ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.081.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 81

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
21 maart 2012


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2012/5/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot wijziging van Richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat vaccinatie tegen bluetongue betreft

1

 

*

Richtlijn 2012/6/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot wijziging van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft ( 1 )

3

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid ( 1 )

7

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 van de Commissie van 16 januari 2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen ( 1 )

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 245/2012 van de Commissie van 20 maart 2012 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1187/2009 ten aanzien van de uitvoer van melk en zuivelproducten naar de Dominicaanse Republiek

37

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 246/2012 van de Commissie van 20 maart 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

39

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 247/2012 van de Commissie van 20 maart 2012 met betrekking tot invoercertificaten waarvoor de aanvragen in de eerste 7 dagen van maart 2012 zijn ingediend in het kader van het tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit, dat wordt beheerd bij Verordening (EG) nr. 620/2009

41

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 248/2012 van de Commissie van 20 maart 2012 tot intrekking van de schorsing van de indiening van invoercertificaataanvragen voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten

42

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/1


RICHTLIJN 2012/5/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 maart 2012

tot wijziging van Richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat vaccinatie tegen bluetongue betreft

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2000/75/EG van de Raad van 20 november 2000 tot vaststelling van specifieke bepalingen inzake de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (3) bevat controlevoorschriften en maatregelen voor de bestrijding en de uitroeiing van bluetongue, waaronder voorschriften betreffende de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden en het gebruik van vaccins tegen bluetongue.

(2)

In het verleden zijn slechts sporadische uitbraken van bepaalde serotypes van het bluetonguevirus in de Unie geregistreerd. Die uitbraken kwamen voornamelijk voor in de zuidelijke delen van de Unie. Sinds de vaststelling van Richtlijn 2000/75/EG en met name sinds de insleep in de Unie van de bluetonguevirusserotypes 1 en 8 in 2006 en 2007 heeft het bluetonguevirus zich echter meer in de Unie verspreid met het risico dat het in bepaalde gebieden endemisch wordt. Daarom is het moeilijk geworden de verspreiding van dat virus te bestrijden.

(3)

De in Richtlijn 2000/75/EG vastgestelde voorschriften inzake de vaccinatie tegen bluetongue zijn gebaseerd op de ervaring met het gebruik van zogenaamde „gemodificeerde levende vaccins” of „levende verzwakte vaccins”, die de enige beschikbare vaccins waren toen die richtlijn werd vastgesteld. Het gebruik van die vaccins kan leiden tot een ongewenste lokale circulatie van het vaccinvirus bij niet-gevaccineerde dieren.

(4)

De laatste jaren zijn als gevolg van nieuwe technologie „geïnactiveerde vaccins” tegen bluetongue beschikbaar, die dat risico van ongewenste lokale circulatie van het vaccinvirus bij niet-gevaccineerde dieren niet inhouden. Het extensieve gebruik van deze vaccins tijdens de vaccinatiecampagne in 2008 en 2009 heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de ziektesituatie. Het wordt nu algemeen aanvaard dat vaccinatie met geïnactiveerde vaccins het instrument bij uitstek is voor de bestrijding van bluetongue en de preventie van de klinische ziekte in de Unie.

(5)

Om te zorgen voor een betere bestrijding van de verspreiding van het bluetonguevirus en om de last te verminderen die door die ziekte voor de landbouwsector wordt veroorzaakt, is het gepast dat de huidige in Richtlijn 2000/75/EG vastgestelde voorschriften inzake vaccinatie worden gewijzigd om rekening te houden met de recente technologische ontwikkelingen bij de vaccinproductie.

(6)

Deze richtlijn dient de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking te treden, zodat reeds tijdens het vaccinatieseizoen van 2012 de nieuwe regels kunnen toegepast worden.

(7)

De wijzigingen waarin in deze richtlijn wordt voorzien, moeten de vaccinatievoorschriften flexibeler maken en ook rekening houden met het feit dat geïnactiveerde vaccins die ook met succes kunnen worden gebruikt buiten gebieden waarvoor beperkingen op de verplaatsing van dieren gelden, nu beschikbaar zijn.

(8)

Daarnaast mag het gebruik van levende verzwakte vaccins niet worden uitgesloten, op voorwaarde dat passende voorzorgsmaatregelen worden genomen, aangezien het gebruik daarvan nog altijd nodig kan zijn onder bepaalde omstandigheden, zoals na de insleep van een nieuw bluetonguevirusserotype waartegen geen geïnactiveerde vaccins bestaan.

(9)

Richtlijn 2000/75/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2000/75/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:

„j)   „levende verzwakte vaccins”: vaccins die worden geproduceerd door de aanpassing van veldisolaten van het bluetonguevirus via seriële passages in een weefselcultuur of in geëmbryoneerde kippeneieren.”.

2)

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

1.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat mag besluiten het gebruik van vaccins tegen bluetongue toe te staan op voorwaarde dat:

a)

een dergelijk besluit is gebaseerd op het resultaat van een door de bevoegde autoriteit uitgevoerde specifieke risicobeoordeling;

b)

de Commissie wordt geïnformeerd voordat een dergelijke vaccinatie wordt uitgevoerd.

2.   Wanneer levende verzwakte vaccins worden gebruikt, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteit de volgende gebieden afbakent:

a)

een beschermingsgebied, bestaande uit ten minste het vaccinatiegebied;

b)

een toezichtsgebied, bestaande uit een deel van het grondgebied van de Unie dat een strook van ten minste 50 km rond het beschermingsgebied vormt.”.

3)

In artikel 6, lid 1, wordt punt d) vervangen door:

„d)

hij voert de volgens de procedure van artikel 20, lid 2, vastgestelde maatregelen uit, met name wat betreft de uitvoering van een vaccinatieprogramma of andere alternatieve maatregelen;”.

4)

In artikel 8, lid 2, wordt punt b) vervangen door:

„b)

Het toezichtsgebied bestaat uit een deel van het grondgebied van de Unie dat een strook van ten minste 50 km rond het beschermingsgebied vormt en waar in de afgelopen twaalf maanden geen vaccinatie tegen bluetongue met levende verzwakte vaccins is uitgevoerd.”.

5)

In artikel 10 wordt punt 2 vervangen door:

„2.

vaccinatie tegen bluetongue met levende verzwakte vaccins wordt in het toezichtsgebied verboden.”.

Artikel 2

1.   Uiterlijk op 23 september 2012 stellen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast en maken deze bekend om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen uiterlijk toe met ingang van 24 september 2012.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 14 maart 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. WAMMEN


(1)  PB C 132 van 3.5.2011, blz. 92.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 7 april 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 15 december 2011 (PB C 46 E van 17.2.2012, blz. 15). Standpunt van het Europees Parlement van 14 februari 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 74.


21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/3


RICHTLIJN 2012/6/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 maart 2012

tot wijziging van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen wat micro-entiteiten betreft

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 50, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad van 8 en 9 maart 2007 heeft in zijn conclusies benadrukt dat het terugdringen van de administratieve lasten van belang is om de Europese economie een impuls te geven en dat een krachtige gezamenlijke inspanning noodzakelijk is om administratieve lasten in de Europese Unie te verminderen.

(2)

Financiële verslaggeving is aangewezen als een van de hoofdgebieden waarop de administratieve lasten voor vennootschappen in de Unie kunnen worden verminderd.

(3)

Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (3) geeft een definitie van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Uit raadpleging van de lidstaten is echter gebleken dat de groottecriteria voor micro-ondernemingen in die aanbeveling wellicht te hoog zijn wat de financiële verslaggeving betreft. Daarom moet een subgroep van micro-ondernemingen, de zogenaamde „micro-entiteiten”, worden ingevoerd voor vennootschappen met lagere drempels voor balanstotaal en netto-omzet dan die, welke voor de micro-ondernemingen zijn vastgesteld.

(4)

Micro-entiteiten zijn doorgaans actief op plaatselijk of regionaal niveau, zonder of met beperkte grensoverschrijdende activiteiten. Zij spelen bovendien een belangrijke rol bij het scheppen van nieuwe banen, het bevorderen van onderzoek en ontwikkeling en het starten van nieuwe economische activiteiten.

(5)

Micro-entiteiten beschikken over beperkte middelen om aan veeleisende regelgevende voorschriften te voldoen. Zij zijn echter vaak onderworpen aan dezelfde voorschriften inzake financiële verslaglegging als grotere vennootschappen. Die voorschriften leggen hen een last op, die niet in verhouding staat tot hun grootte en die daarom voor de kleinste ondernemingen onevenredig zijn in vergelijking met de grotere ondernemingen. Daarom moeten micro-entiteiten kunnen worden vrijgesteld van bepaalde verplichtingen die voor deze vennootschappen zouden kunnen resulteren in onnodig zware administratieve lasten. Micro-entiteiten moeten evenwel onderworpen blijven aan nationale verplichtingen om een boekhouding bij te houden die hun handelstransacties en hun financiële positie weergeeft.

(6)

Aangezien het aantal vennootschappen waarop de in deze richtlijn vastgestelde groottecriteria van toepassing is, sterk van lidstaat tot lidstaat zal verschillen en aangezien de activiteiten van micro-entiteiten geen of slechts in beperkte mate betrekking hebben op de grensoverschrijdende handel of de werking van de interne markt, dienen de lidstaten met het verschil in effect van die criteria rekening te houden bij de uitvoering van deze richtlijn op nationaal niveau.

(7)

De lidstaten dienen rekening te houden met de specifieke omstandigheden en behoeften van hun eigen markt wanneer zij beslissen of en hoe zij een regeling inzake micro-entiteiten in het kader van Richtlijn 78/660/EEG van de Raad (4) zullen implementeren.

(8)

Micro-entiteiten moeten rekening houden met baten en lasten betreffende het boekjaar, ongeacht het tijdstip van betaling van deze lasten of van ontvangst van deze baten. De berekening van overlopende posten aan de actiefzijde en van overlopende posten aan de passiefzijde kan voor micro-entiteiten echter een last zijn. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan om micro-entiteiten vrij te stellen van het berekenen en presenteren van deze posten, doch alleen voor zover de vrijstelling betrekking heeft op andere lasten dan de kosten voor grondstoffen en hulpstoffen, waardecorrecties, personeelskosten en belasting. Zo kan de administratieve last die het berekenen van betrekkelijk kleine balansen met zich meebrengt, worden verminderd.

(9)

Het publiceren van jaarrekeningen kan voor micro-entiteiten belastend zijn. Tegelijkertijd moeten de lidstaten er voor zorgen dat deze richtlijn wordt nageleefd. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan om micro-entiteiten vrij te stellen van een algemene publicatieverplichting, op voorwaarde dat de balansinformatie behoorlijk en in overeenstemming met de nationale wetgeving bij minstens één aangewezen bevoegde autoriteit wordt ingediend en aan het ondernemingsregister wordt doorgegeven, zodat op aanvraag een afschrift kan worden verkregen. In dergelijke gevallen zou de verplichting van artikel 47 van Richtlijn 78/660/EEG om boekhoudbescheiden openbaar te maken overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2009/101/EG (5) niet van toepassing zijn.

(10)

Het doel van deze richtlijn is om de lidstaten in staat te stellen voor micro-entiteiten een eenvoudige regeling voor financiële verslaglegging tot stand te brengen. Het gebruik van waardering op basis van de waarde in het economisch verkeer kan ertoe leiden dat er gedetailleerde informatie moet worden verstrekt ter verklaring van de grondslag waarop de waarde in het economisch verkeer van bepaalde posten is vastgesteld. Aangezien de regeling voor micro-entiteiten in zeer beperkte openbaarmaking voorziet door middel van toelichting bij de jaarrekeningen, weten de gebruikers van de jaarrekeningen van de micro-entiteiten niet of de bedragen die in de balans en in de winst- en verliesrekening zijn opgenomen, waarden in het economisch verkeer omvatten. Om de gebruikers van deze jaarrekeningen in dit opzicht zekerheid te bieden, mogen de lidstaten micro-entiteiten die een van de voor hen beschikbare vrijstellingen van deze richtlijn gebruiken, niet toestaan of voorschrijven bij het opstellen van hun jaarrekeningen de waardering op basis van de waarde in het economisch verkeer als grondslag te gebruiken. Micro-entiteiten die waarden in het economisch verkeer willen of moeten gebruiken, zullen dat blijven kunnen doen door gebruik te maken van andere regelingen krachtens deze richtlijn indien een lidstaat dat gebruik toestaat of voorschrijft.

(11)

Wanneer de lidstaten beslissen of en hoe zij een regeling voor micro-entiteiten binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 78/660/EEG zullen implementeren, moeten zij ervoor zorgen dat micro-entiteiten die uit hoofde van Richtlijn 83/349/EEG betreffende de geconsolideerde jaarrekening (6) moeten worden geconsolideerd, boekhoudkundige gegevens gebruiken die voor dat doel gedetailleerd genoeg zijn en dat de in deze richtlijn neergelegde ontheffingen de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening in overeenstemming met Richtlijn 83/349/EEG op te stellen onverlet laten.

(12)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het terugdringen van de administratieve lasten voor micro-entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Unie kan worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Krachtens het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(13)

Richtlijn 78/660/EEG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 78/660/EEG

Richtlijn 78/660/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 1 bis

1.   De lidstaten kunnen overeenkomstig leden 2 en 3 voorzien in ontheffingen van bepaalde door deze richtlijn opgelegde verplichtingen ten aanzien van vennootschappen die op de balansdatum twee van de drie volgende criteria niet overschrijden (micro-entiteiten):

a)

balanstotaal: 350 000 EUR;

b)

netto-omzet: 700 000 EUR;

c)

gemiddeld personeelsbestand gedurende het boekjaar: 10.

2.   De lidstaten kunnen de in lid 1 bedoelde vennootschappen vrijstellen van enkele of alle van de volgende verplichtingen:

a)

de verplichting om opgave te doen van „overlopende posten” aan de actiefzijde en van „overlopende posten” aan de passiefzijde in de zin van artikelen 18 en 21;

b)

indien een lidstaat gebruik maakt van de onder a) van dit lid genoemde mogelijkheid, kan hij deze vennootschappen toestaan, doch alleen voor de overige kosten zoals genoemd in lid 3, onder b), punt vi), om af te wijken van artikel 31, lid 1, onder d), wat betreft de opname van „overlopende posten” aan de actiefzijde en van „overlopende posten” aan de passiefzijde in de balans, op voorwaarde dat in de toelichting of, overeenkomstig punt c) van dit lid, onder de balans daarvan melding wordt gemaakt;

c)

de verplichting om een toelichting op te stellen in overeenstemming met de artikelen 43 tot en met 45, mits de informatie die in artikel 14 en artikel 43, lid 1, onder 13, van deze richtlijn en artikel 22, lid 2, van Richtlijn 77/91/EEG (7) verlangd wordt, onder de balans wordt vermeld;

d)

de verplichting om in overeenstemming met artikel 46 van deze richtlijn een jaarverslag op te stellen, mits de in artikel 22, lid 2, van Richtlijn 77/91/EEG verlangde informatie in de toelichting bij de jaarrekening of, overeenkomstig punt c) van dit lid, onder de balans wordt vermeld;

e)

de verplichting om een jaarrekening te publiceren in overeenstemming met de artikelen 47 tot en met 50 bis, op voorwaarde dat de erin vervatte balansinformatie behoorlijk en overeenkomstig de nationale wetgeving wordt ingediend bij minstens één door de betrokken lidstaat aangewezen bevoegde autoriteit. Wanneer de bevoegde autoriteit niet het centrale register, het handelsregister of het vennootschapsregister is, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2009/101/EG (8), moet de bevoegde autoriteit de ingediende balansinformatie aan het register verstrekken.

3.   De lidstaten kunnen de in lid 1 bedoelde vennootschappen toestaan om enkel:

a)

een verkorte balans op te stellen waarin apart ten minste die posten worden getoond die worden voorafgegaan door letters in de artikelen 9 en 10, waar van toepassing. In de gevallen waarin lid 2, onder a), van toepassing is, worden de posten E onder de titel „Activa” en D onder de titel „Passiva” van artikel 9 of de posten E en K van artikel 10 niet in de balans opgenomen;

b)

een verkorte winst- en verliesrekening op te stellen waarin ten minste de volgende posten apart worden getoond indien van toepassing:

i)

netto-omzet;

ii)

overige opbrengsten;

iii)

kosten voor grondstoffen en hulpstoffen;

iv)

personeelskosten;

v)

waardecorrecties;

vi)

overige kosten;

vii)

belasting;

viii)

resultaat.

4.   De lidstaten staan niet toe of schrijven niet voor dat afdeling 7 bis wordt toegepast op een micro-entiteit die gebruik maakt van één van de in de leden 2 en 3 geboden vrijstellingen.

5.   Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde vennootschappen, worden de jaarrekeningen die overeenkomstig leden 2, 3 en 4 zijn opgesteld, geacht het door artikel 2, lid 3, vereiste getrouwe beeld te geven, en bijgevolg is artikel 2, leden 4 en 5, niet van toepassing op deze jaarrekeningen.

6.   Indien een vennootschap op de balansdatum de drempels van twee van de drie in lid 1 genoemde criteria overschrijdt of niet langer overschrijdt, heeft dit voor de toepassing van de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde afwijking slechts gevolgen indien deze omstandigheid zich in zowel het lopende als het vorige boekjaar voordoet.

7.   Voor de lidstaten die de euro niet hebben ingevoerd, is de tegenwaarde van de in lid 1 vastgestelde bedragen in de nationale munteenheid de waarde die wordt verkregen door toepassing van de wisselkoers die wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie op de datum van inwerkingtreding van elke richtlijn waarin die bedragen worden vastgesteld.

8.   Het in lid 1, onder a), bedoelde balanstotaal bestaat hetzij uit de activa bedoeld onder de posten A tot en met E onder de titel „Activa” in artikel 9, hetzij uit de activa bedoeld onder de posten A tot en met E van artikel 10. Indien lid 2, onder a), van toepassing is, bestaat het in lid 1, onder a), bedoelde balanstotaal hetzij uit de activa bedoeld onder de posten A tot en met D onder de titel „Activa” in artikel 9, hetzij uit de activa bedoeld onder de posten A tot en met D van artikel 10.

2)

Lid 1 van artikel 5 wordt vervangen door:

„1.   In afwijking van artikel 4, leden 1 en 2, kunnen de lidstaten speciale schema's voorschrijven voor de jaarrekening van beleggingsmaatschappijen en participatiemaatschappijen, op voorwaarde dat die schema's een beeld geven van deze maatschappijen, dat gelijkwaardig is aan het beeld als bedoeld in artikel 2, lid 3. De lidstaten staan de in artikel 1 bis bedoelde vrijstellingen niet toe ten aanzien van beleggingsmaatschappijen of participatiemaatschappijen.”.

3)

Artikel 53 bis wordt vervangen door:

„Artikel 53 bis

De lidstaten staan de ontheffingen die zijn voorzien in de artikelen 1 bis, 11 en 27, artikel 43, lid 1, onder 7 bis en onder 7 ter, en de artikelen 46, 47 en 51, niet toe aan vennootschappen waarvan de effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder 14, van Richtlijn 2004/39/EG.”.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen indien en wanneer zij besluiten om gebruik te maken van een van de mogelijkheden die worden geboden in artikel 1 bis van Richtlijn 78/660/EEG, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de nationale situatie met betrekking tot het aantal vennootschappen dat valt onder de in lid 1 van dat artikel vastgestelde groottecriteria. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.

Artikel 3

Verslag

Uiterlijk 10 april 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de situatie aangaande micro-entiteiten, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de situatie op nationaal niveau met betrekking tot het aantal vennootschappen dat valt onder de groottecriteria en de vermindering van de administratieve lasten ten gevolge van de vrijstelling van de publicatieverplichting.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 14 maart 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. WAMMEN


(1)  PB C 317 van 23.12.2009, blz. 67.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 10 maart 2010 (PB C 349 E van 22.12.2010, blz. 111) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 12 september 2011 (PB C 337 E van 18.11.2011, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 13 december 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 21 februari 2012.

(3)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

(4)  PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.

(5)  Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 258 van 1.10.2009, blz. 11).

Noot: De titel van Richtlijn 2009/101/EG is gewijzigd in verband met de hernummering van de artikelen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag van Lissabon; oorspronkelijk werd hier de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag genoemd.

(6)  PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1.

(7)  Tweede Richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 26 van 31.1.1977, blz. 1).

Noot: De titel van Richtlijn 77/91/EG is gewijzigd in verband met de hernummering van de artikelen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, overeenkomstig artikel 12 van het Verdrag van Amsterdam en artikel 5 van het Verdrag van Lissabon; oorspronkelijk werd hier de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag genoemd.

(8)  Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 258 van 1.10.2009, blz. 11).

Noot: De titel van Richtlijn 2009/101/EG is gewijzigd in verband met de hernummering van de artikelen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag van Lissabon; oorspronkelijk werd hier de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag genoemd.”.


BESLUITEN

21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/7


BESLUIT Nr. 243/2012/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 maart 2012

tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (de kaderrichtlijn) (3) kan de Commissie wetgevingsvoorstellen bij het Europees Parlement en de Raad indienen voor de vaststelling van meerjarenprogramma's voor het radiospectrumbeleid. In die programma's moeten de richtsnoeren en doelstellingen voor de strategische planning en harmonisatie van het radiospectrumgebruik worden uiteengezet overeenkomstig de richtlijnen inzake elektronischecommunicatienetwerken en -diensten. Die richtsnoeren en doelstellingen dienen betrekking te hebben op de voor het tot stand brengen en het functioneren van de interne markt vereiste beschikbaarheid en efficiënte benutting van het radiospectrum. Het Programma voor het radiospectrumbeleid (hierna „het Programma” genoemd) moet de doelen en kernacties steunen, die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 inzake de Europa 2020-strategie en de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 inzake „Een digitale agenda voor Europa”, en het Programma is één van de 50 prioritaire maatregelen van de mededeling van de Commissie van 11 november 2010„Naar een Single Market Act”.

(2)

Dit besluit mag geen afbreuk doen aan het bestaande Unierecht en in het bijzonder Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (4), Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn) (5), Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn) (6), Richtlijn 2002/21/EG en ook Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking) (7). Dit besluit mag evenmin afbreuk doen aan de maatregelen die in overeenstemming met het Unierecht op nationaal niveau worden genomen ter verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder met betrekking tot inhoudsregels en audiovisueel beleid en het recht van de lidstaten om hun radiospectrum in het belang van de openbare orde en veiligheid en voor defensiedoeleinden te organiseren en te gebruiken.

(3)

Het spectrum is een essentiële publieke hulpbron voor vitale sectoren en diensten, zoals mobiele, draadloze breedband- en satellietcommunicatie, televisie- en radio-uitzendingen, vervoer, radioplaatsbepaling en toepassingen zoals alarmen, afstandsbedieningen, gehoorapparaten, microfoons en medische apparatuur. Het ondersteunt publieke diensten zoals veiligheids- en beveiligingsdiensten, met inbegrip van civiele bescherming, en wetenschappelijke activiteiten zoals meteorologie, aardobservatie, radioastronomie en ruimteonderzoek. Gemakkelijke toegang tot het spectrum speelt eveneens een rol in de verstrekking van elektronische communicatie, met name voor burgers en ondernemingen die gevestigd zijn in afgelegen en dunbevolkte gebieden, zoals het platteland of eilanden. Regelgevende maatregelen op het gebied van het spectrum hebben derhalve economische, culturele, wetenschappelijke, sociale, ecologische en technische effecten en gevolgen voor de veiligheid, de gezondheid en het algemeen belang.

(4)

Er moet een hernieuwde economische en maatschappelijke benadering worden ontwikkeld voor spectrumbeheer, -toewijzing en -gebruik. Die aanpak moet een specifieke focus gericht op spectrumbeleid hebben, met als doel om een grotere efficiëntie van het spectrum, een betere frequentieplanning en waarborgen tegen concurrentieverstorend gedrag zeker te stellen.

(5)

De strategische planning en harmonisering van het spectrumgebruik op uniaal niveau moet de interne markt voor draadloze elektronischecommunicatiediensten en -uitrusting alsmede de beleidsterreinen van de Unie waarvoor spectrum dient te worden gebruikt, stimuleren en op die manier nieuwe innovatiekansen en werkgelegenheid creëren en tegelijkertijd het economisch herstel en de sociale integratie in de hele Unie bevorderen, zonder daarbij de belangrijke sociale, culturele en economische waarde van spectrum uit het oog te verliezen.

(6)

De harmonisatie van een passend spectrumgebruik kan eveneens van belang zijn om de kwaliteit van elektronischecommunicatiediensten te waarborgen en is essentieel om schaalvoordelen te realiseren, waardoor de kosten van het opzetten van mobiele netwerken en de kosten van mobiele apparatuur voor de consument dalen. Te dien einde moet voor de Unie een beleidsprogramma worden ontwikkeld dat de interne markt voor alle uniale beleidsterreinen bestrijkt waarbij het gebruik van spectrum is betrokken, zoals de beleidsterreinen elektronische communicatie, onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimtevaart, vervoer, energie en audiovisuele aangelegenheden.

(7)

Het Programma moet de concurrentie bevorderen en bijdragen aan het creëren van de basis voor een daadwerkelijke eengemaakte digitale markt.

(8)

Het Pogramma dient, in het bijzonder, de Europa 2020-strategie te ondersteunen, gezien het enorme potentieel van draadloze diensten voor het bevorderen van een op kennis gebaseerde economie, het ontwikkelen en ondersteunen van sectoren die steunen op informatie- en communicatietechnologie en het wegwerken van de digitale kloof. Door het toenemende gebruik van met name audiovisuelemediadiensten en online-inhoud wordt de vraag naar snelheid en dekking groter. Het is tevens een belangrijke component in het kader van de Digitale agenda voor Europa, die als doel heeft te voorzien in snel breedbandinternet voor de toekomstige op netwerken en op kennis gebaseerde economie, en de ambitieuze doelstelling bevat om universele toegang te bieden tot breedbandinternet. Het leveren van de hoogst mogelijke snelheden en capaciteit voor draadgebonden en draadloze breedband, draagt bij aan de verwezenlijking van de doestelling dat tegen 2020 iedereen kan rekenen op een verbindingssnelheid van minstens 30 Mbps en dat tenminste de helft van de huishoudens in de Unie een breedbandverbinding met een snelheid van minimaal 100 Mbps heeft, en is van groot belang om de economische groei en het mondiaal concurrentievermogen te bevorderen en is noodzakelijk om de duurzame economische en sociale voordelen van een digitale eengemaakte markt te verwezenlijken. Het Programma moet ook andere sectorale beleidsdoelstellingen van de Unie, zoals een duurzaam milieu en economische integratie en sociale inclusie voor alle burgers van de Unie, ondersteunen. Gezien het belang van draadloze toepassingen voor innovatie is dit programma ook één van de hoofdinitiatieven ter ondersteuning van het beleid van de Unie inzake innovatie.

(9)

Het Programma dient de basis te vormen voor een ontwikkeling waarbinnen de Unie het voortouw kan nemen op het gebied van draadloze breedbandsnelheden, mobiliteit, dekking en capaciteit. Een dergelijk leiderschap is essentieel voor het bewerkstelligen van een concurrerende eengemaakte digitale markt, die gericht is op de ontsluiting van de interne markt voor alle burgers van de Unie.

(10)

In het Programma moeten de beleidslijnen en doelstellingen voor de lidstaten en de instellingen van de Unie tot 2015 worden bepaald en specifieke uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld. Het spectrumbeheer is weliswaar nog steeds grotendeels een nationale bevoegdheid, maar dient in overeenstemming te zijn met het bestaande Unierecht en ruimte te bieden voor maatregelen in het kader van het beleid van de Unie.

(11)

Het programma dient tevens rekening te houden met Beschikking nr. 676/2002/EG en de technische deskundigheid van de Europese Conferentie van PTT-administraties (CEPT) zodat beleid van de Unie dat steunt op spectrum en dat door het Europees Parlement en de Raad is goedgekeurd, kan worden uitgevoerd krachtens technische uitvoeringsmaatregelen, waarbij wordt aangetekend dat dergelijke maatregelen kunnen worden genomen wanneer dit voor de uitvoering van het bestaande uniale beleid noodzakelijk is.

(12)

Om een gemakkelijke toegang tot het spectrum te verzekeren zijn soms innoverende types machtiging nodig zoals het collectieve gebruik van spectrum of het delen van infrastructuur; de toepassing van dergelijke types machtiging in de Unie kan worden gefaciliteerd door beste praktijken in kaart te brengen, informatie-uitwisseling aan te moedigen en door bepaalde gemeenschappelijke of convergerende voorwaarden voor spectrumgebruik vast te stellen. Algemene machtigingen, die het minst belastende type machtiging zijn, zijn vooral interessant wanneer er geen gevaar bestaat dat door interferentie de ontwikkeling van andere diensten in het gedrang komt.

(13)

Hoewel de zogenaamde „kennistechnologieën” zich in technisch opzicht nog in het ontwikkelingsstadium bevinden, moeten de mogelijkheden ervan nu al nader worden onderzocht, waaronder het faciliteren van het delen op basis van geolokalisatie.

(14)

Het verhandelen van spectrumrechten in combinatie met flexibele gebruiksvoorwaarden zou de economische groei wezenlijk kunnen bevorderen. Derhalve dienen banden waarop het Unierecht reeds voorziet in een flexibel gebruik overeenkomstig Richtlijn 2002/21/EG onmiddellijk verhandelbaar te worden gemaakt. Het delen van beste praktijken inzake machtigingsvoorwaarden en -procedures voor dergelijke banden en gemeenschappelijke maatregelen om te vermijden dat concentraties van spectrumgebruiksrechten ontstaan die tot een machtspositie of een niet gerechtvaardigde onderbenutting van dergelijke rechten kunnen leiden, zouden de gecoördineerde invoering van deze maatregelen door alle lidstaten vergemakkelijken en de verwerving van dergelijke rechten elders in de Unie faciliteren. Een collectief (of gedeeld) gebruik van spectrum — waarbij een onbepaald aantal onafhankelijke gebruikers en/of installaties onder welomschreven voorwaarden in een bepaald geografisch gebied tegelijkertijd toegang hebben tot hetzelfde frequentiebereik van het spectrum — moet zoveel mogelijk gestimuleerd worden, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2002/20/EG met betrekking tot de elektronischecommunicatienetwerken en -diensten.

(15)

Zoals benadrukt in de Digitale agenda voor Europa is draadloze breedband een belangrijk middel om de concurrentie, de keuze voor de consument en de toegang op het platteland of andere gebieden waar de invoering van draadgebonden breedband moeilijk ligt of economisch niet levensvatbaar is, te verbeteren. Spectrumbeheer kan de concurrentie evenwel beïnvloeden door de rol en de positie van marktspelers te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer bestaande gebruikers onrechtmatige concurrentievoordelen genieten. Beperkte toegang tot het spectrum kan, naarmate geschikt spectrum schaarser wordt, een hindernis vormen voor de opkomst van nieuwe diensten of toepassingen en de innovatie en mededinging kan in het gedrang komen. De verwerving van nieuwe spectrumgebruiksrechten, onder meer door het overdragen of verhuren van spectrum of andere transacties tussen gebruikers, en de invoering van nieuwe flexibele criteria voor het gebruik van spectrum kan de bestaande concurrentiesituatie beïnvloeden. De lidstaten moeten derhalve passende ex ante en ex post regulerende maatregen nemen (zoals: het wijzigingen van bestaande rechten, het verbieden van bepaalde verwerving van spectrumgebruiksrechten, het opleggen van voorwaarden aangaande het hamsteren en het efficiënt gebruik van deze zoals bedoeld in in Richtlijn 2002/21/EG, het beperken van de beschikbare hoeveelheid spectrum dat voor elke onderneming beschikbaar is of het vermijden van een buitensporige opstapeling van spectrumgebruiksrechten) teneinde concurrentieverstoring te vermijden, in lijn met de beginselen die ten grondslag liggen aan Richtlijn 2002/20/EG en Richtlijn 87/372/EEG van de Raad van 25 juni 1987 inzake de voor een gecoördineerde invoering van openbare pan-Europese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap beschikbaar te stellen frequentiebanden (8) (de GSM-richtlijn).

(16)

Het opstellen van een inventaris van het bestaande spectrumgebruik en een analyse van de technologische trends, toekomstige behoeften aan en vraag naar spectrum, met name tussen 400 MHz en 6 GHz, moet de identificatie mogelijk maken van frequentiebanden waarop de efficiency kan worden verbeterd, en van mogelijkheden voor spectrumdeling, ten gunste van zowel de commerciële als de publieke sector. De methodiek voor het opstellen en bijhouden van de inventaris van het bestaande spectrumgebruik, moet naar behoren rekening houden met de administratieve lasten voor de overheidsadministraties, en dient die lasten zo licht mogelijk te houden. Derhalve moet bij de ontwikkeling van die methodiek ten volle rekening gehouden worden met de informatie die de lidstaten verstrekken uit hoofde van Beschikking 2007/344/EG van de Commissie van 16 mei 2007 inzake de geharmoniseerde beschikbaarheid van informatie over spectrumgebruik in de Gemeenschap (9).

(17)

Geharmoniseerde normen op grond van Richtlijn 1999/5/EG, zijn van vitaal belang om ervoor te zorgen dat het spectrum efficiënt wordt gebruikt en moeten rekening houden met de wettelijke voorwaarden inzake gedeeld spectrumgebruik. Europese normen voor niet-radio-elektrische en elektronische apparatuur en netwerken mogen niet tot een verstoring van het spectrumgebruik leiden. De cumulatieve impact van de toenemende omvang en intensiteit van draadloze apparatuur en toepassingen in combinatie met de diversiteit van het spectrumgebruik vormt een uitdaging voor het huidige interferentiebeheer. Deze aspecten moeten derhalve opnieuw worden onderzocht en bestudeerd, samen met de kenmerken van ontvangers en meer geavanceerde mechanismen om interferentie te vermijden.

(18)

De lidstaten moeten in voorkomend geval compenserende maatregelen kunnen invoeren die verband houden met migratiekosten.

(19)

In lijn met de doelstellingen van de „Digitale agenda voor Europa”, kan draadloze breedband een wezenlijke bijdrage leveren aan economisch herstel en groei indien er voldoende spectrum beschikbaar is, de spectrumgebruiksrechten snel worden toegewezen en handel wordt toegestaan om in te spelen op marktontwikkelingen. De Digitale agenda roept op om alle burgers van de Unie tegen 2020 toegang te verlenen tot breedband met een snelheid van minstens 30 Mbps. Spectrum dat reeds onder bestaande beschikkingen van de Commissie valt moet derhalve beschikbaar gesteld worden onder de in die beschikkingen vermelde voorwaarden. Afhankelijk van de vraag van de markt, moet het machtigingsproces overeenkomstig Richtlijn 2002/20/EG ten laatste op 31 december 2012 worden afgerond voor terrestrische communicatie om iedereen een vlotte toegang tot draadloze breedband te waarborgen, met name binnen de in de Beschikkingen 2008/411/EG (10), 2008/477/EG (11) en 2009/766/EG (12) van de Commissie aangewezen frequentiebanden. Breedbandtoegang via satelliet kan een snelle en haalbare oplossing zijn om de terrestrische breedbanddiensten aan te vullen en de dekking in de meest afgelegen regio's van de Unie te waarborgen.

(20)

Er moeten, waar dit geschikt is, flexibelere regelingen voor het spectrumgebruik worden ingevoerd ter bevordering van innovatie en snelle breedbandverbindingen, die bedrijven in staat stellen hun kosten te beperken en hun concurrentievermogen te versterken en die het mogelijk maken nieuwe interactieve onlinediensten te ontwikkelen, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs, gezondheid en diensten van algemeen belang.

(21)

Als bijna 500 miljoen burgers zouden beschikken over een verbinding met snel breedband in Europa, zou dat bijdragen aan de ontwikkeling van de interne markt, waardoor een wereldwijd unieke kritische massa van gebruikers ontstaat, alle regio's nieuwe kansen krijgen, elke gebruiker meerwaarde wordt geboden en de Unie de capaciteit krijgt om de meest vooraanstaande kenniseconomie ter wereld te worden. De snelle toepassing van breedband is daarom cruciaal voor de groei van de Europese productiviteit en de opkomst van nieuwe en kleine ondernemingen die een leidende rol kunnen spelen in verschillende sectoren, zoals de gezondheidszorg, de productie en de dienstensector.

(22)

Volgens berekeningen van de Internationale Telecommunicatie-Unie (ITU) uit 2006 zouden de toekomstige bandbreedtes van het spectrum voor de ontwikkeling van het International Mobile Telecommunications-2000 system (IMT-2000) en het IMT-advanced system (d.w.z. 3G en 4G mobiele communicatie) voor de commerciële mobiele industrie in 2020 in iedere ITU-regio, waaronder Europa, tussen 1 280 en 1 720 MHz liggen. De ondergrens (1 280 MHz) is hoger dan voor bepaalde landen vereist is. Bovendien ligt in sommige landen de norm boven de bovengrens (1 720 MHz). Beide cijfers omvatten het spectrum dat reeds in gebruik is, of al gepland is, voor pre-IMT-systemen, IMT-2000 en uitbreidingen daarvan. Indien het vereiste spectrum niet wordt vrijgegeven, bij voorkeur op een geharmoniseerde wijze op mondiaal niveau, zullen nieuwe diensten en economische groei worden belemmerd als gevolg van de beperkte capaciteit van mobiele netwerken.

(23)

De 800 MHz-band (790-862 MHz) is uitermate geschikt voor de dekking van grote gebieden met draadloze breedbanddiensten. Voortbouwend op de harmonisering van de technische voorwaarden op grond van Besluit 2010/267/EU en op de aanbeveling van de Commissie van 28 oktober 2009 tot het vrijgeven van het digitale dividend in de Europese Unie vergemakkelijken (13), waarbij wordt opgeroepen tot het stopzetten van de analoge uitzendingen uiterlijk op 1 januari 2012 en gelet op de snelle nationale regelgevende ontwikkelingen, moet deze band in principe tegen 2013 beschikbaar worden gesteld voor elektronischecommunicatiediensten in de Unie. Op langere termijn kan ook extra spectrum worden overwogen, in het licht van de resultaten van een analyse van technologische trends, toekomstige behoeften aan en vraag naar spectrum. Gelet op de geschiktheid van de 800 MHz-band voor de dekking van grote gebieden, kunnen aan de rechten, indien nodig, dekkingsverplichtingen worden gekoppeld.

(24)

Een verruiming van de mogelijkheden voor draadloze breedband is van cruciaal belang om de culturele sector nieuwe distributieplatforms te verstrekken, waarmee de weg wordt vrijgemaakt voor een succesvolle toekomstige ontwikkeling van die sector.

(25)

Het aantal draadloze toegangssystemen, waaronder lokale radiotoegangsnetwerken, kan te groot worden voor de huidige vergunningsvrije toewijzingen. De vraag in hoeverre er in de praktijk meer vergunningsvrij spectrum voor draadloze toegangssystemen, met inbegrip van Radio Local Area Networks, op 2,4 GHz en 5 GHz, moet en kan worden toegewezen, moet worden beoordeeld in het licht van de inventarisatie van de bestaande toepassingen van en nieuwe behoeften aan spectrum, en al naargelang het gebruik dat voor andere doeleinden van het spectrum wordt gemaakt.

(26)

Hoewel omroepdiensten een belangrijk platform voor de distributie van content blijven — aangezien zij nog steeds het meest economische platform zijn voor massadistributie — bieden breedband, al dan niet draadloos, en andere nieuwe diensten de culturele sector nieuwe mogelijkheden om zijn assortiment van distributieplatforms te diversifiëren, om diensten op aanvraag te leveren en het economisch potentieel dat wordt geboden door de forse toename van het dataverkeer aan te boren.

(27)

In het licht van de prioriteiten van het meerjarige Programma dienen de lidstaten en de Commissie samen te werken teneinde de doelstelling te ondersteunen en te verwezenlijken om de Unie in staat stellen het voortouw te nemen op het gebied van draadloze breedbanddiensten voor elektronische communicatie door het vrijmaken van voldoende spectrum in kostenefficiënte banden opdat deze diensten wijdverbreid beschikbaar zijn.

(28)

Aangezien een gezamenlijke aanpak en schaalvoordelen cruciaal zijn voor de ontwikkeling van breedbandcommunicatie in de hele Unie en het voorkomen van concurrentieverstoring en marktfragmentatie tussen de lidstaten, dienen in onderling overleg tussen de lidstaten en de Commissie bepaalde beste praktijken op het gebied van de voorwaarden en procedures voor machtiging te worden geïdentificeerd. Zulke voorwaarden en procedures kunnen onder meer betrekking hebben op de dekkingsverplichtingen, de omvang van spectrumblokken, de timing voor de toekenning van rechten, de toegang voor mobiele exploitanten met virtueel netwerk en de looptijd van spectrumgebruiksrechten. Gelet op het belang van de spectrumhandel voor een efficiënter gebruik van het spectrum en de ontwikkeling van de interne markt voor draadloze uitrusting en diensten, moeten deze voorwaarden en procedures van toepassing zijn op voor draadloze communicatie toegewezen frequentiebanden, waarvoor de rechten kunnen worden overgedragen of verhuurd.

(29)

Ook kan extra spectrum nodig zijn voor andere sectoren zoals vervoer (voor veiligheids-, informatie- en beheerssystemen), onderzoek en ontwikkeling (O&O), e-gezondheid, e-inclusie en, zo nodig, civiele bescherming en rampenbestrijding, gelet op het toegenomen gebruik van video- en datatransmissiesystemen met het oog op een snelle en efficiënte dienstverlening. De optimalisering van synergieën tussen het spectrumbeleid en O&O-activiteiten en studies over de radiocompatibiliteit tussen verschillende spectrumgebruikers moeten bijdragen tot innovatie. De resultaten van onderzoek in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) vergen bovendien een onderzoek van de spectrumbehoeften van projecten met een groot economisch of investeringspotentieel, in het bijzonder voor het mkb, bv. cognitieve radio of e-gezondheid. Voorts moet een passende bescherming tegen schadelijke interferenties worden gewaarborgd ter ondersteuning van O&O en wetenschappelijke activiteiten.

(30)

In de Europa 2020-strategie zijn milieudoelstellingen opgenomen voor een duurzame, energie-efficiënte en concurrerende economie, bijvoorbeeld door energie-efficiëntie met 20 % te verbeteren tegen 2020. In de Digitale agenda voor Europa wordt gewezen op de cruciale rol die de informatie- en communicatietechnologiesector (ICT) daarbij speelt. De voorgestelde acties omvatten de versnelde invoering van intelligente energiebeheersystemen in de hele Unie (intelligente netwerken en slimme meters) met communicatiemogelijkheden om het energieverbruik te verminderen, en de ontwikkeling van intelligente transportsystemen en intelligent verkeersbeheer om de uitstoot van koolstofdioxide door de transportsector terug te dringen. Een efficiënt gebruik van spectrumtechnologieën kan ook helpen om het energieverbruik van radioapparatuur terug te dringen en de milieueffecten in landelijke en afgelegen gebieden te beperken.

(31)

Een samenhangend spectrumvergunningsbeleid in de Unie dient ten volle rekening te houden met de bescherming van de volksgezondheid tegen elektromagnetische velden, die essentieel is voor het welzijn van de bevolking. Met inachtneming van Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz-300 GHz (14) is het van vitaal belang om permanent toe te zien op de ioniserende en niet-ioniserende effecten van spectrumgebruik op de gezondheid, met inbegrip van de reële gecombineerde effecten van spectrumgebruik met verschillende frequenties en door een toenemend aantal types apparatuur.

(32)

Essentiële doelstellingen van algemeen belang, zoals de bescherming van mensenlevens, vergt gecoördineerde technische oplossingen om de veiligheids- en nooddiensten in de lidstaten te doen samenwerken. Voldoende spectrum moet worden vrijgemaakt op een coherente basis ten behoeve van de ontwikkeling en het vrije verkeer van veiligheidsdiensten en -apparatuur alsmede ten behoeve van de ontwikkeling van innovatieve pan-Europese of interoperabele veiligheids- en noodoplossingen. Studies hebben aangetoond dat er de volgende vijf tot tien jaar in de hele Unie behoefte is aan extra geharmoniseerd spectrum beneden 1 GHz voor mobiele breedbanddiensten voor civiele bescherming en rampenbestrijding (public protection and disaster relief — PPDR).

(33)

De regulering van het spectrum heeft een belangrijke grensoverschrijdende of internationale dimensie vanwege de propagatiekenmerken, de internationale dimensie van de van radiodiensten afhankelijke markten en de noodzaak om schadelijke interferenties tussen landen te voorkomen.

(34)

Volgens de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is, wanneer het onderwerp van een internationaal akkoord deels tot de bevoegdheid van de Unie en deels tot die van de lidstaten behoort, een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de instellingen van de Unie vereist. Die samenwerkingsverplichting vloeit, zoals wordt toegelicht in vaste rechtspraak, voort uit het beginsel van eenheid bij de internationale vertegenwoordiging van de Unie en haar lidstaten.

(35)

Bij bilaterale onderhandelingen met landen die grenzen aan de Unie, waaronder kandidaat-lidstaten en toetredende landen, kunnen de lidstaten met het oog op de naleving van hun uit het uniale recht voortvloeiende verplichtingen inzake frequentiecoördinatie tevens behoefte hebben aan ondersteuning op dat gebied. Op die manier worden zij geholpen om schadelijke interferenties te vermijden en de spectrumefficiëntie en de convergentie van het spectrumgebruik tot buiten de grenzen van de Unie te verbeteren.

(36)

Om de doelstellingen van dit besluit te realiseren is het belangrijk dat het huidige institutionele kader voor de coördinatie van het beleid en het beheer van het spectrum op uniaal niveau wordt verbeterd, onder meer op het gebied van aangelegenheden die twee of meer lidstaten aangaan, daarbij ten volle rekening houdend met de bevoegdheden en de deskundigheid van de nationale overheden. Samenwerking en coördinatie zijn tevens essentieel voor de normalisatie- en onderzoeksinstituten en CEPT.

(37)

Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit besluit te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (15).

(38)

Aangezien de doelstelling van dit besluit — met name het vaststellen van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid — niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang van de voorgenomen handeling beter op het niveau van de Unie kan worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat dit besluit niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(39)

De Commissie dient verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten die in het kader van dit besluit zijn bereikt, alsmede over in de toekomst geplande acties.

(40)

Bij de opstelling van dit voorstel heeft de Commissie zoveel mogelijk rekening gehouden met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum die is opgericht bij Besluit 2002/622/EG van de Commissie (16),

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   Dit besluit stelt een meerjarenprogramma in voor het radiospectrumbeleid ten behoeve van het strategisch plannen en harmoniseren van het spectrumgebruik teneinde de werking van de interne markt te waarborgen op de beleidsterreinen van de Unie die spectrumgebruik met zich meebrengen, zoals de beleidsterreinen elektronische communicatie, onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimtevaart, vervoer, energie en audiovisuele aangelegenheden.

Dit besluit heeft geen invloed op de afdoende beschikbaarheid van spectrum voor andere beleidsterreinen van de Unie zoals civiele bescherming en rampenbestrijding en het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid.

2.   Dit besluit doet geen afbreuk aan het bestaande uniale recht, met name de Richtlijnen 1999/5/EG, 2002/20/EG en 2002/21/EG, en onder de voorwaarden van artikel 6 van dit besluit, Beschikking nr. 676/2002/EG, noch aan de maatregelen op nationaal niveau die in overeenstemming zijn met het uniale recht.

3.   Dit besluit doet geen afbreuk aan de maatregelen die volledig in overeenstemming met het uniale recht op nationaal niveau worden genomen ter verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang, in het bijzonder de doelstellingen met betrekking tot regulering van de inhoud en audiovisueel beleid.

Dit besluit doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om hun radiospectrum in het belang van de openbare orde en veiligheid en voor defensiedoeleinden te organiseren en te gebruiken. Wanneer dit besluit of daaronder vastgestelde maatregelen met betrekking tot de in artikel 6 bedoelde frequentiebanden van invloed zijn op het spectrum dat door een lidstaat uitsluitend en rechtstreeks in het belang van de openbare veiligheid en voor defensiedoeleinden wordt gebruikt, kan de lidstaat voor zover nodig die frequentieband in het belang van de openbare veiligheid en voor defensiedoeleinden blijven gebruiken totdat de systemen die respectievelijk op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit of van een op basis ervan genomen maatregel op de band bestaan, zijn uitgefaseerd. Die lidstaat stelt de Commissie naar behoren in kennis van zijn besluit.

Artikel 2

Algemene regelgevende beginselen

1.   De lidstaten werken onderling en met de Commissie op een transparante manier samen om de consequente toepassing van de volgende algemene regelgevende beginselen in de hele Unie te waarborgen:

a)

toepassing van het meest passende en minst bezwarende machtigingssysteem met het oog op een maximale flexibiliteit en efficiency bij het gebruik van spectrum. Zo'n machtigingssysteem wordt gebaseerd op objectieve, transparante, niet-discriminerende en proportionele criteria;

b)

bevordering van de ontwikkeling van de interne markt middels stimulering van de opkomst van toekomstige digitale diensten in de gehele Unie en middels bevordering van daadwerkelijke concurrentie;

c)

bevordering van concurrentie en innovatie, met voorkoming van schadelijke interferentie en met aandacht voor het feit dat de technische kwaliteit van de dienst verzekerd moet worden met als doel de beschikbaarheid van breedbanddiensten te faciliteren en op doeltreffende wijze te reageren op het toegenomen draadloze verkeer van gegevens;

d)

vaststelling van de technische voorwaarden voor het spectrumgebruik, waarbij volledig rekening wordt gehouden met het desbetreffende uniale recht, waaronder betreffende de beperking van de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden;

e)

bevordering van de technologie- en dienstenneutraliteit bij de toekenning van spectrumgebruiksrechten, waar mogelijk.

2.   Voor elektronische communicatie gelden naast de algemene regelgevende beginselen, bedoeld in lid 1, de volgende specifieke beginselen, overeenkomstig de artikelen 8 bis, 9, 9 bis en 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG en overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG:

a)

toepassing van technologie- en dienstenneutraliteit bij spectrumgebruiksrechten voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de overdracht of huur van individuele rechten om radiofrequenties te gebruiken;

b)

bevordering van de harmonisatie van het gebruik van radiofrequenties in de hele Unie, in overeenstemming met de noodzaak te zorgen voor een effectief en efficiënt gebruik van die frequenties;

c)

vergemakkelijking van de toeneming van draadloos dataverkeer en breedbanddiensten, vooral door het stimuleren van flexibiliteit en door het bevorderen van innovatie, met inachtneming van de noodzaak schadelijke interferentie te voorkomen en de technische kwaliteit van de diensten te waarborgen.

Artikel 3

Beleidsdoelstellingen

In het licht van de prioriteiten van dit besluit werken de lidstaten en de Commissie samen om de volgende beleidsdoelstellingen te ondersteunen en te verwezenlijken:

a)

bevordering van een efficiënt beheer en gebruik van het spectrum om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar frequenties, die een weerspiegeling vormt van de belangrijke maatschappelijke, culturele en economische waarde van het spectrum;

b)

ernaar streven tijdig voldoende en geschikt spectrum toe te wijzen ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de Unie en zo goed mogelijk tegemoetkomen aan de stijgende vraag naar draadloos gegevensverkeer, en daarbij de ontwikkeling van commerciële en publieke diensten mogelijk maken, met inachtneming van zwaarwegende doelstellingen van algemeen belang als culturele verscheidenheid en het pluralisme in de media; daartoe moet alles in het werk worden gesteld om uiterlijk in 2015, aan de hand van de inventaris van het spectrum, opgesteld krachtens artikel 9, ten minste 1 200 MHz van het geschikt spectrum aan te wijzen. Daaronder valt ook het reeds in gebruik zijnde spectrum;

c)

de digitale kloof overbruggen en bijdragen aan de doelstellingen van de Digitale agenda voor Europa door te bevorderen dat alle burgers van de Unie tegen 2020 toegang hebben tot breedband met een snelheid van minstens 30 Mbps en dat de Unie de hoogst mogelijke breedbandsnelheid en -capaciteit heeft;

d)

de Unie in staat stellen het voortouw te nemen op het gebied van draadloze breedbanddiensten voor elektronische communicatie door het vrijmaken van voldoende spectrum in kostenefficiënte banden opdat die diensten wijdverbreid beschikbaar zijn;

e)

mogelijkheden voor zowel de commerciële als de overheidssector veiligstellen door verhoging van de capaciteit van mobiele breedband;

f)

innovatie en investeringen aanmoedigen door meer flexibiliteit in het gebruik van het spectrum, door in de gehele Unie het beginsel van technologie- en dienstenneutraliteit tussen de technische oplossingen waartoe eventueel wordt besloten consequent toe te passen en door middel van adequate voorspelbaarheid van de regelgeving waarin onder meer is voorzien in het regelgevingskader voor elektronische communicatie door geharmoniseerd spectrum vrij te maken voor nieuwe geavanceerde technologieën en door de mogelijkheid te creëren om spectrumgebruiksrechten te verhandelen, en zo mogelijkheden te scheppen voor de ontwikkeling van toekomstige digitale diensten in de gehele Unie;

g)

een gemakkelijke toegang tot het spectrum faciliteren door het benutten van de voordelen van algemene machtigingen voor elektronische communicatie overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2002/20/EG;

h)

passief delen van infrastructuur aanmoedigen waar zulks evenredig en niet-discriminerend is, zoals beoogd in artikel 12 van Richtlijn 2002/21/EG;

i)

daadwerkelijke concurrentie in stand houden en ontwikkelen, met name op het gebied van elektronischecommunicatiediensten door via maatregelen ex ante of ingrepen ex post trachten te voorkomen dat bepaalde ondernemingen te grote concentraties van rechten om radiofrequenties te gebruiken verwerven waardoor de mededinging ernstig in het gedrang komt;

j)

de versnippering van de interne markt terugdringen en het potentieel ervan volledig benutten teneinde op uniaal niveau de economische groei en schaalvoordelen te bevorderen, en wel door de technische voorwaarden voor het gebruik en de beschikbaarheid van spectrum indien nodig beter te harmoniseren en te coördineren;

k)

schadelijke interferenties of storingen door andere radio- of niet-radioapparatuur vermijden, onder meer door de ontwikkeling van normen die bijdragen aan een efficiënt spectrumgebruik mogelijk te maken, en door de immuniteit van ontvangers voor interferenties te vergroten, met name rekening houdend met de gezamenlijke impact van het toenemend aantal radioapparaten en -toepassingen en de stijgende dichtheid daarvan;

l)

bevordering van de toegankelijkheid van nieuwe consumentenproducten en -technologieën om ervoor te zorgen dat de consument de overgang naar digitale technologie steunt en er efficiënt gebruik wordt gemaakt van het digitale dividend;

m)

beperking van de koolstofvoetafdruk van de Unie door de technische en energetische efficiëntie van draadloze communicatienetwerken en -uitrusting te verbeteren.

Artikel 4

Grotere efficiency en flexibiliteit

1.   De lidstaten moedigen, in samenwerking met de Commissie en indien passend, collectief en gedeeld gebruik van spectrum aan.

De lidstaten stimuleren ook de ontwikkeling van bestaande en nieuwe technologieën, bijvoorbeeld in cognitieve radio, inclusief technologieën die gebruik maken van „witte ruimtes”.

2.   De lidstaten en de Commissie werken samen om de flexibiliteit bij het gebruik van spectrum te vergroten teneinde innovatie en investeringen aan te moedigen door de mogelijkheid te creëren om nieuwe technologieën te gebruiken en spectrumgebruiksrechten over te dragen of te verhuren.

3.   De lidstaten en de Commissie werken, zo nodig overeenkomstig de door de Commissie aan de betrokken normalisatie-instanties verleende normalisatiemandaten, samen bij het bevorderen van de ontwikkeling en harmonisatie van normen voor radioapparatuur en telecommunicatieterminals alsmede voor elektrische en elektronische apparatuur en netwerken. Er wordt ook speciale aandacht besteed aan normen voor apparatuur die door mensen met een handicap moet worden gebruikt.

4.   De lidstaten stimuleren O&O-activiteiten met betrekking tot nieuwe technologieën, zoals cognitieve technologieën en geolocatiedatabanken.

5.   De lidstaten zorgen, waar passend, voor selectiecriteria en -procedures die concurrentie voor de toekenning van spectrumgebruiksrechten, investeringen en het efficiënte gebruik van het spectrum bevorderen als een openbaar goed, en tevens het samengaan van nieuwe en bestaande diensten en apparatuur bevorderen. De lidstaten bevorderen de voortzetting van het efficiënte gebruik van spectrum voor netwerken, apparaten en toepassingen.

6.   Om een reëel gebruik van spectrumgebruiksrechten te waarborgen en om het hamsteren van spectrum te vermijden, kunnen lidstaten overwegen indien nodig passende maatregelen nemen, waaronder boetes, het gebruik van stimuleringspremies of de intrekking van rechten. Dergelijke maatregelen worden op transparante, niet-discriminerende en evenredige wijze vastgesteld en toegepast.

7.   Voor elektronischecommunicatiediensten nemen de lidstaten tegen 1 januari 2013 toewijzings- en machtigingsmaatregelen die geschikt zijn voor de ontwikkeling van breedbanddiensten overeenkomstig Richtlijn 2002/20/EG, met als doel de hoogst mogelijke capaciteit en snelheden voor breedband te bereiken.

8.   Om potentiële versnippering van de interne markt te voorkomen als gevolg van uiteenlopende selectiecriteria en -procedures voor geharmoniseerd spectrum dat aan elektronischecommunicatiediensten is toegewezen en dat op grond van artikel 9 ter van Richtlijn 2002/21/EG in alle lidstaten verhandelbaar is gemaakt, faciliteert de Commissie, in overleg met de lidstaten en overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, het in kaart brengen en delen van beste praktijken betreffende de machtigingsvoorwaarden en -procedures en moedigt de informatie-uitwisseling voor dergelijk spectrum aan, met als doel de samenhang in de Unie te verbeteren, op basis van het beginsel van technologie- en dienstenneutraliteit.

Artikel 5

Concurrentie

1.   De lidstaten bevorderen daadwerkelijke concurrentie en voorkomen concurrentieverstoring op de interne markt voor elektronische communicatiediensten, overeenkomstig de Richtlijnen 2002/20/EG en 2002/21/EG.

Bij het toekennen van spectrumgebruiksrechten aan gebruikers van particuliere netwerken voor elektronische communicatie houden ze ook rekening met concurrentievraagstukken.

2.   Ten behoeve van lid 1, eerste alinea, en onverminderd de toepassing van de concurrentieregelgeving en de maatregelen die door de lidstaten zijn vastgesteld ter verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2002/21/EG, kunnen de lidstaten onder meer de volgende maatregelen vaststellen:

a)

het beperken van de hoeveelheid spectrum, waarvoor aan een onderneming gebruiksrechten worden toegekend, of het koppelen van voorwaarden aan die gebruiksrechten, zoals het aanbieden van wholesaletoegang, nationale of regionale roaming, op bepaalde banden of in bepaalde groepen van banden met vergelijkbare kenmerken, bijvoorbeeld de banden voor elektronischecommunicatiediensten beneden 1 GHz. Deze bijkomende voorwaarden mogen uitsluitend door bevoegde nationale autoriteiten worden opgelegd;

b)

het voorbehouden van een deel van een frequentieband of een groep van banden voor toewijzing aan nieuwe marktdeelnemers, als dit passend is gezien de situatie op de nationale markt;

c)

het weigeren om nieuwe spectrumgebruiksrechten toe te kennen of om nieuw spectrumgebruik in bepaalde banden toe te staan, dan wel het koppelen van voorwaarden aan de toekenning van nieuwe spectrumgebruiksrechten of de machtiging voor nieuw spectrumgebruik, teneinde concurrentieverstoring ten gevolge van de toekenning, overdracht of concentratie van gebruiksrechten te voorkomen;

d)

het verbieden van of het opleggen van voorwaarden aan de overdracht van spectrumgebruiksrechten die niet onder het toezicht inzake fusies van de lidstaten of de Unie vallen, daar waar het waarschijnlijk is dat door een dergelijke overdracht de concurrentie aanzienlijk in het gedrang komt;

e)

het wijzigen van de bestaande rechten in overeenstemming met Richtlijn 2002/20/EG, daar waar dat noodzakelijk is om ex post een einde te maken aan de concurrentieverstoring ten gevolge van de overdracht of concentratie van gebruiksrechten voor radiofrequenties.

3.   Indien de lidstaten een van de in lid 2 van dit artikel bedoelde maatregelen wensen te nemen, handelen zij in overeenstemming met de procedures voor het opleggen of het veranderen van dergelijke voorwaarden inzake spectrumgebruiksrechten, zoals vastgelegd in Richtlijn 2002/20/EG.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat bij de machtigings- en selectieprocedures voor elektronischecommunicatiediensten daadwerkelijke concurrentie wordt bevorderd ten bate van de burgers, consumenten en ondernemingen in de Unie.

Artikel 6

Spectrum voor draadloze breedbandcommunicatie

1.   De lidstaten nemen in samenwerking met de Commissie de nodige maatregelen om te verzekeren dat in de Unie afdoende spectrum beschikbaar is voor de beoogde capaciteit en dekking, opdat de Unie de snelste breedbandverbindingen ter wereld heeft teneinde ervoor te zorgen dat draadloze toepassingen en Europees leiderschap in nieuwe diensten daadwerkelijk bijdragen tot economische groei en tot de verwezenlijking van de doelstelling om alle burgers tegen 2020 toegang te verschaffen tot breedband met snelheden van niet minder dan 30 Mbps.

2.   Ter bevordering van de ruimere beschikbaarheid van draadloze breedbanddiensten ten behoeve van burgers en consumenten van de Unie, stellen de lidstaten de onder de Beschikkingen 2008/411/EG (3,4-3,8 GHz), 2008/477/EG (2,5-2,69 GHz) en 2009/766/EG (900-1 800 MHz) vallende banden beschikbaar volgens de eisen en voorwaarden die in deze beschikkingen staan. Afhankelijk van de vraag op de markt voeren de lidstaten het machtigingsproces voor 31 december 2012 uit zonder dat wordt geraakt aan de bestaande inzet van diensten en onder voorwaarden die consumenten een gemakkelijke toegang tot draadloze breedbanddiensten bieden.

3.   De lidstaten bevorderen de voortdurende opwaardering van hun netwerken door aanbieders van elektronische communicatie naar de meest recente en meest efficiënte technologie, zodat ze hun eigen spectrumdividenden kunnen creëren overeenkomstig het beginsel van technologie- en dienstenneutraliteit.

4.   De lidstaten voeren voor 1 januari 2013 het machtigingsproces uit om het gebruik van de 800 MHz-band voor elektronischecommunicatiediensten mogelijk te maken. De Commissie kent tot 31 december 2015 op grond van een terdege gemotiveerd verzoek van de betrokken lidstaat specifieke afwijkingen toe voor lidstaten waar uitzonderlijke nationale of plaatselijke omstandigheden of grensoverschrijdende frequentiecoördinatieproblemen de beschikbaarheid van de band in de weg staan.

Indien bewezen grensoverschrijdende frequentiecoördinatieproblemen tussen een lidstaat en een of meer landen, waaronder kandidaat-lidstaten of toetredende landen, na 31 december 2015 blijven bestaan en die de beschikbaarheid van de 800 MHz-band in de weg staan, kent de Commissie op jaarlijkse basis uitzonderlijke afwijkingen toe totdat de problemen zijn opgelost.

Lidstaten aan wie een afwijking in overeenstemming met de eerste en de tweede alinea is toegekend, zorgen ervoor dat het gebruik van de 800 MHz-band niet belet dat die band in de naburige lidstaten beschikbaar is voor andere elektronischecommunicatiediensten dan omroepdiensten.

Dit lid is ook van toepassing op de spectrumcoördinatieproblemen in de Republiek Cyprus die het gevolg zijn van het feit dat de regering van Cyprus wordt belet op een deel van haar grondgebied effectieve controle te verrichten.

5.   Lidstaten monitoren in samenwerking met de Commissie doorlopend de capaciteitsvereisten voor draadloze breedbanddiensten. Op basis van de uitkomsten van de analyse, bedoeld in artikel 9, lid 4, beoordeelt de Commissie of er bijkomende frequentiebanden moeten worden geharmoniseerd en brengt zij uiterlijk op 1 januari 2015 daarover verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.

De lidstaten kunnen, waar nodig en in overeenstemming met het uniale recht, ervoor zorgen dat de directe kosten die gepaard gaan met migratie of hernieuwde toewijzing van spectrumgebruik op gepaste wijze worden gecompenseerd overeenkomstig het nationale recht.

6.   De lidstaten bevorderen, in samenwerking met de Commissie, de toegang tot breedbanddiensten op de 800 MHz-band in afgelegen en dunbevolkte gebieden, waar dit zinvol is. Hierbij onderzoeken de lidstaten mogelijkheden en nemen zij in voorkomend geval technische en regelgevende maatregelen om ervoor te zorgen dat het vrijmaken van de 800 MHz-band geen nadelige gevolgen heeft voor gebruikers van diensten voor programmaproductie en speciale evenementen (programme making and special events, PMSE).

7.   De Commissie beoordeelt, in samenwerking met de lidstaten, of het gerechtvaardigd en haalbaar is om de toewijzingen van vergunningsvrij spectrum voor draadloze toegangssystemen, met inbegrip van radio local area networks, uit te breiden.

8.   De lidstaten verlenen toelating voor het overdragen of verhuren van spectrumgebruiksrechten voor de volgende geharmoniseerde banden: 790-862 MHz, 880-915 MHz, 925-960 MHz, 1 710-1 785 MHz, 1 805-1 880 MHz, 1 900-1 980 MHz, 2 010-2 025 MHz, 2 110-2 170 MHz, 2,5-2,69 GHz en 3,4-3,8 GHz.

9.   Teneinde te garanderen dat alle burgers toegang hebben tot geavanceerde digitale diensten waaronder breedband, met name in afgelegen en dunbevolkte gebieden, kunnen de lidstaten en de Commissie bekijken of er voldoende spectrum beschikbaar is om breedbandsatellietdiensten aan te bieden die internettoegang mogelijk maken.

10.   In samenwerking met de Commissie bezien de lidstaten of beschikbaarheid en gebruik van pico- en femtocellen kunnen worden uitgebreid. Zij houden ten volle rekening met de mogelijkheden van deze cellulaire basisstations en van gedeeld en vergunningsvrij gebruik van spectrum voor het opzetten van vermaasde draadloze netwerken, die een cruciale rol kunnen spelen bij het overbruggen van de digitale kloof.

Artikel 7

Spectrumbehoeften voor andere beleidsterreinen inzake draadloze communicatie

Teneinde de toekomstige ontwikkeling van innovatieve audiovisuele media en andere diensten voor de burgers van de Unie te steunen, rekening houdend met de economische en maatschappelijke voordelen van een eengemaakte digitale markt, streven de lidstaten er in samenwerking met de Commissie naar voor het aanbod van dergelijke diensten via satelliet- en terrestrische verbindingen voldoende spectrum beschikbaar te stellen, mits de behoefte daaraan naar behoren gestaafd wordt.

Artikel 8

Spectrumbehoeften voor andere specifieke beleidsterreinen van de Unie

1.   De lidstaten en de Commissie waarborgen de beschikbaarheid van spectrum en beschermen de radiofrequenties die noodzakelijk zijn voor de observatie van de aardatmosfeer en het aardoppervlak, waardoor ruimtetoepassingen kunnen worden ontwikkeld en geëxploiteerd en de vervoerssystemen kunnen worden verbeterd, met name voor het overeenkomstig het Galileo-programma ingestelde wereldwijde civiele satellietnavigatiesysteem (17), het Europees aardobservatieprogramma (GMES) (18) en voor intelligente verkeersveiligheids- en verkeersbeheersystemen.

2.   In samenwerking met de lidstaten voert de Commissie studies uit over energiebesparing bij spectrumgebruik teneinde bij te dragen aan het beleid inzake de reductie van de koolstofuitstoot, en overweegt zij spectrum vrij te maken voor draadloze technologieën die besparing van energie en de doelmatigheid van andere distributienetwerken, zoals de watervoorziening, kunnen verbeteren, zoals slimme netwerken en slimme meters.

3.   De Commissie tracht, in samenwerking met de lidstaten, er voor te zorgen dat onder geharmoniseerde voorwaarden voldoende spectrum beschikbaar wordt gesteld voor de ontwikkeling van veiligheidsdiensten en het vrije verkeer van daaraan gerelateerde apparatuur, alsmede voor de ontwikkeling van innoverende interoperabele oplossingen voor openbare veiligheid en beveiliging, civiele bescherming en rampenbestrijding.

4.   De lidstaten en de Commissie werken met de wetenschappelijke en academische gemeenschap samen om een aantal onderzoeks- en ontwikkelingsinitiatieven en innoverende toepassingen te bepalen, die een groot sociaaleconomisch effect en/of investeringspotentieel bezitten, en gaan na hoeveel spectrum voor deze toepassingen vereist is, en overwegen ook, indien nodig, de toewijzing van voldoende spectrum voor dergelijke toepassingen onder geharmoniseerde technische voorwaarden en met de minst belastende administratieve lasten.

5.   In samenwerking met de Commissie streven de lidstaten ernaar ten behoeve van diensten voor programmaproductie en speciale evenementen in de Unie de nodige frequentiebanden waarborgen, in overeenstemming met de doelstellingen van de Unie om de eenwording van de interne markt en de toegang tot cultuur te bevorderen.

6.   De lidstaten en de Commissie streven ernaar spectrum beschikbaar te maken voor radiofrequentie-identificatie (radio-frequency identification, RFID) en andere draadloze communicatietechnologieën in verband met het „Internet of Things” (IoT), en werken samen om de ontwikkeling van normen en de harmonisatie van spectrumtoewijzing voor IoT-communicatie in alle lidstaten te bevorderen.

Artikel 9

Inventaris

1.   Er wordt een inventaris opgesteld van het bestaande gebruik van het spectrum, zowel voor commerciële als voor publieke doeleinden.

Deze inventaris heeft de volgende doelstellingen:

a)

het mogelijk maken om na te gaan in welke frequentiebanden de efficiency van het bestaande spectrumgebruik kan worden verbeterd;

b)

ondersteuning bij het aanwijzen van frequentiebanden, teneinde de in dit besluit vastgestelde doeleinden van het Uniebeleid te ondersteunen, geschikt kunnen zijn voor nieuwe toewijzing en welke mogelijkheden voor spectrumdeling er zijn, rekening houdend met zowel de toekomstige spectrumbehoeften, onder andere op basis van de vraag van consumenten en exploitanten, als met de mogelijkheid om aan die vraag tegemoet te komen;

c)

ondersteuning bij het analyseren van de verschillende typen spectrumgebruik van zowel private als publieke gebruikers;

d)

ondersteuning bij het bepalen welke frequentiebanden kunnen worden toegewezen of opnieuw kunnen worden toegewezen met het oog op een efficiëntere benutting, innovatiebevordering of het aanzwengelen van de concurrentie op de interne markt, en nieuwe manieren voor gedeeld spectrumgebruik te onderzoeken, zowel ten gunste van private als van publieke gebruikers, rekening houdend met de potentiële positieve en negatieve gevolgen van toewijzing of hernieuwde toewijzing van dergelijke banden en aangrenzende banden voor bestaande gebruikers.

2.   Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van lid 1 van dit artikel, stelt de Commissie, zoveel mogelijk rekening houdend met het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum, uiterlijk op 1 juli 2013 uitvoeringshandelingen vast:

a)

om de praktische modaliteiten en uniforme formaten te ontwikkelen voor het verzamelen en verstrekken van gegevens door de lidstaten aan de Commissie over het bestaande gebruik van het spectrum, met inachtneming van de voorschriften uit hoofde van artikel 8 van Besluit nr. 672/2002/EG inzake de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en het recht van de lidstaten om vertrouwelijke informatie onder zich te houden, en rekening houdend met het streven om de administratieve lasten en de bestaande verplichtingen van de lidstaten krachtens andere bepalingen van uniaal recht, in het bijzonder verplichtingen aangaande het verstrekken van specifieke informatie, tot een minimum terug te brengen;

b)

om een methode te ontwikkelen voor het analyseren van technologische tendensen, toekomstige behoeften en de vraag naar spectrum op die terreinen van het Uniebeleid die onder dit besluit vallen, in het bijzonder met betrekking tot die diensten die kunnen functioneren in het frequentiegebied tussen de 400 MHz en de 6 GHz, om opkomende en potentieel significante toepassingen van het spectrum te kunnen aanwijzen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   De Commissie beheert de in lid 1 bedoelde inventaris in overeenstemming met de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen.

4.   De Commissie voert de analyse van de technologische tendensen, toekomstige behoeften en de vraag naar spectrum uit overeenkomstig de in lid 2, onder b), bedoelde uitvoeringshandelingen. De Commissie dient bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over de resultaten van deze analyse.

Artikel 10

Internationale onderhandelingen

1.   Bij internationale onderhandelingen over spectrumaangelegenheden gelden de volgende beginselen:

a)

indien het onderwerp van de internationale onderhandelingen binnen de bevoegdheid van de Unie valt, wordt het standpunt van de Unie vastgesteld in overeenstemming met het uniale recht;

b)

indien het onderwerp van de internationale onderhandelingen gedeeltelijk binnen de bevoegdheid van de Unie en gedeeltelijk binnen de bevoegdheid van de lidstaten valt, streven de Unie en de lidstaten naar een gemeenschappelijk standpunt overeenkomstig de vereisten van het beginsel van oprechte samenwerking.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea werken de Unie en de lidstaten samen overeenkomstig het beginsel van eenheid in de internationale vertegenwoordiging van de Unie en haar lidstaten.

2.   Bij het oplossen van spectrumcoördinatieproblemen met landen die grenzen aan de Unie, met name kandidaat-lidstaten en toetredende landen, worden de lidstaten op hun verzoek door de Unie juridisch, politiek en technisch bijgestaan, zodat de lidstaten hun verplichtingen op grond van het uniale recht kunnen nakomen. Bij het verlenen van die bijstand maakt de Unie gebruik van al haar juridische en politieke bevoegdheden om de uitvoering van het beleid van de Unie te bevorderen.

De Unie ondersteunt tevens inspanningen van derde landen om een spectrumbeheer in te voeren dat verenigbaar is met dat van de Unie teneinde de spectrumbeleidsdoelstellingen van de Unie te vrijwaren.

3.   Bij onderhandelingen met derde landen in bilateraal of multilateraal verband zijn de lidstaten gehouden tot naleving van hun verplichtingen uit hoofde van het uniale recht. Bij het ondertekenen of anderszins aanvaarden van internationale verplichtingen met betrekking tot spectrum, laten de lidstaten hun handtekening of andere handeling waaruit hun aanvaarding blijkt, vergezeld gaan van een gezamenlijke verklaring dat zij de betrokken internationale overeenkomsten of afspraken in overeenstemming met hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zullen uitvoeren.

Artikel 11

Samenwerking tussen diverse instanties

1.   De Commissie en de lidstaten werken samen om het huidige institutionele kader te versterken, teneinde de coördinatie op uniaal niveau van het spectrumbeheer te bevorderen, onder meer op het gebied van aangelegenheden die twee of meer lidstaten aanbelangen, met het oog op de ontwikkeling van de interne markt en de volledige verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie inzake spectrumbeleid.

2.   De Commissie en de lidstaten moedigen de normalisatie-instanties, de CEPT, het Centrum voor Gemeenschappelijk Onderzoek van de Commissie en alle betrokken partijen aan op technisch gebied nauw samen te werken om het efficiënte gebruik van het spectrum te bevorderen. Hiertoe bewaren zij de coherentie tussen spectrumbeheer en normalisatie op dusdanige wijze dat de interne markt wordt versterkt.

Artikel 12

Publieke raadpleging

Indien nodig organiseert de Commissie publieke raadplegingen om de standpunten van alle belanghebbende partijen en van het publiek op het gebruik van het spectrum in de Unie te vernemen.

Artikel 13

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Radiospectrumcomité, ingesteld bij Beschikking nr. 676/2002/EG. Dat comité is een comité als bedoeld in Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 14

Naleving van beleidsrichtsnoeren en -doelstellingen

Tenzij anders bepaald in dit besluit, passen de lidstaten de in dit besluit neergelegde beleidsrichtsnoeren en -doelstellingen uiterlijk op 1 juli 2015 toe.

Artikel 15

Verslaglegging

Uiterlijk op 10 april 2014 brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de overeenkomstig dit besluit uitgevoerde activiteiten en vastgestelde maatregelen.

De lidstaten verstrekken aan de Commissie alle informatie die nodig is voor het evalueren van de toepassing van dit besluit.

Uiterlijk op 31 december 2015 maakt de Commissie een evaluatie van de toepassing van dit besluit.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 17

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 14 maart 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. WAMMEN


(1)  PB C 107 van 6.4.2011, blz. 53.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 11 mei 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 13 december 2011 (PB C 46 E van 17.2.2012, blz. 1). Standpunt van het Europees Parlement van 15 februari 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.

(4)  PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.

(5)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.

(6)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.

(7)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(8)  PB L 196 van 17.7.1987, blz. 85.

(9)  PB L 129 van 17.5.2007, blz. 67.

(10)  Beschikking 2008/411/EG van de Commissie van 21 mei 2008 betreffende de harmonisering van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (PB L 144 van 4.6.2008, blz. 77).

(11)  Beschikking 2008/477/EG van de Commissie van 13 juni 2008 betreffende de harmonisering van de 2 500-2 690 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (PB L 163 van 24.6.2008, blz. 37).

(12)  Beschikking 2009/766/EG van de Commissie van 16 oktober 2009 betreffende de harmonisatie van de 900 MHz- en de 1 800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die pan-Europese elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (PB L 274 van 20.10.2009, blz. 32).

(13)  PB L 308 van 24.11.2009, blz. 24.

(14)  PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.

(15)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(16)  PB L 198 van 27.7.2002, blz. 49.

(17)  Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende de voortzetting van de uitvoering van de Europese programma's voor navigatie per satelliet (EGNOS en Galileo) (PB L 196 van 24.7.2008, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 1).


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/18


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 244/2012 VAN DE COMMISSIE

van 16 januari 2012

tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (1) en met name artikel 5, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2010/31/EU bepaalt dat de Commissie middels een gedelegeerde handeling een vergelijkend methodologisch kader vaststelt voor de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen en onderdelen van gebouwen.

(2)

Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaten om minimumeisen vast te stellen voor de energieprestatie van gebouwen en onderdelen van gebouwen. De eisen moeten worden vastgesteld met het oog op het bereiken van kostenoptimale niveaus. Het is aan de lidstaten om te besluiten of de nationale referentie die wordt gebruikt als het uiteindelijke resultaat van de kostenoptimaliteitsberekeningen degene is welke is berekend vanuit macro-economisch perspectief (waarbij wordt gekeken naar de kosten en baten van investeringen in energie-efficiëntie voor het geheel van de samenleving), dan wel die waarbij een strikt financieel uitgangspunt is gebruikt (waarbij uitsluitend naar de investering zelf wordt gekeken). De nationale minimumeisen inzake energieprestaties mogen niet meer dan 15 procent lager liggen dan de uitkomst van de kostenoptimaliteitsberekeningen, genomen als nationale referentie. Het kostenoptimale niveau ligt binnen het bereik van prestatieniveaus waar de kosten-batenanalyse over de gehele levensduur positief is.

(3)

Richtlijn 2010/31/EU bevordert de reductie van energieverbruik in de bebouwde omgeving, maar benadrukt ook dat de bouwsector een van de belangrijkste bronnen van kooldioxide-uitstoot is.

(4)

Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (2) voorziet in de vaststelling van minimumeisen inzake energieprestatie voor dergelijke producten. Bij het vaststellen van nationale eisen voor technische bouwsystemen moeten de lidstaten de toepassingsmaatregelen die in deze richtlijn zijn vastgesteld in aanmerking nemen. De voor de berekeningen overeenkomstig deze verordening te gebruiken prestaties van bouwproducten moeten worden vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (3).

(5)

Het doel van kostenefficiënte of kostenoptimale energie-efficiëntieniveaus kan in bepaalde omstandigheden rechtvaardigen dat lidstaten kostenefficiënte of kostenoptimale eisen vaststellen voor onderdelen van gebouwen die in de praktijk beperkingen zouden opleggen aan sommige bouwontwerpen of technische ontwerpen alsmede het gebruik zouden stimuleren van energiegerelateerde producten die de energieprestatie verbeteren.

(6)

De stappen waaruit het vergelijkend methodologisch kader bestaat zijn uiteengezet in bijlage III van Richtlijn 2010/31/EU en omvatten het vaststellen van referentiegebouwen, de definitie van energie-efficiëntiemaatregelen die op deze referentiegebouwen moeten worden toegepast, de beoordeling van de behoefte aan primaire energie van deze maatregelen en de berekening van de kosten (d.w.z. de netto contante waarde) van deze maatregelen.

(7)

Het gemeenschappelijk kader voor de berekening van de energieprestatie zoals vastgelegd in bijlage I van Richtlijn 2010/31/EU is ook van toepassing op de kostenoptimale kadermethodologie voor alle stappen, met name de stap van de berekening van de energieprestatie van gebouwen en onderdelen van gebouwen.

(8)

Om het vergelijkend methodologisch kader aan de nationale omstandigheden aan te passen, moeten de lidstaten het volgende vaststellen: de geraamde economische levensduur van een gebouw en/of onderdeel van een gebouw, de juiste kosten van energiedragers, producten, systemen, onderhoud, operationele kosten en arbeidskosten, de conversiefactoren voor primaire energie en de energieprijsontwikkelingen die op dit punt te verwachten zijn voor brandstoffen die in hun nationale context worden gebruikt voor energie die wordt gebruikt in gebouwen, rekening houdend met de informatie die is verstrekt door de Commissie. De lidstaten moeten ook de disconteringsvoet vaststellen die moet worden gebruikt bij zowel de macro-economische als de financiële berekening na een gevoeligheidsanalyse te hebben uitgevoerd voor ten minste twee interestpercentages voor elke berekening.

(9)

Om een gemeenschappelijke benadering bij de toepassing van het vergelijkend methodologisch kader door de lidstaten te garanderen, dient de Commissie de belangrijkste voorwaarden voor het kader vast te stellen die nodig zijn voor de berekeningen van netto contante waarden, zoals het aanvangsjaar voor de berekeningen, de in overweging te nemen kostencategorieën en de te hanteren calculatieperiode.

(10)

Het vaststellen van een gemeenschappelijke calculatieperiode conflicteert niet met het recht van de lidstaten om de geschatte economische levensduur van gebouwen en/of onderdelen van gebouwen te bepalen, aangezien die laatste zowel langer als korter dan de vastgestelde calculatieperiode kan zijn. De geraamde economische levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw heeft slechts een beperkte invloed op de calculatieperiode, aangezien de laatste veeleer wordt bepaald door de renovatiecyclus van een gebouw, zijnde het tijdsbestek waarna een gebouw een ingrijpende renovatie ondergaat.

(11)

Kostenberekeningen en kostenramingen met veel aannames en onzekerheden, inclusief bijvoorbeeld energieprijsontwikkelingen in de loop van de tijd, gaan gewoonlijk gepaard met een gevoeligheidsanalyse waarin de robuustheid van de belangrijkste inputparameters wordt getaxeerd. Voor de kostenoptimaliteitsberekeningen zouden in de gevoeligheidsanalyse ten minste de energieprijsontwikkelingen en de disconteringsvoet aan de orde moeten komen; idealiter moet de gevoeligheidanalyse ook de toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de technologiekosten als input voor een herziening van de berekeningen omvatten.

(12)

Het vergelijkend methodologisch kader moet de lidstaten in staat stellen de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekeningen te vergelijken met de vigerende minimumeisen inzake energieprestatie en het resultaat van de vergelijking te gebruiken om te garanderen dat minimumeisen inzake energieprestatie worden vastgesteld met als doel kostenoptimale niveaus te bereiken. De lidstaten moeten ook overwegen minimumenergieprestatie-eisen op kostenoptimaal niveau vast te stellen voor die categorieën van gebouwen waarvoor tot op heden geen minimumenergieprestatie-eisen bestaan.

(13)

De kostenoptimale methodologie is technologisch neutraal en er is geen sprake van een voorkeur voor een technologische oplossing boven een andere. Zij garandeert een competitie van maatregelen/pakketten/varianten met betrekking tot de geraamde levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw.

(14)

De resultaten van de berekeningen en de gebruikte inputgegevens en veronderstellingen moeten worden gerapporteerd aan de Commissie zoals bepaald in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU. Deze rapporten dienen de Commissie in staat te stellen de vooruitgang die de lidstaten boeken bij het bereiken van de kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie te beoordelen en er verslag over uit te brengen.

(15)

Om hun administratieve last te beperken, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn het aantal berekeningen te reduceren door referentiegebouwen vast te stellen die meer dan één categorie van gebouwen vertegenwoordigen, zonder dat dit van invloed is op de plicht van de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU om minimumenergieprestatie-eisen voor bepaalde categorieën gebouwen vast te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Overeenkomstig artikel 5, bijlage I en bijlage III van Richtlijn 2010/31/EU stelt deze verordening een vergelijkend methodologisch kader vast waarmee de lidstaten de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie voor nieuwe en bestaande gebouwen en onderdelen van gebouwen kunnen berekenen.

Het methodologisch kader bevat regels voor de vergelijking van maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie, maatregelen betreffende hernieuwbare energiebronnen en pakketten en varianten op dergelijke maatregelen, gebaseerd op de primaire-energieprestaties en op de kosten die aan de implementatie ervan worden toegerekend. In dit kader wordt ook uiteengezet hoe deze regels moeten worden toegepast op de gekozen referentiegebouwen met als doel de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie vast te stellen.

Artikel 2

Definities

Naast de definities in artikel 2 van Richtlijn 2010/31/EU gelden de volgende definities, met daarbij de opmerking dat voor de berekening op macro-economisch niveau de van toepassing zijnde heffingen en belastingen moeten worden uitgesloten:

1)   totale kosten: het totaal van de huidige waarde van de initiële investeringskosten, het totaal van de lopende kosten, de kosten van broeikasgasemissies en de vervangingswaarde (vanaf het jaar van aanvang), alsmede de verwijderingskosten indien van toepassing. Voor de berekening op macro-economisch niveau wordt een extra kostencategorie, namelijk de kosten van de broeikasgasemissies, geïntroduceerd;

2)   initiële investeringskosten: alle kosten die worden gemaakt tot het moment van oplevering van het gebouw of gebouwonderdeel aan de klant, klaar voor gebruik. Hierbij inbegrepen zijn ontwerpkosten en kosten voor de aankoop van onderdelen van gebouwen, connectie naar leveranciers en installatie- en ingebruiknemingsprocessen;

3)   energiekosten: de jaarlijkse kosten en vaste en piekkosten voor energie, inclusief nationale belastingen;

4)   operationele kosten: alle kosten met betrekking tot de exploitatie van het gebouw, inclusief jaarlijkse verzekeringskosten, gebruikskosten en andere vaste lasten en belastingen;

5)   onderhoudskosten: de jaarlijkse kosten voor maatregelen tot het behoud en herstel van de gewenste kwaliteit van een gebouw of onderdeel van een gebouw. Hierbij inbegrepen zijn de jaarlijkse kosten voor inspectie, schoonmaak, aanpassingen, herstel en verbruiksgoederen;

6)   lopende kosten: jaarlijkse onderhoudskosten, exploitatiekosten en energiekosten;

7)   verwijderingskosten: de kosten voor deconstructie aan het einde van de levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw, verwijdering van onderdelen van gebouwen die nog niet het einde van hun levensduur hebben bereikt, transport en hergebruik;

8)   jaarlijkse kosten: het totaal van lopende kosten en periodieke kosten of vervangingskosten die in een bepaald jaar zijn betaald;

9)   vervangingskosten: een vervangende investering voor een onderdeel van een gebouw afhankelijk van de geraamde economische levensduur tijdens de calculatieperiode;

10)   kosten van broeikasgasemissies: de geldwaarde van schade aan het milieu veroorzaakt door CO2-emissies die betrekking hebben op het energieverbruik in gebouwen;

11)   referentiegebouw: een hypothetisch of echt referentiegebouw waarin de typische bouwgeometrie en bouwsystemen vertegenwoordigd zijn, dat wat betreft bouwschil en bouwsystemen een typische energieprestatie laat zien, een typische functionaliteit en een typische kostenstructuur heeft in de lidstaat en representatief is wat betreft klimaatomstandigheden en geografische locatie;

12)   disconteringsvoet: een bepaalde waarde voor het vergelijken van de waarde van geld op verschillende tijdstippen uitgedrukt in reële cijfers;

13)   disconteringsfactor: een vermenigvuldigend cijfer om een kasstroom die op enig moment plaatsvindt om te rekenen naar zijn equivalente waarde van het begin. Deze is afgeleid van de disconteringsvoet;

14)   jaar van aanvang: het jaar waarop een willekeurige berekening is gebaseerd en op basis waarvan de calculatieperiode wordt vastgesteld;

15)   calculatieperiode: de periode waarop de berekening betrekking heeft, gewoonlijk uitgedrukt in jaren;

16)   restwaarde: van een gebouw: het totaal van restwaarden van een gebouw en onderdelen van een gebouw aan het einde van de calculatieperiode;

17)   prijsontwikkeling: de ontwikkeling in de loop der jaren van prijzen voor energie, producten, bouwsystemen, diensten, arbeid, onderhoud en andere kosten. Deze kan verschillen van het inflatiepercentage;

18)   energie-efficiëntiemaatregel: een verandering aan een gebouw die leidt tot een afname van de primaire en finale energiebehoefte van het gebouw;

19)   pakket: een reeks maatregelen op het gebied van energie-efficiëntie of maatregelen gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen toegepast op een referentiegebouw;

20)   variant: het allesomvattende resultaat en de beschrijving van een volledige reeks maatregelen/pakketten toegepast op een gebouw. Deze kunnen bestaan uit een combinatie van maatregelen met betrekking tot de bouwschil, passieve technieken, maatregelen met betrekking tot bouwsystemen en/of maatregelen die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen;

21)   subcategorieën van gebouwen: categorieën van gebouwtypes die verder onderverdeeld zijn volgens grootte, leeftijd, bouwmateriaal, gebruikspatroon, klimaatzone of andere criteria dan de criteria die zijn vastgesteld in bijlage I, artikel 5, van Richtlijn 2010/31/EU. Juist voor dergelijke subcategorieën worden over het algemeen referentiegebouwen vastgesteld;

22)   geleverde energie: energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd aan het technische bouwsysteem door de systeemgrens heen, om te voorzien in de bedoelde toepassingen (verwarming, koeling, ventilatie, warm water voor het huishouden, verlichting, apparaten etc.) of om elektriciteit te produceren;

23)   energie voor verwarming en koeling: warmte die aan een geklimatiseerde ruimte moet worden geleverd of eraan moet worden onttrokken om gedurende een bepaalde tijd de gewenste temperatuur te handhaven;

24)   geëxporteerde energie: energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd door het technische bouwsysteem door de systeemgrens heen en gebruikt buiten de systeemgrens;

25)   geklimatiseerde ruimte: ruimte waar bepaalde omgevingsparameters zoals temperatuur, vochtigheid etc. worden gereguleerd met behulp van technische middelen zoals verwarming en koeling enz.;

26)   energie uit hernieuwbare bronnen: energie uit hernieuwbare niet-fossiele bronnen, namelijk wind, zon, aerothermische, geothermische en hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen.

Artikel 3

Vergelijkend methodologisch kader

1.   Bij de berekening van de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie voor gebouwen en onderdelen van gebouwen passen de lidstaten het vergelijkend methodologisch kader toe dat is opgenomen in bijlage I bij deze verordening. Dit kader omvat voorschriften voor de berekening van de kostenoptimale niveaus vanuit zowel macro-economisch als financieel oogpunt, maat het wordt aan de lidstaten overgelaten om te bepalen welke van deze berekeningen de nationale referentie wordt waarmee de nationale minimumenergieprestatie-eisen worden geëvalueerd.

2.   Ten behoeve van de berekeningen gebruiken de lidstaten:

a)

als jaar van aanvang voor de berekening, het jaar waarin de berekening wordt uitgevoerd;

b)

de in bijlage I bij deze verordening bedoelde calculatieperiode;

c)

de in bijlage I bij deze verordening bedoelde kostencategorieën;

d)

voor de bepaling van de koolstofkosten als benedengrens de geraamde koolstoftarieven binnen het emissiehandelssysteem overeenkomstig bijlage II.

3.   De lidstaten vullen het vergelijkend methodologisch kader aan door ten behoeve van de berekeningen het volgende vast te stellen:

a)

de geraamde economische levensduur van een gebouw en/of een onderdeel van een gebouw;

b)

de disconteringsvoet;

c)

de kosten voor energiedragers, producten, systemen, onderhoudskosten, operationele kosten en arbeidskosten;

d)

de primaire-energiefactoren;

e)

de energieprijsontwikkelingen waarvan wordt uitgegaan voor alle energiedragers, rekening houdend met de informatie in bijlage II bij deze verordening.

4.   De lidstaten streven ernaar de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen inzake energieprestatie te berekenen en aan te nemen met betrekking tot die categorieën van gebouwen waarvoor tot op heden geen specifieke minimumeisen inzake de energieprestatie gelden.

5.   De lidstaten voeren een analyse uit om de gevoeligheid van de berekeningsuitkomsten voor veranderingen in de toegepaste parameters vast te stellen, die ten minste de impact van verschillende energieprijsontwikkelingen omvat, alsmede disconteringsvoeten voor de macro-economische en financiële berekeningen en idealiter ook andere parameters die naar verwachting substantieel van invloed zullen zijn op de uitkomsten van de berekeningen zoals de prijsontwikkelingen voor andere producten dan energie.

Artikel 4

Vergelijking van de berekende kostenoptimale niveaus met de huidige minimumeisen inzake energieprestatie

1.   Na de kostenoptimale niveaus van de minimumeisen te hebben berekend vanuit zowel een macro-economisch als een financieel perspectief, besluiten de lidstaten welke de nationale referentie wordt, en zij stellen de Commissie in kennis van dit besluit als onderdeel van de in artikel 6 bedoelde rapportering.

De lidstaten vergelijken de uitkomsten van de berekening die is gekozen als de nationale referentie zoals bedoeld in artikel 3 met de huidige eisen inzake energieprestatie voor de relevante gebouwencategorie.

De lidstaten gebruiken het resultaat van deze vergelijking opdat minimumeisen inzake energieprestatie worden vastgesteld met het oog op het bereiken van de kostenoptimale niveaus overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2010/31/EU. De lidstaten wordt sterk aanbevolen om fiscale en financiële stimulansen te koppelen aan de inachtneming van de resultaten van de kostenoptimaliteitsberekening voor hetzelfde referentiegebouw.

2.   Als de lidstaten referentiegebouwen dusdanig hebben gedefinieerd dat het resultaat van de kostenoptimaliteitsberekening van toepassing is op verscheidene categorieën van gebouwen, mogen zij dit resultaat gebruiken opdat minimumenergieprestatie-eisen worden vastgesteld met het oog op het bereiken van de kostenoptimale niveaus voor alle relevante categorieën van gebouwen.

Artikel 5

Evaluatie van de kostenoptimaliteitsberekeningen

1.   De lidstaten evalueren hun kostenoptimaliteitsberekeningen tijdig voor de toetsing van de minimumeisen inzake energieprestatie overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2010/31/EU. Voor deze evaluatie wordt met name gekeken naar de prijsontwikkelingen voor de inputkostengegevens en eventueel moet moeten deze ontwikkelingen bij de tijd worden gebracht.

2.   De resultaten van deze evaluatie worden de Commissie toegezonden als onderdeel van het in artikel 6 van deze verordening bedoelde verslag.

Artikel 6

Rapportering

1.   De lidstaten brengen aan de Commissie verslag uit over alle inputgegevens en veronderstellingen die zij voor de berekeningen en de resultaten van die berekeningen hebben gebruikt. In dit verslag worden de gebruikte conversiefactoren voor primaire energie vermeld, de resultaten van de berekeningen op macro-economisch en financieel niveau, de gevoeligheidsanalyse zoals bedoeld in artikel 3, lid 5, van deze verordening en de veronderstelde energie- en koolstoftariefontwikkelingen.

2.   Als uit het resultaat van de vergelijking zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening blijkt dat de vigerende minimumeisen inzake energieprestatie aanmerkelijk minder energie-efficiënt zijn dan de kostenoptimale niveaus van minimumeisen inzake energieprestatie, wordt in het verslag een verantwoording voor het verschil vermeld. Voor zover het verschil niet kan worden verantwoord, wordt in het verslag een plan opgenomen waarin de juiste stappen worden geschetst om het verschil bij een volgende evaluatie tot verwaarloosbaar te reduceren. Hierbij wordt het aanmerkelijk lagere vigerende energie-efficiëntieniveau van minimumeisen inzake energieprestatie berekend als het verschil tussen het gemiddelde van de vigerende minimumeisen inzake energieprestatie en het gemiddelde van alle kostenoptimale van de berekening die wordt gebruikt als nationale referentie toegepast op alle referentiegebouwen en gebouwtypes die zijn gebruikt.

3.   De lidstaten kunnen gebruikmaken van het rapporteringsmodel van bijlage III bij deze verordening.

Artikel 7

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 9 januari 2013 op door overheidsinstanties betrokken gebouwen en met ingang van 9 juli 2013 op andere gebouwen met uitzondering van artikel 6, punt 1, van deze verordening dat in werking treedt op 30 juni 2012, overeenkomstig Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen, artikel 5, punt 2, tweede alinea.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 januari 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13.

(2)  PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.

(3)  PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5.


BIJLAGE I

Methodologisch kader voor vaststelling kostenoptimale niveaus

1.   VASTSTELLING VAN REFERENTIEGEBOUWEN

1)

De lidstaten stellen referentiegebouwen vast voor de volgende gebouwencategorieën:

1)

eengezinswoningen;

2)

appartementencomplexen en meergezinswoningen;

3)

kantoorgebouwen.

2)

Naast kantoorgebouwen stellen de lidstaten referentiegebouwen vast voor andere niet-residentiële gebouwencategorieën zoals vermeld in bijlage I, punt 5, d) tot en met i), van Richtlijn 2010/31/EU waarvoor specifieke energieprestatie-eisen bestaan.

3)

Als een lidstaat in het verslag, waarnaar wordt verwezen in artikel 6 van deze verordening, kan aantonen dat een vastgesteld referentiegebouw van toepassing kan zijn op meer dan een gebouwencategorie, mag deze lidstaat het aantal gehanteerde referentiegebouwen en dus ook het aantal berekeningen verminderen De lidstaten dienen deze aanpak te rechtvaardigen op basis van een analyse die aantoont dat een referentiegebouw dat wordt gebruikt voor meerdere gebouwencategorieën representatief is voor het gebouwenbestand van alle bestreken categorieën.

4)

Voor elke gebouwencategorie wordt minstens één referentiegebouw vastgesteld voor nieuwe gebouwen en minstens twee voor bestaande gebouwen die in aanmerking komen voor een ingrijpende renovatie. Referentiegebouwen kunnen worden vastgesteld op basis van subcategorieën van gebouwen (bv. onderscheiden naar omvang, ouderdom, kostenstructuur, bouwmateriaal, gebruikspatroon of klimaatzone) die rekening houden met de kenmerken van het nationale gebouwenbestand. Referentiegebouwen en hun kenmerken dienen overeen te stemmen met de structuur van bestaande of geplande eisen inzake energieprestaties.

5)

De lidstaten kunnen gebruikmaken van het in bijlage III verstrekte rapporteringsmodel om aan de Commissie verslag uit te brengen over de parameters die werden gebruikt bij de vaststelling van de referentiegebouwen. De onderliggende gegevensset over het nationale gebouwenbestand die werd gebruikt bij de vaststelling van de referentiegebouwen moet worden toegezonden aan de Commissie als onderdeel van het verslag waarnaar wordt verwezen in artikel 6. Met name de keuze van de kenmerken die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de referentiegebouwen dient te worden onderbouwd.

6)

Voor bestaande gebouwen (zowel residentieel als niet-residentieel) moeten de lidstaten minstens één maatregel/pakket/variant toepassen dat betrekking heeft op een standaardrenovatie die nodig is om een gebouw of gebouwunit in stand te houden (zonder extra energie-efficiëntiemaatregelen boven op de wettelijke eisen).

7)

Voor nieuwe gebouwen (zowel residentieel als niet-residentieel) vormen de huidige van toepassing zijnde minimumeisen voor energieprestaties de basisvoorwaarde waaraan moet worden voldaan.

8)

De lidstaten berekenen ook kostenoptimale niveaus voor minimale prestatie-eisen voor onderdelen van gebouwen die zijn geïnstalleerd in bestaande gebouwen of zij ontlenen die aan de berekeningen die werden verricht op gebouwniveau. Bij het vaststellen van de eisen voor onderdelen van gebouwen, geïnstalleerd in bestaande gebouwen, moeten de kostenoptimale eisen zoveel mogelijk rekening houden met de interactie van dat gebouwonderdeel met het gehele referentiegebouw en andere onderdelen van gebouwen.

9)

De lidstaten trachten de kostenoptimale eisen te berekenen en vast te stellen op het niveau van de individuele technische bouwsystemen voor bestaande gebouwen of deze te ontlenen aan de berekeningen die werden verricht op gebouwniveau, niet alleen voor verwarming, koeling, warm water, airconditioning en ventilatie (of een combinatie van dergelijke systemen) maar ook voor verlichtingssystemen voor niet-residentiële gebouwen.

2.   IDENTIFICATIE VAN ENERGIE-EFFICIËNTIEMAATREGELEN, MAATREGELEN GEBASEERD OP HERNIEUWBARE ENERGIEBRONNEN EN/OF PAKKETTEN EN VARIANTEN VAN DERGELIJKE MAATREGELEN VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

1)

Energie-efficiëntiemaatregelen voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen worden gedefinieerd voor alle inputparameters voor de berekening die directe of indirecte effecten hebben op de energieprestaties van het gebouw, met inbegrip van alternatieve zeer efficiënte systemen zoals regionale energiebevoorradingssystemen en andere alternatieven zoals vermeld in artikel 6 van Richtlijn 2010/31/EU.

2)

De verschillende maatregelen mogen worden gebundeld in pakketten maatregelen of varianten. Als bepaalde maatregelen niet passen in een plaatselijke, economische of klimatologische context, moeten de lidstaten dit aangeven in hun verslag aan de Commissie, in overeenstemming met artikel 6 van deze verordening.

3)

De lidstaten identificeren ook maatregelen/pakketten/varianten bij het gebruik van hernieuwbare energie voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen. Bindende bepalingen zoals vermeld in de nationale toepassing van artikel 13 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) worden beschouwd als één maatregel/pakket/variant die/dat in die lidstaat moet worden toegepast.

4)

Tot de energie-efficiëntiemaatregelen/pakketten/varianten die worden geïdentificeerd voor de berekening van kostenoptimale eisen behoren ook maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan de huidige toepasselijke minimumeisen voor energieprestaties. Indien van toepassing, behoren hiertoe ook maatregelen/pakketten/varianten die nodig zijn om te voldoen aan de eisen van nationale steunregelingen. De lidstaten nemen hierin ook maatregelen/pakketten/varianten op die nodig zijn om te voldoen aan de minimumeisen voor energieprestaties voor bijna-energieneutrale gebouwen voor nieuwe en mogelijk ook voor bestaande gebouwen zoals omschreven in artikel 9 van Richtlijn 2010/31/EU.

5)

Als een lidstaat kan aantonen (door eerdere kostenanalyses voor te leggen als onderdeel van de rapportering waarnaar wordt verwezen in artikel 6), dat bepaalde maatregelen/pakketten/varianten in het geheel niet kostenoptimaal zijn, kunnen deze buiten de berekening worden gehouden. Bij de eerstvolgende herziening van de berekeningen dienen deze maatregelen/pakketten/varianten echter in ogenschouw te worden genomen.

6)

De geselecteerde energie-efficiëntiemaatregelen en maatregelen op basis van hernieuwbare energiebronnen en pakketten/varianten dienen in overeenstemming te zijn met de basiseisen voor bouwwerken zoals vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 305/2011 en gespecificeerd door de lidstaten. Zij moeten ook in overeenstemming zijn met de luchtkwaliteit- en binnenmilieuniveaus volgens CEN standaard 15251 met betrekking tot de luchtkwaliteit binnenshuis of gelijkwaardige nationale normen. In de gevallen waarin de maatregelen leiden tot verschillende comfortniveaus wordt dit transparant gemaakt in de berekeningen.

3.   BEREKENING VAN DE PRIMAIRE-ENERGIEVRAAG DIE VOORTVLOEIT UIT DE TOEPASSING VAN DEZE MAATREGELEN EN PAKKETTEN VAN MAATREGELEN OP EEN REFERENTIEGEBOUW

1)

De energieprestatie wordt berekend overeenkomstig het algemeen gemeenschappelijk kader van bijlage I bij Richtlijn 2010/31/EU.

2)

Voor het berekenen van de energieprestaties van maatregelen/pakketten/varianten berekenen de lidstaten, voor de nationaal gedefinieerde vloeroppervlakte, eerst de behoefte van energie voor verwarming en koeling. Vervolgens berekenen zij de geleverde energie voor ruimteverwarming, koeling, ventilatie, huishoudelijk warm water en verlichtingssystemen.

3)

Hernieuwbare energie die ter plaatse wordt geproduceerd, wordt afgetrokken van de primaire-energievraag en de geleverde energie.

4)

De lidstaten berekenen het hieruit resulterende primaire-energieverbruik door toepassing van primaire-energieconversiefactoren die worden vastgesteld op nationaal niveau. In het verslag waarnaar wordt verwezen in artikel 6 van deze verordening rapporteren de lidstaten deze primaire-energieconversiefactoren aan de Commissie.

5)

De lidstaten maken hierbij gebruik van:

a)

ofwel de relevante bestaande CEN-normen voor de berekening van energieprestaties,

b)

ofwel een gelijkwaardige nationale berekeningsmethode mits deze voldoet aan artikel 2, lid 4, en bijlage I bij Richtlijn 2010/31/EU.

6)

De resultaten van de energieprestaties worden ten behoeve van de kostenoptimale berekening uitgedrukt in vierkante meter nuttig vloeroppervlak van een referentiegebouw en hebben betrekking op de primaire-energievraag.

4.   BEREKENING VAN DE TOTALE KOSTEN UITGEDRUKT IN NETTO CONTANTE WAARDE VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

4.1.   Kostencategorieën

De lidstaten definiëren en beschrijven de volgende te hanteren afzonderlijke kostencategorieën:

a)

initiële investeringskosten;

b)

lopende kosten. De lopende kosten omvatten de kosten voor periodieke vervanging van onderdelen van gebouwen en kunnen ook, wanneer van toepassing, de opbrengst omvatten van geproduceerde energie waarmee de lidstaten bij de financiële berekening rekening kunnen houden;

c)

energiekosten. Deze weerspiegelen de totale energiekosten, inclusief de energieprijs, capaciteitstarieven en netwerktarieven;

d)

verwijderingskosten wanneer van toepassing.

Voor de berekening op macro-economisch niveau stellen de lidstaten bovendien de volgende kostencategorie vast:

e)

kosten van broeikasgasemissies. Hiertoe behoren ook de gekwantificeerde en in geld uitgedrukte, in aanmerking genomen operationele kosten van CO2 die voortkomen uit broeikasgasemissies in tonnen CO2-equivalent over de calculatieperiode.

4.2.   Algemene beginselen voor de kostenberekening

1)

Bij het inschatten van de ontwikkeling van energiekosten kunnen de lidstaten gebruikmaken van de prognoses inzake de energieprijsontwikkelingen van bijlage II bij deze verordening voor olie, gas, steenkool en elektriciteit, te beginnen met de gemiddelde absolute energieprijzen (uitgedrukt in EUR) voor deze energiebronnen in het jaar van de berekening.

De lidstaten stellen nationale prognoses op betreffende de prijsontwikkeling van andere energiedragers die in aanzienlijke mate worden gebruikt binnen hun regionale/plaatselijke context en, indien van toepassing, ook voor de piekbelastingstarieven. Zij rapporteren de geprojecteerde prijstrends en het huidige aandeel van de verschillende energiedragers voor energieverbruik in de bouw aan de Commissie.

2)

Het effect van (verwachte) toekomstige prijsontwikkelingen voor andere kosten dan energiekosten, vervanging van onderdelen van gebouwen gedurende de calculatieperiode en verwijderingskosten, waar van toepassing, kan ook in deze kostenberekening worden betrokken. Met prijsontwikkelingen, inclusief die als gevolg van innovatie en aanpassing van technologieën, moet rekening worden gehouden wanneer de berekeningen worden herzien en geactualiseerd.

3)

De kostengegevens voor de kostencategorieën a) tot en met d) zijn op de markt gebaseerd en dienen coherent te zijn wat betreft locatie en tijd. De kosten moeten worden vermeld als werkelijke kosten exclusief inflatie. De kosten worden vermeld op landniveau.

4)

Bij het vaststellen van de totale kosten van een maatregel/pakket/variant kunnen de volgende kosten buiten beschouwing worden gelaten:

a)

kosten die gelijk zijn voor alle beoordeelde maatregelen/pakketten/varianten;

b)

kosten in verband met onderdelen van gebouwen die geen invloed hebben op de energieprestaties van een gebouw.

Voor de berekening van de totale kosten moeten alle overige kosten wel in de berekening worden meegenomen.

5)

De restwaarde wordt vastgesteld door middel van een lineaire afschrijving van de initiële investerings- of vervangingskosten van een bepaald onderdeel van een gebouw tot het einde van de calculatieperiode verdisconteerd ten opzichte van het begin van de calculatieperiode. De afschrijvingsperiode wordt gebaseerd op de economische levensduur van een gebouw of onderdeel van een gebouw. Voor het bepalen van de restwaarde van onderdelen van gebouwen kan een correctie nodig zijn voor de kosten van verwijdering uit het gebouw aan het einde van de geraamde economische levensduur van het gebouw.

6)

De verwijderingskosten, wanneer van toepassing, worden verdisconteerd en worden afgetrokken van de eindwaarde. Eventueel moeten zij in een eerste stap worden berekend door middel van een discontering met als uitgangspunt de geschatte economische levensduur tot het einde van de calculatieperiode en in een tweede stap verdisconteerd naar het begin van de calculatieperiode.

7)

Aan het einde van de calculatieperiode worden de verwijderingskosten (indien van toepassing) of de restwaarde van de componenten en onderdelen van het gebouw in ogenschouw genomen om de eindkosten vast te stellen over de geschatte economische levensduur van het gebouw.

8)

De lidstaten gaan uit van een calculatieperiode van 30 jaar voor residentiële en openbare gebouwen en een calculatieperiode van 20 jaar voor commerciële, niet-residentiële gebouwen.

9)

Voor het vaststellen van de geraamde economische levensduur van deze onderdelen van gebouwen wordt de lidstaten geadviseerd gebruik te maken van bijlage A van EN 15459 met betrekking tot economische gegevens voor onderdelen van gebouwen. Wanneer een andere geraamde economische levensduur voor onderdelen van gebouwen wordt gebruikt, dient deze te worden gerapporteerd aan de Commissie als onderdeel van de in artikel 6 bedoelde rapportering. De lidstaten definiëren de geraamde economische levensduur van een gebouw op nationaal niveau.

4.3.   Berekening van de totale kosten bij een financiële berekening

1)

Bij het vaststellen van de totale kosten van een maatregel/pakket/variant zijn de relevante prijzen waarmee rekening moet worden gehouden die welke de klant betaalt, exclusief alle toepasselijke belastingen, btw en subsidies. Idealiter moeten ook de beschikbare subsidies voor verschillende maatregelen/pakketten/varianten worden opgenomen in de berekening, maar de lidstaten kunnen ervoor kiezen subsidies terzijde te laten, waarbij zij er echter voor moeten zorgen dat in dat geval zowel subsidies als ondersteuningsregelingen voor technologie, maar ook eventuele bestaande subsidies voor energietarieven, buiten de berekening worden gehouden.

2)

De totale kosten van gebouwen en onderdelen van gebouwen worden berekend door totalisering van de verschillende kostensoorten waarna de disconteringsvoet (door middel van een disconteringsfactor) daarop in mindering wordt gebracht. Dit heeft tot doel de kosten uit te drukken als de waarde in het jaar van aanvang plus de verminderde restwaarde. Dit levert de volgende berekening op:

Formula

waarbij:

τ

gelijk is aan de calculatieperiode

Cg(τ)

gelijk is aan de totale kosten (onder verwijzing naar jaar van aanvang τ0) over de calculatieperiode

CI

gelijk is aan de initiële investeringskosten voor een maatregel of een pakket maatregelen j

Ca,I (j)

gelijk is aan de jaarlijkse kosten gedurende jaar i voor een maatregel of een pakket maatregelen j

Vf,τ (j)

gelijk is aan de restwaarde van een maatregel of een pakket maatregelen j aan het einde van de calculatieperiode (verdisconteerd naar het jaar van aanvang τ0)

Rd (i)

gelijk is aan de disconteringsfactor voor jaar i gebaseerd op de disconteringsvoet r die moet worden berekend

als:

Formula

waarbij p gelijk is aan het aantal jaren vanaf de beginperiode en r gelijk is aan de werkelijke disconteringsvoet.

3)

De lidstaten bepalen de bij de financiële berekening te gebruiken disconteringsvoet na een gevoeligheidsanalyse te hebben uitgevoerd voor ten minste twee verschillende interestpercentages naar keuze.

4.4.   Berekening van de totale kosten bij een macro-economische berekening

1)

Bij de bepaling van de totale kosten bij een macro-economische berekening met betrekking tot een maatregel/pakket/variant zijn de relevante prijzen waarmee rekening moet worden gehouden, de prijzen exclusief alle toepasselijke belastingen, btw, heffingen en subsidies.

2)

Bij de bepaling van de totale kosten op macro-economisch niveau van een maatregel/pakket/variant moet bovenop de onder punt 4.1 genoemde kostencategorieën een nieuwe kostencategorie, namelijk de kosten van broeikasgasemissies, worden opgenomen zodat de aangepaste methodologie voor de berekening van de totale kosten als volgt is:

Formula

Waarbij:

C c, i(j) gelijk is aan de koolstofkosten van een maatregel of een pakket maatregelen j gedurende jaar i

3)

De lidstaten berekenen de cumulatieve koolstofkosten van maatregelen/pakketten/varianten over de calculatieperiode door uit te gaan van de som van de jaarlijkse broeikasgasemissies vermenigvuldigd met de verwachte tarieven voor een ton CO2-equivalent in het kader van elk jaar uitgereikte broeikasgasemissierechten, waarbij initieel een benedengrens wordt gehanteerd van minimaal 20 EUR per ton CO2-equivalent in het tijdvak tot en met 2025, 35 EUR in het tijdvak tot en met 2030 en 50 EUR na 2030, dit overeenkomstig de huidige door de Commissie verwachte koolstoftariefscenario’s in het emissiehandelssysteem (gemeten in reële en constante prijzen van EUR 2008, aan te passen aan de gekozen berekeningsdatums en -methodologie). Telkens wanneer een herziening van de kostenoptimaliteitsberekeningen wordt uitgevoerd, moeten geactualiseerde scenario’s worden gehanteerd.

4)

De lidstaten bepalen zelf de in de macro-economische berekening te gebruiken disconteringsvoet na een gevoeligheidsanalyse te hebben uitgevoerd voor ten minste twee verschillende interestpercentages waarvan één 3 % in reële termen is.

5.   GEVOELIGHEIDSANALYSES VOOR KOSTENINPUTGEGEVENS MET INBEGRIP VAN ENERGIEPRIJZEN

Het doel van een gevoeligheidsanalyse is na te gaan welke de belangrijkste parameters van een kostenoptimale berekening zijn. De lidstaten voeren een gevoeligheidsanalyse uit betreffende de disconteringsvoeten waarbij zij minimaal twee disconteringsvoeten gebruiken, elk uitgedrukt in reële termen voor de macro-economische berekening, alsook twee disconteringsvoeten voor de financiële berekening. Eén van de disconteringsvoeten die voor de gevoeligheidanalyse voor de macro-economische berekening moet worden gebruikt, moet 3 % bedragen uitgedrukt in reële termen. De lidstaten voeren een gevoeligheidsanalyse uit op de scenario’s voor de energieprijsontwikkelingen voor alle energiedragers die in belangrijke mate worden gebruikt in gebouwen in de eigen nationale context. Aanbevolen wordt om in de gevoeligheidsanalyse ook andere cruciale inputgegevens op te nemen.

6.   VASTSTELLING VAN EEN KOSTENOPTIMAAL NIVEAU VAN ENERGIEPRESTATIES VOOR ELK REFERENTIEGEBOUW

1)

De lidstaten vergelijken voor elk referentiegebouw de totale kostenresultaten, berekend voor verschillende energie-efficiëntiemaatregelen en maatregelen gebaseerd op hernieuwbare energiebronnen en pakketten/varianten van deze maatregelen.

2)

Als de uitkomst van de kostenoptimaliteitsberekeningen leidt tot dezelfde totale kosten voor verschillende niveaus van energieprestatie, worden de lidstaten aangemoedigd om uit te gaan van de eisen die resulteren in een lager gebruik van primaire energie als basis voor de vergelijking met de bestaande minimumeisen voor de energieprestatie.

3)

Zodra besloten is of de macro-economische, dan wel de financiële berekening de nationale referentie wordt, worden gemiddelden van de berekende kostenoptimale energieprestatieniveaus voor alle gebruikte referentiegebouwen samen berekend ter vergelijking met de gemiddelden van de bestaande energieprestatie-eisen voor dezelfde referentiegebouwen. Dit is bedoeld om het verschil te berekenen tussen bestaande energieprestatie-eisen en de berekende kostenoptimale niveaus.


(1)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.


BIJLAGE II

Informatie over geraamde energieprijsontwikkelingen over de lange termijn.

Voor hun berekeningen kunnen de lidstaten rekening houden met de geraamde prijsontwikkelingstrends voor brandstof en elektriciteit zoals bepaald door de Europese Commissie op een tweejaarlijks bijgewerkte basis. Deze updates zijn beschikbaar op de volgende website: http://ec.europa.eu/energy/observatory/trends_2030/index_en.htm

Tot wanneer langeretermijnprognoses beschikbaar komen, kunnen deze trends verder dan 2030 worden geëxtrapoleerd.

Informatie betreffende de geraamde koolstoftariefontwikkelingen op de lange termijn

Voor hun macro-economische berekeningen moeten de lidstaten een benedengrens hanteren voor de verwachte koolstoftarieven binnen het emissiehandelssysteem in het referentiescenario van de Commissie voor het tijdvak tot 2050, uitgaande van de tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving, maar zonder koolstofafvang (eerste regel in de onderstaande kolom). In de prognoses wordt momenteel uitgegaan van een tarief per ton van 20 EUR tot en met 2025, 35 EUR tot en met 2030 en 50 EUR na 2030, gemeten in reële en constante prijzen EUR 2008, aan te passen aan de gekozen berekeningsdatums en -methodologie (zie onderstaande tabel). Wanneer de berekeningen met betrekking tot de kostenoptimaliteit worden herzien, moeten door de Commissie geleverde geactualiseerde scenario’s in verband met de koolstoftarieven worden gebruikt.

Ontwikkeling van de koolstoftarieven

2020

2025

2030

2035

2040

2045

2050

Referentie

(verspreide actie, prijs fossiele brandstoffen — referentie)

16,5

20

36

50

52

51

50

Effect. Techn.

(gezam. actie, prijs fossiele brandstoffen — laag)

25

38

60

64

78

115

190

Effect. Techn.

(verspreide actie, prijs fossiele brandstoffen — referentie)

25

34

51

53

64

92

147

Bron: bijlage 7.10 van http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=SEC:2011:0288:FIN:EN:PDF


BIJLAGE III

Model voor het verslag van de lidstaten ter rapportering aan de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2010/31/EU en artikel 6 van deze verordening

1.   REFERENTIEGEBOUWEN

1.1.   Rapporteer over de referentiegebouwen voor alle gebouwencategorieën en hoe zij representatief zijn voor het gebouwenbestand aan de hand van tabel 1 (bestaande gebouwen) en tabel 2 (nieuwe gebouwen). Aanvullende gegevens kunnen in een bijlage worden toegevoegd.

1.2.   Geef de definitie van de referentie voor m2 vloeroppervlakte gebruikt in uw land en hoe dit wordt berekend.

1.3.   Som de selectiecriteria op die werden gebruikt om elk referentiegebouw te definiëren (zowel nieuw als bestaand): bv. statistische analyse op basis van gebruik, ouderdom, geometrie, klimaatzones, kostenstructuren, bouwmateriaal, enz., ook de klimatologische omstandigheden binnen en buiten, en geografische locatie.

1.4.   Duid aan of uw referentiegebouw een voorbeeldgebouw, virtueel gebouw, enz. is.

1.5.   Geef aan wat de onderliggende dataset is voor de nationale stock van bestaande gebouwen.

Tabel 1

Referentiegebouw voor bestaande gebouwen (ingrijpende renovatie)

Ten aanzien van bestaande gebouwen

Geometrie van het gebouw (1)

Delen van raamoppervlakte op de bouwschil en ramen zonder invallend zonlicht

Vloeroppervlak m2 zoals gebruikt in de bouw-voorschriften

Omschrijving van het gebouw (2)

Omschrijving van de gemiddelde bouw-technologie (3)

Gemiddelde energieprestatie

kWh/m2, a

(vóór investering)

Eisen op componentniveau

(typische waarde)

1)   Eengezinswoningen en subcategorieën

Subcategorie 1

 

 

 

 

 

 

 

Subcategorie 2 enz.

 

 

 

 

 

 

 

2)   Appartementencomplexen en meergezinswoningen en subcategorieën

 

 

 

 

 

 

 

 

3)   Kantoorgebouwen en subcategorieën

 

 

 

 

 

 

 

 

4)   Andere niet-residentiële gebouwencategorieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 2

Referentiegebouw voor nieuwe gebouwen

Ten aanzien van nieuwe gebouwen

Geometrie van het gebouw (4)

Delen van raamoppervlakte op de bouwschil en ramen zonder invallend zonlicht

Vloeroppervlak m2 zoals gebruikt in de bouw-voor-schriften

Typische energieprestatie

kWh/m2, a

Eisen op component-niveau

1)   Eengezinswoningen en subcategorieën

Subcategorie 1

 

 

 

 

 

Subcategorie 2 enz.

 

 

 

 

 

2)   Appartementencomplexen en meergezinswoningen en subcategorieën

 

 

 

 

 

 

3)   Kantoorgebouwen en subcategorieën

 

 

 

 

 

 

4)   Andere niet-residentiële gebouwencategorieën

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 3

Voorbeeld van een basisrapporteringstabel met voor de energieprestatie relevante gegevens

 

Hoeveelheid

Eenheid

Omschrijving

Berekening

methode en instrument(en)

 

beknopte omschrijving van de gebruikte berekeningsmethode (bv. met verwijzing naar EN ISO 13790) en opmerking over het/de gebruikte berekeningsinstrument(en).

primaire-energieconversiefactoren

 

waarden van conversiefactoren van geleverde naar primaire energie (per energiedrager) gebruikt voor de berekening.

Klimatologische omstandigheden

locatie

 

naam van de stad met aanduiding van breedtegraad en lengtegraad.

graaddagen voor verwarming (HDD)

 

HDD

te evalueren overeenkomstig EN ISO 15927-6, met specificatie van de calculatieperiode.

graaddagen voor koeling (CDD)

 

CDD

bron van klimatologische gegevensset

 

geef referenties over klimatologische gegevensset gebruikt voor de berekening.

omschrijving van het terrein

 

bv. landelijk gebied, voorstedelijk, stedelijk. Leg uit of er al dan niet rekening is gehouden met de aanwezigheid van gebouwen in de buurt.

Geometrie van gebouw

lengte × breedte × hoogte

 

m × m × m

in verband met het verwarmde/geconditioneerde luchtvolume (EN 13790), waarbij de horizontale dimensie van de zuidgerichte gevel als „lengte” wordt beschouwd.

aantal verdiepingen

 

 

O/V (oppervlakte-volumeverhouding)

 

m2/m3

 

verhouding van raamoppervlak tot totale oppervlakte van de bouwschil

zuiden

 

%

 

oosten

 

%

 

noorden

 

%

 

westen

 

%

 

oriëntatie

 

°

azimuthoek van de zuidgevel (mate waarin de „zuidgerichte” gevel afwijkt van de zuidelijke richting).

Interne winsten

gebruik van gebouw

 

overeenkomstig de gebouwencategorieën voorgesteld in bijlage 1 bij Richtlijn 2010/31/EU.

gemiddelde thermische winst van bewoners

 

W/m2

 

specifiek elektrisch vermogen van het verlichtingssysteem

 

W/m2

totaal elektrisch vermogen van het volledig verlichtingssysteem van de geconditioneerde ruimten (alle lampen + bedieningsapparatuur van het verlichtingssysteem).

specifiek elektrisch vermogen van elektrische apparatuur

 

W/m2

 

Onderdelen van gebouwen

gemiddelde K-waarde van muren

 

W/m2K

gewogen K-waarde van alle muren: K_muur = (K_muur_1 · O_muur_1 + K_muur_2 · O_muur_2 + … + K_muur_n · O_muur_n)/(O_muur_1 + O_muur_2 + … + O_muur_n); hier betekenen: K_muur_i = K-waarde van muur type i; O_muur_i = totale oppervlakte van muur type i

gemiddelde K-waarde van dak

 

W/m2K

hetzelfde als voor de muren.

gemiddelde K-waarde van kelder

 

W/m2K

hetzelfde als voor de muren.

gemiddelde K-waarde van ramen

 

W/m2K

hetzelfde als voor de muren; het moet rekening houden met de koudebrug wegens het raamkozijn en de tussenstijlen (overeenkomstig EN ISO 10077-1).

koudebruggen

totale lengte

 

m

 

gemiddelde lineaire warmtedoorgangscoëfficiënt

 

W/mK

 

thermische capaciteit per oppervlakte-eenheid

buitenmuren

 

J/m2K

te evalueren overeenkomstig EN ISO 13786.

binnenmuren

 

J/m2K

platen

 

J/m2K

soort zonwering

 

vb. zonneblind, rolluik, gordijn, etc.

gemiddelde g-waarde van

beglazing

 

totale zonne-energiedoorgangscoëfficiënt van beglazing (voor straling loodrecht op de beglazing), hier: gewogen waarde overeenkomstig de oppervlakte van verschillende ramen (te evalueren volgens EN 410)

beglazing + zonwering

 

totale zonne-energiedoorgangscoëfficiënt voor beglazing en buitenzonwering te evalueren overeenkomstig EN 13363-1/-2

Infiltratiesnelheid (luchtverversingen per uur)

 

1/u

bv. berekend voor een drukverschil binnen/buiten van 50 Pa

Bouwsystemen

ventilatiesysteem

luchtverversingen per uur

 

1/u

 

warmteterugwinningsefficiëntie

 

%

 

efficiëntie van verwarmingssysteem

opwekking

 

%

te evalueren overeenkomstig EN 15316-1, EN 15316-2-1, EN 15316-4-1, EN 15316-4-2, EN 15232 EN 14825, EN 14511

distributie

 

%

emissie

 

%

controle

 

%

efficiëntie van koelsysteem

opwekking

 

%

te evalueren overeenkomstig EN 14825, EN 15243, EN 14511, EN 15232

distributie

 

%

emissie

 

%

controle

 

%

efficiëntie van (huishoudelijk) warmwatersysteem

opwekking

 

%

te evalueren overeenkomstig EN 15316-3-2, EN 15316-3-3.

distributie

 

%

Instelpunten en schema’s gebouw

instelpunt temperatuur

winter

 

°C

operatieve binnentemperatuur

zomer

 

°C

instelpunt vochtigheid

winter

 

%

relatieve vochtigheid binnen, indien van toepassing: „Vochtigheid heeft slechts een klein effect op thermische gewaarwording en waargenomen luchtkwaliteit in de ruimten van sedentaire bewoning” (EN 15251).

zomer

 

%

werkingsschema’s en controles

bewoning

 

geef opmerkingen of referenties (EN of nationale normen, etc.) over de voor de berekening gebruikte schema’s.

verlichting

 

toestellen

 

ventilatie

 

verwarmingssysteem

 

koelsysteem

 

Energiebehoefte/-verbruik gebouw

(thermische) energiebijdrage van voornaamste uitgevoerde passieve strategieën

1)

 

kWh/a

bv. zonnekas, natuurlijke ventilatie, daglicht, enz.

2)

 

kWh/a

3)

 

kWh/a

energiebehoefte voor verwarming

 

kWh/a

warmte te leveren aan of te winnen uit een geconditioneerde ruimte om de bedoelde temperatuuromstandigheden tijdens een bepaalde periode te behouden.

energiebehoefte voor koeling

 

kWh/a

energiebehoefte voor huishoudelijk warm water

 

kWh/a

warmte die moet worden geleverd aan de nodige hoeveelheid huishoudelijk warm water om de temperatuur ervan te doen stijgen van de koude waterleidingtemperatuur naar de vooraf vastgestelde leveringstemperatuur op het leveringspunt.

energiebehoefte voor andere doeleinden (bevochtiging, ontvochtiging)

 

kWh/a

latente warmte in de waterdamp die moet worden geleverd aan of gewonnen uit een geconditioneerde ruimte door een technisch bouwsysteem voor het behoud van een gespecificeerde minimale of maximale vochtigheid in die ruimte (indien van toepassing).

energiegebruik voor ventilatie

 

kWh/a

elektrische energie-input naar het ventilatiesysteem voor luchtverplaatsing en warmteterugwinning (de energie-input voor het voorverwarmen van de lucht is niet inbegrepen) en energie-input naar de bevochtigingssystemen om te voldoen aan de bevochtigingsbehoefte.

energiegebruik voor binnenverlichting

 

kWh/a

elektrische energie-input naar het verlichtingssysteem en andere toestellen/systemen.

energiegebruik voor andere doeleinden (toestellen, buitenverlichting, aanvullende systemen, enz.)

 

kWh/a

Energieopwekking op de bouwplaats

thermische energie uit hernieuwbare energiebronnen (bv. thermische zonnecollectoren)

 

kWh/a

energie uit hernieuwbare bronnen (die niet worden uitgeput door winning, zoals zonne-energie, wind, waterkracht, hernieuwde biomassa) of warmtekrachtkoppeling.

elektrische energie opgewekt in het gebouw en ter plaatse gebruikt

 

kWh/a

elektrische energie opgewekt in het gebouw en geëxporteerd naar de markt

 

kWh/a

Energieverbruik

geleverde energie

elektriciteit

 

kWh/a

energie, uitgedrukt per energiedrager, geleverd aan de technische bouwsystemen door de systeemgrens heen, om te voldoen aan de vormen van gebruik waarmee rekening is gehouden (verwarming, koeling, ventilatie, huishoudelijk warm water, verlichting, toestellen, enz.).

fossiele brandstof

 

kWh/a

andere (biomassa, stadsverwarming/-koeling, etc.)

 

kWh/a

primaire energie

 

kWh/a

energie die geen omzetting of transformatie heeft ondergaan

 

 

 

 

2.   SELECTEREN VAN VARIANTEN/MAATREGELEN/PAKKETTEN

2.1.   Rapporteer in een tabel de kenmerken van de geselecteerde maatregelen/pakketten/varianten die toegepast worden voor de kostenoptimale berekening. Vermeld eerst de meest gebruikte technologieën en oplossingen en pas daarna de innovatievere. Als er vanuit voorgaande berekeningen bewijsmateriaal is dat maatregelen verre van kostenoptimaal zijn, moet er geen tabel worden ingevuld. Dit dient echter afzonderlijk aan de Commissie te worden gerapporteerd. U mag het onderstaande model gebruiken, maar let er wel op dat de genoemde voorbeelden louter ter illustratie dienen.

Tabel 4

Voorbeeldtabel voor het opsommen van de geselecteerde varianten/maatregelen

Elke berekening dient naar hetzelfde comfortniveau te verwijzen. Pro forma dient elke maatregel/pakket/variant in het aanvaardbare comfort te voorzien. Als er verschillende comfortniveaus in acht genomen worden, is er geen basis tot vergelijking meer.


Maatregel

Referentie

Variant 1

Variant 2

Enz.

Dakisolatie

 

 

 

 

Muurisolatie

 

 

 

 

Ramen

5,7 W/m2K

(omschrijving)

2,7 W/m2K

(omschrijving)

1,9 W/m2K

(omschrijving)

 

Percentage raamoppervlak van de totale bouwschil

 

 

 

 

Bouwgerelateerde maatregelen (thermische massa, etc.)

 

 

 

 

Verwarmingssysteem

 

 

 

 

Warm tapwater

 

 

 

 

Ventilatiesysteem (incl. nachtventilatie)

 

 

 

 

Ruimtekoeling

 

 

 

 

Maatregelen op basis van hernieuwbare energiebronnen

 

 

 

 

Verandering van energiedrager

 

 

 

 

Enz.

 

 

 

 

De opsomming van maatregelen dient louter ter illustratie.

Voor de bouwschil: in W/m2K

Voor systemen: efficiëntie

Er kunnen verschillende niveaus van verbetering worden geselecteerd (bijvoorbeeld: verschillende waarden van de warmtedoorgangscoëfficiënt voor ramen)

3.   BEREKENING VAN DE PRIMAIRE-ENERGIEVRAAG VAN DE MAATREGELEN

3.1.   Energieprestatiebeoordeling

3.1.1.

Rapporteer de berekeningsprocedure voor de energieprestatiebeoordeling die is toegepast op het referentiegebouw en de aangenomen maatregelen/varianten.

3.1.2.

Geef referenties van relevante wetgeving, regelgeving, standaarden en normen.

3.1.3.

Vul de calculatieperiode (20 of 30 jaar), het berekeningsinterval (jaarlijks, maandelijks of dagelijks) en het gebruik van klimaatgegevens per referentiegebouw in.

3.2.   Berekening van de energievraag

3.2.1.

Rapporteer de resultaten van de energieprestatieberekening voor elke maatregel/pakket/variant van elk referentiegebouw, waarbij ten minste wordt gedifferentieerd tussen energiebehoefte voor verwarming en koeling, energiegebruik, geleverde energie en primaire-energievraag.

Voer ook de energiebesparing in.

Tabel 5

Outputtabel voor de berekening van de energievraag

Vul één tabel in voor elk referentiegebouw en elke gebouwencategorie, voor alle geïntroduceerde maatregelen.


Referentiegebouw

Maatregel/pakket/variant van maatregelen

(zoals beschreven in tabel 4)

Energiebehoefte

Energieverbruik

Geleverde energie gespecificeerd volgens bron

Vraag naar primaire energie in kWh/m2, a

Besparing van primaire energie in vergelijking met het referentiegebouw

Voor verwarming

Voor koeling

Verwarming

Koeling

Ventilatie

Warm tapwater

Verlichting

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vul één tabel in voor elk referentiegebouw

Het verslag mag worden beperkt tot de belangrijkste maatregelen/pakketten, maar er dient te worden aangegeven hoeveel berekeningen er in totaal zijn uitgevoerd. Als er vanuit voorgaande berekeningen bewijsmateriaal is dat maatregelen verre van kostenoptimaal zijn, moet er geen tabel worden ingevuld. Dit dient echter afzonderlijk aan de Commissie te worden gerapporteerd.

3.2.2.

Rapporteer de samenvatting van de in het land gebruikte primaire-energieconversiefactoren in een aparte tabel.

3.2.3.

Duid de geleverde energie per drager aan in een aanvullende tabel

4.   BEREKENING VAN DE TOTALE KOSTEN

4.1.   Bereken de totale kosten voor elke variant/pakket/maatregel aan de hand van de volgende tabellen die verwijzen naar een scenario waarin de energieprijs laag, gemiddeld of hoog is. De kostenberekening voor het referentiegebouw moet worden vastgelegd op 100 %.

4.2.   Rapporteer de bron van de toegepaste energieprijsontwikkeling.

4.3.   Rapporteer de toegepaste disconteringsvoet voor de financiële en de macro-economische berekening en het resultaat van de onderliggende gevoeligheidsanalyse voor telkens ten minste twee verschillende interestpercentages.

Tabel 6

Outputgegevens en berekeningen van totale kosten

Vul de tabel in voor elk referentiegebouw, éénmaal voor de macro-economische berekening en éénmaal voor de financiële berekening. Vul de kostengegevens in de nationale valuta in.


Variant/pakket/maatregel zoals vermeld in tabel 5

Initiële investeringskosten

(verwijzend naar het jaar van aanvang)

Jaarlijkse gebruikskosten

Calculatieperiode (5) 20, 30 jaar

Kosten van broeikasgassenemissies

(uitsluitend voor de macro-economische berekening)

Restwaarde

Disconteringsvoet

(verschillende disconteringsvoeten voor de macro-economische en de financiële berekening)

Geschatte economische levensduur

Verwijderingskosten

(indien van toepassing)

Berekende totale kosten

Jaarlijkse onderhoudskosten

Operationele kosten

 

Energiekosten (6) volgens brandstof In het scenario „gemiddelde energieprijs”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

4.4.   Rapporteer de inputparameters die u hebt gebruikt voor de berekening van de totale kosten (bv. loonkosten, koolstofkosten, technologiekosten, enz.).

4.5.   Voer de berekening uit op de gevoeligheidsanalyse voor de belangrijkste kosten en voor de energiekosten en de toegepaste disconteringsvoet voor zowel de macro-economische als de financiële berekening. Gebruik voor deze verschillende kostensoorten telkens een aparte tabel zoals de bovenstaande tabel.

4.6.   Geef, voor de macro-economische berekeningen, aan welke de veronderstelde kosten zijn van de broeikasgassenemissies.

5.   KOSTENOPTIMAAL NIVEAU VOOR REFERENTIEGEBOUWEN

5.1.   Rapporteer het economisch optimale energieprestatieniveau in primaire energie (kWh/m2 per jaar of, indien er een systeemgebonden aanpak wordt aangenomen, in de relevante eenheid, bv. U-waarde) voor elk geval in verhouding tot de referentiegebouwen en geef daarbij aan of dit het kostenoptimale niveau is, berekend op macro-economisch of op financieel niveau.

6.   VERGELIJKING

6.1.   Als het verschil significant is, geef dan de reden voor het verschil op en ook een plan met de gepaste stappen om dit verschil te verminderen als het niet (volledig) gerechtvaardigd kan worden.

Tabel 7

Vergelijkingstabel voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen

Referentiegebouw

Kostenoptimale marge/niveau (van-naar)

kWh/m2, jaar

(voor een onderdeelgebonden aanpak in de relevante eenheid)

Huidige vereisten voor referentiegebouwen

kWh/m2, jaar

Verschil

 

 

 

 

Rechtvaardiging van het verschil:

Plan om het niet te rechtvaardigen verschil te verkleinen:


(1)  O/V (verhouding oppervlakte/volume), oriëntatie, oppervlak van N/W/Z/O-gevel.

(2)  bouwmateriaal, typische luchtdichtheid (kwalitatief), gebruikspatroon (indien van toepassing), ouderdom (indien van toepassing).

(3)  Technische bouwsystemen, K-waarden van onderdelen van gebouwen, ramen — oppervlak, K-waarde, g-waarde, zonwering, passieve systemen, enz.

(4)  O/V, oppervlak van N/W/Z/O-gevel. Opmerking: In het geval van nieuwe gebouwen kan de oriëntatie van het gebouw op zich reeds een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie betekenen.

(5)  Voor woningen en openbare gebouwen moet een calculatieperiode van 30 jaar, voor commerciële, niet voor bewoning bestemde gebouwen een calculatieperiode van 20 jaar in acht genomen worden.

(6)  Voor wat betreft de vervanging van onderdelen tijdens de calculatieperiode moet er rekening worden gehouden met de effecten van (verwachte) toekomstige prijsontwikkelingen.


21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/37


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 245/2012 VAN DE COMMISSIE

van 20 maart 2012

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1187/2009 ten aanzien van de uitvoer van melk en zuivelproducten naar de Dominicaanse Republiek

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale-GMO-verordening) (1), en met name artikel 170 en artikel 171, lid 1, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1187/2009 van de Commissie van 27 november 2009 tot vaststelling van specifieke bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad inzake de uitvoercertificaten en de uitvoerrestituties in de sector melk en zuivelproducten (2) is bepaald dat in de context van door de Dominicaanse Republiek geopende uitvoerquota voor melkpoeder voorrang moet worden gegeven aan producten die onder bepaalde productcodes van de uitvoerrestitutienomenclatuur vallen. Deze beperking is ingevoerd ter voorkoming van een buitensporig aantal certificaataanvragen, hetgeen zou kunnen resulteren in een fragmentatie van de markt en een risico op een verlies van marktaandeel voor exporteurs van de Unie.

(2)

De voor het contingentjaar 2011/2012 aangevraagde hoeveelheden waren voor het eerst lager dan de beschikbare contingenthoeveelheden. In het geval van resterende hoeveelheden is het passend die hoeveelheden toe te wijzen aan de aanvragers die grotere hoeveelheden dan de aangevraagde hoeveelheden willen ontvangen, op voorwaarde dat de zekerheid dienovereenkomstig wordt verhoogd.

(3)

Met het oog op een maximale benutting van het contingent de komende jaren is het passend de reikwijdte van de certificaataanvragen te verruimen tot alle producten die vallen onder het tariefcontingent waarin is voorzien in de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Cariforum-staten, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (3), waarvan de ondertekening en voorlopige toepassing zijn goedgekeurd bij Besluit 2008/805/EG van de Raad (4). Bovendien mag, wat de geldigheid van de uitvoercertificaten betreft, de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1187/2009 vastgestelde afwijking niet uitsluitend worden beperkt tot producten die tot dezelfde in bijlage I bij dat besluit vastgestelde productcategorie behoren, maar moet zij worden verruimd tot elk van de onder het tariefcontingent vallende producten.

(4)

Aangezien uitvoerrestituties sinds 2008 op 0 zijn vastgesteld moeten op uitvoercertificaataanvragen en uitvoercertificaten de codes van de gecombineerde nomenclatuur worden vermeld in plaats van de productcodes in de restitutienomenclatuur. De desbetreffende bepalingen moeten dienovereenkomstig worden aangepast.

(5)

Voor een goed beheer moet de Commissie vóór 31 augustus beschikken over de kennisgeving van de hoeveelheid waarvoor certificaten zijn afgegeven. Omgekeerd is de kennisgeving van de toegewezen hoeveelheden overbodig en kan deze worden afgeschaft.

(6)

In artikel 28, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1187/2009 is bepaald dat uitvoercertificaataanvragen slechts in aanmerking kunnen worden genomen indien de aanvrager een zekerheid stelt overeenkomstig artikel 9 van die verordening. De in artikel 33, lid 1, van die verordening vastgestelde bepaling dat artikel 9 van die verordening niet van toepassing is, is bijgevolg inconsistent.

(7)

Verordening (EG) nr. 1187/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1187/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 27, lid 2, eerste alinea, wordt vervangen door:

„Certificaataanvragen kunnen worden ingediend voor alle onder de GN-codes 0402 10, 0402 21 en 0402 29 vallende producten.”.

2)

Artikel 28, lid 3, eerste alinea, wordt vervangen door:

„Om in aanmerking te worden genomen, mag per productcode van de gecombineerde nomenclatuur slechts één enkele uitvoercertificaataanvraag worden ingediend en moeten alle aanvragen terzelfder tijd bij de bevoegde autoriteit van één enkele lidstaat worden ingediend.”.

3)

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

„De lidstaten doen uiterlijk op de vijfde werkdag na de termijn voor de indiening van de certificaataanvragen aan de Commissie een kennisgeving toekomen waarin voor elk van de twee delen van het contingent per productcode van de gecombineerde nomenclatuur is vermeld voor welke hoeveelheden certificaten zijn aangevraagd, of in voorkomend geval is aangegeven dat geen aanvragen zijn ingediend.”;

b)

in lid 2 worden de derde en de vierde alinea vervangen door:

„Indien de toepassing van de toewijzingscoëfficiënt voor een aanvrager tot een hoeveelheid van minder dan 20 t leidt, kan deze aanvrager zijn certificaataanvraag intrekken. In dat geval stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis binnen drie werkdagen na de bekendmaking van de beslissing van de Commissie. De betrokken zekerheid wordt onmiddellijk vrijgegeven. Binnen acht werkdagen na de bekendmaking van de beslissing van de Commissie stelt de bevoegde autoriteit de Commissie in kennis van de hoeveelheden, uitgesplitst naar productcode van de gecombineerde nomenclatuur, waarvoor de aanvragers hun aanvraag hebben ingetrokken en de zekerheid is vrijgegeven.

Wanneer certificaten worden aangevraagd voor hoeveelheden producten die de in artikel 28, lid 1, bedoelde contingenten niet overschrijden, wijst de Commissie de resterende hoeveelheden toe in verhouding tot de ingediende aanvragen, door een toewijzingscoëfficiënt vast te stellen. De uit de toepassing van de coëfficiënt resulterende hoeveelheid wordt afgerond tot op de naastgelegen lagere kilogram. De marktdeelnemers stellen de bevoegde autoriteit binnen een week na de bekendmaking van de toewijzingscoëfficiënt in kennis van de extra hoeveelheid die zij aanvaarden. De gestelde zekerheid wordt dienovereenkomstig verhoogd.”.

4)

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de derde alinea vervangen door:

„De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk eind februari voor de twee delen van het contingent als bedoeld in artikel 28, lid 1, in kennis van de hoeveelheden waarvoor certificaten zijn afgegeven, uitgesplitst naar productcode van de gecombineerde nomenclatuur.”;

b)

aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Voor de toepassing van artikel 6, lid 2, is het uitvoercertificaat ook geldig voor elk van de producten die vallen onder de in artikel 27, lid 2, eerste alinea, bedoelde codes.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Uiterlijk op 31 augustus van elk jaar stellen de lidstaten de Commissie voor de twee delen van het contingent als bedoeld in artikel 28, lid 1, en voor de voorafgaande periode van twaalf maanden als bedoeld in artikel 28, lid 1, in kennis van de volgende hoeveelheden, uitgesplitst naar productcode van de gecombineerde nomenclatuur:

de hoeveelheid waarvoor geen certificaten zijn afgegeven of certificaten zijn geannuleerd;

de hoeveelheid die is uitgevoerd.”.

5)

Artikel 33, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De bepalingen van hoofdstuk II zijn van toepassing, met uitzondering van de artikelen 7 en 10.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van het contingentjaar 2012/2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 318 van 4.12.2009, blz. 1.

(3)  PB L 289 van 30.10.2008, blz. 3.

(4)  PB L 289 van 30.10.2008, blz. 1.


21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/39


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 246/2012 VAN DE COMMISSIE

van 20 maart 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

139,1

JO

64,0

MA

49,0

TN

98,4

TR

98,3

ZZ

89,8

0707 00 05

JO

183,3

TR

157,2

ZZ

170,3

0709 91 00

EG

76,0

ZZ

76,0

0709 93 10

JO

225,1

MA

60,5

TR

129,2

ZZ

138,3

0805 10 20

EG

51,8

IL

76,4

MA

51,2

TN

57,9

TR

68,9

ZZ

61,2

0805 50 10

EG

43,8

TR

53,3

ZZ

48,6

0808 10 80

AR

89,5

BR

82,5

CA

125,0

CL

101,6

CN

103,4

MK

31,8

US

164,1

UY

74,9

ZA

119,9

ZZ

99,2

0808 30 90

AR

94,3

CL

124,6

CN

63,0

ZA

91,6

ZZ

93,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/41


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 247/2012 VAN DE COMMISSIE

van 20 maart 2012

met betrekking tot invoercertificaten waarvoor de aanvragen in de eerste 7 dagen van maart 2012 zijn ingediend in het kader van het tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit, dat wordt beheerd bij Verordening (EG) nr. 620/2009

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 620/2009 van de Commissie van 13 juli 2009 tot vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit (3) zijn voorschriften vastgesteld voor het indienen van invoercertificaataanvragen en het afgeven van invoercertificaten.

(2)

In artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 is bepaald dat, in het geval dat certificaataanvragen zijn ingediend voor een grotere hoeveelheid dan die welke beschikbaar is voor de invoertariefcontingentsperiode of de deelperiode daarvan, een toewijzingscoëfficiënt moet worden vastgesteld voor elk van de hoeveelheden waarvoor een certificaataanvraag is ingediend. De invoercertificaataanvragen die op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 620/2009 zijn ingediend tussen 1 en 7 maart 2012 hebben betrekking op een grotere dan de beschikbare hoeveelheid. Derhalve moet worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven en moet de toewijzingscoëfficiënt worden vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de invoercertificaataanvragen voor het contingent met volgnummer 09.4449 die in de periode van 1 en 7 maart 2012 zijn ingediend overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 620/2009, wordt een toewijzingscoëfficiënt toegepast van 0,385109 %.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van de bekendmaking ervan het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)  PB L 182 van 15.7.2009, blz. 25.


21.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 81/42


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 248/2012 VAN DE COMMISSIE

van 20 maart 2012

tot intrekking van de schorsing van de indiening van invoercertificaataanvragen voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie van 25 september 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van bepaalde communautaire tariefcontingenten in de sector suiker (2), en met name artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De indiening van invoercertificaataanvragen voor volgnummer 09.4318 is met ingang van 19 januari 2012 geschorst bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 41/2012 van de Commissie van 18 januari 2012 houdende schorsing van de indiening van invoercertificaataanvragen voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten (3), overeenkomstig Verordening (EG) nr. 891/2009.

(2)

Naar aanleiding van kennisgevingen van ongebruikte en/of gedeeltelijk gebruikte certificaten zijn opnieuw hoeveelheden voor dat volgnummer beschikbaar. De schorsing van de indiening van de aanvragen moet derhalve worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 41/2012 vastgestelde schorsing van de indiening van invoercertificaataanvragen voor volgnummer 09.4318 met ingang van 19 januari 2012 wordt ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 254 van 26.9.2009, blz. 82.

(3)  PB L 16 van 19.1.2012, blz. 40.