ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.253.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 253

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
20 september 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 847/2012 van de Commissie van 19 september 2012 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft kwik ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 848/2012 van de Commissie van 19 september 2012 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft fenylkwikverbindingen ( 1 )

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 849/2012 van de Commissie van 19 september 2012 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen, alle kleine vogelsoorten (voor mest- en legdoeleinden) en gespeende Suidae, met uitzondering van Sus scrofa domesticus (vergunninghouder Vetagro SpA) ( 1 )

8

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 850/2012 van de Commissie van 19 september 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

11

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 851/2012 van de Commissie van 19 september 2012 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van september 2012 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 533/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor vlees van pluimvee

13

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 852/2012 van de Commissie van 19 september 2012 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van september 2012 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 539/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor bepaalde producten in de sector eieren en ovoalbumine

15

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 853/2012 van de Commissie van 19 september 2012 inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van september 2012 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 1385/2007 geopende tariefcontingent zijn ingediend voor vlees van pluimvee

17

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/507/EU

 

*

Besluit van de Europese Centrale Bank van 7 september 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten (ECB/2012/19)

19

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsbesluit 2011/435/EU van de Commissie van 19 juli 2011 inzake de erkenning van de Roundtable of Sustainable Biofuels EU RED-regeling voor het aantonen van de naleving van de duurzaamheidscriteria onder Richtlijnen 2009/28/EG en 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 190 van 21.7.2011)

32

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/1


VERORDENING (EU) Nr. 847/2012 VAN DE COMMISSIE

van 19 september 2012

tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft kwik

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 68, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie heeft in haar mededeling aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een strategie van de Gemeenschap voor kwik (2) aangegeven dat het noodzakelijk is om de kwikconcentraties in het milieu en de blootstelling van de mens te verlagen en heeft als doelstelling onder meer de beperking van de hoeveelheid kwik die in gebruik wordt genomen door vraag en aanbod terug te dringen, de verlaging van de emissie van kwik, en bescherming tegen de blootstelling aan kwik voorgesteld.

(2)

De strategie is in 2010 herzien in de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de herziening van de strategie van de Gemeenschap voor kwik (3), waarin de Commissie stelt dat er verder gewerkt wordt aan de uitbreiding van de bestaande beperkingen voor het op de markt brengen voor bepaalde kwikhoudende meettoestellen tot andere toestellen die in de gezondheidszorg worden gebruikt, in het bijzonder sfygmomanometers, en tot ander professioneel en industrieel gebruik.

(3)

De Raad heeft herhaaldelijk zijn engagement bevestigd voor het algemene doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen het vrijkomen van kwik en kwikverbindingen door het vrijkomen in lucht, water, bodem van door de mens geloosd kwik tot een minimum te beperken en, waar mogelijk, uiteindelijk wereldwijd te elimineren. De Raad onderstreept in dit verband dat het gebruik van producten waaraan kwik is toegevoegd in gevallen waarin er geschikte alternatieven bestaan zo snel en zo volledig mogelijk moet worden afgebouwd, met als uiteindelijk doel dat er geen producten waaraan kwik is toegevoegd meer worden gebruikt, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de technische en economische omstandigheden en de behoeften aan wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling (4).

(4)

Kwik en kwikverbindingen zijn zeer giftig voor de mens, voor ecosystemen en voor dieren en planten in de natuur. Hoge doses kunnen voor de mens dodelijk zijn, maar zelfs betrekkelijk lage doses kunnen ernstige schadelijke effecten op de ontwikkeling van het zenuwstelsel hebben en zijn eveneens in verband gebracht met mogelijke schadelijke effecten op het hart- en vaatstelsel, het immuunsysteem en de voortplantingsorganen. Kwik wordt beschouwd als een mondiale persistente vervuilende stof die in diverse vormen tussen lucht, water, sedimenten, bodem en biota circuleert. In het milieu kan het omgezet worden in methylkwik, de meest giftige vorm. Methylkwik biomagnificeert met name in de aquatische voedselketen, zodat vooral de bevolkingsgroepen en in het wild levende dieren met een hoge consumptie van vis en schaal- en schelpdieren kwetsbaar zijn. Methylkwik passeert gemakkelijk zowel de placentabarrière als de bloed-hersenbarrière, zodat de potentiële geestelijke ontwikkeling al vóór de geboorte wordt geremd, wat de blootstelling van vrouwen van vruchtbare leeftijd en kinderen het zorgwekkendst maakt. Kwik en de afbraakproducten ervan, en met name methylkwik, zijn even onrustwekkend als persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen (PBT’s) en kunnen zich over grote afstand verspreiden.

(5)

Het gebruik van kwikhoudende meettoestellen is wijdverbreid in Europa; dit leidt in alle fasen van hun levenscyclus mogelijk tot het vrijkomen van kwik in het milieu en draagt bij tot de totale kwikemissie en op die manier via het milieu ook tot de blootstelling van mensen en andere levende wezens.

(6)

Vermelding 18 bis van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 voorziet in een verbod op het in de handel brengen van kwikhoudende koortsthermometers en van andere kwikhoudende meettoestellen voor het grote publiek en verzoekt de Commissie de beschikbaarheid te onderzoeken van betrouwbare veiligere en technisch en economisch haalbare alternatieven voor kwikhoudende sfygmomanometers en andere meettoestellen in de gezondheidszorg en voor ander professioneel of industrieel gebruik. Op basis van die evaluatie of zodra nieuwe informatie over betrouwbare veiligere alternatieven voor sfygmomanometers en andere kwikhoudende meettoestellen beschikbaar is, moet de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel indienen om de reeds in die vermelding opgenomen beperkingen uit te breiden tot sfygmomanometers en andere meettoestellen in de gezondheidszorg en voor ander professioneel of industrieel gebruik, zodat kwik in meettoestellen geleidelijk geëlimineerd wordt overal waar dit technisch en economisch uitvoerbaar is.

(7)

Op basis van de significante hoeveelheid nieuwe informatie die is verzameld, heeft de Commissie het Europees Agentschap voor chemische stoffen, hierna „het Agentschap” genoemd, haar verslag toegestuurd, en heeft zij het Agentschap verzocht om een dossier samen te stellen dat voldoet aan de eisen van bijlage XV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 overeenkomstig artikel 69 van die verordening.

(8)

Het Agentschap heeft een dossier samengesteld waarin wordt voorgesteld kwik te beperken in volgende meettoestellen voor gebruik in industriële en professionele toepassingen, met inbegrip van toepassingen in de gezondheidszorg: kwikhoudende barometers, hygrometers, manometers, sfygmomanometers, bij plethysmografen gebruikte rekstrookjes, tensiometers, thermometers en andere niet-elektrische thermometrische toepassingen, kwikhoudende meetinrichtingen voor het bepalen van het verwekingspunt en kwikhoudende pyknometers. Het dossier toont aan dat maatregelen voor de hele Unie noodzakelijk zijn om het door het gebruik van kwik in deze meettoestellen gevormde risico voor de volksgezondheid en voor het milieu aan te pakken.

(9)

Er zijn alternatieve meettoestellen zonder kwik beschikbaar gekomen die significant minder risico’s vertonen dan de met kwikhoudende meettoestellen gepaard gaande risico’s voor de volksgezondheid en het milieu.

(10)

Voor lopend epidemiologisch onderzoek waarbij kwikhoudende sfygomanometers worden gebruikt, dient de meetmethode niet te worden aangepast en moet daarom een afwijking worden toegestaan tot dit onderzoek is afgerond. Voor sfygmomanometers die worden gebruikt als referentiestandaard voor de validering van kwikvrije toestellen was het niet mogelijk te bepalen hoeveel tijd nodig is om kwikvrije alternatieven te ontwikkelen en als referentiestandaard te erkennen; daarom mag voor de afwijking voor deze toestellen geen tijdsbeperking gelden.

(11)

Voor thermometers die uitsluitend bedoeld zijn om proeven uit te voeren volgens normen die het gebruik van kwikthermometers vereisen, is er tijd nodig om deze normen aan te passen; daarom moet een afwijking worden toegestaan voor een periode van vijf jaar. Aangezien kwik noodzakelijk is als referentiepunt in de internationale temperatuurschaal van 1990 moet tevens een afwijking van onbeperkte duur worden toegestaan voor kwikhoudende tripelpuntcellen die worden gebruikt voor de kalibratie van platinaweerstandsthermometers.

(12)

Voor poreusheidsmeters, bij voltammetrie gebruikte kwikelektroden en kwikprobes voor capaciteit-spanningsmeting zijn nog geen technisch haalbare alternatieven beschikbaar; derhalve wordt voor deze meettoestellen geen beperking voorgesteld.

(13)

Een afwijking moet worden toegestaan voor de algemene aan- en verkoop van oude, historisch waardevolle kwikhoudende meettoestellen die kunnen worden beschouwd als antiquiteiten of cultuurgoederen. Vermelding 18 bis van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 staat het in de handel brengen van andere kwikhoudende meettoestellen dan koortsthermometers voor verkoop aan het grote publiek toe, indien deze op 3 oktober 2007 meer dan 50 jaar oud waren. Voor de duidelijkheid dienen dezelfde leeftijdsbepalingen te worden gehanteerd voor de uitzondering bij oude meettoestellen voor toepassingen van industrieel en professioneel gebruik, met inbegrip van toepassingen in de gezondheidszorg.

(14)

Tevens moet een afwijking worden toegestaan voor meettoestellen die om culturele en historische redenen op tentoonstellingen worden geëxposeerd, met inbegrip van toestellen die op 3 oktober 2007 minder dan 50 jaar oud waren maar niettemin historische en culturele waarde hebben.

(15)

Het Comité risicobeoordeling van het Agentschap heeft op 8 juni 2011 zijn advies uitgebracht over de voorgestelde beperking, waarmee naar zijn mening de vastgestelde risico’s uit het oogpunt van doeltreffende risicobeperking in de hele Unie het best kunnen worden aangepakt.

(16)

Het Comité sociaaleconomische analyse van het Agentschap heeft op 15 september 2011 zijn advies uitgebracht over de voorgestelde beperking, waarmee naar zijn mening de vastgestelde risico’s bij afweging van de sociaaleconomische baten tegen de sociaaleconomische kosten in de hele Unie het best kunnen worden aangepakt.

(17)

Het Agentschap heeft de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse bij de Commissie ingediend.

(18)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(19)

De belanghebbenden moet een redelijke termijn worden geboden om eventuele maatregelen te nemen om aan de in deze verordening vastgestelde maatregelen te voldoen.

(20)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 10 april 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 september 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  COM(2005) 20 final.

(3)  COM(2010) 723 final.

(4)  Conclusies van de Raad van 15 maart 2011„Herziening van de communautaire strategie voor kwik”, van 4 december 2008„Aanpak van mondiale uitdagingen inzake kwik”, en van 24 juni 2005„Strategie van de Gemeenschap voor kwik”.


BIJLAGE

In bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt de vermelding 18 bis als volgt gewijzigd:

1)

Punt 4 wordt geschrapt.

2)

De volgende punten 5 tot en met 8 worden toegevoegd:

 

„5.

De volgende kwikhoudende meettoestellen voor industrieel en professioneel gebruik worden niet meer in de handel gebracht na 10 april 2014:

a)

barometers;

b)

hygrometers;

c)

manometers;

d)

sfygmomanometers;

e)

rekstrookjes voor gebruik bij plethysmografen;

f)

tensiometers;

g)

thermometers en andere niet-elektrische thermometrische toepassingen.

Deze beperking is eveneens van toepassing op onder a) tot en met g) genoemde meettoestellen die leeg in de handel worden gebracht, indien het de bedoeling is dat zij met kwik worden gevuld.

6.

De beperking in punt 5 is niet van toepassing op:

a)

sfygmomanometers bedoeld voor:

i)

epidemiologische studies die al lopen op 10 oktober 2012,

ii)

gebruik als referentiestandaard voor klinische valideringsstudies van kwikvrije sfygmomanometers;

b)

thermometers die uitsluitend bedoeld zijn om proeven uit te voeren volgens normen die het gebruik van kwikthermometers vereisen tot 10 oktober 2017;

c)

kwikhoudende tripelpuntcellen voor kalibratie van platinaweerstandsthermometers.

7.

De volgende kwikgebruikende meettoestellen voor professioneel en industrieel gebruik worden niet meer in de handel gebracht na 10 april 2014:

a)

kwikhoudende pyknometers;

b)

kwikhoudende meetinrichtingen voor het bepalen van het verwekingspunt.

8.

De beperkingen in de punten 5 en 7 zijn niet van toepassing op:

a)

meettoestellen die op 3 oktober 2007 meer dan 50 jaar oud zijn;

b)

meettoestellen die om culturele en historische redenen op openbare tentoonstellingen worden geëxposeerd.”


20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/5


VERORDENING (EU) Nr. 848/2012 VAN DE COMMISSIE

van 19 september 2012

tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) wat betreft fenylkwikverbindingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 68, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In haar mededeling aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een strategie van de Gemeenschap voor kwik (2) heeft de Commissie aangegeven dat het noodzakelijk is om de kwikconcentraties in het milieu en de blootstelling van de mens te verlagen en heeft als doelstelling onder meer de beperking van de hoeveelheid kwik die in de samenleving in gebruik wordt genomen door vraag en aanbod terug te dringen, de verlaging van de emissie van kwik, en bescherming tegen de blootstelling aan kwik voorgesteld. Deze mededeling is herzien in 2010 (3).

(2)

De Raad heeft herhaaldelijk zijn engagement bevestigd voor het algemene doel de volksgezondheid en het milieu te beschermen tegen het vrijkomen van kwik en kwikverbindingen door het vrijkomen in lucht, water, bodem van door de mens geloosd kwik tot een minimum te beperken en, waar mogelijk, uiteindelijk wereldwijd te elimineren. De Raad onderstreept in dit verband dat het gebruik van producten waaraan kwik is toegevoegd in gevallen waarin er geschikte alternatieven bestaan zo snel en zo volledig mogelijk moet worden afgebouwd, met als uiteindelijk doel dat er geen producten waaraan kwik is toegevoegd meer worden gebruikt, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de technische en economische omstandigheden en de behoeften aan wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling (4).

(3)

Kwik en kwikverbindingen zijn zeer giftig voor de mens, voor ecosystemen en voor dieren en planten in de natuur. Hoge doses kunnen voor de mens dodelijk zijn, maar zelfs betrekkelijk lage doses kunnen ernstige schadelijke effecten op de ontwikkeling van het zenuwstelsel hebben en zijn eveneens in verband gebracht met mogelijke schadelijke effecten op het hart- en vaatstelsel, het immuunsysteem en de voortplantingsorganen. Kwik wordt beschouwd als een mondiale persistente vervuilende stof die in diverse vormen tussen lucht, water, sedimenten, bodem en biota circuleert en in het milieu kan worden omgezet in methylkwik, de meest giftige vorm.

(4)

In Verordening (EG) nr. 1907/2006 is bepaald dat indien een lidstaat van oordeel is dat de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik van een stof als zodanig of in een mengsel of voorwerp een risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu met zich meebrengt dat niet afdoende wordt beheerst en moet worden aangepakt, deze lidstaat een dossier moet samenstellen, nadat hij het Agentschap voor chemische stoffen (hierna „het Agentschap” genoemd) heeft medegedeeld hiertoe te willen overgaan.

(5)

Overeenkomstig Besluit nr. 25/2008 van het Gemengd Comité van de EER van 14 maart 2008 tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst (5) is Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgenomen in de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

(6)

Noorwegen heeft een dossier samengesteld over vijf fenylkwikverbindingen, namelijk fenylkwikacetaat, fenylkwikpropionaat, fenylkwik-2-ethylhexanoaat, fenylkwikoctanoaat en fenylkwikneodecanoaat, waaruit blijkt dat maatregelen voor de hele Unie noodzakelijk zijn om het risico voor de gezondheid van de mens en het milieu aan te pakken dat de vervaardiging, het gebruik en het in de handel brengen van deze stoffen als zodanig of in en mengsel of voorwerp met zich brengen. Het dossier is bij het Agentschap ingediend om de beperkingsprocedure in te leiden.

(7)

Het is bekend dat deze vijf fenylkwikverbindingen met name gebruikt worden als katalysator bij polyurethaansystemen voor coatings, lijmen, kitten en elastomeertoepassingen. De kwikkatalysatoren worden in de polymeerstructuur opgenomen en blijven aanwezig in het eindproduct, waaruit kwik of fenylkwikverbindingen niet opzettelijk vrijkomen. Van andere fenylkwikverbindingen is het niet bekend dat zij als katalysator bij polyurethaansystemen worden gebruikt en om die reden werden zij dan ook niet in het dossier voor de beoordeling opgenomen.

(8)

De levenscyclus van de fenylkwikverbindingen leidt tot het vrijkomen van een belangrijke hoeveelheid kwik in de natuur en draagt bij tot de totale kwikemissie. Met name worden de fenylkwikverbindingen in het milieu afgebroken en leveren zij afbraakproducten op, waaronder methylkwik, dat even zorgwekkend is als persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen (PBT’s). Door de interconversie van metabolieten van kwikverbindingen kunnen deze zich over grote afstand verspreiden. Aangezien er omzettings- of afbraakproducten ontstaan met de eigenschappen van PBT’s, moeten de fenylkwikverbindingen zelf als PBT-stoffen worden behandeld voor wat betreft de beheersing van emissie en blootstelling. Daarom moeten de blootstelling en de emissie voor de mens en het milieu zo veel mogelijk worden beperkt.

(9)

De meest voorkomende blootstelling van de mens via het milieu gebeurt via voedsel waarin afbraakproducten van fenylkwikverbindingen, met inbegrip van methylkwik, worden aangetroffen. Methylkwik biomagnificeert met name in de aquatische voedselketen, zodat vooral de bevolkingsgroepen en in het wild levende dieren met een hoge consumptie van vis en schaal- en schelpdieren kwetsbaar zijn. Methylkwik passeert gemakkelijk zowel de placentabarrière als de bloed-hersenbarrière, zodat de potentiële geestelijke ontwikkeling al vóór de geboorte wordt geremd, wat de blootstelling van vrouwen van vruchtbare leeftijd en kinderen het zorgwekkendst maakt.

(10)

Het Comité risicobeoordeling van het Agentschap heeft op 10 juni 2011 zijn advies uitgebracht over de voorgestelde beperking, waarbij het rekening heeft gehouden met de doeltreffendheid ervan voor de beperking van de risico’s voor de menselijke gezondheid en voor het milieu. Het comité heeft bovendien vastgesteld dat andere organische kwikverbindingen als katalysator voor de productie van polymeren konden worden gebruikt. Deze stoffen werden echter niet opgenomen in het dossier voor de beoordeling.

(11)

Het Comité sociaaleconomische analyse van het Agentschap heeft op 15 september 2011 zijn advies uitgebracht over de voorgestelde beperking, waarbij het rekening heeft gehouden met de doeltreffendheid ervan om de vastgestelde risico’s aan te pakken bij afweging van de sociaaleconomische baten tegen de sociaaleconomische kosten.

(12)

Het Agentschap heeft de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse bij de Commissie ingediend.

(13)

De belanghebbenden moet een redelijke termijn worden geboden om eventuele maatregelen te nemen om aan de in deze verordening vastgestelde maatregelen te voldoen.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 10 oktober 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 september 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  COM(2005) 20 final.

(3)  COM(2010) 723 final.

(4)  Conclusies van de Raad van 15 maart 2011„Herziening van de communautaire strategie voor kwik”, van 4 december 2008„Aanpak van mondiale uitdagingen inzake kwik”, en van 24 juni 2005„Strategie van de Gemeenschap voor kwik”.

(5)  PB L 182 van 10.7.2008, blz. 11.


BIJLAGE

Aan bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt de volgende vermelding 62 toegevoegd:

„62.

a)

Fenylkwikacetaat

 

EG-nr. 200-532-5

 

CAS-nr. 62-38-4

b)

Fenylkwikpropionaat

 

EG-nr. 203-094-3

 

CAS-nr. 103-27-5

c)

Fenylkwik-2-ethylhexanoaat

 

EG-nr. 236-326-7

 

CAS-nr. 13302-00-6

d)

Fenylkwikoctanoaat

 

EG-nr. -

 

CAS-nr. 13864-38-5

e)

Fenylkwikneodecanoaat

 

EG-nr. 247-783-7

 

CAS-nr. 26545-49-3

1.

Mag niet worden vervaardigd, in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of in mengsels na 10 oktober 2017 indien de kwikconcentratie in de mengsels gelijk is aan of hoger is dan 0,01 gewichtsprocent.

2.

Voorwerpen of onderdelen ervan die een of meer van deze stoffen bevatten, mogen niet in de handel worden gebracht na 10 oktober 2017 indien de kwikconcentratie in de voorwerpen of enig onderdeel ervan gelijk is aan of hoger is dan 0,01 gewichtsprocent.”


20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/8


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 849/2012 VAN DE COMMISSIE

van 19 september 2012

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen, opfokleghennen, alle kleine vogelsoorten (voor mest- en legdoeleinden) en gespeende Suidae, met uitzondering van Sus scrofa domesticus (vergunninghouder Vetagro SpA)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag voor een vergunning voor een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline ingediend. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvraag gevoegd.

(3)

De aanvraag betreft de verlening van een vergunning voor een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline als toevoegingsmiddel voor diervoeding in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” voor mestkippen, opfokleghennen, alle kleine vogelsoorten (voor mest- en legdoeleinden) en alle kleine varkenssoorten (gespeend).

(4)

Het gebruik van een preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline is bij Verordening (EU) nr. 1117/2010 van de Commissie (2) voor tien jaar toegestaan als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor gespeende biggen.

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 25 mei 2012 (3) geconcludeerd dat het in de bijlage gespecificeerde preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden, geen nadelige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid of het milieu heeft en dat dit toevoegingsmiddel de prestaties van de doelsoorten kan verbeteren. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van het preparaat blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dit preparaat zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „andere zoötechnische toevoegingsmiddelen”, wordt een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend, als aangegeven in die bijlage.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 september 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  PB L 317 van 3.12.2010, blz. 3.

(3)  EFSA Journal (2012); 10(5):2670.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: andere zoötechnische toevoegingsmiddelen (verbetering van zoötechnische parameters)

4d 3

Vetagro SpA

Preparaat van citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Bereiding van beschermde microparels, bevattende citroenzuur, sorbinezuur, thymol en vanilline met minimaal:

 

citroenzuur: 25 g/100 g

 

sorbinezuur: 16,7 g/100 g

 

thymol: 1,7 g/100 g

 

vanilline: 1 g/100 g

 

Karakterisering van de werkzame stof

 

Citroenzuur C6H8O7 (zuiverheid ≥ 99,5 %)

2-hydroxy-1,2,3-propaantricarboxylzuur, CAS-nr. 77-92-9 watervrij

 

Sorbinezuur C6H8O2 (zuiverheid ≥ 99,5 %)

2,4-hexadieenzuur, CAS-nr. 110-44-1

 

Thymol (zuiverheid ≥ 98 %)

5-methyl-2-(1-methylethyl)fenol, CAS-nr. 89-83-8

 

Vanilline (zuiverheid ≥ 99,5 %)

4-hydroxy-3-methoxybenzaldehyde, CAS-nr. 121-33-5

 

Analysemethoden  (1)

Bepaling van sorbinezuur en thymol in diervoeders: reversed-phase hogedrukvloeistofchromatografie met ultraviolet/diodearraydetectie(RP-HPLC-UV/DAD). Bepaling van citroenzuur in het toevoegingsmiddel en de voormengsels: (RP-HPLC-UV/DAD). Bepaling van citroenzuur in diervoeder: enzymatische bepaling van citroenzuurgehalte- NADH (gereduceerde vorm van nicotinamideadenine-dinucleotide) spectrometrische methode.

Mestkippen en opfokleghennen

Kleine vogelsoorten (voor mest- en legdoeleinden)

200

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

10 oktober 2022

Gespeende Suidae

met uitzondering van Sus scrofa domesticus

1 000


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: http://irmm.jrc.ec.europa.eu/EURLs/EURL_feed_additives/Pages/index.aspx


20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 850/2012 VAN DE COMMISSIE

van 19 september 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 september 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

57,9

XS

59,9

ZZ

58,9

0707 00 05

MK

23,6

TR

106,4

ZZ

65,0

0709 93 10

TR

113,9

ZZ

113,9

0805 50 10

AR

94,9

CL

89,9

UY

84,5

ZA

105,7

ZZ

93,8

0806 10 10

MK

65,0

TN

197,3

TR

122,2

ZZ

128,2

0808 10 80

AR

201,7

BR

89,7

CL

159,1

NZ

92,7

US

119,9

ZA

109,7

ZZ

128,8

0808 30 90

CN

68,2

TR

114,8

ZA

149,6

ZZ

110,9

0809 30

TR

148,3

ZZ

148,3

0809 40 05

IL

63,3

TR

107,6

XS

74,4

ZZ

81,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 851/2012 VAN DE COMMISSIE

van 19 september 2012

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van september 2012 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 533/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor vlees van pluimvee

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,

Gezien Verordening (EG) nr. 533/2007 van de Commissie van 14 mei 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten voor vlees van pluimvee (3), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 533/2007 zijn tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector vlees van pluimvee.

(2)

De in de eerste zeven dagen van september 2012 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2012 ingediende invoercertificaataanvragen hebben, voor bepaalde contingenten, betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen die op grond van Verordening (EG) nr. 533/2007 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2012, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten toegepast.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 20 september 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 september 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 125 van 15.5.2007, blz. 9.


BIJLAGE

Nummer van de groep

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de invoercertificaataanvragen die zijn ingediend voor de deelperiode van 1.10.2012-31.12.2012

(%)

P1

09.4067

3,257358

P3

09.4069

0,376937


20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 852/2012 VAN DE COMMISSIE

van 19 september 2012

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van september 2012 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 539/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor bepaalde producten in de sector eieren en ovoalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,

Gezien Verordening (EG) nr. 539/2007 van de Commissie van 15 mei 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten voor eieren en ovoalbumine (3), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 539/2007 zijn tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector eieren en ovoalbumine.

(2)

De in de eerste zeven dagen van september 2012 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2012 ingediende invoercertificaataanvragen hebben, voor bepaalde contingenten, betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen die op grond van Verordening (EG) nr. 539/2007 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2012, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten toegepast.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 20 september 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 september 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 128 van 16.5.2007, blz. 19.


BIJLAGE

Nummer van de groep

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de invoercertificaataanvragen die zijn ingediend voor de deelperiode van 1.10.2012-31.12.2012

(%)

E2

09.4401

26,788977


20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 853/2012 VAN DE COMMISSIE

van 19 september 2012

inzake de afgifte van invoercertificaten voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van september 2012 in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 1385/2007 geopende tariefcontingent zijn ingediend voor vlees van pluimvee

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,

Gezien Verordening (EG) nr. 1385/2007 van de Commissie van 26 november 2007 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad, wat betreft de opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor vlees van pluimvee (3), en met name artikel 5, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

De in de eerste zeven dagen van september 2012 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2012 ingediende invoercertificaataanvragen hebben, voor bepaalde contingenten, betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient door vaststelling van de op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen die op grond van Verordening (EG) nr. 1385/2007 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2012, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten toegepast.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 20 september 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 september 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 309 van 27.11.2007, blz. 47.


BIJLAGE

Nummer van de groep

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de invoercertificaataanvragen die zijn ingediend voor de deelperiode van 1.10.2012-31.12.2012

(%)

1

09.4410

0,30601

2

09.4411

0,338411

3

09.4412

0,333262

4

09.4420

0,432525

6

09.4422

0,437276


BESLUITEN

20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/19


BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 7 september 2012

tot wijziging van Besluit ECB/2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten

(ECB/2012/19)

(2012/507/EU)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid artikel 128, lid 1,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 16,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 16 september 2010 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) Besluit ECB/2010/14 inzake echtheids- en geschiktheidscontroles en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten vastgesteld (1), dat gemeenschappelijke regels en procedures vaststelt tot bescherming van de integriteit van eurobankbiljetten als betalingsmiddel.

(2)

Met name het toepassingsgebied van Besluit ECB/2010/14 dient te worden gewijzigd om de huidige en toekomstige series van eurobankbiljetten af te dekken aldus verzekerend dat de eurobankbiljetten in omloop echt zijn en geschikt en dat vermoedelijk valse eurobankbiljetten worden opgespoord en aan de bevoegde nationale autoriteiten worden overhandigd. Te dien einde dient aan de bijlagen bij Besluit ECB/2010/14 een aantal technische wijzigingen te worden aangebracht.

(3)

De minimumnormen voor geautomatiseerde geschiktheidscontroles van eurobankbiljetten, zoals vastgelegd in bijlage IIIa bij Besluit ECB/2010/14, vormen op de functionaliteiten van bankbiljettensorteermachines van toepassing zijnde vereisten. Deze vereisten zijn derhalve slechts relevant voor producenten van bankbiljettensorteermachines en hebben geen impact op de procedures voor echtheids- en geschiktheidscontroles die zijn vastgelegd in Besluit ECB/2010/14 waaraan geldverwerkers moeten voldoen. Aangezien de minimumnormen buiten het toepassingsgebied van Besluit ECB/2010/14 vallen, dienen de minimumnormen voor geautomatiseerde geschiktheidscontroles te worden geïntegreerd in de regels en procedures voor het testen van bankbiljettensorteermachines, gegevensverzameling en controle.

(4)

Gezien de met betrekking tot Besluit ECB/2010/14 opgedane ervaring is het omwille van duidelijkheid en efficiëntie noodzakelijk een aantal regels en procedures te verbeteren.

(5)

Besluit ECB/2010/14 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Besluit ECB/2010/14 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt de volgende definitie toegevoegd:

„13.   „eurobankbiljetten”: bankbiljetten die voldoen aan de vereisten van Besluit ECB/2003/4 (2) of enige rechtshandeling tot vervanging of aanvulling van dat besluit, en aan de door de Raad van bestuur vastgestelde technische specificaties.

2)

Artikel 3, lid 5, wordt als volgt vervangen:

„5.   Geldverwerkers mogen door personeelsleden voor echtheids- en geschiktheidscontroles bediende machines en door cliënten bediende machines slechts in bedrijf nemen, indien een NCB deze heeft getest en goedgekeurd en overeenkomstig artikel 9, lid 2, worden vermeld op de ECB-website. De machines worden slechts gebruikt voor de op de ECB-website voor overeenstemmende machines vermelde denominaties en series van eurobankbiljetten, zulks met geüpdatete standaardfabrieksafstellingen, welke machines zijn getest en goedgekeurd, tenzij de NCB en de geldverwerker strengere afstellingen overeenkwamen.”.

3)

Artikel 6 wordt als volgt vervangen:

„Artikel 6

Detectie van niet-geschikte eurobankbiljetten

1.   Manuele geschiktheidscontroles worden overeenkomstig de in bijlage III vastgelegde minimumnormen uitgevoerd.

2.   Geautomatiseerde geschiktheidscontroles worden door geteste en goedgekeurde bankbiljettensorteermachines uitgevoerd, zulks overeenkomstig de op de ECB-website bekendgemaakte en van-tijd-tot-tijd gewijzigde minimumnormen.

3.   Indien gerechtvaardigd, bijvoorbeeld ingeval van verslechterde kwaliteit van de eurobankbiljetten in omloop in haar lidstaat, kan een NCB strengere normen vastleggen voor een of meer denominaties of series van eurobankbiljetten na de ECB daarvan in kennis te hebben gesteld. Deze strengere normen worden op de website van die NCB bekendgemaakt.

4.   Niet-geschikte eurobankbiljetten worden overeenkomstig nationale regelingen aan een NCB overhandigd.”.

4)

Artikel 8, lid 4, wordt als volgt vervangen:

„4.   Waar nodig informeert het Eurosysteem geldverwerkers over mogelijke vervalsingen en door hen te treffen maatregelen, waaronder een tijdelijk verbod op het opnieuw in omloop brengen van denominaties van eurobankbiljetten van de betrokken series.”.

5)

Artikel 9, lid 3, wordt als volgt vervangen:

„3.   De testresultaten van een getest en goedgekeurd type bankbiljettensorteermachine gelden in het hele eurogebied voor één jaar vanaf het eind van de maand waarin de test werd uitgevoerd, mits de machine in deze periode alle aan het Eurosysteem bekende valse eurobankbiljetten kan opsporen.”.

6)

Artikel 10, lid 3, wordt als volgt vervangen:

„3.   Indien een NCB vaststelt dat een geldverwerker niet voldoet aan de bepalingen van dit besluit, vereist zij van de geldverwerker binnen een bepaalde tijdspanne bijsturing. De bijsturing vereisende NCB kan namens de ECB de geldverwerker het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljettendenominatie(s) van de betrokken series verbieden tot de niet-naleving is bijgestuurd. Niet-naleving vanwege een gebrek van het type bankbiljettensorteermachine kan leiden tot schrapping van de machine van de in artikel 9, lid 2, genoemde lijst.”.

7)

Artikel 13 wordt als volgt vervangen:

„Artikel 13

Slotbepalingen

1.   Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Geldverwerkers van lidstaten die de euro aannemen na de vaststellingsdatum van dit besluit, passen het besluit toe met ingang van de datum van aanneming van de euro.”.

8)

De bijlagen I, IIa, IIb, IIIa, IIIb en IV worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 7 september 2012.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 267 van 9.10.2010, blz. 1.

(2)  PB L 78 van 25.3.2003, blz. 16.”.


BIJLAGE

De bijlagen I, IIa, IIb, IIIa, IIIb en IV bij Besluit ECB/2010/14 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt vervangen:

„BIJLAGE I

BANKBILJETTENSORTEERMACHINES

1.   Algemene technische vereisten

1.1.

Een bankbiljettensorteermachine kan eurobankbiljetten verwerken, individuele eurobankbiljetten indelen en eurobankbiljetten naar indeling fysiek scheiden zonder tussenkomst van de machineoperator, zulks volgens bijlage IIa en IIb. Bankbiljettensorteermachines dienen het vereiste aantal specifieke uitvoerladen te hebben en/of anderszins de betrouwbare scheiding van verwerkte eurobankbiljetten te verzekeren.

1.2.

Bankbiljettensorteermachines dienen aanpasbaar te zijn opdat zij betrouwbaar nieuwe vervalsingen kunnen ontdekken. Bovendien dienen op de machines restrictievere of minder restrictieve geschiktheidssorteringsnormen te kunnen worden ingesteld, indien toepasselijk.

2.   Categorieën bankbiljettensorteermachines

Bankbiljettensorteermachines worden hetzij door cliënten, hetzij door personeelsleden bediend:

Tabel 1

Door cliënten bediende machines

A.   Door cliënten bediende machines waarbij geld wordt ingevoerd met herleiding naar de cliënt

1.

Cash-in machines (CIM’s)

Middels CIM’s kunnen cliënten met een bankkaart, of anderszins, eurobankbiljetten op hun bankrekeningen storten, maar CIM’s hebben geen gelduitgiftefunctie. CIM’s controleren eurobankbiljetten op echtheid met herleiding naar de rekeninghouder; geschiktheidscontroles zijn optioneel

2.

Cash-recycling machines (CRM’s)

Middels CRM’s kunnen cliënten met een bankkaart, of anderszins, op hun bankrekeningen eurobankbiljetten storten en van hun bankrekeningen eurobankbiljetten opnemen. CRM’s controleren eurobankbiljetten op echtheid en geschiktheid met herleiding naar de rekeninghouder. Voor opnamen kunnen CRM’s als echt geclassificeerde geschikte eurobankbiljetten gebruiken die andere cliënten bij eerdere transacties hebben gestort

3.

Combined cash-in machines (CCM’s)

Middels CCM’s kunnen cliënten met een bankkaart, of anderszins, eurobankbiljetten op hun bankrekeningen storten en van hun bankrekeningen eurobankbiljetten opnemen. CCM’s controleren eurobankbiljetten op echtheid met herleiding naar de rekeninghouder; geschiktheidscontroles zijn optioneel. Voor opnamen gebruiken CCM’s geen eurobankbiljetten die andere cliënten bij eerdere transacties hebben gestort, maar slechts eurobankbiljetten die apart in de CCM’s zijn geladen

B.   Overige door cliënten bediende machines

4.

Cash-out machines (COM’s)

COM’s zijn automaten die eurobankbiljetten voor uitgifte aan klanten controleren op echtheid en geschiktheid. COM’s gebruiken door geldverwerkers of andere geautomatiseerde systemen (e.g. automaten) in de COM’s geladen eurobankbiljetten

Een CRM kan worden gebruikt als een CIM of een CCM indien de detectiesystemen, software en overige componenten voor het uitvoeren van de kernfunctionaliteiten ervan dezelfde zijn als die van het op de ECB-website vermelde CRM-type.

Een CCM kan worden gebruikt als een CIM indien de detectiesystemen, software en overige componenten voor het uitvoeren van zijn kernfunctionaliteiten dezelfde zijn als die van het op de ECB-website vermelde CCM-type.

Tabel 2

Door personeelsleden bediende machines

1.

Bankbiljettenverwerkingsmachines (BPM’s)

BPM’s controleren eurobankbiljetten op echtheid en geschiktheid

2.

Bankbiljettendetectiemachines (BAM’s)

BAM’s controleren eurobankbiljetten op echtheid

3.

Teller assistant recycling machines (door baliepersoneel bediende automaten voor het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten) (TARM’s)

TARM’s zijn door geldverwerkers bediende automaten voor het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten, die op echtheid en geschiktheid gecontroleerd worden. Voor opnamen kunnen TARM’s als echt geclassificeerde geschikte eurobankbiljetten gebruiken die andere cliënten bij eerdere transacties hebben gestort. Bovendien houden zij eurobankbiljetten in bewaring en faciliteren zij crediteringen en debiteringen van cliëntenbankrekeningen door geldverwerkers

4.

Door baliepersoneel bediende automaten (TAM’s)

TAM’s zijn door geldverwerkers bediende machines die eurobankbiljetten controleren op echtheid. Bovendien houden zij eurobankbiljetten in bewaring en faciliteren crediteringen en debiteringen van cliëntenbankrekeningen door geldverwerkers

Door personeelsleden bediende machines moeten bankbiljetten in partijen verwerken.

TARM’s en TAM’s kunnen worden gebruikt als door cliënten bediende machines, indien het type machine is getest en goedgekeurd en wordt vermeld op de ECB-website als respectievelijk een CRM of een CIM/CCM. In dat geval dient een TARM als een CRM te worden beschouwd en een TAM dient te worden beschouwd als een CIM/CCM.

3.   Typen bankbiljettensorteermachines

Het Eurosysteem test typen bankbiljettensorteermachines. Typen bankbiljettensorteermachines kunnen onderling worden onderscheiden door hun specifieke detectiesystemen, software en andere componenten voor het uitvoeren van hun kernfunctionaliteiten. Dit zijn: a) de echtheidsbevinding van echte eurobankbiljetten; b) de detectie en scheiding van vermoedelijk valse eurobankbiljetten; c) de detectie en scheiding van niet-geschikte eurobankbiljetten van geschikte eurobankbiljetten, indien toepasselijk; en d) het opsporen van als vermoedelijk valse eurobankbiljetten aangemerkte exemplaren en van eurobankbiljetten die niet duidelijk echt zijn bevonden, indien toepasselijk.”.

2)

Bijlage IIa wordt als volgt vervangen:

„BIJLAGE IIa

CLASSIFICATIE EN BEHANDELING VAN EUROBANKBILJETTEN MIDDELS DOOR CLIËNTEN BEDIENDE MACHINES

Eurobankbiljetten worden ingedeeld in één van de volgende categorieën en worden fysiek per categorie gescheiden. Machines die eurobankbiljetten niet op geschiktheid controleren, hoeven niet te onderscheiden tussen de categorie 4a- en 4b-eurobankbiljetten.

Tabel 1

Classificatie en behandeling van eurobankbiljetten middels door cliënten bediende machines waarin naar de cliënt herleidbaar geld is ingevoerd

Categorie

Kenmerken

Behandeling

1.

Exemplaren niet herkend als eurobankbiljetten

Niet herkend als eurobankbiljet, omdat:

de machine geen eurobankbiljetten aanvaardt

het geen eurobankbiljet is

het op een eurobankbiljet lijkt

het een onjuiste afbeelding of formaat heeft

het grote ezelsoren of ontbrekende gedeelte(n) heeft

het een machinale invoerfout betreft

Machine retourneert aan cliënt

2.

Vermoedelijk valse eurobankbiljetten

Afbeelding en formaat herkend, maar één of meerdere door machine gecontroleerde echtheidskenmerken werden niet herkend of lagen duidelijk buiten tolerantie

Uit omloop nemen

Met rekeninghouderinformatie voor echtheidstest onverwijld aan de bevoegde nationale autoriteiten af te geven, ten laatste 20 werkdagen na invoer in de machine Niet aan rekeninghouder crediteren

3.

Eurobankbiljetten niet duidelijk echt bevonden

Afbeelding en formaat herkend, maar niet alle door machine gecontroleerde echtheidskenmerken werden herkend vanwege kwaliteits- en/of tolerantieafwijkingen. Veelal niet-geschikte eurobankbiljetten

Uit omloop nemen

De eurobankbiljetten worden apart verwerkt en onverwijld voor echtheidsbevinding afgegeven aan de NCB, zulks ten laatste 20 werkdagen na invoering in de machine

Rekeninghouderinformatie wordt gedurende acht weken na ontdekking door de machine opgeslagen. Op verzoek wordt deze informatie aan de NCB ter beschikking gesteld. Dan wel, in overeenstemming met de NCB, informatie die herleidt naar de rekeninghouder kan met de eurobankbiljetten aan die NCB worden overhandigd

Kan aan de rekeninghouder worden gecrediteerd

4a.

Echt en geschikt bevonden eurobankbiljetten

Alle door de machine uitgevoerde echtheids- en geschiktheidscontroles zijn positief

Bruikbaar voor opnieuw in omloop brengen

Aan de rekeninghouder gecrediteerd

4b.

Echt en niet-geschikt bevonden eurobankbiljetten

Alle door de machine uitgevoerde echtheidscontroles zijn positief. Een negatief resultaat bij minstens één gecontroleerd geschiktheidscriterium

Onbruikbaar voor opnieuw in omloop brengen en wordt teruggestuurd naar NCB

Aan de rekeninghouder gecrediteerd

Specifieke tabel 1 betreffende regels:

1.

Categorie 2- en 3-eurobankbiljetten worden door een machine niet aan de cliënt geretourneerd, indien de machine annulering van een storting toestaat. Dergelijke eurobankbiljetten kunnen na een geannuleerde transactie tijdelijk in de machine worden bewaard.

2.

Categorie 3-eurobankbiljetten worden mogelijkerwijze fysiek niet van categorie 4b-eurobankbiljetten gescheiden. De voor categorie 3 vastgestelde periode voor het afgeven van gemengde categorie 3- en 4b-eurobankbiljetten aan de NCB en de vereisten inzake herleiding naar de klant van categorie 3-eurobankbiljetten blijven in een dergelijk geval van toepassing.

Tabel 2

Classificatie en behandeling van eurobankbiljetten middels andere door cliënten bediende machines

Categorie

Kenmerken

Behandeling

1.

Exemplaren niet herkend als eurobankbiljetten

Niet herkend als eurobankbiljet, omdat:

de machine geen eurobankbiljetten aanvaardt

het geen eurobankbiljet is

het op een eurobankbiljet lijkt

het een onjuiste afbeelding of formaat heeft

het grote ezelsoren of ontbrekende gedeelte(n) heeft

het een machinale invoerfout betreft

Kan niet aan cliënten worden gedistribueerd

2.

Vermoedelijk valse eurobankbiljetten

Afbeelding en formaat herkend, maar één of meerdere door machine gecontroleerde echtheidskenmerken werden niet herkend of lagen duidelijk buiten tolerantie

Kan niet aan cliënten worden gedistribueerd

Voor echtheidstest onverwijld aan de bevoegde nationale autoriteiten af te geven, ten laatste 20 werkdagen na herkenning door de machine met rekeninghouderinformatie, indien beschikbaar

3.

Niet duidelijk echt bevonden eurobankbiljetten

Afbeelding en formaat herkend, maar niet alle door machine gecontroleerde echtheidskenmerken werden herkend vanwege kwaliteits- en/of tolerantieafwijkingen. Veelal niet-geschikte eurobankbiljetten

Kan niet aan cliënten worden gedistribueerd

De eurobankbiljetten worden apart verwerkt en onverwijld voor echtheidsbevinding afgegeven aan de NCB, zulks ten laatste 20 werkdagen na invoering in de machine

4a.

Echt en geschikt bevonden eurobankbiljetten

Alle door de machine uitgevoerde echtheids- en geschiktheidscontroles zijn positief

Kan aan cliënten worden gedistribueerd

4b.

Echt en niet-geschikt bevonden eurobankbiljetten

Alle door de machine uitgevoerde echtheidscontroles zijn positief. Een negatief resultaat bij minstens één gecontroleerd geschiktheidscriterium

Kan niet aan cliënten worden gedistribueerd en wordt teruggestuurd naar de NCB

Specifieke tabel 2 betreffende regels:

1.

Categorie 1-, 2- en 3-eurobankbiljetten worden mogelijkerwijze fysiek niet gescheiden. Indien gemengd dienen de drie categorieën te worden behandeld als categorie 2-eurobankbiljetten. Indien categorie 1-, 2- en 3-eurobankbiljetten op een andere bankbiljettensorteermachine kunnen worden gescheiden of, indien een NCB daarmee instemt, door daartoe getrainde personeelsleden, dan dienen deze biljetten overeenkomstig tabel 2 te worden behandeld.

2.

Categorie 3-eurobankbiljetten worden mogelijkerwijze niet fysiek gescheiden van categorie 4b-eurobankbiljetten. De voor categorie 3 vastgestelde periode voor het afgeven van de gemengde categorie 3- en 4b-eurobankbiljetten aan de NCB blijft in een dergelijk geval van toepassing.”.

3)

Bijlage IIb wordt als volgt vervangen:

„BIJLAGE IIb

CLASSIFICATIE EN BEHANDELING VAN EUROBANKBILJETTEN MIDDELS DOOR PERSONEELSLEDEN BEDIENDE MACHINES

Eurobankbiljetten worden in een van de in tabel 1 vastgelegde categorieën ingedeeld. Categorie 4a- en 4b-eurobankbiljetten dienen fysiek te worden gescheiden van categorie 1-, 2- en 3-eurobankbiljetten. Machines die eurobankbiljetten niet op geschiktheid controleren, hoeven niet te onderscheiden tussen de categorieën 4a- en 4b-eurobankbiljetten.

Tabel 1

Classificatie en behandeling van eurobankbiljetten middels door personeelsleden bediende machines

Categorie

Kenmerken

Behandeling

1.

Exemplaren niet herkend als eurobankbiljetten

Niet herkend als eurobankbiljet, omdat:

de machine geen eurobankbiljetten aanvaardt

het geen eurobankbiljet is

het op een eurobankbiljet lijkt

het een onjuiste afbeelding of formaat heeft

het grote ezelsoren of ontbrekende gedeelte(n) heeft

het een machinale invoerfout betreft

Machine retourneert exemplaar naar de operator voor nadere beoordeling en behandeling

Na visuele beoordeling door een personeelslid kan de geldverwerker het exemplaar naar de klant retourneren

2.

Vermoedelijk valse eurobankbiljetten

Afbeelding en formaat herkend, maar één of meerdere door machine gecontroleerde echtheidskenmerken werden niet herkend of lagen duidelijk buiten tolerantie

Machine retourneert exemplaar naar de operator voor nadere behandeling

Deze worden apart verwerkt en onverwijld voor finale echtheidsbevinding afgegeven aan de bevoegde nationale autoriteiten, zulks ten laatste 20 werkdagen na verwerking door de machine

3.

Niet duidelijk echt bevonden eurobankbiljetten

Afbeelding en formaat herkend, maar niet alle door machine gecontroleerde echtheidskenmerken werden herkend vanwege kwaliteits- en/of tolerantieafwijkingen. Veelal niet-geschikte eurobankbiljetten

4a.

Echt en geschikt bevonden eurobankbiljetten

Alle door de machine uitgevoerde echtheids- en geschiktheidscontroles zijn positief

Bruikbaar voor opnieuw in omloop brengen

Aan de rekeninghouder gecrediteerd

4b.

Echt en niet-geschikt bevonden eurobankbiljetten

Alle door de machine uitgevoerde echtheidscontroles zijn positief. Een negatief resultaat bij minstens één gecontroleerd geschiktheidscriterium

Onbruikbaar voor opnieuw in omloop brengen en wordt teruggestuurd naar NCB

Aan de rekeninghouder gecrediteerd

Specifieke tabel 1 betreffende regel:

Indien categorie 2- en 3-eurobankbiljetten fysiek door de machine zelf kunnen worden gescheiden dan wel door een andere bankbiljettensorteermachine, of, indien de NCB daarmee instemt, door getrainde personeelsleden, kunnen categorie 3-eurobankbiljetten samen met categorie 4b-eurobankbiljetten aan de NCB worden afgegeven. De in de tabel vastgestelde perioden voor het afgeven van categorie 2-eurobankbiljetten aan de bevoegde nationale autoriteit, en gemengde categorie 3- en 4b-eurobankbiljetten aan de NCB, blijven in een dergelijk geval van toepassing.”.

Specifieke classificatie- en sorteringsregels voor sommige door personeelsleden bediende machines

1.

BPM’s classificeren categorie 1-, 2- en 3-eurobankbiljetten en sorteren deze fysiek in één of meerdere uitvoerladen en categorie 4a- en 4b-eurobankbiljetten in twee aparte uitvoerladen, zoals uiteengezet in bijlage IIb, waarvoor minstens drie specifieke uitvoerladen nodig zijn om tussenkomst van de machineoperator te voorkomen.

2.

BPM’s met slechts twee specifieke uitvoerladen mogen evenwel eurobankbiljetten classificeren en sorteren, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

De echtheids- en de geschiktheidscontroles worden in dezelfde doorloop uitgevoerd. In deze doorloop moeten categorie 4a-eurobankbiljetten gesorteerd worden in één vaste uitvoerlade, terwijl andere categorieën eurobankbiljetten in een aparte vaste uitvoerlade gesorteerd moeten worden zonder fysiek contact met categorie 4a-eurobankbiljetten.

b)

Indien een categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljet wordt aangetroffen in de tweede uitvoerlade, dient de operator de doorloop voor (het) de eurobankbiljet(ten) vanuit de tweede uitvoerlade te herhalen. In deze tweede doorloop moeten vermoedelijk valse categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljetten worden gescheiden van de categorie 4b-eurobankbiljetten door de eerstgenoemde in een specifieke uitvoerlade te sorteren en zoals in de bovenvermelde tabel te behandelen. Aangezien de machine de categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljetten fysiek niet kan scheiden in verschillende uitvoerladen, dienen zij allen als categorie 2-eurobankbiljet te worden beschouwd en behandeld.

3.

BAM’s classificeren categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljetten, en sorteren deze fysiek in één uitvoerlade en categorie 4a- en 4b-eurobankbiljetten in een tweede uitvoerlade, waarvoor minstens twee specifieke uitvoerladen nodig zijn om tussenkomst van de machineoperator te voorkomen.

4.

BAM’s met slechts één specifieke uitvoerlade mogen evenwel eurobankbiljetten classificeren en sorteren, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

Telkens wanneer een categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljet wordt verwerkt, moet de machine de verwerking direct staken en dat eurobankbiljet zodanig positioneren dat enig fysiek contact met echt bevonden eurobankbiljetten wordt vermeden.

b)

Het resultaat van de echtheidscontrole dient voor elk categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljet op een scherm te worden vermeld. Aangezien de machine de categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljetten fysiek niet kan scheiden in verschillende uitvoerladen, dienen zij allen als categorie 2-eurobankbiljet te worden beschouwd en behandeld.

c)

De machine dient de aanwezigheid van categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljetten te controleren wanneer het de verwerking staakt, welke verwerking slechts kan worden hervat nadat de operator het categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljet fysiek heeft verwijderd.

d)

Bij elke verwerkingsonderbreking heeft de operator slechts toegang tot één categorie 1-, 2- of 3-eurobankbiljet.”.

4)

Bijlage IIIa wordt geschrapt, bijlage IIIb wordt bijlage III.

5)

Bijlage IV wordt als volgt vervangen:

BIJLAGE IV

GEGEVENSVERZAMELING BIJ GELDVERWERKERS

1.   Doelstellingen

De doelstellingen van gegevensverzameling beogen de NCB’s en de ECB in staat te stellen de relevante activiteiten van geldverwerkers en ontwikkelingen in de geldcirculatie te volgen.

2.   Algemene beginselen

2.1.

Gegevens inzake bankbiljettensorteermachines worden slechts gerapporteerd indien de machines worden gebruikt om aan dit besluit te voldoen.

2.2.

Geldverwerkers verstrekken de NCB van hun lidstaat regelmatig:

informatie inzake vestigingen waar contanten worden verwerkt, zoals filialen, en

informatie inzake bankbiljettensorteermachines en geldautomaten.

2.3.

Bovendien, geldverwerkers die middels bankbiljettensorteermachines en geldautomaten eurobankbiljetten opnieuw in omloop brengen verstrekken de NCB van hun lidstaat:

informatie inzake het volume van middels bankbiljettensorteermachines en geldautomaten uitgevoerde cashtransacties (aantal verwerkte eurobankbiljetten),

informatie betreffende verafgelegen bankfilialen van kredietinstellingen met een zeer laag aantal cashtransacties, waar geschiktheidscontroles manueel worden uitgevoerd.

3.   Soort gegevens en rapportagevereisten

3.1.

Afhankelijk van hun aard worden verzamelde gegevens verdeeld in stam- en operationele gegevens.

Stamgegevens

3.2.

Stamgegevens betreffen informatie inzake: a) de individuele geldverwerkers en hun bankbiljettensorteermachines en operationele geldautomaten; en b) verafgelegen filialen van kredietinstellingen.

3.3.

Stamgegevens worden op de datum van toepassing van dit besluit aan de NCB verstrekt en daarna elke zes maanden. De in het sjabloon van aanhangsel 1 opgesomde gegevens moeten worden verstrekt, ook al kan de NCB verstrekking in een ander formaat verlangen. Gedurende een overgangsperiode kunnen NCB’s maandelijkse rapportage, indien dit het geval was voor de inwerkingtreding van dit besluit, of kwartaalsgewijze rapportage verlangen.

3.4.

Voor controledoeleinden kan een NCB besluiten om gegevens op lokaal niveau te verzamelen, bijvoorbeeld bij filialen.

3.5.

Een NCB kan besluiten bankbiljettensorteermachines, die slechts worden gebruikt voor de verwerking van over de toonbank gedistribueerde eurobankbiljetten, of die niet worden gebruikt voor het opnieuw in omloop brengen, niet onder de rapportagevereisten te laten vallen. Een NCB kan van geldverwerkers verlangen aan te geven welke CRM’s en CCM’s worden gebruikt als respectievelijk CCM’s/CIM’s of CIM’s.

3.6.

De in het sjabloon van aanhangsel 3 opgesomde gegevens inzake verafgelegen filialen moeten worden verstrekt, ook al kan de NCB verstrekking in een ander formaat verlangen.

Operationele gegevens

3.7.

Gegevens inzake het verwerken en het opnieuw in omloop brengen van eurobankbiljetten door geldverwerkers, worden als operationele gegevens ingedeeld.

3.8.

Een NCB kan de rapportageverplichting inzake operationele gegevens niet van toepassing verklaren op andere economische in artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1338/2001 genoemde subjecten, indien het aantal door hen middels geldautomaten opnieuw in omloop gebrachte eurobankbiljetten onder een door de NCB vastgestelde drempel ligt.

3.9.

Gegevens worden halfjaarlijks verstrekt. Ten laatste twee maanden na de betrokken rapportageperiode, d.w.z. eind februari en eind augustus, worden de gegevens aan de NCB gerapporteerd. Gegevens kunnen worden aangeleverd middels het sjabloon in aanhangsel 2. Gedurende een overgangsperiode kunnen NCB’s maandelijkse rapportage, indien dit het geval was voor de inwerkingtreding van dit besluit, of kwartaalsgewijze rapportage verlangen.

3.10.

Geldverwerkers die eurobankbiljetten fysiek sorteren, verstrekken de gegevens. Indien een geldverwerker de echtheids- en geschiktheidscontroles aan een andere geldverwerker heeft uitbesteed, dan levert de overeenkomstig artikel 3, lid 2, aangewezen geldverwerker de gegevens aan.

3.11.

Geldverwerkers rapporteren gegevens in aantallen (volume), op nationaal niveau geaggregeerd en uitgesplitst naar denominatie van de eurobankbiljetten. Een uitsplitsing naar bankbiljettenserie is niet vereist. Voor verafgelegen filialen van kredietinstellingen worden operationele gegevens apart gerapporteerd.

3.12.

Voor controledoeleinden kan een NCB besluiten om gegevens op lokaal niveau te verzamelen, bijvoorbeeld bij filialen.

3.13.

Een NCB kan besluiten middels bankbiljettensorteermachines verwerkte en over de toonbank gedistribueerde eurobankbiljetten niet onder de rapportagevereisten te laten vallen.

3.14.

De NCB kan van geldverwerkers die de echtheids- en geschiktheidscontroles aan andere geldverwerkers hebben uitbesteed, over laatstgenoemden gedetailleerde informatie verlangen, waaronder de uitbestedingsregelingen.

3.15.

De in het sjabloon van aanhangsel 3 opgesomde gegevens inzake verafgelegen filialen moeten worden verstrekt, ook al kan de NCB verstrekking in een ander formaat verlangen en kan met geldverwerkers de verzameling van uitgebreidere gegevens overeenkomen.

4.   Vertrouwelijkheid en publicatie van gegevens

4.1.

Zowel stam-, alsook operationele gegevens worden vertrouwelijk behandeld.

4.2.

Onder gebruikmaking van de uit hoofde van deze bijlage verkregen gegevens, kunnen de NCB’s en de ECB besluiten rapporten of statistieken te publiceren. Dergelijke publicaties worden zo geaggregeerd dat gegevens niet aan één rapporterende entiteit kunnen worden toegeschreven.

Aanhangsel 1

RAPPORTAGESJABLOON

Stamgegevens

Deze informatie dient te worden verstrekt aan:

[Naam van de NCB; contactgegevens voor vragen; adres]

1.   Informatie inzake geldverwerker

Naam geldverwerker:

Adres hoofdkantoor:

Postcode:

Stad:

Straat:

Type onderneming:

Kredietinstelling

Wisselkantoor

Waardevervoerder die geen betalingsinstelling is

Handelaar (middenstand)

Casino

Overige, waaronder betalingsinstellingen indien niet reeds onder één van de bovengenoemde categorieën (specificeer) ingedeeld

Contactpersonen:

Namen:

Telefoonnummers:

Telefaxnummers:

E-mailadres:

Outsourcing partner (indien toepasselijk)

Naam:

Adres:

Postcode:

Stad:

2.   Door cliënten bediende machines

Machinecategorie

Identificatienummer (1)

Fabrikant (1)

Naam machine (1)

Identificatie (1)

(detectiesysteem/software versies)

Aantal operationele machines

CIM’s

 

 

 

 

 

CRM’s

 

 

 

 

 

CCM’s

 

 

 

 

 

COM’s

 

 

 

 

 

3.   Door personeelsleden bediende machines

Machinecategorie

Identificatienummer (2)

Fabrikant (2)

Naam machine (2)

Identificatie (2)

(detectiesysteem/software versies)

Aantal operationele machines

BPM’s

 

 

 

 

 

BAM’s

 

 

 

 

 

TARM’s

 

 

 

 

 

TAM’s

 

 

 

 

 

4.   Geldautomaten

 

Aantal operationele machines

ATM’s

 

SCoT’s

 

Overige

 

Aanhangsel 2

RAPPORTAGESJABLOON

Operationele gegevens

1.   Informatie inzake geldverwerker

Naam geldverwerker

 

Rapportageperiode

 

2.   Gegevens

Gelieve op nationaal of regionaal niveau geaggregeerde gegevens te verstrekken, zoals door de NCB besloten — met uitzondering van verafgelegen filialen.

 

Totaal aantal verwerkte eurobankbiljetten (3)

Verwerkte niet-geschikte eurobankbiljetten (3)

Opnieuw in omloop gebrachte eurobankbiljetten (4)

5 EUR

 

 

 

10 EUR

 

 

 

20 EUR

 

 

 

50 EUR

 

 

 

100 EUR

 

 

 

200 EUR

 

 

 

500 EUR

 

 

 


Aantal middels door cliënten bediende machines en geldautomaten gedistribueerde eurobankbiljetten

 

Indien een NCB de uitzondering van artikel 7 voor verafgelegen filialen toepast, dan zijn deze gegevens bindend voor de kredietinstellingen van die lidstaat. Kredietinstellingen dienen bij hun NCB’s na te vragen of deze gegevens dienen te worden gerapporteerd.

Aanhangsel 3

VERAFGELEGEN FILIALEN VAN KREDIETINSTELLINGEN

Deze informatie wordt slechts verstrekt door kredietinstellingen die verafgelegen filialen hebben, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1.

1.   Kredietinstelling betreffende informatie

Naam kredietinstelling

 

Rapportageperiode

 


2.   Gegevens

Naam verafgelegen filiaal

Adres

Aantal middels door cliënten bediende machines en geldautomaten gedistribueerde eurobankbiljetten

 

 

 


(1)  Deze posten worden ingevuld conform de overeenstemmende posten op de ECB-website.

(2)  Deze posten worden ingevuld conform de overeenstemmende posten op de ECB-website.

(3)  Deze post bestrijkt zowel door personeelsleden alsook door cliënten bediende machines.

(4)  Uitgesloten zijn naar NCB’s geretourneerde eurobankbiljetten en over de toonbank opnieuw in omloop gebrachte eurobankbiljetten, zulks indien de NCB daartoe besluit.


Rectificaties

20.9.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 253/32


Rectificatie van Uitvoeringsbesluit 2011/435/EU van de Commissie van 19 juli 2011 inzake de erkenning van de „Roundtable of Sustainable Biofuels EU RED”-regeling voor het aantonen van de naleving van de duurzaamheidscriteria onder Richtlijnen 2009/28/EG en 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad

( Publicatieblad van de Europese Unie L 190 van 21 juli 2011 )

Bladzijde 74, artikel 1, eerste alinea:

in plaats van:

„De vrijwillige „Roundtable of Sustainable Biofuels EU RED”-regeling, waarvoor op 10 mei 2011 een verzoek tot gedeeltelijke erkenning is ingediend bij de Commissie, toont aan dat leveringen van biobrandstoffen beantwoorden aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17, lid 3, onder a), b) en c), en artikel 17, leden 4 en 5, van Richtlijn 2009/28/EG en van artikel 7 ter, lid 3, onder a), b) en c), en artikel 7 ter, leden 4 en 5, van Richtlijn 98/70/EG.”,

te lezen:

„De vrijwillige „Roundtable of Sustainable Biofuels EU RED”-regeling, waarvoor op 10 mei 2011 een verzoek tot erkenning is ingediend bij de Commissie, toont aan dat leveringen van biobrandstoffen beantwoorden aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17, lid 3, onder a), b) en c), en artikel 17, leden 4 en 5, van Richtlijn 2009/28/EG en van artikel 7 ter, lid 3, onder a), b) en c), en artikel 7 ter, leden 4 en 5, van Richtlijn 98/70/EG.”.