ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.075.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 75

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
15 maart 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 217/2012 van de Commissie van 13 maart 2012 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Cinta Senese (BOB))

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 218/2012 van de Commissie van 13 maart 2012 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Béa du Roussillon (BOB))

3

 

*

Verordening (EU) nr. 219/2012 van de Commissie van 14 maart 2012 tot wijziging van de Roemeense tekst van Verordening (EG) nr. 1881/2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen ( 1 )

5

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 220/2012 van de Commissie van 14 maart 2012 tot afwijking van Verordening (EG) nr. 967/2006 wat betreft de termijnen voor de mededeling van de hoeveelheden suiker die van het verkoopseizoen 2011/2012 worden overgeboekt

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 221/2012 van de Commissie van 14 maart 2012 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof closantel betreft ( 1 )

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 222/2012 van de Commissie van 14 maart 2012 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof triclabendazool betreft ( 1 )

10

 

*

Verordening (EU) nr. 223/2012 van de Commissie van 14 maart 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake meststoffen, met het oog op de aanpassing van de bijlagen I en IV aan de technische vooruitgang ( 1 )

12

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 224/2012 van de Commissie van 14 maart 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

24

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 533/09/COL van 16 december 2009 houdende de zevenenzeventigste wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun door invoeging van een nieuw hoofdstuk betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde soorten staatssteun

26

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1368/2011 van de Commissie van 21 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1121/2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen, en van Verordening (EG) nr. 1122/2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB L 341 van 22.12.2011)

36

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 217/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 maart 2012

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Cinta Senese (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de aanvraag van Italië tot registratie van de naam „Cinta Senese” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 200 van 8.7.2011, blz. 16.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.1.   Vers vlees (en verse slachtafvallen)

ITALIË

Cinta Senese (BOB)


15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 218/2012 VAN DE COMMISSIE

van 13 maart 2012

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Béa du Roussillon (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Frankrijk ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Béa du Roussillon” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 193 van 2.7.2011, blz. 22.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

FRANKRIJK

Béa du Roussillon (BOB)


15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/5


VERORDENING (EU) Nr. 219/2012 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2012

tot wijziging van de Roemeense tekst van Verordening (EG) nr. 1881/2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Roemeense tekst van Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (2) bevat drie fouten, die moeten worden gerectificeerd.

(2)

Verordening (EG) nr. 1881/2006 moet daarom dienovereenkomstig worden gerectificeerd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

(Betreft alleen de Roemeense versie.)

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1.

(2)  PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5.


15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 220/2012 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2012

tot afwijking van Verordening (EG) nr. 967/2006 wat betreft de termijnen voor de mededeling van de hoeveelheden suiker die van het verkoopseizoen 2011/2012 worden overgeboekt

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 85 juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 17 van Verordening (EG) nr. 967/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 318/2006 met betrekking tot de productie buiten het quotum in de sector suiker (2) is bepaald binnen welke termijnen de lidstaten de Commissie moeten meedelen welke hoeveelheden suiker naar het volgende verkoopseizoen worden overgeboekt.

(2)

Bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 214/2012 van de Commissie (3) zijn, in afwijking van artikel 63, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1234/2007, voor het verkoopseizoen 2011/2012 de perioden verlengd waarbinnen de door de lidstaten te bepalen uiterste datum voor de mededeling door de marktdeelnemers aan de lidstaten van hun besluit om hun productie boven hun suikerquotum over te boeken, moet vallen.

(3)

Bijgevolg moeten de uiterste data voor de mededeling door de lidstaten aan de Commissie van de hoeveelheden die krachtens artikel 17 van Verordening (EG) nr. 967/2006 worden overgeboekt, dienovereenkomstig worden opgeschoven.

(4)

Derhalve moet voor het verkoopseizoen 2011/2012 worden afgeweken van de in artikel 17, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 967/2006 vastgestelde uiterste data.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In afwijking van artikel 17, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 967/2006 delen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 1 september 2012 de hoeveelheden biet- en rietsuiker van het verkoopseizoen 2011/2012 mee die naar het volgende verkoopseizoen worden overgeboekt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij verstrijkt op 30 september 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 176 van 30.6.2006, blz. 22.

(3)  PB L 74 van 14.3.2012, blz. 3.


15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 221/2012 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2012

tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof closantel betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 14 juncto artikel 17,

Gezien het advies van het Europees Geneesmiddelenbureau dat is opgesteld door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De maximumwaarden voor residuen („MRL's”) van farmacologisch werkzame stoffen die bestemd zijn om in de Unie te worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor voedselproducerende dieren of in biociden die in de veehouderij worden gebruikt, moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 worden vastgesteld.

(2)

De farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgesteld in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2).

(3)

Closantel is in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 opgenomen als toegestane stof in het spierweefsel, het vetweefsel, de lever en de nieren van runderen en schapen, met uitzondering van dieren die melk voor menselijke consumptie produceren.

(4)

Ierland heeft bij het Europees Geneesmiddelenbureau een verzoek ingediend voor een advies met het oog op de uitbreiding van de toepassing van de bestaande vermelding voor closantel tot melk van runderen en schapen.

(5)

Het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik heeft de vaststelling van een voorlopige MRL voor closantel voor melk van runderen en schapen en de schrapping van de bepaling „Niet voor gebruik bij dieren die melk voor menselijke consumptie produceren” aanbevolen.

(6)

De vermelding voor closantel in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 moet daarom worden gewijzigd om er de aanbevolen voorlopige MRL voor melk van runderen en schapen in op te nemen en de huidige bepaling „Niet voor gebruik bij dieren die melk voor menselijke consumptie produceren” te schrappen. De voorlopige MRL die in die tabel voor closantel is vastgesteld, moet op 1 januari 2014 verstrijken. Het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik heeft een periode van twee jaar aanbevolen om de voltooiing van de wetenschappelijke studies mogelijk te maken die vereist zijn om te antwoorden op de lijst van vragen die door het comité naar Ierland is gestuurd.

(7)

De belanghebbenden moet een redelijke termijn worden geboden om de nodige maatregelen te nemen om aan de nieuwe MRL te voldoen.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 14 mei 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.

(2)  PB L 15 van 20.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

De vermelding voor closantel in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt vervangen door:

Farmacologisch werkzame stof

Indicatorresidu

Diersoorten

MRL

Te onderzoeken weefsels

Overige bepalingen

(overeenkomstig artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 470/2009)

Therapeutische klassen

„Closantel

Closantel

Runderen

1 000 μg/kg

Spier

 

Antiparasitaire middelen/Geneesmiddelen tegen endoparasieten”

3 000 μg/kg

Vetweefsel

1 000 μg/kg

Lever

3 000 μg/kg

Nieren

Schapen

1 500 μg/kg

Spier

2 000 μg/kg

Vetweefsel

1 500 μg/kg

Lever

5 000 μg/kg

Nieren

Runderen, schapen

45 μg/kg

Melk

De voorlopige MRL verstrijkt op 1 januari 2014


15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 222/2012 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2012

tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, wat de stof triclabendazool betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 14 juncto artikel 17,

Gezien het advies van het Europees Geneesmiddelenbureau dat is opgesteld door het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De maximumwaarden voor residuen („MRL's”) van farmacologisch werkzame stoffen die bestemd zijn om in de Unie te worden gebruikt in geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor voedselproducerende dieren of in biociden die in de veehouderij worden gebruikt, moeten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 worden vastgesteld.

(2)

De farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong zijn vastgesteld in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (2).

(3)

Triclabendazool is thans in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 opgenomen als toegestane stof in het spierweefsel, het vetweefsel, de lever en de nieren van alle herkauwers, met uitzondering van dieren die melk voor menselijke consumptie produceren.

(4)

Ierland heeft bij het Europees Geneesmiddelenbureau een verzoek ingediend voor een advies met het oog op de uitbreiding van de toepassing van de bestaande vermelding voor triclabendazool tot melk van alle herkauwers.

(5)

Het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik heeft de vaststelling van een voorlopige MRL voor triclabendazool voor melk van alle herkauwers en de schrapping van de bepaling „Niet voor gebruik bij dieren die melk voor menselijke consumptie produceren” aanbevolen.

(6)

De vermelding voor triclabendazool in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 moet daarom worden gewijzigd om er de aanbevolen voorlopige MRL voor melk van alle herkauwers in op te nemen en de huidige bepaling „Niet voor gebruik bij dieren die melk voor menselijke consumptie produceren” te schrappen. De voorlopige MRL die in die tabel voor triclabendazool is vastgesteld, moet op 1 januari 2014 verstrijken. Het Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik heeft een periode van twee jaar aanbevolen om de voltooiing van de wetenschappelijke studies mogelijk te maken die vereist zijn om te antwoorden op de lijst van vragen die door het comité naar Ierland is gestuurd.

(7)

De belanghebbenden moet een redelijke termijn worden geboden om de nodige maatregelen te nemen om aan de nieuwe MRL te voldoen.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 14 mei 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.

(2)  PB L 15 van 20.1.2010, blz. 1.


BIJLAGE

De vermelding voor triclabendazool in tabel 1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 37/2010 wordt vervangen door:

Farmacologisch werkzame stof

Indicatorresidu

Diersoorten

MRL's

Te onderzoeken weefsels

Overige bepalingen

(overeenkomstig artikel 14, lid 7, van Verordening (EG) nr. 470/2009)

Therapeutische klassen

„Triclabendazool

Som van de extraheerbare residuen die tot ketotriclabendazool geoxideerd kunnen worden

Alle herkauwers

225 μg/kg

Spier

 

Antiparasitaire middelen/Geneesmiddelen tegen endoparasieten”

100 μg/kg

Vetweefsel

250 μg/kg

Lever

150 μg/kg

Nieren

10 μg/kg

Melk

De voorlopige MRL verstrijkt op 1 januari 2014


15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/12


VERORDENING (EU) Nr. 223/2012 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake meststoffen, met het oog op de aanpassing van de bijlagen I en IV aan de technische vooruitgang

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen (1), en met name artikel 31, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2003/2003 mag een meststof die tot een in bijlage I bij die verordening vermeld type meststoffen behoort en aan de in die verordening vastgestelde voorwaarden voldoet, als „EG-meststof” worden aangeduid.

(2)

Tot de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 vermelde typen meststoffen behoren enkele typen die uitsluitend in de vorm van een fijn poeder mogen worden verkocht, terwijl andere typen ook in de vorm van een suspensie mogen worden verkocht. Voor landbouwers is het gezondheidsrisico van meststoffen in de vorm van suspensies kleiner wanneer die worden toegepast in omstandigheden waarbij bij het gebruik van fijn poeder stof zou worden geïnhaleerd. Om de blootstelling van landbouwers aan stof te verminderen, moet de mogelijkheid suspensies te gebruiken worden uitgebreid tot typen meststoffen met de micronutriënt mangaan, terwijl het aantal bestanddelen die in bestaande boor- en kopersuspensies voor bemesting zijn toegestaan, ook moet worden uitgebreid.

(3)

Verordening (EG) nr. 2003/2003 voorziet in het gebruik van complexvormers als bestanddeel van meststoffen met micronutriënten. Geen van die meststoffen is evenwel als EG-meststof aangeduid omdat bijlage I bij die verordening geen lijst met toegelaten complexvormers bevat en omdat er geen typeaanduidingen voor meststoffen met complexvormers zijn. Omdat er nu geschikte complexvormers (zouten van lignosulfonzuur, hierna „LS” genoemd) op de markt zijn, moeten deze worden toegevoegd aan de lijst van toegelaten complexvormers en moeten hiervoor typeaanduidingen worden gecreëerd. De bestaande typeaanduidingen voor meststofoplossingen moeten ook worden aangepast om het gebruik van complexvormers mogelijk te maken, maar deze oplossingen mogen elk niet meer dan één complexvormer bevatten teneinde officiële controles te vergemakkelijken.

(4)

In verband met de nieuwe regels voor oplossingen en suspensies van micronutriënten moeten die typen meststoffen een nieuw etiket krijgen. Meststoffen met een etiket dat aan de oude regels voldoet, zullen evenwel nog enige tijd in voorraad blijven. De fabrikanten moeten daarom voldoende tijd krijgen om de nieuwe etiketten op te stellen en alle bestaande voorraden nog te verkopen.

(5)

Verordening (EG) nr. 2003/2003 bevat regels voor de etikettering van meststoffen met meer dan een micronutriënt, maar bijlage I van die verordening geeft niet de desbetreffende typeaanduiding. Bij Verordening (EU) nr. 137/2011 werd onder punt E.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 tabel E.2.4 opgenomen met de desbetreffende typeaanduidingen en duidelijker regels voor meststoffen met meer dan een micronutriënt. Tabel E.2.4 vereist evenwel enige etiketteringsgegevens, die in bepaalde gevallen niet in overeenstemming zijn met het vereiste uit hoofde van artikel 6, lid 6, en artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2003/2003. Tabel E.2.4 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. De marktdeelnemers moeten een overgangsperiode krijgen om zich aan de nieuwe regels aan te passen en hun voorraden meststoffen met meer dan een micronutriënt nog te verkopen.

(6)

N,N'-di(2-hydroxybenzyl)ethyleendiamine-N,N'-diazijnzuur, hierna „HBED” genoemd, is een organische chelaatvormer voor micronutriënten. Met HBED gecheleerd ijzer wordt gebruikt bij ijzertekorten en ter bestrijding van ijzerchlorose bij een groot aantal fruitsoorten. Eliminatie van ijzerchlorose en zijn symptomen zorgt ervoor dat het gebladerte groen is, er sprake is van een goede groei en het fruit zich goed ontwikkelt. Met HBED gecheleerd ijzer is in Polen toegelaten zonder dat dit schade voor het milieu heeft veroorzaakt. HBED moet daarom worden toegevoegd aan de lijst van toegelaten organische chelaatvormers voor micronutriënten in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2003/2003. Er moet evenwel worden voorzien in een overgangsperiode, zodat HBED pas na de publicatie van de desbetreffende EN-norm wordt toegelaten.

(7)

Dicyaandiamide/1,2,4-triazool, hierna „DCD/TZ” genoemd, en 1,2,4-triazool/3-methylpyrazool, hierna „TZ/MP” genoemd, zijn nitrificatieremmers die worden gebruikt in combinatie met meststoffen die stikstof als nutriënt bevatten in de vorm van ureum en/of ammoniumzouten. Zij zorgen ervoor dat de stikstof langer beschikbaar is voor de gewassen, en zij verminderen het lekken van nitraten en de emissie van distikstofoxide in de atmosfeer.

(8)

N-(2-nitrofenyl)fosforzuurtriamide, hierna „2-NPT” genoemd, is een ureaseremmer voor ureumhoudende stikstofmeststoffen, die ervoor moet zorgen dat de stikstof langer voor de planten beschikbaar is en de ammoniakemissies in de atmosfeer afnemen.

(9)

DCD/TZ, TZ/MP en 2-NPT worden al jaren in Duitsland gebruikt en DCD/TZ en TZ/MP ook in Tsjechië; daar is aangetoond dat zij efficiënt zijn en geen gevaar voor het milieu vormen. DCD/TZ, TZ/MP en 2-NPT moeten daarom worden toegevoegd aan de lijst van toegelaten nitrificatie- en ureaseremmers in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 zodat er door de landbouwers in de Unie op ruimere schaal gebruik van kan worden gemaakt.

(10)

Verordening (EG) nr. 2003/2003 schrijft de controle van EG-meststoffen voor overeenkomstig de in bijlage IV bij die verordening beschreven bemonsterings- en analysemethoden. Sommige van die methoden worden evenwel internationaal niet erkend en moeten worden vervangen door de onlangs door het Europees Comité voor normalisatie ontwikkelde EN-normen.

(11)

EN-normen worden gewoonlijk door middel van een interlaboratoriumvergelijking gevalideerd om de reproduceerbaarheid en de herhaalbaarheid van de analysemethoden te kwantificeren. Derhalve moet een onderscheid worden gemaakt tussen gevalideerde EN-normen en niet-gevalideerde methoden teneinde de EN-normen te bepalen waarvan de statistische betrouwbaarheid is aangetoond.

(12)

Om de wetgeving te vereenvoudigen en een latere herziening te vergemakkelijken, moet de volledige tekst van de analysemethoden in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 worden vervangen door verwijzingen naar de EN-normen die het Europees Comité voor normalisatie heeft gepubliceerd.

(13)

Verordening (EG) nr. 2003/2003 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2003/2003 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

1.   Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

2.   Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Punt 1, onder a), b) i), c) i), c) ii), d) i), e) i), f) i), en punt 2 van bijlage I zijn van toepassing met ingang van 4 april 2013.

Punt 3, nummer 11, van bijlage I is van toepassing met ingang van 4 juli 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 304 van 21.11.2003, blz. 1.


BIJLAGE I

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2003/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt E.1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt E.1.1 komt rubriek 1 (f) als volgt te luiden:

„1 (f)

Boormeststof in suspensie

Product verkregen door suspensie van meststoffen van type 1 (a) en/of 1 (b) en/of 1 (c) en/of 1 (d) in water

2 % B totaal

Bij de aanduiding dienen de namen van de bestanddelen te worden vermeld

Boor (B) totaal

Boor (B) oplosbaar in water, indien aanwezig”;

b)

punt E.1.2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek 2 (c) komt als volgt te luiden:

„2 (c)

Kobaltmeststof in oplossing

Waterige oplossing van meststoffen van type 2 (a) en/of 2 (b) of 2 (d)

2 % Co oplosbaar in water

Wanneer de typen 2 (a) en 2 (d) worden gemengd, moet de gecomplexeerde fractie ten minste 40 % van het in water oplosbare Co uitmaken

Bij de aanduiding dienen te worden vermeld:

1)

de naam van de anorganische anionen, indien aanwezig

2)

de naam van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar kobalt (indien aanwezig) cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

of

de naam van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd, indien aanwezig

Kobalt (Co) oplosbaar in water

Kobalt (Co) gecheleerd door elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar kobalt cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

Kobalt (Co) dat is gecomplexeerd door de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Facultatief: kobalt (Co) totaal gecheleerd door toegelaten chelaatvormer(s)”;

ii)

de volgende rubriek 2 (d) wordt toegevoegd:

„2 (d)

Kobaltcomplex

In water oplosbaar product dat kobalt bevat dat chemisch aan één toegelaten complexvormer is gebonden

5 % Co oplosbaar in water, en de gecomplexeerde fractie moeten ten minste 80 % van het in water oplosbare kobalt uitmaken

Bij de aanduiding dient de naam te worden vermeld van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Kobalt (Co) oplosbaar in water

Totaal gecomplexeerd kobalt (Co)”;

c)

punt E.1.3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek 3 (f) komt als volgt te luiden:

„3 (f)

Kopermeststof in oplossing

Waterige oplossing van meststoffen van type 3 (a) en/of 3 (d) of 3 (i)

2 % Cu oplosbaar in water

Wanneer de typen 3 (a) en 3 (i) worden gemengd, moet de gecomplexeerde fractie ten minste 40 % van het in water oplosbare Cu uitmaken

Bij de aanduiding dienen te worden vermeld:

1)

de naam van de anorganische anionen, indien aanwezig

2)

de naam van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar koper cheleert (indien aanwezig) en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

of

de naam van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Koper (Cu) oplosbaar in water

Koper (Cu) gecheleerd door elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar koper cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

Koper (Cu) gecomplexeerd door de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Facultatief: Koper (Cu) totaal, gecheleerd door toegelaten chelaatvormer(s)”;

ii)

rubriek 3 (h) komt als volgt te luiden:

„3 (h)

Kopermeststof in suspensie

Product verkregen door suspensie van meststoffen van type 3 (a) en/of 3 (b) en/of 3 (c) en/of 3 (d) en/of 3 (g) in water

17 % Cu totaal

Bij de aanduiding dienen te worden vermeld:

1)

de naam van de anionen, indien aanwezig

2)

de naam van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar koper cheleert (indien aanwezig) en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

Koper (Cu) totaal

Koper (Cu) oplosbaar in water, indien aanwezig

Koper (Cu) gecheleerd door elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar koper cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd”;

iii)

de volgende rubriek 3 (i) wordt toegevoegd:

„3 (i)

Kopercomplex

In water oplosbaar product dat koper bevat dat chemisch aan één toegelaten complexvormer is gebonden

5 % Cu oplosbaar in water, en de gecomplexeerde fractie moet ten minste 80 % van het in water oplosbare koper uitmaken

Bij de aanduiding dient de naam te worden vermeld van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Koper (Cu) oplosbaar in water

Totaal gecomplexeerd koper (Cu)”;

d)

punt E.1.4 wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek 4 (c) komt als volgt te luiden:

„4 (c)

IJzermeststof in oplossing

Waterige oplossing van meststoffen type 4 (a) en/of 4 (b) of 4 (d)

2 % Fe oplosbaar in water

Wanneer de typen 4 (a) en 4 (d) worden gemengd, moet de gecomplexeerde fractie ten minste 40 % van het in water oplosbare Fe uitmaken

Bij de aanduiding dienen te worden vermeld:

1)

de naam van de anorganische anionen, indien aanwezig

2)

de naam van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar ijzer cheleert (indien aanwezig) en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

of

de naam van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

IJzer (Fe) oplosbaar in water

IJzer (Fe) gecheleerd door elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar ijzer cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

IJzer (Fe) gecomplexeerd door de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Facultatief: ijzer (Fe) totaal gecheleerd door toegelaten chelaatvormer(s)”;

ii)

de volgende rubriek 4 (d) wordt toegevoegd:

„4 (d)

IJzercomplex

In water oplosbaar product dat ijzer bevat dat chemisch aan één toegelaten complexvormer is gebonden

5 % Fe oplosbaar in water, en de gecomplexeerde fractie moet ten minste 80 % van het in water oplosbare ijzer uitmaken

Bij de aanduiding dient de naam te worden vermeld van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

IJzer (Fe) oplosbaar in water

Totaal gecomplexeerd ijzer (Fe)”;

e)

punt E.1.5 wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek 5 (e) komt als volgt te luiden:

„5 (e)

Mangaanmeststof in oplossing

Waterige oplossing van meststoffen van type 5 (a) en/of 5 (b) en/of 5 (g)

2 % Mn oplosbaar in water

Wanneer de typen 5 (a) en 5 (g) worden gemengd, moet de gecomplexeerde fractie ten minste 40 % van het in water oplosbare Mn uitmaken

Bij de aanduiding dienen te worden vermeld:

1)

de naam van de anorganische anionen, indien aanwezig

2)

de naam van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar mangaan cheleert (indien aanwezig) en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

of

de naam van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Mangaan (Mn) oplosbaar in water

Mangaan (Mn) gecheleerd door elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar mangaan cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

Mangaan (Mn) gecomplexeerd door de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Facultatief: mangaan (Mn) totaal gecheleerd door toegelaten chelaatvormer(s)”;

ii)

de volgende rubrieken 5 (f) en 5 (g) worden toegevoegd:

„5 (f)

Mangaanmeststof in suspensie

Product verkregen door suspensie van meststoffen van type 5 (a) en/of 5 (b) en/of 5 (c) in water

17 % Mn totaal

Bij de aanduiding dienen te worden vermeld:

1)

de naam van de anionen, indien aanwezig

2)

de naam van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar mangaan cheleert (indien aanwezig) en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

Mangaan (Mn) totaal

Mangaan (Mn) oplosbaar in water, indien aanwezig

Mangaan (Mn) gecheleerd door elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar mangaan cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

5 (g)

Mangaancomplex

In water oplosbaar product dat mangaan bevat dat chemisch aan één toegelaten complexvormer is gebonden

5 % Mn oplosbaar in water, en de gecomplexeerde fractie moet ten minste 80 % van het in water oplosbare mangaan uitmaken

Bij de aanduiding dient de naam te worden vermeld van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Mangaan (Mn) oplosbaar in water

Totaal gecomplexeerd mangaan (Mn)”;

f)

punt E.1.7 wordt als volgt gewijzigd:

i)

rubriek 7 (e) komt als volgt te luiden:

„7 (e)

Zinkmeststof in oplossing

Waterige oplossing van meststoffen van type 7 (a) en/of 7 (b) of 7 (g)

2 % Zn oplosbaar in water

Wanneer de typen 7 (a) en 7 (g) worden gemengd, moet de gecomplexeerde fractie ten minste 40 % van het in water oplosbare Zn uitmaken

Bij de aanduiding dienen te worden vermeld:

1)

de naam van de anorganische anionen, indien aanwezig

2)

de naam van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar zink cheleert (indien aanwezig) en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

of

de naam van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Zink (Zn) oplosbaar in water

Zink (Zn) van elke toegelaten chelaatvormer die ten minste 1 % in water oplosbaar zink cheleert en die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd

Zink (Zn) gecomplexeerd door de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Facultatief: zink (Zn) totaal, gecheleerd door toegelaten chelaatvormer(s)”;

ii)

de volgende rubriek 7 (g) wordt toegevoegd:

„7 (g)

Zinkcomplex

In water oplosbaar product dat zink bevat dat chemisch aan één toegelaten complexvormer is gebonden

5 % Zn oplosbaar in water, en de complexvormige fractie moet ten minste 80 % van het in water oplosbare zink uitmaken

Bij de aanduiding dient de naam te worden vermeld van de toegelaten complexvormer die volgens een Europese norm kan worden geïdentificeerd

Zink (Zn) oplosbaar in water

Totaal gecomplexeerd zink (Zn)”.

2)

In punt E.2 komt tabel E.2.4 als volgt te luiden:

„Nr.

Typeaanduiding

Bereidingswijze en hoofdbestanddelen

Minimumgehalte aan nutriënten (in massapercenten)

Aanduiding van de nutriënten

Andere eisen

Andere gegevens over de typeaanduiding

Nutriënten waarvan het gehalte moet worden aangegeven

Vorm en oplosbaarheid van de nutriënten

Overige criteria

1

2

3

4

5

6

1

Mengsel van micronutriënten

Product verkregen door het mengen van twee of meer meststoffen van type E.1 of door het oplossen of in suspensie brengen van twee of meer meststoffen van type E.1 in water

1)

Totaal aan micronutriënten 5 % voor een vast mengsel

of

2)

totaal aan micronutriënten 2 % voor een vloeibaar mengsel

Elke micronutriënt overeenkomstig punt E.2.1

Onmiddellijk na de typeaanduiding de naam van elke aanwezige micronutriënt met zijn chemische symbool in alfabetische volgorde van de chemische symbolen, gevolgd door de naam (namen) van zijn tegenion(en)

Totaal gehalte van elke micronutriënt in massapercenten van de meststof, tenzij een micronutriënt volledig in water oplosbaar is.

Het in water oplosbare gehalte van elke micronutriënt in massapercenten van de meststof, wanneer dat gehalte ten minste de helft van het totale gehalte bedraagt. Wanneer een micronutriënt volledig in water oplosbaar is, wordt alleen het in water oplosbare gehalte aangegeven.

Wanneer een micronutriënt chemisch aan een organisch molecuul gebonden is, wordt het gehalte van de micronutriënt onmiddellijk na het in water oplosbare gehalte in massapercenten van de meststof aangegeven, gevolgd door het woord „chelaatvormer” of „complexvormer” met de naam van elke toegelaten chelaatvormer of complexvormer als vermeld in punt E.3. De naam van het organische molecuul mag worden vervangen door zijn afkorting.

De volgende verklaring onder de verplichte en facultatieve verklaringen: „Alleen te gebruiken in geval van duidelijke behoefte. De benodigde doses niet overschrijden.”.”.

3)

Punt E.3.1 komt als volgt te luiden:

„E.3.1.   Chelaatvormers (1)

De volgende zuren en de natrium-, kalium- en ammoniumzouten daarvan:

Nr.

Naam

Alternatieve naam

Formule

CAS-nummer van het zuur (2)

1

ethyleendiaminetetraäzijnzuur

EDTA

C10H16O8N2

60-00-4

2

2-hydroxyethylethyleendiaminetriazijnzuur

HEEDTA

C10H18O7N2

150-39-0

3

diethyleentriaminepentaäzijnzuur

DTPA

C14H23O10N3

67-43-6

4

ethyleendiamine- N,N’-di[(o-hydroxyfenyl)azijnzuur]

[o,o] EDDHA

C18H20O6N2

1170-02-1

5

ethyleendiamine- N-[(o-hydroxyfenyl)azijnzuur]- N'-[(p-hydroxyfenyl)azijnzuur]

[o,p] EDDHA

C18H20O6N2

475475-49-1

6

ethyleendiamine- N,N’-di[(o-hydroxymethylfenyl)azijnzuur]

[o,o] EDDHMA

C20H24O6N2

641632-90-8

7

ethyleendiamine- N-[(o-hydroxymethylfenyl)azijnzuur]- N'-[(p-hydroxymethylfenyl)azijnzuur]

[o,p] EDDHMA

C20H24O6N2

641633-41-2

8

ethyleendiamine- N,N’-di[(5-carboxy-2-hydroxyfenyl)azijnzuur]

EDDCHA

C20H20O10N2

85120-53-2

9

ethyleendiamine- N,N'-di[(2-hydroxy-5-sulfofenyl)azijnzuur] en condensatieproducten daarvan

EDDHSA

C18H20O12N2S2 + n*(C12H14O8N2S)

57368-07-7 en 642045-40-7

10

iminodibarnsteenzuur

IDHA

C8H11O8N

131669-35-7

11

N,N'-di(2-hydroxybenzyl)ethyleendiamine-N,N'-diazijnzuur

HBED

C20H24N2O6

35998-29-9.

4)

Punt E.3.2 komt als volgt te luiden:

„E.3.2.   Complexvormers (3)

De volgende complexvormers zijn alleen toegelaten in producten voor fertigatie en/of toediening op het blad; Zn-, Fe-, Cu- en Mn-lignosulfonaat kunnen evenwel direct op de bodem worden toegepast.

De volgende zuren en de natrium-, kalium- en ammoniumzouten daarvan:

Nr.

Naam

Alternatieve naam

Formule

CAS-nummer van het zuur (4)

1

Lignosulfonzuur

LS

Geen chemische formule beschikbaar

8062-15-5

5)

Aan punt F.1 worden de volgende rubrieken toegevoegd:

„2

Product dat dicyaandiamide (DCD) en 1,2,4-triazool (TZ) bevat

EG# EINECS nr. 207-312-8

EG# EINECS nr. 206-022-9

Minimaal 2,0

Maximaal 4,0

 

Mengverhouding 10:1

(DCD:TZ)

3

Product dat 1,2,4-triazool (TZ) en 3-methylpyrazool (MP) bevat

EG# EINECS nr. 206-022-9

EG# EINECS nr. 215-925-7

Minimaal 0,2

Maximaal 1,0

 

Mengverhouding 2:1

(TZ:MP)”.

6)

Aan punt F.2 wordt de volgende rubriek toegevoegd:

„2

N-(2-nitrofenyl)-fosforzuurtriamide (2-NPT)

EG# EINECS nr. 477-690-9

Minimaal 0,04

Maximaal 0,15”.

 

 


(1)  De chelaatvormers moeten worden geïdentificeerd en gekwantificeerd volgens de Europese normen die op de vermelde chelaatvormers betrekking hebben.”.

(2)  Uitsluitend ter informatie.

(3)  De complexvormers moeten worden geïdentificeerd volgens de Europese normen die op de vermelde complexvormers betrekking hebben.”.

(4)  Uitsluitend ter informatie.


BIJLAGE II

Bijlage IV, deel B, van Verordening (EG) nr. 2003/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De methoden 3.1.1 tot en met 3.1.4 komen als volgt te luiden:

„Methode 3.1.1

Extractie van fosfor oplosbaar in minerale zuren

EN 15956: Meststoffen — Extractie van fosfor oplosbaar in minerale zuren

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.

Methode 3.1.2

Extractie van fosfor oplosbaar in 2 % mierenzuur

EN 15919: Meststoffen — Extractie van fosfor oplosbaar in 2 % mierenzuur

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methode 3.1.3

Extractie van fosfor oplosbaar in 2 % citroenzuur

EN 15920: Meststoffen — Extractie van fosfor oplosbaar in 2 % citroenzuur

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methode 3.1.4

Extractie van oplosbaar fosfor, oplosbaar in neutraal ammoniumcitraat

EN 15957: Meststoffen — Extractie van fosfor oplosbaar in neutraal ammoniumcitraat

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.”.

2)

De methoden 3.1.5.1 tot en met 3.1.5.3 komen als volgt te luiden:

„Methode 3.1.5.1

Extractie van oplosbaar fosfor volgens Petermann bij 65 °C

EN 15921: Meststoffen — Extractie van oplosbaar fosfor volgens Petermann bij 65 °C

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methoden 3.1.5.2

Extractie van oplosbaar fosfor volgens Petermann bij omgevingstemperatuur

EN 15922: Meststoffen — Extractie van oplosbaar fosfor volgens Petermann bij omgevingstemperatuur

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methoden 3.1.5.3

Extractie van fosfor, oplosbaar in Joulie's alkalisch ammoniumcitraat

EN 15923: Meststoffen — Extractie van fosfor, oplosbaar in Joulie's alkalisch ammoniumcitraat

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.”.

3)

Methode 3.1.6 komt als volgt te luiden:

„Methode 3.1.6

Extractie van in water oplosbaar fosfor

EN 15958: Meststoffen — Extractie van in water oplosbaar fosfor

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.”.

4)

Methode 3.2 komt als volgt te luiden:

„Methode 3.2

Bepaling van geëxtraheerd fosfor

EN 15959: Meststoffen — Bepaling van geëxtraheerd fosfor

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.”.

5)

De methoden 7.1 en 7.2 komen als volgt te luiden:

„Methode 7.1

Bepaling van de maalfijnheid (droge procedure)

EN 15928: Meststoffen — Bepaling van de fijnheid volgens de droge methode

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methode 7.2

Bepaling van de fijnheid van malen van zachte natuurlijke fosfaten

EN 15924: Meststoffen — Bepaling van de fijnheid van zachte natuurfosfaten

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.”.

6)

De methoden 8.1 tot en met 8.5 worden vervangen door:

"Methode 8.1

Extractie van totaal calcium, totaal magnesium, totaal natrium en totaal zwavel in de vorm van sulfaten

EN 15960: Meststoffen — Extractie van totaal calcium, totaal magnesium, totaal natrium en totaal zwavel in de vorm van sulfaten

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methode 8.2

Extractie van de totale hoeveelheid zwavel aanwezig in verschillende vormen

EN 15925: Meststoffen — Extractie van de totale hoeveelheid zwavel aanwezig in verschillende vormen

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methode 8.3

Extractie van in water oplosbaar calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van sulfaten

EN 15961: Meststoffen — Extractie van in water oplosbaar calcium, magnesium, natrium en zwavel in de vorm van sulfaten

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methode 8.4

Extractie van in water oplosbare zwavel waarvan zwavel in verschillende vormen aanwezig is

EN 15926: Meststoffen — Extractie van in water oplosbare zwavel waarvan zwavel in verschillende vormen aanwezig is

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.

Methode 8.5

Extractie van en bepaling van elementair zwavel

EN 16032: Meststoffen — Extractie van en bepaling van elementair zwavel

Deze analysemethode is niet aan een ringtest onderworpen.”.

7)

De volgende methode 8.11 wordt ingevoegd:

„Methode 8.11

Bepaling van calcium en formiaat in calciumbladmeststoffen

EN 15909: Meststoffen — Bepaling van calcium en formiaat in calciumbladmeststoffen

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.”.

8)

Methode 11.3 komt als volgt te luiden:

„Methode 11.3

Bepaling van ijzer gechelateerd door o,o-EDDHA, o,o-EDDHMA en HBED

EN 13368-2: Meststoffen — Bepaling van chelaatvormers in meststoffen door chromatografie. Deel 2: Bepaling van ijzer gechelateerd door o,o-EDDHA, o,o-EDDHMA en HBED door ionpaarchromatografie

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.”.

9)

De volgende methoden 11.6, 11.7 en 11.8 worden ingevoegd:

„Methode 11.6

Bepaling van IDHA

EN 15950: Meststoffen — Bepaling van N-(1,2-dicarboxyethyl)-D,L-asparaginezuur (iminodibarnsteenzuur, IDHA) met hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC)

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.

Methode 11.7

Bepaling van lignosulfonaat

EN 16109: Meststoffen — Bepaling van het gehalte aan gecomplexeerde micronutriëntionen in meststoffen — Identificatie van lignosulfonaat

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.

Methode 11.8

Bepaling van het gehalte aan gecomplexeerde micronutriënten en de fractie gecomplexeerde micronutriënten

EN 15962: Bepaling van het gehalte aan gecomplexeerde micronutriënten en de fractie gecomplexeerde micronutriënten

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.”.

10)

De volgende methoden 12.3, 12.4 en 12.5 worden ingevoegd:

„Methode 12.3

Bepaling van 3-methylpyrazool

EN 15905: Meststoffen — Bepaling van 3-methylpyrazool (MP) met behulp van hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC)

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.

Methode 12.4

Bepaling van TZ

EN 16024: Meststoffen — Bepaling van 1H-1,2,4-triazool in ureum en in meststoffen die ureum bevatten met behulp van hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC)

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.

Methode 12.5

Bepaling van 2-NPT

EN 16075: Meststoffen — Bepaling van N-(2-nitrofenyl)fosforzuurtriamide (2-NPT) in ureum en in meststoffen die ureum bevatten — Methode met behulp van chromatografie voor hoogwaardige vloeistof (HPLC)

Deze analysemethode is aan een ringtest onderworpen.”.


15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 224/2012 VAN DE COMMISSIE

van 14 maart 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

51,1

JO

68,6

MA

63,8

TN

88,2

TR

117,1

ZZ

77,8

0707 00 05

JO

183,3

TR

170,7

ZZ

177,0

0709 91 00

EG

158,2

ZZ

158,2

0709 93 10

MA

52,1

TR

134,9

ZZ

93,5

0805 10 20

EG

51,3

IL

72,0

MA

59,2

TN

55,2

TR

65,7

ZZ

60,7

0805 50 10

EG

69,0

MA

69,1

TR

55,4

ZZ

64,5

0808 10 80

AR

89,5

BR

84,7

CA

121,2

CL

103,2

CN

91,7

MK

36,4

US

159,7

ZZ

98,1

0808 30 90

AR

95,7

CL

108,4

CN

52,9

ZA

102,9

ZZ

90,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/26


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 533/09/COL

van 16 december 2009

houdende de zevenenzeventigste wijziging van de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun door invoeging van een nieuw hoofdstuk betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde soorten staatssteun

DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (1),

GEZIEN de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2), en met name de artikelen 61, 62 en 63 en Protocol nr. 26;

GEZIEN de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (3), en met name artikel 24 en artikel 5, lid 2, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

Overeenkomstig artikel 24 van de Toezichtovereenkomst geeft de Autoriteit uitvoering aan de staatssteunbepalingen van de EER-overeenkomst.

De Autoriteit maakt, overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder b), van de Toezichtovereenkomst, mededelingen of richtsnoeren bekend over aangelegenheden waarop de EER-overeenkomst betrekking heeft, indien die Overeenkomst of de Toezichtovereenkomst daarin uitdrukkelijk voorziet of indien de Autoriteit zulks nodig acht.

Op 19 januari 1994 heeft de Autoriteit de formele en materiële regels op het gebied van staatssteun goedgekeurd (4).

Op 16 juni 2009 heeft de Europese Commissie een mededeling betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde soorten staatssteun goedgekeurd (5).

Die mededeling is ook van belang voor de Europese Economische Ruimte.

Een uniforme toepassing van de EER-staatssteunregels dient in de gehele Europese Economische Ruimte te worden gewaarborgd.

Ingevolge punt II onder de titel „ALGEMEEN” aan het einde van bijlage XV bij de EER-overeenkomst dient de Autoriteit, na overleg met de Commissie, besluiten vast te stellen die met de besluiten van de Commissie overeenstemmen,

Na raadpleging van de Europese Commissie op 8 december 2009 en na raadpleging van de EVA-staten over dit onderwerp bij brieven van 20 november 2009,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De richtsnoeren staatssteun worden gewijzigd door de invoeging van een nieuw hoofdstuk betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde soorten staatssteun. Het nieuwe hoofdstuk is in de bijlage bij dit besluit opgenomen.

Artikel 2

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 16 december 2009.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Per SANDERUD

De voorzitter

Kristján Andri STEFÁNSSON

Lid van het College


(1)  Hierna „de Autoriteit” genoemd.

(2)  Hierna „de EER-overeenkomst” genoemd.

(3)  Hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd.

(4)  Richtsnoeren voor de toepassing en uitlegging van de artikelen 61 en 62 van de EER-overeenkomst en artikel 1 van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst, op 19 januari 1994 vastgesteld en uitgevaardigd door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, bekendgemaakt in PB L 231 van 3.9.1994, blz. 1 en EER-Supplement nr. 32 van 3.9.1994, blz. 1, hierna „de richtsnoeren staatssteun” genoemd. Een geactualiseerde versie van de richtsnoeren staatssteun is beschikbaar op de website van de Autoriteit onder: http://www.eftasurv.int/state-aid/legal-framework/state-aid-guidelines/.

(5)  PB C 136 van 16.6.2009, blz. 3.


BIJLAGE I

RICHTSNOEREN BETREFFENDE EEN VEREENVOUDIGDE PROCEDURE VOOR DE BEHANDELING VAN BEPAALDE SOORTEN STAATSSTEUN  (1)

1.   Inleiding

(1)

Deze richtsnoeren beschrijven een vereenvoudigde procedure waarmee de Autoriteit, in nauwe samenwerking met de betrokken EVA-staat, bepaalde categorieën staatssteun versneld beoogt te onderzoeken; daarbij onderzoekt de Autoriteit alleen of die steunmaatregelen in overeenstemming zijn met de bestaande regels en praktijken, zonder enige discretionaire bevoegdheid uit te oefenen. Uit de ervaring die de Autoriteit heeft opgedaan met de toepassing van artikel 61 van de EER-overeenkomst en de verordeningen, kaderregelingen, richtsnoeren en mededelingen die op grond van artikel 61 van de EER-overeenkomst zijn vastgesteld (2), blijkt dat bepaalde categorieën aangemelde steun doorgaans worden goedgekeurd zonder dat deze enige twijfel doen ontstaan ten aanzien van hun verenigbaarheid met de werking van de EER-overeenkomst, voor zover er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze categorieën steun worden in deel 2 nader beschreven. Op de overige, bij de Autoriteit aangemelde steunmaatregelen zijn de desbetreffende procedures (3) en gewoonlijk de gedragscode voor een goed verloop van de staatssteunprocedures van toepassing.

(2)

Deze richtsnoeren beschrijven onder welke voorwaarden de Autoriteit gewoonlijk een verkort besluit zal vaststellen, waarbij bepaalde soorten staatssteun op grond van de vereenvoudigde procedure verenigbaar worden verklaard met de werking van de EER-overeenkomst; voorts beogen deze richtsnoeren het nodige houvast te bieden met betrekking tot de procedure zelf. Wanneer aan alle in deze richtsnoeren genoemde eisen is voldaan, stelt de Autoriteit alles in het werk om binnen 20 werkdagen na de aanmelding van de steun een verkort besluit goed te keuren, waarin zij vaststelt dat de aangemelde maatregel geen steun vormt of geen bezwaren doet rijzen, zulks overeenkomstig artikel 4, lid 2 of lid 3, in deel II van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst.

(3)

Indien echter één van de in de punten 6 tot en met 12 van deze richtsnoeren genoemde beperkingen of uitzonderingen van toepassing is, past de Autoriteit opnieuw de normale procedure voor aangemelde steun toe, als beschreven in hoofdstuk II van Protocol nr. 3, waarna zij een besluit in onverkorte vorm vaststelt overeenkomstig artikel 4 en/of artikel 7 van dat Protocol. In elk geval zijn alleen de in artikel 4, lid 5, en artikel 7, lid 6, van Protocol nr. 3 genoemde termijnen juridisch afdwingbaar.

(4)

Met de in deze richtsnoeren uiteengezette procedure wil de Autoriteit het staatssteuntoezicht in de EER beter voorspelbaar en doelmatiger maken. Deze richtsnoeren mogen niet zo worden uitgelegd dat steun die geen staatssteun in de zin van artikel 61 van de EER-overeenkomst is, bij de Autoriteit moet worden aangemeld, ofschoon niets de EVA-staten belet om dergelijke steun terwille van de rechtszekerheid aan te melden.

2.   Voor de vereenvoudigde procedure in aanmerking komende categorieën staatssteun

In aanmerking komende categorieën staatssteun

(5)

De volgende categorieën maatregelen komen in beginsel in aanmerking voor behandeling in het kader van de vereenvoudigde procedure:

a)

Categorie 1: Steunmaatregelen die onder het onderdeel „standaardbeoordeling” van bestaande richtsnoeren vallen

Steunmaatregelen die onder de „standaardbeoordeling” (de zogenoemde „safe-harbour”-onderdelen) (4) vallen, of onder soortgelijke vormen van beoordeling (5) in horizontale richtsnoeren die niet onder de algemene groepsvrijstellingsverordening vallen, komen in beginsel in aanmerking voor behandeling in het kader van de vereenvoudigde procedure.

De vereenvoudigde procedure zal slechts worden toegepast wanneer, aan het einde van de prenotificatiefase (zie de punten 13 tot en met 16), de Autoriteit zich ervan heeft vergewist dat aan alle materiële en procedurele vereisten van de toepasselijke onderdelen van de respectieve richtsnoeren is voldaan. Dit houdt in dat in de prenotificatiefase komt vast te staan dat de aangemelde steunmaatregel op het eerste gezicht aan de in de toepasselijke horizontale instrumenten nader uiteengezette voorwaarden voldoet wat betreft:

soort begunstigden;

subsidiabele kosten;

steunintensiteiten en verhogingen;

drempel voor individuele aanmelding of steunplafond;

gebruikte soort steuninstrument;

cumulering;

stimulerend effect;

transparantie, en

uitsluiting van begunstigden ten aanzien waarvan een terugvorderingsbevel uitstaat (6).

De soorten maatregelen in deze categorie waarvoor de Autoriteit bereid is toepassing van de vereenvoudigde procedure te overwegen, zijn met name:

i)

risicokapitaalmaatregelen niet zijnde een deelneming in een private-equity-investeringsfonds, die voldoen aan alle overige voorwaarden van punt 4 van de richtsnoeren risicokapitaalinvesteringen;

ii)

milieu-investeringssteun die voldoet aan de voorwaarden van punt 3 van de richtsnoeren milieusteun:

waarvan de subsidiabele kosten zijn vastgesteld op basis van een methodiek voor de berekening van de volledige kosten overeenkomstig punt 82 van de richtsnoeren milieusteun (7), of

die een eco-innovatiebonus omvatten waarvan is aangetoond dat deze in overeenstemming is met punt 78 van de richtsnoeren milieusteun (8);

iii)

steun voor jonge innovatieve ondernemingen verleend in overeenstemming met punt 5.4 van de O&O&I-richtsnoeren en waarvan het innovatieve karakter is bepaald op basis van punt 5.4, onder b), punt i), van de richtsnoeren (9);

iv)

steun voor innovatieclusters verleend in overeenstemming met de punten 5.8 en 7.1 van de O&O&I-richtsnoeren;

v)

steun voor proces- en organisatie-innovatie in diensten overeenkomstig punt 5.5 van de O&O&I-richtsnoeren;

vi)

regionale ad-hocsteun onder de drempel voor individuele aanmelding die is vastgesteld in punt 53 van de richtsnoeren regionale steun (10);

vii)

reddingssteun in de be- en verwerkende industrie en in de dienstensector (met uitzondering van de financiële sector) die aan alle materiële vereisten van de punten 3.1.1 en 3.1.2 van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun (11) voldoet;

viii)

reddings- en herstructureringsregelingen voor kleine ondernemingen die aan alle voorwaarden van punt 4 van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun (12) voldoen;

ix)

ad-hocherstructureringssteun voor kmo’s, mits deze aan alle voorwaarden voldoet die zijn vastgelegd in punt 3 van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun (13);

x)

exportkredieten in de scheepsbouwsector die voldoen aan alle voorwaarden van punt 3.3.4 van de richtsnoeren steunverlening aan scheepsbouw (14);

xi)

audiovisuele-steunregelingen die aan alle voorwaarden van punt 2.3 van de filmrichtsnoeren voldoen wat betreft de ontwikkeling, productie, distributie en promotie van audiovisuele werken (15);

De bovenstaande lijst dient ter illustratie en kan veranderen als gevolg van toekomstige herzieningen van de thans van toepassing zijnde instrumenten of de vaststelling van nieuwe instrumenten. De Autoriteit kan de lijst van tijd tot tijd herzien om deze in overeenstemming te brengen met de toepasselijke regels inzake staatssteun.

b)

Categorie 2: Maatregelen die met de vaste beschikkingspraktijk van de Autoriteit overeenkomen

Steunmaatregelen waarvan de kenmerken overeenkomen met die van steunmaatregelen die in ten minste drie eerdere besluiten van de Autoriteit (hierna „precedenten” genoemd) (16) zijn goedgekeurd, en waarvan de beoordeling derhalve onmiddellijk op basis van de vaste beschikkingspraktijk van de Autoriteit kan plaatsvinden, komen in beginsel in aanmerking voor behandeling in het kader van de vereenvoudigde procedure. Slechts besluiten van de Autoriteit die in de laatste tien jaar vóór de datum van de prenotificatie zijn vastgesteld (zie punt 14), kunnen als „precedenten” gelden.

De vereenvoudigde procedure zal slechts worden toegepast wanneer de Autoriteit zich, aan het einde van de prenotificatiefase (zie de punten 13 tot 16), ervan heeft vergewist dat aan de materiële en procedurele voorwaarden die voor de precedenten golden, is voldaan, met name wat betreft de doelstellingen en de algemene vormgeving van de maatregel, de soorten begunstigden, de subsidiabele kosten, de drempels voor individuele aanmelding, de steunintensiteiten en (eventuele) verhogingen, cumuleringsbepalingen, stimulerend effect en transparantievereisten. Voorts kan de Autoriteit overeenkomstig punt 11 terugvallen op de normale procedure wanneer de aangemelde steunmaatregel een onderneming zou kunnen begunstigen ten aanzien waarvan een terugvorderingsbevel uitstaat als gevolg van een eerder besluit van de Autoriteit waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst is verklaard (het zgn. Deggendorf-beginsel).

De soorten maatregelen in deze categorie waarvoor de Autoriteit bereid is toepassing van de vereenvoudigde procedure te overwegen, zijn met name:

i)

steunmaatregelen voor het behoud van nationaal cultureel erfgoed die verband houden met activiteiten betreffende historische, archeologische sites of nationale monumenten, mits de steun zich beperkt tot „instandhouding van het cultureel erfgoed” in de zin van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst, gelezen in samenhang met artikel 107, lid 3, onder d), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (17);

ii)

steunregelingen voor activiteiten op het gebied van theater, dans en muziek (18);

iii)

steunregelingen voor de bevordering van minderheidstalen (19);

iv)

steunmaatregelen ten gunste van de uitgeefsector (20);

v)

steunmaatregelen voor breedbandaansluiting in plattelandsgebieden (21);

vi)

garantieregelingen voor de financiering van de scheepsbouw (22);

vii)

steunmaatregelen die aan alle andere toepasselijke voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening voldoen, maar van de toepassing daarvan zijn uitgesloten omdat:

de betrokken maatregelen ad-hocsteun vormen (23);

de betrokken maatregelen in niet-transparante vorm worden verleend (artikel 5 van de algemene groepsvrijstellingsverordening), maar hun bruto-subsidie-equivalent wordt berekend op basis van een methode die door de Autoriteit in drie na 1 januari 2007 vastgestelde afzonderlijke besluiten is goedgekeurd;

viii)

maatregelen ter ondersteuning van de ontwikkeling van plaatselijke infrastructuur die geen staatssteun vormen in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst, omdat de betrokken maatregel, gezien de specifieke kenmerken van de zaak, het handelsverkeer binnen de EER niet beïnvloedt (24);

ix)

de verlenging en/of wijziging van bestaande regelingen die buiten het toepassingsbereik vallen van de vereenvoudigde procedure van Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 195/04/COL van 14 juli 2004 betreffende de uitvoeringsbepalingen als bedoeld in artikel 27 van deel II van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (25) (zie hierna categorie 3), bijvoorbeeld de aanpassing van bestaande regelingen aan nieuwe horizontale richtsnoeren (26).

Deze lijst dient slechts ter illustratie, aangezien de exacte omvang van deze categorie kan evolueren in lijn met de beschikkingspraktijk van de Autoriteit. De Autoriteit kan deze lijst van tijd tot tijd herzien om deze in overeenstemming te brengen met de zich ontwikkelende praktijk.

c)

Categorie 3: Verlenging of uitbreiding van bestaande regelingen

Artikel 4 van Besluit nr. 195/04/COL van de Autoriteit voorziet in een vereenvoudigde aanmeldingsprocedure voor bepaalde wijzigingen in bestaande steun. Overeenkomstig dat artikel moeten „de volgende wijzigingen in bestaande steun worden aangemeld door middel van het in bijlage II bij dit besluit opgenomen formulier voor vereenvoudigde aanmelding:

a)

verhogingen van de voor een goedgekeurde steunregeling voorziene middelen met meer dan 20 %;

b)

de verlenging van een bestaande goedgekeurde steunregeling voor een periode tot zes jaar, al dan niet met een verhoging van de voorziene middelen;

c)

de aanscherping van de criteria voor de toepassing van een goedgekeurde steunregeling, een verlaging van de steunintensiteit of van de in aanmerking komende uitgaven”.

Deze richtsnoeren doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om artikel 4 van Besluit nr. 195/04/COL van de Autoriteit toe te passen. De Autoriteit nodigt de aanmeldende EVA-staat evenwel uit om in overeenstemming met deze richtsnoeren te handelen, en ook gebruik te maken van de mogelijkheid tot prenotificatie van de betrokken steunmaatregelen, met gebruikmaking van het in de bijlage bij Besluit nr. 195/04/COL van de Autoriteit vervatte formulier voor vereenvoudigde aanmelding. De Autoriteit zal de betrokken EVA-staat, in het kader van deze procedure, ook verzoeken in te stemmen met de bekendmaking op de website van de Autoriteit van de samenvatting van de aanmelding.

Beperkingen en uitzonderingen

(6)

Aangezien de vereenvoudigde procedure enkel van toepassing is op steun die is aangemeld op grond van artikel 1, lid 3, in deel I van Protocol nr. 3 bij de Toezichtovereenkomst, is onrechtmatige steun uitgesloten. Bovendien is, voor zover de EER-overeenkomst op de volgende sectoren van toepassing is, de vereenvoudigde procedure, vanwege de specifieke kenmerken van die sectoren, evenmin van toepassing op steun voor activiteiten in de visserij en aquacultuur, activiteiten in verband met de primaire productie van landbouwproducten of activiteiten in verband met de verwerking of de afzet van landbouwproducten. Verder zal de vereenvoudigde procedure niet met terugwerkende kracht worden toegepast op maatregelen ten aanzien waarvan prenotificatie vóór 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden.

(7)

Bij de beoordeling van de vraag of aangemelde steun onder één van de in punt 5 genoemde in aanmerking komende categorieën valt, ziet de Autoriteit erop toe dat de van toepassing zijnde richtsnoeren en/of de vaste beschikkingspraktijk van de Autoriteit op basis waarvan de aangemelde steunmaatregel moet worden beoordeeld, alsmede alle relevante feitelijke omstandigheden, voldoende duidelijk worden vastgesteld. Aangezien de volledigheid van de aanmelding een cruciaal element is om te bepalen of de vereenvoudigde procedure moet worden toegepast, wordt de aanmeldende EVA-staat verzocht alle relevante informatie, inclusief precedenten waarop deze zich beroept, voor zover van toepassing, aan het begin van de prenotificatiefase (zie punt 14) te verstrekken.

(8)

Indien het aanmeldingsformulier niet volledig is of misleidende dan wel onjuiste informatie bevat, zal de Autoriteit de vereenvoudigde procedure niet toepassen. Ook ingeval de aanmelding nieuwe juridische vraagstukken van algemeen belang betreft, zal de Autoriteit de vereenvoudigde procedure doorgaans niet toepassen.

(9)

Hoewel meestal mag worden aangenomen dat steunmaatregelen die binnen de in punt 5 genoemde categorieën vallen, geen twijfel doen rijzen over de verenigbaarheid ervan met de werking van de EER-overeenkomst, kan er toch sprake zijn van bijzondere omstandigheden, die een nader onderzoek vereisen. In die gevallen kan de Autoriteit altijd terugvallen op de normale procedure.

(10)

Enkele voorbeelden van de bedoelde bijzondere omstandigheden zijn: bepaalde vormen van steun die in de beschikkingspraktijk van de Autoriteit nog niet zijn onderzocht, precedenten die de Autoriteit mogelijk opnieuw beoordeelt in het licht van recente rechtspraak of ontwikkelingen in de EER, nieuwe technische vraagstukken, of bezwaren met betrekking tot de verenigbaarheid van de maatregel met andere bepalingen van de EER-overeenkomst (bijvoorbeeld het discriminatieverbod, de vier vrijheden enz.).

(11)

De Autoriteit valt terug op de normale procedure wanneer de aangemelde steunmaatregel een onderneming zou kunnen begunstigen ten aanzien waarvan een terugvorderingsbevel uitstaat als gevolg van een besluit van de Autoriteit waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst is verklaard (het zgn. Deggendorf-beginsel).

(12)

Ten slotte, wanneer belanghebbenden binnen de in punt 21 van deze richtsnoeren genoemde termijn hun gemotiveerde bezwaren kenbaar maken, valt de Autoriteit terug op de normale procedure (27) en stelt zij de EVA-staat daarvan in kennis.

3.   Procedurele bepalingen

Prenotificatiecontacten

(13)

De Autoriteit heeft prenotificatiecontacten met de aanmeldende EVA-staat ook in kennelijk eenvoudige zaken als nuttig ervaren. Dergelijke contacten bieden de Autoriteit en de EVA-staten met name de gelegenheid om in een vroeg stadium te bepalen welke de relevante instrumenten of precedenten van de Autoriteit zijn, hoe complex de beoordeling van de Autoriteit naar verwachting zal zijn, en wat de reikwijdte en diepgang zijn van de informatie die de Autoriteit nodig heeft om de zaak volledig te kunnen beoordelen.

(14)

Gezien de beperkte tijd die in het kader van de vereenvoudigde procedure beschikbaar is, is de beoordeling van een steunmaatregel in het kader van de vereenvoudigde procedure alleen mogelijk indien de EVA-staat prenotificatiecontacten heeft gehad met de Autoriteit. In dit verband wordt de EVA-staat verzocht, via de IT-applicatie van de Autoriteit, een ontwerp-aanmeldingsformulier in te dienen met de benodigde formulieren aanvullende informatie als bedoeld in artikel 2 van Besluit nr. 195/04/COL van de Autoriteit, samen met de eventueel relevante precedenten. De betrokken EVA-staat kan de Autoriteit in deze fase ook verzoeken te worden vrijgesteld van het invullen van bepaalde delen van het aanmeldingsformulier. De EVA-staat en de Autoriteit kunnen tijdens de prenotificatiecontacten ook afspreken dat de EVA-staat in die fase geen ontwerp-aanmeldingsformulier en begeleidende informatie hoeft over te leggen. Een dergelijke afspraak zou bijvoorbeeld zinvol kunnen zijn vanwege het repetitieve karakter van bepaalde steunmaatregelen (zie bijvoorbeeld de in punt 5, onder c), van deze richtsnoeren genoemde categorie). In dit verband kan de EVA-staat worden verzocht direct tot aanmelding over te gaan wanneer de Autoriteit uitvoerig overleg over de voorgenomen steunmaatregelen niet nodig acht.

(15)

Binnen twee weken na ontvangst van het ontwerp-aanmeldingsformulier brengt de Autoriteit een eerste prenotificatiecontact tot stand. De Autoriteit stimuleert het onderhouden van contact per e-mail of via conference-call en organiseert, op verzoek van de betrokken EVA-staat, ook bijeenkomsten. Binnen vijf werkdagen na het laatste prenotificatiecontact laat de Autoriteit de betrokken EVA-staat weten of zij van mening is dat de zaak op het eerste gezicht in aanmerking komt voor behandeling in het kader van de vereenvoudigde procedure, welke informatie eventueel nog moet worden ingediend wil de zaak voor die procedure in aanmerking komen, dan wel of de zaak toch volgens de normale procedure moet worden behandeld.

(16)

Het feit dat de Autoriteit heeft aangegeven dat de betrokken zaak kan worden behandeld in het kader van de vereenvoudigde procedure, impliceert dat de EVA-staat en de diensten van de Autoriteit het op het eerste gezicht eens zijn dat de informatie die in de prenotificatiefase is verstrekt, in geval van formele aanmelding een volledige aanmeldingzou zijn. Zodra de maatregel formeel wordt aangemeld, zou de Autoriteit deze dan in beginsel kunnen goedkeuren op basis van een aanmeldingsformulier waarin de uitkomsten van de prenotificatiecontacten zijn opgenomen, zonder verder verzoek om informatie.

Aanmelding

(17)

De EVA-staat moet de betrokken steunmaatregelen aanmelden uiterlijk twee maanden na ontvangst van de mededeling van de diensten van de Autoriteit dat de steunmaatregel op het eerste gezicht voor behandeling volgens de vereenvoudigde procedure in aanmerking komt. Voor zover de aanmelding wijzigingen bevat ten opzichte van de informatie die in de prenotificatiestukken is verstrekt, moet dit duidelijk in het aanmeldingsformulier worden aangegeven.

(18)

Bij de indiening van de aanmelding door de EVA-staat begint de in punt 2 bedoelde termijn te lopen.

(19)

De vereenvoudigde procedure voorziet niet in een specifiek formulier vereenvoudigde aanmelding. Behalve voor zaken die onder de in punt 5, onder c), van deze richtsnoeren genoemde categorie vallen, moet de aanmelding plaatsvinden op basis van de standaardaanmeldingsformulieren van Besluit nr. 195/04/COL van de Autoriteit.

Bekendmaking van een samenvatting van de aanmelding

(20)

De Autoriteit publiceert op haar website een samenvatting van de aanmelding, gebaseerd op de informatie die de EVA-staat heeft verstrekt met het standaardformulier uit de bijlage bij deze richtsnoeren. In dit standaardformulier wordt aangegeven dat de steunmaatregel op grond van de door de EVA-staat verstrekte informatie in aanmerking komt voor toepassing van de vereenvoudigde procedure. Door de Autoriteit te verzoeken een aangemelde maatregel overeenkomstig deze richtsnoeren te behandelen, wordt de betrokken EVA-staat geacht ermee in te stemmen dat de in de aanmelding verstrekte informatie, die overeenkomstig het in de bijlage bij deze richtsnoeren opgenomen formulier op de website zal worden gepubliceerd, niet-vertrouwelijk is. Verder wordt de EVA-staten verzocht duidelijk aan te geven of de aanmelding bedrijfsgevoelige informatie bevat.

(21)

Belanghebbenden hebben vervolgens 10 werkdagen de tijd om opmerkingen te maken (en tegelijk een niet-vertrouwelijke versie van hun opmerkingen in te dienen), met name over omstandigheden die mogelijk een grondiger onderzoek vereisen. Indien belanghebbenden met betrekking tot de aangemelde maatregel gemotiveerde mededingingsbezwaren maken, valt de Autoriteit terug op de normale procedure en deelt zij dit mede aan de EVA-staat en de belanghebbenden in kwestie. De betrokken EVA-staat wordt eveneens op de hoogte gesteld van terdege gemotiveerde bezwaren en krijgt de gelegenheid om daarop te reageren.

Verkort besluit

(22)

Indien ten genoegen van de Autoriteit is vastgesteld dat de aangemelde maatregel aan de criteria voor de vereenvoudigde procedure voldoet (zie met name punt 5), stelt zij een verkort besluit vast. De Autoriteit stelt in dat geval alles in het werk om binnen 20 werkdagen vanaf de datum van aanmelding een besluit vast te stellen, waarin zij constateert dat de aangemelde maatregel geen steun vormt, dan wel een besluit vaststelt geen bezwaar te maken, overeenkomstig artikel 4, lid 2 of lid 3, in deel II van Protocol nr. 3, tenzij een van de in de punten 6 tot en met 12 van deze richtsnoeren bedoelde beperkingen of uitzonderingen van toepassing is.

Bekendmaking van het verkorte besluit

(23)

De Autoriteit publiceert, overeenkomstig artikel 26, lid 1, in deel II van Protocol nr. 3, een korte mededeling over dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie en het EER-Supplement daarbij. Het verkorte besluit wordt bekendgemaakt op de website van de Autoriteit. Het verkorte besluit bevat een verwijzing naar de beknopte gegevens over de aanmelding zoals die ten tijde van de aanmelding op de website van de Autoriteit zijn gepubliceerd, een standaardbeoordeling van de maatregel op grond van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst en, voor zover van toepassing, een verklaring dat de steunmaatregel verenigbaar wordt verklaard met de werking van de EER-overeenkomst, omdat deze binnen een of meer in punt 5 van deze richtsnoeren genoemde categorieën valt, waarbij de toepasselijke categorieën expliciet worden genoemd en tevens een verwijzing wordt opgenomen naar de toepasselijke horizontale instrumenten en/of precedenten.

4.   Slotbepalingen

(24)

Op verzoek van de betrokken EVA-staat zal de Autoriteit de in deze richtsnoeren vervatte beginselen toepassen op maatregelen die vanaf 1 januari 2010 overeenkomstig punt 17 worden aangemeld.

(25)

De Autoriteit kan deze richtsnoeren herzien om zwaarwegende redenen die verband houden met het mededingingsbeleid of om rekening te houden met de ontwikkeling van het recht en de beschikkingspraktijk op het gebied van staatssteun. De Autoriteit is voornemens deze richtsnoeren voor het eerst uiterlijk vier jaar na de bekendmaking ervan te evalueren. In dat verband zal de Autoriteit tevens onderzoeken in hoeverre specifieke formulieren vereenvoudigde aanmelding moeten worden ontwikkeld om de toepassing van deze richtsnoeren te vergemakkelijken.


(1)  Dit hoofdstuk is gebaseerd op de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde soorten staatssteun (PB C 136 van 16.6.2009, blz. 9).

(2)  Zie, meer bepaald, de richtsnoeren inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB L 305 van 19.11.2009, blz. 1 en EER-Supplement nr. 60 van 19.11.2009, blz. 1) (hierna „O&O&I-richtsnoeren” genoemd); de richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (PB L 184 van 16.7.2009, blz. 18) (hierna „richtsnoeren risicokapitaalinvesteringen” genoemd); de richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PB L 144 van 10.6.2010, blz. 1 en EER-Supplement nr. 29 van 10.6.2010, blz. 1) (hierna „richtsnoeren milieusteun” genoemd); de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2007-2013 (PB L 54 van 28.2.2008, blz. 1) (hierna „richtsnoeren regionale steun” genoemd); het besluit betreffende de verlenging van de richtsnoeren inzake staatssteun aan de scheepsbouw (PB L 148 van 11.6.2009, blz. 55) (hierna „richtsnoeren steunverlening aan de scheepsbouw” genoemd); de richtsnoeren betreffende steunverlening ten behoeve van cinematografische en andere audiovisuele werken (PB L 105 van 21.4.2011, blz. 32 en EER-Supplement nr. 23 van 21.4.2011, blz. 1) (hierna „filmrichtsnoeren” genoemd), en Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”) (PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3), opgenomen in bijlage XV bij de EER-overeenkomst bij Besluit nr. 120/2008 van het Gemengd Comité van de EER (PB L 339 van 18.12.2008, blz. 111 en EER-Supplement nr. 79 van 18.12.2008, blz. 8).

(3)  Maatregelen die in het kader van de huidige financiële crisis bij de Autoriteit worden aangemeld overeenkomstig de mededelingen van de Autoriteit „De toepassing van de staatssteunregels op maatregelen in het kader van de huidige wereldwijde financiële crisis genomen met betrekking tot financiële instellingen” (PB L 17 van 20.1.2011, blz. 1 en EER-Supplement nr. 3 van 20.1.2011, blz. 1); „Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis” (PB L 15 van 20.1.2011, blz. 26 en EER-Supplement nr. 3 van 20.1.2011, blz. 31), vallen niet onder de in deze richtsnoeren bedoelde vereenvoudigde procedure. Er is voorzien in specifieke ad-hocregelingen om die zaken snel af te handelen.

(4)  Zoals punt 5 van de O&O&I-richtsnoeren, punt 3 van de richtsnoeren milieusteun, en punt 4 van de richtsnoeren risicokapitaalinvesteringen.

(5)  De richtsnoeren regionale steun; punt 3.1.2 van de richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB L 107 van 28.4.2005, blz. 28) (hierna „richtsnoeren reddings- en herstructureringssteun” genoemd).

(6)  De Autoriteit zal op de gewone procedure terugvallen wanneer de aangemelde maatregelen een onderneming zou kunnen begunstigen ten aanzien waarvan een terugvorderingsbevel uitstaat als gevolg van een eerder besluit van de Autoriteit waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst is verklaard (het zgn. Deggendorf-beginsel); zie arrest van het EU-Hof van Justitie van 9 maart 1994, zaak C-188/92, TWD Textilwerke Deggendorf GmbH/Duitsland, Jurispr. 1994, blz. I-833.

(7)  Artikel 18, lid 5, van de algemene groepsvrijstellingsverordening voorziet in een vereenvoudigde methode voor de berekening van de kosten.

(8)  Volgens de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn eco-innovatiebonussen niet vrijgesteld.

(9)  De algemene groepsvrijstellingsverordening geldt alleen in geval van steun ten behoeve van jonge innovatieve ondernemingen die voldoen aan de voorwaarden van punt 5.4, onder b), punt ii), van de O&O&I-richtsnoeren.

(10)  In dergelijke gevallen geldt dat uit de door de EVA-staten te verstrekken informatie vooraf moet blijken dat: i) het steunbedrag het aanmeldingsplafond niet overschrijdt (zonder geavanceerde berekeningen van de netto contante waarde); ii) de steun een nieuwe investering betreft (geen vervangingsinvestering), en iii) de gunstige effecten van de steun voor de regionale ontwikkeling opwegen tegen de verstoring van de mededinging die erdoor ontstaat. Zie bijv. het besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel N 721/2007 — Polen — Reuters Europe SA.

(11)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 28/2006 — Polen — Techmatrans, betreffende steunmaatregel N 258/2007 — Duitsland — Reddingssteun ten gunste van Erich Rohde KG, en betreffende steunmaatregel N 802/2006 — Italië — Reddingssteun ten gunste van Sandretto Industrie.

(12)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 85/2008 — Oostenrijk — Garantieregeling voor kleine en middelgrote ondernemingen in de regio Salzburg, betreffende steunmaatregel N 386/2007 — Frankrijk — Regeling voor reddings- en herstructureringssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, en betreffende steunmaatregel N 832/2006 — Italië — Reddings- en herstructureringsregeling Valle d’Aosta. Deze benadering is in overeenstemming met artikel 1, lid 7, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

(13)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 92/2008 — Oostenrijk — Herstructureringssteun ten gunste van Der Bäcker Legat, en betreffende steunmaatregel N 289/2007 — Italië — Herstructureringssteun ten gunste van Fiem SRL.

(14)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 76/2008 — Duitsland — Verlenging van de CIRR-financieringsregeling voor de export van schepen, betreffende steunmaatregel N 26/2008 — Denemarken — Wijzigingen in de financieringsregeling voor de export van schepen, en betreffende steunmaatregel N 760/2006 — Spanje — Verlenging van de exportfinancieringsregeling — Spaanse scheepsbouw.

(15)  Hoewel de criteria van de richtsnoeren alleen rechtstreeks van toepassing zijn op productieactiviteit, zijn zij in de praktijk tevens van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de verenigbaarheid van de pre- en post-productie van audiovisuele werken, alsmede op het noodzaak- en evenredigheidbeginsel van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst. Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 233/2008 — Letse steunregeling voor film, betreffende steunmaatregel N 72/2008 — Spanje — Regeling voor de bevordering van film in Madrid, betreffende steunmaatregel N 60/2008 — Italië — Steun voor film in de regio Sardinië, en betreffende steunmaatregel N 291/2007 — Nederlands Film Fonds.

(16)  De Autoriteit kan, bij haar beoordeling of er sprake is van een vaste beschikkingspraktijk, ook voortbouwen op besluiten die de Commissie heeft genomen.

(17)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 393/2007 — Nederland — Subsidie ten gunste van NV Bergkwartier, betreffende steunmaatregel N 106/2005 — Polen — Hala Ludowa in Wroclaw, en betreffende steunmaatregel N 123/2005 — Hongarije — Programma voor toerisme en cultuur in Hongarije.

(18)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 340/2007 — Spanje — Activiteiten op het gebied van theater, dans en muziek en audiovisuele activiteiten in Baskenland, betreffende steunmaatregel N 257/2007 — Spanje — Bevordering van theaterproducties in Baskenland, en betreffende steunmaatregel N 818/99 — Frankrijk — Parafiscale heffing op voorstellingen en concerten.

(19)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 776/2006 — Spanje — Subsidies voor de ontwikkeling van het gebruik van het Baskisch, betreffende steunmaatregel N 49/2007 — Spanje — Subsidies voor de ontwikkeling van het gebruik van het Baskisch, en betreffende steunmaatregel N 161/2008 — Spanje — Steun voor de Baskische taal.

(20)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 687/2006 — Slovakije — Steun ten gunste van Kalligram sro in verband met een tijdschrift, betreffende steunmaatregel N 1/2006 — Slovenië — Bevordering van de uitgeverijsector in Slovenië, en betreffende steunmaatregel N 268/2002 — Italië — Steun ten gunste van de uitgeverijsector op Sicilië.

(21)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 264/2006 — Italië — Breedband op het platteland in Toscane, betreffende steunmaatregel N 473/2007 — Italië — Breedbandverbindingen ten behoeve van Alto Adige, en betreffende steunmaatregel N 115/2008 — Breedband in plattelandsgebieden in Duitsland.

(22)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 325/2006 — Duitsland — Verlenging van de garantieregelingen voor de financiering van de scheepsbouw, betreffende steunmaatregel N 35/2006 — Frankrijk — Garantieregeling voor de financiering van de scheepsbouw en bonding, en betreffende steunmaatregel N 253/2005 — Nederland — Garantieregeling voor de financiering van de scheepsbouw.

(23)  Ad-hocsteun is vaak uitgesloten van het toepassingsbereik van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Deze uitsluiting geldt voor alle grote ondernemingen (artikel 1, lid 5, van de algemene groepsvrijstellingsverordening), alsmede, in bepaalde omstandigheden, op kleine en middelgrote ondernemingen (zie de artikelen 13 en 14 inzake regionale steun, artikel 16 inzake vrouwelijke ondernemers, artikel 29 inzake steun in de vorm van risicokapitaal, en artikel 40 inzake steun voor de indienstneming van kwetsbare werknemers). Wat betreft de specifieke voorwaarden die voor ad-hoc regionale-investeringssteun gelden, zie voetnoot 10 hierboven. Verder doen deze richtsnoeren geen afbreuk aan andere mededelingen of richtsnoeren van de Autoriteit waarin gedetailleerde economische beoordelingscriteria worden gegeven voor de verenigbaarheidsanalyse van zaken die individueel moeten worden aangemeld.

(24)  Zie de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 258/2000 — Duitsland — Golfslagbad Dorsten, betreffende steunmaatregel N 486/2002 — Zweden — Steun ten behoeve van een congresgebouw in Visby, betreffende steunmaatregel N 610/2001 — Duitsland — Programma voor toeristische infrastructuur Baden-Württemberg, en betreffende steunmaatregel N 337/2007 — Nederland — Steun voor de Bataviawerf — Reconstructie van een schip uit de 17e eeuw. Teneinde te kunnen stellen dat de betrokken maatregel het handelsverkeer binnen de EER niet beïnvloedt, moet de EVA-staat volgens de vier genoemde precedenten met name de volgende punten aantonen: 1) de steun leidt niet tot het aantrekken van investeringen in de betrokken regio; 2) de door de begunstigde onderneming geproduceerde goederen/diensten hebben een lokaal karakter en/of een geografisch beperkt aantrekkingsgebied; 3) er is niet meer dan een marginaal effect op consumenten uit naburige EVA-staten, en 4) het marktaandeel van de begunstigde onderneming is, ongeacht de gehanteerde afbakening van de relevante markt, minimaal en de begunstigde maakt geen deel uit van een groter concern. Deze punten moeten worden toegelicht in het ontwerp-aanmeldingsformulier bedoeld in punt 14 van deze richtsnoeren.

(25)  PB L 139 van 25.5.2006, blz. 37 en EER-Supplement nr. 26 van 25.5.2006, blz. 1. Gewijzigd bij Besluit nr. 319/05/COL van 14 december 2005 (PB L 113 van 27.4.2006, blz. 24 en EER-Supplement nr. 21 van 27.4.2006, blz. 46) en Besluit nr. 789/08/COL van 17 december 2008 (PB L 340 van 22.12.2010, blz. 1 en EER-Supplement nr. 72 van 22.12.2010, blz. 1). Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).

(26)  Zie bijv. de besluiten van de Commissie betreffende steunmaatregel N 585/2007 — Verenigd Koninkrijk — Verlenging van een O&O-regeling in Yorkshire, betreffende steunmaatregel N 275/2007 — Duitsland — Verlenging van het programma voor reddings- en herstructureringssteun ten gunste van kleine en middelgrote ondernemingen in Bremen, betreffende steunmaatregel N 496/2007 — Italië — Lombardije — Garantiefonds voor de ontwikkeling van risicokapitaal, en betreffende steunmaatregel N 625/2007 — Letland — Steun voor risicokapitaal ten gunste van kleine en middelgrote ondernemingen.

(27)  Dit impliceert geen uitbreiding van de rechten van belanghebbenden in het licht van de rechtspraak van het EVA-Hof en het EU-Hof van Justitie. Zie arrest van 12 december 2006, Asociación de Empresarios de Estaciones de Servicio de la Comunidad Autónoma de Madrid en Federación Catalana de Estaciones de Servicio/Commissie, Jurispr. 2006, blz. II-4739, punt 139, en arrest van 15 maart 2001, zaak T-73/98, Société chimique Prayon-Rupel SA/Commissie, Jurispr. 2001, blz. II-867, punt 45.


BIJLAGE II

SAMENVATTING VAN EEN AANMELDING, MET HET VERZOEK AAN BELANGHEBBENDEN OPMERKINGEN TE MAKEN

AANMELDING VAN EEN STEUNMAATREGEL

Op … is, overeenkomstig artikel 1, lid 3, in deel I van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie, bij de Autoriteit een steunmaatregel aangemeld. Na een eerste onderzoek is de Autoriteit tot de bevinding gekomen dat de aangemelde maatregel binnen de werkingssfeer van de richtsnoeren van de Autoriteit betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde soorten staatssteun (PB C … van …, blz. …) kunnen vallen.

De Autoriteit verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de voorgenomen maatregel kenbaar te maken.

De belangrijkste kenmerken van de steunmaatregel zijn:

 

Referentienummer van de steun: N …

 

EVA-staat:

 

Referentienummer EVA-staat:

 

Regio:

 

Steunverlenende autoriteit:

 

Benaming van de steunmaatregel:

 

Nationale rechtsgrondslag:

 

Voorgestelde EER-grondslag voor de beoordeling: … richtsnoeren of vaste praktijk van de Autoriteit als genoemd in de besluiten van de Autoriteit (1, 2 en 3).

 

Type maatregel: Steunregeling/Ad-hocsteun

 

Wijziging bestaande steunmaatregel:

 

Duur (regeling):

 

Datum steunverlening:

 

Betrokken economische sector(en):

 

Soort begunstigden: (kmo’s/grote ondernemingen)

 

Begroting:

 

Steuninstrument (subsidie, rentesubsidie …):

Opmerkingen betreffende mededingingsproblemen met betrekking tot de aangemelde maatregel dienen uiterlijk 10 werkdagen na de datum van publicatie van deze samenvatting bij de Autoriteit te zijn ingekomen en dienen vergezeld te gaan van een niet-vertrouwelijke versie van die opmerkingen, die aan de betrokken EVA-staat en/of andere belanghebbenden kan worden verstrekt. Opmerkingen dienen, onder vermelding van referentienummer N …, per fax, post of e-mail op het volgende adres aan de Autoriteit te worden gezonden:

EFTA Surveillance Authority

Belliardstraat 35

1040 Brussel

BELGIË

Fax +32 228-61800

E-mail: registry@eftasurv.int


Rectificaties

15.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 75/36


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1368/2011 van de Commissie van 21 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1121/2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen, en van Verordening (EG) nr. 1122/2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector

( Publicatieblad van de Europese Unie L 341 van 22 december 2011 )

Bladzijde 36, artikel 2, punt 14, onder a):

in plaats van:

„a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Voor aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen, geldt dat, indien voor een gewasgroep de in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, de betrokken steun wordt berekend op basis van de voor die gewasgroep geconstateerde oppervlakte.”;

”,

te lezen:

„a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Voor aanvragen om steun in het kader van de oppervlaktegebonden steunregelingen, geldt dat, indien voor een gewasgroep de geconstateerde oppervlakte groter is dan de in de verzamelaanvraag aangegeven oppervlakte, de betrokken steun wordt berekend op basis van de voor die gewasgroep aangegeven oppervlakte.”;

”.