ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.078.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 78

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
20 maart 2013


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 227/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie

1

 

*

Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad

23

 

*

Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad

41

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

20.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 78/1


VERORDENING (EU) Nr. 227/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 maart 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad tot vaststelling van de voorwaarden waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad van 27 november 2009 tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011 (3) en Verordening (EU) nr. 579/2011 van het Europees Parlement en van de Raad van 8 juni 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen en Verordening (EG) nr. 1288/2009 van de Raad tot vaststelling van technische overgangsmaatregelen van 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2011 (4), voorzien, op voorlopige basis tot en met 31 december 2012, in de voortzetting van bepaalde technische maatregelen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 43/2009 van de Raad van 16 januari 2009 tot vaststelling, voor 2009, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften (5).

(2)

Het is wachten op een nieuw raamwerk voor technische instandhoudingsmaatregelen dat in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) zal worden ingesteld. Dit nieuwe raamwerk zal eind 2012 waarschijnlijk nog niet beschikbaar zijn en daarom is het gerechtvaardigd de bovengenoemde technische overgangsmaatregelen langer toe te passen.

(3)

Om een adequate instandhouding en een adequaat beheer van de biologische rijkdommen van de zee te blijven garanderen, moeten de voorlopige technische maatregelen worden opgenomen in Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad (6) en dient de verordening derhalve te worden bijgewerkt.

(4)

Om een adequate instandhouding en een adequaat beheer van de biologische rijkdommen van de Zwarte Zee te blijven garanderen, moeten de minimummaten bij aanlanding en de minimummaaswijdten voor de tarbotvisserij die reeds eerder in het recht van de Unie zijn vastgesteld, in Verordening (EG) nr. 850/98 worden opgenomen.

(5)

Het verbod op highgrading in alle ICES-gebieden moet gehandhaafd blijven om de teruggooi van quotasoorten te verminderen.

(6)

Om ongewenste vangsten te beperken, moet, op basis van het overleg dat in 2009 tussen de Unie, Noorwegen en de Faeröer heeft plaatsgevonden, een verbod worden ingesteld op het terugzetten of uitgeleiden van sommige soorten en moet een verplichting worden ingevoerd om van visgrond te veranderen zodra 10 % van de vangst ondermaatse vis bevat.

(7)

In het licht van het advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) moeten de beperkingen voor het aanlanden of aan boord houden van in ICES-sector IIa gevangen haring gehandhaafd blijven.

(8)

In het licht van het advies van het WTECV is de gebiedssluiting ter bescherming van paaiende haring in ICES-sector VIa niet langer nodig om de duurzame exploitatie van deze soort te garanderen en moet die sluiting worden ingetrokken.

(9)

In het licht van het advies van het WTECV waarin het geringe voortplantingssucces van de drieteenmeeuw in verband wordt gebracht met de geringe aanwezigheid van zandspieringen, moet de gebiedssluiting in ICES-deelgebied IV gehandhaafd blijven, behalve voor een beperkte visserij per jaar die tot doel heeft het bestand te monitoren.

(10)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van vistuig waarmee geen langoustines worden gevangen, kunnen worden toegestaan in bepaalde gebieden waar het vissen op langoustines is verboden.

(11)

In het licht van het advies van het WTECV moet een gebiedssluiting in ICES-sector VIb gehandhaafd blijven om jonge schelvis te beschermen.

(12)

In het licht van het advies van de ICES en het WTECV moeten bepaalde technische instandhoudingsmaatregelen in de wateren ten westen van Schotland (ICES-sector VIa) om kabeljauw-, schelvis- en wijtingbestanden te beschermen, gehandhaafd blijven om aan de instandhouding van die visbestanden bij te dragen.

(13)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van handlijnen en gemechaniseerde peurlijnen voor het vissen op koolvis in ICES-sector VIa worden toegestaan.

(14)

In het licht van het advies van het WTECV over de ruimtelijke spreiding van kabeljauw in ICES-sector VIa, waaruit blijkt dat de grote meerderheid van kabeljauwvangsten plaatsvinden ten noorden van 59° NB, moet het gebruik van kieuwnetten ten zuiden van die lijn worden toegestaan.

(15)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van kieuwnetten voor het vissen op hondshaai in ICES-sector VIa worden toegestaan.

(16)

De gepastheid van de kenmerken van vistuigen in het kader van de afwijking voor het vissen met trawls, bodemzegens of soortgelijke vistuigen in ICES-sector VIa moet periodiek in het licht van wetenschappelijk advies worden getoetst teneinde deze kenmerken te wijzigen of de vermelding ervan in te trekken.

(17)

In het licht van het advies van het WTECV moet een gebiedssluiting in ICES-sector VIa worden ingevoerd om jonge kabeljauw te beschermen.

(18)

De gepastheid van het verbod op de visserij op kabeljauw, schelvis en wijting in ICES-deelgebied VI, moet periodiek worden getoetst in het licht van wetenschappelijk advies, met het oog op de wijziging of intrekking ervan.

(19)

In het licht van het advies van de ICES en het WTECV moeten maatregelen ter bescherming van kabeljauwbestanden in de Keltische Zee (ICES-sectoren VIIf en VIIg) gehandhaafd blijven.

(20)

In het licht van het advies van het WTECV moeten de maatregelen om de paaibestanden van blauwe leng in ICES-sector VIa te beschermen, gehandhaafd blijven.

(21)

De maatregelen die in 2011 door de Visserijcommissie voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) zijn vastgesteld om roodbaars in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en II te beschermen, moeten gehandhaafd blijven.

(22)

De maatregelen die de NEAFC in 2011 heeft vastgesteld om roodbaars in de Irminger Zee en aangrenzende wateren te beschermen, moeten gehandhaafd blijven.

(23)

In het licht van het advies van het WTECV moet het vissen met de boomkor met elektrische stroom („pulse trawling”) onder voorwaarden verder worden toegestaan in de ICES-sectoren IVc en IVb zuid.

(24)

Op basis van het overleg dat in 2009 tussen de Unie, Noorwegen en de Faeröer heeft plaatsgevonden, dienen sommige maatregelen ter beperking van de capaciteit voor het behandelen en lozen van vangsten van pelagische vaartuigen die in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan op makreel, haring en horsmakrelen vissen, permanent te worden toegepast.

(25)

In het licht van het advies van het WTECV moeten de technische instandhoudingsmaatregelen om bestanden volwassen kabeljauw in de Ierse Zee tijdens het paaiseizoen te beschermen, gehandhaafd blijven.

(26)

In het licht van het advies van het WTECV moet het gebruik van sorteerroosters in een beperkt gebied in ICES-sector VIIa worden toegestaan.

(27)

In het licht van het advies van het WTECV mag het vissen met kieuw- en warnetten in de ICES-sectoren IIIa, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en de ICES-deelgebieden VIII, IX, X en XII ten oosten van 27° WL in wateren met een kaartdiepte van meer dan 200 meter, maar minder dan 600 meter, alleen worden toegestaan onder bepaalde voorwaarden die de biologisch kwetsbare diepzeesoorten bescherming bieden.

(28)

De interactie tussen de verschillende regelingen voor visserij met kieuwnetten behoeft verduidelijking, in het bijzonder wat ICES-deelgebied VII betreft. Met name moet gespecificeerd worden dat de bijzondere afwijkingsregeling voor visserij met kieuwnetten et een maaswijdte van 100 mm of meer in ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en de daaraan verbonden specifieke voorwaarden, alleen gelden in wateren met een kaartdiepte van meer dan 200 maar minder dan 600 meter, wat betekent dat in ICES-sectoren VIIa, VIId, VIIe, VIIf, VIIg en VIIh en in wateren met een kaartdiepte van minder dan 200 meter in ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk, de in Verordening (EG) nr. 850/98 vastgestelde standaardregels betreffende de maaswijdteklasse en de vangstsamenstelling van toepassing zijn.

(29)

In het licht van het advies van het WTECV dient in ICES-deelgebied IX in wateren met een kaartdiepte van meer dan 200 maar minder dan 600 meter het gebruik van schakelnetten te worden toegestaan.

(30)

Het gebruik van bepaald selectief vistuig in de Golf van Biskaje moet verder worden toegestaan om de duurzame exploitatie van de heek- en de langoustinebestanden te garanderen en de teruggooi van deze soorten te verminderen.

(31)

De beperkingen op het vissen in bepaalde gebieden om kwetsbare diepzeehabitats te beschermen die de NEAFC in 2004 voor het gereglementeerde NEAFC-gebied heeft vastgesteld en de beperkingen die de Unie in 2008 heeft vastgesteld voor bepaalde gebieden van de ICES-sectoren VIIc, VIIj en VIIk en ICES-sector VIIIc, moeten gehandhaafd blijven.

(32)

Overeenkomstig het advies van een gezamenlijke werkgroep Unie/Noorwegen inzake technische maatregelen draagt het weekendverbod op de visserij op haring, makreel of sprot met sleepnetten of ringzegens in het Skagerrak en het Kattegat niet langer bij aan de instandhouding van de pelagische visbestanden als gevolg van de wijzigingen in de visserijpatronen. Derhalve moet dit verbod, op basis van het overleg dat in 2011 tussen de Unie, Noorwegen en de Faeröer heeft plaatsgevonden, worden opgeheven.

(33)

Duidelijkheidshalve en met het oog op een betere regelgeving moeten bepaalde verouderde bepalingen worden geschrapt.

(34)

Om rekening te houden met gewijzigde visserijpatronen en de verplichting om selectiever vistuig te gaan gebruiken, moeten de maaswijdteklassen, de doelsoorten en de vereiste vangstpercentages die in het Skagerrak en het Kattegat van toepassing zijn, gehandhaafd blijven.

(35)

De minimummaat van Japanse tapijtschelp moet worden herzien in het licht van de biologische gegevens.

(36)

Om bij te dragen aan de instandhouding van de octopus, en met name om de jonge exemplaren te beschermen, moet een minimummaat worden vastgesteld voor octopus die wordt gevangen in de wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van derde landen in het gebied van de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijke deel van de Atlantische Oceaan (CECAF).

(37)

Voor ansjovis moet een maatregel worden ingevoerd die gelijkwaardig is met de minimummaat bij aanlanding en die wordt uitgedrukt in aantal vissen per kilogram, aangezien dat het werk aan boord van de vaartuigen die gericht op deze soort vissen zou vereenvoudigen en de controlemaatregelen aan land zou faciliteren.

(38)

De specificaties voor sorteerroosters, die ten doel hebben de bijvangst in de langoustinevisserij in ICES-sector IIIa, ICES-deelgebied VI en ICES-sector VIIa te verminderen, moeten gehandhaafd blijven.

(39)

De specificaties voor panelen met vierkante mazen die onder bepaalde voorwaarden moeten worden gebruikt voor de visserij met bepaald gesleept vistuig in de Golf van Biskaje, moeten gehandhaafd blijven.

(40)

Het gebruik van panelen met vierkante mazen van 2 meter door vaartuigen met een motorvermogen van minder dan 112 kW in een afgebakend deel van ICES-sector VIa moet worden toegestaan.

(41)

Ten gevolge van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 moet het woord „Gemeenschap” in het regelgevend gedeelte van Verordening (EG) nr. 850/98 worden gewijzigd.

(42)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van voorschriften inzake het gebruik van vistuigen met een gelijkwaardige hoge selectiviteit bij de visserij op langoustine in ICES-sector VIa en van voorschriften tot ontheffing van het verbod op het gebruik van kieuw-, war- en schakelnetten in ICES-deelgebieden VIII, IX en X, aan bepaalde visserijtakken van een lidstaat indien het niveau van bijvangst en teruggooi van haaien zeer laag is, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend zonder dat Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (7) wordt toegepast.

(43)

Verordening (EG) nr. 850/98 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(44)

Verordening (EG) nr. 1434/98 van de Raad (8) stelt voorwaarden vast waarop haring mag worden aangevoerd voor andere industriële doeleinden dan rechtstreekse menselijke consumptie. Een specifieke afwijking van de voorwaarden voor bijvangsten van haring, waarbij aanlanding is toegestaan voor de visserij met fijnmazig vistuig in ICES-sector IIIa, deelgebied IV, sector VIId en in uniale wateren van ICES-sector IIa, die eerder reeds in andere handelingen van de Unie is opgenomen, moet in voornoemde verordening worden opgenomen. Verordening (EG) nr. 1434/98 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 850/98

Verordening (EG) nr. 850/98 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 1 bis

In artikel 4, lid 2, onder c), artikel 46, lid 1, onder b), en bijlage I, voetnoot 5, wordt het substantief „Gemeenschap”, of het daarmee overeenstemmende adjectief, vervangen door het substantief „Unie”, of het daarmee overeenstemmende adjectief, en worden de grammaticale aanpassingen aangebracht die als gevolg van deze vervanging nodig zijn.”.

2)

Aan artikel 2, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:

„(i)

Gebied 9:

alle wateren van de Zwarte Zee die overeenkomen met geografisch deelgebied 29 als gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) (9) en in Resolutie GFCM/33/2009/2.

3)

Aan artikel 11, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Deze afwijking is van toepassing onverminderd artikel 34 ter, lid 2, onder c).”.

4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 bis

In gebied 9 bedraagt de minimummaaswijdte van geankerde kieuwnetten voor de visserij op tarbot 400 mm.”.

5)

Artikel 17 wordt vervangen door:

„Artikel 17

Mariene organismen zijn ondermaats als zij kleiner zijn dan de minimummaat die in bijlage XII en bijlage XII bis voor de betrokken soort en de betrokken geografische zone is vastgesteld.”.

6)

In artikel 19 wordt het volgende lid ingevoegd:

„4.   De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing in gebied 9.”.

7)

De volgende titel wordt ingevoegd:

TITEL III bis

Maatregelen om teruggooi te verminderen

Artikel 19 bis

Verbod op highgrading

1.   In de gebieden 1, 2, 3 en 4 is het verboden aan een quotaregeling onderworpen soorten die legaal kunnen worden aangeland, tijdens visserijactiviteiten terug te gooien.

2.   De in lid 1 bedoelde bepalingen gelden onverminderd de verplichtingen die in deze verordening of in andere rechtshandelingen van de Unie op het gebied van de visserij zijn vastgesteld.

Artikel 19 ter

Gebiedsbepalingen en verbod op uitgeleiding

1.   Indien in de gebieden 1, 2, 3 en 4 de hoeveelheid ondermaatse makreel, haring of horsmakrelen groter is dan 10 % van de in één enkele trek gevangen totale hoeveelheid, verandert het vaartuig van visgrond.

2.   In de gebieden 1, 2, 3 en 4 geldt een verbod op het terugzetten van makreel, haring en horsmakrelen voordat het net volledig is binnengehaald indien zulks tot een verlies van dode of stervende vissen leidt.”.

8)

In artikel 20, lid 1, wordt punt d) geschrapt.

9)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 20 bis

Beperking van de haringvangst in uniale wateren van ICES-sector IIa

In de tijdvakken van 1 januari tot en met 28 februari en van 16 mei tot en met 31 december is het verboden in de uniale wateren van ICES-sector IIa haring aan te landen of aan boord te houden.”.

10)

Artikel 29 bis wordt vervangen door:

„Artikel 29 bis

Sluiting van een gebied voor de visserij op zandspieringen in ICES-deelgebied IV

1.   Het is verboden zandspieringen aan te landen of aan boord te houden die gevangen zijn in het geografische gebied dat wordt begrensd door de oostkust van Engeland en Schotland en de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

de oostkust van Engeland op 55°30′ NB,

55°30′ NB, 01°00′ WL,

58°00′ NB, 01°00′ WL,

58°00′ NB, 02°00′ WL,

de oostkust van Schotland op 02°00′ WL.

2.   Visserij voor wetenschappelijke doeleinden is toegestaan om het zandspieringbestand in het gebied en de gevolgen van de sluiting te monitoren.”.

11)

In artikel 29 ter wordt lid 3 vervangen door:

„3.   In afwijking van het verbod in lid 1 is het vissen met korven waarmee geen langoustine wordt gevangen, toegestaan in de in dat lid genoemde geografische gebieden en perioden.”.

12)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 29 quater

Rockall-schelvisbox in ICES-deelgebied VI

1.   Elke vorm van visserij op Rockall-schelvis, met uitzondering van die met de beug, is verboden in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

57°00′ NB, 15°00′ WL,

57°00′ NB, 14°00′ WL,

56°30′ NB, 14°00′ WL,

56°30′ NB, 15°00′ WL,

57°00′ NB, 15°00′ WL.

Artikel 29 quinquies

Beperkingen op de visserij op kabeljauw, schelvis en wijting in ICES-deelgebied VI

1.   Elke vorm van visserij op kabeljauw, schelvis en wijting is verboden in het deel van ICES-sector VIa ten oosten of ten zuiden van de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

54°30′ NB, 10°35′ WL,

55°20′ NB, 09°50′ WL,

55°30′ NB, 09°20′ WL,

56°40′ NB, 08°55′ WL,

57°00′ NB, 09°00′ WL,

57°20′ NB, 09°20′ WL,

57°50′ NB, 09°20′ WL,

58°10′ NB, 09°00′ WL,

58°40′ NB, 07°40′ WL,

59°00′ NB, 07°30′ WL,

59°20′ NB, 06°30′ WL,

59°40′ NB, 06°05′ WL,

59°40′ NB, 05°30′ WL,

60°00′ NB, 04°50′ WL,

60°15′ NB, 04°00′ WL.

2.   Elk vissersvaartuig dat zich in het in lid 1 van dit artikel bedoelde gebied bevindt, ziet erop toe dat meegevoerd vistuig is vastgemaakt en opgeborgen overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (10).

3.   In afwijking van lid 1 is de visserij met vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, sleepnetten en strandzegens, kommen en korven in het in lid 1 bedoelde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

geen ander vistuig dan vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, sleepnetten en strandzegens, kommen en korven aan boord wordt gehouden of uitgezet, en

b)

geen andere vissoorten dan makreel, pollak, koolvis of zalm en geen andere schelpdieren dan weekdieren of schaaldieren aan boord worden gehouden, worden aangeland of aan land worden gebracht.

4.   In afwijking van lid 1 is de visserij met netten met een maaswijdte van minder dan 55 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

geen netten met een maaswijdte van 55 mm of meer aan boord worden gehouden, en

b)

geen andere vissoorten dan haring, makreel, sardine, gouden sardinelle, horsmakrelen, sprot, blauwe wijting, evervis en zilversmelten aan boord worden gehouden.

5.   In afwijking van lid 1 is de visserij met kieuwnetten met een maaswijdte van meer dan 120 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

deze netten alleen worden uitgezet in het gebied ten zuiden van 59° NB;

b)

maximaal 20 kilometer kieuwnet per vaartuig wordt uitgezet;

c)

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt, en

d)

niet meer dan 5 % van de vangst uit wijting en kabeljauw bestaat.

6.   In afwijking van lid 1 is de visserij met kieuwnetten met een maaswijdte van meer dan 90 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

deze netten worden uitgezet binnen drie zeemijl uit de kust, gedurende maximaal 10 dagen per kalendermaand;

b)

maximaal 1 000 meter kieuwnet wordt uitgezet;

c)

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt, en

d)

minstens 70 % van de vangst uit hondshaai bestaat.

7.   In afwijking van lid 1 is de visserij op langoustine in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

het gebruikte vistuig is uitgerust met een sorteerrooster overeenkomstig bijlage XIV bis, punten 2 tot en met 5, of met een paneel met vierkante mazen als omschreven in bijlage XIV quater, of een ander vistuig met een gelijkwaardige hoge selectiviteit is;

b)

het vistuig is vervaardigd met een minimummaaswijdte van 80 mm;

c)

de aan boord gehouden vangst in gewicht voor ten minste 30 % uit langoustine bestaat.

Op basis van een gunstig advies van het WTECV stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast die de vistuigen bepalen waarvan moet worden beschouwd dat ze een gelijkwaardige hoge selectiviteit hebben voor de toepassing van punt a).

8.   Lid 7 is niet van toepassing in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

59°05′ NB, 06°45′ WL,

59°30′ NB, 06°00′ WL,

59°40′ NB, 05°00′ WL,

60°00′ NB, 04°00′ WL,

59°30′ NB, 04°00′ WL,

59°05′ NB, 06°45′ WL.

9.   In afwijking van lid 1 is de visserij met trawls, bodemzegens of soortgelijke vistuigen in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

alle netten aan boord van het vaartuig zijn vervaardigd met een minimummaaswijdte van 120 mm voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan 15 meter, respectievelijk 110 mm voor alle andere vaartuigen;

b)

wanneer de aan boord gehouden vangst minder dan 90 % koolvis bevat, het gebruikte vistuig is uitgerust met een paneel met vierkante mazen als omschreven in bijlage XIV quater, en

c)

wanneer de lengte over alles van het vaartuig 15 meter of minder bedraagt, het gebruikte vistuig — ongeacht de aan boord gehouden hoeveelheden gevangen koolvis — is uitgerust met een paneel met vierkante mazen als omschreven in bijlage XIV quinquies.

10.   Uiterlijk op 1 januari 2015 en vervolgens uiterlijk om de twee jaar beoordeelt de Commissie in het licht van het wetenschappelijk advies van het WTECV de kenmerken van de in lid 9 beschreven vistuigen en dient zij in voorkomend geval bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot wijziging van lid 9 in.

11.   Lid 9 is niet van toepassing in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

59°05′ NB, 06°45′ WL,

59°30′ NB, 06°00′ WL,

59°40′ NB, 05°00′ WL,

60°00′ NB, 04°00′ WL,

59°30′ NB, 04°00′ WL,

59°05′ NB, 06°45′ WL.

12.   Jaarlijks van 1 januari tot en met 31 maart en van 1 oktober tot en met 31 december is elke vorm van visserij verboden waarbij gebruik wordt gemaakt van vistuig dat is gespecificeerd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (11) in het gebied als gespecificeerd in ICES-gebied VIa dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

55°25′ NB, 07°07′ WL,

55°25′ NB, 07°00′ WL,

55°18′ NB, 06°50′ WL,

55°17′ NB, 06°50′ WL,

55°17′ NB, 06°52′ WL,

55°25′ NB, 07°07′ WL.

De kapitein van een vissersvaartuig noch andere personen aan boord mogen een persoon aan boord ertoe aanzetten of toestaan te pogen in het bedoelde gebied te vissen dan wel in het bedoelde gebied gevangen vis aan te landen, over te laden of aan boord te hebben.

13.   Elke betrokken lidstaat voert elk jaar van 1 januari tot en met 31 december een programma voor waarnemers aan boord uit om de vangsten en de teruggooi te bemonsteren van vaartuigen die gebruikmaken van de afwijkingen van de leden 5, 6, 7 en 9. De waarnemingsprogramma's worden uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen uit hoofde van de desbetreffende voorschriften en dienen ter raming van de vangsten en de teruggooi van kabeljauw, schelvis en wijting, met een foutmarge van minstens 20 %.

14.   De betrokken lidstaten maken een verslag over de totale vangsten en de totale teruggooi van de onder het waarnemingsprogramma vallende vaartuigen gedurende elk kalenderjaar en zij dienen dit verslag uiterlijk 1 februari van het volgende kalenderjaar bij de Commissie in.

15.   Uiterlijk op 1 januari 2015 en vervolgens uiterlijk om de twee jaar beoordeelt de Commissie in het licht van het wetenschappelijk advies van het WTECV de situatie van de kabeljauw-, schelvis- en wijtingbestanden in het in lid 1 bepaalde gebied, en dient zij in voorkomend geval bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel tot wijziging van dit artikel in.

Artikel 29 sexies

Beperkingen op de kabeljauwvisserij in ICES-deelgebied VII

1.   Jaarlijks van 1 februari tot en met 31 maart is elke vorm van visserij verboden in het deel van ICES-deelgebied VII dat bestaat uit de statistische ICES-rechthoeken 30E4, 31E4, 32E3. Dit verbod is niet van toepassing binnen zes zeemijl vanaf de basislijn.

2.   In afwijking van lid 1 is de visserij met vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, sleepnetten en strandzegens, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, kommen en korven in de in dat lid bedoelde gebieden en perioden toegestaan op voorwaarde dat:

a)

geen ander vistuig dan vaste, aan palen bevestigde kustnetten, kamschelpkorren, mosselkorren, sleepnetten en strandzegens, handlijnen, gemechaniseerde peurlijnen, kommen en korven aan boord wordt gehouden of uitgezet, en

b)

geen andere vissoorten dan makreel, pollak of zalm en geen andere schelpdieren dan weekdieren of schaaldieren worden aangeland, aan boord worden gehouden of aan land worden gebracht.

3.   In afwijking van lid 1 is de visserij met netten met een maaswijdte van minder dan 55 mm in het in dat lid genoemde gebied toegestaan op voorwaarde dat:

a)

geen netten met een maaswijdte van 55 mm of meer aan boord worden gehouden, en

b)

geen andere vissoorten dan haring, makreel, sardine, gouden sardinelle, horsmakrelen, sprot, blauwe wijting, evervis en zilversmelten aan boord worden gehouden.

Artikel 29 septies

Bijzondere voorschriften voor de bescherming van blauwe leng

1.   Jaarlijks van 1 maart tot en met 31 mei is het verboden per visreis meer dan 6 ton blauwe leng aan boord te hebben in het gebied van ICES-sector VIa dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

a)

rand van het Schotse continentale plat

59°58′ NB, 07°00′ WL,

59°55′ NB, 06°47′ WL,

59°51 NB, 06°28′ WL,

59°45′ NB, 06°38′ WL,

59°27′ NB, 06°42′ WL,

59°22′ NB, 06°47′ WL,

59°15′ NB, 07°15′ WL,

59°07′ NB, 07°31′ WL,

58°52′ NB, 07°44′ WL,

58°44′ NB, 08°11′ WL,

58°43′ NB, 08°27′ WL,

58°28′ NB, 09°16′ WL,

58°15′ NB, 09°32′ WL,

58°15′ NB, 09°45′ WL,

58°30′ NB, 09°45′ WL,

59°30′ NB, 07°00′ WL,

59°58′ NB, 07°00′ WL,

b)

rand van de Rosemary Bank

60°00′ NB, 11°00′ WL,

59°00′ NB, 11°00′ WL,

59°00′ NB, 09°00′ WL,

59°30′ NB, 09°00′ WL,

59°30′ NB, 10°00′ WL,

60°00′ NB, 10°00′ WL,

60°00′ NB, 11°00′ WL.

Niet inbegrepen is het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

59°15′ NB, 10°24′ WL,

59°10′ NB, 10°22′ WL,

59°08′ NB, 10°07′ WL,

59°11′ NB, 09°59′ WL,

59°15′ NB, 09°58′ WL,

59°22′ NB, 10°02′ WL,

59°23′ NB, 10°11′ WL,

59°20′ NB, 10°19′ WL,

59°15′ NB, 10°24′ WL.

2.   Bij het binnenvaren of verlaten van de in lid 1 bedoelde gebieden registreert de kapitein van het vissersvaartuig in het logboek op welke dag, welke tijd en welke plaats het vaartuig het gebied binnenvaart of verlaat.

3.   Als een vaartuig in een van de twee in lid 1 bedoelde gebieden de hoeveelheid van 6 ton blauwe leng bereikt:

a)

zet het de visserij onmiddellijk stop en verlaat het onmiddellijk het gebied waarin het zich bevindt;

b)

mag het beide gebieden pas na aanlanding van zijn vangst weer binnenvaren;

c)

mag het geen blauwe leng overboord zetten.

4.   De in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de toegang tot diepzeebestanden en bij de visserij daarop in acht te nemen voorschriften (12) bedoelde waarnemers die zijn toegewezen aan vissersvaartuigen die zich in een van de in lid 1 bedoelde gebieden bevinden, verrichten de in lid 4 van dat artikel bedoelde taken, maar meten ook, bij adequate monsters van de gevangen blauwe leng, de lengte van de vis en bepalen het stadium van geslachtsrijpheid van de submonsters. Op basis van het advies van het WTECV stellen de lidstaten gedetailleerde protocollen op voor de bemonstering en voor het collationeren van de resultaten.

5.   Jaarlijks van 15 februari tot en met 15 april is het verboden bodemtrawls, beuglijnen en kieuwnetten te gebruiken in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

60°58.76′ NB, 27°27.32′ WL,

60°56.02′ NB, 27°31.16′ WL,

60°59.76′ NB, 27°43.48′ WL,

61°03.00′ NB, 27°39.41′ WL,

60°58.76′ NB, 27°27.32′ WL.

Artikel 29 octies

Maatregelen voor de visserij op roodbaars in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en II

1.   Het gericht vissen op roodbaars in de internationale wateren van de ICES-deelgebieden I en II is enkel toegestaan jaarlijks van 1 juli tot en met 31 december voor vaartuigen die al eerder hebben gevist op roodbaars in het gereglementeerde NEAFC-gebied, als omschreven in artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1236/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 tot vaststelling van een controle- en handhavingsregeling voor het gebied dat onder het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan valt (13).

2.   De vaartuigen beperken hun bijvangsten van roodbaars in andere visserijtakken tot maximaal 1 % van de totale aan boord gehouden vangst.

3.   De omrekeningsfactor voor bij deze visserij gevangen roodbaarzen die zijn ontdaan van kop en ingewanden, bedraagt, ook in het geval van Japanse versnijding, 1,70.

4.   In afwijking van artikel 9, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1236/2010 rapporteren de kapiteins van vissersvaartuigen die bij deze visserij betrokken zijn, dagelijks hun vangsten.

5.   Naast het bepaalde in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1236/2010 is een machtiging om op roodbaars te vissen uitsluitend geldig indien de door de vaartuigen verzonden vangstaangiften in overeenstemming zijn met artikel 9, lid 1, van genoemde verordening en worden opgeslagen overeenkomstig artikel 9, lid 3, van die verordening.

6.   De lidstaten zien erop toe dat er aan boord van vaartuigen die hun vlag voeren, wetenschappelijke informatie wordt verzameld door wetenschappelijke waarnemers. De verzamelde informatie dient ten minste representatieve gegevens inzake geslacht, leeftijd en lengte met betrekking tot de samenstelling van de visbestanden per diepte te bevatten. De bevoegde autoriteiten in de lidstaten delen deze informatie aan de ICES mee.

7.   De Commissie stelt de lidstaten in kennis van de datum waarop het secretariaat van de NEAFC de verdragsluitende partijen van de NEAFC heeft meegedeeld dat de totaal toegestane vangst (TAC) volledig is opgebruikt. Vanaf die datum verbieden de lidstaten het gericht vissen op roodbaars door vaartuigen die hun vlag voeren.

Artikel 29 nonies

Maatregelen voor de visserij op roodbaars in de Irminger Zee en aangrenzende wateren

1.   Het is verboden roodbaars te vangen in de internationale wateren van ICES-deelgebied V en in de Uniewateren van de ICES-deelgebieden XII en XIV.

In afwijking van de eerste alinea is het vangen van roodbaars toegestaan van 11 mei tot en met 31 december in het gebied dat worden ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem) („het beschermingsgebied voor roodbaars”):

64°45′ NB, 28°30′ WL,

62°50′ NB, 25°45′ WL,

61°55′ NB, 26°45′ WL,

61°00′ NB, 26°30′ WL,

59°00′ NB, 30°00′ WL,

59°00′ NB, 34°00′ WL,

61°30′ NB, 34°00′ WL,

62°50′ NB, 36°00′ WL,

64°45′ NB, 28°30′ WL.

2.   Niettegenstaande lid 1 mag visserij op roodbaars bij een rechtshandeling van de Unie jaarlijks van 11 mei tot en met 31 december buiten het beschermingsgebied voor roodbaars in de Irminger Zee en aangrenzende wateren worden toegestaan op basis van wetenschappelijk advies en op voorwaarde dat de NEAFC voor het roodbaarsbestand in dat geografische gebied een herstelplan heeft opgesteld. Alleen vaartuigen van de Unie die door hun lidstaat overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1236/2010 naar behoren zijn gemachtigd en bij de Commissie zijn aangemeld, nemen aan de visserij deel.

3.   Het gebruik van sleepnetten met een maaswijdte van minder dan 100 mm is verboden.

4.   De omrekeningsfactor voor bij deze visserij gevangen roodbaarzen die zijn ontdaan van kop en ingewanden, bedraagt, ook in het geval van Japanse versnijding, 1,70.

5.   De kapitein van een vissersvaartuig dat betrokken is bij de visserij buiten het beschermingsgebied voor roodbaars zendt dagelijks na afsluiting van de visserijactiviteiten van die kalenderdag een vangstaangifte door als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1236/2010. Hierin worden de sinds de laatste mededeling van vangstgegevens aan boord genomen vangsten aangegeven.

6.   Afgezien van het bepaalde in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1236/2010 is een machtiging om op roodbaars te vissen uitsluitend geldig indien de door de vaartuigen verzonden vangstaangiften in overeenstemming zijn met artikel 9, lid 1, van genoemde verordening en worden opgeslagen overeenkomstig artikel 9, lid 3, van genoemde verordening.

7.   De in lid 6 bedoelde vangstaangiften worden volgens de toepasselijke voorschriften opgesteld.

13)

In artikel 30 wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 bis.   Lid 1 is niet van toepassing op gebied 9.”.

14)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 31 bis

Elektrische visserij in de ICES-sectoren IVc en IVb

1.   In afwijking van artikel 31 wordt vissen met de boomkor met elektrische stroom toegestaan in de ICES-sectoren IVc en IVb bezuiden een loxodroom die de onderstaande punten met elkaar verbindt (gemeten volgens het WGS84-coördinatensysteem):

een punt op de oostkust van het Verenigd Koninkrijk op 55° NB,

dan oostwaarts tot 55° NB, 5° OL,

dan noordwaarts tot 56° NB,

en ten slotte op een punt op de westkust van Denemarken op 56° NB.

2.   Het vissen met elektrische stroom wordt alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden:

a)

per lidstaat vist ten hoogste 5 % van de boomkottervloot met de boomkor met elektrische stroom;

b)

de maximale elektrische stroom in kW bedraagt voor elke boomkor niet meer dan de lengte in meter van de boomkor vermenigvuldigd met 1,25;

c)

het werkelijke voltage tussen de elektroden bedraagt ten hoogste 15 V;

d)

het vaartuig is uitgerust met een automatisch computergestuurd beheerssysteem dat de maximale stroom per boom en het werkelijke voltage tussen de elektroden van ten minste de laatste 100 trekken registreert. Niet-bevoegde personen kunnen dit automatische computergestuurde beheerssysteem niet wijzigen;

e)

het is verboden om vóór de klossenpees één of meer kietelaars („tickler chains”) te bevestigen.”.

15)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 32 bis

Beperkingen op het behandelen en lozen van vangsten voor pelagische vaartuigen

1.   De maximumafstand tussen de staven in de waterafscheider aan boord van pelagische vissersvaartuigen die op makreel, haring en horsmakrelen vissen in het NEAFC-verdragsgebied als omschreven in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1236/2010, is 10 mm.

De staven worden ter plaatse gelast. Als de waterafscheider niet met staven functioneert, maar met gaten, bedraagt de diameter van die gaten ten hoogste 10 mm. De diameter van de gaten in de glijgoten vóór de waterafscheider bedraagt ten hoogste 15 mm.

2.   Het is alle pelagische vaartuigen die actief zijn in het NEAFC-verdragsgebied, verboden vis uit buffertanks of tanks met gekoeld zeewater onder de waterlijn van het vaartuig te lozen.

3.   De door de bevoegde autoriteiten van de vlaglidstaten gecertificeerde plannen van de installaties voor vangstbehandeling en -lozing van pelagische vaartuigen die in het NEAFC-verdragsgebied op makreel, haring en horsmakrelen vissen, en de wijzigingen daarvan moeten door de kapitein van het vaartuig aan de bevoegde visserijautoriteiten van de vlaglidstaat worden toegezonden. De bevoegde autoriteiten van de vlaglidstaat van de vaartuigen controleren regelmatig de juistheid van de voorgelegde plannen. Er moeten te allen tijde kopieën van de plannen aan boord van het vaartuig zijn.”.

16)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 34 bis

Technische instandhoudingsmaatregelen in de Ierse Zee

1.   Van 14 februari tot en met 30 april is het verboden bodemtrawls, zegennetten of soortgelijke sleepnetten, kieuwnetten, schakelnetten, warnetten of soortgelijke staande netten of vistuig met haken te gebruiken in het gedeelte van ICES-sector VIIa dat wordt begrensd door:

de oostkust van Ierland en de oostkust van Noord-Ierland, en

rechte lijnen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

een punt op de oostkust van het schiereiland Ards in Noord-Ierland op 54°30′ NB,

54°30′ NB, 04°50′ WL,

53°15′ NB, 04°50′ WL,

een punt op de oostkust van Ierland op 53°15′ NB.

2.   In afwijking van lid 1 is in het gebied en de periode die in dat lid zijn bepaald:

a)

het gebruik van bodemtrawls toegestaan, op voorwaarde dat geen ander type vistuig aan boord is en dat die netten:

behoren tot de maaswijdteklassen van 70-79 mm of 80-99 mm,

tot slechts één van de toegestane maaswijdteklassen behoren,

op geen enkele plaats in het net een afzonderlijke maas bevatten waarvan de wijdte groter is dan 300 mm, en

alleen worden uitgezet in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

53°30′ NB, 05°30′ WL,

53°30′ NB, 05°20′ WL,

54°20′ NB, 04°50′ WL,

54°30′ NB, 05°10′ WL,

54°30′ NB, 05°20′ WL,

54°00′ NB, 05°50′ WL,

54°00′ NB, 06°10′ WL,

53°45′ NB, 06°10′ WL,

53°45′ NB, 05°30′ WL,

53°30′ NB, 05°30′ WL;

b)

het gebruik van bodemtrawls, zegennetten of soortgelijke sleepnetten die met een scheidingspaneel of sorteerrooster zijn uitgerust, toegestaan op voorwaarde dat geen ander type vistuig aan boord is en dat die netten:

in overeenstemming zijn met de onder a) gestelde voorwaarden,

als er een scheidingspaneel is, zijn vervaardigd volgens de technische details van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 254/2002 van de Raad van 12 februari 2002 tot vaststelling van maatregelen voor 2002 voor het herstel van het kabeljauwbestand in de Ierse Zee (ICES-sector VIIa) (14), en

indien er sorteerroosters zijn, die in overeenstemming zijn met bijlage XIV bis, punten 2 tot en met 5, van deze verordening;

c)

het gebruik van bodemtrawls, zegennetten of soortgelijke sleepnetten met een scheidingspaneel of een sorteerrooster ook toegestaan in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

53°45′ NB, 06°00′ WL,

53°45′ NB, 05°30′ WL,

53°30′ NB, 05°30′ WL,

53°30′ NB, 06°00′ WL,

53°45′ NB, 06°00′ WL.

Artikel 34 ter

Gebruik van kieuwnetten in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en in de ICES-deelgebieden VIII, IX, X en XII ten oosten van 27° WL

1.   Het is vaartuigen van de Unie niet toegestaan in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk, de ICES-deelgebieden VIII, IX en X en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27° WL geankerde kieuwnetten, warnetten en schakelnetten te gebruiken op plaatsen waar de kaartdiepte meer dan 200 meter bedraagt.

2.   In afwijking van lid 1 is het gebruik toegestaan van:

a)

kieuwnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 120 mm en kleiner dan 150 mm in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27° WL, of met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 100 mm en kleiner dan 130 mm in de ICES-sectoren VIIIa, VIIIb en VIIId en ICES-deelgebied X, of met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 80 mm en kleiner dan 110 mm in ICES-sector VIIIc en ICES-deelgebied IX op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 100 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,5 hebben,

zij voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste 5 zeemijl hebben, en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 25 km per vaartuig bedraagt,

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt;

b)

warnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 250 mm, op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 15 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,33 hebben,

zij niet voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste 10 km hebben en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 100 km per vaartuig bedraagt,

de uitzettijd ten hoogste 72 uur bedraagt;

c)

kieuwnetten met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 100 mm en kleiner dan 130 mm in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27° WL, op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte meer dan 200 en minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 100 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,5 hebben,

zij voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste 4 zeemijl hebben en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 20 km per vaartuig bedraagt,

de uitzettijd ten hoogste 24 uur bedraagt,

de aan boord gehouden vangst in gewicht ten minste voor 85 % uit heek bestaat,

het aantal vaartuigen dat aan de visserij deelneemt, niet hoger is dan het in 2008 opgetekende aantal,

de kapitein van het vaartuig dat aan de visserij deelneemt, vóór het verlaten van de haven in het logboek de hoeveelheid en de totale lengte van het tuig aan boord van het vaartuig vermeldt. Bij ten minste 15 % van de afvaarten vindt inspectie plaats,

zoals bevestigd in het logboek van de Unie voor die reis bij het aanlanden, de kapitein van het vaartuig ten minste 90 % van de hoeveelheid tuig aan boord heeft, en

de hoeveelheid van alle gevangen soorten van meer dan 50 kg, inclusief alle teruggegooide hoeveelheden van meer dan 50 kg, zijn vermeld in het logboek van de Unie;

d)

warnetten in ICES-deelgebied IX met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 220 mm, op voorwaarde dat:

zij worden uitgezet in wateren waar de kaartdiepte minder dan 600 meter bedraagt,

zij niet meer dan 30 mazen diep zijn en een verdelingsverhouding van ten minste 0,44 hebben,

zij niet voorzien zijn van vlotters of soortgelijke drijfvoorzieningen,

zij elk een lengte van ten hoogste 5 km hebben en dat de totale lengte van alle op enig moment uitgezette netten ten hoogste 20 km per vaartuig bedraagt,

de uitzettijd ten hoogste 72 uur bedraagt.

3.   Deze afwijking geldt evenwel niet in het gereglementeerde NEAFC-gebied.

4.   Aan alle vaartuigen die in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk en de ICES-deelgebieden VIII, IX en X en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27° WL op plaatsen waar de kaartdiepte meer dan 200 meter bedraagt, geankerde kieuwnetten, warnetten of schakelnetten uitzetten, wordt een speciale vismachtiging overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 verstrekt.

5.   Vaartuigen mogen op enig moment slechts één van de in lid 2, onder a), b) of d), vermelde vistuigen aan boord hebben. Vaartuigen mogen netten aan boord hebben waarvan de totale lengte 20 % meer bedraagt dan de maximale lengte van de netten die op eender welk moment mogen worden uitgezet.

6.   De kapitein van een vaartuig dat beschikt over een vismachtiging als bedoeld in lid 4, noteert in het logboek het aantal en de lengte van de vistuigen die het vaartuig vóór het verlaten van de haven en bij het terugkeren in de haven aan boord heeft, en verantwoordt elk verschil tussen de twee waarden.

7.   De bevoegde autoriteiten hebben het recht onbeheerd op zee achtergelaten vistuig in de ICES-sectoren IIIa, IVa, Vb, VIa, VIb, VIIb, VIIc, VIIj en VIIk, de ICES-deelgebieden VIII, IX en X en ICES-deelgebied XII ten oosten van 27° WL te verwijderen in de volgende gevallen:

a)

het tuig is niet naar behoren gemerkt;

b)

uit de merken op de boei of de VMS-gegevens blijkt dat de eigenaar ervan gedurende meer dan 120 uur niet meer op een afstand van minder dan 100 zeemijl van het tuig is geweest;

c)

het tuig is uitgezet in wateren waarvan de kaartdiepte groter is dan toegestaan;

d)

het tuig heeft een illegale maaswijdte.

8.   De kapitein van een vaartuig dat beschikt over een vismachtiging als bedoeld in lid 4, noteert gedurende elke visreis de volgende gegevens in het logboek:

de maaswijdte van het uitgezette net,

de nominale lengte van het net,

het aantal netten per uitzetting,

het totale aantal uitzettingen,

de positie van elke uitzetting,

de diepte van elke uitzetting,

de uitzettijd per uitzetting,

een kwantificering van verloren gegaan vistuig, de laatste bekende positie daarvan en de datum van het verlies.

9.   Vaartuigen die vissen met een vismachtiging als bedoeld in lid 4, mogen slechts aanlanden in de havens die krachtens artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2347/2002 door de lidstaten zijn aangewezen.

10.   De hoeveelheid haaien aan boord van vaartuigen die vissen met het in lid 2, onder b) en d), beschreven vistuig, mag niet meer bedragen dan 5 % levend gewicht van de totale hoeveelheid aan boord gehouden mariene organismen.

11.   De Commissie kan, na overleg met het WTECV, besluiten door middel van uitvoeringshandelingen bepaalde visserijtakken van een lidstaat in ICES-deelgebieden VIII, IX en X, van de toepassing van de leden 1 tot en met 9 vrij te stellen op voorwaarde dat uit de door de lidstaten verstrekte gegevens blijkt dat het niveau van bijvangst en teruggooi van haaien zeer laag is.

Artikel 34 quater

Voorwaarden voor de in de Golf van Biskaje toegestane visserij met bepaalde soorten gesleept vistuig

1.   In afwijking van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 494/2002 van de Commissie van 19 maart 2002 tot vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het herstel van het heekbestand in de ICES-deelgebieden III, IV, V, VI en VII en in de ICES-sectoren VIIIa, b, d, e (15) mag in het in artikel 5, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 494/2002 omschreven gebied worden gevist met sleepnetten, Deense zegennetten en soortgelijk vistuig, met uitzondering van boomkorren, met een maaswijdte van 70-99 mm als het vistuig is voorzien van een paneel met vierkante mazen overeenkomstig bijlage XIV ter.

2.   Bij het vissen in de ICES-sectoren VIIIa en VIIIb mag gebruik worden gemaakt van een selectief rooster, met toebehoren, vóór de kuil en/of een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 60 mm in het onderste deel van de tunnel vóór de kuil. Artikel 4, lid 1, artikel 6 en artikel 9, lid 1, van de onderhavige verordening alsook artikel 3, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 494/2002 zijn niet van toepassing op het gedeelte van de trawl waarin deze selectieve voorzieningen zijn aangebracht.

Artikel 34 quinquies

Maatregelen ter bescherming van kwetsbare diepzeehabitats in het gereglementeerde NEAFC-gebied

1.   De visserij met bodemtrawls en met staand vistuig, met inbegrip van geankerde kieuwnetten en grondbeugen, is verboden in de gebieden die worden ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

 

een deel van de Reykjanes Ridge:

55°04.5327′ NB, 36°49.0135′ WL,

55°05.4804′ NB, 35°58.9784′ WL,

54°58.9914′ NB, 34°41.3634′ WL,

54°41.1841′ NB, 34°00.0514′ WL,

54°00′ NB, 34°00′ WL,

53°54.6406′ NB, 34°49.9842′ WL,

53°58.9668′ NB, 36°39.1260′ WL,

55°04.5327′ NB, 36°49.0135′ WL;

 

het noordelijke deel van de Mid-Atlantische rug:

59°45′ NB, 33°30′ WL,

57°30′ NB, 27°30′ WL,

56°45′ NB, 28°30′ WL,

59°15′ NB, 34°30′ WL,

59°45′ NB, 33°30′ WL;

 

het centrale deel van de Mid-Atlantische rug (breukzone Charlie-Gibbs en subpolaire frontale regio):

53°30′ NB, 38°00′ WL,

53°30′ NB, 36°49′ WL,

55°04.5327′ NB, 36°49′ WL,

54°58.9914′ NB, 34°41.3634′ WL,

54°41.1841′ NB, 34°00′ WL,

53°30′ NB, 30°00′ WL,

51°30′ NB, 28°00′ WL,

49°00′ NB, 26°30′ WL,

49°00′ NB, 30°30′ WL,

51°30′ NB, 32°00′ WL,

51°30′ NB, 38°00′ WL,

53°30′ NB, 38°00′ WL;

 

het zuidelijke deel van de Mid-Atlantische rug:

44°30′ NB, 30°30′ WL,

44°30′ NB, 27°00′ WL,

43°15′ NB, 27°15′ WL,

43°15′ NB, 31°00′ WL,

44°30′ NB, 30°30′ WL;

 

de Altair Seamounts:

45°00′ NB, 34°35′ WL,

45°00′ NB, 33°45′ WL,

44°25′ NB, 33°45′ WL,

44°25′ NB, 34°35′ WL,

45°00′ NB, 34°35′ WL;

 

de Antialtair Seamounts:

43°45′ NB, 22°50′ WL,

43°45′ NB, 22°05′ WL,

43°25′ NB, 22°05′ WL,

43°25′ NB, 22°50′ WL,

43°45′ NB, 22°50′ WL;

 

de Hatton Bank:

59°26′ NB, 14°30′ WL,

59°12′ NB, 15°08′ WL,

59°01′ NB, 17°00′ WL,

58°50′ NB, 17°38′ WL,

58°30′ NB, 17°52′ WL,

58°30′ NB, 18°22′ WL,

58°03′ NB, 18°22′ WL,

58°03′ NB, 17°30′ WL,

57°55′ NB, 17°30′ WL,

57°45′ NB, 19°15′ WL,

58°11.15′ NB, 18°57.51′ WL,

58°11.57′ NB, 19°11.97′ WL,

58°27.75′ NB, 19°11.65′ WL,

58°39.09′ NB, 19°14.28′ WL,

58°38.11′ NB, 19°01.29′ WL,

58°53.14′ NB, 18°43.54′ WL,

59°00.29′ NB, 18°01.31′ WL,

59°08.01′ NB, 17°49.31′ WL,

59°08.75′ NB, 18°01.47′ WL,

59°15.16′ NB, 18°01.56′ WL,

59°24.17′ NB, 17°31.22′ WL,

59°21.77′ NB, 17°15.36′ WL,

59°26.91′ NB, 17°01.66′ WL,

59°42.69′ NB, 16°45.96′ WL,

59°20.97′ NB, 15°44.75′ WL,

59°21′ NB, 15°40′ WL,

59°26′ NB, 14°30′ WL;

 

het noordwestelijke deel van Rockall:

57°00′ NB, 14°53′ WL,

57°37′ NB, 14°42′ WL,

57°55′ NB, 14°24′ WL,

58°15′ NB, 13°50′ WL,

57°57′ NB, 13°09′ WL,

57°50′ NB, 13°14′ WL,

57°57′ NB, 13°45′ WL,

57°49′ NB, 14°06′ WL,

57°29′ NB, 14°19′ WL,

57°22′ NB, 14°19′ WL,

57°00′ NB, 14°34′ WL,

56°56′ NB, 14°36′ WL,

56°56′ NB, 14°51′ WL,

57°00′ NB, 14°53′ WL;

 

het zuidwestelijke deel van Rockall (Empress of Britain Bank):

56°24′ NB, 15°37′ WL,

56°21′ NB, 14°58′ WL,

56°04′ NB, 15°10′ WL,

55°51′ NB, 15°37′ WL,

56°10′ NB, 15°52′ WL,

56°24′ NB, 15°37′ WL;

 

de Logachev Mound:

55°17′ NB, 16°10′ WL,

55°34′ NB, 15°07′ WL,

55°50′ NB, 15°15′ WL,

55°33′ NB, 16°16′ WL,

55°17′ NB, 16°10′ WL;

 

de West Rockall Mound:

57°20′ NB, 16°30′ WL,

57°05′ NB, 15°58′ WL,

56°21′ NB, 17°17′ WL,

56°40′ NB, 17°50′ WL,

57°20′ NB, 16°30′ WL.

2.   Wanneer tijdens visserijactiviteiten in nieuwe en bestaande bodemvisserijgebieden in het gereglementeerde NEAFC-gebied de hoeveelheid levend koraal of levende sponzen per uitzetting meer dan 60 kg levend koraal en/of 800 kg levende sponzen bedraagt, brengt het vaartuig zijn vlagstaat daarvan op de hoogte, staakt het het vissen en verwijdert het zich ten minste 2 zeemijl van de positie die volgens de beschikbare gegevens het dichtst is gelegen bij de exacte locatie waar deze vangst is gedaan.

Artikel 34 sexies

Maatregelen ter bescherming van kwetsbare diepzeehabitats in de ICES-sectoren VIIc, VIIj en VIIk

1.   De visserij met bodemtrawls en met staand vistuig, met inbegrip van geankerde kieuwnetten en grondbeugen, is verboden in de gebieden die worden ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-coördinatensysteem):

 

Belgica Mound Province:

51°29.4′ NB, 11°51.6′ WL,

51°32.4′ NB, 11°41.4′ WL,

51°15.6′ NB, 11°33.0′ WL,

51°13.8′ NB, 11°44.4′ WL,

51°29.4′ NB, 11°51.6′ WL;

 

Hovland Mound Province:

52°16.2′ NB, 13°12.6′ WL,

52°24.0′ NB, 12°58.2′ WL,

52°16.8′ NB, 12°54.0′ WL,

52°16.8′ NB, 12°29.4′ WL,

52°04.2′ NB, 12°29.4′ WL,

52°04.2′ NB, 12°52.8′ WL,

52°09.0′ NB, 12°56.4′ WL,

52°09.0′ NB, 13°10.8′ WL,

52°16.2′ NB, 13°12.6′ WL;

 

het noordwestelijke deel van de Porcupine Bank — Gebied I:

53°30.6′ NB, 14°32.4′ WL,

53°35.4′ NB, 14°27.6′ WL,

53°40.8′ NB, 14°15.6′ WL,

53°34.2′ NB, 14°11.4′ WL,

53°31.8′ NB, 14°14.4′ WL,

53°24.0′ NB, 14°28.8′ WL,

53°30.6′ NB, 14°32.4′ WL;

 

het noordwestelijke deel van de Porcupine Bank — Gebied II:

53°43.2′ NB, 14°10.8′ WL,

53°51.6′ NB, 13°53.4′ WL,

53°45.6′ NB, 13°49.8′ WL,

53°36.6′ NB, 14°07.2′ WL,

53°43.2′ NB, 14°10.8′ WL;

 

het zuidwestelijke deel van de Porcupine Bank:

51°54.6′ NB, 15°07.2′ WL,

51°54.6′ NB, 14°55.2′ WL,

51°42.0′ NB, 14°55.2′ WL,

51°42.0′ NB, 15°10.2′ WL,

51°49.2′ NB, 15°06.0′ WL,

51°54.6′ NB, 15°07.2′ WL.

2.   Alle pelagische vaartuigen die vissen in de in lid 1 van dit artikel vermelde gebieden voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats, worden opgenomen in een lijst van toegestane vaartuigen en beschikken over een vismachtiging overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. Vaartuigen die op de lijst van toegestane vaartuigen voorkomen, mogen uitsluitend pelagisch vistuig aan boord hebben.

3.   Pelagische vaartuigen die van plan zijn te vissen in een in lid 1 van dit artikel vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats, melden hun voornemen om in dat gebied binnen te varen, vier uur tevoren bij het Ierse visserijcontrolecentrum, als omschreven in artikel 4, lid 15, van Verordening (EG) nr. 1224/2009. Tegelijkertijd moeten zij de aan boord gehouden hoeveelheden vis aangeven.

4.   Pelagische vaartuigen die vissen in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats, beschikken, wanneer zij zich in een dergelijk gebied bevinden, over een operationeel, volledig functionerend, veilig satellietvolgsysteem voor vaartuigen (VMS) dat volledig beantwoordt aan de toepasselijke voorschriften.

5.   Pelagische vaartuigen die in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats vissen, verzenden elk uur VMS-meldingen.

6.   Pelagische vaartuigen die hun visserijactiviteit in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats hebben beëindigd, stellen het Ierse visserijcontrolecentrum in kennis van hun vertrek uit het gebied. Tegelijkertijd geven zij aan welke hoeveelheden vis zij aan boord houden.

7.   Visserij op pelagische soorten in een in lid 1 vermeld gebied voor de bescherming van kwetsbare diepzeehabitats is uitsluitend toegestaan indien er aan boord enkel netten met een maaswijdte van 16-31 mm of 32-54 mm aanwezig zijn, of indien enkel met dergelijke netten wordt gevist.

Artikel 34 septies

Maatregelen ter bescherming van een kwetsbaar diepzeehabitat in ICES-sector VIIIc

1.   De visserij met bodemtrawls en met staand vistuig, met inbegrip van geankerde kieuwnetten en grondbeugen, is verboden in het gebied dat wordt ingesloten door de loxodromen die achtereenvolgens de punten met de volgende coördinaten met elkaar verbinden (gemeten volgens het WGS84-systeem):

El Cachucho:

44°12′ NB, 05°16′ WL,

44°12′ NB, 04°26′ WL,

43°53′ NB, 04°26′ WL,

43°53′ NB, 05°16′ WL,

44°12′ NB, 05°16′ WL.

2.   In afwijking van het in lid 1 ingestelde verbod, kunnen vaartuigen die in 2006, 2007 en 2008 met grondbeugen gericht op gaffelkabeljauw hebben gevist, van hun visserijautoriteiten overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 een vismachtiging verkrijgen om die visserij verder te kunnen blijven uitoefenen in het gebied ten zuiden van 44°00.00′ NB. Alle vaartuigen die deze vismachtiging hebben verkregen, gebruiken, ongeacht hun lengte over alles, bij het vissen in het in lid 1 genoemde gebied een operationeel, volledig functionerend, veilig VMS, dat volledig beantwoordt aan de toepasselijke voorschriften.

17)

Artikel 38 wordt geschrapt.

18)

Artikel 47 wordt geschrapt.

19)

Bijlagen I, IV, XII en XIV bij Verordening (EG) nr. 850/98 worden overeenkomstig de bijlage bij deze verordening gewijzigd.

20)

Bijlagen XII bis en XIV bis, XIV ter, XIV quater en XIV quinquies worden ingevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98

Aan artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1434/98 wordt het volgende lid toegevoegd:

„1 bis.   Lid 1 is niet van toepassing op haring die is gevangen in ICES-sector IIIa, deelgebied IV, sector VIId, en in EU-wateren van ICES-sector IIa.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 13 maart 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 351 van 15.11.2012, blz. 83.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 6 februari 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 februari 2013.

(3)  PB L 347 van 24.12.2009, blz. 6.

(4)  PB L 165 van 24.6.2011, blz. 1.

(5)  PB L 22 van 26.1.2009, blz. 1.

(6)  PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1.

(7)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(8)  PB L 191 van 7.7.1998, blz. 10.

(9)  PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44.”.

(10)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(11)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20.

(12)  PB L 351 van 28.12.2002, blz. 6.

(13)  PB L 348 van 31.12.2010, blz. 17.”.

(14)  PB L 41 van 13.2.2002, blz. 1.

(15)  PB L 77 van 20.3.2002, blz. 8.”.


BIJLAGE

De bijlagen bij Verordening (EG) nr. 850/98 worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage I wordt voetnoot 6 bij de tabel geschrapt.

2)

In bijlage IV wordt de tabel vervangen door:

„Gesleept vistuig: Skagerrak en Kattegat

Maaswijdteklasse, doelsoorten en vereiste vangstpercentages die gelden bij het gebruik van één maaswijdteklasse

Soort

Maaswijdteklasse (mm)

< 16

16-31

32-69

35-69

70-89 (5)

≥ 90

Minimumpercentage van de doelsoort

50 % (6)

50 % (6)

20 % (6)

50 % (6)

20 % (6)

20 % (7)

30 % (8)

geen

Zandspieringen (Ammodytidae) (3)

X

X

X

X

X

X

X

X

Zandspieringen (Ammodytidae) (4)

 

X

 

X

X

X

X

X

Kever (Trisopterus esmarkii)

 

X

 

X

X

X

X

X

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou)

 

X

 

X

X

X

X

X

Grote pieterman (Trachinus draco) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Weekdieren (uitgezonderd Sepia) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Geep (Belone belone) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Grauwe poon (Eutrigla gurnardus) (1)

 

X

 

X

X

X

X

X

Zilversmelten (Argentina spp.)

 

 

 

X

X

X

X

X

Sprot (Sprattus sprattus)

 

X

 

X

X

X

X

X

Europese paling of aal (Anguilla Anguilla)

 

 

X

X

X

X

X

X

Garnaal/roodsprietgarnaal (Crangon spp., Palaemon adspersus) (1)

 

 

X

X

X

X

X

X

Makreel (Scomber spp.)

 

 

 

X

 

 

X

X

Horsmakrelen (Trachurus spp.)

 

 

 

X

 

 

X

X

Haring (Clupea harengus)

 

 

 

X

 

 

X

X

Noorse garnaal (Pandalus borealis)

 

 

 

 

 

X

X

X

Garnaal/roodsprietgarnaal (Crangon spp., Palaemon adspersus) (2)

 

 

 

 

X

 

X

X

Wijting (Merlangius merlangus)

 

 

 

 

 

 

X

X

Langoustine (Nephrops norvegicus)

 

 

 

 

 

 

X

X

Alle andere mariene organismen

 

 

 

 

 

 

 

X

3)

De tabel in bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:

a)

de rijen met betrekking tot de Japanse tapijtschelp en de octopus worden vervangen door:

„Soort

Minimummaat

Gebieden 1 tot en met 5, met uitzondering van Skagerrak/Kattegat

Skagerrak/Kattegat

Japanse tapijtschelp (Venerupis philippinarum)

35 mm

 


Soort

Minimummaat, gebieden 1-5, met uitzondering van Skagerrak/Kattegat

Octopus (Octopus vulgaris)

Het hele gebied, met uitzondering van de wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van gebied 5: 750 gram

De wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van gebied 5: 450 gram (gestript)”;

b)

de rijen met betrekking tot de ansjovis worden vervangen door:

Soort

Minimummaat, gebieden 1-5, met uitzondering van Skagerrak/Kattegat

„Ansjovis (Engraulis encrasicolus)

Gehele zone, met uitzondering van ICES-sector IXa ten oosten van 7° 23′ 48″ westerlengte: 12 cm of 90 vissen per kilo

ICES-sector IXa ten oosten van 7° 23′ 48″ westerlengte: 10 cm”.

4)

De volgende bijlage wordt ingevoegd:

„BIJLAGE XII bis

Minimummaten voor gebied 9

Soort

Minimummaat: gebied 9

Tarbot (Psetta maxima)

45 cm”.

5)

In bijlage XIV wordt het volgende ingevoegd, alfabetisch gerangschikt op de Nederlandse naam:

NEDERLANDSE NAAM

WETENSCHAPPELIJKE NAAM

„Evervis

Capros aper

Gaffelkabeljauw

Phycis blennoides

Gouden sardinelle

Sardinella aurita

Roodbaars

Sebastes spp.”.

6)

De volgende bijlagen worden ingevoegd:

BIJLAGE XIV bis

SPECIFICATIES VOOR EEN SORTEERROOSTER

1.

Het soortselectieve rooster wordt bevestigd in trawls met een kuil die volledig uit vierkante mazen bestaat met een maaswijdte gelijk aan of groter dan 70 mm en kleiner dan 90 mm. De minimumlengte van de kuil bedraagt 8 meter. Het is verboden sleepnetten te gebruiken met meer dan 100 vierkante mazen in de omtrek van de kuil, de aanslag en de naadlijn niet meegerekend. Het gebruik van de kuil met vierkante mazen is alleen verplicht in het Skagerrak en het Kattegat.

2.

Het rooster moet rechthoekig zijn. De staven van het rooster lopen evenwijdig aan de lengteas van het rooster. De afstand tussen de staven bedraagt maximaal 35 mm. Het is toegestaan om hierin één of meer scharnieren aan te brengen om de opslag van het rooster op de nettentrommel te vergemakkelijken.

3.

Het rooster moet diagonaal en met de achterzijde omhoog in de trawl worden aangebracht op om het even welke plaats tussen onmiddellijk vóór de kuil en het vooreind van het cilindrische gedeelte. Alle zijden van het rooster moeten aan de trawl worden bevestigd.

4.

In het rugpaneel van de trawl moet onmiddellijk boven het rooster een vrije uitlaat voor vis worden aangebracht. De opening van deze uitlaat moet aan de achterzijde even breed zijn als het rooster en moet naar voren toe aan beide zijden puntvormig zijn uitgesneden langs de zijden van de mazen.

5.

Het is toegestaan vóór het rooster een trechter aan te brengen om de vis naar de bodem van de trawl en het rooster te geleiden. De minimale maaswijdte van de trechter moet gelijk zijn aan 70 mm. De verticale opening van de trechter die de vis naar het rooster leidt, moet ten minste 15 cm bedragen. De breedte van deze trechter moet gelijk zijn aan de breedte van het rooster.

Image

Schematisch beeld van een naar soort en grootte selectieve trawl. De vis die binnenkomt, wordt door een trechter naar de bodem van de trawl en naar een rooster geleid. Grotere vissen worden vervolgens via het rooster uit de trawl geleid terwijl kleinere vissen en langoustines door het rooster in de kuil terechtkomen. Doordat het cilindrische gedeelte volledig uit vierkante mazen bestaat, is het voor kleinere vissen en ondermaatse langoustines makkelijker om te ontsnappen. De hierboven geschetste kuil met vierkante mazen is alleen vereist in het Skagerrak en het Kattegat.

BIJLAGE XIV ter

VOORWAARDEN VOOR DE IN DE GOLF VAN BISKAJE TOEGESTANE VISSERIJ MET BEPAALDE SOORTEN GESLEEPT VISTUIG

1.   Voorschriften voor het bovenpaneel met vierkante mazen

Het ontsnappingspaneel bestaat uit een rechthoekig stuk net. Er is slechts één ontsnappingspaneel. Het mag op geen enkele wijze worden geblokkeerd door aan de binnen- of buitenzijde aangebrachte voorzieningen.

2.   Plaats van bevestiging van het paneel

Het paneel wordt midden in het rugpaneel van het achterste trechtervormige gedeelte van de trawl aangebracht, juist voor het cilindrische gedeelte bestaande uit de tunnel en kuil.

Het paneel eindigt niet meer dan 12 mazen van de rij handgebreide mazen tussen het achterste trechtervormige gedeelte en de tunnel.

3.   Grootte van het paneel

Het paneel is ten minste 2 meter lang en 1 meter breed.

4.   Netwerk

De mazen in het ontsnappingspaneel hebben een maaswijdte van ten minste 100 mm. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de AB-snit.

Het netwerk moet zo worden aangebracht dat de benen evenwijdig lopen met, respectievelijk loodrecht staan op, de lengterichting van de kuil.

Het netwerk moet zijn vervaardigd uit enkelvoudig getwijnd garen. De twijndikte bedraagt maximaal 4 mm.

5.   Bevestiging van het paneel in het netwerk met ruitvormige mazen

Het is toegestaan het netwerk aan vier zijden te voorzien van een naadlijn. De diameter van deze naadlijn bedraagt maximaal 12 mm.

De lengte van het paneel in gestrekte toestand moet gelijk zijn aan de lengte in gestrekte toestand van het netwerk aan weerszijden van het paneel.

Het aantal ruitvormige mazen van het rugpaneel dat is vastgemaakt aan de kleinste zijkant van het paneel (zijkant van één meter die loodrecht staat op de lengteas van de kuil) bedraagt ten minste het aantal ruitvormige mazen dat is vastgemaakt aan de lengterichting van het paneel, gedeeld door 0,7.

6.   Onderstaande illustratie geeft aan op welke wijze het ontsnappingspaneel in het netwerk wordt bevestigd.

Image

BIJLAGE XIV quater

PANEEL MET VIERKANTE MAZEN VOOR VAARTUIGEN LANGER DAN 15 METER

1.   Voorschriften voor het bovenpaneel met vierkante mazen

Het ontsnappingspaneel bestaat uit een rechthoekig stuk net. Het netwerk moet zijn vervaardigd uit enkelvoudig getwijnd garen. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de AB-snit. De maaswijdte bedraagt 120 mm of meer. De lengte van het paneel is ten minste drie meter, behalve als de panelen deel uitmaken van netten die worden gesleept door vaartuigen met een vermogen van minder dan 112 kW, in welk geval de lengte ten minste twee meter bedraagt.

2.   Plaats van bevestiging van het paneel

Het paneel wordt in het bovenpaneel van de kuil bevestigd. De achterste rand van het paneel eindigt maximaal 12 meter van de pooklijn als omschreven in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3440/84 van de Commissie van 6 december 1984 inzake voorzieningen aan sleepnetten, Deense zegennetten (snurrevod) en soortgelijke netten (9).

3.   Bevestiging van het paneel in het netwerk met ruitvormige mazen

Er mogen zich niet meer dan twee open ruitvormige mazen bevinden tussen de lange zijde van het paneel en de naastliggende naadlijn.

De lengte van het paneel in gestrekte toestand moet gelijk zijn aan de lengte in gestrekte toestand van het netwerk aan weerszijden van het paneel. De verhouding tussen de ruitvormige mazen van het bovenpaneel van de kuil en de kortste zijde van het paneel is drie ruitvormige mazen per vierkante maas voor een 80 mm-kuil of twee ruitvormige mazen per vierkante maas voor een 120 mm-kuil, met uitzondering van de benen aan het uiteinde van het paneel aan beide zijden.

BIJLAGE XIV quinquies

PANEEL MET VIERKANTE MAZEN VOOR VAARTUIGEN VAN MINDER DAN 15 METER

1.   Voorschriften voor het bovenpaneel met vierkante mazen

Het ontsnappingspaneel bestaat uit een rechthoekig stuk net. Het netwerk moet zijn vervaardigd uit enkelvoudig getwijnd garen. Het moeten vierkante mazen zijn, d.w.z. alle vier zijden van het paneel hebben de AB-snit. De maaswijdte bedraagt 110 mm of meer. De lengte van het paneel is ten minste drie meter, behalve als de panelen deel uitmaken van netten die worden gesleept door vaartuigen met een vermogen van minder dan 112 kW, in welk geval de lengte ten minste twee meter bedraagt.

2.   Plaats van bevestiging van het paneel

Het paneel wordt in het bovenpaneel van de kuil bevestigd. De achterste rand van het paneel eindigt maximaal 12 meter van de pooklijn als omschreven in artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3440/84.

3.   Bevestiging van het paneel in het netwerk met ruitvormige mazen

Er mogen zich niet meer dan twee open ruitvormige mazen bevinden tussen de lange zijde van het paneel en de naastliggende naadlijn. De lengte van het paneel in gestrekte toestand moet gelijk zijn aan de lengte in gestrekte toestand van het netwerk aan weerszijden van het paneel. De verhouding tussen de ruitvormige mazen van het bovenpaneel van de kuil en de kortste zijde van het paneel is twee ruitvormige mazen per vierkante maas, met uitzondering van de benen aan het uiteinde van het paneel aan beide zijden.

”.

(1)  Alleen binnen vier mijl vanaf de basislijnen.

(2)  Buiten vier mijl vanaf de basislijnen.

(3)  Van 1 maart tot en met 31 oktober in het Skagerrak en van 1 maart tot en met 31 juli in het Kattegat.

(4)  Van 1 november tot en met de laatste dag van februari in het Skagerrak en van 1 augustus tot en met de laatste dag van februari in het Kattegat.

(5)  Bij toepassing van deze maaswijdteklasse is de kuil vervaardigd uit vierkant gemaasde panelen en voorzien van een sorteerrooster overeenkomstig bijlage XIV bis bij deze verordening.

(6)  Het aandeel van de soorten kabeljauw, schelvis, heek, schol, witje, tongschar, tong, tarbot, griet, bot, makreel, schartong, wijting, schar, koolvis, langoustine en kreeft in de aan boord gehouden vangst mag in totaal ten hoogste 10 % bedragen.

(7)  Het aandeel van de soorten kabeljauw, schelvis, heek, schol, witje, tongschar, tong, tarbot, griet, bot, haring, makreel, schartong, schar, koolvis, langoustine en kreeft in de aan boord gehouden vangst mag in totaal ten hoogste 50 % bedragen.

(8)  Het aandeel van de soorten kabeljauw, schelvis, heek, schol, witje, tongschar, tong, tarbot, griet, bot, schartong, wijting, schar, koolvis en kreeft in de aan boord gehouden vangst mag in totaal ten hoogste 60 % bedragen.”.

(9)  PB L 318 van 7.12.1984, blz. 23.


20.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 78/23


VERORDENING (EU) Nr. 228/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 maart 2013

houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42, eerste alinea, artikel 43, lid 2, en artikel 349,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (3) zijn specifieke maatregelen op landbouwgebied vastgesteld die de gevolgen moeten ondervangen van de moeilijkheden welke voortvloeien uit de uitzonderlijke situatie van de in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) genoemde ultraperifere gebieden van de Unie. Deze maatregelen krijgen concreet vorm via steunprogramma's voor elk gebied, die een essentieel instrument zijn voor de voorziening van die gebieden met landbouwproducten. Naar aanleiding van de noodzaak om de huidige maatregelen bij te werken, onder meer als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, moet Verordening (EG) nr. 247/2006 worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen.

(2)

De fundamentele doelstellingen waartoe de regeling ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie moet bijdragen, moeten nader worden omschreven.

(3)

Er moet tevens worden gepreciseerd wat de inhoud moet zijn van de „programmes d'options spécifiques à l'éloignement et l'insularité — programma's met speciaal op het afgelegen en insulaire karakter afgestemde maatregelen” („Posei-programma's”), die krachtens het subsidiariteitsbeginsel door de betrokken lidstaten op het geografisch meest geschikte niveau moeten worden vastgesteld en door hen aan de Commissie ter goedkeuring moeten worden voorgelegd.

(4)

Om de doelstellingen van de regeling ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie beter te verwezenlijken, moeten de Posei-programma's maatregelen bevatten die zowel de voorziening met landbouwproducten als het behoud en de ontwikkeling van de lokale landbouwproductie garanderen. Het programmeringsniveau voor de betrokken gebieden moet worden geharmoniseerd en er moet systematisch worden gewerkt met een aanpak die op een partnerschap tussen de Commissie en de lidstaten is gebaseerd.

(5)

Krachtens het subsidiariteitsbeginsel en vanuit een streven naar flexibiliteit, die de basis vormen van de programmeringsaanpak voor de regeling ten behoeve van de ultraperifere gebieden, is het de door de lidstaat aangewezen autoriteiten toegestaan wijzigingen in het programma voor te stellen om het aan de realiteit van de ultraperifere gebieden aan te passen. Het moet voor die autoriteiten mogelijk zijn de Posei-programma's te wijzigen overeenkomstig het beginsel van administratieve vereenvoudiging, op voorwaarde dat zij hierdoor de doeltreffendheid van de Posei-programma's en de financiële middelen die ervoor zijn toegewezen niet in gevaar brengen. Vanuit diezelfde aanpak moet de procedure voor de wijziging van de programma's worden aangepast aan de relevantie van elk soort wijziging.

(6)

Om de voorziening van de ultraperifere gebieden met essentiële landbouwproducten te garanderen en de extra kosten te verlichten die het gevolg zijn van het ultraperifere karakter van deze gebieden, dient een specifieke voorzieningsregeling te worden ingesteld. De buitengewone geografische ligging van de ultraperifere gebieden brengt extra vervoerskosten mee voor hun voorziening met producten die van essentieel belang zijn voor de menselijke consumptie, voor de verwerking of als productiemiddel in de landbouw. Bovendien plaatsen andere objectieve factoren in verband met het ultraperifere karakter, met name de insulaire ligging en de kleine oppervlakte, de marktdeelnemers en producenten in de ultraperifere gebieden voor extra problemen die hun activiteiten sterk hinderen. Deze hindernissen kunnen worden ondervangen door de prijzen van die essentiële producten te verlagen. De specifieke voorzieningsregeling mag echter nooit ten koste gaan van lokale producten en de ontwikkeling daarvan.

(7)

Daartoe dient de invoer van bepaalde landbouwproducten uit derde landen in afwijking van artikel 28 van het Verdrag te worden vrijgesteld van de geldende invoerrechten. Producten die het voorwerp zijn geweest van actieve veredeling of opslag in een douane-entrepot in het douanegebied van de Unie, moeten in verband met hun oorsprong en de douanebehandeling waarin de het recht van de Unie voor dergelijke producten voorziet, ten aanzien van de toekenning van de voordelen van de specifieke voorzieningsregeling worden gelijkgesteld met rechtstreeks ingevoerde producten.

(8)

Om het doel van een prijsverlaging in de ultraperifere gebieden door verlichting van de extra kosten die door het ultraperifere karakter worden veroorzaakt, doeltreffend te verwezenlijken, dient steun te worden verleend voor de levering van producten van de Unie aan de ultraperifere gebieden. Bij de bepaling van die steun moet rekening worden gehouden met de extra kosten van het vervoer naar de ultraperifere gebieden, met de bij uitvoer naar derde landen gehanteerde prijzen en, wanneer het gaat om productiemiddelen voor de landbouw of om producten voor verwerking, met de andere extra kosten die verband houden met het ultraperifere karakter, met name de insulaire ligging en de kleine oppervlakte, moeilijke topografische en klimaatomstandigheden en het feit dat die gebieden verspreide eilanden zijn.

(9)

Steunverlening aan traditionele bedrijfstakken is des te noodzakelijker omdat daarmee hun concurrentiepositie op de markt van de Unie ten opzichte van producten uit derde landen gehandhaafd kan worden. Bij het opstellen van hun programma's moeten de lidstaten er echter ook voor zorgen dat de landbouw in de ultraperifere gebieden zoveel mogelijk gediversifieerd wordt.

(10)

Om speculatie die de eindgebruikers in de ultraperifere gebieden zou schaden, te voorkomen, moet worden gepreciseerd dat alleen producten van gezonde handelskwaliteit voor de specifieke voorzieningsregeling in aanmerking komen.

(11)

Er moeten voorschriften voor de werking van de regeling worden vastgesteld, met name wat betreft de invoering van een register van marktdeelnemers en van een certificatenregeling, geïnspireerd op de certificaten als bedoeld in artikelen 130 en 161 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (4).

(12)

Gezien de eisen inzake het toezicht op de verrichtingen die van de specifieke voorzieningsregeling genieten, moeten de betrokken producten administratief worden gecontroleerd op het ogenblik dat zij worden ingevoerd of binnengebracht in de ultraperifere gebieden of uit die gebieden worden uitgevoerd of verzonden. Voorts moeten, om de doelstellingen van de specifieke voorzieningsregeling te verwezenlijken, de economische voordelen van die regeling in de productiekosten worden doorberekend, wat de prijzen tot in het stadium van de eindgebruiker moet doen dalen. Daarom dient de toekenning van die voordelen afhankelijk te worden gesteld van de daadwerkelijke doorberekening ervan en dient voor de nodige controles daarop te worden gezorgd.

(13)

Omdat de hoeveelheden waarvoor de specifieke voorzieningsregeling geldt, beperkt blijven tot de voorzieningsbehoeften van de ultraperifere gebieden, mag deze regeling geen nadelige effecten hebben voor de goede werking van de interne markt. Overigens mogen de economische voordelen van de specifieke voorzieningsregeling niet leiden tot verlegging van het handelsverkeer van de betrokken producten. Daarom dient verzending of uitvoer van die producten uit de ultraperifere gebieden te worden verboden. Evenwel dient verzending of uitvoer van die producten te worden toegestaan in het geval van terugbetaling van het dankzij de specifieke voorzieningsregeling verkregen voordeel.

(14)

Wat verwerkte producten betreft, moet, om onderlinge handel mogelijk te maken, het handelsverkeer tussen de ultraperifere gebieden worden toegestaan. Ook moet rekening worden gehouden met de handelsstromen van de ultraperifere gebieden in het kader van de regionale handel en van de traditionele uitvoer en verzendingen naar de rest van de Unie of derde landen, en moet de uitvoer van verwerkte producten die overeenkomt met de traditionele handelsstromen voor al die gebieden worden toegestaan. Duidelijkheidshalve moet de referentieperiode voor de vaststelling van die traditioneel geëxporteerde of verzonden hoeveelheden nader worden omschreven.

(15)

Er moeten passende maatregelen worden genomen om de noodzakelijke hervorming van de suikerverwerkende sector op de Azoren mogelijk te maken. Daarbij moet worden gezorgd voor een bepaald productie- en verwerkingsniveau teneinde de levensvatbaarheid van de suikersector op de Azoren te garanderen. Tegen deze achtergrond moet, bij wijze van uitzondering, verder worden toegestaan dat de verzendingen van suiker van de Azoren naar de rest van de Unie de traditionele volumes overschrijden, gedurende een beperkte periode van vijf jaar en binnen degressieve jaarlijkse maxima. Aangezien de hoeveelheden die opnieuw kunnen worden verzonden, proportioneel zijn en beperkt zullen blijven tot de hoeveelheden die strikt noodzakelijk zijn om de levensvatbaarheid van de lokale suikerproductie en -verwerking te garanderen, zullen deze tijdelijke verzendingen van suiker uit de Azoren geen nadelige gevolgen hebben voor de interne markt van de Unie.

(16)

Wat de buiten het quotum geproduceerde suiker voor de voorziening van de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden betreft, zal de regeling inzake vrijstelling van invoerrechten verder worden toegepast. Ook moeten de Azoren binnen hun voorzieningsbalans worden vrijgesteld van invoerrechten voor ruwe rietsuiker.

(17)

Tot dusver zijn de Canarische Eilanden krachtens een specifieke voorzieningsregeling bevoorraad met mageremelkpoeder van GN-code 1901 90 99 (mageremelkpoeder met plantaardig vet), bestemd voor industriële verwerking. Het is dienstig toe te staan dat deze voorzieningsregeling blijft gelden voor dit product, dat een traditioneel onderdeel van het plaatselijke voedingspatroon is geworden.

(18)

Aangezien rijst een basiselement is van het voedingspatroon op Réunion, er al vele jaren een rijstverwerkende industrie en rijstpellerijen zijn op Réunion en Réunion zelf niet voldoende rijst produceert om in de plaatselijke behoeften te voorzien, moet de invoer van dit product op dit eiland verder van elk recht worden vrijgesteld.

(19)

Het beleid van de Unie ten gunste van de lokale productie in de ultraperifere gebieden heeft tot nu toe betrekking gehad op een veelheid van producten en op allerlei maatregelen om de productie, de afzet of de verwerking van die producten te bevorderen. Die maatregelen zijn doeltreffend gebleken en hebben ervoor gezorgd dat de betrokken landbouwactiviteiten zijn voortgezet en ontwikkeld. De Unie moet die productietakken, die een fundamentele rol spelen in het milieu-, maatschappelijk en economisch evenwicht in de ultraperifere gebieden, verder ondersteunen. De ervaring heeft geleerd dat, net zoals bij het beleid inzake plattelandsontwikkeling, een sterker partnerschap met de plaatselijke autoriteiten het mogelijk kan maken de specifieke problemen van de betrokken gebieden gerichter aan te pakken. Daarom moet de steun voor de lokale productie worden voortgezet via de Posei-programma's.

(20)

Om de afzet van de producten van de ultraperifere gebieden te ondersteunen, moet een steunregeling worden ingevoerd voor de afzet van die producten buiten het productiegebied, waarbij rekening wordt gehouden met de extra kosten die voortvloeien uit de grote afstand tot de consumptiemarkten en de noodzaak van dubbele opslag, factoren die een aanzienlijke handicap voor de ultraperifere gebieden betekenen met een weerslag op hun competitiviteit op de interne markt. Vanwege deze factoren moet de Posei-regeling in de nabije toekomst worden herzien.

(21)

Er moet worden bepaald welke elementen de Posei-programma's minstens moeten bevatten om maatregelen voor de lokale landbouwproductie te kunnen vaststellen, met name een beschrijving van de situatie, van de voorgestelde strategie, van de doelstellingen en van de maatregelen. Voorts moet het beginsel van de coherentie van die maatregelen met de andere beleidslijnen van de Unie nader worden omschreven om te voorkomen dat steunmaatregelen onverenigbaar met elkaar zouden zijn of elkaar zouden overlappen.

(22)

Voorts moeten de Posei-programma's, met het oog op de uitvoering van deze verordening, ook maatregelen kunnen bevatten voor de financiering van studies, demonstratieprojecten, opleiding en technische bijstand.

(23)

De landbouwers in de ultraperifere gebieden moeten worden gestimuleerd om kwaliteitsproducten te blijven leveren en de afzet van die producten moet worden bevorderd. Het kan nuttig zijn daartoe het door deze verordening ingevoerde logo of andere vormen van door de Unie ingevoerde kwaliteitscertificatie te gebruiken.

(24)

De structuur van sommige landbouwbedrijven, verwerkende bedrijven of handelsondernemingen in de ultraperifere gebieden schiet ernstig tekort en kampt met specifieke problemen. Artikel 26, lid 2, en artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (5) voorzien daarom in gunstiger steunpercentages voor bepaalde soorten investeringen in de ultraperifere gebieden.

(25)

Krachtens artikel 27, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 geldt de beperking op de toekenning van de in die verordening vastgestelde steun voor de bosbouw niet voor de ultraperifere gebieden.

(26)

In Verordening (EG) nr. 1698/2005 worden de maximumbedragen per jaar vastgesteld die voor agromilieubetalingen in aanmerking komen. Om rekening te houden met de specifieke milieusituatie in sommige zeer kwetsbare graslandgebieden op de Azoren en met de instandhouding van het landschap, de biodiversiteit en de traditionele kenmerken van landbouwgronden, in het bijzonder de terrascultuur op Madeira en de Canarische Eilanden, en het behoud van de stenen muren in de ultraperifere gebieden, dient voor bepaalde maatregelen te worden voorzien in de mogelijkheid om die bedragen tot het dubbele te verhogen.

(27)

Van het vaste beleid van de Commissie geen staatssteun voor de bedrijfsvoering toe te staan in de sectoren van de productie, verwerking en afzet van de in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten, kan worden afgeweken om de specifieke problemen te verzachten die de landbouwproductie in de ultraperifere gebieden ondervindt als gevolg van het ultraperifere karakter van die gebieden, met name het isolement, het insulaire karakter, de kleine oppervlakte, het moeilijke reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van een klein aantal producten. De landbouwproductie heeft een levensbelangrijke functie voor het dynamiseren van de plattelandsgebieden en het voorkomen dat de bevolking uit die gebieden wegtrekt, en de ultraperifere plattelandsgebieden zijn bijzonder getroffen door vergrijzing, geringe bevolkingsdichtheid en, in sommige gevallen, ontvolking.

(28)

In de ultraperifere gebieden ondervindt de landbouwproductie specifieke fytosanitaire problemen zoals het opduiken van parasieten als gevolg van de verhoogde invoer, het klimaat en het feit dat de middelen voor bestrijding die er eerder zijn aangewend, ontoereikend zijn. Daarom is het belangrijk dat programma's voor de bestrijding van schadelijke organismen, ook met behulp van duurzame en milieuvriendelijke biologische methoden, worden uitgevoerd. Bij de vaststelling van de financiële bijdrage van de Unie voor de uitvoering van die programma's moet rekening worden gehouden met het feit dat wordt overwogen om de financiering van deze programma's vanaf 2014 ingevolge het meerjarig financieel kader over te hevelen naar een ander begrotingshoofdstuk.

(29)

De wijnbouw is op Madeira en de Canarische Eilanden de meest wijdverbreide teelt en is zeer belangrijk voor de Azoren; om economische, sociale en milieuredenen is instandhouding van de wijnbouw in die gebieden een absolute noodzaak. Om de productie te helpen ondersteunen, mogen de in Verordening (EG) nr. 1234/2007 vastgestelde premies voor definitieve stopzetting, de marktmechanismen en, in het geval van de Canarische Eilanden, het systeem van aanplantrechten in die gebieden niet van toepassing zijn. Voor de Canarische Eilanden moet de crisisdistillatie wel kunnen worden toegepast bij een uitzonderlijke marktverstoring als gevolg van kwaliteitsproblemen. Ook hebben technische en sociaal-economische problemen de volledige omschakeling binnen de gestelde termijn verhinderd van de wijnbouwarealen op Madeira en de Azoren die beplant zijn met hybride wijnstokrassen die bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 zijn verboden. De door de betrokken wijngaarden geproduceerde wijn is uitsluitend bestemd voor traditionele plaatselijke consumptie.

(30)

Op de Azoren is de herstructurering van de melksector nog niet voltooid. Om rekening te houden met de sterke afhankelijkheid van de Azoren van de melkproductie, waarbij nog andere problemen komen die verband houden met het ultraperifere karakter van dat gebied en het ontbreken van een rendabele vervangende productie, moeten de afwijkingen van sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 betreffende heffingen op overschotten aan melk en zuivelproducten worden behouden.

(31)

Gezien de onvervangbaarheid van de melkproductie op de Azoren, waar zij een van de drijvende krachten achter de economie, de sociale stabiliteit, de kwaliteit van het milieu en het bodemgebruik is, zijn de Posei-programma's het middel bij uitstek om te voorzien in de nodige maatregelen om deze productie in stand te houden.

(32)

De steun voor de productie van koemelk op Madeira en Réunion is niet voldoende geweest om het evenwicht tussen de voorziening uit interne en externe bronnen te bewaren, met name doordat deze sector met ernstige structurele problemen te kampen heeft en zich slechts moeizaam aanpast aan een nieuwe economische omgeving. Bijgevolg moet, met het oog op een grotere dekking van de lokale consumptiebehoeften, de productie van uit melkpoeder van oorsprong uit de Unie gereconstitueerde UHT-melk verder worden toegestaan, voor zover deze maatregel geen belemmering vormt voor het ophalen en verkopen van alle lokaal geproduceerde melk en geen afbreuk doet aan de pogingen om uitbreiding van de lokale productie te bevorderen. Om de consument correct te informeren moet worden bepaald dat op het verkoopetiket moet worden aangegeven hoe de uit melkpoeder gereconstitueerde UHT-melk is verkregen. Deze bepaling moet ook van toepassing zijn in Martinique, Frans-Guyana en Guadeloupe indien Frankrijk hierom vraagt en indien dit verzoek gebaseerd is op de wens hiertoe van de plaatselijke belanghebbenden en op hun vermogen om de melksector te ontwikkelen.

(33)

De noodzaak om in de Franse overzeese departementen en op Madeira de lokale melkproductie door stimulansen in stand te houden, rechtvaardigt dat Verordening (EG) nr. 1234/2007 daar niet wordt toegepast. Voor Madeira moet deze vrijstelling beperkt blijven tot 4 000 ton.

(34)

Om aan de lokale vraag naar melk te kunnen voldoen, is het wenselijk dat de handel tussen de ultraperifere gebieden wordt bevorderd. Aangemoedigd moet worden dat ultraperifere gebieden hun overschotproductie, zoals melk, rundvlees en jonge mannelijke runderen in het geval van de Azoren, uitvoeren naar die gebieden met een tekort, zodat de handel gestimuleerd wordt, met dien verstande dat dit niet ten koste mag gaan van de ontwikkeling van de lokale productie. Bovendien moet worden gezorgd voor omstandigheden die een billijke en rechtvaardige handel mogelijk maken.

(35)

De traditionele veeteeltactiviteiten moeten worden ondersteund. Om in de lokale consumptiebehoeften van de Franse overzeese departementen en Madeira te voorzien moet worden toegestaan dat, onder bepaalde voorwaarden en binnen een jaarlijks maximumaantal, mannelijke mestrunderen zonder douanerechten uit derde landen in die gebieden worden ingevoerd.

(36)

De door Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (6) voor Portugal ingestelde mogelijkheid om rechten op de zoogkoeienpremie van het vasteland naar de Azoren over te hevelen, dient te worden gehandhaafd en dit instrument moet worden aangepast aan de steunregeling voor de ultraperifere gebieden.

(37)

Op de Canarische Eilanden is de tabaksteelt altijd zeer belangrijk geweest. In economisch opzicht is de tabaksindustrie nog steeds een van de grootste industriële bedrijfstakken van het gebied. In sociaalmaatschappelijk opzicht is de tabaksteelt een zeer arbeidsintensieve activiteit die wordt beoefend door kleine landbouwers. Deze teelt is echter niet rendabel genoeg en dreigt te verdwijnen. Momenteel wordt tabak namelijk nog slechts op een kleine oppervlakte op het eiland La Palma geproduceerd voor de ambachtelijke vervaardiging van sigaren. Derhalve moet Spanje worden toegestaan steun ter aanvulling van de steun van de Unie te blijven toekennen opdat deze traditionele teelt en de erop gebaseerde ambachtelijke activiteit zich kunnen handhaven. Met het oog op instandhouding van de vervaardiging van tabaksfabrikaten moet de invoer op de Canarische Eilanden van ruwe tabak en halffabrikaten van tabak, voor een jaarlijkse hoeveelheid van ten hoogste 20 000 ton equivalent van gestripte ruwe tabak, van douanerechten vrijgesteld blijven.

(38)

De tenuitvoerlegging van deze verordening mag geen afbreuk doen aan het niveau van de specifieke steun dat de ultraperifere gebieden tot dusver hebben ontvangen. De lidstaten moeten, voor de uitvoering van de passende maatregelen, kunnen beschikken over bedragen die even hoog zijn als de steun die de Unie tot dusver op grond van Verordening (EG) nr. 247/2006 heeft verleend.

(39)

Gezien de potentiële gevolgen van onderhandelingen over toekomstige handelsovereenkomsten en wijzigingen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de ultraperifere gebieden, moet bij analysen, studies en beoordelingen die met het oog op dergelijke handelsovereenkomsten en wijzigingen worden verricht, rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van deze gebieden.

(40)

Sinds 2006 is de behoefte aan essentiële producten in sommige ultraperifere gebieden, en met name op de Azoren en in de Franse overzeese departementen, gestegen door de uitbreiding van de veestapel en door de toenemende demografische druk. Het deel van het budget dat de lidstaten mogen besteden voor de specifieke voorzieningsregeling voor de betrokken gebieden, moet dus toenemen.

(41)

Het sociaal-economisch weefsel van de ultraperifere gebieden is nog steeds zeer fragiel en is voor sommige van die gebieden sterk afhankelijk van de sector bananen, die zelf duidelijk te kampen heeft met een gebrek aan concurrentievermogen en moeilijkheden bij de aanpassing aan veranderende marktomstandigheden. Het Posei-budget voor de sector bananen moet daarom worden verhoogd door middel van een eenmalig, beperkt bedrag dat in het begrotingsjaar 2013 aan bananenproducenten moet worden uitgekeerd.

(42)

Teneinde de goede werking van de middels deze verordening ingestelde regeling te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen met het oog op de aanvulling of de wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(43)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de Posei-regeling in de lidstaten en concurrentieverstoring of discriminatie tussen de marktdeelnemers te voorkomen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (7).

(44)

Om ervoor te zorgen dat de voorgenomen maatregelen meteen kunnen worden toegepast, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DOELSTELLINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden specifieke maatregelen op landbouwgebied vastgesteld die de problemen moeten ondervangen welke voortvloeien uit het ultraperifere karakter, met name de grote afstand, het isolement, de kleine oppervlakte, het moeilijke reliëf en klimaat en de economische afhankelijkheid van een klein aantal producten, van de in artikel 349 van het Verdrag genoemde gebieden van de Unie („de ultraperifere gebieden”).

Artikel 2

Doelstellingen

1.   De in artikel 1 bedoelde specifieke maatregelen dragen bij tot het verwezenlijken van de volgende doelstellingen:

a)

de voorziening te garanderen van de ultraperifere gebieden met producten die van essentieel belang zijn voor de menselijke consumptie, voor de verwerking of als productiemiddel in de landbouw, en daarbij de door het ultraperifere karakter veroorzaakte extra kosten te verlichten, zonder dat dit de lokale productie en de ontwikkeling ervan schaadt;

b)

de langetermijntoekomst en de langetermijnontwikkeling van de zogenoemde dierlijke en plantaardige diversificatiesectoren in de ultraperifere gebieden zeker te stellen en te ontwikkelen, met inbegrip van de productie, verwerking en afzet van lokale producten;

c)

het concurrentievermogen van traditionele landbouwactiviteiten in de ultraperifere gebieden te ontwikkelen en te versterken, met inbegrip van de productie, verwerking en afzet van lokale producten.

2.   Voor de uitvoering van de in lid 1 genoemde doelstellingen worden de in de hoofdstukken III, IV en V bedoelde maatregelen toegepast.

HOOFDSTUK II

POSEI-PROGRAMMA'S

Artikel 3

Opstelling van de Posei-programma's

1.   De maatregelen waarin artikel 1 voorziet, worden voor elk ultraperifeer gebied vastgesteld in een „programma van speciaal op het afgelegen en insulaire karakter afgestemde maatregelen” (programme d'options spécifiques à l'éloignement et l'insularité — Posei), („het Posei-programma”), dat het volgende omvat:

a)

een specifieke voorzieningsregeling als vastgesteld in hoofdstuk III, en

b)

specifieke maatregelen ten behoeve van de lokale landbouwproductie, als vastgesteld in hoofdstuk IV.

2.   Het Posei-programma wordt opgesteld op het geografische niveau dat de betrokken lidstaat het meest geschikt acht. Het wordt uitgewerkt door de bevoegde autoriteiten die de lidstaat heeft aangewezen, en wordt door de lidstaat overeenkomstig artikel 6 ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd nadat de bevoegde autoriteiten en organisaties op het passende lokale niveau zijn geraadpleegd.

3.   Elke lidstaat mag slechts één enkel Posei-programma voor zijn ultraperifere gebieden voorleggen.

Artikel 4

Verenigbaarheid en coherentie

1.   De in het kader van de Posei-programma's genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het recht van de Unie. Die maatregelen moeten stroken met de andere beleidstakken van de Unie en de maatregelen ter uitvoering daarvan.

2.   Er wordt toegezien op de samenhang van de in het kader van de Posei-programma's genomen maatregelen met de maatregelen ter uitvoering van andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met name de gemeenschappelijke marktordeningen, plattelandsontwikkeling, de kwaliteit van de producten, dierenwelzijn en milieubescherming.

Met name wordt op grond van deze verordening geen enkele maatregel gefinancierd om steun te verlenen:

a)

ter aanvulling van steun op grond van de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening ingestelde premie- of steunregelingen, tenzij in uitzonderlijke gevallen die worden gerechtvaardigd aan de hand van objectieve criteria;

b)

voor onderzoeksprojecten, voor maatregelen ter ondersteuning van onderzoeksprojecten of voor maatregelen die voor financiering van de Unie in aanmerking komen op grond van Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (8);

c)

voor maatregelen die tot het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1698/2005 behoren.

Artikel 5

Inhoud van de Posei-programma's

Een Posei-programma bevat:

a)

een tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen en, per jaar, een indicatieve algemene financiële tabel met daarin de uit te trekken middelen;

b)

een bewijs met betrekking tot de verenigbaarheid en de coherentie van de verschillende maatregelen van het programma, alsmede de verenigbaarheid en coherentie met de voor het toezicht en de evaluatie te gebruiken criteria en kwantitatieve indicatoren;

c)

de stappen die zijn ondernomen om voor een doeltreffende en adequate uitvoering van het programma te zorgen, met inbegrip van de regelingen inzake publiciteit, toezicht en evaluatie, alsmede een reeks welomschreven voor de evaluatie te gebruiken gekwantificeerde indicatoren;

d)

de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten en van de voor de uitvoering van het programma verantwoordelijke instanties en de aanwijzing op de geschikte niveaus van autoriteiten of betrokken instanties en van de sociaal-economische partners, alsmede de resultaten van het gepleegde overleg.

Artikel 6

Goedkeuring en wijziging van de Posei-programma's

1.   De Posei-programma's zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 247/2006 en zijn gefinancierd met de in artikel 30, leden 2 en 3, bedoelde financiële middelen.

Elk programma omvat een voorzieningsbalans, met opgave van de producten, de producthoeveelheden, de steunbedragen voor de voorziening vanuit de Unie en een ontwerp van steunprogramma voor de lokale productie.

2.   Op basis van de jaarlijkse evaluatie van de uitvoering van de maatregelen van de Posei-programma's kunnen de lidstaten, na raadpleging van de betrokken sociaal-economische partners, binnen de in artikel 30, leden 2 en 3, vastgestelde financiële middelen, bij de Commissie naar behoren gemotiveerde voorstellen tot wijziging van die maatregelen indienen, met de bedoeling ze beter aan te passen aan de behoeften van de ultraperifere gebieden en aan de voorgestelde strategie. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van procedures om te beoordelen of de voorgestelde wijzigingen in overeenstemming met het recht van de Unie zijn en om te beslissen of zij ze zal goedkeuren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   De door de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen vastgestelde procedures kunnen rekening houden met de volgende elementen: de vraag hoe ingrijpend de door de lidstaten voorgestelde wijzigingen zijn wanneer het gaat om de invoering van nieuwe maatregelen, de vraag of wijzigingen in het budget voor de maatregelen aanzienlijk zijn, veranderingen in de hoeveelheden van en het steunniveau voor producten in de voorzieningsbalans, en wijzigingen in coderingen en omschrijvingen van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (9).

4.   In de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen wordt ook voor elke procedure bepaald met welke frequentie om wijzigingen moet worden verzocht en binnen welke tijdsspanne de goedgekeurde wijzigingen moeten worden uitgevoerd.

Artikel 7

Wijzigingen betreffende de financiële middelen

Uiterlijk op 22 april 2013 dienen de lidstaten de ontwerpwijzigingen van hun Posei-programma's die de door artikel 30, lid 5, ingevoerde wijzigingen weerspiegelen, bij de Commissie in.

Deze wijzigingen worden één maand na de indiening ervan van toepassing, indien de Commissie binnen die termijn geen bezwaar aantekent.

De bevoegde autoriteiten betalen de in artikel 30, lid 5, bedoelde steun uiterlijk op 30 juni 2013 uit.

Artikel 8

Controle en toezicht

De lidstaten controleren aan de hand van administratieve controles en controles ter plaatse. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de minimumeisen waaraan de door de lidstaten te verrichten controles moeten voldoen.

De Commissie stelt eveneens uitvoeringshandelingen vast betreffende de procedures en de fysieke en financiële indicatoren die een doeltreffend toezicht op de uitvoering van de programma's moeten garanderen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK III

SPECIFIEKE VOORZIENINGSREGELING

Artikel 9

Voorzieningsbalans

1.   Voor de in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten die in de ultraperifere gebieden van essentieel belang zijn voor de menselijke consumptie, voor de vervaardiging van andere producten of als productiemiddel in de landbouw, wordt een specifieke voorzieningsregeling ingesteld.

2.   De betrokken lidstaat stelt op het geografische niveau dat het meest geschikt wordt geacht, een voorzieningsbalans op om de jaarlijkse behoeften voor de voorziening van elk ultraperifeer gebied met de in bijlage I bij het Verdrag genoemde producten te kwantificeren.

De behoeften van de ondernemingen waar producten worden verpakt of verwerkt die bestemd zijn voor de lokale markt, die traditioneel worden verzonden naar de rest van de Unie of die worden uitgevoerd naar derde landen in het kader van de regionale handel overeenkomstig artikel 14, lid 3, of in het kader van de traditionele handel, kunnen worden geraamd in een afzonderlijke voorzieningsbalans.

Artikel 10

Werking van de specifieke voorzieningsregeling

1.   Bij de invoer in de ultraperifere gebieden van rechtstreeks uit derde landen afkomstige producten die onder de specifieke voorzieningsregeling vallen, wordt binnen de grenzen van de in de voorzieningsbalans vastgestelde hoeveelheden geen recht toegepast.

Producten die het voorwerp zijn geweest van actieve veredeling of opslag in een douane-entrepot in het douanegebied van de Unie, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht rechtstreeks uit derde landen te zijn ingevoerd.

2.   Om in de overeenkomstig artikel 9, lid 2, vastgestelde behoeften te voorzien met inachtneming van de prijzen en van de kwaliteit en met behoud van het aandeel van de aanvoer uit de Unie, wordt steun verleend voor de voorziening van de ultraperifere gebieden met producten van de Unie uit openbare voorraden die zijn ontstaan door de toepassing van interventiemaatregelen, of met producten die in de Unie op de markt beschikbaar zijn.

Bij de vaststelling van het steunbedrag voor elk betrokken type product wordt rekening gehouden met de extra kosten van het vervoer naar de ultraperifere gebieden, met de bij uitvoer naar derde landen gehanteerde prijzen en, in het geval van producten voor verwerking of van productiemiddelen voor de landbouw, met de andere extra kosten die voortvloeien uit het ultraperifere karakter van die gebieden, met name uit de insulaire ligging en de kleine oppervlakte.

3.   Er wordt geen steun toegekend voor de voorziening met producten waarvoor reeds in een ander ultraperifeer gebied een specifieke voorzieningsregeling is toegepast.

4.   Alleen producten van gezonde handelskwaliteit komen voor de specifieke voorzieningsregeling in aanmerking. Producten uit derde landen bieden een waarborgniveau dat gelijkwaardig is aan dat van producten die vervaardigd zijn overeenkomstig de veterinaire en fytosanitaire normen van de Unie.

Artikel 11

Uitvoering

De specifieke voorzieningsregeling wordt op zodanige wijze ten uitvoer gelegd dat met name rekening wordt gehouden met:

a)

de specifieke behoeften van de ultraperifere gebieden en, in het geval van producten voor verwerking of van productiemiddelen voor de landbouw, met de gestelde kwaliteitseisen;

b)

de handelsstromen uit en naar de rest van de Unie;

c)

het economische aspect van de voorgenomen steun;

d)

de noodzaak ervoor te zorgen dat de bestaande lokale productie niet gedestabiliseerd wordt noch de ontwikkeling ervan gehinderd wordt.

Artikel 12

Certificaten

1.   De vrijstelling van het invoerrecht of het voordeel van de steun in het kader van de specifieke voorzieningsregeling wordt toegekend tegen overlegging van een certificaat.

De certificaten worden uitsluitend afgegeven aan marktdeelnemers die zijn ingeschreven in een door de bevoegde autoriteiten bijgehouden register.

De certificaten zijn niet overdraagbaar.

2.   Voor het aanvragen van invoer, vrijstellings- of steuncertificaten is geen zekerheid vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel, voor zover dit voor de goede werking van deze verordening nodig is, voorzien in het stellen van zekerheden voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het toegekende voordeel als bedoeld in artikel 13. In die gevallen is artikel 34, leden 1, 4, 5, 6, 7 en 8, van Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (10) van toepassing.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de voorwaarden worden bepaald voor inschrijving van de marktdeelnemers in het register en waardoor wordt gegarandeerd dat de marktdeelnemers hun rechten op deelname aan de specifieke voorzieningsregeling ten volle kunnen uitoefenen.

3.   De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om de eenvormige toepassing door de lidstaten van dit artikel te garanderen, met name wat betreft de invoering van de certificatenregeling en de verbintenissen die de marktdeelnemers aangaan wanneer zij zich inschrijven. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 13

Doorberekening van het voordeel

1.   Het voordeel van de specifieke voorzieningsregeling dat uit de vrijstelling van het invoerrecht of uit de toekenning van steun voortvloeit, wordt slechts verleend als het economische voordeel daadwerkelijk wordt doorberekend tot de eindgebruiker, die, naargelang van het geval, de consument kan zijn als het om producten voor rechtstreekse consumptie gaat, de laatste verwerker of verpakker als het om producten voor de verwerkende industrie of de verpakkingsindustrie gaat, dan wel de landbouwer als het gaat om producten die worden gebruikt voor de diervoeding of als productiemiddel in de landbouw.

Het in de eerste alinea bedoelde voordeel is gelijk aan het bedrag van de vrijstelling van invoerrechten of aan het steunbedrag.

2.   Om de eenvormige toepassing van lid 1 te garanderen stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de toepassing van de in lid 1 genoemde voorschriften en met name de voorwaarden voor de controle door de lidstaten van de daadwerkelijke doorberekening van het voordeel tot de eindgebruiker. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 14

Uitvoer naar derde landen en verzending naar de rest van de Unie

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de vereisten waaraan producten die onder de specifieke voorzieningsregeling vallen, moeten voldoen om te mogen worden uitgevoerd naar derde landen of verzonden naar de rest van de Unie, met inbegrip van de betaling van de invoerrechten of de terugbetaling van de ontvangen steun, als bedoeld in artikel 10. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Voor de uitvoer naar derde landen van producten die onder de specifieke voorzieningsregeling vallen, hoeft geen certificaat te worden overgelegd.

De eerste alinea geldt niet voor de handelsstromen tussen de Franse overzeese departementen.

2.   Lid 1, eerste alinea, geldt niet voor producten die in de ultraperifere gebieden zijn verwerkt met gebruikmaking van producten waarvoor de specifieke voorzieningsregeling is toegepast, indien die verwerkte producten:

a)

worden uitgevoerd naar derde landen of verzonden naar de rest van de Unie binnen de grenzen van de traditioneel verzonden of uitgevoerde hoeveelheden. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarbij die hoeveelheden bepaald worden, op basis van het gemiddelde van de verzonden of uitgevoerde hoeveelheden, met als referentie het geverifieerde gemiddelde van de drie beste jaren tussen 2005 en 2012. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld;

b)

in het kader van de regionale handel naar derde landen worden uitgevoerd;

c)

worden verzonden tussen de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden;

d)

worden verzonden tussen de Franse overzeese departementen.

Bij de uitvoer van de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde producten wordt geen uitvoerrestitutie toegekend.

Voor de uitvoer naar derde landen van de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde producten, hoeft geen certificaat te worden overgelegd.

3.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „regionale handel” de handel verstaan van elk ultraperifeer gebied met derde landen die tot hetzelfde geografische gebied behoren als die ultraperifere gebieden, alsook met landen waarmee een historische handelsrelatie bestaat. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarbij een lijst van die landen wordt vastgesteld, rekening houdend met objectieve verzoeken van de lidstaten en na raadpleging van de betrokken sectoren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   In de Franse overzeese departementen, op de Azoren, op Madeira of op de Canarische Eilanden geleverde producten waarvoor de specifieke voorzieningsregeling is toegepast en die worden gebruikt voor de proviandering van schepen of luchtvaartuigen, worden geacht ter plaatse te zijn verbruikt.

5.   In afwijking van lid 2, eerste alinea, onder a), mogen gedurende een periode van vijf jaar de volgende maximumhoeveelheden suiker (GN-code 1701) elk jaar van de Azoren naar de rest van de Unie worden verzonden:

—   in 2011: 3 000 ton,

—   in 2012: 2 500 ton,

—   in 2013: 2 000 ton,

—   in 2014: 1 500 ton,

—   in 2015: 1 000 ton.

6.   Verwerkingen die aanleiding kunnen geven tot traditionele of regionale uitvoer of traditionele verzending voldoen mutatis mutandis aan de verwerkingsvoorwaarden die voor de regeling actieve veredeling en de regeling verwerking onder douanetoezicht zijn vastgesteld bij de toepasselijke Uniewetgeving, met uitzondering van alle gebruikelijke behandelingen.

Artikel 15

Suiker

1.   Tijdens de in artikel 204, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 vastgestelde periode wordt de volgende buiten de in artikel 61 van die verordening bedoelde quota geproduceerde suiker binnen de grenzen van de in artikel 9 van de onderhavige verordening bedoelde voorzieningsbalansen vrijgesteld van invoerrechten:

a)

suiker die op Madeira of de Canarische Eilanden in de vorm van witte suiker van GN-code 1701 wordt ingevoerd om er te worden verbruikt;

b)

suiker die in de vorm van ruwe suiker van GN-code 1701 12 10 (ruwe beetwortelsuiker) op de Azoren is geraffineerd en verbruikt.

2.   Op de Azoren mogen de in lid 1 bedoelde hoeveelheden binnen de grenzen van de voorzieningsbalans voor raffinagedoeleinden worden aangevuld met ruwe suiker van GN-code 1701 11 10 (ruwe rietsuiker).

Voor de voorziening van de Azoren met ruwe suiker worden de behoeften geraamd met inachtneming van de ontwikkeling van de lokale suikerbietenproductie. De hoeveelheden waarvoor de voorzieningsregeling geldt, worden op zodanige wijze bepaald dat op de Azoren jaarlijks in totaal niet meer dan 10 000 ton suiker wordt geraffineerd.

Artikel 16

Mageremelkpoeder

In afwijking van artikel 9 kunnen de Canarische Eilanden zich voor maximaal 800 ton per jaar blijven bevoorraden met mageremelkpoeder van GN-code 1901 90 99 (mageremelkpoeder met plantaardig vet) bestemd voor industriële verwerking. De steun die voor de voorziening met dit product uit de Unie wordt verleend, bedraagt ten hoogste 210 EUR per ton en blijft binnen de in artikel 30 vastgestelde grens. Dit product is uitsluitend bestemd voor plaatselijk verbruik.

Artikel 17

Rijst

Bij invoer in het Franse overzeese departement Réunion van producten van de GN-codes 1006 10, 1006 20 en 1006 40 00 die bestemd zijn om daar te worden verbruikt, wordt geen douanerecht geheven.

Artikel 18

Controles en sancties

1.   De producten die onder de specifieke voorzieningsregeling vallen, worden administratief gecontroleerd op het ogenblik dat zij worden ingevoerd of binnengebracht in de ultraperifere gebieden of uit die gebieden worden uitgevoerd of verzonden.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de minimumeisen waaraan de door de lidstaten te verrichten controles moeten voldoen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Als een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 12 de overeenkomstig artikel 12 aangegane verplichtingen niet nakomt, doet de bevoegde autoriteit, behoudens in geval van overmacht of uitzonderlijke weersomstandigheden en onverminderd andere sancties uit hoofde van het nationale recht, het volgende:

a)

zij vordert het aan de marktdeelnemer toegekende voordeel terug;

b)

zij schrapt de registratie van de marktdeelnemer voorlopig of definitief, naargelang van de ernst van het verzuim.

3.   Als een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 12 de betrokken producten niet invoert of binnenbrengt, wordt, behoudens in geval van overmacht of uitzonderlijke weersomstandigheden, zijn recht om certificaten aan te vragen door de bevoegde autoriteit opgeschort voor een periode van 60 dagen na de datum waarop het betrokken certificaat is verstreken. Na de opschortingsperiode worden gedurende een door de bevoegde autoriteit te bepalen periode verdere certificaten slechts afgegeven mits een zekerheid wordt gesteld die gelijk is aan het bedrag van het toe te kennen voordeel.

De bevoegde autoriteit stelt de nodige maatregelen vast om de producthoeveelheden die door het niet of slechts gedeeltelijk uitvoering geven aan of de annulering van afgegeven certificaten of door terugvordering van het voordeel beschikbaar komen, opnieuw te gebruiken.

HOOFDSTUK IV

MAATREGELEN TEN GUNSTE VAN DE LOKALE LANDBOUWPRODUCTIE

Artikel 19

Maatregelen

1.   De Posei-programma's bevatten specifieke maatregelen die de onder het toepassingsgebied van titel III van het derde deel van het Verdrag vallende lokale landbouwproductie ten goede komen en noodzakelijk zijn om de continuïteit en de ontwikkeling van de lokale landbouwproductie in elk ultraperifeer gebied te waarborgen.

2.   De delen van het programma die aan de maatregelen ten gunste van de lokale landbouwproductie gewijd zijn en beantwoorden aan de in artikel 2 genoemde doelstellingen, bevatten minstens de volgende elementen:

a)

een gekwantificeerde beschrijving van de bestaande situatie op het gebied van de betrokken landbouwproductie, waarin rekening wordt gehouden met de beschikbare evaluatieresultaten en opgave wordt gedaan van de verschillen, achterstanden en ontwikkelingsmogelijkheden, de aangewende financiële middelen en de voornaamste resultaten die bij voorafgaande acties zijn behaald;

b)

een beschrijving van de voorgestelde strategie, de gekozen prioriteiten en de gekwantificeerde algemene en operationele doelstellingen, alsmede een beoordeling waarin wordt aangegeven welke economische, milieu- en sociaalmaatschappelijke effecten, met inbegrip van de werkgelegenheidseffecten, worden verwacht;

c)

een beschrijving van de overwogen maatregelen, en met name van de steunregelingen om die maatregelen ten uitvoer te leggen, alsmede in voorkomend geval informatie over de behoeften op het gebied van studies, demonstratieprojecten, opleiding en technische bijstand met betrekking tot de voorbereiding, toepassing of aanpassing van de betrokken maatregelen;

d)

de lijst van de steun bestaande uit rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009;

e)

het steunbedrag dat voor elke maatregel is vastgesteld en het voorlopige bedrag dat voor elke actie is uitgetrokken om één of meer van de met het programma nagestreefde doelstellingen te bereiken.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de vereisten voor de betaling van de in lid 2 bedoelde steun. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   Het programma kan steunmaatregelen bevatten voor de productie, verwerking of afzet van landbouwproducten van de ultraperifere gebieden.

Elke maatregel kan uit een aantal acties bestaan. Voor elke actie worden in het programma minstens de volgende elementen vastgesteld:

a)

de begunstigden;

b)

de voorwaarden om in aanmerking te komen;

c)

het unitaire steunbedrag.

Om de afzet van de producten buiten het productiegebied te ondersteunen, is de Commissie bevoegd in overeenstemming met artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de vaststelling van het steunbedrag dat voor de afzet wordt toegekend, alsmede, in voorkomend geval, de voorwaarden voor de vaststelling van de producthoeveelheden waarvoor deze steun wordt verleend.

Artikel 20

Controles en onverschuldigde betaling

1.   De controles van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen bestaan uit administratieve controles en controles ter plaatse.

2.   In geval van een onverschuldigde betaling moet de begunstigde de betrokken bedragen terugbetalen. Artikel 80 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (11) is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK V

BEGELEIDENDE MAATREGELEN

Artikel 21

Logo

1.   Er wordt een logo ingevoerd dat aan de al dan niet verwerkte kwaliteitsproducten van de landbouw die specifiek zijn voor de ultraperifere gebieden, ruimere bekendheid moet geven en het verbruik van die producten moet vergroten.

2.   De voorwaarden voor het gebruik van het in lid 1 bedoelde logo worden voorgesteld door de betrokken beroepsorganisaties. De nationale autoriteiten leggen die voorstellen, vergezeld van hun advies daarover, aan de Commissie voor.

Het gebruik van het logo wordt gecontroleerd door een overheidsinstantie of door een instantie die door de bevoegde nationale autoriteiten is erkend.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorwaarden voor de uitoefening van het recht om het logo te gebruiken, alsmede de reproductie- en gebruiksvoorwaarden. Deze voorwaarden moeten ertoe leiden dat aan de al dan niet verwerkte kwaliteitsproducten van de landbouw van de ultraperifere gebieden ruimere bekendheid wordt gegeven en het verbruik van die producten wordt vergroot.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de bepalingen inzake het gebruik van het logo en de minimumeisen waaraan de controles en het toezicht die door de lidstaten moeten worden verricht, moeten voldoen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 22

Plattelandsontwikkeling

1.   Niettegenstaande artikel 39, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 kunnen de in bijlage I bij die verordening vastgestelde jaarlijkse maximumbedragen die voor steun van de Unie in aanmerking komen, tot het dubbele worden verhoogd voor de maatregel ter bescherming van de meren op de Azoren en voor de maatregel tot behoud van het landschap, van de biodiversiteit en van de traditionele kenmerken van landbouwgronden, en de instandhouding van stenen muren in de ultraperifere gebieden.

2.   In voorkomend geval worden de op grond van lid 1 van dit artikel overwogen maatregelen beschreven in de in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 bedoelde programma's die betrekking hebben op deze gebieden.

Artikel 23

Staatssteun

1.   Met betrekking tot de in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten, waarop de artikelen 107, 108 en 109 ervan van toepassing zijn, kan de Commissie overeenkomstig artikel 108 van het Verdrag toestaan dat in de sectoren productie, verwerking en afzet van die producten bedrijfssteun wordt verleend ter verlichting van de problemen bij de landbouwproductie die specifiek zijn voor de ultraperifere gebieden en die het gevolg zijn van het isolement, de insulaire ligging of het ultraperifere karakter van die gebieden.

2.   De lidstaten kunnen een aanvullende financiering toekennen voor de uitvoering van de Posei-programma's. In dat geval melden de lidstaten de staatssteun aan de Commissie en de Commissie kan die steun goedkeuren overeenkomstig deze verordening als onderdeel van die programma's. De aldus gemelde steun wordt geacht te zijn gemeld in de zin van artikel 108, lid 3, eerste zin, van het Verdrag.

3.   Frankrijk mag aan de suikersector in de Franse ultraperifere gebieden steun toekennen tot 90 miljoen EUR per verkoopseizoen.

Frankrijk stelt de Commissie binnen 30 dagen na het einde van elk verkoopseizoen in kennis van het bedrag van de werkelijk toegekende steun.

4.   Onverminderd de leden 1 en 2 van dit artikel en in afwijking van artikel 180, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (12) zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag niet van toepassing op betalingen die de lidstaten overeenkomstig deze verordening in het kader van hoofdstuk IV van deze verordening, van lid 3 van dit artikel, en van de artikelen 24 en 28 van deze verordening verrichten.

Artikel 24

Fytosanitaire programma's

1.   De lidstaten dienen bij de Commissie programma's in om in de ultraperifere gebieden voor planten of plantaardige producten schadelijke organismen te bestrijden. In deze programma's worden met name de doelstellingen, de uit te voeren maatregelen en de duur en de kosten van deze maatregelen vermeld.

De Commissie beoordeelt de ingediende programma's. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot goedkeuring of weigering van die programma's. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De Unie draagt in de financiering van de in lid 1 bedoelde programma's bij op basis van een technische analyse van de situatie in de betrokken gebieden.

Die bijdrage kan tot 75 % van de subsidiabele uitgaven belopen. Zij wordt betaald op basis van de door de lidstaten ingediende documenten. Zo nodig kan de Commissie controles organiseren en voor haar rekening laten uitvoeren door de in artikel 21 van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (13) bedoelde deskundigen.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om met betrekking tot elk gebied en elk programma op grond van de in lid 2 vastgestelde criteria en het overeenkomstig lid 1 ingediende programma:

a)

de financiële bijdrage van de Unie, alsook het steunbedrag vast te stellen;

b)

vast te stellen welke maatregelen in aanmerking komen voor financiering door de Unie.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 25

Wijn

1.   De in de artikelen 103 tervicies, 103 quatervicies, 103 quinvicies en artikel 182 bis van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde maatregelen gelden niet voor de Azoren en Madeira.

2.   In afwijking van artikel 120 bis, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 mogen de op de Azoren en Madeira geoogste druiven van de onder b) van die alinea bedoelde wijnstokrassen worden gebruikt voor de productie van wijn die alleen binnen die gebieden in het verkeer mag worden gebracht.

Portugal beëindigt geleidelijk de teelt op de percelen die zijn beplant met wijnstokrassen als bedoeld in artikel 120 bis, lid 2, tweede alinea, onder b), van Verordening (EG) nr. 1234/2007, in voorkomend geval met gebruikmaking van de steun waarin artikel 103 octodecies van die verordening voorziet.

3.   In afwijking van artikel 85 septies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is de overgangsregeling inzake aanplantrechten tot 31 december 2012 van toepassing op de Canarische Eilanden.

Artikel 26

Melk

1.   Voor het omslaan van de in artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde overschotheffing worden slechts die op de Azoren gevestigde en producerende producenten in de zin van artikel 65, onder c), van die verordening die grotere hoeveelheden op de markt brengen dan hun referentiehoeveelheid, verhoogd met het in de derde alinea van het onderhavige lid bedoelde percentage, geacht tot de overschrijding te hebben bijgedragen.

De overschotheffing is verschuldigd voor de hoeveelheden die het aldus met het in de derde alinea bedoelde percentage verhoogde quotum te boven gaan nadat de ongebruikt gebleven hoeveelheden binnen de uit die verhoging resulterende marge over alle op de Azoren gevestigde en producerende producenten in de zin van artikel 65, onder c), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 zijn herverdeeld naar evenredigheid van het quotum waarover elk van die producenten beschikt.

Het in de eerste alinea bedoelde percentage is gelijk aan de verhouding tussen de hoeveelheid van 23 000 ton vanaf het melkprijsjaar 2005/2006 en de som van de per 31 maart 2010 op elk bedrijf beschikbare referentiehoeveelheden. Het wordt slechts toegepast op het op 31 maart 2010 op het bedrijf beschikbare quotum.

2.   De op de markt gebrachte hoeveelheden melk of melkequivalent die het quotum te boven gaan maar binnen de grenzen van het in lid 1, derde alinea, bedoelde percentage blijven na de in dat lid bedoelde herverdeling, worden niet meegerekend voor de constatering van een eventuele overeenkomstig artikel 66 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 berekende overschrijding van het quotum door Portugal.

3.   De bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 ingestelde regeling inzake een overschotheffing ten laste van de melkproducenten geldt niet in de Franse overzeese departementen en geldt, binnen de grenzen van een lokale productie van 4 000 ton melk, niet op Madeira.

4.   Niettegenstaande artikel 114, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is binnen de grenzen van de behoeften voor lokale consumptie de productie van uit melkpoeder van oorsprong uit de Unie gereconstitueerde UHT-melk op Madeira en in het Franse overzeese departement Réunion toegestaan, op voorwaarde dat deze maatregel het ophalen en de beschikbaarstelling van lokaal geproduceerde melk niet belemmert. Indien Frankrijk aantoont dat een dergelijke maatregel opportuun is voor de Franse overzeese departementen Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana, wordt de Commissie bevoegd in voorkomend geval overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen, teneinde deze maatregel uit te breiden tot die departementen. Dit product is uitsluitend bestemd voor plaatselijk verbruik.

Op het verkoopetiket wordt duidelijk aangegeven hoe de aldus gereconstitueerde UHT-melk is verkregen.

Artikel 27

Veehouderij

1.   Totdat in de Franse overzeese departementen en op Madeira het bestand van lokale jonge mannelijke runderen een niveau bereikt dat voldoende is voor de instandhouding en de ontwikkeling van de lokale vleesproductie, wordt de mogelijkheid geïntroduceerd om runderen van oorsprong uit derde landen in te voeren voor verbruik en het mesten ter plaatse in de Franse overzeese departementen en op Madeira, zonder toepassing van de invoerrechten van het gemeenschappelijk douanetarief. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze alinea, en meer bepaald de middelen voor de invoering van de vrijstelling van rechten bij invoer van jonge mannelijke runderen in de Franse overzeese departementen en op Madeira. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 13 en artikel 14, lid 1, gelden voor de dieren waarvoor de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde vrijstelling wordt toegepast.

2.   De aantallen dieren waarvoor de in lid 1 bedoelde vrijstelling geldt, worden in de Posei-programma's vastgesteld wanneer in het licht van de ontwikkeling van de lokale productie wordt aangetoond dat invoer noodzakelijk is. De betrokken dieren zijn bij voorrang bestemd voor de producenten van wie ten minste 50 % van de mestdieren van lokale oorsprong is.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de voorwaarden voor de vrijstelling van invoerrechten. Deze voorwaarden houden rekening met de specifieke lokale kenmerken van de rundersector en de bijbehorende bedrijfskolom.

3.   Als artikel 52 en artikel 53, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden toegepast, mag Portugal het aandeel van het nationale maximum dat overeenstemt met de rechten op de betalingen voor schapen- en geitenvlees en op de zoogkoeienpremie verlagen. In dit geval stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot het overeenkomstige over te dragen bedrag van de krachtens artikel 52 en artikel 53, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde maxima naar de financiële middelen die zijn vastgesteld in artikel 30, lid 2, tweede streepje, van de onderhavige verordening. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 28

Staatssteun voor de tabaksproductie

Spanje mag op de Canarische Eilanden steun voor de tabaksproductie verlenen. De toekenning van deze steun mag niet leiden tot discriminatie tussen de telers op die archipel.

Deze steun bedraagt ten hoogste 2 980,62 EUR per ton. De aanvullende steun wordt toegekend voor maximaal 10 ton per jaar.

Artikel 29

Vrijstelling van douanerechten voor tabak

1.   Geen douanerecht wordt toegepast bij rechtstreekse invoer op de Canarische Eilanden van ruwe tabak en halffabrikaten van tabak van respectievelijk:

a)

GN-code 2401, en

b)

de volgende posten:

2401 10 ruwe, ongestripte tabak,

2401 20 geheel of gedeeltelijk gestripte ruwe tabak,

ex 2401 20 dekblad voor sigaren, op dragers, in rollen bestemd voor de tabaksfabricage,

2401 30 afvallen van tabak,

ex 2402 10 onafgewerkte sigaren zonder dekblad,

ex 2403 10 gesneden tabak (definitieve tabaksmengsels voor de vervaardiging van sigaretten, cigarillo's en sigaren),

ex 2403 91„gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak, zelfs in de vorm van bladeren of banden (blad- of bandtabak),

ex 2403 99 geëxpandeerde tabak.

Voor de toekenning van de in de eerste alinea bedoelde vrijstelling wordt gebruikgemaakt van de in artikel 12 bedoelde certificaten.

Deze vrijstelling geldt, binnen de grenzen van een jaarlijkse invoer van 20 000 ton equivalent van ruwe, gestripte tabak, voor de in de eerste alinea bedoelde producten die bestemd zijn om op de Canarische Eilanden te worden verwerkt tot eindproducten die klaar zijn om te worden gerookt.

2.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van lid 1, en meer bepaald de voorwaarden voor de vrijstelling van rechten bij invoer van tabak op de Canarische Eilanden. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 30

Financiële middelen

1.   De bij deze verordening vastgestelde maatregelen zijn interventies ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (14), met uitzondering van de maatregelen in:

a)

artikel 22, en

b)

artikel 24, met ingang van de datum van toepassing van het meerjarig financieel kader 2014-2020.

2.   Voor elk begrotingsjaar financiert de Unie de maatregelen waarin de hoofdstukken III en IV voorzien, tot het volgende jaarlijkse maximum:

:

voor de Franse overzeese departementen

:

278,41 miljoen EUR,

:

voor de Azoren en Madeira

:

106,21 miljoen EUR,

:

voor de Canarische Eilanden

:

268,42 miljoen EUR.

3.   De bedragen die voor elk begrotingsjaar worden toegekend om de in hoofdstuk III vastgestelde maatregelen te financieren, mogen niet groter zijn dan:

:

voor de Franse overzeese departementen

:

26,9 miljoen EUR,

:

voor de Azoren en Madeira

:

21,2 miljoen EUR,

:

voor de Canarische Eilanden

:

72,7 miljoen EUR.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de vereisten waaraan de lidstaten moeten voldoen om de bestemming te wijzigen van de middelen die elk jaar voor de verschillende onder de specifieke voorzieningsregeling vallende producten worden toegewezen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 33 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de voorwaarden voor de vaststelling van het jaarlijkse maximumbedrag dat kan worden toegewezen voor de maatregelen ter financiering van studies, demonstratieprojecten, opleiding en technische bijstand, waarbij geldt dat de toewijzing redelijk en evenredig moet zijn.

5.   Voor het begrotingsjaar 2013 kent de Unie een aanvullende financiering toe voor de sector bananen van de ultraperifere gebieden, met de volgende maximumbedragen:

:

voor de Franse overzeese departementen

:

18,52 miljoen EUR,

:

voor de Azoren en Madeira

:

1,24 miljoen EUR,

:

voor de Canarische Eilanden

:

20,24 miljoen EUR.

HOOFDSTUK VII

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Nationale maatregelen

De lidstaten stellen de maatregelen vast die nodig zijn om de naleving van deze verordening te garanderen, met name wat betreft de controles en de administratieve sancties, en stellen de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 32

Mededelingen en verslagen

1.   Uiterlijk op 15 februari van elk jaar delen de lidstaten de Commissie mee welke hun ter beschikking gestelde kredieten zij voornemens zijn het volgende jaar uit te geven voor de uitvoering van de voorzieningsbalans en van elke maatregel ten gunste van de lokale landbouwproductie waarin de Posei-programma's voorzien.

2.   Uiterlijk op 30 september van elk jaar dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over de uitvoering in het voorafgaande jaar van de maatregelen waarin deze verordening voorziet.

3.   Uiterlijk op 30 juni 2015 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een algemeen verslag in waarin het effect van de op grond van deze verordening uitgevoerde acties, waaronder die in de sectoren bananen en melk, wordt beschreven en dat indien nodig vergezeld gaat van passende voorstellen.

4.   In de analysen, studies en evaluaties die de Commissie verricht in het kader van handelsovereenkomsten en het gemeenschappelijk landbouwbeleid neemt zij een specifiek hoofdstuk op voor elke materie die van bijzonder belang is voor de ultraperifere gebieden.

Artikel 33

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 12, lid 2, tweede alinea, artikel 19, lid 4, derde alinea, artikel 21, lid 3, artikel 26, lid 4, eerste alinea, artikel 27, lid 2, tweede alinea, en artikel 30, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 21 maart 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12, lid 2, tweede alinea, artikel 19, lid 4, derde alinea, artikel 21, lid 3, artikel 26, lid 4, eerste alinea, artikel 27, lid 2, tweede alinea, en artikel 30, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 12, lid 2, tweede alinea, artikel 19, lid 4, derde alinea, artikel 21, lid 3, artikel 26, lid 4, eerste alinea, artikel 27, lid 2, tweede alinea, en artikel 30, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 34

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 141 van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen, behalve voor de uitvoering van artikel 24 van deze verordening, waarvoor de Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 76/894/EEG van de Raad (15) ingestelde Permanent Plantenziektenkundig Comité. Die comités zijn comités in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 35

Herziening

Voor eind 2013 herziet de Commissie deze regelingen in het licht van hun algemene doeltreffendheid en van het nieuwe kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en dient zij zo nodig passende voorstellen voor een herziene Posei-regeling in.

Artikel 36

Intrekking

Verordening (EG) nr. 247/2006 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening moeten worden beschouwd als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 37

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 13 maart 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 107 van 6.4.2011, blz. 33.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 5 februari 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 februari 2013.

(3)  PB L 42 van 14.2.2006, blz. 1.

(4)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(5)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(6)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(7)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(8)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.

(9)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(10)  PB L 114 van 26.4.2008, blz. 3.

(11)  PB L 316 van 2.12.2009, blz. 65.

(12)  PB L 214 van 4.8.2006, blz. 7.

(13)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(14)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.

(15)  PB L 340 van 9.12.1976, blz. 25.


BIJLAGE

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 247/2006

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 9

Artikel 3, leden 1 en 2

Artikel 10, leden 1 en 2

Artikel 10, lid 3

Artikel 10, lid 4

Artikel 3, lid 3

Artikel 11

Artikel 3, lid 4

Artikel 13

Artikel 4, leden 1 en 2

Artikel 14, leden 1 en 2

Artikel 14, lid 3

Artikel 14, lid 4

Artikel 4, lid 3

Artikel 14, lid 5

Artikel 5

Artikel 15

Artikel 6

Artikel 16

Artikel 7

Artikel 17

Artikel 8, laatste zin

Artikel 12, lid 3

Artikel 9, lid 1, en artikel 10

Artikel 19, lid 1

Artikel 9, leden 2 en 3

Artikel 3

Artikel 11

Artikel 4

Artikel 12, onder a), b) en c)

Artikel 19, lid 2, onder a), b) en c)

Artikel 12, onder d), e), f) en g)

Artikel 5

Artikel 13

Artikel 8, tweede alinea

Artikel 14

Artikel 21

Artikel 15

Artikel 22

Artikel 16

Artikel 23

Artikel 17

Artikel 24

Artikel 18

Artikel 25

Artikel 19

Artikel 26

Artikel 20

Artikel 27

Artikel 21

Artikel 28

Artikel 22

Artikel 29

Artikel 23

Artikel 30

Artikel 24

Artikel 6

Artikel 27

Artikel 31

Artikel 28

Artikel 32

Artikel 29

Artikel 36

Artikel 33

Artikel 37


20.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 78/41


VERORDENING (EU) Nr. 229/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 maart 2013

houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42, eerste alinea, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad (3) zijn specifieke maatregelen op landbouwgebied vastgesteld die de uit de uitzonderlijke geografische situatie van bepaalde kleinere eilanden in de Egeïsche Zee voortvloeiende gevolgen moeten ondervangen. Deze maatregelen krijgen concreet vorm via een steunprogramma, dat een essentieel hulpmiddel is voor de voorziening van die eilanden met landbouwproducten en voor de ondersteuning van de plaatselijke landbouwproductie. Naar aanleiding van de noodzaak om de huidige maatregelen bij te werken, onder meer als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet Verordening (EG) nr. 1405/2006 worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen.

(2)

De fundamentele doelstellingen waartoe de regeling ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moet bijdragen, moeten nader worden omschreven.

(3)

Er moet tevens worden gepreciseerd wat de inhoud moet zijn van het steunprogramma voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee („het steunprogramma”), dat krachtens het subsidiariteitsbeginsel door Griekenland op het geografisch meest geschikte niveau moet worden vastgesteld en door dat land ter goedkeuring aan de Commissie moet worden voorgelegd.

(4)

Om de doelstellingen van de regeling ten behoeve van de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee beter te verwezenlijken moet het steunprogramma maatregelen bevatten die zowel de voorziening met landbouwproducten als het behoud en de ontwikkeling van de lokale landbouwproductie garanderen. Het programmeringsniveau moet worden geharmoniseerd en er moet systematisch worden gewerkt met een aanpak die op een partnerschap tussen de Commissie en Griekenland is gebaseerd. De Commissie moet procedures en indicatoren vaststellen om voor een soepele uitvoering van en een goed toezicht op het programma te zorgen.

(5)

Krachtens het subsidiariteitsbeginsel en vanuit een streven naar flexibiliteit, die de basis vormen van de programmeringsaanpak voor de regeling ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, is het de door Griekenland aangewezen autoriteiten toegestaan wijzigingen in het programma voor te stellen om het aan de realiteit van de betrokken eilanden aan te passen. Te dien einde moet een grotere inbreng van de bevoegde plaatselijke en regionale autoriteiten en andere belanghebbenden worden aangemoedigd. Vanuit diezelfde aanpak moet de procedure voor de wijziging van het programma worden aangepast aan de relevantie van elk soort wijziging.

(6)

De buitengewone geografische ligging van bepaalde kleinere eilanden in de Egeïsche Zee brengt extra vervoerskosten met zich voor hun voorziening met producten die van essentieel belang zijn voor menselijke consumptie, voor verwerking of als productiemiddel in de landbouw. Bovendien plaatsen andere objectieve factoren in verband met het insulaire karakter en de afstand tot de markten de marktdeelnemers en producenten op die eilanden voor extra problemen die hun activiteiten sterk hinderen. In bepaalde gevallen worden de marktdeelnemers en de producenten geconfronteerd met een „dubbele insulariteit”, waarbij de voorziening via andere eilanden plaatsvindt. Deze hindernissen kunnen worden ondervangen door de prijzen van die essentiële producten te verlagen. Het verdient dan ook aanbeveling een specifieke voorzieningsregeling in te stellen om de voorziening van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee te garanderen en de extra kosten te verlichten die het gevolg zijn van het insulaire karakter, de geringe oppervlakte van die eilanden en hun afstand tot de markten.

(7)

Door de geringe oppervlakte van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee worden de problemen van die eilanden nog verergerd. Om de doeltreffendheid van de voorgenomen maatregelen te garanderen, moeten die maatregelen van toepassing zijn op alle Egeïsche eilanden behalve Kreta en Euboea.

(8)

Om de nagestreefde prijsverlaging op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee te realiseren en de extra kosten in verband met de insulaire ligging, de geringe oppervlakte en de afstand tot de markten op te vangen en om tegelijkertijd het concurrentievermogen van de producten uit de Unie te handhaven, moet steun worden verleend voor de levering van producten uit de Unie aan de betrokken eilanden. Deze steun moet rekening houden met de extra kosten van het vervoer naar de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en, wanneer het gaat om productiemiddelen voor de landbouw of om producten voor verwerking, met de extra kosten in verband met het insulaire karakter, de geringe oppervlakte en de afstand tot de markten.

(9)

Om speculatie die de eindgebruikers op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee zou schaden, te voorkomen moet worden gepreciseerd dat alleen producten van gezonde handelskwaliteit voor de specifieke voorzieningsregeling in aanmerking komen.

(10)

Aangezien de specifieke voorzieningsregeling slechts betrekking heeft op de hoeveelheden voor de voorziening van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, mag dit systeem geen nadelige effecten hebben voor de goede werking van de interne markt. Overigens mogen de economische voordelen van de specifieke voorzieningsregeling niet leiden tot een verlegging van het handelsverkeer van de betrokken producten. Verzending en uitvoer van de betrokken producten uit de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moeten derhalve worden verboden. Evenwel dient verzending of uitvoer van die producten te worden toegestaan in het geval van terugbetaling van het dankzij de specifieke voorzieningsregeling verkregen voordeel.

(11)

Wat verwerkte producten betreft, moet, om handel tussen deze eilanden mogelijk te maken, het handelsverkeer tussen de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee worden toegestaan, en moeten de vervoerskosten voor die producten worden verlaagd. Ook moet rekening worden gehouden met de handelsstromen in het kader van de traditionele regionale handel en van de traditionele uitvoer en verzendingen naar de rest van de Unie of derde landen en moet de uitvoer van verwerkte producten die overeenkomt met de traditionele handelsstromen, worden toegestaan.

(12)

Ter verwezenlijking van de doelstellingen van de specifieke voorzieningsregeling moeten de economische voordelen van die regeling worden doorberekend in de productiekosten en moeten zij de prijzen tot in het stadium van de eindgebruiker doen dalen. Daarom dient de toekenning van die voordelen afhankelijk te worden gesteld van de daadwerkelijke doorberekening ervan en dient voor de nodige controles daarop te worden gezorgd.

(13)

Er moeten voorschriften voor de werking van de regeling worden vastgesteld, met name wat betreft de invoering van een register van marktdeelnemers en van een certificatenregeling, geïnspireerd op artikel 161 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (4).

(14)

Het bij Verordening (EG) nr. 1405/2006 vastgestelde beleid van de Unie ten gunste van de lokale productie op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee heeft tot nu toe betrekking gehad op een veelheid van producten en op allerlei maatregelen om de productie, de afzet of de verwerking van die producten te bevorderen. Deze maatregelen zijn doeltreffend gebleken en hebben ervoor gezorgd dat de landbouwactiviteiten konden worden gehandhaafd en ontwikkeld. De Unie moet die productietakken, die een fundamentele rol spelen in het milieu-, maatschappelijk en economisch evenwicht op de betrokken eilanden, verder ondersteunen. De ervaring heeft geleerd dat, net zoals bij het beleid inzake plattelandsontwikkeling, een sterker partnerschap met de plaatselijke autoriteiten het mogelijk kan maken de specifieke problemen van de betrokken gebieden gericht aan te pakken. Daarom dient de steun ten gunste van de lokale productie te worden voortgezet via het steunprogramma dat voor het eerst bij Verordening (EG) nr. 1405/2006 is vastgesteld. In dit verband moet nadruk worden gelegd op het behoud van traditioneel landbouwerfgoed en de traditionele kenmerken van productiemethoden en van plaatselijke en biologische producten.

(15)

Er moet worden bepaald welke elementen het steunprogramma minstens moet bevatten om maatregelen voor de lokale landbouwproductie te kunnen vaststellen, met name een beschrijving van de situatie, van de voorgestelde strategie, van de doelstellingen en van de maatregelen. Voorts moet het beginsel van de coherentie van die maatregelen met de andere beleidslijnen van de Unie nader worden omschreven om te voorkomen dat steunmaatregelen onverenigbaar met elkaar zouden zijn of elkaar zouden overlappen.

(16)

Voorts dient het steunprogramma, met het oog op de uitvoering van deze verordening, ook maatregelen te kunnen bevatten voor de financiering van studies, demonstratieprojecten, opleiding en technische bijstand.

(17)

De landbouwproducenten op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moeten worden aangemoedigd kwaliteitsproducten te leveren en de afzet van deze producten moet worden bevorderd.

(18)

Van het vaste beleid van de Commissie geen staatssteun voor de bedrijfsvoering toe te staan in de sectoren productie, verwerking, afzet en vervoer van de in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („het Verdrag”) genoemde landbouwproducten, kan worden afgeweken om de specifieke problemen te verzachten die bij de landbouwproductie op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee worden ondervonden ten gevolge van het insulaire karakter, de geringe oppervlakte, het bergachtige reliëf, het klimaat, de economische afhankelijkheid van een klein aantal producten en hun afstand tot de markten.

(19)

De tenuitvoerlegging van deze verordening mag geen afbreuk doen aan het niveau van de specifieke steun die de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee tot dusver hebben ontvangen. Griekenland moet voor de uitvoering van de passende maatregelen kunnen beschikken over bedragen die even hoog zijn als de steun die de Unie tot dusver op grond van Verordening (EG) nr. 1405/2006 heeft verleend.

(20)

Sinds 2007 is de behoefte aan essentiële producten op sommige kleinere eilanden in de Egeïsche Zee toegenomen als gevolg van de toename van de veestapel en de demografische druk. Het deel van het budget dat Griekenland moet kunnen gebruiken voor de specifieke voorzieningsregeling voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, moet dus worden verhoogd.

(21)

Om Griekenland in staat te stellen alle elementen betreffende de tenuitvoerlegging van het steunprogramma voor het voorgaande jaar te evalueren en om een volledig jaarverslag aan de Commissie te kunnen voorleggen, moet de datum voor de indiening van dat verslag worden verschoven van 30 juni naar 30 september van het jaar na het referentiejaar.

(22)

Van de Commissie moet worden gevraagd dat zij uiterlijk 31 december 2016 en daarna om de vijf jaar bij het Europees Parlement en de Raad een algemeen verslag indient over de gevolgen van de maatregelen die ter uitvoering van deze verordening zijn genomen, zo nodig vergezeld van passende aanbevelingen.

(23)

Teneinde de goede werking van de middels deze verordening ingestelde regeling te waarborgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling of de wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(24)

Om de eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de regeling ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in verband met andere, soortgelijke regelingen en concurrentieverstoring of discriminatie tussen de marktdeelnemers te voorkomen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (5).

(25)

Om ervoor te zorgen dat de voorgenomen maatregelen meteen kunnen worden toegepast, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DOELSTELLINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij deze verordening worden specifieke maatregelen op het gebied van de landbouw vastgesteld om de problemen te verhelpen die het gevolg zijn van het insulaire karakter, de geringe oppervlakte en de afstand tot de markten van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee („de kleinere eilanden”).

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „kleinere eilanden” verstaan, de eilanden in de Egeïsche Zee, met uitzondering van Kreta en Euboea.

Artikel 2

Doelstellingen

1.   De in artikel 1 bedoelde specifieke maatregelen dragen bij tot het verwezenlijken van de volgende doelstellingen:

a)

de voorziening te garanderen van de kleinere eilanden met producten die van essentieel belang zijn voor de menselijke consumptie, voor de verwerking of als productiemiddel in de landbouw, en daarbij de extra kosten die worden veroorzaakt door het insulaire karakter, de geringe oppervlakte en de afstand tot de markten, te verlichten;

b)

de landbouwactiviteit op de kleinere eilanden in stand te houden en te ontwikkelen, met inbegrip van de productie, de verwerking, de afzet en het vervoer van al dan niet verwerkte lokale producten.

2.   Voor de uitvoering van de in lid 1 genoemde doelstellingen worden de in de hoofdstukken III, IV en V bedoelde maatregelen toegepast.

HOOFDSTUK II

STEUNPROGRAMMA

Artikel 3

Vaststelling van het steunprogramma

1.   De maatregelen waarin artikel 1 voorziet, worden vastgesteld in een steunprogramma, dat het volgende omvat:

a)

een specifieke voorzieningsregeling als bedoeld in hoofdstuk III, en

b)

specifieke maatregelen ten behoeve van de lokale landbouwproductie, als bedoeld in hoofdstuk IV.

2.   Het steunprogramma wordt vastgesteld op het door Griekenland meest adequaat geachte geografische niveau. Het wordt uitgewerkt door de bevoegde lokale en regionale autoriteiten die Griekenland heeft aangewezen, en wordt, nadat de bevoegde autoriteiten en organisaties op het passende lokale en regionale niveau zijn geraadpleegd, door die lidstaat ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd overeenkomstig artikel 6.

Artikel 4

Verenigbaarheid en coherentie

1.   De in het kader van het steunprogramma genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het recht van de Unie. Die maatregelen moeten stroken met de andere beleidstakken van de Unie en de maatregelen ter uitvoering daarvan.

2.   Er wordt toegezien op de samenhang van de in het kader van het steunprogramma genomen maatregelen met de maatregelen ter uitvoering van andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met name de gemeenschappelijke marktordeningen, plattelandsontwikkeling, de kwaliteit van de producten, dierenwelzijn en milieubescherming.

Met name wordt op grond van deze verordening geen enkele maatregel gefinancierd om steun te verlenen:

a)

ter aanvulling van steun op grond van de in het kader van een gemeenschappelijke marktordening ingestelde premie- of steunregelingen, tenzij in uitzonderlijke gevallen die worden gerechtvaardigd aan de hand van objectieve criteria;

b)

voor onderzoeksprojecten, voor maatregelen ter ondersteuning van onderzoeksprojecten of voor maatregelen die voor financiering van de Unie in aanmerking komen op grond van Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (6);

c)

voor maatregelen die tot het toepassingsgebied behoren van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (7).

Artikel 5

Inhoud van het steunprogramma

Het steunprogramma omvat:

a)

een tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen en, per jaar, een indicatieve algemene financiële tabel met daarin de uit te trekken middelen;

b)

een bewijs met betrekking tot de verenigbaarheid en de coherentie van de verschillende maatregelen van het programma, alsmede de verenigbaarheid en coherentie met de voor het toezicht en de evaluatie te gebruiken criteria en kwantitatieve indicatoren;

c)

de stappen die zijn ondernomen om voor een doeltreffende en adequate uitvoering van het programma te zorgen, met inbegrip van de regelingen inzake publiciteit, toezicht en evaluatie, alsmede een reeks welomschreven voor de evaluatie te gebruiken gekwantificeerde indicatoren;

d)

de aanwijzing van de bevoegde autoriteiten en van de voor de uitvoering van het programma verantwoordelijke instanties en de aanwijzing op de geschikte niveaus van de autoriteiten of betrokken instanties en van de sociaal-economische partners, alsmede de resultaten van het gepleegde overleg.

Artikel 6

Goedkeuring en wijzigingen van het programma

1.   Het steunprogramma is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1405/2006 en wordt gefinancierd met de in artikel 18, leden 2 en 3, bedoelde financiële middelen.

Het programma omvat een voorzieningsbalans, met opgave van de producten, de producthoeveelheden, de steunbedragen voor de voorziening vanuit de Unie en een ontwerp van steunprogramma voor de lokale productie.

2.   Op basis van de jaarlijkse evaluatie van de uitvoering van de maatregelen van het steunprogramma kan Griekenland, binnen de in artikel 18, leden 2 en 3, vastgestelde financiële middelen, bij de Commissie naar behoren gemotiveerde voorstellen tot wijziging van die maatregelen indienen, met de bedoeling die maatregelen beter aan te passen aan de behoeften van de kleinere eilanden en aan de voorgestelde strategie. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot vaststelling van de procedures om te beoordelen of de voorgestelde wijzigingen in overeenstemming met het recht van de Unie zijn en om te beslissen of zij ze zal goedkeuren. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   De door de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen vastgestelde procedures kunnen rekening houden met de volgende elementen: de vraag hoe ingrijpend de door Griekenland voorgestelde wijzigingen zijn wanneer het gaat om de invoering van nieuwe maatregelen, de vraag of wijzigingen in het budget voor de maatregelen aanzienlijk zijn, veranderingen in de hoeveelheden van en het steunniveau voor producten in de voorzieningsbalans, en wijzigingen in coderingen en omschrijvingen van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (8).

4.   In de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen wordt ook voor elke procedure bepaald met welke frequentie om wijzigingen kan worden verzocht en binnen welke tijdsspanne de goedgekeurde wijzigingen moeten worden uitgevoerd.

Artikel 7

Controle en toezicht

Griekenland controleert aan de hand van administratieve controles en controles ter plaatse. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de minimumeisen waaraan de door Griekenland te verrichten controles moeten voldoen.

De Commissie stelt eveneens uitvoeringshandelingen vast betreffende de procedures en de fysieke en financiële indicatoren vast die een doeltreffend toezicht op de uitvoering van het programma moeten garanderen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK III

SPECIFIEKE VOORZIENINGSREGELING

Artikel 8

Voorzieningsbalans

1.   Er wordt een specifieke voorzieningsregeling ingesteld voor de in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten van de Unie („de landbouwproducten”) die op de kleinere eilanden van essentieel belang zijn voor de menselijke consumptie, voor de vervaardiging van andere producten of als productiemiddel in de landbouw.

2.   Griekenland stelt op het geografische niveau dat het meest geschikt wordt geacht, een voorzieningsbalans op om de jaarlijkse behoeften voor de voorziening van de kleinere eilanden met landbouwproducten te kwantificeren.

De behoeften van de ondernemingen waar producten worden verpakt of verwerkt die bestemd zijn voor de lokale markt dan wel overeenkomstig artikel 13, leden 2 en 3, in het kader van de traditionele handel naar de rest van de Unie worden verzonden of naar derde landen worden uitgevoerd, kunnen worden geraamd in een afzonderlijke voorzieningsbalans.

Artikel 9

Werking van de specifieke voorzieningsregeling

1.   Voor de voorziening van de kleinere eilanden met landbouwproducten wordt steun toegekend.

De steun wordt voor elk betrokken product vastgesteld op basis van de extra kosten voor de afzet op de kleinere eilanden, te rekenen vanaf de havens in continentaal Griekenland waar de betrokken producten gewoonlijk worden geladen, en vanaf de havens van de eilanden van doorvoer of lading naar de eilanden waar hun eindbestemming is. Als het gaat om productiemiddelen voor de landbouw of om producten voor verwerking moet bij de vaststelling van de steun rekening worden gehouden met de extra kosten in verband met het insulaire karakter, de geringe oppervlakte en de afstand tot de markten.

2.   Alleen landbouwproducten van gezonde handelskwaliteit komen voor de specifieke voorzieningsregeling in aanmerking.

Artikel 10

Uitvoering

De specifieke voorzieningsregeling wordt op zodanige wijze ten uitvoer gelegd dat met name rekening wordt gehouden met:

a)

de specifieke behoeften van de kleinere eilanden en de kwaliteitseisen;

b)

de traditionele handelsstromen tussen de kleinere eilanden en de havens in continentaal Griekenland en tussen de eilanden in de Egeïsche Zee;

c)

het economische aspect van de voorgenomen steun;

d)

in voorkomend geval, de noodzaak om de ontwikkeling van de lokale productie niet te hinderen.

Artikel 11

Certificaten

1.   De steun waarin artikel 9, lid 1, voorziet, wordt toegekend tegen overlegging van een certificaat.

De certificaten worden uitsluitend afgegeven aan marktdeelnemers die zijn ingeschreven in een door de bevoegde autoriteiten bijgehouden register.

Die certificaten zijn niet overdraagbaar.

2.   Voor het aanvragen van een certificaat is geen zekerheid vereist. De bevoegde autoriteiten kunnen evenwel, voor zover dit voor de goede werking van deze verordening nodig is, voorzien in het stellen van zekerheden voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het toegekende voordeel als bedoeld in artikel 12. In die gevallen is artikel 34, leden 1, 4, 5, 6, 7 en 8, van Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (9) van toepassing.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast te stellen waarbij de voorwaarden worden bepaald voor inschrijving van de marktdeelnemers in het register, en waardoor wordt gegarandeerd dat de marktdeelnemers hun rechten op deelname aan de specifieke voorzieningsregeling ten volle kunnen uitoefenen.

3.   De Commissie stelt uitvoeringsmaatregelen vast met betrekking tot de maatregelen die nodig zijn om de eenvormige toepassing door Griekenland van dit artikel te garanderen, met name wat betreft de invoering van de certificatenregeling en de verbintenissen die de marktdeelnemers aangaan wanneer zij zich inschrijven. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 12

Doorberekening van het voordeel

1.   Het voordeel van de specifieke voorzieningsregeling dat uit de toekenning van de steun voortvloeit, wordt slechts verleend als het economische voordeel daadwerkelijk wordt doorberekend tot de eindgebruiker, die, naargelang van het geval, de consument kan zijn als het om producten voor rechtstreekse consumptie gaat, de laatste verwerker of verpakker als het om producten voor de verwerkende industrie of de verpakkingsindustrie gaat, dan wel de landbouwer als het gaat om producten die worden gebruikt voor de diervoeding of als productiemiddel in de landbouw.

Het in de eerste alinea bedoelde voordeel is gelijk aan het steunbedrag.

2.   Om de eenvormige toepassing van lid 1 te garanderen stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de toepassing van de in lid 1 genoemde voorschriften en met name met betrekking tot de voorwaarden voor de controle door de lidstaat van de daadwerkelijke doorberekening van het voordeel tot de eindgebruiker. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 13

Uitvoer naar derde landen en verzending naar de rest van de Unie

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de vereisten waaraan producten die onder de specifieke voorzieningsregeling vallen moeten voldoen om te mogen worden uitgevoerd naar derde landen of verzonden naar de rest van de Unie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Die vereisten omvatten met name de terugbetaling van de in het kader van de specifieke voorzieningsregeling ontvangen steun.

Voor de uitvoer naar derde landen van producten die onder de specifieke voorzieningsregeling vallen, hoeft geen certificaat te worden overgelegd.

2.   Lid 1, eerste alinea, geldt niet voor producten die op de kleinere eilanden zijn verwerkt met gebruikmaking van producten waarvoor de specifieke voorzieningsregeling is toegepast, indien die verwerkte producten:

a)

worden uitgevoerd naar derde landen of verzonden naar de rest van de Unie binnen de grenzen van de traditioneel verzonden of uitgevoerde hoeveelheden;

b)

in het kader van de regionale handel naar derde landen worden uitgevoerd met inachtneming van de door de Commissie vast te stellen bestemmingen en gedetailleerde bepalingen;

c)

worden verzonden tussen de kleinere eilanden.

Voor de uitvoer naar derde landen van de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde producten, hoeft geen certificaat te worden overgelegd.

Bij de uitvoer van de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde producten wordt geen uitvoerrestitutie toegekend.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de limieten van de onder a) bedoelde producthoeveelheden en de onder b) bedoelde gedetailleerde bepalingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3.   Verwerkingen die aanleiding kunnen geven tot traditionele uitvoer of traditionele verzending voldoen mutatis mutandis aan de verwerkingsvoorwaarden die voor de regeling verwerking onder douanetoezicht zijn vastgesteld bij de toepasselijke Uniewetgeving, met uitzondering van alle gebruikelijke behandelingen.

Artikel 14

Controles en sancties

1.   De landbouwproducten die onder de specifieke voorzieningsregeling vallen, worden administratief gecontroleerd op het ogenblik dat zij worden binnengebracht op de kleinere eilanden of daaruit worden uitgevoerd of verzonden.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de minimumeisen waaraan de door Griekenland te verrichten controles moeten voldoen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   Als een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 11 de overeenkomstig artikel 11 aangegane verplichtingen niet nakomt, doet de bevoegde autoriteit, behoudens in geval van overmacht of uitzonderlijke weersomstandigheden en onverminderd andere sancties uit hoofde van het nationale recht, het volgende:

a)

hij vordert het aan de marktdeelnemer toegekende voordeel terug;

b)

hij schrapt de registratie van de marktdeelnemer voorlopig of definitief, naar gelang van de ernst van het verzuim.

3.   Als een marktdeelnemer als bedoeld in artikel 11 de betrokken producten niet binnenbrengt, wordt, behoudens in geval van overmacht of uitzonderlijke weersomstandigheden, zijn recht om certificaten aan te vragen door de bevoegde autoriteit opgeschort voor een periode van 60 dagen na de datum waarop het betrokken certificaat is verstreken. Na de opschortingsperiode worden gedurende een door de bevoegde autoriteit te bepalen periode verdere certificaten slechts afgegeven mits een zekerheid wordt gesteld die gelijk is aan het bedrag van het toe te kennen voordeel.

De bevoegde autoriteit stelt de nodige maatregelen vast om de producthoeveelheden die door het niet of slechts gedeeltelijk uitvoering geven aan of de annulering van afgegeven certificaten of door terugvordering van het voordeel beschikbaar komen, opnieuw te gebruiken.

HOOFDSTUK IV

MAATREGELEN TEN GUNSTE VAN DE LOKALE LANDBOUWPRODUCTIE

Artikel 15

Maatregelen

1.   Het steunprogramma bevat de maatregelen die noodzakelijk zijn om, binnen het toepassingsgebied van titel III van het derde deel van het Verdrag, de continuïteit en de ontwikkeling van de lokale agrarische productietakken op de kleinere eilanden te waarborgen.

2.   Het deel van het programma dat aan de maatregelen ten gunste van de lokale landbouwproductie gewijd is, bevat minstens de volgende elementen:

a)

een gekwantificeerde beschrijving van de bestaande situatie van de betrokken landbouwproductie, waarin rekening wordt gehouden met de beschikbare evaluatieresultaten en opgave wordt gedaan van de verschillen, achterstanden, ontwikkelingsmogelijkheden en aangewende financiële middelen;

b)

een beschrijving van de voorgestelde strategie, de gekozen prioriteiten en de gekwantificeerde algemene en operationele doelstellingen, alsmede een beoordeling waarin wordt aangegeven welke economische, milieu- en sociaalmaatschappelijke effecten, met inbegrip van de werkgelegenheidseffecten, worden verwacht;

c)

een beschrijving van de overwogen maatregelen, en met name van de steunregelingen om die maatregelen ten uitvoer te leggen, alsmede in voorkomend geval informatie over de behoeften op het gebied van studies, demonstratieprojecten, opleiding en technische bijstand met betrekking tot de voorbereiding, toepassing of aanpassing van de betrokken maatregelen;

d)

de lijst van de steun bestaande uit rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (10);

e)

het steunbedrag dat voor elke maatregel is vastgesteld en het voorlopige bedrag dat voor elke actie is uitgetrokken om een of meer van de met het programma nagestreefde doelstellingen te bereiken.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de vereisten voor de betaling van de in lid 2 bedoelde steun. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   Het programma kan steunmaatregelen bevatten voor de productie, de verwerking, de afzet en het vervoer van al dan niet verwerkte landbouwproducten van de kleinere eilanden.

Elke maatregel kan uit een aantal acties bestaan. Voor elke actie worden in het programma minstens de volgende elementen vastgesteld:

a)

de begunstigden;

b)

de voorwaarden om in aanmerking te komen;

c)

het unitaire steunbedrag.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de voorwaarden voor de vaststelling van het steunbedrag dat voor de afzet en het vervoer van al dan niet bewerkte producten buiten het productiegebied wordt toegekend en, in voorkomend geval, de voorwaarden voor de vaststelling van de producthoeveelheden waarvoor deze steun wordt verleend.

Artikel 16

Controles en onverschuldigde betaling

1.   De controles van maatregelen waarin dit hoofdstuk voorziet, bestaan uit administratieve controles en controles ter plaatse.

2.   In geval van een onverschuldigde betaling moet de begunstigde de betrokken bedragen terugbetalen. Artikel 80 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (11) is van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK V

BEGELEIDENDE MAATREGELEN

Artikel 17

Staatssteun

1.   Met betrekking tot de in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten, waarop de artikelen 107, 108 en 109 ervan van toepassing zijn, kan de Commissie overeenkomstig artikel 108 van het Verdrag toestaan dat in de sectoren productie, verwerking, afzet en vervoer van die producten bedrijfssteun wordt verleend ter verlichting van de problemen bij de landbouwproductie die specifiek zijn voor de kleinere eilanden en die het gevolg zijn van hun insulaire karakter, hun geringe oppervlakte en bergachtige reliëf, hun klimaat, hun economische afhankelijkheid van een klein aantal producten en hun afstand tot de markten.

2.   Griekenland kan een aanvullende financiering toekennen voor de uitvoering van het steunprogramma. In dat geval meldt Griekenland de staatssteun aan de Commissie en kan de Commissie die steun overeenkomstig deze verordening als onderdeel van het steunprogramma goedkeuren. De aldus gemelde steun wordt geacht te zijn gemeld in de zin van artikel 108, lid 3, eerste zin, van het Verdrag.

3.   Onverminderd de leden 1 en 2 van dit artikel en in afwijking van artikel 180 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (12) zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag niet van toepassing op betalingen die Griekenland overeenkomstig deze verordening in het kader van de hoofdstukken III en IV van de deze verordening verricht.

HOOFDSTUK VI

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 18

Financiële middelen

1.   De bij deze verordening vastgestelde maatregelen zijn interventies ter regulering van de landbouwmarkten in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (13).

2.   De Unie financiert de in de hoofdstukken III en IV vastgestelde maatregelen tot ten hoogste 23,93 miljoen EUR per jaar.

3.   Voor de in hoofdstuk III bedoelde specifieke voorzieningsregeling kan jaarlijks ten hoogste 7,11 miljoen EUR worden toegewezen.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de vereisten waaraan Griekenland moet voldoen om de bestemming te wijzigen van de middelen die elk jaar voor de verschillende onder de specifieke voorzieningsregeling vallende producten worden toegewezen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 21 gedelegeerde handelingen vast ter bepaling van de voorwaarden voor de vaststelling van het jaarlijks maximumbedrag dat kan worden toegewezen voor maatregelen ter financiering van studies, demonstratieprojecten, opleiding en technische bijstand, waarbij de toewijzing redelijk en evenredig moet zijn.

HOOFDSTUK VII

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Nationale maatregelen

Griekenland stelt de maatregelen vast die nodig zijn om de naleving van deze verordening te waarborgen, waaronder met name wat betreft de controles en de administratieve sancties, en stelt de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 20

Mededelingen en verslagen

1.   Uiterlijk 15 februari van elk jaar deelt Griekenland de Commissie mee welke ter beschikking gestelde kredieten het voornemens is het volgende jaar uit te geven voor de uitvoering van de voorzieningsbalans en van elke maatregel ten gunste van de lokale landbouwproductie waarin het steunprogramma voorziet.

2.   Uiterlijk 30 september van elk jaar dient Griekenland bij de Commissie een verslag in over de uitvoering in het voorafgaande jaar van de maatregelen waarin deze verordening voorziet.

3.   Uiterlijk 31 december 2016 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een algemeen verslag in waarin het effect van de op grond van deze verordening uitgevoerde acties wordt beschreven en dat indien nodig vergezeld gaat van passende voorstellen.

Artikel 21

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 11, lid 2, artikel 15, lid 4, en artikel 18, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 21 maart 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 11, lid 2, artikel 15, lid 4, en artikel 18, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 11, lid 2, artikel 15, lid 4 en artikel 18, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking wanneer het Europees Parlement, noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 22

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 141 van Verordening (EG) nr. 73/2009 opgerichte Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 23

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1405/2006 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening moeten worden beschouwd als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage.

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 13 maart 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 132 van 3.5.2011, blz. 82.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 5 februari 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 februari 2013.

(3)  PB L 265 van 26.9.2006, blz. 1.

(4)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(5)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(6)  PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30.

(7)  PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.

(8)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(9)  PB L 114 van 26.4.2008, blz. 3.

(10)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(11)  PB L 316 van 2.12.2009, blz. 65.

(12)  PB L 214 van 4.8.2006, blz. 7.

(13)  PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.


BIJLAGE

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1405/2006

Deze verordening

artikel 1

artikel 1

artikel 2

artikel 3, lid 1

artikel 3

artikel 8

artikel 4, lid 1

artikel 9, lid 1

artikel 4, lid 2

artikel 10

artikel 4, lid 3

artikel 12, lid 1

artikel 5

artikel 13

artikel 7, lid 1

artikel 15, lid 1

artikel 7, lid 2

artikel 3, lid 2

artikel 8

artikel 4

artikel 9, onder a) en b)

artikel 15, lid 2

artikel 9, onder c), d), e) en f)

artikel 5

artikel 10

artikel 7, tweede alinea

artikel 11

artikel 17

artikel 12

artikel 18

artikel 13

artikel 6, lid 1

artikel 14, onder a)

artikel 6, leden 2 tot en met 4

artikel 14, onder b)

artikel 7, eerste alinea en artikel 14, lid 1, tweede alinea, leden 2 en 3

artikel 16

artikel 19

artikel 17

artikel 20

artikel 18

artikel 23

artikel 21

artikel 24