ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.204.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 204

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
31 juli 2012


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 670/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2012 tot wijziging van Besluit nr. 1639/2006/EG tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) en van Verordening (EG) nr. 680/2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie

1

 

*

Verordening (EU) nr. 671/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat de toepassing van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers voor 2013 betreft

11

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2012/418/EU

 

*

Besluit van de Raad van 21 december 2011 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van enkele bepalingen van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds

18

 

*

Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds

20

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/419/EU

 

*

Besluit van de Europese Raad van 11 juli 2012 tot wijziging van de status van Mayotte ten aanzien van de Europese Unie

131

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

31.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 204/1


VERORDENING (EU) Nr. 670/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 juli 2012

tot wijziging van Besluit nr. 1639/2006/EG tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007-2013) en van Verordening (EG) nr. 680/2007 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 172 en artikel 173, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) stelt een kaderprogramma vast voor concurrentievermogen en innovatie (CIP) met verschillende soorten uitvoeringsmaatregelen ter verwezenlijking van specifieke programma’s waarbij het „programma ter ondersteuning van het beleid inzake informatie- en communicatietechnologie (ICT)” ondersteuning biedt voor de versterking van de interne markt voor ICT-producten en -diensten en zich richt op de stimulering van innovatie door middel van ruimere toepassing van en investeringen in ICT.

(2)

Verordening (EG) nr. 680/2007 van het Europees Parlement en de Raad (4) stelt de algemene regels vast voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de trans-Europese netwerken voor vervoer en energie en tot de instelling van het risicodelingsinstrument „garantie-instrument voor leningen voor TEN-vervoersprojecten (TEN-T)”.

(3)

In het volgende decennium zijn er, volgens schattingen van de Commissie, ongekende investeringsvolumen nodig in de Europese vervoers-, informatie, en communicatienetwerken met het oog op de verwezenlijking van de Europa 2020-beleidsdoelstellingen — met name ten aanzien van het klimaat en de overgang naar een hulpbronnenefficiënte, koolstofarme economie — door slimme, gemoderniseerde en goed op elkaar aangesloten vervoers- en energie-infrastructuur te ontwikkelen, en om de voltooiing van de interne markt te bevorderen.

(4)

Financiering via de schuldkapitaalmarkt is voor infrastructuurprojecten in de Unie niet gemakkelijk beschikbaar. Problemen bij infrastructuurprojecten om toegang te krijgen tot langlopende financiering uit particuliere of openbare middelen mogen niet leiden tot een verslechtering van de werking van het vervoer, de telecommunicatie- en energie-infrastructuur noch tot de vertraging van de breedbandpenetratie. Vanwege de versnipperde obligatiemarkten in de Unie, in samenhang met een onbekende vraag en de omvang en complexiteit van infrastructuurprojecten die voor de projectvoorbereiding lange doorlooptijden nodig hebben, is het wenselijk deze kwestie op Unieniveau aan te pakken.

(5)

Financiële instrumenten zoals geregeld door Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5) kunnen in sommige gevallen de efficiëntie van de begrotingsbestedingen verbeteren en grote multiplicatoreffecten bereiken in termen van het aantrekken van financiering uit de particuliere sector. Dit is met name relevant in de context van de moeilijke toegang tot krediet, de druk op de overheidsfinanciën en gezien de noodzaak het economisch herstel van Europa te ondersteunen.

(6)

Het Europees Parlement heeft zich in zijn resolutie van 8 juni 2011„Investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa”, ingenomen getoond met het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties; dit mechanisme voor risicodeling met de EIB waarmee aan een maximum gebonden steun uit de begroting van de Unie wordt geleverd, is ontworpen als hefboom voor de uniale middelen en om extra belangstelling van particuliere investeerders voor deelname aan prioritaire projecten te wekken, overeenkomstig de Europa 2020-doelstellingen. In zijn conclusies van 12 juli 2011 over de Akte voor de interne markt heeft de Raad in herinnering gebracht dat financiële instrumenten dienen te worden beoordeeld in termen van hefboomeffecten in vergelijking met de bestaande instrumenten waarvan de risico’s zouden drukken op de financiële overheidsbalans en waardoor particuliere instellingen mogelijk zouden worden verdrongen. De mededeling van de Commissie betreffende een proeffase voor het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties en de daarmee samenhangende effectbeoordeling, die gebaseerd zijn op een openbare raadplegingsprocedure, moeten in deze context worden gezien.

(7)

Er moet een proeffase worden ingesteld voor het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties, om prioritaire projecten met een duidelijke toegevoegde waarde voor de EU te helpen financieren, en om te zorgen voor een grotere betrokkenheid van de particuliere sector bij de langlopende kapitaalmarktfinanciering van economisch levensvatbare projecten op het gebied van vervoers-, energie- en ICT-infrastructuur. Dit instrument zal ten goede komen aan sectoroverschrijdende projecten met soortgelijke financieringsbehoeften, en zou dankzij synergieën tussen de sectoren moeten leiden tot grotere voordelen wat betreft invloed op de markt, administratieve efficiëntie en besteding van de middelen. Het zou betrokkenen bij de infrastructuur, zoals financiers, overheden, infrastructuurbeheerders, bouwondernemingen en ondernemers, voorzien van een coherent instrument, en door de marktvraag worden gestuurd.

(8)

Tijdens de proeffase voor het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties moet de begroting van de Unie worden gebruikt samen met financiering door de EIB in de vorm van een gezamenlijk risicodelingsinstrument voor projectobligaties uitgegeven door projectondernemingen. Dit instrument is erop gericht het risico van de schuldendienst van een project en het kredietrisico van de obligatiehouders dusdanig te matigen dat kapitaalmarktdeelnemers, zoals pensioenfondsen, verzekeraars en andere belangstellenden, bereid zijn te investeren in een groter volume aan infrastructuurobligaties dan zonder steun van de Unie mogelijk zou zijn.

(9)

Gezien de jarenlange deskundigheid van de EIB, haar rol als belangrijkste financier van infrastructuurprojecten en haar in het Verdrag vastgelegde functie als het financiële orgaan van de EU, dient de Commissie de EIB te betrekken bij de uitvoering van de proeffase. De voornaamste modaliteiten, voorwaarden en procedures voor het risicodelingsinstrument voor projectobligaties moeten in deze verordening worden vastgelegd. Nadere voorwaarden, met inbegrip van de risicodeling en vergoeding, het toezicht en de controle, moeten worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen de Commissie en de EIB. Deze samenwerkingsovereenkomst moet door de Commissie en de EIB worden goedgekeurd volgens hun respectieve procedures.

(10)

De proeffase voor het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties moet zo spoedig mogelijk en zonder onnodig uitstel tijdens het lopende financieel kader worden gelanceerd om vast te stellen of en in welke mate dit soort financiële risicodelingsinstrumenten een toegevoegde waarde hebben voor de financiering van infrastructuurmaatregelen en voor de ontwikkeling van de financiering van infrastructuurprojecten via de schuldkapitaalmarkt.

(11)

De proeffase dient te worden gefinancierd door herschikking van middelen in de begrotingen voor 2012 en 2013 voor de bestaande programma’s op het gebied van vervoer, energie en telecommunicatie. In het kader hiervan zou het mogelijk moeten zijn maximaal 200 miljoen EUR voor dit initiatief te herschikken uit de begroting voor TEN-T, maximaal 20 miljoen EUR uit de begroting van het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, en maximaal 10 miljoen EUR uit de begroting voor TEN-Energie („TEN-E”). Door de beschikbare begrotingsgelden worden zowel het toepassingsgebied van het initiatief als het aantal mogelijk te ondersteunen projecten beperkt.

(12)

De begrotingsfondsen moeten door de EIB worden aangevraagd op basis van een reeks projecten die de EIB en de Commissie als passend en in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen van de Unie op lange termijn beschouwen, en waarvan zij menen dat deze naar alle waarschijnlijkheid zullen worden verwezenlijkt. Dergelijke verzoeken en de bijbehorende begrotingsvastleggingen moeten uiterlijk op 31 december 2013 worden ingediend. Vanwege de complexiteit van grote infrastructuurprojecten zou de feitelijke goedkeuring door de raad van bestuur van de EIB op een latere datum kunnen plaatsvinden, maar niet later dan op 31 december 2014.

(13)

De aanvraag voor ondersteuning, en selectie en uitvoering van alle projecten moet in overeenstemming zijn met de wetgeving van de Unie, in het bijzonder met betrekking tot overheidssteun, en moet erop gericht zijn marktverstoringen of de verergering daarvan te voorkomen.

(14)

Naast de rapportagevereisten overeenkomstig punt 49 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (6), moet de Commissie, bijgestaan door de EIB, tijdens de proeffase na de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst om de zes maanden verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad, en in de tweede helft van 2013 een tussentijds verslag bij hen indienen. In 2015 moet een grondige onafhankelijke evaluatie worden uitgevoerd.

(15)

Op grond van deze grondige onafhankelijke evaluatie moet de Commissie de relevantie van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties beoordelen, evenals de doeltreffendheid ervan wat betreft het verhogen van het volume van de investeringen in prioritaire projecten en het verbeteren van de efficiëntie van de uitgaven van de Unie.

(16)

De proeffase van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties dient te worden gelanceerd ter voorbereiding van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, die door de Commissie is voorgesteld. Dit doet geen afbreuk aan besluiten over het meerjarig financieel kader van de Unie (MFK) na 2013 en over het mogelijke hergebruik van terugvloeiende middelen uit financiële instrumenten in het kader van de onderhandelingen over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de jaarlijkse begroting van de Unie.

(17)

Met het oog op de uitvoering van de proeffase van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties moeten Besluit nr. 1639/2006/EG en Verordening (EG) nr. 680/2007 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(18)

Om ervoor te zorgen dat de in deze verordening genomen maatregelen effectief zijn, en gezien de beperkte duur van de proeffase, dient deze verordening in werking te treden op de dag na die van haar bekendmaking,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzingen van Besluit nr. 1639/2006/EG

Besluit nr. 1639/2006/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 8 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5 bis.   Onverminderd de leden 1 tot en met 5, met betrekking tot projecten die worden uitgevoerd in het kader van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties waarnaar wordt verwezen in artikel 31, lid 2, dienen de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB) in de tweede helft van 2013 een tussentijds verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. In 2015 wordt een grondige onafhankelijke evaluatie uitgevoerd.

Op grond van deze evaluatie beoordeelt de Commissie de relevantie van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties, evenals de doeltreffendheid ervan voor het verhogen van het volume van de investeringen in prioritaire projecten en het verbeteren van de efficiëntie van de uitgaven van de Unie. Op basis van deze evaluatie, rekening houdende met alle opties, stelt de Commissie passende wijzigingen van de regelgeving voor, met inbegrip van wetgevende wijzigingen, met name indien de voorspelde opname door de markt onbevredigend is of indien zich voldoende alternatieve bronnen van langetermijnschuldfinanciering ontwikkelen.

Het in de eerste alinea genoemde tussentijdse verslag bevat een lijst met projecten waarvoor financiële steun is verstrekt uit het risicodelingsinstrument voor projectobligaties waarnaar wordt verwezen in artikel 31, leden 2 bis tot en met 2 sexies, met informatie over de voorwaarden van de verstrekte obligaties en de soorten huidige en potentiële toekomstige investeerders.”.

2)

Artikel 26, lid 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

bevordering van innovatie door de bredere toepassing van en investeringen in ICT en breedband;”.

3)

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De in lid 1, onder a), genoemde projecten zijn gericht op de bevordering van de innovatie, de overdracht van technologie en de verspreiding van nieuwe, marktrijpe technologieën.

De Unie kan een subsidie verlenen als bijdrage aan de begroting van deze projecten.

Bij wijze van alternatief kan de Unie tijdens een proeffase in 2012 en 2013 een financiële bijdrage geven aan de EIB voor de verstrekking en toewijzing van kapitaal ten behoeve van door de EIB uit haar eigen middelen te verstrekken schuldinstrumenten of garanties in het kader van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties.”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„2 bis.   Het risicodelingsinstrument voor projectobligaties waarnaar wordt verwezen in de derde alinea van lid 2 is een gezamenlijk instrument van de Commissie en de EIB dat zorgt voor een toegevoegde waarde als een optreden van de Unie, voorziet in een oplossing voor suboptimale investeringssituaties wanneer projecten er niet in slagen voldoende financiering op de markt aan te trekken, en additionaliteit biedt. Het gaat concurrentievervalsing tegen, streeft naar een multiplicatoreffect en verenigt belangen in de vorm van een reductie van het kredietrisico. Het risicodelingsinstrument voor projectobligaties:

a)

neemt de vorm aan van een door de EIB verstrekt schuldinstrument of toegekende garantie, gesteund door een bijdrage uit de begroting van de Unie, ten gunste van financiering voor projecten op het gebied van ICT en breedband, waarmee financiering door de lidstaten of de particuliere sector wordt aangevuld of aangetrokken;

b)

matigt het risico van de schuldendienst van een project en het kredietrisico van de obligatiehouders;

c)

wordt alleen gebruikt voor projecten waarvan de financiële levensvatbaarheid is gebaseerd op de opbrengsten van het project.

2 ter.   De blootstelling van de Unie aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met inbegrip van beheersvergoedingen en andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten overschrijdt in geen geval het bedrag van de bijdrage van de Unie aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties noch de looptijd van de onderliggende portefeuille van faciliteiten voor de reductie van het kredietrisico. Er zijn geen verdere lasten voor de algemene begroting van de Unie. Het resterende risico dat verbonden is aan projectobligaties wordt altijd door de EIB gedragen.

2 quater.   De voornaamste modaliteiten, voorwaarden en procedures van het risicodelingsinstrument zijn vastgelegd in bijlage III bis. De nadere voorwaarden voor de uitvoering van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met inbegrip van de risicodeling, vergoeding, het toezicht en de controle, worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen de Commissie en de EIB. Deze samenwerkingsovereenkomst wordt goedgekeurd door de Commissie en de EIB volgens hun respectieve procedures.

2 quinquies.   In 2013 kan een bedrag van maximaal 20 miljoen EUR worden gebruikt uit de begrotingsgelden die bestemd zijn voor de verwezenlijking van het ICT- en breedbandbeleid overeenkomstig bijlage I, onder b). Gezien de beperkte duur van de proeffase kan het risicodelingsinstrument de ontvangen opbrengsten vóór 31 december 2013 opnieuw gebruiken voor nieuwe schuldinstrumenten en garanties binnen dezelfde risicodelingsfaciliteit en voor projecten die aan dezelfde subsidiabiliteitscriteria voldoen, om het volume van de gesteunde investeringen zo te verhogen. Indien het risicodelingsinstrument voor projectobligaties in het volgende meerjarig financieel kader niet wordt verlengd, worden de resterende gelden teruggeboekt op de ontvangstenzijde van de algemene begroting van de Unie.

2 sexies.   Naast de rapportageverplichtingen zoals vastgelegd in punt 49 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer, en onverminderd enige andere wettelijke rapportageverplichtingen, dient de Commissie tijdens de proeffase om de zes maanden een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met inbegrip van de financiële voorwaarden en de plaatsing van uitgegeven projectobligaties.”.

4)

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

„BIJLAGE III bis

Voornaamste modaliteiten, voorwaarden en procedures van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties zoals bedoeld in artikel 31, lid 2 quater.

De EIB is een partner voor risicodeling en beheert de bijdrage van de Unie aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties namens de Unie. De nader in detail uitgewerkte modaliteiten en voorwaarden voor de uitvoering van dit instrument, inclusief toezicht en controle, worden opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst tussen de Commissie en de EIB, rekening houdend met de in deze bijlage opgenomen bepalingen.

a)   De EIB-faciliteit

1.

Het risicodelingsinstrument voor projectobligaties wordt ontworpen voor elk in aanmerking komend project als een ondergeschikte faciliteit, in de vorm van een schuldinstrument of een voorwaardelijk (garantie)fonds volgens voorwaarden of beide, om de uitgifte van projectobligaties te vergemakkelijken.

2.

Indien de EIB schuldeiser van het project is of wordt, zijn de rechten van de EIB uit hoofde van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties achtergesteld ten opzichte van de schuldendienst van de bevoorrechte schuld en hebben voorrang op aandelen- en daarmee gerelateerde financiering.

3.

De faciliteit mag niet meer bedragen dan 20 % van het totale bedrag van de uitgegeven bevoorrechte schuld.

b)   Begroting

Informatie- en communicatietechnologie

2013: tot 20 miljoen EUR.

Het verzoek om overschrijving van bovengenoemde bedragen wordt uiterlijk op 31 december 2012 ingediend en gaat vergezeld van een raming van de mate waarin er behoefte is aan de geplande bijdrage van de Unie.

Indien noodzakelijk kan deze raming dienen als basis voor een op de behoeften gebaseerde verlaging van het bedrag voor 2013, waartoe wordt besloten overeenkomstig de procedure van artikel 46, lid 2.

c)   Fiduciaire rekening

1.

De EIB opent een fiduciaire rekening voor het beheer van de bijdrage van de Unie en de uit de bijdrage van de Unie voortvloeiende inkomsten.

2.

Gezien de beperkte duur van de proeffase, worden de rente van de fiduciaire rekeningen en de andere uit de bijdrage van de Unie voortvloeiende inkomsten, zoals garantiepremies, rente en risicomarges op de door de EIB uitbetaalde bedragen, toegevoegd aan de middelen van de fiduciaire rekening. De Commissie kan echter, overeenkomstig de procedure van artikel 46, lid 2, besluiten dat deze naar het begrotingsonderdeel voor CIP-ICT moeten worden teruggeboekt.

d)   Gebruik van de bijdrage van de Unie

De bijdrage van de Unie wordt gebruikt door de EIB:

1.

voor risicovoorzieningen op grond van het eerste verlies voor de ondergeschikte faciliteiten van de in aanmerking komende projectportefeuille, overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de EIB en de risicoanalyse die door de EIB uit hoofde van haar geldend beleid is uitgevoerd;

2.

voor het dekken van alle niet-projectgerelateerde in aanmerking komende kosten die gepaard gaan met de opstelling en het beheer van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met inbegrip van de evaluatie hiervan.

e)   Risico- en inkomstendeling

Het patroon van risicodeling dat resulteert uit punt d), wordt weerspiegeld in een passende verdeling tussen de Unie en de EIB van de risicovergoeding die door de EIB aan haar tegenpartij is aangerekend met betrekking tot iedere faciliteit binnen de projectportefeuille.

f)   Prijsstelling

De prijsstelling van de projectobligatiefaciliteiten is gebaseerd op de risicovergoeding overeenkomstig de desbetreffende standaardvoorschriften en -criteria van de EIB.

g)   Aanvraagprocedure

Aanvragen voor risicodekking in het kader van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties worden gericht aan de EIB overeenkomstig de gangbare aanvraagprocedure van de EIB.

h)   Goedkeuringsprocedure

De EIB voert een grondig onderzoek (due diligence-onderzoek) uit naar het risico, alsmede de financiële, technische en juridische aspecten, en besluit over het gebruik van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties en selecteert de geschikte soort ondergeschikte faciliteit overeenkomstig haar standaardvoorschriften en -criteria, met name de richtsnoeren voor kredietrisicobeleid van de EIB, en de selectiecriteria van de EIB op sociaal, milieu- en klimaatgebied.

i)   Duur

1.

De bijdrage van de Unie aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties wordt uiterlijk op 31 december 2013 vastgelegd. De feitelijke goedkeuring van projectobligatiefaciliteiten door de raad van bestuur van de EIB wordt uiterlijk op 31 december 2014 afgerond.

2.

Ingeval het risicodelingsinstrument voor projectobligaties tijdens het huidige meerjarig financieel kader wordt beëindigd, worden andere saldi op de fiduciaire rekening dan gelden waarvoor verplichtingen zijn aangegaan en gelden die voor de dekking van andere in aanmerking komende kosten en uitgaven nodig zijn, teruggeboekt naar het begrotingsonderdeel voor CIP-ICT.

3.

Middelen die zijn toegekend aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties worden teruggeboekt naar de desbetreffende fiduciaire rekening wanneer de faciliteiten komen te vervallen of worden terugbetaald, op voorwaarde dat de geboden risicodekking voldoende blijft.

j)   Verslaglegging

De wijze van jaarlijkse rapportage over de toepassing van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties wordt door de Commissie en de EIB overeengekomen.

Daarnaast brengt de Commissie, bijgestaan door de EIB, iedere zes maanden verslag uit over de toepassing aan het Europees Parlement en de Raad, vanaf zes maanden na de ondertekening van de in artikel 31, lid 2 quater, genoemde samenwerkingsovereenkomst.

k)   Toezicht, controle en beoordeling

De Commissie houdt toezicht op de toepassing van het instrument, onder meer door controles ter plaatse indien wenselijk, en voert toezichtswerkzaamheden en controles uit overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (*1).

De EIB beheert ondergeschikte faciliteiten overeenkomstig haar eigen voorschriften en procedures, die onder meer voorzien in deugdelijke audit-, controle- en toezichtsmaatregelen. Bovendien moet de raad van bestuur van de EIB, waarin de Commissie en de lidstaten zijn vertegenwoordigd, elke ondergeschikte faciliteit goedkeuren en erop toezien dat het beheer van de EIB plaatsvindt in overeenstemming met de statuten en de algemene richtlijnen die door de raad van gouverneurs worden vastgesteld.

De Commissie en de EIB dienen in de tweede helft van 2013 een tussentijds verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de werking van de proeffase van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met de bedoeling het ontwerp van dit instrument te verbeteren.

Na goedkeuring van de definitieve projectobligaties wordt in 2015 een grondige onafhankelijke evaluatie uitgevoerd. Daarbij zal onder meer aandacht worden besteed aan de toegevoegde waarde, de additionaliteit ten opzichte van andere instrumenten van de Unie of de lidstaten en andere bestaande vormen van langetermijnschuldfinanciering, het verwezenlijkte multiplicatoreffect, een beoordeling van de betreffende risico’s en het veroorzaken of corrigeren van eventuele concurrentieverstorende effecten. De evaluatie omvat ook de gevolgen voor de financiële levensvatbaarheid van het project, het volume, de voorwaarden en kosten van de uitgifte van obligaties, het effect op de bredere obligatiemarkt, en aspecten die betrekking hebben op de kredietcontroleur en aanbestedingen. Ook wordt in de evaluatie, indien mogelijk, een kostenvergelijking gegeven met alternatieve vormen van projectfinanciering, waaronder bankleningen. Tijdens de proeffase wordt ieder geselecteerd project beoordeeld.

Artikel 2

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 680/2007

Verordening (EG) nr. 680/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 worden de volgende punten toegevoegd:

„14.

„Risicodelingsinstrument voor projectobligaties”: een gezamenlijk instrument van de Commissie en de EIB dat zorgt voor een toegevoegde waarde als een optreden van de Unie, voorziet in een oplossing voor suboptimale investeringssituaties wanneer projecten er niet in slagen voldoende financiering op de markt aan te trekken, en additionaliteit biedt door financiering door de lidstaten of de particuliere sector aan te vullen of aan te trekken. Het gaat concurrentievervalsing tegen, streeft naar een multiplicatoreffect en verenigt belangen. Het risicodelingsinstrument voor projectobligaties neemt de vorm aan van een reductie van het kredietrisico voor projecten van algemeen belang, matigt het risico van de schuldendienst van een project en het kredietrisico van de obligatiehouders en wordt alleen gebruikt voor projecten waarvan de financiële levensvatbaarheid is gebaseerd op de opbrengsten van het project.

15.

„Reductie van het kredietrisico”: de verbetering van de kredietkwaliteit van een projectschuld door middel van een ondergeschikte faciliteit in de vorm van een schuldinstrument of een garantie van de EIB of beide, gesteund met een bijdrage uit de begroting van de Unie.”.

2)

Aan de eerste alinea van artikel 4 wordt de volgende zin toegevoegd:

„Aanvragen voor risicodekking in het kader van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder g), worden gericht aan de EIB overeenkomstig de gangbare aanvraagprocedure van de EIB.”.

3)

Artikel 6, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in letter d), wordt de volgende zin ingevoegd:

„In 2012 en 2013 kan een bedrag van maximaal 200 miljoen EUR worden herschikt voor de proeffase van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties in de vervoerssector.”;

b)

het volgende punt g) wordt toegevoegd:

„g)

een financiële bijdrage aan de EIB voor de verstrekking en toewijzing van kapitaal voor schuldinstrumenten of garanties door de EIB uit haar eigen middelen in het kader van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties op het gebied van TEN-T en TEN-E, tijdens een proeffase in 2012 en 2013. De blootstelling van de Unie aan het risicodelingsinstrument, met inbegrip van beheersvergoedingen en andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten, overschrijdt in geen geval het bedrag van de bijdrage van de Unie aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, noch de looptijd van de portefeuille van onderliggende faciliteiten voor de reductie van het kredietrisico. Er zijn geen verdere lasten voor de algemene begroting van de Unie. Het resterende risico dat aan deze projectobligaties is verbonden wordt altijd door de EIB gedragen.

De voornaamste modaliteiten, voorwaarden en procedures voor het risicodelingsinstrument voor projectobligaties zijn vastgelegd in bijlage I bis. De nadere voorwaarden voor de uitvoering van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met inbegrip van de risicodeling, vergoeding, het toezicht en de controle, worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen de Commissie en de EIB. Deze samenwerkingsovereenkomst wordt goedgekeurd door de Commissie en de EIB volgens hun respectieve procedures.

In 2012 en 2013 kan een bedrag van maximaal 210 miljoen EUR, waarvan maximaal 200 miljoen EUR voor vervoersprojecten en maximaal 10 miljoen EUR voor energieprojecten, worden herschikt voor het risicodelingsinstrument voor projectobligaties overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 15, lid 2, van de begrotingsonderdelen respectievelijk voor het garantie-instrument voor leningen voor TEN-T-projecten, bedoeld in bijlage I, en voor TEN-E.

Naast de rapportageverplichtingen zoals vastgelegd in punt 49 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer, en onverminderd enige andere wettelijke rapportageverplichtingen, dient de Commissie tijdens de proeffase om de zes maanden een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de resultaten van het risicodelingsinstrument, met inbegrip van de financiële voorwaarden en de plaatsing van uitgegeven projectobligaties.

Gezien de beperkte duur van de proeffase, kunnen de rente en andere door het risicodelingsinstrument voor projectobligaties gegenereerde opbrengsten die vóór 31 december 2013 zijn ontvangen, opnieuw worden gebruikt voor nieuwe schuldinstrumenten en garanties binnen dezelfde risicodelingsfaciliteit en voor projecten die aan dezelfde subsidiabiliteitscriteria voldoen, om het volume van de gesteunde investeringen zo te verhogen. Indien het risicodelingsinstrument voor projectobligaties in het volgende meerjarig financieel kader niet wordt verlengd, worden de resterende gelden teruggeboekt op de ontvangstenzijde van de algemene begroting van de Unie.”.

4)

In artikel 16 wordt het volgende lid toegevoegd:

„2 bis.   Onverminderd de leden 1 en 2, met betrekking tot projecten die worden uitgevoerd in het kader van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties bedoeld in artikel 6, lid 1, onder g), dienen de Commissie en de EIB in de tweede helft van 2013 een tussentijds verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. In 2015 wordt een grondige onafhankelijke evaluatie uitgevoerd.

Op grond van deze evaluatie beoordeelt de Commissie de relevantie van het Europa 2020-initiatief inzake projectobligaties, evenals de doeltreffendheid ervan voor het verhogen van het volume van de investeringen in prioritaire projecten en het verbeteren van de efficiëntie van de uitgaven van de Unie. Op basis van deze evaluatie, rekening houdende met alle opties, stelt de Commissie passende wijzigingen van de regelgeving voor, met inbegrip van wetgevende wijzigingen, met name indien de voorspelde opname door de markt onbevredigend is of indien zich voldoende alternatieve bronnen van langetermijnschuldfinanciering ontwikkelen.”.

5)

Aan artikel 17, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Het in artikel 16, lid 2 bis, genoemde tussentijdse verslag bevat ook een lijst met projecten waarvoor gebruik is gemaakt van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties bedoeld in artikel 6, lid 1, onder g), met informatie over de voorwaarden van de uitgegeven obligaties en de soorten huidige en potentiële toekomstige investeerders.”.

6)

De bijlage wordt hernummerd als bijlage I en de woorden „de bijlage” in artikel 6, lid 1, onder d), worden derhalve vervangen door „bijlage I”.

7)

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

„BIJLAGE I bis

Voornaamste modaliteiten, voorwaarden en procedures van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, onder g).

De EIB is een partner voor risicodeling en beheert de bijdrage van de Unie aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties namens de Unie. De nader in detail uitgewerkte modaliteiten en voorwaarden voor de uitvoering van dit instrument, inclusief toezicht en controle, worden opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst tussen de Commissie en de EIB, rekening houdend met de in deze bijlage opgenomen bepalingen.

a)   De EIB-faciliteit

1.

Het risicodelingsinstrument voor projectobligaties wordt voor elk in aanmerking komend project ontworpen als een ondergeschikte faciliteit, in de vorm van een schuldinstrument of een voorwaardelijk garantiefonds of beide, om de uitgifte van projectobligaties te vergemakkelijken.

2.

Indien de EIB schuldeiser van het project is of wordt, zijn de rechten van de EIB uit hoofde van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties achtergesteld ten opzichte van de schuldendienst van de bevoorrechte schuld en hebben voorrang op aandelen- en met aandelen gerelateerde financiering.

3.

De faciliteit mag niet meer bedragen dan 20 % van het totale bedrag van de uitgegeven bevoorrechte schuld.

b)   Begroting

 

TEN-T:

2012: tot 100 miljoen EUR

2013: tot het gecumuleerde bedrag van 200 miljoen EUR.

Herschikking van middelen die binnen de TEN-T-begroting zijn toegewezen voor het garantie-instrument voor leningen voor TEN-T-projecten bedoeld in bijlage I, maar niet uitgegeven werden.

 

TEN-E:

2013: tot 10 miljoen EUR.

Het verzoek om overschrijving van het bedrag voor 2012 wordt na de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst onverwijld ingediend.

Verzoeken om overschrijvingen voor volgende jaren worden uiterlijk op 31 december van het voorgaande jaar ingediend.

Het verzoek om overschrijving gaat te allen tijde vergezeld van een raming van de mate waarin er behoefte is aan de geplande bijdrage van de Unie.

Indien noodzakelijk kan deze raming dienen als basis voor een op de behoeften gebaseerde verlaging van het bedrag, waartoe wordt besloten overeenkomstig de procedure van artikel 15, lid 2.

c)   Fiduciaire rekening

1.

De EIB opent twee fiduciaire rekeningen (een voor TEN-T-projecten en een voor TEN-E-projecten) voor het beheer van de bijdragen van de Unie en de uit de bijdragen van de Unie voortvloeiende inkomsten. De fiduciaire rekening voor TEN-T kan worden samengevoegd met de fiduciaire rekening die is geopend voor het garantie-instrument voor leningen voor TEN-T-projecten bedoeld in bijlage I, op voorwaarde dat een dergelijke maatregel geen beletsel vormt voor de kwaliteit van de verslaglegging en het toezicht zoals omschreven onder de punten j) en k).

2.

Gezien de beperkte duur van de proeffase, worden de rente van de fiduciaire rekeningen en de andere uit de bijdrage van de Unie voortvloeiende inkomsten, zoals garantiepremies, rente en risicomarges op de door de EIB uitbetaalde bedragen, toegevoegd aan de middelen van de fiduciaire rekening. De Commissie kan echter, overeenkomstig de procedure van artikel 15, lid 2, besluiten dat deze naar het begrotingsonderdeel voor TEN-T of TEN-E moeten worden teruggeboekt.

d)   Gebruik van de bijdrage van de Unie

De bijdrage van de Unie wordt gebruikt door de EIB:

1.

voor risicovoorzieningen op grond van het eerste verlies voor de ondergeschikte faciliteiten van de in aanmerking komende projectportefeuille, overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van de EIB en de risicoanalyse die door de EIB uit hoofde van haar geldend beleid is uitgevoerd;

2.

voor het dekken van alle niet-projectgerelateerde in aanmerking komende kosten die gepaard gaan met de opstelling en het beheer van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met inbegrip van de evaluatie hiervan.

e)   Risico- en inkomstendeling

Het patroon van risicodeling dat resulteert uit punt d), wordt weerspiegeld in een passende verdeling tussen de Unie en de EIB van de risicovergoeding die door de EIB aan haar tegenpartij is aangerekend met betrekking tot iedere faciliteit binnen de portefeuille.

Onverminderd de bepalingen over risicodeling voor het garantie-instrument voor leningen voor TEN-T-projecten bedoeld in bijlage I, is het risicodelingspatroon voor projectobligaties ook van toepassing op dat instrument en op de handelingen in het kader van zijn huidige portefeuille.

f)   Prijsstelling

De prijsstelling van de projectobligatiefaciliteiten is gebaseerd op de risicovergoeding overeenkomstig de desbetreffende standaardvoorschriften en -criteria van de EIB.

g)   Aanvraagprocedure

Aanvragen voor risicodekking in het kader van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties worden gericht aan de EIB overeenkomstig de gangbare aanvraagprocedure van de EIB.

h)   Goedkeuringsprocedure

De EIB voert een grondig onderzoek (due diligence-onderzoek) uit naar het risico, alsmede de financiële, technische en juridische aspecten, en besluit over het gebruik van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties en selecteert de geschikte soort ondergeschikte faciliteit overeenkomstig haar standaardvoorschriften en -criteria, met name de richtsnoeren voor kredietrisicobeleid van de EIB, en de selectiecriteria van de EIB op sociaal, milieu- en klimaatgebied.

i)   Duur

1.

De laatste tranche van de bijdrage van de Unie aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties wordt uiterlijk op 31 december 2013 vastgelegd. De feitelijke goedkeuring van de projectobligatiefaciliteiten door de raad van bestuur van de EIB wordt uiterlijk op 31 december 2014 afgerond.

2.

Ingeval het risicodelingsinstrument voor projectobligaties tijdens het huidige meerjarig financieel kader wordt beëindigd, worden andere saldi op de fiduciaire rekeningen dan gelden waarvoor verplichtingen zijn aangegaan en gelden die voor de dekking van andere in aanmerking komende kosten en uitgaven nodig zijn, teruggeboekt naar de begrotingsonderdelen voor TEN-T en TEN-E.

3.

Middelen die zijn toegekend aan het risicodelingsinstrument voor projectobligaties worden teruggeboekt naar de desbetreffende fiduciaire rekening wanneer de faciliteiten komen te vervallen of worden terugbetaald, op voorwaarde dat de geboden risicodekking voldoende blijft.

j)   Verslaglegging

De wijze van jaarlijkse rapportage over de toepassing van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties wordt door de Commissie en de EIB overeengekomen.

Daarnaast brengt de Commissie, bijgestaan door de EIB, iedere zes maanden verslag uit over de toepassing aan het Europees Parlement en de Raad, vanaf zes maanden na de ondertekening van de in artikel 6, lid 1, onder g), genoemde samenwerkingsovereenkomst.

k)   Toezicht, controle en beoordeling

De Commissie houdt toezicht op de toepassing van het instrument, onder meer door controles ter plaatse indien wenselijk, en voert toezichtswerkzaamheden en controles uit overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

De EIB beheert ondergeschikte faciliteiten overeenkomstig haar eigen voorschriften en procedures, die onder meer voorzien in deugdelijke audit-, controle- en toezichtsmaatregelen. Bovendien moet de raad van bestuur van de EIB, waarin de Commissie en de lidstaten zijn vertegenwoordigd, elke ondergeschikte faciliteit goedkeuren en erop toezien dat het beheer van de EIB plaatsvindt in overeenstemming met de statuten en de algemene richtlijnen die door de raad van gouverneurs worden vastgesteld.

De Commissie en de EIB dienen in de tweede helft van 2013 een tussentijds verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de werking van de proeffase van het risicodelingsinstrument voor projectobligaties, met de bedoeling het ontwerp van dit instrument te verbeteren.

Na goedkeuring van de definitieve projectobligaties wordt in 2015 een grondige onafhankelijke evaluatie uitgevoerd. Daarbij zal onder meer aandacht worden besteed aan de toegevoegde waarde, de additionaliteit ten opzichte van andere instrumenten van de Unie of de lidstaten en andere bestaande vormen van langetermijnschuldfinanciering, het verwezenlijkte multiplicatoreffect, een beoordeling van de betreffende risico’s en het veroorzaken of corrigeren van eventuele concurrentieverstorende effecten. De evaluatie omvat ook de gevolgen voor de financiële levensvatbaarheid van het project, het volume, de voorwaarden en kosten van de uitgifte van obligaties, het effect op de bredere obligatiemarkt, en aspecten die betrekking hebben op de kredietcontroleur en aanbestedingen. Ook wordt in de evaluatie, indien mogelijk, een kostenvergelijking gegeven met alternatieve vormen van projectfinanciering, waaronder bankleningen. Tijdens de proeffase wordt ieder geselecteerd project beoordeeld.”.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 juli 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

A. D. MAVROYIANNIS


(1)  PB C 143 van 22.5.2012, blz. 134.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 5 juli 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 juli 2012.

(3)  PB L 310 van 9.11.2006, blz. 15.

(4)  PB L 162 van 22.6.2007, blz. 1.

(5)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(6)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(*1)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.”.


Verklaring van de Commissie

Volgens punt 49 van het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer brengt de Commissie jaarlijks verslag uit aan de begrotingsautoriteit over de financiële instrumenten. Het verslag van 2012 zal ook het EU-EIB-initiatief inzake projectobligaties omvatten.

In deze context en gelet op de korte duur van de proeffase van de projectobligaties, wenst de Commissie te verduidelijken dat de bewoordingen volgens welke de Commissie tijdens de proeffase om de zes maanden verslag uitbrengt, die in overweging 14, in artikel 1, lid 3, onder b), artikel 1, lid 4, artikel 2, lid 3, onder b), en artikel 2, lid 7, zijn gebruikt, betekenen dat de Commissie de Raad en het Parlement zal informeren door met de desbetreffende stavingsstukken voor deze instellingen te verschijnen en niet door het opstellen van een officieel verslag van de Commissie, hetgeen ten aanzien van de beperkte omvang van de proeffase een onevenredig zware inspanning zou vergen.


31.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 204/11


VERORDENING (EU) Nr. 671/2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 juli 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat de toepassing van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers voor 2013 betreft

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42, eerste alinea, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Nieuwe steunregelingen voor landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten van toepassing zijn vanaf 1 januari 2014 en komen in de plaats van de huidige regelingen. Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (4) dient de basis te blijven voor het verlenen van inkomenssteun aan landbouwers in het kalenderjaar 2013.

(2)

Bij Verordening (EG) nr. 73/2009 is een systeem van verplichte, geleidelijke verlaging van de rechtstreekse betalingen („modulatie”) ingevoerd met inbegrip van een vrijstelling van rechtstreekse betalingen tot 5 000 EUR dat tot en met het kalenderjaar 2012 moet worden toegepast. Bijgevolg zijn de totale nettobedragen van de rechtstreekse betalingen („nettomaxima”) die in een lidstaat mogen worden verleend na toepassing van de modulatie, vastgesteld tot en met het kalenderjaar 2012. Om het bedrag van de rechtstreekse betalingen in het kalenderjaar 2013 te handhaven op een vergelijkbaar niveau als in 2012, terdege rekening houdend met de geleidelijke invoering ervan in de nieuwe lidstaten in de zin van Verordening (EG) nr. 73/2009, is het aangewezen dat voor het kalenderjaar 2013 een aanpassingsmechanisme wordt ingevoerd met een gelijkwaardig effect als de modulatie en de nettomaxima. Vanwege de specifieke kenmerken van de steun in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de ultraperifere gebieden mag dat aanpassingsmechanisme niet worden toegepast op de landbouwers in die regio’s.

(3)

Met het oog op de soepele werking van de rechtstreekse betalingen door de lidstaten voor in het kalenderjaar 2013 gedane aanvragen moeten de voor het kalenderjaar 2012 vastgestelde nettomaxima voortduren voor het kalenderjaar 2013 en zo nodig aangepast, met name voor de verhogingen die voortvloeien uit de geleidelijke invoering van de rechtstreekse betalingen in de nieuwe lidstaten.

(4)

Naast de verplichte modulatie biedt Verordening (EG) nr. 378/2007 van de Raad van 27 maart 2007 houdende voorschriften voor een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers voorziet (5), de lidstaten de mogelijkheid tot en met het kalenderjaar 2012 een verlaging („vrijwillige modulatie”) toe te passen op alle bedragen van de rechtstreekse betalingen die in een bepaald kalenderjaar op hun grondgebied moeten worden toegekend. Om het bedrag van de rechtstreekse betalingen met betrekking tot de in het kalenderjaar 2013 gedane aanvragen op een vergelijkbaar niveau te houden als in 2012, moeten de lidstaten die voor het kalenderjaar 2012 gebruik hebben gemaakt van vrijwillige modulatie, de mogelijkheid behouden om de rechtstreekse betalingen voor het kalenderjaar 2013 te verlagen en de aldus gegenereerde middelen te benutten voor de financiering van programma’s voor plattelandsontwikkeling. Daarom is het aangewezen te voorzien in de mogelijkheid de bedragen voor rechtstreekse betalingen verder te verlagen via een systeem van vrijwillige aanpassing van de rechtstreekse betalingen voor het kalenderjaar 2013. Die verlaging moet een aanvulling vormen op de verplichte aanpassing van de rechtstreekse betalingen die is voorgeschreven voor het kalenderjaar 2013.

(5)

Indien een lidstaat regionaal gedifferentieerde percentages voor vrijwillige modulatie heeft toegepast met betrekking tot het kalenderjaar 2012, moet hij dat ook kunnen doen met betrekking tot het kalenderjaar 2013. Om de rechtstreekse steun aan landbouwers op het zelfde peil te kunnen houden, mag de gecombineerde toepassing van verplichte en vrijwillige aanpassing van de rechtstreekse steun in het kalenderjaar 2013 niet tot een sterkere verlaging van de rechtstreekse betalingen leiden dan de verlaging die in 2012 voortvloeide uit de combinatie van verplichte en vrijwillige modulatie. Daarom moet het maximumpercentage voor de aanpassing van de rechtstreekse betalingen voor het kalenderjaar 2013 in geen enkele regio tot een sterkere verlaging leiden door het gecombineerde effect van verplichte en vrijwillige modulatie zoals toegepast met betrekking tot het kalenderjaar 2012.

(6)

Wanneer een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de door artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 378/2007 geboden mogelijkheid, en besloten heeft het maximumpercentage voor de bijdrage uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) niet toe te passen op de nettobedragen die resulteren uit de vrijwillige modulatie in de programmeerperiode 2007-2013, moet die mogelijkheid ook openstaan voor die lidstaat voor de middelen die zijn gegenereerd door de vrijwillige aanpassing van de rechtstreekse betalingen met het oog op de continuïteit van de financiering van de overheidsuitgaven voor maatregelen voor plattelandsontwikkeling in 2014. Omwille van de consistentie, dient de voorfinancieringsregeling voor de programma’s voor plattelandsontwikkeling evenmin van toepassing te zijn op die middelen.

(7)

Overeenkomstig het mechanisme voor geleidelijke integratie waarin is voorzien in de Toetredingsakte van 2005 blijft het niveau van de rechtstreekse betalingen in Bulgarije en Roemenië onder het geldende niveau van de rechtstreekse betalingen in de andere lidstaten in 2013 na toepassing van de aanpassing van de betalingen aan landbouwers in de overgangsperiode. Het aanpassingsmechanisme mag daarom niet van toepassing zijn op landbouwers in Bulgarije en Roemenië.

(8)

Het werd de nieuwe lidstaten toegestaan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen te doen als gevolg van de geleidelijke invoering van de rechtstreekse betalingen in die lidstaten. Die mogelijkheid zal niet langer beschikbaar zijn in 2013 wanneer het tijdschema voor de geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen in de nieuwe lidstaten zal aflopen. In de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen hebben de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen een belangrijke rol gespeeld bij de inkomenssteun aan landbouwers in specifieke sectoren. Wat betreft Cyprus geldt deze opmerking ook met betrekking tot staatssteun. Daarom en teneinde te voorkomen dat zich in 2013 een plotselinge en aanzienlijke verlaging zou voordoen van de steun in de sectoren waaraan tot 2012 aanvullende nationale rechtstreekse betalingen werden toegekend, en, in het geval van Cyprus, staatssteun werd toegekend, is het aangewezen om in die lidstaten te voorzien in de mogelijkheid om, met toestemming van de Commissie, in 2013 nationale overgangssteun aan landbouwers toe te kennen. Om de steun aan landbouwers in 2013 op hetzelfde peil te kunnen houden, mogen uitsluitend de sectoren waaraan in 2012 aanvullende nationale rechtstreekse betalingen werden toegekend, en, in het geval van Cyprus, staatsteun werd toegekend, in aanmerking komen voor nationale overgangssteun en die overgangssteun moet, indien hij wordt toegekend, worden toegekend onder dezelfde voorwaarden als die welke in 2012 voor genoemde betalingen golden.

(9)

De in de artikelen 134 en 135 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde financiële overdrachten aan het Elfpo hebben betrekking op het meerjarig financieel kader voor de periode 2007-2013. De rechtstreekse betalingen door de lidstaten met betrekking tot de in het kalenderjaar 2013 gedane aanvragen zullen effect sorteren in het begrotingsjaar 2014, en vallen bijgevolg onder het volgende meerjarig financieel kader. In dat kader behelzen de voor de programmering van plattelandsontwikkeling beschikbare bedragen reeds de bedragen die overeenkomen met de financiële overdrachten bedoeld in de artikelen 134 en 135 van Verordening (EG) nr. 73/2009. Daarom moeten zulke financiële overdrachten worden afgeschaft.

(10)

Om een efficiëntere benutting van middelen te bevorderen, bood Verordening (EG) nr. 73/2009 de lidstaten de mogelijkheid steun te verlenen boven hun nationale maxima, tot een zodanig bedrag dat hij binnen de marges van onderbesteding ten opzichte van hun nationale maxima bleef. Die bedragen konden volgens die verordening worden gebruikt voor de financiering van specifieke steun, of worden overgedragen naar het Elfpo krachtens artikel 136 van Verordening (EG) nr. 73/2009. Aangezien de mogelijkheid om steun boven de nationale maxima te verlenen wordt afgeschaft wanneer het nieuwe systeem voor rechtstreekse steun in werking treedt, moet de financiële overdracht naar het Elfpo zoals bepaald in artikel 136 van Verordening (EG) nr. 73/2009 slechts blijven gelden tot 31 december 2013.

(11)

De mogelijkheid om de bedragen voortvloeiend uit de toepassing van de vrijwillige aanpassing beschikbaar te stellen als aanvullende Uniesteun in het kader van de programma’s en financiering van plattelandsontwikkeling in Elfpo-verband voor het begrotingsjaar 2014 en de verlenging van de financiële overdrachten als bepaald in artikel 136 van Verordening (EG) nr. 73/2009, mag niet afdoen aan de toekomstige aanpassing van het niveau van rechtstreekse betalingen met het oog op een billijker verdeling van de rechtstreekse steun over de lidstaten waarin is voorzien als onderdeel van het nieuwe systeem voor rechtstreekse steun.

(12)

Met het oog op de begrotingsdiscipline dient voor het begrotingsjaar 2014 het maximum voor de door het ELGF gefinancierde uitgaven te worden vastgelegd, op basis van de maximumbedragen die zijn opgenomen in de verordening tot vaststelling van het meerjarig financieel kader die door de Raad moet worden aangenomen overeenkomstig artikel 312, lid 2, van het Verdrag, en de bedragen die voortvloeien uit de vrijwillige aanpassing en uit de toepassing van artikel 136 van Verordening (EG) nr. 73/2009 voor dat begrotingsjaar.

(13)

Om te garanderen dat de door de lidstaten te verrichten rechtstreekse betalingen voor in 2013 gedane aanvragen correct worden aangepast, en dat de begrotingsdiscipline voor het kalenderjaar 2013 in acht wordt genomen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de toepasselijke regels voor de berekeningsgrondslag van de verlagingen die de lidstaten moeten toepassen met betrekking tot de landbouwers. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(14)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 konden de lidstaten besluiten om met ingang van het jaar volgend op dat besluit een bepaald percentage van hun nationale maxima te gebruiken voor specifieke steun aan hun landbouwers, alsmede om een voorgaand besluit te herzien en de genoemde steun te wijzigen of te beëindigen. Het is aangewezen te voorzien in een bijkomende mogelijkheid tot herziening van die besluiten voor het kalenderjaar 2013.

(15)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de presentatie van de bedragen die voortvloeien uit de vrijwillige aanpassing. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (6).

(16)

Met betrekking tot het vaststellen van de bedragen die voortvloeien uit de vrijwillige aanpassing, het vaststellen van het voor de uitgaven uit het ELGF beschikbare nettosaldo voor het begrotingsjaar 2014 en het toestaan van de toekenning van nationale overgangssteun, moet de Commissie worden gemachtigd om uitvoeringshandelingen vast te stellen zonder Verordening (EU) nr. 182/2011 toe te passen.

(17)

Verordening (EG) nr. 73/2009 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Onverminderd artikel 11 mogen de totale nettobedragen van de rechtstreekse betalingen die na toepassing van de artikelen 7 en 10 van de onderhavige verordening en artikel 1 van Verordening (EG) nr. 378/2007 in een bepaalde lidstaat en in een bepaald kalenderjaar vóór 2013, of na toepassing van de artikelen 10 bis en 10 ter van de onderhavige verordening in het kalenderjaar 2013, mogen worden toegekend, met uitzondering van de rechtstreekse betalingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 247/2006 en Verordening (EG) nr. 1405/2006, niet hoger liggen dan de in bijlage IV bij de onderhavige verordening vastgestelde maxima. Zo nodig passen de lidstaten een lineaire verlaging toe op de bedragen aan rechtstreekse betalingen waarvoor de verlaging bedoeld in de artikelen 7 en 10 van de onderhavige verordening en artikel 1 van Verordening (EG) nr. 378/2007 met betrekking tot een kalenderjaar vóór 2013 of in de artikelen 10 bis en 10 ter van de onderhavige verordening met betrekking tot het kalenderjaar 2013 geldt, om ervoor te zorgen dat de in bijlage IV bij de onderhavige verordening vastgestelde maxima in acht worden genomen.”;

b)

lid 2, onder d), wordt geschrapt.

2)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 10 bis

Aanpassing van de rechtstreekse betalingen in 2013

1.   Elk in het kalenderjaar 2013 aan een landbouwer toe te kennen bedrag van rechtstreekse betalingen dat 5 000 EUR overschrijdt, wordt met 10 % verlaagd.

2.   Het in lid 1 vastgestelde verlagingspercentage wordt met vier percentpunten verhoogd voor bedragen van meer dan 300 000 EUR.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op rechtstreekse betalingen aan landbouwers in Bulgarije en Roemenië, in de Franse overzeese departementen, op de Azoren en Madeira, op de Canarische Eilanden en op de eilanden in de Egeïsche Zee.

4.   In afwijking van lid 1 wordt de in dat lid bedoelde verlaging vastgesteld op 0 % voor andere nieuwe lidstaten dan Bulgarije en Roemenië.

Artikel 10 ter

Vrijwillige aanpassing van de rechtstreekse betalingen in 2013

1.   Lidstaten die artikel 1 van Verordening (EG) nr. 378/2007 hebben toegepast met betrekking tot het kalenderjaar 2012 kunnen een verlaging toepassen (hierna „vrijwillige aanpassing”) op alle bedragen van de rechtstreekse betalingen die op hun grondgebied moeten worden verstrekt met betrekking tot het kalenderjaar 2013. Vrijwillige aanpassing wordt toegepast naast de aanpassing van de rechtstreekse betalingen waarin is voorzien in artikel 10 bis van deze verordening.

De vrijwillige aanpassing kan regionaal gedifferentieerd worden, mits de lidstaat in kwestie gebruik heeft gemaakt van de optie die is voorzien in artikel 3, lid 1, onder b) van Verordening (EG) nr. 378/2007.

2.   Het maximumverlagingspercentage dat voortvloeit uit de gecombineerde toepassing van artikel 10 bis en lid 1 van dit artikel ligt niet hoger dan het verlagingspercentage dat voortvloeit uit de gecombineerde toepassing van artikel 7 van deze verordening en artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 378/2007 op de bedragen die met betrekking tot het kalenderjaar 2012 aan landbouwers in de betrokken regio’s moeten worden betaald.

3.   De bedragen die voortvloeien uit de toepassing van de vrijwillige aanpassing mogen de nettobedragen die de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 378/2007 voor het kalenderjaar 2012 heeft vastgesteld, niet overschrijden.

4.   De nettobedragen die voortvloeien uit de toepassing van de vrijwillige modulatie zijn beschikbaar in de lidstaten waar ze zijn gegenereerd in de vorm van Uniesteun in het kader van programma’s en financiering voor plattelandsontwikkeling en in Elfpo-verband.

5.   Uiterlijk op 8 oktober 2012 nemen de lidstaten een besluit over de volgende punten, en delen zij dit mee aan de Commissie:

a)

het percentage van de vrijwillige aanpassing voor het gehele grondgebied en, indien van toepassing, voor iedere regio;

b)

het totaalbedrag van de verlaging in het kader van de vrijwillige modulatie voor het gehele grondgebied en, indien van toepassing, voor iedere regio.

Artikel 10 quater

Bedragen die voortvloeien uit de vrijwillige aanpassing en uit de toepassing van artikel 136

1.   Op basis van de bedragen die de lidstaten overeenkomstig artikel 10 ter, lid 5, hebben meegedeeld, stelt de Commissie, zonder de in artikel 141, lid 2, of artikel 141 ter, lid 2, bedoelde procedure toe te passen, uitvoeringshandelingen vast met het oog op de vaststelling van de bedragen die voortvloeien uit de vrijwillige aanpassing.

2.   De overeenkomstig lid 1 vastgestelde bedragen, en de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 136 voor het begrotingsjaar 2014, worden toegevoegd aan de jaarlijkse verdeling per lidstaat van de bijdrage uit het Elfpo aan de programma’s voor plattelandsontwikkeling.

3.   De lidstaten kunnen besluiten het maximumpercentage van de bijdrage uit het Elfpo te overschrijden voor de bedragen die worden toegevoegd aan de jaarlijkse verdeling per lidstaat als bedoeld in lid 2.

Voor de bedragen die worden toegevoegd aan de jaarlijkse verdeling per lidstaat als bedoeld in lid 2, geldt niet de voorwaarde van betaling van de enkele voorfinanciering die bij de programma’s voor plattelandsontwikkeling van toepassing is.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin regels worden vastgesteld voor de wijze waarop de in lid 2 bedoelde bedragen in de financieringsplannen van de programma’s voor plattelandsontwikkeling moeten worden opgenomen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 141 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 10 quinquies

Nettomaximum ELGF

1.   Het maximum voor de uitgaven uit het ELGF met betrekking tot het begrotingsjaar 2014 wordt berekend als de maximumbedragen die voor dit Fonds zijn vastgesteld in de door de Raad overeenkomstig artikel 312, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aangenomen verordening, verminderd met de in artikel 10 quater, lid 2, van deze verordening vastgestelde bedragen.

2.   De Commissie stelt, zonder de in artikel 141, lid 2, of artikel 141 ter, lid 2, bedoelde procedure toe te passen, uitvoeringshandelingen vast waarin het nettosaldo wordt vastgesteld dat beschikbaar is voor ELGF-uitgaven met betrekking tot het begrotingsjaar 2014, op basis van de in lid 1 bedoelde gegevens.”.

3)

In artikel 11, wordt aan lid 1 de volgende alinea toegevoegd:

„In het begrotingsjaar 2014 wordt de in de eerste alinea bedoelde aanpassing bepaald met inachtneming van de in de eerste alinea bedoelde ramingen voor de financiering van de rechtstreekse betalingen en de marktuitgaven in het kader van het GLB, in de door de Raad overeenkomstig artikel 312, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vastgestelde verordening, vermeerderd met de bedragen bedoeld in artikel 10 ter van deze verordening en de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 136 daarvan op het begrotingsjaar 2014, vóór de aanpassing van de rechtstreekse betalingen waarin is voorzien in artikel 10 bis van deze verordening, maar zonder rekening te houden met de marge van 300 000 000 EUR.”.

4)

Artikel 11, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Op basis van een voorstel dat de Commissie indient uiterlijk op 31 maart van het kalenderjaar waarop de in lid 1 bedoelde aanpassingen van toepassing zijn, stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure deze aanpassingen vast uiterlijk op 30 juni van hetzelfde kalenderjaar.”.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 bis

Bevoegdheidsdelegatie

Met het oog op een optimale toepassing van de aanpassingen van de rechtstreekse betalingen in 2013 en van de financiële discipline voor het kalenderjaar 2013, is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 141 bis tot vaststelling van de grondslag voor de berekening van de verlagingen die de lidstaten vanwege de aanpassing van de betalingen in 2013 overeenkomstig artikel 10 bis en de financiële discipline overeenkomstig artikel 11 op de landbouwers moeten toepassen.”.

6)

In artikel 68, lid 8, wordt de inleidende zin vervangen door:

„8.   Lidstaten die het in artikel 69, lid 1, bedoelde besluit hebben genomen kunnen dat uiterlijk op 1 september 2012 herzien en vanaf 2013 besluiten om:”.

7)

Artikel 69, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus van 2009, 2010 of 2011 of uiterlijk op 1 september 2012 besluiten om met ingang van het jaar volgend op dat besluit tot 10 % van hun in artikel 40 bedoelde nationale maxima, of in het geval van Malta, een bedrag van 2 000 000 EUR, te gebruiken voor de in artikel 68, lid 1, bedoelde specifieke steun.”.

8)

Artikel 131, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De nieuwe lidstaten die de regeling inzake de enkele areaalbetaling toepassen, kunnen uiterlijk op 1 augustus van 2009, 2010 of 2011 of uiterlijk op 1 september 2012 besluiten om met ingang van het jaar na die beslissing tot 10 % van hun in artikel 40 bedoelde nationale maxima te gebruiken om de in artikel 68, lid 1, bedoelde steun aan landbouwers toe te kennen overeenkomstig titel III, hoofdstuk 5, naargelang het geval.”.

9)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 133 bis

Nationale overgangssteun

1.   Met uitzondering van Bulgarije en Roemenië kunnen de nieuwe lidstaten die de regeling inzake de enkele areaalbetaling toepassen, in 2013 nationale overgangssteun toekennen.

Behalve in het geval van Cyprus geeft de Commissie overeenkomstig lid 5 haar toestemming voor de toekenning van dergelijke steun.

2.   De nationale overgangssteun kan worden toegekend aan landbouwers in sectoren waarvoor overeenkomstig de artikelen 132 en 133 toestemming werd verleend voor de toekenning in 2012 van aanvullende nationale rechtstreekse betalingen of, in het geval van Cyprus, staatssteun.

3.   De voorwaarden voor de toekenning van de steun zijn identiek aan die welke zijn toegstaan voor de toekenning van betalingen overeenkomstig de artikelen 132 en 133 met betrekking tot 2012.

4.   Het totale bedrag aan steun dat kan worden toegekend aan landbouwers in de in lid 2 bedoelde sectoren, wordt beperkt tot een specifiek totaalbedrag per sector, dat gelijk is aan het verschil tussen:

a)

de totale rechtstreekse steun die kan worden toegekend aan landbouwers in de betrokken sector in 2012, inclusief alle betalingen die overeenkomstig artikel 132 zijn ontvangen; en

b)

het totale bedrag aan rechtstreekse steun dat voor dezelfde sector uit hoofde van de regeling inzake de enkele areaalbetaling in 2013 beschikbaar zou zijn.

Wat betreft Cyprus zijn de specifieke totaalbedragen per sector vermeld in bijlage XVII bis.

5.   De Commissie stelt op basis van een ingediende kennisgeving en zonder de in artikel 141, lid 2, of artikel 141 ter, lid 2, bedoelde procedure toe te passen, uitvoeringshandelingen vast waarbij toestemming voor de nationale overgangssteun wordt verleend en:

a)

het totaalbedrag per sector wordt vastgesteld;

b)

in voorkomend geval het maximumpercentage voor de nationale overgangssteun wordt vastgesteld;

c)

de voorwaarden voor de toekenning van de nationale overgangssteun worden vastgesteld; en

d)

de toepasselijke wisselkoers voor de betalingen wordt vastgesteld.

6.   De nieuwe lidstaten kunnen op basis van objectieve criteria en binnen de grenzen die overeenkomstig lid 5 door de Commissie zijn vastgesteld, beslissen welke bedragen aan nationale overgangssteun kunnen worden toegekend.”.

10)

De artikelen 134 en 135 worden geschrapt.

11)

Artikel 136 wordt geschrapt.

12)

Artikel 139 wordt vervangen door:

„Artikel 139

Staatssteun

In afwijking van artikel 180 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (*1), zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet van toepassing op betalingen die de lidstaten in het kader van de artikelen 41, 57, 64, 68, 69, 70 en 71, artikel 82, lid 2, artikel 86, artikel 98, lid 4, artikel 111, lid 5, artikel 120, artikel 129, lid 3 en de artikelen 131, 132, 133 en 133 bis van de onderhavige verordening verrichten overeenkomstig de onderhavige verordening.

(*1)  PB L 214 van 4.8.2006, blz. 7.”."

13)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 141 bis

Uitoefening van de bevoegdheisdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 11 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor de periode van 1 september 2012 tot en met 31 december 2013.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 11 bis bedoelde bevoegdheids-delegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 11 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 141 ter

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor plattelandsontwikkeling dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1698/2005. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (*2).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

(*2)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.”."

14)

Aan bijlage IV wordt de volgende kolom toegevoegd:

 

„2013

 

569

 

903

 

964,3

 

5 329,6

 

101,2

 

1 255,5

 

2 344,5

 

5 055,2

 

7 853,1

 

4 128,3

 

53,5

 

146,4

 

379,8

 

34,7

 

1 313,1

 

5,5

 

830,6

 

715,7

 

3 043,4

 

566,6

 

144,3

 

385,6

 

539,2

 

708,5

 

3 650”

15)

De volgende bijlage wordt ingevoegd:

„BIJLAGE XVII bis

NATIONALE OVERGANGSSTEUN IN CYPRUS

(in EUR)

Sector

2013

Granen (exclusief durumtarwe)

141 439

Durumtarwe

905 191

Melk en zuivelproducten

3 419 585

Rundvlees

4 608 945

Schapen en geiten

10 572 527

Varkenssector

170 788

Pluimvee en eieren

71 399

Wijn

269 250

Olijfolie

3 949 554

Tafeldruiven

66 181

Rozijnen en krenten

129 404

Verwerkte tomaten

7 341

Bananen

4 285 696

Tabak

1 027 775

Hardfruit inclusief steenvruchten

173 390

Totaal

29 798 462 ”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2013.

In afwijking van de tweede alinea:

a)

zijn de volgende bepalingen van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening:

i)

artikel 10 ter, lid 5, artikel 10 quater, leden 1 en 4, en artikel 10 quinquies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 2, van de onderhavige verordening;

ii)

artikel 133 bis, leden 5 en 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009, zoals ingevoegd bij artikel 1, punt 9, van de onderhavige verordening;

iii)

artikel 1, punten 5, 6, 7, 8 en 13 van de onderhavige verordening;

b)

zijn artikel 1, punt 1, onder b) en artikel 1, punt 11, van de onderhavige verordening van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 juli 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

A. D. MAVROYIANNIS


(1)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 116.

(2)  Advies van 4 mei 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 4 juli 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 juli 2012.

(4)  PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.

(5)  PB L 95 van 5.4.2007, blz. 1.

(6)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

31.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 204/18


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 december 2011

betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van enkele bepalingen van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds

(2012/418/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 3, artikel 91, artikel 100, artikel 192, lid 1, en de artikelen 194, 207 en 209, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 maart 2006 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te voeren over een handels- en samenwerkingsovereenkomst met de Republiek Irak.

(2)

Op 27 oktober 2009 heeft de Raad op voorstel van de Commissie zijn goedkeuring gehecht aan wijzigingen van de onderhandelingsrichtsnoeren, teneinde de status van de overeenkomst te opwaarderen middels de vervanging van de term „handels-” door „partnerschaps-” in de titel en de instelling van een samenwerkingsraad op ministerieel niveau.

(3)

De Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds („de overeenkomst”), dient te worden ondertekend. In afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting van de overeenkomst dienen bepaalde onderdelen ervan voorlopig te worden toegepast.

(4)

De bepalingen van de overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, binden het Verenigd Koninkrijk en Ierland als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Unie, tenzij de Europese Unie tezamen met het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Irak ervan in kennis heeft gesteld dat het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland gebonden zijn als deel van de Europese Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Indien het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland niet langer gebonden zijn als deel van de Europese Unie overeenkomstig artikel 4 bis van Protocol nr. 21, moeten de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk en/of Ierland Irak onmiddellijk in kennis stellen van iedere wijziging in hun positie; in dat geval blijven zij op persoonlijke titel gebonden door de bepalingen van de overeenkomst. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken dat aan die verdragen is gehecht,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De ondertekening van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, wordt namens de Unie toegestaan, onder voorbehoud van sluiting van de overeenkomst.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 3

In afwachting van de voltooiing van de procedures die noodzakelijk zijn voor de inwerkingtreding van de overeenkomst worden artikel 2 en de titels II, III en V van de overeenkomst voorlopig toegepast overeenkomstig artikel 117 van de overeenkomst en alleen voor zover het aangelegenheden betreft die binnen de bevoedgheid van de Unie vallen, met ingang van de eerste dag van de derde maand volgende op de dag waarop de Unie en Irak elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de voor de voorlopige toepassing vereiste procedures.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 21 december 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. DOWGIELEWICZ


31.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 204/20


PARTNERSCHAPS- EN SAMENWERKINGSOVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna „de lidstaten” genoemd, en

DE EUROPESE UNIE, hierna „de Unie” genoemd,

enerzijds, en

DE REPUBLIEK IRAK, hierna „Irak” genoemd,

anderzijds,

hierna gezamenlijk „de partijen” genoemd,

GELET op de banden tussen de Unie, haar lidstaten en Irak en de gemeenschappelijke waarden die zij delen,

ERKENNENDE dat de Unie, haar lidstaten en Irak die banden wensen te versterken en door een politieke dialoog ondersteunde handels- en samenwerkingsbetrekkingen tot stand wensen te brengen,

GELET op het belang dat de partijen hechten aan de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de politieke en economische vrijheden waarop het partnerschap is gegrondvest,

BEVESTIGEND dat de partijen gehecht zijn aan de democratische beginselen en de mensenrechten en fundamentele vrijheden, zoals die zijn neergelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties en andere relevante internationale mensenrechteninstrumenten,

ERKENNENDE het grote belang van duurzame en sociale ontwikkeling, waarmee economische ontwikkeling hand in hand moet gaan,

HET BELANG ERKENNEND van intensivering van de onderlinge samenwerking, alsook van hun gemeenschappelijke streven om de betrekkingen op gebieden van wederzijds belang te consolideren, te verdiepen en te diversifiëren, op basis van eerbiediging van elkaars soevereiniteit, gelijkheid, non-discriminatie, de rechtsstaat en goed bestuur, eerbiediging van het milieu en wederzijds voordeel,

DE NOODZAAK ERKENNENDE van ondersteuning van de inspanningen van Irak ter voortzetting van politieke hervormingen, economisch herstel en economische hervormingen en ter verbetering van de levensomstandigheden van arme en achtergestelde delen van de samenleving,

DE NOODZAAK ERKENNENDE van versterking van de rol van vrouwen in de politieke, civiele, sociale, economische en culturele sfeer en van bestrijding van discriminatie,

WENSENDE gunstige voorwaarden te scheppen voor een aanmerkelijke ontwikkeling en diversificatie van de handel tussen de Unie en Irak en voor versterking van de samenwerking op het gebied van economie, handel, investeringen, wetenschap, technologie en cultuur,

WENSENDE handel en investeringen te bevorderen, alsmede harmonieuze economische betrekkingen tussen de partijen op basis van de beginselen van de markteconomie,

GELET op de noodzaak gunstige voorwaarden te scheppen voor verbetering van het ondernemings- en investeringsklimaat,

ZICH BEWUST van de noodzaak de omstandigheden die van invloed zijn op bedrijfsvoering en investeringen te verbeteren, alsmede de voorwaarden op gebieden als vestiging van vennootschappen, werkgelegenheid, dienstverlening en kapitaalverkeer,

REKENING HOUDENDE met het recht van de partijen om dienstverlening op hun grondgebied aan regels te onderwerpen en de verwezenlijking van legitieme overheidsbeleidsdoelen te waarborgen,

REKENING HOUDENDE met de verbintenis van de partijen om handel te drijven overeenkomstig de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994 (hierna „WTO-overeenkomst” genoemd), en in dat verband met hun wederzijds belang bij de toetreding van Irak tot die overeenkomst,

ERKENNENDE de specifieke behoeften van ontwikkelingslanden in WTO-verband,

ERKENNENDE dat terrorisme, georganiseerde criminaliteit, het witwassen van geld en drugssmokkel ernstige bedreigingen vormen voor de internationale stabiliteit en veiligheid en de verwezenlijking van de doelstellingen van de samenwerking tussen de partijen,

GELET op het belang van bevordering en versterking van regionale samenwerking,

BEVESTIGENDE dat de bepalingen van deze overeenkomst die binnen het toepassingsgebied van het derde deel, titel V, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland binden als afzonderlijke overeenkomstsluitende partijen, en niet als deel van de Europese Unie, totdat de Europese Unie Irak meedeelt dat het Verenigd Koninkrijk of Ierland gebonden is als deel van de Europese Unie, overeenkomstig Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht. Hetzelfde geldt voor Denemarken, overeenkomstig Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Instelling van het partnerschap

1.   Er wordt een partnerschap tot stand gebracht tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Irak, anderzijds.

2.   De doelstellingen van het partnerschap zijn:

a)

een passend kader voor de politieke dialoog tussen de partijen tot stand te brengen, dat de ontwikkeling van politieke betrekkingen mogelijk maakt;

b)

handel en investeringen en harmonieuze economische betrekkingen tussen de partijen te bevorderen en aldus hun duurzame economische ontwikkeling te stimuleren, en

c)

de basis te leggen voor samenwerking op wetgevings-, economisch, sociaal, financieel en cultureel gebied.

Artikel 2

Grondslag

De eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens, zoals deze zijn vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere relevante internationale mensenrechteninstrumenten, en van het beginsel van de rechtsstaat, ligt ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van beide partijen en is een essentieel element van deze overeenkomst.

TITEL I

POLITIEKE DIALOOG EN SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN HET BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel 3

Politieke dialoog

1.   Er wordt een regelmatige politieke dialoog tussen de partijen ingesteld. Deze dialoog versterkt de betrekkingen tussen de partijen, vormt een bijdrage tot de ontwikkeling van een partnerschap en versterkt het wederzijdse begrip en de solidariteit.

2.   De politieke dialoog heeft betrekking op alle onderwerpen van gemeenschappelijk belang, in het bijzonder de vrede, het buitenlands en veiligheidsbeleid, de nationale dialoog en verzoening, de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten, goed bestuur en regionale stabiliteit en integratie.

3.   De politieke dialoog wordt jaarlijks gevoerd op het niveau van ministers en hoge ambtenaren.

Artikel 4

Bestrijding van terrorisme

De partijen bevestigen opnieuw het belang van de bestrijding van terrorisme en komen overeen conform internationale overeenkomsten, het internationale mensenrechten-, humanitaire en vluchtelingenrecht en hun eigen wet- en regelgeving samen te werken om terroristische daden te voorkomen en te bestrijden. Zij doen dit in het bijzonder:

a)

in het kader van de volledige tenuitvoerlegging van Resolutie 1373 (2001) van de VN-Veiligheidsraad en andere relevante VN-resoluties, de terrorismebestrijdingsstrategie van de VN en internationale overeenkomsten en instrumenten;

b)

door informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en de hen ondersteunende netwerken, overeenkomstig het nationale en internationale recht, en

c)

door inzichten uit te wisselen over methoden om het terrorisme te bestrijden, onder meer op technisch gebied en wat betreft opleiding, en door ervaringen uit te wisselen met betrekking tot het voorkomen van terrorisme.

De partijen blijven ernaar streven zo spoedig mogelijk tot overeenstemming te komen over het Alomvattend Verdrag betreffende internationaal terrorisme van de VN.

De partijen zijn diep bezorgd over de aanzetting tot terroristische daden en benadrukken hun verbintenis om alle noodzakelijke en passende maatregelen te nemen, overeenkomstig het internationale en het nationale recht, teneinde de dreiging van de aanzetting tot dergelijke daden te verminderen.

Artikel 5

Bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens

De partijen zijn van oordeel dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel staten als niet-statelijke actoren, een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale stabiliteit en veiligheid vormt. De partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen tot de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door volledige naleving en nationale tenuitvoerlegging van hun bestaande verplichtingen op grond van de internationale ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere internationale verplichtingen op dit gebied. De partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze overeenkomst vormt.

De partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de strijd tegen massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door:

a)

maatregelen te nemen die gericht zijn op ondertekening of bekrachtiging van of toetreding, naargelang van het geval, tot alle andere internationale instrumenten ter zake, en op de volledige tenuitvoerlegging daarvan;

b)

een effectief stelsel van nationale exportcontroles in te voeren met het oog op de beheersing van uitvoer en doorvoer van goederen die betrekking hebben op massavernietigingswapens, met inbegrip van een controle op eindgebruik als massavernietigingswapen van technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede effectieve sancties op overtreding van de exportcontroles.

De partijen stellen een regelmatige politieke dialoog in ter begeleiding en consolidatie van deze elementen.

Artikel 6

Handvuurwapens en lichte wapens

1.   De partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, alsmede de buitensporige accumulatie, slecht beheer, inadequaat beveiligde voorraden en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.

2.   De partijen komen overeen hun verplichtingen met betrekking tot de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor na te komen en volledig ten uitvoer te leggen, overeenkomstig de bestaande internationale verdragen en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad, evenals hun verbintenissen in het kader van andere internationale instrumenten op dit gebied, zoals het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten.

3.   De partijen verbinden zich ertoe samen te werken en toe te zien op coördinatie, complementariteit en synergie bij de aanpak van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, op mondiaal, regionaal, subregionaal en nationaal niveau, en komen overeen een regelmatige politieke dialoog in te stellen ter begeleiding en consolidatie van deze verbintenis.

Artikel 7

Internationaal Strafhof

1.   De partijen verklaren opnieuw dat de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap in haar geheel aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat op de vervolging ervan moet worden toegezien door maatregelen op nationaal of internationaal niveau.

2.   De partijen erkennen dat Irak nog geen partij is bij het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, maar de mogelijkheid overweegt om in de toekomst daartoe toe te treden. Irak zal dan maatregelen nemen met het oog op de toetreding tot en de bekrachtiging en tenuitvoerlegging van het Statuut van Rome en daarmee samenhangende instrumenten.

3.   De partijen verklaren opnieuw vastbesloten te zijn om op dit gebied samen te werken, onder meer door ervaringen uit te wisselen inzake de vaststelling van de wettelijke aanpassingen die overeenkomstig het internationale recht ter zake vereist zijn.

TITEL II

HANDEL EN INVESTERINGEN

AFDELING I

Handel in goederen

Hoofdstuk I

Algemene bepalingen

Artikel 8

Draagwijdte en toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de handel in goederen tussen de partijen.

Artikel 9

Douanerechten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder „douanerechten” alle soorten rechten en heffingen verstaan die worden opgelegd bij of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende heffingen of belastingen opgelegd bij of met betrekking tot deze invoer of uitvoer. Onder „douanerechten” worden niet verstaan:

a)

heffingen van gelijke werking als interne belastingen die overeenkomstig artikel 11 worden opgelegd;

b)

rechten die worden geheven overeenkomstig titel II, afdeling I, hoofdstuk II, van deze overeenkomst;

c)

rechten die worden toegepast overeenkomstig de artikelen VI, XVI en XIX van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (hierna „GATT 1994” genoemd), de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, de WTO-Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw of het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen (hierna „memorandum inzake geschillenbeslechting” genoemd);

d)

rechten of heffingen die worden opgelegd overeenkomstig de binnenlandse wetgeving van een partij en artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij.

Artikel 10

Meestbegunstigingsbehandeling

1.   De partijen verlenen elkaar een meestbegunstigingsbehandeling overeenkomstig artikel I.1 van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op:

a)

voordelen die worden toegekend met het oog op de instelling van een douane-unie of vrijhandelsgebied overeenkomstig de GATT 1994 of uit hoofde van de instelling van een dergelijke douane-unie of een dergelijk vrijhandelsgebied;

b)

voordelen die aan bepaalde landen worden toegekend overeenkomstig de GATT 1994 of andere internationale regelingen ten gunste van ontwikkelingslanden.

Artikel 11

Nationale behandeling

Elke partij kent ten aanzien van goederen van de andere partij nationale behandeling toe overeenkomstig artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij worden daartoe mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.

Artikel 12

Tariefbeleid

1.   Op producten van oorsprong uit Irak die in de Unie worden ingevoerd, is het meestbegunstigingstarief van de Unie van toepassing. De douanerechten die van toepassing zijn op producten van oorsprong uit Irak die in de Unie worden ingevoerd, mogen niet hoger zijn dan de douanerechten die van toepassing zijn op de invoer uit WTO-leden overeenkomstig artikel I van de GATT 1994.

2.   Op producten van oorsprong uit de Unie worden bij invoer in Irak geen douanerechten toegepast die meer bedragen dan de huidige wederopbouwheffing van 8 % op ingevoerde goederen.

3.   Totdat Irak tot de WTO is toegetreden, kunnen de partijen de hoogte van de douanerechten op invoer na onderling overleg wijzigen.

4.   Indien Irak na de ondertekening van deze overeenkomst op ingevoerde goederen tariefverlagingen op erga-omnesgrondslag toepast, in het bijzonder verlagingen die voortvloeien uit de tariefonderhandelingen in WTO-verband, worden de verlaagde douanerechten toegepast op de invoer uit de Unie en komen zij in de plaats van het basisrecht of de wederopbouwheffing vanaf de datum waarop de verlagingen van kracht worden.

Artikel 13

Toepassing van enkele bepalingen van de GATT 1994

De volgende artikelen van de GATT 1994 worden in deze overeenkomst opgenomen en zijn mutatis mutandis van toepassing tussen de partijen:

a)

artikel V en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij;

b)

artikel VII, leden 1, 2 en 3, lid 4, onder a), b) en d), en lid 5, en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, alsmede de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994;

c)

artikel VIII en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij;

d)

artikel IX;

e)

artikel X.

Artikel 14

Geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen

De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt overeenkomstig de tariefnomenclatuur van elk van beide partijen, uitgelegd in overeenstemming met het geharmoniseerde systeem dat is ingesteld bij het op 14 juni 1983 te Brussel ondertekende Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna „GS” genoemd).

Artikel 15

Tijdelijke invoer van goederen

De partijen verlenen elkaar ontheffing van invoerheffingen en -rechten op tijdelijk ingevoerde goederen, onverminderd de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen inzake tijdelijke invoer van goederen waardoor beide partijen gebonden zijn. De regeling tijdelijke invoer wordt toegepast met inachtneming van de voorwaarden waaronder de uit die verdragen voortvloeiende verplichtingen door de betrokken partijen zijn aanvaard.

Artikel 16

Verbod op kwantitatieve beperkingen

Vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst schaffen de Unie en Irak in hun onderlinge handelsverkeer alle beperkingen op de invoer of de uitvoer en alle maatregelen van gelijke werking af, en stellen zij geen nieuwe beperkingen in noch handhaven zij deze, overeenkomstig artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij worden daartoe mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.

Artikel 17

Uitvoerrechten

Geen van de partijen handhaaft douanerechten, belastingen of andere heffingen, of stelt deze in, op of in verband met de uitvoer van goederen naar de andere partij. Geen van de partijen handhaaft interne belastingen, vergoedingen of heffingen op de uitvoer van goederen naar de andere partij, of stelt dergelijke belastingen, vergoedingen of heffingen in, die meer bedragen dan die welke geheven worden op soortgelijke producten die voor de binnenlandse verkoop zijn bestemd.

Hoofdstuk II

Handelsmaatregelen

Artikel 18

Antidumping

1.   Niets in deze overeenkomst belet de partijen antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen overeenkomstig artikel VI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 en de WTO-Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

2.   Titel II, afdeling VI, van deze overeenkomst is niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 19

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Niets in deze overeenkomst belet de partijen maatregelen te treffen overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994 en de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

2.   Titel II, afdeling VI, van deze overeenkomst is niet van toepassing op dit artikel.

Hoofdstuk III

Uitzonderingen

Artikel 20

Algemene uitzonderingen

De bepalingen van artikel XX van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, alsmede artikel XXI van de GATT 1994, die in deze overeenkomst zijn opgenomen, zijn mutatis mutandis van toepassing tussen de partijen.

Hoofdstuk IV

Niet-tarifaire aangelegenheden

Artikel 21

Industrienormen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, technische voorschriften

1.   Verband met de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen

De bepalingen van de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, die in deze overeenkomst is opgenomen, zijn mutatis mutandis van toepassing tussen de partijen.

2.   Reikwijdte en toepassingsgebied

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de opstelling, vaststelling en toepassing van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, zoals gedefinieerd in de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen.

3.   Doelstellingen

De doelstellingen van de samenwerking tussen de partijen inzake technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures zijn als volgt:

a)

vermijden of verminderen van technische handelsbelemmeringen teneinde de handel tussen de partijen te vergemakkelijken;

b)

verbeteren van de toegang voor producten tot de markt van de andere partij door verbetering van de veiligheid, de kwaliteit en het concurrentievermogen van producten;

c)

bevorderen van het gebruik van internationale technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, met inbegrip van sectorspecifieke maatregelen, en van het benutten van de beste internationale praktijken voor het opstellen ervan;

d)

waarborgen dat bij het opstellen, vaststellen en toepassen van normen en technische voorschriften transparant te werk wordt gegaan en de handel tussen de partijen niet onnodig wordt belemmerd, een en ander overeenkomstig de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen;

e)

ontwikkelen van de infrastructuur voor technische regelgeving, normalisatie, conformiteitsbeoordeling, accreditering, metrologie en markttoezicht in Irak;

f)

ontwikkelen van functionele koppelingen tussen de instellingen voor normalisatie, conformiteitsbeoordeling en regelgeving in Irak en in de Unie;

g)

bevorderen van een doeltreffende participatie van Iraakse instellingen in internationale normalisatie-instellingen en de Commissie technische handelsbelemmeringen.

4.   Technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures

a)

De partijen zien erop toe dat technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures niet worden opgesteld, vastgesteld of toegepast met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de handel tussen de partijen ontstaan, die onder de bepalingen van de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen vallen.

b)

De partijen streven ernaar hun normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures waar mogelijk te harmoniseren.

5.   Transparantie en notificatie

a)

De in de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen opgenomen verplichtingen betreffende het delen van informatie over technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures zijn tussen de partijen van toepassing.

b)

De partijen komen overeen via contactpunten informatie uit te wisselen over zaken die mogelijk relevant zijn voor hun handelsbetrekkingen, zoals vroegtijdige waarschuwingen, wetenschappelijke adviezen en gebeurtenissen.

c)

De partijen kunnen samenwerken bij de vestiging en de handhaving van contactpunten en bij het opzetten en handhaven van gemeenschappelijke gegevensbanken.

Hoofdstuk V

Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Artikel 22

Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

1.   De partijen werken samen op het gebied van sanitaire en fytosanitaire maatregelen met het doel het handelsverkeer te vergemakkelijken en daarbij het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten te beschermen. De bepalingen van de WTO-Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, die in deze overeenkomst is opgenomen, zijn mutatis mutandis van toepassing tussen de partijen.

2.   De partijen kunnen desgevraagd uit de toepassing van specifieke sanitaire of fytosanitaire maatregelen voortvloeiende problemen vaststellen en behandelen teneinde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen.

AFDELING II

Handel in diensten en vestiging

Artikel 23

Reikwijdte

1.   Deze afdeling bevat de nodige regelingen voor de geleidelijke liberalisering van de handel in diensten en van de vestiging tussen de partijen.

2.   Deze afdeling is van toepassing op maatregelen die van invloed zijn op de handel in diensten en de vestiging in het kader van alle economische activiteiten, met uitzondering van:

a)

het winnen, vervaardigen en verwerken van nucleaire materialen;

b)

het vervaardigen van of het handelen in wapens, munitie en oorlogsmateriaal;

c)

audiovisuele en culturele diensten;

d)

onderwijsdiensten;

e)

gezondheidsdiensten en sociale diensten;

f)

nationale maritieme cabotage;

g)

luchtvervoersdiensten en ondersteunende diensten voor de luchtvaart, met uitzondering van:

i)

reparatie en onderhoud van luchtvaartuigen waarbij het luchtvaartuig buiten dienst wordt gesteld;

ii)

verkoop en marketing van luchtvervoersdiensten;

iii)

geautomatiseerde boekingssystemen;

iv)

grondafhandelingsdiensten;

v)

verhuur van luchtvaartuigen met bemanning;

vi)

exploitatie van luchthavens, en

h)

ruimtevaartdiensten.

3.   Niets in deze afdeling kan zodanig worden uitgelegd dat een verplichting wordt opgelegd met betrekking tot overheidsopdrachten.

4.   De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op door de partijen verleende subsidies.

5.   In overeenstemming met de bepalingen van de afdeling behoudt iedere partij het recht regelgeving toe te passen en nieuwe regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelen.

Artikel 24

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

„natuurlijke persoon van de Unie”: een onderdaan van een van de lidstaten van de Unie overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat; „natuurlijke persoon van Irak”: een onderdaan van Irak overeenkomstig de wetgeving van Irak;

b)

„rechtspersoon”: iedere juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, al dan niet met winstoogmerk, in eigendom van particulieren dan wel de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken en associaties;

c)

„rechtspersoon van de Unie”, respectievelijk „rechtspersoon van Irak”: een overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Unie, respectievelijk van Irak opgerichte rechtspersoon die zijn hoofdkantoor, centrale administratie of belangrijkste economische activiteit heeft op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, respectievelijk op het grondgebied van Irak; indien een rechtspersoon slechts zijn hoofdkantoor, centrale administratie of belangrijkste economische activiteit heeft op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, respectievelijk op het grondgebied van Irak, wordt die rechtspersoon niet als een rechtspersoon van de Unie, respectievelijk een rechtspersoon van Irak beschouwd, tenzij uit de activiteiten van die rechtspersoon een werkelijke en permanente band met de economie van de Unie, respectievelijk Irak blijkt;

d)

niettegenstaande punt c) is deze overeenkomst tevens van toepassing op buiten de Unie of Irak gevestigde scheepvaartmaatschappijen die onder zeggenschap staan van onderdanen van een lidstaat van de Unie of van Irak, indien de vaartuigen van deze maatschappijen overeenkomstig de respectieve wetgeving van de betrokken lidstaat van de Unie of Irak geregistreerd zijn en de vlag van een lidstaat van de Unie of van Irak voeren;

e)

„economische activiteit”: andere activiteiten dan die welke bij de uitoefening van het overheidsgezag worden uitgevoerd, dat wil zeggen niet op commerciële basis en niet in concurrentie met één of meer economische subjecten;

f)

„dochteronderneming”: een rechtspersoon die daadwerkelijk onder zeggenschap staat van een andere rechtspersoon;

g)

„filiaal” van een rechtspersoon: een handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moederonderneming, een eigen management heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding zal ontstaan met de moederonderneming waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact behoeven te hebben met deze moederonderneming, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het agentschap vormt;

h)

„dienstverlener” van een partij: een natuurlijke persoon of rechtspersoon van een partij die een dienst verleent of wenst te verlenen;

i)

„handel in diensten”: het verlenen van een dienst in de volgende vormen:

i)

vanaf het grondgebied van een partij naar het grondgebied van de andere partij;

ii)

op het grondgebied van een partij ten behoeve van een dienstafnemer van de andere partij;

iii)

door een dienstverlener van een partij via een vestiging op het grondgebied van de andere partij;

iv)

door een dienstverlener van een partij via de aanwezigheid van natuurlijke personen op het grondgebied van de andere partij;

j)

„maatregel”: elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of in enige andere vorm;

k)

„door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen”: maatregelen genomen door:

i)

centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten, en

ii)

niet-gouvernementele instanties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

l)

„dienst”: elke dienst, ongeacht in welke sector, behalve bij de uitoefening van het overheidsgezag verleende diensten;

m)

„vestiging”: elk type zakelijke of beroepsmatige vestiging door middel van:

i)

de oprichting, overname of handhaving van een rechtspersoon, of

ii)

de oprichting of handhaving van een filiaal of vertegenwoordiging

op het grondgebied van een partij met als doel een economische activiteit uit te oefenen;

n)

„investeerder” van een partij: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent of beoogt uit te oefenen door het opzetten van een vestiging;

o)

„bij de uitoefening van het overheidsgezag verleende dienst”: elke dienst die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met één of meer dienstverleners wordt verleend.

Artikel 25

1.   Vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst verleent de Unie ten aanzien van diensten en dienstverleners van Irak de behandeling die voortvloeit uit de lijst van specifieke verbintenissen van de Unie en haar lidstaten inzake nationale behandeling en markttoegang, die zij uit hoofde van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (hierna „GATS” genoemd) is aangegaan.

2.   Met inachtneming van lid 3 verleent Irak vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst ten aanzien van diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders van de Unie, zowel in de dienstensector als in andere sectoren, een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die wordt verleend aan soortgelijke diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders van Irak, of aan soortgelijke diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders van een derde land, indien laatstgenoemde gunstiger is.

3.   Irak kan de behandeling die het toekent aan diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders van de Unie wijzigen door deze behandeling aan voorwaarden en kwalificaties te onderwerpen waardoor de behandeling minder gunstig wordt dan die welke van toepassing is op de eigen diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders. Dergelijke wijzigingen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de behandeling die wordt toegekend aan diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders van de Unie mag niet minder gunstig worden dan de behandeling die Irak toekent aan diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders van enig derde land;

b)

vier maanden voor de datum waarop Irak voornemens is de voorwaarden te doen ingaan, meldt het dit voornemen aan de Commissie van de Europese Unie (hierna „de Commissie” genoemd). Op verzoek van de Commissie verstrekt Irak nadere uitleg over de redenen die aan de voorgenomen voorwaarden en kwalificaties ten grondslag liggen. De voorwaarden en kwalificaties worden geacht door de Unie te zijn aanvaard indien Irak niet binnen acht weken een bericht wordt gestuurd;

c)

op verzoek van een partij worden de voorgestelde voorwaarden en kwalificaties ter bespreking en goedkeuring aan het samenwerkingscomité voorgelegd.

4.   Onverminderd de voordelen die voortvloeien uit de behandeling die Irak aan diensten, dienstverleners, vestigingen en investeerders van de Unie toekent uit hoofde van lid 2 van dit artikel, kent Irak na toetreding tot de WTO de behandeling die uit zijn lijst van specifieke verbintenissen in het kader van de GATS voortvloeit, ook toe aan diensten en dienstverleners van de Unie.

Artikel 26

1.   De overeenkomstig deze afdeling toegekende meestbegunstigingsbehandeling is niet van toepassing op belastingvoordelen waarin de partijen voorzien of in de toekomst zullen voorzien in het kader van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing of andere fiscale regelingen.

2.   Niets in deze afdeling kan worden uitgelegd als een beletsel voor de vaststelling of tenuitvoerlegging door de partijen van maatregelen ter voorkoming van belastingvlucht op grond van de belastingvoorschriften van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing en andere fiscale regelingen of de nationale fiscale wetgeving.

3.   Niets in deze afdeling kan worden uitgelegd als een beletsel voor de lidstaten of Irak om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun fiscale wetgeving een onderscheid te maken tussen belastingplichtigen die zich niet in identieke situaties bevinden, in het bijzonder met betrekking tot hun woonplaats.

Artikel 27

Andere overeenkomsten

Niets in deze afdeling beperkt het recht van investeerders van de partijen om hun voordeel te doen met een gunstiger behandeling die geboden wordt op grond van een reeds bestaande of toekomstige internationale overeenkomst inzake investeringen waarbij een lidstaat van de Unie en Irak partij zijn.

Artikel 28

Transparantie

Elke partij beantwoordt zo spoedig mogelijk verzoeken van de andere partij om specifieke informatie over algemeen toepasselijke maatregelen of internationale overeenkomsten die op deze overeenkomst betrekking hebben of daarvoor gevolgen hebben. Elke partij richt één of meer informatiepunten op, die over al deze aangelegenheden op verzoek specifieke informatie verstrekken aan dienstverleners van de andere partij. Deze informatiepunten worden vermeld in bijlage 3. Het is niet nodig dat de informatiepunten depositaris zijn van wet- of regelgeving.

Artikel 29

Uitzonderingen

1.   Deze afdeling is van toepassing behoudens de uitzonderingen waarin dit artikel voorziet. Onverminderd de eis dat dergelijke maatregelen niet worden toegepast op een wijze die een arbitraire of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar soortgelijke omstandigheden gelden, of een verholen beperking van de handel in diensten zou inhouden, kan niets in deze afdeling worden uitgelegd als een beletsel voor het vaststellen of toepassen door een partij van maatregelen die:

a)

noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde;

b)

noodzakelijk zijn ter bescherming van het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten;

c)

noodzakelijk zijn om de naleving te waarborgen van wet- of regelgeving die niet strijdig is met deze afdeling, waaronder wet- of regelgeving die betrekking heeft op:

i)

het voorkomen van misleidende of frauduleuze praktijken of het bestrijden van de gevolgen van het niet nakomen van dienstverleningscontracten;

ii)

het beschermen van de privacy van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van de vertrouwelijkheid van individuele dossiers en rekeningen;

iii)

de veiligheid;

d)

weliswaar onverenigbaar zijn met de doelstellingen van artikel 25, maar waarbij de afwijkende behandeling erop gericht is de doeltreffende en billijke heffing of invordering van directe belastingen met betrekking tot diensten of dienstverleners van de andere partij te waarborgen;

e)

weliswaar onverenigbaar zijn met de doelstellingen van artikel 25, maar waarbij de afwijkende behandeling gericht is op voorkoming van belastingvlucht of belastingontduiking overeenkomstig de fiscale bepalingen van overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing, andere fiscale regelingen of de nationale fiscale wetgeving.

2.   Deze afdeling is niet van toepassing op de socialezekerheidsstelsels van de partijen of op activiteiten op het grondgebied van de partijen die, al dan niet incidenteel, verband houden met de uitoefening van het overheidsgezag.

3.   Deze afdeling is niet van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang zoeken tot de arbeidsmarkt van een partij, noch op maatregelen aangaande staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

4.   Niets in deze afdeling belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de binnenkomst of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen maatregelen ter bescherming van de integriteit van haar grenzen, of ter verzekering van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, maar deze maatregelen mogen niet zo worden toegepast dat de voordelen die de andere partij op grond van artikel 25 toekomen, daardoor worden uitgehold of tenietgedaan.

5.   Niets in deze titel is van toepassing op de activiteiten van een centrale bank of een monetaire autoriteit of enige andere overheidsinstantie die bevoegd is voor het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid.

6.   Niets in deze afdeling kan zodanig worden uitgelegd dat een partij, met inbegrip van haar overheidsdiensten, wordt belet op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten te verrichten of aan te bieden voor rekening, met garantie of met gebruikmaking van de financiële middelen van die partij of haar overheidsinstanties.

7.   De bepalingen van deze afdeling beletten een partij niet de maatregelen toe te passen die zij noodzakelijk acht om te voorkomen dat de door haar genomen maatregelen in verband met de toegang van derde landen tot haar markten door middel van deze overeenkomst worden ontweken.

Artikel 30

Uitzonderingen op grond van veiligheidsoverwegingen

Niets in deze afdeling mag zodanig worden uitgelegd dat:

a)

een partij verplicht wordt gegevens te verstrekken waarvan openbaarmaking naar haar oordeel tegen haar wezenlijke veiligheidsbelangen indruist, of

b)

een partij belet wordt maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:

i)

betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;

ii)

betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;

iii)

samenhangen met de vervaardiging van of de handel in wapens, munitie of oorlogsmateriaal of betrekking hebben op de handel in andere goederen en materialen;

iv)

betrekking hebben op overheidsopdrachten die onontbeerlijk zijn voor de nationale veiligheid of de nationale defensie;

v)

genomen worden ten tijde van oorlog of een andere noodsituatie in de internationale betrekkingen, of

c)

een partij belet wordt maatregelen te nemen tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid ingevolge haar verplichtingen krachtens het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 31

Geleidelijke liberalisering van de handel in diensten en de vestiging

Indien de omstandigheden, waaronder de situatie die ontstaat door de toetreding van Irak tot de WTO, het toelaten, kan de samenwerkingsraad aanbevelingen doen aan de partijen om de onderlinge handel in diensten en de vestigingsvoorwaarden geleidelijk uit te breiden en te zorgen voor volledige overeenstemming met de bepalingen van de GATS, en met name artikel V. Indien deze aanbevelingen worden aanvaard, kunnen zij ten uitvoer worden gelegd door middel van overeenkomsten tussen de partijen.

AFDELING III

Bepalingen die van invloed zijn op ondernemingen en investeringen

Artikel 32

Aanmoediging van investeringen

De partijen bevorderen wederzijds voordelige investeringen door een gunstiger klimaat voor particuliere investeringen tot stand te brengen.

Artikel 33

Contactpunten en uitwisseling van informatie

Teneinde de communicatie tussen de partijen over alle handelsaangelegenheden betreffende particuliere investeringen te vergemakkelijken, stelt elke partij een contactpunt in. Op verzoek van de andere partij geeft het contactpunt van een partij aan welke dienst of ambtenaar met het onderwerp is belast en verstrekt het de gevraagde hulp om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.

AFDELING IV

Lopende betalingen en kapitaal

Artikel 34

Doelstelling en werkingssfeer

1.   De partijen streven naar liberalisering van hun onderlinge lopende betalingen en kapitaalverkeer, overeenkomstig de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de internationale financiële instellingen.

2.   Deze afdeling is van toepassing op alle lopende betalingen en kapitaaltransacties tussen de partijen.

Artikel 35

Lopende rekening

De partijen staan alle betalingen en overboekingen tussen de partijen in vrij convertibele valuta op de lopende rekening van de betalingsbalans toe, overeenkomstig de statuten van het Internationaal Monetair Fonds.

Artikel 36

Kapitaalrekening

Vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst staan de partijen het vrije verkeer van kapitaal toe met betrekking tot directe investeringen die in overeenstemming zijn met het recht van het gastland en investeringen die in overeenstemming zijn deze overeenkomst, alsmede de liquidatie of repatriëring van dat kapitaal en van alle opbrengsten daarvan.

Artikel 37

Standstill

De partijen stellen geen nieuwe beperkingen in op het kapitaalverkeer en lopende betalingen tussen hun ingezetenen en brengen in de bestaande regelingen geen verdere restricties aan.

Artikel 38

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Wanneer in uitzonderlijke gevallen het kapitaalverkeer tussen de Unie en Irak ernstige moeilijkheden veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de werking van het wisselkoersbeleid of het monetaire beleid in de Unie of in Irak, mag de Unie respectievelijk Irak vrijwaringsmaatregelen nemen ten aanzien van het kapitaalverkeer tussen de Unie en Irak voor een periode van ten hoogste zes maanden, indien dergelijke maatregelen absoluut noodzakelijk zijn.

2.   Een partij die vrijwaringsmaatregelen neemt, verstrekt de andere partij zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van die maatregelen.

Artikel 39

Slotbepalingen

1.   Niets in deze afdeling beperkt het recht van de economische subjecten van de partijen op een gunstiger behandeling, waarin kan zijn voorzien in bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten waarbij de partijen bij deze overeenkomst partij zijn.

2.   De partijen plegen overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

AFDELING V

Handelsgerelateerde vraagstukken

Hoofdstuk I

Staatshandelsondernemingen

Artikel 40

1.   De partijen streven naar naleving van artikel XVII van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, alsmede het WTO-memorandum van overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994, die mutatis mutandis in deze overeenkomst zijn opgenomen.

2.   Indien een partij de andere partij om inlichtingen verzoekt over individuele staatshandelsondernemingen, hun activiteiten en de gevolgen daarvan voor de bilaterale handel, ziet de partij aan wie inlichtingen zijn gevraagd toe op een zo groot mogelijke transparantie, onverminderd artikel XVII, lid 4, onder d), van de GATT 1994 betreffende vertrouwelijke inlichtingen.

3.   Elke partij ziet erop toe dat alle staatshandelsondernemingen die goederen of diensten leveren, voldoen aan de verplichtingen van die partij uit hoofde van deze overeenkomst.

Hoofdstuk II

Overheidsopdrachten

Artikel 41

Inleiding

1.   De partijen erkennen de bijdrage van transparante, op concurrentie gebaseerde en open aanbestedingen aan duurzame economische ontwikkeling en stellen zich een effectieve wederzijdse geleidelijke openstelling van hun respectieve markt voor overheidsopdrachten ten doel.

2.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a)   „handelsgoederen of -diensten”: goederen of diensten die in de regel in de handel worden verkocht of te koop worden aangeboden aan, en in de regel worden aangekocht door niet-overheidskopers voor niet-overheidsdoeleinden;

b)   „constructiedienst”: een dienst die gericht is op de uitvoering, ongeacht op welke wijze, van bouwwerkzaamheden of civieltechnische werken in de zin van afdeling 51 van de voorlopige centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties (hierna „CPC” genoemd);

c)   „dag”: een kalenderdag;

d)   „elektronische veiling”: een zich herhalend proces waarbij leveranciers langs elektronische weg nieuwe prijzen opgeven, of nieuwe waarden voor kwantificeerbare, niet op de prijs betrekking hebbende en met de evaluatiecriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving, of beide, en waardoor een rangorde van de inschrijvingen tot stand komt of de rangorde wordt gewijzigd;

e)   „schriftelijk”: betreft elke informatie-eenheid die uitgedrukt is in woorden of cijfers en die kan worden gelezen, gereproduceerd en vervolgens doorgegeven. De term „schriftelijk” kan ook betrekking hebben op elektronisch doorgegeven en opgeslagen informatie;

f)   „onderhandse aanbesteding”: een procedure waarbij de aanbestedende dienst contact zoekt met een leverancier of leveranciers van zijn keuze;

g)   „maatregel”: een wet, voorschrift, procedure, administratief richtsnoer of praktijk, dan wel een handeling van een aanbestedende dienst betreffende een onder deze overeenkomst vallende overheidsopdracht;

h)   „lijst voor veelvuldig gebruik”: een lijst van leveranciers die volgens een aanbestedende dienst voldoen aan de voorwaarden om op die lijst te worden opgenomen en van wie de aanbestedende dienst meer dan eens gebruik denkt te maken;

i)   „bericht van aanbesteding”: een bekendmaking van een aanbestedende dienst waarbij belangstellende leveranciers worden uitgenodigd een verzoek om deelname in te dienen, in te schrijven of beide;

j)   „compensatie”: een voorwaarde of verbintenis die de plaatselijke ontwikkeling aanmoedigt of de betalingsbalans van een partij verbetert, bijvoorbeeld betreffende het gebruik van binnenlandse producten, het in licentie geven van technologie, investeringen, compenserende handel en vergelijkbare maatregelen of vereisten;

k)   „openbare aanbesteding”: een aanbestedingsprocedure waarbij alle belangstellende leveranciers kunnen inschrijven;

l)   „persoon”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

m)   „aanbestedende dienst”: een entiteit van een partij die onder aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst valt;

n)   „erkende leverancier”: een leverancier die door een aanbestedende dienst is erkend als leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet;

o)   „aanbesteding met voorafgaande selectie”: een aanbestedingsprocedure waarbij slechts erkende leveranciers door de aanbestedende dienst tot inschrijven worden uitgenodigd;

p)   „diensten”: alle diensten, met inbegrip van constructiediensten, tenzij anders bepaald;

q)   „norm”: een door een erkend orgaan goedgekeurd document dat bepaalde voor algemeen en herhaald gebruik bestemde regels, richtlijnen of kenmerken van producten of diensten of daarmee verband houdende processen en productiemethoden bevat, waarvan de naleving niet verplicht is. Het kan ook geheel of ten dele betrekking hebben op terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een product, dienst, proces of productiemethode;

r)   „leverancier”: een persoon of groep personen die goederen of diensten levert of kan leveren;

s)   „technische specificatie”: een vereiste in een aanbestedings procedure waarin:

i)

de kenmerken van de aan te schaffen goederen of diensten worden omschreven, zoals kwaliteit, prestaties, veiligheid en afmetingen, dan wel de processen of methoden voor productie of levering, of

ii)

terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een product of dienst, worden omschreven.

Artikel 42

Draagwijdte en toepassingsgebied

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op alle maatregelen inzake de hierna genoemde overheidsopdrachten. De onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten betreffen de aanschaf voor overheidsdoeleinden van:

a)

goederen, diensten of een combinatie daarvan:

i)

zoals aangegeven in de subbijlagen bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst; die

ii)

niet worden aangeschaft met het oog op commerciële verkoop of wederverkoop of voor gebruik bij de productie of levering van goederen of diensten voor commerciele verkoop of wederverkoop;

b)

met welke contractuele middelen dan ook, waaronder koop, lease, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie;

c)

waarvan de waarde, ten tijde van de publicatie van het bericht van aanbesteding overeenkomstig artikel 45, gelijk is aan of meer bedraagt dan de desbetreffende drempelwaarde die vermeld is in de subbijlage voor iedere partij van aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst;

d)

door een aanbestedende dienst, en

e)

die niet anderszins van de reikwijdte van dit hoofdstuk is uitgesloten.

2.   Tenzij anders bepaald, is dit hoofdstuk niet van toepassing op:

a)

de verwerving of huur van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende goederen of de rechten daarop;

b)

niet-contractuele overeenkomsten of enige vorm van bijstand die een partij verleent, met inbegrip van samenwerkingsovereenkomsten, subsidies, leningen, kapitaalinjecties, garanties en fiscale stimuleringsmaatregelen;

c)

de aanschaf of verwerving van belastingadviesdiensten of bewaardiensten, vereffenings- en managementdiensten voor gereglementeerde financiële instellingen of van diensten in verband met de verkoop, aflossing en distributie van de overheidsschuld, met inbegrip van leningen, staatsobligaties, bankbiljetten en andere effecten;

d)

arbeidsovereenkomsten voor werk bij de overheid;

e)

opdrachten die worden aanbesteed:

i)

met het specifieke doel internationale bijstand, met inbegrip van ontwikkelingshulp, te verlenen;

ii)

in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale overeenkomst betreffende de legering van strijdkrachten of betreffende de gezamenlijke uitvoering van een project door de ondertekenende landen;

iii)

in het kader van een bijzondere procedure of krachtens een bijzondere voorwaarde van een internationale organisatie, of gefinancierd door een internationale subsidie, lening of andere vorm van steun, wanneer die procedure of voorwaarde niet in overeenstemming is met dit hoofdstuk.

3.   Elke partij geeft in de haar betreffende subbijlagen bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst een definitie van en verstrekt de volgende informatie over:

a)

de entiteiten van de centrale overheid waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen, in subbijlage 1;

b)

alle overige entiteiten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen, in subbijlage 2;

c)

de diensten, andere dan constructiediensten, die onder dit hoofdstuk vallen, in subbijlage 3;

d)

de constructiediensten die onder dit hoofdstuk vallen, in subbijlage 4;

e)

eventuele algemene aantekeningen, in subbijlage 5.

4.   Indien een aanbestedende dienst, in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht, van niet in de subbijlagen voor de betrokken partij bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst genoemde personen verlangt dat zij opdrachten plaatsen met inachtneming van bijzondere voorschriften, dan is artikel 43 mutatis mutandis van toepassing op die voorschriften.

5.   Bij het schatten van de waarde van een opdracht om te bepalen of deze onder de bepalingen van dit hoofdstuk valt, mag een aanbestedende dienst die opdracht niet in afzonderlijke opdrachten verdelen of een bijzondere methode voor het schatten van de waarde van de opdracht gebruiken om deze geheel of gedeeltelijk buiten de toepassing van dit hoofdstuk te doen vallen.

6.   Niets in dit hoofdstuk mag worden uitgelegd als een beletsel voor een partij om maatregelen te nemen of informatie niet te verstrekken die zij nodig acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen met betrekking tot de aanschaf van wapens, munitie of oorlogsmateriaal of met betrekking tot aanschaffingen die onmisbaar zijn voor de nationale veiligheid of voor nationale defensiedoeleinden.

7.   Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen partijen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van het internationale handelsverkeer vormen, wordt niets in dit hoofdstuk uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of handhaven door een van de partijen van maatregelen die:

a)

noodzakelijk zijn ter bescherming van de openbare zeden, de orde en de veiligheid;

b)

noodzakelijk zijn ter bescherming van het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten;

c)

noodzakelijk zijn ter bescherming van de intellectuele eigendom, of

d)

betrekking hebben op goederen of diensten van personen met een handicap, liefdadigheidsinstellingen of het resultaat zijn van gevangenisarbeid.

Artikel 43

Algemene beginselen

1.   Ten aanzien van alle maatregelen en alle onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten behandelt elke partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, goederen en diensten van de andere partij en de leveranciers van de andere partij die die goederen of diensten aanbieden, terstond en onvoorwaardelijk niet ongunstiger dan zij, of haar aanbestedende diensten, binnenlandse goederen, diensten en leveranciers behandelt.

2.   Voor alle maatregelen betreffende de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten zien een partij en haar aanbestedende diensten erop toe:

a)

dat een plaatselijk gevestigde leverancier niet minder gunstig wordt behandeld dan een andere plaatselijk gevestigde leverancier op grond van de mate waarin het kapitaal ervan of de zeggenschap erover in buitenlandse handen is, en

b)

dat een plaatselijk gevestigde leverancier niet wordt gediscrimineerd op grond van het feit dat de goederen of diensten die door die leverancier voor een bepaalde opdracht worden aangeboden, afkomstig zijn uit de andere partij.

3.   Ten aanzien van de wetgeving, regelgeving, procedures en handelwijzen inzake overheidsopdrachten, alsmede ten aanzien van specifieke opdrachten van overheidsinstanties op alle niveaus die openstaan voor goederen, diensten en leveranciers van derde landen, verleent Irak aan goederen, diensten en leveranciers van de Unie een behandeling die niet minder gunstig is dan de behandeling die het aan goederen, diensten en leveranciers uit derde landen verleent.

4.   Wanneer een onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht wordt aanbesteed met gebruikmaking van elektronische middelen:

a)

ziet de aanbestedende dienst erop toe dat voor de aanbesteding, waaronder ook voor de authenticatie en encryptie van informatie, informatietechnologiesystemen en software worden gebruikt die algemeen beschikbaar zijn en interoperabel met andere algemeen beschikbare informatietechnologiesystemen en software, en

b)

hanteert de aanbestedende dienst mechanismen die de integriteit van verzoeken om deelneming en van inschrijvingen waarborgen en het tijdstip van ontvangst registreren en ongeoorloofde toegang voorkomen.

5.   Aanbestedende diensten zien erop toe dat onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten worden aanbesteed op transparante en onpartijdige wijze, waarbij belangenconflicten worden vermeden en corruptie wordt voorkomen en de bepalingen van dit hoofdstuk in acht worden genomen.

6.   Ten behoeve van onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten passen de partijen op uit de andere partij ingevoerde goederen of door de andere partij verleende diensten geen oorsprongsregels toe die afwijken van de oorsprongsregels die de partij op dat moment op de invoer van goederen of de verlening van diensten uit de andere partij in het normale handelsverkeer toepast.

Artikel 44

Publicatie van informatie over overheidsopdrachten

1.   Elke partij:

a)

publiceert onverwijld alle wetgeving, regelgeving, gerechtelijke uitspraken, algemene administratieve beschikkingen en standaardclausules die bij wet- of regelgeving verplicht zijn gesteld en door verwijzing zijn opgenomen in berichten van aanbesteding, aanbestedingsdossiers en procedures inzake onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten, alsmede alle wijzigingen daarvan, in officieel daartoe aangewezen elektronische of gedrukte media die op ruime schaal worden verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek;

b)

verstrekt desgevraagd een uitleg daarvan aan andere partijen;

c)

vermeldt in aanhangsel II van bijlage 1 bij deze overeenkomst de elektronische of gedrukte media waarin de partij de onder a) omschreven informatie publiceert;

d)

vermeldt in aanhangsel III van bijlage 1 bij deze overeenkomst de elektronische media waarin de partij de berichten publiceert die bedoeld worden in artikel 45, artikel 47, lid 4, en artikel 55, lid 2.

2.   Bij elke wijziging van de in aanhangsel II of III van bijlage 1 bij deze overeenkomst vermelde informatie betreffende een partij, stelt deze partij de andere partij daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 45

Publicatie van berichten

1.   Voor elke onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht publiceert de aanbestedende dienst, behalve in de omstandigheden omschreven in artikel 52, een bericht van aanbesteding in de daartoe bestemde media als vermeld in aanhangsel III van bijlage 1 bij deze overeenkomst. In elk bericht wordt de informatie opgenomen die in aanhangsel IV van bijlage 1 bij deze overeenkomst is vermeld. De berichten zijn kosteloos langs elektronische weg beschikbaar via één toegangspunt.

2.   Voor iedere voorgenomen aanbesteding publiceert de aanbestedende dienst in een van de talen van de WTO, op het zelfde tijdstip als het bericht van aanbesteding, een gemakkelijk toegankelijke samenvatting. Deze samenvatting bevat in ieder geval de volgende informatie:

a)

de inhoud van de opdracht;

b)

de termijn voor de indiening van de inschrijvingen en in voorkomend geval de termijn voor de indiening van verzoeken om deelneming aan de aanbesteding of plaatsing op de lijst voor veelvuldig gebruik;

c)

het adres waar documenten met betrekking tot de opdracht kunnen worden opgevraagd.

3.   De aanbestedende diensten worden aangemoedigd hun aanbestedingsplannen zo vroeg mogelijk in elk begrotingsjaar aan te kondigen (hierna „aankondiging van geplande aanbestedingen” genoemd). De aankondiging dient de inhoud van de opdracht en de geplande datum van publicatie van het bericht van aanbesteding te bevatten.

4.   Aanbestedende diensten die vermeld zijn in subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst kunnen de aankondiging van geplande aanbestedingen als bericht van aanbesteding gebruiken, mits de aankondiging zoveel van de in aanhangsel IV van bijlage 1 bij deze overeenkomst bedoelde informatie bevat als op dat ogenblik beschikbaar is, alsmede een verklaring dat leveranciers hun belangstelling voor de opdracht bij de aanbestedende dienst bekend kunnen maken.

Artikel 46

Voorwaarden voor deelname aan aanbestedingen

1.   Aanbestedende diensten beperken de voorwaarden voor de deelname aan een aanbesteding tot wat noodzakelijk is om te waarborgen dat de leverancier over de juridische en financiële capaciteit en de commerciële en technische vaardigheden beschikt om de desbetreffende opdracht uit te voeren.

2.   Bij de beoordeling of een leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet:

a)

evalueert de aanbestedende dienst de financiële, commerciële en technische vaardigheden van de leverancier aan de hand van diens zakelijke activiteiten op en buiten het grondgebied van de partij waartoe de aanbestedende dienst behoort;

b)

mag de aanbestedende dienst de deelname van een leverancier aan een aanbesteding niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat aan de betrokken leverancier reeds eerder één of meer opdrachten zijn gegund door een aanbestedende dienst van de betrokken partij of dat de leverancier reeds eerder werkzaamheden heeft verricht op het grondgebied van die partij, en

c)

mag de aanbestedende dienst eerdere werkervaring verlangen wanneer deze van wezenlijk belang is om aan de eisen van de opdracht te kunnen voldoen.

3.   De aanbestedende dienst baseert zich bij deze beoordeling op de voorwaarden die hij vooraf in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier heeft gespecificeerd.

4.   Een leverancier wordt door de aanbestedende dienst uitgesloten in geval van faillissement, valsheid in geschrifte, aanzienlijke tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijke eis of verplichting in het kader van een eerdere opdracht of eerdere opdrachten, veroordelingen wegens een ernstig misdrijf of andere veroordelingen wegens ernstige strafbare feiten, fouten bij de beroepsuitoefening of het niet betalen van belastingen.

Artikel 47

Erkenning van leveranciers

1.   Wanneer een aanbestedende dienst een opdracht wil aanbesteden met een voorafgaande selectie:

a)

neemt de aanbestedende dienst in het bericht van aanbesteding ten minste de in aanhangsel IV, onder de punten 1, 2, 6, 7, 10 en 11, van bijlage 1 bij deze overeenkomst vermelde informatie op en nodigt hij leveranciers uit een verzoek om deelname in te dienen, en

b)

verstrekt de aanbestedende dienst, uiterlijk bij de aanvang van de inschrijvingsperiode, de in aanhangsel IV, onder de punten 3, 4, 5, 8 en 9, van bijlage 1 bij deze overeenkomst vermelde informatie aan de erkende leveranciers die hij in kennis stelt overeenkomstig aanhangsel VI, punt 2, onder b), van bijlage 1 bij deze overeenkomst.

2.   Aanbestedende diensten erkennen alle leveranciers, zowel uit eigen land als van de andere partij, die aan de voorwaarden voor deelneming aan een specifieke aanbestedingsprocedure voldoen, tenzij de aanbestedende dienst in het bericht van aanbesteding vermeldt dat het aantal leveranciers dat tot de aanbesteding wordt toegelaten beperkt is, onder opgave van de criteria voor de selectie van dit beperkte aantal toegelaten leveranciers.

3.   Indien het aanbestedingsdossier niet vanaf de datum van publicatie van het in lid 1 bedoelde bericht van aanbesteding openbaar toegankelijk is, ziet de aanbestedende dienst erop toe dat het dossier voor alle overeenkomstig lid 2 geselecteerde erkende leveranciers op hetzelfde tijdstip beschikbaar komt.

4.   Aanbestedende diensten die vermeld zijn in subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst mogen een lijst van leveranciers voor veelvuldig gebruik bijhouden, mits zij jaarlijks een bericht publiceren waarin belangstellende leveranciers worden uitgenodigd plaatsing op de lijst aan te vragen, en dit bericht in geval van elektronische publicatie permanent beschikbaar wordt gesteld in de daartoe bestemde media als vermeld in aanhangsel III van bijlage 1 bij deze overeenkomst. In dit bericht wordt de informatie opgenomen die in aanhangsel V van bijlage 1 bij deze overeenkomst is vermeld.

5.   In afwijking van lid 4 is het toegestaan dat een aanbestedende dienst die onder subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst valt, indien hij een lijst voor veelvuldig gebruik met een geldigheidsduur van drie jaar of minder bijhoudt, slechts éénmaal, bij de aanvang van de geldigheidsduur van de lijst, het in dat lid bedoelde bericht publiceert, mits in het bericht wordt vermeld wat de geldigheidsduur is en dat tijdens die periode geen verdere berichten zullen worden gepubliceerd.

6.   Aanbestedende diensten die onder subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst vallen, staan leveranciers toe te allen tijde een aanvraag tot opname op de lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen en nemen alle erkende leveranciers binnen een redelijk korte tijd op die lijst op.

Aanbestedende diensten die onder subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst vallen, kunnen een bericht waarbij leveranciers worden uitgenodigd een aanvraag tot opname op de lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen, gebruiken als bericht van aanbesteding, mits:

a)

het bericht gepubliceerd wordt overeenkomstig lid 4 en de in aanhangsel V van bijlage 1 bij deze overeenkomst vermelde informatie en zoveel van de in aanhangsel IV van bijlage 1 bij deze overeenkomst bedoelde informatie bevat die op dat ogenblik beschikbaar is, alsmede een verklaring dat het bericht als bericht van aanbesteding geldt;

b)

de aanbestedende dienst aan leveranciers die bij hem belangstelling hebben geuit voor een bepaalde opdracht onverwijld voldoende informatie verstrekt aan de hand waarvan zij kunnen beoordelen in hoeverre de opdracht voor hen relevant is, alsmede alle overige in aanhangsel IV van bijlage 1 bij deze overeenkomst voorgeschreven informatie, voor zover die beschikbaar is.

7.   Aanbestedende diensten die onder subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst vallen, mogen leveranciers die overeenkomstig lid 6 een aanvraag tot opname op de lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend toestaan in te schrijven op een bepaalde opdracht, indien de aanbestedende dienst voldoende tijd heeft om te onderzoeken of de leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet.

8.   Aanbestedende diensten die onder subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst vallen, stellen leveranciers die een verzoek tot deelname of een aanvraag tot opname op de lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend, zo spoedig mogelijk in kennis van hun besluit inzake dat verzoek of die aanvraag.

9.   Waanneer een aanbestedende dienst die onder subbijlage 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst valt een verzoek van een leverancier om erkenning of opname op een lijst voor veelvuldig gebruik afwijst, de erkenning van een leverancier intrekt of een leverancier van een lijst voor veelvuldig gebruik schrapt, stelt de dienst de leverancier daarvan onverwijld in kennis en verstrekt hij de leverancier desgevraagd onverwijld een schriftelijke motivering van zijn besluit.

Artikel 48

Technische specificaties

1.   Aanbestedende diensten mogen geen technische specificaties op- of vaststellen of toepassen of conformiteitsbeoordelingsprocedures voorschrijven met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de internationale handel ontstaan.

2.   Bij het voorschrijven van de technische specificaties van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, zal de aanbestedende dienst in voorkomend geval:

a)

de technische specificaties specificeren aan de hand van prestatie-eisen of functionele eisen en niet aan de hand van ontwerpkenmerken of descriptieve normen, en

b)

uitgaan van internationale of Europese normen, indien deze bestaan, en anders van nationale technische voorschriften, erkende nationale normen of bouwvoorschriften.

3.   Wanneer in de technische specificaties ontwerpkenmerken of descriptieve kenmerken zijn opgenomen, geeft de aanbestedende dienst in voorkomend geval aan dat inschrijvingen voor gelijkwaardige goederen of diensten die aantoonbaar aan de voorwaarden van de opdracht voldoen eveneens in aanmerking komen, door in het aanbestedingsdossier termen als „of gelijkwaardig” op te nemen.

4.   Aanbestedende diensten schrijven geen technische specificaties voor waarin vereisten inzake of verwijzingen naar bepaalde handelsmerken of handelsnamen, octrooien, auteursrechten, designs of typen, of naar een bepaalde oorsprong, producent of leverancier zijn opgenomen, tenzij er geen andere voldoende nauwkeurige of begrijpelijke manier is om de voorwaarden van de opdracht te beschrijven, en op voorwaarde dat termen zoals „of gelijkwaardig” in het aanbestedingsdossier zijn opgenomen.

5.   Aanbestedende diensten vragen of aanvaarden van personen die een commercieel belang bij de aanbesteding kunnen hebben geen advies dat gebruikt kan worden bij de opstelling of de vaststelling van een technische specificatie voor een specifieke aanbesteding, wanneer dat advies tot gevolg kan hebben dat concurrentie wordt uitgesloten.

6.   Iedere partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, mag overeenkomstig dit artikel technische specificaties opstellen, vaststellen of toepassen met als doel het behoud van natuurlijke hulpbronnen of de bescherming van het milieu te bevorderen.

Artikel 49

Aanbestedingsdossier

1.   De aanbestedende dienst stelt leveranciers een aanbestedingsdossier ter beschikking met alle informatie die zij nodig hebben om geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen. Dit dossier bevat alle in aanhangsel VIII van bijlage 1 bij deze overeenkomst voorgeschreven gegevens, tenzij deze reeds in het bericht van aanbesteding zijn vermeld.

2.   Aanbestedende diensten verstrekken op verzoek onverwijld het aanbestedingsdossier aan elke leverancier die aan de aanbestedingsprocedure deelneemt en beantwoorden elk redelijk verzoek om relevante informatie van een leverancier die aan de aanbestedingsprocedure deelneemt, mits dergelijke informatie die leverancier niet bevoordeelt ten opzichte van zijn mededingers in de procedure voor de gunning van de opdracht.

3.   Indien een aanbestedende dienst voorafgaand aan de gunning van de opdracht de criteria of vereisten wijzigt die in het bericht van aanbesteding of het aan deelnemende leveranciers verstrekte aanbestedingsdossier zijn vermeld, geeft hij schriftelijk kennis van all wijzigingen of verstrekt hij een nieuw of gewijzigd bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier:

a)

aan alle leveranciers die op het moment dat de informatie wordt gewijzigd aan de procedure deelnemen, indien deze bekend zijn, en in alle andere gevallen op dezelfde wijze als de oorspronkelijke informatie;

b)

op een zodanig tijdstip dat de leveranciers voldoende tijd hebben om hun inschrijving te wijzigen en opnieuw in te dienen.

Artikel 50

Termijnen

De aanbestedende diensten instanties geven, overeenkomstig hun eigen redelijke behoeften, de leveranciers voldoende tijd om verzoeken tot deelname en geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals de aard en de complexiteit van de opdracht, de omvang van de verwachte onderaanneming en de tijd die nodig is voor de verzending van inschrijvingen uit het buitenland en het eigen land wanneer geen gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen. Dergelijke termijnen en eventuele verlengingen ervan moeten voor alle belangstellende of deelnemende leveranciers gelijk zijn. De toepasselijke termijnen zijn vermeld in aanhangsel VI van bijlage 1 bij deze overeenkomst.

Artikel 51

Onderhandelingen

1.   Een partij kan bepalen dat haar aanbestedende diensten onderhandelingen kunnen voeren:

a)

in het kader van aanbestedingen waarbij zij die intentie te kennen hebben gegeven, of

b)

indien bij de beoordeling blijkt dat geen van de inschrijvingen duidelijk het voordeligst is volgens de in de aankondigingen of in het aanbestedingsdossier vermelde specifieke beoordelingscriteria.

2.   Aanbestedende diensten:

a)

zien erop toe dat iedere uitsluiting van leveranciers tijdens onderhandelingen plaatsvindt in overeenstemming met de in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier vermelde beoordelingscriteria, en

b)

stellen, wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, voor alle resterende leveranciers een gelijke termijn vast voor de indiening van een nieuwe of herziene inschrijving.

Artikel 52

Onderhandse aanbesteding

Aanbestedende diensten kunnen gebruik maken van onderhandse aanbesteding en besluiten de artikelen 45, 46, 47, 49, 50, 51, 53 en 54 niet toe te passen, maar uitsluitend in de volgende omstandigheden:

a)

indien

i)

geen inschrijvingen zijn ingediend of geen leveranciers om deelname hebben verzocht;

ii)

geen inschrijvingen zijn ingediend die aan de essentiële eisen van het aanbestedingsdossier voldoen;

iii)

geen leveranciers aan de deelnamevoorwaarden voldoen, of

iv)

de ingediende aanschrijvingen onderling zijn afgestemd,

op voorwaarde dat de vereisten van het aanbestedingsdossier niet wezenlijk worden gewijzigd;

b)

indien de goederen of diensten slechts door een bepaalde leverancier kunnen worden geleverd en er geen redelijk alternatief of substituut bestaat, doordat de opdracht een kunstwerk betreft, vanwege de bescherming van octrooien, auteursrechten of andere exclusieve rechten, of vanwege de afwezigheid van concurrentie om technische redenen;

c)

voor aanvullende leveringen, door de oorspronkelijke leverancier, van goederen en diensten die niet in de oorspronkelijke opdracht waren opgenomen, indien verandering van leverancier voor de aanvullende goederen of diensten:

i)

niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, software, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn geleverd, en

ii)

tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke kostenstijgingen zou leiden voor de aanbestedende dienst;

d)

in strikt noodzakelijke gevallen, wanneer de goederen of diensten om uiterst dringende redenen, wegens gebeurtenissen die door de aanbestedende dienst niet konden worden voorzien, niet tijdig kunnen worden verkregen door middel van openbare aanbesteding of aanbesteding met voorafgaande selectie;

e)

voor goederen die op een goederenmarkt worden aangekocht;

f)

wanneer een aanbestedende dienst een prototype of een nieuw product of een nieuwe dienst aanschaft die op zijn verzoek tijdens de uitvoering van een specifieke opdracht inzake onderzoek, proefneming, studie of oorspronkelijke ontwikkeling ten behoeve van die opdracht is ontwikkeld;

g)

voor aankopen onder uitzonderlijk voordelige voorwaarden die alleen op zeer korte termijn ontstaan in het geval van ongebruikelijke verkopen, zoals bij liquidatie, curatele of faillissement, maar niet bij normale aankopen bij normale leveranciers, en

h)

in het geval van opdrachten die worden gegund aan de winnaar van een prijsvraag, mits die prijsvraag is georganiseerd op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van dit hoofdstuk, en de inzendingen worden beoordeeld door een onafhankelijke jury met het oog op de gunning van een ontwerpopdracht aan de maker van de winnende inzending.

Artikel 53

Elektronische veilingen

Wanneer een aanbestedende dienst een onder dit hoofdstuk vallende opdracht wil aanbesteden met een elektronische veiling, stelt de dienst, alvorens de elektronische veiling te openen, ieder deelnemer in kennis van:

a)

de methode voor automatische evaluatie, met inbegrip van de wiskundige formule, gebaseerd op de in het aanbestedingsdossier opgenomen evaluatiecriteria, die gebruikt wordt om automatisch de rangorde vast te stellen of te wijzigen tijdens de veiling;

b)

de resultaten van een eventuele eerste beoordeling van de onderdelen van zijn inschrijving, indien de opdracht wordt gegund aan de indiener van de voordeligste inschrijving, en

c)

alle andere relevante informatie over de uitvoering van de veiling.

Artikel 54

Behandeling van inschrijvingen en plaatsing van opdrachten

1.   De aanbestedende dienst neemt bij het ontvangen, openen en behandelen van inschrijvingen procedures in acht die garanderen dat het aanbestedingsproces eerlijk en onpartijdig verloopt en de inschrijvingen vertrouwelijk worden behandeld.

2.   Indien een inschrijving door de aanbestedende dienst pas na het verstrijken van de vastgestelde termijn wordt ontvangen, mag de betrokken leverancier daarvan geen nadelige gevolgen ondervinden indien de vertraging uitsluitend te wijten is aan onjuiste afhandeling door de aanbestedende dienst.

3.   Indien de aanbestedende dienst een leverancier de gelegenheid biedt om tussen de opening van de offertes en de gunning van de opdracht onbedoelde vormfouten te corrigeren, biedt de aanbestedende dienst alle deelnemende leveranciers daartoe de gelegenheid.

4.   Om voor gunning in aanmerking te komen, moet een inschrijving schriftelijk worden ingediend, bij de opening voldoen aan de essentiële vereisten die in de berichten betreffende de aanbesteding en het aanbestedingsdossier zijn opgenomen, en afkomstig zijn van een leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet.

5.   Tenzij de aanbestedende dienst besluit dat het niet in het algemeen belang is de opdracht te plaatsen, gunt hij de opdracht aan de leverancier die volgens de bevindingen van de aanbestedende dienst in staat is de voorwaarden van de opdracht te vervullen en van wie de inschrijving, beoordeeld aan de hand van alleen de evaluatiecriteria in de berichten betreffende de aanbesteding of in het aanbestedingsdossier de voordeligste is, ofwel, wanneer de prijs het enige criterium is, de laagste prijs biedt.

6.   Wanneer een instantie een inschrijving ontvangt met een prijs die in verhouding tot de andere inschrijvingen offertes abnormaal laag is, kan zij inlichtingen inwinnen bij de inschrijver om zich ervan te vergewissen dat deze aan de deelnemingsvoorwaarden kan voldoen en in staat is de opdracht volgens de gestelde voorwaarden tot een goed einde te brengen.

7.   Een aanbestedende dienst mag geen gebruik maken van opties, een aanbesteding annuleren of gegunde opdrachten wijzigen op een wijze die in strijd is met zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst.

Artikel 55

Transparantie op het gebied van overheidsopdrachten

1.   Aanbestedende diensten stellen de deelnemende leveranciers onverwijld in kennis van besluiten aangaande de plaatsing van een opdracht en doen dat desgevraagd schriftelijk. Met inachtneming van artikel 56, leden 2 en 3, stelt de aanbestedende dienst een afgewezen leverancier op diens verzoek in kennis van de redenen voor de afwijzing van zijn inschrijving en van de relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen leverancier.

2.   Uiterlijk 72 dagen na de gunning van een opdracht die onder dit hoofdstuk valt, publiceert de aanbestedende dienst een bericht in het passende gedrukte of elektronische medium als vermeld in aanhangsel III. Wanneer alleen gebruik wordt gemaakt van een elektronisch medium, dient de informatie gedurende een redelijke termijn gemakkelijk toegankelijk te blijven. In het bericht wordt in ieder geval de informatie opgenomen die in aanhangsel VII van bijlage 1 bij deze overeenkomst is vermeld.

Artikel 56

Bekendmaking van informatie

1.   Indien de andere partij daarom verzoekt, verstrekt een partij onverwijld alle informatie die nodig is om te bepalen of de aanbesteding eerlijk, onpartijdig en overeenkomstig dit hoofdstuk is verlopen, met inbegrip van informatie over de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen leverancier. Wanneer het bekendmaken van dergelijke informatie de mededinging bij latere aanbestedingen zou verstoren, wordt deze informatie door de partij die haar ontvangt pas vrijgegeven na overleg met en instemming van de partij die de informatie heeft verstrekt.

2.   Behoudens andere bepalingen van dit hoofdstuk verstrekt een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, geen informatie aan leveranciers die afbreuk zou kunnen doen aan de concurrentie tussen leveranciers.

3.   Niets in dit hoofdstuk mag zodanig worden uitgelegd dat een partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, autoriteiten en toetsingsinstanties, verplicht wordt vertrouwelijke informatie openbaar te maken waarvan de openbaarmaking de rechtshandhaving zou bemoeilijken, de eerlijke concurrentie tussen leveranciers zou kunnen schaden, de legitieme handelsbelangen van bepaalde personen, met inbegrip van de bescherming van de intellectuele eigendom, zou schaden, of anderszins in strijd zou zijn met het algemeen belang.

Artikel 57

Binnenlandse toetsingsprocedures

1.   Elke partij voorziet in een snelle, doeltreffende, transparante en niet-discriminerende procedure voor bestuurlijke of rechterlijke toetsing, waarmee een leverancier beroep kan instellen tegen:

a)

een inbreuk op dit hoofdstuk, of

b)

indien de leverancier overeenkomstig het binnenlandse recht van de partij niet rechtstreeks beroep kan instellen tegen een inbreuk op het hoofdstuk, tegen niet-nakoming van de maatregelen die een partij tot uitvoering van dit hoofdstuk heeft ingesteld,

die zich voordoet in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende aanbesteding waarbij de leverancier belang heeft of heeft gehad. De procedurele regels voor alle beroepsprocedures worden op schrift gesteld en openbaar gemaakt.

2.   Indien een leverancier in het kader van een aanbestedingsprocedure waarbij hij een belang heeft of heeft gehad een klacht indient wegens inbreuk of niet-naleving als bedoeld in lid 1, moedigt de betrokken partij haar aanbestedende dienst en de leverancier aan het geschil door overleg te beslechten. De aanbestedende dienst neemt dergelijke klachten tijdig en onbevooroordeeld in beraad op een wijze die geen afbreuk doet aan de deelname van de leverancier aan lopende of toekomstige aanbestedingen of aan diens recht om door middel van de procedure voor bestuurlijke of rechterlijke toetsing te verkrijgen dat de inbreuk ongedaan wordt gemaakt.

3.   Iedere leverancier krijgt voldoende tijd om een beroep voor te bereiden en in te dienen; deze termijn is ten minste tien dagen vanaf het tijdstip waarop de grond voor het beroep voor de leverancier bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had kunnen worden.

4.   Door elke partij wordt ten minste één onpartijdige en van de aanbestedende diensten onafhankelijke bestuurlijke of rechterlijke autoriteit ingesteld of aangewezen om een beroep door een leverancier in het kader van een aanbesteding waarop dit hoofdstuk van toepassing is, te ontvangen en te beoordelen.

5.   Indien een beroep in eerste aanleg wordt beoordeeld door een andere instantie dan een van de in lid 4 bedoelde autoriteiten, ziet de partij erop toe dat de leverancier tegen de oorspronkelijke beslissing beroep kan instellen bij een onpartijdige bestuurlijke of rechterlijke instantie die onafhankelijk is van de aanbestedende dienst die de aanbesteding heeft uitgeschreven waarop het beroep betrekking heeft. Indien het een niet-rechterlijke beroepsinstantie betreft, moet hoger beroep bij een rechterlijke instantie mogelijk zijn of moeten de regels inzake procesvoering bepalen dat:

a)

de aanbestedende dienst schriftelijk op het beroep reageert en alle relevante documenten aan de beroepsinstantie ter beschikking stelt;

b)

de partijen bij de procedure het recht hebben te worden gehoord alvorens de beroepsinstantie een beslissing neemt over het beroep;

c)

de partijen bij de procedure het recht hebben zich te laten vertegenwoordigen en vergezellen;

d)

de partijen bij de procedure toegang hebben tot alle zittingen in het kader van de procedure;

e)

de partijen het recht hebben te verzoeken dat de procedure in het openbaar plaatsvindt en dat getuigen deze mogen bijwonen, en

f)

beslissingen of aanbevelingen betreffende door een leverancier ingesteld beroep tijdig schriftelijk worden uitgevaardigd en gevallen voorzien zijn van een motivering.

6.   Elke partij stelt procedures in, of handhaaft deze, die voorzien in:

a)

snelle voorlopige maatregelen die de mogelijkheid van de leverancier om aan de aanbesteding deel te nemen in stand houden. Dergelijke voorlopige maatregelen kunnen aanleiding geven tot opschorting van de aanbestedingsprocedure. Er kan worden bepaald dat bij het nemen van de beslissing over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met doorslaggevende negatieve gevolgen voor de belangen die op het spel staan, waaronder het algemeen belang. De redenen van het besluit om geen maatregelen te nemen, worden schriftelijk bekendgemaakt, en

b)

corrigerende maatregelen of compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade, indien de beroepsinstantie heeft bepaald dat een inbreuk of niet-naleving als bedoeld in lid 1 heeft plaatsgevonden; deze corrigerende maatregelen of compensatie kunnen beperkt blijven tot de voor het opstellen van de inschrijving en/of het indienen van de klacht gemaakte kosten.

Artikel 58

Verdere onderhandelingen

1.   De partijen toetsen jaarlijks de doeltreffende werking van dit hoofdstuk en de wederzijdse openstelling van de markt voor overheidsopdrachten. Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst openen de partijen onderhandelingen over uitbreiding van de lijst(en) van onder deze aanbestedingsregels vallende diensten in de subbijlagen 1 en 2 bij aanhangsel I van bijlage 1 bij deze overeenkomst.

2.   In de context van de onderhandelingen over de toetreding van Irak tot de WTO zal Irak zijn verbintenis erkennen om toe te treden tot de multilaterale overeenkomst inzake overheidsopdrachten.

Artikel 59

Asymmetrische regeling en overgangsmaatregelen

Gelet op de behoeften inzake ontwikkeling, financiën en handel komt Irak in aanmerking voor de volgende overgangsmaatregel: Irak mag een tijdelijk prijspreferentieprogramma instellen dat voorziet in een prijsverschil van 5 % voor goederen en diensten en van 10 % voor werken, dat van toepassing is op leveringen en diensten van leveranciers die volledig in Iraakse handen zijn.

Dit prijspreferentieprogramma wordt binnen tien jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst gefaseerd afgeschaft.

Hoofdstuk III

Bescherming van intellectuele eigendom

Artikel 60

Aard en toepassingsgebied van de verbintenissen

1.   Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel en in bijlage 2 bij deze overeenkomst stelt Irak binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst wetgeving vast ter waarborging van een adequate en effectieve bescherming van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten overeenkomstig de strengste internationale normen, waaronder de voorschriften die zijn vastgesteld bij de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom in bijlage 1C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna „TRIPs-overeenkomst” genoemd), alsmede effectieve middelen om deze rechten te doen gelden.

2.   Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treedt Irak toe tot de in punt 2 van bijlage 2 bij deze overeenkomst bedoelde multilaterale overeenkomsten inzake intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten waarbij de lidstaten partij zijn of die de facto door de lidstaten worden toegepast overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van die overeenkomsten.

3.   Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voldoet Irak aan de in punt 3 van bijlage 2 bij deze overeenkomst bedoelde multilaterale overeenkomsten inzake intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten waarbij één of meer lidstaten partij zijn of die de facto door één of meer lidstaten worden toegepast overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van die overeenkomsten.

4.   De tenuitvoerlegging van dit artikel en van bijlage 2 bij deze overeenkomst wordt door de partijen regelmatig getoetst. Bij het opstellen van de wetgeving of indien zich problemen voordoen op het gebied van intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten die het handelsverkeer beïnvloeden, wordt op verzoek van een partij spoedoverleg gevoerd, teneinde tot wederzijds bevredigende oplossingen te komen. Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst openen de partijen onderhandelingen over nadere bepalingen inzake intellectuele-eigendomsrechten.

5.   Elke partij kent aan onderdanen van de andere partij een behandeling toe die niet minder gunstig is dan de behandeling die zij toekent aan haar eigen onderdanen met betrekking tot de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, onder voorbehoud van de uitzonderingen die reeds bepaald zijn in de internationale instrumenten die in bijlage 2 bij deze overeenkomst zijn opgenomen of van tijd tot tijd kunnen worden opgenomen, vanaf het moment dat zij door de betrokken partij zijn bekrachtigd.

6.   Ten aanzien van de erkenning en bescherming van intellectuele, industriële en commerciële eigendom kent Irak vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst aan vennootschappen en onderdanen van de Unie een behandeling toe die niet minder gunstig is dan de behandeling die Irak op grond van bilaterale overeenkomsten aan derde landen toekent.

AFDELING VI

Beslechting van geschillen

Hoofdstuk I

Doel en toepassingsgebied

Artikel 61

Doel

Het doel van deze afdeling is geschillen tussen de partijen te vermijden en te beslechten teneinde waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 62

Toepassingsgebied

Deze afdeling is van toepassing op alle geschillen betreffende de interpretatie en toepassing van de bepalingen van titel II van deze overeenkomst, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Hoofdstuk II

Overleg

Artikel 63

Overleg

1.   De partijen streven ernaar elk geschil over de interpretatie en toepassing van de in artikel 62 bedoelde bepalingen op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een snelle en billijke onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.   Wanneer een partij de andere partij om overleg verzoekt, doet zij dat schriftelijk en geeft zij daarbij aan om welke maatregel het gaat en welke van de in artikel 62 bedoelde bepalingen zij van toepassing acht. Een afschrift van het verzoek wordt aan het samenwerkingscomité overgemaakt.

3.   Het overleg wordt binnen 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waartegen de klacht gericht is. Dertig dagen na de datum van indiening van het verzoek wordt het overleg geacht te zijn afgesloten, tenzij beide partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

4.   Overleg over urgente kwesties, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen vijftien dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt vijftien dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

5.   Indien het overleg niet binnen de in lid 3 respectievelijk lid 4 genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing kon worden bereikt, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel overeenkomstig artikel 64.

Hoofdstuk III

Procedures voor de beslechting van geschillen

Artikel 64

Inleiding van de arbitrageprocedure

1.   Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 63 bedoelde overleg op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

2.   Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de partij waartegen de klacht gericht is en bij het samenwerkingscomité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek welke specifieke maatregel in het geding is en legt uit, op zodanige wijze dat de rechtsgrond van de klacht duidelijk is, waarom die maatregel een inbreuk op de in artikel 62 bedoelde bepalingen is.

Artikel 65

Instelling van het arbitragepanel

1.   Een arbitragepanel bestaat uit drie scheidsrechters.

2.   Binnen tien dagen na de datum van indiening van het verzoek aan het samenwerkingscomité tot instelling van een arbitragepanel voeren de partijen overleg over de samenstelling van het panel.

3.   Wanneer de partijen binnen de in lid 2 genoemde termijn geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel bereiken, kan elk van de partijen de voorzitter van het samenwerkingscomité of diens afgevaardigde verzoeken de drie panelleden door loting aan te wijzen uit de in artikel 78 bedoelde lijst, te weten één lid uit de personen die zijn aangewezen door de klagende partij, één lid uit de personen die zijn aangewezen door de partij waartegen de klacht gericht is en één lid uit de personen die door de partijen zijn aangewezen om als voorzitter te fungeren. Wanneer de partijen het over één of meer leden van het arbitragepanel eens zijn, worden de overige leden volgens dezelfde procedure geselecteerd uit de toepasselijke lijst van mogelijke panelleden.

4.   De voorzitter van het samenwerkingscomité of diens afgevaardigde wijst de scheidsrechters aan in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elk van de partijen, binnen vijf dagen na het in lid 3 bedoelde verzoek.

5.   De datum van instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de drie scheidsrechters worden aangewezen.

6.   Indien één of meer van de in artikel 78 bedoelde lijsten niet beschikbaar zijn wanneer een verzoek als bedoeld in lid 3 wordt ingediend, worden de drie scheidsrechters door loting aangewezen uit de personen die door een van de partijen of door beide partijen formeel zijn voorgesteld.

Artikel 66

Tussentijds panelverslag

Het arbitragepanel legt binnen 90 dagen na zijn instelling een tussentijds verslag aan de partijen voor, waarin de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasbaarheid van de desbetreffende bepalingen, alsmede de beweegredenen die aan de eventuele conclusies en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen, worden vermeld. Elke partij kan binnen vijftien dagen nadat zij van het tussentijds verslag in kennis is gesteld het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het verslag te heroverwegen. De bevindingen van het eindverslag van het arbitragepanel bevatten een toereikende motivering van de redenering die in het tussentijds verslag is opgenomen en een duidelijk antwoord op de vragen en opmerkingen van beide partijen.

Artikel 67

Uitspraak van het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 120 dagen na zijn instelling aan de partijen en aan het samenwerkingscomité bekend. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het samenwerkingscomité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn werk denkt te kunnen voltooien. In geen geval mag de uitspraak later dan 150 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden bekendgemaakt.

2.   In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het arbitragepanel alles in het werk om zijn uitspraak bekend te maken binnen zestig dagen na de datum waarop het is ingesteld. De maximumtermijn is in geen geval langer dan 75 dagen na de instelling van het panel. Het arbitragepanel kan binnen tien dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het een zaak dringend acht.

Artikel 68

Naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

Elke partij neemt de nodige maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel te goeder trouw na te leven en beide partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen zij de uitspraak zullen naleven.

Artikel 69

Redelijke termijn voor naleving

1.   Uiterlijk dertig dagen na de bekendmaking van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen stelt de partij waartegen de klacht gericht is, de klagende partij en het samenwerkingscomité in kennis van de tijd die nodig zal zijn voor naleving (hierna „redelijke termijn” genoemd) indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is.

2.   Indien de partijen het niet eens zijn over een redelijke termijn voor de naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, richt de klagende partij, binnen twintig dagen na de in lid 1 bedoelde kennisgeving door de partij waartegen de klacht gericht is, een schriftelijk verzoek aan het oorspronkelijke arbitragepanel om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de andere partij en aan het samenwerkingscomité medegedeeld. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen twintig dagen na de indiening van het verzoek bekend aan de partijen en aan het samenwerkingscomité.

3.   Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of één of meer van de leden ervan, niet opnieuw bijeen kan komen, is de procedure van artikel 65 van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 35 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

4.   De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.

Artikel 70

Toetsing van de maatregelen die zijn getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het samenwerkingscomité voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.

2.   Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over het bestaan van een maatregel of over de vraag of een maatregel waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven in overeenstemming is met de in artikel 62 bedoelde bepalingen, kan de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet in overeenstemming is met de in artikel 62 bedoelde bepalingen. Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen vijfenveertig dagen na de datum van indiening van het verzoek mede.

3.   Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of één of meer van de leden ervan, niet opnieuw bijeen kan komen, is de procedure van artikel 65 van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Artikel 71

Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

1.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennis geeft van de maatregelen die zijn getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 70, lid 1, kennis is gegeven, niet in overeenstemming is met de verplichtingen van de partij uit hoofde van de in artikel 62 bedoelde bepalingen, doet de partij waartegen de klacht gericht is, de klagende partij desgevraagd een aanbod voor tijdelijke compensatie.

2.   Indien de partijen geen overeenstemming over compensatie bereiken binnen dertig dagen na het eind van de redelijke termijn of na de in artikel 70 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel dat een maatregel om aan de uitspraak te voldoen niet in overeenstemming is met de bepalingen bedoeld in artikel 62, is de klagende partij gerechtigd om, na de partij waartegen de klacht gericht is en het samenwerkingscomité hiervan in kennis te hebben gesteld, de verplichtingen uit hoofde van de in artikel 62 bedoelde bepalingen op te schorten in een mate die gelijkwaardig is aan de mate waarin de schending de voordelen voor de klagende partij tenietdoet of beperkt. De klagende partij kan de opschorting tien dagen na de datum van kennisgeving laten ingaan, tenzij de partij waartegen de klacht gericht is overeenkomstig lid 3 om arbitrage heeft verzocht.

3.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is van oordeel is dat de mate van opschorting niet gelijkwaardig is aan de mate waarin de schending de voordelen voor de andere partij tenietdoet of beperkt, kan zij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt voor het verstrijken van de in lid 2 bedoelde periode van tien dagen medegedeeld aan de klagende partij en aan het samenwerkingscomité. Het oorspronkelijke arbitragepanel maakt zijn uitspraak over de mate van opschorting van verplichtingen bekend aan de partijen en het samenwerkingscomité binnen dertig dagen na indiening van het verzoek. De verplichtingen worden niet opgeschort totdat het oorspronkelijke arbitragepanel zijn uitspraak heeft bekendgemaakt en de eventuele opschorting dient in overeenstemming te zijn met de uitspraak van het arbitragepanel.

4.   Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of één of meer van de leden ervan, niet opnieuw bijeen kan komen, is de procedure van artikel 65 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 45 dagen na de datum van indiening van het in lid 3 bedoelde verzoek.

5.   De opschorting van verplichtingen is van tijdelijke aard en wordt slechts toegepast totdat de maatregel waarvan is vastgesteld dat deze niet in overeenstemming is met de in artikel 62 bedoelde bepalingen, is ingetrokken of gewijzigd en overeenkomstig artikel 72 met die bepalingen in overeenstemming is gebracht, of totdat de partijen zijn overeengekomen hun geschil bij te leggen.

Artikel 72

Toetsing van nalevingsmaatregelen getroffen na de opschorting van verplichtingen

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het samenwerkingscomité in kennis van elke maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, alsmede van haar verzoek om beëindiging van de opschorting van de verplichtingen door de klagende partij.

2.   Indien de partijen niet binnen dertig dagen na de kennisgeving overeenstemming bereiken over de verenigbaarheid van de maatregel waarvan is kennisgegeven met de in artikel 62 bedoelde bepalingen, verzoekt de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd gericht tot de partij waartegen de klacht gericht is en tot het samenwerkingscomité. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek aan de partijen en aan het samenwerkingscomité bekend. Indien het arbitragepanel oordeelt dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming is met de in artikel 62 bedoelde bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen beëindigd.

3.   Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of één of meer van de leden ervan, niet opnieuw bijeen kan komen, is de procedure van artikel 65 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Artikel 73

Onderling overeengekomen oplossing

De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder dit hoofdstuk vallend geschil overeenkomen. Zij stellen het samenwerkingscomité en het arbitragepanel van die oplossing in kennis. Na kennisgeving van de onderling overeengekomen oplossing beëindigt het panel zijn werkzaamheden en is de procedure beëindigd.

Artikel 74

Reglement van orde

1.   Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van deze afdeling zijn het reglement van orde en de gedragscode van toepassing die door de samenwerkingsraad worden vastgesteld.

2.   De partijen kunnen besluiten het reglement van orde en de gedragscode te wijzigen.

3.   De hoorzittingen van het arbitragepanel staan, in overeenstemming met het reglement van orde, open voor het publiek.

Artikel 75

Informatie en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, alle informatie inwinnen die het voor zijn werkzaamheden nuttig acht. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Alle op deze manier verkregen informatie moet aan beide partijen worden medegedeeld en voor commentaar aan hen worden voorgelegd. Belanghebbende natuurlijke personen of rechtspersonen die op het grondgebied van de partijen zijn gevestigd, kunnen overeenkomstig het reglement van orde als amicus curiae opmerkingen bij het arbitragepanel indienen.

Artikel 76

Interpretatieregels

Arbitragepanels leggen de in artikel 62 bedoelde bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zijn neergelegd. Uitspraken van een arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van de in artikel 62 bedoelde bepalingen niet verruimen of beperken.

Artikel 77

Beslissingen en uitspraken van het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elke beslissing bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een beslissing te komen, wordt over de zaak die aan de orde is een beslissing bij meerderheid van stemmen genomen. Afwijkende meningen van scheidsrechters worden echter niet bekendgemaakt.

2.   De uitspraken van het arbitragepanel zijn bindend voor de partijen en scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke personen of rechtspersonen. De uitspraak vermeldt de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasbaarheid van de desbetreffende bepalingen van de overeenkomst en de beweegredenen die aan de conclusies en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen. Het samenwerkingscomité maakt de volledige uitspraak van het arbitragepanel openbaar, tenzij het besluit dat niet te doen om de geheimhouding van vertrouwelijke zakelijke informatie te waarborgen.

Hoofdstuk IV

Algemene bepalingen

Artikel 78

Lijst van scheidsrechters

1.   Het samenwerkingscomité stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkintreding van deze overeenkomst een lijst op van vijftien personen die bereid en in staat zijn om als scheidsrechter op te treden. Elk van beide partijen draagt vijf personen voor die als scheidsrechter kunnen optreden. De partijen kiezen in onderling overleg bovendien vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en die als voorzitter van het arbitragepanel kunnen fungeren. Het samenwerkingscomité ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan.

2.   De scheidsrechters beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en houden zich aan de gedragscode.

Artikel 79

Relatie tot WTO-verplichtingen

1.   Totdat Irak tot de Wereldhandelsorganisatie toetreedt, passen de arbitragepanels bij hun beslissingen over beweerde schending van een van de in artikel 62 bedoelde bepalingen waarin een bepaling in het kader van de WTO-overeenkomst is opgenomen of die daarnaar verwijst, een interpretatie toe die volledig in overeenstemming is met de relevante besluiten van het Orgaan voor geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie.

2.   Vanaf de toetreding van Irak tot de WTO zijn de leden 3 tot en met 6 van toepassing:

3.   Een beroep op de bepalingen in deze afdeling over de beslechting van geschillen doet geen afbreuk aan enige rechtsvordering in het kader van de WTO, met inbegrip van die tot beslechting van een geschil.

4.   Wanneer echter een partij in verband met een specifieke maatregel een procedure voor de beslechting van een geschil heeft ingeleid, hetzij krachtens artikel 64, lid 1, van deze overeenkomst, hetzij krachtens de WTO-overeenkomst, kan deze partij in verband met dezelfde maatregel geen procedure voor geschillenbeslechting in het andere forum inleiden totdat de eerste procedure is afgesloten. Bovendien mag een partij in verband met een inbreuk op een identieke verplichting uit hoofde van deze overeenkomst en uit hoofde van de WTO-overeenkomst niet in beide fora een procedure inleiden. In dat geval mag de partij, zodra een procedure voor geschillenbeslechting is ingeleid, geen procedure ten aanzien van de identieke verplichting uit hoofde van de andere overeenkomst meer inleiden in het andere forum, tenzij het gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak doet.

5.   Voor de toepassing van lid 4:

a)

worden procedures voor de geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 6 van het memorandum inzake geschillenbeslechting een verzoek tot instelling van een panel indient en worden zij geacht te zijn beëindigd wanneer het Orgaan voor geschillenbeslechting overeenkomstig artikel 16 en artikel 17, lid 14, van het memorandum inzake geschillenbeslechting het verslag van het panel en in voorkomend geval het verslag van de Beroepsinstantie goedkeurt;

b)

worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens deze afdeling geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 64, lid 1, een verzoek tot instelling van een panel indient en worden zij geacht te zijn beëindigd wanneer het arbitragepanel overeenkomstig artikel 67 zijn uitspraak bekendmaakt aan de partijen en het samenwerkingscomité.

6.   Niets in deze afdeling belet een partij een schorsing van verplichtingen ten uitvoer te leggen, die is toegestaan door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO. Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten verplichtingen uit hoofde van titel II van deze overeenkomst op te schorten.

Artikel 80

Termijnen

1.   Alle in deze afdeling vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels hun uitspraken moeten bekendmaken, worden gerekend in kalenderdagen, waarbij de eerste dag de dag is volgende op die waarop het desbetreffende besluit werd genomen of het desbetreffende feit plaatsvond.

2.   Alle in deze afdeling bedoelde termijnen kunnen in onderling overleg tussen de partijen worden verlengd.

TITEL III

SAMENWERKINGSGEBIEDEN

Artikel 81

Financiële en technische bijstand

1.   Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst komt Irak in aanmerking voor financiele en technische bijstand van de Unie in de vorm subsidies teneinde de economische en politieke omvorming van Irak te versnellen.

2.   De bijstand wordt geleverd in het kader van de ontwikkelingssamenwerking van de Unie, zoals die is vastgesteld bij de desbetreffende verordeningen van het Europees Parlement en de Raad. De doelstellingen en gebieden van de bijstand van de Unie worden vastgelegd in een indicatief programma dat in overeenstemming is met de door de twee partijen overeen te komen prioriteiten, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsbehoeften en -strategieën en de sectorale absorptiecapaciteit van Irak en de voortgang van de hervormingen in Irak.

3.   De partijen zien erop toe dat de bijdragen van de Unie op het gebied van technische bijstand geleverd worden in nauwe coördinatie met de bijdragen uit andere bronnen. De ontwikkelingssamenwerking en het internationale optreden van de Unie worden geleid door de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de Verenigde Naties en de belangrijkste ontwikkelingsdoelstellingen en -beginselen die in het kader van de Verenigde Naties en andere bevoegde internationale organisaties worden nagestreefd. Bij de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid van de Unie wordt ten volle rekening gehouden met de beginselen van de doeltreffendheid van hulp, met inbegrip van de verklaring van Parijs van 2 maart 2005 en de actieagenda van Accra.

4.   De partij die technische of financiële bijstand ontvangt, beantwoordt onverwijld verzoeken om administratieve samenwerking van de bevoegde autoriteiten van de andere partij, teneinde de bestrijding van fraude en onregelmatigheden in het kader van de bijstand van de Unie te versterken, zulks onverminderd de bepalingen inzake wederzijdse juridische bijstand.

5.   De regering van Irak ziet erop toe dat een contactpunt voor fraudebestrijding wordt aangewezen. Dit contactpunt is verantwoordelijk voor de doeltreffende samenwerking met de instellingen en organen van de Unie, waaronder de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding, met name wat betreft de tenuitvoerlegging van hun audit- en controlemaatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie.

Artikel 82

Sociale en menselijke ontwikkeling

De samenwerking op dit terrein bevestigt de sociale dimensie van de mondialisering en de koppeling tussen sociale ontwikkeling, economische ontwikkeling en ecologisch duurzame ontwikkeling. Bij de samenwerking wordt het belang onderstreept van armoedebestrijding, bevordering van de mensenrechten en fundamentele vrijheden voor iedereen, met inbegrip van kwetsbare bevolkingsgroepen en ontheemden, en de respons op fundamentele behoeften op het gebied van gezondheid, onderwijs en werkgelegenheid. De samenwerkingsactiviteiten op al deze gebieden zijn met name gericht op capaciteitsopbouw en institutionele opbouw, met inachtneming van de beginselen van inclusiviteit, goed bestuur en gezond en transparant beheer.

Artikel 83

Onderwijs, opleiding en jeugdzaken

1.   De partijen streven ernaar de samenwerking op het gebied van onderwijs, opleiding en jeugdzaken tot wederzijds voordeel te bevorderen, waarbij zij rekening houden met de beschikbaarheid van middelen en de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen.

2.   De partijen stimuleren in het bijzonder de uitwisseling van informatie, knowhow en technische middelen alsmede de uitwisseling van studenten, wetenschappers, jongeren en jeugdwerkers, en streven naar versterking van capaciteiten, daarbij gebruikmakend van zowel de faciliteiten die de bestaande samenwerkingsprogramma's bieden als de ervaringen die de partijen op dit gebied hebben opgedaan.

3.   De partijen intensiveren tevens de samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs door middel van instrumenten als het Erasmus Mundusprogramma, teneinde topkennis en de internationalisering van hun onderwijsstelsels te bevorderen.

Artikel 84

Werkgelegenheid en sociale ontwikkeling

1.   De partijen komen overeen de samenwerking te intensiveren op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, met inbegrip van de samenwerking inzake sociale cohesie, fatsoenlijk werk, gezondheid en veiligheid op het werk, arbeidswetgeving, sociale dialoog, ontwikkeling van het menselijk potentieel en gelijke kansen voor mannen en vrouwen, teneinde volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor allen, als kernelementen van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, te bevorderen.

2.   De partijen bevestigen hun verbintenis tot bevordering en doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationaal erkende arbeidsnormen en sociale normen. Bij alle activiteiten die de partijen uit hoofde van deze overeenkomst ondernemen, wordt de tenuitvoerlegging van de desbetreffende multilaterale sociale en arbeidsovereenkomsten in acht genomen.

3.   De samenwerking kan onder meer de vorm aannemen van gezamenlijk overeen te komen specifieke programma's en projecten, alsmede dialoog, capaciteitsversterking, samenwerking en initiatieven op gebieden van wederzijds belang op bilateraal of multilateraal niveau.

4.   De partijen betrekken de sociale partners en andere belanghebbenden bij de dialoog en de samenwerking.

Artikel 85

Maatschappelijk middenveld

De partijen erkennen de rol en mogelijke bijdrage van organisaties van het maatschappelijk middenveld, met name academici en verbanden tussen denktanks, aan de dialoog en het samenwerkingsproces uit hoofde van deze overeenkomst en komen overeen een effectieve dialoog met maatschappelijke organisaties en hun actieve deelname te stimuleren.

Artikel 86

Mensenrechten

1.   De partijen komen overeen om samen te werken met het oog op de bevordering en doeltreffende bescherming van de mensenrechten, onder andere wat betreft de bekrachtiging en tenuitvoerlegging van de internationale mensenrechteninstrumenten en de verstrekking van technische bijstand, opleiding en capaciteitsopbouw. De partijen beseffen dat het effect van samenwerkings- en ontwikkelingsprogramma's zal worden beperkt indien de mensenrechten niet worden beschermd, bevorderd en geëerbiedigd.

2.   De samenwerking op het gebied van de mensenrechten kan onder meer omvatten:

a)

versterking van de overheidsinstellingen op het gebied van de mensenrechten en de niet-gouvernementele organisaties die op dit terrein actief zijn;

b)

bevordering en educatie op het gebied van de mensenrechten op nationaal en plaatselijk niveau, met name bij de overheid, het gerechtelijk apparaat en de rechtshandhavingsinstanties, wat de rechten van vrouwen en kinderen betreft;

c)

uitwerking van de Iraakse wetgeving overeenkomstig het internationale humanitaire recht en het recht inzake de mensenrechten;

d)

samenwerking en informatie-uitwisseling in het kader van de mensenrechteninstellingen van de Verenigde Naties;

e)

steun voor de inspanningen van de Iraakse overheid om de Iraakse burgers een passende levensstandaard te bezorgen en hun politieke, economische, sociale en culturele rechten zonder discriminatie te vrijwaren;

f)

steun voor de nationale verzoening en bestrijding van straffeloosheid;

g)

instelling van een alomvattende mensenrechtendialoog.

Artikel 87

Samenwerking op het gebied van het beleid ten aanzien van de industrie en het midden- en kleinbedrijf

1.   De samenwerking op dit terrein beoogt de herstructurering en modernisering van de Iraakse industrie te vergemakkelijken en tezelfdertijd haar concurrentievermogen en groei te stimuleren, alsmede de voorwaarden te scheppen voor wederzijds voordelige vormen van samenwerking tussen de industrie in Irak en de Unie.

A.   Algemeen

2.   De samenwerking:

a)

bevordert een alomvattende industriestrategie die de reële stand van zaken van industriële ondernemingen in de openbare en de particuliere sector in acht neemt;

b)

moedigt Irak aan zijn industrie te herstructureren en moderniseren, daarbij zorg dragende voor bescherming van het milieu, duurzame ontwikkeling en economische groei;

c)

bevordert de ontwikkeling van een gunstig klimaat voor particulier initiatief op industriegebied teneinde de voor lokale en exportmarkten bestemde productie te stimuleren en te diversifiëren;

d)

bevordert een gunstig klimaat voor groei en diversifiëring van de industriële productie in een perspectief van duurzame ontwikkeling;

e)

bevordert de informatieverstrekking ten behoeve van de samenwerking op industrieel gebied;

f)

bevordert de toepassing van uniale en internationale technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde de integratie van Irak in de wereldeconomie te bevorderen; brengt regelmatige uitwisseling tot stand tussen de normalisatie-instanties van de partijen;

g)

bevordert de totstandkoming van een passend industrieel ondernemingsklimaat;

h)

bevordert en stimuleert verbetering van ondersteunende informatiediensten als kernelement van het groeipotentieel voor zakelijke activiteiten en economische ontwikkeling;

i)

ontwikkelt banden tussen de industriële actoren van de partijen (ondernemingen, beroepsbeoefenaren, sectorale en andere bedrijfsorganisaties, arbeidsorganisaties en dergelijke);

j)

moedigt gezamenlijke industriële projecten aan en brengt gezamenlijke ondernemingen en informatienetwerken tot stand.

B.   Midden- en kleinbedrijf

3.   De partijen, rekening houdend met hun respectieve economische beleidsmaatregelen en doelstellingen, komen overeen de samenwerking inzake het industriële beleid op alle passend geachte terreinen te bevorderen met het oog op de verbetering van het concurrentievermogen van het midden- en kleinbedrijf.

4.   De partijen:

a)

streven naar ontwikkeling en versterking van het midden- en kleinbedrijf en bevordering van de samenwerking tussen de betrokken bedrijven;

b)

ontwikkelen de bijstand waaraan microbedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen behoefte hebben, op gebieden als financiering, opleiding, technologie en marketing, innovatie en andere vereisten voor de oprichting van kleine en middelgrote ondernemingen, zoals starterscentra, en andere ontwikkelingsgebieden;

c)

steunen de activiteiten van het midden- en kleinbedrijf door netwerkvorming op dit gebied, en

d)

faciliteren de samenwerking tussen ondernemingen en steunen samenwerkingsactiviteiten op dit gebied die door de particuliere sector van beide partijen worden ontwikkeld, door passende banden tot stand te brengen tussen particuliere ondernemingen in Irak en de Unie en daarmee de uitwisseling van informatie te verbeteren.

Artikel 88

Samenwerking inzake investeringen

1.   De partijen werken samen om een gunstig klimaat tot stand te brengen voor zowel binnenlandse als buitenlandse investeringen, teneinde investeringen passend te beschermen en de overdracht van kapitaal en de uitwisseling van informatie over investeringsmogelijkheden te faciliteren.

2.   De partijen ondersteunen de bevordering en bescherming van investeringen op basis van de beginselen van non-discriminatie en wederkerigheid.

3.   De partijen moedigen de uitwisseling aan van informatie over wetgeving, regelgeving en administratieve praktijken op het gebied van investeringen.

4.   De partijen verbinden zich ertoe de samenwerking tussen hun financiële instellingen aan te moedigen, teneinde investeringen te vergemakkelijken.

5.   Om investeringen en handel te faciliteren, is de Unie bereid Irak desgevraagd bij te staan in zijn streven naar aanpassing van zijn wet- en regelgevingskader aan dat van de Unie op de door deze overeenkomst bestreken terreinen.

Artikel 89

Industrienormen en conformiteitsbeoordelingsprocedures

De partijen kunnen samenwerken op de volgende gebieden met betrekking tot normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures:

1.

bevordering van het gebruik van internationale normen in de technische voorschriften en bij conformiteitsbeoordeling, met inbegrip van sectorspecifieke maatregelen, op het grondgebied van de partijen en intensivering van de samenwerking tussen de partijen met betrekking tot de werkzaamheden van de desbetreffende internationale instellingen en organisaties;

2.

ondersteuning van initiatieven voor capaciteitsopbouw op het gebied van normalisatie, conformiteitsbeoordeling, accreditering, metrologie en markttoezicht in Irak;

3.

bevordering en aanmoediging van bilaterale samenwerking tussen organisaties in Irak en de Unie op het gebied van normalisatie, conformiteitsbeoordeling, accreditering, metrologie en markttoezicht;

4.

ontwikkeling van gemeenschappelijke standpunten over goede regelgevingspraktijken, onder meer omvattende:

a)

transparantie bij het opstellen, vaststellen en toepassen van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures;

b)

noodzaak en evenredigheid van de maatregelen op regelgevingsgebied en daarmee verband houdende conformiteitsbeoordelingsprocedures, met inbegrip van gebruik van de conformiteitsverklaring van de leverancier;

c)

gebruik van internationale normen als basis voor het opstellen van technische voorschriften, tenzij deze internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de legitieme beoogde doelstellingen;

d)

handhaving van technische voorschriften en activiteiten op het gebied van markttoezicht;

5.

versterking van de samenwerking op het gebied van regelgeving, techniek en wetenschappen door onder andere uitwisseling van informatie, ervaringen en gegevens, teneinde de kwaliteit en het niveau van de technische voorschriften te verbeteren en doeltreffend gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;

6.

ontwikkeling van de compatibiliteit en convergentie van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures.

Artikel 90

Samenwerking inzake land- en bosbouw en plattelandsontwikkeling

De samenwerking op het gebied van land- en bosbouw en plattelandsontwikkeling wordt bevorderd om diversifiëring, milieuvriendelijke methoden, duurzame economische en sociale ontwikkeling en voedselzekerheid te bevorderen. De partijen onderzoeken daartoe:

a)

capaciteitsopbouw en opleiding voor overheidsinstellingen;

b)

maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten, maatregelen voor capaciteitsopbouw voor telersverenigingen en maatregelen ter ondersteuning van activiteiten ter bevordering van de handel;

c)

sanitaire, fytosanitaire en milieumaatregelen en aanverwante aspecten, die in overeenstemming zijn met de wetgeving van beide partijen en de regels van de WTO en multilaterale overeenkomsten op milieugebied;

d)

maatregelen met betrekking tot duurzame economische en sociale ontwikkeling van plattelandsgebieden, met inbegrip van milieuvriendelijke methoden, bosbouw, onderzoek, overdracht van knowhow, toegang tot land, waterbeheer en irrigatie, duurzame plattelandsontwikkeling en voedselzekerheid;

e)

maatregelen voor het behoud van traditionele landbouwkennis waaraan bevolkingsgroepen hun specifieke identiteit ontlenen, met inbegrip van samenwerking inzake geografische aanduidingen, uitwisseling van ervaringen op plaatselijk niveau en ontwikkeling van netwerken voor samenwerking;

f)

modernisering van de landbouwsector, met inbegrip van landbouwmethoden en diversifiëring van de landbouwproductie.

Artikel 91

Energie

1.   De partijen streven naar betere samenwerking in de energiesector, met inachtneming van de beginselen van vrije, concurrerende en open energiemarkten, met het oog op:

a)

de verbetering van de energiezekerheid met behoud van ecologische duurzaamheid en bevordering van economische groei;

b)

de ontwikkeling van institutionele, wetgevende en regelgevende kaders in de energiesector om te waarborgen dat de energiemarkt efficiënt functioneert en dat investeringen in energie worden bevorderd;

c)

de ontwikkeling en bevordering van partnerschappen tussen ondernemingen van de Unie en van Irak op het gebied van exploratie, productie, verwerking, transport, distributie en diensten binnen de energiesector;

d)

de ontwikkeling van een regelmatige en effectieve dialoog inzake energie tussen de partijen en tevens in regionaal verband, onder meer in het kader van de Euro-Arabische Mashreq-gasmarkt en andere relevante regionale initiatieven.

2.   Daartoe bevorderen de partijen wederzijds voordelige contacten met het oog op:

a)

de ondersteuning van de ontwikkeling van een passend energiebeleid, een passend regelgevingskader en passende infrastructuur in Irak, op basis van de beginselen van ecologische duurzaamheid, het gezonde beheer van de energievoorraden en een vrije, concurrerende en open markt;

b)

samenwerking om de bestuurlijke en juridische capaciteit te versterken en stabiele en transparante juridische kadervoorwaarden te scheppen met als doel de economische bedrijvigheid en de internationale energie-investeringen in Irak te stimuleren;

c)

de bevordering van technische samenwerking op het gebied van exploratie van de Iraakse olie- en aardgasreserves en de ontwikkeling van velden, de ontwikkeling en modernisering van de olie- en gasinfrastructuur, met inbegrip van de transport- en transitnetwerkverbindingen met de Mashreq, andere relevante regionale initiatieven en de markt van de Unie;

d)

de verbetering van de betrouwbaarheid van de elektriciteitslevering in Irak;

e)

de stimulering van de samenwerking ter verbetering van de energiezekerheid en de bestrijding van klimaatverandering door bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en vermindering van het affakkelen van gas;

f)

de facilitering van de uitwisseling van knowhow en de overdracht van technologie, beste praktijken en de opleiding van beroepsbeoefenaren;

g)

de bevordering van de participatie van Irak in het proces van regionale integratie van de energiemarkten.

Artikel 92

Vervoer

1.   De partijen streven naar verbeterde samenwerking in de vervoerssector met het oog op de totstandbrenging van een duurzaam en efficiënt vervoerssysteem, gericht op:

a)

de verbetering van de ontwikkeling van vervoer en de koppeling van vervoersmethoden met behoud van ecologische duurzaamheid en economische groei;

b)

de ontwikkeling van institutionele, wetgevende en regelgevende kaders in alle vervoerssectoren om te waarborgen dat de vervoersmarkt efficiënt functioneert en dat investeringen in vervoer worden bevorderd;

c)

de ontwikkeling en bevordering van partnerschappen tussen ondernemingen van de Unie en van Irak op het gebied van exploratie, capaciteitsopbouw, infrastructuurontwikkeling, vervoersveiligheid en -beveiliging en diensten in de vervoerssector;

d)

de ontwikkeling van een regelmatige en effectieve dialoog inzake vervoer tussen de partijen en tevens in regionaal verband, onder meer in het kader van de Europees-mediterrane samenwerking op vervoersgebied en andere relevante regionale initiatieven.

2.   Daartoe bevorderen de partijen wederzijds voordelige contacten met het oog op:

a)

de ondersteuning van de formulering van een passend vervoersbeleid voor de ontwikkeling van alle vervoerswijzen, het regelgevende kader daarvoor en het herstel en de uitbouw van de vervoersinfrastructuur in Irak, waarbij het belang van duurzaamheid wordt onderstreept; de verzekering van de intermodaliteit en de integratie van alle vervoerswijzen; onderzoek van de mogelijkheid om de wetgevende en regelgevende kaders verder aan te passen aan uniale en internationale normen, met name inzake veiligheid en beveiliging;

b)

samenwerking om de bestuurlijke en juridische capaciteit te versterken en te herstellen, met het oog op het opzetten van specifieke plannen voor prioritaire sectoren, en stabiele en transparante juridische kadervoorwaarden te scheppen met als doel de economische bedrijvigheid op vervoersgebied en de internationale vervoersinvesteringen in Irak te stimuleren op basis van het beleid en de praktijk van de Unie, alsmede ontwikkeling van de noodzakelijke onafhankelijke regelgevende autoriteiten;

c)

de bevordering van technische samenwerking op het gebied van exploratie en ontwikkeling van alle vervoerssectoren in Irak, en op het gebied van de ontwikkeling en modernisering van de vervoersinfrastructuur, met inbegrip van de koppeling met de vervoersnetwerken van de Mashreq, andere relevante regionale projecten en de markt van de Unie;

d)

de verbetering van de betrouwbaarheid van de vervoersstromen naar en door Irak;

e)

de facilitering van de uitwisseling van knowhow en de overdracht van technologie, beste praktijken en de opleiding van beroepsbeoefenaren; dit zijn essentiële samenwerkingsfactoren die met voorrang moeten worden aangepakt;

f)

de bevordering van de participatie van Irak in het proces van koppeling met regionale vervoerssystemen;

g)

de tenuitvoerlegging van een nationaal luchtvaartbeleid, met inbegrip van de ontwikkeling van de luchthavens en de luchtverkeerscontrole en verdere uitbouw van de bestuurlijke capaciteit (waaronder de instelling van een autonome autoriteit voor de burgerluchtvaart, die een daadwerkelijke regelgevende rol dient te vervullen); onderhandelingen over een „horizontale” luchtvervoersovereenkomst teneinde de rechtszekerheid voor bilaterale overeenkomsten inzake luchtvaartdiensten te herstellen; alsmede onderzoek naar de mogelijkheden voor onderhandelingen over een alomvattende luchtvaartovereenkomst tussen de Unie en Irak.

Artikel 93

Milieu

1.   De partijen zijn het erover eens dat de inspanningen tot bescherming van het milieu moeten worden versterkt en geïntensiveerd, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatverandering, het duurzame beheer van natuurlijke rijkdommen en het behoud van de biodiversiteit als basis voor de ontwikkeling van de huidige en toekomstige generaties.

2.   De partijen zijn het erover eens dat bij de samenwerking op dit terrein moet worden gestreefd naar betere bescherming van het milieu met het oog op duurzame ontwikkeling. De resultaten van de wereldtop over duurzame ontwikkeling worden in acht genomen bij alle door de partijen in het kader van deze overeenkomst ondernomen activiteiten.

3.   De samenwerking op dit gebied moet zich met name richten op:

a)

de uitwisseling van informatie en expertise op milieugebied; (bijvoorbeeld met betrekking tot stedelijke problematiek, natuurbescherming, water- en afvalbeheer en rampenbeheersing);

b)

aanmoediging en bevordering van regionale samenwerking op het gebied van milieubescherming, onder meer door investeringen in milieuprojecten en -programma's aan te moedigen;

c)

bevordering van milieubewustheid en versterkte participatie van plaatselijke gemeenschappen in activiteiten op het gebied van milieubescherming en duurzame ontwikkeling;

d)

ondersteuning van capaciteitsopbouw op milieugebied, bijvoorbeeld inzake terugdringing van en aanpassing aan klimaatverandering;

e)

samenwerking inzake onderhandelingen over en uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten;

f)

aanmoediging van de uitwisseling van technische bijstand voor de milieuprogrammering en de integratie van milieuoverwegingen in andere beleidsgebieden;

g)

ondersteuning van milieuonderzoek en -analyse.

Artikel 94

Telecommunicatie

De partijen werken samen:

a)

ter bevordering van de uitwisseling van informatie over de toepasselijke wetgeving en mogelijke toekomstige wetgevingshervormingen in de telecommunicatiesector, teneinde het inzicht in elkaars regelgevingskader inzake telecommunicatie te bevorderen;

b)

met het oog op de uitwisseling van informatie over de ontwikkeling van de technologie en normen op informatie- en communicatiegebied.

Artikel 95

Wetenschap en technologie

1.   De partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van civiel wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling, met wederzijds voordeel als uitgangspunt en rekening houdende met de beschikbaarheid van hulpmiddelen en adequate toegang tot elkaars onderzoeksprogramma's, waarbij erop wordt toegezien dat intellectuele-, industriële- en commerciële-eigendomsrechten doeltreffend worden beschermd.

2.   De samenwerking op het gebied van wetenschappen en technologie heeft betrekking op:

a)

de uitwisseling van wetenschappelijke en technische samenwerkingsprogramma's;

b)

de organisatie van gezamenlijke wetenschappelijke bijeenkomsten;

c)

gezamenlijke activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling;

d)

opleidingsactiviteiten en programma's ter bevordering van de mobiliteit ten behoeve van aan beide zijden bij onderzoek en technologische ontwikkeling betrokken wetenschappers, onderzoekers en technici.

3.   De samenwerking wordt ten uitvoer gelegd door middel van specifieke regelingen waarvoor de onderhandelingen en de sluiting verlopen volgens de procedures van elke partij en waarin onder andere passende bepalingen inzake intellectuele-eigendomsrechten worden opgenomen.

Artikel 96

Samenwerking op het gebied van douane en belastingen

1.   De partijen zullen samenwerking op douanegebied tot stand brengen, met name inzake opleiding, vereenvoudiging van douaneformaliteiten, -documentatie en -procedures, voorkoming van, onderzoek naar en bestrijding van overtredingen van de douaneregels, met als doel het garanderen van de naleving van alle bepalingen die op het gebied van handel zullen worden vastgesteld en het aanpassen van het douanestelsel van Irak aan dat van de Unie.

2.   Teneinde de economische bedrijvigheid te versterken en te ontwikkelen, met inachtneming van de noodzaak een passend regelgevingskader te ontwikkelen, erkennen de partijen de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, zoals transparantie, informatie-uitwisseling en eerlijke belastingconcurrentie, en verbinden zij zich tot de tenuitvoerlegging van die beginselen, zulks onverminderd hun respectieve bevoegdheden. De partijen zullen daartoe, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, betere internationale samenwerking op fiscaal gebied tot stand brengen en maatregelen ontwikkelen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van de bovengenoemde beginselen.

Artikel 97

Samenwerking op het gebied van statistiek

De partijen komen overeen activiteiten op statistisch gebied te bevorderen. Deze activiteiten richten zich op institutionele opbouw en capaciteitsversterking van het nationale stelsel voor de statistiek, met inbegrip van de ontwikkeling van statistische methoden en de productie en verspreiding van statistieken over de handel in goederen en diensten en meer in het algemeen over elk ander gebied dat de onder de overeenkomst vallende en zich voor statistische verwerking lenende nationale prioriteiten voor de sociale en economische ontwikkeling ondersteunt.

Artikel 98

Macro-economische stabiliteit en overheidsfinanciën

1.   De partijen zijn het eens over het belang van de totstandbrenging van macro-economische stabiliteit in Irak door middel van een gezond monetair beleid dat gericht is op verwezenlijking en instandhouding van prijsstabiliteit en door middel van een begrotingsbeleid dat gericht is op de houdbaarheid van de schuldenlast.

2.   De partijen zijn het eens over het belang van doeltreffendheid van de overheidsuitgaven, transparantie en verantwoordingsplicht op nationaal en plaatselijk niveau in Irak.

3.   De partijen komen overeen samen te werken om onder meer het Iraakse stelsel voor het beheer van de overheidsfinanciën te verbeteren, waarbij onder andere wordt gestreefd naar volledigheid van de begrotingsplanning en één enkele thesaurierekening.

Artikel 99

Ontwikkeling van de particuliere sector

De partijen komen overeen samen te werken met het oog op de ontwikkeling van een markteconomie in Irak, door het investeringsklimaat te verbeteren, de economische bedrijvigheid te diversifiëren, vooruitgang te boeken met het privatiseringsprogramma en andere voorwaarden voor snellere groei van de werkgelegenheid in de particuliere sector te verbeteren.

Artikel 100

Toerisme

1.   De partijen zetten zich in voor verbetering van hun samenwerking om een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het toerisme en aanverwante zaken te verzekeren.

2.   De partijen komen daartoe overeen de samenwerking op het gebied van het toerisme uit te bouwen en met name informatie, ervaring en beste praktijken uit te wisselen met betrekking tot de opzet van het institutionele kader voor de toerismesector en de algemene omgeving waarin toeristische ondernemingen opereren.

Artikel 101

Financiële diensten

De partijen werken samen om hun normen en voorschriften onderling aan te passen, onder andere met het oog op:

a)

de versterking van de financiële sector in Irak;

b)

de verbetering van de boekhoudings- en boekhoudcontrolesystemen, alsmede het toezicht op en de reglementering van het bankwezen, het verzekeringswezen en andere financiële sectoren in Irak;

c)

de uitwisseling van informatie over de respectieve van kracht of in voorbereiding zijnde wetgeving;

d)

de ontwikkeling van verenigbare auditstelsels.

TITEL IV

JUSTITIE, VRIJHEID EN VEILIGHEID

Artikel 102

Rechtsstaat

1.   Bij hun samenwerking op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid tonen de partijen een permanente verbintenis tot eerbiediging van, en hechten zij bijzonder belang aan het beginsel van de rechtsstaat, met inbegrip van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de toegang tot de rechtspraak en het recht op een eerlijk proces.

2.   De partijen werken samen om, onder meer door capaciteitsopbouw, de werking van de instellingen voor rechtshandhaving en de rechtspraak verder uit te bouwen.

Artikel 103

Juridische samenwerking

1.   De partijen komen overeen justitiële samenwerking in burgerlijke zaken uit te bouwen, met name wat betreft de ratificatie en tenuitvoerlegging van multilaterale verdragen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, en met name de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht op het gebied van internationale juridische samenwerking en procesvoering alsmede de bescherming van kinderen.

2.   De partijen komen overeen alternatieve wijzen van geschillenbeslechting voor civiele en particuliere handelsgeschillen waar mogelijk te faciliteren en aan te moedigen, overeenkomstig de toepasselijke internationale instrumenten.

3.   Wat strafzaken betreft, zullen de partijen streven naar verbetering van de justitiële samenwerking inzake wederzijdse juridische bijstand en uitlevering. Dit kan de toetreding tot en de tenuitvoerlegging inhouden van de desbetreffende internationale instrumenten van de Verenigde Naties, waaronder het in artikel 7 van deze overeenkomst bedoelde Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof.

Artikel 104

Bescherming van persoonsgegevens

1.   De partijen komen overeen samen te werken om het niveau van bescherming van persoonsgegevens te verbeteren overeenkomstig de strengste internationale normen, zoals onder andere de richtsnoeren van de Verenigde Naties voor de reglementering van geautomatiseerde bestanden die persoonsgegevens bevatten (United Nations Guidelines for the Regulation of Computerised Personal Data Files — Resolutie 45/95 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 14 december 1990).

2.   De samenwerking inzake de bescherming van persoonsgegevens kan onder meer technische bijstand in de vorm van uitwisseling van informatie en deskundigheid inhouden.

Artikel 105

Samenwerking inzake migratie en asiel

1.   De partijen wijzen opnieuw op het belang dat zij hechten aan gezamenlijke beheersing van de migratiestromen tussen hun grondgebieden. Om hun onderlinge samenwerking te versterken, zetten de partijen een brede dialoog op over alle kwesties in verband met migratie, waaronder illegale migratie, smokkel van migranten en mensenhandel en integratie van het migratievraagstuk in de nationale strategieën met betrekking tot de economische en sociale ontwikkeling van de gebieden van herkomst van de migranten.

2.   De samenwerking wordt gebaseerd op een analyse van de specifieke behoeften, die in onderling overleg door de partijen wordt verricht, en wordt overeenkomstig de desbetreffende Uniewetgeving en nationale wetgeving uitgevoerd. De samenwerking richt zich met name op:

a)

de hoofdoorzaken van migratie;

b)

de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van nationale wetgeving en praktijken met betrekking tot internationale bescherming, teneinde te voldoen aan de bepalingen van het Verdrag van Genève van 1951 inzake de status van vluchtelingen, het Protocol van 1967 en andere relevante internationale instrumenten, en teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd; hierbij wordt erkend that Irak nog geen partij is bij het Verdrag van Genève van 1951 inzake de status van vluchtelingen en het Protocol van 1967, maar de mogelijkheid overweegt om in de toekomst daartoe toe te treden;

c)

de toelatingscriteria, alsmede de rechten en de status van toegelaten personen, de eerlijke behandeling en integratie van legale buitenlandse ingezetenen, onderwijs en opleiding en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat;

d)

de opzet van een doeltreffende en preventieve aanpak van illegale migratie, smokkel van migranten en mensenhandel, alsmede de vraag hoe netwerken van handelaars en smokkelaars kunnen worden bestreden en de slachtoffers van deze handel kunnen worden beschermd;

e)

de humane en waardige repatriëring van illegaal verblijvende personen en de bevordering van vrijwillige terugkeer, alsmede de overname van dergelijke personen overeenkomstig lid 3;

f)

het visumbeleid, wat betreft onderwerpen die van wederzijds belang geacht worden, in het kader van het geldende Schengenacquis;

g)

grensbeheer en grenscontrole, met betrekking tot organisatie, opleiding, beste praktijken en andere operationele maatregelen op het terrein, en indien relevant, uitrusting, waarbij rekening gehouden wordt met het feit dat dergelijke uitrusting mogelijk voor tweeërlei gebruik geschikt is.

3.   In het kader van de samenwerking ter voorkoming en beheersing van illegale immigratie komen de partijen eveneens overeen hun illegale migranten over te nemen. Daartoe:

a)

neemt Irak al zijn onderdanen die niet of niet langer aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van een lidstaat van de Unie voldoen, op verzoek van die lidstaat zonder verdere formaliteiten over;

b)

neemt iedere lidstaat van de Unie al zijn onderdanen die niet of niet langer aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van Irak voldoen, op verzoek van Irak zonder verdere formaliteiten over.

4.   Voor dergelijke doeleinden verstrekken de lidstaten van de Unie en Irak hun onderdanen passende documenten waarmee zij hun identiteit voor reisdoeleinden kunnen bevestigen. Indien een over te nemen persoon geen documenten of andere bewijzen van zijn nationaliteit bezit, neemt de bevoegde diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van de betrokken lidstaat of van Irak op verzoek van Irak of de betrokken lidstaat de nodige maatregelen om de over te nemen persoon te ondervragen om zijn nationaliteit vast te stellen.

5.   De partijen komen in dit verband overeen op verzoek van een partij als gedefinieerd in artikel 122 zo snel mogelijk een overeenkomst te sluiten ter voorkoming en beheersing van illegale migratie en tot vaststelling van de specifieke procedures en verplichtingen voor overname, met inbegrip van de overname van onderdanen van andere landen en staatloze personen indien beide partijen dat passend achten.

6.   Bij de samenwerking op dit gebied worden de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van de partijen uit hoofde van het desbetreffende internationale recht en het internationale humanitaire recht ten volle geëerbiedigd.

Artikel 106

Bestrijding van georganiseerde misdaad en corruptie

De partijen komen overeen samen te werken aan en bij te dragen tot de bestrijding van georganiseerde economische en financiële misdaad en corruptie, namaak en illegale transacties, door volledig te voldoen aan hun bestaande wederzijdse internationale verplichtingen in dit verband, onder meer met betrekking tot effectieve samenwerking om beslag te leggen op uit corruptie verkregen vermogensbestanddelen of gelden. De partijen zullen de tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en de aanvullende protocollen daarbij en het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie bevorderen.

Artikel 107

Bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme

1.   De partijen zijn het erover eens dat moet worden samengewerkt bij en gestreefd naar de voorkoming van het gebruik van hun financiële systemen voor het witwassen van de opbrengsten van alle criminele activiteiten zoals drugshandel en corruptie en voor de financiering van terrorisme.

2.   De partijen komen overeen samen te werken inzake technische en administratieve bijstand voor de opstelling en uitvoering van voorschriften en de efficiënte werking van mechanismen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Deze samenwerking strekt zich uit tot inbeslagneming van vermogensbestanddelen of gelden die uit de opbrengsten van criminele activiteiten zijn verkregen.

3.   Door de samenwerking moet het mogelijk worden relevante informatie uit te wisselen in het kader van de respectieve wetgevingen en passende normen vast te stellen voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, die gelijkwaardig zijn aan die van de Financial Action Task Force on Money Laundering (hierna „FATF” genoemd) en van de Unie en de internationale instanties op dit gebied.

Artikel 108

Bestrijding van illegale drugs

1.   De partijen streven ernaar, overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving, het aanbod van, de illegale handel in en de vraag naar illegale drugs en het effect daarvan op druggebruikers en de samenleving in het algemeen terug te dringen en het oneigenlijk gebruik van chemische precursoren voor de illegale productie van verdovende middelen en psychotrope stoffen doeltreffender te voorkomen. De partijen zien in het kader van hun samenwerking toe op een brede en evenwichtige aanpak van hun streven naar dit doel door middel van regels voor legale markten en doeltreffende maatregelen en coördinatie tussen de bevoegde autoriteiten in onder meer de sectoren gezondheid, onderwijs, sociale zaken, rechtshandhaving en justitie.

2.   De partijen bereiken overeenstemming over de wijze van samenwerking om deze doelstellingen te verwezenlijken. De activiteiten worden gebaseerd op onderling overeengekomen beginselen, overeenkomstig de desbetreffende internationale verdragen, de Politieke Verklaring en de Speciale Verklaring inzake richtsnoeren om de vraag naar drugs te verminderen, goedgekeurd door de twintigste speciale zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake drugs van juni 1998.

Artikel 109

Samenwerking op cultureel gebied

1.   De partijen verbinden zich ertoe de bilaterale samenwerking op het gebied van cultuur te bevorderen, teneinde het wederzijdse begrip te versterken en de culturele betrekkingen tussen de partijen te stimuleren.

2.   De partijen ondersteunen de uitwisseling van informatie en deskundigheid en initiatieven die bijdragen tot sterkere capaciteitsopbouw, met name betreffende de instandhouding van het culturele erfgoed.

3.   De partijen intensiveren de samenwerking ter bestrijding van de illegale handel in culturele goederen, overeenkomstig de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad inzake Irak. Zij zullen de bekrachtiging en doeltreffende tenuitvoerlegging bevorderen van de internationale overeenkomsten op dit gebied, waaronder de Unesco-Overeenkomst van 1970 inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen.

4.   De partijen moedigen de interculturele dialoog tussen personen, culturele instellingen en organisaties van het maatschappelijk middenveld van de Unie en Irak aan.

5.   De partijen coördineren hun inspanningen in internationale fora, onder andere in het kader van Unesco en/of andere internationale organisaties, teneinde de culturele diversiteit te bevorderen, met name in verband met de bekrachtiging en tenuitvoerlegging van het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen.

Artikel 110

Regionale samenwerking

1.   De partijen zijn het erover eens dat de samenwerking dient bij te dragen tot facilitering en ondersteuning van de stabiliteit en de regionale integratie van Irak. Zij komen daartoe overeen activiteiten ter versterking van de betrekkingen met Irak, zijn buurlanden en andere regionale partners te bevorderen.

2.   De partijen zijn het erover eens dat hun onderlinge samenwerking zich kan uitstrekken tot maatregelen die worden uitgevoerd krachtens samenwerkingsovereenkomsten met andere landen in dezelfde regio, mits die maatregelen verenigbaar zijn met deze overeenkomst en in hun belang zijn.

3.   Zonder enig gebied uit te sluiten, komen de partijen overeen bijzondere aandacht te schenken aan de volgende maatregelen:

a)

bevordering van de intraregionale handel;

b)

ondersteuning van regionale instellingen en gezamenlijke projecten en initiatieven die in het kader van relevante regionale organisaties zijn opgezet.

TITEL V

INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 111

Samenwerkingsraad

1.   Er wordt een samenwerkingsraad ingesteld, die toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst. De samenwerkingsraad komt eenmaal per jaar bijeen op ministerieel niveau. Hij behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van deze overeenkomst voordoen en alle andere bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang, teneinde de doelstellingen van deze overeenkomsten te verwezenlijken. De samenwerkingsraad kan in onderlinge overeenstemming tussen de partijen passende aanbevelingen doen.

2.   De samenwerkingsraad bestaat uit vertegenwoordigers van beide partijen.

3.   De samenwerkingsraad stelt zijn reglement van orde vast.

4.   Elk van de partijen mag ieder geschil dat verband houdt met de toepassing of de interpretatie van deze overeenkomst aan de samenwerkingsraad voorleggen.

5.   De samenwerkingsraad kan het geschil door middel van een aanbeveling beslechten.

6.   De bepalingen van dit artikel zijn niet van invloed op en gelden onverminderd de specifieke bepalingen inzake geschillenbeslechting van titel II van deze overeenkomst.

Artikel 112

Samenwerkingscomité en gespecialiseerde subcomités

1.   Er wordt een samenwerkingscomité ingesteld, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen en de samenwerkingsraad bij zijn taken bijstaat.

2.   De samenwerkingsraad kan besluiten andere gespecialiseerde subcomités of lichamen op te richten die hem bij de uitvoering van zijn taken kunnen bijstaan en bepaalt de samenstelling, de taken en de werking van dergelijke comités of lichamen.

Artikel 113

Parlementair samenwerkingscomité

1.   Er wordt een parlementair samenwerkingscomité ingesteld. Het parlementair samenwerkingscomité dient als forum waar leden van het Iraakse parlement en het Europees Parlement elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar van gedachten kunnen wisselen.

2.   Het parlementair samenwerkingscomité bestaat uit enerzijds leden van het Europees Parlement en anderzijds leden van het Iraakse parlement.

3.   Het parlementair samenwerkingscomité wordt ingelicht over de aanbevelingen van de samenwerkingsraad.

4.   Het parlementair samenwerkingscomité kan aanbevelingen doen aan de samenwerkingsraad.

Artikel 114

Faciliteiten

Om de samenwerking in het kader van deze overeenkomst te vergemakkelijken, komen beide partijen overeen de bevoegde deskundigen en ambtenaren die betrokken zijn bij de uitvoering van de samenwerking de nodige faciliteiten te verlenen voor de uitoefening van hun taak, overeenkomstig de interne regels en voorschriften van beide partijen.

Artikel 115

Territoriale toepassing

Deze overeenkomst is van toepassing op enerzijds de grondgebieden waar het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en anderzijds het grondgebied van Irak.

Artikel 116

Inwerkingtreding en verlenging

1.   Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de ontvangst door de depositaris, van de laatste van de kennisgevingen van de partijen over de voltooiing van de daartoe vereiste procedures.

2.   Deze overeenkomst wordt gesloten voor een periode van tien jaar. Zij wordt van jaar tot jaar stilzwijgend verlengd, tenzij een van de partijen haar ten minste zes maanden voor de vervaldatum schriftelijk opzegt. De beëindiging gaat in zes maanden na ontvangst van de kennisgeving door de andere partij. Het beëindigen van de overeenkomst is niet van invloed op projecten die voor de ontvangst van deze kennisgeving van start zijn gegaan.

Artikel 117

Voorlopige toepassing

1.   Onverminderd artikel 116 komen de Unie en Irak overeen de artikelen 1 en 2 en de titels II, III en V van deze overeenkomst toe te passen met ingang van de eerste dag van de derde maand volgende op de dag waarop de Unie en Irak elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de daartoe vereiste procedures. Deze kennisgevingen worden gericht aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, die depositaris van deze overeenkomst is.

2.   Indien overeenkomstig lid 1 een bepaling van deze overeenkomst door de partijen in afwachting van de inwerkingtreding wordt toegepast, worden verwijzingen in dergelijke bepalingen naar de inwerkingtreding van deze overeenkomst gelezen als verwijzingen naar de datum waarop de partijen overeenkomen de betrokken bepaling overeenkomstig lid 1 toe te passen.

Artikel 118

Non-discriminatie

Op de door deze overeenkomst bestreken terreinen en onverminderd eventueel daarin neergelegde bijzondere bepalingen mogen:

a)

de regelingen die Irak ten opzichte van de Unie toepast geen aanleiding geven tot enige vorm van discriminatie tussen de lidstaten, hun onderdanen of hun vennootschappen of ondernemingen;

b)

de regelingen die de Unie ten opzichte van Irak toepast geen aanleiding geven tot enige vorm van discriminatie tussen Iraakse onderdanen of vennootschappen of ondernemingen.

Artikel 119

Clausule betreffende de evolutie van deze overeenkomst

1.   De partijen kunnen deze overeenkomst met wederzijdse goedkeuring wijzigen, herzien of uitbreiden met het oog op intensivering van het samenwerkingsniveau, onder andere door deze aan te vullen met overeenkomsten of protocollen voor specifieke sectoren of activiteiten.

2.   Wat de toepassing van deze overeenkomst betreft, kan elke partij voorstellen formuleren met het oog op de uitbreiding van de wederzijdse samenwerking, rekening houdend met de bij de uitvoering van de overeenkomst opgedane ervaring. Over elke uitbreiding van de samenwerking in het kader van deze overeenkomst wordt beslist in de samenwerkingsraad.

Artikel 120

Andere overeenkomsten

1.   Onverminderd de desbetreffende bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie doet deze overeenkomst of in het kader daarvan ondernomen actie op generlei wijze afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om bilaterale samenwerkingsactiviteiten met Irak te ondernemen of desgewenst nieuwe samenwerkingsovereenkomsten met Irak te sluiten.

2.   Deze overeenkomst doet geen afbreuk aan de toepassing of de uitvoering van verbintenissen die de partijen in betrekkingen met derden zijn aangegaan.

Artikel 121

Niet-uitvoering van de overeenkomst

1.   De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen en zien erop toe dat zij de in deze overeenkomst neergelegde doelstellingen in acht nemen.

2.   Indien een partij van mening is dat de andere partij een verplichting die uit deze overeenkomst voortvloeit niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Alvorens dit te doen, verstrekt zij de samenwerkingsraad binnen dertig dagen alle ter zake doende informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor de partijen aanvaardbare oplossing te vinden.

Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de goede werking van de overeenkomst het minst verstoren. Deze maatregelen worden onmiddellijk ter kennis van de samenwerkingsraad gebracht en op verzoek van de andere partij wordt daarover in de samenwerkingsraad overleg gepleegd.

3.   In afwijking van het bepaalde in lid 2 mag iedere partij, overeenkomstig het internationaal recht, onmiddellijk passende maatregelen nemen in geval van:

a)

opzegging van de overeenkomst in strijd met de algemene regels van het internationaal recht;

b)

schending door de andere partij van de essentiële elementen van deze overeenkomst als bedoeld in de artikelen 2 en 5.

De andere partij kan verzoeken dat binnen vijftien dagen een spoedbijeenkomst tussen de partijen wordt belegd waarin een grondig onderzoek van de situatie kan worden verricht, teneinde een voor de partijen aanvaardbare oplossing te vinden.

4.   In afwijking van het bepaalde in lid 2 doet een partij, indien zij van mening is dat de andere partij een verplichting die uit titel II van deze overeenkomst voortvloeit niet is nagekomen, uitsluitend een beroep op de procedures voor geschillenbeslechting die in afdeling VI van titel II van deze overeenkomst zijn vastgesteld, en schikt zij zich daarnaar.

Artikel 122

Definitie van de partijen

Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt met de term „partijen” bedoeld de Unie, of haar lidstaten, of de Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, enerzijds, en Irak, anderzijds.

Artikel 123

Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Arabische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. In geval van tegenspraak, wordt verwezen naar de taal waarin de overeenkomst is onderhandeld, met name het Engels.

Artikel 124

Bijlagen, aanhangsels, protocollen en aantekeningen

De bijlagen, aanhangsels, protocollen en aantekeningen bij deze overeenkomst vormen daarvan een integrerend onderdeel.

Съставено в Брюксел на единадесети май две хиляди и дванадесета година.

Hecho en Bruselas, el once de mayo de dos mil doce.

V Bruselu dne jedenáctého května dva tisíce dvanáct.

Udfærdiget i Bruxelles den ellevte maj to tusind og tolv.

Geschehen zu Brüssel am elften Mai zweitausendzwölf.

Kahe tuhande kaheteistkümnenda aasta maikuu üheteistkümnendal päeval Brüsselis.

'Εγινε στις Βρυξέλλες, στις ένδεκα Μαΐου δύο χιλιάδες δώδεκα.

Done at Brussels on the eleventh day of May in the year two thousand and twelve.

Fait à Bruxelles, le onze mai deux mille douze.

Fatto a Bruxelles, addì undici maggio duemiladodici.

Briselē, divi tūkstoši divpadsmitā gada vienpadsmitajā maijā.

Priimta du tūkstančiai dvyliktų metų gegužės vienuoliktą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenkettedik év május havának tizenegyedik napján.

Magħmul fi Brussell, fil-ħdax-il jum ta’ Mejju tas-sena elfejn u tnax.

Gedaan te Brussel, de elfde mei tweeduizend twaalf.

Sporządzono w Brukseli dnia jedenastego maja roku dwa tysiące dwunastego.

Feito em Bruxelas, em onze de maio de dois mil e doze.

Întocmit la Bruxelles la unsprezece mai două mii doisprezece.

V Bruseli dňa jedenásteho mája dvetisícdvanásť.

V Bruslju, dne enajstega maja leta dva tisoč dvanajst.

Tehty Brysselissä yhdentenätoista päivänä toukokuuta vuonna kaksituhattakaksitoista.

Som skedde i Bryssel den elfte maj tjugohundratolv.

Image

Voor het Koninkrijk België

Pour le Royaume de Belgique

Für das Königreich Belgien

Image

Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Cette signature engage également la Communauté française, la Communauté flamande, la Communauté germanophone, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Deutschsprachige Gemeinschaft, die Flämische Gemeinschaft, die Französische Gemeinschaft, die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel- Hauptstadt.

За Република България

Image

Za Českou republiku

Image

For Kongeriget Danmark

Image

Für die Bundesrepublik Deutschland

Image

Eesti Vabariigi nimel

Image

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Image

Гια την Eλληvιкή Δημoкρατία

Image

Por el Reino de España

Image

Pour la République française

Image

Per la Repubblica italiana

Image

Гια την Kυπριαкή Δημoкρατία,

Image

Latvijas Republikas vārdā –

Image

Lietuvos Respublikos vardu

Image

Pour le Grand-Duché de Luxembourg

Image

A Magyar Köztársaság részéről

Image

Għal Malta

Image

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Image

Für die Republik Österreich

Image

W imieniu Rzeczypospolitej Polskiej

Image

Pela República Portuguesa

Image

Pentru România

Image

Za Republiko Slovenijo

Image

Za Slovenskú republiku

Image

Suomen tasavallan puolesta

För Republiken Finland

Image

För Konungariket Sverige

Image

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image

За Европейския съюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

Image

Image


BIJLAGE 1

OVERHEIDSOPDRACHTEN

Aanhangsel I

Overheidsopdrachten die onder de overeenkomst vallen

Subbijlage 1

Aanbestedende centrale overheidsinstanties overeenkomstig de bepalingen van titel II, afdeling V, hoofdstuk II, van deze overeenkomst

Goederen

Drempels

:

130 000 SDR

Diensten (als bedoeld in subbijlage 3)

Drempels

:

130 000 SDR

Werken (als bedoeld in subbijlage 4)

Drempels

:

5 000 000 SDR

Verbintenissen van Irak

1.   Alle centrale overheidsinstanties, met inbegrip van eventuele ondergeschikte diensten van centrale overheidsinstanties en alle andere entiteiten waarvan het beleid inzake overheidsopdrachten wordt vastgesteld door, afhankelijk is van of beïnvloed wordt door de centrale overheid, alsmede alle andere entiteiten die door de centrale overheid worden gefinancierd of die onderworpen zijn aan het beheerstoezicht van de centrale overheid.

2.   Indicatieve lijst van deze instanties (de juiste benamingen kunnen veranderen):

 

Ministerie van Landbouw

 

Ministerie van Communicatie

 

Nationale communicatie- en mediacommissie

 

Commissie voor integriteitsbewaking bij de overheid

 

Ministerie van Cultuur

 

Ministerie van Defensie

 

Ministerie van Migratie

 

Ministerie van Onderwijs

 

Ministerie van Elektriciteit

 

Ministerie van Milieuzaken

 

Ministerie van Financiën

 

Ministerie van Buitenlandse Zaken

 

Ministerie van Volksgezondheid

 

Ministerie van Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek

 

Ministerie van Bouwnijverheid en Volkshuisvesting (inclusief alle ondergeschikte diensten)

 

Ministerie van Mensenrechten

 

Ministerie van Industrie en Delfstoffen (inclusief alle ondergeschikte diensten)

 

Ministerie van Binnenlandse Zaken

 

Ministerie van Justitie

 

Ministerie van Arbeid en Sociale Zaken

 

Ministerie van Gemeenten en Openbare Werken

 

Ministerie van Olie

 

Minister van Planning en Buitenlandse Samenwerking

 

Ministerie van Wetenschap en Technologie

 

Ministerie van Handel

 

Ministerie van Verkeer

 

Ministerie van Waterbeheer

 

Ministerie van Jeugdzaken en Sport

 

Staatsministerie van Toerisme en Oudheden

 

Staatsministerie van Provinciale Zaken

 

Staatsministerie van Vrouwenaangelegenheden

 

Centrale Bank van Irak

 

Staatsuniversiteiten

Verbintenissen van de Unie

Instanties van de Unie:

1.   Raad van de Europese Unie

2.   Europese CommissieAanbestedende diensten van de lidstaten:

1.   Alle centrale overheidsinstanties en publiekrechtelijke instellingen

Voor de Unie wordt onder „publiekrechtelijke instelling” verstaan elke instelling die:

is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard, en

rechtspersoonlijkheid heeft, en

waarvan ofwel de activiteiten in hoofdzaak door de staat, door regionale of plaatselijke autoriteiten of door andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd, ofwel het beheer is onderworpen aan toezicht door deze, ofwel de leden van de directie, de raad van bestuur of de raad van toezicht voor meer dan de helft door de staat, door regionale of plaatselijke autoriteiten of door andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen.

2.   De volgende centrale overheidsinstanties die opdrachten plaatsen overeenkomstig de bepalingen van titel II, afdeling V, hoofdstuk II, van deze overeenkomst (indicatieve lijst):

INDICATIEVE LIJST VAN AANBESTEDENDE DIENSTEN DIE CENTRALE OVERHEIDSINSTANTIES ZIJN ALS GEDEFINIEERD IN DE EG-RICHTLIJN INZAKE OVERHEIDSOPDRACHTEN

België

1.

Services publics fédéraux (Ministères):

1.

Federale Overheidsdiensten (ministeries):

SPF Chancellerie du Premier ministre;

FOD Kanselarij van de Eerste Minister;

SPF Personnel et organisation;

FOD Personeel en Organisatie;

SPF Budget et Contrôle de la Gestion;

FOD Budget en Beheerscontrole;

SPF Technologie de l’information et de la communication (Fedict);

FOD Informatie- en Communicatietechnologie (Fedict);

SPF Affaires étrangères, commerce extérieur et coopération au développement;

FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

SPF Intérieur;

FOD Binnenlandse Zaken;

SPF Finances;

FOD Financiën;

SPF Mobilité et transports;

FOD Mobiliteit en Vervoer;

SPF Emploi, travail et concertation sociale;

FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg;

SPF Sécurité Sociale et institutions publiques de sécurité sociale;

FOD Sociale Zekerheid en Openbare Instellingen van Sociale Zekerheid;

SPF Santé publique, sécurité de la chaîne alimentaire et environnement;

FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;

SPF Justice;

FOD Justitie;

SPF Economie, PME, classes moyennes et energie;

FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie;

Ministère de la Défense;

Ministerie van Defensie;

Service public de programmation Intégration sociale, lutte contre la pauvreté et économie sociale;

Programmatorische Federale Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedsbestrijding en Sociale Economie;

Service public fédéral de programmation Développement durable;

Programmatorische Federale Overheidsdienst Duurzame Ontwikkeling;

Service public fédéral de programmation Politique scientifique.

Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid.


2.

Régie des Bâtiments:

2.

Regie der Gebouwen:

Office national de Sécurité sociale;

Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;

Institut national d’Assurance sociales pour travailleurs indépendants;

Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;

Institut national d’Assurance Maladie-Invalidité;

Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;

Office national des Pensions;

Rijksdienst voor Pensioenen;

Caisse auxiliaire d’Assurance Maladie-Invalidité;

Hulpkas voor Ziekte-en Invaliditeitsverzekering;

Fond des Maladies professionnelles;

Fonds voor Beroepsziekten;

Office national de l’Emploi.

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

Bulgarije

Администрация на Народното събрание

Aдминистрация на Президента

Администрация на Министерския съвет

Конституционен съд

Българска народна банка

Министерство на външните работи

Министерство на вътрешните работи

Министерство на държавната администрация и административната реформа

Министерство на извънредните ситуации

Министерство на земеделието и храните

Министерство на здравеопазването

Министерство на икономиката и енергетиката

Министерство на културата

Министерство на образованието и науката

Министерство на околната среда и водите

Министерство на отбраната

Министерство на правосъдието

Министерство на регионалното развитие и благоустройството

Министерство на транспорта

Министерство на труда и социалната политика

Министерство на финансите

Staatsagentschappen, staatscommissies, uitvoerende agentschappen en andere staatsautoriteiten die bij wet of bij besluit van de Raad van Ministers zijn opgericht en een functie hebben die verband houdt met de uitoefening van de uitvoerende macht:

Агенция за ядрено регулиране

Висша атестационна комисия

Държавна комисия за енергийно и водно регулиране

Държавна комисия по сигурността на информацията

Комисия за защита на конкуренцията

Комисия за защита на личните данни

Комисия за защита от дискриминация

Комисия за регулиране на съобщенията

Комисия за финансов надзор

Патентно ведомство на Република България

Сметна палата на Република България

Агенция за приватизация

Агенция за следприватизационен контрол

Български институт по метрология

Държавна агенция „Архиви“

Държавна агенция „Държавен резерв и военновременни запаси“

Държавна агенция „Национална сигурност“

Държавна агенция за бежанците

Държавна агенция за българите в чужбина

Държавна агенция за закрила на детето

Държавна агенция за информационни технологии и съобщения

Държавна агенция за метрологичен и технически надзор

Държавна агенция за младежта и спорта

Държавна агенция по горите

Държавна агенция по туризма

Държавна комисия по стоковите борси и тържища

Институт по публична администрация и европейска интеграция

Национален статистически институт

Национална агенция за оценяване и акредитация

Националната агенция за професионално образование и обучение

Национална комисия за борба с трафика на хора

Агенция „Митници“

Агенция за държавна и финансова инспекция

Агенция за държавни вземания

Агенция за социално подпомагане

Агенция за хората с увреждания

Агенция по вписванията

Агенция по геодезия, картография и кадастър

Агенция по енергийна ефективност

Агенция по заетостта

Агенция по обществени поръчки

Българска агенция за инвестиции

Главна дирекция „Гражданска въздухоплавателна администрация“

Дирекция „Материално-техническо осигуряване и социално обслужване“ на Министерство на вътрешните работи

Дирекция „Оперативно издирване“ на Министерство на вътрешните работи

Дирекция „Финансово-ресурсно осигуряване“ на Министерство на вътрешните работи

Дирекция за национален строителен контрол

Държавна комисия по хазарта

Изпълнителна агенция „Автомобилна администрация“

Изпълнителна агенция „Борба с градушките“

Изпълнителна агенция „Българска служба за акредитация“

Изпълнителна агенция „Военни клубове и информация“

Изпълнителна агенция „Главна инспекция по труда“

Изпълнителна агенция „Държавна собственост на Министерството на отбраната“

Изпълнителна агенция „Железопътна администрация“

Изпълнителна агенция „Изпитвания и контролни измервания на въоръжение, техника и имущества“

Изпълнителна агенция „Морска администрация“

Изпълнителна агенция „Национален филмов център“

Изпълнителна агенция „Пристанищна администрация“

Изпълнителна агенция „Проучване и поддържане на река Дунав“

Изпълнителна агенция „Социални дейности на Министерството на отбраната“

Изпълнителна агенция за икономически анализи и прогнози

Изпълнителна агенция за насърчаване на малките и средни предприятия

Изпълнителна агенция по лекарствата

Изпълнителна агенция по лозата и виното

Изпълнителна агенция по околна среда

Изпълнителна агенция по почвените ресурси

Изпълнителна агенция по рибарство и аквакултури

Изпълнителна агенция по селекция и репродукция в животновъдството

Изпълнителна агенция по сортоизпитване, апробация и семеконтрол

Изпълнителна агенция по трансплантация

Изпълнителна агенция по хидромелиорации

Комисията за защита на потребителите

Контролно-техническата инспекция

Национален център за информация и документация

Национален център по радиобиология и радиационна защита

Национална агенция за приходите

Национална ветеринарномедицинска служба

Национална служба „Полиция“

Национална служба „Пожарна безопасност и защита на населението“

Национална служба за растителна защита

Национална служба за съвети в земеделието

Национална служба по зърното и фуражите

Служба „Военна информация“

Служба „Военна полиция“

Фонд „Републиканска пътна инфраструктура“

Авиоотряд 28

Tsjechië

Ministerstvo dopravy

Ministerstvo financí

Ministerstvo kultury

Ministerstvo obrany

Ministerstvo pro místní rozvoj

Ministerstvo práce a sociálních věcí

Ministerstvo průmyslu a obchodu

Ministerstvo spravedlnosti

Ministerstvo školství, mládeže a tělovýchovy

Ministerstvo vnitra

Ministerstvo zahraničních věcí

Ministerstvo zdravotnictví

Ministerstvo zemědělství

Ministerstvo životního prostředí

Poslanecká sněmovna PČR

Senát PČR

Kancelář prezidenta

Český statistický úřad

Český úřad zeměměřičský a katastrální

Úřad průmyslového vlastnictví

Úřad pro ochranu osobních údajů

Bezpečnostní informační služba

Národní bezpečnostní úřad

Česká akademie věd

Vězeňská služba

Český báňský úřad

Úřad pro ochranu hospodářské soutěže

Správa státních hmotných rezerv

Státní úřad pro jadernou bezpečnost

Česká národní banka

Energetický regulační úřad

Úřad vlády České republiky

Ústavní soud

Nejvyšší soud

Nejvyšší správní soud

Nejvyšší státní zastupitelství

Nejvyšší kontrolní úřad

Kancelář Veřejného ochránce práv

Grantová agentura České republiky

Státní úřad inspekce práce

Český telekomunikační úřad

Denemarken

Folketinget

Rigsrevisionen

Statsministeriet

Udenrigsministeriet

Beskæftigelsesministeriet

5 styrelser og institutioner (5 agentschappen en instellingen)

Domstolsstyrelsen

Finansministeriet

5 styrelser og institutioner (5 agentschappen en instellingen)

Forsvarsministeriet

5 styrelser og institutioner (5 agentschappen en instellingen)

Ministeriet for Sundhed og Forebyggelse

Adskillige styrelser og institutioner, herunder Statens Serum Institut (diverse agentschappen en instellingen, waaronder Statens Serum Institut)

Justitsministeriet

Rigspolitichefen, anklagemyndigheden samt 1 direktorat og et antal styrelser (hoofd van de politie, openbare aanklager, 1 directoraat en een aantal agentschappen)

Kirkeministeriet

10 stiftsøvrigheder (10 diocesane autoriteiten)

Kulturministeriet

4 styrelser samt et antal statsinstitutioner (4 agentschappen en een aantal instellingen)

Miljøministeriet

5 styrelser (5 agentschappen)

Ministeriet for Flygtninge, Indvandrere og Integration

1 styrelse (1 agentschap)

Ministeriet for Fødevarer, Landbrug og Fiskeri

4 direktorater og institutioner (4 directoraten en instellingen)

Ministeriet for Videnskab, Teknologi og Udvikling

Adskillige styrelser og institutioner, Forskningscenter Risø og Statens uddannelsesbygninger (diverse agentschappen en instellingen, waaronder nationaal onderzoekscentrum Risø en de nationale onderzoeks- en onderwijsinstituten)

Skatteministeriet

1 styrelse og institutioner (1 agentschap en diverse instellingen)

Velfærdsministeriet

3 styrelser og institutioner (3 agentschappen en diverse instellingen)

Transportministeriet

7 styrelser og institutioner, herunder Øresundsbrokonsortiet (7 agentschappen en instellingen, waaronder Øresundsbrokonsortiet)

Undervisningsministeriet

3 styrelser, 4 undervisningsinstitutioner og 5 andre institutioner (3 agentschappen, 4 onderwijsinstellingen, 5 andere instellingen)

Økonomi- og Erhvervsministeriet

Adskillige styrelser og institutioner (diverse agentschappen en instellingen)

Klima- og Energiministeriet

3 styrelser og institutioner (3 agentschappen en instellingen)

Duitsland

Auswärtiges Amt

Bundeskanzleramt

Bundesministerium für Arbeit und Soziales

Bundesministerium für Bildung und Forschung

Bundesministerium für Ernährung, Landwirtschaft und Verbraucherschutz

Bundesministerium der Finanzen

Bundesministerium des Innern (alleen civiele goederen)

Bundesministerium für Gesundheit

Bundesministerium für Familie, Senioren, Frauen und Jugend

Bundesministerium der Justiz

Bundesministerium für Verkehr, Bau und Stadtentwicklung

Bundesministerium für Wirtschaft und Technologie

Bundesministerium für wirtschaftliche Zusammenarbeit und Entwicklung

Bundesministerium der Verteidigung (geen militaire goederen)

Bundesministerium für Umwelt, Naturschutz und Reaktorsicherheit

Estland

Vabariigi Presidendi Kantselei;

Eesti Vabariigi Riigikogu;

Eesti Vabariigi Riigikohus;

Riigikontroll;

Õiguskantsler;

Riigikantselei;

Rahvusarhiiv;

Haridus- ja Teadusministeerium;

Justiitsministeerium;

Kaitseministeerium;

Keskkonnaministeerium;

Kultuuriministeerium;

Majandus- ja Kommunikatsiooniministeerium;

Põllumajandusministeerium;

Rahandusministeerium;

Siseministeerium;

Sotsiaalministeerium;

Välisministeerium;

Keeleinspektsioon;

Riigiprokuratuur;

Teabeamet;

Maa-amet;

Keskkonnainspektsioon;

Metsakaitse- ja Metsauuenduskeskus;

Muinsuskaitseamet;

Patendiamet;

Tarbijakaitseamet;

Riigihangete Amet;

Taimetoodangu Inspektsioon;

Põllumajanduse Registrite ja Informatsiooni Amet;

Veterinaar- ja Toiduamet;

Konkurentsiamet;

Maksu- ja Tolliamet;

Statistikaamet;

Kaitsepolitseiamet;

Kodakondsus- ja Migratsiooniamet;

Piirivalveamet;

Politseiamet;

Eesti Kohtuekspertiisi Instituut;

Keskkriminaalpolitsei;

Päästeamet;

Andmekaitse Inspektsioon;

Ravimiamet;

Sotsiaalkindlustusamet;

Tööturuamet;

Tervishoiuamet;

Tervisekaitseinspektsioon;

Tööinspektsioon;

Lennuamet;

Maanteeamet;

Veeteede Amet;

Julgestuspolitsei;

Kaitseressursside Amet;

Kaitseväe Logistikakeskus;

Tehnilise Järelevalve Amet.

Ierland

President’s Establishment

Houses of the Oireachtas - [parlement]

Department of the Taoiseach - [eerste minister]

Central Statistics Office

Department of Finance

Office of the Comptroller and Auditor General

Office of the Revenue Commissioners

Office of Public Works

State Laboratory

Office of the Attorney General

Office of the Director of Public Prosecutions

Valuation Office

Office of the Commission for Public Service Appointments

Public Appointments Service

Office of the Ombudsman

Chief State Solicitor’s Office

Department of Justice, Equality and Law Reform

Courts Service

Prisons Service

Office of the Commissioners of Charitable Donations and Bequests

Department of the Environment, Heritage and Local Government

Department of Education and Science

Department of Communications, Energy and Natural Resources

Department of Agriculture, Fisheries and Food

Department of Transport

Department of Health and Children

Department of Enterprise, Trade and Employment

Department of Arts, Sports and Tourism

Department of Defence

Department of Foreign Affairs

Department of Social and Family Affairs

Department of Community, Rural and Gaeltacht - [Ierstalige regio's] Affairs

Arts Council

National Gallery.

Griekenland

Υπουργείο Εσωτερικών·

Υπουργείο Εξωτερικών·

Υπουργείο Οικονομίας και Οικονομικών·

Υπουργείο Ανάπτυξης·

Υπουργείο Δικαιοσύνης·

Υπουργείο Εθνικής Παιδείας και Θρησκευμάτων·

Υπουργείο Πολιτισμού·

Υπουργείο Υγείας και Κοινωνικής Αλληλεγγύης·

Υπουργείο Περιβάλλοντος, Χωροταξίας και Δημοσίων Έργων·

Υπουργείο Απασχόλησης και Κοινωνικής Προστασίας·

Υπουργείο Μεταφορών και Επικοινωνιών·

Υπουργείο Αγροτικής Ανάπτυξης και Τροφίμων·

Υπουργείο Εμπορικής Ναυτιλίας, Αιγαίου και Νησιωτικής Πολιτικής·

Υπουργείο Μακεδονίας-Θράκης·

Γενική Γραμματεία Επικοινωνίας·

Γενική Γραμματεία Ενημέρωσης·

Γενική Γραμματεία Νέας Γενιάς·

Γενική Γραμματεία Ισότητας·

Γενική Γραμματεία Κοινωνικών Ασφαλίσεων·

Γενική Γραμματεία Απόδημου Ελληνισμού·

Γενική Γραμματεία Βιομηχανίας·

Γενική Γραμματεία Έρευνας και Τεχνολογίας·

Γενική Γραμματεία Αθλητισμού·

Γενική Γραμματεία Δημοσίων Έργων·

Γενική Γραμματεία Εθνικής Στατιστικής Υπηρεσίας Ελλάδος·

Εθνικό Συμβούλιο Κοινωνικής Φροντίδας·

Οργανισμός Εργατικής Κατοικίας·

Εθνικό Τυπογραφείο·

Γενικό Χημείο του Κράτους·

Ταμείο Εθνικής Οδοποιίας·

Εθνικό Καποδιστριακό Πανεπιστήμιο Αθηνών·

Αριστοτέλειο Πανεπιστήμιο Θεσσαλονίκης·

Δημοκρίτειο Πανεπιστήμιο Θράκης·

Πανεπιστήμιο Αιγαίου·

Πανεπιστήμιο Ιωαννίνων·

Πανεπιστήμιο Πατρών·

Πανεπιστήμιο Μακεδονίας·

Πολυτεχνείο Κρήτης·

Σιβιτανίδειος Δημόσια Σχολή Τεχνών και Επαγγελμάτων·

Αιγινήτειο Νοσοκομείο·

Αρεταίειο Νοσοκομείο·

Εθνικό Κέντρο Δημόσιας Διοίκησης·

Οργανισμός Διαχείρισης Δημοσίου Υλικού·

Οργανισμός Γεωργικών Ασφαλίσεων·

Οργανισμός Σχολικών Κτιρίων·

Γενικό Επιτελείο Στρατού·

Γενικό Επιτελείο Ναυτικού·

Γενικό Επιτελείο Αεροπορίας·

Ελληνική Επιτροπή Ατομικής Ενέργειας·

Γενική Γραμματεία Εκπαίδευσης Ενηλίκων·

Υπουργείο Εθνικής Άμυνας·

Γενική Γραμματεία Εμπορίου.

Spanje

Presidencia del Gobierno

Ministerio de Asuntos Exteriores y de Cooperación

Ministerio de Justicia

Ministerio de Defensa

Ministerio de Economía y Hacienda

Ministerio del Interior

Ministerio de Fomento

Ministerio de Educación, Política Social y Deportes

Ministerio de Industria, Turismo y Comercio

Ministerio de Trabajo e Inmigración

Ministerio de la Presidencia

Ministerio de Administraciones Públicas

Ministerio de Cultura

Ministerio de Sanidad y Consumo

Ministerio de Medio Ambiente y Medio Rural y Marino

Ministerio de Vivienda

Ministerio de Ciencia e Innovación

Ministerio de Igualdad

Frankrijk

1)   Ministeries

Services du Premier ministre

Ministère chargé de la santé, de la jeunesse et des sports

Ministère chargé de l’intérieur, de l’outre-mer et des collectivités territoriales

Ministère chargé de la justice

Ministère chargé de la défense

Ministère chargé des affaires étrangères et européennes

Ministère chargé de l’éducation nationale

Ministère chargé de l’économie, des finances et de l’emploi

Secrétariat d'État aux transports

Secrétariat d'État aux entreprises et au commerce extérieur

Ministère chargé du travail, des relations sociales et de la solidarité

Ministère chargé de la culture et de la communication

Ministère chargé du budget, des comptes publics et de la fonction publique

Ministère chargé de l’agriculture et de la pêche

Ministère chargé de l’enseignement supérieur et de la recherche

Ministère chargé de l’écologie, du développement et de l’aménagement durables

Secrétariat d'État à la fonction publique

Ministère chargé du logement et de la ville

Secrétariat d'État à la coopération et à la francophonie

Secrétariat d'État à l’outre-mer

Secrétariat d'État à la jeunesse, des sports et de la vie associative

Secrétariat d'État aux anciens combattants

Ministère chargé de l’immigration, de l’intégration, de l’identité nationale et du co-développement

Secrétariat d'État en charge de la prospective et de l’évaluation des politiques publiques

Secrétariat d'État aux affaires européennes

Secrétariat d'État aux affaires étrangères et aux droits de l’homme

Secrétariat d'État à la consommation et au tourisme

Secrétariat d’Etat à la politique de la ville

Secrétariat d'État à la solidarité

Secrétariat d'État en charge de l’industrie et de la consommation

Secrétariat d'État en charge de l’emploi

Secrétariat d'État en charge du commerce, de l’artisanat, des PME, du tourisme et des services

Secrétariat d'État en charge de l’écologie

Secrétariat d'État en charge du développement de la région-capitale

Secrétariat d'État en charge de l’aménagement du territoire

2)   Instellingen, onafhankelijke diensten en gerechtelijke instanties

Présidence de la République

Assemblée nationale

Sénat

Conseil constitutionnel

Conseil économique et social

Conseil supérieur de la magistrature

Agence française contre le dopage

Autorité de contrôle des assurances et des mutuelles

Autorité de contrôle des nuisances sonores aéroportuaires

Autorité de régulation des communications électroniques et des postes

Autorité de sûreté nucléaire

Autorité indépendante des marchés financiers

Comité national d’évaluation des établissements publics à caractère scientifique, culturel et professionnel

Commission d’accès aux documents administratifs

Commission consultative du secret de la défense nationale

Commission nationale des comptes de campagne et des financements politiques

Commission nationale de contrôle des interceptions de sécurité

Commission nationale de déontologie de la sécurité

Commission nationale du débat public

Commission nationale de l’informatique et des libertés

Commission des participations et des transferts

Commission de régulation de l’énergie

Commission de la sécurité des consommateurs

Commission des sondages

Commission de la transparence financière de la vie politique

Conseil de la concurrence

Conseil des ventes volontaires de meubles aux enchères publiques

Conseil supérieur de l’audiovisuel

Défenseur des enfants

Haute autorité de lutte contre les discriminations et pour l’égalité

Haute autorité de santé

Médiateur de la République

Cour de justice de la République

Tribunal des Conflits

Conseil d'État

Cours administratives d’appel

Tribunaux administratifs

Cour des Comptes

Chambres régionales des Comptes

Cours et tribunaux de l’ordre judiciaire (Cour de Cassation, Cours d’Appel, Tribunaux d’instance et Tribunaux de grande instance)

3)   Nationale openbare instellingen

Académie de France à Rome

Académie de marine

Académie des sciences d’outre-mer

Académie des technologies

Agence centrale des organismes de sécurité sociale (ACOSS)

Agence de biomédicine

Agence pour l’enseignement du français à l’étranger

Agence française de sécurité sanitaire des aliments

Agence française de sécurité sanitaire de l’environnement et du travail

Agence nationale pour la cohésion sociale et l’égalité des chances

Agence nationale pour la garantie des droits des mineurs

Agences de l’eau

Agence nationale de l’Accueil des Etrangers et des migrations

Agence nationale pour l’amélioration des conditions de travail (ANACT)

Agence nationale pour l’amélioration de l’habitat (ANAH)

Agence nationale pour la Cohésion Sociale et l’Egalité des Chances

Agence nationale pour l’indemnisation des français d’outre-mer (ANIFOM)

Assemblée permanente des chambres d’agriculture (APCA)

Bibliothèque publique d’information

Bibliothèque nationale de France

Bibliothèque nationale et universitaire de Strasbourg

Caisse des dépôts et consignations

Caisse nationale des autoroutes (CNA)

Caisse nationale militaire de sécurité sociale (CNMSS)

Caisse de garantie du logement locatif social

Casa de Velasquez

Centre d’enseignement zootechnique

Centre d’études de l’emploi

Centre d’études supérieures de la sécurité sociale

Centres de formation professionnelle et de promotion agricole

Centre hospitalier des Quinze-Vingts

Centre international d’études supérieures en sciences agronomiques (Montpellier Sup Agro)

Centre des liaisons européennes et internationales de sécurité sociale

Centre des monuments nationaux

Centre national d’art et de culture Georges Pompidou

Centre national des arts plastiques

Centre national de la cinématographie

Centre national d'études et d’expérimentation du machinisme agricole, du génie rural, des eaux et des forêts (CEMAGREF)

Centre national du livre

Centre national de documentation pédagogique

Centre national des œuvres universitaires et scolaires (CNOUS)

Centre national professionnel de la propriété forestière

Centre national de la recherche scientifique (C.N.R.S)

Centres d’éducation populaire et de sport (CREPS)

Centres régionaux des œuvres universitaires (CROUS)

Collège de France

Conservatoire de l’espace littoral et des rivages lacustres

Conservatoire National des Arts et Métiers

Conservatoire national supérieur de musique et de danse de Paris

Conservatoire national supérieur de musique et de danse de Lyon

Conservatoire national supérieur d’art dramatique

École centrale de Lille

École centrale de Lyon

École centrale des arts et manufactures

École française d’archéologie d’Athènes

École française d’Extrême-Orient

École française de Rome

École des hautes études en sciences sociales

École du Louvre

École nationale d’administration

École nationale de l’aviation civile (ENAC)

École nationale des Chartes

École nationale d’équitation

École nationale du génie de l’eau et de l’environnement de Strasbourg

Écoles nationales d’ingénieurs

École nationale d’ingénieurs des industries des techniques agricoles et alimentaires de Nantes

Écoles nationales d’ingénieurs des travaux agricoles

École nationale de la magistrature

Écoles nationales de la marine marchande

École nationale de la santé publique (ENSP)

École nationale de ski et d’alpinisme

École nationale supérieure des arts décoratifs

École nationale supérieure des arts et techniques du théâtre

École nationale supérieure des arts et industries textiles Roubaix

Écoles nationales supérieures d’arts et métiers

École nationale supérieure des beaux-arts

École nationale supérieure de céramique industrielle

École nationale supérieure de l’électronique et de ses applications (ENSEA)

École nationale supérieure du paysage de Versailles

École nationale supérieure des Sciences de l’information et des bibliothécaires

École nationale supérieure de la sécurité sociale

Écoles nationales vétérinaires

École nationale de voile

Écoles normales supérieures

École polytechnique

École technique professionnelle agricole et forestière de Meymac (Corrèze)

École de sylviculture Crogny (Aube)

École de viticulture et d’œnologie de la Tour-Blanche (Gironde)

École de viticulture — Avize (Marne)

Établissement national d’enseignement agronomique de Dijon

Établissement national des invalides de la marine (ENIM)

Établissement national de bienfaisance Koenigswarter

Établissement public du musée et du domaine national de Versailles

Fondation Carnegie

Fondation Singer-Polignac

Haras nationaux

Hôpital national de Saint-Maurice

Institut des hautes études pour la science et la technologie

Institut français d’archéologie orientale du Caire

Institut géographique national

Institut National de l’origine et de la qualité

Institut national des hautes études de sécurité

Institut de veille sanitaire

Institut National d’enseignement supérieur et de recherche agronomique et agroalimentaire de Rennes

Institut national d'études Démographiques (I.N.E.D)

Institut National d’Horticulture

Institut National de la jeunesse et de l’éducation populaire

Institut national des jeunes aveugles — Paris

Institut national des jeunes sourds — Bordeaux

Institut national des jeunes sourds — Chambéry

Institut national des jeunes sourds — Metz

Institut national des jeunes sourds — Paris

Institut national de physique nucléaire et de physique des particules (I.N.P.N.P.P)

Institut national de la propriété industrielle

Institut national de la recherche agronomique (I.N.R.A)

Institut national de la recherche pédagogique (I.N.R.P)

Institut national de la santé et de la recherche médicale (I.N.S.E.R.M)

Institut national d’histoire de l’art (I.N.H.A.)

Institut national de recherches archéologiques préventives

Institut national des sciences de l’univers

Institut national des sports et de l’education physique

Institut national supérieur de formation et de recherche pour l’éducation des jeunes handicapés et les enseignements inadaptés

Instituts nationaux polytechniques

Instituts nationaux des sciences appliquées

Institut national de recherche en informatique et en automatique (INRIA)

Institut national de recherche sur les transports et leur sécurité (INRETS)

Institut de recherche pour le développement

Instituts régionaux d’administration

Institut des sciences et des Industries du vivant et de l’environnement (Agro Paris Tech)

Institut supérieur de mécanique de Paris

Instituts Universitaires de Formation des Maîtres

Musée de l’armée

Musée Gustave-Moreau

Musée national de la marine

Musée national J.-J.-Henner

Musée du Louvre

Musée du Quai Branly

Muséum national d’histoire naturelle

Musée Auguste-Rodin

Observatoire de Paris

Office français de protection des réfugiés et apatrides

Office national des anciens combattants et des victimes de guerre (ONAC)

Office national de la chasse et de la faune sauvage

Office National de l’eau et des milieux aquatiques

Office national d’information sur les enseignements et les professions (ONISEP)

Office universitaire et culturel français pour l’Algérie

Ordre national de la Légion d’honneur

Palais de la découverte

Parcs nationaux

Universités

4)   Andere nationale publieke instellingen

Union des groupements d’achats publics (UGAP)

Agence nationale pour l’emploi (A.N.P.E)

Caisse nationale des allocations familiales (CNAF)

Caisse nationale d’assurance maladie des travailleurs salariés (CNAMS)

Caisse nationale d’assurance-vieillesse des travailleurs salariés (CNAVTS)

Italië

1)   Organen die aankopen doen

Presidenza del Consiglio dei Ministri

Ministero degli Affari Esteri

Ministero dell’Interno

Ministero della Giustizia e Uffici giudiziari (esclusi i giudici di pace)

Ministero della Difesa

Ministero dell’Economia e delle Finanze

Ministero dello Sviluppo Economico

Ministero delle Politiche Agricole, Alimentari e Forestali

Ministero dell’Ambiente - Tutela del Territorio e del Mare

Ministero delle Infrastrutture e dei Trasporti

Ministero del Lavoro, della Salute e delle Politiche Sociali

Ministero dell’Istruzione, Università e Ricerca

Ministero per i Beni e le Attività culturali, comprensivo delle sue articolazioni periferiche

2)   Andere nationale publieke organen

CONSIP (Concessionaria Servizi Informatici Pubblici)

Cyprus

Προεδρία και Προεδρικό Μέγαρο

Γραφείο Συντονιστή Εναρμόνισης

Υπουργικό Συμβούλιο

Βουλή των Αντιπροσώπων

Δικαστική Υπηρεσία

Νομική Υπηρεσία της Δημοκρατίας

Ελεγκτική Υπηρεσία της Δημοκρατίας

Επιτροπή Δημόσιας Υπηρεσίας

Επιτροπή Εκπαιδευτικής Υπηρεσίας

Γραφείο Επιτρόπου Διοικήσεως

Επιτροπή Προστασίας Ανταγωνισμού

Υπηρεσία Εσωτερικού Ελέγχου

Γραφείο Προγραμματισμού

Γενικό Λογιστήριο της Δημοκρατίας

Γραφείο Επιτρόπου Προστασίας Δεδομένων Προσωπικού Χαρακτήρα

Γραφείο Εφόρου Δημοσίων Ενισχύσεων

Αναθεωρητική Αρχή Προσφορών

Υπηρεσία Εποπτείας και Ανάπτυξης Συνεργατικών Εταιρειών

Αναθεωρητική Αρχή Προσφύγων

Υπουργείο Άμυνας

Υπουργείο Γεωργίας, Φυσικών Πόρων και Περιβάλλοντος

Τμήμα Γεωργίας

Κτηνιατρικές Υπηρεσίες

Τμήμα Δασών

Τμήμα Αναπτύξεως Υδάτων

Τμήμα Γεωλογικής Επισκόπησης

Μετεωρολογική Υπηρεσία

Τμήμα Αναδασμού

Υπηρεσία Μεταλλείων

Ινστιτούτο Γεωργικών Ερευνών

Τμήμα Αλιείας και Θαλάσσιων Ερευνών

Υπουργείο Δικαιοσύνης και Δημοσίας Τάξεως

Αστυνομία

Πυροσβεστική Υπηρεσία Κύπρου

Τμήμα Φυλακών

Υπουργείο Εμπορίου, Βιομηχανίας και Τουρισμού

Τμήμα Εφόρου Εταιρειών και Επίσημου Παραλήπτη

Υπουργείο Εργασίας και Κοινωνικών Ασφαλίσεων

Τμήμα Εργασίας

Τμήμα Κοινωνικών Ασφαλίσεων

Τμήμα Υπηρεσιών Κοινωνικής Ευημερίας

Κέντρο Παραγωγικότητας Κύπρου

Ανώτερο Ξενοδοχειακό Ινστιτούτο Κύπρου

Ανώτερο Τεχνολογικό Ινστιτούτο

Τμήμα Επιθεώρησης Εργασίας

Τμήμα Εργασιακών Σχέσεων

Υπουργείο Εσωτερικών

Επαρχιακές Διοικήσεις

Τμήμα Πολεοδομίας και Οικήσεως

Τμήμα Αρχείου Πληθυσμού και Μεταναστεύσεως

Τμήμα Κτηματολογίου και Χωρομετρίας

Γραφείο Τύπου και Πληροφοριών

Πολιτική Άμυνα

Υπηρεσία Μέριμνας και Αποκαταστάσεων Εκτοπισθέντων

Υπηρεσία Ασύλου

Υπουργείο Εξωτερικών

Υπουργείο Οικονομικών

Τελωνεία

Τμήμα Εσωτερικών Προσόδων

Στατιστική Υπηρεσία

Τμήμα Κρατικών Αγορών και Προμηθειών

Τμήμα Δημόσιας Διοίκησης και Προσωπικού

Κυβερνητικό Τυπογραφείο

Τμήμα Υπηρεσιών Πληροφορικής

Υπουργείο Παιδείας και Πολιτισμού

Υπουργείο Συγκοινωνιών και Έργων

Τμήμα Δημοσίων Έργων

Τμήμα Αρχαιοτήτων

Τμήμα Πολιτικής Αεροπορίας

Τμήμα Εμπορικής Ναυτιλίας

Τμήμα Οδικών Μεταφορών

Τμήμα Ηλεκτρομηχανολογικών Υπηρεσιών

Τμήμα Ηλεκτρονικών Επικοινωνιών

Υπουργείο Υγείας

Φαρμακευτικές Υπηρεσίες

Γενικό Χημείο

Ιατρικές Υπηρεσίες και Υπηρεσίες Δημόσιας Υγείας

Οδοντιατρικές Υπηρεσίες

Υπηρεσίες Ψυχικής Υγείας

Letland

a)   Ministeries, staatssecretariaten en instellingen die daaronder ressorteren

Aizsardzības ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Ārlietu ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Bērnu un ģimenes lietu ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Ekonomikas ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Finanšu ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Iekšlietu ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Izglītības un zinātnes ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Kultūras ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Labklājības ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Reģionālās attīstības un pašvaldības lietu ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Satiksmes ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Tieslietu ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Veselības ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Vides ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Zemkopības ministrija un tās padotībā esošās iestādes

Īpašu uzdevumu ministra sekretariāti un to padotībā esošās iestādes

Satversmes aizsardzības birojs

b)   Andere centrale overheidsinstellingen

Augstākā tiesa

Centrālā vēlēšanu komisija

Finanšu un kapitāla tirgus komisija

Latvijas Banka

Prokuratūra un tās pārraudzībā esošās iestādes

Saeimas kanceleja un tās padotībā esošās iestādes

Satversmes tiesa

Valsts kanceleja un tās padotībā esošās iestādes

Valsts kontrole

Valsts prezidenta kanceleja

Tiesībsarga birojs

Nacionālā radio un televīzijas padome

Citas valsts iestādes, kuras nav ministriju padotībā (andere centrale overheidsinstellingen die niet onder een ministerie ressorteren)

Litouwen

Prezidentūros kanceliarija

Seimo kanceliarija

Instellingen die verantwoording verschuldigd zijn aan de Seimas (parlement):

Lietuvos mokslo taryba;

Seimo kontrolierių įstaiga;

Valstybės kontrolė;

Specialiųjų tyrimų tarnyba;

Valstybės saugumo departamentas;

Konkurencijos taryba;

Lietuvos gyventojų genocido ir rezistencijos tyrimo centras;

Vertybinių popierių komisija;

Ryšių reguliavimo tarnyba;

Nacionalinė sveikatos taryba;

Etninės kultūros globos taryba;

Lygių galimybių kontrolieriaus tarnyba;

Valstybinė kultūros paveldo komisija;

Vaiko teisių apsaugos kontrolieriaus įstaiga;

Valstybinė kainų ir energetikos kontrolės komisija;

Valstybinė lietuvių kalbos komisija;

Vyriausioji rinkimų komisija;

Vyriausioji tarnybinės etikos komisija;

Žurnalistų etikos inspektoriaus tarnyba

Vyriausybės kanceliarija

Instellingen die verantwoording verschuldigd zijn aan de Vyriausybė (regering):

Ginklų fondas;

Informacinės visuomenės plėtros komitetas;

Kūno kultūros ir sporto departamentas;

Lietuvos archyvų departamentas;

Mokestinių ginčų komisija;

Statistikos departamentas;

Tautinių mažumų ir išeivijos departamentas;

Valstybinė tabako ir alkoholio kontrolės tarnyba;

Viešųjų pirkimų tarnyba;

Narkotikų kontrolės departamentas;

Valstybinė atominės energetikos saugos inspekcija;

Valstybinė duomenų apsaugos inspekcija;

Valstybinė lošimų priežiūros komisija;

Valstybinė maisto ir veterinarijos tarnyba;

Vyriausioji administracinių ginčų komisija;

Draudimo priežiūros komisija;

Lietuvos valstybinis mokslo ir studijų fondas;

Lietuvių grįžimo į Tėvynę informacijos centras<