

De EVDA verstrekt opleidingen in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de Unie (GVDB), zulks in de bredere context van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) op strategisch niveau, teneinde bij militair en burgerpersoneel een gemeenschappelijke visie op het GVDB te ontwikkelen en te bevorderen, en door middel van haar opleidingsactiviteiten („EVDA-opleidingsactiviteiten”) beste praktijken voor diverse GVDB-onderdelen in kaart te brengen en te verspreiden.

Artikel 3

Doelstellingen

De doelstellingen van de EVDA zijn:

a)

de gemeenschappelijke Europese veiligheids- en defensiecultuur verder versterken in het kader van het GVDB;

b)

een beter inzicht in het GVDB als essentieel onderdeel van het GBVB bevorderen;

c)

de instanties van de Unie de beschikking geven over deskundig personeel dat efficiënt kan werken op alle GVDB-gebieden;

d)

de administraties en de staven van de lidstaten de beschikking geven over deskundig personeel dat vertrouwd is met het beleid, de instellingen en de procedures van de Unie op GBVB-gebied;

e)

Unie-partnerschappen op het gebied van het GVDB ondersteunen, met name partnerschappen met de landen die deelnemen aan GBVB-missies;

f)

professionele contacten en contacten tussen deelnemers aan EVDA-opleidingsactiviteiten („deelnemers”) helpen bevorderen.

Waar dit van toepassing is wordt gestreefd naar samenhang met andere activiteiten van de Unie.

Artikel 4

Taken

1.   Overeenkomstig de opdracht en de doelstellingen bestaan de voornaamste taken van de EVDA in het organiseren en uitvoeren van EVDA-opleidingsactiviteiten op GVDB-gebied.

2.   De opleidingsactiviteiten van de EVDA omvatten:

a)

de GVDB-cursus op hoog niveau;

b)

de GVDB-oriënteringscursussen;

c)

GVDB-cursussen voor een gespecialiseerd publiek of met een specifiek aandachtsveld.

Andere opleidingsactiviteiten vinden plaats telkens als het in artikel 8 bedoelde bestuur („het bestuur”) daartoe besluit.

3.   Naast de in lid 2 bedoelde activiteiten doet de EDVA met name het volgende:

a)

ondersteuning van de betrekkingen die tussen de in artikel 5, lid 1, bedoelde instituten die in het in dat lid bedoelde netwerk („het netwerk”) betrokken zijn, moeten worden aangeknoopt;

b)

beheren en verder ontwikkelen van het internetgebaseerd systeem voor geavanceerd afstandsonderwijs (IDL) ter ondersteuning van de opleidingsactiviteiten in het kader van het GVDB;

c)

opleidingsmateriaal voor Unie-opleidingen op GVDB-gebied ontwikkelen en vervaardigen, met gebruikmaking van bestaand toepasselijk materiaal;

d)

een alumninetwerk voor voormalige deelnemers ondersteunen;

e)

ondersteuning van uitwisselingsprogramma’s op het gebied van GVDB tussen de opleidingsinstituten van de lidstaten;

f)

bijdragen leveren aan het jaarlijkse opleidingsprogramma inzake GVDB van de Unie;

g)

ondersteuning verlenen aan managers van opleidingen inzake conflictpreventie en civiel crisisbeheer;

h)

jaarlijks een netwerkconferentie beleggen waarbij civiele en militaire experts inzake opleiding in GVDB-aangelegenheden uit opleidingsinstituten en ministeries van de lidstaten en, waar dit aangewezen is, relevante externe opleidingsactoren bij elkaar worden gebracht; en

i)

jaarlijks evalueren of bij de uitvoering van haar taken de in artikel 3 opgesomde doelstellingen gehaald worden.

4.   De EVDA-opleidingsactiviteiten worden uitgevoerd via het netwerk.

5.   Het Instituut voor veiligheidsstudies van de Europese Unie (IVSEU) ondersteunt, als onderdeel van het netwerk, de EVDA-opleidingsactiviteiten, met name door publicaties van het IVSEU, door lezingen van IVSEU-onderzoekers en door het leveren van bijdragen voor het internetgebaseerd systeem voor geavanceerd afstandsonderwijs (IDL) van het EVDA.

HOOFDSTUK II

ORGANISATIE

Artikel 5

Netwerk

1.   De EVDA wordt georganiseerd als een netwerk van civiele en militaire instituten, hogescholen, academies, universiteiten, instellingen en andere actoren in de Unie die zich bezighouden met veiligheids- en defensieaangelegenheden, die door de lidstaten zijn aangewezen, alsmede het IVSEU („instituten”), dat tot doel heeft de opleidingsactiviteiten op het gebied van het GVDB te ondersteunen.

2.   De EVDA onderhoudt nauwe banden met de instellingen van de Unie en de relevante agentschappen van de Unie, in het bijzonder met de Europese Politieacademie (EPA).

3.   De EVDA verricht haar taken onder de algehele verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid („hoge vertegenwoordiger”).

Artikel 6

Handelingsbevoegdheid

1.   De EVDA beschikt over de nodige handelingsbevoegdheid om haar taken te vervullen en haar doelstellingen te verwezenlijken, om de voor haar werking noodzakelijke contracten en administratieve regelingen te sluiten, waaronder regelingen voor de detachering van personeelsleden, om uitrusting, met name didactische uitrusting, aan te schaffen, bankrekeningen te bezitten en in rechte te treden.

2.   De eventueel uit door de EVDA gesloten overeenkomsten voortvloeiende aansprakelijkheid komt ten laste van de middelen waarover zij uit hoofde van de artikelen 14, 15 en 16 beschikt.

Artikel 7

Structuur

De volgende structuur wordt in het kader van de EVDA opgezet:

a)

het bestuur dat is belast met de algemene coördinatie en leiding van de EVDA-opleidingsactiviteiten;

b)

een uitvoerende academische raad („de raad”) die zorg draagt voor de kwaliteit en de samenhang van de EVDA-opleidingsactiviteiten;

c)

het hoofd van de EVDA, dat is belast met het financiële en administratieve beheer van de EVDA, alsmede met het bijstaan van het bestuur en de raad bij de organisatie en het beheer van de activiteiten van de EVDA;

d)

het hoofd van de EVDA wordt bij het verrichten van zijn taken bijgestaan door een EVDA-secretariaat („het secretariaat”).

Artikel 8

Bestuur

1.   Het bestuur, samengesteld uit één vertegenwoordiger per lidstaat, is het besluitvormingsorgaan van de EVDA. Elk lid van het bestuur mag door een plaatsvervanger vertegenwoordigd of vergezeld worden.

2.   De leden van het bestuur kunnen zich op bestuursvergaderingen door deskundigen laten vergezellen.

3.   Het bestuur wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de hoge vertegenwoordiger, die over de nodige ervaring beschikt. Het komt ten minste tweemaal per jaar bijeen.

4.   Vertegenwoordigers van landen die tot de Unie toetreden mogen de vergaderingen van het bestuur bijwonen als actief waarnemer.

5.   Het hoofd van de EVDA, de voorzitter van de raad en in voorkomend geval de voorzitters van de verschillende samenstellingen daarvan, alsmede een vertegenwoordiger van de Commissie nemen deel aan de vergaderingen van het bestuur, maar hebben geen stemrecht.

6.   Het bestuur heeft tot taak:

a)

het academisch jaarprogramma van de EVDA op te stellen, gebaseerd op het EVDA-opleidingsconcept;

b)

algemene richtsnoeren te verstrekken voor de werkzaamheden van de uitvoerende academische raad;

c)

het EVDA-opleidingsconcept, dat de overeengekomen EVDA-opleidingsvereisten weerspiegelt, goed te keuren en geregeld te toetsen;

d)

de lidstaten te selecteren die als gastland voor de EVDA-opleidingsactiviteiten optreden, alsook de instituten die deze activiteiten uitvoeren;

e)

de algemene curricula voor alle EVDA-opleidingsactiviteiten op te stellen en overeen te komen;

f)

nota te nemen van de evaluatieverslagen van de cursussen en een algemeen jaarverslag over de EVDA-opleidingsactiviteiten goed te keuren, dat aan de betrokken Raadsinstanties dient te worden toegezonden;

g)

voor een periode van ten minste twee academiejaren de voorzitters van de raad en de verschillende samenstellingen daarvan aan te stellen;

h)

de nodige besluiten betreffende de werking van de EVDA te nemen, voor zover de beslissingsbevoegdheid niet bij andere instanties berust;

i)

op voorstel van het hoofd van de EVDA de jaarbegroting en eventuele gewijzigde begrotingen goed te keuren;

j)

de jaarrekeningen goed te keuren en het hoofd van de EVDA kwijting te verlenen;

k)

de bijkomende voorschriften die van toepassing zijn op de door de EVDA beheerde uitgaven goed te keuren;

l)

zijn goedkeuring te hechten aan eventuele financieringsovereenkomsten en/of technische regelingen betreffende de financiering en/of het verrichten van de uitgaven van de EVDA die met de Commissie, de EDEO of een lidstaat zijn overeengekomen;

m)

de voorschriften die van toepassing zijn op bij de EVDA gedetacheerde personeelsleden goed te keuren;

n)

besluiten te nemen met betrekking tot het openstellen van de EVDA-opleidingsactiviteiten voor deelname door derde landen binnen de door het Politiek en Veiligheidscomité vastgelegde algemene beleidslijnen.

7.   Het bestuur keurt zijn reglement van orde goed.

8.   Het bestuur neemt zijn besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, als vastgesteld in titel II van Protocol nr. 36 betreffende de overgangsbepalingen, als gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 9

De uitvoerende academische raad

1.   De raad is samengesteld uit hoge vertegenwoordigers van de civiele en militaire instituten en andere actoren die door de lidstaten zijn aangeduid ter ondersteuning van de opleidingsactiviteiten van de EVDA. Indien meer vertegenwoordigers uit één lidstaat afkomstig zijn, vormen zij samen één delegatie.

2.   De voorzitter van de raad wordt uit de leden van de raad aangesteld door het bestuur.

3.   Vertegenwoordigers van de Commissie en van de EDEO worden op de vergaderingen van de raad uitgenodigd.

4.   Academische deskundigen en hoge functionarissen van nationale instellingen en instellingen van de Unie kunnen op de vergaderingen van de raad worden uitgenodigd.

5.   De raad heeft tot taak:

a)

academisch advies en aanbevelingen ten behoeve van het bestuur te verstrekken;

b)

het overeengekomen academisch jaarprogramma uit te voeren via het netwerk;

c)

toe te zien op het IDL-systeem;

d)

gedetailleerde curricula voor alle EVDA-opleidingsactiviteiten op te stellen op basis van de overeengekomen algemene curricula;

e)

te zorgen voor de algemene coördinatie van EVDA-opleidingsactiviteiten tussen alle instituten;

f)

het niveau te evalueren van de EVDA-opleidingsactiviteiten in het vorige academisch jaar;

g)

voorstellen voor EVDA-opleidingsactiviteiten in het volgende academisch jaar bij het bestuur in te dienen;

h)

te zorgen voor een systematische evaluatie van alle EVDA-opleidingsactiviteiten en de evaluatieverslagen van de cursussen goed te keuren;

i)

bij te dragen aan een ontwerp van een algemeen jaarverslag over EVDA-activiteiten.

6.   Om zijn taken te vervullen kan de raad in verschillende projectgerichte samenstellingen bijeenkomen. De raad stelt de voorschriften en regelingen voor de instelling en werking van deze samenstellingen op, die door het bestuur dienen te worden goedgekeurd.

7.   Het bestuur stelt het reglement van orde van de raad vast.

Artikel 10

Het hoofd van de EVDA

1.   Het hoofd van de EVDA is verantwoordelijk voor de organisatie en het beheer van de EVDA-opleidingsactiviteiten. Het hoofd van de EVDA ondersteunt de werkzaamheden van het bestuur en de raad op dit gebied en treedt op als vertegenwoordiger van de EVDA voor de EVDA-opleidingsactiviteiten binnen en buiten het netwerk. Het hoofd van de EVDA is in het bijzonder belast met het volgende:

a)

alle nodige maatregelen nemen, zoals het vaststellen van interne administratieve instructies en het bekendmaken van mededelingen, teneinde het vlotte verloop van de EVDA-opleidingsactiviteiten te waarborgen;

b)

het voorontwerp opstellen van het jaarverslag en van het werkprogramma van de EVDA, die aan het bestuur dienen te worden voorgelegd op basis van de door de raad voorgelegde voorstellen;

c)

de uitvoering van het EVDA-werkprogramma coördineren;

d)

de contacten met de relevante autoriteiten in de lidstaten onderhouden;

e)

de contacten met relevante externe opleidingsactoren op GVDB-gebied onderhouden;

f)

indien nodig technische afspraken over EVDA-opleidingsactiviteiten maken met de bevoegde autoriteiten en opleidingsactoren op GBVB-gebied;

g)

de overige hem door het bestuur opgedragen taken verrichten.

2.   Het hoofd van de EVDA is belast met het financiële en administratieve beheer van de EVDA, en met name met:

a)

alle ontwerpbegrotingen op te stellen en deze aan het bestuur voor te leggen;

b)

de begrotingen vast te stellen nadat deze door het bestuur zijn goedgekeurd;

c)

te fungeren als ordonnateur voor de begroting van de EVDA;

d)

namens de EVDA een of meer bankrekeningen te openen;

e)

met de Commissie, de EDEO of een lidstaat te onderhandelen over eventuele financieringsovereenkomsten en/of technische regelingen betreffende de financiering en/of het verrichten van de uitgaven van de EVDA, deze aan het bestuur voor te leggen en te sluiten;

f)

namens de EVDA te onderhandelen over briefwisseling voor de detachering van personeel van het secretariaat bij de EVDA en deze te ondertekenen;

g)

meer in het algemeen de EVDA te vertegenwoordigen voor alle rechtshandelingen met financiële gevolgen;

h)

de jaarrekening van de EVDA voor te leggen aan het bestuur.

3.   De hoge vertegenwoordiger benoemt het hoofd van de EVDA, na raadpleging van het bestuur. Hij wordt voor de duur van zijn benoeming benoemd als personeelslid van de EDEO. In overeenstemming met de van toepassing zijnde regels kunnen de lidstaten kandidaten voordragen voor de functie van hoofd van de EVDA, en kunnen personeelsleden van de instellingen van de Unie en van de EDEO naar deze functie solliciteren.

4.   Het hoofd van de EVDA legt voor zijn activiteiten rekenschap af aan het bestuur.

Artikel 11

Het secretariaat van de EVDA

1.   Het secretariaat verleent het hoofd van de EVDA bijstand bij het verrichten van hun taken.

2.   Het hoofd van de EVDA, die wordt bijgestaan door een selectiecomité, is verantwoordelijk voor de selectie van het personeel van het secretariaat.

3.   Het secretariaat verleent aan het bestuur, de raad en de instituten ondersteuning bij de organisatie van de EVDA-opleidingsactiviteiten.

4.   Elk instituut wijst een contactpunt met het secretariaat aan voor de organisatorische en administratieve aangelegenheden in verband met de organisatie van de EVDA-opleidingsactiviteiten.

5.   Het secretariaat werkt nauw samen met de Commissie en de EDEO.

Artikel 12

Personeel van de EVDA

1.   Het personeel van de EVDA bestaat uit:

a)

door de instellingen van de Unie, de EDEO en de agentschappen van de Unie bij de EVDA gedetacheerd personeel;

b)

door de lidstaten bij de EVDA gedetacheerde nationale deskundigen.

2.   De EVDA kan stagiairs en gastdocenten ontvangen.

3.   Op voorstel van de hoge vertegenwoordiger bepaalt het bestuur, voor zover nodig de voorwaarden die gelden voor stagiairs en gastdocenten.

4.   Het besluit van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 23 maart 2011 tot vaststelling van de regeling die van toepassing is op nationale deskundigen die zijn gedetacheerd bij de Europese Dienst voor extern optreden (4) is van overeenkomstige toepassing op nationale deskundigen die door de lidstaten zijn gedetacheerd bij de EVDA.

HOOFDSTUK III

FINANCIERING

Artikel 13

Bijdragen in natura aan de EVDA-opleidingsactiviteiten

1.   De lidstaten, instellingen van de Unie, agentschappen van de Unie en instituten, en de EDEO dragen zelf alle kosten die zijn verbonden aan hun deelname aan EVDA-activiteiten, met inbegrip van salarissen, vergoedingen, reis- en verblijfkosten en kosten in verband met de organisatorische en administratieve ondersteuning van de EVDA-opleidingsactiviteiten.

2.   Deelnemers dragen alle kosten die zijn verbonden aan hun deelname.

Artikel 14

Ondersteuning door de EDEO

1.   De EDEO draagt de kosten voor de huisvesting van het hoofd van de EVDA en het secretariaat in haar gebouwen, alsmede de kosten voor de informatietechnologie, de detachering van het hoofd van de EVDA en de detachering van een personeelslid bij het secretariaat.

2.   De EDEO verleent de EVDA de administratieve ondersteuning die nodig is om haar personeel aan te werven en te beheren, en haar begroting uit te voeren.

3.   Over de technische regelingen met de EDEO voor de door haar verleende ondersteuning wordt onderhandeld door het hoofd van de EVDA; de regelingen worden goedgekeurd door het bestuur.

Artikel 15

Vrijwillige bijdragen

1.   Voor de financiering van specifieke activiteiten kan de EVDA vrijwillige bijdragen ontvangen van de lidstaten en de instituten of van andere donoren. Deze bijdragen zullen door de EVDA als gereserveerde inkomsten worden beheerd.

2.   Over de technische regelingen voor de in lid 1 bedoelde bijdragen wordt onderhandeld door het hoofd van de EVDA; de regelingen worden goedgekeurd door het bestuur.

Artikel 16

Bijdrage uit de begroting van de Unie

1.   De EVDA ontvangt een jaarlijkse bijdrage uit de algemene begroting van de Unie. Deze bijdrage kan met name de kosten voor de ondersteuning van EVDA-opleidingsactiviteiten en de door de lidstaten bij de EVDA gedetacheerde nationale deskundigen dekken.

2.   Het financiële referentiebedrag dat de uitgaven van het EVDA moet dekken gedurende de eerste twaalf maanden na de sluiting van de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst bedraagt 535 000 EUR. Over de financiële referentiebedragen die de uitgaven van de EVDA voor de volgende perioden moeten dekken, wordt door de Raad besloten.

3.   Na het in lid 2 bedoelde besluit van de Raad onderhandelt het hoofd van de EVDA over een financieringsovereenkomst met de Commissie, die door het bestuur dient te worden goedgekeurd.

Artikel 17

Financiële regeling

De in de bijlage opgenomen financiële regeling geldt voor de door de EVDA beheerde uitgaven en de financiering van deze uitgaven.

HOOFDSTUK IV

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 18

Deelname aan EVDA-opleidingsactiviteiten

1.   Alle EVDA-opleidingsactiviteiten staan open voor deelname door onderdanen van alle lidstaten en toetredende staten. De instituten die de opleiding organiseren en verzorgen, zien erop toe dat dit beginsel onverkort wordt toegepast.

De EVDA-opleidingsactiviteiten staan in beginsel ook open voor deelname door onderdanen van kandidaat-lidstaten van de Unie en, in voorkomend geval, onderdanen van andere derde landen.

2.   De deelnemers zijn militair en burgerpersoneel dat zich bezighoudt met strategische aspecten op GVDB-gebied en deskundigen die in GVDB-missies en -operaties zullen worden ingezet.

Vertegenwoordigers van onder meer internationale organisaties, niet-gouvernementele organisaties, academische instellingen en de media, alsook mensen uit het bedrijfsleven, kunnen worden uitgenodigd om deel te nemen aan EVDA-opleidingsactiviteiten.

3.   Aan deelnemers die een EVDA-cursus hebben gevolgd, wordt een door de hoge vertegenwoordiger ondertekend getuigschrift afgegeven. De nadere regelingen voor het getuigschrift worden door het bestuur aan toetsing onderworpen. Het getuigschrift wordt door de lidstaten en de instellingen van de Unie erkend.

Artikel 19

Samenwerking

De EVDA werkt samen met internationale organisaties en andere betrokken actoren, zoals nationale opleidingsinstituten van derde landen, en maakt gebruik van hun deskundigheid.

Artikel 20

Beveiligingsvoorschriften

Besluit 2011/292/EU van de Raad van 31 maart 2011 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (5) is van toepassing op de EVDA.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 21

Continuïteit

De ter uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2008/550/GBVB vastgestelde regels en voorschriften blijven, met het oog op de toepassing van en mits verenigbaar met het onderhavige besluit, van kracht totdat zij worden gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 22

Intrekking

Gemeenschappelijk Optreden 2008/550/GBVB wordt hierbij ingetrokken.

Artikel 23

Evaluatie, inwerkingtreding en beëindiging

1.   Dit besluit treedt in werking op 1 april 2013. Het wordt geëvalueerd wanneer dit nodig is, en in ieder geval uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken ervan.

2.   Dit besluit verstrijkt vier jaar na de datum waarop de in artikel 16, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst wordt gesloten.

Gedaan te Luxemburg, 22 april 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 194 van 26.7.2005, blz. 15.

(2)  PB L 176 van 4.7.2008, blz. 20.

(3)  PB L 201 van 3.8.2010, blz. 30.

(4)  PB C 12 van 14.1.2012, blz. 8.

(5)  PB L 141 van 27.5.2011, blz. 17.


BIJLAGE

Financiële voorschiften van toepassing op de door de EVDA beheerde uitgaven en de financiering daarvan

Artikel 1

Beginselen met betrekking tot de begroting

1.   De begroting van de EVDA is het besluit waarbij voor elk begrotingsjaar wordt voorzien in en machtiging gegeven tot alle ontvangsten en uitgaven die door de EVDA worden beheerd.

2.   De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.

3.   Slechts door aanwijzing op een begrotingsonderdeel kunnen door de EVDA beheerde ontvangsten worden geïnd en uitgaven worden verricht.

Artikel 2

Vaststelling van begrotingen

1.   Het hoofd van de EVDA stelt ieder jaar een ontwerpbegroting op voor het volgende begrotingsjaar, dat begint op 1 januari en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar. De ontwerpbegroting bevat de kredieten die noodzakelijk worden geacht om de door de EVDA in die periode te financieren uitgaven te dekken en een raming van de inkomsten die naar verwachting deze uitgaven zullen dekken.

2.   De kredieten worden indien nodig ingedeeld naar soort of doel en ondergebracht in hoofdstukken en artikelen. De artikelen worden uitvoerig toegelicht in het ontwerp.

3.   De inkomsten bestaan uit de vrijwillige bijdragen van de lidstaten, de jaarlijkse bijdrage uit de begroting van de Europese Unie en diverse inkomsten.

4.   Uiterlijk op 31 oktober legt het hoofd van de EVDA een gedetailleerd begrotingsverslag met betrekking tot het lopende en de voorgaande boekjaren en de ontwerpbegroting voor aan het bestuur. Het bestuur keurt de ontwerpbegroting uiterlijk op 31 december goed.

5.   In geval van onvoorziene omstandigheden en dringende noodzaak kan het hoofd van de EVDA een gewijzigde begroting indienen. Gewijzigde begrotingen en de begroting voor het eerste jaar na de vaststelling van onderhavig besluit worden volgens dezelfde procedure voorgesteld, goedgekeurd en vastgesteld als de jaarlijkse begroting, evenwel met dien verstande dat de voor de jaarlijkse begroting geldende termijnen niet gelden.

Artikel 3

Kredietoverschrijvingen

Het hoofd van de EVDA kan, na daartoe de goedkeuring van het bestuur te hebben gekregen, kredieten overschrijven.

Artikel 4

Overdracht van kredieten

1.   Kredieten ter financiering van vóór 31 december van een begrotingsjaar aangegane juridische verbintenissen worden overgedragen naar het volgende begrotingsjaar.

2.   Het hoofd van de EVDA kan, na goedkeuring door het bestuur, andere kredieten in de begroting naar het volgende begrotingsjaar overdragen.

3.   Andere kredieten worden op het einde van het begrotingsjaar geannuleerd.

Artikel 5

Uitvoering van de begroting en personeelsbeheer

Voor de uitvoering van haar begroting en het beheer van haar personeel gebruikt de EVDA zoveel mogelijk de bestaande administratieve structuren van de Unie, met name de EDEO.

Artikel 6

Bankrekeningen van de EVDA

1.   De bankrekeningen van de EVDA worden geopend in een eersteklas kredietinstelling die in een lidstaat gevestigd is, en zijn rekeningen-courant of kortlopende depositorekeningen in euro.

2.   Geen enkele bankrekening van de EVDA mag een negatief saldo vertonen.

Artikel 7

Betalingen

Voor van de bankrekening van de EVDA uitgaande betalingen is de handtekening van het hoofd van de EVDA en van een ander personeelslid van de EVDA vereist.

Artikel 8

Boekhouding

1.   Het hoofd van de EVDA zorgt ervoor dat de boekhouding met de inkomsten, de uitgaven en de inventaris van de activa volgens de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector wordt gevoerd.

2.   Het hoofd van de EVDA legt de jaarrekening van een begrotingsjaar uiterlijk op 31 maart van het volgende begrotingsjaar voor aan het bestuur.

3.   De nodige boekhoudkundige diensten worden uitbesteed.

Artikel 9

Accountantscontrole

1.   Jaarlijks vindt een audit van de boekhouding van de EVDA plaats.

2.   De nodige auditdiensten worden uitbesteed.

3.   De auditverslagen worden op verzoek aan het bestuur ter beschikking gesteld.

Artikel 10

Kwijting

1.   Het bestuur beslist op grond van de jaarrekening en het jaarlijkse auditverslag of het hoofd van de EVDA kwijting verleent voor de uitvoering van de begroting van de EVDA.

2.   Het hoofd van de EVDA neemt de nodige initiatieven om het bestuur ervan te overtuigen dat kwijting kan worden verleend en om zich te schikken naar eventuele opmerkingen in de kwijtingsbesluiten.


24.4.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 112/30


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 22 april 2013

betreffende de geldigheid van een bepaalde bindende tariefinlichting

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 2297)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(2013/190/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), en met name artikel 12, lid 5, onder a), iii), en artikel 248,

Gezien Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2), en met name artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing van de gecombineerde nomenclatuur te waarborgen, heeft de Commissie Verordening (EG) nr. 160/2007 van 15 februari 2007 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (3) aangenomen, waarbij een product dat bestaat uit een heldere, donkerbruine vloeistof met een aromatische, kruidige geur en een bittere, kruidige smaak, dat een effectief alcoholvolumegehalte van 43 % vol. heeft en dat bestaat uit een mengsel van 32 soorten geneeskrachtige kruidenextracten met karamelextract, water en alcohol, onder GN-code 2208 90 69 werd ingedeeld.

(2)

Deze indeling was gebaseerd op de volgende motivering: „De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 1, onder b), op hoofdstuk 30, en de tekst van de GN-codes 2208, 2208 90 en 2208 90 69. Het product mag niet worden beschouwd als geneesmiddel van hoofdstuk 30. Het etiket noch de bijgesloten gebruiksaanwijzing noch de verpakking bevatten enige informatie over het type en de concentratie van de werkzame stof(fen). Alleen de hoeveelheid en soort van de gebruikte planten of plantendelen worden vermeld. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden van aantekening 1, onder b), op hoofdstuk 30. Het product is een alcoholhoudende drank van post 2208 met de kenmerken van een voedingssupplement, dat bedoeld is om de algemene gezondheid of welzijn te handhaven, op basis van plantenextracten (zie de GS-toelichting op post 2208, derde alinea, punt 16).”.

(3)

Ingevolge de publicatie van deze verordening op 20 februari 2007 hebben alle vóór die datum door de lidstaten afgegeven bindende tariefinlichtingen (BTI’s) waarbij de betrokken producten als geneesmiddel werden ingedeeld onder post 3004, hun geldigheid verloren.

(4)

Na die datum hebben de lidstaten voor dergelijke producten BTI’s afgegeven met indeling onder post 2208.

(5)

Oostenrijk heeft evenwel de in de bijlage genoemde BTI afgegeven, waarbij een soortgelijk product onder GN-code 3004 90 00 werd ingedeeld. Daarmee is Oostenrijk voorbijgegaan aan het feit dat de indelingsverordening de toepassing van een algemene regel op een specifiek geval behelst en derhalve een richtsnoer vormt voor de interpretatie van de regel, waarop de bevoegde autoriteit kan teruggrijpen om een identiek of soortgelijk product in te delen.

(6)

De in de bijlage genoemde BTI betreft een product dat bestaat uit een doorzichtige, geelachtig-bruine vloeistof met een specifieke aromatische geur en een bittere, kruidig-aromatische smaak. Het product heeft een effectief alcoholvolumegehalte van 43,4 % vol. en bestaat uit een mengsel van kamfer en 26 andere geneeskrachtige kruidenextracten met essentiële oliën, een kleurstof voor levensmiddelen en alcohol. Dit product is voldoende soortgelijk aan het product waarop Verordening (EG) nr. 160/2007 ziet.

(7)

Aan de voorwaarden van aantekening 1, onder b), op hoofdstuk 30 is niet voldaan omdat de kwantitatieve samenstelling niet precies is vermeld op de etikettering. Het product dat is beschreven in de door Oostenrijk afgegeven BTI, bestaat uit een alcoholhoudend mengsel van kamfer met verschillende kruidenextracten. Een duidelijke reden voor het vermengen van al deze kruiden ontbreekt evenwel. Het product behandelt of voorkomt geen specifieke ziekten of aandoeningen. Sommige vermeldingen hebben betrekking op pathofysiologische factoren die niet duidelijk zijn omschreven.

(8)

Om een gelijk speelveld tussen de marktdeelnemers alsook de uniforme toepassing van de gecombineerde nomenclatuur te waarborgen, mag de in de bijlage genoemde BTI niet langer geldig blijven. De douanedienst die deze inlichting heeft afgegeven, moet haar daarom zo spoedig mogelijk intrekken en de Commissie daarvan in kennis stellen.

(9)

Overeenkomstig artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 moet de houder van de inlichting de mogelijkheid krijgen om de ongeldig geworden BTI nog gedurende een beperkte periode te gebruiken behoudens de voorwaarden van artikel 14, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De in kolom 1 van de tabel in de bijlage genoemde bindende tariefinlichting, die door de in kolom 2 genoemde douaneautoriteit is afgegeven voor de in kolom 3 genoemde tariefindeling, verliest haar geldigheid.

2.   De in kolom 2 van de tabel in de bijlage genoemde douaneautoriteit trekt de in kolom 1 genoemde bindende tariefinlichting zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen tien dagen na kennisgeving van dit besluit, in.

3.   De douaneautoriteit die de bindende tariefinlichting intrekt, stelt de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 2

Op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 kan de in de bijlage genoemde bindende tariefinlichting nog gedurende zes maanden worden gebruikt, mits voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 14, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2454/93.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Oostenrijk.

Gedaan te Brussel, 22 april 2013.

Voor de Commissie

Algirdas ŠEMETA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(2)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(3)  PB L 51 van 20.2.2007, blz. 3.


BIJLAGE

Bindende tariefinlichting

Referentienummer

Douaneautoriteit

Tariefindeling

1

2

3

AT 2009/000788

Zollamt Wien

30049000