ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.026.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 26

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
28 januari 2012


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten ( 1 )

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Informatie over de datum van inwerkingtreding van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kaapverdië

22

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 71/2012 van de Commissie van 27 januari 2012 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

23

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 72/2012 van de Commissie van 27 januari 2012 houdende wijziging en afwijking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft

26

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 73/2012 van de Commissie van 27 januari 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

28

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/45/EU, Euratom

 

*

Besluit van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 23 januari 2012 betreffende de benoeming van de leden van het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

30

 

 

2012/46/EU

 

*

Besluit van de Raad van 23 januari 2012 betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Nederland

32

 

 

2012/47/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Raad van 24 januari 2012 waarbij Zweden overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op de elektriciteit die wordt verbruikt door huishoudens en bedrijven in de dienstensector in bepaalde gebieden in het noorden van Zweden

33

 

 

2012/48/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 26 januari 2012 tot verlenging van de geldigheidsduur van Beschikking 2009/251/EG houdende de verplichting voor de lidstaten ervoor te zorgen dat producten die het biocide dimethylfumaraat bevatten niet in de handel worden gebracht of op de markt worden aangeboden (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 321)  ( 1 )

35

 

 

2012/49/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 26 januari 2012 tot wijziging van de Besluiten 2011/263/EU en 2011/264/EU teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in de classificatie van enzymen overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 323)  ( 1 )

36

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011)

38

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/1


RICHTLIJN 2011/92/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 december 2011

betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

(codificatie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (4). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Ingevolge artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie berust het milieubeleid van de Unie op het voorzorgsbeginsel en op het beginsel van preventief handelen, alsmede op de beginselen dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en dat de vervuiler betaalt. In alle technische plannings- en beslissingsprocessen dient in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het milieu.

(3)

Het lijkt noodzakelijk dat de beginselen van de milieueffectbeoordeling worden geharmoniseerd, met name ten aanzien van de vraag welke projecten aan milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, de voornaamste verplichtingen van de opdrachtgevers en de inhoud van de milieueffectbeoordeling. De lidstaten kunnen ter bescherming van het milieu strengere voorschriften vaststellen.

(4)

Het blijkt anderzijds noodzakelijk één van de doelstellingen van de Unie op het gebied van de bescherming van het milieu en de kwaliteit van het bestaan te verwezenlijken.

(5)

De milieuwetgeving van de Unie omvat bepalingen die autoriteiten en andere instanties in staat stellen om beslissingen te nemen die aanmerkelijke gevolgen voor het milieu alsmede voor persoonlijke gezondheid en welzijn kunnen hebben.

(6)

Er moeten algemene beginselen voor de milieueffectbeoordeling worden vastgesteld ter aanvulling op en ter coördinatie van de vergunningsprocedures voor particuliere en openbare projecten die mogelijk aanzienlijke gevolgen voor het milieu hebben.

(7)

Voor openbare en particuliere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben dient alleen een vergunning te worden verleend na een beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten die deze projecten kunnen hebben. Die beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van passende informatie die verstrekt wordt door de opdrachtgever en eventueel wordt aangevuld door de autoriteiten en door het publiek voor wie het project gevolgen zou kunnen hebben.

(8)

Projecten van bepaalde categorieën hebben aanzienlijke gevolgen voor het milieu en die projecten moeten in beginsel aan een systematische milieueffectbeoordeling worden onderworpen.

(9)

Projecten van andere categorieën hebben niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen aanzienlijke gevolgen voor het milieu en die projecten moeten aan een beoordeling worden onderworpen wanneer de lidstaten menen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

(10)

De lidstaten kunnen drempelwaarden of criteria vaststellen om te bepalen welke van die projecten op grond van de omvang van hun milieueffecten moeten worden beoordeeld. Van de lidstaten zal niet worden geëist dat zij projecten die onder die drempelwaarden blijven of buiten deze criteria vallen stuk voor stuk bestuderen.

(11)

Bij de vaststelling van deze drempelwaarden of criteria of bij het stuk voor stuk bestuderen van projecten om te bepalen welke van die projecten op grond van de omvang van hun milieueffecten moeten worden beoordeeld, dienen de lidstaten rekening te houden met de relevante selectiecriteria in deze richtlijn. De lidstaten komen volgens het subsidiariteitsbeginsel het meest in aanmerking om die criteria in de praktijk toe te passen.

(12)

Bij projecten die aan een beoordeling worden onderworpen moet ten minste een bepaalde minimuminformatie over het project en de gevolgen ervan worden verstrekt.

(13)

Het is dienstig een procedure in te voeren via welke de opdrachtgever van de bevoegde overheidsinstanties kan vernemen waarover en in welke mate er informatie met het oog op de beoordeling dient te worden uitgewerkt en te worden verstrekt. De lidstaten kunnen de opdrachtgever in het kader van die procedure verzoeken om onder andere alternatieven te geven voor de projecten waarvoor hij van plan is een aanvraag in te dienen.

(14)

De milieueffecten van een project moeten worden beoordeeld teneinde rekening te houden met het streven de gezondheid van de mens te beschermen, via een beter milieu bij te dragen aan de kwaliteit van het bestaan, toe te zien op de instandhouding van de diversiteit van de soorten, en het reproductievermogen van het ecosysteem als fundamentele grondslag van het leven in stand te houden.

(15)

Het is gewenst aangescherpte voorschriften vast te stellen betreffende milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau. De Europese Gemeenschap heeft op 25 februari 1991 het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend en op 24 juni 1997 geratificeerd.

(16)

Werkelijke inspraak bij het nemen van beslissingen biedt het publiek de gelegenheid zijn mening en bezorgdheid die van belang kunnen zijn voor die beslissingen, te uiten en stelt de besluitvormers in staat daarmee rekening te houden, hetgeen de verantwoording en de transparantie van de besluitvorming vergroot en bijdraagt tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken en steun aan de genomen beslissingen.

(17)

Inspraak, waaronder inspraak van verenigingen, organisaties en groepen, in het bijzonder niet-gouvernementele organisaties die de milieubescherming bevorderen, moet derhalve worden aangemoedigd, onder meer door het stimuleren van scholing van het publiek op milieugebied.

(18)

De Europese Gemeenschap heeft het Verdrag van de VN/ECE betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus) op 25 juni 1998 ondertekend en op 17 februari 2005 geratificeerd.

(19)

Een van de doelstellingen van het Verdrag van Aarhus is het waarborgen van rechten inzake inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden teneinde bij te dragen tot de bescherming van het recht in een milieu te leven dat passend is voor persoonlijke gezondheid en welzijn.

(20)

Artikel 6 van het Verdrag van Aarhus voorziet in inspraak in besluiten over specifieke in bijlage I bij dat Verdrag vermelde activiteiten en betreffende niet vermelde activiteiten welke aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben.

(21)

Artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus regelt de toegang tot gerechtelijke of andere procedures voor het bestrijden van de materiële en formele rechtmatigheid van de besluiten, het handelen of het nalaten vallende onder de inspraakbepalingen van artikel 6 van dat verdrag.

(22)

Deze richtlijn dient echter niet te worden toegepast op projecten die in detail worden aangenomen middels een specifieke nationale wet, aangezien de doelstellingen die met deze richtlijn worden nagestreefd, waaronder het verstrekken van informatie, dan via de wetgevingsprocedure worden bereikt.

(23)

Het kan voorts in uitzonderlijke gevallen passend blijken voor een specifiek project vrijstelling te verlenen van de in deze richtlijn voorgeschreven beoordelingsprocedures, mits de Commissie en het betrokken publiek hieromtrent naar behoren worden geïnformeerd.

(24)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(25)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Deze richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

2.   In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „project”:

de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken,

andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten;

b)   „opdrachtgever”: de aanvrager van een vergunning voor een particulier project of de overheidsinstantie die het initiatief tot een project neemt;

c)   „vergunning”: het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren;

d)   „publiek”: één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met de nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;

e)   „betrokken publiek”: het publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures. Voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en voldoen aan de eisen van nationaal recht, geacht belanghebbende te zijn;

f)   „bevoegde instantie” of „bevoegde instanties”: de instantie of instanties die de lidstaten aanwijzen om de taken uit te voeren, die uit deze richtlijn voortvloeien.

3.   Indien hun nationale wetgeving daarin voorziet, kunnen de lidstaten per geval besluiten deze richtlijn niet toe te passen ten aanzien van projecten voor nationale defensiedoeleinden, indien zij oordelen dat toepassing nadelige gevolgen zou hebben voor deze doeleinden.

4.   Deze richtlijn is niet van toepassing op projecten die in detail worden aangenomen via een specifieke nationale wet, aangezien de doelstellingen die met de onderhavige richtlijn worden nagestreefd, waaronder het verstrekken van informatie, dan worden bereikt via de wetgevingsprocedure.

Artikel 2

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.

2.   De milieueffectbeoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande procedures van de lidstaten voor het verlenen van vergunningen voor projecten of, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden ingesteld om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen.

3.   De lidstaten kunnen voorzien in een enkelvoudige procedure om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn en die van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (5).

4.   Onverminderd de bepalingen van artikel 7, kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van de bepalingen van deze richtlijn.

In dit geval:

a)

gaan de lidstaten na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is;

b)

stellen zij de gegevens die zijn verzameld door andere vormen van beoordeling zoals bedoeld onder a), alsmede de gegevens over en de redenen van de vrijstelling ter beschikking van het betrokken publiek;

c)

stellen zij de Commissie, voordat de vergunning wordt verleend, op de hoogte van de redenen waarom de vrijstelling is verleend en verschaffen zij haar alle informatie die zij waar dat van toepassing is ter beschikking van hun eigen onderdanen stellen.

De Commissie zendt de ontvangen documenten onmiddellijk door aan de andere lidstaten.

De Commissie brengt elk jaar bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van dit lid.

Artikel 3

Bij de milieueffectbeoordeling worden de directe en indirecte effecten van een project overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 12 per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:

a)

mens, dier en plant;

b)

bodem, water, lucht, klimaat en landschap;

c)

materiële goederen en het culturele erfgoed;

d)

de samenhang tussen de onder a), b) en c) genoemde factoren.

Artikel 4

1.   Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

2.   Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10, zulks:

a)

door middel van een onderzoek per geval,

of

b)

aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria.

De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen.

3.   Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moeten de relevante selectiecriteria van bijlage III in acht worden genomen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 2 door de bevoegde instanties verrichte bepalingen ter beschikking van het publiek worden gesteld.

Artikel 5

1.   Bij projecten die krachtens artikel 4 moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling overeenkomstig dit artikel en artikelen 6 tot en met 10, treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de opdrachtgever in passende vorm de in bijlage IV bedoelde informatie verstrekt, voor zover:

a)

de lidstaten deze informatie van belang achten in een bepaald stadium van de vergunningsprocedure en voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en van de milieuaspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed;

b)

de lidstaten, onder meer op grond van de bestaande kennis en beoordelingsmethoden, menen dat redelijkerwijs van een opdrachtgever mag worden verlangd dat hij die informatie verzamelt.

2.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, indien de opdrachtgever daarom verzoekt voordat hij een aanvraag om een vergunning indient, de bevoegde instantie advies uitbrengt over de door de opdrachtgever overeenkomstig lid 1 te verstrekken informatie. De bevoegde instantie raadpleegt de opdrachtgever en de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties voordat zij haar advies uitbrengt. Het feit dat de instantie overeenkomstig dit lid een advies heeft uitgebracht, belet haar niet om vervolgens meer informatie van de opdrachtgever te verlangen.

De lidstaten kunnen de bevoegde instanties verplichten om een dergelijk advies te verstrekken, ongeacht of de opdrachtgever daarom verzoekt of niet.

3.   De informatie die de opdrachtgever overeenkomstig lid 1 moet verstrekken, moet ten minste het volgende bevatten:

a)

een beschrijving van het project met informatie over vestigingsplaats, ontwerp en omvang van het project;

b)

een beschrijving van de beoogde maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen;

c)

de nodige gegevens om de voornaamste milieueffecten die het project vermoedelijk zal hebben, te kunnen bepalen en beoordelen;

d)

een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieueffecten;

e)

een niet-technische samenvatting van de onder a) tot en met d) bedoelde gegevens.

4.   Zo nodig zorgen de lidstaten ervoor dat instanties die over relevante informatie beschikken, in het bijzonder gelet op artikel 3, deze informatie ter beschikking stellen aan de opdrachtgever.

Artikel 6

1.   De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag voor een vergunning. Te dien einde wijzen de lidstaten in het algemeen of per geval de te raadplegen instanties aan. Deze worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. De gedetailleerde regeling van deze raadpleging wordt door de lidstaten vastgesteld.

2.   Het publiek wordt door openbare kennisgevingen of op een andere passende wijze, bijvoorbeeld met elektronische middelen, indien beschikbaar, in een vroeg stadium van de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures en uiterlijk zodra redelijkerwijs informatie kan worden verstrekt in kennis gesteld van het volgende:

a)

de aanvraag om een vergunning;

b)

het feit dat het project aan een milieueffectbeoordelingsprocedure is onderworpen en, voor zover relevant, het feit dat artikel 7 van toepassing is;

c)

nadere gegevens betreffende de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming, die waarbij relevante informatie kan worden verkregen, die waaraan opmerkingen of vragen kunnen worden voorgelegd en nadere gegevens betreffende de termijnen voor het toezenden van opmerkingen of vragen;

d)

de aard van de eventuele besluiten of, indien van toepassing, van het ontwerpbesluit;

e)

een indicatie van de beschikbaarheid van de ingevolge artikel 5 verzamelde informatie;

f)

tijd, plaats en wijze van verstrekking van de relevante informatie;

g)

nadere gegevens inzake de regelingen voor inspraak die ingevolge lid 5 van dit artikel zijn vastgesteld.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn aan het betrokken publiek ter beschikking wordt gesteld:

a)

de ingevolge artikel 5 verzamelde informatie;

b)

in overeenstemming met de nationale wetgeving, de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met lid 2;

c)

overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (6), andere informatie dan de in lid 2 bedoelde die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig lid 2 van dit artikel is geïnformeerd.

4.   Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen.

5.   De nadere regelingen voor het informeren van het publiek (bijvoorbeeld met aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in plaatselijke kranten) en de raadpleging van het betrokken publiek (bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare enquête) worden bepaald door de lidstaten.

6.   Er wordt voor de onderscheidene fasen in redelijke termijnen voorzien, die toereikend zijn voor de voorlichting van het publiek en, voor het betrokken publiek, voor doeltreffende voorbereiding op en inspraak in het milieubesluitvormingsproces overeenkomstig dit artikel.

Artikel 7

1.   Wanneer een lidstaat constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden, hierom verzoekt, doet de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, de andere lidstaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk wanneer hij zijn eigen publiek informeert, onder meer toekomen:

a)

een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;

b)

informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen.

De lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren geeft de andere lidstaat een redelijke termijn om kenbaar te maken of hij wenst deel te nemen aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures; tevens kan hij de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie verstrekken.

2.   Wanneer een lidstaat die krachtens lid 1 informatie ontvangt, aangeeft dat hij voornemens is aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures deel te nemen, zendt de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de betrokken lidstaat de informatie toe die krachtens artikel 6, lid 2, moet worden verstrekt en die krachtens artikel 6, lid 3, onder a) en b), ter beschikking moet worden gesteld.

3.   Ieder van de betrokken lidstaten zorgt er tevens voor, voor zover het hem betreft, dat:

a)

de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie binnen een redelijke termijn ter beschikking wordt gesteld van de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties en van het betrokken publiek op het grondgebied van de lidstaat die vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden; en

b)

de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties en het betrokken publiek voordat een vergunning voor het project wordt verleend, de gelegenheid krijgen binnen een redelijke termijn advies over de verstrekte informatie uit te brengen aan de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren.

4.   De betrokken lidstaten plegen overleg over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van het project en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen, en komen een redelijke termijn overeen waarbinnen het overleg moet plaatsvinden.

5.   De nadere regelingen voor de uitvoering van dit artikel kunnen worden bepaald door de betrokken lidstaten en bieden het betrokken publiek op het grondgebied van de getroffen lidstaat reële mogelijkheden tot inspraak bij de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures betreffende het project.

Artikel 8

De resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5, 6 en 7 ingewonnen informatie worden in het kader van de vergunningsprocedure in aanmerking genomen.

Artikel 9

1.   Wanneer een beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning is genomen, brengen de bevoegde instanties het betrokken publiek overeenkomstig de toepasselijke procedures op de hoogte en stellen zij de volgende informatie ter beschikking van het publiek:

a)

de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden die daaraan zijn verbonden;

b)

na bestudering van de bezorgdheid en meningen van het betrokken publiek, de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure;

c)

indien nodig, een beschrijving van de voornaamste maatregelen om aanzienlijke schadelijke effecten te voorkomen, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.

2.   De bevoegde instantie of instanties brengen elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd, op de hoogte en doen hem de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie toekomen.

De geraadpleegde lidstaten zorgen ervoor dat die informatie op een geschikte wijze ter beschikking wordt gesteld van het betrokken publiek op hun grondgebied.

Artikel 10

De bepalingen van deze richtlijn doen niet af aan de verplichting van de bevoegde instanties tot inachtneming van de door de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de geldende rechtspraktijk opgelegde beperkingen ter bescherming van het industrieel en het handelsgeheim, met inbegrip van de intellectuele eigendom, en van het openbaar belang.

Wanneer artikel 7 van toepassing is, zijn de toezending van informatie aan een andere lidstaat en de ontvangst van informatie door een andere lidstaat onderworpen aan de beperkingen die gelden in de lidstaat waar het project wordt voorgesteld.

Artikel 11

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die:

a)

een voldoende belang hebben, dan wel

b)

stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt,

in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten.

2.   De lidstaten bepalen in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten.

3.   Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen. Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de vereisten van artikel 1, lid 2, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a), van dit artikel. Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b), van dit artikel.

4.   De bepalingen van dit artikel sluiten een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uit en doen niet af aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.

Een dergelijke procedure moet eerlijk, billijk en snel zijn en mag niet buitensporig kostbaar zijn.

5.   Ter verhoging van de effectiviteit van het bepaalde in dit artikel dragen de lidstaten er zorg voor dat het publiek praktische informatie wordt verstrekt over toegang tot beroepsprocedures bij bestuursrechtelijke en rechterlijke instanties.

Artikel 12

1.   De lidstaten en de Commissie wisselen inlichtingen uit over de ervaring die is opgedaan met de toepassing van deze richtlijn.

2.   In het bijzonder stellen de lidstaten de Commissie in kennis van alle criteria en/of de drempelwaarden die in voorkomend geval overeenkomstig artikel 4, lid 2, voor de selectie van de betrokken projecten zijn vastgesteld.

3.   Aan de hand van deze uitwisseling van inlichtingen legt de Commissie indien noodzakelijk aan het Europees Parlement en de Raad aanvullende voorstellen voor teneinde een voldoende gecoördineerde toepassing van deze richtlijn te garanderen.

Artikel 13

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14

Richtlijn 85/337/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage V, deel A, genoemde richtlijnen, wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage V, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VI.

Artikel 15

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 13 december 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

M. SZPUNAR


(1)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 154.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 15 november 2011.

(3)  PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.

(4)  Zie bijlage VI, deel A.

(5)  PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

(6)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.


BIJLAGE I

IN ARTIKEL 4, LID 1, BEDOELDE PROJECTEN

1.

Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van de bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 t steenkool of bitumineuze schisten per dag.

2.

a)

Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties met een warmtevermogen van ten minste 300 megawatt.

b)

Kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren (1) (met uitzondering van onderzoekinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW).

3.

a)

Installaties voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen.

b)

Installaties die ontworpen zijn:

i)

voor de productie of de verrijking van splijtstoffen,

ii)

voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval,

iii)

voor de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen,

iv)

uitsluitend voor de definitieve verwijdering van radioactief afval,

v)

uitsluitend voor de (voor meer dan 10 jaar geplande) opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval op een andere plaats dan het productieterrein.

4.

a)

Geïntegreerde hoogovenbedrijven voor de productie van ruwijzer en staal.

b)

Installaties voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés.

5.

Installaties voor de winning van asbest, alsmede voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende producten: voor producten van asbestcement, met een jaarproductie van meer dan 20 000 t eindproducten, voor remvoeringen, met een jaarproductie van meer dan 50 t eindproducten, alsmede — voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest — met een gebruik van meer dan 200 t per jaar.

6.

Geïntegreerde chemische installaties, d.w.z. installaties voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:

a)

organische basischemicaliën;

b)

anorganische basischemicaliën;

c)

fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);

d)

basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;

e)

farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procedé;

f)

explosieven.

7.

a)

Aanleg van spoorlijnen voor spoorverkeer over lange afstand en aanleg van vliegvelden (2) met een start- en ladingsbaan van ten minste 2 100 m.

b)

Aanleg van autosnelwegen en autowegen (3).

c)

Aanleg van nieuwe wegen met vier of meer rijstroken, of verlegging en/of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken, indien de nieuwe weg, of het verlegde en/of verbrede weggedeelte een ononderbroken lengte van 10 km of meer heeft.

8.

a)

Waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1 350 t.

b)

Zeehandelshavens, met het land verbonden en buiten havens gelegen pieren voor lossen en laden (met uitzondering van pieren voor veerboten) die schepen van meer dan 1 350 t kunnen ontvangen.

9.

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, de chemische behandeling zoals gedefinieerd in punt D9 van bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen (4) of het storten van gevaarlijke afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van die richtlijn.

10.

Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding of chemische behandeling zoals gedefinieerd in punt D9 van bijlage I bij Richtlijn 2008/98/EG van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 t per dag.

11.

Werkzaamheden voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater wanneer het jaarlijkse volume onttrokken of aangevuld water 10 miljoen m3 of meer bedraagt.

12.

a)

Projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer deze overbrenging ten doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen en de hoeveelheid overgebracht water meer bedraagt dan 100 miljoen m3 per jaar.

b)

In alle andere gevallen, projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer bedraagt dan 2 000 miljoen m3 en de hoeveelheid overgebracht water 5 % van dit debiet overschrijdt.

In beide gevallen is overbrenging van via leidingen aangevoerd drinkwater uitgesloten.

13.

Rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van meer dan 150 000 inwonerequivalenten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (5).

14.

Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 t aardolie per dag of meer dan 500 000 m3 aardgas per dag bedraagt.

15.

Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of permanent opslaan van water, wanneer een nieuwe of extra hoeveelheid water van meer dan 10 miljoen m3 wordt gestuwd of opgeslagen.

16.

Pijpleidingen met een diameter van meer dan 800 mm en een lengte van meer dan 40 km:

a)

voor het vervoer van gas, olie of chemicaliën;

b)

voor het vervoer van kooldioxide(CO2)-stromen ten behoeve van geologische opslag, inclusief de desbetreffende pompstations.

17.

Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan:

a)

85 000 plaatsen voor mesthoenders, 60 000 plaatsen voor hennen;

b)

3 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg); of

c)

900 plaatsen voor zeugen.

18.

Industriële installaties voor de fabricage van:

a)

papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen;

b)

papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 200 t per dag.

19.

Steengroeven en dagbouwmijnen met een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare.

20.

Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 220 kV of meer en langer dan 15 km.

21.

Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200 000 t of meer.

22.

Opslaglocaties overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide (6).

23.

Installaties voor het afvangen van CO2-stromen met het oog op geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG afkomstig van onder deze bijlage vallende installaties, of wanneer de totale jaarlijkse afvang van CO2 oploopt tot 1,5 megaton of meer.

24.

Wijziging of uitbreiding van in deze bijlage opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding voldoet aan de in deze bijlage genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan.


(1)  Kerncentrales en andere kernreactoren houden op zulke installaties te zijn wanneer alle splijtstoffen en ander radioactief besmette elementen permanent van de plaats van installatie zijn verwijderd.

(2)  In deze richtlijn wordt onder „vliegveld” verstaan een vliegveld dat beantwoordt aan de definitie van het Verdrag van Chicago van 1944 tot oprichting van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (bijlage 14).

(3)  In deze richtlijn wordt onder „autoweg” verstaan een weg die beantwoordt aan de definitie van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975.

(4)  PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(5)  PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40.

(6)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114.


BIJLAGE II

IN ARTIKEL 4, LID 2, BEDOELDE PROJECTEN

1.   LANDBOUW, BOSBOUW EN AQUACULTUUR

a)

Ruilverkavelingsprojecten.

b)

Projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of seminatuurlijke gebieden voor intensieve landbouw.

c)

Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten.

d)

Eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik.

e)

Intensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen).

f)

Intensieve aquacultuur van vis.

g)

Landwinning uit zee.

2.   EXTRACTIEVE BEDRIJVEN

a)

Steengroeven, dagbouwmijnen en turfwinning (niet onder bijlage I vallende projecten).

b)

Ondergrondse mijnbouw.

c)

Winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem.

d)

Diepboringen, met name:

i)

geothermische boringen,

ii)

boringen in verband met de opslag van kernafval,

iii)

boringen voor watervoorziening,

met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.

e)

Oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en bitumineuze schisten.

3.   ENERGIEBEDRIJVEN

a)

Industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (niet onder bijlage I vallende projecten).

b)

Industriële installaties voor het transport van gas, stoom en warm water; transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen (niet onder bijlage I vallende projecten).

c)

Bovengrondse opslag van aardgas.

d)

Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen.

e)

Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen.

f)

Industrieel briketteren van steenkool en bruinkool.

g)

Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval (niet onder bijlage I vallende projecten).

h)

Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie.

i)

Installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken).

j)

Installaties voor het afvangen van CO2-stromen met het oog op geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG afkomstig van installaties die niet onder bijlage I bij deze richtlijn vallen.

4.   PRODUCTIE EN VERWERKING VAN METALEN

a)

Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten.

b)

Installaties voor verwerking van ferrometalen door:

i)

warmwalsen,

ii)

smeden met hamers,

iii)

het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal.

c)

Smelterijen van ferrometalen.

d)

Installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten enz.).

e)

Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé.

f)

Automobielfabrieken en -assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren.

g)

Scheepswerven.

h)

Installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen.

i)

Spoorwegmaterieelfabrieken.

j)

Uitstampen door middel van springstoffen.

k)

Installaties voor het roosten en sinteren van ertsen.

5.   MINERALE INDUSTRIE

a)

Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool).

b)

Installaties voor de vervaardiging van cement.

c)

Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten (niet onder bijlage I vallende projecten).

d)

Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van glasvezels.

e)

Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels.

f)

Fabricage van keramische producten door middel van bakken, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein.

6.   CHEMISCHE INDUSTRIE (NIET ONDER BIJLAGE I VALLENDE PROJECTEN)

a)

Behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën.

b)

Productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden.

c)

Opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten.

7.   VOEDINGS- EN GENOTMIDDELENINDUSTRIE

a)

Vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliën en vetten.

b)

Conservenfabrieken voor dierlijke en plantaardige producten.

c)

Zuivelfabrieken.

d)

Bierbrouwerijen en mouterijen.

e)

Suikerwaren- en siroopfabrieken.

f)

Installaties voor het slachten van dieren.

g)

Zetmeelfabrieken.

h)

Vismeel- en visoliefabrieken.

i)

Suikerfabrieken.

8.   TEXTIEL-, LEDER-, HOUT- EN PAPIERINDUSTRIE

a)

Industriële installaties voor de fabricage van papier en karton (niet onder bijlage I vallende projecten).

b)

Installaties voor de voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel.

c)

Installaties voor het looien van huiden.

d)

Installaties voor het produceren en bewerken van celstof.

9.   RUBBERVERWERKENDE INDUSTRIE

Vervaardiging en behandeling van producten op basis van elastomeren.

10.   INFRASTRUCTUURPROJECTEN

a)

Industrieterreinontwikkeling.

b)

Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen.

c)

Aanleg van spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations (niet onder bijlage I vallende projecten).

d)

Aanleg van vliegvelden (niet onder bijlage I vallende projecten).

e)

Aanleg van wegen, havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens (niet onder bijlage I vallende projecten).

f)

Aanleg van waterwegen (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I), werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (floodrelief werken).

g)

Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (niet onder bijlage I vallende projecten).

h)

Trams, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd.

i)

Olie- en gaspijpleidingsinstallaties en pijpleidingen voor het vervoer van CO2-stromen ten behoeve van geologische opslag (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I).

j)

Aanleg van aquaducten over lange afstand.

k)

Kustwerken om erosie te bestrijden en maritieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden, en andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van het onderhoud en herstel van deze werken.

l)

Niet in bijlage I opgenomen werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.

m)

Niet in bijlage I opgenomen projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden.

11.   ANDERE PROJECTEN

a)

Permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen.

b)

Installaties voor de verwijdering van afval (niet onder bijlage I vallende projecten).

c)

Rioolwaterzuiveringsinstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten).

d)

Slibstortplaatsen.

e)

Opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken.

f)

Testbanken voor motoren, turbines of reactoren.

g)

Installaties voor de vervaardiging van kunstmatige minerale vezels.

h)

Installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen.

i)

Vilderijen.

12.   TOERISME EN RECREATIE

a)

Skihellingen, skiliften, kabelbanen en bijbehorende voorzieningen.

b)

Jachthavens.

c)

Vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen.

d)

Permanente kampeer- en caravanterreinen.

e)

Themaparken.

a)

Wijziging of uitbreiding van projecten opgesomd in bijlage I of in deze bijlage waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding).

b)

Projecten opgesomd in bijlage I die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.


BIJLAGE III

IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE SELECTIECRITERIA

1.   KENMERKEN VAN DE PROJECTEN

Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

a)

de omvang van het project;

b)

de cumulatie met andere projecten;

c)

het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

d)

de productie van afvalstoffen;

e)

verontreiniging en hinder;

f)

risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

2.   PLAATS VAN DE PROJECTEN

Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

a)

het bestaande grondgebruik;

b)

de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;

c)

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:

i)

wetlands;

ii)

kustgebieden;

iii)

berg- en bosgebieden;

iv)

reservaten en natuurparken;

v)

gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (1) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2),

vi)

gebieden waarin de bij wetgeving van de Unie vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden,

vii)

gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid,

viii)

landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

3.   KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT

De potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in beschouwing worden genomen en in het bijzonder betrekking hebben op:

a)

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking);

b)

het grensoverschrijdende karakter van het effect;

c)

de orde van grootte en de complexiteit van het effect;

d)

de waarschijnlijkheid van het effect;

e)

de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.


(1)  PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.

(2)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.


BIJLAGE IV

INFORMATIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 5, LID 1

1.

Een beschrijving van het project, met in het bijzonder:

a)

een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en de eisen met betrekking tot het gebruik van grond en terrein tijdens de constructie en bedrijfsfasen;

b)

een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de productieprocessen, bijvoorbeeld aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen;

c)

een prognose van de aard en hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (water-, lucht- en bodemverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, enz.) ten gevolge van het functioneren van het voorgenomen project.

2.

In voorkomend geval een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, in het licht van de milieueffecten.

3.

Een beschrijving van de waarschijnlijk aanmerkelijke milieueffecten van het voorgenomen project op met name: de bevolking, fauna en flora, bodem, water, lucht, de klimatologische factoren, materiële goederen, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de onderlinge relatie tussen genoemde factoren.

4.

Een beschrijving (1) van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgestelde project ten gevolge van:

a)

het bestaan van het project;

b)

het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen;

c)

de lozing van verontreinigende stoffen, het ontstaan van milieuhinder en de eliminering van afvalstoffen;

5.

Een beschrijving van de methode die de opdrachtgever heeft gebruikt voor de beoordeling van de in punt 4 bedoelde milieueffecten.

6.

Een beschrijving van de beoogde maatregelen om aanmerkelijke nadelige milieueffecten van het project te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.

7.

Een niet-technische samenvatting van de overeenkomstig de punten 1 tot en met 6 verstrekte informatie.

8.

Een opgave van de moeilijkheden (technische leemten of ontbrekende kennis) die de opdrachtgever eventueel heeft ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie.


(1)  Deze beschrijving zou betrekking moeten hebben op de directe, en in voorkomend geval op de indirecte, secundaire en cumulatieve effecten op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, positief en negatief van het project.


BIJLAGE V

DEEL A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

(bedoeld in artikel 14)

Richtlijn 85/337/EEG van de Raad

(PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40)

 

Richtlijn 97/11/EG van de Raad

(PB L 73 van 14.3.1997, blz. 5)

 

Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17)

uitsluitend artikel 3

Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114)

uitsluitend artikel 31

DEEL B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht

(bedoeld in artikel 14)

Richtlijn

Omzettingstermijn

85/337/EEG

3 juli 1988

97/11/EG

14 maart 1999

2003/35/EG

25 juni 2005

2009/31/EG

25 juni 2011


BIJLAGE VI

Concordantietabel

Richtlijn 85/337/EEG

De onderhavige richtlijn

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 2, eerste alinea

Artikel 1, lid 2, aanhef

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, aanhef

Artikel 1, lid 2, onder a), aanhef

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, eerste streepje

Artikel 1, lid 2, onder a), eerste streepje

Artikel 1, lid 2, tweede alinea, tweede streepje

Artikel 1, lid 2, onder a), tweede streepje

Artikel 1, lid 2, derde alinea

Artikel 1, lid 2, onder b)

Artikel 1, lid 2, vierde alinea

Artikel 1, lid 2, onder c)

Artikel 1, lid 2, vijfde alinea

Artikel 1, lid 2, onder d)

Artikel 1, lid 2, zesde alinea

Artikel 1, lid 2, onder e)

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 2, onder f)

Artikel 1, lid 4

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 5

Artikel 1, lid 4

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 2 bis

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 4

Artikel 3, aanhef

Artikel 3, aanhef

Artikel 3, eerste streepje

Artikel 3, onder a)

Artikel 3, tweede streepje

Artikel 3, onder b)

Artikel 3, derde streepje

Artikel 3, onder c)

Artikel 3, vierde streepje

Artikel 3, onder d)

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 2

Artikel 5, lid 3, aanhef

Artikel 5, lid 3, aanhef

Artikel 5, lid 3, eerste streepje

Artikel 5, lid 3, onder a)

Artikel 5, lid 3, tweede streepje

Artikel 5, lid 3, onder b)

Artikel 5, lid 3, derde streepje

Artikel 5, lid 3, onder c)

Artikel 5, lid 3, vierde streepje

Artikel 5, lid 3, onder d)

Artikel 5, lid 3, vijfde streepje

Artikel 5, lid 3, onder e)

Artikel 5, lid 4

Artikel 5, lid 4

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7, lid 1, aanhef

Artikel 7, lid 1, eerste alinea, aanhef

Artikel 7, lid 1, onder a)

Artikel 7, lid 1, eerste alinea, onder a)

Artikel 7, lid 1, onder b)

Artikel 7, lid 1, eerste alinea, onder b)

Artikel 7, lid 1, slotzin

Artikel 7, lid 1, tweede alinea

Artikel 7, leden 2 t/m 5

Artikel 7, leden 2 t/m 5

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9, lid 1, aanhef

Artikel 9, aanhef

Artikel 9, lid 1, eerste streepje

Artikel 9, lid 1, onder a)

Artikel 9, lid 1, tweede streepje

Artikel 9, lid 1, onder b)

Artikel 9, lid 1, derde streepje

Artikel 9, lid 1, onder c)

Artikel 9, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 10 bis, eerste alinea

Artikel 11, lid 1

Artikel 10 bis, tweede alinea

Artikel 11, lid 2

Artikel 10 bis, derde alinea

Artikel 11, lid 3

Artikel 10 bis, vierde en vijfde alinea

Artikel 11, lid 4, eerste en tweede alinea

Artikel 10 bis, zesde alinea

Artikel 11, lid 5

Artikel 11, lid 1

Artikel 12, lid 1

Artikel 11, lid 2

Artikel 12, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 11, lid 4

Artikel 12, lid 3

Artikel 12, lid 1

Artikel 12, lid 2

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 14

Artikel 16

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 1

Bijlage I, punt 2, eerste streepje

Bijlage I, punt 2, onder a)

Bijlage I, punt 2, tweede streepje

Bijlage I, punt 2, onder b)

Bijlage I, punt 3, onder a)

Bijlage I, punt 3, onder a)

Bijlage I, punt 3, onder b), aanhef

Bijlage I, punt 3, onder b), aanhef

Bijlage I, punt 3, onder b), eerste streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), i)

Bijlage I, punt 3, onder b), tweede streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), ii)

Bijlage I, punt 3, onder b), derde streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), iii)

Bijlage I, punt 3, onder b), vierde streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), iv)

Bijlage I, punt 3, onder b), vijfde streepje

Bijlage I, punt 3, onder b), v)

Bijlage I, punt 4, eerste streepje

Bijlage I, punt 4, onder a)

Bijlage I, punt 4, tweede streepje

Bijlage I, punt 4, onder b)

Bijlage I, punt 5

Bijlage I, punt 5

Bijlage I, punt 6, aanhef

Bijlage I, punt 6, aanhef

Bijlage I, punt 6, onder i)

Bijlage I, punt 6, onder a)

Bijlage I, punt 6, onder ii)

Bijlage I, punt 6, onder b)

Bijlage I, punt 6, onder iii)

Bijlage I, punt 6, onder c)

Bijlage I, punt 6, onder iv)

Bijlage I, punt 6, onder d)

Bijlage I, punt 6, onder v)

Bijlage I, punt 6, onder e)

Bijlage I, punt 6, onder vi)

Bijlage I, punt 6, onder f)

Bijlage I, punten 7 t/m 15

Bijlage I, punten 7 t/m 15

Bijlage I, punt 16, aanhef

Bijlage I, punt 16, aanhef

Bijlage I, punt 16, eerste streepje

Bijlage I, punt 16, onder a)

Bijlage I, punt 16, tweede streepje

Bijlage I, punt 16, onder b)

Bijlage I, punten 17 t/m 21

Bijlage I, punten 17 t/m 21

Bijlage I, punt 22

Bijlage I, punt 24

Bijlage I, punt 23

Bijlage I, punt 22

Bijlage I, punt 24

Bijlage I, punt 23

Bijlage II, punt 1

Bijlage II, punt 1

Bijlage II, punt 2, onder a), b) en c)

Bijlage II, punt 2, onder a), b) en c)

Bijlage II, punt 2, onder d), aanhef

Bijlage II, punt 2, onder d), aanhef

Bijlage II, punt 2, onder d), eerste streepje

Bijlage II, punt 2, onder d), i)

Bijlage II, punt 2, onder d), tweede streepje

Bijlage II, punt 2, onder d), ii)

Bijlage II, punt 2, onder d), derde streepje

Bijlage II, punt 2, onder d), iii)

Bijlage II, punt 2, onder d), slotzin

Bijlage II, punt 2, onder d), slotzin

Bijlage II, punt 2, onder e)

Bijlage II, punt 2, onder e)

Bijlage II, punten 3 t/m 12

Bijlage II, punten 3 t/m 12

Bijlage II, punt 13, eerste streepje

Bijlage II, punt 13, onder a)

Bijlage II, punt 13, tweede streepje

Bijlage II, punt 13, onder b)

Bijlage III, punt 1, aanhef

Bijlage III, punt 1, aanhef

Bijlage III, punt 1, eerste streepje

Bijlage III, punt 1, onder a)

Bijlage III, punt 1, tweede streepje

Bijlage III, punt 1, onder b)

Bijlage III, punt 1, derde streepje

Bijlage III, punt 1, onder c)

Bijlage III, punt 1, vierde streepje

Bijlage III, punt 1, onder d)

Bijlage III, punt 1, vijfde streepje

Bijlage III, punt 1, onder e)

Bijlage III, punt 1, zesde streepje

Bijlage III, punt 1, onder f)

Bijlage III, punt 2, aanhef

Bijlage III, punt 2, aanhef

Bijlage III, punt 2, eerste streepje

Bijlage III, punt 2, onder a)

Bijlage III, punt 2, tweede streepje

Bijlage III, punt 2, onder b)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, aanhef

Bijlage III, punt 2, onder c), aanhef

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder a)

Bijlage III, punt 2, onder c), i)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder b)

Bijlage III, punt 2, onder c), ii)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder c)

Bijlage III, punt 2, onder c), iii)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder d)

Bijlage III, punt 2, onder c), iv)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder e)

Bijlage III, punt 2, onder c), v)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder f)

Bijlage III, punt 2, onder c), vi)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder g)

Bijlage III, punt 2, onder c), vii)

Bijlage III, punt 2, derde streepje, onder h)

Bijlage III, punt 2, onder c), viii)

Bijlage III, punt 3, aanhef

Bijlage III, punt 3, aanhef

Bijlage III, punt 3, eerste streepje

Bijlage III, punt 3, onder a)

Bijlage III, punt 3, tweede streepje

Bijlage III, punt 3, onder b)

Bijlage III, punt 3, derde streepje

Bijlage III, punt 3, onder c)

Bijlage III, punt 3, vierde streepje

Bijlage III, punt 3, onder d)

Bijlage III, punt 3, vijfde streepje

Bijlage III, punt 3, onder e)

Bijlage IV, punt 1, aanhef

Bijlage IV, punt 1, aanhef

Bijlage IV, punt 1, eerste streepje

Bijlage IV, punt 1, onder a)

Bijlage IV, punt 1, tweede streepje

Bijlage IV, punt 1, onder b)

Bijlage IV, punt 1, derde streepje

Bijlage IV, punt 1, onder c)

Bijlage IV, punten 2 en 3

Bijlage IV, punten 2 en 3

Bijlage IV, punt 4, aanhef

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, aanhef

Bijlage IV, punt 4, eerste streepje

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, onder a)

Bijlage IV, punt 4, tweede streepje

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, onder b)

Bijlage IV, punt 4, derde streepje

Bijlage IV, punt 4, eerste alinea, onder c)

Bijlage IV, punt 4, slotzin

Bijlage IV, punt 5

Bijlage IV, punt 5

Bijlage IV, punt 6

Bijlage IV, punt 6

Bijlage IV, punt 7

Bijlage IV, punt 7

Bijlage IV, punt 8

Bijlage V

Bijlage VI


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/22


Informatie over de datum van inwerkingtreding van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kaapverdië

De Europese Unie heeft op 10 oktober 2011 de Republiek Kaapverdië ervan in kennis gesteld dat de Raad, namens de Europese Unie, de procedures heeft voltooid die vereist waren voor de inwerkingtreding van bovengenoemd protocol, dat op 27 juli 2011 in Brussel is ondertekend.

Evenzo heeft de Republiek Kaapverdië de Europese Unie op 17 januari 2012 medegedeeld dat haar sluitingsprocedures zijn voltooid.

Het protocol is bijgevolg krachtens artikel 16 op 17 januari 2012 in werking getreden.


VERORDENINGEN

28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/23


VERORDENING (EU) Nr. 71/2012 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2012

tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 689/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (1), en met name artikel 22, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 689/2008 behelst de uitvoering van het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel, dat op 11 september 1998 is ondertekend en bij Besluit 2003/106/EG van de Raad (2) namens de Gemeenschap is goedgekeurd.

(2)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 dient te worden gewijzigd om rekening te houden met regelgeving betreffende bepaalde chemische stoffen die is ingevoerd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (3), Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (4) en Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (5).

(3)

De stoffen dichlobenil, dicloran, ethoxyquine en propisochlor zijn niet als werkzame stoffen opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (6), met als gevolg dat die werkzame stoffen niet in bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt en dus moeten worden toegevoegd aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008. De toevoeging van dichlobenil, dicloran, ethoxyquine en propisochlor aan bijlage I werd opgeschort als gevolg van een nieuwe aanvraag tot opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, die is ingediend op grond van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (7). Na deze nieuwe aanvraag werd opnieuw besloten dichlobenil, dicloran, ethoxyquine en propisochlor niet als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen, met als gevolg dat het gebruik van deze werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen verboden blijft en dat de reden voor de opschorting van de toevoeging aan bijlage I niet langer bestaat. De stoffen dichlobenil, dicloran, ethoxyquine en propisochlor moeten derhalve worden toegevoegd aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(4)

De stof methylbromide is niet opgenomen als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG en is ook niet opgenomen als werkzame stof in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG, met als gevolg dat methylbromide niet in bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt en dus moet worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008. De toevoeging van methylbromide aan bijlage I werd opgeschort als gevolg van de nieuwe aanvraag tot opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, die is ingediend overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008. Na deze nieuwe aanvraag werd opnieuw besloten methylbromide niet als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen, met als gevolg dat het gebruik van deze werkzame stof in bestrijdingsmiddelen verboden blijft en dat de reden voor de opschorting van de toevoeging aan bijlage I niet langer bestaat. De stof methylbromide moet derhalve worden toegevoegd aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(5)

De stof cyaanamide is niet opgenomen als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, hetgeen tot gevolg heeft dat deze werkzame stof streng is beperkt wat het gebruik ervan als pesticide betreft en dus moet worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 omdat nagenoeg alle gebruik is verboden ondanks het feit dat cyaanamide is aangewezen en ter kennis gebracht voor evaluatie overeenkomstig Richtlijn 98/8/EG en dat het gebruik ervan dus verder door de lidstaten kan worden toegestaan totdat een besluit overeenkomstig deze richtlijn is genomen. De toevoeging van cyaanamide aan bijlage I werd opgeschort als gevolg van de nieuwe aanvraag tot opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, die is ingediend overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008. Die nieuwe aanvraag is door de aanvrager ingetrokken, zodat de reden voor de opschorting van de toevoeging aan bijlage I niet langer bestaat. De stof cyaanamide moet derhalve worden toegevoegd aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(6)

De stof flurprimidol is niet als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG met als gevolg dat flurprimidol niet in bestrijdingsmiddelen mag worden gebruikt en bijgevolg aan de lijsten van chemische stoffen in de delen 1 en 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 moet worden toegevoegd. De toevoeging van flurprimidol aan deel 2 van bijlage I werd opgeschort als gevolg van de nieuwe aanvraag tot opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, die is ingediend overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 33/2008. Na die nieuwe aanvraag werd opnieuw besloten flurprimidol niet als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG op te nemen, met als gevolg dat het gebruik van flurprimidol in bestrijdingsmiddelen verboden blijft en dat de reden voor de opschorting van de toevoeging aan deel 2 van bijlage I niet langer bestaat. De stof flurprimidol moet derhalve worden toegevoegd aan de lijst van chemische stoffen in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(7)

De stof triflumuron is als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG, met als gevolg dat het gebruik van triflumuron in bestrijdingsmiddelen niet langer verboden is. Bijgevolg moet deze werkzame stof worden geschrapt uit deel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(8)

De stof triazoxide is als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1107/2009, met als gevolg dat het gebruik van triazoxide in bestrijdingsmiddelen niet langer verboden is. Bijgevolg moet deze werkzame stof worden geschrapt uit deel 1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 204 van 31.7.2008, blz. 1.

(2)  PB L 63 van 6.3.2003, blz. 27.

(3)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(4)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(5)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(7)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 689/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Deel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de volgende vermeldingen worden toegevoegd:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie

(*)

Gebruiksbeperking

(**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Cyaanamide +

420-04-2

206-992-3

2853 00 90

p(1)

v

 

Dichlobenil +

1194-65-6

214-787-5

2926 90 95

p(1)

v

 

Dicloran +

99-30-9

202-746-4

2921 42 00

p(1)

v

 

Ethoxyquine +

91-53-2

202-075-7

2933 49 90

p(1)

v

 

Methylbromide +

74-83-9

200-813-2

2903 39 11

p(1)-p(2)

v-v

 

Propisochlor +

86763-47-5

n.v.t.

2924 29 98

p(1)

v”

 

b)

de vermelding voor flurprimidol wordt vervangen door:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie

(*)

Gebruiksbeperking

(**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Flurprimidol +

56425-91-3

n.v.t.

2933 59 95

p(1)

v”

 

c)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie

(*)

Gebruiksbeperking

(**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Triflumuron

64628-44-0

264-980-3

2924 29 98

p(1)

v”

 

d)

de volgende vermelding wordt geschrapt:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Subcategorie

(*)

Gebruiksbeperking

(**)

Landen waarvoor geen kennisgeving vereist is

„Triazoxide

72459-58-6

276-668-4

2933 29 90

p(1)

v”

 

2)

In deel 2 worden de volgende vermeldingen toegevoegd:

Chemische stof

CAS-nummer

Einecs-nummer

GN-code

Categorie

(*)

Gebruiksbeperking

(**)

„Cyaanamide

420-04-2

206-992-3

2853 00 90

p

sb

Dichlobenil

1194-65-6

214-787-5

2926 90 95

p

v

Dicloran

99-30-9

202-746-4

2921 42 00

p

v

Ethoxyquine

91-53-2

202-075-7

2933 49 90

p

v

Flurprimidol

56425-91-3

n.v.t.

2933 59 95

p

v

Methylbromide

74-83-9

200-813-2

2903 39 11

p

v

Propisochlor

86763-47-5

n.v.t.

2924 29 98

p

v”


28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/26


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 72/2012 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2012

houdende wijziging en afwijking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening") (1), en met name artikel 103 nonies, onder b), juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 is een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten vastgesteld die onder meer geldt voor de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit. In artikel 103 sexies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat in regio’s van de lidstaten waar de producenten in de sector groenten en fruit bijzonder zwak georganiseerd zijn, de lidstaten, als zij daartoe een naar behoren gemotiveerd verzoek indienen, door de Commissie kunnen worden gemachtigd om aan producentenorganisaties nationale financiële steun toe te kennen voor een bedrag van ten hoogste 80 % van de financiële bijdragen als bedoeld in artikel 103 ter, lid 1, onder a), van die verordening.

(2)

Voor de toepassing van artikel 91, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 (2) wordt de mate van organisatie van de producenten in een regio van een lidstaat berekend aan de hand van de waarde van de groente- en fruitproductie van de regio die is afgezet door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen, gedeeld door de totale waarde van de groente- en fruitproductie van die regio. Om ervoor te zorgen dat de nationale steun correct wordt gebruikt, moeten de regels inzake de berekening van de mate van organisatie worden verduidelijkt.

(3)

Overeenkomstig artikel 91, lid 2, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 wordt onder regio een gebied verstaan dat vanwege zijn administratieve, geografische of economische kenmerken als een duidelijk op zich staand deel van het grondgebied van een lidstaat wordt beschouwd. Ter wille van de samenhang en de verifieerbaarheid moet de definitie van een regio worden verduidelijkt en moet er een minimumtermijn worden vastgesteld gedurende welke wijzigingen van de definitie van een regio niet zijn toegestaan, tenzij deze objectief gerechtvaardigd zijn.

(4)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

In artikel 92, lid 1, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 is bepaald dat verzoeken aan de Commissie om toestemming voor het verlenen van nationale financiële steun voor tijdens het kalenderjaar uit te voeren operationele programma's uiterlijk op 31 januari van dat kalenderjaar worden ingediend. Om mogelijk te maken dat het gewijzigde artikel 91 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 in 2012 wordt toegepast, moet worden voorzien in een afwijking van de in artikel 92, lid 1, eerste alinea, van die uitvoeringsverordening vastgestelde termijn. Voorts moet worden voorzien in een correctie van verzoeken die zijn verzonden vóór de inwerkingtreding van deze verordening.

(6)

Om ervoor te zorgen dat verzoeken om toestemming voor het verlenen van nationale financiële steun voor in 2012 uit te voeren operationele programma's volgens de nieuwe regels kunnen worden ingediend, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan. Krachtens artikel 95, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 gaat een verzoek om vergoeding door de Unie vergezeld van bewijsstukken waaruit de mate van organisatie van de producenten in de desbetreffende regio blijkt. Deze verordening mag daarom geen afbreuk doen aan verzoeken om vergoeding door de Unie overeenkomstig artikel 95, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van nationale financiële steun waarvoor de Commissie vóór de datum van de inwerkingtreding van deze verordening toestemming heeft gegeven.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

Artikel 91 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 wordt vervangen door:

"Artikel 91

Mate van organisatie van de producenten en definitie van een regio

1.   Voor de toepassing van artikel 103 sexies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 wordt de mate van organisatie van de producenten in een regio van een lidstaat berekend aan de hand van de waarde van de groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die is afgezet door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen, gedeeld door de totale waarde van de groente- en fruitproductie van die regio.

De waarde van de in de eerste alinea bedoelde groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die is afgezet door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen omvat enkel de producten waarvoor die producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen zijn erkend. De artikelen 42 en 50 zijn mutatis mutandis van toepassing. Enkel de productie van producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, producentengroeperingen en hun leden in de desbetreffende regio die is afgezet door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen wordt meegenomen in de berekening van die waarde.

Voor de berekening van de totale waarde van de groente- en fruitproductie van die regio zijn de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) vastgestelde methoden mutatis mutandis van toepassing.

2.   De mate van organisatie van de producenten in een regio van een lidstaat wordt als bijzonder zwak beschouwd wanneer de overeenkomstig lid 1 berekende gemiddelde mate van organisatie voor de laatste drie jaar waarover gegevens beschikbaar zijn, minder bedraagt dan 20 %.

3.   Alleen voor de groente- en fruitproductie van de in dit artikel bedoelde regio mag nationale financiële steun worden verleend.

4.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk definiëren de lidstaten regio's als op grond van objectieve en niet-discriminerende criteria zoals hun agronomische en economische kenmerken en hun potentieel op het gebied van landbouw/groente- en fruit, of hun institutionele of administratieve structuur, op zich staande delen van hun grondgebied waarvoor gegevens beschikbaar zijn om de mate van organisatie te berekenen overeenkomstig lid 1.

De voor de toepassing van dit hoofdstuk door een lidstaat gedefinieerde regio's worden ten minste gedurende vijf jaar niet gewijzigd, tenzij een dergelijke wijziging objectief gerechtvaardigd is door substantiële redenen die geen verband houden met de berekening van de mate van organisatie van de producenten in de desbetreffende regio of regio's.

Artikel 2

Afwijking van artikel 92, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011

In afwijking van artikel 92, lid 1, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 dienen lidstaten hun verzoek om toestemming voor het verlenen van nationale financiële steun overeenkomstig artikel 103 sexies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 voor in 2012 uit te voeren operationele programma's uiterlijk op 29 februari 2012 in.

De lidstaten stellen in hun eerste verzoek om toestemming dat wordt ingediend na de datum van de inwerkingtreding van deze verordening de in artikel 91, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 als gewijzigd bij deze verordening bedoelde regio's vast, met inbegrip van hun geografische afbakening. Uiterlijk op 29 februari 2012 corrigeren de lidstaten waar nodig vóór de datum van de inwerkingtreding van deze verordening aan de Commissie verzonden verzoeken om toestemming voor 2012.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Ze doet geen afbreuk aan verzoeken om vergoeding door de Unie overeenkomstig artikel 95, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van nationale financiële steun waarvoor de Commissie vóór de datum van de inwerkingtreding van deze verordening toestemming heeft gegeven.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.

(3)  PB L 33 van 5.2.2004, blz. 1."


28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/28


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 73/2012 VAN DE COMMISSIE

van 27 januari 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

160,4

MA

53,0

TN

74,2

TR

101,9

ZZ

97,4

0707 00 05

EG

217,9

JO

241,9

MA

148,6

TR

182,3

ZZ

197,7

0709 91 00

EG

143,2

ZZ

143,2

0709 93 10

MA

130,8

TR

161,9

ZZ

146,4

0805 10 20

EG

52,2

MA

54,0

TN

62,6

TR

61,4

ZZ

57,6

0805 20 10

MA

98,4

ZZ

98,4

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

CN

61,5

EG

81,0

IL

96,6

JM

118,0

KR

92,2

MA

52,0

PK

50,1

TR

89,4

ZZ

80,1

0805 50 10

TR

55,8

ZZ

55,8

0808 10 80

CA

123,7

CL

78,5

CN

107,9

US

157,9

ZZ

117,0

0808 30 90

CN

98,4

TR

95,1

US

120,5

ZA

99,3

ZZ

103,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/30


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

van 23 januari 2012

betreffende de benoeming van de leden van het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)

(2012/45/EU, Euratom)

HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Gezien Besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 houdende oprichting van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (1), en met name artikel 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad (2) en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad van 25 mei 1999 (3) betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en met name artikel 11, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 11, lid 2, van de Verordeningen (EG) nr. 1073/1999 en (Euratom) nr. 1074/1999 is bepaald dat het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) „is samengesteld uit vijf externe, onafhankelijke leden, die in hun eigen land voldoen aan de voorwaarden om hoge functies te bekleden op de werkterreinen van het Bureau” en dat deze personen door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in onderlinge overeenstemming worden benoemd.

(2)

Overeenkomstig artikel 11, lid 3, bedraagt de ambtstermijn van de leden van het Comité van toezicht drie jaar, en kan deze termijn eenmaal worden verlengd.

(3)

De maximale ambtstermijn van de leden van het Comité van toezicht die per 30 november 2005 zijn benoemd, is verstreken. Conform artikel 11, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1073/1999 en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999, blijven die leden in functie na het aflopen van hun ambtstermijn totdat de benoemingsprocedure voor nieuwe leden van het Comité van toezicht is afgerond. Er moeten dus zo spoedig mogelijk nieuwe leden worden benoemd,

BESLUITEN:

Artikel 1

1.   De volgende personen worden met ingang van 23 januari 2012 benoemd tot lid van het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF):

de heer Herbert BÖSCH,

de heer Johan DENOLF,

mevrouw Catherine PIGNON,

mevrouw Rita SCHEMBRI,

de heer Christiaan TIMMERMANS.

2.   Indien een van de bovengenoemde personen zich uit het Comité van toezicht terugtrekt, overlijdt of permanent arbeidsongeschikt wordt, dan wordt hij of zij onverwijld vervangen door de eerste persoon op de volgende lijst die nog niet tot lid van het Comité van toezicht is benoemd:

de heer Jens MADSEN,

mevrouw Cristina NICOARĂ,

de heer Tuomas Henrik PÖYSTI,

de heer Dimitrios ZIMIANITIS.

Artikel 2

Bij de uitoefening van hun taken vragen noch aanvaarden de leden van het Comité van toezicht instructies van welk(e) regering, instelling, orgaan of instantie dan ook.

Zij behandelen geen aangelegenheden waarbij zij, direct of indirect, enig persoonlijk belang, met name van familiale of financiële aard, hebben dat hun onafhankelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen.

Ten aanzien van de aan hen voorgelegde dossiers en hun beraadslagingen nemen zij strikte geheimhouding in acht.

Artikel 3

De kosten die de leden van het Comité van toezicht bij de uitoefening van hun taken maken, worden vergoed, en zij ontvangen een dagvergoeding voor elke dag die zij aan de uitoefening van deze taken besteden. De hoogte van deze vergoeding en de uitkeringsprocedure worden door de Commissie vastgesteld.

Artikel 4

De Commissie stelt de bovengenoemde personen van dit besluit in kennis, en zij stelt elke persoon die overeenkomstig artikel 1, lid 2, later als lid van het Comité van toezicht wordt aangewezen, eveneens onverwijld van dit besluit in kennis.

Deze benoeming geschiedt overeenkomstig artikel 11, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1073/1999. Zij laat eventuele toekomstige wijzigingen van deze bepalingen door het Europees Parlement en de Raad onverlet, met name de eventuele wijziging van de duur van de ambtstermijn met het oog op een mogelijke introductie van de gespreide vervanging van de leden van het Comité.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op 23 januari 2012.

Gedaan te Brussel, 23 januari 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Martin SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

Jeppe TRANHOLM-MIKKELSEN

Voor de Commissie

Algirdas ŠEMETA

Lid van de Commissie


(1)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 20.

(2)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(3)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 8.


28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/32


BESLUIT VAN DE RAAD

van 23 januari 2012

betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van dactyloscopische gegevens in Nederland

(2012/46/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (1), en met name artikel 25,

Gezien Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ (2), en met name artikel 20 en hoofdstuk 4 van de bijlage,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens het Protocol betreffende de overgangsbepalingen dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden de rechtsgevolgen van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon gehandhaafd zolang deze handelingen niet krachtens de Verdragen ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd zijn.

(2)

Artikel 25 van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad is derhalve van toepassing en de Raad moet met eenparigheid van stemmen besluiten of de lidstaten de bepalingen van hoofdstuk 6 van dat besluit hebben uitgevoerd.

(3)

In artikel 20 van Besluit 2008/616/JBZ is bepaald dat de Raad het in artikel 25, lid 2, van Besluit 2008/615/JBZ bedoelde besluit neemt op basis van een evaluatieverslag, dat is opgesteld aan de hand van een vragenlijst. Wat de automatische uitwisseling van gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van Besluit 2008/615/JBZ betreft, dient het evaluatieverslag gebaseerd te zijn op een evaluatiebezoek en een proefrun.

(4)

Overeenkomstig hoofdstuk 4, onder punt 1.1, van de bijlage bij Besluit 2008/616/JBZ stelt de betrokken Raadsgroep voor elke vorm van geautomatiseerde uitwisseling van gegevens een vragenlijst op, en dient deze door een lidstaat te worden beantwoord zodra hij van oordeel is dat hij aan de voorwaarden voor het uitwisselen van gegevens in een bepaalde gegevenscategorie voldoet.

(5)

Nederland heeft de vragenlijst over gegevensbescherming en de vragenlijst over de uitwisseling van dactyloscopische gegevens ingevuld.

(6)

Nederland heeft met Duitsland een geslaagde proefrun uitgevoerd.

(7)

Er is een evaluatiebezoek aan Nederland gebracht, waarover het Duitse evaluatieteam een verslag heeft opgesteld en aan de betrokken werkgroep van de Raad heeft toegezonden.

(8)

Aan de Raad is een algemeen evaluatieverslag voorgelegd, waarin de resultaten van de vragenlijst, het evaluatiebezoek en de proefrun betreffende de uitwisseling van dactyloscopische gegevens zijn samengevat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Met het oog op de automatische bevraging van dactyloscopische gegevens heeft Nederland de algemene bepalingen betreffende gegevensbescherming van hoofdstuk 6 van Besluit 2008/615/JBZ volledig uitgevoerd en is het gerechtigd met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit besluit persoonsgegevens te ontvangen en te verstrekken overeenkomstig artikel 9 van dat besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 23 januari 2012.

Voor de Raad

De voorzitster

M. GJERSKOV


(1)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.

(2)  PB L 210 van 6.8.2008, blz. 12.


28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/33


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

van 24 januari 2012

waarbij Zweden overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op de elektriciteit die wordt verbruikt door huishoudens en bedrijven in de dienstensector in bepaalde gebieden in het noorden van Zweden

(2012/47/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (1), en met name artikel 19, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Beschikking 2005/231/EG (2) van de Raad werd Zweden overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2003/96/EG gemachtigd om tot 31 december 2011 een verlaagd accijnstarief toe te passen op de elektriciteit die wordt verbruikt door huishoudens en bedrijven in de dienstensector in bepaalde gebieden in het noorden van Zweden.

(2)

Bij brief van 8 juni 2011 heeft Zweden verzocht om gedurende een periode van nog eens zes jaar, dat wil zeggen tot 31 december 2017, een verlaagd accijnstarief te mogen blijven toepassen op de elektriciteit die door deze begunstigden wordt verbruikt. De verlaging is beperkt tot 96 SEK per MWh.

(3)

In de betrokken gebieden liggen de verwarmingskosten gemiddeld 25 % hoger dan in de rest van het land omdat het stookseizoen er langer duurt. Door een verlaging van de elektriciteitskosten voor huishoudens en bedrijven in de dienstensector in deze gebieden wordt het verschil tussen de totale verwarmingskosten voor consumenten in het noorden van Zweden en deze kosten voor consumenten in de rest van het land verkleind. De maatregel helpt derhalve doelstellingen van regionaal en cohesiebeleid te verwezenlijken. De maatregel laat Zweden ook toe een hoger algemeen belastingtarief voor elektriciteit toe te passen dan anderszins mogelijk zou zijn en draagt zo indirect bij aan de verwezenlijking van milieubeleidsdoelstellingen.

(4)

De belastingverlaging mag niet groter zijn dan wat nodig is om de extra verwarmingskosten voor huishoudens en bedrijven in de dienstensector in het noorden van Zweden te compenseren.

(5)

De verlaagde belastingtarieven zullen boven de minimumtarieven liggen die in artikel 10 van Richtlijn 2003/96/EG zijn vastgesteld.

(6)

Gelet op de afgelegen ligging van de gebieden waarop de maatregel betrekking heeft, op het feit dat de verlaging niet groter mag zijn dan de extra verwarmingskosten in het noorden van Zweden, en op de beperking van de maatregel tot huishoudens en bedrijven in de dienstensector wordt niet verwacht dat de maatregel grote concurrentieverstoringen of wijzigingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten tot gevolg zal hebben.

(7)

Bijgevolg is de maatregel aanvaardbaar met het oog op de goede werking van de interne markt en de noodzaak om eerlijke concurrentie te garanderen, en is hij verenigbaar met het gezondheids-, milieu-, energie- en vervoersbeleid van de Europese Unie.

(8)

Om de betrokken bedrijven en consumenten een voldoende mate van zekerheid te bieden, is het passend Zweden te machtigen tot toepassing van een verlaagd belastingtarief voor elektriciteit die wordt verbruikt in het noorden van Zweden, tot en met 31 december 2017.

(9)

Er dient voor te worden gezorgd dat de machtiging op grond van Beschikking 2005/231/EG, die om soortgelijke redenen als de in onderhavig besluit vermelde redenen werd verleend, blijft gelden en dus te worden vermeden dat die beschikking verstrijkt voordat dit besluit in werking treedt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Zweden wordt gemachtigd een verlaagd belastingtarief toe te passen op de elektriciteit die wordt verbruikt door huishoudens en bedrijven in de dienstensector in de in de bijlage opgenomen gemeenten.

De verlaging van het normale nationale belastingtarief voor elektriciteit mag niet groter zijn dan nodig is om de extra verwarmingskosten als gevolg van de noordelijke ligging in vergelijking met de rest van Zweden te compenseren, en mag niet meer bedragen dan 96 SEK per MWh.

2.   De verlaagde tarieven moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen van Richtlijn 2003/96/EG en met name met de in artikel 10 daarvan vastgestelde minimumtarieven.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag van de kennisgeving evan.

Het is van toepassing vanaf 1 januari 2012 tot en met 31 december 2017.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Zweden.

Gedaan te Brussel, 24 januari 2012.

Voor de Raad

De voorzitster

M. VESTAGER


(1)  PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51.

(2)  PB L 72 van 18.3.2005, blz. 27.


BIJLAGE

Regio’s

Gemeenten

Norrbottens län

Alle gemeenten

Västerbottens län

Alle gemeenten

Jämtlands län

Alle gemeenten

Västernorrlands län

Sollefteå, Ånge, Örnsköldsvik

Gävleborgs län

Ljusdal

Dalarnas län

Malung, Mora, Orsa, Älvdalen

Värmlands län

Torsby


28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/35


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 26 januari 2012

tot verlenging van de geldigheidsduur van Beschikking 2009/251/EG houdende de verplichting voor de lidstaten ervoor te zorgen dat producten die het biocide dimethylfumaraat bevatten niet in de handel worden gebracht of op de markt worden aangeboden

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 321)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/48/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (1), en met name artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Beschikking 2009/251/EG van de Commissie (2) moeten de lidstaten ervoor zorgen dat producten die het biocide dimethylfumaraat (DMF) bevatten niet in de handel worden gebracht of op de markt worden aangeboden.

(2)

Beschikking 2009/251/EG is vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van Richtlijn 2001/95/EG, waarbij de geldigheidsduur van de beschikking tot ten hoogste één jaar wordt beperkt maar telkens met ten hoogste één jaar verlengd kan worden.

(3)

De geldigheidsduur van Beschikking 2009/251/EG is telkens voor een extra periode van één jaar verlengd bij Besluit 2010/153/EU (3) en Besluit 2011/135/EU (4). Er wordt thans overwogen om een permanente beperking op het gebruik van DMF in artikelen op te nemen in Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5). Aangezien die maatregel betrekking zal hebben op dezelfde problemen als Beschikking 2009/251/EG, moet Beschikking 2009/251/EG voor de rechtszekerheid van toepassing zijn totdat de permanente beperking uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 in werking treedt.

(4)

In het licht van de tot nu toe opgedane ervaring en gezien het feit dat er geen permanente maatregel geldt voor consumentenproducten die DMF bevatten, moet de geldigheidsduur van Beschikking 2009/251/EG met extra twaalf maanden worden verlengd.

(5)

Beschikking 2009/251/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het door het comité van artikel 15 van Richtlijn 2001/95/EG uitgebrachte advies,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 4 van Beschikking 2009/251/EG wordt vervangen door:

„Artikel 4

Toepassingsperiode

Deze beschikking is van toepassing tot de inwerkingtreding van de verordening van de Commissie tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 betreffende DMF of 15 maart 2013, als deze datum eerder valt.”.

Artikel 2

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om uiterlijk op 15 maart 2012 aan dit besluit te voldoen en maken die maatregelen bekend. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 26 januari 2012.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.

(2)  PB L 74 van 20.3.2009, blz. 32.

(3)  PB L 63 van 12.3.2010, blz. 21.

(4)  PB L 57 van 2.3.2011, blz. 43.

(5)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.


28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/36


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 26 januari 2012

tot wijziging van de Besluiten 2011/263/EU en 2011/264/EU teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in de classificatie van enzymen overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 323)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/49/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (1), en met name artikel 8, lid 2,

Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 6, lid 6, van Verordening (EG) nr. 66/2010 wordt de EU-milieukeur niet toegekend aan waren die stoffen, preparaten of mengsels bevatten die beantwoorden aan de criteria voor classificatie als giftig, gevaarlijk voor het milieu, kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting, volgens Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH) (2). De EU-milieukeur wordt ook niet toegekend aan waren die stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen in artikel 57 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (3). Krachtens artikel 6, lid 7, van Verordening (EG) nr. 66/2010, kan de Commissie, wanneer het technisch niet mogelijk is deze producten als zodanig of via gebruik van alternatieve materialen of alternatieve ontwerpen te vervangen, of wanneer het producten betreft met een significant hogere algemene milieuprestatie in vergelijking tot andere producten van dezelfde categorie, maatregelen nemen om uitzonderingen te verlenen op het bepaalde in artikel 6, lid 6, van die verordening.

(2)

De Commissie heeft haar goedkeuring gehecht aan Besluit 2011/263/EU van 28 april 2011 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur aan machineafwasmiddelen (4) en Besluit 2011/264/EU van 28 april 2011 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de EU-milieukeur voor wasmiddelen (5). Na de goedkeuring van deze besluiten is het belangrijke enzym subtilisine, dat wordt gebruikt in wasmiddelen en machineafwasmiddelen, ingedeeld als R50 (zeer giftig voor in het water levende organismen) overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (6) en bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, hetgeen inhoudt dat deze wasmiddelen en machineafwasmiddelen de EU-milieukeur niet mogen krijgen.

(3)

Dit is nieuwe informatie die niet in aanmerking is genomen bij de herziening van de criteria voor de EU-milieukeur voor wasmiddelen en machineafwasmiddelen en de overwegingen voor de derogaties voor enzymen. De Besluiten 2011/263/EU en 2011/264/EU moeten daarom worden gewijzigd teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in de classificatie van enzymen overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG en bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008.

(4)

Er moet worden voorzien in een overgangsperiode voor producenten die op basis van de criteria van Beschikking 2003/31/EG (7) en Beschikking 2003/200/EG (8) voor hun producten de milieukeur hebben gekregen voor wasmiddelen en machineafwasmiddelen, zodat zij voldoende tijd hebben om hun producten aan de herziene criteria en eisen aan te passen en om te compenseren voor de door deze wijziging veroorzaakte opschorting.

(5)

De Besluiten 2011/263/EU en 2011/264/EU moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Besluit 2011/263/EU wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

De bijlage bij Besluit 2011/264/EU wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 3

Indien de milieukeur is toegekend op basis van een overeenkomstig de criteria van Beschikking 2003/31/EG en Beschikking 2003/200/EG beoordeelde aanvraag, kan die milieukeur tot 28 september 2012 worden gebruikt.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 26 januari 2012.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1.

(2)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.

(3)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(4)  PB L 111 van 30.4.2011, blz. 22.

(5)  PB L 111 van 30.4.2011, blz. 34.

(6)  PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(7)  PB L 9 van 15.1.2003, blz. 11.

(8)  PB L 76 van 22.3.2003, blz. 25.


BIJLAGE

1)

De bijlage bij Besluit 2011/263/EU wordt als volgt gewijzigd: Onder criterium 2, punt b), vijfde alinea, wordt de volgende stof toegevoegd aan de tabel met afwijkingen:

„Subtilisine

H400 Zeer giftig voor in het water levende organismen

R 50”

2)

De bijlage bij Besluit 2011/264/EU wordt als volgt gewijzigd: Onder criterium 4, punt b), vijfde alinea, wordt de volgende stof toegevoegd aan de tabel met afwijkingen:

„Subtilisine

H400 Zeer giftig voor in het water levende organismen

R 50”


Rectificaties

28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 26/38


Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft

( Publicatieblad van de Europese Unie L 153 van 11 juni 2011 )

In deel A van de bijlage wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„354

Flurochloridone

CAS-nr. 61213-25-0

CIPAC-nr. 430

(3RS,4RS;3RS,4SR)-3-chloor-4-chloormethyl-1-(α,α,α-trifluor-m-tolyl)-2-pyrrolidone

≥ 940 g/kg

Relevante onzuiverheden:

Tolueen: max. 8 g/kg

1 juni 2011

31 mei 2021

DEEL A

De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over flurochloridone (met name de aanhangsels I en II), dat op 4 februari 2011 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

1.

het risico voor niet tot de doelsoorten behorende planten en in het water levende organismen;

2.

de bescherming van het grondwater, wanneer de werkzame stof wordt gebruikt in qua bodemgesteldheid en/of klimatologische omstandigheden kwetsbare gebieden.

De toelatingsvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aanvrager verdere bevestigende informatie bij de Commissie indient met betrekking tot:

1.

de relevantie van andere onzuiverheden dan tolueen;

2.

de conformiteit van het ecotoxicologisch testmateriaal met de technische specificaties;

3.

de relevantie van de grondwatermetaboliet R42819 (1);

4.

de potentiële hormoonontregelende eigenschappen van flurochloridone.

De betrokken lidstaten moeten ervoor zorgen dat de aanvrager bij de Commissie de in de punten 1 en 2 vastgestelde informatie uiterlijk op 1 december 2011, de in punt 3 vastgestelde informatie uiterlijk op 31 mei 2013 en de in punt 4 vastgestelde informatie binnen twee jaar na de vaststelling van de OESO-testrichtsnoeren inzake hormoonontregeling indient.


(1)  R42819: (4RS)-4-(chloormethyl)-1-[3-(trifluormethyl)fenyl]pyrrolidine-2-on.”