ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.125.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 125

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
12 mei 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Kennisgeving betreffende de voorlopige toepassing van de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds

1

 

 

2012/251/EU

 

*

Besluit van de Raad van 24 april 2012 over het door de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst

2

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 405/2012 van de Commissie van 4 mei 2012 tot vaststelling van een verbod op de visserij op noordse garnaal in het gebied Noorse wateren bezuiden 62° NB door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

25

 

*

Verordening (EU) nr. 406/2012 van de Commissie van 4 mei 2012 tot vaststelling van een verbod op de visserij op zeeduivel in gebied VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

27

 

*

Verordening (EU) nr. 407/2012 van de Commissie van 4 mei 2012 tot vaststelling van een verbod op de visserij op makreel in gebied VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren

29

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 408/2012 van de Commissie van 11 mei 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

31

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/252/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 13 juli 2011 betreffende steunmaatregel C 6/08 (ex NN 69/07) door Finland ten uitvoer gelegd ten gunste van Ålands Industrihus Ab (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4905)  ( 1 )

33

 

 

2012/253/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 10 mei 2012 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG van de Raad wat betreft de fundamentele algemene criteria op grond waarvan een bepaald gebied als vrij van bluetongue wordt beschouwd (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 2978)  ( 1 )

51

 

 

2012/254/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 10 mei 2012 betreffende de niet-opneming van dichloorvos voor productsoort 18 in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 3016)  ( 1 )

53

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011)

54

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/1


Kennisgeving betreffende de voorlopige toepassing van de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1)

De Europese Unie, de Republiek Madagaskar, de Republiek Mauritius, de Republiek der Seychellen en de Republiek Zimbabwe hebben kennis gegeven van de voltooiing van de procedures die nodig zijn voor de voorlopige toepassing van de Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, overeenkomstig artikel 62 van die overeenkomst. De overeenkomst wordt derhalve met ingang van 14 mei 2012 voorlopig toegepast tussen de Europese Unie en de Republiek Madagaskar, de Republiek Mauritius, de Republiek der Seychellen en de Republiek Zimbabwe.


(1)  PB L 111 van 24.4.2012, blz. 1.


12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/2


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 april 2012

over het door de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst

(2012/251/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, artikel 192, lid 1, en artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage II en bijlage XX bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) („de EER-overeenkomst”) bevatten specifieke bepalingen en regelingen betreffende technische voorschriften, normen, keuring en certificatie, en milieu.

(2)

Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (3) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1336/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 648/2004 teneinde deze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 (4) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)

Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 (5) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(5)

Verordening (EU) nr. 453/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (6) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(6)

Verordening (EU) nr. 440/2010 van de Commissie van 21 mei 2010 betreffende de aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen te betalen vergoedingen krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 (7) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(7)

Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreft de intrekking van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (8) en van Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) met ingang van 1 juni 2015. Aangezien die richtlijnen zijn opgenomen in de EER-overeenkomst, moet die overeenkomst in verband met hun intrekking met ingang van 1 juni 2015 worden gewijzigd.

(8)

De bijlagen II en XX bij de EER-overeenkomst moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Het door de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt moet derhalve worden gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het door de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Luxemburg, 24 april 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

N. WAMMEN


(1)  PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(4)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 60.

(5)  PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68.

(6)  PB L 133 van 31.5.2010, blz. 1.

(7)  PB L 126 van 22.5.2010, blz. 1.

(8)  Richtlijn 67/548/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 196 van 16.8.1967, blz. 1).

(9)  Richtlijn 1999/45/EG van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1).


ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2012 VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER

van

tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), gewijzigd bij het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (2) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(2)

Verordening (EG) nr. 1336/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 648/2004 teneinde deze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 (3) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(3)

Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 (4) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)

Verordening (EU) nr. 453/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (5) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(5)

Verordening (EU) nr. 440/2010 van de Commissie van 21 mei 2010 betreffende de aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen te betalen vergoedingen krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 (6) moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(6)

Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreft de intrekking van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (7) en van Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) met ingang van 1 juni 2015. Aangezien de richtlijnen zijn opgenomen in de EER-overeenkomst, moet die overeenkomst in verband met hun intrekking met ingang van 1 juni 2015 worden gewijzigd.

(7)

Bijlagen II en XX bij de EER-overeenkomst moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst wordt gewijzigd zoals aangegeven in bijlagen I tot III bij dit besluit.

Artikel 2

In bijlage XX (Milieu) bij de EER-overeenkomst wordt het volgende streepje toegevoegd in de punten 21ab (Richtlijn 1999/13/EG van de Raad), 32e (Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad) en 32fa (Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad):

„—

32008 L 0112: Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68).”.

Artikel 3

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van de Verordeningen (EG) nr. 1272/2008, (EG) nr. 1336/2008, (EU) nr. 440/2010 en (EU) nr. 453/2010 en van Richtlijn 2008/112/EG zijn authentiek.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op ..., op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen aan het Gemengd Comité van de EER hebben plaatsgevonden (9).

Artikel 5

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te …, …

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen

van het Gemengd Comité van de EER


(1)  PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(2)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(3)  PB L 354 van 31.12.2008, blz. 60.

(4)  PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68.

(5)  PB L 133 van 31.5.2010, blz. 1.

(6)  PB L 126 van 22.5.2010, blz. 1.

(7)  Richtlijn 67/548/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB 196 van 16.8.1967, blz. 1).

(8)  Richtlijn 1999/45/EG van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1).

(9)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]

BIJLAGE I

bij Besluit nr. …/2012 van het Gemengd Comité van de EER

Bijlage II bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1)

In hoofdstuk XV wordt in punt 1 (Richtlijn 67/548/EEG van de Raad) en in punt 12r (Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad) het volgende streepje toegevoegd:

„—

32008 R 1272: Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).”.

2)

Aanpassing c) in punt 1 (Richtlijn 67/548/EEG van de Raad) van hoofdstuk XV wordt vervangen door:

„De volgende bepalingen zijn niet van toepassing op Noorwegen:

i)

artikel 30 in samenhang met artikelen 4 en 5 met betrekking tot de vereisten inzake indeling en/of specifieke concentratiegrenzen voor stoffen of stoffencategorieën vermeld in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 en aangegeven in de hierna volgende tabel. Noorwegen kan voor deze stof de toepassing van een verschillende indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voorschrijven;

Naam

CAS-nr.

Catalogusnummer

EINECS-nummer

acrylamide

79-06-1

616-003-00-0

201-173-7

ii)

artikel 30 in samenhang met artikelen 4 en 6 met betrekking tot de vereisten inzake indeling en/of specifieke concentratiegrenzen voor stoffen of stoffencategorieën niet vermeld in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 en aangegeven in de hierna volgende tabel. Noorwegen kan voor deze stoffen de toepassing van een verschillende indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voorschrijven;

Naam

CAS-nr.

Catalogusnummer

ELINCS

methyl acrylamidoglycolaat

(bevattende 0,01 % ≤ acrylamide < 0,1 %)

77402-05-2

[NOR-UNN-02-91]

403-230-3

methyl acrylamidomethoxyacetaat

(bevattende 0,01 % ≤ acrylamide < 0,1 %)

77402-03-0

[NOR-UNN-03-01]

401-890-7

iii)

Als Noorwegen niet uiterlijk 1 juni 2012, overeenkomstig artikel 37, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1272/2008, gevolg heeft gegeven aan de voorstellen voor geharmoniseerde indeling en etikettering die op 1 juni 2009 werden voorgelegd aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen om de indeling en etikettering strikter te maken, komt er op die datum een einde aan deze afwijkingen.

Als gevolg wordt gegeven aan de procedure voor de geharmoniseerde indeling en etikettering als bepaald in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1272/2008, zullen de afwijkingen voor 31 december 2013 worden herzien. Als uit de procedure blijkt dat de afwijkingen nog steeds gegrond zijn, wordt hun behoud vastgesteld in een besluit van het Gemengd Comité van de EER. Indien een dergelijk besluit niet voor 1 juli 2014 wordt vastgesteld, komt op die datum een einde aan de afwijkingen.”.

3)

In hoofdstuk XV (Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad) wordt in punt 12r de aanpassingstekst d), ii) geschrapt.

4)

In hoofdstuk XV (Verordening (EG) nr. 648/2004 van het Europees Parlement en de Raad) wordt in punt 12u het volgende streepje toegevoegd:

„—

32008 R 1336: Verordening (EG) nr. 1336/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 60).”.

5)

In hoofdstuk XV (Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad) worden in punt 12zc de volgende streepjes toegevoegd:

„—

32008 R 1272: Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1),

32010 R 0453: Verordening (EU) nr. 453/2010 van de Commissie van 20 mei 2010 (PB L 133 van 31.5.2010, blz. 1).”.

6)

In hoofdstuk XV (Besluit 2010/226/EG van de Commissie) worden na punt 12zu de volgende punten ingevoegd:

„12zv.

32008 R 1272: Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

De bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008 worden voor de toepassing van deze overeenkomst als volgt aangepast:

a)

Liechtenstein wordt niet verplicht tot oprichting van een nationale helpdesk in de zin van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1272/2008. In de plaats daarvan zal Liechtenstein op de homepage van de in Liechtenstein bevoegde autoriteit voor chemische stoffen, het Bureau voor milieubescherming, een link publiceren naar de helpdesk van de Duitse „Bundesanstalt für Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin”.

b)

De volgende bepalingen zijn niet van toepassing op Noorwegen:

i)

artikel 51 in samenhang met artikelen 4 en 46, lid 1, met betrekking tot de vereisten inzake indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voor stoffen of stoffencategorieën vermeld in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 en aangegeven in de hierna volgende tabel. Noorwegen kan voor deze stof de toepassing van een verschillende indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voorschrijven;

Naam

CAS-nr.

Catalogusnummer

EINECS-nummer

acrylamide

79-06-1

616-003-00-0

201-173-7

ii)

artikel 51 in samenhang met artikelen 4 en 46, lid 1, met betrekking tot de vereisten inzake indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voor stoffen of stoffencategorieën vermeld in deel 3 van bijlage VI bij de verordening en aangegeven in de hierna volgende tabel. Noorwegen kan voor deze stoffen de toepassing van een verschillende indeling, etikettering en/of specifieke concentratiegrenzen voorschrijven;

Naam

CAS-nr.

Catalogusnummer

ELINCS

methyl acrylamidoglycolaat

(bevattende 0,01 % ≤ acrylamide < 0,1 %)

77402-05-2

[NOR-UNN-02-91]

403-230-3

methyl acrylamidomethoxyacetaat

(bevattende 0,01 % ≤ acrylamide < 0,1 %)

77402-03-0

[NOR-UNN-03-01]

401-890-7

iii)

artikel 51 in samenhang met artikelen 4, 9 en 46, lid 1, voor preparaten die stoffen bevatten zoals hierboven omschreven in aanpassingstekst i) en ii).

iv)

Als Noorwegen niet uiterlijk 1 juni 2012 overeenkomstig artikel 37, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 gevolg heeft gegeven aan de voorstellen voor geharmoniseerde indeling en etikettering die op 1 juni 2009 werden voorgelegd aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen om de indeling en etikettering strikter te maken, komt er op die datum een einde aan deze afwijkingen.

Als gevolg wordt gegeven aan de procedure voor de geharmoniseerde indeling en etikettering als bepaald in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1272/2008, worden de afwijkingen voor 31 december 2013 herzien. Als uit de procedure blijkt dat de afwijkingen nog steeds gegrond zijn, wordt hun behoud vastgesteld in een besluit van het Gemengd Comité van de EER. Indien een dergelijk besluit niet voor 1 juli 2014 wordt vastgesteld, komt op die datum een einde aan de afwijkingen.

c)

Bijlagen 5 en 6 bevatten de IJslandse en Noorse versie van de signaalwoorden en aanduidingen bedoeld in de artikelen 21 en 22.

12zw.

32010 R 0440: Verordening (EU) nr. 440/2010 van de Commissie van 21 mei 2010 betreffende de aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen te betalen vergoedingen krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (PB L 126 van 22.5.2010, blz. 1).”.

7)

In hoofdstuk XV worden de teksten van punten 1 (Richtlijn 67/548/EEG van de Raad) en 12r (Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad) met ingang van 1 juni 2015 geschrapt.

8)

Aanhangsels 3 (Lijst van gevaarlijke stoffen in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG) en 4 (Lijst van gevaarlijke stoffen in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG van de Raad) worden met ingang van 1 juni 2015 geschrapt.

9)

Aanhangsels 5 (Gevarenaanduidingen en voorzorgsmaatregelen in het IJslands) en 6 (Gevarenaanduidingen en voorzorgsmaatregelen in het Noors) worden ingevoegd als bepaald in de bijlagen II en III bij dit besluit.

10)

In hoofdstuk XVI (Richtlijn 76/768/EEG van de Raad), punt 1, en in hoofdstuk XXIII (Richtlijn 88/378/EEG van de Raad), punt 1, wordt het volgende streepje toegevoegd:

„—

32008 L 0112: Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68).”.

11)

In hoofdstuk XVII wordt in punt 9 (Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad) het volgende toegevoegd:

„ , zoals gewijzigd bij:

32008 L 0112: Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB L 345 van 23.12.2008, blz. 68).”.

BIJLAGE II

bij Besluit nr. …/2012 van het Gemengd Comité van de EER

Aanhangsel 5

Gevarenaanduidingen en voorzorgsmaatregelen in het IJslands

Het volgende wordt toegevoegd aan bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1272/2008:

Nr.

IJslands

H200

Óstöðugt, sprengifimt efni.

H201

Sprengifimt efni, hætta á alsprengingu.

H202

Sprengifimt efni, mikil hætta á sprengibroti.

H203

Sprengifimt efni, hætta á bruna, höggbylgju eða sprengibrotum.

H204

Hætta á bruna eða sprengibrotum.

H205

Hætta á alsprengingu í bruna.

H220

Afar eldfim lofttegund.

H221

Eldfim lofttegund.

H222

Úðabrúsi með afar eldfimum efnum.

H223

Úðabrúsi með eldfimum efnum.

H224

Afar eldfimur vökvi og gufa.

H225

Mjög eldfimur vökvi og gufa.

H226

Eldfimur vökvi og gufa.

H228

Eldfimt, fast efni.

H240

Sprengifimt við hitun.

H241

Eldfimt eða sprengifimt við hitun.

H242

Eldfimt við hitun.

H250

Kviknar í sjálfkrafa við snertingu við loft.

H251

Sjálfhitandi, hætta á sjálfsíkviknun.

H252

Sjálfhitandi í miklu efnismagni, hætta á sjálfsíkviknun.

H260

Í snertingu við vatn myndast eldfimar lofttegundir sem er hætt við sjálfsíkviknun.

H261

Eldfimar lofttegundir myndast við snertingu við vatn

H270

Getur valdið eða aukið bruna, eldmyndandi (oxandi).

H271

Getur valdið bruna eða sprengingu, mjög eldmyndandi (oxandi).

H272

Getur aukið bruna, eldmyndandi (oxandi).

H280

Inniheldur lofttegund undir þrýstingi, getur sprungið við hitun.

H281

Inniheldur kælda lofttegund, getur valdið kalsárum.

H290

Getur verið ætandi fyrir málma.

H300

Banvænt við inntöku.

H301

Eitrað við inntöku.

H302

Hættulegt við inntöku.

H304

Getur verið banvænt við inntöku ef það kemst í öndunarveg.

H310

Banvænt í snertingu við húð.

H311

Eitrað í snertingu við húð.

H312

Hættulegt í snertingu við húð.

H314

Veldur alvarlegum bruna á húð og augnskaða.

H315

Veldur húðertingu.

H317

Getur valdið ofnæmisviðbrögðum í húð.

H318

Veldur alvarlegum augnskaða.

H319

Veldur alvarlegri augnertingu.

H330

Banvænt við innöndun.

H331

Eitrað við innöndun.

H332

Hættulegt við innöndun.

H334

Getur valdið ofnæmis- eða asmaeinkennum eða öndunarerfiðleikum við innöndun.

H335

Getur valdið ertingu í öndunarfærum.

H336

Getur valdið sljóleika eða svima.

H340

Getur valdið erfðagöllum (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H341

Grunað um að valda erfðagöllum (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H350

Getur valdið krabbameini (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H351

Grunað um að valda krabbameini (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H360

Getur haft skaðleg áhrif á frjósemi eða börn í móðurkviði (tilgreinið sérstök áhrif ef þau eru kunn) (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H361

Grunað um að hafa skaðleg áhrif á frjósemi eða börn í móðurkviði (tilgreinið sérstök áhrif ef þau eru kunn) (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H362

Getur skaðað börn á brjósti.

H370

Skaðar líffæri (eða tilgreinið öll líffæri sem verða fyrir áhrifum, ef þau eru kunn) (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H371

Getur skaðað líffæri (eða tilgreinið öll líffæri sem verða fyrir áhrifum, ef þau eru kunn) (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H372

Skaðar líffæri (tilgreinið öll líffæri sem verða fyrir áhrifum, ef þau eru kunn) við langvinn eða endurtekin váhrif (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H373

Getur skaðað líffæri (tilgreinið öll líffæri sem verða fyrir áhrifum, ef þau eru kunn) við langvinn eða endurtekin váhrif (tilgreinið váhrifaleið ef sannað hefur verið svo óyggjandi sé að engin önnur váhrifaleið hefur þessa hættu í för með sér).

H400

Mjög eitrað lífi í vatni.

H410

Mjög eitrað lífi í vatni, hefur langvinn áhrif.

H411

Eitrað lífi í vatni, hefur langvinn áhrif.

H412

Skaðlegt lífi í vatni, hefur langvinn áhrif.

H413

Getur valdið langvinnum, skaðlegum áhrifum á líf í vatni.

H350i

Getur valdið krabbameini við innöndun.

H360F

Getur haft skaðleg áhrif á frjósemi.

H360D

Getur haft skaðleg áhrif á börn í móðurkviði.

H361f

Grunað um að hafa skaðleg áhrif á frjósemi.

H361d

Grunað um að hafa skaðleg áhrif á börn í móðurkviði.

H360FD

Getur haft skaðleg áhrif á frjósemi. Getur haft skaðleg áhrif á börn í móðurkviði.

H361fd

Grunað um að hafa skaðleg áhrif á frjósemi. Grunað um að hafa skaðleg áhrif á börn í móðurkviði.

H360Fd

Getur haft skaðleg áhrif á frjósemi. Grunað um að hafa skaðleg áhrif á börn í móðurkviði.

H360Df

Getur haft skaðleg áhrif á börn í móðurkviði. Grunað um að hafa skaðleg áhrif á frjósemi.

EUH 001

Sprengifimt sem þurrefni.

EUH 006

Sprengifimt með og án andrúmslofts.

EUH 014

Hvarfast kröftuglega við vatn

EUH 018

Getur myndað eldfimar eða sprengifimar blöndur af efnagufu og andrúmslofti við notkun.

EUH 019

Getur myndað sprengifim efnasambönd (peroxíð).

EUH 044

Sprengifimt við hitun í lokuðu rými.

EUH 029

Myndar eitraða lofttegund í snertingu við vatn.

EUH 031

Myndar eitraða lofttegund í snertingu við sýru.

EUH 032

Myndar mjög eitraða lofttegund í snertingu við sýru.

EUH 066

Endurtekin snerting getur valdið þurri eða sprunginni húð.

EUH 070

Eitrað í snertingu við augu.

EUH 071

Ætandi fyrir öndunarfærin.

EUH 059

Hættulegt ósonlaginu.

EUH 201/201A

Inniheldur blý. Notist ekki á yfirborð hluta sem ætla má að börn tyggi eða sjúgi. Varúð! Inniheldur blý.

EUH 202

Sýanóakrýlat. Hætta. Límist við húð og augu á nokkrum sekúndum. Geymist þar sem börn ná ekki til.

EUH 203

Inniheldur sexgilt króm. Getur framkallað ofnæmisviðbrögð.

EUH 204

Inniheldur ísósýanöt. Getur framkallað ofnæmisviðbrögð.

EUH 205

Inniheldur epoxýefnisþætti. Getur framkallað ofnæmisviðbrögð.

EUH 206

Varúð! Notist ekki með öðrum vörum. Getur gefið frá sér hættulegar lofttegundir (klór).

EUH 207

Varúð! Inniheldur kadmíum. Hættulegar gufur myndast við notkun. Sjá upplýsingar frá framleiðanda. Farið eftir öryggisleiðbeiningunum.

EUH 208

Inniheldur (heiti næmandi efnis). Getur framkallað ofnæmisviðbrögð.

EUH 209/209A

Getur orðið mjög eldfimt við notkun. Getur orðið eldfimt við notkun

EUH 210

Öryggisblað er fáanlegt sé um það beðið.

EUH 401

Fylgið notkunarleiðbeiningum til að varast hættu fyrir heilbrigði manna og umhverfið.

Het volgende wordt toegevoegd aan bijlage IV, deel 2, bij Verordening (EG) nr. 1272/2008:

Nr.

IJslands

P101

Ef leita þarf læknis skal hafa ílát eða merkimiða tiltæk.

P102

Geymist þar sem börn ná ekki til.

P103

Lesið merkimiðann fyrir notkun.

P201

Aflið sérstakra leiðbeininga fyrir notkun.

P202

Nauðsynlegt er að lesa og skilja allar viðvaranir áður en efnið er notað.

P210

Haldið frá hitagjöfum, neistagjöfum, opnum eldi og heitum flötum. - Reykingar bannaðar.

P211

Má ekki úða á opinn eld eða annan íkveikjuvald.

P220

Má ekki nota eða geyma í námunda við fatnað/…/brennanleg efni.

P221

Gætið þess að blanda efninu ekki saman við brennanleg efni/…

P222

Má ekki komast í snertingu við andrúmsloft.

P223

Má alls ekki komast í snertingu við vatn vegna hættu á kröftugu hvarfi og leiftureldi.

P230

Haldið röku með ….

P231

Meðhöndlið undir óhvarfgjarnri lofttegund.

P232

Verjið gegn raka.

P233

Ílát skal vera vel lukt.

P234

Má aðeins geyma í upprunalegu íláti.

P235

Geymist á köldum stað.

P240

Jarðtengið/spennujafnið ílát og viðtökubúnað.

P241

Notið sprengiheld rafföng/loftræstibúnað/lýsingu/…

P242

Notið ekki verkfæri sem mynda neista.

P243

Gerið varúðarráðstafanir gegn stöðurafmagni

P244

Gætið þess að ekki sé feiti og olía á þrýstingslokum.

P250

Má ekki verða fyrir hnjaski/höggi/…/núningi

P251

Þrýstihylki: Ekki má gata eða brenna hylki jafnvel þótt þau séu tóm.

P260

Andið ekki að ykkur ryki/reyk/lofttegund/úða/gufu/ýringi.

P261

Gætið þess að anda ekki inn ryki/reyk/lofttegund/úða/gufu/ýringi.

P262

Má ekki koma í augu eða á húð eða föt.

P263

Forðist alla snertingu við efnið meðan á meðgöngu og brjóstagjöf stendur.

P264

Þvoið…vandlega eftir meðhöndlun.

P270

Neytið ekki matar, drykkjar eða tóbaks við notkun þessarar vöru.

P271

Notið eingöngu utandyra eða í vel loftræstu rými.

P272

Ekki skal farið með vinnuföt af vinnustað hafi þau óhreinkast af efninu.

P273

Forðist losun út í umhverfið.

P280

Notið hlífðarhanska/hlífðarfatnað/augnhlífar/andlitshlífar.

P281

Notið tilskildar persónuhlífar.

P282

Klæðist kuldaeinangrandi hönskum/andlitshlífum/augnhlífum.

P283

Klæðist brunaþolnum/eldþolnum/eldtefjandi fatnaði.

P284

Notið öndunarhlífar.

P285

Notið öndunarhlífar ef loftræsting er ófullnægjandi.

P231 + P232

Meðhöndlið undir óhvarfgjarnri lofttegund. Verjið gegn raka.

P235 + P410

Geymist á köldum stað. Hlífið við sólarljósi.

P301

EFTIR INNTÖKU:

P302

BERIST EFNIÐ Á HÚÐ:

P303

BERIST EFNIÐ Á HÚÐ (eða í hár):

P304

EFTIR INNÖNDUN:

P305

BERIST EFNIÐ Í AUGU:

P306

EF EFNIÐ FER Á FÖT:

P307

EF um váhrif er að ræða:

P308

EF um váhrif eða hugsanleg váhrif er að ræða:

P309

EF um váhrif er að ræða eða ef lasleika verður vart:

P310

Hringið umsvifalaust í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni.

P311

Hringið í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni.

P312

Hringið í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni ef lasleika verður vart.

P313

Leitið læknis.

P314

Leitið læknis ef lasleika verður vart.

P315

Leitið umsvifalaust læknis.

P320

Brýnt er að fá sérstaka meðferð (sjá … á þessum merkimiða).

P321

Sérstök meðferð (sjá … á þessum merkimiða).

P322

Sérstakar ráðstafanir (sjá … á þessum merkimiða).

P330

Skolið munninn.

P331

EKKI framkalla uppköst.

P332

Ef efnið ertir húð:

P333

Ef efnið ertir húð eða útbrot koma fram:

P334

Sökkvið í kalt vatn/vefjið með blautu sárabindi.

P335

Dustið lausar agnir af húðinni.

P336

Vermið kalna líkamshluta með volgu vatni. Ekki nudda skaddaða svæðið.

P337

Ef augnerting er viðvarandi:

P338

Fjarlægið snertilinsur ef það er auðvelt. Skolið áfram.

P340

Flytjið viðkomandi í ferskt loft og látið hann hvílast í stellingu sem léttir öndun.

P341

Ef viðkomandi á erfitt með öndun skal flytja hann í ferskt loft og láta hann hvílast í stellingu sem léttir öndun.

P342

Ef vart verður einkenna frá öndunarvegi:

P350

Þvoið varlega með mikilli sápu og vatni.

P351

Þvoið varlega með mikilli sápu og vatni.

P352

Þvoið með mikilli sápu og vatni.

P353

Skolið húðina með vatni/Farið í sturtu.

P360

Föt og húð, sem óhreinkast af efninu, skal skola strax með miklu vatni áður en farið er úr fötunum.

P361

Farið strax úr fötum sem óhreinkast af efninu.

P362

Farið úr fötum, sem óhreinkast af efninu, og þvoið fyrir næstu notkun.

P363

Þvoið föt, sem óhreinkast af efninu, fyrir næstu notkun.

P370

Ef eldur kemur upp:

P371

Þegar um mikinn eld og mikið efnismagn er að ræða:

P372

Sprengihætta ef eldur kemur upp.

P373

EKKI reyna að slökkva eld ef hann kemst að sprengifimum efnum.

P374

Beitið eðlilegum varúðarráðstöfunum við slökkvistörf og verið í hæfilegri fjarlægð frá eldinum.

P375

Verið í fjarlægð frá eldinum við slökkvistörf vegna sprengihættu.

P376

Stöðvið leka ef það er óhætt.

P377

Eldur í lekandi gasi: Reynið ekki að slökkva eldinn nema hægt sé að stöðva lekann á öruggan máta.

P378

Notið … til að slökkva eldinn.

P380

Rýmið svæðið.

P381

Fjarlægið alla íkveikjuvalda ef það er óhætt.

P390

Sogið upp allt sem hellist niður til að afstýra eignatjóni.

P391

Safnið upp því sem hellist niður.

P301 + P310

EFTIR INNTÖKU: Hringið umsvifalaust í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni.

P301 + P312

EFTIR INNTÖKU: Hringið í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni ef lasleika verður vart.

P301 + P330 + P331

EFTIR INNTÖKU: Skolið munninn. EKKI framkalla uppköst.

P302 + P334

BERIST EFNIÐ Á HÚÐ: Sökkvið í kalt vatn/vefjið með blautu sárabindi.

P302 + P350

BERIST EFNIÐ Á HÚÐ: Þvoið varlega með mikilli sápu og vatni.

P302 + P352

BERIST EFNIÐ Á HÚÐ: Þvoið með mikilli sápu og vatni

P303 + P361 + P353

BERIST EFNIÐ Á HÚÐ (eða í hár): Farið strax úr fötum sem óhreinkast af efninu. Skolið húðina með vatni/Farið í sturtu.

P304 + P340

EFTIR INNÖNDUN: Flytjið viðkomandi í ferskt loft og látið hann hvílast í stellingu sem léttir öndun.

P304 + P341

EFTIR INNÖNDUN: Ef viðkomandi á erfitt með öndun skal flytja hann í ferskt loft og láta hann hvílast í stellingu sem léttir öndun.

P305 + P351 + P338

BERIST EFNIÐ Í AUGU: Skolið varlega með vatni í nokkrar mínútur. Fjarlægið snertilinsur ef það er auðvelt. Skolið áfram.

P306 + P360

EF EFNIÐ FER Á FÖT: Föt og húð, sem óhreinkast af efninu, skal skola strax með miklu vatni áður en farið er úr fötunum.

P307 + P311

EFum váhrif er að ræða: Hringið í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni.

P308 + P313

EF um váhrif eða hugsanleg váhrif er að ræða: Leitið læknis.

P309 + P311

EF um váhrif er að ræða eða ef lasleika verður vart: Hringið í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni.

P332 + P313

Ef efnið ertir húð: Leitið læknis.

P333 + P313

Ef efnið ertir húð eða útbrot koma fram: Leitið læknis.

P335 + P334

Dustið lausar agnir af húðinni. Sökkvið í kalt vatn/vefjið með blautu sárabindi.

P337 + P313

Ef augnerting er viðvarandi: Leitið læknis.

P342 + P311

Ef vart verður einkenna frá öndunarvegi: Hringið í EITRUNARMIÐSTÖÐ eða lækni.

P370 + P376

Ef eldur kemur upp: Stöðvið leka ef það er óhætt.

P370 + P378

Ef eldur kemur upp: Notið … til að slökkva eldinn.

P370 + P380

Ef eldur kemur upp: Rýmið svæðið.

P370 + P380 + P375

Ef eldur kemur upp: Rýmið svæðið. Verið í fjarlægð frá eldinum við slökkvistörf vegna sprengihættu.

P371 + P380 + P375

Þegar um mikinn eld og mikið efnismagn er að ræða: Rýmið svæðið. Verið í fjarlægð frá eldinum við slökkvistörf vegna sprengihættu.

P401

Geymist …

P402

Geymist á þurrum stað.

P403

Geymist á vel loftræstum stað.

P404

Geymist í lokuðu íláti.

P405

Geymist á læstum stað.

P406

Geymist í tæringarþolnu/… íláti með tæringarþolnu innra lagi.

P407

Hafið loftbil á milli stafla/vörubretta.

P410

Hlífið við sólarljósi.

P411

Geymist við hitastig sem er ekki hærra en … °C/… °F.

P412

Setjið ekki í hærri hita en 50 °C/122 °F.

P413

Ef búlkavara vegur meira en … kg/… pund skal ekki geyma hana í hærri hita en … °C/… °F.

P420

Má ekki geyma hjá öðru efni.

P422

Geymið innihald undir …

P402 + P404

Geymist á þurrum stað. Geymist í lokuðu íláti.

P403 + P233

Geymist á vel loftræstum stað. Ílát vera vel lukt.

P403 + P235

Geymist á vel-loftræstum stað. Geymist á köldum stað.

P410 + P403

Hlífið við sólarljósi. Geymist á vel loftræstum stað.

P410 + P412

Hlífið við sólarljósi. Hlífið við hærri hita en 50 °C/122 °F.

P411 + P235

Geymist á köldum stað við hitastig sem er ekki hærra en … °C/… °F.

P501

Fargið innihaldi/íláti hjá …

BIJLAGE III

bij Besluit nr. …/2012 van het Gemengd Comité van de EER

Aanhangsel 6

Gevarenaanduidingen en voorzorgsmaatregelen in het Noors

Het volgende wordt toegevoegd aan bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1272/2008:

Nr.

Noors

H200

Ustabile eksplosive varer.

H201

Eksplosjonsfarlig; fare for masseeksplosjon.

H202

Eksplosjonsfarlig; stor fare for utkast av fragmenter.

H203

Eksplosjonsfarlig; fare for brann, trykkbølge eller utkast av fragmenter.

H204

Fare for brann eller utkast av fragmenter.

H205

Fare for masseeksplosjon ved brann.

H220

Ekstremt brannfarlig gass.

H221

Brannfarlig gass.

H222

Ekstremt brannfarlig aerosol.

H223

Brannfarlig aerosol.

H224

Ekstremt brannfarlig væske og damp.

H225

Meget brannfarlig væske og damp.

H226

Brannfarlig væske og damp.

H228

Brannfarlig fast stoff.

H240

Eksplosjonsfarlig ved oppvarming.

H241

Brann- eller eksplosjonsfarlig ved oppvarming.

H242

Brannfarlig ved oppvarming.

H250

Selvantenner ved kontakt med luft.

H251

Selvopphetende; kan selvantenne.

H252

Selvopphetende i store mengder; kan selvantenne.

H260

Ved kontakt med vann utvikles brannfarlige gasser som kan selvantenne.

H261

Ved kontakt med vann utvikles brannfarlige gasser.

H270

Kan forårsake eller forsterke brann; oksiderende.

H271

Kan forårsake brann eller eksplosjon; sterkt oksiderende.

H272

Kan forsterke brann; oksiderende.

H280

Inneholder gass under trykk; kan eksplodere ved oppvarming.

H281

Inneholder nedkjølt gass; kan forårsake alvorlige forfrysninger.

H290

Kan være etsende for metaller.

H300

Dødelig ved svelging.

H301

Giftig ved svelging.

H302

Farlig ved svelging.

H304

Kan være dødelig ved svelging om det kommer ned i luftveiene.

H310

Dødelig ved hudkontakt.

H311

Giftig ved hudkontakt.

H312

Farlig ved hudkontakt.

H314

Gir alvorlige etseskader på hud og øyne.

H315

Irriterer huden.

H317

Kan utløse en allergisk hudreaksjon.

H318

Gir alvorlig øyeskade.

H319

Gir alvorlig øyeirritasjon.

H330

Dødelig ved innånding.

H331

Giftig ved innånding.

H332

Farlig ved innånding.

H334

Kan gi allergi eller astmasymptomer eller pustevansker ved innånding.

H335

Kan forårsake irritasjon av luftveiene.

H336

Kan forårsake døsighet eller svimmelhet.

H340

Kan gi genetiske skader <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H341

Mistenkes å kunne gi genetiske skader <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H350

Kan forårsake kreft <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H351

Mistenkes for å kunne forårsake kreft <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H360

Kan skade forplantningsevnen eller gi fosterskader <Angi særlige virkninger dersom disse er kjent.> <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H361

Mistenkes for å kunne skade forplantningsevnen eller gi fosterskader <Angi særlige virkninger dersom disse er kjent.> <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>

H362

Kan skade barn som ammes.

H370

Forårsaker organskader <eller angi alle organer som påvirkes dersom disse er kjent.> <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H371

Kan forårsake organskader <eller angi alle organer som påvirkes dersom disse er kjent.> <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er fastlått at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H372

Forårsaker organskader <eller angi alle organer som påvirkes dersom disse er kjent.> ved langvarig eller gjentatt eksponering <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H373

Kan forårsake organskader <eller angi alle organer som påvirkes dersom disse er kjent.> ved langvarig eller gjentatt eksponering <Angi opptaksvei dersom det med sikkerhet er at ingen andre opptaksveier er årsak til faren>.

H400

Meget giftig for liv i vann.

H410

Meget giftig, med langtidsvirkning, for liv i vann.

H411

Giftig, med langtidsvirkning, for liv i vann.

H412

Skadelig, med langtidsvirkning, for liv i vann.

H413

Kan forårsake skadelige langtidsvirkninger for liv i vann.

H350i

Kan forårsake kreft ved innånding.

H360F

Kan skade forplantningsevnen.

H360D

Kan gi fosterskader.

H361f

Mistenkes for å kunne skade forplantningsevnen.

H361d

Mistenkes for å kunne gi fosterskader.

H360FD

Kan skade forplantningsevnen. Kan gi fosterskader.

H361fd

Mistenkes for å kunne skade forplantningsevnen. Mistenkes for å kunne gi fosterskader.

H360Fd

Kan skade forplantningsevnen. Mistenkes for å kunne gi fosterskader.

H360Df

Kan gi fosterskader. Mistenkes for å kunne skade forplantningsevnen.

EUH 001

Eksplosjonsfarlig i tørr tilstand.

EUH 006

Eksplosjonsfarlig ved og uten kontakt med luft.

EUH 014

Reagerer voldsomt med vann.

EUH 018

Ved bruk kan brennbar damp/eksplosive damp-luft-blandinger dannes.

EUH 019

Kan danne eksplosive peroksider.

EUH 044

Eksplosjonsfarlig ved oppvarming i lukket rom.

EUH 029

Ved kontakt med vann utvikles giftig gass.

EUH 031

Ved kontakt med syrer utvikles giftig gass.

EUH 032

Ved kontakt med syrer utvikles meget giftig gass.

EUH 066

Gjentatt eksponering kan gi tørr eller sprukket hud.

EUH 070

Giftig ved øyekontakt.

EUH 071

Etsende for luftveiene.

EUH 059

Farlig for ozonlaget.

EUH 201/201A

Inneholder bly. Må ikke brukes på gjenstander som barn vil kunne tygge eller suge på. Advarsel! Inneholder bly.

EUH 202

Cyanoakrylat. Fare. Klistrer sammen hud og øyne på sekunder. Oppbevares utilgjengelig for barn.

EUH 203

Inneholder krom (VI). Kan gi en allergisk reaksjon.

EUH 204

Inneholder isocyanater. Kan gi en allergisk reaksjon.

EUH 205

Inneholder epoksyforbindelser. Kan gi en allergisk reaksjon.

EUH 206

Advarsel! Må ikke brukes sammen med andre produkter. Kan frigjøre farlige gasser (klor).

EUH 207

Advarsel! Inneholder kadmium. Det utvikles farlige gasser under bruk. Se informasjon fra produsenten. Følg sikkerhetsinstruksjonene.

EUH 208

Inneholder <navn på sensibiliserende stoff>. Kan gi en allergisk reaksjon.

EUH 209/209A

Kan bli meget brannfarlig ved bruk. Kan bli brannfarlig ved bruk.

EUH 210

Sikkerhetsdatablad er tilgjengelig på anmodning.

EUH 401

Bruksanvisningen må følges, slik at man unngår risiko for menneskers helse og miljøet.

Het volgende wordt toegevoegd aan bijlage IV, deel 2, bij Verordening (EG) nr. 1272/2008:

Nr.

Noors

P101

Dersom det er nødvendig med legehjelp, ha produktets beholder eller etikett for hånden.

P102

Oppbevares utilgjengelig for barn.

P103

Les etiketten før bruk.

P201

Innhent særskilt instruks før bruk.

P202

Skal ikke håndteres før alle advarsler er lest og oppfattet.

P210

Holdes vekk fra varme/gnister/åpen flamme/varme overflater. - Røyking forbudt.

P211

Ikke spray mot åpen flamme eller annen tennkilde.

P220

Må ikke brukes/oppbevares i nærheten av tøy /…/ brennbare materialer.

P221

Må ikke blandes med brennbare stoffer.

P222

Unngå kontakt med luft.

P223

Unngå all kontakt med vann, på grunn av fare for voldsom reaksjon og eksplosjonsaktig brann.

P230

Holdes fuktet med …

P231

Håndteres under inertgass.

P232

Beskyttes mot fuktighet.

P233

Hold beholderen tett lukket.

P234

Oppbevares bare i originalbeholder.

P235

Oppbevares kjølig.

P240

Beholder og mottaksutstyr jordes/potensialutlignes.

P241

Bruk elektrisk materiell /ventilasjonsmateriell/belysningsmateriell som er eksplosjonssikkert.

P242

Bruk bare verktøy som ikke avgir gnister.

P243

Treff tiltak mot statisk elektrisitet.

P244

Reduksjonsventiler skal holdes fri for fett og olje.

P250

Må ikke utsettes for sliping/støt/…/friksjon.

P251

Beholder under trykk: Må ikke punkteres eller brennes, selv ikke etter bruk.

P260

Ikke innånd støv/røyk/gass/tåke/damp/aerosoler.

P261

Unngå innånding av støv/røyk/gass/tåke/damp/aerosoler.

P262

Må ikke komme i kontakt med øyne, huden eller klær.

P263

Unngå kontakt under graviditet/amming.

P264

Vask … grundig etter bruk.

P270

Ikke spis, drikk eller røyk ved bruk av produktet.

P271

Brukes bare utendørs eller i et godt ventilert område.

P272

Tilsølte arbeidsklær må ikke fjernes fra arbeidsplassen.

P273

Unngå utslipp til miljøet.

P280

Benytt vernehansker /verneklær/vernebriller/ansiktsskjerm.

P281

Bruk påkrevd personlig verneutstyr.

P282

Bruk kuldeisolerende hansker /visir/øyevern.

P283

Benytt brannbestandige/flammehemmende klær.

P284

Bruk åndedrettsvern.

P285

Ved utilstrekkelig ventilasjon skal åndedrettsvern benyttes.

P231 + P232

Håndteres under inertgass. Beskyttes mot fuktighet.

P235 + P410

Oppbevares kjølig. Beskyttes mot sollys.

P301

VED SVELGING:

P302

VED HUDKONTAKT:

P303

VED HUDKONTAKT (eller håret):

P304

VED INNÅNDING:

P305

VED KONTAKT MED ØYNENE

P306

VED KONTAKT MED KLÆR:

P307

Ved eksponering:

P308

Ved eksponering eller mistanke om eksponering:

P309

Ved eksponering eller ubehag:

P310

Kontakt umiddelbart et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege.

P311

Kontakt et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege.

P312

Kontakt et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege ved ubehag.

P313

Søk legehjelp.

P314

Søk legehjelp ved ubehag.

P315

Søk legehjelp umiddelbart.

P320

Særlig behandling kreves umiddelbart (se … på etiketten).

P321

Særlig behandling (se … på etiketten).

P322

Særlige tiltak (se … på etiketten).

P330

Skyll munnen.

P331

IKKE framkall brekning.

P332

Ved hudirritasjon:

P333

Ved hudirritasjon eller utslett:

P334

Skyll i kaldt vann / anvend våt kompress.

P335

Børst bort løse partikler fra huden.

P336

Varm opp frostskadede legemsdeler med lunkent vann. Ikke gni på det skadede området.

P337

Ved vedvarende øyeirritasjon:

P338

Fjern eventuelle kontaktlinser dersom dette enkelt lar seg gjøre. Fortsett skyllingen.

P340

Flytt personen til frisk luft og sørg for at vedkommende hviler i en stilling som letter åndedrettet.

P341

Ved pustevansker, flytt personen til frisk luft og sørg for at vedkommende hviler i en stilling som letter åndedrettet.

P342

Ved symptomer i luftveiene:

P350

Vask forsiktig med mye såpe og vann.

P351

Skyll forsiktig med vann i flere minutter.

P352

Vask med mye såpe og vann.

P353

Skyll/dusj huden med vann.

P360

Skyll umiddelbart tilsølte klær og hud med mye vann før klærne fjernes.

P361

Tilsølte klær må fjernes straks.

P362

Tilsølte klær må fjernes og vaskes før de brukes på nytt.

P363

Tilsølte klær må vaskes før de brukes på nytt.

P370

Ved brann:

P371

Ved større brann og store mengder:

P372

Eksplosjonsfare ved brann.

P373

IKKE bekjemp brannen når den når eksplosive varer.

P374

Bekjemp brannen med normal forsiktighet på behørig avstand.

P375

Bekjemp brannen på avstand på grunn av eksplosjonsfare.

P376

Stopp lekkasje dersom dette kan gjøres på en sikker måte.

P377

Brann ved gasslekkasje: Ikke slukk med mindre lekkasjen kan stanses på en sikker måte.

P378

Slukk med: …

P380

Evakuer området.

P381

Fjern alle tennkilder dersom dette kan gjøres på en sikker måte.

P390

Absorber spill for å hindre materiell skade.

P391

Samle opp spill.

P301 + P310

VED SVELGING: Kontakt umiddelbart et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege.

P301 + P312

VED SVELGING: Kontakt et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege ved ubehag.

P301 + P330 + P331

VED SVELGING: Skyll munnen. IKKE framkall brekning.

P302 + P334

VED HUDKONTAKT: Skyll i kaldt vann / anvend våt kompress.

P302 + P350

VED HUDKONTAKT: Vask forsiktig med mye såpe og vann.

P302 + P352

VED HUDKONTAKT: Vask med mye såpe og vann.

P303 + P361 + P353

VED HUDKONTAKT (eller håret): Tilsølte klær må fjernes straks. Skyll/dusj huden med vann.

P304 + P340

VED INNÅNDING: Flytt personen til frisk luft og sørg for at vedkommende hviler i en stilling som letter åndedrettet.

P304 + P341

VED INNÅNDING: Ved pustevansker, flytt personen til frisk luft og sørg for at vedkommende hviler i en stilling som letter åndedrettet.

P305 + P351 + P338

VED KONTAKT MED ØYNENE: Skyll forsiktig med vann i flere minutter. Fjern eventuelle kontaktlinser dersom dette enkelt lar seg gjøre. Fortsett skyllingen.

P306 + P360

VED KONTAKT MED KLÆR: Skyll umiddelbart tilsølte klær og hud med mye vann før klærne fjernes.

P307 + P311

Ved eksponering: Kontakt et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege.

P308 + P313

Ved eksponering eller mistanke om eksponering: Søk legehjelp.

P309 + P311

Ved eksponering eller ubehag: Kontakt et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege.

P332 + P313

Ved hudirritasjon: Søk legehjelp.

P333 + P313

Ved hudirritasjon eller utslett: Søk legehjelp.

P335 + P334

Børst bort løse partikler fra huden. Skyll i kaldt vann / anvend våt kompress.

P337 + P313

Ved vedvarende øyeirritasjon: Søk legehjelp.

P342 + P311

Ved symptomer i luftveiene: Kontakt et GIFTINFORMASJONSSENTER eller lege.

P370 + P376

Ved brann: Stopp lekkasje dersom dette kan gjøres på en sikker måte.

P370 + P378

Ved brann: Slukk med …

P370 + P380

Ved brann: Evakuer området.

P370 + P380 + P375

Ved brann: Evakuer området. Bekjemp brannen på avstand på grunn av eksplosjonsfare.

P371 + P380 + P375

Ved større brann og store mengder: Evakuer området. Bekjemp brannen på avstand på grunn av eksplosjonsfare.

P401

Oppbevares …

P402

Oppbevares tørt.

P403

Oppbevares på et godt ventilert sted.

P404

Oppbevares i lukket beholder.

P405

Oppbevares innelåst.

P406

Oppbevares i korrosjonsbestandig/… beholder med korrosjonsbestandig indre belegg.

P407

Se til at det er luft mellom stabler/paller.

P410

Beskyttes mot sollys.

P411

Oppbevares ved en temperatur som ikke er høyere enn …°C /… °F.

P412

Må ikke utsettes for temperaturer høyere enn 50 °C /122 °F.

P413

Bulkmengder på over …kg/…lbs oppbevares ved en temperatur som ikke er høyere enn …°C /… °F.

P420

Må oppbevares adskilt fra andre materialer.

P422

Oppbevar innholdet under …

P402 + P404

Oppbevares tørt. Oppbevares i lukket beholder.

P403 + P233

Oppbevares på et godt ventilert sted. Hold beholderen tett lukket.

P403 + P235

Oppbevares på et godt ventilert sted. Oppbevares kjølig.

P410 + P403

Beskyttes mot sollys. Oppbevares på et godt ventilert sted.

P410 + P412

Beskyttes mot sollys. Må ikke utsettes for temperaturer høyere enn 50 °C /122 °F.

P411 + P235

Oppbevares ved en temperatur som ikke er høyere enn …°C /… °F. Oppbevares kjølig.

P501

Innhold/beholder leveres til …


VERORDENINGEN

12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/25


VERORDENING (EU) Nr. 405/2012 VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2012

tot vaststelling van een verbod op de visserij op noordse garnaal in het gebied Noorse wateren bezuiden 62° NB door vaartuigen die de vlag van Zweden voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 44/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde niet-EU-wateren, voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor internationale onderhandelingen worden gevoerd of internationale overeenkomsten gelden (2), zijn de quota voor 2012 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verboden

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 mei 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 25 van 27.1.2012, blz. 55.


BIJLAGE

Nr.

3/T&Q

Lidstaat

Zweden

Bestand

PRA/04-N.

Soort

Noordse garnaal (Pandalus borealis)

Gebied

Noorse wateren bezuiden 62° NB

Datum

9 maart 2012


12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/27


VERORDENING (EU) Nr. 406/2012 VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2012

tot vaststelling van een verbod op de visserij op zeeduivel in gebied VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Frankrijk voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 43/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor geen internationale onderhandelingen worden gevoerd of geen internationale overeenkomsten gelden (2) zijn de quota voor 2012 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verboden

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 mei 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 25 van 27.1.2012, blz. 1.


BIJLAGE

Nr.

2/T&Q

Lidstaat

Frankrijk

Bestand

ANF/8C3411

Soort

Zeeduivel (Lophiidae)

Gebied

VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1

Datum

18 januari 2012


12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/29


VERORDENING (EU) Nr. 407/2012 VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2012

tot vaststelling van een verbod op de visserij op makreel in gebied VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Portugal voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 44/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde niet-EU-wateren, voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor internationale onderhandelingen worden gevoerd of internationale overeenkomsten gelden (2), zijn de quota voor 2012 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verboden

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 mei 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  PB L 25 van 27.1.2012, blz. 55.


BIJLAGE

Nr.

1/T&Q

Lidstaat

Portugal

Bestand

MAC/8C3411

Soort

Makreel (Scomber scombrus)

Gebied

VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1

Datum

23 maart 2012


12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 408/2012 VAN DE COMMISSIE

van 11 mei 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 mei 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

143,3

MA

74,3

TR

116,2

ZZ

111,3

0707 00 05

JO

200,0

TR

128,9

ZZ

164,5

0709 93 10

JO

225,1

TR

119,8

ZZ

172,5

0805 10 20

EG

46,2

IL

61,3

MA

44,3

TR

44,3

ZZ

49,0

0805 50 10

TR

78,3

ZZ

78,3

0808 10 80

AR

111,2

BR

86,9

CL

96,5

CN

95,4

MA

85,1

MK

29,3

NZ

133,4

US

148,7

UY

85,3

ZA

92,4

ZZ

96,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/33


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 13 juli 2011

betreffende steunmaatregel C 6/08 (ex NN 69/07) door Finland ten uitvoer gelegd ten gunste van Ålands Industrihus Ab

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4905)

(Slechts de teksten in de Finse en Zweedse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/252/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, (1)

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

De Commissie werd via een op 5 september 2006 ingediende klacht op de hoogte gebracht van een aantal maatregelen die de regionale regering (Landskapsregering) van Åland heeft toegekend ten gunste van de vastgoedonderneming Ålands Industrihus Ab (hierna „ÅI” genoemd). Bij brieven van 25 oktober 2006 en 14 februari 2007 verzocht de Commissie Finland om informatie, die bij brieven van 11 januari 2007 en 3 april 2007 werd toegezonden. De Finse autoriteiten verschaffen aanvullende informatie op 31 mei 2007 en 12 juli 2007. De klager verstrekte aanvullende informatie in november 2006 en mei 2007.

(2)

De Commissie heeft Finland bij schrijven van 30 januari 2008 in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van deze steunmaatregel de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd) (2) in te leiden (hierna „het besluit tot inleiding van de procedure” genoemd).

(3)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3). De Commissie heeft belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steun te maken.

(4)

De Commissie heeft van belanghebbenden geen opmerkingen ontvangen.

(5)

Na het besluit tot inleiding van de procedure diende Finland informatie in die door de Commissie is geregistreerd op 6 mei 2008, 21 januari 2010, 26 februari 2010, 21 mei 2010, 18 juni 2010, 18 april 2011, 27 juni 2011 en 28 juni 2011. Op 4 juni 2010 vond een bijeenkomst plaats tussen de diensten van de Commissie, de Finse autoriteiten en vertegenwoordigers van ÅI.

2.   BESCHRIJVING VAN DE STEUN

2.1.   DE BEGUNSTIGDE

(6)

ÅI is ingeschreven in Mariehamn, de hoofdstad van Åland, een eilandengroep in de Baltische Zee tussen het vasteland van Finland en Zweden, met een totaal inwonertal van circa 28 000. Åland is een provincie van Finland, maar beschikt over een hoge mate van onafhankelijkheid. ÅI is hoofdzakelijk eigendom van regionale regering van Åland (84,43 %) en de gemeente Mariehamn (15,01 %). Andere lokale autoriteiten in Åland bezitten de resterende aandelen (4).

(7)

ÅI is actief in de bouw, het beheer en de verhuur van gebouwen voor industriële en commerciële doeleinden. Het doel van de activiteiten van de onderneming bestaat volgens Finland uit het huisvesten van bedrijven in Åland teneinde bij te dragen aan een gediversifieerde en concurrerende economie.

(8)

Tot 1999 waren de zakelijke activiteiten van ÅI beperkt in omvang (5). De balans van ÅI groeide zeer langzaam, als er al van groei sprake was (6). Tegen deze achtergrond besloot de bestuursraad van ÅI op zoek te gaan naar nieuwe zakelijke activiteiten om uit te breiden. Tegelijkertijd maakte het plaatselijke bedrijfsleven (dat bijna uitsluitend uit kleine bedrijven bestaat) kenbaar een „technologiepark” te willen, dat wil zeggen een complex van kantoorobjecten waar plaatselijke ondernemingen zich onder één dak zouden kunnen vestigen om samenwerking te vergemakkelijken, nieuwe ideeën te genereren en ondernemerschap in algemene zin te versterken. Hieruit zou uiteindelijk het „iTiden”-kantoorpark (kvarteret iTiden) ontstaan. In punt 2.2 wordt uitvoeriger ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het project.

2.2.   HET ITIDEN-PROJECT  (7)

(9)

Vertegenwoordigers van het plaatselijke bedrijfsleven en de regionale regering van Åland gingen in 1999 voor het eerst met elkaar in gesprek over de mogelijkheid om een „technologiepark” te bouwen. Er werden gezamenlijke onderzoeksreizen gemaakt naar soortgelijke faciliteiten in Zweden.

(10)

In 2000 werd een werkgroep belast met het uitwerken van een plan, waarna deze in het voorjaar van 2000 een voorstel deed aan de regionale regering van Åland en de gemeente Mariehamn. Het project en de plannen van de regionale regering van Åland om het te bouwen en te financieren werden in de begroting van de regionale regering van Åland voor 2000 (8) vermeld en in de begroting voor 2001 bevestigd; in de begroting 2001 verzocht de regionale regering van Åland ook om middelen voor mogelijke kapitaalverhogingen voor infrastructuurprojecten, waaronder ook voor ÅI (een soortgelijk verzoek was gedaan in de begroting voor 2000) (9).

(11)

Op 12 juli 2001 kocht ÅI, gesteund door een kapitaalverhoging, land aan in het „Västra Klinten”-district van Mariehamn, waar iTiden zou worden gebouwd. In verband met deze aankoop zorgde ÅI ook voor de veranderingen die voor het iTiden-project noodzakelijk waren in de stadsplanning.

(12)

In de begroting voor 2002 verklaarde de regionale regering van Åland dat ÅI in 2002 zou beginnen met de bouwwerkzaamheden voor het iTiden-project en dat hiervoor naar alle waarschijnlijkheid een kapitaalverhoging vereist zou zijn (waarvoor de regionale regering van Åland om de noodzakelijke begrotingskredieten verzocht) (10).

(13)

Begin 2002 werd voor de bouw van iTiden een werkgroep benoemd en een architect aangesteld. Aan potentiële huurders werd gevraagd of zij belangstelling zouden hebben om bedrijfsruimte te huren in iTiden. De voorbereidende grondwerkzaamheden werden in het voorjaar van 2003 uitgevoerd en de bouw van fase 1 (het project was ontworpen in twee achtereenvolgende bouwfasen) startte in de zomer van 2003. Op 1 december 2004 betrokken de eerste huurders het voltooide deel van „fase 1” van iTiden.

(14)

De bouw van fase 2 van iTiden ging van start in het najaar van 2006 en werd voltooid in 2007.

2.3.   DE STAATSSTEUNMAATREGELEN

(15)

Het formele onderzoek van de Commissie zag op verschillende kapitaalinjecties (hierna „kapitaalverhogingen” genoemd) en garanties voor bankleningen (hierna „leninggaranties” genoemd) die tussen 1997 en 2007 door de regionale regering van Åland aan ÅI waren toegekend. De maatregelen zijn opgenomen in onderstaande tabel (de kapitaalinjecties zijn genummerd van C-I tot C-XI en de garanties van G-I tot G-III).

Maatregel

Datum maatregel

Kapitaalverhogingen

(in EUR)

Leninggaranties

(in EUR)

C-I (11)

18.6.1997

84 094,39

 

C-II (11)

22.6.2000

340 582,27

 

C-III (11)

10.10.2000

114 368,37

 

C-IV

20.7.2001

353 199,00

 

C-V

15.8.2002

599 933,73

 

C-VI

13.3.2003

799 911,64

 

G-I

9.10.2003

 

2 600 000,00

C-VII

6.5.2004

515 165,97

 

C-VIII

30.9.2004

669 896,95

 

G-II

2.11.2004

 

1 160 000,00

C-IX

16.6.2005

199 977,91

 

C-X

16.6.2005

234 961,43

 

G-III

13.12.2005

 

2 600 000,00

C-XI

15.2.2007

1 379 998,95

 

 

TOTAAL

5 292 090,61

6 360 000,00

(16)

Vergeleken met de tabel met maatregelen in punt 7 van het besluit tot inleiding van de procedure, is een leninggarantie van 2 587 500 EUR van 26 oktober 2006 geschrapt, omdat deze nooit in werking is gesteld (na een beslissing van Finse rechtbanken). Verder is kapitaalverhoging C-XI, met datum 12 juni 2006 in het besluit tot inleiding van de procedure, hier vastgesteld op 15 februari 2007, aangezien tijdens het onderzoek is gebleken dat deze maatregel op die latere datum in werking is gesteld. Het besluit van de regionale regering van Åland om deze kapitaalverhoging toe te kennen is recentelijk (6 april 2011) door de hoogste administratieve rechtbank van Finland vernietigd (zie overweging 114). Aangezien het kapitaal in 2007 echter aan ÅI is betaald en niet is terugbetaald, vindt de Commissie dat deze maatregel, ondanks de beslissing van de nationale rechtbank, onder het toepassingsbereik van haar onderzoek valt.

(17)

Volgens de Finse autoriteiten hadden alle kapitaalverhogingen tot doel het iTiden-project te financieren, met uitzondering van de volgende:

 

C-I) kapitaalinjectie van 18 juni 1997 (84 094,39 EUR)

 

C-II) kapitaalinjectie van 22 juni 2000 (340 582,27 EUR)

 

C-III) kapitaalinjectie van 10 oktober 2000 (114 368,37 EUR)

 

C-VIII) kapitaalinjectie van 30 september 2004 (669 896,95 EUR)

 

C-IX) kapitaalinjectie van 16 juni 2005 (199 977,91 EUR).

(18)

Alle leninggaranties werden volgens Finland verstrekt met het oog op de financiering van het iTiden-project. In de overwegingen 66 tot en met 86 wordt nader ingegaan op de leninggaranties.

3.   GRONDEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE VAN ARTIKEL 108, LID 2, VWEU

(19)

In het besluit tot inleiding van de procedure stelde de Commissie zich op de volgende gronden de vraag of de kapitaalverhogingen en de leninggaranties verenigbaar zijn met de interne markt.

(20)

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, constateerde de Commissie dat voor de maatregelen staatsmiddelen gebruikt werden, aangezien ze werden toegekend door lokale autoriteiten, en dat ze selectief waren doordat ze waren bestemd voor ÅI. Wat betreft het criterium betreffende de vraag of de „begunstigde onderneming een economisch voordeel ontvangt dat zij onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen” omdat een particuliere investeerder, die zich laat leiden door de winstvooruitzichten op lange termijn, niet dezelfde steun zou hebben verleend, betwijfelde de Commissie dat een particuliere investeerder hetzelfde kapitaal zou hebben verstrekt als de regionale regering van Åland heeft gedaan, gezien de lange reeks verliezen of hooguit zeer bescheiden winsten van ÅI. Specifiek met betrekking tot de leninggaranties betwijfelt de Commissie of ÅI op de markt vergelijkbare financiële steun had kunnen krijgen en dat zij daarom ÅI een voordeel hebben opgeleverd. De Commissie was bovendien van mening dat dergelijke voordelen de concurrentie en het handelsverkeer binnen de interne markt zouden kunnen verstoren.

(21)

Als de maatregelen als staatssteun werden beschouwd, betwijfelde de Commissie dat ze als verenigbaar met de interne markt konden worden aangemerkt.

(22)

Tot slot betwistte de Commissie de stelling van Finland dat de maatregelen, mochten ze inderdaad als staatssteun moeten worden beschouwd, waren toegekend in overeenstemming met steunregelingen die al vóór de toetreding van Finland tot de EU van kracht waren en derhalve rechtmatig zouden zijn.

4.   OPMERKINGEN VAN FINLAND

4.1.   DE MAATREGELEN VORMEN GEEN STAATSSTEUN

(23)

Finland was van mening dat de regionale regering van Åland heeft gehandeld in overeenstemming met het beginsel van de investeerder in een markteconomie, dat wil zeggen dat de maatregelen waren ingegeven door de vooruitzichten van rendement op de investering. Finland beweerde dat de investeringsbesluiten gegrond waren met het oog op het programma van nieuwe investeringen van het bedrijf, met name het iTiden-project. De maatregelen waren dus niet bedoeld als compensatie voor verliezen in het verleden of om verliesgevende activiteiten te steunen. De regionale regering van Åland heeft concrete waarde voor haar investeringen gekregen in de vorm van nieuwe aandelen in ÅI, aangezien de waarde van het bedrijf in lijn met de inschrijving op aandelen toenam. Daarom heeft ÅI geen voordeel verkregen dat het niet van een particuliere investeerder zou hebben kunnen verkrijgen.

(24)

Ongeacht een mogelijk voordeel was Finland ook van mening dat de maatregelen niet als staatssteun kunnen worden aangemerkt omdat er geen concreet bewijs is van een significant effect op de concurrentie in de vastgoedmarkt in Åland.

4.2.   INDIEN ER SPRAKE IS VAN STAATSSTEUN, IS DEZE RECHTMATIG OP GROND VAN BESTAANDE STEUNREGELINGEN

(25)

Mocht echter blijken dat de maatregelen een staatssteunelement omvatten, dan moet de steun volgens Finland als rechtmatig worden beschouwd. Finland voert aan dat zowel de kapitaalinjecties als de garanties onder bestaande steunregelingen vallen die vóór de toetreding van Finland tot de EU bestonden.

4.3.   INDIEN HET NIEUWE STAATSSTEUN BETREFT, IS DEZE DESALNIETTEMIN VERENIGBAAR MET DE INTERNE MARKT

(26)

Indien de maatregelen onrechtmatige staatssteun vormen, moeten ze desalniettemin op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd, aangezien ze de ontwikkeling van de regio en het scheppen van banen beoogden, met name door bij te dragen aan de diversificatie van de regionale economie, die te zwaar leunt op de scheepsindustrie.

4.4.   MOGELIJKE TERUGVORDERING

(27)

Ingeval de Commissie oordeelt dat de steun onrechtmatig en onverenigbaar is, en teruggevorderd moet worden, draagt Finland de volgende argumenten aan.

(28)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (12) eist de Commissie niet dat steun wordt teruggevorderd indien dit in strijd is met een algemeen beginsel van het gemeenschapsrecht. Dit zou hier het geval zijn, aangezien Finland gegronde redenen had om ervan uit te gaan dat de bovengenoemde regelingen, die dateren van vóór de toetreding, nog geldig waren en ook nu nog steeds geldig zijn, en dat op grond van deze regels toegekende steun rechtmatig zou zijn.

(29)

Ingeval de Commissie desondanks van mening zou zijn dat de steun moet worden teruggevorderd, beweert Finland dat het steunelement in de kapitaalverhogingen niet noodzakelijkerwijs het volledige bedrag is van de transacties die staatssteun omvatten. Wat de garanties betreft kan eventuele terug te vorderen steun niet groter zijn dan het rentevoordeel dat de onderneming heeft gekregen door de garantie (in vergelijking met leningen zonder garantie). Hetzelfde geldt voor de kapitaalinjecties: de steun kan niet meer zijn dan de kosten voor ÅI voor het verkrijgen van hetzelfde kapitaal op de markt.

5.   BEOORDELING

5.1.   VORMT DE STEUN STAATSSTEUN?

(30)

Volgens artikel 107, lid 1, VWEU „zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

(31)

Om als staatssteun aangemerkt te worden, dient een steunmaatregel aan de volgende voorwaarden te voldoen: a) de maatregel moet worden gefinancierd door een lidstaat of met staatsmiddelen; b) de maatregel moet een selectief voordeel toekennen dat een bepaalde onderneming of de productie van bepaalde goederen kan begunstigen, en c) de maatregel moet de concurrentie verstoren of dreigen te verstoren en het potentieel hebben om het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig te beïnvloeden. Aan al deze voorwaarden moet worden voldaan voordat een maatregel als staatssteun kan worden aangemerkt.

5.1.1.   STAATSMIDDELEN EN SELECTIVITEIT

(32)

Om de redenen die in het besluit tot inleiding van de procedure zijn genoemd (en die niet door Finland zijn betwist), wordt aan deze twee criteria voldaan. De maatregelen zijn toegekend bij individuele besluiten van de regionale regering van Åland om gebruik te maken van middelen die zij in haar jaarbegroting toegekend heeft gekregen door de regionale assemblee van Åland. De maatregelen zijn dus duidelijk door de staat gefinancierd en individueel gericht op ÅI.

5.1.2.   VOORDEEL

(33)

Finland beweert dat de maatregelen geen staatssteun vormen omdat ze ÅI geen voordeel verschaften dat ÅI niet op de markt had kunnen verkrijgen, hetzij van een particuliere investeerder, hetzij van een particuliere crediteur.

(34)

Het is een vast beginsel van het staatssteunrecht (meestal „het beginsel van een investeerder in een markteconomie” genoemd) dat een investering door een overheidsinstantie in het kapitaal van ondernemingen staatssteun vormt, tenzij een particuliere investeerder in soortgelijke omstandigheden, met name met het oog op het doel om winst te behalen, hetzelfde kapitaal zou hebben kunnen verstrekken (13). Ook vormt volgens punt 3.1 van de mededeling van de Commissie over de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (14) (hierna „de garantiemededeling” genoemd) een door een overheidsinstantie verstrekte garantie staatssteun, tenzij financiering ter beschikking wordt gesteld onder voorwaarden die voor een particuliere partij onder de normale omstandigheden van een markteconomie aanvaardbaar zouden zijn.

(35)

In het besluit tot inleiding van de procedure verklaarde de Commissie te betwijfelen dat ten aanzien van de kapitaalinjecties en garanties aan het beginsel van een investeerder in een markteconomie werd voldaan, op grond van met name twee vaststellingen betreffende ÅI:

a)

de lange reeks verliezen of verwaarloosbare winsten van ÅI in de jaren waarin de maatregelen werden toegekend. In alle jaren van 2001 tot 2005 leed ÅI namelijk verlies. De winst was van 1998 tot 2000 zeer gering en nam af (respectievelijk 38 000, 28 000 en 9 000 EUR). Toen ÅI uiteindelijk in 2006 weer winst maakte, bedroeg deze slechts 557,43 EUR. In 2006 werd voor 2007 een winst voorspeld van slechts 5 868,46 EUR (15) (d.w.z. wat werd verwacht toen tot de toekenning van de laatste maatregelen werd besloten);

b)

bovendien dacht de Commissie dat de kasstroom van ÅI al sinds 2000 onvoldoende was om zijn kosten te dekken, wat tot de veronderstelling leidde dat de maatregelen eenvoudigweg noodzakelijk waren geweest om dit kastekort te dekken (16).

(36)

Finland heeft dit standpunt van de hand gewezen. Zijn argumenten worden hieronder voor de kapitaalverhogingen en de leninggaranties afzonderlijk uiteengezet.

5.1.2.1.    De kapitaalinjecties

(37)

Allereerst ontkent Finland dat ÅI een liquiditeitsprobleem had. Hoewel de activiteiten van de onderneming voor het iTiden-project beperkt in omvang waren, waren haar operationele resultaat en liquiditeit inderdaad bevredigend en bleven dat ook gedurende de onderzochte periode. De maatregelen waren dus niet nodig geweest om de kosten van de activiteiten te dekken. De maatregelen waren daarentegen bedoeld om de uitbreiding van de onderneming te bekostigen en moeten derhalve als investeringen worden beschouwd. Gezien de omstandigheden van deze investeringen waren ze met het oog op het beginsel van de investeerder in de markteconomie gerechtvaardigd en vormen ze dus geen staatssteun.

(38)

In deze context stelt Finland dat de kapitaalverhogingen voor het grootste deel gebruikt werden om het iTiden-project te bekostigen en dat de rest bedoeld was voor andere projecten van ÅI (zie overweging 17).

(39)

De beoordeling van de Commissie is als volgt.

(40)

Om te beginnen benadrukt de Commissie dat het kapitaal dat een aandeelhouder aan een onderneming verstrekt, per definitie niet bestemd is voor een bepaald gebruik, maar onderdeel wordt van het tastbaar eigen vermogen van de onderneming. Daarom is het gebruikelijk om, wanneer een investering wordt verstrekt als algemeen kapitaal, te onderzoeken of wordt voldaan aan het beginsel van een investeerder in de markteconomie met het oog op de vooruitzichten voor de prestaties van de onderneming als geheel. Dit sluit niet uit dat wordt onderzocht — voor zover dit kan worden aangetoond — wat het verwachte rendement van specifieke geplande investeringen is, ervan uitgaande dat dergelijke informatie uiteraard beschikbaar was ten tijde van het investeringsbesluit.

(41)

Ten aanzien van de algemene financiële prestaties van ÅI accepteert de Commissie op grond van het toegezonden bewijsmateriaal in het onderzoek dat de bedrijfsresultaten van ÅI de onderneming in staat stelden haar verliezen consistent te dekken en de liquiditeit te waarborgen. Op grond van het beschikbare bewijsmateriaal kan niet worden geconcludeerd dat de kapitaalverhogingen (of de leningen die werden verkregen dankzij de garanties) werden gebruikt voor het dekken van verliezen die waren ontstaan door de activiteiten van ÅI.

(42)

Feit blijft echter dat de regionale regering van Åland aan ÅI een omvangrijke hoeveelheid extra kapitaal ter beschikking heeft gesteld dat in de jaren 1997-2006 op het eerste gezicht geen of een zeer geringe winst genereerde. De vraag is daarom, zoals Finland zelf aangeeft, of de regionale regering van Åland redenen had om een rendement op haar kapitaal te verwachten dat voor een particuliere investeerder toereikend zou zijn geweest om dezelfde investering te doen. Dit moet worden onderzocht op basis van de informatie die bij de regionale regering van Åland bekend was ten tijde van de kapitaalverhogingen.

(43)

Finland stelt dat het leeuwendeel van de kapitaalverhogingen bedoeld was voor de financiering van het iTiden-project, (fasen 1 en 2), terwijl de overige kapitaalverhogingen aan diverse andere investeringen waren toegewezen. Duidelijkheidshalve wordt in de onderstaande analyse eerst ingegaan op de kapitaalverhogingen die gebruikt werden voor de bekostiging van het iTiden-project.

(44)

Finland stelt dat alle kapitaalverhogingen, behalve C-I, C-II, C-III, C-VIII en C-IX, ten doel hadden iTiden te bekostigen, dat verreweg het grootste individuele project van ÅI was. De eerste aan het iTiden-project toegekende kapitaalverhoging vond dus plaats in 2001 (C-IV).

(45)

Wat betreft de voorwaarden waaronder deze kapitaalverhogingen door de regionale regering van Åland werden toegekend, en het verwachte rendement op het moment van het besluit — een essentieel element —, heeft Finland de volgende informatie verstrekt:

(46)

De beslissingen van de regionale regering van Åland om de kapitaalverhogingen met betrekking tot iTiden uit te voeren, werden genomen op grond van de informatie die werd verstrekt tijdens informele bijeenkomsten waarbij de regionale regering van Åland en vertegenwoordigers van ÅI aanwezig waren. Finland verklaart dat tijdens deze bijeenkomsten geen notulen zijn opgesteld. Finland heeft echter wel presentaties naar de Commissie doorgestuurd die tijdens deze informele bijeenkomsten of tijdens bijeenkomsten van de bestuursraad van ÅI zijn gehouden. Deze bevatten beknopte gegevens over de achtergrond en de kernaspecten van het iTiden-project, alsmede berekeningen van de winstgevendheid voor fase 1 en fase 2 van iTiden. Op basis van dit bewijsmateriaal kan de Commissie dus vaststellen welk rendement de regionale regering van Åland verwachtte toen het de kapitaalverhogingen ten behoeve van iTiden doorvoerde.

(47)

Op 31 januari 2002 hield ÅI een informele bijeenkomst met de regionale regering van Åland om er zeker van te zijn dat deze de start van de bouw van iTiden in 2002 goed zou keuren (na de aankoop van de grond in 2001). Tijdens deze bijeenkomst presenteerde ÅI een berekening van de winstgevendheid, waarbij ervan werd uitgegaan dat het project een jaarlijks rendement van 3 % op het eigen vermogen van ÅI zou genereren.

(48)

Op 4 maart 2003 werd een andere informele bijeenkomst tussen ÅI en de regionale regering van Åland gehouden om de algemene vergadering van ÅI van 5 maart 2003 voor te bereiden. Tijdens de algemene vergadering zou een beslissing worden genomen over de start van de bouw van fase 1 van iTiden, die niet in 2002 was uitgevoerd. Er werd een bijgewerkte berekening van de winstgevendheid gepresenteerd. In deze berekening werd geschat dat fase 1 een overschot van slechts 700 EUR zou opleveren maar geen rendement zou genereren op het eigen vermogen van ÅI.

(49)

Op 2 januari 2006 kwam het bestuur van ÅI bijeen voor het bespreken van de start van de bouw van fase 2 en de oproep tot een kapitaalverhoging die zou worden gedaan om dit te financieren. Volgens een berekening van de winstgevendheid die tijdens deze bijeenkomst werd gepresenteerd, zou het project break-even draaien met een rendement op het eigen vermogen van 3 %. Deze berekening moest echter worden herzien om de gestegen kosten voor aanpassing van de gebouwen aan de behoeften van de huurder in aanmerking te nemen. Aldus werd op 10 januari 2006 een herziene berekening opgesteld die als basis diende voor de kapitaalverhoging waarover tijdens de algemene vergadering van 12 juni 2006 een beslissing zou worden genomen (hoewel de kapitaalverhoging om technische redenen pas 15 februari 2007 werd uitbetaald — dit betreft kapitaalverhoging C-XI). In deze berekening werd het veronderstelde jaarlijkse rendement op het eigen vermogen voor fase 2 van iTiden vastgesteld op 1 %.

(50)

Finland heeft dit bewijs geleverd en beweert dat dit precies overeenkomt met de opbrengstverwachtingen uit dezelfde periode op basis waarvan de regionale regering van Åland besloot de kapitaalverhogingen te verstrekken voor het iTiden-project, dat wil zeggen C-IV, C-V, C-VI, C-VII en C-X voor fase 1 en C-XI voor fase 2. Deze berekeningen van de winstgevendheid zijn gebaseerd op verwachte inkomsten (d.w.z. huuropbrengsten) voor iTiden. Finland stelt dat in het rendement op de investering van de regionale regering van Åland ook het vooruitzicht op vermogenswinst als gevolg van een waardestijging van het vastgoed op termijn moet worden meegenomen. Finland heeft hiervoor echter geen concreet bewijsmateriaal geleverd. Dergelijke overwegingen zijn niet verwerkt in de berekeningen van de winstgevendheid, waarin staat aangegeven dat deze niet in aanmerking zijn genomen toen de investeringsbesluiten werden genomen. Op grond van bovengenoemd bewijs is de Commissie van oordeel dat een particuliere investeerder soortgelijke investeringen tegen dit verwachte rendement niet zou hebben verricht.

(51)

Elke investeerder die geld stopt in een project waar risico-elementen aan verbonden zijn (zoals de ontwikkeling van een commercieel vastgoedproject) zal een rendement eisen dat een passende weerspiegeling is van het met de investering gepaard gaande risico. Hij zal dus een „risicopremie” verwachten die hoger is dan het bekende rendement dat hij kan ontvangen uit een alternatief, risicovrij actief („het risicovrije percentage”). Staatsobligaties met een AAA-rating met een kortere looptijd vormen een gebruikelijke referentie voor het risicovrije percentage. Voor dit onderzoek is uitgegaan van de opbrengst van tweejaars Finse staatsobligaties, aangezien Finland geen obligaties met een kortere looptijd uitgaf. Het risicovrije percentage hiervan lag tussen 2,7 en 4,2 % in 2002, tussen 2,2 en 2,7 % in 2003 en tussen 2,8 en 3,8 % in 2006.

(52)

De Commissie merkt op dat de regionale regering van Åland, in vergelijking met het rendement op de investering dat de regionale regering van Åland verwachtte toen zij besloot de kapitaalverhogingen toe te kennen in verband met iTiden, hetzelfde of zelfs een nog hoger rendement had kunnen behalen zonder de risico’s die verbonden waren aan de vastgoedprojecten. Zelfs volgens de meest optimistische interpretatie zou de „risicopremie” (dus het rendement dat boven de risicovrije premie uitkomt) ten hoogste 0,3 % voor kapitaalverhogingen C-I en C-V (dus de kapitaalverhogingen van 2001 en 2002) zijn geweest. Voor de kapitaalverhogingen die zijn toegekend op grond van het besluit van 2003 om te beginnen met de bouw van fase 1 van iTiden (en dus op basis van de verwachte rendementen die zijn gepresenteerd tijdens de informele bijeenkomst van 4 maart 2003, zie overweging 48), namelijk C-VI, C-VII en C-X, bedroeg het verwachte rendement nul, hetgeen betekent dat een vele malen beter rendement had kunnen worden behaald door geen enkel risico te nemen. Daarnaast lag het verwachte rendement van 1 % voor de kapitaalverhoging van fase 2, C-XI, ruim onder het risicovrije percentage dat destijds beschikbaar was.

(53)

Het is duidelijk dat geen enkele particuliere investeerder tevreden zou zijn geweest met de negatieve of marginale risicopremie die de regionale regering van Åland bereid was te accepteren voor de in de overwegingen 47, 48 en 49 genoemde kapitaalverhogingen. Indien noodzakelijk kan dit worden gestaafd met empirische gegevens over het verwachte rendement in de vastgoedmarkt van Åland.

(54)

Volgens een rapport (17) van KPMG van 10 juli 2007, dat de Finse autoriteiten hebben laten opstellen en op 17 juli 2007 naar de Commissie is gezonden, is het rendement op kantoorvastgoed dat particuliere investeerders in Åland vragen 7 % (en 8 % voor industrieel vastgoed). Hoewel dit rapport is opgesteld nadat de regionale regering van Åland de investeringsbesluiten had genomen waarvan in het onderhavige besluit sprake is, is het desalniettemin relevant, omdat het rapport gebaseerd is op observaties over investeringen uit het verleden en er geen duidelijke reden is om aan te nemen dat het geëiste rendement beduidend lager zou zijn geweest in de voorgaande jaren. In ieder geval biedt het overtuigende aanwijzingen dat de door ÅI verwachte rendementen voor een particuliere investeerder onvoldoende zouden zijn geweest.

(55)

Finland stelt dat de investeringen, ondanks het feit dat het verwachte rendement laag of nul was, in overeenstemming waren met het beginsel van een investeerder in de markteconomie, omdat i) ÅI vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden potentiële huurders had geraadpleegd en er vertrouwen in had dat een bezettingsgraad van minstens 80 % gehaald zou worden, en ii) met het oog op de huidige financiële prestaties van ÅI (en dus hoofdzakelijk het iTiden-project) in de jaren vanaf 2004 en de potentiële kapitaalstijgingen die zo zouden worden opgebouwd, de investeringen winstgevend bleken.

(56)

Wat dit betreft, en zonder dat ingegaan hoeft te worden op de verdiensten van de financiële prestaties van ÅI in latere jaren, volstaat het te herhalen dat de vraag niet is of de resultaten van de onderneming thans bevredigend zijn, maar of, op basis van wat bekend was en verondersteld kon worden ten tijde van het besluit van de regionale regering van Åland om ÅI staatsmiddelen ter beschikking te stellen (gelet op de verwachte bezettingsgraad van 80 %), een particuliere investeerder die onder marktomstandigheden handelt, hetzelfde kapitaal aan de onderneming zou hebben verstrekt. Om de redenen die hierboven zijn toegelicht, is de Commissie van oordeel dat een particuliere investeerder dit niet zou hebben gedaan.

(57)

Derhalve is de Commissie van mening dat met de kapitaalverhogingen C-IV, C-V, C-VI, C-VII, C-X en C-XI aan ÅI een voordeel is verleend dat het niet zou hebben kunnen verkrijgen onder marktomstandigheden (18).

(58)

De Commissie zal nu ingaan op de overige kapitaalverhogingen waarop het besluit tot inleiding van de procedure ziet en die volgens Finland niet waren ingegeven door het iTiden-project.

(59)

Overeenkomstig de de-minimisregel die ten tijde van deze kapitaalinjectie van toepassing was, vormden subsidies van minder dan 100 000 ECU die aan een onderneming werden toegekend gedurende een periode van drie jaar, geen staatssteun (19). Deze kapitaalverhoging bedraagt 84 094,39 EUR, dus duidelijk minder dan het de-minimisplafond van 100 000 ECU. ÅI kreeg gedurende een periode van drie jaar geen enkele andere maatregel verleend (20). Op grond hiervan zou de kapitaalinjectie van 1997 hoe dan ook — ongeacht de omstandigheden waarin deze werd verricht — geen staatssteun opleveren.

(60)

Finland heeft aangegeven dat deze maatregelen bestemd waren voor de bouw van een industrieel vastgoedobject in Norrböle, de renovatie van een object in Mariehamn (C-II) en de aankoop van een industrieel vastgoedobject in het oostelijk deel van Åland (C-III). Er bestaat dus geen duidelijk verband met het iTiden-project, dat op dat moment nog geen duidelijke vorm had gekregen (dat zou in 2001 gebeuren toen de grond werd gekocht).

(61)

Hoewel de totale winst van ÅI weliswaar bescheiden of negatief was in de periode 1998-2007, maakte de onderneming in 2000 en de twee daaropvolgende jaren een bescheiden winst en leed zij vanaf 2001 verlies. In het onderzoek is aangetoond dat de onderneming haar kosten wist te dekken en dat de kaspositie adequaat was. De investeringen waarop deze twee kapitaalverhogingen gegrond zijn, lijken in verhouding te staan tot de omvang en het „traditionele” bedrijfsmodel van ÅI vóór de uitbreiding in verband met het iTiden-project. Er is derhalve geen dwingende reden om te oordelen dat een particuliere investeerder dezelfde kapitaalverhogingen niet zou hebben uitgevoerd, en er is dus geen duidelijk bewijs dat er sprake is van een voordeel voor ÅI.

(62)

Tot het jaar 2000 hadden de bedrijfsactiviteiten van ÅI bescheiden doch positieve resultaten (tussen 9 000 EUR en 38 000 EUR in 1997-2000). De bedrijfsactiviteiten van ÅI waren in overeenstemming met het bedrijfsplan dat destijds werd gehanteerd. ÅI had magazijnen en kantoren op de Ålandseilanden in bezit en verhuurde deze. Het bestand van vastgoedobjecten in het bezit van ÅI was tot 2000 zeer stabiel gebleven, wat tevens de stabiele financiële situatie van de onderneming verklaart. De omzet van ÅI lag in de jaren 1997-2000 tussen 95 000 EUR en 101 000 EUR. Zo was ÅI ondanks een relatief lage omzet in staat winst te maken.

(63)

Volgens Finland werden deze kapitaalverhogingen gebruikt voor de aankoop van een industrieel vastgoedobject (C-VIII) en voor de bouw van een hangar op de luchthaven Jomala buiten Mariehamn (C-IX).

(64)

Hoewel ze niet direct gegrond zijn met het oog op het iTiden-project, werden deze maatregelen ten uitvoer gelegd in omstandigheden die volledig verschillend waren van de omstandigheden van de hierboven besproken maatregelen C-II en C-III. Kapitaalverhogingen C-VIII en C-IX werden respectievelijk ondernomen in 2004 en 2005. ÅI draaide toen al sinds 2001 verlies. Een ander essentieel gegeven is dat deze investeringen werden gedaan op een moment dat de regionale regering van Åland sinds 2001 al meer dan 2,25 miljoen EUR had geïnvesteerd in ÅI wel wetende dat deze investering geen rendement zou opleveren dat aanvaardbaar zou zijn voor een marktinvesteerder.

(65)

Het ontoereikende rendement op het iTiden-project zou onvermijdelijk een negatieve invloed hebben op het resultaat van ÅI in het algemeen. Het vermogen van een onderneming is namelijk niet aan een bepaalde bestemming toegewezen, maar is fungibel en moet worden ondersteund vanuit de algehele prestaties van de onderneming. Daarom moet het voor de regionale regering van Åland, op het moment dat zij de maatregelen C-VIII en C-IX uitvoerde, duidelijk zijn geweest dat aanvullende verhogingen van het kapitaal van ÅI in de nabije toekomst naar alle waarschijnlijkheid geen adequaat rendement zouden opleveren. Een marktinvesteerder zou bereid zijn geweest deze kapitaalinjecties uit te voeren als deze investeringen een marktrendement op de algehele prestaties van de onderneming hadden kunnen genereren (d.w.z. een rendement dat de lage rendementen van de andere kapitaalverhogingen zou compenseren), maar niets wekte de verwachting dat dit het geval zou zijn. Finland heeft geen specifieke informatie over deze maatregelen verstrekt die dit oordeel zou veranderen. De Commissie is derhalve van oordeel dat een particuliere investeerder in deze omstandigheden geen aanvullend kapitaal aan ÅI verstrekt zou hebben. Kapitaalverhogingen C-VIII en C-IX hebben ÅI dus een voordeel opgeleverd dat het op de markt niet had kunnen verkrijgen.

5.1.2.2.    De leninggaranties

(66)

Bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van staatssteun bij garanties, past de Commissie de beginselen toe die zijn vastgelegd in haar garantiemededeling. In punt 3.2 van de mededeling worden de voorwaarden uiteengezet die normaal gesproken volstaan om vast te stellen dat er geen sprake is van staatssteun bij een door een overheidsinstantie toegekende garantie. Ten aanzien van de garanties G-I, G-II en G-III zijn deze voorwaarden echter niet gegeven (de vaststelling dat deze garanties van toepassing waren op 100 % van de onderliggende leningen, is afdoende; zie punt 3.2 c) van de garantiemededeling).

(67)

De Commissie merkt in de eerste plaats op dat de financiële positie van ÅI in de periode waarin de garanties werden toegekend, sterk genoeg was om niet uit te sluiten dat de onderneming op de markt leningen zonder garantie had kunnen verkrijgen. De onderneming was geen onderneming in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren van de Commissie inzake reddings- en herstructureringssteun (21). Op grond van de beschikbare bewijzen kan niet worden vastgesteld dat ÅI een onderneming was die zonder staatssteun in het geheel niet zou hebben overleefd. In de jaren voorafgaand aan de kapitaalinjecties, dat wil zeggen vóór de start van het iTiden-project, was de financiële situatie van ÅI stabiel en hadden haar bedrijfsactiviteiten bescheiden positieve resultaten. De reden dat de overheidsinstanties in 2001 begonnen met het massaal injecteren van kapitaal was niet om de onderneming te redden, maar om haar groei te financieren. Zonder de steun in de vorm van kapitaalverhogingen zou ÅI niet failliet zijn gegaan, maar een kleinere onderneming zijn geworden die nog altijd toegang tot de financiële markten zou hebben gehad. Derhalve kan de Commissie niet vaststellen dat ÅI geen toegang tot de kredietmarkten zonder garanties zou hebben gehad. De vraag is vervolgens of de garanties de onderneming een voordeel verschaften in de vorm van lagere kredietkosten dan de kosten die zij in marktomstandigheden, zonder een garantie, zou hebben betaald.

(68)

De volgende vraag die moet worden onderzocht is of voor de garanties een passende premie werd gevorderd die vergelijkbaar is met de kosten die een particuliere garantieverstrekker in rekening zou hebben gebracht. In het onderhavige geval heeft de Commissie geen particuliere garantieverstrekkers gevonden die gemakkelijk als vergelijkingspunt zouden kunnen dienen. In dergelijke omstandigheden zal de Commissie de totale financiële kosten van de gegarandeerde lening, inclusief de rente van de lening en de garantiepremie, vergelijken met de marktpremie van een soortgelijke lening zonder garantie (22).

(69)

Op 9 oktober 2003 verstrekte […] (23), een commerciële bank, aan ÅI een lening van […] EUR op onderpand […]. De rente werd vastgesteld op […] % per jaar tot 15 januari 2007 (24).

(70)

Hoewel deze lening gelijktijdig met garantie G-I werd verstrekt, is de Commissie van mening dat dit geen goede vergelijking vormt voor de kosten van die maatregel. Tussen juni 2000 en maart 2003 ontving ÅI namelijk vijf kapitaalinjecties voor een totaalbedrag van 2 208 595,01 EUR. Staatssteun van een dergelijke omvang zal de risicobeoordeling die […] heeft uitgevoerd voor het toekennen van de lening, onvermijdelijk hebben beïnvloed en derhalve hebben geleid tot betere leningvoorwaarden, zoals onder meer de kosten ervan, in vergelijking met de voorwaarden die de onderneming zou hebben kunnen verkrijgen op de markten zonder het staatssteunelement in de kapitaalverhogingen. Derhalve kan de Commissie niet veronderstellen dat de rente voor de lening zonder garantie van 2003 (of latere leningen) een getrouw beeld schetst van de kredietvoorwaarden voor ÅI zonder staatssteun en kan zij deze rente niet als een geloofwaardige en betrouwbare maatstaf gebruiken voor de kosten van de leningen waarop de door de regionale regering van Åland verstrekte garanties van toepassing waren.

(71)

De Commissie is van oordeel dat, indien geen ander betrouwbaar bewijs voorhanden is met betrekking tot vergelijkbare leningen tegen marktvoorwaarden, de mededeling van de Commissie betreffende het referentiepercentage (25) een geschikte externe maatstaf biedt om te onderzoeken of de maatregelen G-I, G-II en G-III onder marktvoorwaarden zijn toegekend. Deze mededeling betreffende het referentiepercentage biedt een alternatieve maatstaf voor de marktrente en voor de berekening van het steunelement in steunmaatregelen. De methode voor de vaststelling van het referentiepercentage is gebaseerd op de volgende twee factoren: het basispercentage (in dit geval de 1-jaars Euribor) waaraan een opslag wordt toegevoegd. De opslag die aan het basispercentage wordt toegevoegd, is afhankelijk van twee factoren: de rating van de onderneming die de lening ontvangt en de hoogte van de zakelijke zekerheid die voor de lening wordt geboden. In de mededeling worden vijf ratingcategorieën onderscheiden (zeer goed [AAA-A], goed [BBB], bevredigend [BB], zwak [B] en slecht [CCC en lager]) en drie niveaus van zekerheidstelling (hoog, normaal en laag) voor elke ratingcategorie.

(72)

Op 18 juni 2010 stuurde Finland de Commissie een rapport van adviesbureau […] dat ÅI elk jaar in december een rating op jaarbasis toekent. De rating wordt met terugwerkende kracht berekend en is gebaseerd op de cijfers die aan het eind van het boekjaar beschikbaar zijn (dus de rating die in december 2002 wordt gegeven is een beoordeling van de gezondheidstoestand van de onderneming in het jaar 2002). […] beschreef in het ratingrapport de algemene financiële toestand en de ontwikkeling van de onderneming en betrok de volgende aandachtsgebieden in zijn evaluatie: groei, winstgevendheid, kasstroom, liquiditeit, solventie en verplichtingen. De voor de rating toegepaste schaal bestaat uit vijf ratingcategorieën: uitstekend (A+ en A), goed (A– en B+), bevredigend (B en B–), adequaat (C+ en C) en zwak (C– en D). Deze categorieën kunnen direct vergeleken worden met de ratingschaal van de mededeling betreffende het referentiepercentage.

(73)

In december 2002, 2003 en 2004 gaf […] ÅI respectievelijk de rating C+, C+ en C, waarmee de onderneming in de categorie „adequaat” valt. Deze categorie komt overeen met de ratingcategorie „zwak” van de mededeling betreffende het referentiepercentage. Voor een onderneming die de rating „zwak” krijgt toegekend, variëren de opslagen die overeenkomstig deze mededeling aan het basispercentage worden toegevoegd, afhankelijk van de geboden zakelijke zekerheid, van 220 basispunten voor een hoge zekerheidstelling tot 650 basispunten voor een lage zekerheidstelling. In december 2005 kende […] ÅI de rating B– (bevredigend) toe, die overeenkomt met de rating „bevredigend” in de mededeling betreffende het referentiepercentage.

(74)

Op 27 juni 2011 zond Finland aanvullende informatie over de rating en zekerheidstelling van de leningen. De rating was opgesteld door […], de bank die ÅI de leningen zonder garantie en twee van de gegarandeerde leningen verstrekte. […] gebruikt een systeem van letters voor de jaren 2000 tot 2003, aangevuld met kwalificaties bestaande uit één woord. De rating is eenvoudig te vergelijken met de ratingschaal van de mededeling betreffende het referentiepercentage. Vanaf 2005 werd de rating toegekend door […], een met […] vergelijkbaar adviesbureau. In 2003 en 2004 kende […] ÅI de ratings B– (bevredigend) en A (bevredigend) toe, die overeenkomen met de rating „bevredigend” in de mededeling betreffende het referentiepercentage. Dit betekent dat […] ÅI voor de jaren 2003 en 2004 één categorie hoger inschaalde dan […]. Voor 2005 gaf […] aan ÅI de rating A (bevredigend), wat overeenkomt met de rating „bevredigend” van de mededeling betreffende het referentiepercentage. […] plaatste ÅI dus in dezelfde categorie als […].

(75)

De Commissie is van mening dat de rating van […] moet worden toegepast bij de beoordeling of de garanties G-I, G-II en G-III op marktvoorwaarden zijn toegekend. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat voordat de eerste garantie G-I werd toegekend in oktober 2003 — toen ÅI reeds vijf kapitaalinjecties had ontvangen voor een totaalbedrag van 2 208 595,01 EUR —, elke rating van de onderneming zou zijn beïnvloed door de aanzienlijke hoeveelheid staatssteun. Daarom acht de Commissie het billijk de meer bescheiden rating van […] toe te passen. Dit is van invloed voor 2003 en 2004, aangezien […] ÅI voor deze twee jaren een rating van een lagere categorie toekende dan […]. Tevens moet worden opgemerkt dat […] ÅI leningen verstrekte die door de regionale regering van Åland werden gegarandeerd, terwijl het tegelijkertijd de rating van ÅI opstelde, hetgeen de beoordeling kan hebben beïnvloed. […] was niet betrokken bij de financiële procedures en derhalve is het minder waarschijnlijk dat zijn beoordeling rechtstreeks is beïnvloed door ongepaste overwegingen in verband met staatssteun.

(76)

Voor de toepassing van de mededeling betreffende het referentiepercentage gaat de Commissie dientengevolge uit van de volgende ratings voor ÅI: zwak (B) in 2003 en 2004 en bevredigend (BB) in 2005.

(77)

Ten aanzien van de zekerheidstelling bood ÅI zakelijke zekerheden van de nominale waarde van de garanties in de vorm van hypotheken op vastgoedobjecten van het iTiden-project. Finland heeft geen informatie verstrekt met betrekking tot de Loss Given Default (LGD) zoals vermeld in voetnoot 2 van de mededeling betreffende het referentiepercentage. Aan de hand van deze informatie kunnen het niveau van de zekerheidstelling en de opslagen waarmee het basispercentage wordt vermeerderd, beter worden vastgesteld. Daarom heeft de Commissie om informatie verzocht over de rangorde van de verstrekte hypotheken en de waarde van het vastgoed op het moment dat de garanties werden verstrekt. Finland beschikt niet over taxaties waarmee de waarde van het vastgoed op het moment van de garantiemaatregelen kan worden aangetoond. De Finse autoriteiten beweerden echter dat de waarde van het vastgoed in de loop der tijd, naarmate het project vorderde, is gestegen. Volgens Finland werd het vastgoed in 2010 op […] EUR gewaardeerd.

(78)

Wat de rangorde van de zekerheden betreft, merkt de Commissie op dat voor de garanties G-I en G-II de zekerheid van de regionale regering van Åland de hoogste plaats in de rangorde innam van alle hypotheken die voor het vastgoed waren verstrekt. Voorts merkt de Commissie op dat commerciële banken leningen zonder garantie aan ÅI hebben verstrekt en als zekerheid hypotheken op hetzelfde vastgoed hebben geaccepteerd die een lagere plaats in de rangorde hebben (en dus een minder goede zekerheid vormen) dan de zekerheid die de regionale regering van Åland ontving. Met het oog hierop, en bij gebrek aan betere bewijzen, gaat de Commissie er bij de toepassing van de garantiemededeling van uit dat het niveau van zekerheidstelling van de garantieverstrekkers „normaal” was.

(79)

Op grond van het bovenstaande zal het referentiepercentage afzonderlijk worden bestudeerd voor elke garantie die ÅI van de regionale regering van Åland heeft ontvangen.

(80)

De Commissie merkt op dat voor alle garanties die aan ÅI zijn verstrekt, de premies uit twee delen bestonden: i) een terugkerende premie, die op jaarbasis wordt betaald en is uitgedrukt als percentage van de uitstaande hoofdsom van de lening, en ii) eenmalige kosten, eveneens uitgedrukt als percentage van het bedrag van de lening; deze kosten worden echter slechts eenmalig voldaan op het moment van de verstrekking van de garantie. In de onderstaande analyse omvatten de totale financiële kosten van de gegarandeerde leningen uitsluitend de jaarlijks te betalen premie. Overeenkomstig punt 4.2 van de garantiemededeling moet het steunelement van de garantie worden berekend als het verschil tussen de marktprijs (in dit geval het referentiepercentage) en de feitelijk betaalde prijs. De feitelijk door ÅI betaalde prijs omvat de jaarlijks te betalen premie en een eenmalige premie. Om praktische redenen wordt in punt 8.2 (over terugvordering) verder ingegaan op de eenmalige premie, aangezien het eenvoudiger is het bedrag van de eenmalige premie in mindering te brengen op het bedrag van de terug te vorderen steun. Hoe dan ook, zelfs als de eenmalige premies werden toegevoegd aan de totale financiële kosten van de gegarandeerde leningen, zou de conclusie over de vraag of er sprake is van steun, niet veranderen. De eenmalige premie is alleen van invloed op het aan ÅI toegekende steunbedrag.

(81)

Garantie G-I werd door de regionale regering van Åland toegekend op 9 oktober 2003 ter dekking van een lening van […] aan ÅI van […] EUR (kredietnummer […]). Als zekerheid voor eventuele aanspraken op de garantie bood ÅI een hypotheek op vastgoed. De rente op de lening werd vastgesteld op […] % tot 15 januari 2007 (26). De premie voor de garantie bedroeg […] % van het bedrag van de lening per jaar (27). De totale financiële kosten van de gegarandeerde lening op het moment dat de lening werd verstrekt, bedroegen […] % per jaar, wat vergeleken moet worden met een referentiepercentage dat is berekend voor de garantie op basis van het basispercentage en een opslag die afhankelijk is van de rating van ÅI en de hoogte van de zekerheidstelling van de lening. Het basispercentage (1-jaars Euribor) lag op 9 oktober 2003 bij 2,235 %. Op dat moment had ÅI de rating „zwak” in de zin van de mededeling betreffende het referentiepercentage. Zoals hierboven vastgesteld, gaat de Commissie ervan uit dat de hoogte van de zekerheidstelling van de lening normaal was, hetgeen betekent dat de opslag waarmee het basispercentage moet worden vermeerderd, 400 basispunten bedraagt. Daarom bedraagt het referentiepercentage voor deze lening 6,235 %. Dit is hoger dan de totale financiële kosten van G-I, die […] % per jaar bedroegen.

(82)

Bovendien verlaagde de regionale regering van Åland per 6 september 2004 de garantiepremie voor G-I naar […] %. Zodoende kwamen de totale financiële kosten van de gegarandeerde lening uit op […] %, dat wil zeggen […] basispunten onder het referentiepercentage, waardoor dus voor ÅI een voordeel van deze omvang werd gecreëerd.

(83)

Op 2 november 2004 sloot ÅI een lening van […] EUR af bij […] (kredietnummer […]). Deze lening werd zeker gesteld door een garantie van de regionale regering van Åland, waarvoor ÅI een zakelijke zekerheid bood in de vorm van een pandrecht op vastgoed. De rente werd vastgesteld op […] + […] basispunten en de garantiepremie werd vastgesteld op […] % van het bedrag van de lening per jaar. Hierdoor kwamen de totale financiële kosten van deze gegarandeerde lening neer op […] % per jaar (28).

(84)

Het referentiepercentage voor G-II moet worden berekend op basis van de 1-jaars Euribor op 2 november 2004, die 2,314 % bedroeg. Op dat moment had ÅI de rating „zwak” in de zin van de mededeling betreffende het referentiepercentage. Uitgaande van een normale hoogte van zekerheidstelling, bedraagt het referentiepercentage voor deze lening 6,314 % per jaar. Dit is hoger dan de totale financiële kosten van G-II, die […] % per jaar bedragen. Een vergelijking van deze nieuwe gegarandeerde lening met het referentiepercentage laat zien dat de totale financiële kosten van de lening die gedekt is door garantie G-II, ten minste […] basispunten onder het referentiepercentage lagen, waardoor ÅI dus een financieel voordeel werd verschaft. Op grond van de informatie die de Commissie tot haar beschikking heeft, is de rente op de gegarandeerde lening niet veranderd sinds deze is toegekend.

(85)

Op 13 december 2005 verstrekte de regionale regering van Åland een nieuwe garantie aan ÅI. Deze garantie moest dienen ter dekking van de „referentielening”, oftewel de aanvankelijk niet-gegarandeerde lening van 9 oktober 2003, waarvan de voorwaarden aldus werden gewijzigd. De rente van de lening werd op dat moment gewijzigd in […] % per jaar. De garantiepremie werd vastgesteld op […] % van het bedrag van de lening, wat neerkomt op totale financiële kosten van […] % per jaar (29) (de voorwaarden die vanaf deze datum werden toegepast, zijn gelijk aan degene die, zoals hierboven beschreven, van toepassing zijn op de lening die is gedekt door garantie G-I, met inbegrip van de wijzigingen van de rente in de loop der tijd).

(86)

Het referentiepercentage voor G-III moet worden berekend op basis van de 1-jaars Euribor op 13 december 2005, die 2,769 % bedroeg. Op dat moment had ÅI de rating „bevredigend” in de zin van de mededeling betreffende het referentiepercentage. Uitgaande van een normale hoogte van zekerheidstelling bedraagt het referentiepercentage van deze lening 4,969 % per jaar. Dit is hoger dan de totale financiële kosten van G-III, die […] % per jaar bedragen. De regionale regering van Åland heeft ÅI derhalve een overeenkomstig financieel voordeel verschaft van minstens […] % per jaar.

5.2.   VERSTORING VAN DE MEDEDINGING EN GEVOLGEN VOOR HET HANDELSVERKEER

(87)

De Finse autoriteiten hebben aangevoerd dat de maatregelen in kwestie het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden en derhalve geen staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Om deze bewering kracht bij te zetten heeft Finland in wezen gesteld dat ÅI maar één van verscheidene ondernemingen is die op de vastgoedmarkt actief zijn, en daarvan niet de grootste is. Er is dus geen bewijs dat erop duidt dat de maatregelen, indien ze als staatssteun worden beschouwd, de positie van ÅI ten koste van concurrenten hebben versterkt.

(88)

De Commissie kan dit argument niet onderschrijven. Het feit dat ÅI een financieel voordeel is gegeven dat niet aan zijn concurrenten is verschaft (en, zoals Finland heeft bevestigd, zijn er verscheidene andere spelers actief op de vastgoedmarkt van Åland) betekent dat ÅI in staat is geweest grote investeringen te doen en zijn activiteiten heeft kunnen uitbreiden onder financiële voorwaarden die gunstiger waren dan de voorwaarden die zijn concurrenten hadden kunnen krijgen (en die hadden kunnen besluiten soortgelijke investeringen te doen als ÅI dit voordeel niet had gekregen). Het behoeft geen betoog dat de maatregelen ÅI in staat hebben gesteld marktaandelen over te nemen van zijn concurrenten.

(89)

Tevens dreigde het aan ÅI toegekende voordeel het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig te beïnvloeden. Åland is inderdaad een kleine markt, gesitueerd in een eilandengroep die enkel toegankelijk is vanuit de zee of de lucht, en er gelden specifieke beperkingen op het recht van vestiging krachtens het verdrag betreffende de toetreding van Finland tot de EU. Feit blijft echter dat er geen volledige belemmering bestaat voor buitenlandse ondernemingen om zakelijk actief te zijn in Åland, en zeker geen belemmering voor dergelijke ondernemingen om te investeren in de lokale vastgoedmarkt. De Commissie merkt tevens op dat Finland de stelling in het besluit tot inleiding van de procedure dat in het verleden vastgoed is aangekocht door ondernemingen gevestigd in andere lidstaten, niet heeft betwist. Een aan ÅI via deze maatregelen toegekend voordeel zou dus minstens in potentie het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden doordat de positie van ÅI ten opzichte van potentiële buitenlandse concurrenten of investeerders op ongeoorloofde wijze wordt versterkt.

5.3.   CONCLUSIE OVER DE VRAAG OF ER SPRAKE IS VAN STAATSSTEUN

(90)

Om bovengenoemde redenen is de Commissie van oordeel dat alle kapitaalverhogingen (met uitzondering van C-I, C-II en C-III) en de leninggaranties G-I, G-II en G-III staatssteun vormen in de zin van artikel 107 VWEU.

6.   VERMEENDE RECHTMATIGHEID VAN DE STEUN

(91)

Finland beweert dat beide kapitaalinjecties en de garanties, indien deze staatssteun vormen, rechtmatig waren in het kader van steunregelingen die in werking zijn gesteld vóór het EU-lidmaatschap van Finland en op correcte wijze vóór toetreding tot de EU zijn voorgelegd aan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA onder zaaknummer 93-074 (kapitaalverhogingen) en 93-079 (garanties).

(92)

Dit argument moet worden bestudeerd tegen de achtergrond van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 659/1999. Overeenkomstig artikel 1, onder d), wordt onder „steunregeling” verstaan „elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet gebonden is aan een specifiek project voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend”. Voorts wordt overeenkomstig artikel 1, onder b), i), van Verordening (EG) nr. 659/1999 onder „bestaande steun” het volgende verstaan: „onverminderd de artikelen 144 en 172 van de Akte van toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, alle steun die voor de inwerkingtreding van het Verdrag in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn”.

(93)

Finland is op 1 januari 1995 toegetreden tot de Europese Gemeenschap. Verder wordt volgens artikel 172, lid 5, van het Verdrag betreffende de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden „[…] staatssteun die in 1994 door de nieuwe lidstaten is verleend, maar waarvan in strijd met de EER-overeenkomst of daaruit voortvloeiende regelingen geen kennis is gegeven aan de Toezichthoudende Autoriteit of waarvan wel kennis is gegeven maar waarvan de verlening heeft plaatsgevonden voordat de Toezichthoudende Autoriteit een beschikking had vastgesteld, niet beschouwd als bestaande staatssteun op grond van artikel 93, lid 1, van het EG-Verdrag […]”.

(94)

Bovendien wordt volgens artikel 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 659/1999 met „nieuwe steun” alle steun bedoeld, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun, die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun (30).

(95)

Tot slot wordt volgens artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (31) onder wijzigingen in bestaande steun „iedere wijziging verstaan, met uitzondering van aanpassingen van louter formele of administratieve aard die de beoordeling van de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt niet kunnen beïnvloeden. Een verhoging van de oorspronkelijk voor een bestaande steunregeling voorziene middelen met maximaal 20 procent, wordt echter niet als een wijziging van bestaande steun beschouwd.”.

(96)

Uit het voorgaande komt naar voren dat een maatregel die dateert van vóór de toetreding en een staatssteunmaatregel vormt, kan worden beschouwd als bestaande steun, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan. De eerste is dat de regeling vóór de inwerkingtreding van het EG-Verdrag in werking moet zijn gesteld, en de tweede is dat de maatregel sindsdien inhoudelijk niet substantieel is veranderd.

(97)

De Commissie zal de argumenten van Finland over de rechtmatigheid van de steun afzonderlijk onderzoeken voor de twee beweerde regelingen.

6.1.   DE GARANTIEREGELING (93-079)

(98)

De Commissie zal eerst onderzoeken of deze maatregelen een steunregeling vormen in de zin van artikel 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 659/1999.

(99)

De nationale rechtsgrondslag voor de garantieregeling is de provinciale wet over provinciale garanties voor de industrie en bepaalde andere bedrijfssectoren (ÅFS 1966:14) (32), die werd aangenomen in 1966, en gewijzigd door ÅFS 1979:84, 1982:37, 1988:53, 1992:9, 1994:29, 1996:56 en 2002:23. Wat de voorziene middelen of „enveloppe” betreft, was op het moment van toetreding van Finland tot de EG in de provinciale wet van 1966 bepaald dat het totaal van uitstaande garanties of leningen (33) op een bepaald moment niet meer mag bedragen dan 20 miljoen FIM. Wel omvat de maatregel in kwestie geen beperking in de tijd van de geldigheid van garanties of leningen.

(100)

In het licht van het bovenstaande en de bepalingen van de nationale wet lijken de maatregelen op het eerste gezicht aan de definitie van een steunregeling te voldoen, aangezien de wet steun toestaat die niet gebonden is aan een specifiek project dat voor een onbepaalde duur aan een of meer ondernemingen wordt toegekend. De betrokken steunregeling werd ingesteld op 1 september 1982, dus duidelijk vóór 1 januari 1994, en werd meegedeeld aan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA. Aan de eerste voorwaarde om als bestaande steun te worden beschouwd, lijkt dus te zijn voldaan, omdat de oorspronkelijke regeling in Finland is ingesteld vóór de inwerkingtreding van het Verdrag en zelfs vóór 1 januari 1994. Artikel 172, lid 5, van het Verdrag betreffende de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden is in dit geval dus niet van toepassing.

(101)

De Commissie moet echter ook onderzoeken of de maatregelen sinds 1 januari 1994 substantiële veranderingen hebben ondergaan.

(102)

De regionale autoriteiten hebben in de garantieregeling ten minste drie wijzingen aangebracht na 1 januari 1994 (bij provinciale wetten 1994:29, 1996:56 en 2002:23) en voordat de eerste garantie werd toegekend op 14 augustus 2003. Door deze wijzigingen werden de voor de betrokken regeling aanzienlijk uitgebreid (d.w.z. dat het totaalbedrag van de garanties die op elk moment konden worden toegekend, werd verhoogd). Aangezien het in dit geval gaat om de toekenning van een leninggarantie, moet worden onderzocht of de wijzigingen van de voor de regeling uitgetrokken middelen die vóór de hier besproken maatregelen zijn ingevoerd, moeten worden beschouwd als substantieel en scheidbaar van de bestaande regeling.

(103)

Zoals eerder vermeld vormen, overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 794/2004, verhogingen van voor een steunregeling voorziene middelen met 20 % een wijziging van een bestaande steunregeling. Twee van de bovengenoemde wijzigingen (34) hebben gezorgd voor een verhoging van respectievelijk 50 % en 150 % van de voor de regeling voorziene middelen. Deze verhogingen vormen substantiële veranderingen van de regeling die nooit aan de Commissie zijn medegedeeld.

(104)

Het effect van deze substantiële veranderingen kan niet worden beschouwd als scheidbaar van de betrokken regeling, met als resultaat dat de regeling in haar geheel nieuwe steun wordt. De oorspronkelijke steunregeling was namelijk alleen beperkt ten aanzien van het totaalbedrag aan garanties die op elk willekeurig moment konden uitstaan. Bij deze specifieke constructie raakt een zeer substantiële uitbreiding van de uitgetrokken middelen (zelfs zonder andere wijziging in de regeling) de kern van de bestaande regels.

(105)

Verder merkt de Commissie op dat uit de garantiedocumenten die Finland heeft toegezonden niet blijkt dat de rechtsgrondslag van deze garanties de betrokken garantieregeling was.

(106)

Daarom moeten de garanties die onder dit besluit vallen als nieuwe steun worden beschouwd. Gezien het feit dat de steun in werking is gesteld zonder de krachtens artikel 108 VWEU vereiste voorafgaande goedkeuring door de Commissie, is deze onrechtmatig.

6.2.   DE REGELING INZAKE INSCHRIJVING OP AANDELEN (93-079)

(107)

De nationale regels betreffende deze betrokken regeling zijn voorgelegd aan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA als steunregelingen voor de inschrijving op aandelen. Uit de destijds toegezonden documenten blijkt dat de „jaarlijkse begroting voor Åland” als nationale rechtsgrondslag is gegeven. Onder de rubriek „maximaal toelaatbare steunintensiteit die […] kan worden verkregen ten behoeve van een project” heeft Finland „30 %” vermeld. Verder heeft Finland onder de rubriek „Begroting/uitgaven” begrotingen voor de jaren 1992 tot 1994 vermeld, maar niets ingevuld onder de rubriek „Totale geschatte begroting voor de gehele planningsperiode van de regeling”.

(108)

In de loop van het onderzoek heeft Finland verklaard dat het in 1991 aangenomen verdrag betreffende de autonomie van Åland (1144/1991) de formele rechtsgrondslag van de betrokken regeling is. Krachtens artikel 18, lid 22, hebben de lokale autoriteiten van Åland „algemene bevoegdheden” om verschillende soorten maatregelen aan te nemen die gericht zijn op de bevordering van de economie van Åland. Deze bevoegdheden worden ten uitvoer gelegd (bijvoorbeeld door middel van leningen, kapitaalinjecties, garanties) via voorzieningen in de jaarlijkse algemene begroting van de regionale regering van Åland.

(109)

De Commissie merkt het volgende op.

(110)

Ongeacht het feit dat Finland de bevoegdheden van de lokale autoriteiten om dergelijke kapitaalinjecties te verstrekken (overeenkomstig de algemene bevoegdheden die aan hen zijn toegekend door het verdrag betreffende de autonomie) als „regeling” aanduidt, moet de Commissie controleren of de bepalingen van het nationaal recht waarin deze bevoegdheden zijn vastgelegd, in overeenstemming zijn met de definitie van „steunregeling” overeenkomstig artikel 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 659/1999. In dit opzicht blijkt dat de rechtsgrondslag (artikel 18, lid 22, van Wet 1144/1991) uit regels bestaat die betrekking hebben op de toewijzing van bevoegdheden tussen verschillende autoriteiten binnen de Finse rechtsorde en dat deze niet voldoen aan de eisen om van een steunregeling te kunnen spreken (die onder andere is gedefinieerd als „… een handeling op basis waarvan individuele steunmaatregelen kunnen worden toegekend, zonder dat verdere uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, …”). Voor elk kapitaal dat aan een individuele begunstigde wordt toegekend, is eerst een krediettoewijzing in de jaarlijkse begroting van de regionale regering van Åland nodig (waarom de regionale assemblee van Åland naar eigen inzicht beslist), en vervolgens de uitvoering van door de regionale regering van Åland genomen besluiten. Zodoende blijkt dat kapitaalinjecties die onder deze bevoegdheden zijn toegekend, moeten worden beschouwd als een opeenvolging van individuele besluiten in plaats van een steunregeling.

(111)

De Commissie merkt in elk geval ook op dat de bewuste regeling alleen betrekking had op de jaren 1992 tot 1994, aangezien onder de rubriek „Begroting/uitgaven” geen andere informatie is gegeven, hoewel de rechtsgrondslag de jaarlijkse begroting van Åland was.

(112)

Tot slot merkt de Commissie op dat Finland heeft aangegeven dat de maximale steunintensiteit die kan worden verkregen voor een project, 30 % bedraagt. Hieruit kan hoe dan ook alleen worden begrepen dat de kapitaalinjecties in het kader van de betrokken regeling bestemd waren om te worden gebruikt in combinatie met aanzienlijke particuliere bijdragen (ten minste 70 %) ten behoeve van „projecten” die bedoeld waren om de doelstellingen van de betrokken regeling, omschreven als „Toerisme, industrie, O&O” te bevorderen. De kapitaalverhogingen waarop dit besluit van toepassing is, voldoen niet aan deze formele voorwaarde en kunnen derhalve niet onder het toepassingsgebied vallen van de nationale wettelijke bepalingen die aan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA zijn voorgelegd, ongeacht of deze maatregelen daadwerkelijk een steunregeling vormden en, indien dit het geval is, of deze na 1994 van toepassing was.

(113)

De staatssteun die in de vorm van kapitaalverhogingen aan ÅI is versterkt, vormt derhalve nieuwe steun. Aangezien de steunmaatregel ten uitvoer is gelegd zonder de krachtens artikel 108 VWEU vereiste voorafgaande goedkeuring door de Commissie, is deze onrechtmatig.

6.3.   AANVULLENDE OPMERKINGEN OVER RECENTE BESLISSINGEN VAN DE HOOGSTE ADMINISTRATIEVE RECHTBANK VAN FINLAND

(114)

Ook moet worden opgemerkt dat twee maatregelen die de regionale regering van Åland aan ÅI heeft toegekend, recentelijk door een nationale Finse rechtbank zijn vernietigd. Deze maatregelen betreffen i) kapitaalverhoging C-XI, aan ÅI verstrekt in 2007 (zie opmerking bij overweging 16), en ii) een leninggarantie uit 2006 die nooit ten uitvoer is gelegd. Op 6 april 2011 oordeelde de hoogste administratieve rechtbank over de vraag of de besluiten van de regionale regering van Åland in overeenstemming met de nationale administratieve regels zijn genomen. Hierbij onderzocht de rechtbank echter ook of er voldoende aanwijzingen waren dat de maatregelen staatssteun vormden, want anders hadden de lokale autoriteiten deze eerst aan de Commissie moeten voorleggen alvorens ze in werking te stellen. De rechtbank is van oordeel dat op het eerste gezicht aan alle criteria van staatssteun werd voldaan. De rechtbank onderzocht ook de bewering van Finland dat de maatregelen — indien ze steun vormden — zouden vallen onder de nationale regels die vóór de toetreding golden en derhalve als „bestaande steun” gekwalificeerd zouden moeten worden. Hiervoor verrichtte de rechtbank een diepgaand onderzoek naar de nationale regels en constateerde dat, ongeacht of deze regels al dan niet in feitelijke staatssteunregelingen voorzien, de besluiten van de lokale autoriteiten niet voldeden aan de formele vereisten die zijn vastgelegd in de nationale regels, met name vanwege de hierboven door de Commissie uiteengezette redenen. Daarom zijn de vaststellingen van de nationale hoogste administratieve rechtbank in overeenstemming met die van de Commissie ten aanzien van het feit dat de onderzochte kapitaalinjectie C-XI nieuwe staatssteun omvat. De rechtbank kwam tot dezelfde conclusie wat betreft de leninggarantie van 2006. Aangezien de garantie nooit van kracht is geworden, is deze in dit besluit niet onderzocht.

7.   VERENIGBAARHEID

(115)

Finland heeft in algemene zin beargumenteerd dat, indien wordt geconstateerd dat de maatregelen nieuwe staatssteun vormen, deze desalniettemin verenigbaar zijn met de interne markt, omdat de middels de steun gefinancierde activiteiten van ÅI tot doel hadden de ontwikkeling van de regio te bevorderen en nieuwe banen te scheppen.

(116)

Hoewel in beginsel verboden, wordt staatssteun desalniettemin beschouwd als verenigbaar met de interne markt indien de omstandigheden genoemd in artikel 107, lid 2, VWEU gegeven zijn, en kan staatssteun als verenigbaar worden beschouwd als deze wordt gebruikt om de in artikel 107, lid 3, genoemde doelstellingen te verwezenlijken. De enige mogelijke grondslagen voor verenigbaarheid zijn in dit geval artikel 107, lid 3, onder a), VWEU, op grond waarvan steun kan worden verleend voor de bevordering van de economische ontwikkeling van gebieden waar de levensstandaard abnormaal laag is of waar ernstige werkloosheid heerst, en artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, op grond waarvan staatssteun kan worden verleend om de ontwikkeling van bepaalde economische sectoren te bevorderen.

(117)

Overeenkomstig de regels voor regionale steun die destijds van toepassing waren op Finland (de regionalesteunkaarten 2000-2006 en 2007-2013), kwam de gemeente Mariehamn, waar iTiden is gevestigd, in elk geval niet in aanmerking voor dergelijke steun. Dit betekent dat, zelfs als kan worden gezegd dat de steun aan dat project is toegekend, deze steun niet verenigbaar kan worden geacht. Voorts merkt de Commissie op dat Finland niet heeft aangetoond dat wordt voldaan aan één of meer van de voorwaarden voor verenigbaarheid die zijn vastgelegd in de regels voor regionale steun (bijvoorbeeld wat betreft de vorm van de steun, de in aanmerking komende kosten, of maximale steunintensiteiten).

(118)

De steun kan evenmin verenigbaar met de interne markt worden geacht overeenkomstig een van de andere kaderregelingen, richtsnoeren of mededelingen die door de Commissie zijn aangenomen met betrekking tot de toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, dan wel rechtstreeks overeenkomstig laatstgenoemd artikel. De Finse autoriteiten hebben geen enkel specifiek argument of bewijs aangedragen aan de hand waarvan de Commissie kan vaststellen dat de maatregelen overeenkomstig een bepaling van het VWEU verenigbaar zijn.

8.   TERUGVORDERING VAN DE STEUN

8.1.   DE ARGUMENTEN VAN FINLAND

(119)

In artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 wordt het volgende bepaald: „indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen […]. De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht.”. De consequentie voor Finland is derhalve dat de onrechtmatige staatssteun aan ÅI moet worden teruggevorderd.

(120)

Finland argumenteerde echter dat de Commissie in dit geval niet de terugvordering van de steun moet gelasten, omdat Finland een gewettigd vertrouwen had dat de steun rechtmatig was in het kader van de betrokken regelingen die van vóór toetreding dateren, en dat terugvordering in strijd zou zijn met een beginsel van het EU-recht. De Commissie merkt op dat Finland alleen voor wat betreft de regionale regering van Åland heeft beargumenteerd dat er gewettigd vertrouwen was. Er is niet uitdrukkelijk beweerd dat de begunstigde een gewettigd vertrouwen had.

(121)

De Commissie kan dit argument in elk geval niet onderschrijven.

(122)

Ten aanzien van de kapitaalverhogingen heeft de Commissie hierboven aangetoond dat, ongeacht de verwachtingen van ÅI of anderen over de juridische status van de betrokken regeling inzake inschrijving op aandelen met betrekking tot staatssteunregels, deze in de vorm waarin zij waren voorgelegd aan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA niet eens voldeden aan de formele voorwaarden van de betrokken regeling. Derhalve kan niet worden gesteld dat ÅI een gewettigd vertrouwen had in de rechtmatigheid van de kapitaalverhogingen, aangezien deze niet eens onder het toepassingsgebied van de nationale regels vallen op basis waarvan Finland beweert een gewettigd vertrouwen te hebben gehad.

(123)

Wat de leninggaranties betreft, heeft de Commissie aangetoond dat de garantieregeling substantieel is gewijzigd, zelfs nog voordat de garanties waarop dit besluit ziet, zijn toegekend. Deze wijzigingen, die zijn aangenomen door de autoriteiten van Åland, zijn niet bij de Commissie aangemeld. Het gevolg is dat alle garanties die zijn toegekend overeenkomstig de nationale regels die samen de oorspronkelijke regeling vormden, als nieuwe steun moeten worden beschouwd. Het is een vast beginsel dat een begunstigde van steun geen gewettigd vertrouwen mag hebben dat steun rechtmatig is als deze niet bij de Commissie is aangemeld, terwijl dit volgens artikel 108 VWEU wel had moeten gebeuren (35).

(124)

Kortom, zowel de garanties als de kapitaalverhogingen vormen nieuwe staatssteun die voorafgaand aan de tenuitvoerlegging ervan bij de Commissie hadden moeten worden aangemeld.

(125)

Het is vaste rechtspraak (36) dat een lidstaat wiens instanties steun, in strijd met de procedureregels van artikel 108 VWEU, hebben toegekend, zich niet op het gewettigd vertrouwen van de ontvangers van de steun kan beroepen om zich te onttrekken aan zijn verplichting de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering van een besluit waarbij de Commissie hem gelast de steun terug te vorderen. Zou men dit toelaten, dan zouden de artikelen 107 en 108 VWEU elk nuttig effect verliezen, aangezien de nationale instanties zich dan op hun eigen onrechtmatige gedrag zouden kunnen beroepen om door de Commissie op grond van deze Verdragsartikelen vastgestelde besluit elke werking te ontnemen.

(126)

Hetzelfde beginsel is noodzakelijkerwijs van toepassing wanneer de nationale autoriteiten beweren dat ze zelf een gewettigd vertrouwen hadden in de rechtmatigheid van de maatregelen, maar deze, ondanks het feit dat ze nieuwe steun vormden, niet bij de Commissie aanmeldden (37).

(127)

Ook merkt de Commissie op dat, voor zover het gewettigd vertrouwen van ÅI relevant is, ondernemingen die steun genieten, volgens vaste rechtspraak en gelet op het dwingende karakter van het door de Commissie krachtens artikel 108 VWEU uitgeoefende toezicht op de steunmaatregelen van de staten, in beginsel evenwel slechts een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun kunnen hebben wanneer de steun met inachtneming van de procedure van dat artikel is toegekend. Een behoedzame ondernemer zal normaliter in staat zijn zich ervan te vergewissen of deze procedure is gevolgd (38).

(128)

De Commissie wijst erop dat ÅI beter dan enige andere onderneming in staat was inzicht te hebben in de handelingen van de regionale regering van Åland met betrekking tot de bewuste steunregelingen, aangezien de regionale regering van Åland zijn grootste aandeelhouder is en vertegenwoordigd is in het bestuur van ÅI met personen die ook lid zijn van de regionale regering van Åland. Dit argument wordt ondersteund door het feit dat, zoals hierboven aangetoond wat betreft de kapitaalverhogingen, vertegenwoordigers van ÅI en de regionale regering van Åland regelmatig informatie uitwisselden. Derhalve is de Commissie van mening dat ÅI in dit geval niet kan beweren een gewettigd vertrouwen te hebben gehad, hoewel de Finse autoriteiten niet nadrukkelijk hebben beargumenteerd dat dit wel het geval was.

(129)

Tot slot heeft de Commissie aan Finland of de begunstigde van de steun nooit enige verzekering gegeven dat de maatregelen in kwestie geen staatssteun zouden vormen of verenigbare steun zouden zijn, die verwachtingen in dat opzicht zou kunnen wekken (39).

(130)

Voorts stelt Finland dat in geval van terugvordering van de via kapitaalverhogingen toegekende steun, het steunelement niet noodzakelijkerwijs het totaalbedrag van het verstrekte kapitaal omvat, maar eerder (naar analogie met de berekening van het steunelement in garanties) de kosten voor ÅI om alternatieve investeringen op de markt te vinden. Wat dit punt betreft, stelt Finland voor dat de kosten van deze alternatieve financiering worden vastgesteld op basis van de 7 % die in het KPMG-rapport werd vastgesteld als het verwachte rendement op investering voor kantoorvastgoed.

(131)

De Commissie kan niet met deze benaderingswijze instemmen.

(132)

Het is in algemene zin zonder meer juist dat staatssteun in een bepaald geval wordt gevormd door het verschil tussen het voordeel (in de vorm van financiering) die de onderneming feitelijk heeft ontvangen vanuit staatsmiddelen, en dat wat zij op de kapitaalmarkten had kunnen verwerven. Daardoor verliest de begunstigde „door deze terugbetaling […] het voordeel dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten genoot en wordt de toestand van vóór de steunverlening hersteld” (40).

(133)

Eenieder die een investering doet, hetzij door krediet te verstrekken of door te participeren in het aandelenkapitaal van een onderneming, zal een rendement op zijn investering nastreven dat in verhouding is met het risico.

(134)

Indien de steun wordt verleend in de vorm van een krediet dat tegen kosten lager dan de marktkosten (wat het geval is voor een gegarandeerde lening wanneer de totale financiële kosten lager zijn dan de rente van een lening op de markt) wordt verstrekt aan een onderneming die niet is uitgesloten van de kredietmarkt en die dus, als alternatief voor de steun, in staat was geweest een lening te nemen tegen de marktrente, is het duidelijk dat het doel van de terugvordering kan worden bereikt door de onderneming het verschil te laten betalen (met rente) en zodoende weer op één lijn te brengen met haar concurrenten.

(135)

De situatie is verschillend voor kapitaalinvesteringen. Het rendement is hierbij niet afhankelijk van de bereidheid van de onderneming om te betalen (zoals bij een lening), maar is in zijn geheel een factor van de inherente winstgevendheid van het bedrijfsmodel van de onderneming. Tenzij de particuliere investeerder denkt dat de bedrijfsactiviteiten zullen zorgen voor een adequate beloning voor de risico’s die hij aangaat, zal hij van de investering afzien en zijn geld elders investeren. Met andere woorden, de Commissie is het er niet mee eens dat de onderneming door het bieden van een hogere beloning in staat zou zijn geweest voor de verhoging van haar kapitaal hetzelfde geld op de kapitaalmarkt te verkrijgen, omdat haar verwachte prestaties de onderneming niet in de positie plaatsten om deze hogere beloning te bieden aan een kapitaalinvesteerder. Het nulscenario, dat wil zeggen de situatie zonder steun, die middels terugvordering moet worden hersteld of gecreëerd, is dus dat helemaal geen kapitaal zou zijn geïnvesteerd. De terug te vorderen steun is daarom het volledige bedrag van de kapitaalverhogingen.

(136)

De Commissie kan het oordeel van Finland ten aanzien van het steunelement in de kapitaalverhogingen dus niet delen.

8.2.   TERUG TE VORDEREN STEUN

(137)

De onrechtmatige en onverenigbare steun die door de Commissie is vastgesteld en die Finland van ÅI moet terugvorderen, betreft dus het volgende.

(138)

Kapitaalverhogingen:

a)

Kapitaalverhoging C-IV: 353 199,00 EUR. Deze steun is op 20 juli 2001 aan ÅI ter beschikking gesteld.

b)

Kapitaalverhoging C-V: 599 933,78 EUR. Deze steun is op 15 augustus 2002 aan ÅI ter beschikking gesteld.

c)

Kapitaalverhoging C-VI: 799 911,64 EUR. Deze steun is op 13 maart 2003 aan ÅI ter beschikking gesteld.

d)

Kapitaalverhoging C-VII: 515 165,97 EUR. Deze steun is op 6 mei 2004 aan ÅI ter beschikking gesteld.

e)

Kapitaalverhoging C-VIII: 669 896,95 EUR. Deze steun is op 30 september 2004 aan ÅI ter beschikking gesteld.

f)

Kapitaalverhoging C-IX: 199 977,91 EUR. Deze steun is op 16 juni 2005 aan ÅI ter beschikking gesteld.

g)

Kapitaalverhoging C-X: 234 961,43 EUR. Deze steun is op 16 juni 2005 aan ÅI ter beschikking gesteld.

h)

Kapitaalverhoging C-XI: 1 379 998,95 EUR. Deze steun is op 15 februari 2007 aan ÅI ter beschikking gesteld.

(139)

Leninggaranties: het steunelement voor alle garanties wordt berekend als het verschil tussen, enerzijds, het referentiepercentage dat wordt toegepast als benchmark voor kredietkosten die een onderneming met een financiële soliditeit vergelijkbaar met die van ÅI zou hebben gedragen en, anderzijds, de rente die door middel van de garantie van de staat is ontvangen, nadat eventuele betaalde premies in aanmerking zijn genomen, overeenkomstig punt 4.2 van de garantiemededeling (zoals uitgebreid toegelicht in de overwegingen 66 tot en met 80).

a)

Wat garantie G-I betreft, bestaat het steunelement uit het verschil tussen het referentiepercentage voor een lening aan een onderneming in de ratingcategorie „zwak” (B) en met een normale zekerheidstelling, en de totale financiële kosten van de lening waarop de garantie van toepassing is (d.w.z. de voor de garantie betaalde premies plus de rente op de lening). Deze steun is op 9 oktober 2003 aan ÅI ter beschikking gesteld (zoals toegelicht in de overwegingen 81 en 82). De eenmalige premie van 19 500 EUR zal op dit bedrag in mindering worden gebracht (41).

b)

Wat garantie G-II betreft, bestaat het steunelement uit het verschil tussen het referentiepercentage voor een lening aan een onderneming in de ratingcategorie „zwak” (B) en met een normale zekerheidstelling, en de totale financiële kosten van de lening waarop de garantie van toepassing is (d.w.z. de voor de garantie betaalde premies plus de rente op de lening). Deze steun is op 2 november 2004 aan ÅI ter beschikking gesteld. De eenmalige premie van 2 900 EUR zal op dit bedrag in mindering worden gebracht (42).

c)

Wat garantie G-III betreft, bestaat het steunelement uit het verschil tussen het referentiepercentage voor een lening aan een onderneming in de ratingcategorie „bevredigend” (BB) en met een normale zekerheidstelling, en de totale financiële kosten van de lening waarop de garantie van toepassing is (d.w.z. de voor de garantie betaalde premies plus de rente op de lening). Deze steun is op 13 december 2005 aan ÅI ter beschikking gesteld. De eenmalige premie van 6 500 EUR zal op dit bedrag in mindering worden gebracht (43).

(140)

Het exacte totaalbedrag van de terug te vorderen steun zal worden vastgesteld door de Finse autoriteiten in samenwerking met de Commissie in het kader van de terugvorderingsprocedure volgens de methode die in de overwegingen 138 en 139 is beschreven. Dit vast te stellen steunbedrag moet worden vermeerderd met rente vanaf de datum waarop de steun ter beschikking is gesteld aan de begunstigde tot de datum van terugvordering ervan. De Commissie roept de Finse autoriteiten op om, in overeenstemming met hun verplichting om loyaal samen te werken, hun medewerking te verlenen bij het bepalen van het exacte bedrag van de terug te vorderen steun,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De kapitaalverhoging ten bedrage van 84 094,39 EUR die op 18 juni 1997 door Finland is toegekend aan Ålands Industrihus AB, vormt geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2

De in punt 8.2 van dit besluit bedoelde staatssteunmaatregelen die Finland, in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft toegekend ten gunste van Ålands Industrihus AB, zijn onverenigbaar met de interne markt.

Artikel 3

1.   Finland vordert de in artikel 2 bedoelde steun van de begunstigde terug.

2.   De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop zij de begunstigde ter beschikking zijn gesteld, tot het tijdstip van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

3.   De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004.

4.   Finland schorst alle uitstaande betalingen van de in artikel 2 bedoelde steun vanaf de datum dat dit besluit is vastgesteld.

Artikel 4

1.   De terugvordering van de in artikel 2 bedoelde steun bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.

2.   Finland zorgt ervoor dat het onderhavige besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 5

1.   Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt Finland de Commissie de volgende informatie:

a)

het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en terugvorderingsrente);

b)

een nadere beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen;

c)

documenten waaruit blijkt dat de begunstigde werd gelast de steun terug te betalen.

2.   Finland houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die het heeft genomen om dit besluit ten uitvoer te leggen, en dit tot de in artikel 2 bedoelde steun volledig is terugbetaald. Het verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld alle inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Het verstrekt tevens nadere inlichtingen over de reeds door de begunstigde terugbetaalde steunbedragen en rente.

Artikel 6

Het onderhavige besluit is gericht tot de Republiek Finland.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2011.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Vicevoorzitter


(1)  PB C 76 van 27.3.2008, blz. 15.

(2)  Vanaf 1 december 2009 zijn de artikelen 87 en 88 VEG respectievelijk de artikelen 107 en 108 VWEU geworden. De bepalingen in beide verdragen zijn inhoudelijk identiek. In het kader van dit besluit moeten verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU waar nodig worden begrepen als verwijzingen naar, respectievelijk, de artikelen 87 en 88 VEG. Met het VWEU werden ook enkele terminologische wijzigingen ingevoerd, zoals de vervanging van „Gemeenschap” door „Unie” en „gemeenschappelijke markt” door „interne markt”. In dit besluit wordt de terminologie van het VWEU gehanteerd.

(3)  Zie voetnoot 1.

(4)  Met uitzondering van een te verwaarlozen participatie in het bezit van de lokale particuliere onderneming Ålands företagareförening rf (3 aandelen op een totaal van 30 392).

(5)  In 1999: balanstotaal 733 341 EUR; omzet 101 486 EUR; totaalresultaat 27 719 EUR.

(6)  Balanstotaal gedaald van 834 645 EUR (1997) naar 733 341 EUR (1999).

(7)  De meeste informatie in dit deel is afkomstig van de website van iTiden (www.itiden.ax). Deze is aangevuld met informatie (in overeenstemming met de publiek beschikbare informatie) die door de Finse autoriteiten is gezonden.

(8)  „De regionale regering van Åland zal ernaar streven het aanbod aan industrieel vastgoed en kantoorruimten geschikt voor de IT- en dienstensector uit te breiden via de openbare vastgoedondernemingen. Mogelijk hebben deze dientengevolge meer kapitaal nodig.” Begroting voor Landskapet Åland 2000, blz. 304.

(9)  „De regionale regering van Åland zal zich inspannen […] om efficiënter te worden bij het faciliteren van de groei van nieuwe bedrijven en bedrijfsplannen. De regionale regering van Åland zal blijven werken aan de verwezenlijking van het project voor de bouw van een „IT-dorp” […]”. Begroting voor Landskapet Åland 2001, blz. 319 en 321.

(10)  Begroting voor Landskapet Åland 2002, blz. 291.

(11)  Deze maatregelen zijn toegekend vóór de invoering van de euro; de bedragen luidden daarom in Finse mark (FIM). C-I was 500 003 FIM, C-II 2 025 010 FIM en C-III 680 003 FIM. Toen werd overgegaan op de euro, werd de wisselkoers vastgesteld op 1 EUR = 5,94573 FIM.

(12)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(13)  Zie o.a. arrest van 10 juli 1986, zaak 234/84, België/Commissie, Jurisprudentie 1986, blz. 2263, rechtsoverweging 14; arrest van 21 maart 1991, zaak C-305/89, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1603, punten 18 en 19; arrest van 14 september 1994, gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Spanje/Commissie („Hytasa”), Jurispr. 1994, blz. I-4103, punten 20 en 21; Arrest van het Hof van 21 maart 1991, zaak C-303/88, Italië/Commissie („ENI-Lanerossi”), Jurispr. 1991, blz. I-1433, punt 20 e.v.; arrest van 15 september 1998, zaak T-11/95, BP Chemicals/Commissie, Jurispr. 1995, blz. II-599, punt 161.

(14)  PB C 155 van 20.6.2008, blz. 10.

(15)  Zie overweging 25 van het besluit tot inleiding van de procedure.

(16)  Zie overweging 26 van het besluit tot inleiding van de procedure.

(17)  „Projekt Tower” van KPMG, 10 juli 2007.

(18)  Kapitaalverhoging C-IV is inderdaad uitgevoerd in 2001, dat wil zeggen vóór de analyse van de winstgevendheid die werd gepresenteerd in 2002. Er is geen afzonderlijke berekening verstrekt met betrekking tot de financiële aannames op basis waarvan kapitaalverhoging C-IV is verricht. Aangezien deze kapitaalverhoging gebruikt werd om de grond aan te kopen waarop iTiden zou worden gebouwd (en dit was vanaf het begin de bedoeling), is de Commissie echter van mening dat de regionale regering van Åland, voor zover zij de rendementsvooruitzichten überhaupt in aanmerking nam, geen reden had om een beter rendement te verwachten dan de 3 % die werd verwacht in 2002.

(19)  PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9.

(20)  Hoewel de formele procedure pas in 2008 werd ingeleid, stelde de Commissie op 25 oktober 2006 per brief al vragen aan Finland over deze maatregelen, reden waarom de verjaringsperiode van tien jaar voor terugvordering niet van toepassing is op de kapitaalinjectie van 1997.

(21)  PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(22)  Garantiemededeling, punt 3.2 d).

(23)  Vertrouwelijke informatie.

(24)  Na 15 januari 2007 zou de rente veranderen naar […] + […] basispunten.

(25)  PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6.

(26)  Volgens de door Finland verstrekte informatie moest deze rente worden toegepast tot 15 januari 2007, toen deze werd gewijzigd in […] + […] basispunten. De voorwaarden van deze gegarandeerde lening werden echter herzien, en de rente werd per 13 december 2005 vastgesteld op […] % voor de periode tot 15 januari 2007, toen de rente werd gewijzigd in […] + […] basispunten. Op 14 januari 2009 werd de rente gewijzigd in […] + […] basispunten, en op 12 februari 2011 werd deze opnieuw veranderd in […] + […] basispunten.

(27)  De eenmalige premie van […] % van de lening, dus 19 500 EUR, is hierin niet begrepen. Hierop zal hieronder worden ingegaan in het deel over terugvordering van de steun.

(28)  De eenmalige premie van […] % van de lening, dus 2 900 EUR, is hierin niet begrepen. Hierop zal hieronder worden ingegaan in het deel over terugvordering van de steun.

(29)  De eenmalige premie van […] % van de lening, dus 6 500 EUR, is hierin niet begrepen. Hierop zal hieronder worden ingegaan in het deel over terugvordering van de steun.

(30)  In zijn arrest van 30 april 2002 in gevoegde zaken T-195/01 en T-207/01, Government of Gibraltar/Commissie (Jurispr. 2002, blz. II-2309, punten 109-111) merkte het Gerecht op dat overeenkomstig artikel 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 659/1999 „wijzigingen in bestaande steun” als nieuwe steun moeten worden beschouwd. Derhalve moet alleen de wijziging als nieuwe steun worden gekwalificeerd. Indien de wijziging echter betrekking heeft op de feitelijke inhoud van de oorspronkelijke regeling, omdat de wijziging onscheidbaar is van die regeling, dan wordt de regeling veranderd in een nieuwe steunregeling (cf. arrest van 28 november 2008, gevoegde zaken T-254/00, T-270/00 en T-277/00, Hotel Cipriani SpA e.a./Commissie, Jurispr. 2008, blz. II-3269, punten 358-359).

(31)  PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(32)  Landskapslag om landskapsgarantier för industrier och andra näringsgrenar, ÅFS 1966:14.

(33)  De wet is ook van toepassing op bepaalde leningen (opmerking van de Commissie).

(34)  De wijziging van 3 maart 1994 zorgde voor een verhoging van de begroting van 20 miljoen naar 30 miljoen FIM, en de wijziging van 16 februari 1996 zorgde voor een verhoging van de begroting van 30 miljoen naar 50 miljoen FIM.

(35)  Zie arrest van 20 maart 1997, zaak C-24/95, Land Rheinland-Pfalz/Alcan Deutschland GmbH, Jurispr. 1997, blz. I-1591, punt 49.

(36)  Zie arrest-Alcan Deutschland GmbH, reeds aangehaald, punt 17; zie ook arrest van 9 juni 2011, gevoegde zaken C-465/09 P tot C-470/09 P, Diputación Foral de Vizcaya e.a./Commissie, (nog niet bekendgemaakt in de Jurispr.), punt 151.

(37)  Zie voetnoot 34.

(38)  Arrest van 20 september 1990, zaak C-5/89, Duitsland/Commissie, Jurispr. 1990, blz. I-3437, punt 14.

(39)  Arrest van 30 november 2009, gevoegde zaken T-427/04 en T-15/05, Frankrijk en France Télécom/Commissie, Jurispr. 2009, blz. II-4315, punt 261.

(40)  Arrest van 4 april 1995, zaak C-348/93, Commissie/Italië, Jurispr. 1995, blz. I-673, punt 27.

(41)  Zie overweging 81 en voetnoot 25.

(42)  Zie overweging 83 en voetnoot 26.

(43)  Zie overweging 85 en voetnoot 27.


BIJLAGE

Informatie over ontvangen, terug te vorderen en reeds teruggevorderde steunbedragen

Identiteit van de begunstigde

Totaalbedrag van de in het kader van de regeling ontvangen steun (1)

Totaalbedrag van de terug te vorderen steun (1)

(Hoofdsom)

Reeds terugbetaalde bedrag (1)

Hoofdsom

Rente terugvordering

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(1)  miljoen nationale valuta


12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/51


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 10 mei 2012

tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG van de Raad wat betreft de fundamentele algemene criteria op grond waarvan een bepaald gebied als vrij van bluetongue wordt beschouwd

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 2978)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/253/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2004/68/EG van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en de doorvoer via de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren, tot wijziging van de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG en tot intrekking van Richtlijn 72/462/EEG (1), en met name artikel 13, lid 2, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2004/68/EG bevat de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en doorvoer via de Unie van levende hoefdieren van de in bijlage I bij die richtlijn vermelde soorten.

(2)

Overeenkomstig die richtlijn wordt de invoer in en doorvoer via de Unie van levende hoefdieren alleen toegestaan uit derde landen die voorkomen op een of meer lijsten die volgens de daarin bedoelde procedure worden opgesteld of gewijzigd.

(3)

De invoer van levende hoefdieren in de Unie mag alleen worden toegestaan als het desbetreffende derde land de garantie verstrekt dat de dieren afkomstig zijn uit een gebied dat overeenkomstig de fundamentele algemene criteria in bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG ziektevrij is en waarin het binnenbrengen van tegen de in die bijlage genoemde ziekten gevaccineerde dieren moet worden verboden.

(4)

Bluetongue is opgenomen in bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG. Overeenkomstig die bijlage zijn voor alle soorten dieren, met uitzondering van die van de familie Suidae, de voorwaarden waaronder een bepaald gebied als vrij van bluetongue mag worden beschouwd, dat geen geval van de ziekte is geregistreerd en geen vaccinatie is uitgevoerd tijdens de laatste twaalf maanden en er een adequate controle van de culicoïdenpopulatie is.

(5)

De laatste jaren zijn als gevolg van nieuwe technische ontwikkelingen „geïnactiveerde vaccins” tegen bluetongue beschikbaar, die geen risico van ongewenste lokale circulatie van het vaccinvirus bij niet-gevaccineerde runderen, schapen en geiten opleveren. Het wordt nu algemeen aanvaard dat vaccinatie met geïnactiveerde vaccins het instrument bij uitstek is voor de bestrijding van bluetongue en de preventie van de klinische ziekte bij deze dieren in de Unie.

(6)

Bijgevolg is Richtlijn 2000/75/EG van de Raad van 20 november 2000 tot vaststelling van specifieke bepalingen inzake de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (2) onlangs gewijzigd bij Richtlijn 2012/5/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) om te voorzien in het gebruik van geïnactiveerde vaccins in alle delen van de EU.

(7)

Als gevolg van de zich verder ontwikkelende epidemiologische situatie met betrekking tot bluetongue en om haar in overeenstemming te brengen met de normen van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) is Verordening (EG) nr. 1266/2007 van de Commissie van 26 oktober 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat betreft bestrijding, monitoring, surveillance en beperkingen op de verplaatsingen van bepaalde dieren van vatbare soorten in verband met bluetongue (4) onlangs gewijzigd. Bijgevolg schrijven de EU-normen voor dat gedurende een minimale periode van twee jaar geen viruscirculatie mag hebben plaatsgevonden om een bepaald gebied als vrij van bluetongue te kunnen beschouwen. De periode van twaalf maanden, als bedoeld in bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG, moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Richtlijn 2000/75/EG en Verordening (EG) nr. 1266/2007 zijn van toepassing op de verplaatsingen van levende hoefdieren van voor bluetongue vatbare soorten binnen de Unie. Het is dienstig dat de fundamentele algemene criteria op grond waarvan een bepaald gebied van een derde land als vrij van bluetongue wordt beschouwd, als vastgesteld in bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG, in overeenstemming worden gebracht met de in de Unie geldende voorschriften.

(9)

Bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage II bij Richtlijn 2004/68/EG wordt de vermelding voor bluetongue vervangen door:

„Bluetongue

Geen ziektegeval en geen vaccinatie gedurende de laatste 24 maanden met een adequate controle van de culicoïdenpopulatie

Alle soorten met uitzondering van die van de geslachten Bos, Bison, Bubalus, Ovis en Capra en van de familie Suidae

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 10 mei 2012.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 139 van 30.4.2004, blz. 319.

(2)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 74.

(3)  PB L 81 van 21.3.2012, blz. 1.

(4)  PB L 283 van 27.10.2007, blz. 37.


12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/53


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 10 mei 2012

betreffende de niet-opneming van dichloorvos voor productsoort 18 in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 3016)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/254/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden (2) bedoelde tienjarige werkprogramma is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Dichloorvos is in die lijst opgenomen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is dichloorvos (CAS-nr. 62-73-7; EC-nr. 200-547-7) overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn.

(3)

Italië is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 20 november 2007 het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 9 december 2011 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de beoordeling blijkt dat van biociden die als insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen worden gebruikt en dichloorvos bevatten, niet kan worden verwacht dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Zowel de bij de beoordeling van de risico’s voor de menselijke gezondheid als bij de beoordeling van de risico’s voor het milieu vertoonden de beoordeelde scenario’s een mogelijk en onaanvaardbaar risico. Bijgevolg mag dichloorvos voor gebruik in productsoort 18 niet in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG worden opgenomen.

(6)

Omwille van de rechtszekerheid moet worden bepaald vanaf welke datum biociden van productsoort 18 die dichloorvos bevatten niet langer op de markt mogen worden gebracht, rekening houdend met zowel de onaanvaardbare gevolgen van deze producten als de legitieme verwachtingen van de fabrikanten van deze producten.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Dichloorvos (CAS-nr. 62-73-7, EC-nr. 200-547-7) wordt niet in bijlage I, IA of IB van Richtlijn 98/8/EG opgenomen voor productsoort 18.

Artikel 2

Voor de doeleinden van artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 mogen biociden van productsoort 18 die dichloorvos bevatten met ingang van 1 november 2012 niet langer op de markt worden gebracht.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 10 mei 2012.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)  PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.


Rectificaties

12.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/54


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen

( Publicatieblad van de Europese Unie L 112 van 30 april 2011 )

Bladzijde 35, artikel 126, lid 2:

in plaats van:

„Indien tijdens een inspectie wordt geconstateerd dat een natuurlijke of een rechtspersoon die de houder van de visvergunning is, twee of meer ernstige inbreuken heeft begaan, worden aan de in lid 1 bedoelde houder van de visvergunning voor elke ernstige inbreuk .”,

te lezen:

„Indien tijdens een inspectie wordt geconstateerd dat een natuurlijke of een rechtspersoon die de houder van de visvergunning is, twee of meer ernstige inbreuken heeft begaan, worden punten voor elke ernstige inbreuk aan de in lid 1 bedoelde houder van de visvergunning toegewezen tot maximaal 12 punten.”.