ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.342.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 342

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
14 december 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1194/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor gerichte lampen, ledlampen en gerelateerde uitrusting betreft ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1195/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203) voor mestkalkoenen en opfokkalkoenen (vergunninghouder Lyven) ( 1 )

23

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1196/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 9/2010 wat betreft het minimumgehalte van een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei (ATCC PTA 5588), als toevoegingsmiddel voor diervoeding in voeder voor legkippen (vergunninghouder Danisco Animal Nutrition) ( 1 )

25

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1197/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen acetamiprid, alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis Stam: AQ 10, benalaxyl, bifenazaat, bromoxynil, chloorprofam, desmedifam, etoxazool, Gliocladium catenulatum Stam: J1446, imazosulfuron, laminarin, mepanipyrim, methoxyfenozide, milbemectin, fenmedifam, Pseudomonas chlororaphis Stam: MA 342, quinoxyfen, S-metolachloor, tepraloxydim, thiacloprid, thiram en ziram ( 1 )

27

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1198/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

31

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1199/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector eieren

33

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1200/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine

36

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1201/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot wijziging van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 892/2012 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2012/2013

38

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1202/2012 van de Commissie van 13 december 2012 houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op eieren en eigeel, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

40

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/778/EU

 

*

Besluit van de Raad van 4 december 2012 tot intrekking van Beschikking 2009/587/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort op Malta

43

 

 

2012/779/EU

 

*

Besluit van de Raad van 11 december 2012 houdende benoeming van een Nederlands lid en een Nederlandse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

45

 

 

2012/780/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 5 december 2012 inzake toegangsrechten tot het bij artikel 18, lid 5, van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG opgezette Europese centrale register van veiligheidsaanbevelingen en de antwoorden daarop ( 1 )

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/1


VERORDENING (EU) Nr. 1194/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 december 2012

tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor gerichte lampen, ledlampen en gerelateerde uitrusting betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (1), en met name artikel 15, lid 1,

Na raadpleging van het Overlegforum ecologisch ontwerp,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Richtlijn 2009/125/EG moet de Commissie eisen inzake ecologisch ontwerp vaststellen voor energiegerelateerde producten met een significant omzet- en handelsvolume, een significant milieueffect en een significant potentieel voor verbetering met betrekking tot het milieueffect, zonder dat dit buitensporige kosten meebrengt.

(2)

Overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a), van Richtlijn 2009/125/EG moet de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 19, lid 3, en de criteria van artikel 15, lid 2, en na raadpleging van het Overlegforum ecologisch ontwerp, in voorkomend geval uitvoeringsmaatregelen vaststellen, te beginnen bij die producten welke een grote bijdrage kunnen leveren tot de kosteneffectieve beperking van broeikasgasemissies, zoals voor verlichtingsproducten in zowel de huishoudelijke als de tertiaire sector, waaronder gerichte lampen, ledlampen en daaraan gerelateerde apparatuur.

(3)

De Commissie heeft een voorbereidende studie verricht waarin zij de technische, milieu- en economische aspecten van gerichte lampen, ledlampen en daaraan gerelateerde uitrusting heeft onderzocht. De studie is verricht in samenwerking met de belanghebbenden en de betrokken partijen uit de Unie en derde landen en de bevindingen ervan zijn openbaar gemaakt. In een voorbereidende studie inzake externe stroomvoorzieningen werd soortgelijk onderzoek gedaan naar voorschakelapparaten voor halogeenlampen.

(4)

De verplichte eisen inzake ecologisch ontwerp gelden voor producten die in de Unie in de handel worden gebracht, ongeacht waar zij worden geïnstalleerd of gebruikt. Dergelijke eisen kunnen dan ook niet afhankelijk worden gemaakt van de toepassing waarvoor het product wordt gebruikt.

(5)

Producten die aan deze verordening onderworpen zijn, zijn in hoofdzaak ontworpen voor de volledige of gedeeltelijke verlichting van een ruimte, doordat zij natuurlijk licht vervangen of aanvullen met kunstlicht om de zichtbaarheid in die ruimte te verbeteren. Lampen voor bijzondere doeleinden die hoofdzakelijk ontworpen zijn voor andere toepassingen (zoals verkeerslichten, verlichting van terraria of huishoudelijke apparaten) en die in de meegeleverde productinformatie duidelijk als dusdanig worden beschreven, horen buiten de eisen inzake ecologisch ontwerp van deze verordening te vallen.

(6)

Nieuwe technologieën die op de markt worden gebracht, zoals lichtdioden, moeten onder deze verordening vallen.

(7)

De milieuaspecten van de producten in kwestie die voor de toepassing van deze verordening als significant worden beschouwd, zijn het energieverbruik tijdens de gebruiksfase, het kwikgehalte en de kwikemissies.

(8)

De kwikemissie in de verschillende fasen van de levenscyclus van de lampen, met inbegrip van de elektriciteitsopwekking tijdens de gebruiksfase en de 80 % gerichte compacte kwikhoudende fluorescentielampen waarvan wordt aangenomen dat zij aan het einde van hun levensduur niet worden gerecycleerd, wordt op basis van het totaal aan geïnstalleerde lampen geschat op 0,7 ton in 2007. Zonder concrete maatregelen zullen de kwikemissies van het totaal aan geïnstalleerde lampen naar verwachting stijgen tot 0,9 ton in 2020, terwijl is aangetoond dat deze emissies sterk kunnen worden verminderd.

(9)

Het kwikgehalte van compacte fluorescentielampen wordt weliswaar als een significant milieuaspect beschouwd, maar het is passend om dit te regelen in het kader van Richtlijn 2011/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (2). Het is passend de emissies van ultraviolet licht van lampen en andere kenmerken met potentiële effecten op de volksgezondheid te regelen in het kader van de Richtlijnen 2006/95/EG (3) en 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (4).

(10)

De vaststelling van energierendementseisen voor lampen zal normaal gezien resulteren in een afname van de totale kwikemissies.

(11)

Overeenkomstig artikel 14, lid 2, onder d), van Richtlijn 2012/19/EU (5) moeten de lidstaten ervoor zorgen dat gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur in particuliere huishoudens de nodige informatie krijgen over de mogelijke gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de aanwezigheid van gevaarlijke bestanddelen in elektrische en elektronische apparatuur. De in deze verordening vastgestelde productinformatie-eisen moeten, wat kwik in compacte fluorescentielampen betreft, een aanvulling op die bepaling vormen.

(12)

Verbeteringen in het elektriciteitsverbruik van aan deze verordening onderworpen producten moeten worden bereikt door de toepassing van bestaande, niet aan eigendomsrechten gebonden kosteneffectieve technologieën die de gecombineerde uitgaven voor de aankoop en het gebruik van de apparatuur doen dalen.

(13)

Eisen inzake het ecologisch ontwerp van aan deze verordening onderworpen producten moeten worden vastgesteld om de milieuprestaties van de betrokken producten te verbeteren, alsook om bij te dragen aan de werking van de interne markt en de doelstelling van de Unie om het energieverbruik tegen 2020 met 20 % te verminderen in vergelijking met het vermoedelijke energieverbruik in dat jaar bij afwezigheid van maatregelen.

(14)

De in de onderhavige verordening en in Verordening (EU) nr. 874/2012 van de Commissie (6) vervatte eisen inzake ecologisch ontwerp zullen samen tegen 2020 naar verwachting resulteren in een jaarlijkse elektriciteitsbesparing van 25 TWh ten opzichte van een situatie bij ongewijzigd beleid.

(15)

De eisen inzake ecologisch ontwerp mogen uit het oogpunt van de gebruiker geen negatieve invloed hebben op de werking van het product en mogen geen schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu. De voordelen van het beperken van het elektriciteitsverbruik tijdens het gebruik moeten met name zwaarder wegen dan potentiële aanvullende milieueffecten tijdens de productiefase van onder deze verordening vallende producten. Om de tevredenheid van de consument over spaarlampen, met name leds, te waarborgen, moeten niet alleen voor gerichte lampen maar ook voor niet-gerichte leds eisen inzake functionaliteit worden vastgesteld aangezien zij niet vielen onder de functionaliteitseisen van Verordening (EG) nr. 244/2009 (7) van de Commissie. Productinformatie-eisen moeten ervoor zorgen dat consumenten weloverwogen keuzes kunnen maken.

(16)

Ledverlichtingsarmaturen waaruit geen ledlamp of -module kan worden verwijderd voor een onafhankelijke proef mogen ledfabrikanten niet de mogelijkheid bieden om de bij deze verordening vastgestelde eisen te omzeilen.

(17)

Het is passend specifieke eisen vast te stellen op een niveau dat het gebruik van alternatieve lampen voor het geheel van de geïnstalleerde verlichtingsuitrusting mogelijk maakt. Tegelijkertijd moeten algemene eisen worden vastgesteld die via geharmoniseerde normen ten uitvoer worden gelegd en die ervoor zorgen dat nieuwe verlichtingsuitrusting beter verenigbaar is met spaarlampen en dat spaarlampen beter verenigbaar zijn met een bredere waaier van verlichtingsuitrusting. Productinformatie-eisen inzake verlichtingsuitrusting kunnen gebruikers helpen om bij elkaar passende lampen en verlichtingsuitrusting te vinden.

(18)

Een gefaseerde invoering van de eisen inzake ecologisch ontwerp moet fabrikanten voldoende tijd geven om het ontwerp van de onder deze verordening vallende producten aan te passen. De timing van de fasen moet zo worden bepaald dat negatieve effecten op de werking van in de handel aangeboden producten worden voorkomen en dat rekening wordt gehouden met het kosteneffect voor eindgebruikers en fabrikanten, met name het midden- en kleinbedrijf, terwijl tevens wordt gegarandeerd dat de doelstellingen van deze verordening tijdig worden verwezenlijkt.

(19)

De relevante productparameters moeten worden gemeten met behulp van betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare meetmethoden die beantwoorden aan de erkende stand van de techniek, met inbegrip van, voor zover beschikbaar, geharmoniseerde normen die door Europese normaliseringsinstanties zijn opgesteld, zoals opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad (8).

(20)

Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG moeten in deze verordening de toepasselijke overeenstemmingsbeoordelingsprocedures worden gespecificeerd.

(21)

Ter ondersteuning van controles op de naleving moeten fabrikanten informatie vermelden in de in de bijlagen V en VI bij Richtlijn 2009/125/EG genoemde technische documentatie, voor zover die informatie betrekking heeft op de eisen van deze verordening.

(22)

Naast de in deze verordening vastgestelde juridisch bindende eisen, moeten indicatieve benchmarks voor de beste beschikbare technologieën worden vastgesteld om informatie over de milieuprestaties tijdens de levensduur van de onder deze verordening vallende producten op grote schaal beschikbaar en gemakkelijk toegankelijk te maken.

(23)

Bij een evaluatie en/of herziening van deze verordening moet bijzondere aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van de verkoop van lampen voor bijzondere doeleinden, om te garanderen dat zij uitsluitend worden gebruikt voor bijzondere toepassingen, alsook aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën, zoals leds en organische leds. Er moet worden nagegaan of energierendementseisen op het niveau van klasse A kunnen worden vastgesteld als gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 874/2012, of op zijn minst op het niveau van klasse B voor gerichte halogeenlampen die werken op netspanning (rekening houdend met de in tabel 2 van punt 1.1 van bijlage III vastgestelde criteria). Er moet ook worden nagegaan of de eisen inzake energierendement voor andere gloeidraadlampen aanzienlijk strenger kunnen worden gemaakt. Bij de evaluatie moeten ook de functionaliteitseisen met betrekking tot de kleurweergave-index voor ledlampen worden beoordeeld.

(24)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Richtlijn 2009/125/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden eisen inzake ecologisch ontwerp vastgesteld voor het in de handel brengen van de volgende algemene elektrische verlichtingsproducten:

a)

gerichte lampen;

b)

lampen met lichtdioden (ledlampen);

c)

apparatuur die wordt geïnstalleerd tussen de netvoeding en de lampen, waaronder voorschakelapparaten en bedieningsapparaten voor lampen en verlichtingsarmaturen (andere dan ballasten en verlichtingsarmaturen voor fluorescentie- en hogedrukgasontladingslampen);

ook wanneer zij in andere producten zijn verwerkt.

De verordening bevat ook productinformatie-eisen voor producten voor bijzondere doeleinden.

Ledmodules worden uitgezonderd van de eisen van deze verordening wanneer zij in de handel worden gebracht als onderdeel van armaturen waarvan minder dan 200 eenheden per jaar worden verhandeld.

Artikel 2

Definities

In aanvulling op de in artikel 2 van Richtlijn 2009/125/EG vastgestelde definities gelden de volgende definities voor de toepassing van deze verordening:

1.   „verlichting”: de belichting van een ruimte, voorwerpen of hun omgeving om deze zichtbaar te maken voor de mens;

2.   „accentverlichting”: een vorm van verlichting waarbij licht zo wordt gericht dat een voorwerp of een deel van een ruimte extra wordt belicht;

3.   „elektrisch product voor verlichting”: een product dat is ontworpen om te worden gebruikt met elektriciteit en bestemd is voor gebruik in verlichting.

4.   „product voor bijzonder doeleinde”: een product waarbij technologieën worden gebruikt die onder deze verordening vallen, maar dat bestemd is voor gebruik in bijzondere toepassingen wegens zijn technische eigenschappen als beschreven in de technische documentatie. Bijzondere toepassingen zijn toepassingen die technische eigenschappen vergen welke niet vereist zijn voor de verlichting van gewone ruimten of voorwerpen in gemiddelde omstandigheden. Zij zijn van de volgende types:

i)

de uitzending van licht als een agens in een scheikundig of biologisch proces (zoals polymerisatie, ultraviolet licht gebruikt voor verduurzamen/drogen/uitharden, fotodynamische therapie, tuinbouw, dierverzorging, insecticiden);

ii)

beeldvorming en -projectie (zoals flitslichten voor camera's, fotocopieermachines, videoprojectoren);

iii)

verwarming (zoals infrarode lampen);

iv)

signalering (zoals verkeerscontrole of verlichting van landingsbanen);

i)

de spectrale distributie van het licht bedoeld is om het uitzicht van de belichte scène of het belichte object te veranderen bovenop het zichtbaar maken ervan (zoals verlichting van tentoongestelde levensmiddelen of gekleurde lampen als omschreven in punt 1 van bijlage I), uitgezonderd de variaties in de toegevoegde kleurtemperatuur), of

ii)

de spectrale distributie van het licht aangepast is aan de specifieke behoeften van een specifieke technische apparatuur bovenop het voor mensen zichtbaar maken van de scène of het object (zoals studioverlichting, „show effect”-toepassingen, theaterverlichting), of

iii)

de verlichte scène of het verlichte voorwerp een bijzondere bescherming vergt van de negatieve effecten van de lichtbron (zoals verlichting voor patiënten met fotosensitiviteit of lichtgevoelige museumvoorwerpen), of

iv)

verlichting uitsluitend in noodsituaties vereist is (zoals armaturen voor noodverlichting of voorschakelapparaten voor noodverlichtingen), of

v)

de verlichtingsproducten weerstand moeten bieden aan extreme fysische omstandigheden (zoals trillingen of temperaturen beneden – 20 °C of boven 50 °C);

5.   „lichtbron”: een oppervlak of voorwerp dat is ontworpen om hoofdzakelijk zichtbare optische stralen uit te zenden die worden geproduceerd door de omvorming van energie. De term „zichtbaar” verwijst naar een golflengte van 380-780 nm;

6.   „lamp”: een eenheid waarvan de prestaties onafhankelijk kunnen worden beoordeeld en die bestaat uit een of meer lichtbronnen. Onder dit begrip kunnen ook aanvullende onderdelen vallen die nodig zijn om de lamp te doen ontbranden, van stroom te voorzien of stabiel te doen werken, dan wel voor de verspreiding, filtering of omzetting van de optische straling, indien die onderdelen niet kunnen worden verwijderd zonder de eenheid blijvend te beschadigen;

7.   „lampvoet”: het deel van een lamp dat zorgt voor de aansluiting op de elektrische voeding door middel van een lamphouder of -connector en dat ook kan dienen om de lamp in de houder te bevestigen;

8.   „lamphouder” of „fitting”: een inrichting die de lamp vasthoudt, meestal doordat de voet erin wordt bevestigd, waarbij zij dus ook dient om de lamp aan te sluiten op de elektrische voeding;

9.   „gerichte lamp”: een lamp met een lichtopbrengst van minstens 80 % binnen een ruimtehoek van π sr (overeenkomend met een lichtkegel met een hoek van 120°);

10.   „niet-gerichte lamp”: een lamp die niet een gerichte lamp is;

11.   „gloeidraadlamp”: een lamp waarin licht wordt voortgebracht door middel van een draadgeleider die door de doorgang van een elektrische stroom tot gloeiens toe wordt verhit. De lamp kan al dan niet gassen bevatten die het gloeiproces beïnvloeden;

12.   „gloeilamp”: een gloeidraadlamp waarin de gloeidraad werkt in een luchtledige peer of omgeven is door een edelgas;

13.   „halogeenlamp (met een gloeidraad van wolfraam)”: een gloeidraadlamp waarin de gloeidraad is vervaardigd van wolfraam en wordt omringd door gas dat halogenen of halogeenverbindingen bevat; zij kan met een ingebouwde voeding worden geleverd;

14.   „ontladingslamp”: een lamp waarin het licht direct of indirect wordt opgewekt door een elektrische ontlading met behulp van een gas, een metaaldamp of een mengsel van verscheidene gassen en dampen;

15.   „fluorescentielamp”: een ontladingslamp van het lagedrukkwiktype waarin het meeste licht wordt voortgebracht door één of meer lagen fosfor die worden aangeslagen door de ultraviolette straling die door de ontlading wordt opgewekt. Fluorescentielampen worden met of zonder geïntegreerde ballast geleverd;

16.   „fluorescentielamp zonder geïntegreerde ballast”: een fluorescentielamp met een enkelvoudige of dubbele lampvoet zonder geïntegreerde ballast;

17.   „hogedrukgasontladingslamp”: een lamp waarin een elektrische gasontlading wordt opgewekt en waarbij de lichtvoortbrengende boog door de oppervlaktemperatuur wordt gestabiliseerd en de boog een hoger toegevoerd vermogen per eenheid binnenoppervlak heeft dan 3 watt per vierkante centimeter;

18.   „lichtdiode” of „led”: een lichtbron die bestaat uit een halfgeleidertoestel dat een pn-junctie van anorganisch materiaal omvat. De junctie geeft optische straling af wanneer zij door elektrische stroom wordt aangeslagen;

19.   „ledpakket”: een inrichting waarin één of meer leds zijn verwerkt. De inrichting kan een optisch element bevatten, alsook thermische, mechanische en elektrische interfaces;

20.   „ledmodule”: een inrichting zonder voet die bestaat uit één of meer ledpakketten op een printplaat. De inrichting kan zijn voorzien van elektrische, optische, mechanische en thermische onderdelen, interfaces en voorschakelapparaten;

21.   „ledlamp”: een lamp die bestaat uit één of meer ledmodules. De lamp kan voorzien zijn van een voet;

22.   „voorschakelapparaat voor lampen”: een apparaat tussen de voeding en één of meer lampen die een functioneel doeleinde heeft in de werking van de lamp(en), zoals het omzetten van de voedingsspanning, het beperken van de stroom van de lamp(en) tot de vereiste waarde, het leveren van ontsteekspanning en voorverwarmingsstroom, het tegengaan van koude start, het corrigeren van de vermogensfactor of het terugdringen van radiostoring. Het apparaat kan zo zijn ontworpen dat het moet worden aangesloten op andere voorschakelapparaten voor lampen om deze functies te kunnen vervullen. De term verwijst niet naar:

bedieningsapparaten;

stroomvoorzieningen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 278/2009 van de Commissie (9);

23.   „bedieningsapparaat”: een elektronisch of mechanisch apparaat dat de lichtstroom van een lamp regelt of bewaakt op een andere manier dan door stroomomvorming zoals tijdschakelaars, aanwezigheidssensoren, lichtsensoren en apparaten voor het regelen van het natuurlijke licht. Voorts worden ook dimmers met faseaansnijding of -afsnijding als bedieningsapparaten beschouwd;

24.   „extern voorschakelapparaat voor lampen”: een niet-ingebouwd voorschakelapparaat dat bestemd is om buiten de behuizing van een lamp of verlichtingsarmatuur te worden geïnstalleerd of uit de behuizing kan worden verwijderd zonder de lamp of de verlichtingsarmatuur blijvend te beschadigen;

25.   „ballast”: een voorschakelapparaat dat tussen de netvoeding en één of meer ontladingslampen wordt geplaatst en, door middel van zelfinductie, capacitantie of een combinatie van zelfinductie en capacitantie, in hoofdzaak dient om de stroom van de lamp(en) te beperken tot de vereiste waarde;

26.   „voorschakelapparaat voor halogeenlampen”: voorschakelapparaat dat netspanning omzet in een bijzonder lage spanning voor halogeenlampen;

27.   „compacte fluorescentielamp”: een fluorescentielamp die alle onderdelen omvat die nodig zijn voor het ontsteken en de stabiele werking van de lamp;

28.   „verlichtingsarmatuur”: een inrichting die het door één of meer lampen uitgestraalde licht verspreidt, filtert of omvormt en alle onderdelen bevat die nodig zijn om de lampen te ondersteunen, te bevestigen en te beschermen, waaronder, indien nodig, hulpstroombanen en voorzieningen om deze op de elektrische voeding aan te sluiten;

29.   „eindgebruiker”: een natuurlijke persoon die een product koopt of naar verwachting zal kopen voor doeleinden die niets te maken hebben met zijn commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit dan wel zijn vrije beroep;

30.   „uiteindelijke eigenaar”: de natuurlijke of rechtspersoon die een product bezit in de gebruiksfase van de levenscyclus daarvan, dan wel elke natuurlijke of rechtspersoon die handelt in naam van een dergelijke natuurlijke of rechtspersoon.

Voor de toepassing van de bijlagen III tot en met V gelden eveneens de in bijlage II vastgestelde definities.

Artikel 3

Eisen inzake ecologisch ontwerp

1.   De in artikel 1 genoemde elektrische verlichtingsproducten voldoen aan de in bijlage III omschreven eisen inzake ecologisch ontwerp, behalve wanneer het producten voor bijzondere doeleinden betreft.

Elke eis inzake ecologisch ontwerp wordt volgens het onderstaande tijdschema toegepast:

 

fase 1: 1 september 2013

 

fase 2: 1 september 2014

 

fase 3: 1 september 2016

Tenzij een eis wordt vervangen of tenzij anderszins is bepaald, blijft elke eis van toepassing naast de andere eisen die later worden ingevoerd.

2.   Met ingang van 1 september 2013 voldoen producten voor bijzondere doeleinden aan de in bijlage I vastgestelde informatie-eisen.

Artikel 4

Overeenstemmingsbeoordeling

1.   De in artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG vastgestelde procedure voor overeenstemmingsbeoordeling bestaat uit de in bijlage IV bij die richtlijn beschreven interne ontwerpcontrole of het in bijlage V bij diezelfde richtlijn beschreven beheersysteem.

2.   Voor de toepassing van de overeenstemmingsbeoordeling van artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG moet het technische documentatiedossier de volgende elementen bevatten:

a)

een kopie van de productinformatie die wordt verstrekt overeenkomstig deel 3 van bijlage III bij deze verordening;

b)

enige andere informatie die op grond van de bijlagen I, III en IV in de technische documentatie moet worden opgenomen;

c)

de beschrijving van ten minste één realistische combinatie van productinstellingen en voorwaarden waarbij het product met deze verordening in overeenstemming is.

Artikel 5

Controleprocedure met het oog op markttoezicht

Bij het uitvoeren van de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2009/125/EG bedoelde markttoezichtcontroles gebruiken de lidstaten de in bijlage IV bij deze verordening beschreven controleprocedure.

Artikel 6

Indicatieve benchmarks

De indicatieve benchmarks voor de best presterende producten en technologieën die op de markt beschikbaar zijn op het ogenblik dat deze verordening wordt aangenomen, zijn vastgelegd in bijlage V.

Artikel 7

Herziening

Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening beoordeelt de Commissie deze verordening in het licht van de technologische vooruitgang en legt zij het resultaat van deze beoordeling voor aan het Overlegforum.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 december 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.

(2)  PB L 174 van 1.7.2011, blz. 88.

(3)  PB L 374 van 27.12.2006, blz. 10.

(4)  PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

(5)  PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38.

(6)  PB L 258 van 26.9.2012, blz. 1.

(7)  PB L 76 van 24.3.2009, blz. 3.

(8)  PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.

(9)  PB L 93 van 7.4.2009, blz. 3.


BIJLAGE I

Productinformatie-eisen voor producten voor bijzondere doeleinden

1.

Wanneer de kleurcoördinaten van een lamp altijd binnen het onderstaande bereik vallen:

x < 0,270 of x > 0,530

Formula of Formula;

worden die kleurcoördinaten vermeld in de technische documentatie die wordt opgesteld met het oog op de overeenstemmingsbeoordeling conform artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG, waarbij wordt aangegeven dat deze coördinaten dit een product voor bijzondere doeleinden maken.

2.

Voor alle producten voor bijzondere doeleinden wordt het beoogde gebruiksdoel in alle formulieren van de productinformatie vermeld, samen met de waarschuwing dat zij niet bestemd zijn voor gebruik in andere toepassingen.

De technische documentatie die wordt opgesteld met het oog op de overeenstemmingsbeoordeling conform artikel 8 van Richtlijn 2009/125/EG bevat een opsomming van de technische parameters die maken dat het productontwerp specifiek bestemd is voor het aangegeven beoogde gebruiksdoel. Zo nodig kunnen de parameters zo worden omschreven dat geen commercieel gevoelige informatie in verband met de intellectuele-eigendomsrechten van de fabrikant bekend wordt gemaakt.

Wanneer het product in de handel wordt gebracht in een verpakking met informatie die zichtbaar voor de eindgebruikers moet worden getoond voordat zij tot de aankoop overgaan, wordt de volgende informatie duidelijk en opvallend op de verpakking en in alle andere vormen van productinformatie aangegeven:

a)

het beoogde gebruiksdoel, en

b)

het gegeven dat het product niet geschikt is voor de verlichting van een huishoudelijke ruimte.


BIJLAGE II

Definities voor de bijlagen III tot en met V

Voor de bijlagen III tot en met V gelden de volgende definities:

a)   „lichtstroom” (Φ): een grootheid die van de stralingsstroom (stralingsenergie) wordt afgeleid door de straling te beoordelen op basis van de spectrale gevoeligheid van het menselijk oog. Zonder nadere specificaties verwijst deze term naar de aanvankelijke lichtstroom;

b)   „aanvankelijke lichtstroom”: de lichtstroom van een lamp na een korte gebruiksperiode;

c)   „nuttige lichtstroom” (Φuse): het deel van de lichtstroom van een lamp dat binnen de lichtkegel valt en wordt gebruikt om de energie-efficiëntie van de lamp te berekenen overeenkomstig punt 1.1. van bijlage III;

d)   „lichtsterkte” (candela of cd): het quotiënt van de lichtstroom die de bron verlaat en verspreid wordt binnen de ruimtehoek die deze richting omvat, gedeeld door de ruimtehoek;

e)   „hoek van de lichtbundel”: de hoek tussen twee denkbeeldige lijnen in een vlak door de as van de optische bundel, zodat deze lijnen door het midden van het voorvlak van de lamp gaan en door punten waarop de lichtsterkte 50 % is van de lichtsterkte in het midden van de bundel, waarbij de sterkte in het midden van de bundel gelijk is aan de lichtsterkte die op de as van de optische bundel wordt gemeten;

f)   „kleurtoon”: de eigenschap van een kleurprikkel die wordt bepaald door zijn kleurcoördinaten dan wel door zijn overheersende of complementaire golflengte en zuiverheid samen;

g)   „toegevoegd kleurtemperatuur” (Tc [K]): temperatuur van een zwarte straler waarvan de waargenomen kleur het meest lijkt op die van een bepaalde prikkel bij dezelfde helderheid en onder gespecificeerde waarnemingsomstandigheden;

h)   „kleurweergave” (Ra): het effect van een lichtbron op de kleurverschijning van voorwerpen bij al dan niet bewuste vergelijking met de kleurverschijning ervan onder een referentielichtbron;

i)   „kleurconsistentie”: de maximale afwijking van de kleurtooncoördinaten (x en y) van een enkele lamp van een kleurtoonmiddelpunt (cx en cy), uitgedrukt als de omvang (in stappen) van de MacAdam-ellips rond het kleurtoonmiddelpunt (cx en cy);

j)   „lumenbehoudsfactor van de lamp” (LLMF): de verhouding tussen de lichtstroom die een lamp op een bepaald moment tijdens haar levensduur afgeeft en de aanvankelijke lichtstroom;

k)   „lampoverlevingsfactor” (LSF): het bepaalde deel van het totale aantal lampen dat gedurende een bepaalde tijd blijft werken, onder bepaalde omstandigheden en bij wisselende schakelfrequenties;

l)   „levensduur van de lamp”: de werkingsperiode waarna het deel van het totale aantal lampen dat blijft werken overeenstemt met de lampoverlevingsfactor onder bepaalde omstandigheden en bij wisselende schakelfrequenties. Voor ledlampen verwijst de levensduur van de lamp naar de gebruiksperiode tussen de start van het gebruik en het tijdstip dat slechts 50 % van het totale aantal geleverde lampen overleeft of het gemiddelde lumenbehoud van het totale aantal lampen onder 70 %, valt, naargelang van wat het eerst gebeurt;

m)   „ontbrandingstijd van de lamp”: de tijd die een lamp, na inschakeling van de netspanning, nodig heeft om volledig te ontbranden en te blijven branden;

n)   „opwarmingstijd van de lamp”: de tijd die een lamp na ontbranding nodig heeft om een bepaald deel van haar gestabiliseerde lichtstroom af te geven;

o)   „vermogensfactor”: de verhouding tussen de absolute waarde van het werkzaam vermogen en het schijnbaar vermogen onder periodieke omstandigheden;

p)   „kwikgehalte van de lamp”: de hoeveelheid kwik in de lamp;

q)   „opgegeven waarde”: de kwantitatieve waarde die wordt gebruikt voor specificatiedoeleinden en die wordt vastgesteld bij welbepaalde bedrijfsomstandigheden van een product. Tenzij anders vermeld, worden alle eisen uitgedrukt in opgegeven waarden;

r)   „nominale waarde”: een kwantitatieve waarde die wordt gebruikt om een product aan te duiden of te identificeren;

s)   „niet-belaste toestand”: de toestand van een voorschakelapparaat van de lamp wanneer dit op de voeding is aangesloten en waarbij de output in normale werkingsomstandigheden met behulp van de voor dit doel bestemde schakelaar ontkoppeld is van alle primaire belastingen (een defecte of ontbrekende lamp of de ontkoppeling van de belasting door middel van een veiligheidsschakelaar wordt niet als normale werkingsomstandigheden beschouwd);

t)   „stand-by-toestand”: de toestand van het voorschakelapparaat van een lamp waarbij de lampen zijn uitgeschakeld met behulp van een bedieningssignaal onder normale werkingsomstandigheden. De term wordt gebruikt voor voorschakelapparaten van lampen met een ingebouwde schakelfunctie die bij normaal gebruik blijvend aan de stroomvoorziening zijn aangesloten;

u)   „bedieningssignaal”: een analoog of digitaal signaal dat wordt uitgezonden door het voorschakelapparaat, draadloos dan wel met draad, hetzij via spanningsmodulatie in afzonderlijke bedieningskabels hetzij via een gemoduleerd signaal in de voedingsspanning;

v)   „stand-by-vermogen”: het vermogen dat wordt verbruikt door het voorschakelapparaat in stand-by-toestand;

w)   „vermogen in niet-belaste toestand”: het vermogen dat door het voorschakelapparaat van de lamp wordt verbruikt in niet-belaste toestand;

x)   „schakelcyclus”: de volgorde van het in- en uitschakelen van de lamp met bepaalde tussenpozen;

y)   „voortijdig defect”: defect waarbij een lamp het einde van haar levensduur bereikt na een werkingsperiode die korter is dan de in de technische documentatie opgegeven levensduur;

z)   „antiverblindingsscherm”: een mechanisch of optisch ondoorzichtig schot, al dan niet reflecterend, dat ontworpen is om directe zichtbare straling afkomstig van een lichtbron van een gerichte lamp tegen te houden, ter voorkoming van tijdelijke gedeeltelijke blindheid (storende verblinding) bij personen die rechtstreeks in de lichtbron kijken. Deze term verwijst niet naar deklagen op het oppervlak van de lichtbron in gerichte lampen;

aa)   „verenigbaarheid”: houdt in dat wanneer een product bedoeld is om in een installatie te worden geïnstalleerd, in een ander product te worden ingebracht of ermee te worden verbonden door een fysiek contact of een draadloze verbinding,


BIJLAGE III

Eisen inzake ecologisch ontwerp

1.   EISEN INZAKE ENERGIERENDEMENT

1.1.   Eisen inzake energierendement voor gerichte lampen

De energierendementsindex (EEI) van de lamp wordt als volgt berekend (op twee decimalen afgerond):

Formula

waarbij:

Pcor het opgegeven vermogen is, gemeten bij de nominale ingangsspanning en waar passend gecorrigeerd overeenkomstig tabel 1. De correctiefactoren zijn waar nodig cumulatief.

Tabel 1

Correctiefactoren

Toepassingsgebied van de correctie

Gecorrigeerd vermogen (Pcor)

Lampen met een extern voorschakelapparaat voor halogeenlampen

Formula

Lampen met een extern voorschakelapparaat voor ledlampen

Formula

Fluorescentielampen met een diameter van 16 mm (T5-lampen) en 4-pins fluorescentielampen met een enkelvoudige voet en een extern voorschakelapparaat voor fluorescentielampen

Formula

Andere lampen met een extern voorschakelapparaat voor fluorescentielampen

Formula

Lampen met een extern voorschakelapparaat voor hogedrukgasontladingslampen

Formula

Compacte fluorescentielampen met een kleurweergave-index ≥ 90

Formula

Lampen met een antiverblindingsscherm

Formula

Pref is het referentievermogen dat op basis van de nuttige lichtstroom van de lamp (Φuse) wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

Voor modellen waarvan Φuse < 1 300 lumen: Formula

Voor modellen waarvan Φuse ≥ 1 300 lumen: Formula

Φuse wordt als volgt gedefinieerd:

andere gerichte lampen met een hoek van de lichtbundel ≥ 90° dan gloeidraadlampen en waarvan op de verpakking een waarschuwing is afgedrukt overeenkomstig punt 3.1.2, onder j), van deze bijlage: opgegeven lichtstroom in een lichtkegel van 120° (Φ120°);

andere gerichte lampen: opgegeven lichtstroom in een lichtkegel van 90° (Φ90°).

De maximale EEI van gerichte lampen is te vinden in tabel 2.

Tabel 2

Toepassingsdatum

Maximale energierendementsindex (EEI)

Gloeidraadlampen voor netspanning

Andere gloeidraadlampen

Hogedrukgasontladingslampen

Andere lampen

Fase 1

Als Φuse > 450 lm: 1,75

Als Φuse ≤ 450 lm: 1,20

Als Φuse > 450 lm: 0,95

0,50

0,50

Fase 2

1,75

0,95

0,50

0,50

Fase 3

0,95

0,95

0,36

0,20

Fase 3 voor gloeidraadlampen voor netspanning is slechts van toepassing als uiterlijk op 30 september 2015 door de Commissie via een gedetailleerde marktstudie is bewezen en is medegedeeld aan het Overlegforum dat er netspanningslampen in de handel zijn die:

in overeenstemming zijn met de eis betreffende de maximale EEI in fase 3;

betaalbaar zijn in die zin dat zij geen buitensporige kosten meebrengen voor de meerderheid van de eindgebruikers;

wat de voor de consument relevante functionaliteitsparameters betreft, grotendeels overeenstemmen met gloeidraadlampen voor netspanning die beschikbaar zijn op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, inclusief in termen van lichtstroom voor het geheel van het bereik van de in tabel 6 genoemde referentielichtstromen;

verenigbaar zijn met apparatuur die is ontworpen om tussen de netvoeding en gloeidraadlampen, beschikbaar op de datum van inwerkingtreding van deze verordening, te worden geïnstalleerd overeenkomstig de recentste eisen voor verenigbaarheid.

1.2.   Eisen inzake energierendement voor voorschakelapparaten voor lampen

Vanaf fase 2 mag het vermogen in niet-belaste toestand van een voorschakelapparaat voor een lamp, bestemd om tussen de netvoeding en de schakelaar te worden geïnstalleerd om de lamp aan en uit te schakelen, niet meer bedragen dan 1,0 W. Vanaf fase 3 geldt een grenswaarde van 0,50 W. Voor voorschakelapparaten voor lampen met een uitgangsvermogen (P) van meer dan 250 W worden de grenswaarden voor het ingangsvermogen in niet-belaste toestand vermenigvuldigd met P/250 W.

Vanaf fase 3 mag het vermogen van een voorschakelapparaat voor een lamp in stand-by-toestand niet meer bedragen dan 0,50 W.

Vanaf fase 2 moet het rendement van een voorschakelapparaat voor halogeenlampen minimaal 0,91 bedragen bij een belasting van 100 %.

2.   EISEN INZAKE FUNCTIONALITEIT

2.1.   Eisen inzake functionaliteit voor andere gerichte lampen dan ledlampen

Tabel 3 bevat de eisen inzake functionaliteit voor gerichte compacte fluorescentielampen en tabel 4 die voor andere gerichte lampen met uitzondering van compacte fluorescentielampen, ledlampen en hogedrukgasontladingslampen.

Tabel 3

Eisen inzake functionaliteit voor gerichte compacte fluorescentielampen

Functionaliteitsparameter

Fase 1,

tenzij anders is bepaald

Fase 3

Lampoverlevingsfactor bij 6 000 uur

Vanaf 1 maart 2014: ≥ 0,50

≥ 0,70

Lumenbehoud

Bij 2 000 uur: ≥ 80 %

Bij 2 000 uur: ≥ 83 %

Bij 6 000 uur: ≥ 70 %

Aantal schakelcycli vóór defect

≥ de helft van de levensduur van de lamp uitgedrukt in uur

≥ 10 000 als ontbrandingstijd van lamp > 0,3 s

≥ levensduur van de lamp uitgedrukt in uur

≥ 30 000 als ontbrandingstijd van lamp > 0,3 s

Ontbrandingstijd

< 2,0 s

< 1,5 s indien P < 10 W

< 1,0 s indien P ≥ 10 W

Opwarmingstijd van lamp tot 60 % Φ

< 40 s

of < 100 s voor lampen die kwik bevatten in de vorm van een amalgaam

< 40 s

of < 100 s voor lampen die kwik bevatten in de vorm van een amalgaam

Voortijdig-defectpercentage

≤ 5,0 % na 500 uur

≤ 5,0 % na 1 000 uur

Lampvermogen/arbeidsfactor voor lampen met geïntegreerd voorschakelapparaat

≥ 0,50 indien P < 25 W

≥ 0,90 indien P ≥ 25 W

≥ 0,55 indien P < 25 W

≥ 0,90 indien P ≥ 25 W

Kleurweergave (Ra)

≥ 80

≥ 65 indien de lamp bedoeld is voor gebruik buitenshuis of in industriële toepassingen overeenkomstig punt 3.1.3, onder l), van deze bijlage

≥ 80

≥ 65 indien de lamp bedoeld is voor gebruik buitenshuis of in industriële toepassingen overeenkomstig punt 3.1.3, onder l), van deze bijlage

Als de lampvoet van een standaardtype is dat ook wordt gebruikt voor gloeidraadlampen, moet de lamp vanaf fase 2 in overeenstemming zijn met de meest recente voorschriften inzake de verenigbaarheid met apparatuur die is ontworpen om tussen de netvoeding en gloeidraadlampen te worden geïnstalleerd.

Tabel 4

Eisen inzake functionaliteit voor andere gerichte lampen (exclusief ledlampen, compacte fluorescentielampen en hogedrukgasontladingslampen)

Functionaliteitsparameter

Fase 1 en 2

Fase 3

Opgegeven levensduur van de lamp bij 50 % lampoverleving

≥ 1 000 uur (≥ 2 000 uur in fase 2) ≥ 2 000 uur voor lampen voor een bijzonder lage spanning die niet in overeenstemming zijn met de rendementseis voor gloeidraadlampen van fase 3 als vastgesteld in punt 1.1 van deze bijlage

≥ 2 000 uur

≥ 4 000 uur voor lampen voor extra lage spanning

Lumenbehoud

≥ 80 % bij 75 % van de opgegeven gemiddelde levensduur

≥ 80 % bij 75 % van de opgegeven gemiddelde levensduur

Aantal schakelcycli

≥ vier keer de opgegeven levensduur van de lamp uitgedrukt in uur

≥ vier keer de opgegeven levensduur van de lamp uitgedrukt in uur

Ontbrandingstijd

< 0,2 s

< 0,2 s

Opwarmingstijd van lamp tot 60 % Φ

≤ 1,0 s

≤ 1,0 s

Voortijdig-defectpercentage

≤ 5,0 % na 100 uur

≤ 5,0 % na 200 uur

Lampvermogen/arbeidsfactor voor lampen met geïntegreerd voorschakelapparaat

Vermogen > 25 W: ≥ 0,9

Vermogen ≤ 25 W: ≥ 0,5

Vermogen > 25 W: ≥ 0,9

Vermogen ≤ 25 W: ≥ 0,5

2.2.   Eisen inzake functionaliteit voor niet-gerichte en gerichte ledlampen

Tabel 5 bevat de eisen inzake functionaliteit voor zowel niet-gerichte als gerichte ledlampen.

Tabel 5

Eisen inzake functionaliteit voor niet-gerichte en gerichte ledlampen

Functionaliteitsparameter

Eis vanaf fase 1, tenzij anderszins is bepaald

Lampoverlevingsfactor bij 6 000 uur

Vanaf 1 maart 2014: ≥ 0,90

Lumenbehoud bij 6 000 uur

Vanaf 1 maart 2014: ≥ 0,80

Aantal schakelcycli vóór defect

≥ 15 000 als opgegeven levensduur van de lamp ≥ 30 000 uur, zo niet:

≥ de helft van de opgegeven levensduur van de lamp uitgedrukt in uur

Ontbrandingstijd

< 0,5 s

Opwarmingstijd van lamp tot 95 % Φ

< 2 s

Voortijdig-defectpercentage

≤ 5,0 % na 1 000 uur

Kleurweergave (Ra)

≥ 80

≥ 65 wanneer de lamp bedoeld is voor gebruik buitenshuis of in industriële toepassingen overeenkomstig punt 3.1.3, onder l), van deze bijlage

Kleurconsistentie

Variatie van kleurcoördinaten binnen een zesstaps MacAdam-ellips of kleiner.

Lamparbeidsfactor (PF) voor lampen met geïntegreerd voorschakelapparaat

P ≤ 2 W: geen eis

2 W < P ≤ 5 W: PF > 0,4

5 W < P ≤ 25 W: PF > 0,5

P > 25 W: PF > 0,9

Als de lampvoet van een standaardtype is dat ook wordt gebruikt voor gloeidraadlampen, moet de lamp vanaf fase 2 in overeenstemming zijn met de meest recente voorschriften inzake verenigbaarheid met apparatuur die is ontworpen om tussen de netvoeding en gloeidraadlampen te worden geïnstalleerd.

2.3.   Eisen inzake functionaliteit voor apparatuur die is ontworpen om tussen de netvoeding en de lampen te worden geïnstalleerd

Vanaf fase 2 moet apparatuur die is ontworpen voor gebruik tussen de netvoeding en de lampen in overeenstemming zijn met de meest recente voorschriften inzake verenigbaarheid met lampen waarvan de energierendementsindex (berekend voor zowel gerichte als niet-gerichte lampen overeenkomstig de in punt 1.1 van deze bijlage vastgestelde methode) niet meer bedraagt dan:

0,24 voor niet-gerichte lampen (in de veronderstelling dat Φuse = de totale opgegeven lichtstroom);

0,40 voor gerichte lampen.

Wanneer een dimmer aangeschakeld is op zijn laagste stand waarvoor de lamp in aan-stand vermogen verbruikt, moeten de daarmee bediende lampen minimaal 1 % leveren van hun lichtstroom bij volledige belasting.

Wanneer een voor de verkoop aan eindgebruikers bestemde verlichtingsarmatuur in de handel wordt gebracht en door de eindgebruiker vervangbare lampen bij de verlichtingsarmatuur worden meegeleverd, moeten deze meegeleverde lampen van één van de hoogste twee energieklassen zijn waarmee de verlichtingsarmatuur overeenkomstig de etikettering verenigbaar is overeenkomstig Verordening (EU) nr. 874/2012 van de Commissie.

3.   PRODUCTINFORMATIE-EISEN

3.1.   Productinformatie-eisen voor gerichte lampen

De volgende informatie dient vanaf fase 1 te worden verstrekt, tenzij anderszins is bepaald.

Deze informatie-eisen gelden niet voor:

gloeidraadlampen die niet aan de rendementseisen van fase 2 voldoen;

ledmodules wanneer in de handel gebracht als onderdeel van een armatuur waarbij het niet de bedoeling is dat zij door de eindgebruiker kunnen worden verwijderd.

In alle vormen van productinformatie mag de term „spaarlamp” of een gelijkaardige productgebonden verkoopbevorderende bewering over het rendement van de lamp uitsluitend worden gebruikt indien de energierendementsindex van de lamp (berekend volgens de in punt 1.1 van deze bijlage vastgestelde methode) maximaal 0,40 bedraagt.

3.1.1.   Informatie die op de lamp zelf moet worden weergegeven

Bij andere lampen dan hogedrukgasontladingslampen moeten de waarde en de eenheid („lm”, „K” en „°”) van de nominale nuttige lichtstroom, van de kleurtemperatuur en van de nominale hoek van de lichtbundel in een leesbaar lettertype op het lampoppervlak worden weergegeven indien, na de weergave van veiligheidsgerelateerde informatie als vermogen en spanning, daarvoor op de lamp voldoende ruimte overblijft zonder dat de lichtuitstraling van de lamp onnodig wordt gehinderd.

Als er slechts ruimte is voor één van de drie waarden, wordt de nominale nuttige lichtstroom vermeld. Als er ruimte is voor twee waarden, worden de nominale nuttige lichtstroom en de kleurtemperatuur vermeld.

3.1.2.   Informatie die zichtbaar op de verpakking en op vrij toegankelijke websites moet worden getoond voordat eindgebruikers tot de aankoop overgaan

De informatie in de onderstaande punten a) tot en met o) moet worden getoond op vrij toegankelijke websites en op elke andere manier die de fabrikant passend acht.

Wanneer het product in de handel wordt gebracht in een verpakking die informatie bevat die zichtbaar moet worden getoond voordat eindgebruikers tot de aankoop overgaan, moet de informatie ook duidelijk en opvallend op de verpakking worden weergegeven.

De informatie hoeft niet te worden gespecificeerd met de exacte formulering van onderstaande lijst. In plaats van met tekst mag zij ook worden weergegeven met behulp van grafieken, figuren of symbolen.

a)

De nominale nuttige lichtstroom, weergegeven in een lettergrootte die dubbel zo groot is als die waarmee het nominale lampvermogen wordt aangegeven.

b)

De nominale levensduur van de lamp in uur (niet langer dan de opgegeven levensduur).

c)

De kleurtemperatuur, uitgedrukt als een waarde in kelvin en tevens grafisch dan wel in woorden uitgedrukt.

d)

Het aantal schakelcycli vóór een voortijdig defect.

e)

De opwarmingstijd tot 60 % van de volledige lichtopbrengst (mag worden aangegeven als „direct vol licht” indien minder dan 1 seconde).

f)

Een waarschuwing wanneer de lamp niet kan worden gedimd of alleen kan worden gedimd met specifieke dimmers; in het laatste geval moet ook een lijst van geschikte dimmers op de website van de fabrikant worden opgenomen.

g)

Wanneer ontworpen voor optimaal gebruik in niet-standaardomstandigheden (zoals wanneer omgevingstemperatuur Ta ≠ 25 °C of specifiek temperatuurbeheer vereist is), informatie over de desbetreffende omstandigheden.

h)

De afmetingen van de lamp in millimeter (lengte en grootste diameter).

i)

De nominale hoek van de lichtbundel in graden.

j)

Indien de hoek van de lichtbundel van de lamp ≥ 90° en de nuttige lichtstroom ervan als gedefinieerd in punt 1.1 van deze bijlage moet worden gemeten in een kegel van 120°, een waarschuwing dat de lamp niet geschikt is voor accentverlichting.

k)

Indien de lampvoet van een standaardtype is dat ook wordt gebruikt voor gloeidraadlampen, maar de afmetingen van de lamp verschillen van die van de gloeidraadlamp(en) die de lamp moet vervangen, een figuur waarop de afmetingen van de lamp afgezet worden tegen de afmetingen van de gloeidraadlamp(en) die deze vervangt.

l)

Een vermelding dat de lamp van een in de eerste kolom van tabel 6 genoemd type is, mag slechts worden weergegeven als de lichtstroom van de lamp binnen een kegel van 90° (Φ90°) niet kleiner is dan de referentielichtstroom die in tabel 6 wordt aangegeven voor het laagste vermogen onder de lampen van het desbetreffende type. De referentielichtstroom wordt vermenigvuldigd met de correctiefactor uit tabel 7. Voor ledlampen wordt de referentielichtstroom bovendien vermenigvuldigd met de correctiefactor uit tabel 8.

m)

Indien wordt beweerd dat de lamp equivalent is met een vervangen lamptype, moet het lamptype in tabel 6 zijn opgenomen en mag de lichtstroom van de lamp binnen een kegel van 90° (Φ90°) niet kleiner zijn dan de overeenkomstige in tabel 6 aangegeven referentielichtstroom. De referentielichtstroom wordt vermenigvuldigd met de correctiefactor uit tabel 7. Voor ledlampen wordt de referentielichtstroom bovendien vermenigvuldigd met de correctiefactor uit tabel 8. De tussenwaarden van zowel de lichtstroom als het beweerde equivalente lampvermogen (afgerond tot op de dichtstbijgelegen 1 W) moeten worden berekend door lineaire interpolatie tussen de twee aangrenzende waarden.

Tabel 6

Referentielichtstroom voor lampen waarover equivalentiebeweringen worden gedaan

Reflectorlampen voor extra lage spanning

Type

Vermogen (W)

Referentie-Φ90° (lm)

MR11 GU4

20

160

 

35

300

MR16 GU 5.3

20

180

 

35

300

 

50

540

AR111

35

250

 

50

390

 

75

640

 

100

785

Reflectorlampen van geblazen glas voor netspanning

Type

Vermogen (W)

Referentie-Φ90° (lm)

R50/NR50

25

90

 

40

170

R63/NR63

40

180

 

60

300

R80/NR80

60

300

 

75

350

 

100

580

R95/NR95

75

350

 

100

540

R125

100

580

 

150

1 000

Reflectorlampen van persglas voor netspanning

Type

Vermogen (W)

Referentie-Φ90° (lm)

PAR16

20

90

 

25

125

 

35

200

 

50

300

PAR20

35

200

 

50

300

 

75

500

PAR25

50

350

 

75

550

PAR30S

50

350

 

75

550

 

100

750

PAR36

50

350

 

75

550

 

100

720

PAR38

60

400

 

75

555

 

80

600

 

100

760

 

120

900

Tabel 7

Vermenigvuldigingsfactoren voor het lumenbehoud

Lamptype

Vermenigvuldigingsfactor voor de lichtstroom

Halogeenlampen

1

Compacte fluorescentielampen

1,08

Ledlampen

Formula

waarbij LLMF staat voor de lumenbehoudsfactor aan het einde van de nominale levensduur

Tabel 8

Vermenigvuldigingsfactoren voor ledlampen

Hoek van de lichtbundel van de ledlamp

Vermenigvuldigingsfactor voor de lichtstroom

20° ≤ hoek van de lichtbundel

1

15° ≤ hoek van de lichtbundel < 20°

0,9

10° ≤ hoek van de lichtbundel < 15°

0,85

hoek van de lichtbundel < 10°

0,80

Wanneer de lamp kwik bevat:

n)

kwikgehalte van de lamp, uitgedrukt als X,X mg;

o)

aanduiding van de website die moet worden geraadpleegd als de lamp per ongeluk breekt, voor instructies over hoe de brokstukken van de lamp moeten worden opgeruimd.

3.1.3.   Informatie die voor het publiek beschikbaar moet worden gemaakt op vrij toegankelijke websites en op enige andere manier die de fabrikant passend acht

Op zijn minst moet de volgende informatie minimaal als een waarde worden aangegeven:

a)

de in punt 3.1.2 gespecificeerde informatie;

b)

opgegeven vermogen (tot 0,1 W nauwkeurig);

c)

opgegeven nuttige lichtstroom;

d)

opgegeven levensduur van de lamp;

e)

lampvermogen/arbeidsfactor;

f)

lumenbehoudsfactor aan het einde van de nominale levensduur (behalve voor gloeidraadlampen);

g)

ontbrandingstijd (in X,X seconden);

h)

kleurweergave;

i)

kleurconsistentie (uitsluitend voor leds);

j)

opgegeven pieksterkte in candela (cd);

k)

opgegeven hoek van de lichtbundel;

l)

wanneer bestemd voor gebruik buitenshuis of in industriële toepassingen, een aanduiding daarvan;

m)

spectrale distributie in het bereik van 180-800 nm;

Wanneer de lamp kwik bevat:

n)

instructies over hoe de brokstukken van de lamp moeten worden verwijderd als de lamp per ongeluk breekt;

o)

aanbevelingen over de verwijdering van de lamp aan het einde van de levensduur ervan ten behoeve van recycling overeenkomstig Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad (1).

3.2.   Aanvullende productinformatie-eisen voor ledlampen die fluorescentielampen zonder geïntegreerde ballast vervangen

In aanvulling op de in punt 3.1 van deze bijlage of punt 3.1 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 244/2009 vastgestelde productinformatie-eisen moeten fabrikanten van ledlampen die fluorescentielampen zonder geïntegreerde ballast vervangen vanaf fase 1 het publiek op een vrij toegankelijke website en op elke andere manier die zij passend achten ervoor waarschuwen dat het totale energierendement en de totale lichtverspreiding van elke installatie met dergelijke lampen bepaald worden door het ontwerp van de installatie.

De bewering dat een ledlamp een vervanging vormt voor een fluorescentielamp zonder geïntegreerde ballast van een bepaald vermogen is slechts toegelaten op voorwaarde dat:

de lichtsterkte in elke richting rond de as van de buis niet meer dan 25 % van de gemiddelde lichtsterkte rond de buis afwijkt, en

de lichtstroom van de ledlamp niet kleiner is dan de lichtstroom van de fluorescentielamp van het beweerde vermogen. De lichtstroom van de fluorescentielamp wordt berekend door het beweerde vermogen te vermenigvuldigen met de minimumwaarden voor het lichtrendement van de fluorescentielamp als bedoeld in Verordening (EG) nr. 245/2009 van de Commissie (2), en

het vermogen van de ledlamp niet groter is dan het vermogen van de fluorescentielamp die deze beweerdelijk vervangt.

In de technische documentatie worden de gegevens verstrekt om de desbetreffende beweringen te staven.

3.3.   Productinformatie-eisen voor andere apparaten dan verlichtingsarmaturen die ontworpen zijn om tussen de netvoeding en de lampen te worden geïnstalleerd

Wanneer de apparaten overeenkomstig deel 2.3 van deze bijlage niet verenigbaar zijn met enige spaarlamp, moet de fabrikant het publiek vanaf fase 2 op een vrij toegankelijke website en op elke andere manier die hij passend acht waarschuwen dat de apparatuur niet verenigbaar is met spaarlampen.

3.4.   Productinformatie-eisen voor voorschakelapparaten voor lampen

Vanaf fase 2 wordt de volgende informatie bekendgemaakt op vrij toegankelijke websites en op elke andere manier die de fabrikant passend acht:

een indicatie dat het product bestemd is om te worden gebruikt als voorschakelapparaat voor lampen;

wanneer van toepassing, de informatie dat het product mag worden gebruikt in een niet-belaste toestand.


(1)  PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38.

(2)  PB L 76 van 24.3.2009, blz. 17.


BIJLAGE IV

Controleprocedure met het oog op markttoezicht

Bij het verrichten van de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2009/125/EG bedoelde controles passen de autoriteiten van de lidstaten de in deze bijlage vastgestelde controleprocedure toe. De markttoezichthouders van de lidstaten verschaffen de informatie over de testresultaten aan de andere lidstaten en de Commissie.

De lidstaten passen betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare meetmethoden toe, waarbij gebruik wordt gemaakt van de algemeen erkende meest recente meetmethoden, met inbegrip van methoden die zijn vastgesteld in documenten waarvan de referentienummers met dat doel in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.

1.   CONTROLEPROCEDURE VOOR ANDERE LAMPEN DAN LEDLAMPEN EN VOOR LEDLAMPEN DIE BEDOELD ZIJN OM IN DE VERLICHTINGSARMATUUR DOOR DE EINDGEBRUIKER TE WORDEN VERVANGEN

De autoriteiten van de lidstaten voeren een steekproef uit van ten minste twintig lampen van hetzelfde model van dezelfde fabrikant, die indien mogelijk in gelijke verhouding worden verkregen uit vier willekeurig geselecteerde bronnen, tenzij anderszins is bepaald in tabel 9.

Het model is in overeenstemming met de in deze verordening vastgestelde eisen wanneer:

a)

de lampen in de steekproef vergezeld gaan van de vereiste en correcte productinformatie, en

b)

op basis van meest recente methoden en criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van producten, met inbegrip van methoden die zijn vastgesteld in documenten waarvan de referentienummers met dat doel in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, is vastgesteld dat de lampen in de steekproef in overeenstemming zijn met de bepalingen van de punten 2.1 en 2.2 van bijlage III inzake verenigbaarheid, en

c)

uit de testresultaten van de in tabel 9 genoemde parameters van de lampen in de steekproef blijkt dat geen van de parameters niet met de eisen in overeenstemming is.

Tabel 9

Parameter

Procedure

Lampoverlevingsfactor na 6 000 uur (uitsluitend voor ledlampen)

De test is voltooid:

wanneer het vereiste aantal uren bereikt is, of

wanneer meer dan twee lampen defect raken;

afhankelijk van wat het eerst gebeurt.

Overeenstemming: maximaal twee van elke 20 lampen in de steekproef raken defect voordat het vereiste aantal uren bereikt is.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Aantal schakelcycli vóór defect

De test is voltooid wanneer het vereiste aantal schakelcycli bereikt is of wanneer per steekproef van 20 lampen het einde van de levensduur van meer dan één lamp wordt bereikt, afhankelijk van wat het eerst gebeurt.

Overeenstemming: per steekproef van 20 lampen functioneren minimaal 19 lampen nog nadat het vereiste aantal schakelcycli bereikt is.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Ontbrandingstijd

Overeenstemming: de gemiddelde ontbrandingstijd van de lampen in de steekproef bedraagt niet meer dan de vereiste ontbrandingstijd plus 10 % en geen enkele lamp van de steekproef heeft een ontbrandingstijd die twee keer langer is dan de vereiste ontbrandingstijd.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Opwarmingstijd van de lamp tot 60 % Φ

Overeenstemming: de gemiddelde opwarmingstijd van de lampen in de steekproef wijkt niet meer dan 10 % af van de vereiste opwarmingstijd en geen enkele lamp van de steekproef heeft een opwarmingstijd die meer bedraagt dan 1,5 keer de vereiste opwarmingstijd.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Voortijdig-defectpercentage

De test is voltooid:

wanneer het vereiste aantal uren bereikt is, of

wanneer meer dan één lamp defect raakt, afhankelijk van wat het eerst gebeurt.

Overeenstemming: per steekproef van 20 lampen raakt maximaal één lamp defect voordat het vereiste aantal uren bereikt is.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Kleurweergave (Ra)

Overeenstemming: de gemiddelde Ra van de lampen in de steekproef ligt maximaal drie punten lager dan de vereiste waarde en geen enkele lamp in de testproef heeft een Ra-waarde die meer dan 3,9 punten lager ligt dan de vereiste waarde.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Lumenbehoud aan het einde van de levensduur en opgegeven levensduur (uitsluitend voor ledlampen)

Voor deze doeleinden betekent „einde van de levensduur” het moment in de tijd waarop naar verwachting slechts 50 % van de lampen nog werkt of waarop het gemiddelde lumenbehoud van de steekproef naar verwachting minder dan 70 % bedraagt, afhankelijk van wat naar verwachting het eerst gebeurt.

Overeenstemming: het lumenbehoud aan het einde van de levensduur en de levensduurwaarden die door extrapolatie worden bekomen uit de lampoverlevingsfactor en het gemiddelde lumenbehoud van de steekproef na 6 000 uur liggen niet lager dan respectievelijk het lumenbehoud en de opgegeven levensduur in de productinformatie minus 10 %.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Equivalentiebeweringen over retrofitlampen overeenkomstig punt 3.1.2, onder l) en m), van bijlage III

Wanneer enkel de equivalentiebewering op overeenstemming wordt getoetst, volstaat een steekproef van 10 lampen, die indien mogelijk in gelijke verhouding worden verkregen uit vier willekeurig geselecteerde bronnen.

Overeenstemming: het gemiddelde resultaat van de lampen in de steekproef wijkt niet meer dan 10 % af van de grenswaarde, drempelwaarde of opgegeven waarde.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Hoek van de lichtbundel

Overeenstemming: het gemiddelde resultaat van de lampen in de steekproef wijkt niet meer dan 25 % af van de opgegeven hoek van de lichtbundel en de hoek van de lichtbundel van elke afzonderlijke lamp in de steekproef wijkt niet meer dan 25 % af van de opgegeven waarde.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Pieksterkte

Overeenstemming: de pieksterkte van elke afzonderlijke lamp in de steekproef bedraagt ten minste 75 % van de opgegeven sterkte van het model.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Overige parameters (inclusief de energierendementsindex)

Overeenstemming: het gemiddelde resultaat van de lampen in de steekproef wijkt niet meer dan 10 % af van de grenswaarde, drempelwaarde of opgegeven waarde.

Geen overeenstemming: in het andere geval.

Wanneer het bovenstaande niet geldt, is het model niet in overeenstemming.

2.   CONTROLEPROCEDURE VOOR LEDMODULES DIE NIET BEDOELD ZIJN OM DOOR DE EINDGEBRUIKER UIT DE VERLICHTINGSARMATUUR TE WORDEN GEHAALD

Voor de doeleinden van de hieronder beschreven test verzamelen de autoriteiten van de lidstaten testexemplaren van hetzelfde model van dezelfde fabrikant (van ledmodules of verlichtingsarmtuur, naargelang van toepassing), die indien mogelijk in gelijke verhouding worden verkregen uit willekeurig geselecteerde bronnen. Voor de onderstaande punten 1), 3) en 5) zijn er, wanneer mogelijk, ten minste vier bronnen. Voor punt 2) zijn er, indien mogelijk, ten minste vier bronnen tenzij het aantal armaturen dat vereist is om via extractie 20 ledmodules van hetzelfde model te verkrijgen minder bedraagt dan vier, in welk geval het aantal bronnen gelijk is aan het aantal vereiste armaturen. Voor punt 4), als de test met de eerste twee armaturen geen succes heeft, komen de volgende drie te testen armaturen wanneer mogelijk van drie andere bronnen.

De autoriteiten van de lidstaten passen de volgende procedure in de onderstaande volgorde toe totdat zij tot een conclusie komen inzake de overeenstemming van het/de model(len) van ledmodules of totdat zij concluderen dat zij niet kunnen worden getest. „Verlichtingsarmatuur” verwijst naar de armatuur die de ledmodules bevat en met „testen” wordt de in deel 1 van deze bijlage beschreven procedure bedoeld behalve wat punt 4) betreft. Wanneer het luidens de technische documentatie mogelijk is zowel overeenkomstig punt 1) als overeenkomstig punt 2) te testen, mogen de autoriteiten de meest geschikte methode kiezen.

1)

Wanneer de technische documentatie van de verlichtingsarmatuur voorziet in een test van de volledige verlichtingsarmatuur als een lamp, testen de autoriteiten 20 verlichtingsarmaturen als lampen. Wanneer wordt geconcludeerd dat het model van de armatuur voldoet aan de eisen, worden de modellen van ledmodules geacht te voldoen aan de in deze verordening neergelegde eisen. Wanneer wordt geconcludeerd dat het model van armatuur niet voldoet, worden de modellen van ledmodules eveneens geacht niet te voldoen aan de eisen.

2)

In het andere geval, wanneer het overeenkomstig de technische documentatie van de verlichtingsarmatuur is toegelaten de ledmodule(s) te verwijderen voor een test, verwerven de autoriteiten voldoende armaturen om 20 exemplaren van elk ingebouwd model van ledmodule te bekomen. Zij volgen de instructies van de technische documentatie om de armaturen te ontmantelen en elk model van ledmodule afzonderlijk te testen. De conclusie of het/de model(len) van ledmodule voldoet/voldoen aan de eisen volgt uit de test(s).

3)

In het andere geval, wanneer overeenkomstig de technische documentatie van de verlichtingsarmatuur de fabrikant van de verlichtingsarmatuur de ingebouwde ledmodules op de markt van de Unie heeft verkregen als afzonderlijke producten met een CE-markering, verzamelen de autoriteiten met het oog op een test 20 exemplaren van elk model van ledmodule op de markt van de Unie en testen zij elk model van ledmodule afzonderlijk. De conclusie of het/de model(len) van ledmodule voldoet/voldoen aan de eisen volgt uit de test(s). Wanneer het desbetreffende model niet meer beschikbaar is op de markt van de Unie, kan het markttoezicht niet worden uitgevoerd.

4)

In het andere geval, wanneer de fabrikant van de verlichtingsarmatuur de ingebouwde ledmodules niet op de markt van de Unie als afzonderlijke producten met een CE-markering heeft verkregen, verzoeken de autoriteiten de fabrikant van de verlichtingsarmatuur om een afschrift toe te zenden van de oorspronkelijke testgegevens van de ledmodule(s) waarbij is aangetoond dat de desbetreffende module(s) voldoet/voldoen aan de eisen die toepasselijk zijn op:

alle ledmodules die zijn genoemd in tabel 5 van deze verordening;

als het gerichte ledmodules betreft, die zijn genoemd in de tabellen 1 en 2 van deze verordening;

als het niet-gerichte ledmodules betreft, die zijn genoemd in de tabellen 1, 2 en 3 van Verordening (EG) nr. 244/2009 van de Commissie.

Wanneer overeenkomstig de testgegevens enige van de modellen van ledmodules in de armatuur niet voldoet aan de eisen, wordt het model van ledmodules niet geacht te voldoen aan de eisen.

In het andere geval ontmantelen de autoriteiten één verlichtingsarmatuur om na te gaan of de ledmodule(s) in de armatuur van hetzelfde type is/zijn als beschreven in de testgegevens. Wanneer enige ervan van een afwijkend type is of niet kan worden geïdentificeerd, wordt het model van ledmodule geacht niet te voldoen aan de eisen.

In het andere geval worden de in tabel 5 neergelegde eisen met betrekking tot de schakelcycli, het voortijdig-defectpercentage, de ontbrandingstijd en de opwarmingstijd getest op de verlichtingsarmatuur werkend bij de opgegeven waarden. Gedurende de werking van de verlichtingsarmatuur bij de opgegeven waarden wordt ook de temperatuur van de ledmodule(s) getest ten aanzien van de vastgestelde grenswaarden. Wanneer de resultaten van de tests (afgezien van het voortijdig-defectpercentage) met meer dan 10 % afwijken van de grenswaarden, of wanneer de armatuur voortijdig defect raakt, worden drie extra armaturen getest. Wanneer het gemiddelde resultaat van die drie extra tests (afgezien van het resultaat in verband met voortijdige defecten en de werkingstemperatuur) niet met meer dan 10 % afwijkt van de grenswaarden, geen van de armaturen voortijdig defect raakt en de werkingstemperatuur (in °C) niet meer dan 10 % afwijkt van de vastgestelde grenswaarden in elk van de drie armaturen, wordt het/de model(len) van ledmodules beschouwd te voldoen aan de eisen. In het andere geval worden het/zij geacht niet te voldoen aan de eisen.

5)

Indien testen overeenkomstig de punten 1) tot en met 4) niet mogelijk blijkt omdat geen onafhankelijk testbare ledmodules in de verlichtingsarmatuur kunnen worden onderscheiden, testen de autoriteiten de in tabel 5 neergelegde eisen met betrekking tot de schakelcycli, het voortijdig-defectpercentage, de ontbrandingstijd en de opwarmingstijd bij één enkele verlichtingsarmatuur. Indien de resultaten van die test met meer dan 10 % afwijken van de grenswaarden of wanneer de armatuur voortijdig defect raakt, worden drie extra armaturen getest. Wanneer het gemiddelde resultaat van de drie extra tests (afgezien van het resultaat in verband met voortijdige defecten) niet met meer dan 10 %, afwijkt van de grenswaarden en geen van de armaturen voortijdig defect raakt, wordt het/de model(len) van in de verlichtingsarmatuur geïntegreerde ledmodule(s) beschouwd te voldoen aan de eisen van deze verordening. In het andere geval wordt het (worden zij) geacht niet te voldoen aan de eisen.

3.   CONTROLEPROCEDURE VOOR APPARATUUR DIE IS ONTWORPEN OM TUSSEN DE NETVOEDING EN DE LAMPEN TE WORDEN GEÏNSTALLEERD

De autoriteiten van de lidstaten testen één eenheid.

De apparatuur is in overeenstemming met de in deze verordening vastgelegde eisen wanneer aan de hand van de meest recente meetmethoden en criteria voor het beoordelen van de verenigbaarheid, met inbegrip van methoden die zijn vastgesteld in documenten waarvan de referentienummers met dat doel in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt vastgesteld dat zij in overeenstemming is met de in punt 2.3 van bijlage III vastgestelde bepalingen inzake verenigbaarheid. Als wordt geconcludeerd dat de apparatuur niet verenigbaar is, is het model toch nog in overeenstemming met deze verordening als het voldoet aan de in punt 3.3 van bijlage III of in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 874/2012 van de Commissie vastgestelde productinformatie-eisen.

Voorschakelapparaten voor lampen worden niet alleen getoetst aan de verenigbaarheidseisen, maar ook aan de in punt 1.2 van bijlage III vastgestelde rendementseisen. De test wordt uitgevoerd op één voorschakelapparaat voor een lamp, niet op een combinatie van verschillende voorschakelapparaten voor lampen, ook niet wanneer het model zo is ontworpen dat het samen met andere voorschakelapparaten voor lampen de lamp(en) in een bepaalde installatie bedient. Het model is in overeenstemming met deze verordening als de resultaten niet meer dan 2,5 % van de grenswaarden afwijken. Wanneer de resultaten meer dan 2,5 % van de grenswaarden afwijken, worden drie extra eenheden getest. Het model is in overeenstemming met deze verordening wanneer het gemiddelde van de resultaten van de drie extra tests niet meer dan 2,5 % van de grenswaarden afwijkt.

Verlichtingsarmaturen die bestemd zijn om op de markt aan eindgebruikers te worden verkocht, worden niet alleen getoetst aan de verenigbaarheidseisen, maar worden ook gecontroleerd op de aanwezigheid van lampen in hun verpakking. Het model is in overeenstemming met deze verordening indien er geen lampen aanwezig zijn of wanneer de aanwezige lampen tot de krachtens punt 2.3 van bijlage III vereiste energieklasse behoren.

Bovenop de verenigbaarheidseisen moeten dimmers worden getest met gloeidraadlampen wanneer de dimmer zich in de minimale dimming-stand bevindt. Het model wordt geacht te voldoen aan de eisen wanneer de lampen, geïnstalleerd overeenkomstig de instructies van de fabrikant, minimaal 1 % leveren van hun lichtstroom bij volledige belasting.

Wanneer het model niet voldoet aan de voornoemde toepasselijke overeenstemmingscriteria, is het niet in overeenstemming met deze verordening.


BIJLAGE V

Indicatieve benchmarks zoals vermeld in artikel 6

Hieronder wordt voor de als significant beschouwde en kwantificeerbare milieuaspecten de beste technologie vermeld die bij de inwerkingtreding van deze verordening in de handel verkrijgbaar is. Door te eisen dat producten voor bepaalde toepassingen bepaalde eigenschappen hebben, zoals een hoge kleurweergave, kan worden voorkomen dat dergelijke producten met die eigenschappen niet aan deze benchmarks voldoen.

1.   RENDEMENT VAN GERICHTE LAMPEN

De lamp met het hoogste rendement had een energierendementsindex van 0,16.

2.   KWIKGEHALTE VAN LAMPEN

Er bestaan lampen die geen kwik bevatten en toch een zeer hoog energierendement halen.

3.   RENDEMENT VAN VOORSCHAKELAPPARATEN VOOR HALOGEENLAMPEN

Het meest efficiënte voorschakelapparaat voor halogeenlampen had een rendement van 0,93.


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/23


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1195/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203) voor mestkalkoenen en opfokkalkoenen (vergunninghouder Lyven)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Voor het gebruik van een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203), is voor mestkippen bij Verordening (EG) nr. 828/2007 (2) een vergunning zonder tijdsbeperking verleend.

(3)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor een nieuw gebruik van het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203), voor mestkalkoenen en opfokkalkoenen, met het verzoek het toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” in te delen. Bij die aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 4 juli 2012 (3) geconcludeerd dat het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203), onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen nadelige effecten voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft en dat het gebruik ervan de voederconversie bij mestkalkoenen kan verbeteren. Zij concludeerde ook dat deze conclusie tot opfokkalkoenen kan worden uitgebreid. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van het preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EC 3.2.1.8), geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203), blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van het preparaat zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „verteringsbevorderaars”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 184 van 14.7.2007, blz. 12.

(3)  EFSA Journal 2012; 10(7):2843.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Activiteitseenheden/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars

4a1642

Lyven

Endo-1,4-bèta-xylanase

EC 3.2.1.8

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Bereiding van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203), met een minimale activiteit van:

 

vast: 1 500 AXC (1)/g

 

vloeibaar: 200 AXC/ml

 

Karakterisering van de werkzame stof

endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203)

 

Analysemethode  (2)

Voor de kwantificering van endeo-1,4-bèta-xylinase, geproduceerd door Trichoderma koningii (MUCL 39203), in diervoeders:

colorimetrische methode gebaseerd op de kwantificering van gekleurde oligomeren, geproduceerd door de inwerking van endo-1,4-bèta-xylanase op Remazol-Brilliant-Blue-R xylaan bij een pH van 4,7 en een temperatuur van 30 °C.

Mestkalkoenen

Opfokkalkoenen

75 AXC

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtemperatuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Aanbevolen maximumdosis per kg volledig diervoeder voor mestkalkoenen en opfokkalkoenen: 100 AXC

3.

Voor gebruik in diervoeders die rijk zijn aan niet-zetmeelpolysachariden (vooral arabinoxylanen).

4.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalings-bescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

3 januari 2023


(1)  1 AXC is de hoeveelheid enzym die bij een pH van 4,7 en een temperatuur van 30 °C 17,2 micromol reducerende suikers (maltose-equivalent) per minuut vrijmaakt uit haverxylaan.

(2)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: http://irmm.jrc.ec.europa.eu/EURLs/EURL_feed_additives/Pages/index.aspx


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1196/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 9/2010 wat betreft het minimumgehalte van een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase, geproduceerd door Trichoderma reesei (ATCC PTA 5588), als toevoegingsmiddel voor diervoeding in voeder voor legkippen (vergunninghouder Danisco Animal Nutrition)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor een preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EG 3.2.1.8), geproduceerd door Trichoderma reesei (ATCC PTA 5588), dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”, is een vergunning voor tien jaar verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, legkippen, eenden en mestkalkoenen bij Verordening (EU) nr. 9/2010 van de Commissie (2), voor gespeende biggen en mestvarkens bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 528/2011 van de Commissie (3), en voor kleine pluimveesoorten behalve eenden bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1021/2012 van de Commissie (4).

(2)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 heeft de vergunninghouder voorgesteld de voorwaarden van de vergunning voor het betrokken preparaat te wijzigen door het minimumgehalte ervan van 2 500 U/kg tot 625 U/kg te verlagen bij gebruik in diervoeding voor legkippen. Bij de aanvraag waren de relevante ondersteunende gegevens gevoegd. De Commissie heeft de aanvraag naar de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (de EFSA) doorgestuurd.

(3)

De EFSA heeft in haar advies van 22 mei 2012 (5) geconcludeerd dat het betrokken preparaat onder de nieuwe voorgestelde gebruiksvoorwaarden bij de aangevraagde minimumdosering van 625 U/kg doeltreffend is. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(4)

Aan de voorwaarden van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is voldaan.

(5)

Verordening (EU) nr. 9/2010 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 9/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 3 van 7.1.2010, blz. 10.

(3)  PB L 143 van 31.5.2011, blz. 10.

(4)  PB L 307 van 7.11.2012, blz. 68.

(5)  EFSA Journal 2012; 10(6):2739.


BIJLAGE

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 9/2010 wordt vervangen door:

„BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

Activiteitseenheden/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: verteringsbevorderaars.

4a11

Danisco Animal Nutrition

(rechtspersoon Danisco (UK) Limited)

Endo-1,4-bèta-xylanase

EG 3.2.1.8

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van endo-1,4-bèta-xylanase (EG 3.2.1.8), geproduceerd door Trichoderma reesei

(ATCC PTA 5588) met een minimumactiviteit van 40 000 U (1)/g

 

Karakterisering van de werkzame stof

endo-1,4-bèta-xylanase (EG 3.2.1.8), geproduceerd door Trichoderma reesei (ATCC PTA 5588)

 

Analysemethode  (2)

Voor de kwantificering van de endo-1,4-bèta-xylanaseactiviteit:

colorimetrische methode gebaseerd op de kwantificering van in water oplosbare gekleurde fragmenten, geproduceerd door de inwerking van endo-1,4-bèta-xylanase op met azurine vernet tarwearabinoxylaansubstraat bij een pH van 4,25 en een temperatuur van 50 °C.

Mestkippen

625 U

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagtemperatuur, de houdbaarheid en de stabiliteit bij verwerking tot pellets vermelden.

2.

Voor gebruik in mengvoeders die rijk zijn aan niet-zetmeelpolysachariden (vooral bèta-arabinoxylanen).

13 januari 2020

Legkippen

625 U

Eenden

625 U

Mestkalkoenen

1 250 U


(1)  1 U is de hoeveelheid enzym die bij een pH van 5,3 en een temperatuur van 50 °C 0,5 μmol reducerende suikers (uitgedrukt in xylose-equivalent) per minuut vrijmaakt uit vernet haverkafarabinoxylaansubstraat.

(2)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: http://irmm.jrc.ec.europa.eu/EURLs/EURL_feed_additives/Pages/index.aspx”


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1197/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen acetamiprid, alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis Stam: AQ 10, benalaxyl, bifenazaat, bromoxynil, chloorprofam, desmedifam, etoxazool, Gliocladium catenulatum Stam: J1446, imazosulfuron, laminarin, mepanipyrim, methoxyfenozide, milbemectin, fenmedifam, Pseudomonas chlororaphis Stam: MA 342, quinoxyfen, S-metolachloor, tepraloxydim, thiacloprid, thiram en ziram

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 17, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (2), stelt de werkzame stoffen vast die geacht worden bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 te zijn goedgekeurd.

(2)

De goedkeuringen voor de werkzame stoffen acetamiprid, alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis Stam: AQ 10, benalaxyl, bifenazaat, bromoxynil, chloorprofam, desmedifam, etoxazool, Gliocladium catenulatum Stam: J1446, imazosulfuron, laminarin, mepanipyrim, methoxyfenozide, milbemectin, fenmedifam, Pseudomonas chlororaphis Stam: MA 342, quinoxyfen, S-metolachloor, tepraloxydim, thiacloprid, thiram en ziram zullen tussen 31 juli 2014 en 30 november 2015 verstrijken. Er zijn aanvragen ingediend voor de verlenging van de geldigheidsduur van deze werkzame stoffen. Aangezien de voorschriften van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (3) van toepassing zullen zijn op die werkzame stoffen, moet voldoende tijd worden geboden om de verlengingsprocedure overeenkomstig die verordening af te ronden. Bijgevolg zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk verstrijken voordat een besluit over de verlenging daarvan is genomen. Daarom moet het verstrijken van de geldigheidsduur daarvan worden uitgesteld.

(3)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Gezien het doel van artikel 17, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zal de Commissie in gevallen waarin geen aanvullend dossier overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 wordt ingediend binnen 30 maanden vóór de respectieve vervaldatum, als vastgesteld in de bijlage bij deze verordening, de vervaldatum vaststellen op dezelfde datum als vóór deze verordening of op de vroegste datum daarna.

(5)

Gezien het doel van artikel 17, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zal de Commissie in gevallen waarin zij bij verordening bepaalt dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof niet wordt verlengd omdat niet aan de criteria voor goedkeuring wordt voldaan, de vervaldatum vaststellen op dezelfde datum als vóór deze verordening of, indien dat later is, op de datum van goedkeuring van de verordening waarbij wordt bepaald dat de goedkeuring van de werkzame stof niet wordt verlengd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.

(3)  PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26.


BIJLAGE

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 73, thiram, wordt de datum 31 juli 2014 vervangen door 30 april 2017.

2)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 74, ziram, wordt de datum 31 juli 2014 vervangen door 30 april 2017.

3)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 82, quinoxyfen, wordt de datum 31 augustus 2014 vervangen door 30 april 2017.

4)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 89, Pseudomonas chlororaphis Stam: MA 342, wordt de datum 30 september 2014 vervangen door 30 april 2017.

5)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 90, mepanipyrim, wordt de datum 30 september 2014 vervangen door 30 april 2017.

6)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 91, acetamiprid, wordt de datum 31 december 2014 vervangen door 30 april 2017.

7)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 92, thiacloprid, wordt de datum 31 december 2014 vervangen door 30 april 2017.

8)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 78, chloorprofam, wordt de datum 31 januari 2015 vervangen door 31 juli 2017.

9)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 83, alfa-cypermethrin, wordt de datum 28 februari 2015 vervangen door 31 juli 2017.

10)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 84, benalaxyl, wordt de datum 28 februari 2015 vervangen door 31 juli 2017.

11)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 85, bromoxynil, wordt de datum 28 februari 2015 vervangen door 31 juli 2017.

12)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 86, desmedifam, wordt de datum 28 februari 2015 vervangen door 31 juli 2017.

13)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 88, fenmedifam, wordt de datum 28 februari 2015 vervangen door 31 juli 2017.

14)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 93, Ampelomyces quisqualis Stam: AQ 10, wordt de datum 31 maart 2015 vervangen door 31 juli 2017.

15)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 94, imazosulfuron, wordt de datum 31 maart 2015 vervangen door 31 juli 2017.

16)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 95, laminarin, wordt de datum 31 maart 2015 vervangen door 31 juli 2017.

17)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 96, methoxyfenozide, wordt de datum 31 maart 2015 vervangen door 31 juli 2017.

18)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 97, S-metolachloor, wordt de datum 31 maart 2015 vervangen door 31 juli 2017.

19)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 98, Gliocladium catenulatum Stam: J1446, wordt de datum 31 maart 2015 vervangen door 31 juli 2017.

20)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 99, etoxazool, wordt de datum 31 mei 2015 vervangen door 31 juli 2017.

21)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 100, tepraloxydim, wordt de datum 31 mei 2015 vervangen door 31 juli 2017.

22)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 109, bifenazaat, wordt de datum 30 november 2015 vervangen door 31 juli 2017.

23)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van vermelding 110, milbemectin, wordt de datum 30 november 2015 vervangen door 31 juli 2017.


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1198/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

48,7

MA

84,8

TN

104,4

TR

89,6

ZZ

81,9

0707 00 05

AL

88,1

JO

174,9

MA

133,1

TR

141,0

ZZ

134,3

0709 93 10

MA

140,7

TR

104,3

ZZ

122,5

0805 10 20

TR

73,8

ZA

51,4

ZW

43,2

ZZ

56,1

0805 20 10

MA

70,6

ZZ

70,6

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

JM

129,1

MA

106,4

TR

82,4

ZZ

106,0

0805 50 10

TR

76,3

ZZ

76,3

0808 10 80

CA

157,2

MK

37,9

NZ

165,3

US

159,7

ZA

138,0

ZZ

131,6

0808 30 90

CN

100,5

TR

135,1

US

160,6

ZZ

132,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/33


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1199/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector eieren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 164, lid 2, en artikel 170, in samenhang met artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 162, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan het verschil tussen de prijzen van de in deel XIX van bijlage I bij die verordening bedoelde producten op de wereldmarkt en die in de Unie worden overbrugd door een restitutie bij uitvoer.

(2)

Gezien de huidige situatie op de eiermarkt, moeten uitvoerrestituties worden vastgesteld overeenkomstig de regels en bepaalde criteria van de artikelen 162, 163, 164, 167 en 169 van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)

Krachtens artikel 164, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kunnen de restituties naar gelang van de bestemming worden gedifferentieerd, met name indien dit noodzakelijk is wegens de situatie op de wereldmarkt, de specifieke vereisten van bepaalde markten of de verplichtingen die voortvloeien uit volgens artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.

(4)

De restituties moeten slechts worden toegekend voor producten die vrij in de Unie mogen worden verhandeld en die voldoen aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (2) en van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (3), alsmede aan de voorwaarden inzake het merken die zijn vastgesteld in bijlage XIV, punt A, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(5)

De thans geldende restituties zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 858/2012 van de Commissie (4). Aangezien nieuwe restituties moeten worden vastgesteld, moet die verordening worden ingetrokken.

(6)

Om zowel afwijkingen ten opzichte van de huidige marktsituatie als speculatie op de markt te voorkomen en om een efficiënt beheer te garanderen, dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(7)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De in artikel 164 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde uitvoerrestituties worden toegekend voor de producten en met toepassing van de bedragen die zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening, op voorwaarde dat aan het bepaalde in lid 2 van dit artikel wordt voldaan.

2.   De op grond van lid 1 voor restituties in aanmerking komende producten voldoen aan de desbetreffende vereisten van de Verordeningen (EG) nr. 852/2004 en (EG) nr. 853/2004, zijn met name in een erkende inrichting vervaardigd en voldoen aan de voorwaarden voor het merken die zijn vastgesteld in bijlage II, sectie I, bij Verordening (EG) nr. 853/2004 en in bijlage XIV, punt A, bij Verordening (EG) nr. 1234/2007.

Artikel 2

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 858/2012 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.

(3)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(4)  PB L 255 van 21.9.2012, blz. 18.


BIJLAGE

Uitvoerrestituties in de sector eieren van toepassing vanaf 14 december 2012

Productcode

Bestemming

Meeteenheid

Restitutiebedrag

0407 11 00 9000

A02

EUR/100 st.

0,00

0407 19 11 9000

A02

EUR/100 st.

0,00

0407 19 19 9000

A02

EUR/100 st.

0,00

0407 21 00 9000

E09

EUR/100 kg

0,00

E10

EUR/100 kg

0,00

E19

EUR/100 kg

0,00

0407 29 10 9000

E09

EUR/100 kg

0,00

E10

EUR/100 kg

0,00

E19

EUR/100 kg

0,00

0407 90 10 9000

E09

EUR/100 kg

0,00

E10

EUR/100 kg

0,00

E19

EUR/100 kg

0,00

0408 11 80 9100

A03

EUR/100 kg

0,00

0408 19 81 9100

A03

EUR/100 kg

0,00

0408 19 89 9100

A03

EUR/100 kg

0,00

0408 91 80 9100

A03

EUR/100 kg

0,00

0408 99 80 9100

A03

EUR/100 kg

0,00

NB: De codes van de producten en de codes van de bestemmingen serie „A” zijn vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1).

De andere bestemmingen worden als volgt vastgesteld:

E09

:

Koeweit, Bahrein, Oman, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten, Jemen, Hongkong SAR, Rusland en Turkije

E10

:

Zuid-Korea, Japan, Maleisië, Thailand, Taiwan en de Filippijnen

E19

:

Alle bestemmingen, met uitzondering van Zwitserland en de bestemmingen bedoeld onder E09 en E10


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/36


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1200/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 143 juncto artikel 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 614/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (2), en met name artikel 3, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn bepalingen vastgesteld voor de toepassing van de regeling inzake aanvullende invoerrechten en zijn de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet bijgevolg worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 181 van 14.7.2009, blz. 8.

(3)  PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3, lid 3, bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 10

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren

132,2

0

AR

121,7

0

BR

0207 12 90

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren

139,3

0

AR

160,0

0

BR

0207 14 10

Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren

265,2

10

AR

216,4

25

BR

324,9

0

CL

221,2

24

TH

0207 25 10

Geslachte kalkoenen (zogenaamde kalkoenen 80 %), bevroren

193,1

0

BR

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

320,8

0

BR

304,8

0

CL

0408 91 80

Eigeel

468,8

0

AR

1602 32 11

Eieren uit de schaal, gedroogd

263,2

7

BR

312,6

0

CL

3502 11 90

Ovoalbumine, gedroogd

712,1

0

AR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.”


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/38


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1201/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

tot wijziging van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 892/2012 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2012/2013

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2012/2013 zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 892/2012 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1103/2012 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen te worden gewijzigd overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(3)

Omdat ervoor moet worden gezorgd dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de geactualiseerde gegevens van toepassing wordt, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 892/2012 voor het verkoopseizoen 2012/2013 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)  PB L 263 van 28.9.2012, blz. 37.

(4)  PB L 327 van 27.11.2012, blz. 22.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 14 december 2012

(in EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 12 10 (1)

33,26

1,17

1701 12 90 (1)

33,26

4,63

1701 13 10 (1)

33,26

1,31

1701 13 90 (1)

33,26

4,93

1701 14 10 (1)

33,26

1,31

1701 14 90 (1)

33,26

4,93

1701 91 00 (2)

38,40

6,03

1701 99 10 (2)

38,40

2,82

1701 99 90 (2)

38,40

2,82

1702 90 95 (3)

0,38

0,29


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/40


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1202/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 december 2012

houdende vaststelling van de restituties die van toepassing zijn op eieren en eigeel, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I bij het Verdrag vallen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 164, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 162, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 kan het verschil tussen de prijzen van de in artikel 1, lid 1, onder s), en in deel XIX van bijlage I bij die verordening bedoelde producten in de internationale handel enerzijds en de prijzen in de Unie anderzijds door een restitutie bij de uitvoer worden overbrugd wanneer deze producten worden uitgevoerd in de vorm van goederen die in deel V van bijlage XX bij die verordening worden genoemd.

(2)

In Verordening (EU) nr. 578/2010 van de Commissie van 29 juni 2010 houdende tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1216/2009 van de Raad wat betreft de regeling aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwproducten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen (2), is aangegeven voor welke producten een restitutie moet worden vastgesteld wanneer ze worden uitgevoerd in de vorm van goederen bedoeld in deel V van bijlage XX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 578/2010 dient de restitutie per 100 kg van elk van de betrokken basisproducten te worden vastgesteld voor dezelfde periode als die welke is gekozen voor de vaststelling van de restituties voor dezelfde producten die in onverwerkte toestand worden uitgevoerd.

(4)

In artikel 162, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat de restitutie bij uitvoer van een in een goed verwerkt product niet meer mag bedragen dan de restitutie voor ditzelfde product dat in onverwerkte toestand wordt uitgevoerd.

(5)

De thans geldende restituties zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 861/2012 van de Commissie (3). Aangezien nieuwe restituties moeten worden vastgesteld, moet die verordening worden ingetrokken.

(6)

Om zowel afwijkingen ten opzichte van de huidige marktsituatie als speculatie op de markt te voorkomen en om een efficiënt beheer te garanderen, dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(7)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De restituties die van toepassing zijn op de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 578/2010 en in deel XIX van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 opgenomen basisproducten die worden uitgevoerd in de vorm van in deel V van bijlage XX bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 vermelde goederen, worden vastgesteld zoals in de bijlage bij deze verordening is aangegeven.

Artikel 2

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 861/2012 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 december 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Daniel CALLEJA

Directeur-generaal Ondernemingen en Industrie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 171 van 6.7.2010, blz. 1.

(3)  PB L 255 van 21.9.2012, blz. 27.


BIJLAGE

Restituties die met ingang van 14 december 2012 van toepassing zijn op eieren en eigeel die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen

(EUR/100 kg)

GN-code

Omschrijving

Bestemming (1)

Restituties

0407

Vogeleieren in de schaal, vers, verduurzaamd of gekookt:

 

 

– andere verse eieren:

 

 

0407 21 00

– – van kippen:

 

 

a)

in geval van uitvoer van ovoalbumine van de GN-codes 3502 11 90 en 3502 19 90

02

0,00

03

0,00

04

0,00

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

01

0,00

0407 29

– – andere:

 

 

0407 29 10

– – – van pluimvee, andere dan van kippen

 

 

a)

in geval van uitvoer van ovoalbumine van de GN-codes 3502 11 90 en 3502 19 90

02

0,00

03

0,00

04

0,00

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

01

0,00

0407 90

– andere:

 

 

0407 90 10

– – van pluimvee

 

 

a)

in geval van uitvoer van ovoalbumine van de GN-codes 3502 11 90 en 3502 19 90

02

0,00

03

0,00

04

0,00

b)

in geval van uitvoer van andere goederen

01

0,00

0408

Vogeleieren uit de schaal en eigeel, vers, gedroogd, gestoomd of in water gekookt, in een bepaalde vorm gebracht, bevroren of op andere wijze verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

 

 

– eigeel:

 

 

0408 11

– – gedroogd:

 

 

ex 0408 11 80

– – – geschikt voor menselijke consumptie:

 

 

ongezoet

01

0,00

0408 19

– – andere:

 

 

– – – geschikt voor menselijke consumptie:

 

 

ex 0408 19 81

– – – – vloeibaar:

 

 

ongezoet

01

0,00

ex 0408 19 89

– – – – bevroren:

 

 

ongezoet

01

0,00

– andere:

 

 

0408 91

– – gedroogd:

 

 

ex 0408 91 80

– – – geschikt voor menselijke consumptie:

 

 

ongezoet

01

0,00

0408 99

– – andere:

 

 

ex 0408 99 80

– – – geschikt voor menselijke consumptie:

 

 

ongezoet

01

0,00


(1)  De bestemmingen zijn:

01

derde landen. Voor Zwitserland en Liechtenstein gelden deze restituties niet voor de goederen die zijn opgenomen in de tabellen I en II bij Protocol nr. 2 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 22 juli 1972;

02

Bahrein, Hongkong SAR, Jemen, Koeweit, Oman, Qatar, Rusland, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten;

03

de Filipijnen, Japan, Maleisië, Taiwan, Thailand en Zuid-Korea;

04

alle bestemmingen, met uitzondering van Zwitserland en van de bestemmingen bedoeld onder 02 en 03.


BESLUITEN

14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/43


BESLUIT VAN DE RAAD

van 4 december 2012

tot intrekking van Beschikking 2009/587/EG betreffende het bestaan van een buitensporig tekort op Malta

(2012/778/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 7 juli 2009 bij Beschikking 2009/587/EG (1) op aanbeveling van de Commissie overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) besloten dat er in Malta een buitensporig tekort bestond. De Raad merkte op dat het overheidstekort op Malta in 2008 4,7 % van het bbp bereikte, en aldus in grote mate de referentiewaarde van 3 % van het bbp overschreed, terwijl de bruto-overheidsschuld sinds 2003 boven de referentiewaarde van 60 % van het bbp lag en in 2008 64,1 % van het bbp bedroeg (2).

(2)

Overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (3) heeft de Raad eveneens op 7 juli 2009 op aanbeveling van de Commissie een aanbeveling tot Malta gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk in 2010 aan de heersende situatie een einde te maken. De aanbeveling is openbaar gemaakt.

(3)

Op 16 februari 2010 heeft de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, geconcludeerd dat met inachtneming van zijn aanbeveling overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG effectieve actie was ondernomen, maar dat zich na de aanneming van zijn aanbeveling op Malta onverwachte schadelijke economische gebeurtenissen met belangrijke ongunstige gevolgen voor de overheidsfinanciën hadden voorgedaan. De Raad nam bijgevolg overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een herziene aanbeveling aan Malta aan tot verlenging met één jaar, d.w.z. tot 2011, van de termijn voor de correctie van het buitensporige tekort. De aanbeveling is openbaar gemaakt.

(4)

Overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU moet een besluit van de Raad over het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken wanneer de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(5)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan het VWEU gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dat protocol dienen de lidstaten ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen te verstrekken (4).

(6)

Wanneer hij beziet of een besluit over het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet de Raad een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit over het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de drempel van 3 % van het bbp niet zal overschrijden.

(7)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2012 door Malta gedane kennisgeving heeft verstrekt en uit de voorjaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

Na de piek in 2008 is het overheidstekort geleidelijk verkleind en is het in 2011 op 2,7 % van het bbp, dat wil zeggen onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp, uitgekomen. De significante verbetering vergeleken met 2010, toen het overheidstekort 3,6 % van het bbp bedroeg, was hoofdzakelijk het gevolg van een stijging van de inkomsten met 0,7 % van het bbp. De impact van netto tekortverminderende eenmalige maatregelen in 2011 wordt in de najaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie op 0,7 % van het bbp geraamd. Het structurele saldo, d.w.z. het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, is in 2011 met naar schatting 1 procentpunt van het bbp verbeterd en is boven de door de Raad aanbevolen gevraagde inspanning van ten minste ¾ % van het bbp uitgekomen.

Volgens de najaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie zal, hoofdzakelijk dankzij inkomstenverhogende maatregelen, waarvan de meeste als eenmalig worden beschouwd, het tekort in 2012 verder dalen tot 2,6 % van het bbp; de netto tekortverminderende impact van eenmalige maatregelen wordt op 1 % van het bbp geraamd. Bij ongewijzigd beleid, d.w.z. zonder het opnemen van de consolidatiemaatregelen waarin de begroting 2013 voorziet, die na de afsluitingsdatum van de prognoses is aangenomen, zal het overheidstekort naar verwachting in 2013 tot 2,9 % van het bbp vergroten alvorens in 2014 opnieuw tot 2,6 % van het bbp te verkleinen en zal het aldus tot aan de prognosehorizon onder de referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven. Het stabiliteitsprogramma van april 2012 beoogt lagere tekorten, namelijk van 2,2 %, 1,7 % en 1,1 % van het bbp in respectievelijk 2012, 2013 en 2014. Het verschil tussen de najaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie en de doelstelling voor 2012 van het stabiliteitsprogramma is hoofdzakelijk te verklaren uit een meer dynamische groei van de inkomsten volgens dit laatste.

Wat betreft de jaren na de door de Raad vastgestelde termijn van 2011 wijzen de budgettaire verwachtingen van de najaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie voor 2012 niet op een verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, en voor 2013 op een verbetering met ¼ procentpunt van het bbp. Dit is minder dan de benchmark van 0,5 % van het bbp voor de correctie in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn die vereist is overeenkomstig het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact, met name Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (5). Deze trage correctie wordt verwacht tegen de achtergrond van in het algemeen genomen evenwichtige conjunctuuromstandigheden, hetgeen betekent dat de outputgap naar schatting in de buurt van nul zal liggen. Tegelijk zal de samenstelling van de groei naar verwachting relatief belastingopbrengstenarm zijn. Vooral in 2012 wordt de economische groei gedreven door netto-uitvoer, terwijl de binnenlandse vraag vergeleken met de voorbije trends naar verwachting eerder zwak zal uitvallen. In 2014 zal de verbetering naar verwachting ½ procentpunt van het bbp bedragen. Voorts zal in 2012 het reële groeipercentage van de overheidsuitgaven, ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, naar verwachting onder het in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1466/97 bedoelde benchmarkreferentiepercentage van potentiële bbp-groei op middellange termijn blijven. Bij ongewijzigd beleid zou de reële nettogroei van de uitgaven in 2013 en 2014 evenwel significant van deze benchmarkreferentierente afwijken.

De bruto-overheidsschuld als aandeel van het bbp bevindt zich sinds 2008 in een stijgende trend en bereikte in 2011 70,9 % van het bbp. Volgens de najaarsprognoses 2012 van de diensten van de Commissie zal de schuldratio blijven stijgen en in 2012 72,4 % van het bbp, in 2013 73,1 % van het bbp en in 2014 72,8 % van het bbp bereiken. Volgens het stabiliteitsprogramma 2012 daarentegen zou de schuldratio na 2011 beginnen dalen tot 67,4 % van het bbp in 2014. Het verschil tussen de twee verwachtingen is het gevolg van een lager primair overschot en een hogere stock-flow adjustment in de najaarsprognoses.

(8)

De Raad herinnert eraan dat, beginnend in 2012, dat wil zeggen het jaar volgend op de correctie van het buitensporige tekort, en vervolgens nog gedurende een periode van drie jaar, Malta voldoende vooruitgang zou moeten maken in de richting van naleving van het vereiste volgens het schuldcriterium, overeenkomstig artikel 2, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97.

(9)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort op Malta tegen de termijn van 2011 gecorrigeerd en dient Beschikking 2009/587/EG derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporige tekort op Malta is gecorrigeerd.

Artikel 2

Beschikking 2009/587/EG wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Malta.

Gedaan te Brussel, 4 december 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

V. SHIARLY


(1)  PB L 202 van 4.8.2009, blz. 42.

(2)  Het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2008 werden vervolgens herzien tot momenteel 4,6 % van het bbp respectievelijk 62,0 % van het bbp.

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(4)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(5)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/45


BESLUIT VAN DE RAAD

van 11 december 2012

houdende benoeming van een Nederlands lid en een Nederlandse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

(2012/779/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Nederlandse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 respectievelijk 18 januari 2010 heeft de Raad Besluit 2009/1014/EU (1) en Besluit 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio’s is een zetel van lid vrijgekomen door de beëindiging van het mandaat van de heer C.H.J. (Cor) LAMERS.

(3)

In het Comité is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen door de beëindiging van het mandaat van de heer F. (Frank) de VRIES,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s worden de volgende personen benoemd voor de verdere duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015:

a)

tot lid:

de heer C.H.J. (Cor) LAMERS, Burgemeester van Schiedam

en

b)

tot plaatsvervanger:

mevrouw J.H.M. (Jon) HERMANS-VLOEDBELD, Burgemeester van Almelo.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 11 december 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

A. D. MAVROYIANNIS


(1)  PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)  PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.


14.12.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/46


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 5 december 2012

inzake toegangsrechten tot het bij artikel 18, lid 5, van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG opgezette Europese centrale register van veiligheidsaanbevelingen en de antwoorden daarop

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/780/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (1), en met name artikel 18, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 18, lid 5, van Verordening (EU) nr. 996/2010 heeft de Europese Commissie een Europese gegevensbank met veiligheidsaanbevelingen opgezet, die in februari 2012 operationeel is geworden.

(2)

Overeenkomstig artikel 18, lid 5, van Verordening (EU) nr. 996/2010 bevat de in overweging 1 genoemde gegevensbank alle veiligheidsaanbevelingen die door veiligheidsonderzoeksinstanties zijn uitgevaardigd overeenkomstig artikel 17, leden 1 en 2, en de antwoorden daarop. De gegevensbank bevat ook veiligheidsaanbevelingen die de veiligheidsonderzoeksinstanties hebben ontvangen van derde landen.

(3)

Krachtens artikel 7, lid 3, onder g), van Verordening (EU) nr. 996/2010 hebben de veiligheidsonderzoeksinstanties onbeperkte toegang tot de in overweging 1 genoemde gegevensbank.

(4)

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 996/2010 heeft de Commissie advies gevraagd aan het Europees netwerk van instanties voor veiligheidsonderzoek in de burgerluchtvaart.

(5)

Veiligheidsaanbevelingen zijn impliciet openbaar omdat ze het sluitstuk vormen van veiligheidsonderzoeksverslagen, die openbare status hebben overeenkomstig Verordening (EU) nr. 996/2010. Daarnaast kunnen veiligheidsaanbevelingen ook worden vrijgegeven via brieven, tussentijdse verklaringen/verslagen of veiligheidsstudies. In al deze gevallen vormt het openbare karakter van de veiligheidsaanbevelingen een sterke stimulans voor diegenen tot wie ze gericht zijn om te antwoorden en de veiligheid van hun luchtvaartsysteem te verbeteren.

(6)

De status van de antwoorden op veiligheidsaanbevelingen is niet gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 996/2010,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In dit besluit worden maatregelen vastgesteld betreffende de toegangsrechten tot de bij artikel 18, lid 5, van Verordening (EU) nr. 996/2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart opgezette Europese gegevensbank van veiligheidsaanbevelingen, die de veiligheidsaanbevelingen bevat welke zijn uitgevaardigd of ontvangen door veiligheidsonderzoeksinstanties en de antwoorden daarop.

Artikel 2

Status van veiligheidsaanbevelingen

Alle veiligheidsaanbevelingen in de in artikel 1 vermelde gegevensbank worden ter beschikking gesteld van het grote publiek via een openbare website.

Artikel 3

Status van antwoorden op veiligheidsaanbevelingen

1.   De toegang tot antwoorden op veiligheidsaanbevelingen wordt beperkt tot degenen tot wie de veiligheidsaanbevelingen zijn gericht.

2.   Elke geadresseerde van een veiligheidsaanbeveling mag toegang vragen tot de antwoorden in de in artikel 1 vermelde gegevensbank, met name de burgerluchtvaartautoriteiten van de lidstaten en het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart. Ook veiligheidsonderzoeksinstanties buiten de Europese Unie mogen toegang vragen tot de antwoorden in de in artikel 1 vermelde gegevensbank.

3.   De geadresseerden van veiligheidsaanbevelingen dienen hun verzoek in bij de Europese Commissie.

4.   De Europese Commissie evalueert het verzoek en beslist geval per geval of het verzoek gerechtvaardigd en uitvoerbaar is.

Artikel 4

Gebruik van de informatie in de gegevensbank

De veiligheidsaanbevelingen en de antwoorden erop mogen niet worden gebruikt om schuld of aansprakelijkheid toe te wijzen.

Artikel 5

De status van voorvallen in de burgerluchtvaart die verband houden met veiligheidsaanbevelingen

De toegang tot voorvallen in de burgerluchtvaart die verband houden met de in artikel 1 vermelde veiligheidsaanbevelingen is gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1321/2007 van de Commissie van 12 november 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen om overeenkomstig Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad uitgewisselde informatie over voorvallen in de burgerluchtvaart op te nemen in een centraal register (2) en Verordening (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie van 24 september 2007 tot vaststelling van uitvoeringsregels voor de verspreiding onder belanghebbenden van informatie over voorvallen in de burgerluchtvaart als bedoeld in artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

Artikel 6

Toegang tot documenten en bescherming van persoonsgegevens

Dit besluit geldt onverminderd Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (4).

Dit besluit is van toepassing onverminderd Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (5) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (6).

Artikel 7

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 5 december 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35.

(2)  PB L 294 van 13.11.2007, blz. 3.

(3)  PB L 295 van 14.11.2007, blz. 7.

(4)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(5)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(6)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.