ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.064.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 64

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
3 maart 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 180/2012 van de Commissie van 2 maart 2012 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Κουφέτα Αμυγδάλου Γεροσκήπου (Koufeta Amygdalou Geroskipou) (BGA))

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 181/2012 van de Commissie van 2 maart 2012 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Melon de Guadeloupe (BGA))

3

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 182/2012 van de Commissie van 2 maart 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

5

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2012/7/EU van de Commissie van 2 maart 2012 tot wijziging van deel III van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van speelgoed met het oog op de aanpassing aan de technische vooruitgang ( 1 )

7

 

*

Uitvoeringsrichtlijn 2012/8/EU van de Commissie van 2 maart 2012 tot wijziging van Richtlijn 2003/90/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek ( 1 )

9

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/136/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 29 februari 2012 tot oprichting van de gemeenschappelijke infrastructuur voor taalhulpbronnen en -technologie als een consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (CLARIN ERIC) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 1018)

13

 

 

2012/137/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 1 maart 2012 betreffende de invoer van sperma van varkens in de Unie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 1148)  ( 1 )

29

 

 

2012/138/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 1 maart 2012 tot vaststelling van noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora chinensis (Forster) te voorkomen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 1310)

38

 

 

Rectificaties

 

 

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 163/2012 van de Commissie van 23 februari 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine (PB L 52 van 24.2.2012)

48

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 180/2012 VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2012

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Κουφέτα Αμυγδάλου Γεροσκήπου (Koufeta Amygdalou Geroskipou) (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Cyprus ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Κουφέτα Αμυγδάλου Γεροσκήπου” (Koufeta Amygdalou Geroskipou) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 191 van 1.7.2011, blz. 24.


BIJLAGE

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 510/2006 genoemde levensmiddelen:

Categorie 2.4:   Brood, gebak, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren

CYPRUS

Κουφέτα Αμυγδάλου Γεροσκήπου (Koufeta Amygdalou Geroskipou) (BGA)


3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 181/2012 VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2012

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Melon de Guadeloupe (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Frankrijk ingediende aanvraag tot registratie van de naam „Melon de Guadeloupe” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 189 van 29.6.2011, blz. 37.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

FRANKRIJK

Melon de Guadeloupe (BGA)


3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 182/2012 VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

70,7

JO

73,2

MA

73,1

TN

90,4

TR

120,0

ZZ

85,5

0707 00 05

EG

158,2

JO

131,5

TR

169,6

ZZ

153,1

0709 91 00

EG

72,9

ZZ

72,9

0709 93 10

MA

56,1

TR

102,2

ZZ

79,2

0805 10 20

EG

51,8

IL

66,9

MA

51,6

TN

51,1

TR

76,8

ZZ

59,6

0805 50 10

BR

43,7

TR

60,9

ZZ

52,3

0808 10 80

CA

118,1

CL

98,4

CN

108,3

MK

31,8

US

155,6

ZZ

102,4

0808 30 90

AR

70,3

CL

145,8

CN

54,2

US

99,0

ZA

95,8

ZZ

93,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/7


RICHTLIJN 2012/7/EU VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2012

tot wijziging van deel III van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de veiligheid van speelgoed met het oog op de aanpassing aan de technische vooruitgang

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (1), en met name artikel 46, lid 1, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2009/48/EG stelt grenswaarden vast voor cadmium, gebaseerd op de aanbevelingen die het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft gedaan in zijn verslag uit 2008 getiteld "Chemicals in Toys. A general methodology for assessment of chemical safety of toys with a focus on elements". De aanbevelingen van het RIVM gaan uit van de veronderstelling dat de blootstelling van kinderen aan chemische stoffen in speelgoed een bepaald niveau, de zogenaamde "toelaatbare dagelijkse inname" niet mag overschrijden. Aangezien kinderen ook worden blootgesteld aan chemische stoffen uit andere bronnen dan speelgoed, mag slechts een percentage van de toelaatbare dagelijkse inname aan speelgoed worden toegekend. Het Wetenschappelijk Comité voor toxiciteit, ecotoxiciteit en milieu (CSTEE) is geraadpleegd en heeft in een verslag van 2004 aanbevolen maximaal 10 % van de toelaatbare dagelijkse inname aan speelgoed toe te kennen. Voor cadmium en andere bijzonder giftige chemische stoffen wordt echter aanbevolen dat niet meer dan 5 % van de toelaatbare dagelijkse inname van speelgoed afkomstig mag zijn, om ervoor te zorgen dat alleen sporen aanwezig zijn die verenigbaar zijn met een goede fabricagepraktijk.

(2)

Volgens de aanbevelingen van het RIVM moet het maximumpercentage van de toelaatbare dagelijkse inname vermenigvuldigd worden met het gewicht van het kind, geschat op 7,5 kg, en gedeeld door de hoeveelheid ingenomen materiaal, om te komen tot grenswaarden voor de in Richtlijn 2009/48/EG opgesomde chemische stoffen.

(3)

Voor cadmium is het RIVM uitgegaan van de toelaatbare dagelijkse inname van 7 μg/kg die in 1989 door het Gemengd comité van deskundigen voor levensmiddelenadditieven van de FAO en de WHO (JECFA) is vastgesteld en in 2001 door het JECFA is bevestigd. Daarop is een veiligheidsfactor van twee toegepast, hetgeen resulteert in een toelaatbare wekelijkse inname van 3,5 μg/kg en een toelaatbare dagelijkse inname van 0,5 μg/kg.

(4)

Teneinde mogelijke scenario's voor blootstelling aan chemische stoffen op te stellen, heeft het RIVM de hoeveelheid ingenomen materiaal op 8 mg geschat voor afgekrabd speelgoedmateriaal, 100 mg voor bros speelgoedmateriaal en 400 mg voor vloeibaar of kleverig speelgoedmateriaal. Het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids- en milieurisico’s (SCHER) heeft zich in zijn advies van 18 mei 2010 getiteld "Risks from organic CMR substances in toys" bij dit standpunt aangesloten.

(5)

Uitgaande van 5 % van de toelaatbare dagelijkse inname, vermenigvuldigd met het gewicht van het kind en gedeeld door de hoeveelheid ingenomen materiaal zijn de volgende grenswaarden voor cadmium vastgesteld: 23 mg/kg voor afgekrabd materiaal, 1,9 mg/kg voor droog materiaal en 0,5 mg/kg voor vloeibaar materiaal.

(6)

In haar advies van 30 januari 2009 concludeerde de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) dat de door JECFA in 1989 vastgestelde en door JECFA in 2001 bevestigde toelaatbare wekelijkse inname gezien de nieuwe ontwikkelingen betreffende de toxicologie van cadmium niet meer voldeed. De EFSA stelde een nieuwe toelaatbare wekelijkse inname van 2,5 μg/kg vast, wat overeenkomt met een toelaatbare dagelijkse inname van 0,36 μg/kg.

(7)

Uitgaande van 5 % van de toelaatbare dagelijkse inname, vermenigvuldigd met het gewicht van het kind en gedeeld door de hoeveelheid ingenomen materiaal levert dit de volgende grenswaarden voor cadmium op: 17 mg/kg voor afgekrabd materiaal, 1,3 mg/kg voor droog materiaal en 0,3 mg/kg voor vloeibaar materiaal.

(8)

Richtlijn 2009/48/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen stroken met het advies van het Europees Comité voor de veiligheid van speelgoed,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel III van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 20 januari 2013 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 20 juli 2013.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 170 van 30.6.2009, blz. 1.


BIJLAGE

Deel III van bijlage II bij Richtlijn 2009/48/EG wordt als volgt gewijzigd:

In punt 13 komt de regel over cadmium als volgt te luiden:

Element

mg/kg

in droog, bros, poederachtig of flexibel speelgoedmateriaal

mg/kg

in vloeibaar of kleverig speelgoedmateriaal

mg/kg

in afgekrabd speelgoedmateriaal

„Cadmium

1,3

0,3

17”


3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/9


UITVOERINGSRICHTLIJN 2012/8/EU VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2012

tot wijziging van Richtlijn 2003/90/EG houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (1), en met name artikel 7, lid 2, onder a) en b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2003/90/EG van de Commissie (2) is vastgesteld om ervoor te zorgen dat de rassen die de lidstaten in hun nationale rassenlijsten opnemen, aan de richtsnoeren van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) voldoen wat betreft de kenmerken waartoe het onderzoek van de rassen zich ten minste moet uitstrekken en de minimumeisen voor dat onderzoek, voor zover deze richtsnoeren zijn vastgesteld. Voor andere rassen bepaalt de richtlijn dat de richtsnoeren van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV) van toepassing zijn.

(2)

Het CBP heeft sindsdien verdere richtsnoeren voor een aantal andere gewassen vastgesteld of bestaande richtsnoeren aangepast.

(3)

Richtlijn 2003/90/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2003/90/EG worden vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

In het geval van onderzoeken die vóór 1 oktober 2012 zijn begonnen, mogen de lidstaten Richtlijn 2003/90/EG toepassen in de versie die vóór de wijziging bij deze richtlijn gold.

Artikel 3

De lidstaten dienen uiterlijk 30 september 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 oktober 2012.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1.

(2)  PB L 254 van 8.10.2003, blz. 7.


BIJLAGE

BIJLAGE I

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de CBP-testprotocollen

Wetenschappelijke naam

Gewone naam

CBP-protocol

Festuca filiformis Pourr.

Fijnbladig schapengras

TP 67/1 van 23.6.2011

Festuca ovina L.

Schapengras

TP 67/1 van 23.6.2011

Festuca rubra L.

Roodzwenkgras

TP 67/1 van 23.6.2011

Festuca trachyphylla (Hack.) Krajina

Hardzwenkgras

TP 67/1 van 23.6.2011

Lolium multiflorum Lam.

Italiaans raaigras

TP 4/1 van 23.6.2011

Lolium perenne L.

Engels raaigras

TP 4/1 van 23.6.2011

Lolium x boucheanum Kunth

Gekruist raaigras

TP 4/1 van 23.6.2011

Pisum sativum L.

Voedererwt

TP 7/2 van 11.3.2010

Brassica napus L.

Koolzaad

TP 36/2 van 16.11.2011

Helianthus annuus L.

Zonnebloem

TP 81/1 van 31.10.2002

Linum usitatissimum L.

Vlas/lijnzaad

TP 57/1 van 21.3.2007

Avena nuda L.

Naakte haver

TP 20/1 van 6.11.2003

Avena sativa L. (inclusief A. byzantina K. Koch)

Haver

TP 20/1 van 6.11.2003

Hordeum vulgare L.

Gerst

TP 19/2rev. van 11.3.2010

Oryza sativa L.

Rijst

TP 16/1 van 18.11.2004

Secale cereale L.

Rogge

TP 58/1 van 31.10.2002

xTriticosecale Wittm. ex A. Camus

Hybriden die het gevolg zijn van de kruising van een soort van het geslacht Triticum met een soort van het geslacht Secale

TP 121/2 rev. 1 van 16.2.2011

Triticum aestivum L.

Tarwe

TP 3/4 rev. 2 van 16.2.2011

Triticum durum Desf.

Harde tarwe (durum)

TP 120/2 van 6.11.2003

Zea mays L.

Mais

TP 2/3 van 11.3.2010

Solanum tuberosum L.

Aardappel

TP 23/2 van 1.12.2005

De tekst van deze protocollen is te vinden op de website van het CBP (www.cpvo.europa.eu).

BIJLAGE II

Lijst van de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde gewassen die moeten voldoen aan de UPOV-testrichtsnoeren

Wetenschappelijke naam

Gewone naam

UPOV-richtsnoer

Beta vulgaris L.

Voederbiet

TG/150/3 van 4.11.1994

Agrostis canina L.

Kruipend struisgras/heidestruisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Agrostis gigantea Roth.

Hoog struisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Agrostis stolonifera L.

Wit struisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Agrostis capillaris L.

Gewoon struisgras

TG/30/6 van 12.10.1990

Bromus catharticus Vahl

Paardengras

TG/180/3 van 4.4.2001

Bromus sitchensis Trin.

Alaskadravik

TG/180/3 van 4.4.2001

Dactylis glomerata L.

Kropaar

TG/31/8 van 17.4.2002

Festuca arundinacea Schreber

Rietzwenkgras

TG/39/8 van 17.4.2002

Festuca pratensis Huds.

Beemdlangbloem

TG/39/8 van 17.4.2002

xFestulolium Asch. et Graebn.

Hybriden die het gevolg zijn van de kruising van een soort van het geslacht Festuca met een soort van het geslacht Lolium

TG/243/1 van 9.4.2008

Phleum nodosum L.

Klein timotheegras

TG/34/6 van 7.11.1984

Phleum pratense L.

Timotheegras

TG/34/6 of 7.11.1984

Poa pratensis L.

Veldbeemdgras

TG/33/6 van 12.10.1990

Lupinus albus L.

Witte lupine

TG/66/4 van 31.3.2004

Lupinus angustifolius L.

Blauwe lupine

TG/66/4 van 31.3.2004

Lupinus luteus L.

Gele lupine

TG/66/4 van 31.3.2004

Medicago sativa L.

Luzerne

TG/6/5 van 6.4.2005

Medicago x varia T. Martyn

Bonte luzerne

TG/6/5 van 6.4.2005

Trifolium pratense L.

Rode klaver

TG/5/7 van 4.4.2001

Trifolium repens L.

Witte klaver

TG/38/7 van 9.4.2003

Vicia faba L.

Paardenboon/veldboon

TG/8/6 van 17.4.2002

Vicia sativa L.

Voederwikke

TG/32/6 van 21.10.1988

Brassica napus L. var. napobrassica (L.) Rchb.

Koolraap

TG/89/6rev. van 4.4.2001 + 1.4.2009

Raphanus sativus L. var. oleiformis Pers.

Bladrammenas

TG/178/3 van 4.4.2001

Arachis hypogea L.

Grondnoot

TG/93/3 van 13.11.1985

Brassica rapa L. var. silvestris (Lam.) Briggs

Raapzaad

TG/185/3 van 17.4.2002

Carthamus tinctorius L.

Saffloer

TG/134/3 van 12.10.1990

Gossypium spp.

Katoen

TG/88/6 van 4.4.2001

Papaver somniferum L.

Blauwmaanzaad

TG/166/3 van 24.3.1999

Sinapis alba L.

Gele mosterd

TG/179/3 van 4.4.2001

Glycine max (L.) Merrill

Sojabonen

TG/80/6 van 1.4.1998

Sorghum bicolor (L.) Moench

Sorghum

TG/122/3 van 6.10.1989

De tekst van deze richtsnoeren is te vinden op de website van de UPOV (www.upov.int).


BESLUITEN

3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/13


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 29 februari 2012

tot oprichting van de gemeenschappelijke infrastructuur voor taalhulpbronnen en -technologie als een consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (CLARIN ERIC)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 1018)

(2012/136/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC) (1), met name artikel 6, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 september 2011 hebben Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Estland, de Nederlandse Taalunie, Oostenrijk en Nederland de Commissie verzocht de gemeenschappelijke infrastructuur voor taalhulpbronnen en -technologie op te zetten als een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (hierna CLARIN ERIC genoemd).

(2)

Nederland heeft een verklaring ingediend waarin het CLARIN ERIC vanaf zijn oprichting wordt erkend als een internationale instelling in de zin van de artikelen 143, lid 1, onder g), en 151, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (2) en als een internationale organisatie in de zin van het tweede streepje van artikel 23, lid 1, van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (3).

(3)

De Commissie heeft, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 723/2009, het verzoek beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat aan de voorschriften van deze verordening is voldaan.

(4)

De maatregelen waarin dit besluit voorziet, zijn in overeenstemming met het advies van het krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 723/2009 opgerichte comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een Europees Consortium voor een onderzoeksinfrastructuur voor de gemeenschappelijke infrastructuur voor taalhulpbronnen en -technologie genaamd CLARIN ERIC opgericht.

2.   De statuten van CLARIN ERIC zoals vastgesteld door de leden, worden als bijlage bij dit besluit gevoegd.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 29 februari 2012.

Voor de Commissie

Máire GEOGHEGAN-QUINN

Lid van de Commissie


(1)  PB L 206 van 8.8.2009, blz. 1.

(2)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(3)  PB L 76 van 23.3.1992, blz. 1.


BIJLAGE

STATUTEN VAN HET CLARIN ERIC

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK 1 –   ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Naam, zetel, locatie en werktaal

Artikel 2

Doel en activiteiten

HOOFDSTUK 2 –   LIDMAATSCHAP

Artikel 3

Lidmaatschap en vertegenwoordigende entiteit

Artikel 4

Toelating van leden en waarnemers

Artikel 5

Uittreding van een lid of waarnemer/Beëindiging van het lidmaatschap of de status van waarnemer

HOOFDSTUK 3 –   RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN DE LEDEN EN WAARNEMERS

Artikel 6

Leden

Artikel 7

Waarnemers

HOOFDSTUK 4 –   BESTUUR VAN CLARIN ERIC

Artikel 8

Algemene vergadering

Artikel 9

Wetenschappelijke adviesraad

Artikel 10

Forum van nationale coördinatoren

Artikel 11

Uitvoerend directeur

Artikel 12

Raad van bestuur

Artikel 13

Permanent comité voor de technische centra van CLARIN

Artikel 14

Werkgroepen

HOOFDSTUK 5 –   FINANCIËN

Artikel 15

Begrotingsbeginselen en boekhouding

Artikel 16

Aansprakelijkheid

HOOFDSTUK 6 –   VERSLAGLEGGING AAN DE COMMISSIE

Artikel 17

Verslaglegging aan de Commissie

HOOFDSTUK 7 –   BELEID

Artikel 18

Overeenkomsten met derden

Artikel 19

Beleid inzake toegang voor gebruikers

Artikel 20

Beleid inzake wetenschappelijke evaluatie

Artikel 21

Beleid inzake verspreiding

Artikel 22

Beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten

Artikel 23

Personeelsbeleid, met inbegrip van gelijkekansenbeleid

Artikel 24

Aanbestedingsbeleid en belastingvrijstelling

Artikel 25

Beleid inzake gegevens

HOOFDSTUK 8 –   DUUR, ONTBINDING, GESCHILLEN, OPRICHTINGSBEPALINGEN

Artikel 26

Duur

Artikel 27

Ontbinding

Artikel 28

Toepasselijk recht

Artikel 29

Geschillen

Artikel 30

Beschikbaarheid van de statuten

Artikel 31

Oprichtingsbepalingen

BIJLAGE 1

LIJST VAN LEDEN EN WAARNEMERS

BIJLAGE 2

JAARLIJKSE BIJDRAGE

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Naam, zetel, locatie en werktaal

1.1.

Er wordt een Europese onderzoeksinfrastructuur opgericht genaamd de "gemeenschappelijke infrastructuur voor taalhulpbronnen en -technologie", hierna "CLARIN" genoemd.

1.2.

CLARIN heeft de rechtsvorm van een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC), opgericht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 723/2009, "CLARIN ERIC" genoemd.

1.3.

CLARIN is een gedistribueerde onderzoeksinfrastructuur in alle lidstaten van CLARIN ERIC alsook in andere landen waar CLARIN ERIC overeenkomsten heeft gesloten overeenkomstig artikel 18.

1.4.

De statutaire zetel van CLARIN ERIC is in Utrecht in Nederland.

1.5.

De werktaal van CLARIN ERIC is het Engels.

Artikel 2

Doel en activiteiten

2.1.

Het uiteindelijke doel van CLARIN ERIC is onderzoek op het gebied van de sociale en geesteswetenschappen te bevorderen door onderzoekers uniforme toegang te bieden tot een platform waarin taalhulpbronnen en geavanceerde instrumenten op Europees niveau zijn geïntegreerd. Dit wordt ten uitvoer gebracht door een gedeelde gedistribueerde onderzoeksinfrastructuur op te zetten en in gebruik te nemen die erop gericht is taalhulpbronnen, -technologie en -kennis ter beschikking te stellen van de onderzoeksgemeenschappen op het gebied van de sociale en geesteswetenschappen in het algemeen.

2.2.

Hiertoe onderneemt en coördineert CLARIN ERIC diverse activiteiten, met inbegrip van maar niet beperkt tot:

(a)

de vorming van een federatie van bestaande centra voor gegevens- en internetdiensten om single-sign-on-toegang tot gegevens en tot door deze centra geleverde technologiediensten te vergemakkelijken;

(b)

het definiëren en onderhouden van een verzameling formele en feitelijke normen en koppelingen hiertussen om interoperabiliteit tussen gegevens en diensten te vergemakkelijken;

(c)

de coördinatie en ondersteuning van activiteiten gericht op het verwerven en vormen van nieuwe gegevens- en internetdiensten;

(d)

het inventariseren van de behoeften van gebruikers en beste praktijken om gebruikers efficiënte ondersteuning te kunnen bieden;

(e)

de vorming van kenniscentra met de nadruk op de exploitatie van taalhulpbronnen en -technologie ter bevordering van onderzoek op het gebied van de sociale en geesteswetenschappen;

(f)

het organiseren van scholings-, voorlichtings- en verspreidingsactiviteiten ter bevordering van het gebruik en de verdere ontwikkeling van de onderzoeksinfrastructuur;

(g)

de vorming en het onderhoud van een kader voor licentieverlening, toegang en authenticatie dat enerzijds zorgt voor eenvoudige toegang en anderzijds de redelijke rechten van eigenaars van gegevens en instrumenten en de persoonlijke levenssfeer van personen beschermt;

(h)

het onderhouden en benutten van relaties met aanverwante organisaties en infrastructuren binnen en buiten Europa met het oog op samenwerking;

(i)

bijdragen aan de ontwikkeling van beleid ter bevordering van onderzoek in de Europese onderzoeksruimte (ERA), zowel op het gebied van de sociale en geesteswetenschappen als interdisciplinair;

(j)

alle andere aanverwante activiteiten die het onderzoek in de Europese onderzoeksruimte helpen versterken.

2.3.

CLARIN ERIC houdt zich bezig met de opbouw en exploitatie van CLARIN op niet-economische basis; om de innovatie en de overdracht van kennis en technologie verder te bevorderen kunnen beperkte economische activiteiten worden ondernomen zolang de hoofdactiviteiten hierdoor niet in gevaar komen.

HOOFDSTUK 2

LIDMAATSCHAP

Artikel 3

Lidmaatschap en vertegenwoordigende entiteit

3.1.

De volgende entiteiten kunnen lid of waarnemer zonder stemrecht van CLARIN ERIC worden:

(a)

lidstaten;

(b)

geassocieerde landen;

(c)

derde landen die geen geassocieerd land zijn;

(d)

intergouvernementele organisaties.

De voorwaarden voor de toelating van leden en waarnemers worden omschreven in artikel 4.1 en 4.2 van deze statuten.

3.2.

CLARIN ERIC heeft ten minste drie lidstaten als leden.

3.3.

Lidstaten hebben samen de meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering.

3.4.

Leden of waarnemers kunnen zich laten vertegenwoordigen door één publiekrechtelijke entiteit of één privaatrechtelijke entiteit met een openbaredienstverleningstaak die zij hebben gekozen en overeenkomstig hun eigen regels en procedures hebben aangewezen.

3.5.

De huidige leden, waarnemers en hun vertegenwoordigende entiteiten worden genoemd in bijlage 1. De op het tijdstip van indiening van de ERIC-aanvraag aangesloten leden worden aangeduid als oprichtende leden.

Artikel 4

Toelating van leden en waarnemers

4.1.

De toelating van nieuwe leden verloopt als volgt:

(a)

de toelating van nieuwe leden dient te worden goedgekeurd door de algemene vergadering;

(b)

aanvragers dienen een schriftelijk verzoek te richten aan de voorzitter van de algemene vergadering;

(c)

in het verzoek beschrijft de aanvrager hoe hij aan het doel en de activiteiten van CLARIN als beschreven in artikel 2 zal bijdragen en hoe hij aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 6.2 zal voldoen.

4.2.

In artikel 3.1 genoemde entiteiten die bereid zijn bij te dragen aan CLARIN ERIC, maar die nog in aanmerking komen om als lid te worden toegelaten, kunnen een verzoek indienen om als waarnemer te worden toegelaten. De toelating van waarnemers verloopt als volgt:

(a)

waarnemers worden toegelaten voor een periode van maximaal drie jaar. Een waarnemer kan eenmaal opnieuw een verzoek indienen om als waarnemer te worden toegelaten. In uitzonderlijke gevallen aanvaardt de algemene vergadering een verdere verlenging van de status van waarnemer;

(b)

de toelating of hernieuwde toelating van waarnemers dient door de algemene vergadering te worden goedgekeurd;

(c)

aanvragers dienen een schriftelijk verzoek te richten aan de statutaire zetel van CLARIN ERIC;

(d)

in het verzoek beschrijft de aanvrager hoe hij zal bijdragen aan het doel en de activiteiten van CLARIN als beschreven in artikel 2 en hoe hij zal voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 7.2.

Artikel 5

Uittreding van een lid of waarnemer/Beëindiging van het lidmaatschap of de status van waarnemer

5.1.

Gedurende de eerste vijf jaar na de oprichting van CLARIN ERIC mag een lid niet uittreden tenzij het lidmaatschap is aangegaan voor een gespecificeerde kortere periode.

5.2.

Na afloop van de eerste vijf jaar na de oprichting van CLARIN ERIC mag een lid uittreden aan het eind van een boekjaar, nadat het daartoe twaalf maanden vóór de uittreding een verzoek heeft ingediend.

5.3.

Waarnemers mogen uittreden aan het eind van een boekjaar, nadat zij daartoe zes maanden vóór de uittreding een verzoek hebben ingediend.

5.4.

De uittreding wordt pas aanvaard als aan alle financiële en andere verplichtingen is voldaan.

5.5.

In de volgende gevallen kan de algemene vergadering het lidmaatschap van een lid of de status van waarnemer van een waarnemer beëindigen:

(a)

het lid of de waarnemer schiet ernstig tekort in de nakoming van een of meer van zijn verplichtingen op grond van deze statuten;

(b)

het lid of de waarnemer heeft nagelaten een dergelijke tekortkoming binnen een periode van zes maanden weg te werken.

Het lid of de waarnemer wordt in de gelegenheid gesteld het besluit tot beëindiging aan te vechten en ten overstaan van de algemene vergadering verweer te voeren.

HOOFDSTUK 3

RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN DE LEDEN EN WAARNEMERS

Artikel 6

Leden

6.1.

Leden hebben het recht:

(a)

hun onderzoeksgemeenschap toegang te verlenen tot CLARIN en al zijn diensten;

(b)

de algemene vergadering bij te wonen en tijdens de algemene vergadering te stemmen en zo invloed uit te oefenen;

(c)

deel te nemen aan de ontwikkeling van strategieën en beleid;

(d)

nauw samen te werken met andere landen bij de beschikbaarstelling van hulpbronnen, instrumenten en diensten aan de onderzoekers van de respectieve landen;

(e)

hun onderzoeksgemeenschap te laten deelnemen aan de selectie van relevante CLARIN-normen en aanbevelingen inzake beste praktijken;

(f)

hun onderzoeksgemeenschap tegen gunsttarieven te laten deelnemen aan CLARIN-evenementen, zoals zomercursussen en andere opleidingen, workshops en conferenties;

(g)

gebruik te maken van het CLARIN-merk;

(h)

deel te nemen aan EU-projectvoorstellen waarbij CLARIN ERIC als indienend consortium optreedt.

6.2.

Ieder lid is verplicht:

(a)

de in bijlage 2 vastgestelde jaarlijkse bijdrage te betalen;

(b)

een vertegenwoordigende entiteit als bedoeld in artikel 3.4 aan te wijzen en ervoor te zorgen dat de algemene vergadering altijd weet wie zijn vertegenwoordigende entiteit is;

(c)

zijn vertegenwoordigende entiteit de volledige bevoegdheid te verlenen om te stemmen over alle kwesties die tijdens de algemene vergadering aan bod komen en in de agenda zijn opgenomen;

(d)

een nationaal consortium te vormen om uitvoering te geven aan de nationale verplichtingen die uit deze statuten voortvloeien;

(e)

een nationale coördinator aan te wijzen die verantwoordelijk is voor het nationale consortium;

(f)

te voorzien in ten minste één gegevens- en dienstencentrum;

(g)

te voorzien in een overeengekomen gebruikersauthenticatie- en autorisatiesysteem;

(h)

een overeengekomen dienst of overeengekomen diensten aan te bieden;

(i)

de invoering van relevante normen in nationale projecten gericht op het creëren van hulpbronnen en instrumenten te bevorderen;

(j)

de technische infrastructuur ter beschikking te stellen die nodig is om toegang mogelijk te maken;

(k)

het gebruik van CLARIN-diensten door onderzoekers in hun eigen land te bevorderen, en terugkoppeling en behoeften van gebruikers te verzamelen;

(l)

CLARIN-centra in de lidstaat ondersteuning te bieden door de integratie in nationale en andere relevante infrastructuren te vergemakkelijken.

6.3.

Leden die zich bij CLARIN ERIC hebben aangesloten en die zich het recht voorbehouden om voor het einde van de eerste vijf jaar na de oprichting van CLARIN ERIC uit te treden, betalen een hogere jaarlijkse bijdrage als omschreven in bijlage 2.

6.4.

Andere bijdragen dan de jaarlijkse bijdrage aan CLARIN ERIC kunnen door leden op individuele basis of gezamenlijk, in samenwerking met andere leden, waarnemers of derden, worden voldaan. Dergelijke bijdragen kunnen contant of in natura worden voldaan.

6.5.

Een lid machtigt zijn vertegenwoordigende entiteit of iedere entiteit die het nationale consortium vertegenwoordigt, om uitvoering te geven aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 6.2, onder a) en onder d) tot en met l). CLARIN ERIC sluit een CLARIN-overeenkomst met die entiteit waarin de voorwaarden en specificaties worden vastgesteld op grond waarvan de verplichting zal worden nageleefd of de bijdrage zal worden betaald.

Artikel 7

Waarnemers

7.1.

Waarnemers hebben het recht:

(a)

de algemene vergadering bij te wonen zonder stemrecht;

(b)

hun onderzoeksgemeenschap tegen gunsttarieven te laten deelnemen aan CLARIN-evenementen, zoals zomercursussen en andere opleidingen, workshops en conferenties, mits er nog plaats vrij zijn;

(c)

hun onderzoeksgemeenschap toegang te bieden tot ondersteuning door de CLARIN ERIC-organisatie bij het ontwikkelen van relevante systemen, processen en diensten.

7.2.

Iedere waarnemer is verplicht:

(a)

een vertegenwoordigende entiteit als bedoeld in artikel 3.4 aan te wijzen en ervoor te zorgen dat de algemene vergadering altijd weet wie zijn vertegenwoordigende entiteit is;

(b)

de in bijlage 2 vastgestelde jaarlijkse bijdrage te betalen;

(c)

de bijdrage aan het doel van CLARIN ERIC als bedoeld in artikel 2 te beschrijven.

7.3.

Andere bijdragen dan de jaarlijkse bijdrage aan CLARIN ERIC kunnen door waarnemers op individuele basis of gezamenlijk, in samenwerking met andere leden, waarnemers of derden, worden voldaan. Dergelijke bijdragen kunnen contant of in natura worden voldaan.

7.4.

Een waarnemer machtigt zijn vertegenwoordigende entiteit om de verplichtingen als bedoeld in artikel 7.2, onder b) en c), na te leven. CLARIN ERIC sluit een CLARIN-waarnemersovereenkomst met die entiteit waarin de voorwaarden en specificaties worden vastgelegd op grond waarvan de verplichting zal worden nageleefd of de bijdrage zal worden betaald.

HOOFDSTUK 4

BESTUUR VAN CLARIN ERIC

Artikel 8

Algemene vergadering

8.1.

De algemene vergadering van CLARIN ERIC heeft volledige beslissingsbevoegdheid en vertegenwoordigt de leden van CLARIN ERIC. Ieder lid heeft één stem. Iedere entiteit die een lid vertegenwoordigt, wijst één officiële vertegenwoordiger aan. Daarnaast kan ieder lid zich laten vergezellen door een deskundige. Iedere delegatie kan derhalve uit maximaal twee personen bestaan, maar het stemrecht berust bij de officiële vertegenwoordiger.

8.2.

De algemene vergadering komt ten minste eenmaal per jaar bijeen en zal in ieder geval:

(a)

de uitvoerend directeur en de raad van bestuur, afgezien van de ex-officio-leden als genoemd in artikel 10.3 en artikel 13.2, aanstellen, schorsen of ontslaan;

(b)

de aanstelling van ex-officio-leden van de raad van bestuur bekrachtigen;

(c)

de wetenschappelijke adviesraad aanstellen;

(d)

besluiten nemen over strategieën voor de opbouw en exploitatie van CLARIN en andere kwesties die de raad van bestuur of een lid of groep leden relevant acht en waartoe, overeenkomstig artikel 8.3, een verzoek is ingediend;

(e)

het werkprogramma en de jaarlijkse begroting van CLARIN ERIC goedkeuren;

(f)

ten minste om de vijf jaar een besluit nemen over de beginselen voor de berekening van de jaarlijkse bijdrage voor ieder lid en over het bedrag van de jaarlijkse bijdrage waarvoor de beginselen alsook de overeenkomstige bedragen in bijlage 2 bij deze statuten worden vastgesteld;

(g)

de jaarverslagen en de jaarrekeningen van CLARIN ERIC goedkeuren;

(h)

de bijdrage van ieder lid aan CLARIN goedkeuren;

(i)

de toetreding van nieuwe leden en waarnemers goedkeuren;

(j)

besluiten nemen over de beëindiging van het lidmaatschap en de status van waarnemer;

(k)

overeenkomstig artikel 27 besluiten nemen over de ontbinding van CLARIN ERIC.

8.3.

De algemene vergadering wordt ten minste vier weken vóór de dag van de vergadering door de voorzitter bijeengeroepen en de agenda wordt ten minste twee weken vóór de vergadering verspreid. Leden hebben het recht tot drie weken vóór de vergadering agendapunten in te dienen. De bijeenroeping van een algemene vergadering kan worden gevraagd door ten minste 50 % van de leden en de vergadering wordt daarna zo spoedig mogelijk gehouden en ten minste twee weken vóór de vergadering bijeengeroepen.

8.4.

De algemene vergadering kiest een voorzitter met gewone meerderheid van stemmen uit de officiële vertegenwoordigers van haar leden. De voorzitter wordt gekozen voor een termijn van twee jaar en mag niet meer dan twee achtereenvolgende termijnen in functie blijven. Ingeval de voorzitter zich voor het eind van de termijn terugtrekt, wordt door de algemene vergadering een nieuwe voorzitter gekozen.

8.5.

De algemene vergadering kiest een vicevoorzitter met gewone meerderheid van stemmen uit de officiële vertegenwoordiger van haar leden. De vicevoorzitter wordt gekozen voor een termijn van twee jaar en mag niet meer dan twee achtereenvolgende termijnen in functie blijven. Ingeval de vicevoorzitter zich voor het eind van de termijn terugtrekt, wordt door de algemene vergadering een nieuwe vicevoorzitter gekozen. De vicevoorzitter vervangt de voorzitter tijdens zijn/haar afwezigheid en in geval van belangenverstrengeling.

8.6.

Indien een officiële vertegenwoordiger de algemene vergadering niet kan bijwonen, mag het lid een andere vertegenwoordiger van dezelfde entiteit, de nationale deskundige of een officiële vertegenwoordiger van een ander lid machtigen om namens hem te stemmen door middel van een schriftelijke, ondertekende machtiging, die bij aanvang van de vergadering aan de voorzitter wordt overhandigd. Een vertegenwoordiger mag niet meer dan drie machtigingen overleggen.

8.7.

De algemene vergadering wordt voorgezeten door de voorzitter en in diens afwezigheid door de vicevoorzitter. De voorzitter of een door de voorzitter gemachtigde persoon is verantwoordelijk voor het bijwerken van bijlage 1, zodat te allen tijde een correcte lijst van de leden, waarnemers en hun vertegenwoordigende entiteiten beschikbaar is.

8.8.

Alle besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen, behalve besluiten die ertoe strekken:

(a)

de statuten van CLARIN ERIC te wijzigen;

(b)

na de eerste vijf jaar bijlage 2 "Jaarlijkse bijdrage" te wijzigen;

(c)

CLARIN ERIC op te heffen;

(d)

een lidmaatschap of status van waarnemer te beëindigen;

(e)

de uitvoerend directeur en de raad van bestuur te schorsen of te ontslaan.

8.9.

Voor besluiten aangaande het hiernavolgende is een tweederdemeerderheid vereist:

(a)

wijziging van de statuten,

(b)

wijziging van bijlage 2,

(c)

schorsing of ontslag van de uitvoerend directeur en de raad van bestuur,

(d)

de opheffing van CLARIN ERIC.

Op wijzigingen van de statuten zijn de bepalingen van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 723/2009 van toepassing.

8.10.

Het besluit om een lidmaatschap of de status van waarnemer te beëindigen wordt met eenparigheid van stemmen genomen, waarbij de stem van het lid in kwestie en stemonthoudingen niet worden meegeteld.

8.11.

Indien een vertegenwoordiger hierom verzoekt, wordt een geheime stemming gehouden. Bij staking van stemmen, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

8.12.

Het quorum van de algemene vergadering wordt gevormd door twee derde van de stemmen. De vertegenwoordigers kunnen overeenkomstig artikel 8.6 in persoon of bij volmacht aanwezig zijn. De algemene vergadering kan voor vergaderingen gebruik maken van technologie, zoals videoconferenties.

8.13.

De voorzitter kan ervoor opteren gebruik te maken van een schriftelijke procedure om besluiten te nemen. In dergelijke gevallen verspreidt de voorzitter of een door de voorzitter gemachtigde persoon het voorstel onder alle officiële vertegenwoordigers van de algemene vergadering, die vervolgens binnen de toegestane termijn kennis hun bezwaren, amendementen of voornemen zich te onthouden meedelen. De antwoordtermijn is ten minste veertien kalenderdagen. In dringende gevallen en wanneer de te nemen maatregel onmiddellijk ten uitvoer moet worden gelegd, mag de voorzitter de antwoordtermijn inkorten tot vijf kalenderdagen. Als binnen de toegestane termijn geen bezwaren, amendementen of voornemens tot stemonthouding zijn ingediend, is het voorstel stilzwijgend aanvaard. Indien een officiële vertegenwoordiger bezwaren indient of wijzigingen voorstelt, kan de voorzitter besluiten het voorstel aan te passen en opnieuw aan een schriftelijke procedure te onderwerpen of de kwestie te agenderen op de volgende algemene vergadering.

Artikel 9

Wetenschappelijke adviesraad

9.1.

De leden van de wetenschappelijke adviesraad worden aangewezen door de algemene vergadering. De wetenschappelijke adviesraad bestaat uit vooraanstaande onderzoekers die onafhankelijk (1) zijn van CLARIN ERIC. Zowel de gemeenschap van aanbieders als die van gebruikers van CLARIN ERIC zijn vertegenwoordigd in de wetenschappelijke adviesraad.

9.2.

Het aantal leden van de wetenschappelijke adviesraad wordt vastgesteld door de algemene vergadering. Dit aantal bedraagt minstens vijf en maximum tien.

9.3.

De wetenschappelijke adviesraad wordt aangesteld voor een termijn van drie jaar en kan door de algemene vergadering één maal worden hernieuwd.

9.4.

De wetenschappelijke brengt op eigen initiatief of op verzoek advies uit aan de algemene vergadering over strategische kwesties, met inbegrip van maar niet beperkt tot visie, nieuwe initiatieven, werkplannen en kwaliteitsborging. De wetenschappelijke adviesraad kan ook een bijdrage aan de algemene vergadering leveren voor de evaluatie van de voortgang van de werkzaamheden en de door CLARIN ERIC geboden diensten.

9.5.

De voorzitter van de wetenschappelijke adviesraad wordt aangesteld door de algemene vergadering. Het huishoudelijk reglement van de wetenschappelijke adviesraad is gebaseerd op het door de raad van bestuur opgestelde algemeen ontwerp van huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de raad van bestuur.

Artikel 10

Forum van nationale coördinatoren

10.1.

Elk land dat lid is van CLARIN ERIC wijst een nationale coördinator aan. De nationale coördinator treedt op als belangrijkste contactpersoon tussen CLARIN ERIC en het nationale consortium.

Nationale coördinatoren dragen namens hun land de verantwoordelijkheid om het beleid en de strategieën van de algemene vergadering voor de ontwikkeling en exploitatie van CLARIN te volgen.

10.1.1.

Elke intergouvernementele organisatie met een operationele structuur die lid is van CLARIN ERIC wijst een coördinator aan. De coördinator treedt op als belangrijkste contactpersoon tussen CLARIN ERIC en de operationele eenheid of eenheden van de intergouvernementele organisatie. De coördinator draagt namens zijn/haar organisatie de verantwoordelijkheid om het beleid en de strategieën van de algemene vergadering voor de ontwikkeling en exploitatie van CLARIN te volgen. In het resterende deel van deze statuten worden met de term "nationale coördinator" ook door intergouvernementele organisaties aangestelde nationale coördinatoren bedoeld.

10.2.

Het forum van nationale coördinatoren bestaat uit alle nationale coördinatoren. Het forum van nationale coördinatoren dient de coördinatie van de uitvoering van de strategieën als vastgelegd door de algemene vergadering te waarborgen. Het forum dient de samenhang en consistentie in CLARIN en de samenwerking tussen de leden te bewaken.

10.3.

De voorzitter van het forum van nationale coördinatoren wordt gekozen overeenkomstig de huishoudelijk reglement van het forum. Het voorzitter is een ex-officio-lid van de raad van bestuur.

10.4.

Het huishoudelijk reglement van het forum van nationale coördinatoren is gebaseerd op het door de raad van bestuur opgestelde algemeen ontwerp van huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de raad van bestuur.

Artikel 11

Uitvoerend directeur

11.1.

De algemene vergadering stelt de uitvoerend directeur van CLARIN ERIC aan overeenkomstig een door de algemene vergadering opgestelde procedure. De uitvoerend directeur en de raad van bestuur vormen samen de wettelijke vertegenwoordiger van CLARIN ERIC. De uitvoerend directeur voert de dagelijkse leiding over CLARIN ERIC. De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van een besluit van de algemene vergadering tot wijziging van bijlage 2.

11.2.

Het mandaat van de uitvoerend directeur duurt vijf jaar. De algemene vergadering kan dat mandaat één maal bestuurlijk verlengen zonder mededinging met een periode van maximaal twee jaar. Aan het eind van de termijn van vijf jaar of wanneer het mandaat niet meer kan worden verlengd, wordt een nieuwe open oproep uitgeschreven.

Artikel 12

Raad van bestuur

12.1.

De algemene vergadering stelt vooraanstaande personen aan als leden van de raad van bestuur. Het aantal directeuren wordt bepaald door de algemene vergadering. De aanstellingsprocedure wordt vastgesteld door de algemene vergadering. De collectieve expertise van de raad van bestuur omvat beheer, technische infrastructuur, taalhulpbronnen en -instrumenten en behoeften van gebruikers.

12.2.

De algemene vergadering wijst een van de leden van de raad van bestuur aan als vicedirecteur. De vicedirecteur vervangt de uitvoerend directeur tijdens zijn/haar afwezigheid of in geval van belangenverstrengeling.

12.3.

Het mandaat van de leden van de raad van bestuur duurt drie jaar en kan door de algemene vergadering één maal worden hernieuwd.

12.4.

De raad van bestuur vormt samen met de uitvoerend directeur het uitvoerend orgaan van CLARIN ERIC. De raad van bestuur is verantwoordelijk voor de goede gang van zaken bij CLARIN ERIC en handelt daarbij overeenkomstig de aanwijzingen en besluiten van de algemene vergadering alsook de terugkoppeling van de andere besturen en comités.

12.5.

De raad van bestuur stelt een algemeen ontwerp van huishoudelijk reglement vast ten behoeve van alle in deze statuten genoemde besturen en comités, en keurt de specifieke huishoudelijke reglementen van de afzonderlijke besturen en comités goed. De raad van bestuur stelt zijn huishoudelijk reglement vast op basis van het algemene ontwerp.

12.6.

De uitvoerend directeur treedt op als voorzitter van de raad van bestuur.

Artikel 13

Permanent comité voor de technische centra van CLARIN

13.1.

Er wordt een permanent comité voor de technische centra van CLARIN opgericht. Het permanent comité voor de technische centra van CLARIN bestaat uit de directeuren (of door de directeuren aangewezen vertegenwoordigers) van de CLARIN-centra die van cruciaal belang worden geacht voor het functioneren van CLARIN overeenkomstig de door de raad van bestuur te formuleren criteria. De algemene vergadering is verantwoordelijk voor het besluit om een technisch centrum te erkennen als zijnde van cruciaal belang voor het functioneren van CLARIN.

13.2.

Het permanent comité voor de technische centra van CLARIN heeft tot taak de consistentie, samenhang en stabiliteit van infrastructuurdiensten te waarborgen door middel van besluiten inzake de tenuitvoerlegging en de coördinatie tussen de centra en de leden. Het brengt verslag uit aan het forum van de nationale coördinatoren en de raad van bestuur. De voorzitter van het permanent comité wordt gekozen overeenkomstig het huishoudelijk reglement van het Comité. De voorzitter is een ex-officio-lid van de raad van bestuur.

13.3.

Het permanent comité dient als forum voor de CLARIN-centra voor de uitwisseling van ideeën en ervaringen. Het permanent comité verleent advies en formuleert verzoeken en voorstellen aan CLARIN ERIC en de nationale coördinatoren om de consistentie, samenhang en stabiliteit van diensten te waarborgen.

13.4.

Het huishoudelijk reglement van het permanent comité is gebaseerd op het door de raad van bestuur opgestelde algemeen ontwerp van huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de raad van bestuur.

Artikel 14

Werkgroepen

14.1.

De raad van bestuur kan voor thema’s die een speciale inspanning vergen die niet door de raad van bestuur kan worden verricht, werkgroepen oprichten en opheffen.

14.2.

Het huishoudelijk reglement van de werkgroepen is gebaseerd op het door de raad van bestuur opgestelde algemeen ontwerp van huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de raad van bestuur.

HOOFDSTUK 5

FINANCIËN

Artikel 15

Begrotingsbeginselen en boekhouding

15.1.

Het begrotingsjaar van CLARIN ERIC begint elk jaar op 1 januari en eindigt op 31 december.

15.2.

Voor elk begrotingsjaar worden alle ontvangsten en uitgaven van CLARIN ERIC geraamd en in de begroting opgenomen. De jaarlijkse begroting moet in overeenstemming zijn met het transparantiebeginsel.

15.3.

De rekeningen van CLARIN ERIC gaan vergezeld van een verslag over het beheer op financieel en begrotingsgebied in het betrokken begrotingsjaar.

15.4.

Wat de opstelling, neerlegging, controle en openbaarmaking van de jaarrekening betreft, valt CLARIN ERIC onder het toepasselijke recht.

15.5.

CLARIN ERIC zorgt ervoor dat de kredieten worden gebruikt volgens de beginselen van goed financieel beheer.

15.6.

CLARIN ERIC boekt de kosten en ontvangsten van zijn economische activiteiten afzonderlijk.

Artikel 16

Aansprakelijkheid

16.1.

CLARIN ERIC is aansprakelijk voor zijn schulden.

16.2.

De leden zijn niet hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van CLARIN ERIC.

16.3.

De financiële aansprakelijkheid van de leden voor de schulden van CLARIN ERIC is beperkt tot de jaarlijkse bijdrage van elk individueel lid, als vermeld in bijlage 2.

16.4.

CLARIN ERIC sluit de nodige verzekeringen af tegen alle aan de opbouw en de werking van CLARIN inherente risico's.

HOOFDSTUK 6

VERSLAGLEGGING AAN DE COMMISSIE

Artikel 17

Verslaglegging aan de Commissie

17.1.

CLARIN ERIC stelt een jaarlijks activiteitenverslag op waarin het met name verantwoording aflegt over de wetenschappelijke, operationele en financiële aspecten van zijn activiteiten. Het verslag wordt goedgekeurd door de algemene vergadering en wordt binnen zes maanden na afloop van het overeenkomstige begrotingsjaar bij de Commissie en de betrokken overheidsinstanties ingediend. Dit verslag wordt openbaar gemaakt.

17.2.

CLARIN ERIC stelt de Commissie in kennis van elke omstandigheid die de goede uitvoering van de taken van CLARIN ERIC ernstig in gevaar dreigt te brengen of die het vermogen van CLARIN ERIC om de in het kader van Verordening (EG) nr. 723/2009 vastgestelde voorwaarden na te leven dreigt te beperken.

HOOFDSTUK 7

BELEID

Artikel 18

Overeenkomsten met derden

18.1.

CLARIN ERIC mag overeenkomsten aangaan met derden, zoals bijvoorbeeld individuele instellingen, regio's en derde landen, indien dit volgens CLARIN ERIC nuttig is.

18.2.

Indien instellingen uit derde landen of andere partijen als beschreven in artikel 18.1 met deskundigheid, diensten, taalhulpbronnen en -technologie willen bijdragen aan CLARIN ERIC, mag CLARIN ERIC een overeenkomst met die partijen aangaan. In de overeenkomst moet worden beschreven welke dienst/bijdrage de partij levert en moeten de toegangsrechten, het abonnementsgeld en overige voorwaarden met het oog op deze bijdrage worden opgenomen. Gebruikers van de gegevens, hulpmiddelen en diensten van CLARIN dienen deel te nemen aan een authenticatie- en autorisatiesysteem.

Artikel 19

Beleid inzake toegang voor gebruikers

19.1.

Wat betreft toegang voor onderzoekers in CLARIN-lidstaten, zijn de door CLARIN ERIC aangeboden gegevens, hulpmiddelen en diensten vrij toegankelijk voor alle medewerkers en studenten in onderzoeksinstellingen zoals universiteiten, onderzoekscentra, musea en onderzoeksbibliotheken, overeenkomstig de toestemming van de contentproviders en via een door CLARIN ERIC goedgekeurde authenticatie.

19.2.

Voor toegang voor onderzoekers in derde landen, betaalt de onderzoeksinstelling het abonnementsgeld overeenkomstig de in bijlage 2 vastgestelde beginselen, waardoor alle medewerkers en studenten van de desbetreffende instelling toegang krijgen tot de gegevens, hulpmiddelen en diensten van CLARIN. De gebruikers van de gegevens, hulpmiddelen en diensten van CLARIN dienen deel te nemen aan een authenticatie- en autorisatiesysteem dat voldoet aan de vereisten van CLARIN en goedgekeurd is door CLARIN ERIC.

19.3.

Aan andere instellingen, de industrie en vergelijkbare typen specifieke gebruikers evenals aan individuele onderzoekers die geen deel uitmaken van een instelling kan tegen een vergoeding toegang worden verleend. De gebruikers van de gegevens, hulpmiddelen en diensten van CLARIN dienen deel te nemen aan een authenticatie- en autorisatiesysteem dat voldoet aan de vereisten van CLARIN en goedgekeurd is door CLARIN ERIC.

19.4.

Aan het algemene publiek wordt toegang verleend, tenzij de diensten of hulpbronnen zijn onderworpen aan door de eigenaren opgelegde beperkende licentievoorwaarden. Er moet toegang worden verleend tot metagegevens en tot "open-source" en "open-access" (vrij toegankelijke) hulpbronnen.

19.5.

Zelfs indien toegang wordt verleend overeenkomstig artikel 19.1 tot en met artikel 19.4 mag een eigenaar voor de toegang tot bepaalde diensten en hulpbronnen een vergoeding vragen.

Artikel 20

Beleid inzake wetenschappelijke evaluatie

20.1.

CLARIN ERIC maakt onderzoek mogelijk en stimuleert in principe waar mogelijk vrije toegang tot onderzoeksgegevens. Ongeacht dit beginsel bevordert CLARIN ERIC hoogwaardig onderzoek en ondersteunt CLARIN ERIC een cultuur van "beste praktijken" via opleidingsactiviteiten.

Indien de toegang tot onderzoeksgegevens of hulpmiddelen van CLARIN om capaciteitsredenen beperkt moet worden en er een selectie gemaakt moet worden van de projecten, wordt de wetenschappelijke excellentie van projectvoorstellen via peer reviews door onafhankelijke deskundigen beoordeeld en beslist de algemene vergadering over de criteria en procedures, na advies van de Wetenschappelijke Adviesraad. Bij de criteria moet er ook rekening mee worden gehouden dat een bepaald gedeelte van de capaciteit gereserveerd moet worden voor geheel nieuwe ideeën die nog niet volledig tot wasdom zijn gekomen of die de status van alom erkende wetenschappelijke excellentie nog niet hebben bereikt. De peers worden geselecteerd door de raad van bestuur, overeenkomstig het beleid inzake evaluatie.

20.2.

Het evalueren van CLARIN ERIC en de resultaten ervan is de taak van de Wetenschappelijke Adviesraad overeenkomstig artikel 9.4.

Artikel 21

Beleid inzake verspreiding

21.1.

CLARIN ERIC bevordert CLARIN en stimuleert onderzoekers om nieuwe en innovatieve projecten te starten en gebruik te maken van CLARIN in hun hoger onderwijs.

21.2.

CLARIN ERIC stimuleert onderzoekers in het algemeen om hun onderzoeksresultaten openbaar beschikbaar te stellen en verzoekt onderzoekers in lidstaten om resultaten via CLARIN beschikbaar te stellen.

21.3.

In het beleid inzake verspreiding worden de verschillende doelgroepen beschreven en CLARIN maakt om zijn doelpubliek te bereiken gebruik van diverse kanalen, zoals een internetportaal, nieuwsbrief, workshops, aanwezigheid op conferenties, artikelen in tijdschriften en kranten.

Artikel 22

Beleid inzake intellectuele-eigendomsrechten

22.1.

De intellectuele-eigendomsrechten op resultaten die gerealiseerd zijn door CLARIN ERIC berusten bij CLARIN ERIC en worden beheerd door de raad van bestuur.

22.2.

In het algemeen wordt de voorkeur gegeven aan Open-Source- en Open-Access-beginselen.

22.3.

CLARIN ERIC verschaft onderzoekers richtsnoeren (onder andere via een website) om te waarborgen dat onderzoek dat verricht is met via CLARIN ERIC beschikbaar gesteld materiaal wordt uitgevoerd binnen een kader waarin de rechten van de eigenaren van gegevens en de persoonlijke levenssfeer van individuele personen worden geëerbiedigd.

22.4.

CLARIN ERIC ziet erop toe dat gebruikers instemmen met de voorwaarden inzake toegang en dat geschikte beveiligingsmaatregelen worden getroffen inzake interne opslag en verwerking.

22.5.

CLARIN ERIC voorziet in duidelijk omschreven regelingen voor het onderzoeken van vermeende beveiligingslekken en schending van geheimhoudingsverplichtingen van onderzoeksgegevens.

Artikel 23

Personeelsbeleid, met inbegrip van het gelijkekansenbeleid

23.1.

CLARIN ERIC past het beginsel van gelijke kansen voor alle kandidaten toe. Arbeidsovereenkomsten voldoen aan de nationale wetgeving van het land waarin het personeel te werk wordt gesteld.

23.2.

Voor elke taak selecteert CLARIN ERIC de beste kandidaat, ongeacht achtergrond, nationaliteit, geloofsovertuiging of geslacht.

Artikel 24

Aanbestedingsbeleid en belastingvrijstelling

24.1.

CLARIN ERIC behandelt gegadigden voor en inschrijvers op aanbestedingsprocedures gelijk en zonder te discrimineren, ongeacht of ze al dan niet in de Unie gevestigd zijn. In het aanbestedingsbeleid van CLARIN ERIC worden de beginselen inzake transparantie, non-discriminatie en mededinging in acht genomen. Aangezien CLARIN verspreid is over meerdere plaatsen worden aanbestedingen deels verzorgd door de individuele leden, volgens hun nationale regels en procedures voor openbare aanbesteding en deels door CLARIN ERIC zelf.

24.2.

De raad van bestuur is verantwoordelijk voor alle aanbestedingen voor CLARIN ERIC. Alle inschrijvingen worden afdoende gepubliceerd op de website van CLARIN ERIC en in de landen van de leden en waarnemers. Voor aanbestedingen voor een bedrag boven 200 000 euro past CLARIN ERIC de EU-beginselen inzake openbare aanbestedingen en de desbetreffende afgeleide nationale wetgeving toe. Het gunningsbesluit voor een aanbesteding wordt gepubliceerd en omvat een volledige motivering. De algemene vergadering stelt uitvoeringsbepalingen vast met daarin alle noodzakelijke details over de exacte aanbestedingsprocedures en -criteria.

24.3.

Aanbesteding door leden en waarnemers ten aanzien van CLARIN-activiteiten vindt plaats met de nodige aandacht voor de door de desbetreffende instanties opgestelde behoeften, technische vereisten en specificaties voor CLARIN ERIC.

24.4.

Belastingvrijstellingen op basis van artikel 143, lid 1, onder g), en artikel 151, lid 1, onder b), van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (2) en volgens de artikelen 50 en 51 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad (3) zijn niet hoger dan de belasting over de toegevoegde waarde voor de desbetreffende goederen en diensten die voor officieel gebruik door CLARIN ERIC bestemd zijn en waarvan de waarde hoger ligt dan 250 euro en die volledig betaald en verworven worden door CLARIN ERIC. Deze vrijstellingen gelden niet voor aanbesteding door individuele leden. Verder zijn er geen beperkingen van toepassing.

Artikel 25

Beleid inzake gegevens

25.1.

In het algemeen geeft CLARIN ERIC de voorkeur aan Open-Source- en Open-Access-beginselen, maar bestaande licenties worden geëerbiedigd.

25.2.

CLARIN ERIC maakt alle taalhulpbronnen en -hulpmiddelen openbaar zichtbaar door middel van beschrijvingen aan de hand van kernmetagegevens.

HOOFDSTUK 8

DUUR, ONTBINDING, GESCHILLEN, OPRICHTINGSBEPALINGEN

Artikel 26

Duur

26.1.

CLARIN ERIC wordt voor onbepaalde tijd opgericht.

Artikel 27

Ontbinding

27.1.

Tot ontbinding van CLARIN ERIC wordt overgegaan na een besluit van de algemene vergadering overeenkomstig artikel 8.2 en artikel 8.8.

27.2.

Onverwijld en uiterlijk tien dagen na de vaststelling van het besluit CLARIN ERIC te ontbinden, stelt CLARIN ERIC de Europese Commissie van dat besluit in kennis.

27.3.

Activa die resteren na betaling van de schulden van CLARIN ERIC worden verdeeld over de leden naar rato van hun totale jaarlijkse bijdrage aan CLARIN ERIC op grond van bijlage 2. Overeenkomstig artikel 16.3 worden de na opneming van de activa van CLARIN ERIC resterende passiva verdeeld over de leden naar rato van hun jaarlijkse bijdrage aan CLARIN ERIC op grond van bijlage 2.

27.4.

Onverwijld en in elk geval binnen tien dagen na afsluiting van de ontbindingsprocedure, stelt CLARIN ERIC de Commissie van die afsluiting in kennis.

27.5.

CLARIN ERIC houdt op te bestaan op de dag van bekendmaking door de Europese Commissie van de passende kennisgeving daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 28

Toepasselijk recht

28.1.

CLARIN ERIC is, in aflopende volgorde, onderworpen aan:

(a)

het recht van de Unie, meer bepaald Verordening (EG) nr. 723/2009;

(b)

het Nederlands recht voor kwesties die niet of slechts gedeeltelijk worden geregeld door het recht van de Unie;

(c)

deze statuten.

Artikel 29

Geschillen

29.1.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor CLARIN ERIC betreffende geschillen tussen de leden en voor geschillen tussen de leden en CLARIN ERIC alsook voor alle geschillen waarbij de Unie partij is.

29.2.

De wetgeving van de Unie inzake rechterlijke bevoegdheid is van toepassing op geschillen tussen CLARIN ERIC en derden. Voor geschillen die niet onder de wetgeving van de Unie vallen, wordt overeenkomstig Nederlands recht bepaald welk gerecht bevoegd is voor de beslechting van het geschil in kwestie.

Artikel 30

Beschikbaarheid van de statuten

30.1.

Op ieder gewenst moment is de geldende versie van de statuten openbaar beschikbaar op de website van CLARIN ERIC en op de statutaire zetel.

Artikel 31

Oprichtingsbepalingen

31.1.

Het gastland roept zo spoedig mogelijk en uiterlijk 45 kalenderdagen na het in werking treden van het besluit van de Commissie tot oprichting van CLARIN ERIC de leden van de algemene vergadering bijeen voor een oprichtingsvergadering.

31.2.

Het gastland stelt de oprichtende leden in kennis van eventuele specifieke urgente juridische stappen die namens CLARIN ERIC moeten worden ondernomen voordat de oprichtingsvergadering wordt gehouden. Tenzij een oprichtend lid hier binnen vijf werkdagen na ontvangst van de desbetreffende kennisgeving bezwaar tegen maakt, worden de juridische stappen genomen door een persoon die hiertoe is gemachtigd door het gastland.

Bijlage 1

LIJST VAN LEDEN EN WAARNEMERS

Deze bijlage bevat een lijst van de leden en waarnemers en van de entiteiten die hen vertegenwoordigen.

Laatste wijziging: 20 september 2010

Leden

Land of Intergouvernementele organisatie

Vertegenwoordigende entiteit

De Republiek Oostenrijk

Bundesministerum für Wissenschaft und Forschung (bondsministerie van Wetenschap en Onderzoek - BMWF)

De Republiek Bulgarije

Ministerstvo na obrazovanieto, mladezhta i naukata (ministerie van Onderwijs, Jeugd en Wetenschap)

De Republiek Tsjechië

Ministerstvo školství, mládeže a tělovýchovy (ministerie van Onderwijs, Jeugd en Sport - MEYS)

Het Koninkrijk Denemarken

Styrelsen for Forskning og Innovation (Agentschap voor wetenschap, technologie en innovatie - DASTI)

De Nederlandse Taalunie

Secretaris-generaal

De Republiek Estland

Haridus- ja Teadus ministeerium (ministerie van Onderwijs en Onderzoek)

De Bondsrepubliek Duitsland

Bundesministerium für Bildung und Forschung (bondsministerie van Onderwijs en Onderzoek - BMBF)

Het Koninkrijk der Nederlanden

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

De Republiek Polen

 


Waarnemers

Land of Intergouvernementele organisatie

Vertegenwoordigende entiteit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 2

JAARLIJKSE BIJDRAGE

Beginselen

Voor de aanvangsperiode van vijf jaar worden de hieronder beschreven beginselen toegepast voor het berekenen van de jaarlijkse financiële bijdragen van de leden, waarnemers en individuele instellingen in derde landen die zich willen aansluiten bij CLARIN ERIC. De algemene vergadering kan ook speciale samenwerkingsovereenkomsten aangaan met derden. Voor het einde van de aanvangsperiode van vijf jaar beslist de algemene vergadering over de rekenmethode voor volgende perioden.

De volgende beginselen worden toegepast:

(a)

aanvankelijk wordt gestreefd naar een begroting van 1 000 000 euro per jaar, op basis van een geraamde deelname door 2/3 van de 26 landen die vertegenwoordigd zijn in het consortium voor de voorbereidende fase voor CLARIN; indien zich meer leden aansluiten kan de algemene vergadering besluiten om de bijdragen te verlagen of het activiteitenniveau te verhogen;

(b)

de bijdrage voor jaar 1 van Nederland, als gastland, bedraagt 250 000 euro;

(c)

de maximale bijdrage van andere leden voor jaar 1 bedraagt 200 000 euro;

(d)

de minimale bijdrage van leden voor jaar 1 bedraagt 11 800 euro;

(e)

de bijdrage per lid wordt vastgesteld voor vijf jaren, met een jaarlijkse verhoging van 2 % ter compensatie van inflatie en kostenstijgingen. Het exacte bedrag per lid is opgenomen in de onderstaande tabel;

(f)

leden die zich in een later jaar aansluiten betalen de voor dat jaar vastgestelde geïndexeerde bijdrage;

(g)

waarnemers betalen de minimale geïndexeerde lidmaatschapsbijdrage als vermeld in de onderstaande tabel;

(h)

individuele instellingen in derde landen betalen de minimale geïndexeerde bijdrage als vermeld in de onderstaande tabel;

(i)

de bijdrage van de Nederlandse Taalunie bedraagt 28 600 EUR, hetgeen gebaseerd is op het Vlaamse aandeel aan het bruto binnenlands product van de Unie (hetgeen resulteert in 23 600 EUR), plus een aanvullend bedrag van 5 000 EUR, als specifieke bijdrage van de Nederlandse Taalunie (als internationale organisatie);

(j)

de bijdrage voor entiteiten die zich in de loop van een jaar aansluiten is evenredig aan het aantal maanden van dat jaar die nog niet zijn verstreken, gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarop men zich aansluit;

(k)

de bijdragen zijn gebaseerd op het bbp van het land in 2010 als percentage van het bruto binnenlands product van de Unie in dat jaar (volgens Eurostat), waarbij de volgende formule wordt toegepast:

Het percentage van het bruto binnenlands product van de Unie wordt afgerond op het volgende hele getal (lager dan 5 OMHOOG, anders OMLAAG) en vermenigvuldigd met de minimale bijdrage, zoals te zien is in de onderstaande tabel:

% van het bbp van de EU

afgerond

Bijdrage in EUR

≤ 1

1

11 800

> 1 en ≤ 2

2

23 600

> 2 en ≤ 3

3

35 400

> 3 en ≤ 4

4

47 200

> 5 en ≤ 6

5

59 000

> 6 en ≤ 7

6

70 800

Enz.

≥ 16 en < 17

16

188 800

≥ 17

n.v.t.

200 000

De jaarlijkse bijdrage voor leden die zich in eerste instantie niet verbinden voor vijf jaren wordt verhoogd met 25 %, zolang men zich nog niet voor de resterende periode heeft verbonden. Als men zich verbindt voor het resterende deel van de vijf jaren of als het lid vijf jaren aangesloten blijft, worden er regelingen getroffen om ervoor te zorgen dat een lid in totaal niet meer betaalt dan de normale bijdragen voor die vijf jaren.

De onderstaande tabel en de totaalbedragen in de tabel omvatten 33 potentiële Europese leden.

Resulterende cijfers voor leden die zich voor vijf jaren verbinden

(potentieel)

lid

% bbp

EU 2010

Basis bijdrage

met jaarlijkse verhoging met 2 %

som

j2012

j2013

j2014

j2015

j2016

j2012-16

IJsland

0,10

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Cyprus

0,10

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Estland

0,10

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Malta

0,10

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Letland

0,10

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Litouwen

0,20

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Bulgarije

0,30

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Luxemburg

0,30

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Slovenië

0,30

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Kroatië

0,40

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Slowakije

0,50

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Hongarije

0,80

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Roemenië

1,00

11 800

11 800

12 036

12 277

12 522

12 773

61 408

Tsjechië

1,20

23 600

23 600

24 072

24 553

25 045

25 545

122 815

Ierland

1,30

23 600

23 600

24 072

24 553

25 045

25 545

122 815

Portugal

1,40

23 600

23 600

24 072

24 553

25 045

25 545

122 815

Finland

1,50

23 600

23 600

24 072

24 553

25 045

25 545

122 815

NTU/Vlaanderen

1,68

28 600

28 600

29 172

29 755

30 351

30 958

148 836

Denemarken

1,90

23 600

23 600

24 072

24 553

25 045

25 545

122 815

Griekenland

1,90

23 600

23 600

24 072

24 553

25 045

25 545

122 815

Oostenrijk

2,30

35 400

35 400

36 108

36 830

37 567

38 318

184 223

Noorwegen

2,60

35 400

35 400

36 108

36 830

37 567

38 318

184 223

België

2,90

35 400

35 400

36 108

36 830

37 567

38 318

184 223

Zweden

2,90

35 400

35 400

36 108

36 830

37 567

38 318

184 223

Polen

2,90

35 400

35 400

36 108

36 830

37 567

38 318

184 223

Zwitserland

3,30

35 400

35 400

36 108

36 830

37 567

38 318

184 223

Turkije

4,70

59 000

59 000

60 180

61 384

62 611

63 863

307 038

Nederland

4,80

250 000

250 000

255 000

260 100

265 302

270 608

1 301 010

Spanje

8,70

94 400

94 400

96 288

98 214

100 178

102 182

491 261

Italië

12,80

141 600

141 600

144 432

147 321

150 267

153 272

736 892

Verenigd Koninkrijk

14,00

165 200

165 200

168 504

171 874

175 312

178 818

859 707

Frankrijk

16,10

188 800

188 800

192 576

196 428

200 356

204 363

982 523

Duitsland

20,60

200 000

200 000

204 000

208 080

212 242

216 486

1 040 808

TOTAAL

1 635 000

1 635 000

1 667 700

1 701 054

1 735 075

1 769 777

8 508 606


(1)  Onafhankelijk betekent dat er geen sprake is van belangenverstrengeling.

(2)  PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

(3)  PB L 77 van 23.3.2011, blz. 1.


3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/29


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2012

betreffende de invoer van sperma van varkens in de Unie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 1148)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/137/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (1), en met name artikel 7, lid 1, artikel 9, leden 2 en 3, en artikel 10, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 90/429/EEG zijn de veterinairrechtelijke voorwaarden vastgesteld voor de handel binnen de Unie in sperma van varkens en de invoer daarvan uit derde landen. Die richtlijn bepaalt dat de lidstaten de invoer van dat sperma alleen mogen toestaan wanneer dit afkomstig is uit derde landen die voorkomen op een lijst die volgens de in de richtlijn vastgestelde procedure is opgesteld en vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat waarvan het model moet overeenkomen met een overeenkomstig die richtlijn opgesteld model. Het diergezondheidscertificaat dient om te certificeren dat het sperma afkomstig is van erkende spermacentra die de in artikel 8, lid 1, van die richtlijn vermelde garanties bieden.

(2)

Beschikking 2009/893/EG van de Commissie van 30 november 2009 betreffende de invoer van sperma van als landbouwhuisdier gehouden varkens in de Gemeenschap wat betreft lijsten van derde landen en van spermacentra, en certificeringsvoorschriften (2) bevat een lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van sperma moeten toestaan. Die lijst wordt vastgesteld op basis van de diergezondheidsstatus van die derde landen.

(3)

Richtlijn 90/429/EEG, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 176/2012 van de Commissie (3), stelt herziene veterinairechtelijke voorschriften vast voor donorvarkens en het sperma daarvan ten aanzien van brucellose en de ziekte van Aujeszky.

(4)

Bij Richtlijn 2002/60/EG van de Raad van 27 juni 2002 houdende vaststelling van specifieke bepalingen voor de bestrijding van Afrikaanse varkenspest en houdende wijziging van Richtlijn 92/119/EEG met betrekking tot besmettelijke varkensverlamming (Teschenerziekte) en Afrikaanse varkenspest (4) werd Teschenerziekte (besmettelijke varkensverlamming) geschrapt van de lijst van ziekten in bijlage I bij Richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte (5) en bijgevolg werd die ziekte bij Beschikking 2008/650/EG van de Commissie van 30 juli 2008 tot wijziging van Richtlijn 82/894/EEG van de Raad inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap teneinde bepaalde ziekten in de lijst van aangifteplichtige ziekten op te nemen en besmettelijke varkensverlamming van die lijst te schrappen (6) van de lijst van aangifteplichtige ziekten binnen de Unie geschrapt.

(5)

Voorts moet een aantal veterinairrechtelijke voorschriften voor invoer van sperma van varkens in de Unie op een lijn worden gebracht met de Gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE), met name aangaande de ziektevrije status van landen ten aanzien van vesiculaire varkensziekte en de ziektevrije status van spermacentra ten aanzien van tuberculose en rabiës.

(6)

Dienovereenkomstig moet het model van gezondheidscertificaat in deel I van bijlage II bij Beschikking 2009/893/EG worden gewijzigd om recht te doen aan die wijzigingen van Richtlijn 90/424/EEG en om alle verwijzingen te schrappen naar Teschenerziekte (besmettelijke varkensverlamming), de ziektevrije status van landen wat vesiculaire varkensziekte betreft en de ziektevrije status van spermacentra wat tuberculose en rabiës betreft.

(7)

Tussen de Unie en bepaalde derde landen zijn bilaterale overeenkomsten gesloten waarin specifieke voorwaarden voor de invoer van varkenssperma in de Unie zijn opgenomen. Wanneer in de bilaterale overeenkomsten specifieke voorwaarden en modellen van diergezondheidscertificaten voor invoer zijn opgenomen, moeten daarom die voorwaarden en modellen gelden in plaats van de voorwaarden en het model die in dit besluit zijn vastgesteld.

(8)

Zwitserland is een derde land met een diergezondheidsstatus die gelijkwaardig is aan die van de lidstaten. Daarom is het wenselijk dat varkenssperma dat uit Zwitserland in de Unie wordt ingevoerd, vergezeld gaat van een diergezondheidscertificaat, opgesteld overeenkomstig de in bijlage D bij Richtlijn 90/429/EEG vastgestelde modellen die worden gebruikt voor de handel in dergelijk sperma binnen de Unie, met de aanpassingen beschreven in bijlage 11, aanhangsel 2, hoofdstuk VIII, onder B), punt 3, bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, zoals goedgekeurd bij Besluit 2002/309/EG, Euratom van de Raad en, wat betreft de overeenkomst inzake Wetenschappelijke en Technologische samenwerking, van de Commissie van 4 april 2002 betreffende de sluiting van zeven overeenkomsten met de Zwitserse Bondsstaat (7).

(9)

Voor de duidelijkheid en de samenhang van de wetgeving van de Unie moet Beschikking 2009/893/EG worden ingetrokken en door dit besluit worden vervangen.

(10)

Om een verstoring van het handelsverkeer te vermijden, moet het gebruik van overeenkomstig Beschikking 2009/893/EG afgegeven gezondheidscertificaten tijdens een overgangsperiode worden toegestaan.

(11)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij dit besluit wordt een lijst vastgesteld van derde landen of delen daarvan waaruit de lidstaten de invoer van varkenssperma in de Unie moeten toestaan.

Dit besluit bevat ook certificeringsvoorschriften voor de invoer van sperma in de Unie.

Artikel 2

Invoer van sperma

1.   De lidstaten staan de invoer van sperma toe mits het aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

het is afkomstig uit een in bijlage I opgenomen derde land of deel daarvan;

b)

het is afkomstig van een spermacentrum dat overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Richtlijn 90/429/EEG in een lijst is opgenomen;

c)

het gaat vergezeld van een gezondheidscertificaat dat is opgesteld volgens het model van gezondheidscertificaat in bijlage II, deel 1, en dat overeenkomstig de toelichting in deel 2 van die bijlage is ingevuld;

d)

het voldoet aan de voorschriften in het onder c) bedoelde gezondheidscertificaat.

2.   Wanneer in bilaterale overeenkomsten tussen de Unie en derde landen specifieke veterinairrechtelijke en certificeringsvoorschriften zijn vastgesteld, gelden die voorschriften in plaats van de voorschriften van lid 1.

Artikel 3

Voorwaarden betreffende het vervoer van sperma naar de Unie

1.   Het sperma, als bedoeld in artikel 2, mag niet in dezelfde container worden vervoerd als andere zendingen sperma die:

a)

niet bestemd zijn om in de Unie te worden binnengebracht; of

b)

een lagere gezondheidsstatus hebben.

2.   Sperma wordt in gesloten en verzegelde recipiënten naar de Unie vervoerd en het zegel mag tijdens het vervoer niet worden verbroken.

Artikel 4

Intrekking

Beschikking 2009/893/EG wordt ingetrokken.

Artikel 5

Overgangsbepaling

De lidstaten staan gedurende een overgangsperiode die loopt tot en met 30 november 2012 de invoer van sperma uit derde landen toe die vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat dat uiterlijk op 31 oktober 2012 is afgegeven overeenkomstig het model in bijlage II, deel 1, bij Beschikking 2009/893/EG.

Artikel 6

Toepasselijkheid

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 juni 2012.

Artikel 7

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2012.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 224 van 18.8.1990, blz. 62.

(2)  PB L 320 van 5.12.2009, blz. 12.

(3)  PB L 61, 2.3.2012, blz. 1.

(4)  PB L 192 van 20.7.2002, blz. 27.

(5)  PB L 62 van 15.3.1993, blz. 69.

(6)  PB L 213 van 8.8.2008, blz. 42.

(7)  PB L 114 van 30.4.2002, blz. 1.


BIJLAGE I

Lijst van derde landen of delen daarvan van waaruit de lidstaten de invoer van sperma van varkens moeten toestaan

ISO-code

Naam van het derde land

Opmerkingen

CA

Canada

 

CH

Zwitserland (1)

 

NZ

Nieuw-Zeeland

 

US

Verenigde Staten van Amerika

 


(1)  Het voor invoer uit Zwitserland te gebruiken certificaat is opgenomen in bijlage D bij Richtlijn 90/429/EEG, met de aanpassingen beschreven in bijlage 11, aanhangsel 2, hoofdstuk VIII, onder B), punt 3, bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten, zoals goedgekeurd bij Besluit 2002/309/EG, Euratom.


BIJLAGE II

DEEL 1

Model van diergezondheidscertificaat voor de invoer van sperma van varkens

Image

Image

Image

Image

Image

DEEL 2

Toelichting voor de certificering

a)

De diergezondheidscertificaten worden overeenkomstig het model in bijlage II, deel 1, afgegeven door de bevoegde autoriteit van het derde land van uitvoer.

Indien de lidstaat van bestemming aanvullende certificeringseisen stelt, worden in het origineel van het diergezondheidscertificaat ook de verklaringen opgenomen dat aan die eisen is voldaan.

b)

Het origineel van het diergezondheidscertificaat bestaat uit één blad of, indien nodig, een formulier waarvan alle bladen één ondeelbaar geheel vormen.

c)

Indien in het model van diergezondheidscertificaat staat dat een verklaring in bepaalde gevallen kan worden doorgehaald, houdt dit in dat niet ter zake doende verklaringen mogen worden doorgehaald, met paraaf en stempel van de certificerende ambtenaar, of helemaal uit het certificaat mogen worden weggelaten.

d)

Het diergezondheidscertificaat wordt opgesteld in ten minste een van de officiële talen van de lidstaat waarin de grensinspectiepost van binnenkomst van de zending in de Europese Unie gelegen is, en van de lidstaat van bestemming. Die lidstaten kunnen evenwel toestaan dat het certificaat in de officiële taal van een andere lidstaat wordt opgesteld en zo nodig vergezeld gaat van een officiële vertaling.

e)

Indien voor de identificatie van de bestanddelen van de zending (zie vak I.28 van de modellen van diergezondheidscertificaten) extra bladen aan het diergezondheidscertificaat worden gehecht, worden deze bladen beschouwd als deel uitmakend van het originele diergezondheidscertificaat en worden alle bladzijden voorzien van de handtekening en het stempel van de certificerende ambtenaar.

f)

Indien het diergezondheidscertificaat, inclusief de onder e) bedoelde aanvullingen, meer dan één bladzijde beslaat, wordt elke bladzijde onderaan genummerd — (bladzijdenummer) van (totaal aantal bladzijden) — en wordt elke bladzijde bovenaan voorzien van het referentienummer van het certificaat dat door de bevoegde autoriteit is toegekend.

g)

Het origineel van het diergezondheidscertificaat moet door een officiële dierenarts worden ingevuld en ondertekend op de laatste werkdag vóór het laden van de zending voor uitvoer naar de Europese Unie. De bevoegde autoriteiten van het derde land van uitvoer zien erop toe dat certificeringsvoorschriften worden toegepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van Richtlijn 96/93/EG van de Raad (1).

De kleur van de handtekening en het stempel van de officiële dierenarts moet verschillen van die van de gedrukte tekst op het diergezondheidscertificaat. Dat geldt ook voor andere stempels dan reliëfstempels en watermerken.

h)

Het origineel van het diergezondheidscertificaat moet de zending tot in de grensinspectiepost van binnenkomst in de Europese Unie vergezellen.

i)

Het in de vakken I.2. en II.a. van het model van diergezondheidscertificaat vermelde referentienummer van het certificaat moet worden toegekend door de bevoegde autoriteit van het derde land van uitvoer.


(1)  PB L 13 van 16.1.1997, blz. 28.


3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/38


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2012

tot vaststelling van noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora chinensis (Forster) te voorkomen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 1310)

(2012/138/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, vierde zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit de ervaring met de uitvoering van Beschikking 2008/840/EG van de Commissie van 7 november 2008 tot vaststelling van noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van Anoplophora chinensis (Forster) te voorkomen (2), in het algemeen, en rekening houdend met recente uitbraken en bevindingen, meegedeeld door Duitsland, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, in het bijzonder, en de ervaringen met betrekking tot de uitroeiing daarvan is gebleken dat de in die beschikking vastgestelde maatregelen moeten worden gewijzigd. Voor de duidelijkheid en gezien de omvang van die wijzigingen en eerdere wijzigingen is het dienstig dat Beschikking 2008/840/EG wordt vervangen.

(2)

Anoplophora chinensis (Thomson) en Anoplophora malasiaca (Forster) zijn opgenomen in rubriek I van deel A van bijlage I bij Richtlijn 2000/29/EG, hoewel beide aanduidingen betrekking hebben op een enkele soort die voor de uitvoering van dit besluit wordt aangeduid als Anoplophora chinensis (Forster), hierna „nader omschreven organisme” genoemd, zoals in Beschikking 2008/840/EG.

(3)

Rekening houdend met de opgedane ervaring moeten bepaalde plantensoorten die niet onder Beschikking 2008/840/EG vallen, in de werkingssfeer daarvan worden opgenomen, terwijl andere soorten waarop de beschikking eerder wel van toepassing was, moeten worden uitgesloten. Planten en enten waarvan de stam of wortelhals kleiner zijn dan een bepaalde diameter moeten buiten de werkingsfeer van dit besluit vallen. Er moeten bepaalde definities worden opgenomen ter verbetering van de duidelijkheid en de leesbaarheid.

(4)

Wat de invoer betreft, moeten de bepalingen rekening houden met de fytosanitaire status van het nader omschreven organisme in het land van oorsprong.

(5)

Gezien de ervaring met besmette zendingen van oorsprong uit China moeten speciale bepalingen de invoer uit dat land regelen. Aangezien het bij de meeste onderscheppingen van uit China ingevoerde nader omschreven planten ging om planten van Acer spp., moet het verbod op de invoer daarvan worden gehandhaafd tot en met 30 april 2012, zoals eerder vastgesteld.

(6)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld voor het vervoer van planten binnen de Unie.

(7)

De lidstaten moeten jaarlijkse onderzoeken uitvoeren en de Commissie en de andere lidstaten in kennis stellen van de resultaten daarvan. Er moet worden voorzien in kennisgeving wanneer het nader omschreven organisme wordt aangetroffen in een lidstaat of een deel van een lidstaat waarin de aanwezigheid daarvan vroeger onbekend was of waarvan werd aangenomen dat het daar was uitgeroeid. Een termijn van vijf dagen voor de kennisgeving van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme door de lidstaat moet worden vastgesteld om zo nodig snelle actie op het niveau van de Unie mogelijk te maken.

(8)

Om het nader omschreven organisme uit te roeien en de verspreiding daarvan te voorkomen, moeten de lidstaten afgebakende gebieden instellen en de nodige maatregelen nemen. Als onderdeel van hun maatregelen moeten de lidstaten activiteiten uitvoeren om het publiek beter bewust te maken van de bedreiging die van het nader omschreven organisme uitgaat. Zij moeten verder specifieke termijnen voor de uitvoering van deze maatregelen vaststellen. Wanneer uitroeiing van het nader omschreven organisme niet langer mogelijk is, moeten de lidstaten maatregelen nemen om de verspreiding daarvan tegen te gaan.

(9)

In nader omschreven omstandigheden moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om te besluiten geen afgebakende gebieden in te stellen en de maatregelen te beperken tot de vernietiging van het besmette materiaal, met uitvoering van een versterkte monitoring en tracering van de planten die verband houden met het betrokken geval van besmetting.

(10)

De lidstaten moeten aan de Commissie en de andere lidstaten verslag uitbrengen over de maatregelen die zij hebben genomen of voornemens zijn te nemen, alsook over de redenen voor het niet-instellen van afgebakende gebieden. Zij moeten de Commissie en de andere lidstaten jaarlijks een bijgewerkte versie van dat verslag doen toekomen, waarin een overzicht van de situatie wordt gegeven.

(11)

Beschikking 2008/840/EG moet daarom worden ingetrokken.

(12)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de uitvoering van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „nader omschreven planten”: voor opplant bestemde planten met een stam- of wortelhalsdiameter van 1 cm of meer op hun dikste punt, met uitzondering van zaden, van Acer spp., Aesculus hippocastanum, Alnus spp., Betula spp., Carpinus spp., Citrus spp., Cornus spp., Corylus spp., Cotoneaster spp., Crataegus spp., Fagus spp., Lagerstroemia spp., Malus spp., Platanus spp., Populus spp., Prunus laurocerasus, Pyrus spp., Rosa spp., Salix spp. en Ulmus spp.;

b)   „plaats van productie”: de plaats van productie als omschreven in de internationale norm nr. 5 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen („ISPM”) (3);

c)   „nader omschreven organisme”: Anoplophora chinensis (Forster).

Artikel 2

Invoer van de nader omschreven planten van oorsprong uit derde landen, met uitzondering van China

Wat betreft de invoer van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, met uitzondering van China, mogen de nader omschreven planten alleen in de Unie worden binnengebracht als zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij voldoen aan de specifieke invoervoorschriften, vastgesteld in punt 1 van sectie 1, onder A, van bijlage I;

b)

bij binnenkomst in de Unie zijn zij door het verantwoordelijke officiële orgaan overeenkomstig punt 2 van sectie 1, onder A, van bijlage I geïnspecteerd op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en er zijn geen tekenen van dat organisme gevonden.

Artikel 3

Invoer van de nader omschreven planten van oorsprong uit China

1.   Wat de invoer van oorsprong uit China betreft, mogen de nader omschreven planten alleen in de Unie worden binnengebracht, als zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij voldoen aan de specifieke invoervoorschriften van punt 1 van sectie 1, onder B, van bijlage I;

b)

bij binnenkomst in de Unie zijn zij door het verantwoordelijke officiële orgaan overeenkomstig punt 2 van sectie 1, onder B, van bijlage I geïnspecteerd op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en er zijn geen tekenen van dat organisme gevonden;

c)

de plaats van productie van die planten:

i)

is aangeduid door één registratienummer dat door de nationale plantenziektekundige dienst van China is toegekend;

ii)

is opgenomen in de meest recente versie van het register dat door de Commissie aan de lidstaten overeenkomstig lid 3 is meegedeeld;

iii)

is in de voorgaande twee jaren niet het onderwerp geweest van een mededeling door de Commissie aan de lidstaten betreffende de verwijdering uit het register overeenkomstig lid 3, en

iv)

is in de voorgaande twee jaren niet het onderwerp geweest van een mededeling door de Commissie aan de lidstaten, als bedoeld in lid 4 of lid 5.

2.   Planten van Acer spp. mogen echter tot en met 30 april 2012 niet in de Unie worden binnengebracht.

Vanaf 1 mei 2012 is lid 1 op planten van Acer spp. van toepassing.

3.   De Commissie deelt de lidstaten het register van de plaatsen van productie in China mee, dat de nationale plantenziektekundige dienst overeenkomstig punt 1, onder b), van sectie 1, onder B, van bijlage I heeft opgesteld.

Wanneer die dienst het register bijwerkt door de verwijdering van een plaats van productie, omdat die dienst heeft geconstateerd dat de plaats van productie niet langer voldoet aan punt 1, onder b), van sectie 1, onder B, van bijlage I of omdat de Commissie China in kennis heeft gesteld van bewijsmateriaal over de aanwezigheid van het nader omschreven organisme bij invoer van nader omschreven planten uit die plaats van productie, en China de bijgewerkte versie van het register ter beschikking van de Commissie stelt, deelt de Commissie de bijgewerkte versie van het register aan de lidstaten mee.

Wanneer die dienst het register bijwerkt door opneming van een plaats van productie, omdat die dienst heeft geconstateerd dat die plaats van productie voldoet aan punt 1, onder b), van sectie 1, onder B, van bijlage I stelt China de bijgewerkte versie van het register tezamen met de nodige toelichting ter beschikking van de Commissie. De Commissie deelt die bijgewerkte versie en, zo nodig, de toelichting aan de lidstaten mee.

Via haar internetinformatiepagina’s maakt de Commissie het register en de bijwerkingen daarvan aan het publiek bekend.

4.   Wanneer de Chinese plantenziektekundige dienst tijdens een inspectie op een geregistreerde plaats van productie, als vastgesteld in de punten ii), iii) en iv) van punt 1, onder b), van sectie 1, onder B, van bijlage I, bewijsmateriaal vindt van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en de Commissie door China van die bevinding in kennis wordt gesteld, deelt de Commissie die bevinding onmiddellijk aan de lidstaten mee.

Via haar internetinformatiepagina’s maakt de Commissie deze informatie ook aan het publiek bekend.

5.   Wanneer de Commissie beschikt over bewijsmateriaal uit andere bronnen dan die bedoeld in de leden 3 en 4 waaruit blijkt dat een in het register opgenomen plaats van productie niet voldoet aan punt 1, onder b), van sectie 1, onder B, van bijlage I of dat het nader omschreven organisme is aangetroffen op nader omschreven planten ingevoerd uit een dergelijke plaats van productie, deelt zij de informatie betreffende die plaats van productie aan de lidstaten mee.

Via haar internetinformatiepagina’s maakt de Commissie deze informatie ook aan het publiek bekend.

Artikel 4

Vervoer van de nader omschreven planten binnen de Unie

Nader omschreven planten van oorsprong uit afgebakende gebieden in de Unie, als vastgesteld overeenkomstig artikel 6, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van punt 1 van sectie 2 van bijlage I.

Nader omschreven planten die niet zijn geteeld in afgebakende gebieden maar in dergelijke gebieden zijn binnengebracht, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van punt 2 van sectie 2 van bijlage I.

Nader omschreven planten, ingevoerd overeenkomstig de artikelen 2 en 3 uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd, als zij voldoen aan de voorwaarden van punt 3 van sectie 2 van bijlage I.

Artikel 5

Onderzoeken en kennisgevingen van het nader omschreven organisme

1.   De lidstaten voeren officiële jaarlijkse onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en voor de verzameling van bewijzen van besmetting door dat organisme op waardplanten op hun grondgebied.

Onverminderd artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG worden de Commissie en de andere lidstaten elk jaar uiterlijk 30 april van de resultaten van die onderzoeken in kennis gesteld.

2.   Onverminderd artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG stellen de lidstaten de Commisie en de andere lidstaten binnen vijf dagen schriftelijk in kennis van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in een gebied op hun grondgebied waar die aanwezigheid voorheen onbekend was, dat organisme werd geacht te zijn uitgeroeid of de besmetting werd gedetecteerd op een plantensoort die voorheen niet bekend stond als een waardplant.

Artikel 6

Afgebakende gebieden

1.   Wanneer de resultaten van de in artikel 5, lid 1, bedoelde onderzoeken de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in een gebied bevestigen of de aanwezigheid van dat organisme op een andere wijze wordt aangetoond, stellen de betrokken lidstaten onverwijld afgebakende gebieden in, die bestaan uit een besmette zone en een bufferzone, overeenkomstig sectie 1 van bijlage II.

2.   De lidstaten hoeven geen afgebakende gebieden in te stellen, als bedoeld in lid 1, als aan de voorwaarden van punt 1 van sectie 2 van bijlage II wordt voldaan. In een dergelijk geval nemen de lidstaten de maatregelen, als vastgesteld in punt 2 van die sectie.

3.   De lidstaten nemen maatregelen in de afgebakende gebieden, als vastgesteld in sectie 3 van bijlage II.

4.   De lidstaten stellen termijnen vast voor de uitvoering van de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen.

Artikel 7

Verslaglegging over de maatregelen

1.   De lidstaten brengen binnen dertig dagen na de kennisgeving, als bedoeld in artikel 5, lid 2, aan de Commissie en de andere lidstaten verslag uit over de maatregelen die zij overeenkomstig artikel 6 hebben genomen of voornemens zijn te nemen.

Het verslag omvat ook de beschrijving van het afgebakende gebied, indien ingesteld, en informatie over de ligging daarvan met een kaart die de grenzen daarvan aangeeft, alsook informatie over de huidige ziektestatus en maatregelen om te voldoen aan de voorschriften betreffende het vervoer van nader omschreven planten binnen de Unie, als vastgesteld in artikel 4.

Het beschrijft het bewijsmateriaal en de criteria waarop de maatregelen zijn gebaseerd.

Ingeval de lidstaten besluiten om geen afgebakend gebied in te stellen overeenkomstig artikel 6, lid 2, bevat het verslag gegevens ter rechtvaardiging van het besluit met een opgave van de redenen.

2.   De lidstaten doen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk 30 april van elk jaar een verslag toekomen met een bijgewerkte lijst van alle afgebakende gebieden, ingesteld uit hoofde van artikel 6, alsook informatie over hun beschrijving en ligging met kaarten waarop de grenzen van de gebieden zijn aangegeven, en de maatregelen die de lidstaten hebben genomen of voornemens zijn te nemen.

Artikel 8

Naleving van dit besluit

De lidstaten nemen alle maatregelen om aan dit besluit te voldoen en wijzigen zo nodig de maatregelen die zij hebben genomen om zich te beschermen tegen het binnenbrengen en de verspreiding van het nader omschreven organisme op zodanige wijze dat die maatregelen aan dit besluit voldoen. Zij stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van die maatregelen.

Artikel 9

Intrekking

Beschikking 2008/840/EG wordt ingetrokken.

Artikel 10

Herziening

Dit besluit wordt uiterlijk op 31 mei 2013 opnieuw bekeken.

Artikel 11

Addressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2012.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  PB L 300 van 11.11.2008, blz. 36.

(3)  Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No. 5 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.


BIJLAGE I

1.   Specifieke invoervoorschriften

A.   Invoer van oorsprong uit derde landen, met uitzondering van China

1.

Onverminderd de bepalingen van bijlage III, deel A, punten 9, 16 en 18, en bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 14, 15, 17, 18, 19.2, 20, 22.1, 22.2, 23.1, 23.2, 32.1, 32.3, 33, 34, 36.1, 39, 40, 43, 44 en 46, bij Richtlijn 2000/29/EG, moeten de nader omschreven planten van oorsprong uit andere derde landen dan China waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, vergezeld gaan van een certificaat, als bedoeld in artikel 13, lid 1, van die richtlijn waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven:

a)

dat de planten permanent zijn geteeld in een plaats van productie die is geregistreerd en wordt gecontroleerd door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong en is gelegen in een ziektevrij gebied dat door die dienst is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen. De naam van het ziektevrije gebied wordt vermeld onder de rubriek „plaats van oorsprong”, of

b)

dat de planten gedurende een periode van ten minste twee jaar vóór de uitvoer zijn geteeld in een plaats van productie die vrij van Anoplophora chinensis (Forster) is verklaard overeenkomstig de internationale normen voor fytosanitaire maatregelen en:

i)

die is geregistreerd door en onder toezicht staat van de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong, en

ii)

die jaarlijks is onderworpen aan ten minste twee officiële zorgvuldige inspecties naar tekenen van Anoplophora chinensis (Forster), die op geëigende tijdstippen zijn uitgevoerd en waarbij geen tekenen van het organisme zijn gevonden, en

iii)

waar de planten zijn geteeld op een terrein:

dat volledig fysiek is beschermd tegen het binnenbrengen van Anoplophora chinensis (Forster), of

waar passende preventieve behandelingen worden toegepast en dat is omgeven door een bufferzone met een straal van minstens twee km, waar jaarlijks op geëigende tijdstippen officiële onderzoeken naar de aanwezigheid of tekenen van Anoplophora chinensis (Forster) worden uitgevoerd. Ingeval tekenen van Anoplophora chinensis (Forster) worden gevonden, worden onmiddellijk uitroeiingsmaatregelen genomen om de bufferzone opnieuw ziektevrij te maken, en

iv)

waar de zendingen van de planten onmiddellijk vóór de uitvoer zijn onderworpen aan een officiële zorgvuldige inspectie naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme, met name in de wortels en de stammen van de planten. Deze inspectie moet een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten. Het monster voor inspectie moet zodanig groot zijn dat het ten minste de detectie van een besmettingsniveau van 1 % met een betrouwbaarheidsniveau van 99 % mogelijk maakt, of

c)

dat de planten zijn geteeld uit wortelstokken die voldoen aan de voorschriften van punt b) en zijn geënt met enten die aan de volgende vereisten voldoen:

i)

bij uitvoer is de diameter van de geënte enten niet meer dan 1 cm op het dikste punt;

ii)

de geënte planten zijn geïnspecteerd overeenkomstig punt b) iv).

2.

De overeenkomstig punt 1 ingevoerde nader omschreven planten moeten zorgvuldig worden geïnspecteerd op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming, vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie (1). De toegepaste inspectiemethoden moeten ervoor zorgen dat alle tekenen van het nader omschreven organisme, met name in de wortels en de stammen van de planten, worden opgespoord. Deze inspectie moet een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten. Het monster voor inspectie moet zodanig groot zijn dat het ten minste de detectie van een besmettingsniveau van 1 % met een betrouwbaarheidsniveau van 99 % mogelijk maakt.

B.   Invoer van oorsprong uit China

1.

Onverminderd de bepalingen van bijlage III, deel A, punten 9, 16 en 18, en bijlage IV, deel A, rubriek I, punten 14, 15, 17, 18, 19.2, 20, 22.1, 22.2, 23.1, 23.2, 32.1, 32.3, 33, 34, 36.1, 39, 40, 43, 44 en 46, bij Richtlijn 2000/29/EG, moeten de nader omschreven planten van oorsprong uit China vergezeld gaan van een certificaat, als bedoeld in artikel 13, lid 1, van die richtlijn waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven dat:

a)

de planten permanent zijn geteeld in een plaats van productie die is geregistreerd en wordt gecontroleerd door de nationale plantenziektekundige dienst van China en is gelegen in een ziektevrij gebied dat door die dienst is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen. De naam van het ziektevrije gebied wordt vermeld onder de rubriek „plaats van oorsprong”, of

b)

de planten gedurende een periode van ten minste twee jaar vóór de uitvoer zijn geteeld in een plaats van productie die vrij van Anoplophora chinensis (Forster) is verklaard overeenkomstig de internationale normen voor fytosanitaire maatregelen en:

i)

die is geregistreerd door en onder toezicht staat van de nationale plantenziektekundige dienst van China, en

ii)

die jaarlijks is onderworpen aan ten minste twee officiële inspecties naar tekenen van Anoplophora chinensis (Forster), die op geëigende tijdstippen zijn uitgevoerd en waarbij geen tekenen van het organisme zijn gevonden, en

iii)

waar de planten zijn geteeld op een terrein:

dat volledig fysiek is beschermd tegen het binnenbrengen van Anoplophora chinensis (Forster), of

waar passende preventieve behandelingen worden toegepast en dat is omgeven door een bufferzone met een straal van minstens twee km, waar jaarlijks op geëigende tijdstippen officiële onderzoeken naar de aanwezigheid of tekenen van Anoplophora chinensis (Forster) worden uitgevoerd. Ingeval tekenen van Anoplophora chinensis (Forster) worden gevonden, worden onmiddellijk uitroeiingsmaatregelen genomen om de bufferzone opnieuw ziektevrij te maken, en

iv)

waar de zendingen van de planten onmiddellijk vóór de uitvoer zijn onderworpen aan een officiële zorgvuldige inspectie, inclusief een doelgerichte destructieve bemonstering van elke partij, naar de aanwezigheid van Anoplophora chinensis (Forster), met name in de wortels en de stammen van de planten.

Het monster voor inspectie is zodanig groot dat het ten minste de detectie van een besmettingsniveau van 1 % met een betrouwbaarheidsniveau van 99 % mogelijk maakt, of

c)

dat de planten zijn geteeld uit wortelstokken die voldoen aan de voorschriften van punt b) en zijn geënt met enten die aan de volgende vereisten voldoen:

i)

bij uitvoer is de diameter van de geënte enten niet meer dan 1 cm op het dikste punt;

ii)

de geënte planten zijn geïnspecteerd overeenkomstig punt b) iv);

d)

het registratienummer van de plaats van productie.

2.

De overeenkomstig punt 1 ingevoerde nader omschreven planten moeten zorgvuldig worden geïnspecteerd op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming, vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG. De toegepaste inspectiemethoden, inclusief doelgerichte destructieve bemonstering van elke partij, moeten ervoor zorgen dat alle tekenen van het nader omschreven organisme, met name in de wortels en de stammen van de planten, worden opgespoord. Het monster voor inspectie moet zodanig groot zijn dat het ten minste de detectie van een besmettingsniveau van 1 % met een betrouwbaarheidsniveau van 99 % mogelijk maakt.

De in de eerste alinea bedoelde destructieve bemonstering wordt uitgevoerd op het in de volgende tabel vastgestelde niveau:

Aantal planten in de partij

Niveau destructieve bemonstering (aantal te snijden planten)

1-4 500

10 % van de partijgrootte

> 4 500

450

2.   Vervoersvoorwaarden

1.

De nader omschreven planten van oorsprong (2) uit afgebakende gebieden in de Unie mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd, als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (3) en gedurende een periode van minstens twee jaar vóór het vervoer zijn geteeld in een plaats van productie:

i)

die is geregistreerd overeenkomstig Richtlijn 92/90/EEG van de Commissie (4), en

ii)

die jaarlijks is onderworpen aan ten minste twee officiële zorgvuldige inspecties naar tekenen van het nader omschreven organisme, die op geëigende tijdstippen zijn uitgevoerd en waarbij geen tekenen van het nader omschreven organisme zijn gevonden; zo nodig moet deze inspectie een doelgerichte destructieve bemonstering van de wortels en stammen van de planten omvatten; het monster voor inspectie moet zodanig groot zijn dat het ten minste de detectie van een besmettingsniveau van 1 % met een betrouwbaarheidsniveau van 99 % mogelijk maakt, en

iii)

die is gelegen in een afgebakend gebied waar de planten zijn geteeld op een terrein:

dat volledig fysiek is beschermd tegen het binnenbrengen van het nader omschreven organisme, of

waar passende preventieve behandelingen worden toegepast of een doelgerichte destructieve bemonstering op elke partij van de nader omschreven planten, vóórdat zij worden vervoerd, wordt uitgevoerd op het niveau dat is vastgesteld in de tabel in punt 2 van deel B van sectie 1 en waar in elk geval jaarlijks op geëigende tijdstippen binnen een straal van minstens één km rond het terrein officiële onderzoeken naar de aanwezigheid of tekenen van het nader omschreven organisme worden uitgevoerd en het nader omschreven organisme of tekenen daarvan niet zijn gevonden.

Wortelstokken die aan de voorschriften van lid 1 voldoen, mogen worden geënt met enten die niet onder deze omstandigheden zijn geteeld, maar waarvan de diameter op het dikste punt niet groter is dan 1 cm.

2.

Nader omschreven planten niet van oorsprong (5) uit afgebakende gebieden, maar binnengebracht in een plaats van productie in dergelijke gebieden, mogen binnen de Unie worden vervoerd op voorwaarde dat deze plaats van productie voldoet aan de voorschriften van punt 1, onder iii) en alleen als de planten vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG.

3.

Nader omschreven planten die zijn ingevoerd uit derde landen waarvan overeenkomstig sectie 1 bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen binnen de Unie alleen worden vervoerd, als zij vergezeld gaan van het in punt 1 bedoelde plantenpaspoort.


(1)  PB L 313 van 12.10.2004, blz. 16.

(2)  Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No. 5 and Phytosanitary certificates — Reference Standard ISPM No. 12 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.

(3)  PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22.

(4)  PB L 344 van 26.11.1992, blz. 38.

(5)  Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No. 5 and Phytosanitary certificates — Reference Standard ISPM No. 12 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.


BIJLAGE II

INSTELLING VAN AFGEBAKENDE GEBIEDEN EN MAATREGELEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 6

1.   Instelling van afgebakende gebieden

1.

Afgebakende gebieden bestaan uit de volgende zones:

a)

een besmette zone die de zone is waarin de aanwezigheid van het nader omschreven organisme is bevestigd en die alle planten omvat die door het nader omschreven organisme veroorzaakte symptomen vertonen en, indien van toepassing, alle planten die op het tijdstip van opplant tot dezelfde partij behoorden, en

b)

een bufferzone met een straal van minstens twee km buiten de grens van de besmette zone.

2.

De exacte grenzen van de zones moeten zijn gebaseerd op goede wetenschappelijke beginselen, de biologie van het nader omschreven organisme, het besmettingsniveau, de specifieke verdeling van de waardplanten in het betrokken gebied en bewijsmateriaal inzake het vóórkomen van het nader omschreven organisme. Ingeval het verantwoordelijke officiële orgaan concludeert dat de uitroeiing van het nader omschreven organisme mogelijk is, rekening houdend met de omstandigheden van de uitbraak, de resultaten van een specifiek onderzoek of de onmiddellijke toepassing van uitroeiingsmaatregelen, kan de straal van de bufferzone worden verkleind tot niet minder dan één km buiten de grens van de besmette zone. Wanneer uitroeiing van het nader omschreven organisme niet langer mogelijk is, kan de straal niet tot minder dan twee km worden verkleind.

3.

Indien de aanwezigheid van het nader omschreven organisme buiten de besmette zone wordt bevestigd, moeten de grenzen van de besmette zone en de bufferzone worden herzien en dienovereenkomstig worden gewijzigd.

4.

Wanneer in een afgebakend gebied op grond van de onderzoeken, als bedoeld in artikel 5, lid 1, en de monitoring, als bedoeld in punt 1, onder h), van sectie 3 van bijlage II, het nader omschreven organisme niet wordt gedetecteerd tijdens een periode die ten minste één levenscyclus en één aanvullend jaar omvat, maar die in elk geval niet minder dan vier achtereenvolgende jaren bedraagt, mag deze afbakening worden opgeheven. De exacte lengte van een levenscyclus hangt af van het bewijsmateriaal dat voor het betrokken gebied of een soortgelijke klimaatzone beschikbaar is. De afbakening mag ook worden opgeheven wanneer na verder onderzoek blijkt dat aan de voorwaarden van punt 1 van sectie 2 wordt voldaan.

2.   Voorwaarden waaronder geen afgebakend gebied hoeft te worden ingesteld

1.

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, hoeven de lidstaten geen afgebakend gebied in te stellen, als bedoeld in artikel 6, lid 1, wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

er is bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het nader omschreven organisme in het gebied is binnengebracht met de planten waarop het werd gevonden en er is een aanwijzing dat die planten besmet waren vóórdat zij in het betrokken gebied zijn binnengebracht, of dat het om een geïsoleerde vondst gaat, die al dan niet onmiddellijk verband houdt met een nader omschreven plant, en naar verwachting niet tot vestiging zal leiden, en

b)

er is vastgesteld dat het nader omschreven organisme zich niet heeft gevestigd en dat de verspreiding en de succesvolle voortplanting van het nader omschreven organisme niet mogelijk zijn wegens zijn biologie en rekening houdend met de resultaten van een specifiek onderzoek en met uitroeiingsmaatregelen die kunnen bestaan uit het uit voorzorg kappen en verwijderen van de nader omschreven planten, inclusief hun wortels, nadat zij zijn onderzocht.

2.

Wanneer aan de in punt 1 vermelde voorwaarden wordt voldaan, hoeven de lidstaten geen afgebakende gebieden in te stellen, mits zij de volgende maatregelen nemen:

a)

onmiddellijke maatregelen om te zorgen voor de snelle uitroeiing van het nader omschreven organisme en om de mogelijkheid van de verspreiding daarvan uit te sluiten;

b)

monitoring tijdens een periode die ten minste één levenscyclus van het nader omschreven organisme en één aanvullend jaar bestrijkt, inclusief monitoring in ten minste vier achtereenvolgende jaren, in een straal van minstens één km rond de besmette planten of de plaats waar het nader omschreven organisme is gevonden; ten minste gedurende het eerste jaar moet de monitoring regelmatig en intensief zijn;

c)

de vernietiging van besmet plantenmateriaal;

d)

tracering naar de oorsprong van de besmetting en tracering van planten die verband houden met het betrokken besmettingsgeval, voor zover mogelijk, en onderzoek daarvan naar tekenen van besmetting; het onderzoek moet een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten;

e)

activiteiten om het publiek meer bewust te maken van de bedreiging die van dat organisme uitgaat;

f)

andere maatregelen die kunnen bijdragen tot de uitroeiing van het nader omschreven organisme, waarbij rekening wordt gehouden met ISPM nr. 9 (1) en overeenkomstig de beginselen van ISPM nr. 14 (2) een geïntegreerde aanpak wordt toegepast.

De in de punten a) tot en met f) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag, als bedoeld in artikel 7.

3.   In afgebakende gebieden te nemen maatregelen

1.

In de afgebakende gebieden moeten de lidstaten de volgende maatregelen nemen om het nader omschreven organisme uit te roeien:

a)

het onmiddellijk kappen van besmette planten en planten met door het nader omschreven organisme veroorzaakte symptomen en de volledige verwijdering van hun wortels; wanneer de besmette planten zijn gevonden buiten de vliegperiode van het nader omschreven organisme, moeten het kappen en het verwijderen van de planten worden uitgevoerd vóór het begin van de volgende vliegperiode; in uitzonderlijke gevallen waarin een verantwoordelijk officieel orgaan concludeert dat het kappen van de planten niet passend is, mag een alternatieve uitroeiingsmaatregel worden toegepast die hetzelfde niveau van bescherming tegen de verspreiding van het nader omschreven organisme biedt; de redenen voor die conclusie en de beschrijving van de maatregel moeten aan de Commissie worden meegedeeld in het in artikel 7 bedoelde verslag;

b)

het kappen van alle nader omschreven planten binnen een straal van 100 m rond de besmette planten en het onderzoek van die nader omschreven planten op tekenen van besmetting; in uitzonderlijke gevallen waarin een verantwoordelijk officieel orgaan concludeert dat het kappen van de planten niet passend is, individueel gedetailleerd onderzoek naar tekenen van besmetting bij al deze nader omschreven planten binnen die straal, die niet zullen worden gekapt, en zo nodig de toepassing van maatregelen om de mogelijke verspreiding van het nader omschreven organisme vanuit die planten te voorkomen;

c)

verwijdering, onderzoek en afvoer van de overeenkomstig de punten a) en b) gevelde planten en hun wortels; het nemen van alle nodige voorzorgsmaatregelen om de verspreiding van het nader omschreven organisme tijdens en na het kappen te vermijden;

d)

voorkómen van het vervoer van mogelijk besmet materiaal uit het afgebakende gebied;

e)

tracering naar de oorsprong van de besmetting en tracering van planten die verband houden met het betrokken besmettingsgeval, voor zover mogelijk, en onderzoek daarvan naar tekenen van besmetting; het onderzoek moet een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten;

f)

waar nodig, vervanging van nader omschreven planten door andere planten;

g)

verbod op de aanplant van nieuwe nader omschreven planten in de open lucht in een gebied, bedoeld in punt 1, onder b), van sectie 3 van bijlage II, behalve voor de in sectie 2 van bijlage I bedoelde plaatsen van productie;

h)

intensieve monitoring van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme door het op geëigende tijdstippen uitvoeren van jaarlijkse inspecties op waardplanten, met bijzondere aandacht voor de bufferzone, zo nodig met doelgerichte destructieve bemonstering; het aantal monsters moet worden aangegeven in het in artikel 7 bedoelde verslag;

i)

activiteiten om het publiek meer bewust te maken van de bedreiging die van dat organisme uitgaat en de goedgekeurde maatregelen ter preventie van het binnenbrengen en verspreiden daarvan in de Unie, inclusief de voorwaarden betreffende het vervoer van de nader omschreven planten uit het afgebakende gebied, ingesteld bij artikel 6;

j)

zo nodig, specifieke maatregelen voor de aanpak van bijzondere omstandigheden of complicaties waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de uitroeiing tegenhouden, belemmeren of vertragen, met name maatregelen met betrekking tot de toegang tot en de passende uitroeiing van alle planten, besmet of verdacht van besmetting, ongeacht ligging, publiek of particulier eigendom of de daarvoor verantwoordelijke persoon of instantie;

k)

andere maatregelen die kunnen bijdragen tot de uitroeiing van het nader omschreven organisme, waarbij rekening wordt gehouden met ISPM nr. 9 (3) en overeenkomstig de beginselen van ISPM nr. 14 (4) een geïntegreerde aanpak wordt toegepast.

De in de punten a) tot en met k) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag, als bedoeld in artikel 7.

2.

Wanneer de resultaten van de in artikel 5 bedoelde onderzoeken gedurende meer dan vier achtereenvolgende jaren de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in een gebied hebben bevestigd en er bewijsmateriaal is dat het nader omschreven organisme niet langer kan worden uitgeroeid, kunnen de lidstaten de maatregelen beperken tot het tegengaan van de verspreiding van het nader omschreven organisme buiten dat gebied. Die maatregelen moeten ten minste omvatten:

a)

het kappen van besmette planten en planten met door het nader omschreven organisme veroorzaakte symptomen en de volledige verwijdering van hun wortels; de activiteiten voor het kappen van de planten moeten onmiddellijk van start gaan, maar wanneer de besmette planten zijn gevonden buiten de vliegperiode van het nader omschreven organisme, moeten het kappen en het verwijderen van de planten worden uitgevoerd vóór het begin van de volgende vliegperiode; in uitzonderlijke gevallen waarin een verantwoordelijk officieel orgaan concludeert dat het kappen van de planten niet adequaat is, mag een alternatieve uitroeiingsmaatregel worden toegepast die hetzelfde niveau van bescherming tegen de verspreiding van het nader omschreven organisme biedt; de redenen voor die conclusie en de beschrijving van de maatregel moeten aan de Commissie worden meegedeeld in het in artikel 7 bedoelde verslag;

b)

verwijdering, onderzoek en afvoer van de gekapte planten en hun wortels; het nemen van de nodige voorzorgsmaatregelen om de verspreiding van het nader omschreven organisme na het kappen te vermijden;

c)

voorkómen van het vervoer van mogelijk besmet materiaal uit het afgebakende gebied;

d)

waar nodig, vervanging van nader omschreven planten door andere planten;

e)

verbod op de aanplant van nieuwe nader omschreven planten in de open lucht in een besmet gebied, als bedoeld in punt 1, onder a), van sectie 1 van bijlage II, behalve voor de in sectie 2 van bijlage I bedoelde plaatsen van productie;

f)

intensieve monitoring van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme door het op geëigende tijdstippen uitvoeren van jaarlijkse inspecties op waardplanten, zo nodig met doelgerichte destructieve bemonstering; het aantal monsters moet worden aangegeven in het in artikel 7 bedoelde verslag;

g)

activiteiten om het publiek meer bewust te maken van de bedreiging die van het nader omschreven organisme uitgaat en de goedgekeurde maatregelen ter preventie van het binnenbrengen en verspreiden daarvan in de Unie, inclusief de voorwaarden betreffende het vervoer van de nader omschreven planten uit het afgebakende gebied, ingesteld bij artikel 6;

h)

zo nodig, specifieke maatregelen voor de aanpak van bijzondere omstandigheden of complicaties waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij het tegengaan van de verspreiding tegenhouden, belemmeren of vertragen, met name maatregelen met betrekking tot de toegang tot en de passende uitroeiing van alle planten, besmet of verdacht van besmetting, ongeacht ligging, publiek of particulier eigendom of de daarvoor verantwoordelijke persoon of instantie;

i)

andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het tegengaan van de verspreiding van het nader omschreven organisme.

De in de punten a) tot en met i) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag, als bedoeld in artikel 7.


(1)  Guidelines for pest eradication programmes — Reference Standard ISPM No. 9 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.

(2)  The use of integrated measures in a systems approach for pest risk management — Reference Standard ISPM No. 14 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.

(3)  Guidelines for pest eradication programmes — Reference Standard ISPM No. 9 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.

(4)  The use of integrated measures in a systems approach for pest risk management — Reference Standard ISPM No. 14 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome.


Rectificaties

3.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 64/48


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 163/2012 van de Commissie van 23 februari 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine

( Publicatieblad van de Europese Unie L 52 van 24 februari 2012 )

Bladzijde 11, bijlage, tabel, GN-code 1602 32 11:

in plaats van:

„1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

306,1

0

BR

353,6

0

CL”

te lezen:

„1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

306,1

0

BR

353,5

0

CL”