ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.060.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 60

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
2 maart 2013


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers ( 1 )

52

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/106/EU

 

*

Besluit van de Europese Raad van 11 mei 2012 betreffende de bespreking door een conferentie van vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van de door de Ierse regering voorgestelde wijziging van de Verdragen in de vorm van een Protocol over de bezwaren van het Ierse volk ten aanzien van het Verdrag van Lissabon, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zal worden gehecht, en het niet bijeenroepen van een Conventie

129

Protocol over de bezwaren van het Ierse volk ten aanzien van het Verdrag van Lissabon

131

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring ( PB L 201 van 27.7.2012 )

140

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

2.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 60/1


VERORDENING (EU) Nr. 167/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 februari 2013

inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ter bevordering van de interne markt is bij Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan (3) een uitgebreid Unie-typegoedkeuringsstelsel voor trekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken ingesteld.

(2)

Voor de ontwikkeling en de werking van de interne markt van de Unie is het wenselijk de goedkeuringssystemen van de lidstaten te vervangen door een typegoedkeuringsprocedure van de Unie die gebaseerd is op het beginsel van volledige harmonisatie, terwijl tegelijkertijd de nodige rekening wordt gehouden met kosten-batenoverwegingen, met bijzondere aandacht voor het midden- en kleinbedrijf.

(3)

Op verzoek van het Europees Parlement en met als doel de goedkeuring van typegoedkeuringswetgeving te vereenvoudigen en te versnellen is op het gebied van de EU-typegoedkeuringswetgeving voor voertuigen een nieuwe regelgevingsaanpak ingevoerd, volgens welke de wetgever van de gewone wetgevingsprocedure slechts de fundamentele regels en beginselen vaststelt en de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de nadere technische bijzonderheden aan de Commissie overdraagt. Wat de materiële voorschriften betreft, moeten in deze verordening daarom alleen fundamentele bepalingen inzake functionele veiligheid, inzittendenveiligheid en milieuprestaties worden vastgesteld en moet de bevoegdheid om de technische specificaties in gedelegeerde handelingen vast te leggen aan de Commissie worden overgedragen.

(4)

De voorschriften van deze verordening zijn in overeenstemming met de principes die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 5 juni 2002 met als titel „Actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving” ’.

(5)

Het is van bijzonder belang dat toekomstige maatregelen die op grond van deze verordening worden voorgesteld of procedures die als toepassing ervan moeten worden gevolgd, stroken met deze principes, die in het verslag dat de Commissie in 2006 heeft gepubliceerd met als titel „CARS 21: Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw” („CARS 21”) nog zijn herhaald. Met het oog op een betere regelgeving en vereenvoudiging en teneinde voortdurende actualisering van de bestaande EU-wetgeving op het gebied van technische specificaties te voorkomen, moet in deze verordening worden verwezen naar bestaande, internationale normen en voorschriften die voor het publiek toegankelijk zijn zonder dat zij in het EU-regelgevingskader volledig worden weergegeven.

(6)

Aangezien Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (4), noch Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines (5), noch deze verordening ontwerp- en constructievoorschriften ter waarborging van de veiligheid op de weg van niet voor de weg bestemde mobiele machines met eigen aandrijving voor gebruik in met name de land- en bosbouw bevatten, moet de Commissie de noodzaak van harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten op dat gebied beoordelen en overwegen een wetgevingsmaatregel voor te stellen met het oog op het waarborgen van een hoog veiligheidsniveau, met inachtneming van de uniale wetgeving.

(7)

Deze verordening moet maatregelen op nationaal en uniaal niveau inzake het gebruik van landbouw- en bosbouwvoertuigen op de weg, zoals specifieke vereisten voor rijbewijzen, beperkingen van de maximumsnelheid, of de regeling van de toegang tot bepaalde wegen, onverlet laten.

(8)

Richtlijn 2003/37/EG beperkte in eerste instantie de verplichte toepassing van de EG-typegoedkeuringsprocedure voor gehele voertuigen tot de voertuigcategorieën T1, T2 en T3, en voorzag niet in alle nodige voorschriften om het mogelijk te maken op vrijwillige basis voor andere categorieën een aanvraag tot EG-typegoedkeuring voor gehele voertuigen in te dienen. Om de interne markt te voltooien en ervoor te zorgen dat deze naar behoren functioneert, moet deze verordening fabrikanten de mogelijkheid bieden op vrijwillige basis voor alle categorieën die onder deze verordening vallen EU-typegoedkeuring van gehele voertuigen aan te vragen, zodat zij via de EU-typegoedkeuring van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren.

(9)

Richtlijn 2003/37/EG betrof de EG-typegoedkeuring voor gehele voertuigen voor alle terreinwagens en „side-by-side”-voertuigen als tractoren Deze typen voertuigen moeten derhalve ook onder deze verordening vallen, op voorwaarde dat het betreffende type voertuig onder een in deze verordening bedoelde voertuigcategorie valt en aan alle vereisten van deze verordening voldoet.

(10)

De verplichtingen van de nationale autoriteiten die in de bepalingen inzake markttoezicht van deze verordening zijn vastgelegd, zijn specifieker dan de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (6).

(11)

Om een hoog niveau van functionele veiligheid, inzittendenveiligheid en milieubescherming te waarborgen, moeten de technische voorschriften en milieunormen die in het kader van de typegoedkeuring van toepassing zijn op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden geharmoniseerd.

(12)

Het is wenselijk het beginsel vast te stellen dat voertuigen zodanig moeten zijn ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere weggebruikers zo weinig mogelijk risico van verwondingen lopen. Daartoe moeten de fabrikanten ervoor zorgen dat hun voertuigen voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening. Die bepalingen moeten onder meer voorschriften omvatten met betrekking tot de integriteit van de voertuigstructuur, systemen om de bestuurder de controle over zijn voertuig te helpen behouden, systemen om de bestuurder een goed gezichtsveld te bieden en hem informatie over de staat van het voertuig en de omgeving te verstrekken, verlichtingssystemen, beschermingssystemen voor inzittenden, de buitenkant en de toebehoren aan het voertuig, massa’s en afmetingen van voertuigen en banden van voertuigen.

(13)

Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de overeenstemming van de productie, die een van de hoekstenen van het EU-typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en naar behoren functioneert, moet een bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

(14)

In een beperkt aantal gevallen moet er een nationale typegoedkeuringsprocedure voor in kleine series gebouwde voertuigen kunnen zijn. Die zou echter beperkt moeten zijn tot geringe aantallen voertuigen. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeurig te worden gedefinieerd door het aantal te produceren voertuigen aan te geven.

(15)

Het hoofddoel van de Uniewetgeving van de Unie inzake de goedkeuring van voertuigen is ervoor te zorgen dat nieuwe voertuigen, onderdelen en technische eenheden die in de handel worden gebracht een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming bieden. Het bereiken van dat doel mag niet in het gedrang worden gebracht doordat bepaalde voertuigdelen of uitrustingsstukken worden gemonteerd nadat voertuigen op de markt of in het verkeer zijn gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat voertuigdelen of uitrustingsstukken die op voertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van voor de veiligheid of de milieubescherming essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie vooraf worden gecontroleerd voordat zij in de handel worden gebracht. Die maatregelen moeten technische bepalingen bevatten betreffende de voorschriften waaraan die voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

(16)

Dergelijke maatregelen moeten slechts betrekking hebben op een beperkt aantal voertuigdelen en uitrustingsstukken, die door de Commissie na raadpleging van de belanghebbenden in een lijst in een uitvoeringshandeling moeten worden opgenomen. De maatregelen moeten ervoor zorgen dat de desbetreffende voertuigdelen of uitrustingsstukken de veiligheid of de milieuprestaties van het voertuig niet nadelig beïnvloeden en moeten tegelijkertijd waar mogelijk de concurrentie op de vervangingsmarkt in stand houden.

(17)

De Unie is partij bij de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en voertuigdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene Overeenkomst van 1958”) (7). Om de typegoedkeuringswetgeving volgens de aanbevelingen van CARS 21 te vereenvoudigen, is het wenselijk alle afzonderlijke richtlijnen in te trekken zonder daarmee het beschermingsniveau te verminderen. De voorschriften die in die richtlijnen zijn neergelegd, moeten in deze verordening of in de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, worden overgenomen en moeten, daar waar van toepassing, vervangen worden door verwijzingen naar de desbetreffende reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) die de Unie bij stemming heeft goedgekeurd of waartoe de Unie is toegetreden en die als bijlage zijn gevoegd bij de Herziene Overeenkomst van 1958. Om de administratieve lasten als gevolg van de typegoedkeuringsprocedure te verlichten, moet het voor automobielfabrikanten mogelijk zijn typegoedkeuring aan te vragen overeenkomstig deze verordening, in voorkomend geval, rechtstreeks door het verkrijgen van een goedkeuring krachtens een van de desbetreffende VN/ECE-reglementen die zijn vermeld in bijlage I bij deze verordening en in de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

(18)

VN/ECE-reglementen en wijzigingen daarop waaraan de Unie, in het kader van de toepassing van Besluit 97/836/EG, haar goedkeuring heeft gehecht, moeten derhalve in de EU-typegoedkeuringswetgeving worden opgenomen. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen de nodige aanpassingen aan bijlage I bij deze verordening of de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening, vast te stellen.

(19)

Bij wijze van alternatief kan in de gedelegeerde handelingen naar door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde codes of naar rechtstreeks voor het publiek toegankelijke CEN/Cenelec- of ISO-normen die daarin worden vermeld, worden verwezen.

(20)

Het is van belang dat de fabrikanten de eigenaars van voertuigen relevante informatie verstrekken om verkeerd gebruik van veiligheidsvoorzieningen te voorkomen.

(21)

Om fabrikanten van onderdelen en technische eenheden in staat te stellen EU-typegoedkeuring vooronderdelen en technische eenheden of voor een vergunning voor voertuigdelen of uitrustingsstukken aan te vragen, is het ook van belang dat deze toegang hebben tot bepaalde informatie die alleen de voertuigfabrikant kan verstrekken, zoals technische informatie en tekeningen die nodig zijn om voertuigdelen voor de vervangingsmarkt te ontwikkelen.

(22)

Niet-discriminatoire toegang tot reparatie-informatie — via een gestandaardiseerd formaat voor het vinden van technische informatie — en effectieve concurrentie op de markt voor reparatie- en onderhoudsinformatiediensten is nodig om de werking van de interne markt te verbeteren, met name wat het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten betreft. Een groot deel van deze informatie betreft boorddiagnosesystemen en de interactie daarvan met andere voertuigsystemen. Het is wenselijk vast te stellen aan welke technische specificaties de websites van fabrikanten moeten voldoen, naast gerichte maatregelen om een redelijke toegang voor het midden- en kleinbedrijf te waarborgen.

(23)

Fabrikanten van voertuigen moeten ook kunnen voldoen aan hun verplichtingen om toegang te verlenen tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreffende de communicatieprotocollen tussen trekkers en getrokken of gemonteerde uitrustingsstukken, zoals bedoeld in ISO 11783, door op hun websites een link te voorzien naar een door meerdere fabrikanten of een groep fabrikanten gecreëerde website.

(24)

Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (8).

(25)

Ter aanvulling van deze verordening met verdere technische details moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen inzake functionele veiligheid, constructie-eisen, milieu- en aandrijfprestaties, toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie en aanwijzing en bevoegdheden van technische diensten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie dient bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor te zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(26)

De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op deze verordening en de gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld en erop toezien dat deze worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(27)

Hoewel niets in deze verordening verhindert dat de lidstaten hun respectieve systemen voor individuele goedkeuringen blijven toepassen, moet de Commissie, op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de werking van deze nationale systemen, teneinde te overwegen of zij een wetgevingsvoorstel moet indienen betreffende de harmonisatie van het systeem voor individuele goedkeuringen op Unieniveau.

(28)

Als gevolg van de toepassing van het nieuwe regelgevingskader dat door deze verordening wordt ingevoerd, moeten de volgende richtlijnen worden ingetrokken:

Richtlijn 2003/37/EG,

Richtlijn 74/347/EEG van de Raad van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (9),

Richtlijn 76/432/EEG van de Raad van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (10),

Richtlijn 76/763/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (11),

Richtlijn 77/537/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (12),

Richtlijn 78/764/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (13),

Richtlijn 80/720/EEG van de Raad van 24 juni 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bedieningsruimte, de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (14),

Richtlijn 86/297/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake aftakassen en de beveiliging daarvan bij land- en bosbouwtrekkers op wielen (15),

Richtlijn 86/298/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of bosbouwsmalspoortrekkers (16),

Richtlijn 86/415/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen (17),

Richtlijn 87/402/EEG van de Raad van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (18),

Richtlijn 2000/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2000 inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers (19),

Richtlijn 2009/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (20),

Richtlijn 2009/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de sleepinrichting en de achteruitrijinrichting van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (21),

Richtlijn 2009/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (22),

Richtlijn 2009/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (23),

Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (24),

Richtlijn 2009/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (25),

Richtlijn 2009/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdrukking van radiostoringen, veroorzaakt door landbouw- of bosbouwtrekkers (elektromagnetische compatibiliteit) (26),

Richtlijn 2009/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (27),

Richtlijn 2009/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (28),

Richtlijn 2009/75/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven) (29),

Richtlijn 2009/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (30),

Richtlijn 2009/144/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (31).

(29)

Het is van belang dat alle belanghebbenden een duidelijk begrip hebben van het verband tussen deze verordening en Richtlijn 2006/42/EG, om overlapping te voorkomen en duidelijk vast te stellen aan welke voorschriften een bepaald product moet voldoen.

(30)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vastleggen van geharmoniseerde regels inzake administratieve en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van en inzake het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, gelet op de omvang en de gevolgen ervan, beter verwezenlijkt kan worden op het niveau van de Unie, kan de Unie in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   In deze verordening worden de administratieve en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van alle in artikel 2, lid 1, bedoelde nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden vastgesteld.

Deze verordening is niet van toepassing op de goedkeuring van individuele voertuigen. lidstaten die dergelijke individuele goedkeuringen verlenen, aanvaarden echter alle typegoedkeuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die krachtens deze verordening zijn verleend in plaats van krachtens de desbetreffende nationale bepalingen.

2.   In deze verordening worden ook de voorschriften vastgesteld voor het markttoezicht op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die overeenkomstig deze verordening moeten worden goedgekeurd. In deze verordening worden tevens de voorschriften voor markttoezicht op voertuigdelen en uitrustingsstukken voor dergelijke voertuigen vastgesteld.

3.   Deze verordening laat de toepassing van wetgeving inzake verkeersveiligheid onverlet.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing opin een of meer fasen ontworpen en gebouwde landbouw- en bosbouwvoertuigen, zoals beschreven in artikel 4, en op systemen, onderdelen en technische eenheden, alsook voertuigdelen en uitrustingsstukken, die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Deze verordening is specifiek van toepassing op de volgende voertuigen:

a)

trekkers (categorieën T en C);

b)

aanhangwagens (categorie R), en

c)

verwisselbare getrokken uitrustingsstukken (categorie S).

2.   Deze verordening is niet van toepassing op verwisselbare machines die in het wegverkeer volledig vrij van de grond zijn of niet rond een verticale as kunnen draaien.

3.   Voor de volgende voertuigen mag de fabrikant naar eigen keuze een aanvraag indienen voor goedkeuring krachtens deze verordening, dan wel om te voldoen aan de desbetreffende nationale voorschriften:

a)

aanhangwagens (categorie R) en verwisselbare getrokken werktuigen (categorie S);

b)

trekkers op rupsbanden (categorie C);

c)

trekkers voor speciale doeleinden op wielen (categorieën T4.1 en T4.2).

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening en van de in de lijst van bijlage I vermelde regelgevingen, tenzij daarin anders is bepaald, gelden de onderstaande definities:

1.   „typegoedkeuring”: de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

2.   „typegoedkeuring van een geheel voertuig”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een incompleet, compleet of voltooid voertuigtype aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

3.   „typegoedkeuring van een systeem”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een in een specifiek voertuigtype ingebouwd systeem aan de van toepassing zijnde administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

4.   „typegoedkeuring van een onderdeel”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een onderdeel onafhankelijk van een voertuig aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

5.   „typegoedkeuring van een technische eenheid”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een technische eenheid in samenhang met een of meer specifieke voertuigtypen aan de van toepassing zijnde administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

6.   „nationale typegoedkeuring”: een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;

7.   „EU-typegoedkeuring”: de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;

8.   „trekker”: een landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met een of meer zitplaatsen voor meerijders;

9.   „aanhangwagen”: een landbouw- of bosbouwvoertuig dat voornamelijk is bestemd door een trekker te worden getrokken en voornamelijk is bedoeld voor het vervoeren van ladingen of het bewerken van materialen en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;

10.   „verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk”: een in de landbouw of bosbouw gebruikt voertuig dat is ontworpen om getrokken te worden door een trekker en die trekker een andere of extra functie geeft, van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of is ontworpen om materiaal te bewerken, en die een laadplatform kan omvatten dat is ontworpen en gebouwd om de voor deze doeleinden benodigde gereedschappen en hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig kleiner is dan 3,0;

11.   „voertuig”: trekker, aanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, zoals gedefinieerd in de punten 8, 9 en 10;

12.   „basisvoertuig”: een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;

13.   „incompleet voertuig”: een voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

14.   „voltooid voertuig”: een voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening voldoet;

15.   „compleet voertuig”: een voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

16.   „voertuig uit restantvoorraad”: een voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden, kan worden geregistreerd of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;

17.   „systeem”: een geheel van voorzieningen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen;

18.   „onderdeel”: een voorziening die aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend, in overeenstemming met deze verordening en de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, indien deze handelingen daarin uitdrukkelijk voorzien;

19.   „technische eenheid”: een inrichting die aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien deze handelingen daarin uitdrukkelijk voorzien;

20.   „voertuigdelen”: goederen die worden gebruikt voor de montage van een voertuig alsmede reserveonderdelen;

21.   „uitrustingsstukken”: andere goederen dan voertuigdelen, die kunnen worden toegevoegd aan of geïnstalleerd in of op een voertuig;

22.   „originele voertuigdelen of uitrustingsstukken”: voertuigdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van voertuigdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig; dit is met inbegrip van voertuigdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken voertuigdelen of uitrustingsstukken geproduceerd zijn; er is een weerlegbaar vermoeden, dat voertuigdelen of uitrustingsstukken originele voertuigdelen of uitrustingsstukken zijn indien de fabrikant certificeert dat zij van gelijke kwaliteit zijn als de voertuigdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;

23.   „reserveonderdelen”: goederen die ter vervanging van de originele voertuigdelen van het voertuig in of op het voertuig worden gemonteerd, met inbegrip van goederen zoals smeermiddelen, die voor het gebruik van het voertuig noodzakelijk zijn, met uitzondering van brandstof;

24.   „functionele veiligheid”: het ontbreken van een onaanvaardbaar risico van lichamelijk letsel of van schade aan de menselijke gezondheid of eigendom als gevolg van ondeugdelijk gedrag van mechanische, hydraulische, pneumatische, elektrische of elektronische systemen, onderdelen of technische eenheden veroorzaakte gevaren;

25.   „fabrikant”: de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring, de vergunningsprocedure en de overeenstemming van de productie en die tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht op de door hem geproduceerde voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, ongeacht of deze natuurlijke of rechtspersoon direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd;

26.   „vertegenwoordiger van de fabrikant”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om de fabrikant te vertegenwoordigen bij de goedkeuringsinstantie of de markttoezichtautoriteit en namens de fabrikant op te treden bij onder deze verordening vallende aangelegenheden;

27.   „goedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen en door de lidstaat is aangemeld bij de Commissie en die bevoegd is voor alle aspecten van de typegoedkeuring van een type voertuig, systeem, component of technische eenheid, voor de vergunningsprocedure, voor de afgifte en eventuele intrekking of weigering van goedkeuringscertificaten, en die bevoegd is om op te treden als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten, om de technische diensten aan te wijzen en om te waarborgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van de productie;

28.   „technische dienst”: een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten; de goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;

29.   „zelftesten”: het uitvoeren van tests in zijn eigen faciliteiten, de registratie van de testresultaten en de indiening van een verslag met conclusies bij de goedkeuringsinstantie door een fabrikant die als technische dienst is aangewezen om de naleving van bepaalde voorschriften te beoordelen;

30.   „virtuele testmethode”: computersimulatie, daaronder begrepen berekeningen om aan te tonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van de op grond van artikel 27, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling zonder dat daarvoor gebruik hoeft te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;

31.   „typegoedkeuringscertificaat”: het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;

32.   „EU-typegoedkeuringscertificaat”: het op het model in de uitvoeringshandeling die krachtens deze verordening is vastgesteld, gebaseerde certificaat, dan wel het inlichtingenformulier in de relevante VN/ECE-reglementen als bedoeld in deze verordening of de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld;

33.   „certificaat van overeenstemming”: het document dat door de fabrikant wordt afgegeven en dat certificeert dat het geproduceerde voertuig conform was met het goedgekeurde voertuigtype;

34.   „boorddiagnosesysteem” of „OBD-systeem”: een systeem dat bij een storing door middel van in een computergeheugen opgeslagen foutcodes kan aangeven in welk gebied de storing waarschijnlijk is opgetreden;

35.   „reparatie- en onderhoudsinformatie”: alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, inspectie, periodieke controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie van het voertuig en die de fabrikanten aan hun erkende handelaren en reparatiebedrijven verstrekken, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie; deze informatie omvat alle gegevens over het monteren van voertuigdelen en uitrustingsstukken op voertuigen;

36.   „onafhankelijke marktdeelnemer”: ondernemingen, met uitzondering van erkende handelaren en reparatiebedrijven, die direct of indirect bij de reparatie en het onderhoud van voertuigen betrokken zijn, met name reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, -gereedschap of reserveonderdelen, uitgevers van technische informatie, automobielclubs, wegenwachtdiensten, bedrijven die keurings- en controlediensten aanbieden en bedrijven die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van uitrustingsstukken voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden;

37.   „nieuw voertuig”: een voertuig dat nooit eerder is geregistreerd of in het verkeer is gebracht;

38.   „registratie”: de permanente, voorlopige dan wel tijdelijke administratieve goedkeuring voor het in het verkeer brengen van een voertuig, wat de identificatie ervan en de afgifte van een serienummer (het kenteken) impliceert;

39.   „in de handel brengen”: het voor het eerst aanbieden in de Unie van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk;

40.   „in het verkeer brengen”: het eerste gebruik in de Unie van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk overeenkomstig het gebruiksdoel;

41.   „importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk uit een derde land in de handel brengt;

42.   „distributeur”: een andere natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur, die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk op de markt aanbiedt;

43.   „marktdeelnemer”: de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de importeur of de distributeur;

44.   „markttoezicht”: activiteiten en maatregelen van de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie en geen gevaar opleveren voor gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;

45.   „markttoezichtautoriteit”: de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied;

46.   „nationale autoriteit”: een goedkeuringsautoriteit of enige andere autoriteit betrokken bij en verantwoordelijk voor markttoezicht, grenscontroles of registratie in een lidstaat met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken;

47.   „op de markt aanbieden”: een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid leveren voor distributie of gebruik op de markt in het kader van een commerciële activiteit, ongeacht of dit tegen betaling dan wel gratis gebeurt;

48.   „voertuigtype”: een groep voertuigen, met inbegrip van varianten en uitvoeringen, van een bepaalde categorie die op de volgende essentiële punten onderling niet verschillen:

categorie;

fabrikant;

typeaanduiding door de fabrikant;

essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp;

chassis met centrale buis/chassis met langsbalken/geleed chassis (duidelijke en fundamentele verschillen);

voor categorie T: assen (aantal) of, voor categorie C: assen/rupsbanden (aantal);

in het geval van in meerdere fasen gebouwde voertuigen, de fabrikant en het type van het voertuig van de voorafgaande fase;

49.   „variant”: tot een type behorende voertuigen die ten minste op de volgende punten niet van elkaar verschillen:

a)

voor trekkers:

structureel concept van het koetswerk of het type koetswerk;

stadium van voltooiing;

motor (interneverbranding/hybride/elektrisch/hybride-elektrisch);

werkingsprincipe;

aantal en opstelling van de cilinders;

vermogensverschil van niet meer dan 30 % (het hoogste vermogen is niet meer dan 1,3 maal het laagste vermogen);

verschil in cilinderinhoud van niet meer dan 20 % (de grootste cilinderinhoud is niet meer dan 1,2 maal de kleinste cilinderinhoud);

aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

gestuurde assen (aantal en plaats);

verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10 %;

transmissie (soort);

kantelbeveiliging;

geremde assen (aantal);

b)

voor trekkers of uitwisselbare getrokken uitrustingsstukken:

gestuurde assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10 %;

geremde assen (aantal);

50.   „hybride voertuig”: een gemotoriseerd voertuig met ten minste twee verschillende energieomzetters en twee verschillende, in het voertuig aanwezige energieopslagsystemen voor de aandrijving van het voertuig;

51.   „hybride elektrisch voertuig”: een voertuig dat voor mechanische aandrijving energie ontleent aan beide volgende, in het voertuig aanwezige bronnen van opgeslagen energie/vermogen:

a)

een verbruiksbrandstof;

b)

een accu, condensator, vliegwiel/generator of een ander opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen.

Deze definitie omvat ook voertuigen die alleen energie van een verbruiksbrandstof krijgen voor het opladen van het systeem voor de opslag van elektrische energie/vermogen;

52.   „zuiver elektrisch voertuig”: een voertuig dat zijn vermogen verkrijgt van een systeem bestaande uit één of meer systemen voor de opslag van elektrische energie, één of meer stroomconditioneringsvoorzieningen en één of meer elektrische machines waarmee opgeslagen elektrische energie wordt omgezet in mechanische energie die deze aan de wielen leveren voor de aandrijving van het voertuig;

53.   „uitvoering van een variant”: een voertuig dat bestaat uit een combinatie van punten in het informatiepakket bedoeld in artikel 24, lid 10.

Verwijzingen in de verordening naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening gelden als verwijzingen naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening en in de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 4

Voertuigcategorieën

Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende voertuigcategorieën gehanteerd:

1.   „categorie T”: alle trekkers op wielen; elke in de punten 2 tot en met 8 beschreven categorie trekkers op wielen wordt op het einde aangevuld met de letter a of b, al naar gelang de snelheid waarvoor deze is ontworpen:

a)

„a” voor trekkers op wielen die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen;

b)

„b” voor trekkers op wielen die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen;

2.   „categorie T1”: trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een bodemvrijheid van ten hoogste 1 000 mm;

3.   „categorie T2”: trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg, met een bodemvrijheid van ten hoogste 600 mm; indien de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, moet de door de constructie bepaalde maximumsnelheid worden beperkt tot 30 km/h;

4.   „categorie T3”: trekkers op wielen met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;

5.   „categorie T4”: trekkers voor speciale doeleinden op wielen;

6.   „categorie T4.1” (trekkers met grote bodemvrijheid): trekkers voor het bewerken van hoge, in rijen geplante gewassen, bijvoorbeeld in de wijnbouw. Zij worden gekenmerkt door een (gedeeltelijk) verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- en rechterwielen zich aan weerszijden van een of meer rijen planten bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten bodemvrijheid op de plaats van de rijen planten meer dan 1 000 mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/h;

7.   „categorie T4.2” (extra brede trekkers): trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken;

8.   „categorie T4.3” (trekkers met kleine bodemvrijheid): trekkers met vierwielaandrijving, waarvan de verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of bosbouw en die gekenmerkt worden door een dragend frame, met een of meer aftakassen zijn uitgerust, een technisch toelaatbare massa van ten hoogste 10 ton hebben en waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale onbeladen massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt en waarvan de waarde van de hoogte van het zwaartepunt, (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten) minder dan 850 mm bedraagt;

9.   „categorie C”: trekkers op rupsbanden die door rupsbanden of door een combinatie van wielen en rupsbanden worden voortbewogen, waarvan de subcategorieën worden gedefinieerd naar analogie van categorie T;

10.   „categorie R”: aanhangwagens; elke in de punten 11 tot en met 14 beschreven categorie aanhangwagens wordt op het einde aangevuld met de letter a of b, al naar gelang de snelheid waarvoor deze is ontworpen:

a)

„a” voor aanhangwagens die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen;

b)

„b” voor aanhangwagens die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen;

11.   „categorie R1”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as ten hoogste 1 500 kg bedraagt;

12.   „categorie R2”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 1 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg bedraagt;

13.   „categorie R3”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 3 500 kg maar niet meer dan 21 000 kg bedraagt;

14.   „categorie R4”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 21 000 kg bedraagt;

15.   „categorie S”: verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.

Elke categorie verwisselbare getrokken uitrustingsstukken wordt op het einde aangevuld met de letter a of b, al naar gelang van de snelheid waarvoor deze zijn ontworpen:

a)

„a” voor verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen;

b)

„b” voor verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen;

16.   „categorie S1”: verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as ten hoogste 3 500 kg bedraagt;

17.   „categorie S2”: verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 3 500 kg bedraagt.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 5

Verplichtingen van de lidstaten

1.   De lidstaten richten overeenkomstig deze verordening de voor goedkeuringsaangelegenheden bevoegde goedkeuringsinstanties en de voor markttoezichtaangelegenheden bevoegde markttoezichtautoriteiten op of wijzen deze aan. De lidstaten stellen de Commissie van de oprichting en aanwijzing van dergelijke autoriteiten op de hoogte.

De kennisgeving betreffende de goedkeurings- en markttoezichtautoriteiten bevat hun naam, adres, inclusief elektronisch adres, alsmede hun bevoegdheidsgebied. De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties en de technische diensten op haar website.

2.   De lidstaten staan alleen toe dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen, in de handel worden gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht.

3.   De lidstaten mogen het in de handel brengen, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van aspecten die verband houden met de constructie of de werking ervan welke onder deze verordening vallen, indien zij aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

4.   De lidstaten organiseren en verrichten overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008 markttoezicht en controles met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden gebracht.

Artikel 6

Verplichtingen van goedkeuringsinstanties

1.   De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat fabrikanten die een typegoedkeuring aanvragen, hun verplichtingen krachtens deze verordening nakomen.

2.   De goedkeuringsinstanties verlenen alleen goedkeuring voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

Artikel 7

Markttoezichtmaatregelen

1.   Voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die een typegoedkeuring hebben gekregen, voeren de markttoezichtautoriteiten op toereikende schaal passende documentencontroles uit, daarbij rekening houdend met gevestigde beginselen van risicobeoordeling, klachten en andere informatie.

De markttoezichtautoriteiten kunnen van marktdeelnemers verlangen dat deze de documenten en informatie beschikbaar stellen die de autoriteiten noodzakelijk achten om hun activiteiten uit te voeren.

Indien marktdeelnemers certificaten van overeenstemming overleggen, houden de markttoezichtautoriteiten daarmee naar behoren rekening.

2.   Op andere voertuigdelen en uitrustingsstukken dan die welke onder lid 1 van dit artikel vallen, is artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2008 in zijn geheel van toepassing.

Artikel 8

Verplichtingen van fabrikanten

1.   Fabrikanten zorgen ervoor dat wanneer hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in de handel of in het verkeer worden gebracht, deze overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen zijn geproduceerd en goedgekeurd.

2.   Bij meerfasentypegoedkeuring is elke fabrikant verantwoordelijk voor de goedkeuring en de overeenstemming van de productie van de systemen, onderdelen en technische eenheden die tijdens de door hem uitgevoerde voltooiingsfase van het voertuig worden toegevoegd. Iedere fabrikant die reeds in eerdere fasen goedgekeurde onderdelen of systemen wijzigt, is verantwoordelijk voor de goedkeuring en overeenstemming van de productie van de gewijzigde onderdelen en systemen.

3.   Fabrikanten die het incomplete voertuig zodanig wijzigen dat dit wordt aangemerkt als behorende tot een andere voertuigcategorie en dat bijgevolg de reeds in een eerste goedkeuringsfase beoordeelde wettelijke voorschriften zijn gewijzigd, zijn ook verantwoordelijk voor de naleving van de van toepassing zijnde voorschriften met betrekking tot de voertuigcategorie waartoe het gewijzigde voertuig behoort.

4.   Voor de goedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die onder deze verordening vallen, wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd, een binnen de Unie gevestigde gemachtigde aan om hen voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen.

5.   Voorts wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd een binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan voor het markttoezicht, hetzij dezelfde vertegenwoordiger als in lid 4 is bedoeld, hetzij een andere vertegenwoordiger.

6.   Fabrikanten zijn jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de overeenstemming van de productie, ongeacht of zij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, component of technische eenheid betrokken zijn.

7.   Overeenkomstig deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen zorgen fabrikanten ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van hun serieproductie met het goedgekeurde type te blijven waarborgen. Er wordt overeenkomstig hoofdstuk VI rekening gehouden met wijzigingen in het ontwerp van een voertuig, systeem, component of technische eenheid of in de kenmerken daarvan, en met wijzigingen in de voorschriften waarmee een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform is verklaard.

8.   In aanvulling op de overeenkomstig artikel 34 op hun voertuigen, onderdelen of technische eenheden aangebrachte voorgeschreven opschriften en typegoedkeuringsmerken, vermelden fabrikanten hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk en contactadres in de Unie op hun voertuigen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden aangeboden of, wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het onderdeel of bij de technische eenheid gevoegd document.

9.   De fabrikanten zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met deze verordening niet in het gedrang komt.

Artikel 9

Verplichtingen van fabrikanten betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een van hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden dat of die in de handel of in het verkeer is gebracht, niet conform is met deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, systeem of onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.

De fabrikant stelt de goedkeurende instantie die de goedkeuring heeft verleend hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij hij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijft.

2.   Als het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid een ernstig risico vormt, brengen de fabrikanten de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid op de markt is aangeboden of in het verkeer is gebracht, hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.

3.   Gedurende tien jaar nadat het voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, houden fabrikanten het in artikel 24, lid 10, bedoelde informatiepakket en houdt de voertuigfabrikant een kopie van de in artikel 33 bedoelde certificaten van overeenstemming ter beschikking van de goedkeuringsinstanties.

4.   Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan deze autoriteit via de goedkeuringsinstantie een kopie van het EU-typegoedkeuringscertificaat of de in artikel 46, lid 1, en lid 2, bedoelde vergunning waaruit de conformiteit van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid blijkt, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Fabrikanten verlenen de instantie van de lidstaat hun medewerking aan eventueel overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 getroffen maatregelen om de risico’s van hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel zijn gebracht, geregistreerd of in het verkeer zijn gebracht, weg te nemen.

Artikel 10

Verplichtingen van de vertegenwoordigers van de fabrikant met betrekking tot markttoezicht

De vertegenwoordiger van de fabrikant op het gebied van markttoezicht voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Dit mandaat staat een vertegenwoordiger toe ten minste de volgende taken te verrichten:

a)

toegang hebben tot het in artikel 22 bedoelde informatiedossier en tot de in artikel 33 bedoelde certificaten van overeenstemming, zodat deze gedurende tien jaar nadat een voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, ter beschikking van de goedkeuringsinstanties kunnen worden gesteld;

b)

op een met redenen omkleed verzoek van een goedkeuringsinstantie aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie verstrekken om de overeenstemming van de productie van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan te tonen;

c)

op verzoek van de goedkeuringsinstanties of markttoezichtautoriteiten medewerking verlenen aan eventueel getroffen maatregelen om de ernstige risico’s van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden voertuigdelen of uitrustingsstukken die onder hun mandaat vallen, weg te nemen.

Artikel 11

Verplichtingen van importeurs

1.   Importeurs brengen alleen voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in de handel waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend of die voldoen aan de voorschriften voor nationale goedkeuring, of voertuigdelen of uitrustingsstukken die volledig voldoen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 765/2008.

2.   Voordat het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend, in de handel wordt gebracht, zien de importeurs erop toe dat er een informatiepakket voorhanden is dat voldoet aan artikel 24, lid 10, en dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voorzien is van het voorgeschreven typegoedkeuringsmerk en aan artikel 8, lid 8, voldoet. Bij een voertuig controleert de importeur of dit vergezeld gaat van het vereiste certificaat van overeenstemming.

3.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk niet conform is met de voorschriften van deze verordening, en met name niet overeenstemt met de typegoedkeuring ervan, staan zij het in de handel brengen, het in het verkeer brengen of het registreren van dit voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid pas toe nadat het conform is gemaakt. Als zij van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid, of het onderdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen zij de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte. In het geval van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waaraan typegoedkeuring is verleend, informeren zij tevens de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend.

4.   Importeurs vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk en contactadres op het voertuig, systeem, onderdeel of op de technische eenheid, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het systeem, onderdeel of technische eenheid gevoegd document.

5.   Importeurs zorgen ervoor dat het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid vergezeld gaat van instructies en informatie, zoals overeenkomstig artikel 51 voorgeschreven, in de officiële taal of talen van de betreffende lidstaten.

6.   Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met de voorschriften van deze verordening niet in het gedrang komt.

7.   Indien dit gezien de ernstige risico’s van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk passend wordt geacht, stellen importeurs met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten een onderzoek in naar en houden zij zo nodig een register bij van klachten en terugroepacties van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, en voertuigdelen of uitrustingsstukken, en houden zij de distributeurs van dit toezicht op de hoogte.

Artikel 12

Verplichtingen van importeurs betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die zij in de handel hebben gebracht niet conform is met deze verordening nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, systeem of onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.

2.   Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen de importeurs de fabrikant, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin zij dit in de handel hebben gebracht hiervan onmiddellijk op de hoogte. De importeurs brengen hen ook op de hoogte van elke ondernomen actie, waarbij zij in het bijzonder de ernst van het risico en alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.

3.   Gedurende tien jaar nadat het voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, houden importeurs een kopie van het certificaat van overeenstemming ter beschikking van de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten en zorgen zij ervoor dat het in artikel 24, lid 10, bedoelde informatiepakket op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.

4.   De importeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie, in een taal die gemakkelijk kan worden begrepen door die autoriteit, om de conformiteit van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan te tonen. De importeurs werken op verzoek van die instantie met die autoriteit samen met betrekking tot alle genomen maatregelen met de bedoeling het risico van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk, dat zij in de handel hebben gebracht, te elimineren.

Artikel 13

Verplichtingen van distributeurs

1.   Bij het op de markt aanbieden van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of voertuigdeel of uitrustingsstuk nemen distributeurs de nodige zorgvuldigheid in acht ten aanzien van de voorschriften van deze verordening.

2.   Alvorens een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid op de markt aan te bieden, te registreren of in het verkeer te brengen, verifiëren de distributeurs of het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid voorzien is van de vereiste voorgeschreven markering of het vereiste typegoedkeuringsmerk, vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van instructies en veiligheidsinformatie in de officiële taal of talen van de lidstaat waarin het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid op de markt zal worden aangeboden, en of de importeur en de fabrikant hebben voldaan aan de in artikel 11, leden 2 en 4, en artikel 34, leden 1 en 2, gestelde voorschriften.

3.   De distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met de voorschriften van deze verordening niet in het gedrang komt.

Artikel 14

Verplichtingen van distributeurs betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform is met de voorschriften van deze verordening, mogen dit voertuig, systeem of onderdeel of deze technische eenheid niet aanbieden, registreren of in het verkeer brengen, totdat het of hij conform is gemaakt.

2.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die zij op de markt hebben aangeboden of hebben geregistreerd of voor het in het verkeer brengen waarvan zij verantwoordelijk zijn, niet conform is met deze verordening, stellen de fabrikant of de vertegenwoordiger van de fabrikant hiervan op de hoogte om ervoor te zorgen dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om dat voertuig, systeem of onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig terug te roepen, in overeenstemming met artikel 9, lid 1, of artikel 12, lid 1.

3.   Als het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid, of voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen de distributeurs de fabrikant, de importeur en de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin zij het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk op de markt hebben aangeboden, onmiddellijk op de hoogte. De distributeurs brengen hen eveneens op de hoogte van alle ondernomen acties, waarbij zij in het bijzonder de ernst van het risico en alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.

4.   Op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit zorgen de distributeurs ervoor dat de fabrikant de nationale autoriteit de in artikel 9, lid 4, genoemde informatie verstrekt of dat de importeur de nationale autoriteit de in artikel 12, lid 3, genoemde informatie verstrekt. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 getroffen maatregelen om de risico’s van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid, of voertuigdeel of uitrustingsstuk dat of die zij op de markt hebben aangeboden, te elimineren.

Artikel 15

Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als een fabrikant en moet aan de in de artikelen 8 tot en met 10 vermelde verplichtingen van de fabrikant voldoen wanneer deze importeur of distributeur een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid onder zijn eigen naam of handelsmerk op de markt aanbiedt of registreert of verantwoordelijk is voor het in het verkeer brengen daarvan, of een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid zodanig wijzigt dat de conformiteit met de van toepassing zijnde voorschriften in het gedrang kan komen.

Artikel 16

Identificatie van marktdeelnemers

Marktdeelnemers delen, op verzoek, aan de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten gedurende vijf jaar mee:

a)

welke marktdeelnemer een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk aan hen heeft geleverd;

b)

aan welke marktdeelnemer zij een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk heeft geleverd.

HOOFDSTUK III

MATERIËLE VOORSCHRIFTEN

Artikel 17

Voorschriften inzake de functionele voertuigveiligheid

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere personen in de omgeving van het voertuig zo weinig mogelijk risico van verwondingen lopen.

2.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a)

integriteit van de voertuigstructuur;

b)

systemen om de bestuurder de controle over zijn voertuig te helpen behouden, in het bijzonder de stuur- en remsystemen, (met inbegrip van geavanceerde remsystemen) en elektronische stabiliteitscontrolesystemen;

c)

systemen om de bestuurder een goed gezichtsveld te bieden en hem informatie over de staat van het voertuig en de omgeving te verstrekken, daaronder begrepen ruiten, spiegels en informatiesystemen voor de bestuurder;

d)

voertuigverlichtingssystemen;

e)

bescherming van de inzittenden van het voertuig, met inbegrip van binnenuitrusting, hoofdsteunen, veiligheidsgordels en deuren van het voertuig;

f)

buitenkant en accessoires van het voertuig;

g)

elektromagnetische compatibiliteit;

h)

geluidssignaalinrichtingen;

i)

verwarmingssystemen;

j)

voorzieningen ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik;

k)

voertuigidentificatiesystemen;

l)

massa’s en afmetingen;

m)

veiligheid van elektrisch materiaal, met inbegrip van statische elektriciteit;

n)

beschermingsinrichtingen aan de achterzijde;

o)

zijdelingse bescherming;

p)

laadplatforms;

q)

sleepinrichtingen;

r)

banden;

s)

opspatafschermingssystemen;

t)

achteruitrijrichting;

u)

rupsbanden;

v)

mechanische koppelingen, met inbegrip van bescherming tegen verkeerde aansluitingen.

3.   Onderdelen van voertuigen, waarvan de risico’s van elektrische aard zijn afgedekt in de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, vallen niet onder Richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften van de lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (32).

4.   De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, indien zij overeenkomstig bijlage I van toepassing zijn.

5.   Om voor een hoog niveau van functionele veiligheid te kunnen zorgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met gedetailleerde technische voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van testprocedures en grenswaarden, voor de in lid 2 van dit artikel genoemde onderwerpen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Deze gedetailleerde technische voorschriften zorgen voor een verhoging of ten minste voor het behoud van het niveau van functionele veiligheid dat de in artikel 76, lid 1, en artikel 77 genoemde richtlijnen bieden, en waarborgen het onderstaande:

a)

voertuigen met een maximumsnelheid van meer dan 40 km/h bieden met betrekking tot de remprestaties en, indien van toepassing, antiblokkeersystemen een even hoog verkeersveiligheidsniveau als motorvoertuigen en aanhangwagens;

b)

de maximale contactdruk op harde wegoppervlakken van banden of rupsbanden bedraagt 0,8 MPa.

Artikel 18

Voorschriften inzake de inzittendenveiligheid

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de personen die in of met het voertuig werken zo min mogelijk risico’s op verwondingen lopen.

2.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a)

kantelbeveiligingsvoorzieningen (hierna „ROPS” genoemd);

b)

voorzieningen ter bescherming tegen vallende voorwerpen (hierna „FOPS” genoemd);

c)

zitplaatsen voor meerijders;

d)

blootstelling van de bestuurder aan geluidsniveaus;

e)

zitplaats van de bestuurder;

f)

bedieningsruimte en toegankelijkheid van de cabine, met inbegrip van bescherming tegen uitglijden, struikelen of vallen;

g)

aftakassen;

h)

bescherming van aandrijfelementen;

i)

gordelverankeringspunten;

j)

veiligheidsgordels;

k)

bescherming van de bestuurder tegen binnendringende voorwerpen (hierna „OPS” genoemd);

l)

bescherming van de bestuurder tegen gevaarlijke stoffen;

m)

bescherming tegen blootstelling aan zeer hete voertuigdelen of materialen;

n)

operators manual;

o)

bedieningsinstrumenten, met inbegrip van de veiligheid en betrouwbaarheid van controlesystemen, en nood- en automatische stopvoorzieningen;

p)

bescherming tegen mechanische gevaren, andere dan die welke worden genoemd onder a), b), g) en k), met inbegrip van bescherming tegen ruwe oppervlakken, scherpe kanten en hoeken, het scheuren van buizen met vloeistoffen en ongecontroleerde bewegingen van het voertuig;

q)

werking en onderhoud, met inbegrip van het veilig schoonmaken van het voertuig;

r)

afschermingen en beschermingsmiddelen;

s)

informatie, waarschuwingen en markeringen;

t)

materialen en producten;

u)

batterijen.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, indien zij overeenkomstig bijlage I van toepassing zijn.

4.   Om voor een hoog niveau van functionele veiligheid te kunnen zorgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met gedetailleerde technische voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van testprocedures en grenswaarden, voor de in lid 2 van dit artikel genoemde onderwerpen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Deze gedetailleerde technische voorschriften zorgen voor een verhoging of ten minste voor het behoud van het niveau van functionele veiligheid dat de in artikel 76, lid 1, en artikel 77 genoemde richtlijnen bieden, met inachtneming van ergonomie (met inbegrip van bescherming tegen voorzienbaar verkeerd gebruik, de gebruiksvriendelijkheid van controlesystemen, de toegankelijkheid van bedieningsinstrumenten om onbedoelde activering te voorkomen, aanpassing van de interface bestuurder/voertuig aan de te voorziene kenmerken van de bestuurder, trillingen en interventie van de bediener), stabiliteit en brandveiligheid.

Artikel 19

Voorschriften voor milieuprestaties

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat er zo weinig mogelijk gevolgen zijn voor het milieu.

2.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a)

emissies van verontreinigende stoffen;

b)

extern geluidsniveau.

3.   De in Richtlijn 97/68/EG voor mobiele machines vastgestelde specifieke grenswaarden, testprocedures en voorschriften voor emissies van verontreinigende stoffen zijn van toepassing.

4.   De grenswaarden voor de specifieke externe geluidsniveaus zijn ten hoogste:

a)

89 dB(A) voor trekkers met een massa in onbeladen, rijklare toestand van meer dan 1 500 kg;

b)

85 dB(A) voor trekkers met een massa in onbeladen, rijklare toestand van ten hoogste 1 500 kg.

Ze worden gemeten in overeenstemming met de testprocedures zoals bedoeld in de in lid 6 vermelde gedelegeerde handelingen.

5.   De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, indien deze voorschriften overeenkomstig bijlage I van toepassing zijn.

6.   Om voor een hoog milieuprestatieniveau te kunnen zorgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 betreffende gedetailleerde technische voorschriften gedelegeerde handelingen vast te stellen, met inbegrip van testprocedures voor het externe geluidsniveau en voor de installatie in een voertuig van wat verontreinigende emissies betreft goedgekeurde motoren en de daarmee samenhangende flexibiliteitsbepalingen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Deze specifieke technische voorschriften zorgen voor een verhoging of ten minste voor het behoud van het milieuprestatieniveau dat de in artikel 76, lid 1, en, in voorkomend geval, artikel 77 genoemde richtlijnen bieden.

HOOFDSTUK IV

EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 20

Procedures voor de EU-typegoedkeuring

1.   Bij de aanvraag voor typegoedkeuring van een geheel voertuig mag de fabrikant een van de volgende procedures kiezen:

a)

stapsgewijze typegoedkeuring;

b)

eenstapstypegoedkeuring;

c)

gemengde typegoedkeuring.

Bovendien mag de fabrikant kiezen voor de meerfasentypegoedkeuring.

Alleen de eenstapstypegoedkeuringsprocedure is van toepassing voor de typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden.

2.   De stapsgewijze typegoedkeuring omvat het stapsgewijs verzamelen van de hele reeks EU-typegoedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden die onderdeel uitmaken van het voertuig en resulteert uiteindelijk in de typegoedkeuring van het gehele voertuig.

3.   De eenstapstypegoedkeuring omvat de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling.

4.   De gemengde typegoedkeuring is een stapsgewijze goedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een EU-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven.

5.   Bij een meerfasentypegoedkeuringsprocedure certificeren een of meer goedkeuringsinstanties dat een incompleet of voltooid type voertuig, al naar gelang de staat van voltooiing, aan de desbetreffende administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet.

Meerfasentypegoedkeuring wordt verleend voor een type incompleet of voltooid voertuig dat conform is met de gegevens van het in artikel 22 bedoelde informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de desbetreffende, in bijlage I vastgestelde van toepassing zijnde regelgevingen, al naargelang de voltooiingsfase waarin het voertuig zich bevindt.

6.   De typegoedkeuring voor de laatste voltooiingsfase wordt pas verleend nadat de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat het voertuig waarvoor tijdens de laatste fase een typegoedkeuring is verleend op dat moment voldoet aan alle van toepassing zijnde technische voorschriften. Dit houdt in dat een documentencontrole wordt uitgevoerd voor alle voorschriften van een typegoedkeuring voor een incompleet voertuig die tijdens een meerfasenprocedure is verleend, zelfs als deze is verleend voor een andere voertuigcategorie of -subcategorie.

7.   De keuze voor een bepaalde goedkeuringsprocedure heeft geen gevolgen voor de van toepassing zijnde inhoudelijke voorschriften waaraan het goedgekeurde voertuigtype ten tijde van de afgifte van de typegoedkeuring voor een geheel voertuig moet voldoen.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende gedetailleerde regelingen met betrekking tot typegoedkeuringsprocedures. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 21

Typegoedkeuringsaanvraag

1.   De fabrikant dient de typegoedkeuringsaanvraag bij de goedkeuringsinstantie in.

2.   Voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.

3.   Voor ieder goed te keuren type moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.

Artikel 22

Informatiedossier

1.   De aanvrager legt een informatiedossier over aan de goedkeuringsinstantie.

2.   Het informatiedossier bevat de volgende elementen:

a)

een inlichtingenformulier;

b)

alle gegevens, tekeningen, foto’s en andere informatie;

c)

voor voertuigen, een vermelding van de overeenkomstig artikel 20, lid 1, gekozen procedure(s);

d)

alle aanvullende informatie waar door de typegoedkeuringsinstantie in het kader van de aanvraagprocedure om wordt gevraagd.

3.   Het informatiedossier mag zowel in papieren worden verstrekt, als in een elektronische vorm die aanvaard is door de technische dienst en de goedkeuringsinstantie.

4.   De Commissie stelt door middel van gedelegeerde handelingen modellen vast voor het inlichtingenformulier en het informatiedossier. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 23

Specifieke voorschriften voor de gegevens die bij de verschillende typegoedkeuringsprocedures moeten worden verstrekt

1.   Een aanvraag voor stapsgewijze goedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier overeenkomstig artikel 22 en van alle typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de van toepassing zijnde regelgevingen die in bijlage I worden vermeld.

Voor de typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid overeenkomstig de in bijlage I vermelde van toepassing zijnde regelgevingen heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het desbetreffende informatiedossier totdat de goedkeuring is verleend of geweigerd.

2.   Een aanvraag voor een eenstapstypegoedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier als bedoeld in artikel 22 dat de relevante informatie bevat overeenkomstig de op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen met betrekking tot die van toepassing zijnde regelgevingen.

3.   Bij een gemengde goedkeuringsprocedure gaat het informatiedossier vergezeld van een of meer typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de in bijlage I opgesomde van toepassing zijnde regelgevingen, en bevat het, voor zover er geen typegoedkeuringscertificaat wordt overgelegd, de overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, relevante informatie met betrekking tot die van toepassing zijnde regelgevingen.

4.   Onverminderd het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 wordt voor meerfasentypegoedkeuring het volgende verstrekt:

a)

in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;

b)

in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een kopie van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EU-typegoedkeuringscertificaat en alle gegevens over eventuele wijzigingen of toevoegingen die de fabrikant heeft aangebracht aan het voertuig.

De onder a) en b) van de eerste alinea van dit lid genoemde informatie mag overeenkomstig lid 3 worden verstrekt.

5.   In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie van de fabrikant verlangen dat hij haar de nodige aanvullende informatie verstrekt om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

HOOFDSTUK V

VERLOOP VAN DE EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 24

Algemene bepalingen

1.   Goedkeuringsinstanties verlenen pas EU-typegoedkeuring nadat zij de in artikel 28 bedoelde regelingen voor de overeenstemming van de productie en de overeenstemming van het type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid met de van toepassing zijnde voorschriften hebben geverifieerd.

2.   EU-typegoedkeuringen worden overeenkomstig dit hoofdstuk verleend.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie van oordeel is dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al voldoet het of zij aan de wettelijke voorschriften, een ernstig gevaar voor de veiligheid vormt dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kan schaden, of een ernstig gevaar voor de inzittendenveiligheid betekent, kan zij de EU-typegoedkeuring ervan weigeren. Zij zendt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie dan onmiddellijk een gedetailleerd dossier met opgave van de redenen voor haar besluit en bewijsmateriaal voor haar bevindingen.

4.   De EU-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens een geharmoniseerd systeem dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

5.   Binnen een maand na afgifte van het EU-typegoedkeuringscertificaat zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens een afschrift toe van het EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen, voor ieder voertuigtype waaraan zij goedkeuring heeft verleend. Het afschrift mag ook de vorm van een elektronisch bestand hebben.

6.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen van voertuigen, met opgave van de redenen voor haar besluit.

7.   Om de drie maanden zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een lijst van de EU-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden die zij in de voorafgaande periode heeft verleend, gewijzigd, geweigerd of ingetrokken.

8.   Op verzoek van een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, de eerstgenoemde instantie binnen een maand na ontvangst van dat verzoek door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens een afschrift van het aangevraagde EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen. Het afschrift mag ook de vorm van een elektronisch bestand hebben.

9.   Indien de Commissie hierom verzoekt, verstrekt de goedkeuringsinstantie de in de leden 5 tot en met 8 bedoelde gegevens ook aan de Commissie.

10.   De goedkeuringsinstantie stelt een informatiepakket samen dat bestaat uit het informatiedossier plus de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd. Het informatiepakket bevat een inhoudsopgave, genummerd of voorzien van andere tekens zodat alle pagina’s en de opzet van ieder document duidelijk worden aangegeven; dit document geeft een overzicht geeft van de opeenvolgende stappen in het beheer van de EU-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van herzieningen en bijwerkingen. De goedkeurende instantie houdt de informatie in het informatiepakket ter beschikking gedurende een periode van tien jaar na afloop van de geldigheid van de desbetreffende goedkeuring.

Artikel 25

Specifieke bepalingen voor het EU-typegoedkeuringscertificaat

1.   De volgende stukken worden als bijlage bij het EU-typegoedkeuringscertificaat gevoegd:

a)

het in artikel 24, lid 10, bedoelde informatiepakket;

b)

de testresultaten;

c)

naam en handtekening van de persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) certificaten van overeenstemming te ondertekenen met vermelding van zijn (hun) positie in het bedrijf;

d)

in het geval van een EU-typegoedkeuring voor een geheel voertuig, een ingevuld model van het certificaat van overeenstemming.

2.   Het EU-typegoedkeuringscertificaat wordt afgegeven op basis van het model dat door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen is vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

3.   Voor elk voertuigtype moet de goedkeuringsinstantie:

a)

alle relevante rubrieken van het EU-typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier met testresultaten invullen;

b)

de inhoudsopgave bij het informatiepakket samenstellen;

c)

het ingevulde certificaat en de bijlagen onverwijld aan de aanvrager verstrekken.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model voor het onder a) van dit lid genoemde formulier met testresultaten vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

4.   In het geval van een EU-typegoedkeuring waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 35 beperkt is of die van de toepassing van sommige bepalingen van deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen is ontheven, worden deze beperkingen of ontheffingen in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

5.   Indien de fabrikant voor de gemengde goedkeuringsprocedure kiest, vult de goedkeuringsinstantie het informatiepakket in met de referenties van de uit hoofde van de in artikel 27, lid 1, bedoelde uitvoeringshandeling opgestelde testrapporten waarvoor geen EU-typegoedkeuringscertificaat beschikbaar is.

6.   Indien de fabrikant de eenstapstypegoedkeuringsprocedure kiest, stelt de goedkeuringsinstantie een lijst van van toepassing zijnde voorschriften of regelgevingen op en voegt deze lijst bij het EU-typegoedkeuringscertificaat. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model voor een dergelijke lijst vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoekprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 26

Specifieke bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1.   Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een type systeem dat conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen.

2.   Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een onderdeel of technische eenheid die conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen.

3.   Wanneer onderdelen of technische eenheden, die al dan niet bedoeld zijn voor reparatie, service of onderhoud, ook onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, wordt daarvoor geen aanvullende goedkeuring verlangd, tenzij in bijlage I vermelde relevante regelgevingen zulks vereisen.

4.   Wanneer een onderdeel of technische eenheid zijn of haar functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere voertuigdelen en daarom de naleving van de voorschriften slechts kan worden geverifieerd wanneer het onderdeel of de technische eenheid in combinatie met die andere voertuigdelen functioneert, wordt de geldigheid van de EU-typegoedkeuring van het onderdeel of de technische eenheid dienovereenkomstig beperkt.

In dat geval worden de eventuele beperkingen van het gebruik van het onderdeel of de technische eenheid en de bijzondere montagevoorwaarden in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

Als een dergelijk onderdeel of een dergelijke technische eenheid door de voertuigfabrikant wordt gemonteerd, wordt bij de goedkeuring van het voertuig nagegaan of de beperkingen van het gebruik en de montagevoorwaarden in acht zijn genomen.

Artikel 27

Voor EU-typegoedkeuring vereiste tests

1.   Door middel van passende tests die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze verordening en van de in bijlage I vermelde regelgevingen is voldaan.

De in de eerste alinea bedoelde testprocedures en de specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze tests nodig zijn, worden vastgesteld in de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen.

De opzet van het testverslag voldoet aan de algemene voorschriften die door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

2.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie zo veel voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking als volgens de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen nodig zijn voor de uitvoering van de voorgeschreven tests.

3.   De voorgeschreven tests worden uitgevoerd op voertuigen, onderdelen en technische eenheden die representatief zijn voor het goed te keuren type.

De fabrikant kan evenwel na toestemming van de goedkeuringsinstantie een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid kiezen dat of die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar dat of die een aantal van de meest ongunstige kenmerken ten aanzien van het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

4.   Als alternatief voor de in lid 1 bedoelde testprocedures mogen op verzoek van de fabrikant en na toestemming van de goedkeuringsinstantie virtuele testmethoden worden gebruikt ten aanzien van de voorschriften die zijn vastgesteld in de op grond van lid 6 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

5.   Virtuele testmethoden moeten voldoen aan de voorwaarden in de op grond van lid 6 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

6.   Om ervoor te zorgen dat de met virtueel testen verkregen resultaten even inzichtelijk zijn als de met fysiek testen verkregen resultaten, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waarvoor virtueel testen mogelijk is en de voorwaarden waaronder het virtueel testen moet plaatsvinden. Bij het vaststellen van die gedelegeerde handelingen baseert de Commissie zich zo nodig op de voorschriften en procedures zoals bedoeld in bijlage XVI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen (33) zijn bestemd.

Artikel 28

Regelingen inzake de overeenstemming van de productie

1.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring verleent, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende regelingen zijn getroffen om te waarborgen dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie, conform zijn met het goedgekeurde type.

2.   Een goedkeuringsinstantie die een typegoedkeuring voor een compleet voertuig verleent neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat door de fabrikant afgegeven certificaten van overeenstemming voldoen aan artikel 33. Daartoe controleert de goedkeuringsinstantie of een voldoende aantal monsters van certificaten van overeenstemming aan artikel 33 voldoet en of de fabrikant adequate stappen heeft genomen om de juistheid van de gegevens op de certificaten van overeenstemming te waarborgen.

3.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in de leden 1 en 2 bedoelde regelingen nog steeds afdoende zijn zodat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog steeds conform zijn met het goedgekeurde type en de certificaten van overeenstemming nog steeds aan artikel 33 voldoen.

4.   Om te verifiëren dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform is met het goedgekeurde type, mag de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle controles of tests die vereist zijn voor de EU-typegoedkeuring uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.

5.   Indien een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat de in de leden 1 en 2 bedoelde regelingen niet worden toegepast, aanzienlijk afwijken van de overeengekomen regelingen en controleplannen, niet meer worden toegepast of niet langer als afdoende worden beschouwd, terwijl de productie wel wordt voortgezet, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de procedure voor de overeenstemming van de productie correct wordt nageleefd, of trekt zij de typegoedkeuring in.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot gedetailleerde regelingen met betrekking tot de overeenstemming van de productie. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

WIJZIGINGEN VAN EU-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 29

Algemene bepalingen

1.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, onverwijld in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket.

Die goedkeuringsinstantie besluit welke van de procedures van artikel 30 moet worden gevolgd.

Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie na overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EU-typegoedkeuring moet worden verleend.

2.   Een aanvraag tot wijziging van een EU-typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke EU-typegoedkeuring heeft verleend.

3.   Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging inspecties of tests moeten worden herhaald, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis.

De in artikel 30 bedoelde procedures zijn alleen van toepassing als de goedkeuringsinstantie op grond van die inspecties of tests tot de conclusie komt dat nog steeds aan de voorwaarden voor EU-typegoedkeuring wordt voldaan.

Artikel 30

Herzieningen en uitbreidingen van EU-typegoedkeuringen

1.   Indien gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen, zijn gewijzigd zonder dat daarvoor inspecties of tests hoefden te worden herhaald, wordt de wijziging een „herziening” genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijden van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de nieuwe afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijzigingen, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2.   Een wijziging wordt een „uitbreiding” genoemd, als gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen zijn gewijzigd en een of meer van de volgende situaties optreden:

a)

er zijn aanvullende inspecties of nieuwe tests nodig;

b)

een gegeven op het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c)

krachtens in bijlage I vermelde regelgevingen die op het goedgekeurde voertuigtype of het goedgekeurde systeem of onderdeel of de goedgekeurde technische eenheid van toepassing zijn, worden van toepassing.

In het geval van een uitbreiding geeft de goedkeuringsinstantie een bijgewerkt EU-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer. Op dat goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

3.   Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

4.   Indien de in lid 2, onder c), bedoelde nieuwe voorschriften uit technisch oogpunt irrelevant zijn voor het voertuigtype of betrekking hebben op andere voertuigcategorieën dan die waartoe het voertuig behoort, wordt geen wijziging van de typegoedkeuring vereist.

Artikel 31

Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

1.   In geval van een uitbreiding worden alle relevante delen van het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket bijgewerkt. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

2.   In geval van een herziening worden de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde, bijgewerkte versie, inclusief de herziene inhoudsopgave bij het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

3.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten volgens de in artikel 24 bedoelde procedures van alle wijzigingen van EU-typegoedkeuringen in kennis.

HOOFDSTUK VII

GELDIGHEID VAN EU-TYPEGOEDKEURING

Artikel 32

Einde van de geldigheid

1.   Een EU-typegoedkeuring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.

2.   In de volgende gevallen wordt een EU-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig:

a)

voor het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen treden nieuwe voorschriften in werking die op het goedgekeurde voertuigtype van toepassing zijn, en de typegoedkeuring kan niet dienovereenkomstig worden bijgewerkt;

b)

de productie van het goedgekeurde voertuig wordt vrijwillig definitief stopgezet;

c)

de geldigheid van de goedkeuring loopt af ingevolge een beperking overeenkomstig artikel 35, lid 6;

d)

de goedkeuring is ingetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 5, artikel 44, lid 1, of artikel 47, lid 4.

3.   Indien slechts één variant van een type of één uitvoering van een variant ongeldig wordt, verliest de EU-typegoedkeuring van het betrokken voertuig alleen voor die variant of uitvoering haar geldigheid.

4.   Indien de productie van een bepaald voertuigtype definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan in kennis.

Uiterlijk een maand na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten hiervan in kennis.

5.   Wanneer een EU-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig wordt, stelt de fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 4, de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis.

De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verstrekt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld alle van toepassing zijnde informatie om eventueel artikel 39 toe te kunnen passen.

De in de tweede alinea bedoelde informatie omvat met name de productiedatum en het voertuigidentificatienummer van het laatste geproduceerde voertuig.

HOOFDSTUK VIII

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING EN MARKERINGEN

Artikel 33

Certificaat van overeenstemming

1.   Als houder van een typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming in papieren vorm af waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat conform het goedgekeurde voertuigtype is gebouwd, vergezeld gaat.

Dit certificaat wordt gratis bij het voertuig aan de koper geleverd. De levering ervan mag niet afhankelijk worden gesteld van een uitdrukkelijk verzoek daartoe of het verstrekken van aanvullende gegevens aan de fabrikant.

Op verzoek van de eigenaar van het voertuig verstrekt de fabrikant van het voertuig, gedurende een periode van tien jaar na de productiedatum van het voertuig, een duplicaat van het certificaat van overeenstemming aan de eigenaar van het voertuig, tegen betaling van een bedrag dat niet hoger is dan de hieraan verbonden kosten. Op de voorzijde van het duplicaat is het woord „duplicaat” duidelijk zichtbaar.

2.   De fabrikant maakt gebruik van het model voor het certificaat van overeenstemming dat door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen is vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat vervalsing wordt voorkomen. Hiertoe wordt in de uitvoeringshandelingen bepaald dat het voor het certificaat gebruikte papier door verscheidene druktechnische beveiligingen wordt beschermd. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

3.   Het certificaat van overeenstemming wordt opgesteld in ten minste een van de officiële talen van de Unie. Een lidstaat mag voorschrijven dat het certificaat van overeenstemming naar zijn eigen officiële taal of talen wordt vertaald.

4.   De persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) om de certificaten van overeenstemming te ondertekenen, maken deel uit van de organisatie van de fabrikant en worden door de directie naar behoren gemachtigd om volledig de wettelijke verantwoordelijkheid van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie of de overeenstemming van de productie van een voertuig.

5.   Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in deze verordening of een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn toegestaan.

6.   In geval van een incompleet of voltooid voertuig vult de fabrikant alleen de punten van het certificaat van overeenstemming in die in de lopende goedkeuringsfase toegevoegd of gewijzigd zijn, en voegt hij in voorkomend geval alle in de vorige fasen afgegeven certificaten van overeenstemming bij.

7.   Het opschrift van het certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 35, lid 2, goedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend.”.

8.   Het opschrift van het in de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen beschreven certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 37 typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor in kleine series typegoedkeuring is verleend”; in de onmiddellijke nabijheid daarvan wordt het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage II vermelde maximum aangebracht, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.

9.   Onverminderd lid 1 mag de fabrikant het certificaat van overeenstemming met elektronische middelen aan de registratie-instantie van een lidstaat doorgeven.

Artikel 34

Voorgeschreven plaat met de juiste opschriften van voertuigen en typegoedkeuringsmerken van onderdelen of technische eenheden

1.   De fabrikant van een voertuig brengt op elk voertuig dat conform het goedgekeurde type is vervaardigd, de door de desbetreffende uitvoeringshandeling die op grond van lid 3 is vastgesteld voorgeschreven plaat met de vereiste opschriften aan.

2.   De fabrikant van een onderdeel of technische eenheid, ongeacht of het of zij deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen en technische eenheden die conform het goedgekeurde type zijn vervaardigd, het door de relevante uitvoeringshandeling die op grond van deze verordening is vastgesteld, of het relevante VN/ECE-reglement of de relevante OESO-code vereiste typegoedkeuringsmerk aan.

Als een dergelijk typegoedkeuringsmerk niet is vereist, brengt de fabrikant ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk, het typenummer of een identificatienummer aan.

3.   De voorgeschreven plaat en het EU-typegoedkeuringsmerk wordt opgesteld volgens het model dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

HOOFDSTUK IX

ONTHEFFINGEN VOOR NIEUWE TECHNOLOGIEËN OF NIEUWE CONCEPTEN

Artikel 35

Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

1.   De fabrikant kan EU-typegoedkeuring aanvragen voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de in bijlage I vermelde regelgevingen.

2.   De goedkeuringsinstantie verleent de in lid 1 bedoelde EU-typegoedkeuring indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de aanvraag zijn de redenen vermeld waarom de desbetreffende technologieën of concepten tot gevolg hebben dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid onverenigbaar is met een of meer van de in bijlage I vermelde regelgevingen;

b)

in de aanvraag zijn de veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om ervoor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als door de voorschriften waarvan ontheffing wordt aangevraagd wordt geboden;

c)

er worden testbeschrijvingen en -resultaten aangevoerd die aantonen dat aan de voorwaarde onder b) is voldaan.

3.   Voor het verlenen van een dergelijke EU-typegoedkeuringsontheffing voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten is goedkeuring door de Commissie vereist. Die goedkeuring wordt gegeven door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   In afwachting van het goedkeuringsbesluit van de Commissie mag de goedkeuringsinstantie reeds de EU-typegoedkeuring verlenen, die echter voorlopig is en alleen op het grondgebied van die lidstaat geldig is, voor een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing betrekking heeft. De goedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de overige lidstaten daarvan onverwijld in kennis door middel van een dossier dat de in lid 2 bedoelde gegevens bevat.

In het opschrift van het typegoedkeuringscertificaat en het opschrift van het certificaat van overeenstemming wordt aangegeven dat het hierbij om een voorlopige goedkeuring met een beperkt geldigheidsgebied gaat. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te voorzien in geharmoniseerde modellen voor het typegoedkeuringscertificaat en het certificaat van overeenstemming voor de toepassing van dit lid. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Andere goedkeuringsinstanties mogen besluiten schriftelijk de in lid 4 bedoelde voorlopige goedkeuring binnen hun grondgebied te aanvaarden.

6.   Indien van toepassing wordt in de in lid 3 bedoelde goedkeuring door de Commissie ook aangegeven of er op de geldigheid beperkingen van toepassing zijn. De geldigheidsduur van de typegoedkeuring bedraagt in elk geval ten minste 36 maanden.

7.   Als de Commissie de goedkeuring weigert, stelt de goedkeuringsinstantie de houder van de in lid 3 bedoelde voorlopige typegoedkeuring er onverwijld van in kennis dat de voorlopige goedkeuring zes maanden na de datum van de weigering van de Commissie zal worden ingetrokken.

Voertuigen die echter conform de voorlopige goedkeuring worden vervaardigd voordat deze ongeldig is geworden, mogen worden in de handel gebracht, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht in elke lidstaat die de voorlopige goedkeuring had aanvaard.

Artikel 36

Latere aanpassing van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen

1.   Wanneer de Commissie een goedkeuring voor de verlening van een ontheffing overeenkomstig artikel 35 verleent, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen in kwestie aan de technologische ontwikkelingen aan te passen.

Wanneer de ontheffing krachtens artikel 35 betrekking heeft op een VN/ECE-reglement, stelt de Commissie een wijziging van dat VN/ECE-reglement voor volgens de procedure krachtens de Herziene Overeenkomst van 1958.

2.   Zodra de relevante regelgevingen zijn gewijzigd, wordt elke aan het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de ontheffing inherente beperking onmiddellijk opgeheven.

Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen niet zijn ondernomen, kan de Commissie, op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, middels een besluit in de vorm van een uitvoeringshandeling vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoekprocedure de lidstaat machtigen de typegoedkeuring te verlengen.

HOOFDSTUK X

IN KLEINE SERIES GEPRODUCEERDE VOERTUIGEN

Artikel 37

Nationale typegoedkeuring van kleine series

1.   De fabrikant kan binnen de in bijlage II vermelde jaarlijkse kwantitatieve beperkingen verzoeken om een nationale typegoedkeuring van kleine series van een voertuigtype. Deze beperkingen zijn van toepassing op het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen van het goedgekeurde type op de markt van elke lidstaat in een bepaald jaar.

Voor de nationale typegoedkeuring van kleine series kan de goedkeuringsinstantie, indien daarvoor goede redenen zijn, vrijstelling van een of meer van de in deze verordening en van een of meer van de bijlage I vermelde regelgevingen verlenen, mits zij alternatieve voorschriften aangeeft.

2.   De in lid 1 bedoelde alternatieve voorschriften moeten een functioneel veiligheids- en milieubeschermings- en inzittendenveiligheidsniveau waarborgen dat, voor zover praktisch haalbaar, gelijkwaardig is met het door de desbetreffende, in bijlage I vermelde regelgevingen geboden niveau.

3.   Voor de nationale typegoedkeuring van voertuigen krachtens dit artikel worden systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor overeenkomstig de in bijlage I vermelde regelgevingen typegoedkeuring is verleend, aanvaard.

4.   Het typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen waarvoor overeenkomstig dit artikel typegoedkeuring wordt verleend, wordt opgesteld volgens het in artikel 25, lid 2, bedoelde model, maar zonder het opschrift „EU-typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen”, en geeft inhoudelijk aan welke vrijstellingen overeenkomstig lid 1 van dit artikel zijn verleend. De typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens het in artikel 24, lid 4, bedoelde geharmoniseerde systeem.

5.   De geldigheid van een nationale typegoedkeuring van kleine series is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat waarvan de goedkeuringsinstantie de goedkeuring heeft verleend.

6.   Op verzoek van de fabrikant wordt echter een kopie van het typegoedkeuringscertificaat en de bijbehorende bijlagen per aangetekend schrijven of per e-mail aan de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten toegezonden.

7.   Uiterlijk drie maanden na ontvangst van het in lid 6 bedoelde verzoek besluiten de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten of zij de typegoedkeuring wel of niet aanvaarden. Zij delen hun beslissing formeel mede aan de goedkeuringinstantie die de nationale typegoedkeuring voor kleine series heeft toegekend.

8.   De goedkeuringsinstanties van de lidstaten accepteren de nationale typegoedkeuring tenzij zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de nationale technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan hun eigen technische voorschriften.

9.   Op verzoek van een aanvrager die een voertuig met een nationale typegoedkeuring van kleine series in de handel wil brengen of registreren in een andere lidstaat, verstrekt de goedkeuringsinstantie die de nationale typegoedkeuring van kleine series heeft verleend aan de nationale autoriteit van de andere lidstaat een afschrift te verlenen van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het informatiepakket. De leden 7 en 8 zijn van toepassing.

HOOFDSTUK XI

OP DE MARKT AANBIEDEN, REGISTRATIE OF IN HET VERKEER BRENGEN

Artikel 38

Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen

1.   Onverminderd de artikelen 41 en 44 worden voertuigen waarvoor typegoedkeuring voor gehele voertuigen verplicht is of waarvoor de fabrikant krachtens deze verordening een dergelijke typegoedkeuring heeft verkregen, alleen op de markt aangeboden of geregistreerd, en in het verkeer gebracht als zij vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 33.

In het geval van incomplete voertuigen wordt het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen ervan toegestaan, maar de instanties van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van voertuigen kunnen de registratie en het gebruik op de weg ervan weigeren.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer of de ordediensten, noch op voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 37 typegoedkeuring is verleend.

Artikel 39

Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraad

1.   Met inachtneming van de in de leden 2 en 4 vastgelegde beperkingen betreffende voertuigen uit een restantvoorraad en termijn, mogen voertuigen die conform zijn met een voertuigtype waarvan de EU-typegoedkeuring ingevolge artikel 32 ongeldig is geworden, niet op de markt worden aangeboden, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige EU-typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden, zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht voor deze EU-typegoedkeuring ongeldig werd.

2.   Lid 1 geldt gedurende 24 maanden voor complete voertuigen en gedurende 30 maanden voor voltooide voertuigen, telkens gerekend vanaf de datum waarop de EU-typegoedkeuring ongeldig is geworden.

3.   De fabrikant die van lid 1 gebruik wil maken, dient bij de nationale autoriteiten van elke lidstaat waar deze voertuigen op de markt worden aangeboden, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht, een verzoek in. In dat verzoek worden de technische of economische redenen vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe typegoedkeuringsvoorschriften kunnen voldoen.

De betrokken nationale autoriteit besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op haar grondgebied toestaat.

4.   Het aantal voertuigen uit een restantvoorraad mag niet meer bedragen dan 10 % van het aantal voertuigen dat tijdens de twee voorafgaande jaren is geregistreerd, of niet meer dan 20 per lidstaat, als dat meer is.

5.   Op het certificaat van overeenstemming van de voertuigen die volgens deze procedure in het verkeer worden gebracht, wordt speciaal vermeld dat deze voertuigen als „voertuigen uit een restantvoorraad” worden aangemerkt.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat het krachtens de procedure van dit artikel op de markt aan te bieden, te registreren of in het verkeer te brengen aantal voertuigen effectief wordt gecontroleerd.

7.   Dit artikel is alleen van toepassing in geval van stopzetting in verband met het einde van de geldigheid van de typegoedkeuring in het in artikel 32, lid 2, onder a), bedoelde geval.

Artikel 40

Op de markt aanbieden of in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden

1.   Onderdelen of technische eenheden mogen alleen op de markt worden aangeboden of in het verkeer worden gebracht indien zij aan de voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen voldoen en overeenkomstig artikel 34 naar behoren zijn gemerkt.

2.   Lid 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder deze verordening vallen.

3.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die onder artikel 35 van een of meer bepalingen van deze verordening zijn vrijgesteld of die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor krachtens artikel 37 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.

4.   In afwijking van lid 1, en tenzij in deze verordening of in een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen anders is bepaald, mogen de lidstaten het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het moment dat zij op de markt worden aangeboden of in het verkeer werden gebracht, geen typegoedkeuring was vereist op grond van deze verordening of Richtlijn 2003/37/EG.

HOOFDSTUK XII

VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 41

Procedures op nationaal niveau voor de omgang met voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

1.   Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat maatregelen hebben genomen krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 of voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een onder deze verordening vallend voertuig of systeem of een onder deze verordening vallend onderdeel of technische eenheid een ernstig risico voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen vormt, voert de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend een beoordeling van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid uit in het licht van alle in deze verordening vastgestelde voorschriften. De desbetreffende marktdeelnemers verlenen volledige medewerking aan de goedkeuringsinstanties en/of markttoezichtautoriteiten.

Wanneer de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend bij deze beoordeling vaststelt dat het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet aan de voorschriften van deze verordening voldoet, verlangt zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid met deze voorschriften conform te maken, of dat hij het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid uit de handel neemt of binnen een redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, terugroept.

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in de tweede alinea van dit lid genoemde maatregelen.

2.   Wanneer de goedkeuringsinstanties van mening zijn dat de non-conformiteit niet tot hun nationale grondgebied beperkt is, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben verlangd.

3.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij in de Unie in de handel heeft gebracht of geregistreerd of voor het in het verkeer brengen waarvan hij verantwoordelijk is.

4.   Wanneer de marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de nationale autoriteiten alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen op hun nationale markt van niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden te verbieden of te beperken, dan wel deze in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.

5.   De nationale autoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van de in lid 4 bedoelde maatregelen op de hoogte.

De verstrekte informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid die niet conform is te identificeren en om de oorsprong, de aard van de beweerde niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die worden aangevoerd door de desbetreffende marktdeelnemer. De goedkeuringsinstanties vermelden met name of de non-conformiteit een van de volgende redenen heeft:

a)

het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet niet aan de voorschriften met betrekking tot de gezondheid of veiligheid van personen, de bescherming van het milieu of andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen;

b)

de in bijlage I vermelde desbetreffende regelgevingen vertonen tekortkomingen.

6.   De lidstaten brengen de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie waarover zij beschikken met betrekking tot de non-conformiteit van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid in kwestie, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.

7.   Indien binnen een maand na de ontvangst van de in lid 6 van dit artikel bedoelde informatie bezwaar tegen een maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of de Commissie, wordt die maatregel door de Commissie overeenkomstig artikel 42 geëvalueerd.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid in kwestie onmiddellijk de passende beperkende maatregelen worden genomen zoals het uit de handel nemen van dit voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid.

Artikel 42

Vrijwaringsmaatregel van de Unie

1.   Wanneer tijdens de procedure van artikel 41, leden 3 en 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht, of de Commissie van mening is dat de nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, voert de Commissie onmiddellijk een evaluatie van de nationale maatregel uit na raadpleging van de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s). Aan de hand van de resultaten van die evaluatie besluit de Commissie volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedures of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd wordt geacht.

De Commissie brengt alle lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) op de hoogte van haar besluit.

2.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het niet-conforme voertuig, systeem of onderdeel of de niet-conforme technische eenheid uit de handel genomen wordt, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet-gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregel in of past hij deze aan, in overeenstemming met het in lid 1 bedoelde besluit.

3.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en wordt toegerekend aan tekortkomingen in deze verordening of op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, stelt de Commissie als volgt passende maatregelen voor:

a)

wanneer het op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen betreft, stelt de Commissie de vereiste wijzigingen van de desbetreffende handeling voor;

b)

wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de vereiste ontwerpwijzigingen van de betrokken VN/ECE-reglementen voor volgens de procedure die krachtens de Herziene Overeenkomst van 1958 van toepassing is.

Artikel 43

Conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

1.   Indien een lidstaat, na krachtens artikel 41, lid 1, een evaluatie te hebben uitgevoerd, van oordeel is dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de van toepassing zijnde voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig gevaar vormen voor de veiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kunnen schaden, verlangt deze lidstaat van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid op het moment van het in de handel brengen of de registratie of na het in het verkeer brengen ervan niet langer een risico vormt, of dat hij het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid uit de handel neemt of binnen een redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, terugroept. De lidstaat mag de registratie van dergelijke voertuigen weigeren, totdat de voertuigfabrikant al die passende maatregelen heeft genomen.

2.   Voor voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden als bedoeld in lid 1, zorgt de marktdeelnemer ervoor dat corrigerende maatregelen worden toegepast op al deze voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de Unie in de handel worden gebracht, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat brengt de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand op de hoogte van alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid in kwestie te identificeren en de oorsprong en de toeleveringsketen van het voertuig, systeem of onderdeel of van de technische eenheid, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen.

4.   De Commissie raadpleegt onverwijld de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s), en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, en voert een evaluatie van de getroffen nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de in lid 1 bedoelde nationale maatregelen al dan niet gerechtvaardigd worden geacht, en stelt zij zo nodig passende maatregelen voor.

5.   De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.

Artikel 44

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet conform zijn met het goedgekeurde type

1.   Indien nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming vergezeld gaan of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het goedgekeurde type, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie conform te maken met het goedgekeurde type.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EU-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als gebrek aan conformiteit met het goedgekeurde type.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie aantoont dat nieuwe voertuigen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming vergezeld gaan of van een in een andere lidstaat afgegeven goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het goedgekeurde type, kan zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog conform zijn met het goedgekeurde type. De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend voert deze verificatie zo spoedig mogelijk uit en uiterlijk drie maanden na de datum van het verzoek.

4.   De goedkeuringsinstantie verzoekt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor een systeem, onderdeel, technische eenheid of incompleet voertuig heeft verleend, in de volgende gevallen de nodige maatregelen te nemen om de voertuigen in productie opnieuw conform te maken met het goedgekeurde type:

a)

in geval van een EU-typegoedkeuring van een voertuig, indien de niet-conformiteit van een voertuig uitsluitend aan de niet-conformiteit van een systeem, component of technische eenheid kan worden toegeschreven;

b)

in geval van een meerfasentypegoedkeuring, indien de niet-conformiteit van een voltooid voertuig uitsluitend aan de niet-conformiteit van een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van het incomplete voertuig, of aan de niet-conformiteit van het incomplete voertuig zelf kan worden toegeschreven.

5.   De betrokken goedkeuringsinstantie neemt de nodige maatregelen, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstantie die het verzoek heeft gedaan, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden na de datum van het verzoek.

6.   Wanneer niet-conformiteit wordt vastgesteld, neemt de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring voor het systeem, onderdeel of technische eenheid dan wel voor het incomplete voertuig heeft verleend, de in lid 1 genoemde maatregelen.

De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen een maand in kennis van de intrekking van een EU-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.

7.   Indien de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, de haar ter kennis gebrachte niet-conformiteit betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen.

Artikel 45

Het in de handel en in het verkeer brengen van voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen

1.   Voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties worden niet in de handel gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht, tenzij daarvoor een vergunning is verleend door een goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 46, leden 1, 2 en 4.

2.   Teneinde voor de uniforme toepassing van lid 1 te zorgen, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om een lijst van dergelijke voertuigdelen en uitrustingsstukken op te stellen op basis van de beschikbare informatie, en in het bijzonder informatie van de lidstaten met betrekking tot:

a)

de ernst van het risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop de betrokken voertuigdelen en uitrustingsstukken zijn gemonteerd;

b)

de mogelijke gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunningsplicht voor voertuigdelen of uitrustingsstukken met zich meebrengt voor de consumenten en de fabrikanten op de vervangingsmarkt.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 69, lid 2.

3.   Lid 1 is niet van toepassing op originele voertuigdelen of uitrustingsstukken, noch op voertuigdelen of uitrustingsstukken waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig een van de in bijlage I vermelde regelgevingen, tenzij de goedkeuring betrekking heeft op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waaraan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

5.   Deze voorschriften kunnen worden gebaseerd op de in bijlage I vermelde regelgevingen of kunnen een vergelijking opleggen van de voertuigdelen of uitrustingsstukken met de milieu- of veiligheidsprestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een onderdeel daarvan. In beide gevallen zorgen de voorschriften ervoor dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken geen nadelige invloed hebben op de werking van de systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties.

Artikel 46

Voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen — bijkomende voorschriften

1.   Voor de toepassing van artikel 45, lid 1, dient de fabrikant van voertuigdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag met een door een aangewezen technische dienst opgesteld testverslag in waarin wordt gecertificeerd dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken waarvoor vergunning wordt gevraagd, voldoen aan de in artikel 45, lid 4, bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type per onderdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.

Op verzoek van de bevoegde instantie van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die de vergunning heeft verleend de eerstgenoemde instantie binnen een maand na ontvangst van dat verzoek een afschrift van het aangevraagde toestemmingscertificaat, inclusief de bijlagen, door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens. Het afschrift mag de vorm van een elektronisch bestand hebben.

2.   In de aanvraag worden gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, alsmede de naam van de fabrikant van het voertuig, het voertuigtype en, in voorkomend geval, het bouwjaar of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarop deze voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten worden aangebracht, kan worden geïdentificeerd.

Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testrapport en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende voertuigdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in artikel 45, lid 4, bedoelde voorschriften, geeft zij een vergunning af voor het in de handel of in het verkeer brengen van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, onder voorbehoud van lid 4, tweede alinea, van dit artikel.

De goedkeuringsinstantie verstrekt de fabrikant onverwijld een certificaat.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om een model en een nummeringsysteem vast te stellen voor het in lid 2, derde alinea, van dit artikel bedoelde certificaat. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de vergunning heeft afgegeven, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of de vergunning opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of aanvullende tests noodzakelijk zijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant ervoor te zorgen dat de voertuigdelen of de uitrustingsstukken vervaardigd worden en blijven worden volgens de voorwaarden waaronder de vergunning is afgegeven.

5.   Alvorens een vergunning af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de overeenstemming van de productie te waarborgen.

Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken opnieuw conform worden gemaakt. Indien nodig trekt zij de vergunning in.

6.   De goedkeuringsinstanties van de verschillende lidstaten brengen elke onenigheid met betrekking tot de in lid 2, tweede alinea, bedoelde vergunning ter kennis van de Commissie. Na overleg met de goedkeuringsinstanties neemt de Commissie passende maatregelen om een einde te maken aan de onenigheid, waarbij zij zelfs, waar nodig, de intrekking van de vergunning kan eisen.

7.   Zolang de in artikel 45, lid 2, bedoelde lijst nog niet is opgesteld, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven in verband met voertuigdelen of uitrustingsstukken die een nadelige invloed kunnen hebben op de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties.

Artikel 47

Terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden

1.   Wanneer een fabrikant aan wie een EU-typegoedkeuring voor een geheel voertuig is verleend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 in de handel gebrachte, geregistreerde of onder zijn verantwoordelijkheid in het verkeer gebrachte voertuigen moet terugroepen omdat een op het voertuig gemonteerd systeem of onderdeel of een op het voertuig gemonteerde technische eenheid, al dan niet overeenkomstig deze verordening goedgekeurd, een ernstig risico voor de veiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormt, of omdat een onderdeel waarvoor uit hoofde van de typegoedkeuringswetgeving geen specifieke voorschriften gelden, een ernstig risico voor de veiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormt, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

2.   Wanneer een fabrikant van systemen, onderdelen of technische eenheden aan wie een EU-typegoedkeuring is verleend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel zijn gebracht of voor het in het verkeer brengen waarvan hij verantwoordelijk was, moet terugroepen omdat deze, ongeacht of zij al dan niet overeenkomstig deze verordening zijn goedgekeurd, een ernstig risico voor de veiligheid, de inzittendenveiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormen, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

3.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om het in de leden 1 en 2 bedoelde ernstige risico weg te nemen. De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onverwijld aan de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten mee.

De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat deze maatregelen in hun lidstaten effectief worden uitgevoerd.

4.   Indien de maatregelen door de betrokken goedkeuringsinstantie ontoereikend worden geacht of deze van mening is dat ze niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stelt zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis.

De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend stelt vervolgens de fabrikant in kennis. Wanneer de fabrikant geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle vereiste beschermingsmaatregelen, die kunnen gaan tot de intrekking van de EU-typegoedkeuring. Bij intrekking van de EU-typegoedkeuring, stelt de goedkeuringsinstantie binnen een maand na deze intrekking de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis.

Artikel 48

Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

1.   Elk besluit dat uit hoofde van deze verordening wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking van een EU-typegoedkeuring, tot weigering van de registratie, tot het verbieden of beperken van het in de handel brengen, registreren of in het verkeer brengen van een voertuig, dan wel tot het verplicht uit de handel nemen van een voertuig, wordt uitvoerig met redenen omkleed.

2.   Het besluit wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

HOOFDSTUK XIII

INTERNATIONALE REGELGEVING

Artikel 49

VN/ECE-reglementen die deel uitmaken van de EU-typegoedkeuring

1.   De VN/ECE-reglementen of de wijzigingen daarop waar de Unie voor heeft gestemd of waartoe de Unie is toegetreden, en die in bijlage I bij deze verordening of in de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn vermeld, maken deel uit van de voorschriften voor de EU-typegoedkeuring van een voertuig.

2.   De goedkeuringsinstanties van de lidstaten aanvaarden de krachtens de in lid 1 bedoelde VN/ECE-reglementen afgegeven goedkeuringen en, in voorkomend geval, de desbetreffende goedkeuringsmerken in plaats van de overeenkomstige goedkeuringen en goedkeuringsmerken die op grond van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn afgegeven.

3.   Wanneer de Unie voor een VN/ECE-reglement of de wijzigingen daarop heeft gestemd met het oog op de EU-typegoedkeuring van voertuigen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 71 een gedelegeerde handeling vast om het VN/ECE-reglement of de wijzigingen daarop verplicht te stellen en, in voorkomend geval, bijlage I bij deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen te wijzigen, al naargelang het geval.

In die gedelegeerde handeling wordt vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarop verplicht is en worden in voorkomend geval overgangsbepalingen opgenomen.

De Commissie stelt afzonderlijke gedelegeerde handelingen vast ten aanzien van de verplichte toepassing van VN/ECE-reglementen.

Artikel 50

Erkenning van de testrapporten van de OESO voor EU-typegoedkeuringen

1.   Onverminderd de andere voorschriften van deze verordening kunnen, wanneer in deze verordening naar OESO-codes wordt verwezen, EU-typegoedkeuringen stoelen op het complete testrapport dat is opgesteld op basis van de standaardcodes van de OESO, als alternatief voor de testrapporten die krachtens deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn opgesteld.

2.   Het OESO-testrapport waarnaar in lid 1 wordt verwezen, mag alleen voor EU-typegoedkeuring worden gebruikt als het is goedgekeurd conform bijlage 1 bij het besluit van de OESO-Raad van februari 2012 waarin de OESO-standaardcodes voor de officiële keuring van landbouw- en bosbouwtrekkers worden herzien, als gewijzigd.

HOOFDSTUK XIV

HET VERSTREKKEN VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 51

Informatie voor gebruikers

1.   De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen voorgeschreven gegevens verstrekken, die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.

2.   Indien een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling hierin voorziet, stelt de fabrikant de gebruikers alle relevante informatie en vereiste instructies ter beschikking waarin de bijzondere voorwaarden voor of de beperkingen op het gebruik van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid worden beschreven.

3.   De in lid 2 bedoelde informatie wordt verstrekt in de officiële taal of talen van de lidstaten waar het voertuig in de handel zal worden gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht. Na aanvaarding door de goedkeuringsinstantie wordt zij in de gebruikershandleiding opgenomen.

Artikel 52

Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden

1.   De voertuigfabrikant verstrekt de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden alle gegevens die voor de EU-typegoedkeuring van onderdelen of technische eenheden zijn vereist of om een vergunning krachtens artikel 45 te verkrijgen, inclusief, in voorkomend geval, de in de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen vermelde tekeningen.

De voertuigfabrikant kan de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden een verbindende overeenkomst opleggen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van alle informatie die niet openbaar is, met inbegrip van informatie die verband houdt met intellectuele-eigendomsrechten.

2.   De fabrikant van onderdelen of technische eenheden in zijn hoedanigheid van houder van een EU-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig artikel 26, lid 4, beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bevat, verstrekt alle informatie hierover aan de voertuigfabrikant.

Indien een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling hierin voorziet, verstrekt de fabrikant van onderdelen of technische eenheden instructies over beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bij de geproduceerde onderdelen of technische eenheden.

HOOFDSTUK XV

TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

Artikel 53

Verplichtingen van de fabrikanten

1.   De fabrikanten bieden erkende handelaren, reparateurs en onafhankelijke marktdeelnemers op websites middels een gestandaardiseerd format snel en makkelijk niet-discriminatoire toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie. Deze verplichting is niet van toepassing in het geval dat een voertuig wordt goedgekeurd als een in kleine series gebouwd voertuig.

Software die essentieel is voor de goede werking van het veiligheids- en milieucontrolesysteem mag worden beschermd tegen niet-geautoriseerde manipulatie. Elke manipulatie van deze systemen die nodig is voor reparatie- of onderhoudsdoeleinden, of die toegankelijk is voor erkende handelaren of reparateurs, wordt ook op niet-discriminatoire wijze toegankelijk gemaakt voor onafhankelijke marktdeelnemers.

2.   Tot het moment dat de Commissie een gemeenschappelijke format vaststelt ten aanzien van de levering van de in lid 1 bedoelde informatie, dient deze informatie beschikbaar te worden gemaakt op een samenhangende manier die onafhankelijke marktdeelnemers in staat stelt deze met behulp van een redelijke inspanning te verwerken.

De fabrikant stelt erkende handelaren, reparateurs en onafhankelijke marktdeelnemers op niet-discriminatoire wijze opleidingsdocumentatie en relevant gereedschap ter beschikking. Deze toegang omvat, in voorkomend geval, passende opleiding met betrekking tot het downloaden van software, het beheer van diagnostische foutcodes en het gebruik van gereedschap.

3.   Onverminderd lid 1 omvat de aldaar bedoelde informatie het volgende:

a)

het type en model van de trekker;

b)

een eenduidig voertuigidentificatienummer;

c)

servicehandboeken met reparatie- en onderhoudsgegevens en serviceschema’s;

d)

technische handleidingen en technische servicebulletins;

e)

informatie over onderdelen en diagnose (zoals de theoretische minimale en maximale meetwaarden);

f)

bedradingsschema’s;

g)

de diagnostische foutcodes (met inbegrip van de eigen codes van de fabrikant);

h)

alle informatie die nodig is voor het installeren van nieuwe of geactualiseerde software in een nieuw voertuig of voertuigtype (bijvoorbeeld onderdeelnummer software);

i)

informatie over, en verstrekt door middel van, eigen instrumenten en apparatuur;

j)

informatie over gegevensregistratie, testgegevens en alle andere technische informatie (zoals bidirectionele bewakingsgegevens, indien van toepassing op de gebruikte technologie);

k)

standaardarbeidseenheden of de aan reparatie- en onderhoudswerkzaamheden bestede tijd, indien beschikbaar gesteld, hetzij direct, hetzij via een derde partij, aan de erkende handelaren en reparateurs van de fabrikant.

4.   Erkende handelaren en reparatiebedrijven die deel uitmaken van het distributienet van een bepaalde voertuigfabrikant, worden als onafhankelijke marktdeelnemers in de zin van deze verordening beschouwd voor zover zij reparatie- of onderhoudsdiensten verrichten voor voertuigen van een fabrikant van wiens distributienet zij geen deel uitmaken.

5.   De reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig is altijd beschikbaar, uitgezonderd tijdens noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het informatiesysteem.

6.   Voor de fabricage en het onderhoud van OBD-compatibele vervangings- of onderhoudsonderdelen en diagnose- en testapparatuur verstrekken de fabrikanten zonder daarbij te discrimineren de relevante OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie aan belangstellende fabrikanten en reparateurs van onderdelen en diagnose- en testapparatuur.

7.   Ten behoeve van het ontwerp en de fabricage van auto-onderdelen voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden, verstrekken de fabrikanten zonder daarbij te discrimineren de relevante OBD en de reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig aan iedere belangstellende installateur, fabrikant of reparateur van uitrustingstukken voor op alternatieve brandstof rijdende voertuigen.

8.   Wanneer een fabrikant een EU-typegoedkeuring of een nationale typegoedkeuring aanvraagt, levert hij aan de goedkeuringsinstantie het bewijs dat hij wat de in dit artikel voorgeschreven informatie betreft aan deze verordening voldoet.

Indien deze informatie op dat moment niet beschikbaar is of niet voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringsmaatregelen die van toepassing zijn wanneer een aanvraag voor een EU-typegoedkeuring of een nationale typegoedkeuring wordt ingediend, verstrekt de fabrikant deze informatie binnen zes maanden na de datum van goedkeuring.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen voor het vaststellen van een model voor een certificaat betreffende toegang tot OBD en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, waarmee dit bewijs van naleving aan de goedkeuringsinstantie wordt geleverd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

9.   Indien bovengenoemd bewijs van naleving niet binnen de in de tweede alinea van lid 8 genoemde termijn wordt geleverd, neemt de goedkeuringsinstantie de nodige maatregelen om op de naleving toe te zien.

10.   De fabrikant stelt latere wijzigingen van en aanvullingen op de reparatie- en onderhoudsinformatie op zijn websites ter beschikking zodra deze ter beschikking worden gesteld van erkende reparateurs.

11.   Indien de reparatie- en onderhoudsgegevens van een voertuig in een door of namens de voertuigfabrikant beheerde centrale databank worden opgeslagen, krijgen onafhankelijke reparatiebedrijven gratis toegang tot deze gegevens en worden zij in staat gesteld gegevens over de door hen uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in te voeren.

12.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met gedetailleerde voorschriften voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, en met name technische specificaties voor de manier waarop reparatie- en onderhoudsinformatie beschikbaar wordt gesteld.

13.   De Commissie past de informatievoorschriften in dit artikel, inclusief de technische specificaties betreffende de wijze waarop informatie moet worden verstrekt, door middel van de in lid 12 bedoelde gedelegeerde handelingen aan, teneinde deze evenredig te maken, in het bijzonder rekening houdend met het relatief kleine productievolume van dit type voertuig en met de in bijlage II vastgestelde maximale aantallen voor in kleine series gebouwde voertuigen. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan deze aanpassing resulteren in vrijstelling van het voorschrift betreffende het in een gestandaardiseerd format verstrekken van de informatie. Bij aanpassing of vrijstelling dient er hoe dan ook op te worden toegezien dat aan de doelstellingen van dit artikel kan worden voldaan.

Artikel 54

Verplichtingen met betrekking tot verschillende houders van typegoedkeuring

Bij stapsgewijze typegoedkeuring, gemengde goedkeuring en meerfasentypegoedkeuring, is de fabrikant die verantwoordelijk is voor de respectieve typegoedkeuring tevens verantwoordelijk voor het leveren van reparatie-informatie betreffende het specifieke systeem, onderdeel of de specifieke technische eenheid of voor de specifieke fase aan zowel de eindfabrikant als onafhankelijke marktdeelnemers.

De eindfabrikant is verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie betreffende het hele voertuig aan onafhankelijke marktdeelnemers.

Artikel 55

Vergoedingen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig

1.   De fabrikanten mogen een redelijke en evenredige vergoeding vragen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, werkinstrumenten en scholing waarop deze verordening van toepassing is. Een vergoeding is niet redelijk of evenredig indien deze ontmoedigend werkt doordat geen rekening wordt gehouden met de mate waarin de onafhankelijke marktdeelnemer deze gebruikt.

2.   De fabrikanten stellen de reparatie- en onderhoudsinformatie op dag-, maand- of jaarbasis ter beschikking, waarbij de vergoeding voor de toegang tot deze informatie afhankelijk is van de periode waarvoor toegang wordt verleend.

Artikel 56

Forum betreffende toegang tot voertuiginformatie

Het werkterrein van het Forum betreffende toegang tot voertuiginformatie dat is ingesteld krachtens artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (34) wordt uitgebreid met de voertuigen die onder deze verordening vallen.

Op grond van bewijs van al dan niet opzettelijk misbruik van OBD- en reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen adviseert het in de eerste alinea bedoelde Forum de Commissie over maatregelen om dergelijk misbruik van informatie te voorkomen.

HOOFDSTUK XVI

AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 57

Voorschriften met betrekking tot technische diensten

1.   De aanwijzende goedkeuringsinstanties zien erop toe dat voordat zij een technische dienst aanwijzen overeenkomstig artikel 59 deze technische dienst voldoet aan de voorschriften in de leden 2 tot en met 9 van dit artikel.

2.   Onverminderd artikel 60, lid 1, wordt een technische dienst naar het nationale recht van een lidstaat opgericht en bezit deze rechtspersoonlijkheid.

3.   Een technische dienst is een onafhankelijke organisatie die niet betrokken is bij het ontwerp, de productie, de levering of het onderhoud van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid die door deze dienst wordt beoordeeld.

Een instantie die lid is van een organisatie van ondernemers of van een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, de beschikbaarstelling, de assemblage, het gebruik of het onderhoud van de door haar beoordeelde, geteste of geïnspecteerde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, kan geacht worden aan de eerste alinea te voldoen, op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten worden aangetoond.

4.   Een technische dienst, zijn hoogste leidinggevenden en het personeel ervan dat belast is met het uitvoeren van de categorieën taken waarvoor zij overeenkomstig artikel 59, lid 1, zijn aangewezen, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier of voor het onderhoud verantwoordelijke persoon van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die zij beoordelen, en vertegenwoordigen niet partijen die bij deze activiteiten betrokken zijn. Dit belet echter niet het gebruik van beoordeelde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel, die nodig zijn voor de activiteiten van de technische dienst of het gebruik van dergelijke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden voor persoonlijke doeleinden.

Een technische dienst zorgt ervoor dat de activiteiten van zijn dochterondernemingen of onderaannemers niet van invloed zijn op de vertrouwelijkheid, de objectiviteit of de onpartijdigheid van de categorieën activiteiten waarvoor dienst werd aangewezen.

5.   Een technische dienst en zijn personeel voeren de categorieën activiteiten waarvoor de dienst werd aangewezen uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied, en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun beoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, in het bijzonder van druk en beïnvloeding van de kant van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.   Een technische dienst is in staat alle categorieën activiteiten uit te voeren waarvoor hij in overeenstemming met artikel 59, lid 1, is aangewezen door tot tevredenheid van zijn aanwijzende goedkeuringsinstantie aan te tonen dat hij beschikt over:

a)

personeel met passende vaardigheden, specifieke technische kennis en beroepsopleiding, alsook voldoende en passende ervaring om de taken uit te voeren;

b)

beschrijvingen van de relevante procedures voor de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, met waarborgen betreffende de transparantie en de reproduceerbaarheid van die procedures;

c)

procedures voor het uitvoeren van de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, terdege rekening houdend met de mate van complexiteit van de technologie van het voertuig, systeem of onderdeel of van de technische eenheid in kwestie, en met het massa- of seriële karakter van het productieproces, en

d)

de benodigde middelen voor het op een passende wijze uitvoeren van de taken die verband houden met de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, en toegang heeft tot alle benodigde apparatuur en faciliteiten.

Daarnaast toont de technische dienst tegenover de aanwijzende goedkeuringsinstantie aan dat hij voldoet aan de normen die zijn vastgesteld in de op grond van artikel 61 vastgestelde gedelegeerde handelingen en relevant zijn voor de categorieën activiteiten waarvoor hij is aangewezen.

7.   De onpartijdigheid van de technische diensten, hun hoogste leidinggevenden en het beoordelingspersoneel moet worden gewaarborgd. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen.

8.   Technische diensten sluiten een aansprakelijkheidsverzekering voor hun activiteiten af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van hun nationale recht door de lidstaat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.

9.   Het personeel van een technische dienst is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening of bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering geven, behalve ten opzichte van de aanwijzende goedkeuringsinstantie of op grond van het Unierecht of het nationale recht. De eigendomsrechten worden beschermd.

Artikel 58

Dochterondernemingen van en uitbesteding door technische diensten

1.   Technische diensten mogen uitsluitend met instemming van hun aanwijzende goedkeuringsinstantie een deel van de activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen overeenkomstig artikel 59, lid 1, uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.

2.   Wanneer een technische dienst specifieke taken in verband met de categorieën activiteiten waarvoor hij is aangewezen, uitbesteed of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt hij dat de onderaannemer of dochteronderneming voldoet aan artikel 57, en stelt hij de aanwijzende goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte.

3.   Technische diensten dragen de volledige verantwoordelijkheid voor de taken die worden verricht door hun onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze zijn gevestigd.

4.   Technische diensten houden de relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door hen uitgevoerde taken ter beschikking van de aanwijzende goedkeuringsinstantie.

Artikel 59

Aanwijzing van technische diensten

1.   Technische diensten worden aangewezen voor een of meer van de volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied:

a)

categorie A, technische diensten die de tests als bedoeld in deze verordening en in de in bijlage I vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;

b)

categorie B, technische diensten die toezien op de in deze verordening en in de in bijlage I vermelde handelingen bedoelde tests, indien de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;

c)

categorie C, technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en controleren;

d)

categorie D, technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien voor de controle van de overeenstemming van de productie.

2.   Een goedkeuringsinstantie kan worden aangewezen als technische dienst voor een of meer van de in lid 1 bedoelde activiteiten.

3.   Technische diensten van een derde land welke niet overeenkomstig artikel 60 zijn aangewezen, kunnen voor de toepassing van artikel 63 worden aangemeld, maar uitsluitend indien in een dergelijke aanvaarding van technische diensten is voorzien in een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land. Dit belet een technische dienst die naar het nationale recht van een lidstaat is opgericht overeenkomstig artikel 57, lid 2, niet in derde landen dochterondernemingen op te richten, op voorwaarde dat de dochterondernemingen rechtstreeks geleid en gecontroleerd worden door de aangewezen technische dienst.

Artikel 60

Geaccrediteerde interne technische diensten van de fabrikant

1.   Een geaccrediteerde interne technische dienst van een fabrikant kan alleen worden aangewezen voor activiteiten van categorie A met betrekking tot de technische voorschriften waarvoor zelftesten in een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling wordt toegestaan. Deze technische dienst vormt een afzonderlijk en te onderscheiden deel van de onderneming en is niet betrokken bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering of het onderhoud van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij beoordeelt.

2.   Een geaccrediteerde interne technische dienst voldoet aan de volgende voorschriften:

a)

behalve dat hij is aangewezen door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat, is hij geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie zoals bedoeld in artikel 2, punt 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008 en overeenkomstig de normen en procedures zoals bedoeld in artikel 61 van deze verordening;

b)

de geaccrediteerde interne technische dienst en zijn personeel zijn organisatorisch te onderscheiden en beschikken binnen de onderneming waarvan zij deel uitmaken over rapportagemethoden die hun onpartijdigheid waarborgen en aan de relevante nationale accreditatie-instantie aantonen;

c)

de geaccrediteerde interne technische dienst, noch zijn personeel oefenen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen;

d)

de geaccrediteerde interne technische dienst verleent zijn diensten uitsluitend aan de onderneming waarvan hij deel uitmaakt.

3.   Een geaccrediteerde interne technische dienst hoeft niet bij de Commissie te worden aangemeld voor de toepassing van artikel 63, maar op verzoek van de aanwijzende goedkeuringsinstantie wordt door de onderneming waarvan zij deel uitmaken of door de nationale accreditatie-instantie informatie over hun accreditatie aan die instantie verstrekt.

Artikel 61

Procedures voor prestatienormen en de evaluatie van technische diensten

Om ervoor te zorgen dat technische diensten in alle lidstaten aan dezelfde hoge standaarden voor het prestatieniveau voldoen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de normen waar de technische diensten aan moeten voldoen en voor de procedure voor hun beoordeling overeenkomstig artikel 62 en voor hun accreditatie overeenkomstig artikel 60.

Artikel 62

Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten

1.   De aanwijzende goedkeuringsinstantie stelt een beoordelingsverslag op waaruit blijkt dat de kandidaat-technische dienst is beoordeeld op de naleving van de voorschriften van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen. Dit verslag kan een door een accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat omvatten.

2.   De beoordeling waarop het in lid 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd volgens een op grond van artikel 61 vastgestelde gedelegeerde handeling. Het beoordelingsverslag wordt ten minste elke drie jaar opnieuw bezien.

3.   Het beoordelingsverslag wordt desgevraagd aan de Commissie verstrekt. In dergelijke gevallen en als de beoordeling niet is gebaseerd op een door een nationale accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat waarin wordt verklaard dat de technische dienst aan deze verordening voldoet, stelt de aanwijzende instantie aan de Commissie schriftelijke bewijsstukken ter beschikking waaruit de bekwaamheid van de technische dienst blijkt, alsmede de regelingen die zijn getroffen om te waarborgen dat de technische dienst regelmatig wordt gecontroleerd door de aanwijzende goedkeuringsinstantie en voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

4.   De goedkeuringsinstantie die als technische dienst aangewezen wenst te worden overeenkomstig artikel 59, lid 2, toont aan dat zij aan de voorwaarden voldoet middels een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke beoordelaars. Deze beoordelaars kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij afzonderlijk van het personeel dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd.

5.   Een geaccrediteerde interne technische dienst voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.

Artikel 63

Aanmeldingsprocedures

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam, het adres, inclusief het elektronische adres, de verantwoordelijke personen en de activiteitencategorie van elke technische dienst die zij hebben aangewezen, alsook van latere wijzigingen in deze aanwijzingen. In de aanmelding wordt vermeld voor welke van de in bijlage I genoemde onderwerpen de technische diensten zijn aangewezen.

2.   Een technische dienst kan de in artikel 59, lid 1, bedoelde activiteiten voor de typegoedkeuring namens de voor de typegoedkeuring verantwoordelijke aanwijzende goedkeuringsinstantie alleen verrichten als hij van tevoren bij de Commissie is aangemeld overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

3.   Dezelfde technische dienst kan door verschillende aanwijzende goedkeuringsinstantie worden aangewezen en aangemeld door de lidstaten van deze aanwijzende goedkeuringsinstanties, ongeacht de categorie of categorieën van activiteiten die deze dienst uitoefent overeenkomstig artikel 59, lid 1.

4.   De Commissie wordt in kennis gesteld van alle latere relevante wijzigingen in de aanwijzing.

5.   Wanneer een specifieke organisatie of een bevoegd orgaan dat een activiteit verricht die niet onder artikel 59, lid 1, valt, moet worden aangewezen voor de toepassing van een in bijlage I vermelde regelgeving, vindt de aanmelding plaats overeenkomstig dit artikel.

6.   De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de technische diensten die overeenkomstig dit artikel zijn aangemeld op haar website.

Artikel 64

Wijzigingen van de aanwijzing

1.   Wanneer een aanwijzende goedkeuringsinstantie heeft geconstateerd of vernomen dat een door haar aangewezen technische dienst niet meer aan de eisen van deze verordening voldoet of zijn verplichtingen niet nakomt, wordt de aanwijzing door de aanwijzende goedkeuringsinstantie beperkt, opgeschort of, in voorkomend geval, ingetrokken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan deze eisen of het niet-nakomen van deze verplichtingen. De lidstaat die deze technische dienst heeft aangemeld stelt de Commissie onverwijld op de hoogte. De Commissie wijzigt de in artikel 63, lid 6, bedoelde informatie dienovereenkomstig.

2.   Wanneer de aanwijzing wordt beperkt, opgeschort of ingetrokken, of de technische dienst zijn activiteiten heeft gestaakt, doet de aanwijzende goedkeuringsinstantie het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die technische dienst hetzij door een andere technische dienst worden behandeld, hetzij aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie of op hun verzoek de markttoezichtautoriteiten ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 65

Betwisting van de bekwaamheid van technische diensten

1.   De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels omtrent de bekwaamheid van een technische dienst of omtrent de vraag of een technische dienst nog aan de voorschriften voldoet en zijn verantwoordelijkheden nakomt.

2.   De lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie verstrekt de Commissie, op verzoek, alle informatie met betrekking tot de grondslag van de aanwijzing of de instandhouding van de aanwijzing van de betrokken technische dienst.

3.   Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.

4.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een technische dienst niet of niet meer aan de aanwijzingsvoorschriften voldoet, stelt zij de lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie daarvan op de hoogte, teneinde samen met die lidstaat de noodzakelijke corrigerende maatregelen vast te stellen, en verzoekt zij die lidstaat deze corrigerende maatregelen, inclusief, in voorkomend geval, de intrekking van de aanwijzing, te nemen.

Artikel 66

Operationele verplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten voeren de categorieën activiteiten uit waarvoor zij zijn aangewezen namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie volgens de beoordelings- en testprocedures zoals bedoeld in deze verordening en in de in bijlage I vermelde regelgevingen.

Technische diensten houden toezicht op de in deze verordening of in een van de in bijlage I vermelde regelgevingen voor de goedkeuring noodzakelijke tests of inspecties of voeren deze zelf uit, tenzij alternatieve procedures zijn toegestaan. De technische diensten voeren geen tests, beoordelingen of inspecties uit waarvoor zij niet naar behoren door hun goedkeuringsinstantie zijn aangewezen.

2.   Technische diensten:

a)

stellen hun aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde in staat in voorkomend geval getuige te zijn tijdens de conformiteitsbeoordeling door de technische dienst, en

b)

onverminderd het bepaalde in artikel 57, lid 9, en artikel 67, verstrekken hun aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde de informatie over hun onder het toepassingsgebied van deze verordening vallende activiteitencategorieën waarom verzocht wordt.

3.   Als een technische dienst vaststelt dat een fabrikant niet aan voorschriften in deze verordening heeft voldaan, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie zodat deze laatste de fabrikant kan verzoeken passende corrigerende maatregelen te nemen en vervolgens geen typegoedkeuringscertificaat afgeeft, tenzij de passende corrigerende maatregelen ten genoegen van de goedkeuringsinstantie zijn genomen.

4.   Wanneer een technische dienst die namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie optreedt bij de controle van de overeenstemming van de productie en na de afgifte van een typegoedkeuringscertificaat constateert dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet langer aan deze verordening voldoet, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie. De goedkeuringsinstantie neemt de in artikel 28 bepaalde passende maatregelen.

Artikel 67

Informatieverplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten stellen hun aanwijzende goedkeuringsinstantie op de hoogte van:

a)

elke geconstateerde non-conformiteit die een weigering, beperking, opschorting of intrekking van een typegoedkeuringscertificaat nodig kan maken;

b)

alle omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor hun aanwijzing;

c)

alle informatieverzoeken die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangen over hun activiteiten.

2.   Op verzoek van hun aanwijzende goedkeuringsinstanties verstrekken technische diensten informatie over de activiteiten binnen het toepassingsgebied van hun aanwijzingen over alle andere verrichte activiteiten, inclusief grensoverschrijdende activiteiten en uitbestedingen.

HOOFDSTUK XVII

UITVOERINGSHANDELINGEN EN GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 68

Uitvoeringshandelingen

Met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening en om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vast te leggen, stelt de Commissie, overeenkomstig de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, uitvoeringshandelingen met de volgende uitvoeringsmaatregelen vast:

a)

modellen voor het inlichtingenformulier en voor het informatiedossier zoals bedoeld in artikel 22;

b)

het nummeringssysteem voor EU-typegoedkeuringscertificaten zoals bedoeld in artikel 24, lid 4;

c)

het model voor de EU-typegoedkeuringscertificaten zoals bedoeld in artikel 25, lid 2;

d)

het model voor het formulier met testresultaten bij het EU-typegoedkeuringscertificaat zoals bedoeld in punt a) van artikel 25, lid 3;

e)

het model voor de lijst van van toepassing zijnde voorschriften of handelingen zoals bedoeld in artikel 25, lid 6;

f)

de algemene voorschriften voor het model voor het in artikel 27, lid 1, bedoelde testrapport;

g)

het model voor een certificaat van overeenstemming zoals bedoeld in artikel 33, lid 2;

h)

het model voor het EU-typegoedkeuringsmerk zoals bedoeld in artikel 34;

i)

een toestemming om EU-typegoedkeuringen te verlenen met ontheffingen betreffende nieuwe technologieën of nieuwe concepten zoals bedoeld in artikel 35, lid 3;

j)

de modellen voor het typegoedkeuringscertificaat en het certificaat van overeenstemming betreffende nieuwe technologieën of nieuwe concepten zoals bedoeld in artikel 35, lid 4;

k)

de toestemming voor lidstaten om de typegoedkeuring te verlengen zoals bedoeld in artikel 36, lid 2;

l)

de lijst van voertuigdelen of uitrustingsstukken zoals bedoeld in artikel 45, lid 2;

m)

het model en het nummeringsysteem voor het certificaat zoals bedoeld in artikel 46, lid 3, alsook alle aspecten met betrekking tot de in dat artikel bedoelde goedkeuringsprocedure;

n)

het model voor het certificaat dat de goedkeuringsinstantie conformiteit aantoont zoals bedoeld in artikel 53, lid 8.

Artikel 69

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het technisch comité landbouwvoertuigen (TC-AV). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 70

Wijziging van de bijlagen

1. Onverminderd de andere bepalingen van deze verordening met betrekking tot het wijzigen van zijn bijlagen, is de Commissie ook bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van bijlage I om verwijzingen naar regelgevingen op te nemen en rekening te houden met correcties.

Artikel 71

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 4, artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 27, lid 6, artikel 28, lid 6, artikel 45, lid 4, artikel 49, lid 3, artikel 53, lid 12, artikel 61 en artikel 70, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 22 maart 2013.

3.   De bevoegdheidsdelegatie bedoeld in artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 4, artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 27, lid 6, artikel 28, lid 6, artikel 45, lid 4, artikel 49, lid 3, artikel 53, lid 12, artikel 61 en artikel 70, kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.

5.   Een overeenkomstig artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 4, artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 27, lid 6, artikel 28, lid 6, artikel 45, lid 4, artikel 49, lid 3, artikel 53, lid 12, artikel 61 en artikel 70, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.

HOOFDSTUK XVIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 72

Sancties

1.   De lidstaten stellen sancties vast voor inbreuken door marktdeelnemers op deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen. Zij nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 23 maart 2015 van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

2.   De soorten inbreuken die aanleiding geven tot een sanctie zijn:

a)

valse verklaringen afleggen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot terugroeping leiden;

b)

testresultaten voor typegoedkeuring of conformiteit onder bedrijfsomstandigheden vervalsen;

c)

het achterhouden van gegevens of technische specificaties die tot terugroeping, weigering of intrekking van de typegoedkeuring zouden kunnen leiden;

d)

manipulatie-instrumenten gebruiken;

e)

toegang tot informatie weigeren;

f)

het zonder goedkeuring op de markt aanbieden, door marktdeelnemers, van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor een goedkeuring vereist is, of het met die intentie vervalsen van documenten of opschriften.

Artikel 73

Overgangsbepalingen

1.   Onverminderd andere bepalingen van deze verordening leidt deze verordening niet tot ongeldigverklaring van EU-typegoedkeuringen die vóór 1 januari 2016 voor voertuigen of systemen, onderdelen of technische eenheden zijn verleend.

2.   De goedkeuringsinstanties blijven uitbreidingen van goedkeuringen voor de in lid 1 bedoelde voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden verlenen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG en alle in artikel 76, lid 1, vermelde richtlijnen. Dergelijke goedkeuringen worden evenwel niet gebruikt voor het verkrijgen van typegoedkeuringen voor complete voertuigen op grond van deze verordening.

3.   In afwijking van deze verordening kunnen nieuwe systemen, onderdelen, technische eenheden of voertuigen van een type waaraan overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG een typegoedkeuring voor een compleet voertuig is verleend tot 31 december 2017 worden geregistreerd, in de handel of in het verkeer gebracht. Nieuwe voertuigen van een type waarvoor geen typegoedkeuring krachtens Richtlijn 2003/37/EG nodig was, kunnen eveneens tot die datum worden geregistreerd of in het verkeer gebracht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar de registratie of het in het verkeer brengen plaatsvindt.

Nationale autoriteiten verbieden, beperken of verhinderen in dat geval niet de registratie, het in de handel of in het verkeer brengen van voertuigen die conform het goedgekeurde type zijn.

Artikel 74

Verslag

1.   Uiterlijk 31 december 2019 informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze verordening vastgestelde typegoedkeuringsprocedures en met name over de toepassing van de meerfasenprocedure.

2.   Op basis van de krachtens lid 1 verstrekte informatie brengt de Commissie uiterlijk 31 december 2020 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordening.

Artikel 75

Herziening

1.   Uiterlijk 31 december 2022 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de in lid 3 vermelde onderwerpen.

2.   Het verslag is gebaseerd op een raadpleging van de relevante belanghebbenden en houdt rekening met bestaande aanverwante Europese en internationale normen.

3.   Uiterlijk 31 december 2021 brengen de lidstaten bij de Commissie verslag uit over:

a)

het aantal individuele goedkeuringen dat door hen sinds 1 januari 2016 per jaar is toegekend aan voertuigen die onder deze verordening vallen vóór hun eerste registratie;

b)

de nationale criteria waarop deze goedkeuringen stoelen, voor zover deze afwijken van de verplichte voorschriften voor EU-typegoedkeuring.

4.   Het verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van wetgevingsvoorstellen, en gaat in op de opname van individuele goedkeuringen in deze verordening op basis van geharmoniseerde voorschriften.

Artikel 76

Intrekking

1.   Onverminderd artikel 73, lid 2, van deze verordening, worden Richtlijn 2003/37/EG alsmede de Richtlijnen 74/347/EEG, 76/432/EEG, 76/763/EEG, 77/537/EEG, 78/764/EEG, 80/720/EEG, 86/297/EEG, 86/298/EEG, 86/415/EEG, 87/402/EEG, 2000/25/EG, 2009/57/EG, 2009/58/EG, 2009/59/EG, 2009/60/EG, 2009/61/EG, 2009/63/EG, 2009/64/EG, 2009/66/EG, 2009/68/EG; 2009/75/EG, 2009/76/EG en 2009/144/EG ingetrokken met ingang van 1 januari 2016.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de deze verordening en worden, wat Richtlijn 2003/37/EG betreft, gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 77

Wijziging van Richtlijn 2006/42/EG

Artikel 1, lid 2, punt e), eerste streepje, van Richtlijn 2006/42/EG wordt vervangen door:

„—

landbouw- en bosbouwtrekkers, met uitzondering van uitrustingsstukken die op deze voertuigen zijn aangebracht,”.

Artikel 78

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Vanaf 22 maart 2013 weigeren nationale autoriteiten niet EU-typegoedkeuringen of nationale typegoedkeuringen te verlenen voor een nieuw type voertuig, of de registratie, het in de handel brengen of het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig weigeren indien het betrokken voertuig voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, indien een fabrikant daarom vraagt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 5 februari 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 54 van 19.2.2011, blz. 42.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 november 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 januari 2013.

(3)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.

(4)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(5)  PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

(6)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

(7)  Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).

(8)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(9)  PB L 191 van 15.7.1974, blz. 5.

(10)  PB L 122 van 8.5.1976, blz. 1.

(11)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 135.

(12)  PB L 220 van 29.8.1977, blz. 38.

(13)  PB L 255 van 18.9.1978, blz. 1.

(14)  PB L 194 van 28.7.1980, blz. 1.

(15)  PB L 186 van 8.7.1986, blz. 19.

(16)  PB L 186 van 8.7.1986, blz. 26.

(17)  PB L 240 van 26.8.1986, blz. 1.

(18)  PB L 220 van 8.8.1987, blz. 1.

(19)  PB L 173 van 12.7.2000, blz. 1.

(20)  PB L 261 van 3.10.2009, blz. 1.

(21)  PB L 198 van 30.7.2009, blz. 4.

(22)  PB L 198 van 30.7.2009, blz. 9.

(23)  PB L 198 van 30.7.2009, blz. 15.

(24)  PB L 203 van 5.8.2009, blz. 19.

(25)  PB L 214 van 19.8.2009, blz. 23.

(26)  PB L 216 van 20.8.2009, blz. 1.

(27)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 11.

(28)  PB L 203 van 5.8.2009, blz. 52.

(29)  PB L 261 van 3.10.2009, blz. 40.

(30)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 18.

(31)  PB L 27 van 30.1.2010, blz. 33.

(32)  PB L 374 van 27.12.2006, blz. 10.

(33)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(34)  PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1.


BIJLAGE I

LIJST VAN VOORSCHRIFTEN VOOR EU-TYPEGOEDKEURING VAN VOERTUIGEN

Nr.

Artikel

Onderwerp

Verwijzing naar regelgeving

Motorvoertuigen

Voertuigcategorie

T1a

T1b

T2a

T2b

T3a

T3b

T4.1a

T4.1b

(+)

T4.2a

T4.2b

(+)

T4.3a

T4.3b

Ca

Cb

(++)

Ra

Rb

Sa

Sb

1

17, lid 2, onder a)

Integriteit van de voertuigstructuur

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

2

17, lid 2, onder b)

Maximum ontwerpsnelheid, snelheidsregulateur en snelheidsbegrenzers

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

3

17, lid 2, onder b)

Reminrichtingen en remverbinding met de aanhangwagen

RVBR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

4

17, lid 2, onder b)

Stuursystemen voor snelle trekkers

(op basis van ECE 79 Rev (nieuw nummer))

Y

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

I

NA

NA

NA

NA

5

17, lid 2, onder b)

Stuursystemen

RVFSR

Y

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

I

NA

NA

NA

NA

NA

6

17, lid 2, onder b)

Speedometer

 

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

7

17, lid 2, onder c)

Gezichtsveld en ruitenwissers

RVFSR (op basis van ECE 71 Rev.1)

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

8

17, lid 2, onder c)

Ruiten

RVFSR (op basis van ECE 43 Rev.2 Am3 Sup11)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

9

17, lid 2, onder c)

Achteruitkijkspiegels

RVFSR

Y

X

X

X

X

NA

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

10

17, lid 2, onder c)

Informatiesystemen voor de bestuurder

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

11

17, lid 2, onder d)

Verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen en hun lichtbronnen

RVFSR (op basis van

ECE 3 Rev.3 Am.1 Sup.11; ECE 4 Rev.4 Sup.14;

ECE 5 Supplement7 tot de 02 series van amendementen; ECE 6 Rev.4 Sup.17; ECE 7 Rev.4 Sup.15;

ECE 19 Rev.5 Sup.1; ECE 23 Rev.2 Sup.15;

ECE 31 Supplement 7 tot de 02 series van amendementen;

ECE 37 Supplement 36 tot de 03 series van amendementen;

ECE 38 Rev.2 Sup.14; ECE 98 Rev1 Sup11;

ECE 99 Supplement 6 op de oorspronkelijke versie van de verordening;

ECE 112 01 series van amendementen;

ECE 113 Supplement 9 op de oorspronkelijke versie van de verordening;)

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

12

17, lid 2, onder d)

Installatie verlichting

RVFSR (op basis van ECE 86 Am (nieuw nummer))

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

13

17, lid 2, onder e)

Bescherming van de inzittenden van het voertuig, met inbegrip van binnenuitrusting, hoofdsteunen, veiligheidsgordels en deuren van het voertuig

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

14

17, lid 2, onder f)

Buitenkant en accessoires van het voertuig

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

15

17, lid 2, onder g)

Elektromagnetische compatibiliteit

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

16

17, lid 2, onder h)

Geluidssignaalinrichting

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

17

17, lid 2, onder i)

Verwarmingssystemen

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

NA

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

18

17, lid 2, onder j)

Voorzieningen ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik

RVFSR

Y (uitsluitend voor categorieën T en C)

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

19

17, lid 2, onder k)

Kentekenplaat

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

20

17, lid 2, onder k)

Voorgeschreven plaat en opschriften

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

21

17, lid 2, onder l)

Afmetingen en massa aanhangwagen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

22

17, lid 2, onder l)

Maximummassa in beladen toestand

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

23

17, lid 2, onder l)

Extra gewichten

RVFSR

 

X

X

X

X

NA

NA

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

24

17, lid 2, onder m)

Veiligheid van elektrische systemen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

25

17, lid 2, onder a),17, lid 2, onder m), 18, lid 2, onder l)

Brandstoftank

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

26

17, lid 2, onder n)

Beschermingsinrichting aan de achterzijde

RVFSR

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

27

17, lid 2, onder o)

Zijdelingse bescherming

RVFSR

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

NA

NA

28

17, lid 2, onder p)

Laadplatforms

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

29

17, lid 2, onder q)

Koppelingen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

30

17, lid 2, onder r)

Banden

RVFSR (op basis van ECE 106 Am5 Sup6)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

X

X

X

X

31

17, lid 2, onder s)

Opspatafschermingssystemen

RVFSR

Y

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

NA

NA

X

NA

NA

32

17, lid 2, onder t)

Achteruitrijinrichting

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

33

17, lid 2, onder u)

Rupsbanden

RVFSR

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

34

17, lid 2, onder v)

Mechanische verbindingen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

35

18, lid 2, onder a)

ROPS

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 3, als gewijzigd)

 

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

36

18, lid 2, onder a)

ROPS (met rupsbanden)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 8, als gewijzigd)

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

37

18, lid 2, onder a)

ROPS (statische tests)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 4, als gewijzigd)

 

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

38

18, lid 2, onder a)

ROPS, vooraan gemonteerd (smalspoortrekkers)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 6, als gewijzigd)

 

NA

NA

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

39

18, lid 2, onder a)

ROPS, achteraan gemonteerd (smalspoortrekkers)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 7, als gewijzigd)

 

NA

NA

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

40

18, lid 2, onder b)

FOPS, structuur ter bescherming tegen vallende voorwerpen

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 10, als gewijzigd)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

41

18, lid 2, onder c)

Zitplaatsen voor passagiers

RVCR

 

X

X

NA

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

42

18, lid 2, onder d)

Blootstelling van de bestuurder aan geluidsniveaus

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

43

18, lid 2, onder e)

Bestuurderszitplaats en -positie

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

44

18, lid 2, onder f)

Bedieningsruimte, toegankelijkheid van de cabine;

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

45

18, lid 2, onder g)

Aftakassen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

46

18, lid 2, onder h)

Bescherming van aandrijfelementen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

47

18, lid 2, onder i)

Gordelverankeringen

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-codes 3, 4, 6, 7, 8; als gewijzigd)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

48

18, lid 2, onder j)

Veiligheidsgordels

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

49

18, lid 2, onder k)

OPS, bescherming van de bestuurder tegen binnendringende voorwerpen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

50

18, lid 2, onder l)

Uitlaatsysteem

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

51

18, lid 2, onder l), 18, lid 2, onder n), 18, lid 2, onder q), 18, lid 4

Gebruikershandleiding

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

52

18, lid 2, onder o)

Bedieningsinstrumenten, inclusief met name nood- en automatische stopvoorzieningen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

53

18, lid 2, onder p)

Bescherming tegen mechanische gevaren, andere dan die welke worden genoemd in artikel 18, lid 2, onder a), b), g) en k), met inbegrip van bescherming tegen het scheuren van buizen met vloeistoffen en ongecontroleerde bewegingen van het voertuig

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

54

18, lid 2, onder r), 18, lid 2, onder p)

Afschermingen en beschermingsmiddelen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

55

18, lid 2, onder l), 18, lid 2, onder s), 18, lid 2, onder q), 18, lid 4

Informatie, waarschuwingen en markeringen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

56

18, lid 2, onder t)

Materialen en producten

RVCR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

57

18, lid 2, onder u)

Batterijen

RVCR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

58

18, lid 4

Nooduitgang

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

 

59

18, lid 2, onder t), 18, lid 4

Ventilatie- en filtratiesysteem voor de cabine

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

60

18, lid 4

Brandsnelheid van het cabinemateriaal

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

61

19, lid 2, onder a)

Emissies van verontreinigende stoffen

REPPR (emissiefasen van 2000/25/EG en 97/68/EG)

 

X

X

X

X

X

Indien onder het toepassingsgebied van de richtlijn

X

Indien onder het toepassingsgebied van de richtlijn

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

62

19, lid 2, onder b)

Geluidsniveau (extern)

REPPR (grenswaarden van 2009/63/EG)

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

(+)= indien onder de categorie een dergelijke subcategorie is gecreëerd

(++)= uitsluitend voor de subcategorieën die overeenkomen met de als b geïndexeerde categorieën onder categorie T

X= van toepassing

I= identiek aan T al naar gelang de categorie

Y= de relevante regelgevingen voor motorvoertuigen worden als gelijkwaardig aanvaard, zoals aangegeven in de gedelegeerde handeling

Z= alleen van toepassing op verwisselbare getrokken machines die vanwege het bepaalde in artikel 3, definitie 9 (namelijk de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig is gelijk aan of groter dan 3,0) onder categorie R vallen

NA= niet van toepassing

RVFSR= Verordening voorschriften inzake de functionele voertuigveiligheid (gedelegeerde handeling)

RVCR= Verordening constructie-eisen (gedelegeerde handeling)

REPPR= Verordening voorschriften milieu- en aandrijfprestaties (gedelegeerde handeling)

RVBR= Verordening remvoorschriften (gedelegeerde handeling)


BIJLAGE II

GRENSWAARDEN VOOR KLEINE SERIES

Het aantal eenheden van één type dat per jaar in een lidstaat in de handel wordt gebracht, geregistreerd, of in het verkeer gebracht mag niet groter zijn dan hieronder voor de betrokken voertuigcategorie is aangegeven.

Categorie

Eenheden (voor ieder type)

T

150

C

50


BIJLAGE III

Concordantietabel

(bedoeld in artikel 76)

Richtlijn 2003/37/EG

Deze verordening

Artikel 1

Artikelen 1 en 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikelen 20 tot en met 23

Artikel 4

Artikelen 22, 24 en 26

Artikel 5

Artikelen 29 tot en met 31

Artikel 6

Artikelen 33 en 34

Artikel 7

Artikelen 5, 38 en 40

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 38, lid 2

Artikelen 35 tot en met 37 en artikel 39

Artikel 9

Artikel 37

Artikel 10

Artikel 39

Artikel 11

Artikelen 35 en 36

Artikel 12

Artikelen 49 en 50

Artikel 13

Artikelen 8 en 28

Artikel 14

Artikel 24

Artikel 15

Artikelen 41 tot en met 48

Artikel 16

Artikelen 41 en 44

Artikel 17

Artikel 44

Artikel 18

Artikel 48

Artikel 19

Artikelen 68, 70 en 71

Artikel 20

Artikel 69

Artikel 21

Artikel 5 en artikelen 57 tot en met 67

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26


2.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 60/52


VERORDENING (EU) Nr. 168/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 januari 2013

betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De interne markt omvat een gebied zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal moet worden gewaarborgd. Daartoe is bij Richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen: een allesomvattend EG-typegoedkeuringsstelsel voor twee- of driewielige voertuigen ingesteld. Deze beginselen moeten ook blijven gelden voor deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

(2)

De interne markt moet gebaseerd zijn op transparante, eenvoudige en consistente regelgeving die rechtszekerheid en duidelijkheid biedt ten bate van zowel het bedrijfsleven als de consument.

(3)

Teneinde de typegoedkeuringswetgeving te vereenvoudigen en de vaststelling ervan te versnellen is op het gebied van de EU-typegoedkeuringswetgeving voor voertuigen een nieuwe regelgevingsaanpak ingevoerd, volgens welke de wetgever in de gewone wetgevingsprocedure slechts de fundamentele regels en beginselen vaststelt en het vastleggen van de nadere technische bijzonderheden aan de Commissie delegeert. Wat de materiële voorschriften betreft, moeten in deze verordening daarom alleen fundamentele bepalingen inzake functionele veiligheid en milieuprestaties worden vastgesteld en moet de Commissie bevoegd zijn om de technische specificaties vast te leggen.

(4)

Deze verordening moet maatregelen op nationaal of Unieniveau inzake het gebruik van voertuigen van categorie L op de weg, zoals specifieke vereisten voor rijbewijzen, beperkingen van de maximumsnelheid, of de regeling van de toegang tot bepaalde wegen, onverlet laten.

(5)

Het markttoezicht op de automobielsector, en met name op de categorie L-voertuigsector, moet worden verbeterd door versterking van de wettelijke bepalingen betreffende de conformiteit van de productie en precisering van de verplichtingen van de marktdeelnemers in de toeleveringsketen. Met name moeten de rol en de verantwoordelijkheden van de instanties van de lidstaten die bevoegd zijn voor typegoedkeuring en markttoezicht worden verduidelijkt, en moeten de voorschriften met betrekking tot de bevoegdheid, verplichtingen en prestaties van de technische diensten die testen voor typegoedkeuring van voertuigen uitvoeren, worden aangescherpt. De naleving van de voorschriften inzake typegoedkeuring en conformiteit van de productie van de wetgeving betreffende de automobielsector moet de hoofdverantwoordelijkheid van de goedkeuringsinstanties blijven, terwijl de bevoegdheid voor het markttoezicht door verschillende nationale instanties gedeeld mag worden. Er zal op Unie- en nationaal niveau doeltreffende coördinatie en controle moeten worden toegepast om ervoor te zorgen dat goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten de nieuwe maatregelen effectief toepassen.

(6)

De in de bepalingen inzake markttoezicht van deze verordening vastgestelde verplichtingen van de nationale instanties zijn specifieker dan de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (4).

(7)

Deze verordening moet materiële voorschriften voor milieubescherming en functionele voertuigveiligheid bevatten. De belangrijkste elementen van de desbetreffende voorschriften van deze verordening zijn gebaseerd op de resultaten van de door de Commissie uitgevoerde effectbeoordeling van 4 oktober 2010 en de analyse van verschillende opties door de mogelijke voor- en nadelen met betrekking tot de economische, sociale, milieu- en veiligheidsaspecten tegen elkaar af te zetten. Bij deze analyse kwamen zowel kwalitatieve als kwantitatieve aspecten aan bod. Nadat de verschillende opties waren vergeleken werden de voorkeursopties aangewezen en gekozen om de basis voor deze verordening te vormen.

(8)

Het doel van deze verordening is geharmoniseerde regels voor de type-goedkeuring van voertuigen van categorie L vast te stellen om de goede werking van de interne markt te waarborgen. Voertuigen van categorie L zijn twee-, drie- of vierwielige voertuigen zoals gemotoriseerde tweewielers, driewielers en vierwielers. Deze verordening beoogt verder het huidige regelgevingskader te vereenvoudigen, de emissies van voertuigen van categorie L te verminderen, hetgeen moet resulteren in een meer evenredig aandeel van de emissies van voertuigen van categorie L in de totale emissies van het wegverkeer, het algemene veiligheidsniveau te verbeteren, de bepalingen aan de technische vooruitgang aan te passen, en de regels inzake markttoezicht aan te scherpen.

(9)

Om een hoog niveau van functionele voertuigveiligheid, arbeidsveiligheid en milieubescherming te waarborgen, moeten de technische voorschriften en milieunormen die in het kader van de typegoedkeuring van toepassing zijn op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden geharmoniseerd.

(10)

De doelstellingen van deze verordening mogen niet in het gedrang komen door de montage van bepaalde systemen, onderdelen of technische eenheden nadat de voertuigen in de handel zijn gebracht, zijn geregistreerd of in het verkeer zijn gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat systemen, onderdelen of technische eenheden die op voertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van voor de milieubescherming of de functionele veiligheid essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie vooraf worden gecontroleerd voordat zij in de handel worden gebracht, worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

(11)

Richtlijn 95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het nettomaximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (5) maakte het mogelijk voor lidstaten om de eerste registratie en alle daaropvolgende registraties op hun grondgebied van voertuigen met een maximaal nettovermogen van meer dan 74 kW te weigeren. Het verwachte verband tussen veiligheid en beperking van het vermogen in absolute zin kon in meerdere wetenschappelijke onderzoeken niet worden aangetoond. Om deze reden, en met het oog op het opheffen van interne handelsbelemmeringen op de markt van de Unie, mag deze optie niet langer worden gehandhaafd. Er moeten andere en doeltreffendere veiligheidsmaatregelen worden getroffen om de grote aantallen dodelijke en letselslachtoffers onder berijders van gemotoriseerde tweewielers bij verkeersongelukken in de Unie terug te dringen.

(12)

In deze verordening worden milieuvoorschriften voor twee fasen vastgesteld, waarvan de tweede (Euro 5) verplicht is voor nieuwe voertuigtypes vanaf 1 januari 2020, en kunnen de voertuigfabrikanten en toeleveranciers zo de planning op de lange termijn voorspellen. Op basis van in de toekomst beschikbare gegevens moet het in deze verordening voorgeschreven milieueffectonderzoek dit verder onderbouwen met modellering en een analyse van de technische haalbaarheid en de kosteneffectiviteit op basis van de recentste gegevens die dan beschikbaar zullen zijn. Voorts moet het onderzoek onder meer de haalbaarheid en kosteneffectiviteit van de voorschriften inzake conformiteitscontrole van in gebruik zijnde voertuigen, de voorschriften voor emissies buiten de cyclus en een grenswaarde voor deeltjesemissies voor bepaalde (sub)categorieën evalueren. Op basis van de resultaten van het onderzoek moet de Commissie overwegen een voorstel in te dienen om deze nieuwe elementen op te nemen in toekomstige typegoedkeuringswetgeving die na de in deze verordening bepaalde fasen van toepassing zal zijn.

(13)

Het EU-typegoedkeuringsstelsel heeft ten doel elke lidstaat in staat te stellen voor elk voertuigtype te bevestigen dat het de in deze verordening en in op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen voorziene controles heeft ondergaan en dat de fabrikant ervan een typegoedkeuringscertificaat heeft verkregen. Het verplicht fabrikanten er bovendien toe een certificaat van overeenstemming af te geven voor elk voertuig dat in overeenstemming met de typegoedkeuring is geproduceerd. Een van dit certificaat vergezeld voertuig mag op de markt worden aangeboden en worden geregistreerd om op het gehele grondgebied van de Unie te worden gebruikt.

(14)

Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de conformiteit van de productie, die een van de hoekstenen van het EU-typegoedkeuringssysteem vormt, juist is toegepast en naar behoren functioneert, moet een bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

(15)

Deze verordening bevat een reeks specifieke veiligheids- en milieuvoorschriften. Het is daarom belangrijk bepalingen vast te stellen om te waarborgen dat, indien een voertuig een ernstig risico vormt voor gebruikers of voor het milieu, de fabrikant of enige andere marktdeelnemer in de toeleveringsketen doeltreffende beschermingsmaatregelen, met inbegrip van het terugroepen van voertuigen, heeft getroffen in de zin van artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008. Goedkeuringsinstanties moeten daarom kunnen beoordelen of deze maatregelen volstaan.

(16)

In een beperkt aantal gevallen moet nationale typegoedkeuring van kleine series worden toegestaan. Om verkeerd gebruik te voorkomen, moet de vereenvoudigde procedure voor in kleine series gebouwde voertuigen tot zeer geringe producties worden beperkt. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeurig te worden gedefinieerd door het aantal geproduceerde voertuigen aan te geven.

(17)

De Unie is partij bij de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en voertuigdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene overeenkomst van 1958”) (6). Om de typegoedkeuringswetgeving volgens de aanbevelingen van het verslag dat de Commissie in 2006 heeft gepubliceerd met als titel „CARS 21: Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw” te vereenvoudigen, is het wenselijk alle bijzondere richtlijnen in te trekken zonder daarmee het beschermingsniveau te verminderen. De voorschriften die in die richtlijnen zijn vastgesteld, moeten in deze verordening of de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, worden overgenomen en moeten, daar waar van toepassing, worden vervangen door verwijzingen naar de desbetreffende reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) die de Unie bij stemming heeft goedgekeurd of waartoe de Unie is toegetreden en die als bijlage zijn bijgevoegd bij de Herziene overeenkomst van 1958. Om de administratieve lasten als gevolg van de typegoedkeuringsprocedure te verlichten, moet het voor voertuigfabrikanten mogelijk zijn typegoedkeuring aan te vragen overeenkomstig deze verordening, in voorkomend geval, rechtstreeks door het verkrijgen van een goedkeuring krachtens een van de toepasselijke VN/ECE-reglementen die in de bijlagen bij deze verordening en in de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn vermeld.

(18)

De VN/ECE-reglementen en de wijzigingen daarop waaraan de Unie, in het kader van de toepassing van Besluit 97/836/EG, haar goedkeuring heeft gehecht, moeten derhalve in de EU-typegoedkeuringswetgeving worden opgenomen. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om de nodige aanpassingen aan de bijlagen bij deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen vast te stellen.

(19)

Een onbeperkte toegang tot reparatie-informatie - via een gestandaardiseerd formaat voor het vinden van technische informatie - en effectieve concurrentie op de markt voor reparatie- en onderhoudsinformatiediensten is nodig om de werking van de interne markt te verbeteren, met name wat het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten betreft. Een groot deel van deze informatie betreft boorddiagnosesystemen en de interactie daarvan met andere voertuigsystemen. Het is wenselijk vast te stellen aan welke technische specificaties de websites van fabrikanten moeten voldoen, naast gerichte maatregelen om een redelijke toegang voor het midden- en kleinbedrijf te waarborgen.

(20)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en van de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (7).

(21)

Teneinde deze verordening aan te vullen met nadere technische bijzonderheden moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden overgedragen ten aanzien van voorschriften voor milieu- en aandrijvingsprestaties, functionele veiligheid en constructievoorschriften. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(22)

De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op deze verordening en de gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, en erop toezien dat deze regels worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(23)

Om te kunnen beoordelen en besluiten of meer categorieën motorfietsen verplicht met geavanceerde remsystemen moeten worden uitgerust, moet de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen op basis van onder meer de door de lidstaten verstrekte gegevens over verkeersongevallen.

(24)

Hoewel niets in deze verordening de lidstaten belet om hun respectieve individuele goedkeuringssystemen te blijven toepassen, moet de Commissie, op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie, aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de werking van deze nationale systemen, teneinde te overwegen of zij een wetgevingsvoorstel moet indienen betreffende de harmonisatie van de individuele goedkeuringssystemen op Unieniveau.

(25)

In de context van de herziening van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (8) moet de scheidingslijn tussen deze verordening en Richtlijn 2007/46/EG worden bekeken in het licht van de ervaring van de lidstaten met de toepassing van deze verordening, met name om eerlijke concurrentie tussen voertuigcategorieën te garanderen.

(26)

Ter wille van de duidelijkheid, voorspelbaarheid en vereenvoudiging en om de lasten voor de voertuigfabrikanten te verminderen, mag deze verordening slechts een beperkt aantal uitvoeringsfasen voor de invoering van strengere emissieniveaus en veiligheidsvoorschriften omvatten. Daarom moet de industrie voldoende tijd worden geboden om zich aan te passen aan de nieuwe voorschriften van deze verordening en aan de technische specificaties en administratieve bepalingen die in op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen worden beschreven. Het is van essentieel belang de voorschriften tijdig te definiëren om de fabrikanten voldoende aanlooptijd te bieden om technische oplossingen voor in series geproduceerde voertuigen te ontwikkelen, te testen en toe te passen en de fabrikanten en de goedkeuringsinstanties in de lidstaten voldoende aanlooptijd te bieden om de nodige administratieve systemen in te voeren.

(27)

Richtlijn 2002/24/EG en de in die richtlijn bedoelde bijzondere richtlijnen zijn meerdere malen ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid, rationele ordening en vereenvoudiging, moeten Richtlijn 2002/24/EG en de in die richtlijn bedoelde bijzondere richtlijnen worden ingetrokken en door één verordening en een klein aantal gedelegeerde en uitvoeringshandelingen worden vervangen. Door de vaststelling van een verordening wordt ervoor gezorgd dat de bepalingen in kwestie rechtstreeks van toepassing zijn en veel sneller en efficiënter kunnen worden bijgewerkt om ze beter aan de technische vooruitgang aan te passen.

(28)

De volgende richtlijnen moeten worden ingetrokken:

Richtlijn 2002/24/EG,

Richtlijn 93/14/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de reminrichting van twee- of driewielige motorvoertuigen (9),

Richtlijn 93/30/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de geluidssignaalinrichting van motorvoertuigen op twee of drie wielen (10),

Richtlijn 93/33/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de inrichting ter beveiliging tegen het gebruik door onbevoegden van motorvoertuigen op twee of drie wielen (11),

Richtlijn 93/93/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de massa's en afmetingen van twee- of driewielige motorvoertuigen (12),

Richtlijn 95/1/EG,

Richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (13),

Richtlijn 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de snelheidsmeter van twee- of driewielige motorvoertuigen (14),

Richtlijn 2002/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de verlaging van het niveau van verontreiniging door uitlaatgassen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (15),

Richtlijn 2009/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de montageplaats voor de achterkentekenplaat van twee- of driewielige motorvoertuigen (16),

Richtlijn 2009/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen op twee- of driewielige motorvoertuigen (17),

Richtlijn 2009/78/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de standaard van motorvoertuigen op twee wielen (18),

Richtlijn 2009/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het beveiligingssysteem voor passagiers van motorvoertuigen op twee wielen (19),

Richtlijn 2009/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters van motorvoertuigen op twee of drie wielen (20),

Richtlijn 2009/139/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de voorgeschreven opschriften op twee- of driewielige motorvoertuigen (21).

(29)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de administratieve en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van en het markttoezicht op voertuigen van categorie L, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens hun omvang en gevolgen beter verwezenlijkt kunnen worden op het niveau van de Unie, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   In deze verordening worden de administratieve en technische voorschriften vastgesteld voor de typegoedkeuring van alle in artikel 2, lid 1, bedoelde nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden.

Deze verordening is niet van toepassing op de goedkeuring van individuele voertuigen. Lidstaten die dergelijke individuele goedkeuringen verlenen, aanvaarden echter alle typegoedkeuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die krachtens deze verordening zijn verleend in plaats van krachtens de desbetreffende nationale bepalingen.

2.   In deze verordening worden de voorschriften vastgesteld voor het markttoezicht op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die overeenkomstig deze verordening aan goedkeuring worden onderworpen. In deze verordening worden ook de voorschriften vastgesteld voor het markttoezicht op voertuigdelen en uitrustingsstukken voor dergelijke voertuigen.

3.   Deze verordening laat de toepassing van de wetgeving inzake verkeersveiligheid onverlet.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op alle twee- of driewielige voertuigen en vierwielers, zoals gecategoriseerd in artikel 4 en bijlage I (hierna „voertuigen van categorie L” te noemen), die bedoeld zijn om op openbare wegen te rijden, ook wanneer zij in een of meer fasen ontworpen en gebouwd zijn, en op voor dergelijke voertuigen ontworpen en gebouwde systemen, onderdelen en technische eenheden, alsook voertuigdelen en uitrustingsstukken.

Deze verordening is ook van toepassing op enduromotorfietsen (L3e-AxE (x = 1, 2 of 3)), trialbikes (L3e-AxT (x = 1, 2 of 3)) en zware terreinquads (L7e-B) zoals gecategoriseerd in artikel 4 van en bijlage I.

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

a)

voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h;

b)

voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door lichamelijk gehandicapten;

c)

voertuigen die uitsluitend bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd;

d)

voertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik in wedstrijden;

e)

voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door de strijdkrachten, de burgerbescherming, de brandweer, de ordehandhavingsdiensten en de medische nooddiensten;

f)

landbouw- of bosbouwvoertuigen die vallen onder Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (22), machines die vallen onder Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (23) en Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines (24), en motorvoertuigen die vallen onder Richtlijn 2007/46/EG;

g)

voertuigen die voornamelijk bestemd zijn voor gebruik in het terrein en ontworpen zijn om op onverharde oppervlakken te rijden;

h)

fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van ten hoogste 250 W waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken wanneer de bestuurder ophoudt met trappen en anders geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken voordat het voertuig een snelheid van 25 km/h bereikt;

i)

zelfbalancerende voertuigen;

j)

voertuigen die niet met ten minste één zitplaats zijn uitgerust;

k)

voertuigen uitgerust met een bestuurderszitplaats waarvan de hoogte van een R-punt ≤ 540 mm voor de categorieën L1e, L3e en L4e of ≤ 400 mm voor de categorieën L2e, L5e, L6e en L7e.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening en de in de lijst van bijlage II vermelde besluiten, tenzij daarin anders is bepaald, wordt verstaan onder:

1)   „typegoedkeuring”: de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de toepasselijke administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

2)   „typegoedkeuringscertificaat”: het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een type voertuig, onderdeel, of technische eenheid typegoedkeuring is verleend;

3)   „typegoedkeuring van een geheel voertuig”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een incompleet, compleet of voltooid voertuigtype aan de toepasselijke administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

4)   „EU-typegoedkeuring”: de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de toepasselijke administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;

5)   „EU-typegoedkeuringscertificaat”: het op het model in de krachtens deze verordening vastgestelde uitvoeringshandeling gebaseerde certificaat, dan wel het begeleidende mededelingenformulier in de relevante VN/ECE-reglementen als bedoeld in deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen;

6)   „typegoedkeuring van een systeem”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een in een specifiek voertuigtype ingebouwd systeem aan de toepasselijke administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

7)   „typegoedkeuring van een technische eenheid”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een technische eenheid in samenhang met een of meer specifieke voertuigtypen aan de toepasselijke administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

8)   „typegoedkeuring van een onderdeel”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een onderdeel onafhankelijk van een voertuig aan de toepasselijke administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

9)   „nationale typegoedkeuring”: een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;

10)   „certificaat van overeenstemming”: het document dat door de fabrikant wordt afgegeven en dat certificeert dat een geproduceerd voertuig in overeenstemming is met het goedgekeurde voertuigtype;

11)   „basisvoertuig”: een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;

12)   „incompleet voertuig”: een voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

13)   „voltooid voertuig”: een voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de toepasselijke technische voorschriften van deze verordening voldoet;

14)   „compleet voertuig”: een voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de toepasselijke technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

15)   „systeem”: een geheel van voorzieningen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van deze verordening of een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen moet voldoen;

16)   „onderdeel”: een voorziening die aan de voorschriften van deze verordening of een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen moet voldoen en die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend overeenkomstig deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen indien deze handelingen daar uitdrukkelijk in voorzien;

17)   „technische eenheid”: een voorziening die aan de voorschriften van deze verordening of een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen moet voldoen en bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig, en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien deze handelingen daar uitdrukkelijk in voorzien;

18)   „voertuigdelen”: goederen die worden gebruikt voor de montage van een voertuig alsmede reserveonderdelen;

19)   „uitrustingsstukken”: andere goederen dan onderdelen, die kunnen worden toegevoegd aan of geïnstalleerd in of op een voertuig;

20)   „originele voertuigdelen of uitrustingsstukken”: voertuigdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van voertuigdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig; dit is met inbegrip van voertuigdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken voertuigdelen of uitrustingsstukken geproduceerd zijn; er is een weerlegbaar vermoeden dat voertuigdelen of uitrustingsstukken originele voertuigdelen of uitrustingsstukken zijn indien de fabrikant certificeert dat zij van gelijke kwaliteit zijn als de voertuigdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;

21)   „reserveonderdelen”: goederen die ter vervanging van de originele voertuigdelen in of op het voertuig worden gemonteerd, met inbegrip van goederen zoals smeermiddelen, die voor het gebruik van het voertuig noodzakelijk zijn, met uitzondering van brandstof;

22)   „functionele veiligheid”: het ontbreken van een onaanvaardbaar risico van lichamelijk letsel of van schade aan de menselijke gezondheid of aan eigendom als gevolg van door ondeugdelijk gedrag van mechanische, hydraulische, pneumatische, elektrische of elektronische systemen, onderdelen of technische eenheden veroorzaakte gevaren;

23)   „geavanceerd remsysteem”: een antiblokkeerremsysteem, een gecombineerd remsysteem of beide systemen;

24)   „antiblokkeerremsysteem”: een systeem dat het slippen van een wiel meet en de druk die de remkrachten op het (de) wiel(en) produceren automatisch moduleert om de mate van wielslip te beperken;

25)   „gecombineerd remsysteem”:

a)

voor voertuigcategorieën L1e en L3e: een bedrijfsremsysteem waarbij ten minste twee remmen op verschillende wielen worden bediend door activering van één enkel bedieningsorgaan;

b)

voor voertuigcategorie L4e: een bedrijfsremsysteem waarbij de remmen op ten minste de voor- en achterwielen worden bediend door activering van één enkel bedieningsorgaan (als het achterwiel en het wiel van het zijspan door hetzelfde remsysteem worden geremd, wordt dit als de achterrem beschouwd);

c)

voor voertuigcategorieën L2e, L5e, L6e en L7e: een bedrijfsremsysteem waarbij de remmen op alle wielen worden bediend door activering van één enkel bedieningsorgaan;

26)   „automatisch inschakelen van de verlichting”: een verlichtingssysteem dat wordt ingeschakeld als de contactschakelaar of de aan/uitschakelaar van de motor zich in de aan-stand bevindt;

27)   „voorziening tegen verontreiniging”: de onderdelen van een voertuig die de uitlaat- en/of verdampingsemissies beheersen of verminderen;

28)   „vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing”: een systeem voor verontreinigingsbeheersing of samenstel van dergelijke systemen dat bedoeld is ter vervanging van een origineel systeem voor verontreinigingsbeheersing en dat kan worden goedgekeurd als technische eenheid;

29)   „zitplaats”:

a)

een zadel voor de bestuurder of een passagier, dat wordt gebruikt door er schrijlings op te zitten, of

b)

een stoel die, in het geval van de bestuurder, ten minste plaats biedt voor een persoon ter grootte van een antropomorfe dummy die een volwassen man van het 50e percentiel voorstelt;

30)   „motor met compressieontsteking” of „CI-motor”: een verbrandingsmotor die werkt volgens de principes van de dieselcyclus;

31)   „motor met elektrische ontsteking” of „PI-motor”: een verbrandingsmotor die werkt volgens de principes van de ottocyclus;

32)   „hybride voertuig”: een gemotoriseerd voertuig met ten minste twee verschillende energieomzetters en twee verschillende, in het voertuig aanwezige energieopslagsystemen voor de aandrijving van het voertuig;

33)   „hybride elektrisch voertuig”: een voertuig dat voor mechanische aandrijving energie ontleent aan beide volgende, in het voertuig aanwezige bronnen van opgeslagen energie/vermogen:

a)

een verbruiksbrandstof;

b)

een accu, condensator, vliegwiel/generator of een ander opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen.

Deze definitie omvat ook voertuigen die alleen energie van een verbruiksbrandstof krijgen voor het opladen van het systeem voor de opslag van elektrische energie/vermogen;

34)   „aandrijving”: een verbrandingsmotor, een elektrische motor, een hybride toepassing of een combinatie van deze motortypen of van enig ander motortype;

35)   „nominaal continu maximumvermogen”: maximumvermogen over dertig minuten aan de uitgaande as van een elektrische motor, als vermeld in VN/ECE-Reglement nr. 85;

36)   „nettomaximumvermogen”: het maximumvermogen van een verbrandingsmotor dat op de testbank aan het uiteinde van de krukas of het equivalente onderdeel wordt verkregen;

37)   „manipulatie-instrument”: een constructieonderdeel dat de temperatuur, de rijsnelheid, het toerental en/of de belasting van de motor, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrole- en uitlaatgasnabehandelingssysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn;

38)   „duurzaamheid”: het vermogen van onderdelen en systemen om stand te houden zodat nog steeds aan de in artikel 23 en bijlage V vastgestelde milieuprestaties kan worden voldaan bij een aantal gereden kilometers zoals gedefinieerd in bijlage VII en zodat de functionele voertuigveiligheid wordt gegarandeerd als dit onder normale omstandigheden of onder de omstandigheden waarvoor het is bestemd, wordt gebruikt en volgens de aanbevelingen van de fabrikant wordt onderhouden;

39)   „cilinderinhoud”:

a)

bij motoren met op- en neergaande zuigers, het nominale slagvolume van de motor;

b)

bij draaizuigermotoren (Wankel), het nominale slagvolume van de motor vermenigvuldigd met twee;

40)   „verdampingsemissies”: de koolwaterstofdampen die uit het brandstofopslag- of -toevoersysteem van een motorvoertuig weglekken en die geen uitlaatemissies zijn;

41)   „SHED-test”: een test op een voertuig in een gesloten behuizing voor het bepalen van de verdamping, waarbij een speciale verdampingsemissietest wordt uitgevoerd;

42)   „gasbrandstofsysteem”: een systeem dat is samengesteld uit onderdelen voor de opslag van gasvormige brandstof, brandstoftoevoer, meting en regeling die op een motor zijn gemonteerd zodat deze op lpg, aardgas of waterstof kan lopen bij monofuel-, bifuel- of multifueltoepassing;

43)   „verontreinigende gassen”: de als uitlaatgassen uitgestoten koolmonoxide (CO), stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt in stikstofdioxide(NO2)-equivalent, en koolwaterstoffen (HC);

44)   „uitlaatemissies”: emissies van verontreinigende gassen en deeltjes via de uitlaatpijp van het voertuig;

45)   „deeltjes”: bestanddelen van het uitlaatgas die bij een temperatuur van maximaal 325 K (52 °C) uit het verdunde uitlaatgas worden verwijderd door middel van de in de testprocedure voor controle van de gemiddelde uitlaatemissies beschreven filters;

46)   „Worldwide harmonised Motorcycle Testing Cycle” of „WMTC”: de wereldwijd geharmoniseerde WMTC-laboratoriumtestcylus voor emissies, zoals gedefinieerd in mondiaal technisch Reglement nr. 2 van de VN/ECE;

47)   „fabrikant”: een natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring, de vergunningsprocedure en de conformiteit van de productie en die tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht op de door hem geproduceerde voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, ongeacht of deze natuurlijke of rechtspersoon direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd;

48)   „vertegenwoordiger van de fabrikant”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om de fabrikant te vertegenwoordigen bij de goedkeuringsinstantie of de markttoezichtautoriteit en namens de fabrikant op te treden bij onder deze verordening vallende aangelegenheden;

49)   „importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk uit een derde land in de handel brengt;

50)   „distributeur”: een andere natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur, die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk op de markt aanbiedt;

51)   „marktdeelnemer”: de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de importeur of de distributeur;

52)   „registratie”: de permanente, tijdelijke dan wel kortdurende administratieve goedkeuring voor het in het verkeer brengen van een voertuig, wat de identificatie ervan en de afgifte van een serienummer (het kenteken) impliceert;

53)   „in het verkeer brengen”: het eerste gebruik in de Unie van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk overeenkomstig het gebruiksdoel;

54)   „in de handel brengen”: een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk voor het eerst aanbieden in de Unie;

55)   „op de markt aanbieden”: een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk leveren voor distributie of gebruik op de markt in het kader van een commerciële activiteit, ongeacht of dit tegen betaling dan wel gratis gebeurt;

56)   „goedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen en door de lidstaat is aangemeld bij de Commissie en die bevoegd is voor alle aspecten van de typegoedkeuring van een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, voor de vergunningsprocedure, voor de afgifte en eventuele intrekking of weigering van goedkeuringscertificaten, en die bevoegd is om op te treden als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten, om de technische diensten aan te wijzen en om te waarborgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de conformiteit van de productie;

57)   „markttoezichtautoriteit”: de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied;

58)   „markttoezicht”: activiteiten en maatregelen van de nationale instanties om ervoor te zorgen dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie en geen gevaar opleveren voor gezondheid, de veiligheid of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;

59)   „nationale instantie”: een goedkeuringsinstantie of enige andere instantie die betrokken is bij en verantwoordelijk is voor markttoezicht, grenscontrole of registratie in een lidstaat met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken;

60)   „technische dienst”: een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten. De goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;

61)   „zelftesten”: het uitvoeren van tests in zijn eigen faciliteiten, de registratie van de testresultaten en de indiening van een verslag met conclusies bij de goedkeuringsinstantie door een fabrikant die als technische dienst is aangewezen om de naleving van bepaalde voorschriften te beoordelen;

62)   „virtuele testmethode”: computersimulatie, daaronder begrepen berekeningen die aantonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van een gedelegeerde handeling die wordt vastgesteld op grond van artikel 32, lid 6, zonder dat daarvoor gebruik hoeft te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;

63)   „boorddiagnosesysteem” of „OBD-systeem”: een systeem dat bij een storing door middel van in een computergeheugen opgeslagen foutcodes kan aangeven in welk gebied de storing waarschijnlijk is opgetreden;

64)   „reparatie- en onderhoudsinformatie”: alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, inspectie, periodieke controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie van een voertuig en die de fabrikanten aan hun erkende handelaren en reparatiebedrijven verstrekken, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie. Deze informatie omvat alle gegevens die nodig zijn voor het aanbrengen van voertuigdelen en uitrustingstukken op voertuigen;

65)   „onafhankelijke marktdeelnemer”: ondernemingen, met uitzondering van erkende handelaren en reparatiebedrijven, die direct of indirect bij de reparatie en het onderhoud van voertuigen betrokken zijn, met name reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, -gereedschap of reserveonderdelen, uitgevers van technische informatie, automobielclubs, wegenwachtdiensten, bedrijven die keurings- en controlediensten aanbieden en bedrijven die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van uitrustingsstukken voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden;

66)   „erkende reparateur”: een verrichter van reparatie- en onderhoudsdiensten voor voertuigen, die actief is in het distributiestelsel dat door een leverancier van voertuigen is opgezet;

67)   „voertuig uit restantvoorraad”: een voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden, kan worden geregistreerd of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;

68)   „gemotoriseerde tweewieler” of „PTW”: een gemotoriseerd voertuig op twee wielen, met inbegrip van gemotoriseerde rijwielen op twee wielen, bromfietsen op twee wielen en motorfietsen op twee wielen;

69)   „gemotoriseerde driewieler”: een gemotoriseerd voertuig op drie wielen dat voldoet aan de indelingscriteria voor voertuigen van categorie L5e;

70)   „vierwieler”: een voertuig op vier wielen dat voldoet aan de indelingscriteria voor voertuigen van categorie L6e of L7e;

71)   „zelfbalancerend voertuig”: een voertuigontwerp dat is gebaseerd op een inherent instabiel evenwicht en dat een hulpcontrolesysteem nodig heeft om in evenwicht te blijven, en waartoe onder andere gemotoriseerde eenwielers en gemotoriseerde voertuigen met twee parallel geplaatste wielen behoren;

72)   „dubbellucht”: twee op dezelfde as gemonteerde wielen die als één wiel worden beschouwd, waarbij de afstand tussen het midden van de contactvlakken van deze wielen met de grond ten hoogste 460 mm bedraagt;

73)   „voertuigtype”: een groep voertuigen, met inbegrip van varianten en uitvoeringen, van een bepaalde categorie die op de volgende essentiële punten onderling niet verschillen:

a)

categorie en subcategorie;

b)

fabrikant;

c)

chassis, frame, subframe of bodemplaat of structuur waaraan de belangrijkste onderdelen zijn bevestigd;

d)

typeaanduiding van de fabrikant;

74)   „variant”: voertuigen van hetzelfde type waarvoor geldt dat:

a)

de basiskenmerken van de vorm van de carrosserie gelijk zijn;

b)

ze dezelfde aandrijving en aandrijvingsconfiguratie bezitten;

c)

als een verbrandingsmotor deel uitmaakt van de aandrijving, ze hetzelfde werkingsprincipe hebben;

d)

ze hetzelfde aantal cilinders in dezelfde opstelling hebben;

e)

ze hetzelfde type versnellingsbak hebben;

f)

het verschil in massa in rijklare toestand tussen de laagste waarde en de hoogste waarde ten hoogste 20 % van de laagste waarde bedraagt;

g)

het verschil in de toelaatbare maximummassa tussen de laagste waarde en de hoogste waarde ten hoogste 20 % van de laagste waarde bedraagt;

h)

het verschil in cilinderinhoud van de motor (bij een verbrandingsmotor) tussen de laagste waarde en de hoogste waarde ten hoogste 30 % van de laagste waarde bedraagt, en

i)

het verschil in motorvermogen tussen de laagste waarde en de hoogste waarde ten hoogste 30 % van de laagste waarde bedraagt;

75)   „uitvoering van een variant”: een voertuig dat bestaat uit een combinatie van punten in het in artikel 29, lid 10, bedoelde informatiepakket;

76)   „motor met externe verbranding”: een thermische motor waarin de verbrandings- en expansiekamer fysiek gescheiden zijn en waarbij een interne werkvloeistof wordt verhit door verbranding in een externe bron; de hitte van de externe verbranding doet de interne werkvloeistof uitzetten, die vervolgens door expansie en inwerking op het mechanisme van de motor beweging en bruikbare arbeid produceert;

77)   „aandrijflijn”: de onderdelen en systemen van een voertuig die vermogen leveren en op het wegdek overbrengen, zoals de motor(en), motormanagementsystemen of andere controlemodules, de voorzieningen tegen milieuverontreiniging, zoals systemen om vervuilende emissies en geluidshinder te beperken, de overbrenging en de bediening daarvan (aandrijfas, riemaandrijving of kettingaandrijving), de differentiëlen, de eindaandrijving en de (straal van de) band van het aangedreven wiel;

78)   „monofuelvoertuig”: voertuig dat ontworpen is om in de eerste plaats op één type brandstof rijden;

79)   „monofuelvoertuig op gas”: monofuelvoertuig dat in de eerste plaats op lpg, aardgas/biomethaan of waterstof rijdt, maar dat ook een benzinetank mag hebben voor noodgevallen of alleen voor het starten van de motor, op voorwaarde dat de inhoud van deze tank niet meer dan 5 l bedraagt;

80)   „E5”: een brandstofmengsel van 5 % watervrije ethanol en 95 % benzine;

81)   „lpg”: vloeibaar petroleumgas dat bestaat uit propaan en butaan die door opslag onder druk vloeibaar zijn gemaakt;

82)   „aardgas”: aardgas met een zeer hoog methaangehalte;

83)   „biomethaan”: een hernieuwbaar natuurlijk gas uit biologische bronnen dat oorspronkelijk „biogas” is maar vervolgens wordt gezuiverd volgens het zogenoemde „van biogas tot biomethaan”-proces waarbij de onzuiverheden in het biogas, zoals kooldioxide, siloxanen en waterstofsulfide (H2S) worden verwijderd;

84)   „bifuelvoertuig”: voertuig met twee afzonderlijke brandstofopslagsystemen dat op twee verschillende brandstoffen kan rijden, maar volgens het ontwerp slechts op één brandstof tegelijkertijd;

85)   „bifuelvoertuig op gas”: bifuelvoertuig dat op benzine en ook op lpg, aardgas/biomethaan of waterstof kan rijden;

86)   „flexfuelvoertuig”: voertuig met één brandstofopslagsysteem dat op verschillende mengsels van twee of meer brandstoffen kan rijden;

87)   „E85”: een brandstofmengsel van 85 % watervrije ethanol en 15 % benzine;

88)   „flexfuelvoertuig op ethanol”: flexfuelvoertuig dat zowel op benzine als op een mengsel van benzine en ethanol met maximaal 85 % ethanol kan rijden;

89)   „H2NG”: een brandstofmengsel van waterstof en aardgas;

90)   „H2NG-flexfuelvoertuig”: een flexfuelvoertuig dat op verschillende mengsels van waterstof en aardgas/biomethaan kan rijden;

91)   „flexfuelvoertuig op biodiesel”: flexfuelvoertuig dat zowel op minerale diesel als op een mengsel van minerale diesel en biodiesel kan rijden;

92)   „B5”: een mengsel van maximaal 5 % biodiesel en 95 % petroleumdiesel;

93)   „biodiesel”: een dieselbrandstof op basis van plantaardige olie of dierlijke vetten die bestaat uit op duurzame wijze geproduceerde langeketenalkylesters;

94)   „zuiver elektrisch voertuig”: een voertuig dat zijn vermogen verkrijgt van:

a)

een systeem bestaande uit een of meer opslagsystemen voor elektrische energie, een of meer stroomconditioneringsvoorzieningen en een of meer elektrische machines waarmee opgeslagen elektrische energie wordt omgezet in mechanische energie die naar de wielen gaat voor de aandrijving van het voertuig;

b)

een elektrische hulpaandrijving die op een voertuig met trappers is aangebracht;

95)   „waterstofcelvoertuig”: een voertuig met een brandstofcel die chemische energie uit waterstof omzet in elektrische energie voor de aandrijving van het voertuig;

96)   „R-punt” of „referentiepunt van de zitplaats”: een door de voertuigfabrikant voor iedere zitplaats gedefinieerd ontwerppunt, vastgesteld in relatie tot het driedimensionale referentiesysteem.

Verwijzingen in de verordening naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening gelden als verwijzingen naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening en in de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 4

Voertuigcategorieën

1.   Tot de voertuigen van categorie L behoren voertuigen op twee, drie en vier wielen volgens de indeling van dit artikel en bijlage I, waaronder gemotoriseerde rijwielen, bromfietsen op twee en drie wielen, motorfietsen op twee en drie wielen, motorfietsen met zijspan, lichte en zware quads voor gebruik op de weg en lichte en zware quadri-mobiles.

2.   Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende categorieën en subcategorieën van voertuigen gehanteerd, zoals beschreven in bijlage I:

a)

voertuig van categorie L1e (licht gemotoriseerd voertuig op twee wielen), met als subcategorieën:

i)

L1e-A-voertuig (gemotoriseerd rijwiel);

ii)

L1e-B-voertuig (bromfiets op twee wielen);

b)

voertuig van categorie L2e (bromfiets op drie wielen), met als subcategorieën:

i)

L2e-P-voertuig (bromfiets op drie wielen bestemd voor passagiersvervoer);

ii)

L2e-U-voertuig (bromfiets op drie wielen bestemd voor vrachtvervoer);

c)

voertuig van categorie L3e (motorfiets op twee wielen), met als subcategorieën:

i)

vermogen van de motorfiets (25), met als verdere subcategorieën:

L3e-A1-voertuig (motorfiets met laag vermogen),

L3e-A2-voertuig (motorfiets met middelhoog vermogen),

L3e-A3-voertuig (motorfiets met hoog vermogen);

ii)

bijzonder gebruik:

L3e-A1E-, L3e-A2E- of L3e-A3E-enduromotorfietsen,

L3e-A1T-, L3e-A2T- of L3e-A3T-trialbikes;

d)

voertuig van categorie L4e (motorfiets op twee wielen met zijspan);

e)

voertuig van categorie L5e (gemotoriseerde driewieler), met als subcategorieën:

i)

L5e-A-voertuig (driewieler), voertuig dat voornamelijk voor personenvervoer in ontworpen;

ii)

L5e-B-voertuig (bedrijfsdriewieler), vrachtdriewieler die speciaal is ontworpen voor goederenvervoer;

f)

voertuig van categorie L6e (lichte vierwieler), met als subcategorieën:

i)

L6e-A-voertuig (lichte quad voor gebruik op de weg);

ii)

L6e-B-voertuig (lichte quadri-mobile), met als verdere subcategorieën:

L6e-B-U-voertuig (lichte quadri-mobile voor vrachtvervoer): vrachtvoertuig dat speciaal is ontworpen voor goederenvervoer,

L6e-B-P-voertuig (lichte quadri-mobile voor personenvervoer): voertuig dat voornamelijk voor personenvervoer is ontworpen;

g)

voertuig van categorie L7e (zware vierwielers), met als subcategorieën:

i)

L7e-A-voertuig (zware quad voor gebruik op de weg), met als subcategorieën:

L7e-A1: A1-quad voor gebruik op de weg,

L7e-A2: A2-quad voor gebruik op de weg;

ii)

L7e-B-voertuig (zware terreinquad), met als subcategorieën:

L7e-B1: terreinquad,

L7e-B2: side-by-side buggy;

iii)

L7e-C-voertuig (zware quadri-mobile), met als subcategorieën:

L7e-C-U-voertuig: (zware quadri-mobile voor vrachtvervoer) vrachtvoertuig dat speciaal is ontworpen voor goederenvervoer,

L7e-C-P-voertuig: (zware quadri-mobile voor personenvervoer) voertuig dat voornamelijk voor personenvervoer is ontworpen.

3.   De in lid 2 genoemde voertuigen van categorie L worden verder ingedeeld naar gelang de aandrijving van het voertuig:

a)

aangedreven door een interne verbrandingsmotor:

compressieontsteking (CI),

elektrische ontsteking (PI);

b)

aangedreven door een motor met externe verbranding, een turbine of een draaizuigermotor, waarbij een voertuig met het oog op naleving van de functionele veiligheids- en milieuvoorschriften gelijk wordt gesteld aan een voertuig dat door een interne verbrandingsmotor met elektrische ontsteking wordt aangedreven;

c)

aangedreven door een motor die op perslucht werkt en die geen hogere emissieniveaus voor verontreinigende stoffen en/of inerte gassen heeft dan die in de omgevingslucht aanwezig zijn, waarbij een dergelijk voertuig met betrekking tot functionele veiligheidsvoorschriften en brandstofopslag en -toevoer gelijk wordt gesteld aan een voertuig dat op gasvormige brandstof werkt;

d)

aangedreven door een elektromotor;

e)

een hybride voertuig met een combinatie van de in de punten a), b), c) of d) van dit lid bedoelde aandrijvingsconfiguraties, of een meervoudige combinatie van die aandrijvingsconfiguraties, met inbegrip van meervoudige verbrandings- en/of elektrische motoren.

4.   Met betrekking tot de indeling van voertuigen van categorie L in lid 2 geldt dat een voertuig dat niet in een bepaalde categorie valt omdat het ten minste een van de voor die categorie vastgestelde criteria overschrijdt, tot de volgende categorie wordt gerekend aan de criteria waarvan het wel voldoet. Dit is van toepassing op de volgende groepen categorieën en subcategorieën:

a)

categorie L1e met subcategorieën L1e-A en L1e-B en categorie L3e met subcategorieën L3e-A1, L3e-A2 en L3e-A3;

b)

categorie L2e en categorie L5e met subcategorieën L5e-A en L5e-B;

c)

categorie L6e met subcategorieën L6e-A en L6e-B en categorie L7e met subcategorieën L7e-A, L7e-B en L7e-C;

d)

elke andere logische opeenvolging van categorieën en/of subcategorieën die de fabrikant voorstelt en die door de goedkeuringsinstantie wordt goedgekeurd.

5.   Onverminderd de in de leden 1 tot en met 4 van dit artikel en in bijlage I vermelde (sub)indelingscriteria zijn de in bijlage V vermelde aanvullende subcategorieën van toepassing teneinde de milieutestprocedures op internationaal niveau te harmoniseren met verwijzing naar de reglementen en mondiale technische reglementen van de VN/ECE.

Artikel 5

Bepaling van de massa in rijklare toestand

1.   De massa in rijklare toestand van een voertuig van categorie L wordt bepaald door de massa van het onbeladen voertuig, klaar voor normaal gebruik, te meten inclusief de massa van:

a)

de vloeistoffen;

b)

de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant;

c)

de „brandstof” in de brandstoftank(s) die tot ten minste 90 % van hun inhoud wordt (worden) gevuld.

Voor de toepassing van dit punt:

i)

indien het voertuig met een „vloeibare brandstof” wordt aangedreven, wordt deze als „brandstof” beschouwd;

ii)

indien het voertuig met een vloeibaar „brandstof/oliemengsel” wordt aangedreven:

indien de brandstof voor de aandrijving van het voertuig en de smeerolie voorgemengd zijn, wordt dit „voormengsel” als „brandstof” beschouwd,

indien de brandstof voor de aandrijving van het voertuig en de smeerolie afzonderlijk worden bewaard, wordt alleen de „brandstof” voor de aandrijving van het voertuig als „brandstof” beschouwd, of

iii)

indien het voertuig met een gasvormige brandstof, met een vloeibaar gemaakte gasvormige brandstof of met perslucht wordt aangedreven, kan de massa van de „brandstof” in de gastank(s) op 0 kg worden vastgesteld;

d)

de carrosserie, de cabine, de deuren, en

e)

de ruiten, de koppelingen, het (de) reservewiel(en), alsook het gereedschap.

2.   De massa in rijklare toestand van een voertuig van categorie L is exclusief de massa van:

a)

de bestuurder (75 kg) en de passagier (65 kg);

b)

de machines of uitrusting die op het laadplatform is geïnstalleerd;

c)

bij een hybride of volledig elektrisch aangedreven voertuig, de aandrijfbatterij(en);

d)

bij een monofuel-, bifuel- of multifuelvoertuig, het gasvormigebrandstofsysteem en de opslagtanks voor gasvormige brandstof, en

e)

bij persluchtaandrijving, de opslagtank(s) voor perslucht.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 6

Verplichtingen van lidstaten

1.   De lidstaten richten overeenkomstig deze verordening de voor goedkeuringsaangelegenheden bevoegde goedkeuringsinstanties en de voor markttoezichtaangelegenheden bevoegde markttoezichtautoriteiten op of wijzen deze aan. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de oprichting en aanwijzing van deze autoriteiten.

De kennisgeving betreffende de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten bevat hun naam, adres, inclusief elektronisch adres, alsmede hun bevoegdheidsgebied. De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties op haar website.

2.   De lidstaten staan alleen toe dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen, in de handel worden gebracht, worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

3.   De lidstaten mogen het in de handel brengen, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van aspecten die verband houden met de constructie of de werking ervan en die onder deze verordening vallen.

4.   De lidstaten organiseren en verrichten overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008 markttoezicht en controles met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden ingevoerd.

Artikel 7

Verplichtingen van goedkeuringsinstanties

1.   De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat fabrikanten die een typegoedkeuring aanvragen, hun verplichtingen krachtens deze verordening nakomen.

2.   De goedkeuringsinstanties verlenen alleen goedkeuring voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

Artikel 8

Markttoezichtsmaatregelen

1.   Voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor typegoedkeuring is verleend, voeren de markttoezichtautoriteiten op toereikende schaal passende documentencontroles uit, rekening houdend met gevestigde beginselen van risicobeoordeling, klachten en andere informatie.

De markttoezichtautoriteiten kunnen van marktdeelnemers verlangen dat deze de documenten en informatie beschikbaar stellen die de autoriteiten noodzakelijk achten om hun werkzaamheden uit te voeren.

Indien marktdeelnemers certificaten van overeenstemming voorleggen, houden de markttoezichtautoriteiten daar naar behoren rekening mee.

2.   Op andere voertuigdelen en uitrustingsstukken dan die welke onder lid 1 van dit artikel vallen, is artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2008 in zijn geheel van toepassing.

Artikel 9

Verplichtingen van fabrikanten

1.   Fabrikanten zorgen ervoor dat wanneer hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in de handel of in het verkeer worden gebracht, deze overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen zijn geproduceerd en goedgekeurd.

2.   Bij meerfasentypegoedkeuring is elke fabrikant verantwoordelijk voor de goedkeuring en de conformiteit van de productie van de systemen, onderdelen en technische eenheden die tijdens de door hem uitgevoerde voltooiingsfase van het voertuig worden toegevoegd. Een fabrikant die reeds in eerdere fasen goedgekeurde onderdelen of systemen wijzigt, is verantwoordelijk voor de goedkeuring en conformiteit van de productie van de gewijzigde onderdelen en systemen.

3.   Fabrikanten die het incomplete voertuig zodanig wijzigen dat dit wordt aangemerkt als behorende tot een andere voertuigcategorie en dat bijgevolg de reeds in een eerste goedkeuringsfase beoordeelde wettelijke voorschriften zijn gewijzigd, zijn ook verantwoordelijk voor de naleving van de toepasselijke gewijzigde voorschriften met betrekking tot de voertuigcategorie waartoe het gewijzigde voertuig wordt geacht te behoren.

4.   Voor de goedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die onder deze verordening vallen, wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd één binnen de Unie gevestigde gemachtigde aan om hen voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen.

5.   Fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd, wijzen tevens één binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan voor het markttoezicht, hetzij dezelfde vertegenwoordiger als in lid 4 is bedoeld, hetzij een extra vertegenwoordiger.

6.   Fabrikanten zijn jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie, ongeacht of zij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid betrokken zijn.

7.   Overeenkomstig deze verordening en de op grond deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen zorgen fabrikanten ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van hun serieproductie met het goedgekeurde type te blijven waarborgen. Overeenkomstig hoofdstuk VI wordt rekening gehouden met wijzigingen in het ontwerp van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid of in de kenmerken daarvan, en met wijzigingen in de voorschriften waarmee een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform is verklaard.

8.   Behalve de overeenkomstig artikel 39 op hun voertuigen, onderdelen of technische eenheden aangebrachte voorgeschreven opschriften en typegoedkeuringsmerken, vermelden fabrikanten hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk en contactadres in de Unie op hun voertuigen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden aangeboden of, wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het onderdeel of de technische eenheid gevoegd document.

9.   Fabrikanten zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met deze verordening niet in het gedrang komt.

Artikel 10

Verplichtingen van fabrikanten met betrekking tot producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een van hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden dat of die in de handel is gebracht of in het verkeer is gebracht niet conform is met deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, systeem of onderdeel, dan wel die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.

De fabrikant brengt de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, onmiddellijk op de hoogte, waarbij hij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijft.

2.   Als het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen de fabrikanten de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk op de markt is aangeboden of in het verkeer is gebracht hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

3.   Gedurende tien jaar nadat een voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, houden fabrikanten het in artikel 29, lid 10, bedoelde informatiepakket en houdt de voertuigfabrikant een kopie van de in artikel 38 bedoelde certificaten van overeenstemming ter beschikking van de goedkeuringsinstanties.

4.   Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale instantie aan deze instantie via de goedkeuringsinstantie een kopie van het EU-typegoedkeuringscertificaat of de in artikel 51, lid 1, bedoelde vergunning waaruit de conformiteit van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid blijkt, in een taal die deze instantie gemakkelijk kan begrijpen. Fabrikanten verlenen de nationale instantie medewerking aan eventueel overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 getroffen maatregelen om de risico's van hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel zijn gebracht, zijn geregistreerd of in het verkeer zijn gebracht, weg te nemen.

Artikel 11

Verplichtingen van vertegenwoordigers van fabrikanten met betrekking tot markttoezicht

De vertegenwoordiger van de fabrikant op het gebied van markttoezicht voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Dit mandaat staat een vertegenwoordiger toe ten minste de volgende taken te verrichten:

a)

toegang hebben tot het in artikel 27 bedoelde informatiedossier en de in artikel 38 bedoelde certificaten van overeenstemming, zodat deze gedurende tien jaar nadat een voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, ter beschikking van de goedkeuringsinstanties kunnen worden gesteld;

b)

op een met redenen omkleed verzoek van een goedkeuringsinstantie aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie verstrekken om de conformiteit van de productie van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan te tonen;

c)

op verzoek van de goedkeuringsinstanties of markttoezichtautoriteiten medewerking verlenen aan eventueel getroffen maatregelen om de ernstige risico's van de voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken die onder hun mandaat vallen, weg te nemen.

Artikel 12

Verplichtingen van importeurs

1.   Importeurs brengen alleen conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend of die aan de voorschriften voor nationale goedkeuring voldoen, of voertuigdelen of uitrustingsstukken die volledig aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 765/2008 zijn onderworpen, in de handel.

2.   Voordat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend, in de handel wordt gebracht, zien de importeurs erop toe dat er een informatiepakket voorhanden is dat voldoet aan artikel 29, lid 10, en dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid van het voorgeschreven typegoedkeuringsmerk is voorzien en aan artikel 9, lid 8, voldoet. Bij een voertuig controleert de importeur of het van het vereiste certificaat van overeenstemming vergezeld gaat.

3.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk niet conform is met de voorschriften van deze verordening, en met name niet overeenstemt met de typegoedkeuring ervan, mogen dit voertuig, dit systeem, dit onderdeel of deze technische eenheid niet in de handel brengen, in het verkeer laten brengen of registreren totdat het of hij conform is gemaakt. Als zij van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat het voertuig, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen zij de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte. Wat betreft voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waarvoor typegoedkeuring is verleend, brengen zij ook de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, op de hoogte.

4.   Importeurs vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk en contactadres op het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk gevoegd document.

5.   Importeurs zorgen ervoor dat het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid vergezeld gaat van instructies en informatie, zoals overeenkomstig artikel 55 voorgeschreven, in de officiële taal of talen van de betreffende lidstaten.

6.   Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met deze verordening niet in het gedrang komt.

7.   Indien dit gezien de ernstige risico's van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk passend wordt geacht, stellen importeurs met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten een onderzoek in naar en houden zij zo nodig een register bij van klachten en teruggeroepen voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken en houden zij de distributeurs van dit toezicht op de hoogte.

Artikel 13

Verplichtingen van importeurs met betrekking tot producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die zij in de handel hebben gebracht, niet conform is met deze verordening, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.

2.   Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen importeurs de fabrikant, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin zij het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in de handel hebben gebracht hiervan onmiddellijk op de hoogte. De importeur brengt hen tevens op de hoogte van elke actie die is ondernomen, waarbij zij in het bijzonder het ernstige risico en alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

3.   Gedurende tien jaar nadat het voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, houden importeurs een kopie van het certificaat van overeenstemming ter beschikking van de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten en zorgen zij ervoor dat het in artikel 29, lid 10, bedoelde informatiepakket op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.

4.   De importeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale instantie aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie, in een taal die deze instantie gemakkelijk kan begrijpen, om de conformiteit van een voertuig, systeem, onderdeelonderdeel of technische eenheid aan te tonen. Op verzoek van deze instantie verlenen importeurs medewerking aan eventueel getroffen maatregelen om de risico's van een voertuig, systeem, onderdeelonderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk dat of die zij in de handel hebben gebracht, te elimineren.

Artikel 14

Verplichtingen van distributeurs

1.   Distributeurs die een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid in verband met de voorschriften van deze verordening.

2.   Voordat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid op de markt wordt aangeboden, wordt geregistreerd of in het verkeer wordt gebracht, verifiëren de distributeurs of het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voorzien is van de vereiste voorgeschreven markering of het vereiste typegoedkeuringsmerk, vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van instructies en veiligheidsinformatie in de officiële taal of talen van de lidstaat waarin het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid op de markt zal worden aangeboden, en of de importeur en de fabrikant hebben voldaan aan de in artikel 12, leden 2 en 4, en artikel 39, leden 1 en 2, vermelde voorschriften.

3.   De distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met de voorschriften van deze verordening niet in het gedrang komt.

Artikel 15

Verplichtingen van distributeurs met betrekking tot producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform is met de voorschriften van deze verordening, mogen dit voertuig, dit systeem, dit onderdeel of deze technische eenheid niet op de markt aanbieden, registeren of in het verkeer brengen totdat het of hij conform is gemaakt.

2.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die zij op de markt hebben aangeboden of hebben geregistreerd of voor het in het verkeer brengen waarvan zij verantwoordelijk zijn, niet conform is met deze verordening, stellen de fabrikant of de vertegenwoordiger van de fabrikant hiervan op de hoogte opdat overeenkomstig artikel 10, lid 1, of artikel 13, lid 1, de nodige corrigerende maatregelen worden getroffen om dat voertuig, dat systeem, dat onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig terug te roepen.

3.   Als het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen de distributeurs de fabrikant, de importeur, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin zij het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk op de markt hebben aangeboden, hiervan onmiddellijk op de hoogte. De distributeur brengt hen tevens op de hoogte van alle genomen maatregelen, waarbij zij in het bijzonder het ernstige risico en alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

4.   Op een met redenen omkleed verzoek van een nationale instantie zorgen de distributeurs ervoor dat de fabrikant de nationale instantie de in artikel 10, lid 4, genoemde informatie verstrekt of dat de importeur de nationale instantie de in artikel 13, lid 3, genoemde informatie verstrekt. Op verzoek van deze instantie verlenen zij medewerking aan overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 getroffen maatregelen om de risico's van het voertuig, het systeem, het onderdeel, de technische eenheid, het voertuigdeel of het uitrustingsstuk dat of die zij op de markt hebben aangeboden, te elimineren.

Artikel 16

Gevallen waarin verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als een fabrikant en moet aan de in de artikelen 9 tot en met 11 vermelde verplichtingen van de fabrikant voldoen wanneer deze importeur of distributeur een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid onder zijn eigen naam of handelsmerk op de markt aanbiedt of registreert of verantwoordelijk is voor het in het verkeer brengen daarvan, of een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid zodanig wijzigt dat de conformiteit met de toepasselijke voorschriften in het gedrang kan komen.

Artikel 17

Identificatie van marktdeelnemers

Marktdeelnemers delen de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten op verzoek gedurende tien jaar voor een voertuig en gedurende vijf jaar voor een systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk mee:

a)

welke marktdeelnemer een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk aan hen heeft geleverd;

b)

aan welke marktdeelnemer zij een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk hebben geleverd.

HOOFDSTUK III

MATERIËLE VOORSCHRIFTEN

Artikel 18

Algemene materiële voorschriften

1.   Voertuigen van categorie L en voor dergelijke voertuigen bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden moeten voldoen aan de voorschriften die vermeld zijn in de bijlagen II tot en met VIII die op de desbetreffende voertuig(sub)categorieën van toepassing zijn.

2.   Voertuigen van categorie L en systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan waarvan de elektromagnetische compatibiliteit valt onder de in lid 3 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handelingen met betrekking tot voertuigconstructie en de op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen, vallen niet onder Richtlijn 2004/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (26).

3.   Om de in deze verordening vastgestelde typegoedkeuringsvoorschriften voor voertuigen van categorie L aan te vullen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast betreffende de gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures als samengevat in bijlage II, delen A), B) en C), waarbij zij een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming garandeert als omschreven in de desbetreffende voorschriften van deze verordening. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 19

Verbod op manipulatie-instrumenten

Het is verboden manipulatie-instrumenten te gebruiken die afbreuk doen aan de doeltreffendheid van systemen voor de veiligheid en elektromagnetische compatibiliteit, het boorddiagnosesysteem, of reductiesystemen voor geluid en voor emissies van verontreinigende stoffen. Een constructieonderdeel wordt niet als manipulatie-instrument beschouwd indien aan een of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het instrument is nodig om de motor te beschermen tegen schade of ongevallen en om de veilige werking van het voertuig te verzekeren;

b)

het instrument functioneert slechts tijdens het starten van de motor;

c)

de bedrijfsomstandigheden zijn in aanzienlijke mate opgenomen in de testprocedures waarmee wordt geverifieerd of het voertuig aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen voldoet.

Artikel 20

Maatregelen voor fabrikanten met betrekking tot wijzigingen van de aandrijflijn van voertuigen

1.   Voertuigfabrikanten voorzien voertuigen van categorie L, met uitzondering van de subcategorieën L3e-A3 en L4e-A3, van specifieke kenmerken om manipulatie van de aandrijflijn te voorkomen, door middel van een reeks technische voorschriften en specificaties met als doel:

a)

wijzigingen te voorkomen die de veiligheid in het gedrang kunnen brengen, met name door de prestaties van het voertuig te verhogen door manipulatie van de aandrijflijn om het maximumkoppel en/of het maximumvermogen en/of de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig, die naar behoren zijn vastgesteld tijdens de typegoedkeuringsprocedure die de fabrikant van het voertuig heeft gevolgd, en/of

b)

milieuschade te voorkomen.

2.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast betreffende de specifieke voorschriften met betrekking tot de in lid 1 bedoelde maatregelen en om de naleving van lid 4 van dit artikel te vergemakkelijken. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

3.   Na een wijziging van de aandrijflijn moet een voertuig voldoen aan de technische voorschriften van de oorspronkelijke voertuigcategorie en -subcategorie, of indien van toepassing, de nieuwe voertuigcategorie en -subcategorie, die golden toen het oorspronkelijke voertuig in de handel werd gebracht, werd geregistreerd of in het verkeer werd gebracht, met inbegrip van de recentste wijzigingen van die voorschriften.

Indien de voertuigfabrikant de aandrijflijn van een voertuigtype op dergelijke wijze ontwerpt dat deze zodanig kan worden gewijzigd dat het voertuig niet langer in overeenstemming is met het goedgekeurde type, maar met een extra variant of uitvoering zou overeenkomen, neemt de voertuigfabrikant de relevante informatie over elke op dergelijke wijze gecreëerde variant of uitvoering in de aanvraag op en wordt voor elke variant of uitvoering uitdrukkelijk typegoedkeuring verleend. Indien het gewijzigde voertuig in een nieuwe categorie of subcategorie valt, moet een nieuwe typegoedkeuring worden aangevraagd.

4.   Onverminderd lid 1 en om wijzigingen of aanpassingen met negatieve gevolgen voor de functionele veiligheid of de milieuprestaties van het voertuig te voorkomen, spant de fabrikant zich in om door goed vakmanschap te voorkomen dat dergelijke wijzigingen of aanpassingen technisch mogelijk zijn, tenzij deze wijzigingen of aanpassingen uitdrukkelijk zijn aangegeven en in het informatiedossier zijn opgenomen en dus onder de typegoedkeuring vallen.

Artikel 21

Algemene voorschriften voor boorddiagnosesystemen

1.   Voertuigen van categorie L worden uitgerust met een OBD-systeem dat voldoet aan de functionele voorschriften en testprocedures die zijn vastgelegd in de ingevolge lid 5 vastgestelde gedelegeerde handelingen en vanaf de in bijlage IV vermelde toepassingsdata.

2.   Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.1, vermelde data worden voertuigen van de (sub)categorieën L3e, L4e, L5e-A L6e-A en L7e-A uitgerust met een OBD-fase I-systeem dat elektrische of elektronische storingen in het emissiebeperkingssyteem detecteert en die storingen meldt die ertoe leiden dat de in bijlage VI, onder B 1), vastgestelde emissiegrenswaarden worden overschreden.

3.   Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.2, vermelde data worden voertuigen van de (sub)categorieën L3e tot en met L7e uitgerust met een OBD-fase I-systeem dat elektrische of elektronische storingen in het emissiebeperkingssysteem detecteert en dat in werking treedt zodra de in bijlage VI, onder B 2), vastgestelde emissiegrenswaarden worden overschreden. Fase I-boorddiagnosesystemen voor deze voertuig(sub)categorieën melden ook de inwerkingtreding van een functioneringsmodus die het motorkoppel aanzienlijk vermindert.

4.   Vanaf de in bijlage IV, punt 1.8.3, vermelde data en afhankelijk van de resultaten van het in artikel 23, lid 5, bedoelde milieueffectonderzoek worden voertuigen van de (sub)categorieën L3e, L5e-A L6e-A en L7e-A bovendien uitgerust met een OBD-fase II-systeem dat storingen en aantasting van het emissiebeperkingssysteem detecteert en meldt die ertoe leiden dat de in bijlage VI, deel B 2), vastgestelde OBD-emissiegrenswaarden worden overschreden.

5.   Teneinde de melding van storingen in de functionele veiligheid of het emissiebeperkingssysteem door OBD-systemen te harmoniseren en een effectieve en efficiënte reparatie van voertuigen te vergemakkelijken, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de gedetailleerde technische voorschriften met betrekking tot boorddiagnose, met inbegrip van functionele voorschriften voor boorddiagnosesystemen en testprocedures voor de onderwerpen opgesomd in de leden 1 tot en met 4 en als bedoeld in bijlage II, onder C 11), en testtype VIII als bedoeld in bijlage V.

Artikel 22

Voorschriften voor de functionele voertuigveiligheid

1.   De fabrikanten zien erop toe dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere weggebruikers zo weinig mogelijk risico's op verwondingen lopen.

2.   De fabrikant zorgt ervoor dat het voertuig gedurende de normale levensduur functioneel veilig blijft als het onder normale omstandigheden wordt gebruikt en volgens de aanbevelingen van de fabrikant wordt onderhouden. De fabrikant verstrekt in het informatiedossier een verklaring waarin wordt bevestigd dat de duurzaamheid van de systemen, voertuigdelen en uitrustingsstukken die essentieel zijn voor de functionele veiligheid, wordt gegarandeerd door de nodige tests en goed vakmanschap.

3.   De fabrikanten waarborgen dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden aan de desbetreffende voorschriften van de bijlagen II en VIII en aan de in een gedelegeerde handeling die wordt vastgesteld volgens lid 5 vastgelegde testprocedures en prestatie-eisen voldoen.

4.   Onderdelen van voertuigen waarvan de risico's van elektrische aard vallen onder de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, zijn niet onderworpen aan Richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (27).

5.   Om voor een hoog niveau van functionele veiligheid te kunnen zorgen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast betreffende de in bijlage II, onder B, vermelde specifieke voorschriften voor de functionele veiligheid van voertuigen en baseert zij zich, indien van toepassing, op de in bijlage VIII vermelde verhoogde functionele veiligheidsvereisten. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

6.   In een tweede fase stelt de Commissie uiterlijk 31 december 2020 overeenkomstig artikel 75 een gedelegeerde handeling vast teneinde de voorschriften inzake de normale levensduur en de tests betreffende de integriteit van de voertuigstructuur als vermeld in bijlage II, onder B 17), te harmoniseren.

7.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen betreffende het vastleggen van een model voor de verklaring van de fabrikant. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 23

Voorschriften voor milieuprestaties

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de milieueffecten ervan zoveel mogelijk worden beperkt. De fabrikanten zorgen ervoor dat voertuigen waarvoor typegoedkeuring is verleend, binnen de in bijlage VII vermelde duurzaamheidsafstand voldoen aan de in de bijlagen II, V en VI vastgelegde milieuprestatievereisten.

2.   De fabrikanten zorgen ervoor dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden binnen de in bijlage IV vermelde data voor toepassing voldoen aan de in een gedelegeerde handeling die wordt vastgesteld volgens lid 12 van dit artikel, vast te leggen testprocedures en testvoorschriften als vermeld in bijlage V.

3.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de typegoedkeuringsvoorschriften voor het verifiëren van de duurzaamheidseisen worden nageleefd. Naar keuze van de fabrikant wordt een van de volgende duurzaamheidstestprocedures gebruikt om de goedkeuringsinstantie bewijs te kunnen leveren van de duurzaamheid van de milieuprestaties van een voertuig waarvoor typegoedkeuring is verleend:

a)

daadwerkelijk testen van de duurzaamheid waarbij het voertuig de volledige afstand aflegt:

de testvoertuigen leggen fysiek de volledige in bijlage VII, onder A), vermelde afstand af en worden getest volgens de procedure van testtype V als vermeld in de gedelegeerde handeling die wordt vastgesteld volgens lid 12 van dit artikel. De resultaten van de emissietests tot en met de volledige afstand als vermeld in bijlage VII, onder A), moeten lager zijn dan de milieugrenswaarden in bijlage VI, onder A);

b)

daadwerkelijk testen van de duurzaamheid waarbij het voertuig de afstand gedeeltelijk aflegt:

de testvoertuigen leggen fysiek minimaal 50 % van de in bijlage VII, onder A), vermelde volledige afstand af en worden getest volgens de procedure van testtype V als vermeld in de gedelegeerde handeling die wordt vastgesteld volgens lid 12 van dit artikel. De testresultaten worden overeenkomstig die handeling geëxtrapoleerd tot en met de volledige afstand als vermeld in bijlage VII, onder A). Zowel de testresultaten als de geëxtrapoleerde resultaten moeten lager zijn dan de milieugrenswaarden in bijlage VI, onder A);

c)

mathematische duurzaamheidsprocedure:

voor elk emissiebestanddeel moet het product van de vermenigvuldiging van de verslechteringsfactoren in bijlage VII, onder B), met de milieutestresultaten van een voertuig dat meer dan 100 km heeft afgelegd sinds het aan het einde van de productielijn voor het eerst is gestart, lager zijn dan de milieugrenswaarden in bijlage VI, onder A).

4.   Uiterlijk 1 januari 2016 voert de Commissie een alomvattend milieueffectonderzoek uit. In dit onderzoek zullen de luchtkwaliteit en het aandeel verontreinigende stoffen dat door voertuigen van categorie L wordt bijgedragen worden beoordeeld, en de voorschriften van de tests van type I, IV, V, VII en VIII in bijlage V worden behandeld.

In het onderzoek zullen de recentste wetenschappelijk gegevens, wetenschappelijke onderzoeksresultaten, modellen en kostenefficiëntie tegen elkaar worden afgewogen en beoordeeld, om te komen tot definitieve beleidsmaatregelen door middel van bevestiging en definitieve bepaling van de uitvoering van Euro 5 in bijlage IV en de milieuvoorschriften van Euro 5 in bijlage V, bijlage VI, onder A2), B2) en C2), en bijlage VII met betrekking tot de af te leggen afstanden voor duurzaamheidstests en verslechteringsfactoren van Euro 5.

5.   Op basis van de in lid 4 bedoelde resultaten brengt de Commissie uiterlijk 31 december 2016 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over het volgende:

a)

de uitvoeringsdata van het Euro 5-niveau als bedoeld in bijlage IV;

b)

de Euro 5-emissiegrenswaarden als bedoeld in bijlage VI, onder A2), en de OBD-drempelwaarden in bijlage VI, onder B2);

c)

dat alle nieuwe voertuigtypes in de (sub)categorieën L3e, L5e, L6e-A en L7e-A naast OBD-fase I ook met OBD-fase II op het Euro 5-niveau worden uitgerust;

d)

de af te leggen afstanden voor duurzaamheidstests voor het Euro 5-niveau als bedoeld in bijlage VII, onder A), en de verslechteringsfactoren voor het Euro 5-niveau als bedoeld in bijlage VII, onder B).

In het licht van dat verslag dient de Commissie zo nodig wetgevingsvoorstellen in.

6.   Op basis van de resultaten van het milieueffectonderzoek stelt de Commissie overeenkomstig artikel 75 een gedelegeerde handeling vast waarin wordt bepaald welke van de (sub)categorieën L1e-A, L1e-B, L2e, L5e-B, L6e-B, L7e-B en L7e-C voor het Euro 5-niveau SHED-tests, dan wel permeatietests van de brandstoftank en brandstofleidingen moeten ondergaan, met inachtneming van de in bijlage VI, onder C2), vermelde testgrenswaarden.

7.   De fabrikanten zorgen ervoor dat voertuigen van categorie L voor goedkeuring en uitbreidingen als vermeld in bijlage V, onder A), voldoen aan de toepasselijke testvoorschriften met betrekking voor milieuprestaties.

8.   Wat testtype I betreft, is de desbetreffende emissiegrenswaarde voor L3e-AxE- (enduro, x = 1, 2 of 3) en L3e-AxT- (trial, x = 1, 2 of 3) motorfietsen de som van L2 (THC) en L3 (NOx) van bijlage VI, onder A). De resultaten van de emissietests (NOx + THC) moeten lager zijn dan of gelijk zijn aan deze grenswaarde (L2 + L3).

9.   Voertuigen van categorie L4e voldoen aan de milieuvoorschriften in bijlage V voor voertuigen van categorie L3e, waarbij voor de tests van type I, IV, VII en VIII van bijlage V in voorkomende geval hetzij het gehele samenstel van het basismotorvoertuig met het zijspan, hetzij alleen het basismotorvoertuig zonder het zijspan wordt getest.

10.   De fabrikanten zorgen ervoor dat voor alle vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing die in de Unie in de handel of in het verkeer worden gebracht, typegoedkeuring is verleend overeenkomstig deze verordening.

11.   De voorschriften in de leden 1 tot en met 10 zijn van toepassing op de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden als aangeduid in bijlage II.

12.   Om een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de gedetailleerde technische specificaties voor milieuvoorschriften vast te stellen voor de in de leden 1, 2, 3, 6 en 7 van dit artikel genoemde onderwerpen, met inbegrip van testprocedures.

Artikel 24

Bijkomende milieuvoorschriften met betrekking tot emissies van broeikasgassen, brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en elektrisch bereik

1.   Kooldioxide-emissies (CO2) worden door de fabrikant bepaald in de toepasselijke laboratoriumtestcyclus voor emissies en door de fabrikant aan de goedkeuringsinstantie meegedeeld. Het brandstofverbruik en/of het elektriciteitsverbruik en het elektrisch bereik worden onder toezicht van de technische dienst, hetzij berekend op basis van de laboratoriumtestresultaten voor emissies ten tijde van de typegoedkeuring, hetzij gemeten en aan de goedkeuringsinstantie meegedeeld.

2.   Het resultaat van de CO2-meting en het berekende of gemeten brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en elektriciteitsbereik worden opgenomen in het informatiedossier zoals nader beschreven in de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 27, lid 4, en de desbetreffende informatie wordt ook op het certificaat van overeenstemming vermeld.

Naast de vermelding op het certificaat van overeenstemming zorgen de fabrikanten er ook voor dat de gegevens over CO2-emissies, brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en elektriciteitsbereik aan de koper van het voertuig ter beschikking worden gesteld ten tijde van de aanschaf van een nieuw voertuig, in een formaat dat zij hiervoor geschikt achten.

3.   Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de testprocedurevoorschriften voor testtype V met betrekking tot de methoden voor het meten van de CO2-emissies en het berekenen of meten van het brandstofverbruik, het elektriciteitsverbruik en het elektriciteitsbereik.

HOOFDSTUK IV

EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 25

Procedures voor EU-typegoedkeuring

1.   Bij de aanvraag voor typegoedkeuring van een geheel voertuig mag de fabrikant een van de volgende procedures kiezen:

a)

stapsgewijze typegoedkeuring;

b)

eenstapstypegoedkeuring;

c)

gemengde typegoedkeuring.

Daarnaast mag de fabrikant van voertuigcategorieën als vermeld in lid 5 voor de meerfasentypegoedkeuring kiezen.

Alleen de eenstapstypegoedkeuring is van toepassing voor de typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden.

2.   De stapsgewijze typegoedkeuring omvat het stapsgewijs verzamelen van de hele reeks EU-typegoedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden die onderdeel uitmaken van het voertuig en resulteert uiteindelijk in de typegoedkeuring van het gehele voertuig.

3.   De eenstapstypegoedkeuring omvat de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling.

4.   De gemengde typegoedkeuring is een stapsgewijze goedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een EU-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven.

5.   Bij een meerfasentypegoedkeuringsprocedure certificeren een of meer goedkeuringsinstanties dat een incompleet of voltooid type voertuig, al naar gelang de staat van voltooiing, aan de desbetreffende administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet.

Meerfasentypegoedkeuring wordt verleend voor een type incompleet of voltooid voertuig dat conform is met de gegevens van het informatiedossier bedoeld in artikel 27, en voldoet aan de technische voorschriften van de desbetreffende, in bijlage II vermelde besluiten, al naar gelang de voltooiingsfase waarin het voertuig zich bevindt.

6.   De typegoedkeuring voor de laatste voltooiingsfase wordt pas verleend nadat de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat het voertuig waarvoor tijdens de laatste fase een typegoedkeuring is verleend op dat moment voldoet aan alle toepasselijke technische voorschriften. Dit houdt in dat een documentencontrole wordt uitgevoerd voor alle voorschriften van een typegoedkeuring voor een incompleet voertuig die tijdens een meerfasenprocedure is verleend, zelfs als deze is verleend voor een andere voertuigcategorie of -subcategorie.

De in lid 1, tweede alinea, bedoelde meerfasentypegoedkeuring is alleen van toepassing op voertuigen van de subcategorieën L2e -U, L4e, L5e-B, L6e-BU en L7e-CU.

7.   De keuze voor een bepaalde goedkeuringsprocedure heeft geen gevolgen voor de toepasselijke inhoudelijke voorschriften waaraan het goedgekeurde voertuigtype ten tijde van de afgifte van de typegoedkeuring voor een geheel voertuig moet voldoen.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende gedetailleerde regelingen met betrekking tot typegoedkeuringsprocedures. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 26

Typegoedkeuringsaanvraag

1.   De fabrikant dient de typegoedkeuringsaanvraag bij de goedkeuringsinstantie in.

2.   Voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.

3.   Voor ieder goed te keuren type wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

Artikel 27

Informatiedossier

1.   De aanvrager legt een informatiedossier over aan de goedkeuringsinstantie.

2.   Het informatiedossier bevat de volgende elementen:

a)

een inlichtingenformulier;

b)

alle gegevens, tekeningen, foto's en andere informatie;

c)

voor voertuigen, een vermelding van de overeenkomstig artikel 25, lid 1, gekozen procedure(s);

d)

alle aanvullende informatie waarom de goedkeuringsinstantie in het kader van de aanvraagprocedure vraagt.

3.   Het informatiedossier mag zowel in papieren als elektronische vorm worden verstrekt, met goedvinden van de technische dienst en de goedkeuringsinstantie.

4.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen modellen voor het inlichtingenformulier en het informatiedossier vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 28

Specifieke voorschriften voor de gegevens die bij de verschillende typegoedkeuringsprocedures moeten worden verstrekt

1.   Een aanvraag voor stapsgewijze typegoedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier overeenkomstig artikel 27 en van alle typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de toepasselijke, in bijlage II vermelde besluiten.

Voor de typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid overeenkomstig de in bijlage II vermelde toepasselijke besluiten heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het desbetreffende informatiedossier totdat de goedkeuring is verleend of geweigerd.

2.   Een aanvraag voor eenstapstypegoedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier als bedoeld in artikel 27 dat de relevante informatie bevat, overeenkomstig de op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen, met betrekking tot deze toepasselijke besluiten.

3.   Bij een gemengde typegoedkeuringsprocedure gaat het informatiedossier vergezeld van een of meer typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn ingevolge elk van de in bijlage II opgesomde toepasselijke besluiten, en bevat het, voor zover er geen typegoedkeuringscertificaat wordt overgelegd, de relevante, overeenkomstig de op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringsmaatregelen relevante informatie met betrekking tot die toepasselijke besluiten.

4.   Onverminderd het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 wordt voor meerfasentypegoedkeuring het volgende verstrekt:

a)

in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;

b)

in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een kopie van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EU-typegoedkeuringscertificaat en alle gegevens over eventuele wijzigingen of toevoegingen die de fabrikant aan het voertuig heeft aangebracht.

De onder a) en b) van de eerste alinea van dit lid genoemde informatie mag overeenkomstig lid 3 worden verstrekt.

5.   In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie van de fabrikant verlangen dat hij haar de nodige aanvullende informatie verstrekt om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

HOOFDSTUK V

VERLOOP VAN DE EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 29

Algemene bepalingen

1.   Goedkeuringsinstanties verlenen pas EU-typegoedkeuring nadat zij de in artikel 33 bedoelde regelingen voor de conformiteit van de productie en de overeenstemming van het type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid met de toepasselijke voorschriften hebben geverifieerd.

2.   EU-typegoedkeuringen worden overeenkomstig dit hoofdstuk verleend.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie van oordeel is dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al voldoet het of zij aan de voorschriften, een ernstig risico voor de veiligheid vormt dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kan schaden, kan zij de EU-typegoedkeuring ervan weigeren. Zij zendt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie dan onmiddellijk een gedetailleerd dossier met opgave van de redenen voor haar besluit en bewijsmateriaal voor haar bevindingen.

4.   De EU-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens een geharmoniseerd systeem dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

5.   Binnen een maand na afgifte van het EU-typegoedkeuringscertificaat zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens een kopie toe van het EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen, voor ieder voertuigtype waaraan zij goedkeuring heeft verleend. Deze kopie mag ook de vorm van een beveiligd elektronisch bestand hebben.

6.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen van voertuigen, met opgave van de redenen voor haar besluit.

7.   Om de drie maanden zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een lijst van de EU-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden die zij in de voorafgaande periode heeft verleend, gewijzigd, geweigerd of ingetrokken.

8.   Op verzoek van een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, de eerstgenoemde instantie binnen een maand na ontvangst van dat verzoek door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens een kopie van het gevraagde EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen. Deze kopie mag ook de vorm van een beveiligd elektronisch bestand hebben.

9.   Indien de Commissie hierom verzoekt, verstrekt de goedkeuringsinstantie de in de leden 5 tot en met 8 bedoelde gegevens ook aan de Commissie.

10.   De goedkeuringsinstantie stelt een informatiepakket samen dat bestaat uit het informatiedossier plus de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd. Het informatiepakket bevat een inhoudsopgave ervan, genummerd of voorzien van andere tekens zodat alle pagina's en het formaat van ieder document duidelijk worden aangegeven; dit document geeft een overzicht van de opeenvolgende stappen in het beheer van de EU-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van alle herzieningen en bijwerkingen. De goedkeuringsinstantie houdt de informatie in het informatiepakket ter beschikking gedurende tien jaar na afloop van de geldigheid van de desbetreffende goedkeuring.

Artikel 30

Specifieke bepalingen voor het EU-typegoedkeuringscertificaat

1.   De volgende onderdelen worden als bijlage bij het EU-typegoedkeuringscertificaat gevoegd:

a)

het in artikel 29, lid 10, bedoelde informatiepakket;

b)

de testresultaten;

c)

naam en handtekening van de persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) certificaten van overeenstemming te ondertekenen met vermelding van zijn (hun) positie in het bedrijf;

d)

in het geval van een EU-typegoedkeuring van een geheel voertuig, een ingevuld exemplaar van het certificaat van overeenstemming.

2.   Het EU-typegoedkeuringscertificaat wordt afgegeven op basis van het model dat door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen is vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

3.   Voor elk voertuigtype moet de goedkeuringsinstantie:

a)

alle relevante rubrieken van het EU-typegoedkeuringscertificaat invullen, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier met testresultaten;

b)

de inhoudsopgave van het informatiepakket samenstellen;

c)

het ingevulde certificaat en de bijlagen onverwijld aan de aanvrager verstrekken.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model voor het in punt a) genoemde formulier met testresultaten vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

4.   In het geval van een EU-typegoedkeuring waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 40 beperkt is of die van de toepassing van sommige bepalingen van deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen is ontheven, worden deze beperkingen of ontheffingen in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

5.   Indien de fabrikant voor de gemengde goedkeuringsprocedure kiest, vult de goedkeuringsinstantie het informatiepakket in met de referenties van de uit hoofde van de in artikel 32, lid 1, bedoelde uitvoeringshandelingen opgestelde testrapporten waarvoor geen EU-typegoedkeuringscertificaat beschikbaar is.

6.   Indien de fabrikant de eenstapstypegoedkeuringsprocedure kiest, stelt de goedkeuringsinstantie een lijst van toepasselijke voorschriften of besluiten op en voegt deze lijst bij het EU-typegoedkeuringscertificaat. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model voor een dergelijke lijst vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 31

Specifieke bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1.   Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een type systeem dat conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage II vermelde desbetreffende besluiten.

2.   Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een onderdeel of technische eenheid die conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage II vermelde desbetreffende besluiten.

3.   Wanneer onderdelen of technische eenheden die al dan niet bedoeld zijn voor reparatie, service of onderhoud, ook onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, wordt daarvoor geen aanvullende goedkeuring verlangd, tenzij in bijlage II vermelde desbetreffende besluiten zulks vereisen.

4.   Wanneer een onderdeel of technische eenheid zijn of haar functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het voertuig en daarom de naleving van de voorschriften slechts kan worden geverifieerd wanneer het onderdeel of technische eenheid in combinatie met die andere onderdelen van het voertuig functioneert, wordt de reikwijdte van de EU-typegoedkeuring van het onderdeel of technische eenheid dienovereenkomstig beperkt.

In dat geval worden de eventuele beperkingen van het gebruik van het onderdeel of technische eenheid en de bijzondere montagevoorwaarden in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

Als een dergelijk onderdeel of technische eenheid door de voertuigfabrikant wordt gemonteerd, wordt bij de goedkeuring van het voertuig nagegaan of de beperkingen van het gebruik en de montagevoorwaarden in acht zijn genomen.

Artikel 32

Voor EU-typegoedkeuring vereiste tests

1.   Door middel van passende tests die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze verordening en van de in bijlage II vermelde besluiten is voldaan.

De in de eerste alinea bedoelde testprocedures en de specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze tests nodig zijn, worden vastgesteld in de in bijlage II vermelde desbetreffende besluiten.

Het formaat van het testverslag voldoet aan de algemene voorschriften die de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen vaststelt. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

2.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie zo veel voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking als volgens de in bijlage II vermelde desbetreffende besluiten nodig zijn voor de uitvoering van de voorgeschreven tests.

3.   De voorgeschreven tests worden uitgevoerd op voertuigen, onderdelen en technische eenheden die representatief zijn voor het goed te keuren type.

De fabrikant kan evenwel na toestemming van de goedkeuringsinstantie een voertuig, systeem,onderdeel of technische eenheid kiezen dat of die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar dat of die een aantal van de meest ongunstige kenmerken ten aanzien van het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

4.   Als alternatief voor de in lid 1 bedoelde testprocedures mogen op verzoek van de fabrikant en na toestemming van de goedkeuringsinstantie virtuele testmethoden worden gebruikt ten aanzien van de voorschriften vastgelegd in de gedelegeerde handelingen die op grond van lid 6 worden vastgesteld.

5.   Virtuele testmethoden moeten voldoen aan de voorwaarden vastgelegd in de gedelegeerde handelingen die op grond van lid 6 worden vastgesteld.

6.   Om ervoor te zorgen dat de met virtueel testen verkregen resultaten even inzichtelijk zijn als de met fysiek testen verkregen resultaten, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waarvoor virtueel testen mogelijk is en de voorwaarden waaronder het virtueel testen moet plaatsvinden. Bij de vaststelling van die gedelegeerde handelingen baseert de Commissie zich zo nodig op van de voorschriften en procedures in bijlage XVI van Richtlijn 2007/46/EG.

Artikel 33

Regelingen inzake de conformiteit van de productie

1.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring verleent, neemt de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende regelingen zijn getroffen om te waarborgen dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie conform zijn met het goedgekeurde type.

2.   Een goedkeuringsinstantie die een typegoedkeuring voor een compleet voertuig verleent neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat door de fabrikant afgegeven certificaten van overeenstemming voldoen aan artikel 38. Daartoe controleert de goedkeuringsinstantie of een voldoende aantal monsters van certificaten van overeenstemming aan artikel 38 voldoet en of de fabrikant adequate stappen heeft genomen om de juistheid van de gegevens op de certificaten van overeenstemming te waarborgen.

3.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in de leden 1 en 2 bedoelde regelingen nog steeds afdoende zijn zodat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog steeds conform zijn met het goedgekeurde type en de certificaten van overeenstemming nog steeds aan artikel 38 voldoen.

4.   Om te verifiëren dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform is met het goedgekeurde type, kan de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle voor EU-typegoedkeuring vereiste controles of tests uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.

5.   Indien een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat de in de leden 1 en 2 bedoelde regelingen niet worden toegepast, aanzienlijk afwijken van de overeengekomen regelingen en controleplannen, niet meer worden toegepast of niet langer als afdoende worden beschouwd, terwijl de productie wel wordt voortgezet, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de procedure voor de conformiteit van de productie correct wordt nageleefd, of trekt zij de typegoedkeuring in.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de nadere invulling van de regelingen met betrekking tot de conformiteit van de productie. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

WIJZIGINGEN VAN EU-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 34

Algemene bepalingen

1.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, onverwijld in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket.

Die goedkeuringsinstantie besluit welke van de procedures van artikel 35 moet worden gevolgd.

Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie na overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EU-typegoedkeuring moet worden verleend.

2.   Een aanvraag tot wijziging van een EU-typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke EU-typegoedkeuring heeft verleend.

3.   Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging inspecties of tests moeten worden herhaald, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis.

De in artikel 35 bedoelde procedures zijn alleen van toepassing als de goedkeuringsinstantie op grond van die inspecties of tests tot de conclusie komt dat nog steeds aan de voorwaarden voor EU-typegoedkeuring wordt voldaan.

Artikel 35

Herzieningen en uitbreidingen van EU-typegoedkeuringen

1.   Indien gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen, zijn gewijzigd zonder dat daarvoor inspecties of tests hoefden te worden herhaald, wordt de wijziging een „herziening” genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijden van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijzigingen, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2.   Een herziening wordt een „uitbreiding” genoemd als gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen zijn gewijzigd en een van de volgende situaties zich voordoet:

a)

er zijn aanvullende inspecties of tests nodig;

b)

een gegeven op het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c)

krachtens een in bijlage II vermeld besluit dat op het goedgekeurde voertuigtype of het goedgekeurde systeem of het goedgekeurde onderdeel of de technische eenheid van toepassing is, worden nieuwe voorschriften van toepassing.

In het geval van een uitbreiding geeft de goedkeuringsinstantie een bijgewerkt EU-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer. Op dat goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

3.   Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave van het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

4.   Indien de in lid 2, onder c), bedoelde nieuwe voorschriften uit technisch oogpunt irrelevant zijn voor het voertuigtype of betrekking hebben op andere voertuigcategorieën dan die waartoe het voertuig behoort, wordt geen wijziging van de typegoedkeuring vereist.

Artikel 36

Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

1.   In geval van een uitbreiding worden alle relevante delen van het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave van het informatiepakket bijgewerkt. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

2.   In geval van een herziening worden de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde, bijgewerkte versie, inclusief de herziene inhoudsopgave van het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

3.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten volgens de in artikel 29 bedoelde procedures van alle wijzigingen van EU-typegoedkeuringen in kennis.

HOOFDSTUK VII

GELDIGHEID VAN EU-TYPEGOEDKEURING

Artikel 37

Einde van de geldigheid

1.   Een EU-typegoedkeuring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.

2.   In de volgende gevallen wordt een EU-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig:

a)

nieuwe voorschriften die van toepassing zijn op het goedgekeurde voertuigtype worden verplicht voor het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen, en de typegoedkeuring kan niet dienovereenkomstig worden bijgewerkt;

b)

de productie van het goedgekeurde voertuig wordt vrijwillig definitief stopgezet;

c)

de geldigheid van de goedkeuring loopt af ingevolge een beperking overeenkomstig artikel 40, lid 6;

d)

de goedkeuring is overeenkomstig artikel 33, lid 5, artikel 49, lid 1, of artikel 52, lid 4, ingetrokken.

3.   Indien slechts één variant van een type of één uitvoering van een variant ongeldig wordt, verliest de EU-typegoedkeuring van het betrokken voertuig alleen voor die variant of uitvoering haar geldigheid.

4.   Indien de productie van een bepaald voertuigtype definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan in kennis.

Uiterlijk een maand na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten hiervan in kennis.

5.   Wanneer een EU-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig wordt, stelt de fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 4, de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis.

De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verstrekt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld alle toepasselijke informatie om eventueel artikel 44 toe te kunnen passen.

De in de tweede alinea bedoelde informatie omvat met name de productiedatum en het voertuigidentificatienummer van het laatste geproduceerde voertuig.

HOOFDSTUK VIII

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING EN MARKERINGEN

Artikel 38

Certificaat van overeenstemming

1.   Als houder van een EU-typegoedkeuring van een voertuig verstrekt de fabrikant bij elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat conform het goedgekeurde voertuigtype is gebouwd, een certificaat van overeenstemming in papieren vorm.

Dit certificaat wordt gratis bij het voertuig aan de koper geleverd. De levering ervan mag niet afhankelijk worden gesteld van een uitdrukkelijk verzoek daartoe of het verstrekken van aanvullende gegevens aan de fabrikant.

Op verzoek van de eigenaar van het voertuig verstrekt de fabrikant van het voertuig, gedurende een periode van tien jaar na de productiedatum van het voertuig, een duplicaat van het certificaat van overeenstemming aan de eigenaar van het voertuig, tegen betaling van een bedrag dat niet hoger is dan de hieraan verbonden kosten. Op de voorzijde van het duplicaat is het woord „duplicaat” duidelijk zichtbaar.

2.   De fabrikant maakt gebruik van het model voor het certificaat van overeenstemming dat door de Commissie is vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat vervalsing wordt voorkomen. Daartoe bepalen de uitvoeringshandelingen dat het papier dat voor het certificaat wordt gebruikt, door verscheidene druktechnische beveiligingen wordt beschermd. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

3.   Het certificaat van overeenstemming wordt opgesteld in ten minste één van de officiële talen van de Unie. Een lidstaat mag voorschrijven dat het certificaat van overeenstemming in zijn eigen officiële taal of talen wordt vertaald.

4.   De persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) om de certificaten van overeenstemming te ondertekenen, maken deel uit van de organisatie van de fabrikant en worden door de directie naar behoren gemachtigd om volledig de wettelijke verantwoordelijkheid van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie of de conformiteit van de productie van een voertuig.

5.   Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in deze verordening of een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn toegestaan.

6.   In geval van een incompleet of voltooid voertuig vult de fabrikant alleen de punten van het certificaat van overeenstemming in die in de lopende goedkeuringsfase toegevoegd of gewijzigd zijn, en voegt hij er in voorkomend geval alle in de vorige fasen afgegeven certificaten van overeenstemming bij.

7.   Het opschrift van het certificaat van overeenstemming luidt voor voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 40, lid 2, goedkeuring is verleend als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 40, lid 4, van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend.”.

8.   Het opschrift van het in de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen beschreven certificaat van overeenstemming luidt voor voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 42 typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor in kleine series typegoedkeuring is verleend”; in de onmiddellijke nabijheid daarvan wordt het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel in bijlage III vermelde maximum aangebracht, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.

9.   Onverminderd lid 1 mag de fabrikant het certificaat van overeenstemming met elektronische middelen aan de registratie-instantie van een lidstaat doorgeven.

Artikel 39

Voorgeschreven plaat met de vereiste opschriften van voertuigen en typegoedkeuringsmerken van onderdelen of technische eenheden

1.   De fabrikant van een voertuig brengt op elk voertuig dat conform het goedgekeurde type is vervaardigd, de door de desbetreffende op grond van lid 3 vastgestelde uitvoeringshandeling voorgeschreven plaat met de vereiste opschriften aan.

2.   De fabrikant van een onderdeel of technische eenheid, ongeacht of deze deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen en technische eenheden die conform het goedgekeurde type zijn vervaardigd, het door de relevante op grond van deze verordening of het relevante VN/ECE-reglement vastgestelde uitvoeringshandeling vereiste typegoedkeuringsmerk aan.

Als een dergelijk typegoedkeuringsmerk niet is vereist, brengt de fabrikant ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk en het typenummer of een identificatienummer aan.

3.   De voorgeschreven plaat en het EU-typegoedkeuringsmerk worden opgesteld volgens het model dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

HOOFDSTUK IX

ONTHEFFINGEN VOOR NIEUWE TECHNOLOGIEËN OF NIEUWE CONCEPTEN

Artikel 40

Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

1.   De fabrikant kan EU-typegoedkeuring aanvragen voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de in bijlage II vermelde besluiten.

2.   De goedkeuringsinstantie verleent de in lid 1 bedoelde EU-typegoedkeuring indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de aanvraag zijn de redenen vermeld waarom de desbetreffende technologieën of concepten tot gevolg hebben dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid onverenigbaar is met een of meer van de in bijlage II vermelde besluiten;

b)

in de aanvraag zijn de veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om ervoor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als door de voorschriften waarvan ontheffing wordt aangevraagd wordt geboden;

c)

er worden testbeschrijvingen en -resultaten aangevoerd die aantonen dat aan de voorwaarde onder b) is voldaan.

3.   Voor het verlenen van een dergelijke EU-typegoedkeuring met ontheffing voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten is goedkeuring door de Commissie vereist. Die goedkeuring wordt verleend door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt overeenkomstig de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   In afwachting van het goedkeuringsbesluit van de Commissie mag de goedkeuringsinstantie voor een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing betrekking heeft, al een EU-typegoedkeuring verlenen die echter voorlopig is en alleen op het grondgebied van die lidstaat geldig is. De goedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de overige lidstaten daarvan onverwijld in kennis door middel van een dossier dat de in lid 2 bedoelde gegevens bevat.

In het opschrift van het typegoedkeuringscertificaat en het opschrift van het certificaat van overeenstemming wordt aangegeven dat het hierbij om een voorlopige goedkeuring met een beperkt geldigheidsgebied gaat. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te voorzien in geharmoniseerde modellen voor het typegoedkeuringscertificaat en het certificaat van overeenstemming voor de toepassing van dit lid. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Andere goedkeuringsinstanties mogen besluiten de in lid 4 bedoelde voorlopige goedkeuring schriftelijk binnen hun grondgebied te aanvaarden.

6.   Indien van toepassing wordt in de in lid 3 bedoelde goedkeuring door de Commissie tevens vermeld of er beperkingen van toepassing zijn. In elk geval is de typegoedkeuring ten minste 36 maanden geldig.

7.   Als de Commissie de goedkeuring weigert, stelt de goedkeuringsinstantie de houder van de in lid 4 bedoelde voorlopige typegoedkeuring er onverwijld van in kennis dat de voorlopige goedkeuring zes maanden na de datum van de weigering van de Commissie zal worden ingetrokken.

Voertuigen die echter conform de voorlopige goedkeuring worden vervaardigd voordat deze ongeldig is geworden, mogen in de handel worden gebracht, worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht in elke lidstaat die de voorlopige goedkeuring had aanvaard.

Artikel 41

Latere aanpassing van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen

1.   Wanneer de Commissie een goedkeuring voor de verlening van een ontheffing overeenkomstig artikel 40 verleent, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen in kwestie aan de technologische ontwikkelingen aan te passen.

Wanneer de ontheffing krachtens artikel 40 betrekking heeft op een VN/ECE-reglement, stelt de Commissie een wijziging van het desbetreffende VN/ECE-reglement voor volgens de procedure krachtens de Herziene overeenkomst van 1958.

2.   Zodra de relevante regelgevingen zijn gewijzigd, wordt elke aan het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de ontheffing verbonden beperking onmiddellijk opgeheven.

Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen niet zijn genomen, kan de Commissie op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, bij een besluit in de vorm van een volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgestelde uitvoeringshandeling de lidstaat machtigen de typegoedkeuring te verlengen.

HOOFDSTUK X

IN KLEINE SERIES GEPRODUCEERDE VOERTUIGEN

Artikel 42

Nationale typegoedkeuring van kleine series

1.   De fabrikant kan binnen de in bijlage III vermelde jaarlijkse kwantitatieve beperkingen verzoeken om nationale typegoedkeuring van kleine series van een voertuigtype. Deze beperkingen zijn van toepassing op het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen van het goedgekeurde type op de markt van elke lidstaat in een bepaald jaar.

2.   Voor het in lid 1 bedoelde type voertuigen kunnen de lidstaten vrijstelling van een of meer materiële voorschriften in een of meer van de in bijlage II vermelde gedelegeerde handelingen verlenen, mits zij alternatieve voorschriften vaststellen.

Met „alternatieve voorschriften” worden administratieve bepalingen en technische voorschriften bedoeld waarmee een niveau van functionele veiligheid, milieubescherming en inzittendenveiligheid moet worden gewaarborgd dat in de hoogst haalbare mate gelijkwaardig is met het door een of meer van de in bijlage II vermelde gedelegeerde handelingen geboden niveau.

Voor het in lid 1 bedoelde type voertuigen kunnen de lidstaten vrijstelling van een of meer administratieve bepalingen van deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen verlenen.

Van de in dit lid bedoelde bepalingen wordt door een lidstaat alleen vrijstelling verleend wanneer deze daartoe redelijke gronden heeft.

3.   Voor de nationale typegoedkeuring van voertuigen krachtens dit artikel worden systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor overeenkomstig de in bijlage II vermelde besluiten typegoedkeuring is verleend, aanvaard.

4.   Het typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen waarvoor overeenkomstig dit artikel typegoedkeuring wordt verleend, wordt opgesteld volgens het in artikel 30, lid 2, bedoelde model, maar zonder het opschrift „EU-typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen”, en geeft inhoudelijk aan welke vrijstellingen overeenkomstig lid 2 van dit artikel zijn verleend. De typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens het in artikel 29, lid 4, bedoelde geharmoniseerde systeem.

5.   In het typegoedkeuringscertificaat wordt de aard van de vrijstellingen vermeld die overeenkomstig lid 2, eerste alinea en derde alinea, zijn verleend.

6.   De geldigheid van een nationale typegoedkeuring van kleine series is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat waarvan de goedkeuringsinstantie de goedkeuring heeft verleend.

7.   Op verzoek van de fabrikant wordt echter een kopie van het typegoedkeuringscertificaat en de bijbehorende bijlagen per aangetekend schrijven of per e-mail aan de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten toegezonden.

8.   Uiterlijk drie maanden na ontvangst van het in lid 7 bedoelde verzoek besluiten de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten of zij de typegoedkeuring wel of niet aanvaarden. Zij delen die beslissing formeel mede aan de goedkeuringinstantie die de nationale typegoedkeuring voor kleine series heeft toegekend.

9.   De goedkeuringsinstanties van de lidstaat aanvaarden de nationale typegoedkeuring, tenzij zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de nationale technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan hun eigen technische voorschriften.

10.   Op verzoek van een aanvrager die een voertuig met een nationale typegoedkeuring van kleine series in een andere lidstaat in de handel wenst te brengen of te registreren, verstrekt de goedkeuringsinstantie die de nationale typegoedkeuring van kleine series heeft verleend, aan de nationale instantie van de andere lidstaat een kopie van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het informatiepakket. De leden 8 en 9 zijn van toepassing.

HOOFDSTUK XI

AANBIEDEN OP DE MARKT, REGISTRATIE OF IN HET VERKEER BRENGEN

Artikel 43

Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen

Onverminderd de artikelen 46 en 47 worden voertuigen waarvoor typegoedkeuring voor gehele voertuigen verplicht is of waarvoor de fabrikant krachtens deze verordening een dergelijke typegoedkeuring heeft verkregen, alleen op de markt aangeboden of geregistreerd, en in het verkeer gebracht als zij vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 38.

Indien dergelijke voertuigen incompleet zijn, wordt het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen ervan toegestaan, maar de voor voertuigregistratie bevoegde instanties van de lidstaten kunnen de registratie en het gebruik op de weg ervan weigeren.

Artikel 44

Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraden

1.   Met inachtneming van de in de leden 2 en 4 vastgestelde beperkingen voor voertuigen uit restantvoorraden en termijn, mogen voertuigen die conform zijn met een voertuigtype waarvan de EU-typegoedkeuring ingevolge artikel 37 ongeldig is geworden, niet op de markt worden aangeboden, worden geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige EU-typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden, zijn geregistreerd of in het verkeer zijn gebracht voor deze EU-typegoedkeuring ongeldig werd.

2.   Lid 1 geldt gedurende 24 maanden voor complete voertuigen en gedurende 30 maanden voor voltooide voertuigen, telkens gerekend vanaf de datum waarop de EU-typegoedkeuring ongeldig is geworden.

3.   De fabrikant die van lid 1 gebruik wil maken, dient bij de nationale instanties van elke lidstaat waarin de betrokken voertuigen op de markt zullen worden aangeboden, zullen worden geregistreerd of in het verkeer zullen komen, een verzoek in. In dat verzoek worden de technische of economische redenen vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe typegoedkeuringsvoorschriften kunnen voldoen.

De betrokken nationale instantie besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op haar grondgebied toestaat.

4.   Het aantal voertuigen uit restantvoorraad mag niet meer bedragen dan 10 % van het aantal voertuigen dat tijdens de twee voorafgaande jaren is geregistreerd, of niet meer dan 100 per lidstaat als dat meer is.

5.   Op het certificaat van overeenstemming van de voertuigen die volgens deze procedure in het verkeer worden gebracht, wordt speciaal vermeld dat deze voertuigen als „voertuigen uit restantvoorraad” worden aangemerkt.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat het krachtens de procedure van dit artikel op de markt aan te bieden, te registreren of in het verkeer te brengen aantal voertuigen effectief wordt gecontroleerd.

7.   Dit artikel is alleen van toepassing in geval van stopzetting in verband met het einde van de geldigheid van de typegoedkeuring in het in artikel 37, lid 2, onder a), bedoelde geval.

Artikel 45

Op de markt aanbieden of in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden

1.   Onderdelen of technische eenheden mogen alleen op de markt worden aangeboden of in het verkeer worden gebracht indien zij aan de in bijlage II vermelde desbetreffende handelingen voldoen en overeenkomstig artikel 39 naar behoren zijn gemerkt.

2.   Lid 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder deze verordening vallen.

3.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die krachtens artikel 40 van een of meer bepalingen van deze verordening zijn vrijgesteld of die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor krachtens artikel 42 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.

4.   In afwijking van lid 1, en tenzij in deze verordening of in een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen anders is bepaald, mogen de lidstaten het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het moment dat zij op de markt werden aangeboden of in het verkeer werden gebracht, geen typegoedkeuring was vereist op grond van deze verordening of Richtlijn 2002/24/EG.

HOOFDSTUK XII

VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 46

Procedure op nationaal niveau voor de omgang met voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

1.   Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat maatregelen hebben genomen krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 of voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een onder deze verordening vallend voertuig of systeem of een onder deze verordening vallend onderdeel of technische eenheid een ernstig risico voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen vormt, voert de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend een beoordeling van het voertuig of systeem of van het onderdeel of de technische eenheid uit in het licht van alle in deze verordening vastgestelde voorschriften. De desbetreffende marktdeelnemers verlenen volledige medewerking aan de goedkeuringsinstanties en/of de markttoezichtautoriteiten.

Wanneer de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend bij deze beoordeling vaststelt dat het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid niet aan de voorschriften van deze verordening voldoet, verlangt zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid met deze voorschriften conform te maken, of dat hij het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid uit de handel neemt of binnen een redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, terugroept.

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in de tweede alinea van dit lid genoemde maatregelen.

2.   Wanneer de goedkeuringsinstanties van mening zijn dat de non-conformiteit niet tot hun nationale grondgebied beperkt is, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben verlangd.

3.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij in de Unie in de handel heeft gebracht of geregistreerd of voor het in het verkeer brengen waarvan hij verantwoordelijk is.

4.   Wanneer de marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de nationale instanties alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen op hun nationale markt van niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden te verbieden of te beperken, dan wel deze in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.

5.   De nationale instanties brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van de in lid 4 bedoelde maatregelen op de hoogte.

De verstrekte informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid die niet conform is te identificeren en om de oorsprong, de aard van de beweerde niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die worden aangevoerd door de desbetreffende marktdeelnemer. De goedkeuringsinstanties vermelden met name of de non-conformiteit een van de volgende redenen heeft:

a)

het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voldoet niet aan de voorschriften met betrekking tot de gezondheid of veiligheid van personen, de bescherming van het milieu of andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen;

b)

de in bijlage II vermelde desbetreffende besluiten vertonen tekortkomingen.

6.   De lidstaten brengen de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie waarover zij beschikken met betrekking tot de non-conformiteit van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in kwestie, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.

7.   Indien binnen een maand na de ontvangst van de in lid 6 van dit artikel bedoelde informatie bezwaar tegen een maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of de Commissie, wordt die maatregel door de Commissie overeenkomstig artikel 47 geëvalueerd.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid in kwestie onmiddellijk de passende beperkende maatregelen worden genomen zoals het uit de handel nemen van dit voertuig of dit systeem of dit onderdeel of deze technische eenheid.

Artikel 47

Vrijwaringsprocedure van de Unie

1.   Wanneer tijdens de procedure van artikel 46, leden 3 en 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht of de Commissie van mening is dat de nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, voert de Commissie onmiddellijk een evaluatie van de nationale maatregel uit na raadpleging van de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s). Aan de hand van de resultaten van die evaluatie besluit de Commissie volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd wordt geacht.

De Commissie brengt alle lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) op de hoogte van haar besluit.

2.   Indien de nationale maatregel door de Commissie gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het niet-conforme voertuig of systeem of het niet-conforme onderdeel of de niet conforme technische eenheid uit de handel genomen wordt, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat overeenkomstig het in lid 1 bedoelde besluit de maatregel in of past deze aan.

3.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en wordt toegerekend aan tekortkomingen in deze verordening of op grond van deze verordening aangenomen gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, stelt de Commissie als volgt passende maatregelen voor:

a)

wanneer het op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen betreft, stelt de Commissie de vereiste wijzigingen van de desbetreffende handeling voor;

b)

wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de vereiste ontwerpwijzigingen van de betrokken VN/ECE-reglementen voor volgens de procedure die krachtens de Herziene overeenkomst van 1958 van toepassing is.

Artikel 48

Conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

1.   Indien een lidstaat, na krachtens artikel 46, lid 1, een evaluatie te hebben uitgevoerd, van oordeel is dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de toepasselijke voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig gevaar vormen voor de veiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kunnen schaden, verlangt deze lidstaat van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het voertuig of systeem of het onderdeel of de technische eenheid op het moment van het in de handel brengen of de registratie of na het in het verkeer brengen ervan niet langer een risico vormt, of dat hij het voertuig of het systeem of het onderdeel of de technische eenheid uit de handel neemt of binnen een redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, terugroept. De lidstaat mag de registratie van dergelijke voertuigen weigeren, totdat de voertuigfabrikant alle passende maatregelen heeft genomen.

2.   Voor voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden als bedoeld in lid 1, zorgt de marktdeelnemer ervoor dat corrigerende maatregelen worden toegepast op al deze voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de Unie in de handel worden gebracht, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat brengt de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand op de hoogte van alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid in kwestie te identificeren en de oorsprong en de toeleveringsketen van het voertuig, systeem of onderdeel of van de technische eenheid, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen.

4.   De Commissie raadpleegt onverwijld de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s), en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, en voert een evaluatie van de getroffen nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de in lid 1 bedoelde nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd wordt geacht, en stelt zij zo nodig passende maatregelen voor.

5.   De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) onmiddellijk ervan op de hoogte.

Artikel 49

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet conform zijn met het goedgekeurde type

1.   Indien nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming vergezeld gaan of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het goedgekeurde type, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie conform te maken met het goedgekeurde type.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EU-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als gebrek aan conformiteit met het goedgekeurde type.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie aantoont dat nieuwe voertuigen, onderdelen of technische eenheden die vergezeld gaan van een certificaat van overeenstemming of voorzien zijn van een goedkeuringsmerk dat in een andere lidstaat is afgegeven, niet conform zijn met het goedgekeurde type, kan zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog conform zijn met het goedgekeurde type. De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend voert deze verificatie zo spoedig mogelijk uit en uiterlijk binnen drie maanden na de datum van het verzoek.

4.   De goedkeuringsinstantie verzoekt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor een systeem, onderdeel, technische eenheid of incompleet voertuig heeft verleend, in de volgende gevallen de nodige maatregelen te nemen om de voertuigen in productie opnieuw conform te maken met het goedgekeurde type:

a)

in geval van een EU-typegoedkeuring van een voertuig, indien de niet-conformiteit van een voertuig uitsluitend aan de niet-conformiteit van een systeem, onderdeel of technische eenheid kan worden toegeschreven;

b)

in geval van een meerfasentypegoedkeuring, indien de niet-conformiteit van een voltooid voertuig uitsluitend aan de niet-conformiteit van een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van het incomplete voertuig, of aan de niet-conformiteit van het incomplete voertuig zelf kan worden toegeschreven.

5.   De betrokken goedkeuringsinstantie neemt de nodige maatregelen, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstantie die het verzoek heeft gedaan, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden na de datum van het verzoek.

6.   Wanneer niet-conformiteit wordt vastgesteld, neemt de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring voor het systeem, het onderdeel of de technische eenheid dan wel voor het incomplete voertuig heeft verleend, de in lid 1 genoemde maatregelen.

De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen een maand in kennis van de intrekking van een EU-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.

7.   Indien de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, de haar ter kennis gebrachte niet-conformiteit betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen.

Artikel 50

In de handel brengen en in het verkeer brengen van voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen

1.   Voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties worden niet in de handel gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht en worden verboden, tenzij een goedkeuringsinstantie er een vergunning voor heeft verleend overeenkomstig artikel 51, leden 1 en 4.

2.   Om de uniforme toepassing van lid 1 te verzekeren, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen voor de opstelling van een lijst van dergelijke voertuigdelen of uitrustingsstukken op basis van de beschikbare informatie, en met name de door de lidstaten verstrekte informatie, over:

a)

de ernst van het risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop de voertuigdelen en uitrustingsstukken in kwestie zijn gemonteerd;

b)

de gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunningsplicht voor voertuigdelen of uitrustingsstukken met zich meebrengt voor de consumenten en de fabrikanten op de markt voor vervangende onderdelen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   Lid 1 is niet van toepassing op originele voertuigdelen of uitrustingsstukken, noch op voertuigdelen of uitrustingsstukken waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig een van de in bijlage II vermelde besluiten, tenzij de goedkeuring betrekking heeft op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen.

Lid 1 is niet van toepassing op voertuigdelen of uitrustingsstukken die uitsluitend zijn geproduceerd voor racevoertuigen die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg. Indien voertuigdelen of uitrustingsstukken die voorkomen op een lijst die bij een in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling is vastgesteld, een tweeledige toepassing hebben voor racevoertuigen en voor voertuigen die bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg, mogen die voertuigdelen of uitrustingsstukken niet aan het algemene publiek worden aangeboden voor gebruik in wegvoertuigen, tenzij zij voldoen aan de voorschriften van dit artikel. Waar nodig neemt de Commissie bepalingen aan voor het identificeren van de in dit lid bedoelde voertuigdelen of uitrustingsstukken.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waaraan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voertuigdelen en uitrustingsstukken moeten voldoen.

Deze voorschriften kunnen worden gebaseerd op de in bijlage II vermelde besluiten of kunnen een vergelijking opleggen van de voertuigdelen of uitrustingsstukken met de milieu- of veiligheidsprestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een voertuigdeel daarvan. In beide gevallen zorgen de voorschriften ervoor dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken geen nadelige invloed hebben op de werking van de systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties.

Artikel 51

Voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen - bijkomende voorschriften

1.   Voor de toepassing van artikel 50, lid 1, dient de fabrikant van voertuigdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag vergezeld van een door een aangewezen technische dienst opgesteld testverslag in waarin wordt gecertificeerd dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken waarvoor vergunning wordt gevraagd, voldoen aan de in artikel 50, lid 4, bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type per voertuigdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.

Op verzoek van de bevoegde instantie van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die vergunning heeft verleend, de eerstgenoemde instantie binnen een maand na ontvangst van dat verzoek via een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor elektronische gegevensuitwisseling een kopie van het gevraagde vergunningscertificaat, inclusief de bijlagen. Deze kopie mag ook de vorm van een beveiligd elektronisch bestand hebben.

2.   In de aanvraag worden gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, de naam van de voertuigfabrikant, het voertuigtype, en, in voorkomend geval, het bouwjaar of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarop deze voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten worden aangebracht, kan worden geïdentificeerd.

Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testrapport en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende voertuigdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in artikel 50, lid 4, bedoelde voorschriften, geeft zij een vergunning af om de voertuigdelen of uitrustingsstukken, onder voorbehoud van lid 4, tweede alinea, van dit artikel, in de handel te brengen en in het verkeer te brengen.

De goedkeuringsinstantie geeft onverwijld een certificaat aan de fabrikant af.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen voor de vaststelling van een model en nummeringssysteem voor het in lid 2, derde alinea, van dit artikel bedoelde certificaat. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de vergunning heeft afgegeven, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of de vergunning opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of aanvullende tests noodzakelijk zijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant ervoor te zorgen dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken vervaardigd worden en blijven worden volgens de voorwaarden waaronder de vergunning is afgegeven.

5.   Alvorens een vergunning af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de conformiteit van de productie te waarborgen.

Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken opnieuw conform worden gemaakt. Indien nodig trekt zij de vergunning in.

6.   De goedkeuringsinstanties van de verschillende lidstaten brengen elke onenigheid met betrekking tot de in lid 2, tweede alinea, bedoelde vergunning ter kennis van de Commissie. Na overleg met de goedkeuringsinstanties neemt de Commissie passende maatregelen om een einde te maken aan de onenigheid, waarbij zij zelfs, waar nodig, de intrekking van de vergunning kan eisen.

7.   Zolang de in artikel 50, lid 2, bedoelde lijst nog niet is opgesteld, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven in verband met voertuigdelen en uitrustingsstukken die een nadelige invloed kunnen hebben op de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties.

Artikel 52

Terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden

1.   Wanneer een fabrikant aan wie een EU-typegoedkeuring voor een geheel voertuig is verleend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 voertuigen die in de handel zijn gebracht, geregistreerd of voor het in het verkeer brengen waarvan hij verantwoordelijk was, moet terugroepen omdat een op het voertuig gemonteerd systeem of op het voertuig gemonteerd onderdeel of technische eenheid, al dan niet overeenkomstig deze verordening goedgekeurd, een ernstig risico voor de veiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormt, of een voertuigdeel waarvoor uit hoofde van de typegoedkeuringswetgeving geen specifieke voorschriften gelden een ernstig risico voor de veiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormt, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

2.   Wanneer een fabrikant van systemen, onderdelen of technische eenheden aan wie een EU-typegoedkeuring is verleend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel zijn gebracht of voor het in het verkeer brengen waarvan hij verantwoordelijk was, moet terugroepen omdat deze, ongeacht of zij al dan niet overeenkomstig deze verordening zijn goedgekeurd, een ernstig risico voor de veiligheid, de arbeidsveiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormen, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

3.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om het in de leden 1 en 2 bedoelde ernstige risico weg te nemen. De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onverwijld aan de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten mee.

De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat deze maatregelen in hun respectieve lidstaten effectief worden uitgevoerd.

4.   Indien de betrokken goedkeuringsinstantie de maatregelen ontoereikend acht of van mening is dat zij niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stelt zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis.

De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend stelt vervolgens de fabrikant in kennis. Wanneer de fabrikant geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle vereiste beschermingsmaatregelen, die kunnen gaan tot de intrekking van de EU-typegoedkeuring. Bij intrekking van de EU-typegoedkeuring, stelt de goedkeuringsinstantie binnen een maand na dergelijke intrekking de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis.

Artikel 53

Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

1.   Elk besluit dat uit hoofde van deze verordening wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking van een EU-typegoedkeuring, tot weigering van de registratie, tot het verbieden of beperken van het in de handel brengen, registratie of het in het verkeer brengen van een voertuig, of tot het verplicht uit de handel nemen van een voertuig, wordt uitvoerig met redenen omkleed.

2.   Het besluit wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

HOOFDSTUK XIII

INTERNATIONALE REGELGEVING

Artikel 54

VN/ECE-reglementen die deel uitmaken van de EU-typegoedkeuring

1.   De VN/ECE-reglementen en wijzigingen daarop waar de Unie voor heeft gestemd of waartoe de Unie is toegetreden en die in deze verordening of in de opgrond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn vermeld, maken deel uit van de voorschriften voor de EU-typegoedkeuring van een voertuig.

2.   De goedkeuringsinstanties van de lidstaten aanvaarden de krachtens de in lid 1 bedoelde VN/ECE-reglementen afgegeven goedkeuringen en, in voorkomend geval, de desbetreffende goedkeuringsmerken in plaats van de overeenkomstige goedkeuringen en goedkeuringsmerken die op grond van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn afgegeven.

3.   Wanneer de Unie voor een VN/ECE-reglement of wijzigingen daarop heeft gestemd met het oog op de EU-typegoedkeuring van voertuigen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 75 een gedelegeerde handeling vast om het VN/ECE-reglement c.q. de wijzigingen daarop verplicht te stellen en deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen te wijzigen, al naargelang het geval.

In die gedelegeerde handeling wordt vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarop verplicht is, en worden in voorkomend geval overgangsbepalingen opgenomen.

De Commissie stelt afzonderlijke gedelegeerde handelingen vast ten aanzien van de verplichte toepassing van VN/ECE-reglementen.

HOOFDSTUK XIV

VERSTREKKEN VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 55

Informatie voor gebruikers

1.   De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen voorgeschreven gegevens verstrekken, die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.

2.   Indien een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandeling hierin voorziet, stelt de fabrikant de gebruikers alle relevante informatie en vereiste instructies ter beschikking waarin de bijzondere voorwaarden voor of de beperkingen op het gebruik van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid worden beschreven.

3.   De in lid 2 bedoelde informatie wordt verstrekt in de officiële taal of talen van de lidstaten waar het voertuig in de handel gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht zal worden. Na aanvaarding door de goedkeuringsinstantie wordt zij in de gebruikershandleiding opgenomen.

Artikel 56

Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden

1.   De voertuigfabrikant verstrekt de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden alle gegevens die voor de EU-typegoedkeuring van onderdelen of technische eenheden zijn vereist of om een vergunning krachtens artikel 50 te verkrijgen, inclusief, in voorkomend geval, de in de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen vermelde tekeningen.

De voertuigfabrikant kan de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden een verbindende overeenkomst opleggen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van alle informatie die niet openbaar is, met inbegrip van informatie die verband houdt met intellectuele-eigendomsrechten.

2.   De fabrikant van onderdelen of technische eenheden die houder is van een EU-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig artikel 31, lid 4, beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bevat, verstrekt alle informatie hierover aan de voertuigfabrikant.

Indien een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling hierin voorziet, verstrekt de fabrikant van onderdelen of technische eenheden instructies over beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bij de geproduceerde onderdelen of technische eenheden.

HOOFDSTUK XV

TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

Artikel 57

Verplichtingen van de fabrikanten

1.   De fabrikanten bieden onafhankelijke marktdeelnemers op snel en makkelijk te raadplegen websites een onbeperkte toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie in een gestandaardiseerd formaat. Deze toegang wordt met name op niet-discriminerende wijze geboden ten opzichte van de voorzieningen of de toegang die worden geboden aan erkende handelaren en reparatiebedrijven. Deze verplichting is niet van toepassing in het geval dat een voertuig is goedgekeurd als een in kleine series gebouwd voertuig.

2.   Zolang de Commissie nog geen algemene standaard heeft vastgesteld, wordt de in lid 1 bedoelde informatie op een consistente wijze aangeboden die door onafhankelijke marktdeelnemers door het leveren van een redelijke inspanning kan worden verwerkt.

De fabrikant stelt aan onafhankelijke marktdeelnemers en aan erkende handelaren en reparatiebedrijven eveneens opleidingsdocumentatie ter beschikking.

3.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat ten minste het volgende:

a)

een eenduidig voertuigidentificatienummer;

b)

servicehandboeken met reparatie- en onderhoudsgegevens en serviceschema's;

c)

technische handleidingen en technische servicebulletins;

d)

informatie over onderdelen en diagnose (zoals de theoretische minimale en maximale meetwaarden);

e)

bedradingsschema's;

f)

de diagnostische foutcodes (met inbegrip van de eigen codes van de fabrikant);

g)

de identificatie- en kalibratiecontrolenummers van de software die op een voertuigtype van toepassing zijn;

h)

over en door middel van eigen instrumenten en apparatuur verstrekte informatie;

i)

informatie over gegevensregistratie en bidirectionele bewaking en testgegevens;

j)

arbeidseenheden.

4.   Erkende dealers en reparatiebedrijven die deel uitmaken van het distributienet van een bepaalde voertuigfabrikant, worden als onafhankelijke marktdeelnemers in de zin van deze verordening beschouwd voor zover zij reparatie- of onderhoudsdiensten verrichten voor voertuigen van een fabrikant van wiens distributienet zij geen deel uitmaken.

5.   De reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig is altijd beschikbaar, uitgezonderd tijdens noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het informatiesysteem.

6.   Ten behoeve van de fabricage en het onderhoud van OBD-compatibele vervangings- en onderhoudsonderdelen en diagnose- en testapparatuur verstrekken de fabrikanten de relevante OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig op niet-discriminerende wijze aan belangstellende fabrikanten en reparateurs van onderdelen en diagnose- en testapparatuur.

7.   Ten behoeve van het ontwerp en de fabricage van voertuiguitrusting voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden, verstrekken de fabrikanten de relevante OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig op niet-discriminerende wijze aan belangstellende fabrikanten, installateurs of reparateurs van uitrusting voor op alternatieve brandstof rijdende voertuigen.

8.   Wanneer een fabrikant een EU-typegoedkeuring aanvraagt, levert hij aan de goedkeuringsinstantie het bewijs dat hij wat de in dit artikel voorgeschreven informatie betreft aan deze verordening voldoet.

Indien deze informatie op het moment dat de EU-typegoedkeuring wordt aangevraagd niet beschikbaar is of niet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen voldoet, verstrekt de fabrikant deze informatie binnen zes maanden na de datum van typegoedkeuring.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen voor de vaststelling van een model voor een certificaat inzake de toegang tot OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, waarmee aan de goedkeuringsinstantie het bewijs van naleving wordt geleverd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

9.   Indien bovengenoemd bewijs van naleving niet binnen de in lid 8, tweede alinea, genoemde termijn wordt geleverd, neemt de goedkeuringsinstantie de nodige maatregelen om de naleving te waarborgen.

10.   De fabrikant stelt latere wijzigingen van en aanvullingen op de reparatie- en onderhoudsinformatie op zijn websites ter beschikking zodra deze ter beschikking worden gesteld van erkende reparateurs.

11.   Indien de reparatie- en onderhoudsgegevens van een voertuig in een door of namens de voertuigfabrikant beheerde centrale databank worden opgeslagen, krijgen onafhankelijke reparatiebedrijven gratis toegang tot deze gegevens en worden zij in staat gesteld gegevens over de door hen uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in te voeren.

12.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen met gedetailleerde voorschriften voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, met name technische specificaties voor de manier waarop reparatie- en onderhoudsinformatie beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 58

Verplichtingen met betrekking tot verschillende houders van typegoedkeuring

1.   Bij stapsgewijze typegoedkeuring of meerfasentypegoedkeuring is de fabrikant die verantwoordelijk is voor de respectieve typegoedkeuring tevens verantwoordelijk voor het leveren van reparatie-informatie betreffende het specifieke systeem of het specifieke onderdeel of de specifieke technische eenheid of de specifieke fase aan zowel de eindfabrikant als onafhankelijke marktdeelnemers.

2.   De eindfabrikant is verantwoordelijk voor het leveren van informatie betreffende het hele voertuig aan onafhankelijke marktdeelnemers.

Artikel 59

Vergoedingen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig

1.   De fabrikanten mogen een redelijke en evenredige vergoeding vragen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig waarop deze verordening van toepassing is. Een vergoeding is niet redelijk of evenredig indien deze ontmoedigend werkt doordat geen rekening wordt gehouden met de mate waarin de onafhankelijke marktdeelnemer deze gebruikt.

2.   De fabrikanten stellen de reparatie- en onderhoudsinformatie op dag-, maand- of jaarbasis ter beschikking, waarbij de vergoeding voor de toegang tot deze informatie afhankelijk is van de periode waarvoor toegang wordt verleend.

Artikel 60

Forum betreffende toegang tot voertuiginformatie

Het werkterrein van het forum betreffende toegang tot voertuiginformatie dat overeenkomstig artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (28) is ingesteld, wordt uitgebreid met de onder deze verordening vallende voertuigen.

Op grond van bewijs van al dan niet opzettelijk misbruik van OBD- en reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen adviseert het in de eerste alinea bedoelde forum de Commissie over maatregelen om dergelijk misbruik van informatie te voorkomen.

HOOFDSTUK XVI

AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 61

Voorschriften met betrekking tot technische diensten

1.   De aanwijzende goedkeuringsinstanties zien erop toe dat, alvorens zij een technische dienst krachtens artikel 63 aanwijzen, deze technische dienst aan de voorschriften van de leden 2 tot en met 9 van dit artikel voldoet.

2.   Onverminderd artikel 64, lid 1, wordt een technische dienst naar het recht van een lidstaat opgericht en bezit rechtspersoonlijkheid.

3.   Een technische dienst is een onafhankelijke organisatie die niet betrokken is bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering of het onderhoud van het beoordeelde voertuig of systeem of het beoordeelde onderdeel of de technische eenheid.

Een instantie die lid is van een organisatie van ondernemers of van een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, de beschikbaarstelling, de assemblage, het gebruik of het onderhoud van de door haar beoordeelde, geteste of geïnspecteerde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, kan geacht worden aan de eerste alinea te voldoen, op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten worden aangetoond.

4.   Een technische dienst, zijn hoogste leidinggevenden en het personeel ervan dat belast is met de categorieën activiteiten waarvoor zij overeenkomstig artikel 63, lid 1, zijn aangewezen, mogen niet de ontwerper, fabrikant, leverancier of onderhouder van de door hen beoordeelde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden zijn, noch de vertegenwoordiger van partijen die dergelijke activiteiten verrichten. Dit belet echter niet het gebruik van de in lid 3 van dit artikel bedoelde beoordeelde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die nodig zijn voor de activiteiten van de technische dienst of het gebruik van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden voor persoonlijke doeleinden.

Een technische dienst zorgt ervoor dat de activiteiten van zijn dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit en onpartijdigheid van de categorieën activiteiten waarvoor die dienst werd aangewezen.

5.   Een technische dienst en zijn personeel voeren de categorieën activiteiten waarvoor de dienst is aangewezen, uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun beoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, inzonderheid van druk en beïnvloeding van de kant van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.   Een technische dienst is in staat alle categorieën activiteiten waarvoor hij overeenkomstig artikel 63, lid 1, is aangewezen uit te voeren, door tot tevredenheid van zijn aanwijzende goedkeuringsinstantie aan te tonen dat hij beschikt over:

a)

personeel met passende vaardigheden, specifieke technische kennis en een beroepsopleiding alsmede voldoende passende ervaring om de taak te verrichten;

b)

beschrijvingen van de procedures die relevant zijn voor de categorieën activiteiten waarvoor hij wil worden aangewezen, zodat de transparantie en reproduceerbaarheid van die procedures gewaarborgd zijn;

c)

procedures om bij de uitoefening van de categorieën activiteiten waarvoor hij wil worden aangewezen, naar behoren rekening te houden met de relatieve complexiteit van de technologie van het voertuig of het systeem of van het onderdeel of de technische eenheid in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces, en

d)

de middelen die nodig zijn om op passende wijze de taken uit te voeren die verband houden met de categorieën activiteiten waarvoor hij wil worden aangewezen, en toegang tot alle noodzakelijke apparatuur of faciliteiten.

Bovendien toont de technische dienst tegenover de aanwijzende goedkeuringsinstantie aan dat hij voldoet aan de normen die zijn vastgelegd in de op grond van artikel 65 vastgestelde gedelegeerde handeling en relevant zijn voor de categorieën activiteiten waarvoor die dienst werd aangewezen.

7.   De onpartijdigheid van de technische diensten, hun hoogste leidinggevenden en het beoordelingspersoneel moet worden gewaarborgd. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen.

8.   Technische diensten sluiten een aansprakelijkheidsverzekering voor hun activiteiten af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van hun nationale recht door de lidstaat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.

9.   Het personeel van een technische dienst is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening of bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering geven, behalve ten opzichte van de aanwijzende goedkeuringsinstantie of op grond van het Unierecht of het nationaal recht. De eigendomsrechten worden beschermd.

Artikel 62

Dochterondernemingen van en uitbesteding door technische diensten

1.   Technische diensten mogen uitsluitend met instemming van hun aanwijzende goedkeuringsinstantie sommige van de activiteiten waarvoor zij overeenkomstig artikel 63, lid 1, zijn aangewezen, uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.

2.   Wanneer een technische dienst specifieke taken in verband met de categorieën activiteiten waarvoor hij is aangewezen uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt hij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan artikel 61 voldoet, en brengt hij de aanwijzende goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte.

3.   Technische diensten nemen de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door hun onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze zijn gevestigd.

4.   Technische diensten houden alle relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door hen uitgevoerde taken ter beschikking van de aanwijzende goedkeuringsinstantie.

Artikel 63

Aanwijzing van technische diensten

1.   Technische diensten worden aangewezen voor een of meer van de volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied:

a)

categorie A, technische diensten die de tests als bedoeld in deze verordening en in de in bijlage II vermelde besluiten, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;

b)

categorie B, technische diensten die toezien op de in deze verordening en in de in bijlage II vermelde besluiten bedoelde tests, indien de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;

c)

categorie C, technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de conformiteit van de productie geregeld evalueren en verifiëren;

d)

categorie D, technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien voor de controle van de conformiteit van de productie.

2.   Een goedkeuringsinstantie kan worden aangewezen als technische dienst voor een of meer van de in lid 1 bedoelde activiteiten.

3.   Technische diensten van een derde land welke niet overeenkomstig artikel 64 zijn aangewezen, kunnen voor de toepassing van artikel 67 worden aangemeld, maar alleen als een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land voorziet in een dergelijke aanvaarding van technische diensten. Dit belet een technische dienst die overeenkomstig artikel 61, lid 2, naar het nationale recht van een lidstaat is opgericht, niet in derde landen dochterondernemingen op te richten, mits de dochterondernemingen rechtstreeks worden geleid en gecontroleerd door de aangewezen technische dienst.

Artikel 64

Geaccrediteerde interne technische diensten van de fabrikant

1.   Een geaccrediteerde interne technische dienst van een fabrikant kan alleen worden aangewezen voor activiteiten van categorie A met betrekking tot technische voorschriften waarvoor zelftesten in een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling wordt toegestaan. Deze technische dienst vormt een afzonderlijk en te onderscheiden deel van de onderneming en is niet betrokken bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering of het onderhoud van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij beoordeelt.

2.   Een geaccrediteerde interne technische dienst voldoet aan de volgende voorschriften:

a)

naast het feit dat hij door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen, is hij door een nationale accreditatie-instantie, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008, en overeenkomstig de in artikel 65 van deze verordening bedoelde normen en procedure geaccrediteerd;

b)

de geaccrediteerde interne technische dienst en zijn personeel zijn organisatorisch te onderscheiden en beschikken binnen de onderneming waarvan zij deel uitmaken over rapportagemethoden die hun onpartijdigheid waarborgen en aan de relevante nationale accreditatie-instantie aantonen;

c)

de geaccrediteerde interne technische dienst noch zijn personeel oefenen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen;

d)

de geaccrediteerde interne technische dienst verleent zijn diensten uitsluitend aan de onderneming waarvan hij deel uitmaakt.

3.   Een geaccrediteerde interne technische dienst hoeft niet bij de Commissie te worden aangemeld voor de toepassing van artikel 67, maar op verzoek van de aanwijzende goedkeuringsinstantie wordt door de onderneming waarvan hij deel uitmaakt of door de nationale accreditatie-instantie informatie over zijn accreditatie aan die goedkeuringsinstantie verstrekt.

Artikel 65

Procedures voor prestatienormen en de evaluatie van technische diensten

Om ervoor te zorgen dat technische diensten in alle lidstaten aan dezelfde hoge standaarden voor het prestatieniveau voldoen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de normen waaraan de technische diensten moeten voldoen en de procedure voor hun beoordeling overeenkomstig artikel 66 en hun accreditatie overeenkomstig artikel 64.

Artikel 66

Beoordeling van de vaardigheden van technische diensten

1.   De aanwijzende goedkeuringsinstantie stelt een beoordelingsverslag op waarin wordt aangetoond dat de kandidaat-technische dienst is beoordeeld met betrekking tot de naleving van de vereisten van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen. Dit verslag kan een door een accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat bevatten.

2.   De beoordeling waarop het in lid 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd volgens een op grond van artikel 65 vastgestelde gedelegeerde handeling. Het beoordelingsverslag wordt ten minste om de drie jaar opnieuw bezien.

3.   Het beoordelingsverslag wordt desgevraagd aan de Commissie verstrekt. In dergelijke gevallen en als de beoordeling niet is gebaseerd op een door een nationale accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat waarin wordt verklaard dat de technische dienst aan deze verordening voldoet, stelt de aanwijzende goedkeuringsinstantie aan de Commissie schriftelijke bewijsstukken ter beschikking waaruit de bekwaamheid van de technische dienst blijkt, alsmede de regelingen die zijn getroffen om te waarborgen dat de technische dienst regelmatig door de aanwijzende goedkeuringsinstantie wordt gecontroleerd en voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

De goedkeuringsinstantie die overeenkomstig artikel 63, lid 2, als technische dienst aangewezen wenst te worden, toont door middel van een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke beoordelaars aan dat zij aan de voorwaarden voldoet. Deze beoordelaars kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij afzonderlijk van het personeel dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd.

4.   Een geaccrediteerde interne technische dienst moet voldoen aan de desbetreffende bepalingen van dit artikel.

Artikel 67

Aanmeldingsprocedures

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam, het adres, inclusief het elektronische adres, de verantwoordelijke personen en de activiteitencategorie van elke door hen aangewezen technische dienst, en van latere wijzigingen in deze aanwijzingen. In de aanmelding wordt vermeld voor welke van de in bijlage II genoemde onderwerpen de technische diensten zijn aangewezen.

2.   Een technische dienst mag de in artikel 63, lid 1, bedoelde activiteiten namens de voor de typegoedkeuring verantwoordelijke aanwijzende goedkeuringsinstantie alleen verrichten als hij van tevoren overeenkomstig lid 1 van dit artikel bij de Commissie is aangemeld.

3.   Dezelfde technische dienst kan door verschillende aanwijzende goedkeuringsinstanties worden aangewezen en door de lidstaten van deze aanwijzende goedkeuringsinstanties worden aangemeld, ongeacht de categorie of categorieën van activiteiten die deze dienst overeenkomstig artikel 63, lid 1, uitoefent.

4.   De Commissie wordt in kennis gesteld van alle relevante latere wijzigingen in de aanwijzing.

5.   Wanneer voor de toepassing van een in bijlage II vermeld besluit een specifieke organisatie of een bevoegd orgaan moet worden aangewezen die een activiteit verricht die niet onder artikel 63, lid 1, valt, vindt de aanmelding plaats overeenkomstig dit artikel.

6.   De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de overeenkomstig dit artikel aangemelde technische diensten op haar website.

Artikel 68

Wijzigingen van de aanwijzing

1.   Wanneer een aanwijzende goedkeuringsinstantie heeft geconstateerd of vernomen dat een door haar aangewezen technische dienst niet meer aan de eisen van deze verordening voldoet of zijn verplichtingen niet nakomt, wordt de aanwijzing door de aanwijzende goedkeuringsinstantie beperkt, opgeschort of ingetrokken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan deze eisen of het niet-nakomen van deze verplichtingen. De lidstaat die deze technische dienst heeft aangemeld stelt de Commissie daarvan onmiddellijk in kennis. De Commissie wijzigt de in artikel 67, lid 6, bedoelde gepubliceerde informatie dienovereenkomstig.

2.   Wanneer de aanwijzing wordt beperkt, opgeschort of ingetrokken of de technische dienst zijn activiteiten heeft gestaakt, doet de aanwijzende goedkeuringsinstantie het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die technische dienst hetzij door een andere technische dienst worden behandeld, hetzij aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie of aan de markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 69

Betwisting van de bekwaamheid van technische diensten

1.   De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels over de bekwaamheid van een technische dienst of over de vraag of een technische dienst nog aan de voorschriften voldoet en zijn verantwoordelijkheden nakomt.

2.   De lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie in verband met de grondslag van de aanwijzing of de instandhouding van de aanwijzing van de betrokken technische dienst.

3.   Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.

4.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een technische dienst niet of niet meer aan de aanwijzingsvoorschriften voldoet, brengt zij de lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie daarvan op de hoogte om - in samenwerking met die lidstaat - de nodige corrigerende maatregelen vast te stellen, en verzoekt zij deze lidstaat die corrigerende maatregelen te nemen, die zich zo nodig uit kunnen strekken tot intrekking van de aanwijzing.

Artikel 70

Operationele verplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten voeren namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen uit volgens de in deze verordening en in de in bijlage II vermelde besluiten vervatte beoordelings- en testprocedures.

Technische diensten houden toezicht op de in deze verordening of in een van de in bijlage II vermelde besluiten voor de goedkeuring noodzakelijke tests of inspecties of voeren deze zelf uit, tenzij alternatieve procedures zijn toegestaan. De technische diensten voeren geen tests, beoordelingen of inspecties uit waarvoor zij niet naar behoren door hun goedkeuringsinstantie zijn aangewezen.

2.   Technische diensten:

a)

stellen hun aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde in staat in voorkomend geval getuige te zijn tijdens de conformiteitsbeoordeling door de technische dienst, en

b)

verstrekken, onverminderd artikel 61, lid 9, en artikel 71, hun aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde de informatie over hun onder het toepassingsgebied van deze verordening vallende activiteitencategorieën waarom verzocht wordt.

3.   Als een technische dienst vaststelt dat een fabrikant niet heeft voldaan aan deze verordening, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie, zodat de aanwijzende goedkeuringsinstantie van de fabrikant kan verlangen passende corrigerende maatregelen te nemen, en vervolgens geen typegoedkeuringscertificaat af te geven tenzij de passende corrigerende maatregelen ten genoegen van de goedkeuringsinstantie zijn genomen.

4.   Als een technische dienst die namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie optreedt, tijdens de controle op de conformiteit van de productie na afgifte van een typegoedkeuringscertificaat vaststelt dat een voertuig, systeem, onderdeelonderdeel of technische eenheid niet langer aan deze verordening voldoet, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie. De goedkeuringsinstantie neemt de in artikel 33 bepaalde passende maatregelen.

Artikel 71

Informatieverplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten stellen hun aanwijzende goedkeuringsinstantie op de hoogte van:

a)

elke geconstateerde non-conformiteit die een weigering, beperking, opschorting of intrekking van een typegoedkeuringscertificaat nodig kan maken;

b)

omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor hun aanwijzing;

c)

informatieverzoeken die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangen over hun activiteiten.

2.   Op verzoek van hun aanwijzende goedkeuringsinstantie, verstrekken technische diensten informatie over de activiteiten binnen de werkingssfeer van hun aanwijzing en over alle andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbesteding.

HOOFDSTUK XVII

UITVOERINGSHANDELINGEN EN GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 72

Uitvoeringshandelingen

Om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken en uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vast te leggen, stelt de Commissie, overeenkomstig de in artikel 73, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, uitvoeringshandelingen met de volgende uitvoeringsmaatregelen vast:

a)

het model voor de verklaring van de fabrikant inzake de duurzaamheid van de systemen, voertuigdelen en uitrustingsstukken die essentieel zijn voor de functionele veiligheid, als bedoeld in artikel 22, lid 7;

b)

modellen voor het inlichtingenformulieren voor het informatiedossier, als bedoeld in artikel 27, lid 4;

c)

het nummeringssysteem voor EU-typegoedkeuringscertificaten, als bedoeld in artikel 29, lid 4;

d)

het model voor het EU-typegoedkeuringscertificaat, als bedoeld in artikel 30, lid 2;

e)

het model voor het aan het EU-typegoedkeuringscertificaat gehechte formulier met testresultaten, als bedoeld in artikel 30, lid 3;

f)

het model voor de lijst van toepasselijke voorschriften of besluiten, als bedoeld in artikel 30, lid 6;

g)

de algemene voorschriften voor het formaat van het testverslag, als bedoeld in artikel 32, lid 1;

h)

het model voor het certificaat van overeenstemming, als bedoeld in artikel 38, lid 2;

i)

het model voor het EU-typegoedkeuringsmerk, als bedoeld in artikel 39, lid 3;

j)

de vergunning voor het verlenen van EU-typegoedkeuringen met een ontheffing voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten, als bedoeld in artikel 40, lid 3;

k)

de modellen voor het typegoedkeuringscertificaat en het certificaat van overeenstemming betreffende nieuwe technologieën of nieuwe concepten zoals bedoeld in artikel 40, lid 4;

l)

de vergunningen aan lidstaten om de typegoedkeuring te verlengen, als bedoeld in artikel 41, lid 2;

m)

de lijst van voertuigdelen en uitrustingsstukken, als bedoeld in artikel 50, lid 2;

n)

het model en het nummeringssysteem voor het in artikel 51, lid 3, bedoelde certificaat, alsmede alle aspecten van de in dat artikel bedoelde vergunningprocedure;

o)

het model voor het certificaat dat de goedkeuringsinstantie bewijs van naleving verstrekt, als bedoeld in artikel 57, lid 8.

Artikel 73

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 40 van Richtlijn 2007/46/EG ingestelde technisch comité motorvoertuigen. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 74

Wijziging van de bijlagen

Onverminderd de andere bepalingen van deze verordening inzake de wijziging van de bijlagen is de Commissie ook bevoegd overeenkomstig artikel 75 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende wijzigingen in:

i)

bijlage II, onder B) en C), met betrekking tot de invoering van aanvullende voorschriften inzake de functionele veiligheid en voertuigconstructie voor subcategorie L7e-A (zware quads voor gebruik op de weg);

ii)

bijlagen II en V met het oog op de opneming van referenties van regelgevingshandelingen en corrigenda;

iii)

bijlage V, onder B), met het oog op de wijziging van de toepasselijke referentiebrandstoffen;

iv)

bijlage VI, onder C) en D), om rekening te houden met de resultaten van het in artikel 23, lid 4, bedoelde onderzoek en de goedkeuring van VN/ECE-reglementen.

Artikel 75

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 18, lid 3, artikel 20, lid 2, artikel 21, lid 5, artikel 22, leden 5 en 6, artikel 23, leden 6 en 12, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 8, artikel 32, lid 6, artikel 33, lid 6, artikel 50, lid 4, artikel 54, lid 3, artikel 57, lid 12, artikel 65 en artikel 74, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 22 maart 2013.

3.   De in artikel 18, lid 3, artikel 20, lid 2, artikel 21, lid 5, artikel 22, leden 5 en 6, artikel 23, leden 6 en 12, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 8, artikel 32, lid 6, artikel 33, lid 6, artikel 50, lid 4, artikel 54, lid 3, artikel 57, lid 12, artikel 65 en artikel 74 bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.

5.   Een overeenkomstig artikel 18, lid 3, artikel 20, lid 2, artikel 21, lid 5, artikel 22, leden 5 en 6, artikel 23, leden 6 en 12, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 8, artikel 32, lid 6, artikel 33, lid 6, artikel 50, lid 4, artikel 54, lid 3, artikel 57, lid 12, artikel 65 en artikel 74 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn aan de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt deze termijn met twee maanden verlengd.

HOOFDSTUK XVIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 76

Sancties

1.   De lidstaten stellen sancties vast voor inbreuken door marktdeelnemers op deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen. Zij nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 23 maart 2015 van de desbetreffende bepalingen op de hoogte en stellen haar onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen ervan.

2.   De soorten inbreuken die aanleiding geven tot een sanctie zijn:

a)

valse verklaringen afleggen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot terugroeping leiden;

b)

testresultaten voor typegoedkeuring vervalsen;

c)

gegevens of technische specificaties achterhouden die tot terugroeping, weigering of intrekking van een typegoedkeuring kunnen leiden;

d)

manipulatievoorzieningen gebruiken;

e)

toegang tot informatie weigeren;

f)

het zonder goedkeuring op de markt aanbieden door marktdeelnemers van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor goedkeuring vereist is, of het met die intentie vervalsen van documenten of opschriften.

Artikel 77

Overgangsbepalingen

1.   Onverminderd andere bepalingen van deze verordening, leidt deze verordening niet tot ongeldigverklaring van EU-typegoedkeuringen die vóór 1 januari 2016 voor voertuigen of systemen, onderdelen of technische eenheden zijn verleend.

2.   Indien niet anders is bepaald, blijven de EU-typegoedkeuringen die overeenkomstig de in artikel 81, lid 1, bedoelde besluiten voor voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden zijn verleend, geldig tot de in bijlage IV vermelde data voor bestaande voertuigtypes.

3.   In afwijking van deze verordening wordt de typegoedkeuring voor nieuwe voertuigtypes van de categorieën L1e, L2e en L6e of voor nieuwe systemen, onderdelen of technische eenheden die voor die voertuigtypes bestemd zijn, nog tot 31 december 2016 uit hoofde van Richtlijn 2002/24/EG verleend.

4.   De goedkeuringsinstanties blijven uitbreidingen van goedkeuringen voor de in lid 1 bedoelde voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden verlenen overeenkomstig Richtlijn 2002/24/EG en alle in artikel 81, lid 1, vermelde richtlijnen. Dergelijke goedkeuringen mogen evenwel niet worden gebruikt om uit hoofde van deze verordening een typegoedkeuring van een geheel voertuig te verkrijgen.

5.   In afwijking van Richtlijn 2002/24/EG wordt ook typegoedkeuring verleend voor voertuigen die uiterlijk 31 december 2015 voldoen aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen inzake milieu- en aandrijvingsvoorschriften, als bedoeld in bijlage II, onder A).

In dat geval mogen de nationale instanties de registratie, het in de handel brengen en het in het verkeer brengen van voertuigen die conform zijn met het goedgekeurde type, niet verbieden, beperken of belemmeren.

Artikel 78

Verslag

1.   Uiterlijk 31 december 2020 informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze verordening vastgestelde typegoedkeuringsprocedures.

2.   Op basis van de krachtens lid 1 verstrekte informatie legt de Commissie uiterlijk 31 december 2021 een verslag voor aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordening. Daarin wordt met name nagegaan of het, uitgaande van de ervaring die met de toepassing van deze verordening is opgedaan, passend zou zijn om in hoofdstuk X ook de EU-typegoedkeuring van kleine series te regelen. Als de Commissie dit noodzakelijk acht, dient zij een daartoe strekkend voorstel in.

Artikel 79

Evaluatie inzake geavanceerde remsystemen

1.   Uiterlijk 31 december 2019 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor.

2.   In dat verslag wordt onderzocht of het monteren van een antiblokkeerremsysteem en een aanvullend gecombineerd remsysteem naar keuze van de fabrikant verplicht moet worden gesteld voor motorfietsen van de subcategorie L3e-A1. Als basis hiervoor dienen een beoordeling van de technische haalbaarheid van een dergelijk voorschrift, een analyse van de kosteneffectiviteit, een analyse van de verkeersongevallen en een raadpleging van de relevante belanghebbenden. Voorts wordt rekening gehouden met bestaande aanverwante Europese en internationale normen.

3.   Met het oog op het in lid 2 bedoelde verslag verstrekken de lidstaten de Commissie uiterlijk 31 december 2017 statistische gegevens over de verkeersongevallen met de motorfietsen in kwestie in de voorafgaande vier jaar, uitgesplitst volgens de in bijlage I vermelde voertuigindeling en naar het gemonteerde type geavanceerd remsysteem.

4.   Op basis van de uitkomsten van het verslag overweegt de Commissie de indiening van een wetgevingsvoorstel inzake het verplicht monteren van een geavanceerd remsysteem op de voertuigsubcategorieën in kwestie.

Artikel 80

Evaluatie inzake individuele goedkeuring van voertuigen

1.   Uiterlijk 31 december 2022 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de in lid 3 genoemde onderwerpen.

2.   Het verslag is gebaseerd op een raadpleging van de relevante belanghebbenden en er wordt rekening gehouden met bestaande aanverwante Europese en internationale normen.

3.   Uiterlijk 31 december 2021 brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit over:

a)

het aantal individuele goedkeuringen dat hun nationale instanties sinds 1 januari 2016 per jaar hebben verleend voor voertuigen van categorie L voorafgaande aan hun eerste registratie;

b)

de nationale criteria waarop deze goedkeuringen waren gebaseerd, voor zover die criteria afweken van de eisen die voor EU-typegoedkeuring werden gesteld.

4.   Het verslag gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen en in het verslag wordt de opname in deze verordening van geharmoniseerde voorschriften voor individuele goedkeuringen onderzocht.

Artikel 81

Intrekking

1.   Onverminderd artikel 77 van deze verordening, worden Richtlijn 2002/24/EG, alsook de Richtlijnen 93/14/EEG, 93/30/EEG, 93/33/EEG, 93/93/EEG, 95/1/EG, 97/24/EG, 2000/7/EG, 2002/51/EG, 2009/62/EG, 2009/67/EG, 2009/78/EG, 2009/79/EG, 2009/80/EG en 2009/139/EG met ingang van 1 januari 2016 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden, wat Richtlijn 2002/24/EG betreft, gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

Artikel 82

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Vanaf 22 maart 2013 weigeren nationale autoriteiten geen EU-typegoedkeuringen of nationale typegoedkeuringen voor een nieuw type voertuig, of de registratie, het in de handel brengen of het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig indien het betrokken voertuig voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, indien een fabrikant daarom vraagt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 15 januari 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 84 van 17.3.2011, blz. 30.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 november 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 11 december 2012.

(3)  PB L 124 van 9.5.2002, blz. 1.

(4)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

(5)  PB L 52 van 8.3.1995, blz. 1.

(6)  Besluit 97/836/EG van de Raad (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).

(7)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(8)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(9)  PB L 121 van 15.5.1993, blz. 1.

(10)  PB L 188 van 29.7.1993, blz. 11.

(11)  PB L 188 van 29.7.1993, blz. 32.

(12)  PB L 311 van 14.12.1993, blz. 76.

(13)  PB L 226 van 18.8.1997, blz. 1.

(14)  PB L 106 van 3.5.2000, blz. 1.

(15)  PB L 252 van 20.9.2002, blz. 20.

(16)  PB L 198 van 30.7.2009, blz. 20.

(17)  PB L 222 van 25.8.2009, blz. 1.

(18)  PB L 231 van 3.9.2009, blz. 8.

(19)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 29.

(20)  PB L 202 van 4.8.2009, blz. 16.

(21)  PB L 322 van 9.12.2009, blz. 3.

(22)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(23)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(24)  PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

(25)  Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB L 403 van 30.12.2006, blz. 18); zie definities vermogen, categorieën A1 en A2, in artikel 4, lid 3, onder a) en b).

(26)  PB L 390 van 31.12.2004, blz. 24.

(27)  PB L 374 van 27.12.2006, blz. 10.

(28)  PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1.


LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I —

Voertuigindeling

BIJLAGE II —

Uitputtende lijst van voorschriften voor EU-typegoedkeuring van voertuigen

BIJLAGE III —

Beperkingen voor kleine series

BIJLAGE IV —

Tijdschema voor de toepassing van deze verordening met betrekking tot de typegoedkeuring

BIJLAGE V (A) —

Milieutests en -voorschriften

BIJLAGE V (B) —

Toepassing van testvoorschriften met betrekking tot milieuprestaties voor goedkeuring en uitbreidingen

BIJLAGE VI —

Grenswaarden voor emissies van verontreinigende stoffen, OBD-drempelwaarden en geluidsniveaugrenswaarden voor typegoedkeuringen conformiteit van de productie

A)

Uitlaatemissiegrenswaarden na koude start

B)

Emissiedrempels voor boorddiagnose

C)

Grenswaarden voor verdampingsemissies

D)

Grenswaarden voor het geluidsniveau — Euro 4 en Euro 5

BIJLAGE VII —

Duurzaamheid van de voorzieningen tegen verontreiniging

BIJLAGE VIII —

Aangescherpte voorschriften voor functionele veiligheid

BIJLAGE IX —

Concordantietabel

BIJLAGE I

Voertuigindeling

Categorie

Naam van de categorie

Gemeenschappelijke indelingscriteria

L1e-L7e

Alle voertuigen van categorie L

(1)

lengte ≤ 4 000 mm of ≤ 3 000 mm voor een L6e-B-voertuig of ≤ 3 700 mm voor een L7e-C-voertuig, en

(2)

breedte ≤ 2 000 mm of ≤ 1 000 mm voor een L1e-voertuig of ≤ 1 500 mm voor een L6e-B- of een L7e-C-voertuig, en

(3)

hoogte ≤ 2 500 mm, en


Categorie

Naam van de categorie

Gemeenschappelijke indelingscriteria

L1e

Licht gemotoriseerd voertuig op twee wielen

(4)

twee wielen en aangedreven door een aandrijving als vermeld in artikel 4, lid 3, en

(5)

cilinderinhoud ≤ 50 cm3 als een interne verbrandingsmotor met positieve ontsteking deel uitmaakt van de aandrijvingsconfiguratie van het voertuig, en

(6)

door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig ≤ 45 km/h, en

(7)

nominaal continu maximumvermogen of nettomaximumvermogen (1) ≤ 4 000 W, en

(8)

maximummassa= technisch toelaatbare massa volgens opgave van de fabrikant, en

Subcategorieën

Naam van de subcategorie

Aanvullende indelingscriteria voor subcategorie

L1e-A

Gemotoriseerd rijwiel

(9)

fietsen met trappers, uitgerust met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning, en

(10)

aandrijfkracht van de hulpaandrijving wordt onderbroken bij voertuigsnelheid ≤ 25 km/h, en

(11)

nominaal continu maximumvermogen of nettomaximumvermogen (1) ≤ 1 000 W, en

(12)

een drie- of vierwielig gemotoriseerd rijwiel dat voldoet aan de aanvullende specifieke indelingscriteria (9) tot (11) worden beschouwd als technisch gelijkwaardig met een tweewielig L1e-A-voertuig en dienovereenkomstig ingedeeld.

L1e-B

Bromfiets op twee wielen

(9)

elk ander voertuig van categorie L1e dat niet ingedeeld kan worden volgens de criteria (9) tot (12) van een L1e-A-voertuig.


Categorie

Naam van de categorie

Gemeenschappelijke indelingscriteria

L2e

Bromfiets op drie wielen

(4)

drie wielen en aangedreven door een aandrijving als vermeld in artikel 4, lid 3, en

(5)

cilinderinhoud ≤ 50 cm3 als een inwendige PI-verbrandingsmotor of cilinderinhoud ≤ 500 cm3 als een CI-verbrandingsmotor deel uitmaakt van de aandrijvingsconfiguratie van het voertuig, en

(6)

door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig ≤ 45 km/h, en

(7)

nominaal continu maximumvermogen of nettomaximumvermogen (1) ≤ 4 000 W, en

(8)

massa in rijklare toestand ≤ 270 kg, en

(9)

uitgerust met maximaal twee zitplaatsen, met inbegrip van de bestuurderszitplaats, en

Subcategorieën

Naam van de subcategorie

Aanvullende indelingscriteria voor subcategorie

L2e-P

Bromfiets op drie wielen bestemd voor passagiersvervoer

(10)

L2e-voertuig met uitzondering van deze die voldoen aan de specifieke indelingscriteria van een L2e-U-voertuig.

L2e-U

Bromfiets op drie wielen bestemd voor vrachtvervoer

(10)

speciaal ontworpen voor goederenvervoer met een open of gesloten, nagenoeg vlak en horizontaal laadvlak dat aan de volgende criteria voldoet:

(a)

Formula

, of

(b)

een laadvlak met een oppervlak zoals hierboven omschreven, voor de installatie van machines en/of uitrustingsstukken, en

(c)

ontworpen met een laadvlak dat door een stijve afscheiding duidelijk gescheiden is van het voor de inzittenden bestemde gedeelte, en

(d)

het laadvlak biedt minimaal plaats aan een volume dat wordt vertegenwoordigd door een kubus met ribben van 600 mm.


Categorie

Naam van de categorie

Gemeenschappelijke indelingscriteria

L3e (2)

Motorfiets op twee wielen

(4)

twee wielen en aangedreven door een aandrijving als vermeld in artikel 4, lid 3, en

(5)

maximummassa= technisch toelaatbare massa volgens opgave van de fabrikant, en

(6)

voertuig op twee wielen dat niet kan worden ingedeeld als categorie L1e.

Subcategorieën

Naam van de subcategorie

Aanvullende indelingscriteria voor subcategorie

L3e-A1

Motorfiets met laag vermogen

(7)

cilinderinhoud ≤ 125 cm3, en

(8)

nominaal continu maximumvermogen of nettomaximumvermogen (1) ≤ 11 kW, en

(9)

vermogen (1) /gewichtsverhouding ≤ 0,1 kW/kg

L3e-A2

Motorfiets met middelhoog vermogen

(7)

nominaal continu maximumvermogen of nettomaximumvermogen (1) ≤ 35 kW, en

(8)

vermogen (1) /gewichtsverhouding ≤ 0,2 kW/kg, en

(9)

niet afgeleid van een voertuig dat is uitgerust met een motor met meer dan het dubbele vermogen (1), en

(10)

L3e-A1-voertuig dat niet kan worden ingedeeld aan de hand van aanvullende indelingscriteria 7, 8 en 9 van een L3e-A1-voertuig.

L3e-A3

Motorfiets met hoog vermogen

(7)

elk ander L3e-voertuig dat niet ingedeeld kan worden volgens de indelingscriteria van subcategorie L3e-A1 of L3e-A2.


Sub-subcategorieën

Naam van de sub-subcategorie

Indelingscriteria voor sub-subcategorie in aanvulling op indelingscriteria voor subcategorie L3e-A1-, L3e-A2- of L3e-A3-voertuigen

L3e-AxE

(x = 1, 2 of 3)

Enduro-motorfiets

(a)

zithoogte ≥ 900 mm, en

(b)

vrije hoogte boven het wegdek ≥ 310 mm, en

(c)

totale overbrengingsverhouding in de hoogste versnelling (primaire overbrengingsverhouding * secundaire overbrengingsverhouding in de hoogste versnelling * eindoverbrengingsverhouding) ≥ 6,0, en

(d)

massa in rijklare toestand plus massa van de aandrijfbatterij in geval van elektrische of hybride elektrische aandrijving < 140 kg, en

(e)

geen passagierszitplaats.

L3e-AxT

(x = 1, 2 of 3)

Trialbike

(a)

zithoogte ≤ 700 mm, en

(b)

vrije hoogte boven het wegdek ≥ 280 mm, en

(c)

inhoud brandstoftank ≤ 4 liter, en

(d)

totale overbrengingsverhouding in de hoogste versnelling (primaire overbrengingsverhouding * secundaire overbrengingsverhouding in de hoogste versnelling * eindoverbrengingsverhouding d) ≥ 7,5, en

(e)

massa in rijklare toestand ≤ 100 kg, en

(f)

geen passagierszitplaats.


Categorie

Naam van de categorie

Gemeenschappelijke indelingscriteria

L4e

Motorfiets op twee wielen met zijspan

(4)

basismotorvoertuig dat voldoet aan de indelingscriteria voor categorie en subcategorie voor een L3e-voertuig, en

(5)

basismotorvoertuig is uitgerust met één zijspan, en

(6)

met maximaal vier zitplaatsen inclusief de bestuurder op de motorfiets met zijspan, en

(7)

maximaal twee passagierszitplaatsen in het zijspan, en

(8)

maximummassa= technisch toelaatbare massa volgens opgave van de fabrikant.


Categorie

Naam van de categorie

Gemeenschappelijke indelingscriteria

L5e

Gemotoriseerde driewieler

(4)

drie wielen en aangedreven door een aandrijving als vermeld in artikel 4, lid 3, en

(5)

massa in rijklare toestand ≤ 1 000 kg, en

(6)

voertuig op drie wielen dat niet kan worden ingedeeld als een L2e-voertuig, en

Subcategorie

Naam van de subcategorie

Aanvullende indelingscriteria voor subcategorie

L5e-A

Driewieler

(7)

L5-voertuig uitgezonderd deze die aan de specifieke indelingscriteria voor een L5e-B-voertuig voldoen, en

(8)

met maximaal vijf zitplaatsen, inclusief de bestuurderszitplaats.

L5e-B

Bedrijfsdriewieler

(7)

ontworpen als bedrijfsvoertuig en gekenmerkt door een gesloten bestuurders- en passagiersruimte die maximaal van drie zijden toegankelijk is, en

(8)

uitgerust met maximaal twee zitplaatsen, inclusief de bestuurderszitplaats, en

(9)

speciaal ontworpen voor goederenvervoer met een open of gesloten, nagenoeg vlak en horizontaal laadvlak dat aan de volgende criteria voldoet:

(a)

Formula

, of

(b)

een laadvlak met een oppervlak zoals hierboven omschreven, ontworpen voor de installatie van machines en/of uitrustingsstukken, en

(c)

ontworpen met een laadvlak dat door een stijve afscheiding duidelijk gescheiden is van het voor de inzittenden bestemde gedeelte, en

(d)

het laadvlak biedt minimaal plaats aan een volume dat wordt vertegenwoordigd door een kubus met ribben van 600 mm.


Categorie

Naam van de categorie

Gemeenschappelijke indelingscriteria

L6e

Lichte vierwieler

(4)

vier wielen en aangedreven door een aandrijving als vermeld in artikel 4, lid 3, en

(5)