ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.068.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 68

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
12 maart 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 205/2013 van de Raad van 7 maart 2013 tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Filipijnen, en tot beëindiging van het onderzoek betreffende de mogelijke ontwijking van bij die verordening ingestelde antidumpingmaatregelen door bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit Maleisië en Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië en Thailand

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 206/2013 van de Raad van 11 maart 2013 tot uitvoering van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran

9

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 207/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 tot afwijking van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de uiterste datum voor de herziening van het besluit inzake specifieke steun voor 2013 en van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie wat betreft de kennisgeving van een dergelijke herziening

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de traceerbaarheidsvoorschriften voor kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden ( 1 )

16

 

*

Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor kiemgroenten en de bemonsteringsvoorschriften voor pluimveekarkassen en vers pluimveevlees ( 1 )

19

 

*

Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de erkenning van inrichtingen die kiemgroenten produceren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

24

 

*

Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de certificeringsvoorschriften voor de invoer in de Unie van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden ( 1 )

26

 

*

Verordening (EU) nr. 212/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 tot vervanging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft toevoegingen en wijzigingen in verband met de in die bijlage opgenomen producten ( 1 )

30

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 213/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

53

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2013/9/EU van de Commissie van 11 maart 2013 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap ( 1 )

55

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2013/124/GBVB van de Raad van 11 maart 2013 tot wijziging van Besluit 2011/235/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran

57

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 205/2013 VAN DE RAAD

van 7 maart 2013

tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Filipijnen, en tot beëindiging van het onderzoek betreffende de mogelijke ontwijking van bij die verordening ingestelde antidumpingmaatregelen door bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit Maleisië en Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië en Thailand

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 13,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Bestaande maatregelen

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012 (2) heeft de Raad, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen die bij Verordening (EG) nr. 1890/2005 van de Raad (3) („de oorspronkelijke verordening”) waren ingesteld, een definitief antidumpingrecht van 24,7 % ingesteld op bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) voor alle andere ondernemingen dan die welke in artikel 1, lid 2, van die verordening zijn vermeld. Deze maatregelen worden hierna „de geldende maatregelen” of „de oorspronkelijke maatregelen” genoemd en het onderzoek dat tot de bij de oorspronkelijke verordening ingestelde maatregelen heeft geleid, wordt hierna aangeduid als „het oorspronkelijk onderzoek”.

1.2.   Opening van het onderzoek

(2)

Na het Raadgevend Comité te hebben geraadpleegd en tot de conclusie te zijn gekomen dat zij over voldoende voorlopig bewijsmateriaal beschikt om een onderzoek op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening te openen, heeft de Europese Commissie („de Commissie”) besloten op eigen initiatief een onderzoek te openen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die werden ingesteld op bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de VRC, en de invoer te registreren van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen.

(3)

Het onderzoek werd op 15 juni 2012 geopend bij Verordening (EU) nr. 502/2012 van de Commissie (4) („de openingsverordening”).

(4)

De Commissie beschikte over voorlopig bewijsmateriaal dat zich na het instellen van de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde maatregelen aanzienlijke wijzigingen hadden voorgedaan in de structuur van het handelsverkeer wat betreft de uitvoer uit de VRC, Maleisië, Thailand en de Filipijnen naar de Unie, waarvoor, afgezien van de instelling van de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde maatregelen, onvoldoende reden of rechtvaardiging bestond. Deze wijziging was blijkbaar toe te schrijven aan het overladen van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de VRC via Maleisië, Thailand en de Filipijnen naar de Unie.

(5)

Voorts waren er aanwijzingen dat de corrigerende werking van de geldende maatregelen, zowel wat de hoeveelheden als wat de prijzen betrof, werd ondermijnd. Uit het bewijsmateriaal bleek dat de gestegen invoer uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen plaatsvond tegen prijzen die lager waren dan de geen schade veroorzakende prijs die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld, gecorrigeerd voor de stijging van de grondstoffenkosten.

(6)

Tot slot beschikte de Commissie over bewijzen dat bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan die uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen werden verzonden, tegen dumpingprijzen werden ingevoerd ten opzichte van de eerder tijdens het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarde, gecorrigeerd voor de stijging van de grondstoffenkosten.

1.3.   Onderzoek

(7)

De Commissie heeft de autoriteiten van de VRC, Maleisië, Thailand en de Filipijnen, de producenten-exporteurs in die landen, de haar bekende betrokken importeurs in de Unie en de bedrijfstak van de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het onderzoek.

(8)

De Commissie heeft formulieren om vrijstelling aan te vragen toegestuurd aan de haar bekende producenten/exporteurs in Maleisië, Thailand en de Filipijnen of via de missies van de betrokken landen bij de Europese Unie. De Commissie heeft vragenlijsten toegestuurd aan de haar bekende producenten/exporteurs in de VRC of via de missie van de VRC bij de Europese Unie. Ook aan de haar bekende importeurs in de Unie werden vragenlijsten toegestuurd.

(9)

Belanghebbenden werd de gelegenheid geboden om binnen de in de openingsverordening vastgestelde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle partijen werden ervan op de hoogte gesteld dat niet-medewerking kan leiden tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening en tot bevindingen die op de beschikbare gegevens worden gebaseerd.

(10)

Zeven Maleisische, zes Thaise en drie Filipijnse producenten/exporteurs, en in voorkomend geval hun verbonden ondernemingen in de VRC, hebben de vrijstellingsaanvraag ingevuld teruggestuurd. De aanvragen van twee Maleisische, één Thaise en één Filipijnse onderneming werden om formele redenen afgewezen aangezien was gebleken dat de betrokken ondernemingen hetzij het onderzochte product niet produceerden, hetzij geen medewerking meer verleenden nadat zij de vrijstellingsaanvraag hadden ingediend, hetzij de vrijstellingsaanvraag in een zeer late fase van het onderzoek hadden ingediend.

(11)

Twee Chinese exporteurs en vier importeurs/groepen van importeurs in de Unie hebben de vragenlijsten beantwoord.

(12)

De Commissie heeft bij de volgende ondernemingen een controle ter plaatse uitgevoerd:

MCP Precision Sdn. Bhd. (Maleisië)

Sofasco Industries (M) Sdn. Bhd. (Maleisië)

Tigges Fastener Technology Sdn. Bhd. (Maleisië) en haar verbonden handelsonderneming Tigges Fastener Trading Sdn. Bhd. (Maleisië)

Tong Heer Fasteners Co. Sdn. Bhd. (Maleisië)

Well Union Metal Sdn. Bhd. (Maleisië) en haar verbonden ondernemingen in Taiwan: Linkwell Industry en Linkfast Industry

A.B.P. Stainless Steel Fastener Co., Ltd (Thailand)

Dura Fasteners Co., Ltd (Thailand)

Taiyo Fasteners Co., Ltd (Thailand)

Tong Heer Fasteners Co., Ltd (Thailand)

TPC Stainless & Steel Fasteners Co., Ltd (Thailand) en haar verbonden ondernemingen TPC Fasteners Co. Ltd, Thai Phaisarn Fastening Co. Ltd en Phaisarn Fastening Ltd Part. (Thailand)

Multi-Tek Fasteners Inc. (de Filipijnen) en haar verbonden onderneming in Taiwan Multi-Tek Fasteners & Parts Manufacturer Inc.

Phil Shin Works Corporation (de Filipijnen)

Rosario Fasteners Corporation (de Filipijnen) en haar verbonden onderneming in Taiwan Lu Chu Shin Yee Works Co., Ltd

1.4.   Rapportageperiode en onderzoektijdvak

(13)

De rapportageperiode („RP”), d.i. de periode waarvoor de toegevoegde waarde werd onderzocht en berekeningen van dumping/prijsbederf werden uitgevoerd, omvatte twaalf maanden, namelijk van 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012. Het onderzoektijdvak („OT”), d.i. de periode waarvoor veranderingen van de structuur van het handelsverkeer werden geanalyseerd en mogelijke ontwijking werd onderzocht, omvatte de periode vanaf de instelling van de oorspronkelijke maatregelen tot het eind van de RP.

2.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

2.1.   Algemene overwegingen

(14)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening werd uitgemaakt of er sprake was van ontwijking door achtereenvolgens na te gaan of zich een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC, de drie betrokken landen en de Unie had voorgedaan, of deze verandering het gevolg was van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond, of uit bewijsmateriaal bleek dat er sprake was van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het onderzochte product, werd ondermijnd, en of uit bewijsmateriaal bleek dat dumping plaatsvond ten aanzien van de eerder in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening.

2.2.   Betrokken product en onderzocht product

(15)

Bij de mogelijke ontwijking gaat het om bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7318 12 10, 7318 14 10, 7318 15 30, 7318 15 51, 7318 15 61 en 7318 15 70 („het betrokken product”).

(16)

Het onderzochte product is hetzelfde als het betrokken product, maar wordt verzonden uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen, en is momenteel ingedeeld onder dezelfde GN-codes als het betrokken product („het onderzochte product”).

(17)

Uit het onderzoek is gebleken dat uit de VRC naar de Unie uitgevoerde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan, zoals hierboven gedefinieerd, en uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen naar de Unie uitgevoerde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en dezelfde toepassingen hebben en daarom moeten worden beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

2.3.   Bevindingen met betrekking tot de Filipijnen

2.3.1.   Mate van medewerking

(18)

Zoals vermeld in overweging 10 hebben slechts drie Filipijnse ondernemingen (één van die ondernemingen bleek het onderzochte product niet te produceren noch uit te voeren) de vrijstellingsaanvraag ingevuld teruggestuurd. De medewerkende ondernemingen vertegenwoordigden bijgevolg 10 % van de uitvoer van het onderzochte product uit de Filipijnen naar de Unie in de RP.

(19)

Ook twee Chinese producenten/exporteurs hebben de vragenlijst beantwoord, maar geen van beide voerde tijdens het OT uit naar de Filipijnen.

(20)

Rekening houdend met de vrij beperkte mate van medewerking van de Filipijnse en Chinese ondernemingen moesten de bevindingen inzake de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan uit de Filipijnen in de Unie en de uitvoer van het betrokken product uit de VRC naar de Filipijnen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening op de beschikbare gegevens worden gebaseerd. In dit geval werden gegevens van Eurostat gebruikt om totale uitvoervolumes van de Filipijnen naar de Unie vast te stellen, en Chinese uitvoerstatistieken om de totale uitvoer van de VRC naar de Filipijnen vast te stellen.

(21)

Wat de Chinese uitvoerstatistieken betreft, zij opgemerkt dat de statistieken van handelsstromen tussen de VRC en de Filipijnen alle GS-codes omvatten, wat een grotere productgroep is dan het betrokken product en het onderzochte product. Rekening houdend met de zeer duidelijke trend die werd geconstateerd, kunnen deze gegevens evenwel worden gebruikt om een wijziging van de structuur van het handelsverkeer vast te stellen.

(22)

Tot slot werden als extra informatiebron de door de Filipijnse autoriteiten verstrekte gegevens gebruikt. Hoewel deze gegevens niet volledig en gedetailleerd genoeg waren om als enige basis voor de analyse te dienen, waren zij geschikt om bevindingen inzake de structuur van het handelsverkeer te vergelijken.

2.3.2.   Verandering in de structuur van het handelsverkeer

(23)

Nadat de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer uit de VRC werden ingesteld, nam de invoer in de Unie van het onderzochte product uit de Filipijnen plots en duidelijk toe. Deze invoer steeg van het minimumniveau van minder dan 100 ton per jaar in 2004-2005 tot meer dan 12 000 ton in de RP.

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

RP

Volume

(ton)

69

23

1 369

6 048

7 046

5 406

15 580

14 528

12 075

Bron: Eurostat

(24)

Tegelijkertijd steeg de uitvoer uit China naar de Filipijnen sterk in de jaren 2004-RP, namelijk van 1 100 ton tot meer dan 15 000 ton.

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

RP

Volume

(ton)

1 104

2 022

2 107

3 727

3 856

7 513

11 262

15 553

15 632

Bron: Chinese uitvoerstatistieken (Global Trade Atlas Database)

(25)

Uit de gegevens blijkt duidelijk dat de invoer in de Unie vanuit de Filipijnen in 2004 en 2005 verwaarloosbaar was. In 2006, na de instelling van de maatregelen ten aanzien van de VRC, steeg de invoer evenwel plots en kwam wat volumes betrof gedeeltelijk in de plaats van de invoer op de markt van de Unie vanuit de VRC. Daarenboven is de uitvoer uit de VRC naar de Unie sinds de instelling van de geldende maatregelen aanzienlijk gedaald (70 %). Bovendien zij opgemerkt dat de gegevens van de Filipijnse autoriteiten bevestigen dat slechts een klein deel van de invoer uit de VRC in het Filipijnse douanegebied op de markt was gebracht. De invoer was grotendeels voor de speciale economische zones bestemd.

2.3.3.   Aard van de ontwijkingspraktijk

(26)

Artikel 13, lid 1, van de basisverordening bepaalt dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer het gevolg moet zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. Deze praktijken, processen of werkzaamheden houden onder meer de verzending van het aan maatregelen onderworpen product via derde landen in.

(27)

Er zij opgemerkt dat de uitvoer uit de Filipijnen door de medewerkende ondernemingen ongeveer 10 % van de totale uitvoer uit de Filipijnen naar de Unie in de RP bedroeg. De resterende uitvoer kan worden toegeschreven aan de producenten die niet aan het onderzoek hebben meegewerkt of aan loutere overladingspraktijken. Deze laatste conclusie wordt gestaafd door de informatie en gegevens van de Filipijnse autoriteiten, volgens welke met name i) de invoer van het betrokken product uit de VRC grotendeels voor de speciale economische zones was bestemd en het Filipijnse douanegebied niet is binnengekomen, ii) het aantal echte producenten van het onderzochte product in de Filipijnen zeer beperkt is.

(28)

Bijgevolg werd bevestigd dat producten van oorsprong uit de VRC in de Filipijnen werden overgeladen.

2.3.4.   Geen andere afdoende reden of economische rechtvaardiging dan de instelling van het antidumpingrecht

(29)

Het onderzoek heeft geen andere voldoende reden of economische rechtvaardiging voor de verzending na overlading aan het licht gebracht dan de ontwijking van de geldende maatregelen ten aanzien van het betrokken product. Behalve het recht werden geen elementen gevonden die konden worden beschouwd als een compensatie voor de overladingskosten, met name wat het vervoer en het omladen betreft, van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de VRC via de Filipijnen.

2.3.5.   Ondermijning van de corrigerende werking van het antidumpingrecht

(30)

Om uit te maken of het ingevoerde onderzochte product, gezien de hoeveelheden en de prijzen, de corrigerende werking van de geldende maatregelen voor het betrokken product ondermijnde, werd gebruikgemaakt van gegevens van Eurostat als de beste beschikbare gegevens betreffende hoeveelheden en prijzen van de door niet-medewerkende ondernemingen in de Filipijnen uitgevoerde producten. De aldus vastgestelde prijzen werden vergeleken met het schadeopheffende prijsniveau dat in het kader van het oorspronkelijke onderzoek voor de producenten in de Unie was vastgesteld. Aangezien tussen het oorspronkelijke OT en de RP in dit onderzoek heel wat tijd was verstreken, moest rekening worden gehouden met de belangrijke ontwikkelingen van de basiselementen van de productiekosten. Dat kwam tot uiting in de correctie van de geen schade veroorzakende prijs op grond van de stijging van de prijs van de basisgrondstoffen en, voor de resterende elementen van de productie- en verkoopkosten, op grond van de schommeling van de index van de consumentenprijzen in de Unie.

(31)

De toename van de invoer uit de Filipijnen in de Unie van minder dan 100 ton in 2004 tot meer dan 12 000 ton in de RP werd wat de hoeveelheden betrof als aanzienlijk beschouwd.

(32)

Uit de vergelijking tussen de gecorrigeerde schademarge en de aldus vastgestelde gewogen gemiddelde uitvoerprijs bleek dat er sprake was van prijsbederf.

(33)

Bijgevolg werd geconcludeerd dat de corrigerende werking van de geldende maatregelen, zowel wat de hoeveelheden als wat de prijzen betrof, werd ondermijnd.

2.3.6.   Bewijs voor dumping

(34)

Tot slot is overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening onderzocht of dumping kon worden aangetoond ten aanzien van de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarde.

(35)

In de oorspronkelijke verordening werd de normale waarde vastgesteld op basis van de prijzen in Taiwan, dat in dat onderzoek voor de VRC een geschikt referentieland met een markteconomie werd bevonden. Aangezien tussen het oorspronkelijke OT en de RP in dit onderzoek heel wat tijd was verstreken, moest evenwel rekening worden gehouden met de belangrijke ontwikkelingen van de basiselementen van de productiekosten. Dat kwam tot uiting in de correctie van de normale waarde op grond van de stijging van de prijs van de basisgrondstoffen en, voor de resterende elementen van de productie- en verkoopkosten, op grond van de schommeling van de index van de consumentenprijzen in Taiwan.

(36)

De prijs bij uitvoer uit de Filipijnen was gebaseerd op de beschikbare gegevens, d.w.z. op de gemiddelde uitvoerprijs van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan tijdens de RP, zoals gerapporteerd door Eurostat. Dat gebruik werd gemaakt van de beschikbare gegevens was te wijten aan de minimale mate van medewerking van de producenten van het onderzochte product in de Filipijnen. De gemiddelde uitvoerprijs die voor de berekening werd gebruikt, werd vergeleken met het niveau van de uitvoerprijzen van de twee medewerkende Filipijnse exporteurs en bleek daarmee verenigbaar te zijn.

(37)

Met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Dienovereenkomstig werden er correcties toegepast voor verschillen in vervoer, verzekering en niet-terugvorderbare btw op uitvoer in de VRC. Gezien de beperkte medewerking van de producenten in de Filipijnen en de VRC, moest de correctie op de beste beschikbare gegevens worden gebaseerd. De correcties voor vervoer en verzekering werden bijgevolg gebaseerd op de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde vervoers- en verzekeringskosten per ton.

(38)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumping berekend door de gecorrigeerde gewogen gemiddelde normale waarde die in de oorspronkelijke verordening was vastgesteld, te vergelijken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde uitvoerprijzen in de RP van dit onderzoek, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring.

(39)

Uit de vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de aldus vastgestelde gewogen gemiddelde uitvoerprijs bleek dat er sprake was van dumping.

2.4.   Bevindingen met betrekking tot Maleisië

2.4.1.   Mate van medewerking

(40)

Zoals vermeld in overweging 10 hebben zeven Maleisische ondernemingen de vrijstellingsaanvraag ingevuld teruggestuurd. Een van die ondernemingen bleek het onderzochte product niet te produceren, terwijl de andere onderneming haar onvolledige antwoord pas tijdens een late fase van het onderzoek heeft toegestuurd, waardoor het onmogelijk was om ontbrekende informatie aan te vullen en de verstrekte informatie en gegevens te controleren. Deze twee ingevulde vrijstellingsaanvragen moesten daarom buiten beschouwing worden gelaten. De vijf resterende medewerkende ondernemingen in Maleisië vertegenwoordigen evenwel 93 % van de Maleisische uitvoer van het onderzochte product naar de Unie in de RP.

2.4.2.   Verandering in de structuur van het handelsverkeer

(41)

Nadat de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer uit de VRC werden ingesteld, nam de invoer in de Unie van het onderzochte product uit Maleisië gestaag toe. Deze invoer steeg van een niveau van minder dan 2 000 ton per jaar in 2004-2005 tot meer dan 13 000 ton in de RP.

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

RP

Volume

(ton)

1 701

1 849

7 930

13 548

13 712

9 809

9 615

13 498

13 363

Bron: Eurostat

(42)

Evenwel moet worden benadrukt dat na de controles ter plaatse werd bevestigd dat deze toename van de uitvoer uit Maleisië naar de Unie kan worden verklaard door de stijging van de werkelijke productie in Maleisië tijdens dezelfde periode. De medewerkende ondernemingen, Maleisische producenten die niet bij de ontwijkingspraktijken betrokken bleken te zijn, vertegenwoordigen 93 % van de uitvoer naar de Unie. Uit het onderzoek is gebleken dat slechts een van die ondernemingen het betrokken product overlaadde, maar daarbij ging het slechts om een klein deel van de verkoop, en deze praktijk werd in 2009 stopgezet. Ook bleek geen van de medewerkende ondernemingen betrokken te zijn bij assemblagepraktijken waarbij onderdelen of halfafgewerkte producten van oorsprong uit de VRC worden gebruikt.

(43)

Rekening houdend met het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de toegenomen invoer uit Maleisië verklaard wordt door de gestegen binnenlandse productie. De verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Maleisië en de Unie was bijgevolg niet toe te schrijven aan ontwijkingspraktijken.

2.5.   Bevindingen met betrekking tot Thailand

2.5.1.   Mate van medewerking

(44)

Zoals vermeld in overweging 10 hebben zes Thaise ondernemingen de vrijstellingsaanvraag ingevuld teruggestuurd. Een van deze ondernemingen heeft verder in de procedure geen medewerking meer verleend, waardoor het onmogelijk werd ontbrekende informatie aan te vullen of de verstrekte informatie en gegevens tijdens een bezoek ter plaatse te controleren. Deze ingevulde vrijstellingsaanvraag moest daarom buiten beschouwing worden gelaten. De vijf resterende medewerkende ondernemingen in Thailand vertegenwoordigen evenwel 67 % van de Thaise uitvoer van het onderzochte product naar de Unie in de RP.

2.5.2.   Verandering in de structuur van het handelsverkeer

(45)

Nadat de oorspronkelijke maatregelen ten aanzien van de invoer uit de VRC werden ingesteld, vertoonde de invoer in de Unie van het onderzochte product uit Thailand de volgende trend:

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

RP

Volume

(ton)

5 373

3 308

1 290

850

453

128

367

5 546

6 715

Bron: Eurostat

(46)

De uitvoer van Thailand naar de Unie moet worden geanalyseerd in het licht van het feit dat Thailand sinds november 2005 net als de VRC onderworpen was aan antidumpingmaatregelen van de Unie (5). Die maatregelen vervielen in november 2010. Daarna steeg de uitvoer uit Thailand naar de Unie sterk — van 367 ton in 2010 tot meer dan 5 500 ton in 2011 en meer dan 6 700 ton in de RP.

(47)

Er zij evenwel op gewezen dat de uitvoer van het onderzochte product uit Thailand naar de Unie in de RP in absolute termen niet veel hoger is dan in 2004, vóór de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de VRC en Thailand werden ingesteld. In relatieve termen (het aandeel in de totale invoer in de Unie) daalde de invoer uit Thailand zelfs van bijna 12 % tot 7 %.

(48)

Uit het onderzoek zijn geen overladingspraktijken gebleken, noch assemblagepraktijken waarbij onderdelen of halfafgewerkte producten van oorsprong uit de VRC worden gebruikt. Aangezien de uitvoer uit Thailand vóór de instelling van antidumpingmaatregelen duidelijk van Thaise makelij was, kan moeilijk worden geconcludeerd dat het huidige uitvoerniveau, dat wat de volumes betreft vergelijkbaar is, van een andere oorsprong zou zijn. Er moet ook worden benadrukt dat de twee grootste Thaise producenten die aan dit onderzoek meewerken ook deel uitmaakten van het oorspronkelijke onderzoek tegen Thailand.

(49)

Rekening houdend met het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de toegenomen invoer uit Thailand grotendeels verklaard wordt door de gestegen binnenlandse productie. De verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Thailand en de Unie was bijgevolg niet toe te schrijven aan ontwijkingspraktijken.

3.   MAATREGELEN

(50)

Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat het definitieve antidumpingrecht op bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de VRC werd ontweken door overlading in de Filipijnen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening.

(51)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, eerste zin, van de basisverordening, moeten de maatregelen die gelden ten aanzien van de invoer van het betrokken product worden uitgebreid tot de invoer van het onderzochte product, namelijk hetzelfde product verzonden uit de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Filipijnen.

(52)

Gezien de beperkte mate van medewerking aan dit onderzoek, is de uit te breiden maatregel die welke voor „alle andere ondernemingen” in de VRC is vastgesteld in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012, namelijk een definitief antidumpingrecht van 27,4 %, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring.

(53)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening, die bepalen dat uitgebreide maatregelen moeten worden toegepast op goederen waarvan de invoer in de Unie overeenkomstig de openingsverordening wordt geregistreerd, moeten rechten worden geheven op uit de Filipijnen verzonden bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan waarvan de invoer wordt geregistreerd.

4.   BEËINDIGING VAN HET ONDERZOEK BETREFFENDE DE INVOER UIT MALEISIË EN THAILAND

(54)

Gezien de bevindingen betreffende Maleisië en Thailand moet het onderzoek naar mogelijke ontwijking van antidumpingmaatregelen door de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit Maleisië en Thailand worden beëindigd en moet de bij de openingsverordening ingestelde registratie van de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit Maleisië en Thailand worden opgeheven.

5.   VERZOEKEN OM VRIJSTELLING

(55)

Zoals uiteengezet in overweging 10 hebben 16 ondernemingen uit Maleisië, Thailand en de Filipijnen de vrijstellingsaanvraag ingevuld teruggestuurd, waarbij zij overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening verzochten om vrijstelling van de eventuele uitgebreide maatregelen.

(56)

De verzoeken om vrijstelling van de Maleisische en de Thaise ondernemingen werden niet onderzocht aangezien de maatregelen niet tot deze twee landen worden uitgebreid.

(57)

Een van de drie Filipijnse ondernemingen die om vrijstelling had verzocht bleek het onderzochte product tijdens het OT niet te hebben geproduceerd of uitgevoerd, en er konden geen conclusies inzake de aard van haar activiteiten worden getrokken. Daarom kan aan deze onderneming in dit stadium geen vrijstelling worden verleend. Indien echter na de uitbreiding van de geldende antidumpingmaatregelen blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van de basisverordening is voldaan, kan de onderneming vragen dat haar situatie opnieuw wordt bekeken.

(58)

Na het onderzoek ter plaatse werd bevestigd dat de twee resterende Filipijnse ondernemingen echte producenten-exporteurs zijn. Bijgevolg wordt geconcludeerd dat zij niet betrokken waren bij ontwijkingspraktijken en dat aan deze ondernemingen dus vrijstelling kan worden verleend.

(59)

Er zijn in dit geval bijzondere maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat deze vrijstellingen adequaat worden toegepast. Deze bijzondere maatregelen betreffen de verplichting om aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur over te leggen die voldoet aan de in de bijlage bij deze verordening vermelde vereisten. Invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, moet aan het uitgebreide antidumpingrecht worden onderworpen.

(60)

Andere Filipijnse producenten die zich in het kader van deze procedure niet kenbaar hebben gemaakt, het onderzochte product tijdens het OT niet hebben uitgevoerd, en voornemens zijn overeenkomstig artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van de basisverordening een verzoek tot vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht in te dienen, zal worden verzocht een vrijstellingsaanvraag in te vullen zodat de Commissie dat verzoek kan beoordelen. De Commissie verricht doorgaans ook een controle ter plaatse. Indien aan de voorwaarden van artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van de basisverordening is voldaan, kan vrijstelling gerechtvaardigd zijn. Wanneer vrijstelling gerechtvaardigd is, kan de Commissie, na overleg in het Raadgevend Comité, bij besluit vrijstelling van het bij deze verordening uitgebreide recht verlenen voor ondernemingen die de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken.

6.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(61)

Alle belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen die tot voornoemde conclusies hebben geleid, en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Na de mededeling van feiten en overwegingen werden geen opmerkingen ontvangen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het bij artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China dat geldt voor „alle andere ondernemingen” in de VRC wordt uitgebreid tot bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Filipijnen, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7318 12 10, ex 7318 14 10, ex 7318 15 30, ex 7318 15 51, ex 7318 15 61 en ex 7318 15 70 (Taric-codes 7318121011, 7318121091, 7318141011, 7318141091, 7318153011, 7318153061, 7318153081, 7318155111, 7318155161, 7318155181, 7318156111, 7318156161, 7318156181, 7318157011, 7318157061 en 7318157081), met uitzondering van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan die door de onderstaande ondernemingen worden geproduceerd:

Onderneming

Aanvullende Taric-code

Multi-Tek Fasteners Inc, Clark Freeport Zone, Pampanga, Filipijnen

B355

Rosario Fasteners Corporation, Cavite Economic Area, Filipijnen

B356

2.   De vrijstellingen die aan de specifiek in lid 1 van dit artikel genoemde ondernemingen zijn verleend of die overeenkomstig artikel 3, lid 2, door de Commissie zijn verleend, gelden alleen indien een geldige handelsfactuur die voldoet aan de in de bijlage vermelde vereisten, aan de douaneautoriteiten van de lidstaten wordt overgelegd. Indien een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, geldt het bij lid 1 van dit artikel ingestelde antidumpingrecht.

3.   Het bij lid 1 van dit artikel uitgebreide recht wordt geïnd op ingevoerde producten verzonden uit de Filipijnen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Filipijnen, die overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 502/2012 en artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 worden geregistreerd, met uitzondering van de producten die door de in lid 1 vermelde ondernemingen zijn geproduceerd.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Het onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012 van de Raad ingestelde antidumpingmaatregelen op de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan van oorsprong uit de Volksrepubliek China door de invoer van bepaalde roestvrijstalen bevestigingsmiddelen en delen daarvan verzonden uit Maleisië en Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië en Thailand, wordt beëindigd.

Artikel 3

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht moeten schriftelijk worden ingediend in een van de officiële talen van de Europese Unie en zijn ondertekend door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om de vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat H

Kamer N-105 08/20

1049 Brussel

BELGIË

Fax +32 22956505

2.   Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kan de Commissie, na overleg in het Raadgevend Comité, bij besluit vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht verlenen voor de invoer van ondernemingen die de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2/2012 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken.

Artikel 4

De douaneautoriteiten wordt de opdracht gegeven de bij artikel 2 van Verordening (EU) nr. 502/2012 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

A. SHATTER


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  PB L 5 van 7.1.2012, blz. 1.

(3)  PB L 302 van 19.11.2005, blz. 1.

(4)  PB L 153 van 14.6.2012, blz. 8.

(5)  PB L 302 van 19.11.2005, blz. 1.


BIJLAGE

De in artikel 1, lid 2, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring, ondertekend door een daartoe bevoegde werknemer van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft, bevatten met de volgende gegevens:

1.

de naam en functie van de bevoegde werknemer van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

2.

de volgende verklaring: „Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”;

3.

datum en handtekening.


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 206/2013 VAN DE RAAD

van 11 maart 2013

tot uitvoering van artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 359/2011 van de Raad van 12 april 2011 betreffende beperkende maatregelen gericht tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran (1), en met name artikel 12, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 12 april 2011 heeft de Raad Verordening (EU) nr. 359/2011 vastgesteld.

(2)

Gezien de voortdurende mensenrechtenschendingen in Iran moeten bijkomende personen en een bijkomende entiteit worden opgenomen in de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen, entiteiten en lichamen in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 359/2011,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De personen en de entiteit die vermeld staan in de bijlage bij onderhavige verordening worden toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 359/2011.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 100 van 14.4.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Lijst van de in artikel 1 bedoelde personen en entiteit

Personen

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

1.

RASHIDI AGHDAM, Ali Ashraf

 

Hoofd van de gevangenis van Evin, aangesteld rond juni/juli 2012. Sinds zijn aanstelling zijn de omstandigheden in de gevangenis erop achteruitgegaan en zijn er meldingen over een toename van het aantal gevallen van mishandeling van gevangenen. In oktober 2012 zijn 9 vrouwelijke gevangenen in hongerstaking gegaan uit protest tegen de schending van hun rechten en het gewelddadige optreden van de gevangenisbewakers.

12.3.2013

2.

KIASATI Morteza

 

Rechter bij afdeling 4 van de revolutionaire rechtbank van Ahwaz; heeft vier Arabische politieke gevangenen - Taha Heidarian, Abbas Heidarian, Abd al-Rahman Heidarian (drie broers) en Ali Sharifi - ter dood veroordeeld.

De betrokkenen zijn gearresteerd, gemarteld en opgehangen zonder eerlijk proces. Deze gevallen, en het ontbreken van een eerlijk proces, staan vermeld in een verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in Iran van 13.9.2012, in het verslag over Iran van de secretaris-generaal van de VN van 22.8.2012, en zijn ook gemeld door verscheidene ngo's.

12.3.2013

3.

MOUSSAVI, Seyed Mohammad Bagher

 

Rechter bij afdeling 2 van de revolutionaire rechtbank van Ahwaz; heeft 5 Ahwazi-Arabieren - Mohammad Ali Amouri, Hashem Sha'bani Amouri, Hadi Rashedi, Sayed Jaber Alboshoka en Sayed Mokhtar Alboshoka - op 17.3.2012 ter dood veroordeeld wegens "activiteiten die indruisen tegen de nationale veiligheid" en "vijandigheid jegens God".

De vonnissen zijn op 9.1.2013 bekrachtigd door het Hooggerechtshof van Iran. Volgens meldingen van een aantal ngo's zijn de vijf meer dan een jaar geleden gearresteerd, en zijn zij gemarteld en zonder eerlijk proces veroordeeld.

12.3.2013

4.

SARAFRAZ, Mohammad (Dr.)

(ook bekend als: Haj-agha Sarafraz)

Geboortedatum: circa 1963

Geboorteplaats: Teheran

Verblijfplaats: Teheran

Arbeidsplaats: IRIB en hoofdzetel Press TV, Teheran

Hoofd van IRIB World Service en van Press TV, verantwoordelijk voor het programmeringsbeleid. Onderhoudt nauwe banden met het staatsveiligheidsapparaat. Het is op zijn last dat Press TV, samen met IRIB, samenwerkt met de Iraanse veiligheidsdiensten en het OM en dat het gedwongen bekentenissen van gevangenen, onder meer van de Iraans-Canadese journalist en filmmaker Maziar Bahari, uitzendt in het wekelijkse programma "Iran Today". De onafhankelijke omroepregulator OFCOM heeft Press TV in het VK veroordeeld tot een geldboetevan 100.000 GBP wegens het uitzenden van de bekentenis onder dwang van Bahari in 2011, die in de gevangenis is gefilmd.

Sarafraz wordt derhalve in verband gebracht met schendingen van het recht op een eerlijk proces.

12.3.2013

5.

JAFARI, Asadollah

 

Aanklager van de provincie Mazandaran; is volgens een aantal ngo's verantwoordelijk voor wederrechtelijke arrestaties en schendingen van de rechten van Bahá'í-gevangenen, gaande van voorarrest tot eenzame opsluiting in het detentiecentrum van de inlichtingendiensten. Ngo's hebben bewijzen van zes concrete voorbeelden van gevallen waarin het recht op een eerlijk proces is geschonden, onder meer in 2011 en 2012.

12.3.2013

6.

EMADI, Hamid Reza

(ook bekend als: Hamidreza Emadi)

Geboortedatum: circa 1973

Geboorteplaats: Hamedan

Verblijfplaats: Teheran

Arbeidsplaats: hoofdzetel Press TV, Teheran

Hoofd van de redactie van Press TV. Verantwoordelijk voor de opname en het uitzenden van gedwongen bekentenissen van gevangenen, onder wie journalisten, politieke activisten, leden van de Koerdische en de Arabische minderheden, in strijd met het internationaal erkende recht op een eerlijk proces. De onafhankelijke omroepregulator OFCOM heeft Press TV in het VK veroordeeld tot een geldboete van 100.000 GBP wegens het uitzenden van de bekentenis onder dwang van de Iraans-Canadese journalist en filmmaker Maziar Bahari in 2011, die in de gevangenis is gefilmd. Ngo's hebben nog andere gevallen van uitzendingen van gedwongen bekentenissen door Press TV gemeld. Emadi wordt derhalve in verband gebracht met schendingen van het recht op een eerlijk proces.

12.3.2013

7.

HAMLBAR, Rahim

 

Rechter bij afdeling 1 van de revolutionaire rechtbank van Tabriz. Heeft zware straffen uitgesproken tegen journalisten, leden van de etnische minderheid der Azeri en activisten die opkomen voor de rechten van werknemers, op beschuldiging van spionage, activiteiten die indruisen tegen de nationale veiligheid, propaganda tegen het Iraanse regime en belediging van het staatshoofd. Er zijn meldingen dat zijn vonnissen vaak niet beantwoorden aan de normen voor een eerlijk proces en dat gevangenen vaak tot valse bekentenissen worden gedwongen. In een geruchtmakende zaak zijn 20 personen die vrijwillig aan de reddingswerken na de aardbeving in Iran van augustus 2012 hadden deelgenomen, tot gevangenisstraffen veroordeeld omdat zij getracht hadden de slachtoffers van de aardbeving bij te staan. De rechtbank heeft de reddingswerkers schuldig bevonden aan "samenzwering en samenspanning met het oogmerk misdrijven tegen de nationale veiligheid te begaan".

12.3.2013

8.

MUSAVI-TABAR, Seyyed Reza

 

Hoofd van het revolutionair OM van Shiraz. Verantwoordelijk voor wederrechtelijke arrestaties en mishandeling van politieke activisten, journalisten, mensenrechtenverdedigers, Bahá'ís en gewetensgevangenen, die werden lastiggevallen, gemarteld, ondervraagd, geen toegang kregen tot een advocaat en geen eerlijk proces kregen. Volgens meldingen van ngo's heeft Musavi-Tabar rechterlijke bevelen ondertekend in het beruchte detentiecentrum "nr. 100" (een gevangenis voor mannen), waaronder een bevel tot eenzame opsluiting van de vrouwelijke Bahá'í-gevangene Raha Sabet voor de duur van drie jaar.

12.3.2013

9.

KHORAMABADI, Abdolsamad

Hoofd van de "Commissie tot vaststelling van criminele inhoud".

Abdolsamad Khoramabadi staat aan het hoofd van de "Commissie tot vaststelling van criminele inhoud", een overheidsorganisatie die belast is met onlinecensuur en cybercriminaliteit. Op zijn aansturen heeft de commissie "cybercriminaliteit" gedefinieerd met een aantal vage categorieën op grond waarvan de creatie en de publicatie van inhoud die door het regime niet passend wordt geacht, strafbaar wordt gesteld. Hij is verantwoordelijk voor repressie tegen en het blokkeren van een groot aantal oppositionele websites, elektronische kranten, blogs, websites van mensenrechten-ngo's en van Google en Gmail sinds september 2012. Zowel hij als de commissie heeft actief bijgedragen tot het overlijden in gevangenschap van de blogger Sattar Behesti in november 2012.

De commissie die onder zijn leiding staat, is derhalve rechtstreeks verantwoordelijk voor systematische schendingen van de mensenrechten, met name door het verbieden of het filteren van websites voor het grote publiek, en door soms de toegang tot het internet in het geheel onmogelijk te maken.

12.3.2013


Entiteiten

 

Benaming

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

1.

Center to Investigate Organized Crime (ook bekend als: Cyber Crime Office of Cyber Police)

Locatie: Teheran, Iran

Website: http://www.cyberpolice.ir

De Iraanse cyberpolitie is een in januari 2011 opgerichte eenheid van de nationale politie van Iran en staat onder leiding van Esmail Ahmadi-Moqaddam (op de lijst geplaatst). Volgens persberichten heeft politiechef Ahmadi-Moqaddam beklemtoond dat de cyberpolitie de antirevolutionaire en dissidente groeperingen die in 2009 via sociale netwerken op het internet hadden opgeroepen tot protest tegen de herverkiezing van president Mahmoud Ahmadinejad zou aanpakken.

In januari 2012 heeft de cyberpolitie nieuwe instructies voor internetcafés uitgevaardigd, die inhouden dat gebruikers persoonlijke informatie moeten verstrekken die gedurende zes maanden wordt bijgehouden door de caféuitbater, samen met een overzicht van de bezochte websites. De instructies houden ook in dat caféuitbaters camerabewaking moeten installeren en de opnames gedurende zes maanden moeten bewaren. Deze nieuwe instructies houden in dat een register kan worden gecreëerd waarmee de autoriteiten activisten of iedereen die zij als een bedreiging voor de nationale veiligheid beschouwen, kunnen opsporen.

In juni 2012 zijn in de Iraanse media berichten verschenen dat de cyberpolitie hard zou gaan optreden tegen VPN's (eigen virtuele netwerken).

Op 30 oktober 2012 heeft de cyberpolitie de blogger Sattar Beheshti gearresteerd (naar verluidt zonder aanhoudingsbevel) in verband met "acties tegen de nationale veiligheid op sociale netwerken en Facebook." Beheshti had in zijn blog kritiek geuit op de Iraanse overheid. Beheshti is op 3 november dood aangetroffen in zijn cel en is vermoedelijk doodgemarteld door leden van de cyberpolitie.

12.3.2013


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 207/2013 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

tot afwijking van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de uiterste datum voor de herziening van het besluit inzake specifieke steun voor 2013 en van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie wat betreft de kennisgeving van een dergelijke herziening

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006 en (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (1), en met name artikel 142, onder c) en r),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 68, lid 8, van Verordening (EG) nr. 73/2009 konden de lidstaten uiterlijk op 1 september 2012 het in artikel 69, lid 1, van die verordening bedoelde besluit herzien en besluiten om, met ingang van 2013, de bedragen voor de financiering van de in artikel 68, lid 1, van die verordening bedoelde specifieke steun te wijzigen of die specifieke steunverlening te beëindigen.

(2)

Door de voortdurende stijging van de voederprijzen als gevolg van de ongunstige weersomstandigheden waaronder sommige van de belangrijkste graanleveranciers in de Unie en elders in de wereld in 2012 te lijden hadden, worden de lidstaten geconfronteerd met een verslechtering van de economische situatie van de landbouwbedrijven, en met name in de sectoren zuivel, rundvlees en schapen- en geitenvlees. Die sectoren verkeerden aan het einde van dat jaar in ernstige financiële moeilijkheden doordat de voederprijzen zwaar doorwogen op hun productiekosten. Hierdoor is een noodsituatie ontstaan die een reëel risico inhoudt op vertraging of onderbreking van de activiteit, wat uiteindelijk tot een krimp of volledige opheffing van de productie in die sectoren kan leiden. De huidige situatie kon niet worden voorzien op het tijdstip waarop de lidstaten overeenkomstig artikel 68, lid 8, van Verordening (EG) nr. 73/2009 het besluit voor het jaar 2013 konden herzien.

(3)

De in artikel 68, lid 1, bedoelde specifieke steun lijkt een geschikt instrument om een dergelijke situatie aan te pakken doordat steun wordt verleend aan bedrijven waarvan de levensvatbaarheid wordt bedreigd. Om de verslechtering van de situatie van de landbouwers in de sectoren zuivel, rundvlees en schapen- en geitenvlees tegen te gaan en ernstige praktische en specifieke problemen te vermijden die tot omschakeling naar andere landbouwactiviteiten of bedrijfsoverdracht kunnen leiden, moet het de lidstaten worden toegestaan het besluit voor het jaar 2013 binnen een nieuwe termijn te herzien.

(4)

Om dezelfde reden moet de termijn voor de kennisgeving van een dergelijke herziening die is vastgesteld in artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (2), worden verlengd.

(5)

Het is dan ook dienstig af te wijken van Verordening (EG) nr. 73/2009 en Verordening (EG) nr. 1120/2009.

(6)

Aangezien de afwijkingen betrekking hebben op het jaar 2013, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Afwijking van Verordening (EG) nr. 73/2009

In afwijking van artikel 68, lid 8, van Verordening (EG) nr. 73/2009 kunnen de lidstaten het op grond van artikel 69, lid 1, van die verordening genomen besluit uiterlijk op 22 maart 2013 herzien wat betreft de met ingang van het jaar 2013 aan de sectoren zuivel, rundvlees en/of schapen- en geitenvlees toe te kennen specifieke steun.

Artikel 2

Afwijking van Verordening (EG) nr. 1120/2009

In afwijking van artikel 50, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1120/2009 stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 22 maart 2013 in kennis van de specifieke steunmaatregelen die zij van plan zijn te nemen voor de sectoren zuivel, rundvlees en/of schapen- en geitenvlees.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(2)  PB L 316 van 2.12.2009, blz. 1.


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 208/2013 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

betreffende de traceerbaarheidsvoorschriften voor kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 18, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn de algemene beginselen inzake levensmiddelen en diervoeders in het algemeen en de voedsel- en voederveiligheid in het bijzonder op het niveau van de Unie en op nationaal niveau vastgesteld. Artikel 18 van die verordening bepaalt dat levensmiddelen, diervoeders, voedselproducerende dieren en alle andere stoffen die bestemd zijn om in een levensmiddel of diervoeder te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, in alle stadia van de productie, verwerking en distributie traceerbaar moeten zijn.

(2)

Dat artikel bepaalt ook dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten kunnen nagaan wie hun levensmiddelen heeft geleverd en moeten beschikken over systemen en procedures waarmee kan worden vastgesteld aan welke andere bedrijven zij hun producten hebben geleverd. Die informatie moet op verzoek aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt.

(3)

Na de uitbraak van shigatoxineproducerende E.coli (STEC) in mei 2011 in de Unie, werd de consumptie van kiemgroenten aangewezen als de meest waarschijnlijke bron van de uitbraken.

(4)

Op 20 oktober 2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een wetenschappelijk advies goedgekeurd over het risico van shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en gekiemde zaden (2). In haar advies concludeert de EFSA dat de besmetting van droge zaden met bacteriële pathogenen de meest waarschijnlijke initiële bron van de uitbraken in verband met kiemgroenten is. Bovendien stelt het advies dat wegens de hoge vochtigheid en de gunstige temperatuur tijdens het kiemen op droge zaden aanwezige bacteriële pathogenen zich tijdens het kiemen kunnen vermenigvuldigen en tot een risico voor de volksgezondheid kunnen leiden.

(5)

De traceerbaarheid is een efficiënt instrument dat voor de voedselveiligheid zorgt, aangezien zij het mogelijk maakt een levensmiddel in alle stadia van de productie, verwerking en distributie te traceren, en daardoor een snelle reactie bij door voedsel overgedragen uitbraken mogelijk maakt. De traceerbaarheid van bepaalde levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong kan met name helpen bij de verwijdering van onveilige levensmiddelen uit de markt, waardoor de consumenten worden beschermd.

(6)

Om te zorgen voor de traceerbaarheid overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 178/2002, moeten de namen en adressen van zowel de exploitant van een levensmiddelenbedrijf dat de kiemgroenten of voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden levert als de exploitant van een levensmiddelenbedrijf waaraan dergelijke zaden of kiemgroenten worden geleverd, altijd beschikbaar zijn. Het voorschrift is gebaseerd op de „een stap achteruit”-„een stap vooruit”-aanpak die impliceert dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven beschikken over een systeem dat hen in staat stelt hun onmiddellijke leverancier(s) en hun onmiddellijke afnemers(s) te identificeren, behalve wanneer zij eindverbruikers zijn.

(7)

De omstandigheden waaronder kiemgroenten worden geproduceerd, kunnen een potentieel hoog risico voor de volksgezondheid vormen, aangezien zij kunnen leiden tot een significante vermeerdering van door voedsel overgedragen ziekteverwekkers. Bij een door voedsel overgedragen uitbraak die verband houdt met de consumptie van kiemgroenten is een snelle tracering van de betrokken goederen daarom van essentieel belang om het effect op de volksgezondheid van een dergelijke uitbraak te beperken.

(8)

Bovendien is de handel in voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden wijdverbreid, wat de noodzaak van een goede traceerbaarheid nog versterkt.

(9)

In deze verordening moeten daarom specifieke voorschriften voor de traceerbaarheid van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden worden vastgesteld.

(10)

Er moet met name worden bepaald dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven aanvullende informatie moeten verstrekken over het volume of de hoeveelheid van dergelijke zaden of kiemgroenten en de verzendingsdatum, tezamen met een referentie voor de identificatie van de partij en een gedetailleerde beschrijving van de zaden of kiemgroenten.

(11)

Om de administratieve lasten van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven te verlichten, moet worden voorzien in de nodige flexibiliteit wat betreft de vorm waarin de exploitanten van levensmiddelenbedrijven gegevens moeten bewaren en de relevante informatie als onderdeel van de traceerbaarheidsvoorschriften moeten verstrekken.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt voorschriften vast voor de traceerbaarheid van partijen van:

i)

kiemgroenten;

ii)

voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden.

Deze verordening is niet van toepassing op kiemgroenten die een behandeling hebben ondergaan die microbiologische risico’s uitschakelt en compatibel is met de wetgeving van de Europese Unie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „kiemgroenten”: het product dat wordt verkregen uit het kiemen van zaden en de ontwikkeling daarvan in water of een ander medium, dat vóór de ontwikkeling van echte bladeren wordt geoogst en dat bedoeld is om geheel te worden gegeten, inclusief het zaad;

b)   „partij”: een hoeveelheid kiemgroenten of voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden, met dezelfde taxonomische naam, die op dezelfde dag uit dezelfde inrichting naar dezelfde bestemming wordt verzonden. Een zending kan bestaan uit één of meer partijen. Zaden met een verschillende taxonomische naam, die in dezelfde verpakking worden gemengd en bestemd zijn om tezamen te kiemen, en kiemgroenten daarvan worden ook als één partij beschouwd.

Voor de uitvoering van deze verordening is bovendien de definitie van „zending” in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie (3) van toepassing.

Artikel 3

Traceerbaarheidsvoorschriften

1.   Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen er in alle stadia van de productie, verwerking en distributie voor dat de volgende informatie betreffende de partijen voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden of de partijen kiemgroenten in dossiers wordt bewaard. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf zorgt er ook voor dat de nodige informatie om aan deze bepalingen te voldoen, wordt verstrekt aan de exploitant van het levensmiddelenbedrijf waaraan de zaden of kiemgroenten worden geleverd:

a)

een precieze beschrijving van de zaden of kiemgroenten, waaronder de taxonomische naam van de plant;

b)

het volume of de hoeveelheid van de geleverde zaden of kiemgroenten;

c)

wanneer de zaden of kiemgroenten zijn verzonden uit het levensmiddelenbedrijf van een andere exploitant, de naam en het adres van:

i)

de exploitant van het levensmiddelenbedrijf waaruit de zaden of kiemgroenten zijn verzonden;

ii)

de verzender (eigenaar) indien verschillend van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf waaruit de zaden of kiemgroenten zijn verzonden;

d)

de naam en het adres van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf waarnaar de zaden of kiemgroenten worden verzonden;

e)

de naam en het adres van de ontvanger (eigenaar), indien verschillend van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf waarnaar de zaden of kiemgroenten worden verzonden;

f)

zo nodig, een referentie voor de identificatie van de partij;

g)

de datum van verzending.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie kan in een passende vorm worden bewaard en verstrekt, mits zij gemakkelijk terug te vinden is door de exploitant van het levensmiddelenbedrijf waaraan de zaden of kiemgroenten worden geleverd.

3.   De exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten de in lid 1 bedoelde relevante informatie dagelijks verstrekken. De in lid 1 bedoelde dossiers worden dagelijks bijgewerkt en worden beschikbaar gehouden gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd.

4.   De exploitant van een levensmiddelenbedrijf verstrekt de in lid 1 bedoelde informatie op verzoek onverwijld aan de bevoegde autoriteit.

Artikel 4

Traceerbaarheidsvoorschriften voor ingevoerde zaden en kiemgroenten

1.   Zendingen voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden en zendingen kiemgroenten gaan bij invoer in de Unie vergezeld van een certificaat, als vastgesteld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 211/2013.

2.   De exploitant van het levensmiddelenbedrijf dat zaden of kiemgroenten invoert, bewaart het in lid 1 bedoelde certificaat gedurende een periode die lang genoeg is om ervan uit te gaan dat de kiemgroenten zijn geconsumeerd.

3.   Alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven die de voor de productie van kiemgroenten bestemde ingevoerde zaden hanteren, verstrekken kopieën van het in lid 1 bedoelde certificaat aan alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven waaraan de zaden worden verzonden totdat die zaden door de producent van de kiemgroenten worden ontvangen.

Wanneer voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden in detailshandelsverpakkingen worden verkocht, verstrekken alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven die de ingevoerde zaden hanteren kopieën van het in lid 1 bedoelde certificaat aan alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven waaraan de zaden worden verzonden totdat zij voor verkoop in de detailhandel worden verpakt.

Artikel 5

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(2)  EFSA Journal 2011; 9(11):2424.

(3)  Zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad.


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/19


VERORDENING (EU) Nr. 209/2013 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2073/2005 inzake microbiologische criteria voor kiemgroenten en de bemonsteringsvoorschriften voor pluimveekarkassen en vers pluimveevlees

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (1), en met name artikel 4, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 852/2004 stelt algemene voorschriften voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven inzake de hygiëne van levensmiddelen vast, die met name rekening houden met procedures die zijn gebaseerd op de toepassing van beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP). Artikel 4 van die verordening bepaalt dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven specifieke hygiënemaatregelen moeten treffen inzake onder meer het voldoen aan de microbiologische criteria voor levensmiddelen en de voorschriften inzake steekproeven en analysen.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (2) worden de microbiologische criteria voor bepaalde micro-organismen en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen vastgesteld waaraan exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten voldoen bij de toepassing van de algemene en specifieke hygiënemaatregelen als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 852/2004.

(3)

Hoofdstuk 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 bepaalt de voedselveiligheidscriteria waaraan bepaalde categorieën levensmiddelen moeten voldoen, waaronder bemonsteringsschema’s, referentieanalysemethoden en grenswaarden voor micro-organismen of toxinen en metabolieten daarvan. Dat hoofdstuk bevat de voedselveiligheidscriteria voor gekiemde zaden, wat salmonella betreft.

(4)

Naar aanleiding van de uitbraak van shigatoxineproducerende E. coli (STEC) in mei 2011 in de Unie is het verbruik van kiemgroenten aangemerkt als de meest waarschijnlijke oorsprong van de uitbraken.

(5)

Op 20 oktober 2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid („EFSA”) een wetenschappelijk advies goedgekeurd over het risico dat verbonden is aan shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en gekiemde zaden (3). In haar advies concludeert de EFSA dat de besmetting van droge zaden met bacteriële pathogenen de meest waarschijnlijke initiële bron van de uitbraken in verband met kiemgroenten is. Bovendien wordt in het advies gesteld dat wegens de hoge vochtigheid en de gunstige temperatuur tijdens het kiemen, op droge zaden aanwezige bacteriële pathogenen zich tijdens het kiemen kunnen vermenigvuldigen en een risico voor de volksgezondheid kunnen opleveren.

(6)

In haar advies beveelt de EFSA onder meer aan dat de microbiologische criteria moeten worden aangescherpt als een van de elementen van een systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid in de productieketen van gekiemde zaden. Die aanbeveling betreft de bestaande microbiologische criteria inzake salmonella voor gekiemde zaden en het in aanmerking nemen van microbiologische criteria inzake andere pathogenen. Volgens de EFSA blijkt uit de beschikbare gegevens ook dat kiemgroenten een groter risico vormen dan andere gekiemde zaden.

(7)

In haar advies behandelt de EFSA verschillende opties voor microbiologische criteria voor pathogene E. coli voor zaden: vóór het begin van het productieproces, tijdens de ontkieming en in het eindproduct. In dit verband stelt de EFSA dat de detectie en beheersing van een besmetting eerder in de productieketen van gekiemde zaden voordelen kan bieden, daar dit belet dat de besmetting zich tijdens het gehele ontkiemingsproces uitbreidt. Verder wordt erkend dat het testen van de zaden alleen niet volstaat voor de detectie van een besmetting, die eventueel in een later stadium van het productieproces kan optreden. De EFSA concludeert derhalve dat microbiologische criteria bruikbaar kunnen zijn tijdens het ontkiemingsproces en/of voor het eindproduct. Bij de bespreking van een microbiologisch criterium voor de uiteindelijke gekiemde zaden, wijst de EFSA erop dat de tijd die de detectiemethoden voor pathogene bacteriën vergen, gecombineerd met de korte houdbaarheid, het onmogelijk kan maken het product in het geval van niet-naleving van de markt te halen. In haar advies stelt de EFSA dat het momenteel niet mogelijk is te ramen in welke mate de volksgezondheid wordt beschermd door specifieke microbiologische criteria voor zaden en gekiemde zaden. Dit onderstreept de behoefte aan gegevensverzameling met het oog op kwantitatieve risicobeoordelingen. Bijgevolg moet dit criterium opnieuw worden bezien in het licht van de wetenschappelijke, technologische en methodologische vooruitgang, opduikende pathogene micro-organismen in levensmiddelen en informatie uit risicobeoordelingen.

(8)

Met het oog op de bescherming van de volksgezondheid in de Unie en in het licht van dat advies van de EFSA zijn Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende certificeringsvoorschriften voor de invoer in de Unie van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden (4) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de traceerbaarheidsvoorschriften voor kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden (5) vastgesteld.

(9)

Naast de maatregelen die zijn voorgeschreven in die handelingen en rekening houdend met het potentieel grote gezondheidsrisico ten gevolge van de eventuele aanwezigheid van ziekteverwekkers in kiemgroenten, moeten bepalingen over aanvullende microbiologische criteria worden vastgesteld op basis van de aanbevelingen van de EFSA, met name over STEC-serogroepen die geacht worden de grootste bedreiging van de volksgezondheid op te leveren.

(10)

Microbiologische criteria zijn slechts een van een aantal toezichtsmogelijkheden inzake voedselveiligheid en moeten door exploitanten van levensmiddelenbedrijven worden gebruikt als middelen om na te gaan of een doeltreffend systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid wordt gehanteerd. Gelet op de geringe prevalentie en de ongelijkmatige verdeling van sommige pathogenen in zaden en gekiemde zaden, de statistische beperkingen van bemonsteringsschema’s en het gebrek aan informatie over de toepassing van goede landbouwpraktijken bij de productie van zaden, is het noodzakelijk om alle partijen zaden te testen op de aanwezigheid van pathogenen in gevallen waarin exploitanten van levensmiddelenbedrijven geen systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid hebben opgezet dat maatregelen ter vermindering van microbiologische risico’s omvat. Indien systemen voor de handhaving van de voedselveiligheid zijn ingevoerd waarvan de doeltreffendheid door historische gegevens wordt bevestigd, kan een vermindering van de bemonsteringsfrequentie worden overwogen. Deze frequentie mag echter nooit kleiner zijn dan eens per maand.

(11)

Bij de vaststelling van microbiologische criteria voor kiemgroenten moet worden gezorgd voor flexibiliteit met betrekking tot de fasen van de monsterneming en de soort monsters die genomen moeten worden, teneinde rekening te houden met de verscheidenheid van productiesystemen en tegelijkertijd gelijkwaardige voedselveiligheidsnormen te handhaven. Met name moet worden voorzien in alternatieven voor de bemonstering van kiemgroenten in gevallen waar de bemonstering vanuit technisch oogpunt moeilijk is. Het testen van verbruikt irrigatiewater op pathogene bacteriën is als alternatieve strategie voorgesteld, daar dit een goede indicator lijkt te zijn van de soorten micro-organismen in de kiemgroenten zelf. Wegens de onzekerheid over de gevoeligheid van deze strategie is het noodzakelijk dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven die dit alternatief aanwenden, een bemonsteringsschema uitwerken dat bemonsteringsprocedures en bemonsteringspunten van het verbruikte irrigatiewater omvat.

(12)

Van bepaalde STEC-serogroepen (namelijk O157, O26, O103, O111, O145 en O104:H4) wordt erkend dat zij de meeste gevallen van hemolytisch uremisch syndroom (HUS) in de EU veroorzaken. Ook heeft serotype O104:H4 de uitbraak van mei 2011 in de Unie veroorzaakt. Daarom moeten voor deze zes serogroepen microbiologische criteria overwogen worden. Het kan niet worden uitgesloten dat ook andere STEC-serogroepen voor mensen pathogeen kunnen zijn. Dergelijke STEC kunnen namelijk minder ernstige vormen van ziekte, bijvoorbeeld diarree en/of bloederige diarree, of ook HUS veroorzaken; zij vormen derhalve een gevaar voor de gezondheid van de consument.

(13)

Kiemgroenten moeten als kant-en-klare levensmiddelen worden beschouwd, nu zij kunnen worden geconsumeerd zonder dat zij moeten worden gekookt of een andere bewerking moeten ondergaan die pathogene micro-organismen doeltreffend zou elimineren of tot een aanvaardbaar niveau zou verminderen. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die kiemgroenten produceren, moeten daarom voldoen aan de voedselveiligheidscriteria voor kant-en-klare levensmiddelen in de wetgeving van de Unie, door de bemonstering van verwerkingsruimten en uitrusting op te nemen in hun bemonsteringsschema.

(14)

Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (6) beoogt te waarborgen dat adequate en doeltreffende maatregelen worden getroffen voor de detectie en de bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers in alle stadia van productie, verwerking en distributie, teneinde de prevalentie ervan en het risico voor de volksgezondheid te verminderen.

(15)

Verordening (EG) nr. 2160/2003, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1086/2011 van de Commissie (7), bevat gedetailleerde voorschriften voor het salmonellavoedselveiligheidscriterium voor vers pluimveevlees. Als gevolg van de wijzigingen bij Verordening (EG) nr. 2160/2003, is ook Verordening (EG) nr. 2073/2005 gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1086/2011. Door die wijziging zijn echter bepaalde terminologische dubbelzinnigheden aangebracht in de tekst van Verordening (EG) nr. 2073/2005. In het belang van de duidelijkheid en de samenhang van de wetgeving van de Unie moeten die dubbelzinnigheden worden verduidelijkt.

(16)

Verordening (EG) nr. 2073/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 2073/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 2 wordt het volgende punt m) toegevoegd:

„m)

de definitie van „kiemgroenten” in artikel 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr 208/2013 van de Commissie van 11 maart 2013 betreffende de traceerbaarheidsvoorschriften voor kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden (8).

2)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1.

(3)  EFSA Journal 2011; 9(11):2424.

(4)  Zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad.

(5)  Zie bladzijde 16 van dit Publicatieblad.

(6)  PB L 325 van 12.12.2003, blz. 1.

(7)  PB L 281 van 28.10.2011, blz. 7.

(8)  Zie bladzijde 16 van dit Publicatieblad.”.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Hoofdstuk 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

voetnoot 12 wordt geschrapt;

b)

in rij 1.18 wordt de verwijzing naar voetnoot 12 vervangen door een verwijzing naar voetnoot 23;

c)

de volgende rij 1.29 en de bijbehorende voetnoten 22 en 23 worden toegevoegd:

„1.29

Kiemgroenten (2)

Shigatoxineproducerende E. coli (STEC) O157, O26, O111, O103, O145 en O104:H4

5

0

Afwezig in 25 g

CEN/ISO TS 13136 (1)

Producten die in de handel zijn gebracht, voor de duur van de houdbaarheidstermijn

2)

Hoofdstuk 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in afdeling 3.2 wordt het deel betreffende „Bemonsteringsvoorschriften voor pluimveekarkassen en vers pluimveevlees” als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„Slachthuizen bemonsteren gehele pluimveekarkassen met nekvel met het oog op de bepaling van salmonella. Andere snij- en verwerkingsinrichtingen dan die naast een slachthuis die enkel van dat slachthuis ontvangen vlees uitsnijden en verwerken, nemen ook monsters ter bepaling van salmonella. Hierbij geven zij voorrang aan gehele pluimveekarkassen met nekvel, indien beschikbaar, maar er wordt voor gezorgd dat ook stukken pluimvee met huid en/of stukken pluimvee zonder huid of met een geringe hoeveelheid huid worden bemonsterd; die keuze is risicogebaseerd.”;

ii)

de vierde alinea wordt vervangen door:

„Voor de bepaling van salmonella bij ander vers pluimveevlees dan pluimveekarkassen worden vijf monsters van ten minste 25 g van dezelfde partij genomen. Het van stukken pluimvee met huid genomen monster bevat huid en een dun schijfje oppervlaktespier wanneer de hoeveelheid huid niet voldoende is voor een deelmonster. Het van stukken pluimvee zonder huid of met slechts een geringe hoeveelheid huid genomen monster bevat een aan eventueel aanwezige huid toegevoegd schijfje of toegevoegde schijfjes oppervlaktespier zodat een toereikend deelmonster kan worden bereid. De schijfjes vlees moeten zoveel mogelijk vleesoppervlak omvatten.”;

b)

de volgende afdeling 3.3 wordt toegevoegd:

„3.3.   Bemonsteringsvoorschriften voor kiemgroenten

Voor de toepassing van deze afdeling geldt de definitie van partij in artikel 2, onder b), van Verordening (EU) nr 208/2013.

A.   Algemene voorschriften voor bemonstering en testen

1.   Voorbereidende test van de partij zaden

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die kiemgroenten produceren, voeren een voorbereidende test uit op een representatief monster van alle partijen zaden. Een representatief monster omvat ten minste 0,5 % van het gewicht van de partij zaden in deelmonsters van 50 g of wordt geselecteerd op basis van een gestructureerde statistisch gelijkwaardige bemonsteringsstrategie die door de bevoegde autoriteit wordt gecontroleerd.

Voor de uitvoering van de voorbereidende tests moet de exploitant van het levensmiddelenbedrijf de zaden in het representatief monster onder dezelfde voorwaarden doen ontkiemen als de rest van de partij zaden die moeten worden ontkiemd.

2.   Bemonstering en testen van de kiemgroenten en het verbruikte irrigatiewater

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die kiemgroenten produceren, nemen monsters voor microbiologische tests in het stadium waar de kans op het vinden van shigatoxineproducerende E. coli (STEC) en Salmonella spp. het grootst is, in geen geval vóór 48 uur na het begin van het ontkiemingsproces.

Monsters van kiemgroenten worden geanalyseerd volgens de voorschriften in de rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1.

Indien echter een exploitant van een levensmiddelenbedrijf die kiemgroenten produceert, een bemonsteringsschema heeft dat bemonsteringsprocedures en bemonsteringspunten van het verbruikte irrigatiewater omvat, mag hij de bemonstering krachtens het bemonsteringsschema in de rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1 vervangen door de analyse van 5 monsters van 200 ml van het water dat is gebruikt voor de irrigatie van de kiemgroenten.

In dat geval zijn de eisen in de rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1 van toepassing op de analyse van het water dat is gebruikt voor de irrigatie van de kiemgroenten, met de grenswaarde van afwezigheid in 200 ml.

Wanneer een partij zaden voor het eerst wordt getest, mogen exploitanten van levensmiddelenbedrijven kiemgroenten alleen in de handel brengen als de resultaten van de microbiologische analyse voldoen aan de rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1, of aan de grenswaarde van afwezigheid in 200 ml indien zij het verbruikte irrigatiewater analyseren.

3.   Bemonsteringsfrequentie

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die kiemgroenten produceren, nemen ten minste eens per maand monsters voor microbiologische analyse in het stadium waar de kans op het vinden van shigatoxineproducerende E. coli (STEC) en Salmonella spp. het grootst is, in geen geval vóór 48 uur na het begin van het ontkiemingsproces.

B.   Afwijking van de voorbereidende tests van alle partijen zaden in punt A.1 van deze afdeling

Indien het op grond van de volgende omstandigheden gerechtvaardigd is en de bevoegde autoriteiten toestemming verlenen, kunnen exploitanten van levensmiddelenbedrijven die kiemgroenten produceren, worden vrijgesteld van de bemonstering als bedoeld in punt A.1 van deze afdeling:

a)

de bevoegde autoriteit heeft zich ervan vergewist dat de exploitant van het levensmiddelenbedrijf in dat bedrijf een systeem voor de handhaving van de voedselveiligheid hanteert, waaronder eventueel stappen in het productieproces die de microbiologische risico’s verminderen, en

b)

uit historische gegevens blijkt dat gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vóór de verlening van de vergunning alle partijen van de verschillende soorten in het bedrijf geproduceerde kiemgroenten voldoen aan de voedselveiligheidscriteria in de rijen 1.18 en 1.29 van hoofdstuk 1.”.


(1)  Rekening houdend met de meest recente aanpassing door het referentielaboratorium van de Europese Unie voor Escherichia coli, inclusief verocytotoxineproducerende E. coli (VTEC), voor de detectie van STEC O104:H4.

(2)  Met uitzondering van kiemgroenten die een behandeling ter eliminering van Salmonella spp. en STEC hebben ondergaan.”.


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/24


VERORDENING (EU) Nr. 210/2013 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

betreffende de erkenning van inrichtingen die kiemgroenten produceren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (1), en met name artikel 6, lid 3, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 852/2004 stelt algemene voorschriften inzake levensmiddelenhygiëne voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vast, onder meer voor de primaire productie en de daarmee verband houdende bewerkingen. Die verordening bepaalt dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven erop toe moeten zien dat de inrichtingen, na ten minste één bezoek ter plaatse, erkend worden door de bevoegde autoriteit, voor zover erkenning vereist is krachtens de nationale wetgeving, Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2) of een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004 vastgesteld besluit.

(2)

Na de uitbraken van shigatoxineproducerende E.coli in mei 2011 in de Unie, werd de consumptie van kiemgroenten aangewezen als de meest waarschijnlijke bron van de uitbraken.

(3)

Op 20 oktober 2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid („EFSA”) een wetenschappelijk advies goedgekeurd over het risico van shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en gekiemde zaden (3). In haar advies concludeert de EFSA dat de besmetting van droge zaden met bacteriële pathogenen de meest waarschijnlijke initiële bron van de uitbraken in verband met kiemgroenten is. Bovendien stelt het advies dat wegens de hoge vochtigheid en de gunstige temperatuur tijdens het kiemen op droge zaden aanwezige bacteriële pathogenen zich tijdens het kiemen kunnen vermenigvuldigen en tot een risico voor de volksgezondheid kunnen leiden.

(4)

Om te zorgen voor de bescherming van de volksgezondheid in de Unie en met het oog op dat advies van de EFSA zijn Verordening (EU) nr. 209/2013 van de Commissie (4) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (5), Verordening (EU) nr. 211/2013 van de Commissie (6) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie (7) vastgesteld.

(5)

Naast de in die handelingen vastgestelde maatregelen moeten inrichtingen die kiemgroenten produceren, worden erkend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 852/2004. Dergelijke erkenningen, verleend na ten minste één bezoek ter plaatse, moeten ervoor zorgen dat deze inrichtingen aan de desbetreffende hygiënevoorschriften voldoen, waardoor voor een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid wordt gezorgd. Voorwaarde voor de erkenning van die inrichtingen is dat aan een aantal eisen wordt voldaan om ervoor te zorgen dat de mogelijkheid tot besmetting in de voorziening waar de kiemgroenten worden geproduceerd, wordt beperkt.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de uitvoering van deze verordening is de definitie van „kiemgroenten” in artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/20135 van toepassing.

Artikel 2

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgen ervoor dat inrichtingen die kiemgroenten produceren door de bevoegde autoriteit worden erkend overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 852/2004. De bevoegde autoriteit erkent die inrichtingen alleen als zij voldoen aan de eisen van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 852/2004 en de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(3)  EFSA Journal 2011;9(11):2424.

(4)  Zie bladzijde 19 van dit Publicatieblad.

(5)  PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1.

(6)  Zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad.

(7)  Zie bladzijde 16 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

Eisen voor de erkenning van inrichtingen die kiemgroenten produceren

1.

Het ontwerp en de indeling van de inrichtingen moet goede voedselhygiënepraktijken mogelijk maken, waaronder bescherming tegen besmetting tussen en tijdens bewerkingen. Met name moeten oppervlakken (met inbegrip van oppervlakken van apparatuur) in zones waar levensmiddelen worden gehanteerd en oppervlakken die in aanraking komen met levensmiddelen, goed worden onderhouden en gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en, indien nodig, ontsmet.

2.

Er moet worden gezorgd voor adequate voorzieningen voor het schoonmaken, ontsmetten en opslaan van gereedschap en apparatuur. Deze voorzieningen moeten gemakkelijk kunnen worden schoongemaakt en van koud en warm water zijn voorzien.

3.

Indien nodig moet worden gezorgd voor de nodige voorzieningen om de levensmiddelen te kunnen wassen. Elke spoelbak of vergelijkbare inrichting, bestemd voor het wassen van voedsel, moet voorzien zijn van drinkwater en moet schoon worden gehouden en, zo nodig, worden ontsmet.

4.

Alle apparatuur waarmee zaden en kiemen in aanraking komen, moet zodanig worden gebouwd, uit zodanige materialen bestaan en in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat het risico van besmetting wotrdt geminimaliseerd en dat het mogelijk wordt gemaakt dat zij schoon wordt gehouden en zo nodig wordt ontsmet.

5.

Er moeten passende procedures worden opgesteld om ervoor te zorgen dat:

a)

de inrichting die kiemgroenten produceert schoon wordt gehouden en zo nodig wordt ontsmet;

b)

alle apparatuur waarmee zaden en kiemen in aanraking komen, effectief wordt schoongemaakt en zo nodig ontsmet. De reiniging en ontsmetting van dergelijke apparatuur moet plaatsvinden in een frequentie die toereikend is om elk risico van besmetting te vermijden.


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/26


VERORDENING (EU) Nr. 211/2013 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

betreffende de certificeringsvoorschriften voor de invoer in de Unie van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 48, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 882/2004 stelt algemene voorschriften vast voor de uitvoering van officiële controles op de naleving van de voorschriften die in het bijzonder zijn gericht op het voorkomen, wegnemen of tot een aanvaardbaar niveau terugbrengen van risico’s voor mens en dier, hetzij direct, hetzij via het milieu.

(2)

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (2) stelt de algemene beginselen voor levensmiddelen en diervoeders in het algemeen en voor voedsel- en voederveiligheid in het bijzonder op EU- en nationaal niveau vast. Die verordening bepaalt dat levensmiddelen en diervoeders die in de Unie worden ingevoerd om binnen de Unie in de handel te worden gebracht, moeten voldoen aan de relevante voorschriften van de levensmiddelenwetgeving of aan voorwaarden die door de Unie zijn erkend als minstens gelijkwaardig daaraan.

(3)

Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (3) stelt algemene voorschriften voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven inzake de hygiëne van levensmiddelen vast. Die verordening bepaalt dat de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen onder hun controle aan de daarin vastgestelde relevante hygiënevoorschriften wordt voldaan. Verordening (EG) nr. 852/2004 bepaalt met name dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met primaire productie en de in bijlage I daarbij bedoelde, daarmee verband houdende bewerkingen, zich aan de algemene hygiënevoorschriften van deel A van die bijlage moeten houden.

(4)

Na de uitbraken van shigatoxineproducerende E.coli (STEC) in mei 2011 in de Unie, werd de consumptie van gekiemde zaden aangewezen als de meest waarschijnlijke bron van de uitbraken.

(5)

Op 20 oktober 2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een wetenschappelijk advies goedgekeurd over het risico van shigatoxineproducerende Escherichia coli (STEC) en andere pathogene bacteriën in zaden en gekiemde zaden (4). In haar advies concludeert de EFSA dat de besmetting van droge zaden met bacteriële pathogenen de meest waarschijnlijke initiële bron van de uitbraken in verband met kiemgroenten is. Bovendien stelt het advies dat wegens de hoge vochtigheid en de gunstige temperatuur tijdens het kiemen op droge zaden aanwezige bacteriële pathogenen zich tijdens het kiemen kunnen vermenigvuldigen en tot een risico voor de volksgezondheid kunnen leiden.

(6)

Om te zorgen voor de bescherming van de volksgezondheid in de Unie en rekening houdend met dat advies van de EFSA, is Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van de Commissie (5) vastgesteld. Die uitvoeringsverordening stelt voorschriften vast voor de traceerbaarheid van zendingen kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden.

(7)

Om te zorgen voor een passend niveau van bescherming van de volksgezondheid is het dienstig dat in de Unie ingevoerde kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden ook voldoen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 852/2004 en, voor kiemgroenten, aan de traceerbaarheidsvoorschriften van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 en de microbiologische criteria van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie (6). Er moeten daarom passende certificeringsvoorschriften voor dergelijke in de Unie ingevoerde goederen worden vastgesteld.

(8)

De wetgeving van de Unie voorziet thans niet in certificaten voor de invoer in de Unie van kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden. Daarom moet in deze verordening een modelcertificaat voor de invoer van dergelijke goederen in de Unie worden vastgesteld.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Werkingssfeer

Deze verordening is van toepassing op zendingen kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden die in de Unie zijn ingevoerd, met uitzondering van kiemgroenten die een behandeling hebben ondergaan die microbiologische risico's uitschakelt en compatibel is met de wetgeving van de Unie.

Artikel 2

Definities

Voor de uitvoering van deze verordening:

a)

is de definitie van „kiemgroenten” in artikel 2, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013 van toepassing;

b)

wordt onder „zending” verstaan: een hoeveelheid kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden:

i)

die afkomstig is uit hetzelfde derde land;

ii)

waarvoor hetzelfde certficaat geldt;

iii)

die met hetzelfde transportmiddel wordt vervoerd.

Artikel 3

Certificeringsvoorschriften

1.   Zendingen kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden die in de Unie worden ingevoerd en afkomstig zijn of verzonden worden uit derde landen, gaan vergezeld van een certificaat overeenkomstig het in de bijlage vastgestelde model, waaruit blijkt dat de kiemgroenten of zaden zijn geproduceerd onder omstandigheden die voldoen aan de algemene hygiënebepalingen voor primaire productie en daarmee verband houdende bewerkingen, als vastgesteld in deel A van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 852/2004, en de kiemgroenten zijn geproduceerd onder omstandigheden die voldoen aan de traceerbaarheidsvoorschriften van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 208/2013, zijn geproduceerd in inrichtingen die zijn erkend overeenkomstig de voorschriften van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 210/2013 van de Commissie (7) en aan de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2073/2005 vastgestelde microbiologische criteria voldoen.

Het certificaat moet worden opgesteld in de officiële taal of talen van het derde land van verzending en de lidstaat waarin de invoer in de EU plaatsvindt, of vergezeld gaan van een eensluidende vertaling in die taal of talen. Indien de lidstaat van bestemming daarom verzoekt, moeten de certificaten ook vergezeld gaan van een eensluidende vertaling in de officiële taal of talen van die lidstaat. Lidstaten kunnen echter instemmen met het gebruik van een andere officiële taal van de Unie dan hun eigen taal.

2.   De zending gaat vergezeld van het origineel van het certificaat totdat zij de plaats van bestemming bereikt, zoals aangegeven in het certificaat.

3.   Ingeval de zending wordt gesplitst, gaat elk deel van de zending vergezeld van een kopie van het certificaat.

Artikel 4

Overgangsbepaling

Gedurende een overgangsperiode tot en met 1 juli 2013 kunnen zendingen kiemgroenten en voor de productie van kiemgroenten bestemde zaden, afkomstig of verzonden uit derde landen, verder in de Unie worden ingevoerd zonder het in artikel 3 bedoelde certificaat.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(3)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(4)  EFSA Journal 2011; 9(11):2424.

(5)  Zie bladzijde 16 van dit Publicatieblad.

(6)  PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1.

(7)  Zie bladzijde 24 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE

MODELCERTIFICAAT VOOR DE INVOER VAN KIEMGROENTEN OF VOOR DE PRODUCTIE VAN KIEMGROENTEN BESTEMDE ZADEN

Image

Image


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/30


VERORDENING (EU) Nr. 212/2013 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

tot vervanging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft toevoegingen en wijzigingen in verband met de in die bijlage opgenomen producten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verscheidene lidstaten hebben verzocht wijzigingen en toevoegingen aan te brengen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005 in de kolom „Voorbeelden van verwante soorten of andere producten waarvoor dezelfde MRL geldt”.

(2)

Die toevoegingen zijn nodig om in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005 nieuwe vruchten, groenten en granen op te nemen die verkrijgbaar zijn op de markt in de lidstaten.

(3)

Het is daarom dienstig de volgende vruchten, groenten, granen en dierlijke producten toe te voegen: Buddha’s hand, tangor, rode dadel/Chinese dadel/Chinese jujube, taybessen, longan, langsat, salak, crosne, eetbare burdock, andere boluien, andere groene uien, antroewa/witte aubergine, sopropo/bittere meloen, hoekige luffa/teroi, chichinga, lauki, chayote, pompoen (marrow) (late soort), babymais, taugé, alfalfakiemen, paardenbloembladeren, koolrabibladeren, tajerbladeren, bitterblad/bitawiri, malabarnachtschade, bananenbladeren, morgenglorie/Chinese convolvulus/waterconvolvulus/waterspinazie/kangkung, waterklaver, watermimosa, culantro/Mexicaanse koriander/walangan), bladeren van wortelpeterselie, heilige basilicum, zoete basilicum, harige basilicum, citroengras, waternavel, wild betelblad, kerriebladeren, bananenbloem, guarbonen, verse sojabonen, Indiase/wilde rijst, bernagiebladeren en -stelen, acacia pennata, fungus mycelium, slangenkruid/kanariebloem, vingergierst, parelgierst, kanariegraszaad, groene peper, hert en brokhoning.

(4)

Voor de consistentie van de tekst moet wild uit de categorie „Andere landbouwhuisdieren” worden overgeplaatst naar „Andere producten van landdieren” en eetbare bloemen uit de categorie „overige” naar een categorie die een voorbeeld van een gewas geeft.

(5)

Om de regels van de internationale taxonomische nomenclatuur beter toe te passen is een aanpassing nodig van de Latijnse namen voor pistaches, appelen, kersen, aardbeien, dauwbramen, blauwe bessen, kumquats, aardappelen, yams, biet, paprika’s, okra’s, broccoli, sluitkool, Chinese kool, boerenkool, koolrabi, andijvie, rucola, bladeren en spruiten van brassica, snijbiet, witlof, bladselderij, basilicum, palmharten, sorghum, koffiebonen, rozenblaadjes, jasmijn (bloem), lindenbloesem, rooibos (blad), dille, sichuanpeper, kaneel, kurkuma, suikerbiet en bananen.

(6)

Rekening houdend met verzoeken van belanghebbende partijen en handhavingsorganen en gezien de vorm waarin de producten op de markt worden gebracht, moeten enige wijzigingen worden aangebracht wat betreft de delen van de producten waarop de MRL’s van toepassing zijn.

(7)

Daarom moet worden voorzien in dergelijke wijzigingen wat betreft thee, cacaobonen, hop, koolrabi en voor producten van dierlijke oorsprong

(8)

Voor de duidelijkheid moet bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden vervangen.

(9)

Verordening (EG) nr. 396/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 396/2005 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

Producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong zoals bedoeld in artikel 2, lid 1

Codenummer (1)

Groepen waarvoor de MRL’s gelden

Voorbeelden van afzonderlijke producten waarvoor de MRL’s gelden

Wetenschappelijke naam (2)

Voorbeelden van verwante soorten of andere producten waarvoor dezelfde MRL geldt

Delen van de producten waarvoor de MRL’s gelden

0100000

1.

FRUIT, VERS OF BEVROREN; NOTEN

 

 

 

 

0110000

i)

Citrusvruchten

 

 

 

Het hele product

0110010

 

Grapefruits

Citrus paradisi

Shaddock, pomelo, sweetie, tangelo (met uitzondering van mineola), ugli en andere kruisingen

 

0110020

 

Sinaasappelen

Citrus sinensis

Bergamot, bittere sinaasappel, chinotto en andere kruisingen

 

0110030

 

Citroenen

Citrus limon

Citroen, limoen, Buddha’s hand (Citrus medica var. sarcodactylis)

 

0110040

 

Lemmetjes

Citrus aurantifolia

 

 

0110050

 

Mandarijnen

Citrus reticulata

Clementine, tangerine, mineola en andere kruisingen; tangor (Citrus reticulata x sinensis)

 

0110990

 

Overige (3)

 

 

 

0120000

ii)

Noten

 

 

 

Het hele product zonder dop, schil of schaal (behalve voor kastanjes)

0120010

 

Amandelen

Prunus dulcis

 

 

0120020

 

Paranoten

Bertholletia excelsa

 

 

0120030

 

Cashewnoten

Anacardium occidentale

 

 

0120040

 

Kastanjes

Castanea sativa

 

 

0120050

 

Kokosnoten

Cocos nucifera

 

 

0120060

 

Hazelnoten

Corylus avellana

Lambertsnoot

 

0120070

 

Macadamia

Macadamia ternifolia

 

 

0120080

 

Pecannoten

Carya illinoensis

 

 

0120090

 

Pijnboompitten

Pinus pinea

 

 

0120100

 

Pistaches

Pistacia vera

 

 

0120110

 

Walnoten

Juglans regia

 

 

0120990

 

Overige (3)

 

 

 

0130000

iii)

Pitvruchten

 

 

 

Het hele product zonder steeltje

0130010

 

Appelen

Malus domestica

Wilde appel

 

0130020

 

Peren

Pyrus communis

Japanse peer (nashi)

 

0130030

 

Kweeperen

Cydonia oblonga

 

 

0130040

 

Mispels (4)

Mespilus germanica

 

 

0130050

 

Loquats (4)

Eriobotrya japonica

 

 

0130990

 

Overige (3)

 

 

 

0140000

iv)

Steenvruchten

 

 

 

Het hele product zonder steeltje

0140010

 

Abrikozen

Prunus armeniaca

 

 

0140020

 

Kersen

Prunus avium, Prunus cerasus

Zoete kers, zure kers

 

0140030

 

Perziken

Prunus persica

Nectarine en soortgelijke kruisingen

 

0140040

 

Pruimen

Prunus domestica

Damson, reine-claude, mirabelle, sleepruim, rode dadel/Chinese dadel/Chinese jujube (Ziziphus ziziphus)

 

0140990

 

Overige (3)

 

 

 

0150000

v)

Besvruchten en kleinfruit

 

 

 

Het hele product zonder kroontje en steeltje; voor aalbessen de vrucht met steeltje

0151000

a)

Tafel- en wijndruiven

 

 

 

 

0151010

 

Tafeldruiven

Vitis vinifera

 

 

0151020

 

Wijndruiven

Vitis vinifera

 

 

0152000

b)

Aardbeien

 

Fragaria spp.

 

 

0153000

c)

Rubussoorten

 

 

 

 

0153010

 

Bramen

Rubus fruticosus

 

 

0153020

 

Dauwbramen

Rubus caesius

Loganbes, taybes, boysenbes, kruipbraam en andere kruisingen met Rubus

 

0153030

 

Frambozen

Rubus idaeus

Wijnbes, poolbraam/fram-boos, (Rubus arcticus), nectarframboos (Rubus arcticus x Rubus idaeus)

 

0153990

 

Overige (3)

 

 

 

0154000

d)

Ander kleinfruit en besvruchten

 

 

 

 

0154010

 

Blauwe bessen

Vaccinium spp. met uitzondering van V. macrocarpon en V. vitis-ideae

Bosbes

 

0154020

 

Veenbessen

Vaccinium macrocarpon

Vossenbes/rode bosbes, (V. vitis-idaea)

 

0154030

 

Aalbessen (rood, zwart en wit)

Ribes nigrum, Ribes rubrum

 

 

0154040

 

Kruisbessen

Ribes uva-crispa

Inclusief kruisingen met andere Ribes-soorten

 

0154050

 

Rozenbottels

Rosa canina

 

 

0154060

 

Moerbeien (4)

Morus spp.

Aardbeiboomvrucht

 

0154070

 

Azaroles (4) (Middellandse Zeemispels)

Crataegus azarolus

Kiwibes (Actinidia arguta)

 

0154080

 

Vlierbessen (4)

Sambucus nigra

Zwarte appelbes, lijsterbes, duindoorn, meidoorn, peerlijsterbes en andere bessen van bomen

 

0154990

 

Overige (3)

 

 

 

0160000

vi)

Diverse vruchten

 

 

 

Het hele product na verwijdering van het steeltje of (voor ananas) de kroon

0161000

a)

Met eetbare schil

 

 

 

 

0161010

 

Dadels

Phoenix dactylifera

 

 

0161020

 

Vijgen

Ficus carica

 

 

0161030

 

Tafelolijven

Olea europaea

 

 

70161040

 

Kumquats (4)

Fortunella spp.

Marumi-kumquat, nagami-kumquat, limequat (Citrus aurantifolia x Fortunella spp.)

 

0161050

 

Carambola’s (4)

Averrhoa carambola

Bilimbi (blimbing)

 

0161060

 

Kaki’s (4)

Diospyros kaki

 

 

0161070

 

Jambolans (djamblangs) (4)

Syzygium cumini

Djamboe ajer, pommerak, rozenappel, Braziliaanse kers, Surinaamse kers (grumichama Eugenia uniflora)

 

0161990

 

Overige (3)

 

 

 

0162000

b)

Met niet-eetbare schil, klein

 

 

 

 

0162010

 

Kiwi’s

Actinidia deliciosa syn. A. chinensis

 

 

0162020

 

Lychees

Litchi chinensis

Kapulasan, ramboetan, longan, mangosteen, langsat, salak

 

0162030

 

Passievruchten

Passiflora edulis

 

 

0162040

 

Woestijnvijgen (4) (cactusvruchten)

Opuntia ficus-indica

 

 

0162050

 

Sterappelen (4)

Chrysophyllum cainito

 

 

0162060

 

Noord-Amerikaanse persimoenen (4)

Diospyros virginiana

Zwarte zapote, witte zapote, groene zapote, canistel, mamey zapote

 

0162990

 

Overige (3)

 

 

 

0163000

c)

Met niet-eetbare schil, groot

 

 

 

 

0163010

 

Avocado’s

Persea americana

 

 

0163020

 

Bananen

Musa x paradisiaca, M. acuminata

Dwergbanaan, bakbanaan, appelbanaan

 

0163030

 

Mango’s

Mangifera indica

 

 

0163040

 

Papaja’s

Carica papaya

 

 

0163050

 

Granaatappels

Punica granatum

 

 

0163060

 

Cherimoya’s (4)

Annona cherimola

Custardappel, suikerappel/zoetzak, ilama (Annona diversifolia) en andere middelgrote Annonaceae-vruchten

 

0163070

 

Guava’s (4)

Psidium guajava

Rode pitaya/drakenvrucht (Hylocereus undatus)

 

0163080

 

Ananassen

Ananas comosus

 

 

0163090

 

Broodvruchten (4)

Artocarpus altilis

Nangka (jackfruit)

 

0163100

 

Doerians (4)

Durio zibethinus

 

 

0163110

 

Zuurzakken (4) (doerian blanda)

Annona muricata

 

 

0163990

 

Overige (3)

 

 

 

0200000

2.

GROENTEN, VERS OF BEVROREN

 

 

 

 

0210000

i)

Wortel- en knolgewassen

 

 

 

Het hele product na verwijdering van de wortels en eventuele aanhangende aarde

0211000

a)

Aardappelen

 

Solanum tuberosum

 

 

0212000

b)

Tropische wortel- en knolgewassen

 

 

 

 

0212010

 

Cassave

Manihot esculenta

Taro, eddo/eddoe, yautia

 

0212020

 

Bataten (zoete aardappelen)

Ipomoea batatas

 

 

0212030

 

Yams

Dioscorea spp.

Yamboon/jicama, Mexicaanse aardappel

 

0212040

 

Arrowroot (pijlwortel) (4)

Maranta arundinacea

 

 

0212990

 

Overige (3), (4)

 

 

 

0213000

c)

Andere wortel- en knolgewassen, behalve suikerbiet

 

 

 

 

0213010

 

Rode bieten

Beta vulgaris subsp. vulgaris var. conditiva

 

 

0213020

 

Wortels

Daucus carota

 

 

0213030

 

Knolselderij

Apium graveolens var. rapaceum

 

 

0213040

 

Mierikswortel

Armoracia rusticana

Engelwortel, lavaswortel, gentiaanwortel

 

0213050

 

Aardperen (topinamboers)

Helianthus tuberosus

Crosne

 

0213060

 

Pastinaken

Pastinaca sativa

 

 

0213070

 

Wortelpeterselie

Petroselinum crispum

 

 

0213080

 

Radijzen

Raphanus sativus var. sativus

Rammenas, daikon, kleine radijs en dergelijke, tijgernoot (Cyperus esculentus)

 

0213090

 

Schorseneren

Tragopogon porrifolius

Zwarte schorseneer, Spaanse schorseneer/oesterplant, eetbare burdock

 

0213100

 

Koolrapen

Brassica napus var. napobrassica

 

 

0213110

 

Rapen

Brassica rapa

 

 

0213990

 

Overige (3)

 

 

 

0220000

ii)

Bolgewassen

 

 

 

Het hele product na verwijdering van gemakkelijk loslatende schil en eventuele aarde (voor droge producten) dan wel wortels en eventuele aarde (voor verse producten)

0220010

 

Knoflook

Allium sativum

 

 

0220020

 

Uien

Allium cepa

Andere boluien, zilveruitjes

Bollen

0220030

 

Sjalotten

Allium ascalonicum (Allium cepa var. aggregatum)

 

 

0220040

 

Bosuien en welsh uien

Allium cepa; Allium. fistulosum

Andere groene uien en soortgelijke soorten

Bollen met pseudostengels en bladeren

0220990

 

Overige (3)

 

 

 

0230000

iii)

Vruchtgroenten

 

 

 

Het hele product na verwijdering van het steeltje (voor suikermais zonder vliezen en voor physalis (Kaapse kers) zonder kelkbladeren)

0231000

a)

Solanaceae

 

 

 

 

0231010

 

Tomaten

Lycopersicum esculentum

Kerstomaat, Physalis spp., gojibes, wolfsbes (Lycium barbarum en L. chinense), boomtomaat

 

0231020

 

Paprika’s

Capsicum annuum var. grossum en var. longum

Chilipeper

 

0231030

 

Aubergines

Solanum melongena

Pepino, antroewa/witte eierplant (S. macrocarpon)

 

0231040

 

Okra’s, okers

Abelmoschus esculentus

 

 

0231990

 

Overige (3)

 

 

 

0232000

b)

Cucurbitaceae met eetbare schil

 

 

 

 

0232010

 

Komkommers

Cucumis sativus

 

 

0232020

 

Augurken

Cucumis sativus

 

 

0232030

 

Courgettes

Cucurbita pepo var. melopepo

Zomerpompoen, marrow (patisson), lauki (Lagenaria siceraria), chayote, sopropo/bittere meloen, chichinga, hoekige luffa/(teroi)

 

0232990

 

Overige (3)

 

 

 

0233000

c)

Cucurbitaceae met niet-eetbare schil

 

 

 

 

0233010

 

Meloenen

Cucumis melo

Kiwano

 

0233020

 

Pompoenen

Cucurbita maxima

Winterpompoen, marrow (late soort)

 

0233030

 

Watermeloenen

Citrullus lanatus

 

 

0233990

 

Overige (3)

 

 

 

0234000

d)

Suikermais

 

Zea mays var. sacharata

Babymais

Korrels en kolf zonder vliezen

0239000

e)

Andere vrucht-groenten

 

 

 

 

0240000

iv)

Koolsoorten

 

 

 

 

0241000

a)

Bloemkoolachtigen

 

 

 

Uitsluitend inflorescenties

0241010

 

Broccoli

Brassica oleracea var. italica

Chinese broccoli, choisum

 

0241020

 

Bloemkool

Brassica oleracea var. botrytis

 

 

0241990

 

Overige (3)

 

 

 

0242000

b)

Sluitkoolachtigen

 

 

 

De hele plant na verwijdering van de wortels en eventuele rotte bladeren

0242010

 

Spruitjes

Brassica oleracea var. gemmifera

 

Alleen de kooltjes

0242020

 

Sluitkool

Brassica oleracea convar. capitata

Spitskool, rode kool, savooiekool, wittekool

 

0242990

 

Overige (3)

 

 

 

0243000

c)

Bladkoolachtigen

 

 

 

De hele plant na verwijdering van de wortels en eventuele rotte bladeren

0243010

 

Spitskool

Brassica rapa var. pekinensis

Mosterdkool, paksoi, tatsoi, choi sum, petsai

 

0243020

 

Boerenkool

Brassica oleracea convar. acephala

Krulkool, Portugese boerenkool, Portugese kool, bladkool

 

0243990

 

Overige (3)

 

 

 

0244000

d)

Koolrabi

 

Brassica oleracea var. Gongylodes

 

Het hele product na verwijdering van de wortels, het loof en eventuele aanhangende aarde

0250000

v)

Bladgroenten en verse kruiden

 

 

 

Het hele product na verwijdering van de wortels en eventuele rotte buitenbladeren en aarde

0251000

a)

Slasoorten, met inbegrip van Brassicaceae

 

 

 

 

0251010

 

Veldsla

Valerianella locusta

Italiaanse veldsla

 

0251020

 

Sla

Lactuca sativa

Kropsla, lollo rosso, ijsbergsla, Romaanse sla (bindsla)

 

0251030

 

Andijvie

Cichorium endivia var. Latifolium

Wilde cichorei, rode sla (radicchio), krulandijvie, groenlof (C. endivia var. crispum/C. intybus var. foliosum), paardenbloembladeren

 

0251040

 

Tuinkers (4)

Lepidium sativum

Taugé, alfalfakiemen

 

0251050

 

Winterkers (4)

Barbarea verna

 

 

0251060

 

Raketsla, rucola (4)

Eruca sativa

Grote zandkool (Diplotaxis spp.)

 

0251070

 

Rode amsoi (4)

Brassica juncea var. rugosa

 

 

0251080

 

Bladeren en spruiten van Brassica spp. (4), inclusief raapstelen

Brassica spp.

Mizuna, bladeren van erwten en radijzen en andere babyleafkoolgewassen (gewassen die tot het achtbladstadium worden geoogst), koolrabibladeren (5),

 

0251990

 

Overige (3)

 

 

 

0252000

b)

Spinazie en dergelijke (bladgroente)

 

 

 

 

0252010

 

Spinazie

Spinacia oleracea

Nieuw-Zeelandse spinazie, Chinese spinazie (amarant, pak-khom, tampara), tajerbladeren, bitterblad/bitawiri

 

0252020

 

Postelein (4)

Portulaca oleracea

Winterpostelein/zomerpostelein, zuring, zeekraal, monniksbaard, agretti (Salsola sodai)

 

0252030

 

Snijbiet

Beta vulgaris subsp. vulgaris var.cicla en B. vulgaris subsp. vulgaris var. flavescens

Bladeren van de biet

 

0252990

 

Overige (3)

 

 

 

0253000

c)

Wijnstok-bladeren (druiven-bladeren) (4)

 

Vitis vinifera

Malabarnachtschade, bananenbladeren, Acacia pennata

 

0254000

d)

Waterkers

 

Nasturtium officinale

Morgenglorie, Chinese convolvulus/waterconvolvulus/waterspinazie/kangkung (Ipomea aquatica), waterklaver, watermimosa

 

0255000

e)

Witlof

 

Cichorium intybus var. foliosum

 

 

0256000

f)

Kruiden

 

 

 

 

0256010

 

Kervel

Anthriscus cerefolium

 

 

0256020

 

Bieslook

Allium schoenoprasum

 

 

0256030

 

Bladselderij

Apium graveolens var. secalinum

Venkelblad, korianderblad, dilleblad, karwijblad, lavas, engelwortel, roomse kervel en andere Apiacea-bladeren, culantro/Mexicaanse koriander/walangan (Eryngium foetidum)

 

0256040

 

Peterselie

Petroselinum crispum

Bladeren van wortelpeterselie

 

0256050

 

Salie (4)

Salvia officinalis

Winterbonenkruid, bonenkruid, Borago officinalis (blad)

 

0256060

 

Rosemarijn (4)

Rosmarinus officinalis

 

 

0256070

 

Thijm (4)

Thymus spp.

Marjolein, oregano

 

0256080

 

Basilicum (4)

Ocimum spp.

Citroenmelisse, munt, pepermunt, heilige basilicum, zoete basilicum, harige basilicum, eetbare bloemen goudsbloem en andere), waternavel, wild betelblad, kerriebladeren

 

0256090

 

Laurierblad (4)

Laurus nobilis

Citroengras

 

0256100

 

Dragon (4)

Artemisia dracunculus

Hysop

 

0256990

 

Overige (3)

 

 

 

0260000

vi)

Peulgroenten (vers)

 

 

 

Het hele product

0260010

 

Bonen (met peul)

Phaseolus vulgaris

Sperzieboon/prinsessenboon/slaboon, pronkboon, snijboon, kousenband, guarboon, sojaboon

 

0260020

 

Bonen (zonder peul)

Phaseolus vulgaris

Tuinboon, flageolet, zwaardboon, limaboon, zwartogenboon

 

0260030

 

Erwten (met peul)

Pisum sativum

Peultjes/suikererwt

 

0260040

 

Erwten (zonder peul)

Pisum sativum

Doperwt, groene erwt, kekererwt

 

0260050

 

Linzen (4)

Lens culinaris syn. L. esculenta

 

 

0260990

 

Overige (3)

 

 

 

0270000

vii)

Stengelgroenten (vers)

 

 

 

Het hele product na verwijdering van eventuele rotte bladeren, aarde en wortels

0270010

 

Asperges

Asparagus officinalis

 

 

0270020

 

Kardoen

Cynara cardunculus

Borago officinalis steeltjes

 

0270030

 

Bleekselderij

Apium graveolens var. dulce

 

 

0270040

 

Knolvenkel

Foeniculum vulgare

 

 

0270050

 

Artisjokken

Cynara scolymus

Bananenbloem

Het hele bloemhoofd, inclusief de bloembodem

0270060

 

Prei

Allium porrum

 

 

0270070

 

Rabarber

Rheum x hybridum

 

Stengels na verwijdering van wortels en bladeren

0270080

 

Bamboescheuten (4)

Bambusa vulgaris

 

 

0270090

 

Palmharten (4)

Euterpa oleracea, Cocos nucifera, Bactris gasipaes, Daemonorops jenkinsiana

 

 

0270990

 

Overige (4)

 

 

 

0280000

viii)

Fungi

 

 

 

Het hele product na verwijdering van eventuele aarde of teeltmateriaal

0280010

 

Gekweekte fungi

 

Champignon (4), oesterzwam, shii-take (4), fungus mycelium (vegetatieve delen)

 

0280020

 

Wilde fungi (4)

 

Cantharel, truffel, morielje, eekhoorntjesbrood

 

0280990

 

Overige (3)

 

 

 

0290000

ix)

Zeewier  (4)

 

 

 

Het hele product na verwijdering van rotte bladeren

0300000

3.

PEULVRUCHTEN, GEDROOGD

 

 

 

Droge zaden

0300010

 

Bonen

Phaseolus vulgaris

Tuinboon, witte boon, flageolet, zwaardboon, limaboon, veldboon, zwartogenboon

 

0300020

 

Linzen

Lens culinaris syn. L. esculenta

 

 

0300030

 

Erwten

Pisum sativum

Kekererwt, landbouwerwt, lathyrus

 

0300040

 

Lupinen (4)

Lupinus spp.

 

 

0300990

 

Overige (3)

 

 

 

0400000

4.

OLIEHOUDENDE ZADEN EN VRUCHTEN

 

 

 

Het hele product na verwijdering van dop, pit en huid, indien mogelijk

0401000

i)

Oliehoudende zaden

 

 

 

 

0401010

 

Lijnzaad

Linum usitatissimum

 

 

0401020

 

Pinda’s

Arachis hypogaea

 

 

0401030

 

Papaverzaad

Papaver somniferum

 

 

0401040

 

Sesamzaad

Sesamum indicum syn. S. orientale

 

 

0401050

 

Zonnebloemzaad

Helianthus annuus

 

 

0401060

 

Koolzaad

Brassica napus

Voederkoolzaad, raapzaad

 

0401070

 

Sojabonen

Glycine max

 

 

0401080

 

Mosterdzaad

Brassica nigra

 

 

0401090

 

Katoenzaad

Gossypium spp.

 

Niet gescheiden van lint

0401100

 

Pompoenzaad (4)

Cucurbita pepo var. oleifera

Andere zaden van Cucurbitaceae

 

0401110

 

Saffloer (4)

Carthamus tinctorius

 

 

0401120

 

Bernagie (4)

Borago officinalis

Slangenkruid/kanariebloem (Echium plantagineum) ruw parelzaad (Buglossoides arvensis)

 

0401130

 

Huttentut (4)

Camelina sativa

 

 

0401140

 

Hennepzaad (4)

Cannabis sativa

 

 

0401150

 

Wonderboom

Ricinus communis

 

 

0401990

 

Overige (3)

 

 

 

0402000

ii)

Oliehoudende vruchten

 

 

 

 

0402010

 

Olijven voor oliewinning (4)

Olea europaea

 

Het hele product zonder steeltje en na verwijdering van eventuele aarde

0402020

 

Palmnoten (palmpitten) (4)

Elaeis guineensis

 

 

0402030

 

Palmvruchten (4)

Elaeis guineensis

 

 

0402040

 

Kapok (4)

Ceiba pentandra

 

 

0402990

 

Overige (3)

 

 

 

0500000

5.

GRANEN

 

 

 

Hele korrels

0500010

 

Gerst

Hordeum spp.

 

 

0500020

 

Boekweit

Fagopyrum esculentum

Amarant, quinoa

 

0500030

 

Mais

Zea mays

 

 

0500040

 

Gierst (4)

Panicum spp.

Trosgierst, teff, vingergierst, parelgierst

 

0500050

 

Haver

Avena sativa

 

 

0500060

 

Rijst

Oryza sativa

Indiase/wilde rijst (Zizania aquatica)

 

0500070

 

Rogge

Secale cereale

 

 

0500080

 

Sorghum (4)

Sorghum spp.

 

 

0500090

 

Tarwe

Triticum aestivum, T. durum

Spelt, triticale

 

0500990

 

Overige (3)

 

Kanariegraszaad (Phalaris canariensis)

 

0600000

6.

THEE, KOFFIE, KRUIDENTHEE EN CACAO

 

 

 

 

0610000

i)

Thee

Thee

Camellia sinensis

 

Gedroogde bladeren, stengels en bloemen van Camellia sinensis, gefermenteerd of anders behandeld

0620000

ii)

Koffiebonen  (4)

 

Coffea arabica, Coffea canephora, Coffea. liberica

 

Groene bonen

0630000

iii)

Kruidenthee  (4), (6) (gedroogd)

 

 

 

 

0631000

a)

Bloemen

 

 

 

De hele bloem na verwijdering van de stengels en eventuele rotte bladeren

0631010

 

Kamille (bloem)

Matricaria recutita, Chamaemelum nobile

 

 

0631020

 

Hibiscus (bloem)

Hibiscus sabdariffa

 

 

0631030

 

Rozenblaadjes

Rosa spp.

 

 

0631040

 

Jasmijn (bloem)

Jasminum officinale

Vlierbloesem (Sambucus nigra)

 

0631050

 

Lindebloesem

Tilia cordata

 

 

0631990

 

Overige (3)

 

 

 

0632000

b)

Bladeren

 

 

 

Het hele product na verwijdering van de wortels en eventuele rotte bladeren

0632010

 

Aardbei (blad)

Fragaria spp.

 

 

0632020

 

Rooibos (blad)

Aspalathus spp.

Ginkgo (blad)

 

0632030

 

Maté

Ilex paraguariensis

 

 

0632990

 

Overige (3)

 

 

 

0633000

c)

Wortels

 

 

 

Het hele product na verwijdering van de wortels en aanhangende aarde

0633010

 

Valeriaanwortel

Valeriana officinalis.

 

 

0633020

 

Ginsengwortel

Panax ginseng

 

 

0633990

 

Overige (3)

 

 

 

0639000

d)

Andere kruidenthee

 

 

 

 

0640000

iv)

Cacaobonen  (4) (gefermenteerd of gedroogd)

 

Theobroma cacao

 

Groene bonen

0650000

v)

Carob  (4) (johannesbrood)

 

Ceratonia siliqua

 

Het hele product na verwijdering van het steeltje of de kroon

0700000

7.

HOP (gedroogd)

 

Humulus lupulus

 

Hopbellen (gedroogd), inclusief hoppellets en niet-geconcentreerd poeder

0800000

8.

SPECERIJEN  (4)

 

 

 

Het hele product, droog

0810000

i)

Zaden

 

 

 

 

0810010

 

Anijs

Pimpinella anisum

 

 

0810020

 

Zwarte komijn

Nigella sativa

 

 

0810030

 

Selderijzaad

Apium graveolens

Lavaszaad

 

0810040

 

Korianderzaad

Coriandrum sativum

 

 

0810050

 

Komijnzaad

Cuminum cyminum

 

 

0810060

 

Dillezaad

Anethum graveolens

 

 

0810070

 

Venkelzaad

Foeniculum vulgare

 

 

0810080

 

Fenegriek

Trigonella foenum- graecum

 

 

0810090

 

Nootmuskaat

Myristica fragans

 

 

0810990

 

Overige (3)

 

 

 

0820000

ii)

Vruchten en bessen

 

 

 

 

0820010

 

Piment

Pimenta dioica

 

 

0820020

 

Anijspeper (Japanse peper)

Zanthooxylum piperitum

 

 

0820030

 

Karwij

Carum carvi

 

 

0820040

 

Kardemom

Elettaria cardamomum

 

 

0820050

 

Jeneverbessen

Juniperus communis

 

 

0820060

 

Peper, zwart, groen en wit

Piper nigrum

Lange peper, roze peper

 

0820070

 

Vanillestokjes

Vanilla fragrans syn. Vanilla planifolia

 

 

0820080

 

Tamarinde

Tamarindus indica

 

 

0820990

 

Overige (3)

 

 

 

0830000

iii)

Bast

 

 

 

 

0830010

 

Kaneel

Cinnamonum spp.

Cassia

 

0830990

 

Overige (3)

 

 

 

0840000

iv)

Wortels en wortelstokken

 

 

 

 

0840010

 

Zoethout

Glycyrrhiza glabra

 

 

0840020

 

Gember

Zingiber officinale

 

 

0840030

 

Geelwortel

Curcuma spp.

 

 

0840040

 

Mierikswortel

Armoracia rusticana

 

 

0840990

 

Overige (3)

 

 

 

0850000

v)

Knoppen

 

 

 

 

0850010

 

Kruidnagels

Syzygium aromaticum

 

 

0850020

 

Kappertjes

Capparis spinosa

 

 

0850990

 

Overige (3)

 

 

 

0860000

vi)

Stempels

 

 

 

 

0860010

 

Saffraan

Crocus sativus

 

 

0860990

 

Overige (3)

 

 

 

0870000

vii)

Zaadrokken

 

 

 

 

0870010

 

Foelie

Myristica fragrans

 

 

0870990

 

Overige (3)

 

 

 

0900000

9.

SUIKERGEWASSEN  (4)

 

 

 

 

0900010

 

Suikerbiet

Beta vulgaris subsp. vulgaris var. altissima

 

Het hele product na verwijdering van de wortels en aanhangende aarde

0900020

 

Suikerriet

Saccharum officinarum

 

Het hele product na verwijdering van eventuele rotte bladeren, aarde en wortels

0900030

 

Wortelcichorei (4)

Cichorium intybus

 

Het hele product na verwijdering van de wortels en aanhangende aarde

0900990

 

Overige (3)

 

 

 

1000000

10.

PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG — LANDDIEREN

 

 

 

 

1010000

i)

Weefsel

 

 

 

Het hele product

1011000

a)

Varkens

 

Sus scrofa

 

 

1011010

 

Spier

 

 

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1011020

 

Vet

 

 

 

1011030

 

Lever

 

 

 

1011040

 

Nier

 

 

 

1011050

 

Eetbare slachtafvallen

 

 

 

1011990

 

Overige (3)

 

 

 

1012000

b)

Runderen

 

Bos spp.

 

 

1012010

 

Spier

 

 

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1012020

 

Vet

 

 

 

1012030

 

Lever

 

 

 

1012040

 

Nier

 

 

 

1012050

 

Eetbare slachtafvallen

 

 

 

1012990

 

Overige (3)

 

 

 

1013000

c)

Schapen

 

Ovis aries

 

 

1013010

 

Spier

 

 

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1013020

 

Vet

 

 

 

1013030

 

Lever

 

 

 

1013040

 

Nier

 

 

 

1013050

 

Eetbare slachtafvallen

 

 

 

1013990

 

Overige (3)

 

 

 

1014000

d)

Geiten

 

Capra hircus

 

 

1014010

 

Spier

 

 

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1014020

 

Vet

 

 

 

1014030

 

Lever

 

 

 

1014040

 

Nier

 

 

 

1014050

 

Eetbare slachtafvallen

 

 

 

1014990

 

Overige (3)

 

 

 

1015000

e)

Paarden, ezels, muildieren en muilezels

 

Equus spp.

 

 

1015010

 

Spier

 

 

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1015020

 

Vet

 

 

 

1015030

 

Lever

 

 

 

1015040

 

Nier

 

 

 

1015050

 

Eetbare slachtafvallen

 

 

 

1015990

 

Overige (3)

 

 

 

1016000

f)

Pluimvee — kippen, ganzen, eenden, kalkoenen, parelhoenders, struisvogels, duiven

 

Gallus gallus, Anser anser, Anas platyrhynchos, Meleagris gallopavo, Numida meleagris, Coturnix coturnix, Struthio camelus, Columba spp.

 

 

1016010

 

Spier

 

 

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1016020

 

Vet

 

 

 

1016030

 

Lever

 

 

 

1016040

 

Nier

 

 

 

1016050

 

Eetbare slachtafvallen

 

 

 

1016990

 

Overige (3)

 

 

 

1017000

g)

Andere landbouwhuisdieren

 

 

Konijn, kangoeroe, hert

 

1017010

 

Spier

 

 

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1017020

 

Vet

 

 

 

1017030

 

Lever

 

 

 

1017040

 

Nier

 

 

 

1017050

 

Eetbare slachtafvallen

 

 

 

1017990

 

Overige (3)

 

 

 

1020000

ii)

Melk

 

 

 

Hele product gebaseerd op een vetgehalte van 4 gewichtspercenten (7)

1020010

 

Runderen

 

 

 

1020020

 

Schapen

 

 

 

1020030

 

Geiten

 

 

 

1020040

 

Paarden

 

 

 

1020990

 

Overige (3)

 

 

 

1030000

iii)

Vogeleieren

 

 

 

Het hele product na verwijdering van de schelp (8)

1030010

 

Kippen

 

 

 

1030020

 

Eenden

 

 

 

1030030

 

Ganzen

 

 

 

1030040

 

Kwartels

 

 

 

1030990

 

Overige (3)

 

 

 

1040000

iv)

Honing

 

Apis mellifera, Melipona spp.

Koninginnengelei, pollen, honingraat met honing (brokhoning)

Het hele product

1050000

v)

Amfibieën en reptielen

 

Rana spp. Crocodilia spp.

Kikkerbilletjes, krokodillen

 

1060000

vi)

Slakken

 

Helix spp.

 

Het hele product na verwijdering van de schelp

1070000

vii)

Andere producten van landdieren

 

 

Wild

Vlees na verwijdering van afsnijdbaar vet

1100000

11.

VIS, VISPRODUCTEN, SCHAAL- EN SCHELPDIEREN EN ANDERE PRODUCTEN VAN ZOUT- EN ZOETWATER-DIEREN  (9)

 

 

 

 

1200000

12.

UITSLUITEND VOOR DIERVOEDER GEBRUIKTE GEWASSEN OF DELEN VAN GEWASSEN  (9)

 

 

 

 


(1)  De codenummers worden bij deze bijlage ingevoerd en vormen een indeling ten behoeve van deze bijlage en andere hiermee verband houdende bijlagen bij Verordening (EG) nr. 396/2005.

(2)  In deze kolom is, waar mogelijk en relevant, de wetenschappelijke naam vermeld van de producten in de kolom „Voorbeelden van afzonderlijke producten waarvoor de MRL’s gelden”. Hierbij is zo veel mogelijk gebruikgemaakt van de Internationale nomenclatuur voor gecultiveerde planten.

(3)  Het woord „Overige” omvat alle producten die niet uitdrukkelijk worden genoemd onder de andere codes van de desbetreffende groep waarvoor de MRL’s gelden.

(4)  De MRL’s in de bijlagen II en III voor het product zijn niet van toepassing op producten of delen van het product die uitsluitend worden gebruikt als ingrediënten voor diervoeding, totdat afzonderlijke MRL’s van toepassing zijn.

(5)  Vanaf 1 januari 2017 zijn de MRL’s ook van toepassing op koolrabibladeren.

(6)  Zolang niet gespecificeerd in andere productgroepen.

(7)  In alle gevallen worden de MRL-waarden uitgedrukt als mg/kg rauwe melk.

Wanneer de residudefinitie wordt gemarkeerd als oplosbaar vet (door de letter F) is de MRL gebaseerd op rauwe koemelk met een vetgehalte van 4 gewichtspercenten. Voor rauwe melk van andere soorten moet de MRL-waarde proportioneel worden aangepast overeenkomstig het vetgehalte van de rauwe melk van die soort.

(8)  In alle gevallen worden de MRL-waarden uitgedrukt als mg/kg eieren.

Wanneer de residudefinitie wordt gemarkeerd als oplosbaar vet (door de letter F) is de MRL gebaseerd op kippeneieren met een vetgehalte van 10 gewichtspercenten. Voor eieren van andere soorten moet de MRL-waarde proportioneel worden aangepast overeenkomstig het vetgehalte van de eieren van die soort, als het vetgehalte hoger is dan 10 gewichtspercenten.

(9)  De MRL’s gelden pas als de afzonderlijke producten vastgesteld en in de lijst opgenomen zijn.”


12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/53


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 213/2013 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

120,3

MA

74,5

TN

96,9

TR

111,0

ZZ

100,7

0707 00 05

EG

191,6

MA

170,1

TR

167,5

ZZ

176,4

0709 93 10

MA

53,0

TR

149,2

ZZ

101,1

0805 10 20

EG

54,2

IL

73,3

MA

92,7

TN

59,6

TR

73,8

ZZ

70,7

0805 50 10

TR

76,2

ZZ

76,2

0808 10 80

AR

116,3

BR

93,6

CL

118,1

CN

76,1

MK

28,7

US

163,9

ZZ

99,5

0808 30 90

AR

126,6

CL

125,1

TR

167,1

US

191,0

ZA

115,4

ZZ

145,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/55


RICHTLIJN 2013/9/EU VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2013

tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (1), en met name artikel 30, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Maatregelen die tot doel hebben niet-essentiële elementen van Richtlijn 2008/57/EG te wijzigen en die betrekking hebben op de aanpassing van de bijlagen II tot en met IX bij die richtlijn, worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 29, lid 4, van Richtlijn 2008/57/EG bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(2)

Toegankelijkheid is één van de algemene beginselen die genoemd worden in artikel 3 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (2), waarbij de Europese Unie partij is; in artikel 9 is bepaald dat de staten die partij zijn bij dit verdrag passende maatregelen dienen te nemen om personen met een handicap op voet van gelijkheid te behandelen met anderen. Onder meer in de vervoerssector moeten maatregelen worden genomen om de belemmeringen voor de toegankelijkheid in kaart te brengen en weg te werken. Overeenkomstig artikel 216, lid 2, VWEU zijn door de Unie gesloten overeenkomsten verbindend voor de instellingen van de Unie en haar lidstaten; als instrument van afgeleide EU-wetgeving valt Richtlijn 2008/57/EG onder de verplichtingen van dat Verdrag.

(3)

In overweging 10 van Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en plichten van reizigers in het treinverkeer (3) is bepaald dat gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit hetzelfde recht als alle andere burgers op vrij verkeer, keuzevrijheid en non-discriminatie hebben en mogelijkheden moeten krijgen om gebruik te maken van het reizen per spoor die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers. Op grond van artikel 21 van de verordening dienen spoorwegondernemingen en stationsbeheerders er via de naleving van de TSI voor personen met beperkte mobiliteit voor te zorgen dat de toegankelijkheid van stations, perrons, rollend materieel en andere voorzieningen voor gehandicapte personen en personen met beperkte mobiliteit wordt gewaarborgd.

(4)

Bijlage III van Richtlijn 2008/57/EG moet worden aangepast om in die bijlage een expliciete verwijzing naar toegankelijkheid op te nemen. Toegankelijkheid is een essentiële eis die tegelijk een algemene eis is voor de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem en die specifiek van toepassing is op de subsystemen infrastructuur, rollend materieel, exploitatie en telematicatoepassingen voor passagiers. Bijlage III bij Richtlijn 2008/57/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, doen geen afbreuk aan het in Richtlijn 2008/57/EG vastgestelde principe van de gefaseerde uitvoering, met name dat de in de TSI aangegeven beoogde subsystemen geleidelijk binnen een redelijke termijn mogen worden bereikt en dat in elke TSI een uitvoeringsstrategie moet worden vastgesteld voor de geleidelijke overgang van de bestaande situatie naar de uiteindelijke situatie waarin conformiteit met de TSI als norm geldt.

(6)

De maatregelen waarin deze richtlijn voorziet, stroken met het streven naar toegankelijkheid op voet van gelijkheid dankzij technische oplossingen of operationele maatregelen, of een combinatie van beide.

(7)

De bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2008/57/EG opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Richtlijn 2008/57/EG, waarin de algemene eisen zijn vastgesteld, wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan deel 1 worden de volgende alinea’s toegevoegd:

„1.6   Toegankelijkheid

1.6.1

De subsystemen „infrastructuur” en „rollend materieel” moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit teneinde de toegang op voet van gelijkheid met anderen te waarborgen door te voorkomen dat belemmeringen ontstaan of door deze weg te werken en door het nemen van passende maatregelen. Deze eis omvat het ontwerp, de bouw, de vernieuwing, de verbetering en het onderhoud en de exploitatie van de relevante voor het publiek toegankelijke delen van het subsysteem.

1.6.2

De subsystemen „exploitatie” en „telematicatoepassingen ten dienste van de reizigers” moeten de nodige functionaliteiten bieden om de toegang voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit op voet van gelijkheid met anderen te vergemakkelijken door te voorkomen dat belemmeringen ontstaan of door deze weg te werken en door middel van andere passende maatregelen.”.

2)

Aan deel 2, punt 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„2.1.2.   Toegankelijkheid

2.1.2.1

Subsystemen infrastructuur die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten overeenkomstig punt 1.6 toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.”.

3)

Aan deel 2, punt 4, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„2.4.5.   Toegankelijkheid

2.4.5.1

Subsystemen rollend materieel die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten overeenkomstig punt 1.6 toegankelijk zijn voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit.”.

4)

Aan deel 2, punt 6, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„2.6.4.   Toegankelijkheid

2.6.4.1

Passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de toegankelijkheid van personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit in de exploitatievoorschriften wordt gewaarborgd.”.

5)

Aan deel 2, punt 7, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„2.7.5.   Toegankelijkheid

2.7.5.1

Passende maatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat subsystemen telematicatoepassingen ten dienste van de reizigers de nodige functionaliteiten bieden om de toegang voor personen met een handicap en personen met beperkte mobiliteit te garanderen.”.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 2014 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.   De verplichting tot omzetting en uitvoering van deze richtlijn is niet van toepassing op Cyprus en Malta zolang deze landen op hun respectieve grondgebied niet over een spoorwegnet beschikken.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1.

(2)  Besluit 2010/48/EG van de Raad van 26 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (PB L 23 van 27.1.2010, blz. 35).

(3)  PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14.


BESLUITEN

12.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 68/57


BESLUIT 2013/124/GBVB VAN DE RAAD

van 11 maart 2013

tot wijziging van Besluit 2011/235/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 12 april 2011 Besluit 2011/235/GBVB vastgesteld (1).

(2)

Op basis van een toetsing van Besluit 2011/235/GBVB moeten de beperkende maatregelen tot en met 13 april 2014 worden verlengd.

(3)

Voorts moeten, gelet op de ernst van de mensenrechtensituatie in Iran, personen en een entiteit worden toegevoegd aan de in de bijlage bij Besluit 2011/235/GBVB vervatte lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen.

(4)

Besluit 2011/235/GBVB dient daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 6, lid 2, van Besluit 2011/235/GBVB wordt vervangen door:

„2.   Dit besluit is van toepassing tot en met 13 april 2014. Het wordt voortdurend geëvalueerd. Het wordt zo nodig verlengd, of gewijzigd, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn verwezenlijkt.”.

Artikel 2

De in de bijlage bij dit besluit genoemde personen en entiteit worden toegevoegd aan de lijst in de bijlage bij Besluit 2011/235/GBVB.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt bekendgemaakt.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  PB L 100 van 14.4.2011, blz. 51.


BIJLAGE

Lijst van de in artikel 2 bedoelde personen en entiteit

Personen

 

Naam

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

1.

RASHIDI AGHDAM, Ali Ashraf

 

Hoofd van de gevangenis van Evin, aangesteld rond juni/juli 2012. Sinds zijn aanstelling zijn de omstandigheden in de gevangenis erop achteruitgegaan en zijn er meldingen over een toename van het aantal gevallen van mishandeling van gevangenen. In oktober 2012 zijn 9 vrouwelijke gevangenen in hongerstaking gegaan uit protest tegen de schending van hun rechten en het gewelddadige optreden van de gevangenisbewakers.

12.3.2013

2.

KIASATI Morteza

 

Rechter bij afdeling 4 van de revolutionaire rechtbank van Ahwaz; heeft vier Arabische politieke gevangenen - Taha Heidarian, Abbas Heidarian, Abd al-Rahman Heidarian (drie broers) en Ali Sharifi - ter dood veroordeeld.

De betrokkenen zijn gearresteerd, gemarteld en opgehangen zonder eerlijk proces. Deze gevallen, en het ontbreken van een eerlijk proces, staan vermeld in een verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in Iran van 13.9.2012, in het verslag over Iran van de secretaris-generaal van de VN van 22.8.2012, en zijn ook gemeld door verscheidene ngo's.

12.3.2013

3.

MOUSSAVI, Seyed Mohammad Bagher

 

Rechter bij afdeling 2 van de revolutionaire rechtbank van Ahwaz; heeft 5 Ahwazi-Arabieren - Mohammad Ali Amouri, Hashem Sha'bani Amouri, Hadi Rashedi, Sayed Jaber Alboshoka en Sayed Mokhtar Alboshoka - op 17.3.2012 ter dood veroordeeld wegens "activiteiten die indruisen tegen de nationale veiligheid" en "vijandigheid jegens God".

De vonnissen zijn op 9.1.2013 bekrachtigd door het Hooggerechtshof van Iran. Volgens meldingen van een aantal ngo's zijn de vijf meer dan een jaar geleden gearresteerd, en zijn zij gemarteld en zonder eerlijk proces veroordeeld.

12.3.2013

4.

SARAFRAZ, Mohammad (Dr.)

(ook bekend als: Haj-agha Sarafraz)

Geboortedatum: circa 1963

Geboorteplaats: Teheran

Verblijfplaats: Teheran

Arbeidsplaats: IRIB en hoofdzetel Press TV, Teheran

Hoofd van IRIB World Service en van Press TV, verantwoordelijk voor het programmeringsbeleid. Onderhoudt nauwe banden met het staatsveiligheidsapparaat. Het is op zijn last dat Press TV, samen met IRIB, samenwerkt met de Iraanse veiligheidsdiensten en het OM en dat het gedwongen bekentenissen van gevangenen, onder meer van de Iraans-Canadese journalist en filmmaker Maziar Bahari, uitzendt in het wekelijkse programma "Iran Today". De onafhankelijke omroepregulator OFCOM heeft Press TV in het VK veroordeeld tot een geldboete van 100.000 GBP wegens het uitzenden van de bekentenis onder dwang van Bahari in 2011, die in de gevangenis is gefilmd.

Sarafraz wordt derhalve in verband gebracht met schendingen van het recht op een eerlijk proces.

12.3.2013

5.

JAFARI, Asadollah

 

Aanklager van de provincie Mazandaran; is volgens een aantal ngo's verantwoordelijk voor wederrechtelijke arrestaties en schendingen van de rechten van Bahá'í-gevangenen, gaande van voorarrest tot eenzame opsluiting in het detentiecentrum van de inlichtingendiensten. Ngo's hebben bewijzen van zes concrete voorbeelden van gevallen waarin het recht op een eerlijk proces is geschonden, onder meer in 2011 en 2012.

12.3.2013

6.

EMADI, Hamid Reza

(ook bekend als: Hamidreza Emadi)

Geboortedatum: circa 1973

Geboorteplaats: Hamedan

Verblijfplaats: Teheran

Arbeidsplaats: hoofdzetel Press TV, Teheran

Hoofd van de redactie van Press TV. Verantwoordelijk voor de opname en het uitzenden van gedwongen bekentenissen van gevangenen, onder wie journalisten, politieke activisten, leden van de Koerdische en de Arabische minderheden, in strijd met het internationaal erkende recht op een eerlijk proces. De onafhankelijke omroepregulator OFCOM heeft Press TV in het VK veroordeeld tot een geldboete van 100.000 GBP wegens het uitzenden van de bekentenis onder dwang van de Iraans-Canadese journalist en filmmaker Maziar Bahari in 2011, die in de gevangenis is gefilmd. Ngo's hebben nog andere gevallen van uitzendingen van gedwongen bekentenissen door Press TV gemeld. Emadi wordt derhalve in verband gebracht met schendingen van het recht op een eerlijk proces.

12.3.2013

7.

HAMLBAR, Rahim

 

Rechter bij afdeling 1 van de revolutionaire rechtbank van Tabriz. Heeft zware straffen uitgesproken tegen journalisten, leden van de etnische minderheid der Azeri en activisten die opkomen voor de rechten van werknemers, op beschuldiging van spionage, activiteiten die indruisen tegen de nationale veiligheid, propaganda tegen het Iraanse regime en belediging van het staatshoofd. Er zijn meldingen dat zijn vonnissen vaak niet beantwoorden aan de normen voor een eerlijk proces en dat gevangenen vaak tot valse bekentenissen worden gedwongen. In een geruchtmakende zaak zijn 20 personen die vrijwillig aan de reddingswerken na de aardbeving in Iran van augustus 2012 hadden deelgenomen, tot gevangenisstraffen veroordeeld omdat zij getracht hadden de slachtoffers van de aardbeving bij te staan. De rechtbank heeft de reddingswerkers schuldig bevonden aan "samenzwering en samenspanning met het oogmerk misdrijven tegen de nationale veiligheid te begaan".

12.3.2013

8.

MUSAVI-TABAR, Seyyed Reza

 

Hoofd van het revolutionair OM van Shiraz. Verantwoordelijk voor wederrechtelijke arrestaties en mishandeling van politieke activisten, journalisten, mensenrechtenverdedigers, Bahá'ís en gewetensgevangenen, die werden lastiggevallen, gemarteld, ondervraagd, geen toegang kregen tot een advocaat en geen eerlijk proces kregen. Volgens meldingen van ngo's heeft Musavi-Tabar rechterlijke bevelen ondertekend in het beruchte detentiecentrum "nr. 100" (een gevangenis voor mannen), waaronder een bevel tot eenzame opsluiting van de vrouwelijke Bahá'í-gevangene Raha Sabet voor de duur van drie jaar.

12.3.2013

9.

KHORAMABADI, Abdolsamad

Hoofd van de "Commissie tot vaststelling van criminele inhoud".

Abdolsamad Khoramabadi staat aan het hoofd van de "Commissie tot vaststelling van criminele inhoud", een overheidsorganisatie die belast is met onlinecensuur en cybercriminaliteit. Op zijn aansturen heeft de commissie "cybercriminaliteit" gedefinieerd met een aantal vage categorieën op grond waarvan de creatie en de publicatie van inhoud die door het regime niet passend wordt geacht, strafbaar wordt gesteld. Hij is verantwoordelijk voor repressie tegen en het blokkeren van een groot aantal oppositionele websites, elektronische kranten, blogs, websites van mensenrechten-ngo's en van Google en Gmail sinds september 2012. Zowel hij als de commissie heeft actief bijgedragen tot het overlijden in gevangenschap van de blogger Sattar Behesti in november 2012. De commissie die onder zijn leiding staat, is derhalve rechtstreeks verantwoordelijk voor systematische schendingen van de mensenrechten, met name door het verbieden of het filteren van websites voor het grote publiek, en door soms de toegang tot het internet in het geheel onmogelijk te maken.

12.3.2013


Entiteiten

 

Benaming

Informatie ter identificatie

Motivering

Datum van plaatsing op de lijst

1.

Center to Investigate Organized Crime

(ook bekend als: Cyber Crime Office of Cyber Police)

Locatie: Teheran, Iran

Website: http://www.cyberpolice.ir

De Iraanse cyberpolitie is een in januari 2011 opgerichte eenheid van de nationale politie van Iran en staat onder leiding van Esmail Ahmadi-Moqaddam (op de lijst geplaatst). Volgens persberichten heeft politiechef Ahmadi-Moqaddam beklemtoond dat de cyberpolitie de antirevolutionaire en dissidente groeperingen die in 2009 via sociale netwerken op het internet hadden opgeroepen tot protest tegen de herverkiezing van president Mahmoud Ahmadinejad zou aanpakken.

In januari 2012 heeft de cyberpolitie nieuwe instructies voor internetcafés uitgevaardigd, die inhouden dat gebruikers persoonlijke informatie moeten verstrekken die gedurende zes maanden wordt bijgehouden door de caféuitbater, samen met een overzicht van de bezochte websites. De instructies houden ook in dat caféuitbaters camerabewaking moeten installeren en de opnames gedurende zes maanden moeten bewaren. Deze nieuwe instructies houden in dat een register kan worden gecreëerd waarmee de autoriteiten activisten of iedereen die zij als een bedreiging voor de nationale veiligheid beschouwen, kunnen opsporen.

In juni 2012 zijn in de Iraanse media berichten verschenen dat de cyberpolitie hard zou gaan optreden tegen VPN's (eigen virtuele netwerken).

Op 30 oktober 2012 heeft de cyberpolitie de blogger Sattar Beheshti gearresteerd (naar verluidt zonder aanhoudingsbevel) in verband met "acties tegen de nationale veiligheid op sociale netwerken en Facebook." Beheshti had in zijn blog kritiek geuit op de Iraanse overheid. Beheshti is op 3 november dood aangetroffen in zijn cel en is vermoedelijk doodgemarteld door leden van de cyberpolitie.

12.3.2013