ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.343.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 343

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
23 december 2011


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1375/2011 van de Raad van 22 december 2011 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2011 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 687/2011 van de Raad

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1376/2011 van de Commissie van 20 december 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Mongeta del Ganxet (BOB))

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1377/2011 van de Commissie van 20 december 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Salva Cremasco (BOB)]

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1378/2011 van de Commissie van 20 december 2011 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Rheinisches Apfelkraut (BGA))

18

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1379/2011 van de Commissie van 20 december 2011 houdende wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 382/2008, (EU) nr. 1178/2010 en (EU) nr. 90/2011, wat betreft de GN-codes en de productcodes van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties in de sectoren rundvlees, eieren en slachtpluimvee

20

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1380/2011 van de Commissie van 21 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 798/2008 wat betreft de specifieke voorwaarden voor fok- of gebruiksloopvogels ( 1 )

25

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1381/2011 van de Commissie van 22 december 2011 tot niet-goedkeuring van de werkzame stof chloorpikrine overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie ( 1 )

26

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1382/2011 van de Commissie van 22 december 2011 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

28

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1383/2011 van de Commissie van 22 december 2011 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 januari 2012

30

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1384/2011 van de Commissie van 22 december 2011 inzake het minimumdouanerecht dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de derde deelinschrijvingen in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende openbare inschrijving

33

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2011/871/GBVB van de Raad van 19 december 2011 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (ATHENA)

35

 

*

Besluit 2011/872/GBVB van de Raad van 22 december 2011 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van Besluit 2011/430/GBVB

54

 

 

2011/873/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 14 december 2011 betreffende de vaststelling van hoeveelheden en de toewijzing van quota voor stoffen die worden gereguleerd krachtens Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9196)

57

 

 

2011/874/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 15 december 2011 tot vaststelling van de lijst van derde landen en gebieden waaraan een machtiging is verleend voor de invoer van honden, katten en fretten en voor het niet-commerciële verkeer van meer dan vijf honden, katten en fretten naar de Unie en de modelcertificaten voor de invoer en het niet-commerciële verkeer van die dieren naar de Unie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9232)  ( 1 )

65

 

 

2011/875/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 16 december 2011 tot vrijstelling van bepaalde financiële diensten in de postsector in Hongarije van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9197)  ( 1 )

77

 

 

2011/876/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 19 december 2011 tot vrijstelling van bepaalde partijen van de uitbreiding tot bepaalde onderdelen van rijwielen van het antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China dat is ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad en tot opheffing van de schorsing en tot intrekking van de vrijstelling van de betaling van het tot bepaalde onderdelen van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China uitgebreide antidumpingrecht die bij Verordening (EG) nr. 88/97 van de Commissie aan bepaalde partijen zijn toegekend (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9473)

86

 

 

2011/877/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 19 december 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte in toepassing van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 2007/74/EG van de Commissie (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9523)

91

 

 

2011/878/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 20 december 2011 ter bevestiging van de voorlopige berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies en specifieke emissiedoelstellingen voor fabrikanten van personenauto’s voor het kalenderjaar 2010 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

97

 

 

2011/879/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 21 december 2011 tot wijziging van de bijlagen II en IV bij Richtlijn 2009/158/EG van de Raad tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9518)  ( 1 )

105

 

 

2011/880/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 21 december 2011 tot wijziging van bijlage I bij Uitvoeringsbesluit 2011/402/EU betreffende noodmaatregelen van toepassing op fenegriekzaden en bepaalde zaden en bonen uit Egypte (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9524)  ( 1 )

117

 

 

2011/881/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 21 december 2011 betreffende de vaststelling van een financieringsbesluit ter ondersteuning van vrijwillige surveillancestudies naar het verlies van bijenkolonies (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9597)

119

 

 

2011/882/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 21 december 2011 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van een nieuwe kauwgombasis als nieuw voedselingrediënt krachtens Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9680)

121

 

 

2011/883/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 21 december 2011 tot vaststelling van de lijst van EU-inspecteurs overeenkomstig artikel 79, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9701)

123

 

 

2011/884/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 22 december 2011 inzake noodmaatregelen met betrekking tot niet-toegelaten genetisch gemodificeerde rijst in rijstproducten van oorsprong uit China en tot intrekking van Beschikking 2008/289/EG ( 1 )

140

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Beschikking 2008/312/Euratom van de Commissie van 5 maart 2008 tot vaststelling van het in Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad bedoelde uniforme document voor toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstof (PB L 107 van 17.4.2008)

149

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/1


RICHTLIJN 2011/98/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 december 2011

betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 2, onder a) en b),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaald dat maatregelen moeten worden aangenomen op het gebied van asiel, immigratie en de bescherming van de rechten van onderdanen van derde landen.

(2)

De Europese Raad heeft tijdens zijn speciale bijeenkomst van 15 en 16 oktober 1999 in Tampere de noodzaak erkend van onderlinge afstemming van nationale rechtsregels over de voorwaarden voor toelating en verblijf van onderdanen van derde landen. In dit verband heeft de Europese Raad verklaard dat de Unie moet zorgen voor een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven en dat een krachtiger integratiebeleid erop gericht moet zijn hun rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Unie. Hiertoe heeft de Europese Raad de Raad verzocht rechtsinstrumenten vast te stellen op basis van voorstellen van de Commissie. Het programma van Stockholm, door de Europese Raad aangenomen tijdens zijn bijeenkomst van 10 en 11 december 2009, heeft nog eens bevestigd dat het noodzakelijk is om de in Tampere vastgelegde doelstellingen te bereiken.

(3)

De invoering van één enkele aanvraagprocedure die leidt tot een gecombineerde titel, die zowel een verblijfs- als een arbeidsvergunning omvat, in het kader van één administratieve handeling, zal bijdragen tot de vereenvoudiging en harmonisering van de regels die thans in de lidstaten van toepassing zijn. Een aantal lidstaten heeft reeds een vereenvoudiging van de procedures ingevoerd, hetgeen zowel voor de migranten als voor hun werkgevers tot een efficiëntere procedure heeft geleid en het gemakkelijker heeft gemaakt te controleren of de betrokkenen legaal in de lidstaat verblijven en werken.

(4)

Om de eerste binnenkomst in hun grondgebied mogelijk te maken, moeten de lidstaten een gecombineerde vergunning kunnen verstrekken of, indien zij uitsluitend na binnenkomst gecombineerde vergunningen verstrekken, een visum. De lidstaten moeten tijdig dergelijke gecombineerde vergunningen of visa verstrekken.

(5)

Er moeten procedurevoorschriften worden vastgesteld voor het behandelen van de aanvraag van een gecombineerde vergunning. Deze procedure moet niet alleen doeltreffend zijn en naast de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten kunnen worden afgewikkeld, maar zij moet ook doorzichtig en billijk zijn, teneinde de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden.

(6)

De bepalingen in deze richtlijn mogen geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om de toelating te reguleren van onderdanen van derde landen, met inbegrip van het aantal ervan, dat zij toelaten met het oog op werk.

(7)

Ter beschikking gestelde werknemers mogen niet vallen onder deze richtlijn. Desondanks dienen onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven en daar legaal tewerkgesteld zijn, en in een andere lidstaat ter beschikking zijn gesteld, voor de duur van hun terbeschikkingstelling, dezelfde behandeling te blijven genieten als onderdanen van de lidstaat van herkomst inzake die arbeidsvoorwaarden die onverlet gelaten worden door de toepassing van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (4).

(8)

Onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetene hebben verworven overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (5), mogen niet vallen onder deze richtlijn gezien hun meer bevoorrechte status en het specifieke type verblijfstitel, de „EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen”, waarover zij beschikken.

(9)

Onderdanen van derde landen die tot het grondgebied van een lidstaat zijn toegelaten om seizoenwerk te verrichten, vallen gezien hun tijdelijke verblijfsstatus niet onder de richtlijn.

(10)

De plicht van de lidstaten om te bepalen of de aanvraag door een onderdaan van een derde land dan wel door zijn werkgever moet worden ingediend, dient regelingen waarbij vereist is dat de beide partijen bij de procedure betrokken zijn, onverlet te laten. De lidstaten dienen te bepalen of de gecombineerde vergunning in de lidstaat van bestemming of in een derde land dient te worden aangevraagd. In gevallen waarin de onderdaan van een derde land geen aanvraag vanuit een derde land mag indienen, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat de werkgever in de lidstaat van bestemming de aanvraag mag indienen.

(11)

De bepalingen in deze richtlijn over de enkele aanvraagprocedure en de gecombineerde vergunning mogen niet van toepassing zijn op eenvormige visa of visa voor verblijf van langere duur.

(12)

De aanwijzing van de bevoegde instantie overeenkomstig deze richtlijn dient de rol en de taken die met betrekking tot de behandeling van en het besluit over de aanvraag door andere instanties en, in voorkomend geval, door de sociale partners worden vervuld, onverlet te laten.

(13)

De termijn voor het nemen van een besluit over de aanvraag mag niet de tijd omvatten die nodig is voor de erkenning van de beroepskwalificaties of voor de verstrekking van een visum. Deze richtlijn laat de nationale procedures betreffende de erkenning van diploma’s onverlet.

(14)

De gecombineerde vergunning moet opgesteld worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (6), die de lidstaten de mogelijkheid geeft verdere informatie op te nemen, met name of de betrokken persoon al dan niet arbeid mag verrichten. Een lidstaat moet — onder andere met het oog op een betere beheersing van de migratie — niet alleen in de gecombineerde vergunning, maar tevens in alle verstrekte verblijfstitels de informatie in verband met de vergunning tot het verrichten van arbeid vermelden, ongeacht het type vergunning of verblijfstitel op grond waarvan de onderdaan van het derde land tot het grondgebied van die lidstaat is toegelaten en hem toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat is verleend.

(15)

De bepalingen van deze richtlijn betreffende verblijfsvergunningen voor andere doeleinden dan werk dienen uitsluitend betrekking te hebben op het model van dergelijke vergunningen en dienen de voorschriften van de Unie of van de lidstaten betreffende toelatingsprocedures en procedures voor de verstrekking van dergelijke vergunningen, onverlet te laten.

(16)

De bepalingen van deze richtlijn over de gecombineerde vergunning en over de voor andere doeleinden dan werk verstrekte verblijfsvergunning mogen de lidstaten niet beletten te werken met een aanvullend papieren document waarin ze nauwkeuriger informatie kunnen verstrekken over de arbeidsrelatie, waarvoor op het model voor verblijftitels onvoldoende ruimte is. Een dergelijk document kan nuttig zijn om te voorkomen dat onderdanen van derde landen worden uitgebuit en om illegale tewerkstelling te bestrijden, maar dient voor de lidstaten facultatief te zijn en mag niet gaan dienen als vervanging voor een werkvergunning, aangezien daardoor het idee van de gecombineerde vergunning zou worden uitgehold. Ook kan, om dergelijke informatie elektronisch op te slaan, gebruik worden gemaakt van de technische mogelijkheden uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1030/2002 en punt a), onder 16, van de bijlage daarbij.

(17)

De voorwaarden en criteria op grond waarvan een aanvraag voor de verstrekking, de wijziging of de verlenging van een gecombineerde vergunning kan worden afgewezen, of op grond waarvan de gecombineerde vergunning kan worden ingetrokken, dienen objectief te zijn en dienen in het nationale recht te worden vastgesteld, met inbegrip van de verplichting het beginsel van de preferentie van de Unie te eerbiedigen zoals dit met name is vastgelegd in de toepasselijke bepalingen van de akten van toetreding van 2003 en van 2005. Besluiten tot afwijzing en tot intrekking moeten worden gemotiveerd.

(18)

Onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een geldig reisdocument en van een gecombineerde vergunning die is verstrekt door een lidstaat die het Schengenacquis volledig toepast, zou moeten worden toegestaan in het grondgebied van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen binnen te komen en zich daar vrij te verplaatsen gedurende een periode van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (7) en het bepaalde in artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de lidstaten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (8) (het Akkoord van Schengen).

(19)

Omdat horizontale wetgeving van de Unie ontbreekt, verschillen de rechten van de onderdanen van derde landen naar gelang van de lidstaat waar zij werken en naargelang van hun nationaliteit. Met het oog op een verdere ontwikkeling van een samenhangend immigratiebeleid en om de verschillen in rechtspositie tussen burgers van de Unie en in een lidstaat legaal werkende onderdanen van derde landen te verkleinen en de bestaande voorschriften inzake immigratie aan te vullen, zou een pakket rechten moeten worden vastgelegd om, in het bijzonder, de gebieden te specificeren waarop een gelijke behandeling geldt van nationale onderdanen en dergelijke onderdanen van derde landen, die nog niet de status van langdurig ingezetene hebben. Dergelijke bepalingen zijn bedoeld om binnen de Unie een minimum aan gelijke voorwaarden te scheppen en te onderstrepen dat dergelijke onderdanen van derde landen, door hun werk en belastingafdrachten bijdragen aan de economie van de Unie; bovendien kunnen zij dienen als waarborg om oneerlijke concurrentie tussen onderdanen van een lidstaat en onderdanen van derde landen als gevolg van de mogelijke uitbuiting van de laatstgenoemden te verkleinen. De definitie van „werknemer uit een derde land” in deze richtlijn betekent, onverminderd de uitleg van het begrip arbeidsrelatie in het overige recht van de Unie: iedere onderdaan van een derde land die tot het grondgebied van een lidstaat is toegelaten, aldaar legaal verblijft en er, in het kader van een arbeidsrelatie in loondienst, mag werken overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht of de nationale praktijk.

(20)

Alle onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven en werken, moeten ten minste een gemeenschappelijk pakket rechten gebaseerd op gelijke behandeling hebben met de onderdanen van hun gastlidstaat, ongeacht het oorspronkelijke doel van de toelating of de oorspronkelijke toelatingsgrond. Het recht op gelijke behandeling op de in deze richtlijn genoemde gebieden moet niet alleen worden verleend aan die onderdanen van derde landen die in een lidstaat zijn toegelaten om er te werken, maar ook aan diegenen die voor andere doeleinden zijn toegelaten en aan wie toegang tot de arbeidsmarkt van die lidstaat is verleend overeenkomstig andere bepalingen uit het recht van de Unie of het nationale recht, met inbegrip van de gezinsleden van werknemers uit derde landen die tot de lidstaat zijn toegelaten overeenkomstig Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (9), van onderdanen van derde landen die tot het grondgebied van een lidstaat zijn toegelaten overeenkomstig Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk (10), en van onderzoekers die zijn toegelaten overeenkomstig Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (11).

(21)

Het recht op gelijke behandeling op bepaalde gebieden dient strikt gekoppeld te zijn aan het legale verblijf van de onderdaan van een derde land en aan de tot de arbeidsmarkt van een bepaalde lidstaat verleende toegang, die worden vastgelegd in de gecombineerde verblijfs- en werkvergunning, en in voor andere doeleinden verstrekte verblijfsvergunningen die de informatie inzake de vergunning tot het verrichten van arbeid bevatten.

(22)

De arbeidsvoorwaarden als bedoeld in deze richtlijn moeten ten minste salaris, ontslag, gezondheid en veiligheid op het werk, arbeidstijden en een verlofregeling omvatten, met inachtneming van de geldende collectieve arbeidsovereenkomsten.

(23)

De lidstaten moeten beroepskwalificaties die door onderdanen van derde landen in een andere lidstaat zijn verworven, erkennen op dezelfde wijze als die van burgers van de Unie en moeten rekening houden met in een derde land verworven kwalificaties overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (12). Het recht van werknemers uit derde landen op gelijke behandeling voor wat betreft de erkenning van diploma’s, certificaten en andere beroepskwalificaties overeenkomstig de van toepassing zijnde nationale procedures mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om dergelijke werknemers uit derde landen toe te laten tot hun arbeidsmarkt.

(24)

Werknemers uit derde landen dienen op het gebied van sociale zekerheid op dezelfde manier te worden behandeld als nationale onderdanen. De takken van de sociale zekerheid worden gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (13). De bepalingen inzake gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid die in deze richtlijn zijn opgenomen, moeten ook gelden voor werknemers die rechtreeks vanuit een derde land tot een lidstaat zijn toegelaten. Niettemin mag deze richtlijn aan werknemers uit derde landen niet meer rechten toekennen dan die welke krachtens het bestaande recht van de Unie op het gebied van de sociale zekerheid reeds gelden voor onderdanen van derde landen die zich in een grensoverschrijdende situatie bevinden. Voorts mag deze richtlijn geen rechten verlenen met betrekking tot situaties die niet onder het recht van de Unie vallen, zoals met betrekking tot gezinsleden die in een derde land verblijven. Aan de onderhavige richtlijn zouden door gezinsleden alleen rechten mogen worden ontleend indien dezen zich bij de werknemer uit een derde land voegen om in een lidstaat te verblijven in het kader van gezinshereniging of indien de gezinsleden reeds legaal in de betrokken lidstaat verblijven.

(25)

De lidstaten dienen ten minste in te staan voor een gelijke behandeling van die onderdanen van derde landen die in loondienst zijn of die na een minimumperiode in loondienst als werkloos geregistreerd staan. Bij eventuele beperkingen uit hoofde van deze richtlijn op de gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid mag geen inbreuk gemaakt worden op de rechten die zijn toegekend krachtens Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen (14).

(26)

Het recht van de Unie houdt geen beperking in van de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels te organiseren. Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie moet elke lidstaat de voorwaarden vaststellen waaronder socialezekerheidsuitkeringen worden toegekend, alsook de hoogte van deze uitkeringen en de periode gedurende welke zij worden verstrekt. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten de lidstaten evenwel het recht van de Unie naleven.

(27)

De gelijke behandeling van werknemers uit derde landen mag zich niet uitstrekken tot maatregelen op het gebied van beroepsopleidingen die gefinancierd worden in het kader van socialebijstandsregelingen.

(28)

Bij de toepassing van deze richtlijn mag geen inbreuk worden gemaakt op voor de betrokkene gunstigere bepalingen in het recht van de Unie en in de toepasselijke internationale instrumenten.

(29)

De lidstaten dienen de bepalingen van deze richtlijn toe te passen zonder onderscheid te maken naar geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in het bijzonder overeenkomstig Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (15) en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (16).

(30)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het bepalen van één enkele aanvraagprocedure voor de verstrekking van een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te werken alsmede een gemeenschappelijk pakket rechten van werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(31)

Deze richtlijn neemt de grondrechten in acht en is in overeenstemming met de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in overeenstemming met artikel 6, lid 1, VEU.

(32)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken van 28 september 2011, hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(33)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van genoemd protocol, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in het Verenigd Koninkrijk en Ierland.

(34)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn bepaalt:

a)

één enkele aanvraagprocedure voor het verstrekken van een gecombineerde vergunning aan onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven met het oog op werk, teneinde de procedures in verband met hun toelating te vereenvoudigen en de controle van hun status gemakkelijker te maken; en

b)

een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, ongeacht de doeleinden waarvoor zij oorspronkelijk tot het grondgebied van die lidstaat waren toegelaten, gebaseerd op gelijke behandeling ten opzichte van de onderdanen van deze lidstaat.

2.   Deze richtlijn laat de bevoegdheden van de lidstaten ten aanzien van het toelaten van onderdanen van derde landen tot hun arbeidsmarkt, onverlet.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „onderdaan van een derde land”: eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 20, lid 1, VWEU;

b)   „werknemer uit een derde land”: een onderdaan van een derde land die tot het grondgebied van een lidstaat is toegelaten, aldaar legaal verblijft en er, in het kader van een arbeidsrelatie in loondienst, mag werken overeenkomstig het nationale recht of de nationale praktijk;

c)   „gecombineerde vergunning”: een door de autoriteiten van een lidstaat aan een onderdaan van een derde land verstrekte verblijfsvergunning om legaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat te verblijven met het oog op werk;

d)   „één enkele aanvraagprocedure”: procedure die op grond van één enkele aanvraag van een onderdaan van een derde land of van diens werkgever, om op het grondgebied van een lidstaat te mogen verblijven en te werken, tot een besluit over deze aanvraag van een gecombineerde vergunning leidt.

Artikel 3

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

onderdanen van derde landen die verzoeken te mogen verblijven in een lidstaat met het oog op werk;

b)

onderdanen van derde landen die overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht zijn toegelaten tot een lidstaat voor andere doeleinden dan werk, die mogen werken en die beschikken over een verblijfsvergunning overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002; en

c)

onderdanen van derde landen die overeenkomstig het recht van de Unie of het nationale recht zijn toegelaten tot een lidstaat met het oog op werk.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op onderdanen van derde landen:

a)

die gezinsleden zijn van burgers van de Unie die hun recht van vrij verkeer binnen de Unie uitoefenen of hebben uitgeoefend overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (17);

b)

die, evenals hun gezinsleden en ongeacht hun nationaliteit, krachtens overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, of de Unie en derde landen, anderzijds, rechten van vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn aan die van de burgers van de Unie;

c)

die ter beschikking zijn gesteld, voor de duur van de terbeschikkingstelling;

d)

die als binnen een onderneming overgeplaatste personen toelating tot het grondgebied van een lidstaat hebben aangevraagd of verkregen;

e)

die als seizoenwerkers of au pair toelating tot het grondgebied van een lidstaat hebben aangevraagd of verkregen;

f)

die in een lidstaat mogen verblijven op basis van tijdelijke bescherming of die een aanvraag hebben ingediend om aldaar op die basis te mogen verblijven en in afwachting zijn van een besluit over hun status;

g)

die krachtens Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (18), internationale bescherming genieten of die krachtens die richtlijn een aanvraag hebben ingediend voor internationale bescherming en over wier verzoek nog geen definitief besluit is genomen;

h)

die internationale bescherming genieten overeenkomstig het nationale recht, internationale verplichtingen of de rechtspraktijk van een lidstaat, of die een aanvraag hebben ingediend voor bescherming overeenkomstig het nationale recht, internationale verplichtingen of rechtspraktijk van een lidstaat en over wier verzoek nog geen definitief besluit is genomen;

i)

die langdurig ingezetene zijn overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG;

j)

wier verwijdering op feitelijke of juridische gronden is opgeschort;

k)

die toelating tot het grondgebied van een lidstaat als zelfstandige hebben aangevraagd of verkregen;

l)

die als zeevarende toelating hebben aangevraagd of verkregen, of in enige functie werken op een schip dat in een lidstaat geregistreerd is of dat de vlag van een lidstaat voert.

3.   De lidstaten mogen besluiten dat hoofdstuk II niet van toepassing is op onderdanen van derde landen die toestemming hebben gekregen om voor een periode van ten hoogste zes maanden op het grondgebied van een lidstaat te werken dan wel voor studiedoeleinden tot een lidstaat zijn toegelaten.

4.   Hoofdstuk II is niet van toepassing op onderdanen van derde landen die op basis van een visum toestemming hebben om te werken.

HOOFDSTUK II

EÉN ENKELE AANVRAAGPROCEDURE EN EEN GECOMBINEERDE VERGUNNING

Artikel 4

Eén enkele aanvraagprocedure

1.   Een aanvraag tot verstrekking, wijziging of verlenging van een gecombineerde vergunning wordt via één enkele aanvraagprocedure ingediend. De lidstaten bepalen of aanvragen voor een gecombineerde vergunning moeten worden ingediend door de onderdaan van een derde land of door diens werkgever. De lidstaten kunnen ook besluiten dat een aanvraag naar keuze door een van beide kan worden gedaan. Indien de aanvraag door de onderdaan van een derde land moet worden gedaan, staan de lidstaten toe dat de aanvraag vanuit een derde land wordt ingediend, of, indien het nationale recht daarin voorzien, vanaf het grondgebied van de lidstaat waar de onderdaan van een derde land legaal aanwezig is.

2.   De lidstaten onderzoeken een aanvraag ingediend krachtens lid 1 en nemen een besluit tot verstrekking, wijziging of verlenging van de gecombineerde vergunning indien de aanvrager aan de in het recht van de Unie of het nationale recht vastgelegde voorwaarden voldoet. Een besluit tot verstrekking, wijziging of verlenging van een gecombineerde vergunning vormt één enkele administratieve handeling die zowel een verblijfsvergunning als een arbeidsvergunning behelst.

3.   De enkele aanvraagprocedure laat de visumprocedure die voor een eerste binnenkomst vereist kan zijn, onverlet.

4.   Na de inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsbepalingen verstrekken de lidstaten, wanneer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, een gecombineerde vergunning aan de onderdanen van derde landen die een aanvraag om toelating hebben ingediend en aan de reeds toegelaten onderdanen van derde landen die een aanvraag hebben ingediend om hun verblijfsvergunning te verlengen of te wijzigen.

Artikel 5

Bevoegde instantie

1.   De lidstaten wijzen de instantie aan die bevoegd is om de aanvraag in ontvangst te nemen en de gecombineerde vergunning te verstrekken.

2.   De bevoegde instantie neemt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier maanden na de datum van indiening van de aanvraag, een besluit over de volledige aanvraag.

In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, kan de in de eerste alinea genoemde tijdslimiet worden verlengd.

Indien binnen de in dit lid bepaalde tijdslimiet geen besluit is genomen, bepaalt het nationale recht welke gevolgen het uitblijven van een besluit heeft.

3.   Het besluit wordt door de bevoegde instantie schriftelijk ter kennis van de aanvrager gebracht overeenkomstig de kennisgevingsprocedures van het toepasselijke nationale recht.

4.   Indien de gegevens of documenten die de aanvraag staven, volgens de criteria van de het nationale recht onvolledig zijn, deelt de bevoegde instantie de aanvrager schriftelijk mee welke aanvullende gegevens of documenten vereist zijn en stelt hij een redelijke termijn vast om ze te overleggen. De in lid 2 genoemde tijdslimiet wordt opgeschort totdat de bevoegde instantie of andere relevante instanties de vereiste aanvullende informatie hebben ontvangen. Indien de aanvullende gegevens of documenten niet binnen de gestelde termijn worden overgelegd, kan de bevoegde instantie de aanvraag afwijzen.

Artikel 6

Gecombineerde vergunning

1.   De door de lidstaten verstrekte gecombineerde vergunning beantwoordt aan het uniforme model dat is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1030/2002 en bevat de gegevens in verband met de vergunning tot het verrichten van arbeid overeenkomstig punt a), onder 7.5-9, van de bijlage daarbij.

De lidstaten kunnen aanvullende informatie opnemen in verband met de arbeidsrelatie van de onderdaan van een derde land (zoals naam en adres van de werkgever, de plaats van de tewerkstelling, de aard van het werk, de werkuren, loon); dit kan op papier dan wel in een elektronisch formaat, als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1030/2002 en in punt a), onder 16, van de bijlage daarbij.

2.   Bij de verstrekking van de gecombineerde vergunning geven de lidstaten geen aanvullende vergunningen af als bewijs van het feit dat toegang is verleend tot de arbeidsmarkt.

Artikel 7

Voor andere doeleinden dan werk verstrekte verblijfsvergunningen

1.   Wanneer de lidstaten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002 een verblijfsvergunning verstrekken, vermelden zij de gegevens die verband houden met de vergunning tot het verrichten van arbeid, ongeacht het type vergunning.

De lidstaten kunnen aanvullende informatie opnemen in verband met de arbeidsrelatie van de onderdaan van een derde land (zoals naam en adres van de werkgever, de plaats van de tewerkstelling, de aard van het werk, de werkuren, het loon); dit kan op papier dan wel in een elektronisch formaat, als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1030/2002 en in punt a), onder 16, van de bijlage daarbij.

2.   Wanneer de lidstaten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002 een verblijfsvergunning verstrekken, geven zij geen aanvullende vergunningen af als bewijs van het feit dat toegang is verleend tot de arbeidsmarkt.

Artikel 8

Procedurele waarborgen

1.   Beslissingen tot afwijzing van een aanvraag tot verstrekking, wijziging of verlenging van een gecombineerde vergunning, of beslissingen tot intrekking van een gecombineerde vergunning op grond van in het recht van de Unie of het nationale recht bepaalde criteria, worden in de schriftelijke kennisgeving gemotiveerd.

2.   Beslissingen tot afwijzing van een aanvraag tot verstrekking, wijziging, verlenging of tot intrekking van een gecombineerde vergunning kunnen in de betrokken lidstaat langs juridische weg worden aangevochten, overeenkomstig het nationale recht. In de in lid 1 bedoelde schriftelijke kennisgeving wordt vermeld bij welke rechtbank of administratieve instantie de betrokkene in beroep kan gaan en welke tijdslimiet daarvoor staat.

3.   Een aanvraag kan als niet-ontvankelijk worden beschouwd op grond van toelatingsquota voor onderdanen van derde landen die willen komen werken en behoeft, op die grond, niet te worden behandeld.

Artikel 9

Toegang tot informatie

De lidstaten verstrekken de onderdaan van een derde land en diens toekomstige werkgever desgevraagd adequate informatie over de documenten die zij nodig hebben om een volledige aanvraag te kunnen indienen.

Artikel 10

Vergoedingen

De lidstaten kunnen in voorkomend geval van de aanvragers vergoedingen verlangen voor de behandeling van hun aanvraag overeenkomstig deze richtlijn. De hoogte van dergelijke vergoedingen is evenredig en kan gebaseerd worden op de feitelijke diensten die voor de verwerking van de aanvraag en de verstrekking van de vergunning werden geleverd.

Artikel 11

Rechten op grond van de gecombineerde vergunning

Wanneer een gecombineerde vergunning is verstrekt overeenkomstig het nationale recht heeft de houder gedurende de geldigheidsduur daarvan ten minste recht op:

a)

toegang tot en verblijf op het grondgebied van de lidstaat die de gecombineerde vergunning verstrekt, mits de houder voldoet aan alle voorwaarden voor toelating overeenkomstig het nationale recht;

b)

vrije toegang tot het hele grondgebied van de lidstaat die de gecombineerde vergunning verstrekt, binnen de beperkingen die door het nationale recht worden opgelegd;

c)

het verrichten van de specifieke loondienstwerkzaamheden die zijn toegestaan krachtens de gecombineerde vergunning overeenkomstig het nationale recht;

d)

informatie over de aan de vergunning verbonden rechten van de houder die door deze richtlijn en/of door het nationale recht zijn toegekend.

HOOFDSTUK III

RECHT OP GELIJKE BEHANDELING

Artikel 12

Recht op gelijke behandeling

1.   Werknemers uit derde landen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b) en c), worden in de lidstaten waar zij verblijven op dezelfde manier behandeld als nationale onderdanen, op het vlak van:

a)

arbeidsvoorwaarden, zoals salaris, ontslag en veiligheid en gezondheid op het werk;

b)

vrijheid van vereniging en aansluiting bij en lidmaatschap van een werkgevers- of werknemersorganisatie, of een andere organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, met inbegrip van de door dergelijke organisaties verschafte voordelen, zonder dat wordt geraakt aan de nationale bepalingen inzake openbare orde en openbare veiligheid;

c)

onderwijs en beroepsopleiding;

d)

erkenning van diploma’s, certificaten en andere beroepskwalificaties, overeenkomstig de geldende nationale procedures;

e)

de takken van de sociale zekerheid als omschreven in Verordening (EG) nr. 883/2004;

f)

belastingvoordelen, voor zover de werknemer geacht wordt in de betrokken lidstaat zijn fiscale woonplaats te hebben;

g)

toegang tot goederen en diensten, en de levering van voor het publiek beschikbare goederen en diensten, waaronder procedures voor het verkrijgen van huisvesting overeenkomstig het nationale recht, zonder afbreuk te doen aan de vrijheid om contracten af te sluiten overeenkomstig het recht van de Unie en het nationale recht;

h)

door arbeidsbureaus verleende adviesdiensten.

2.   De lidstaten mogen beperkingen stellen aan de gelijke behandeling:

a)

in lid 1, onder c), door:

i)

de toepassing daarvan te beperken tot werknemers uit een derde land die in loondienst zijn of in loondienst geweest zijn en die als werkloos geregistreerd staan;

ii)

die werknemers uit derde landen uit te sluiten die tot hun grondgebied zijn toegelaten overeenkomstig Richtlijn 2004/114/EG;

iii)

studie- en onderhoudstoelagen en -leningen of andere toelagen en leningen uit te sluiten;

iv)

voor toegang tot universitair en postsecundair onderwijs en tot beroepsopleidingen die niet rechtstreeks met de specifieke beroepsactiviteit verband houden, specifieke eisen te stellen onder andere ten aanzien van talenkennis en de betaling van school- of collegegeld, overeenkomstig het nationale recht;

b)

door de rechten die in lid 1, onder e), aan werknemers uit derde landen worden toegekend, te beperken, waarbij zij deze rechten evenwel niet mogen beperken voor werknemers uit derde landen die in loondienst zijn of ten minste gedurende zes maanden in loondienst zijn geweest en die als werkloos geregistreerd staan.

Tevens kunnen de lidstaten besluiten dat lid 1, onder e), waar het om gezinsbijslagen gaat, niet van toepassing is op onderdanen van derde landen die toestemming hebben voor een periode van ten hoogste zes maanden op hun grondgebied te werken, op onderdanen van derde landen die voor studiedoeleinden zijn toegelaten en op onderdanen van derde landen die mogen werken omdat ze een visum bezitten;

c)

in lid 1, onder f), ten aanzien van belastingvoordelen, door de toepassing daarvan te beperken tot gevallen waarin de officiële of gebruikelijke woonplaats van de gezinsleden van de werknemer uit een derde land voor wie deze op uitkeringen aanspraak maakt, op het grondgebied van de betrokken lidstaat gelegen is;

d)

in lid 1, onder g), door:

i)

de toepassing ervan te beperken tot werknemers uit derde landen die in loondienst zijn;

ii)

de toegang tot huisvesting te beperken.

3.   Het bij lid 1 vastgestelde recht van gelijke behandeling doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaat om de op grond van deze richtlijn verstrekte verblijfsvergunning, de voor andere doeleinden dan werk verstrekte verblijfsvergunning of enige andere vergunning om in een lidstaat arbeid te verrichten, in te trekken of niet te verlengen.

4.   Werknemers uit derde landen die naar een derde land verhuizen, of hun nagelaten betrekkingen die in een derde land wonen en rechten aan die werknemers ontlenen, ontvangen onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde tarieven als onderdanen van de betrokken lidstaten wanneer die naar een derde land verhuizen, bij ouderdom, invaliditeit of overlijden wettelijke prestaties, gebaseerd op de vroegere arbeid van de werknemer en verworven overeenkomstig de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004 bedoelde wetgeving.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Gunstiger bepalingen

1.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan gunstiger bepalingen van:

a)

het recht van de Unie, met inbegrip van bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen de Unie of de Unie en haar lidstaten enerzijds, en een of meer derde landen anderzijds; en

b)

bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen een of meer lidstaten en een of meer derde landen.

2.   Deze richtlijn laat onverlet dat de lidstaten bepalingen kunnen invoeren of handhaven die gunstiger zijn voor de personen die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen.

Artikel 14

Informatie aan het publiek

Iedere lidstaat stelt aan het publiek regelmatig bijgewerkte informatie ter beschikking betreffende de voorwaarden voor de toelating en het verblijf van onderdanen van derde landen tot, respectievelijk op, zijn grondgebied met het oog op werk.

Artikel 15

Verslaglegging

1.   De Commissie brengt op gezette tijden, en voor het eerst uiterlijk op 25 december 2016, aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten en stelt, in voorkomend geval, de wijzigingen voor die zij noodzakelijk acht.

2.   Jaarlijks, en de eerste maal uiterlijk op 25 december 2014, verstrekken de lidstaten met inachtneming van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming (19), aan de Commissie statistische gegevens met betrekking tot de aantallen werknemers uit derde landen aan wie gedurende het afgelopen kalenderjaar een gecombineerde vergunning is verstrekt.

Artikel 16

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 25 december 2013 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar de onderhavige richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 18

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 13 december 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

M. SZPUNAR


(1)  PB C 27 van 3.2.2009, blz. 114.

(2)  PB C 257 van 9.10.2008, blz. 20.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 24 maart 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 24 november 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 13 december 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1.

(5)  PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.

(6)  PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1.

(7)  PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.

(8)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

(9)  PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12.

(10)  PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12.

(11)  PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15.

(12)  PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.

(13)  PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(14)  PB L 344 van 29.12.2010, blz. 1.

(15)  PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(16)  PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(17)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.

(18)  PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.

(19)  PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1375/2011 VAN DE RAAD

van 22 december 2011

tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2011 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 687/2011 van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (1), en met name artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 18 juli 2011 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 687/2011 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 (2) vastgesteld waarbij een bijgewerkte lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 van toepassing is, wordt vastgesteld.

(2)

De Raad heeft aan alle personen, groepen en entiteiten waarvoor dit praktisch mogelijk was een motivering verstrekt, waarin wordt toegelicht waarom zij in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 687/2011 zijn opgenomen.

(3)

Via een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte kennisgeving (3) heeft de Raad aan de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 687/2011 opgenomen personen, groepen en entiteiten meegedeeld dat hij besloten heeft hen op de lijst te handhaven. Tevens heeft hij de betrokken personen, groepen en entiteiten meegedeeld dat het mogelijk is de Raad om de motivering voor hun plaatsing op de lijst te verzoeken voor zover deze niet reeds aan hen is meegedeeld. Voor enkele personen en groepen is een gewijzigde motivering beschikbaar gesteld.

(4)

De Raad heeft een volledige evaluatie verricht van de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 van toepassing is, hetgeen ingevolge artikel 2, lid 3, van die verordening vereist is. Daarbij heeft hij rekening gehouden met de opmerkingen die door betrokkenen aan de Raad zijn voorgelegd.

(5)

De Raad heeft vastgesteld dat de in de bijlage bij deze verordening genoemde personen, groepen en entiteiten betrokken zijn geweest bij terroristische daden in de zin van artikel 1, leden 2 en 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (4), dat ten aanzien van hen een beslissing is genomen door een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt, en dat zij onderworpen moeten blijven aan de in Verordening (EG) nr. 2580/2001 vastgestelde specifieke beperkende maatregelen.

(6)

De lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 van toepassing is, moet dienovereenkomstig worden bijgewerkt en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 687/2011 moet worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 bedoelde lijst wordt vervangen door de lijst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 687/2011 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. DOWGIELEWICZ


(1)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.

(2)  PB L 188 van 19.7.2011, blz. 2.

(3)  PB C 212 van 19.7.2011, blz. 20.

(4)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.


BIJLAGE

Lijst van personen, groepen en entiteiten als bedoeld in artikel 1

1.   PERSONEN

1.

ABDOLLAHI Hamed (alias Mustafa Abdullahi), geboren op 11.8.1960 in Iran. Paspoort: D9004878

2.

ABOU, Rabah Naami (alias Naami Hamza, alias Mihoubi Faycal, alias Fellah Ahmed, alias Dafri Rèmi Lahdi), geboren op 1.2.1966 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

3.

ABOUD, Maisi (alias de Zwitserse Abderrahmane), geboren op 17.10.1964 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

4.

AL-NASSER, Abdelkarim Hussein Mohamed, geboren in Al Ihsa, Saudi-Arabië; Saudisch onderdaan

5.

AL YACOUB, Ibrahim Salih Mohammed, geboren op 16.10.1966 in Tarut, Saudi Arabië; Saudisch onderdaan

6.

ARBABSIAR Manssor (alias Mansour Arbabsiar), geboren op 6.3.1955 of 15.3.1955 in Iran. Iraans en Amerikaans onderdaan. Paspoort: C2002515 (Iran); Paspoort: 477845448 (VS); nationaal identiteitsbewijs nr.: 07442833, geldig tot 15.3.2016 (VS-rijbewijs)

7.

ARIOUA, Kamel (alias Lamine Kamel), geboren op 18.8.1969 in Constantine (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

8.

ASLI, Mohamed (alias Dahmane Mohamed), geboren op 13.5.1975 in Ain Taya (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

9.

ASLI, Rabah, geboren op 13.5.1975 in Ain Taya (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

10.

BOUYERI, Mohamed (alias Abu ZUBAIR, alias SOBIAR, alias Abu ZOUBAIR), geboren op 8.3.1978 in Amsterdam (Nederland) (lid van de Hofstadgroep)

11.

DARIB, Noureddine (alias Carreto, alias Zitoun Mourad), geboren op 1.2.1972 in Algerije (lid van al-Takfir en al-Hijra)

12.

DJABALI, Abderrahmane (alias Touil), geboren op 1.6.1970 in Algerije (lid van al Takfir en al-Hijra)

13.

FAHAS, Sofiane Yacine, geboren op 10.9.1971 in Algiers, Algerije (lid van al Takfir en al-Hijra)

14.

IZZ-AL-DIN, Hasan (alias GARBAYA, Ahmed; alias SA-ID; alias SALWWAN, Samir), Libanon, geboren in 1963 in Libanon, Libanees onderdaan

15.

MOHAMMED, Khalid Shaikh (alias ALI, Salem; alias BIN KHALID, Fahd Bin Adballah; alias HENIN, Ashraf Refaat Nabith; alias WADOOD, Khalid Adbul) geboren op 14.4.1965 of 1.3.1964 in Pakistan, paspoort nr. 488555

16.

MOKTARI, Fateh (alias Ferdi Omar), geboren op 26.12.1974 in Hussein Dey (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

17.

NOUARA, Farid, geboren op 25.11.1973 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al Hijra)

18.

RESSOUS, Hoari (alias Hallasa Farid), geboren op 11.9.1968 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

19.

SEDKAOUI, Noureddine (alias Nounou), geboren op 23.6.1963 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

20.

SELMANI, Abdelghani (alias Gano), geboren op 14.6.1974 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

21.

SENOUCI, Sofiane, geboren op 15.4.1971 in Hussein Dey (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

22.

SHAHLAI Abdul Reza (alias Abdol Reza Shala'i, alias Abd-al Reza Shalai, alias Abdorreza Shahlai, alias Abdolreza Shahla'i, alias Abdul-Reza Shahlaee, alias.Hajj Yusef, alias Haji Yusif, alias Hajji Yasir, alias Hajji Yusif, alias Yusuf Abu-al-Karkh), geboren rond 1957 in Iran; adressen: (1) Kermanshah, Iran, (2) Legerbasis Mehran, provincie Ilam, Iran

23.

SHAKURI Ali Gholam, geboren rond 1965 in Teheran, Iran

24.

SOLEIMANI Qasem (alias Ghasem Soleymani, alias Qasmi Sulayman, alias Qasem Soleymani, alias Qasem Solaimani, alias Qasem Salimani, alias Qasem Solemani, alias Qasem Sulaimani, alias Qasem Sulemani), geboren op 11.3.1957 in Iran; Iraans onderdaan; paspoort: 008827 (Iraans diplomatiek p aspoort), afgegeven in 1999, titel: generaal-majoor.

25.

TINGUALI, Mohammed (alias Mouh di Kouba), geboren op 21.4.1964 in Blida (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

26.

WALTERS, Jason Theodore James (alias Abdullah, alias David), geboren op 6.3.1985 in Amersfoort (Nederland), (Nederlands) paspoort nr. NE8146378 (lid van de Hofstadgroep)

2.   GROEPEN EN ENTITEITEN

1.

Abu Nidal Organisation (ANO), (alias Fatah Revolutionaire Raad, alias Arabische Revolutionaire Brigades, alias Zwarte September, alias Revolutionaire Organisatie van Socialistische Moslims)

2.

Al-Aqsa Martelarenbrigades

3.

Al-Aqsa e.V.

4.

Al-Takfir en al-Hijra

5.

Babbar Khalsa

6.

Communist Party of the Philippines, inclusief New People's Army (NPA), Filipijnen

7.

Gama'a al-Islamiyya (Islamitische Groep), (alias Al-Gama'a al-Islamiyya, IG)

8.

İslami Büyük Doğu Akıncılar Cephesi - Great Islamic Eastern Warriors Front (IBDA C)

9.

Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem)

10.

Hizbul Mujahideen (HM)

11.

Hofstadgroep

12.

Holy Land Foundation for Relief and Development

13.

International Sikh Youth Federation (ISYF)

14.

Khalisan Zindabad Force (KZF)

15.

Koerdische Arbeiderspartij (PKK), (alias KADEK; alias KONGRA-GEL)

16.

Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam — LTTE

17.

Ejército de Liberación Nacional (Nationaal Bevrijdingsleger)

18.

Palestinian Islamic Jihad (PIJ) (Palestijnse Islamitische Jihad)

19.

Popular Front for the Liberation of Palestina (PFLP) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina)

20.

Popular Front for the Liberation of Palestine - General Command (alias PFLP-General Command) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina -Algemeen Commando)

21.

Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC) (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia)

22.

Devrimci Halk Kurtuluș Partisi-Cephesi (DHKP/C) (Revolutionair Volksbevrijdingsleger/front/partij) (alias Devrimci Sol (Revolutionair Links), Dev Sol)

23.

Sendero Luminoso (SL) (Lichtend Pad)

24.

Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland)

25.

Teyrbazen Azadiya Kurdistan (TAK) (alias Kurdistan Freedom Falcons (Koerdische Vrijheidsvalken); alias Kurdistan Freedom Hawks (Koerdische Vrijheidshaviken)


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1376/2011 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Mongeta del Ganxet (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Spanje ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Mongeta del Ganxet” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 124 van 27.4.2011, blz. 16.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

SPANJE

Mongeta del Ganxet (BOB)


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1377/2011 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Salva Cremasco (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de aanvraag van Italië tot registratie van de naam „Salva Cremasco” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 124 van 27.4.2011, blz. 20.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

ITALIË

Salva Cremasco (BOB)


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/18


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1378/2011 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2011

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Rheinisches Apfelkraut (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Duitsland ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Rheinisches Apfelkraut” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie  (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB C 129 van 30.4.2011, blz. 23.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

DUITSLAND

Rheinisches Apfelkraut (BGA)


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/20


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1379/2011 VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2011

houdende wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 382/2008, (EU) nr. 1178/2010 en (EU) nr. 90/2011, wat betreft de GN-codes en de productcodes van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties in de sectoren rundvlees, eieren en slachtpluimvee

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 134, artikel 161, lid 3, artikel 170 en artikel 192, lid 2, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 382/2008 (2), (EU) nr. 1178/2010 (3) en (EU) nr. 90/2011 (4) van de Commissie zijn regels vastgesteld voor het stelsel van uitvoercertificaten voor uitvoerrestituties in respectievelijk de sectoren rundvlees, eieren en slachtpluimvee. Die verordeningen verwijzen naar GN-codes en productcodes van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties waarvoor al dan niet een uitvoercertificaat moet worden overgelegd wanneer een uitvoerrestitutie wordt gevraagd.

(2)

Bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (5) is gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1006/2011 van de Commissie (6).

(3)

Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie van 17 december 1987 tot vaststelling van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (7) is gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1334/2011 van de Commissie (8).

(4)

Daarom moeten de GN-codes en productcodes die worden gebruikt in de Verordeningen (EG) nr. 382/2008, (EU) nr. 1178/2010 en (EU) nr. 90/2011, worden aangepast aan de codes die worden gebruikt in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1006/2011, en in Verordening (EEG) nr. 3846/87, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1334/2011.

(5)

In Verordening (EG) nr. 382/2008 worden ook GN-codes gebruikt in het kader van invoercertificaten. Om te zorgen voor samenhang moeten die codes ook worden gewijzigd.

(6)

De Verordeningen (EG) nr. 382/2008, (EU) nr. 1178/2010 en (EU) nr. 90/2011 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 382/2008 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2, lid 2, worden de woorden „de GN-codes 0102 90 05 tot 0102 90 49” vervangen door „de GN-codes 0102 29 10 tot 0102 29 49, ex 0102 39 10 met een gewicht van niet meer dan 300 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van niet meer dan 300 kg”.

2)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1, onder a), worden de woorden „GN-code 0102 10” vervangen door „de GN-codes 0102 21, 0102 31 00 en 0102 90 20” en worden de woorden „de GN-codes 0102 90 en ex 1602” vervangen door „de GN-codes 0102 29, 0102 39 10, 0102 90 91 en ex 1602”;

b)

in lid 2, onder a), worden de woorden „GN-code 0102 10” vervangen door „de GN-codes 0102 21, 0102 31 00 en 0102 90 20”;

c)

in lid 3 worden de woorden „GN-code 0102 10” vervangen door „de GN-codes 0102 21, 0102 31 00 en 0102 90 20”.

3)

Bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij de onderhavige verordening.

4)

In bijlage V wordt de eerste groep productcategorieën vervangen door:

„Productcategorie

GN-code

110

0102 29 10, ex 0102 39 10 met een gewicht van niet meer dan 80 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van niet meer dan 80 kg

120

0102 29 21 en 0102 29 29, ex 0102 39 10 met een gewicht van meer dan 80 kg maar niet meer dan 160 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van meer dan 80 kg maar niet meer dan 160 kg

130

0102 29 41 en 0102 29 49, ex 0102 39 10 met een gewicht van meer dan 160 kg maar niet meer dan 300 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van meer dan 160 kg maar niet meer dan 300 kg

140

0102 29 51 tot 0102 29 99, ex 0102 39 10 met een gewicht van meer dan 300 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van meer dan 300 kg”.

5)

In bijlage VI wordt de eerste groep productcategorieën vervangen door:

„Categorie

Productcode

011

0102 21 10 9140, 0102 21 30 9140, 0102 31 00 9100, 0102 90 20 9100, 0102 31 00 9200 en 0102 90 20 9200

021

0102 21 10 9150, 0102 21 30 9150, 0102 21 90 9120, 0102 31 00 9150, 0102 31 00 9250, 0102 31 00 9300, 0102 90 20 9150, 0102 90 20 9250 en 0102 90 20 9300

031

0102 29 91 9000, 0102 39 10 9350 en 0102 90 91 9350

041

0102 29 41 9100, 0102 29 51 9000, 0102 29 59 9000, 0102 29 61 9000, 0102 29 69 9000, 0102 29 99 9000, 0102 39 10 9100, 0102 39 10 9150, 0102 39 10 9200, 0102 39 10 9250, 0102 39 10 9400, 0102 90 91 9100, 0102 90 91 9150, 0102 90 91 9200, 0102 90 91 9250, 0102 90 91 9300 en 0102 90 91 9400”.

Artikel 2

Verordening (EU) nr. 1178/2010 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 worden de woorden „de GN-codes 0407 00 11 en 0407 00 19” vervangen door „de GN-codes 0407 11 00, 0407 19 11 en 0407 19 19”.

2)

In artikel 8, lid 1, worden de woorden „de GN-codes 0407 00 11 en 0407 00 19” vervangen door „de GN-codes 0407 11 00, 0407 19 11 en 0407 19 19”.

3)

Bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij de onderhavige verordening.

Artikel 3

Verordening (EU) nr. 90/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 1 worden de woorden „de GN-codes 0105 11, 0105 12 en 0105 19” vervangen door „de GN-codes 0105 11, 0105 12 00, 0105 13 00, 0105 14 00 en 0105 15 00”.

2)

In artikel 8, lid 1, worden de woorden „de GN-codes 0105 11, 0105 12 en 0105 19” vervangen door „de GN-codes 0105 11, 0105 12 00, 0105 13 00, 0105 14 00 en 0105 15 00”.

3)

Bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage III bij de onderhavige verordening.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 20 december 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 115 van 29.4.2008, blz. 10.

(3)  PB L 328 van 14.12.2010, blz. 1.

(4)  PB L 30 van 4.2.2011, blz. 1.

(5)  PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1.

(6)  PB L 282 van 28.10.2011, blz. 1.

(7)  PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1.

(8)  PB L 336 van 20.12.2011, blz. 35.


BIJLAGE I

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 382/2008 wordt als volgt gewijzigd:

„BIJLAGE I

In artikel 5, lid 1, bedoelde lijst

0102 29 10, ex 0102 39 10 met een gewicht van niet meer dan 80 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van niet meer dan 80 kg

0102 29 21, 0102 29 29, ex 0102 39 10 met een gewicht van meer dan 80 kg maar niet meer dan 160 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van meer dan 80 kg maar niet meer dan 160 kg

0102 29 41 tot 0102 29 49, ex 0102 39 10 met een gewicht van meer dan 160 kg maar niet meer dan 300 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van meer dan 160 kg maar niet meer dan 300 kg

0102 29 51 tot 0102 29 99, ex 0102 39 10 met een gewicht van meer dan 300 kg en ex 0102 90 91 met een gewicht van meer dan 300 kg

0201 10 00, 0201 20 20,

0201 20 30,

0201 20 50,

0201 20 90,

0201 30 00, 0206 10 95,

0202 10 00, 0202 20 10,

0202 20 30,

0202 20 50,

0202 20 90,

0202 30 10,

0202 30 50,

0202 30 90,

0206 29 91,

0210 20 10,

0210 20 90, 0210 99 51, 0210 99 90,

1602 50 10, 1602 90 61,

1602 50 31,

1602 50 95,

1602 90 69”.


BIJLAGE II

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1178/2010 wordt als volgt gewijzigd:

„BIJLAGE I

Code van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (1)

Categorie

Bedrag van de zekerheid

(EUR/100 kg nettogewicht)

040719119000

1

040711009000

040719199000

2

040721009000

040729109000

040790109000

3

3 (2)

2 (3)

040811809100

4

10

040819819100

040819899100

5

5

040891809100

6

15

040899809100

7

4


(1)  Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), sector 8.

(2)  Voor de in bijlage V aangegeven bestemmingen.

(3)  Overige bestemmingen.”.


BIJLAGE III

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 90/2011 wordt als volgt gewijzigd:

„BIJLAGE I

Code van de landbouwproductennomenclatuur voor de uitvoerrestituties (1)

Categorie

Bedrag van de zekerheid

(EUR/100 kg nettogewicht)

010511119000

010511199000

010511919000

010511999000

1

010512009000

010514009000

2

020712109900

3

6 (2)

020712909990

6 (3)

020712909190

6 (4)

020725109000

020725909000

5

3

020714209900

020714609900

020714709190

020714709290

6(a) (4)

2

020714209900

020714609900

020714709190

020714709290

6(b) (5)

2

020727109990

7

3

020727609000

020727709000

8

3


(1)  Verordening (EEG) nr. 3846/87 van de Commissie (PB L 366 van 24.12.1987, blz. 1), sector 7.

(2)  Voor de in bijlage VII aangegeven bestemmingen.

(3)  Andere dan de in de bijlagen VII en VIII aangegeven bestemmingen.

(4)  In bijlage VIII aangegeven bestemmingen.

(5)  Andere dan de in bijlage VIII aangegeven bestemmingen.”.


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1380/2011 VAN DE COMMISSIE

van 21 december 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 798/2008 wat betreft de specifieke voorwaarden voor fok- of gebruiksloopvogels

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/158/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (1), en met name artikel 25, lid 1, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 798/2008 van de Commissie van 8 augustus 2008 tot vaststelling van een lijst van derde landen, gebieden, zones of compartimenten waaruit pluimvee en pluimveeproducten mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Gemeenschap, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (2) stelt de specifieke voorwaarden vast die gelden voor de invoer van fok- en gebruikspluimvee, met uitzondering van loopvogels, en de invoer van broedeieren en eendagskuikens, met uitzondering van loopvogels.

(2)

Punt 2 van deel II van die bijlage bepaalt dat, wanneer eendagskuikens niet worden opgefokt in de lidstaat die de broedeieren heeft ingevoerd, zij rechtstreeks naar de eindbestemming moeten worden vervoerd en daar ten minste drie weken na de datum waarop zij zijn uitgekomen, moeten worden gehouden. Dit voorschrift wordt weerspiegeld in deel I van het relevante veterinaire modelcertificaat voor eendagskuikens, als vastgesteld in bijlage IV bij Richtlijn 2009/158/EG.

(3)

Bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 798/2008 stelt de specifieke voorwaarden vast die gelden voor de invoer van fok- en gebruiksloopvogels en broedeieren en eendagskuikens daarvan. Deze specifieke voorwaarden omvatten momenteel geen soortgelijke bepaling voor loopvogels als die welke voor pluimvee is opgenomen in punt 2 van deel II van bijlage VIII bij die verordening.

(4)

Uit de ervaring met de toepassing van die bepaling betreffende pluimvee blijkt dat die ook moet worden uitgebreid tot eendagskuikens van loopvogels.

(5)

Verordening (EG) nr. 798/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wordt in deel II punt 3 vervangen door:

„3.

Uit ingevoerde broedeieren afkomstige loopvogels worden gedurende ten minste drie weken, gerekend vanaf de dag van het uitkomen, gehouden in de broederij dan wel gedurende ten minste drie weken in de inrichting(en) waarnaar de kuikens na het uitkomen zijn verzonden.

Wanneer eendagskuikens van loopvogels niet worden opgefokt in de lidstaat die de broedeieren heeft ingevoerd, worden zij rechtstreeks naar de in de punten I.10 en I.11 van model 2 van het gezondheidscertificaat in bijlage IV bij Richtlijn 2009/158/EG (3) bedoelde eindbestemming vervoerd en daar ten minste drie weken na de datum waarop zij zijn uitgekomen, gehouden.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 februari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 december 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74.

(2)  PB L 226 van 23.8.2008, blz. 1.

(3)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74.”


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/26


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1381/2011 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2011

tot niet-goedkeuring van de werkzame stof chloorpikrine overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van Beschikking 2008/934/EG van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder c), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2) van toepassing — wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft — op werkzame stoffen waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (3). Chloorpikrine is een werkzame stof waarvan de volledigheid is vastgesteld overeenkomstig die verordening.

(2)

Bij de Verordeningen (EG) nr. 451/2000 (4) en (EG) nr. 1490/2002 (5) van de Commissie zijn bepalingen voor de uitvoering van de tweede en derde fase van het in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde werkprogramma vastgesteld en de lijsten opgesteld van werkzame stoffen die moeten worden onderzocht voor eventuele opneming in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Chloorpikrine was in deze lijsten opgenomen.

(3)

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1095/2007 van de Commissie van 20 september 2007 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1490/2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en Verordening (EG) nr. 2229/2004 houdende nadere bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (6) heeft de kennisgever zijn steun voor de opneming van die werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG ingetrokken binnen twee maanden na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1095/2007. Bijgevolg is bij Beschikking 2008/934/EG van de Commissie van 5 december 2008 betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (7), chloorpikrine niet opgenomen.

(4)

Krachtens artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft de oorspronkelijke kennisgever („de aanvrager”) een nieuwe aanvraag ingediend met het verzoek de versnelde procedure toe te passen overeenkomstig de artikelen 14 tot en met 19 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(5)

De aanvraag is ingediend bij Italië, dat bij Verordening (EG) nr. 1490/2002 tot rapporteur-lidstaat is aangewezen. De termijn voor de versnelde procedure is nageleefd. De specificatie van de werkzame stof en de ondersteunde toepassingen zijn dezelfde als voor Beschikking 2008/934/EG. Die aanvraag voldoet ook aan de overige materiële en procedurele voorschriften van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 33/2008.

(6)

Italië heeft de door de aanvrager verstrekte aanvullende gegevens onderzocht en een aanvullend verslag opgesteld. Op 11 maart 2010 heeft Italië dat verslag bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en bij de Commissie ingediend. De EFSA heeft het aanvullende verslag aan de andere lidstaten en de aanvrager toegezonden en de naar aanleiding daarvan ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 en op verzoek van de Commissie heeft de EFSA haar conclusie over de risicobeoordeling van chloorpikrine op 23 februari 2011 aan de Commissie overgelegd (8). Het ontwerpbeoordelingsverslag, het aanvullende verslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 11 oktober 2011 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor chloorpikrine.

(7)

Tijdens de beoordeling van deze werkzame stof zijn problemen vastgesteld. Deze problemen waren met name de volgende. Er is een onaanvaardbaar risico voor toedieners. Een betrouwbare beoordeling van de blootstelling van het grondwater was niet mogelijk aangezien gegevens met betrekking tot de metaboliet dichloornitromethaan en onzuiverheden van de werkzame stof in het product ontbraken. Er waren onvoldoende gegevens beschikbaar om de risico’s voor sedimentbewoners, bijen, aardwormen en niet tot de doelsoorten behorende planten te beoordelen. Er werd een hoog risico voor in het water levende organismen, vogels en zoogdieren vastgesteld. Een betrouwbare beoordeling van de blootstelling van oppervlaktewater en het sediment was niet mogelijk aangezien gegevens voor chloorpikrine en de metaboliet dichloornitromethaan ontbraken. Een betrouwbare beoordeling van blootstellingsconcentraties in de lucht van fosgeen was evenmin mogelijk. Verder werd een aanzienlijk potentieel voor verspreiding door de lucht over langere afstanden vastgesteld.

(8)

De Commissie heeft de aanvrager verzocht zijn opmerkingen over de conclusie van de EFSA in te dienen. Bovendien heeft de Commissie de aanvrager overeenkomstig artikel 21, lid 1, van Verordening (EG) nr. 33/2008 verzocht zijn opmerkingen over het ontwerpevaluatieverslag in te dienen. De aanvrager heeft zijn opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht.

(9)

Ondanks de argumenten van de aanvrager blijven de in overweging 7 vermelde problemen echter bestaan. Bijgevolg is niet aangetoond dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die chloorpikrine bevatten, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden in het algemeen aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen.

(10)

Chloorpikrine mag daarom niet worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

(11)

Om de lidstaten de nodige tijd te geven om vergunningen voor gewasbeschermingsmiddelen die chloorpikrine bevatten in te trekken, dient te worden voorzien in een afwijking van Verordening (EG) nr. 1490/2002.

(12)

Als de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een respijtperiode toekennen voor gewasbeschermingsmiddelen die chloorpikrine bevatten, moet deze periode uiterlijk een jaar na intrekking van de betreffende vergunning verstrijken.

(13)

Deze verordening laat de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor chloorpikrine in te dienen overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 onverlet.

(14)

Duidelijkheidshalve moet in de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG de regel betreffende chloorpikrine worden geschrapt.

(15)

Beschikking 2008/934/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid heeft geen advies uitgebracht. Een uitvoeringshandeling is nodig geacht en de voorzitter heeft de ontwerpuitvoeringshandeling voor verder beraad aan het comité van beroep voorgelegd. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité van beroep,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Niet-goedkeuring van een werkzame stof

De werkzame stof chloorpikrine wordt niet goedgekeurd.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

In afwijking van artikel 12, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1490/2002 zorgen de lidstaten ervoor dat vergunningen voor gewasbeschermingsmiddelen die chloorpikrine bevatten uiterlijk op 23 juni 2012 worden ingetrokken.

Artikel 3

Respijtperiode

Een door de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 toegekende respijtperiode moet zo kort mogelijk zijn en uiterlijk twaalf maanden na de intrekking van de betreffende vergunning aflopen.

Artikel 4

Wijziging van Beschikking 2008/934/EG

In de bijlage bij Beschikking 2008/934/EG wordt de regel betreffende „chloorpikrine” geschrapt.

Artikel 5

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(3)  PB L 15 van 18.1.2008, blz. 5.

(4)  PB L 55 van 29.2.2000, blz. 25.

(5)  PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23.

(6)  PB L 246 van 21.9.2007, blz. 19.

(7)  PB L 333 van 11.12.2008, blz. 11.

(8)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance chloropicrin. EFSA Journal 2011; 9(3):2084. [58 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2011.2084. Online te vinden op: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm.


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/28


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1382/2011 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2011

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 23 december 2011.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

64,0

MA

68,8

TN

96,0

TR

107,7

ZZ

84,1

0707 00 05

EG

170,1

JO

182,1

TR

120,6

ZZ

157,6

0709 90 70

MA

37,6

TR

133,4

ZZ

85,5

0805 10 20

AR

37,9

BR

41,5

CL

30,5

MA

49,0

TR

76,8

ZA

41,5

ZZ

46,2

0805 20 10

MA

80,1

TR

79,7

ZZ

79,9

0805 20 30, 0805 20 50, 0805 20 70, 0805 20 90

IL

76,8

MA

72,3

TR

99,1

ZZ

82,7

0805 50 10

AR

46,9

MA

50,0

TR

52,1

ZZ

49,7

0808 10 80

CA

112,8

CN

99,1

US

113,0

ZA

122,9

ZZ

112,0

0808 20 50

CN

102,1

ZZ

102,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/30


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1383/2011 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2011

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 1 januari 2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EU) nr. 642/2010 van de Commissie van 20 juli 2010 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 19 00, 1001 11 00, ex 1001 91 20 (zachte tarwe, zaaigoed), ex 1001 99 00 (zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed), 1002 10 00, 1002 90 00, 1005 10 90, 1005 90 00, 1007 10 90 en 1007 90 00, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 136, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 1 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 642/2010 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 19 00, 1001 11 00, ex 1001 91 20 (zachte tarwe, zaaigoed), ex 1001 99 00 (zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed), 1002 10 00, 1002 90 00, 1005 10 90, 1005 90 00, 1007 10 90 en 1007 90 00, de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 5 van die verordening.

(4)

Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 1 januari 2012, die van toepassing zullen zijn tot er nogmaals nieuwe invoerrechten worden vastgesteld en in werking treden.

(5)

Omdat ervoor moet worden gezorgd dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de geactualiseerde gegevens van toepassing wordt, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2012, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld op basis van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 187 van 21.7.2010, blz. 5.


BIJLAGE I

Vanaf 1 januari 2012 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 19 00

1001 11 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

ex 1001 91 20

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 99 00

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 10 00

1002 90 00

ROGGE

0,00

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

0,00

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

0,00

1007 10 90

1007 90 00

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

0,00


(1)  Krachtens artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) nr. 642/2010 komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van de invoerrechten met:

3 EUR per ton, indien de loshaven aan de Middellandse Zee (voorbij de Straat van Gibraltar) of de Zwarte Zee ligt en het product via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal wordt aangevoerd,

2 EUR per ton, als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt en het product via de Atlantische Oceaan wordt aangevoerd.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR per ton als aan de in artikel 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

15.12.2011-21.12.2011

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Beurs

Minnéapolis

Chicago

Notering

246,86

180,19

Fob-prijs VSA

309,62

299,62

279,62

Golfpremie

13,88

Grote-Merenpremie

35,46

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico-Rotterdam:

19,73 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren-Rotterdam:

50,92 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR per ton inbegrepen (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(2)  Korting van 10 EUR per ton (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(3)  Korting van 30 EUR per ton (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/33


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1384/2011 VAN DE COMMISSIE

van 22 december 2011

inzake het minimumdouanerecht dat moet worden vastgesteld naar aanleiding van de derde deelinschrijvingen in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende openbare inschrijving

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 187, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 van de Commissie (2) is een permanente openbare inschrijving geopend voor het verkoopseizoen 2011/2012 voor de invoer van suiker van GN-code 1701 tegen een verlaagd douanerecht.

(2)

Overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 moet de Commissie, in het licht van de naar aanleiding van een deelinschrijving ontvangen offertes, besluiten al dan niet een minimumdouanerecht per achtcijferige GN-code vast te stellen.

(3)

Op basis van de voor de derde deelinschrijving ontvangen offertes moet voor bepaalde onder GN-code 1701 vallende achtcijferige codes voor suiker een minimumdouanerecht worden vastgesteld en moet voor de overige onder die GN-code vallende achtcijferige codes voor suiker geen minimumdouanerecht worden vastgesteld.

(4)

Om de markt snel een signaal te geven en met het oog op een efficiënt beheer van de maatregel, moet de onderhavige verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(5)

Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de derde deelinschrijving in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2011 geopende openbare inschrijving, waarvan de termijn voor de indiening van offertes is verstreken op 21 december 2011, wordt voor de onder GN-code 1701 vallende achtcijferige codes voor suiker al dan niet een minimumdouanerecht vastgesteld, zoals is aangegeven in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 december 2011.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 318 van 1.12.2011, blz. 4.


BIJLAGE

Minimumdouanerechten

(EUR/t)

Achtcijferige GN-code

Minimumdouanerecht

1

2

1701 11 10

269,16

1701 11 90

1701 12 10

X

1701 12 90

X

1701 91 00

X

1701 99 10

1701 99 90

X

(—)

Geen vaststelling van een minimumdouanerecht (alle biedingen afgewezen).

(X)

Geen biedingen.


BESLUITEN

23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/35


BESLUIT 2011/871/GBVB VAN DE RAAD

van 19 december 2011

tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (ATHENA)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 26, lid 2, en artikel 41, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad, te Helsinki bijeen op 10 en 11 december 1999, heeft met name besloten dat de lidstaten, in het kader van vrijwillige samenwerking, bij door de Europese Unie geleide operaties, vóór 2003 in staat moeten zijn binnen 60 dagen strijdkrachten ten belope van maximaal 50 000-60 000 manschappen die alle Petersbergtaken kunnen uitvoeren, in te zetten en gedurende ten minste één jaar operationeel te houden.

(2)

De Raad heeft op 17 juni 2002 zijn goedkeuring gehecht aan de regelingen voor de financiering van door de EU geleide crisisbeheersingsoperaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied.

(3)

In zijn conclusies van 14 mei 2003 heeft de Raad bevestigd dat een snellereactievermogen nodig is, in het bijzonder voor humanitaire en reddingstaken.

(4)

De Europese Raad, te Thessaloniki bijeen op 19 en 20 juni 2003, was ingenomen met de conclusies van de Raad van 19 mei 2003, waarin met name de noodzaak van een militair snellereactievermogen van de Europese Unie wordt bevestigd.

(5)

De Raad heeft op 22 september 2003 besloten dat de Europese Unie de beschikking moet krijgen over een flexibele capaciteit voor het beheer van de financiering van gemeenschappelijke kosten van militaire operaties van elke mogelijke omvang, complexiteit en urgentie, met name door de instelling, uiterlijk op 1 maart 2004, van een permanent financieringsmechanisme dat zal worden belast met de financiering van de gemeenschappelijke kosten van alle toekomstige militaire operaties van de EU.

(6)

De Raad heeft op 23 februari 2004 Besluit 2004/197/GBVB aangenomen tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (1). Dit besluit is vervolgens herhaaldelijk gewijzigd en vervangen, meest recentelijk door Besluit 2008/975/GBVB (2).

(7)

De Europese Unie is in staat zowel militaire snellereactieoperaties uit te voeren in overeenstemming met het door het Militair Comité van de EU gedefinieerde concept. De Europese Unie is in staat gevechtsgroepen in te zetten in overeenstemming met het door het Militair Comité van de EU gedefinieerde concept.

(8)

Het systeem voor de voorfinanciering is in de eerste plaats bedoeld voor snellereactieoperaties.

(9)

Oefenoperaties op het politieke en militaire strategische niveau van de bevelvoerings- en controlestructuren en procedures voor militaire operaties van de EU, via EU-hoofdkwartieroefenoperaties, zoals goedgekeurd door het Politiek en Veiligheidscomité (PVC), dragen bij aan een hogere algehele operationele paraatheid van de Unie.

(10)

De Raad besluit per geval of een operatie gevolgen heeft op militair of defensiegebied in de zin van artikel 41, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie („VEU”).

(11)

In artikel 41, lid 2, tweede alinea, VEU is bepaald dat lidstaten waarvan de vertegenwoordiger in de Raad een formele verklaring krachtens artikel 31, lid 1, tweede alinea, van dat Verdrag heeft afgelegd, niet verplicht zijn bij te dragen in de financiering van de betrokken operatie die gevolgen heeft op militair of defensiegebied.

(12)

Overeenkomstig artikel 5 van het aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehechte Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en de uitvoering van besluiten en acties van de Unie die gevolgen hebben op defensiegebied. Denemarken neemt niet deel aan het besluit en derhalve ook niet aan de financiering van het mechanisme.

(13)

Op grond van artikel 44 van Besluit 2008/975/GBVB heeft de Raad het besluit opnieuw bezien, en is hij overeengekomen er wijzigingen in aan te brengen.

(14)

Ter wille van de duidelijkheid dient Besluit 2008/975/GBVB te worden ingetrokken en door een nieuw besluit te worden vervangen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „deelnemende lidstaten”: de lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken;

b)   „bijdragende staten”: de lidstaten die bijdragen in de financiering van de betrokken militaire operatie krachtens artikel 41, lid 2, VEU, en de derde staten die bijdragen in de financiering van de gemeenschappelijke kosten van deze operatie krachtens overeenkomsten tussen hen en de Europese Unie;

c)   „operaties”: EU-operaties met gevolgen op militair of defensiegebied;

d)   „ondersteunende militaire acties”: EU-operaties, of delen daarvan, waartoe de Raad ter ondersteuning van een derde staat of een derde organisatie heeft besloten en die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, maar die niet onder het gezag van het EU-hoofdkwartier vallen.

HOOFDSTUK 1

MECHANISME

Artikel 2

Instelling van het mechanisme

1.   Bij dezen wordt een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van operaties ingesteld.

2.   Het mechanisme wordt ATHENA genoemd.

3.   ATHENA treedt op namens de deelnemende lidstaten of, wat betreft de specifieke operaties, de bijdragende staten.

Artikel 3

Handelingsbevoegdheid

Met het oog op het administratieve beheer van de financiering van de operaties van de EU die gevolgen hebben op militair of defensiegebied beschikt ATHENA over de nodige handelingsbevoegdheid, met name om bankrekeningen te bezitten, goederen te verkrijgen, te bezitten of te vervreemden, contracten of administratieve regelingen af te sluiten en in rechte op te treden. ATHENA heeft geen winstoogmerk.

Artikel 4

Coördinatie met derden

Voor zover nodig voor de uitvoering van zijn missies en met inachtneming van de doelstellingen en het beleid van de Europese Unie, coördineert ATHENA zijn activiteiten met de lidstaten, instellingen en -organen van de Unie, en internationale organisaties.

HOOFDSTUK 2

ORGANISATIESTRUCTUUR

Artikel 5

Beheersorganen en personeel

1.   ATHENA wordt onder het gezag van het speciaal comité beheerd door:

a)

de beheerder;

b)

de commandant van elke operatie voor wat betreft de operatie waarover hij het bevel voert („operationeel commandant”);

c)

de rekenplichtige.

2.   ATHENA maakt zo veel mogelijk gebruik van de bestaande administratieve structuren van de Unie. ATHENA doet een beroep op personeel dat, voor zover nodig, door de instellingen van de Unie ter beschikking wordt gesteld of door lidstaten wordt gedetacheerd.

3.   De secretaris-generaal van de Raad kan aan de beheerder en aan de rekenplichtige het personeel ter beschikking stellen dat voor de uitoefening van hun functie noodzakelijk is, zulks eventueel op voorstel van een deelnemende lidstaat.

4.   De organen en het personeel van ATHENA worden ingezet op basis van de operationele behoeften.

Artikel 6

Speciaal comité

1.   Er wordt een speciaal comité opgericht dat is samengesteld uit één vertegenwoordiger van elke deelnemende lidstaat.

Vertegenwoordigers van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en van de Commissie worden uitgenodigd om de vergaderingen van het speciaal comité bij te wonen, zonder aan de stemmingen deel te nemen.

2.   ATHENA wordt onder het gezag van het speciaal comité beheerd.

3.   Wanneer het comité beraadslaagt over de financiering van de gemeenschappelijke kosten van een bepaalde operatie:

a)

bestaat het speciaal comité uit één vertegenwoordiger van elke bijdragende lidstaat;

b)

nemen de vertegenwoordigers van de bijdragende derde staten deel aan de werkzaamheden van het speciaal comité. Zij nemen niet deel aan de stemmingen, en zijn er evenmin bij aanwezig;

c)

nemen de operationeel commandant of zijn vertegenwoordiger deel aan de werkzaamheden van het speciaal comité, zonder dat zij aan de stemmingen deelnemen.

4.   Het voorzitterschap van de Raad roept de vergaderingen van het speciaal comité bijeen en zit deze voor. De beheerder neemt het secretariaat van het speciaal comité waar. Hij stelt de notulen met het resultaat van de beraadslagingen van het speciaal comité op. Hij neemt niet deel aan de stemmingen.

5.   De rekenplichtige neemt, voor zover nodig, deel aan de werkzaamheden van het speciaal comité zonder dat hij deelneemt aan de stemmingen.

6.   Indien een deelnemende lidstaat, de beheerder of de operationeel commandant het voorzitterschap hierom verzoekt, roept het voorzitterschap het speciaal comité binnen veertien dagen samen.

7.   De beheerder stelt het speciaal comité naar behoren in kennis van elke vordering of betwisting waarbij ATHENA betrokken is.

8.   Het speciaal comité beslist met eenparigheid van stemmen van de leden waaruit het bestaat, met inachtneming van zijn samenstelling zoals omschreven in de leden 1 en 3. De beslissingen van het comité zijn bindend.

9.   Het speciaal comité keurt alle begrotingen goed, met inachtneming van de toepasselijke referentiebedragen, en oefent in het algemeen de bevoegdheden krachtens onderhavig besluit uit.

10.   Het speciaal comité wordt geïnformeerd door de beheerder, de operationeel commandant en de rekenplichtige zoals in onderhavig besluit is bepaald.

11.   De tekst van de besluiten die krachtens onderhavig besluit door het speciaal comité worden goedgekeurd, wordt bij de goedkeuring ondertekend door de voorzitter van het speciaal comité en door de beheerder.

Artikel 7

Beheerder

1.   De secretaris-generaal van de Raad benoemt, na het speciaal comité te hebben ingelicht, de beheerder en ten minste één vervangend beheerder voor een periode van drie jaar.

2.   De beheerder oefent zijn bevoegdheden uit namens ATHENA.

3.   De beheerder:

a)

stelt alle ontwerpbegrotingen op en legt deze voor aan het speciaal comité. In elke ontwerpbegroting wordt het gedeelte „uitgaven” voor een operatie opgesteld op voorstel van de operationeel commandant;

b)

stelt de begrotingen vast nadat deze zijn goedgekeurd door het speciaal comité;

c)

is de ordonnateur voor de inkomsten, de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties, en de operationele gemeenschappelijke kosten die worden gemaakt buiten de actieve fase van de operatie;

d)

geeft uitvoering, voor wat betreft de inkomsten, aan de financiële regelingen die met derden zijn gesloten inzake de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de militaire operaties van de EU;

e)

opent namens ATHENA een of meer bankrekeningen.

4.   De beheerder ziet erop toe dat de in dit besluit vastgestelde regels worden geëerbiedigd en dat de besluiten van het speciaal comité worden toegepast.

5.   De beheerder is gemachtigd de maatregelen tot uitvoering van de middels ATHENA gefinancierde uitgaven te nemen die hij nuttig acht. Hij stelt het speciaal comité daarvan in kennis.

6.   De beheerder coördineert de werkzaamheden betreffende financiële aangelegenheden in het kader van de militaire operaties van de EU. De beheerder is voor deze aangelegenheden het contactpunt met nationale overheden en, voor zover nodig, internationale organisaties.

7.   De beheerder legt verantwoording af aan het speciaal comité.

Artikel 8

Operationeel commandant

1.   De operationeel commandant voert namens ATHENA zijn taken uit met betrekking tot de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operatie waarover hij het bevel voert.

2.   De operationeel commandant verricht met betrekking tot de operatie waarover hij het bevel voert, de volgende taken:

a)

hij zendt zijn voorstellen voor het gedeelte „uitgaven — operationele gemeenschappelijke kosten” van de ontwerpbegroting toe aan de beheerder;

b)

hij besteedt in de hoedanigheid van ordonnateur de kredieten betreffende de operationele gemeenschappelijke kosten alsmede de uitgaven krachtens artikel 28; hij oefent gezag uit over eenieder die deelneemt aan de besteding van deze kredieten, ook uit hoofde van voorfinanciering; hij kan namens ATHENA opdrachten plaatsen en contracten sluiten; hij opent namens ATHENA een bankrekening voor de operatie waarover hij het bevel voert.

3.   De operationeel commandant is gemachtigd om, met betrekking tot de operatie waarover hij het bevel voert, de maatregelen tot uitvoering van de middels ATHENA gefinancierde uitgaven te nemen die hij nuttig acht. Hij stelt de beheerder en het speciaal comité daarvan in kennis.

4.   Behoudens in naar behoren gemotiveerde omstandigheden die door het speciaal comité op voorstel van de beheerder zijn goedgekeurd, gebruikt de operationeel commandant het boekhoud- en vermogensbeheersysteem van ATHENA. De beheerder deelt het speciaal comité vooraf mee dat hij van oordeel is dat dergelijke omstandigheden bestaan.

Artikel 9

Rekenplichtige

1.   De secretaris-generaal van de Raad benoemt de rekenplichtige en ten minste één adjunct-rekenplichtige voor een periode van drie jaar.

2.   De rekenplichtige voert zijn taken namens ATHENA uit.

3.   De rekenplichtige is belast met:

a)

de goede uitvoering van de betalingen, de inning van de ontvangsten en de invordering van de vastgestelde schuldvorderingen;

b)

de jaarlijkse opstelling van de rekeningen van ATHENA en, na de voltooiing van elke operatie, van de rekeningen van de operatie;

c)

het verlenen van medewerking aan de beheerder wanneer deze de jaarrekeningen of de rekeningen van een operatie ter goedkeuring voorlegt aan het speciaal comité;

d)

het voeren van de boekhouding van ATHENA;

e)

het vaststellen van de boekhoudregels en -methoden en het rekeningstelsel;

f)

het vaststellen en valideren van de boekhoudsystemen voor de ontvangsten, alsmede, waar van toepassing, het valideren van de door de ordonnateur vastgestelde systemen die tot doel hebben boekhoudkundige gegevens te verstrekken of te motiveren;

g)

het bewaren van de bewijsstukken;

h)

het beheer van de kasmiddelen, samen met de beheerder.

4.   De beheerder en de operationeel commandant verstrekken de rekenplichtige alle gegevens die nodig zijn voor de opstelling van rekeningen die een getrouw beeld geven van het vermogen van ATHENA en van de door ATHENA beheerde uitvoering van de begroting. Zij garanderen de betrouwbaarheid ervan.

5.   De rekenplichtige legt verantwoording af aan het speciaal comité.

Artikel 10

Algemene bepalingen die van toepassing zijn op de beheerder, de rekenplichtige en het personeel van ATHENA

1.   De functie van beheerder of adjunct-beheerder is onverenigbaar met die van rekenplichtige of adjunct-rekenplichtige.

2.   De adjunct-beheerder handelt onder het gezag van de beheerder. De adjunct-rekenplichtige handelt onder het gezag van de rekenplichtige.

3.   Wanneer de beheerder afwezig is, wordt hij vervangen door een adjunct-beheerder. Wanneer de rekenplichtige afwezig is, wordt hij vervangen door een adjunct-rekenplichtige.

4.   Bij de uitoefening van taken namens ATHENA blijven de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie onderworpen aan de op hen toepasselijke regels en voorschriften.

5.   Het personeel dat door de lidstaten aan ATHENA ter beschikking is gesteld, is onderworpen aan dezelfde voorschriften als die welke zijn vervat in het besluit van de Raad betreffende de regeling die van toepassing is op nationale gedetacheerde deskundigen, en aan de voorschriften die zijn overeengekomen door hun nationale overheid en de instelling van de Unie of ATHENA.

6.   De personeelsleden van ATHENA moeten vóór hun aanstelling gemachtigd zijn om toegang te krijgen tot gerubriceerde gegevens van de Raad van ten minste het niveau „SECRET UE”, of zij moeten in het bezit zijn gesteld van een soortgelijke machtiging van een lidstaat.

7.   De beheerder kan met de lidstaten of instellingen van de Unie onderhandelen en regelingen sluiten teneinde van tevoren de personeelsleden aan te wijzen die indien nodig onverwijld ter beschikking van ATHENA kunnen worden gesteld.

HOOFDSTUK 3

ADMINISTRATIEVE REGELINGEN EN RAAMOVEREENKOMSTEN

Artikel 11

Administratieve regelingen en raamovereenkomsten

1.   Met de lidstaten, instellingen en organen van de Unie, derde staten en internationale organisaties kan worden onderhandeld over administratieve regelingen, teneinde op de meest kosteneffectieve wijze aankopen en/of de financiële aspecten van de wederzijdse ondersteuning tijdens operaties te faciliteren.

2.   Die regelingen:

a)

worden voor advies voorgelegd aan het speciaal comité, wanneer het regelingen betreft die met lidstaten of instellingen en organen van de Unie worden gesloten;

b)

worden ter goedkeuring voorgelegd aan het speciaal comité wanneer het regelingen betreft die met derde staten of internationale organisaties worden gesloten.

3.   Die regelingen worden ondertekend door de beheerder, of waar passend, door de respectieve operationeel commandant, die namens ATHENA handelt, en door de bevoegde administratieve diensten van de andere in lid 1 bedoelde partijen.

4.   Er kunnen raamovereenkomsten worden gesloten teneinde op de meest kosteneffectieve wijze aankopen te faciliteren. Die overeenkomsten worden ter goedkeuring voorgelegd aan het speciaal comité voordat zij door de beheerder worden ondertekend, en worden desgewenst ter beschikking gesteld van de lidstaten en de operationele commandanten. Deze bepaling verplicht de lidstaten niet om op basis van een raamovereenkomst goederen of diensten te benutten of te verwerven.

Artikel 12

Permanente en ad hoc administratieve regelingen betreffende de praktische voorwaarden voor de betaling van de bijdragen van derde staten

1.   In het kader van de overeenkomsten die zijn gesloten tussen de EU en derde staten die door de Raad zijn aangewezen als potentiële contribuanten aan EU-operaties dan wel als contribuanten aan een specifieke EU-operatie, onderhandelt de beheerder met deze derde staten over permanente of ad hoc administratieve regelingen. Die regelingen nemen de vorm aan van een briefwisseling tussen ATHENA en de bevoegde administratieve diensten van de betrokken derde staten en voorzien in de praktische voorwaarden die nodig zijn om de vlotte betaling van bijdragen te faciliteren.

2.   In afwachting van de sluiting van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten, kan de beheerder de nodige maatregelen nemen om betalingen door de bijdragende derde staten te faciliteren.

3.   De beheerder stelt het speciaal comité in kennis van de in lid 1 bedoelde voorgenomen regelingen voordat hij die namens ATHENA ondertekent.

4.   Wanneer de EU een militaire operatie opzet, past de beheerder voor de door de Raad vastgestelde bijdragen de regelingen toe op de aan die operatie bijdragende derde landen.

HOOFDSTUK 4

BANKREKENINGEN

Artikel 13

Opening en bestemming

1.   De bankrekeningen worden geopend in een eersteklas kredietinstelling die in een lidstaat gevestigd is, en zijn rekeningen-courant of kortlopende depositorekeningen in euro. In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen rekeningen, na goedkeuring door de beheerder, worden geopend in kredietinstellingen die buiten de Europese Unie gevestigd zijn.

2.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen rekeningen in andere valuta's dan de euro worden geopend.

3.   Op die bankrekeningen worden de bijdragen van de bijdragende staten overgemaakt. Met die rekeningen worden de door ATHENA beheerde uitgaven betaald en worden aan de operationeel commandant de kasvoorschotten verstrekt die nodig zijn voor uitgaven in het kader van de gemeenschappelijke kosten van een militaire operatie.

Artikel 14

Beheer van de middelen

1.   Voor elke betaling voor rekening van ATHENA is zowel de handtekening van de beheerder of van een adjunct-beheerder als die van de rekenplichtige of van een adjunct-rekenplichtige vereist.

2.   Geen enkele bankrekening mag een nadelig saldo vertonen.

HOOFDSTUK 5

GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN

Artikel 15

Omschrijving van de gemeenschappelijke koste en de perioden die in aanmerking worden genomen

1.   De in bijlage I opgesomde gemeenschappelijke kosten komen systematisch voor rekening van ATHENA. Wanneer zij worden opgenomen in een begrotingsartikel dat de operatie aangeeft waarop deze kosten het meest betrekking hebben, worden zij beschouwd als operationele kosten van die operatie. In andere gevallen worden deze kosten beschouwd als gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van operaties of in aansluiting daarop.

2.   Voorts draagt ATHENA de in bijlage II opgesomde operationele gemeenschappelijke kosten vanaf het ogenblik waarop het crisisbeheersingsconcept voor de operatie wordt goedgekeurd tot de datum waarop de operationeel commandant wordt benoemd. In bijzondere omstandigheden kan het speciaal comité, na raadpleging van het PVC, de periode gedurende welke de genoemde kosten door ATHENA zullen worden gedragen, verlengen.

3.   Tijdens de actieve fase van een operatie, die loopt vanaf de datum waarop de operationeel commandant benoemd wordt tot de dag waarop het operationeel hoofdkwartier zijn activiteiten staakt, draagt ATHENA de onderstaande kosten als operationele gemeenschappelijke kosten:

a)

de in deel A van bijlage III opgesomde gemeenschappelijke kosten;

b)

de in deel B van bijlage III opgesomde gemeenschappelijke kosten, wanneer de Raad daartoe besluit;

c)

de in deel C van bijlage III opgesomde gemeenschappelijke kosten, wanneer de operationeel commandant hierom verzoekt en het speciaal comité deze goedkeurt.

4.   Tijdens de actieve fase van een militaire ondersteuningsactie, zoals bepaald door de Raad, neemt ATHENA de door de Raad per geval onder verwijzing naar bijlage III bepaalde gemeenschappelijke kosten als operationele gemeenschappelijke kosten voor zijn rekening.

5.   De operationele gemeenschappelijke kosten van een operatie omvatten tevens de uitgaven die nodig zijn om deze operatie af te wikkelen, zoals opgesomd in bijlage IV.

Een operatie is afgewikkeld wanneer de uitrusting en de infrastructuur die gemeenschappelijk zijn gefinancierd ten behoeve van de operatie, hun eindbestemming hebben gekregen en de rekeningen voor de operatie zijn goedgekeurd.

6.   Uitgaven ter dekking van kosten die één of meer bijdragende lidstaten, een instelling van de Unie of een internationale organisatie ook zonder de organisatie van de operatie voor hun rekening zouden hebben genomen, kunnen niet als gemeenschappelijke kosten worden aangemerkt.

7.   Het speciaal comité kan in bijzondere omstandigheden per geval beslissen dat bepaalde bijkomende kosten die niet zijn opgenomen in deel B van bijlage III, als gemeenschappelijke kosten worden beschouwd tijdens de actieve fase van een bepaalde operatie.

8.   Indien in het speciaal comité geen eenparigheid kan worden bereikt, kan het comité de kwestie op initiatief van het voorzitterschap voorleggen aan de Raad.

Artikel 16

Oefenoperaties

1.   De gemeenschappelijke kosten van oefenoperaties van de Europese Unie worden door ATHENA gefinancierd volgens soortgelijke voorschriften en procedures als die welke gelden voor operaties waartoe alle deelnemende lidstaten bijdragen.

2.   Die gemeenschappelijke kosten van oefenoperaties bestaan uit, in de eerste plaats, bijkomende kosten voor mobiele of vaste hoofdkwartieren, en, in de tweede plaats, bijkomende kosten voor de gebruikmaking, door de EU, van gemeenschappelijke middelen en vermogens van de NAVO die ter beschikking worden gesteld voor een oefenoperatie.

3.   De hiernavolgende kosten behoren niet tot de gemeenschappelijke kosten van oefenoperaties:

a)

kosten in verband met de verwerving van kapitaalgoederen, inclusief kosten met betrekking tot gebouwen, infrastructuur en uitrusting;

b)

kosten in verband met de planningfase en de voorbereidende fase van oefenoperaties, tenzij goedgekeurd door het speciaal comité;

c)

kosten voor transport, kazernes en onderkomens voor de troepenmacht.

Artikel 17

Referentiebedrag

Voor elk besluit van de Raad waarbij de Raad besluit dat de EU een militaire operatie uitvoert of verlengt, wordt voorzien in een referentiebedrag voor de gemeenschappelijke kosten van die operatie. De beheerder raamt met de medewerking van met name de Militaire Staf van de EU en de operationeel commandant, indien deze in functie is, het bedrag dat nodig is om de gemeenschappelijke kosten van de operatie tijdens de voorgenomen periode te dekken. De beheerder stelt dit bedrag via het voorzitterschap voor aan de Raadsinstantie waarin dit ontwerp van besluit moet worden besproken. De leden van het speciaal comité worden uitgenodigd om de besprekingen van deze instantie over het referentiebedrag bij te wonen.

HOOFDSTUK 6

BEGROTING

Artikel 18

Begrotingsbeginselen

1.   De in euro opgestelde begroting is het besluit waarbij voor elk begrotingsjaar wordt voorzien in en machtiging gegeven tot alle ontvangsten en uitgaven in verband met de gemeenschappelijke kosten die door ATHENA worden beheerd.

2.   Alle uitgaven worden gekoppeld aan een specifieke operatie, uitgezonderd, waar passend, die voor de in bijlage I opgesomde kosten.

3.   De in de begroting opgenomen kredieten worden goedgekeurd voor de periode van een begrotingsjaar dat begint op 1 januari en eindigt op 31 december van datzelfde jaar.

4.   De ontvangsten en uitgaven van de begroting moeten in evenwicht zijn.

5.   Slechts door aanwijzing op een begrotingsonderdeel en binnen de grenzen van de in de begroting opgenomen kredieten kunnen ontvangsten en uitgaven in verband met gemeenschappelijke kosten worden verricht, behoudens artikel 32, lid 5.

Artikel 19

Jaarlijkse begroting

1.   Elk jaar stelt de beheerder, in samenwerking met elke operationeel commandant voor wat betreft diens operatie, een ontwerpbegroting voor het volgende begrotingsjaar op.

2.   Dat ontwerp omvat:

a)

de kredieten die noodzakelijk worden geacht ter dekking van de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties;

b)

de kredieten die noodzakelijk worden geacht ter dekking van de operationele gemeenschappelijke kosten van lopende of geplande operaties, waaronder waar passend, kredieten om de door een staat of derde partij voorgefinancierde gemeenschappelijke kosten terug te betalen;

c)

de in artikel 26 bedoelde voorzieningen;

d)

een raming van de ontvangsten die nodig zijn om de uitgaven te dekken.

3.   De vastleggings- en betalingskredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk waarin de uitgaven volgens hun aard of bestemming worden gegroepeerd en voor zover nodig, onderverdeeld in artikelen. Een gedetailleerde toelichting per hoofdstuk of artikel wordt opgenomen in het ontwerp van begroting. Voor elke operatie wordt voorzien in één specifieke titel. Eén specifieke titel is het algemeen gedeelte van de begroting en omvat de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties.

4.   Elke titel kan een hoofdstuk „voorzieningen” omvatten. De kredieten worden in dit hoofdstuk opgenomen bij op ernstige gronden berustende onzekerheid over het nodige bedrag van de kredieten of over de mogelijkheid om de opgevoerde kredieten te besteden.

5.   De ontvangsten bestaan uit:

a)

bijdragen die verschuldigd zijn door de deelnemende en de bijdragende lidstaten en, waar passend, de bijdragende derde staten;

b)

diverse ontvangsten, onderverdeeld per titel, waaronder de financiële producten, de verkoopopbrengsten en de uitvoering van het vorige begrotingsjaar na vaststelling door het speciaal comité.

6.   De beheerder legt uiterlijk op 31 oktober de ontwerpbegroting aan het speciaal comité voor. Het speciaal comité keurt het ontwerp van begroting vóór 31 december goed. De beheerder stelt de goedgekeurde begroting vast en stelt de deelnemende lidstaten en de bijdragende derde staten ervan in kennis.

Artikel 20

Gewijzigde begrotingen

1.   In geval van niet te vermijden, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden, onder meer wanneer een operatie in de loop van het begrotingsjaar wordt opgestart, stelt de beheerder een ontwerp van gewijzigde begroting voor. Het ontwerp van gewijzigde begroting wordt opgesteld, voorgelegd, goedgekeurd, vastgesteld en bekendgemaakt volgens dezelfde procedure als de jaarlijkse begroting. Het speciaal comité bespreekt het ontwerp en houdt daarbij rekening met de vereiste spoed.

2.   Indien het ontwerp van gewijzigde begroting het gevolg is van het opstarten van een nieuwe operatie of van wijzigingen in de begroting van een lopende operatie, stelt de beheerder het speciaal comité in kennis van de totale voor deze operatie geplande kosten. Indien deze kosten het betrokken referentiebedrag aanzienlijk overschrijden, kan het speciaal comité de Raad om goedkeuring verzoeken.

3.   Het ontwerp van gewijzigde begroting als gevolg van het opstarten van een nieuwe operatie wordt binnen vier maanden na goedkeuring van het referentiebedrag aan het speciaal comité voorgelegd, tenzij het speciaal comité besluit tot een langere termijn.

Artikel 21

Overschrijvingen

1.   De beheerder kan, waar passend, op voorstel van de operationeel commandant, kredieten overschrijven. De beheerder stelt het speciaal comité van zijn voornemen in kennis, zulks ten minste één week van tevoren voor zover het dringende karakter dit toelaat. De voorafgaande goedkeuring van het speciaal comité is echter vereist wanneer:

a)

de voorgenomen overschrijving het totaal van de voor een operatie geplande kredieten zal wijzigen;

of

b)

de tijdens het begrotingsjaar voorgenomen overschrijvingen van het ene hoofdstuk naar het andere meer dan 10 % bedragen van de kredieten die zijn opgevoerd in het hoofdstuk waaruit de overgeschreven kredieten afkomstig zijn; dit percentage wordt gebaseerd op de kredieten die zijn opgenomen in de begroting zoals die is vastgesteld op de datum waarop het desbetreffende voorstel voor een overschrijving wordt gedaan.

2.   De operationeel commandant kan, indien hij dit voor het goede verloop van de operatie nodig acht, binnen drie maanden na de datum waarop de operatie van start is gegaan, ten behoeve van de operatie toegekende kredieten overschrijven van het ene artikel naar het andere en van het ene hoofdstuk naar het andere binnen het deel „operationele gemeenschappelijke kosten” van de begroting. Hij stelt de beheerder en het speciaal comité daarvan in kennis.

Artikel 22

Overdracht van kredieten

1.   Niet vastgelegde kredieten ter dekking van de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van operaties of in aansluiting daarop, komen in beginsel aan het einde van het begrotingsjaar te vervallen, behalve als dit anders geregeld is in lid 2.

2.   Kredieten ter dekking van de opslagkosten voor door ATHENA beheerd materieel en beheerde uitrusting kunnen echter naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen indien de vastlegging daartoe vóór 31 december van het lopende begrotingsjaar is geschied. De kredieten ter dekking van de operationele gemeenschappelijke kosten kunnen worden overgedragen indien deze noodzakelijk zijn voor een operatie die niet is afgewikkeld.

3.   De beheerder legt vóór 15 februari de voorstellen voor de overdracht van niet vastgelegde kredieten van het vorige begrotingsjaar ter goedkeuring voor aan het speciaal comité. De voorstellen worden geacht goedgekeurd te zijn tenzij het speciaal comité vóór 15 maart anders beslist.

4.   De vastgelegde kredieten van het vorige begrotingsjaar worden overgedragen en het speciaal comité wordt daarvan door de beheerder uiterlijk op 15 februari in kennis gesteld.

Artikel 23

Vervroegde uitvoering

Zodra de jaarlijkse begroting is goedgekeurd, kunnen kredieten worden gebruikt voor vastleggingen en betalingen voor zover dat operationeel noodzakelijk is.

HOOFDSTUK 7

BIJDRAGEN EN TERUGBETALINGEN

Artikel 24

Vaststelling van de bijdragen

1.   Betalingskredieten ter dekking van de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties, die niet worden gedekt door de diverse ontvangsten, worden gefinancierd uit de bijdragen van de deelnemende lidstaten.

2.   Betalingskredieten ter dekking van de operationele gemeenschappelijke kosten van een operatie worden gedekt door de bijdragen van de bijdragende staten.

3.   De bijdragen voor een operatie die zijn verschuldigd door de bijdragende lidstaten, zijn gelijk aan het bedrag van de in de begroting opgevoerde betalingskredieten ter dekking van de operationele gemeenschappelijke kosten van deze operatie, verminderd met het bedrag van de bijdragen die uit hoofde van artikel 12 door de bijdragende derde landen zijn verschuldigd voor dezelfde operatie.

4.   De verdeling van de bijdragen tussen de lidstaten die wordt gevraagd bij te dragen, wordt bepaald volgens de bruto nationaal product-verdeelsleutel als omschreven in artikel 41, lid 2, VEU en ingevolge Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (3), dan wel elk ander besluit van de Raad dat ervoor in de plaats komt.

5.   Voor de berekening van de bijdragen worden de gegevens gebruikt die staan in de kolom „eigen middelen bni” van de tabel „Overzicht van de financiering van de algemene begroting per soort eigen middelen en per lidstaat”, die aan de laatste goedgekeurde algemene begroting van de Unie is gehecht, waarbij de bijdrage van elke lidstaat die wordt gevraagd bij te dragen, proportioneel is aan het aandeel van het bruto nationaal inkomen (bni) van die lidstaat in het totale bni van de lidstaten die wordt gevraagd bij te dragen.

Artikel 25

Schema voor de betaling van de bijdragen

1.   Wanneer de Raad een referentiebedrag voor een militaire operatie van de EU heeft vastgesteld, storten de bijdragende lidstaten hun bijdragen ten belope van 30 % van het referentiebedrag, tenzij de Raad een ander percentage vaststelt. De beheerder vraagt bijdragen overeenkomstig de operationele behoeften van de operatie, tot het overeengekomen niveau.

2.   Op voorstel van de beheerder kan het speciaal comité besluiten aanvullende bijdragen te vragen voordat een gewijzigde begroting voor de operatie wordt vastgesteld. Het speciaal comité kan besluiten de kwestie te verwijzen naar de bevoegde voorbereidende instanties van de Raad.

3.   Wanneer voor een specifieke operatie een gewijzigde begroting is vastgesteld, storten de lidstaten het saldo van de bijdragen die zij voor deze operatie uit hoofde van artikel 24 van dit besluit verschuldigd zijn. Indien de operatie binnen eenzelfde begrotingsjaar echter meer dan zes maanden zal duren, wordt het saldo van de bijdragen in twee termijnen betaald. In dat geval wordt de eerste termijn binnen 60 dagen na aanvang van de operatie betaald; de tweede termijn wordt betaald vóór een datum die door het speciaal comité wordt vastgesteld op voorstel van de beheerder en rekening houdend met de operationele behoeften. Het speciaal comité kan van de bepalingen van dit lid afwijken.

4.   De beheerder zendt de desbetreffende verzoeken om een bijdrage per brief toe aan de nationale overheidsdiensten waarvan de gegevens hem zijn medegedeeld, wanneer:

a)

een ontwerpbegroting voor een begrotingsjaar is goedgekeurd door het speciaal comité krachtens artikel 19. Het eerste verzoek om een bijdrage dekt de operationele behoeften voor acht maanden. Het tweede verzoek om een bijdrage betreft het saldo van de bijdragen, rekening houdend met het saldo van de uitvoering van het vorige begrotingsjaar, mits het speciaal comité, na ontvangst van de accountantsverklaring, heeft besloten dat dit saldo in de huidige begroting wordt opgenomen;

b)

een referentiebedrag is vastgesteld overeenkomstig artikel 25, lid 1, of

c)

een gewijzigde begroting is goedgekeurd krachtens artikel 20.

5.   Onverminderd de andersluidende bepalingen in dit besluit worden de bijdragen binnen 30 dagen na het verzenden van het desbetreffende verzoek betaald, met uitzondering van het eerste verzoek om een bijdrage voor de begroting van een nieuw begrotingsjaar, in welk geval de termijn voor betaling 40 dagen na het verzenden van het desbetreffende verzoek om een bijdrage is.

6.   Iedere bijdragende staat neemt de bankkosten voor de betaling van zijn bijdrage voor zijn rekening.

7.   De beheerder bevestigt de ontvangst van de bijdragen.

Artikel 26

Voorfinanciering

1.   In geval van een militaire snellereactieoperatie van de EU zijn bijdragen van de bijdragende lidstaten verschuldigd ten belope van het referentiebedrag. Onverminderd artikel 25, lid 3, worden de bijdragen betaald volgens onderstaande bepalingen.

2.   Voor de voorfinanciering van militaire snellereactieoperaties van de EU betalen de deelnemende lidstaten:

a)

hetzij hun bijdragen vooraf aan ATHENA, of

b)

hetzij, wanneer de Raad besluit een militaire snellereactieoperatie van de EU uit te voeren tot de financiering waarvan zij bijdragen, hun bijdragen aan de gemeenschappelijke kosten van die operatie binnen vijf dagen na het verzenden van het verzoek ten belope van het referentiebedrag, tenzij de Raad anders besluit.

3.   Voor het bovenstaande voert het speciaal comité, bestaande uit één vertegenwoordiger van elk van de lidstaten die hun bijdragen vooraf betalen, voorzieningen op in een specifieke titel van de begroting. Deze voorzieningen worden gedekt door bijdragen die de voorafbetalende lidstaten binnen 90 dagen na het verzenden van het verzoek om deze bijdragen betalen.

4.   Alle voorzieningen als bedoeld in lid 3, die voor een operatie worden gebruikt, worden binnen 90 dagen na het verzenden van het verzoek aangevuld.

5.   Onverminderd lid 1 kan iedere voorafbetalende lidstaat de beheerder in welbepaalde omstandigheden toestaan zijn vooraf betaalde bijdrage te gebruiken ter dekking van zijn bijdrage aan een andere operatie dan een snellereactieoperatie waaraan hij deelneemt. De vooraf betaalde bijdrage wordt door de betrokken lidstaat aangevuld binnen 90 dagen na het verzenden van het verzoek.

6.   Wanneer er voor een andere operatie dan een snellereactieoperatie financiële middelen nodig zijn voordat er voldoende bijdragen voor die operatie zijn ontvangen:

a)

mogen bijdragen die vooraf zijn betaald door lidstaten die aan de financiering van die operatie bijdragen, na goedkeuring door de voorafbetalende lidstaten, worden gebruikt voor 75 % van hun waarde ter dekking van voor die operatie verschuldigde bijdragen. De vooraf betaalde bijdragen worden door de voorafbetalende lidstaten aangevuld binnen 90 dagen na het verzenden van het verzoek;

b)

worden in het onder a) van dit lid bedoelde geval de bijdragen die voor de operatie uit hoofde van artikel 25, lid 1, verschuldigd zijn door lidstaten die hun bijdrage niet vooraf hebben betaald, na goedkeuring door de betrokken lidstaten betaald binnen vijf dagen na het verzenden door de beheerder van het verzoek tot betaling.

7.   Onverminderd artikel 32, lid 3, mag de operationeel commandant de te zijner beschikking gestelde bedragen vastleggen en betalen.

8.   Iedere lidstaat kan zijn keuze ongedaan maken door de beheerder daarvan ten minste drie maanden van te voren in kennis te stellen.

9.   De rente op de voorfinanciering wordt jaarlijks verdeeld over de voorafbetalende lidstaten, en aan hun voorzieningen toegevoegd. De betrokken lidstaten worden van de bedragen in kennis gesteld als onderdeel van de jaarlijkse procedure voor goedkeuring van de begroting.

Artikel 27

Terugbetaling van voorfinanciering

1.   Een lidstaat, een derde staat of, in voorkomend geval, een internationale organisatie die door de Raad gemachtigd is een deel van de gemeenschappelijke kosten van een operatie voor te financieren, kan hiervan terugbetaling door ATHENA verkrijgen. Daartoe wordt uiterlijk twee maanden na de einddatum van de betrokken operatie een van de nodige bewijsstukken vergezeld verzoek aan de beheerder gericht.

2.   Op een verzoek om terugbetaling kan uitsluitend worden ingegaan als het is goedgekeurd door de operationeel commandant, indien die nog in functie is, en de beheerder.

3.   Als een door een bijdragende staat ingediend verzoek om terugbetaling wordt goedgekeurd, mag het bedrag in mindering worden gebracht op het eerstvolgende verzoek om een bijdrage dat de beheerder aan die staat richt.

4.   Indien er op het ogenblik van de goedkeuring van het verzoek om terugbetaling geen verzoek om een bijdrage is gepland, of indien het goedgekeurde verzoek om terugbetaling de geplande bijdrage zou overschrijden, gaat de beheerder binnen 30 dagen over tot terugbetaling van het bedrag, rekening houdend met de kasmiddelen van ATHENA en de behoeften inzake financiering van de gemeenschappelijke kosten van de betrokken operatie.

5.   Terugbetaling is verschuldigd overeenkomstig dit besluit, zelfs als de operatie wordt geannuleerd.

6.   De terugbetaling omvat de rente die is verdiend op het via voorfinanciering beschikbaar gestelde bedrag.

Artikel 28

Beheer door ATHENA van uitgaven die niet in de gemeenschappelijke kosten zijn opgenomen

1.   Het speciaal comité kan op voorstel van de beheerder, en met medewerking van de operationeel commandant, of van een lidstaat, besluiten dat het administratieve beheer van bepaalde uitgaven voor een operatie („door de staten gedragen kosten”), wordt toevertrouwd aan ATHENA, hoewel de desbetreffende lidstaten hiervoor verantwoordelijk blijven.

2.   Het speciaal comité kan in zijn besluit de operationeel commandant machtigen namens de aan een operatie deelnemende lidstaten, en in voorkomend geval namens derden, contracten af te sluiten voor het verwerven van de diensten en goederen die moeten worden gefinancierd als door de staten gedragen kosten.

3.   Het speciaal comité stelt in zijn besluit de nadere bijzonderheden voor de voorfinanciering van door de staten gedragen kosten vast.

4.   ATHENA houdt een boekhouding van de door de staten gedragen kosten die door het mechanisme worden beheerd, en die door de afzonderlijke lidstaten, en in voorkomend geval door derde partijen, zijn gemaakt. ATHENA stuurt elke lidstaat, en in voorkomend geval deze derden, maandelijks een overzicht van uitgaven te zijner laste die door hem of door zijn personeel de afgelopen maand zijn verricht, en verzoekt om de nodige middelen om deze uitgaven te dekken. Binnen 30 dagen na het versturen van het verzoek om middelen maken de lidstaten, en in voorkomend geval deze derden, de gevraagde middelen over aan ATHENA.

Artikel 29

Achterstandsrente

1.   Indien een staat zijn financiële verplichtingen niet nakomt, zijn de regels van de Unie inzake achterstandsrente van artikel 71 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (4) met betrekking tot de betaling van de bijdragen aan de begroting van de EU, van overeenkomstige toepassing op die staat.

2.   Wanneer niet meer dan tien dagen te laat betaald wordt, wordt er geen rente in rekening gebracht. Wanneer meer dan tien dagen te laat betaald wordt, wordt rente aangerekend voor de volledige duur van de achterstand.

HOOFDSTUK 8

UITVOERING VAN DE UITGAVEN

Artikel 30

Beginselen

1.   De kredieten van ATHENA worden besteed overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer, namelijk zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid.

2.   Ordonnateurs zijn belast met het innen van de ontvangsten en het verrichten van de uitgaven van ATHENA overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer, en staan in voor de wettigheid en regelmatigheid ervan. Voor het verrichten van uitgaven gaan de ordonnateurs vastleggingen en juridische verbintenissen aan, stellen zij de uitgaven betaalbaar, geven zij betalingsopdrachten en verrichten zij de voor de besteding van de kredieten vereiste voorafgaande handelingen. Een ordonnateur kan zijn functies delegeren door middel van een besluit dat voorziet in:

a)

delegatieverkrijgers van het gepaste niveau,

b)

de omvang van de toegekende bevoegdheden,

c)

de mogelijkheid voor de delegatieverkrijgers om hun bevoegdheden te subdelegeren.

3.   De besteding van de kredieten geschiedt volgens het beginsel van de scheiding van ordonnateur en rekenplichtige. De ambten van ordonnateur en van rekenplichtige zijn onderling niet verenigbaar. Voor elke betaling die wordt verricht uit de door ATHENA beheerde middelen is zowel de handtekening van een ordonnateur als die van een rekenplichtige vereist.

4.   Onverminderd dit besluit passen een lidstaat, een EU-instelling of, in voorkomend geval, een internationale organisatie bij het verrichten van gemeenschappelijke uitgaven de regels toe die gelden voor het verrichten van de eigen uitgaven. Wanneer de beheerder de uitgaven rechtstreeks verricht, past hij de regels toe die gelden voor de uitvoering van de afdeling „Raad” van de algemene begroting van de Europese Unie.

5.   De beheerder kan aan het voorzitterschap echter elementen voorleggen voor een voorstel aan de Raad of het speciaal comité betreffende regels voor het verrichten van gemeenschappelijke uitgaven.

6.   Het speciaal comité kan voor de uitvoering van de gemeenschappelijke uitgaven regels goedkeuren die afwijken van lid 4.

Artikel 31

Gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties, of die niet direct met een specifieke operatie verband houden

De beheerder oefent de functie uit van ordonnateur van de uitgaven ter dekking van de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties, en van de gemeenschappelijke kosten die niet direct met een specifieke operatie in verband kunnen worden gebracht.

Artikel 32

Operationele gemeenschappelijke kosten

1.   De operationeel commandant oefent de functie uit van ordonnateur van de uitgaven ter dekking van de operationele gemeenschappelijke kosten van de operatie waarover hij het bevel voert. Het is echter de beheerder die de functie uitoefent van ordonnateur van de uitgaven ter dekking van de operationele gemeenschappelijke kosten die tijdens de voorbereidende fase van een specifieke operatie worden gemaakt en rechtstreeks door ATHENA worden betaald, of betrekking hebben op de operatie nadat de actieve fase ervan is beëindigd.

2.   De bedragen die nodig zijn voor het verrichten van de uitgaven van een operatie worden door de beheerder van de bankrekening van ATHENA overgemaakt aan de operationeel commandant, op diens verzoek, en wel op de namens ATHENA geopende bankrekening waarvan de gegevens door de operationeel commandant aan de beheerder zijn meegedeeld.

3.   In afwijking van artikel 18, lid 5, geeft de aanneming van een referentiebedrag de beheerder en de operationeel commandant het recht om, elk op zijn bevoegdheidsgebied, voor de betrokken operatie uitgaven vast te leggen en te betalen ten belope van het percentage van het referentiebedrag dat krachtens artikel 25, lid 1, is vastgesteld, tenzij de Raad besluit het niveau van de vastleggingen te verhogen.

Het speciaal comité kan op voorstel van de beheerder of van de operationeel commandant en rekening houdend met de operationele noodzaak en urgentie, besluiten dat bijkomende uitgaven kunnen worden vastgelegd en, in voorkomend geval, betaald. Het speciaal comité kan besluiten de zaak via het voorzitterschap te verwijzen naar de bevoegde voorbereidende organen van de Raad, tenzij de omstandigheden van de operatie een ander optreden vereisen. Deze afwijking is niet meer van toepassing vanaf de datum waarop een begroting voor de betrokken operatie is aangenomen.

4.   Tijdens de periode voorafgaand aan de aanneming van een begroting voor een operatie, leggen de beheerder en de operationeel commandant of zijn vertegenwoordiger elk voor zich elke maand aan het speciaal comité rekening en verantwoording af over de uitvoering van de uitgaven die in aanmerking komen als gemeenschappelijke kosten voor deze operatie. Het speciaal comité kan, op voorstel van de beheerder, de operationeel commandant of een lidstaat, richtsnoeren uitvaardigen over de uitvoering van uitgaven tijdens die periode.

5.   In afwijking van artikel 18, lid 5, kan de commandant van een operatie, ingeval van dreigend gevaar voor het leven van personeelsleden die aan deze militaire operatie van de EU deelnemen, boven de in de begroting opgevoerde kredieten de uitgaven verrichten die nodig zijn om het leven van deze personeelsleden te redden. Hij stelt de beheerder en het speciaal comité daarvan zo spoedig mogelijk in kennis. In dergelijk geval stelt de beheerder, in samenspraak met de operationeel commandant, de overschrijvingen voor die nodig zijn voor deze onvoorziene uitgaven. Indien het onmogelijk is om door middel van overschrijvingen te voorzien in voldoende financiering voor deze uitgaven, stelt de beheerder een gewijzigde begroting voor.

HOOFDSTUK 9

EINDBESTEMMING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJK GEFINANCIERDE UITRUSTING EN INFRASTRUCTUUR

Artikel 33

Uitrusting en infrastructuur

1.   Met het oog op de afwikkeling van de operatie onder zijn bevel, stelt de operationeel commandant een eindbestemming voor voor de uitrusting en infrastructuur die voor die operatie gemeenschappelijk zijn gefinancierd. Hij stelt in voorkomend geval het toepasselijke afschrijvingspercentage aan het speciaal comité voor.

2.   De beheerder beheert de uitrusting en infrastructuur die na de actieve fase van de operatie overblijven, teneinde hieraan eventueel een eindbestemming te geven. Hij stelt in voorkomend geval het toepasselijke afschrijvingspercentage aan het speciaal comité voor.

3.   Het afschrijvingspercentage voor uitrusting, infrastructuur en andere goederen wordt zo spoedig mogelijk door het speciaal comité goedgekeurd.

4.   De eindbestemming van gemeenschappelijk gefinancierde uitrusting en infrastructuur wordt door het speciaal comité goedgekeurd, met inachtneming van de operationele behoeften en financiële criteria. Wat de eindbestemming betreft:

a)

kan infrastructuur via ATHENA worden verkocht of afgestaan aan het gastland, een lidstaat of een derde;

b)

kan uitrusting via ATHENA worden verkocht aan een lidstaat, het gastland of een derde, dan wel door ATHENA, een lidstaat of deze derde opgeslagen en onderhouden worden.

5.   In geval van verkoop wordt uitrusting en infrastructuur verkocht tegen verkoopwaarde of, wanneer de verkoopwaarde niet kan worden vastgesteld, tegen een billijke en redelijke prijs, rekening houdend met specifieke lokale omstandigheden.

6.   De verkoop of de overdracht aan het gastland of aan een derde geschiedt overeenkomstig de geldende veiligheidsvoorschriften ter zake.

7.   Wanneer wordt besloten dat ATHENA de naar aanleiding van een operatie gemeenschappelijk gefinancierde uitrusting behoudt, kunnen de bijdragende lidstaten een financiële compensatie vragen aan de andere deelnemende lidstaten. Het speciaal comité, in zijn samenstelling van de vertegenwoordigers van alle deelnemende lidstaten, neemt de toepasselijke besluiten op voorstel van de beheerder.

HOOFDSTUK 10

BOEKHOUDING EN INVENTARIS

Artikel 34

Boekhouding van de operationele gemeenschappelijke kosten

De operationeel commandant houdt een boekhouding van de stortingen die hij ontvangt van ATHENA, van de uitgaven die hij vastlegt, van de betalingen die hij verricht, en van de inkomsten die hij ontvangt, en houdt tevens een inventaris bij van de uit de ATHENA-begroting gefinancierde roerende goederen die gebruikt worden voor de operatie waarover hij het bevel voert.

Artikel 35

Geconsolideerde boekhouding

1.   De rekenplichtige houdt een boekhouding van de opgevraagde bijdragen en de verrichte stortingen. Voorts stelt hij de boekhouding op van de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties, alsook van de operationele uitgaven en ontvangsten die zijn uitgevoerd onder de directe verantwoordelijkheid van de beheerder.

2.   De rekenplichtige stelt de geconsolideerde boekhouding op van de ontvangsten en uitgaven van ATHENA. Elke operationeel commandant doet hem daartoe de boekhouding toekomen van de uitgaven die hij heeft vastgelegd, de betalingen die hij heeft verricht, en de inkomsten die hij heeft ontvangen.

HOOFDSTUK 11

CONTROLE EN AFLEGGEN VAN REKENING EN VERANTWOORDING

Artikel 36

Geregelde verslaglegging aan het speciaal comité

De beheerder legt aan het speciaal comité om de drie maanden een staat voor van de uitvoering van de ontvangsten en uitgaven sedert het begin van het begrotingsjaar. Elke operationeel commandant bezorgt de beheerder daartoe een staat van de uitgaven met betrekking tot de operationele gemeenschappelijke kosten van de operatie waarover hij het bevel voert.

Artikel 37

Voorwaarden inzake de uitoefening van de controles

1.   De personen die belast zijn met de controle van de ontvangsten en uitgaven van ATHENA moeten voorafgaand aan de uitvoering van hun opdracht gemachtigd zijn om toegang te krijgen tot gerubriceerde gegevens van de Raad van ten minste het niveau „SECRET UE”, of zij moeten, in voorkomend geval, een soortgelijke machtiging van een lidstaat of van de NAVO hebben. Deze personen zorgen ervoor dat de vertrouwelijkheid van de gegevens geëerbiedigd wordt, en dat de gegevens waarvan zij tijdens hun controleopdracht kennis nemen, beschermd worden overeenkomstig de op deze gegevens toepasselijke voorschriften.

2.   De personen die zijn belast met de controle van de ontvangsten en uitgaven van ATHENA krijgen onmiddellijk en zonder voorafgaande kennisgeving toegang tot de documenten en de inhoud van elke informatiedrager in verband met deze ontvangsten en uitgaven, alsook tot de ruimten waar deze documenten en informatiedragers worden bewaard. Zij kunnen hiervan kopieën maken. De personen die betrokken zijn bij de uitvoering van de ontvangsten en uitgaven van ATHENA verlenen de beheerder en de personen belast met de controle van de ontvangsten en uitgaven de medewerking die nodig is voor de uitvoering van hun opdracht.

Artikel 38

Externe controle van de rekeningen

1.   Indien de uitvoering van de uitgaven van ATHENA is toevertrouwd aan een lidstaat, een instelling van de Unie of een internationale organisatie, dan past deze staat, deze instelling of deze organisatie de regels toe die gelden voor de controle van de eigen uitgaven.

2.   De beheerder of de door hem aangewezen personen kunnen echter te allen tijde overgaan tot een controle van de gemeenschappelijke kosten van ATHENA ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties, of de gemeenschappelijke operationele kosten van een operatie. Voorts kan het speciaal comité, op voorstel van de beheerder of van een lidstaat, op elk tijdstip externe controleurs aanstellen van wie de opdrachten en arbeidsvoorwaarden door het comité worden bepaald.

3.   Met het oog op externe controles wordt een accountantscollege van zes leden ingesteld. Het speciaal comité benoemt uit de door de lidstaten voorgestelde kandidaten leden voor een periode van drie jaar, die eenmaal kan worden hernieuwd. Het speciaal comité kan het mandaat van een lid met maximaal zes maanden verlengen.

De kandidaten moeten lid zijn van het hoogste nationale controleorgaan van een lidstaat, of door dat orgaan zijn aanbevolen, en voldoende waarborgen bieden inzake veiligheid en onafhankelijkheid. Zij moeten beschikbaar zijn om in voorkomend geval opdrachten namens ATHENA uit te voeren. Tijdens de uitoefening van die opdrachten:

a)

blijven de leden van het college bezoldigd door hun controleorgaan van oorsprong; draagt ATHENA hun dienstreiskosten overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op ambtenaren van de Europese Unie met een gelijkwaardige rang;

b)

mogen de leden uitsluitend van het speciaal comité instructies vragen of ontvangen; binnen het controlemandaat zijn het accountantscollege en zijn leden volledig onafhankelijk en als enige verantwoordelijk voor het verloop van de externe controle;

c)

rapporteren de leden over hun opdracht enkel aan het speciaal comité;

d)

gaan de leden, in de loop van het begrotingsjaar evenals ex-post, door middel van controles ter plaatse alsook op basis van ondersteunende documenten, na of de door ATHENA gefinancierde of voorgefinancierde uitgaven worden uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke wetgeving en de beginselen van goed financieel beheer, namelijk zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid, en of de interne controles adequaat zijn.

Elk jaar kiest het accountantscollege uit zijn leden zijn voorzitter, of verlengt het diens mandaat. Het neemt voor de door zijn leden uitgevoerde controles regels aan die met de strengste internationale normen overeenstemmen. Het college keurt de door zijn leden opgestelde verslagen goed alvorens ze aan de beheerder en het speciaal comité te doen toekomen.

4.   Het speciaal comité kan per geval en op specifieke gronden besluiten een beroep te doen op andere externe organen.

5.   De kosten voor de controles die de namens ATHENA handelende controleurs maken, worden beschouwd als gemeenschappelijke kosten ten laste van ATHENA.

Artikel 39

Interne controle van de rekeningen

1.   Op voorstel van de beheerder en na het speciaal comité te hebben ingelicht, benoemt de secretaris-generaal van de Raad een interne controleur van ATHENA en ten minste één plaatsvervangend interne controleur voor een periode van drie jaar, die een keer kan worden verlengd; de interne controleurs moeten de nodige beroepskwalificaties hebben en voldoende waarborgen bieden inzake veiligheid en onafhankelijkheid. De interne controleur kan noch ordonnateur noch rekenplichtige zijn; hij mag niet deelnemen aan de opstelling van de financiële staten.

2.   De interne controleur rapporteert aan de beheerder over het beheersen van de risico's door onafhankelijke adviezen uit te brengen over de kwaliteit van de beheer- en controlesystemen en aanbevelingen te formuleren ter verbetering van de interne controle bij de operaties en ter bevordering van een goed financieel beheer. Hij is met name belast met het beoordelen van zowel de toereikendheid en doeltreffendheid van de interne beheersystemen als de verrichting van de diensten bij de uitvoering van de beleidsmaatregelen en doelstellingen in relatie met de ermee verbonden risico's.

3.   De werkzaamheden van de interne controleur strekken zich uit tot alle diensten die betrokken zijn bij het innen van de ontvangsten van ATHENA of de uitvoering van de via ATHENA gefinancierde uitgaven.

4.   De interne controleur verricht naar gelang van de behoefte in de loop van het begrotingsjaar één of meer controles. Hij rapporteert aan de beheerder en deelt zijn bevindingen en aanbevelingen mee aan de operationeel commandant. De operationeel commandant en de beheerder zorgen ervoor dat de uit de controles voortvloeiende aanbevelingen worden opgevolgd.

5.   De beheerder brengt jaarlijks verslag uit aan het speciaal comité over de interne controlewerkzaamheden en vermeldt het aantal en de soorten uitgevoerde interne controles, de bevindingen, de gedane aanbevelingen en het gevolg dat aan die aanbevelingen is gegeven.

6.   Voorts garandeert elke operationeel commandant de interne controleur volledige toegang tot de operatie waarover hij het bevel voert. De interne controleur gaat na of de financierings- en begrotingssystemen en -procedures goed functioneren en zorgt voor de goede werking van degelijke, doeltreffende systemen voor interne controle.

7.   De bevindingen en de verslagen van de interne controleur worden tezamen met de betrokken bewijsstukken ter beschikking gesteld van het college van controleurs.

Artikel 40

Jaarlijkse rekening en sluiting van de rekeningen

1.   Alle operationele commandanten verstrekken de rekenplichtige van ATHENA vóór 31 maart die volgt op de afsluiting van het begrotingsjaar, of binnen vier maanden na het einde van de operatie waarover zij het bevel voerden, indien dit eerder is, de informatie die nodig is om de jaarrekeningen voor de gemeenschappelijke kosten, de jaarrekeningen voor uit hoofde van artikel 28 van dit besluit voorgefinancierde en terugbetaalde uitgaven en het jaarlijks activiteitenverslag op te stellen.

2.   Vóór 15 mei die volgt op de afsluiting van het begrotingsjaar stelt de beheerder met medewerking van de rekenplichtige en van alle operationele commandanten de financiële staten en het jaarlijks activiteitenverslag op, en dient hij die bij het speciaal comité en het accountantscollege in.

3.   Het speciaal comité ontvangt, binnen acht weken na de toezending van de financiële staten, van het accountantscollege een accountantsadvies en van de beheerder, bijgestaan door de rekenplichtige en alle operationele commandanten, de gecontroleerde financiële staten van ATHENA.

4.   Het speciaal comité ontvangt vóór 30 september na de afsluiting van het begrotingsjaar het accountantsverslag van het accountantscollege, en bespreekt het accountantsverslag, het accountantsadvies en de financiële staten met het oog op het verlenen van kwijting aan de beheerder, de rekenplichtige en alle operationele commandanten.

5.   De rekenplichtige en elke operationeel commandant bewaren alle rekeningen en inventarissen, elk op zijn niveau, gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de desbetreffende kwijting is verleend. Wanneer een operatie is afgerond, zorgt de operationeel commandant ervoor dat alle rekeningen en inventarissen aan de rekenplichtige worden toegezonden.

6.   Het speciaal comité besluit om het saldo van de uitvoering van het begrotingsjaar waarvan de rekeningen zijn goedgekeurd, door middel van een gewijzigde begroting in de begroting van het volgende begrotingsjaar op te nemen, naar omstandigheid onder de ontvangsten of onder de uitgaven. Het speciaal comité kan evenwel besluiten om het saldo van bovengenoemde uitvoering van het begrotingsjaar in de begroting van het volgende begrotingsjaar op te nemen, nadat het het accountantsadvies van het accountantscollege heeft ontvangen.

7.   Het deel van het saldo van de uitvoering van een begrotingsjaar dat afkomstig is van de besteding van de kredieten ter dekking van de gemeenschappelijke kosten ter voorbereiding van of in aansluiting op operaties wordt toegerekend op de eerstkomende bijdragen van de deelnemende lidstaten.

8.   Het deel van het saldo van de uitvoering van een begrotingsjaar dat afkomstig is van de besteding van de kredieten ter dekking van de operationele gemeenschappelijke kosten van een bepaalde operatie wordt toegerekend op de eerstkomende bijdragen van de lidstaten die aan deze operatie hebben bijgedragen.

9.   Indien terugbetaling niet kan geschieden door aftrek van de aan ATHENA verschuldigde bijdragen, wordt het saldo van de uitvoering van het begrotingsjaar aan de betrokken lidstaten terugbetaald volgens de bni-verdeelsleutel van het jaar van terugbetaling.

10.   Elke aan de operatie deelnemende lidstaat kan elk jaar vóór 31 maart aan de beheerder, waar passend, via de operationeel commandant, informatie verstrekken over de bijkomende kosten die hij in het vorige begrotingsjaar voor de operatie gemaakt heeft. Deze informatie wordt uitgesplitst naar de belangrijkste uitgavenposten. De beheerder brengt deze informatie bijeen zodat het speciaal comité een overzicht heeft van de bijkomende kosten van de operatie.

Artikel 41

Sluiting van de rekeningen van een operatie

1.   Wanneer een operatie is afgerond, kan het speciaal comité, op voorstel van de beheerder of een lidstaat, besluiten dat de beheerder met de medewerking van de rekenplichtige en de operationeel commandant bij het speciaal comité de financiële staten voor deze operatie indient tot ten minste de datum van voltooiing en, indien mogelijk, de datum van afwikkeling ervan. De aan de beheerder toegekende termijn mag niet korter zijn dan vier maanden te rekenen vanaf de datum van voltooiing van de operatie.

2.   Indien de ontvangsten en uitgaven in verband met de afwikkeling van een operatie niet binnen de toegekende termijn in de financiële staten kunnen worden opgenomen, komen deze te staan in de financiële staten van ATHENA en worden zij in het kader van de procedure van artikel 40 door het speciaal comité nagezien.

3.   Het speciaal comité keurt op basis van een advies van het accountantscollege de bij hem ingediende financiële staten voor de operatie goed. Het geeft kwijting aan de beheerder, de rekenplichtige en aan elke operationeel commandant voor de desbetreffende operatie.

4.   Indien terugbetaling niet kan geschieden door aftrek van de aan ATHENA verschuldigde bijdragen, wordt het saldo van de uitvoering van het begrotingsjaar aan de betrokken lidstaten terugbetaald volgens de bni-verdeelsleutel van het jaar van terugbetaling.

HOOFDSTUK 12

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 42

Aansprakelijkheid

1.   De voorwaarden waaronder de operationeel commandant, de beheerder en het andere personeel dat met name door de instellingen van de Unie of de lidstaten ter beschikking is gesteld, tucht- en strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor fouten of nalatigheid bij de uitvoering van de begroting, worden geregeld door het statuut of de regelingen die op hen van toepassing zijn. Bovendien kan ATHENA op eigen initiatief of op verzoek van een bijdragende staat het bedoelde personeel burgerrechtelijk aansprakelijk stellen.

2.   In geen geval kunnen de Unie of de secretaris-generaal van de Raad door een bijdragende staat aansprakelijk worden gesteld voor de wijze waarop de beheerder, de rekenplichtige of het te hunner beschikking gestelde personeel hun functie vervullen.

3.   De contractuele aansprakelijkheid die kan ontstaan naar aanleiding van overeenkomsten die bij de uitvoering van de begroting worden gesloten, wordt via ATHENA door de bijdragende staten gedragen. Zij wordt geregeld door de wetgeving die op de betrokken overeenkomsten van toepassing is.

4.   Wat de niet-contractuele aansprakelijkheid betreft, wordt de schade die is veroorzaakt door de operationele hoofdkwartieren, de hoofdkwartieren van de troepenmacht en de deelhoofdkwartieren van de troepenmacht welke deel uitmaken van de crisisstructuur waarvan de samenstelling wordt vastgesteld door de operationeel commandant, dan wel door het daaraan toegewezen personeel in de uitoefening van zijn functie, via ATHENA door de bijdragende staten gedekt, in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, en met de bepalingen van het statuut van de troepenmacht die van toepassing zijn op het terrein waar deze wordt ingezet.

5.   In geen geval kunnen de Unie of de lidstaten door een bijdragende staat aansprakelijk worden gesteld naar aanleiding van overeenkomsten gesloten in het kader van de uitvoering van de begroting of voor schade veroorzaakt door de eenheden en diensten die deel uitmaken van de crisisstructuur waarvan de samenstelling wordt vastgesteld door de operationeel commandant, dan wel door het daaraan toegewezen personeel in de uitoefening van zijn functie.

Artikel 43

Toetsing en herziening

Dit besluit, met inbegrip van de bijlagen, wordt, indien nodig, op verzoek van een lidstaat of na elke operatie geheel of gedeeltelijk getoetst. Het besluit wordt tenminste elke drie jaar herzien. Bij de toetsing en de herziening van het besluit kan een beroep worden gedaan op alle deskundigen die een nuttige bijdrage tot de werkzaamheden kunnen leveren, en met name op de beheersorganen van ATHENA.

Artikel 44

Slotbepalingen

Besluit 2008/975/GBVB wordt ingetrokken.

Artikel 45

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 19 december 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. KOROLEC


(1)  PB L 63 van 28.2.2004, blz. 68.

(2)  PB L 345 van 23.12.2008, blz. 96.

(3)  PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

(4)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.


BIJLAGE I

OMSCHRIJVING VAN GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN DIE SYSTEMATISCH VOOR REKENING VAN ATHENA KOMEN

Ingeval de onderstaande gemeenschappelijke kosten niet rechtstreeks kunnen worden gekoppeld aan een specifieke operatie, kan het speciaal comité besluiten de overeenkomstige kredieten op te nemen in het algemene gedeelte van de jaarlijkse begroting. Deze kredieten moeten zoveel mogelijk worden opgenomen in begrotingsartikelen die de operatie aangeven waarop zij het meest betrekking hebben.

1.

Missie-uitgaven die zijn gemaakt door de operationeel commandant en zijn personeel om de rekeningen van een operatie in te dienen bij het speciaal comité.

2.

Via ATHENA te betalen vergoedingen voor schade en kosten die voortvloeien uit vorderingen en gerechtelijke procedures.

3.

Kosten ingevolge een besluit om materiaal op te slaan dat ten behoeve van een operatie gemeenschappelijk is verworven. (Wanneer deze kosten worden opgenomen in het algemene gedeelte van de jaarlijkse begroting moet een verband met een specifieke operatie worden vermeld).

Het algemene gedeelte van de jaarlijkse begroting omvat voorts, waar nodig, kredieten om de volgende gemeenschappelijke kosten te dekken in operaties aan de financiering waarvan de deelnemende lidstaten bijdragen:

1.

Bankkosten;

2.

Kosten voor controle van de rekeningen;

3.

Gemeenschappelijke kosten met betrekking tot de voorbereidende fase van een operatie zoals gedefinieerd in bijlage II;

4.

Kosten in verband met de ontwikkeling en het beheer van het boekhoud- en vermogensbeheersysteem van ATHENA.


BIJLAGE II

OPERATIONELE GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN VAN DE VOORBEREIDENDE FASE VAN EEN OPERATIE DIE VOOR REKENING VAN ATHENA KOMEN

Bijkomende kosten die nodig zijn voor de verkennende missies en de voorbereidingen (met name informatieopdrachten en verkenning) van militair en burgerpersoneel, ten behoeve van een specifieke militaire operatie van de EU: vervoer, huisvesting, gebruik van operationele communicatiemiddelen, aanwerving van plaatselijk burgerpersoneel voor de uitvoering van de missie zoals tolken en chauffeurs.

Medische diensten: de kosten van dringende medische evacuatie (Medevac) van personen die deelnemen aan de verkennende missies en de voorbereidingen van militair en burgerpersoneel ten behoeve van een specifieke militaire operatie van de EU, wanneer in het inzetgebied geen medische behandeling kan worden verstrekt.


BIJLAGE III

DEEL A

OPERATIONELE GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN VAN DE ACTIEVE FASE VAN OPERATIES DIE ALTIJD VOOR REKENING VAN ATHENA KOMEN

Voor elke militaire operatie van de EU neemt ATHENA de hieronder omschreven bijkomende kosten die nodig zijn voor de operatie, als operationele gemeenschappelijke kosten voor zijn rekening.

1.   Bijkomende kosten voor (mobiele of vaste) hoofdkwartieren van door de Europese Unie geleide operaties.

1.1.

Hoofdkwartieren waarvan de bijkomende kosten gemeenschappelijk worden gefinancierd:

a)   Hoofdkwartier (HQ): hoofdkwartier (HQ), commando-onderdelen en ondersteunende onderdelen als omschreven in het operatieplan (OPLAN).

b)   Operationeel hoofdkwartier (OHQ): het vaste hoofdkwartier van de operationeel commandant buiten het inzetgebied, dat verantwoordelijk is voor het opbouwen, inzetten, ondersteunen en terugtrekken van een troepenmacht van de Europese Unie.

De omschrijving van de op een operationeel hoofdkwartier toepasselijke gemeenschappelijke kosten geldt tevens voor het secretariaat-generaal van de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden en ATHENA voor zover deze rechtstreeks voor deze operatie handelen.

c)   Hoofdkwartier van de troepenmacht (FHQ): het hoofdkwartier van een in het operatiegebied ingezette troepenmacht van de EU.

d)   Deelhoofdkwartier (CCHQ): het hoofdkwartier van een bevelhebber van een EU-troepenmachtcomponent die voor de operatie is ingezet (bv. luchtmacht-, landmacht-, zeemachtcommandanten en commandanten van speciale troepen wier aanwijzing naar gelang van de aard van de operatie nodig wordt geacht).

1.2.

Gemeenschappelijk gefinancierde bijkomende kosten:

a)   Transportkosten: transport naar en vanuit het inzetgebied om het hoofdkwartier van de troepenmacht en de deelhoofdkwartieren op te zetten, te ondersteunen en te hergroeperen.

b)   Vervoer en logies: vervoer- en logieskosten die door het operationeel hoofdkwartier worden gemaakt voor officiële reizen die voor de operatie noodzakelijk zijn; vervoer- en logieskosten die door personeel van opgezette hoofdkwartieren worden gemaakt in verband met officiële reizen naar Brussel en/of de plaats van met operaties verband houdende vergaderingen.

c)   Transport/vervoer (met uitzondering van dagvergoedingen) van hoofdkwartieren binnen het inzetgebied: uitgaven in verband met het voertuigtransport alsmede overig vervoer met andere middelen en vrachtkosten, met inbegrip van reizen van versterkingen en bezoekers; bijkomende brandstofkosten bovenop wat normale operaties zouden hebben gekost; huur van extra voertuigen; kosten van de aansprakelijkheidsverzekeringen die door sommige landen worden opgelegd aan internationale organisaties die op hun grondgebied operaties uitvoeren.

d)   Administratie: aanvullende benodigdheden voor kantoor en logies, contractuele diensten en voorzieningen, onderhoudskosten van de gebouwen van de hoofdkwartieren.

e)   Burgerpersoneel dat in de in aanmerking komende hoofdkwartieren specifiek is aangeworven voor operationele behoeften: voor het uitvoeren van de operatie vereist burgerpersoneel dat in de Unie werkt, internationaal personeel en in het inzetgebied aangeworven personeel bovenop de normale operationele vereisten (met inbegrip van betalingen als vergoeding voor overwerk).

f)   Communicatie tussen in aanmerking komende hoofdkwartieren en tussen in aanmerking komende hoofdkwartieren onderling en de rechtstreeks ondergeschikte troepenmachten: kapitaaluitgaven voor de aankoop en het gebruik van aanvullende communicatie- en IT-uitrusting en kosten in verband met geleverde diensten (huur en onderhoud van modems, telefoonlijnen, satelliettelefoons, cryptofax, beveiligde lijnen, internettoegang, datalijnen, lokale netwerken).

g)   Kazernes en onderkomen/infrastructuur: uitgaven voor het aankopen, huren of opknappen van eventueel benodigde hoofdkwartierfaciliteiten in het inzetgebied (huur van gebouwen, schuilplaatsen, tenten).

h)   Voorlichting van het publiek: kosten in verband met voorlichtingscampagnes en het informeren van de media op het operationele hoofdkwartier en het hoofdkwartier van de strijdkrachten, overeenkomstig de door het operationele hoofdkwartier uitgewerkte voorlichtingsstrategie.

i)   Representatie en het onderhouden van goede relaties: representatiekosten; kosten op het niveau van het hoofdkwartier, die nodig zijn om een operatie uit te voeren.

2.   Bijkomende kosten voor de ondersteuning van de troepenmacht in haar geheel

De hieronder gedefinieerde kosten zijn die welke worden gemaakt voor het inzetten van de troepenmacht op de plaats van de operatie:

a)   Werken voor inzet/infrastructuur: uitgaven die voor de gehele troepenmacht absoluut noodzakelijk zijn om haar opdracht te kunnen vervullen (gemeenschappelijk gebruikte luchthaven, spoorwegen, havens, belangrijkste logistieke routes, met inbegrip van landingspunten en verzamelpunten; onderzoek, oppompen, behandeling, distributie en afvoer van water, de water- en elektriciteitsvoorzieningen, grondwerken en statische bescherming van de troepen, opslagplaatsen, met name voor brandstof en munitiedepots, logistieke verzamelpunten; technische ondersteuning voor gemeenschappelijk gefinancierde infrastructuur).

b)   Identificatiemiddelen: specifieke identificatiemiddelen zoals identiteitskaarten van de „Europese Unie”, badges, penningen, vlaggen met de kleuren van de Europese Unie of andere tekens ter identificatie van de troepenmacht of het hoofdkwartier (uitgezonderd kleding, hoofddeksels of uniformen).

c)   medische diensten en voorzieningen: dringende medische evacuatie (Medevac). Installatie van de diensten en voorzieningen 2 en 3 op het niveau van de operationele onderdelen van het inzetgebied zoals luchthavens en ontschepingshaven, als goedgekeurd in het operatieplan (OPLAN).

d)   Aankoop van informatie: satellietbeelden voor inlichtingen zoals goedgekeurd in het operatieplan (OPLAN), indien de financiering niet kan worden verricht uit de begroting van het Satellietcentrum van de Europese Unie (SCEU).

3.   Bijkomende kosten voor de gebruikmaking, door de EU, van gemeenschappelijke middelen en vermogens van de NAVO die ter beschikking worden gesteld aan een door de EU geleide operatie.

De kosten voor de EU die voortvloeien uit de toepassing voor een van haar militaire operaties van de regelingen tussen de Europese Unie en NAVO betreffende het vrijgeven, monitoren, teruggeven of terugroepen van gemeenschappelijke middelen en vermogens van de NAVO die ter beschikking worden gesteld aan een door de EU geleide operatie. Terugbetaling door de NAVO aan de EU.

4.   Door de Unie gemaakte bijkomende kosten voor goederen, diensten of werken die zijn opgenomen in de lijst van gemeenschappelijke kosten en in een door de EU geleide operatie ter beschikking worden gesteld door een lidstaat, een instelling van de Unie, een derde staat of een internationale organisatie overeenkomstig een regeling als bedoeld in artikel 11. Terugbetalingen door een staat, een instelling van de Unie of een internationale organisatie uit hoofde van een dergelijke regeling.

DEEL B

OPERATIONELE GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN VAN DE ACTIEVE FASE VAN EEN SPECIFIEKE OPERATIE DIE VOOR REKENING VAN ATHENA KOMEN INDIEN DE RAAD HIERTOE BESLUIT

Transportkosten: transport van en naar het inzetgebied om de voor de operatie noodzakelijke troepenmacht te ontplooien, te ondersteunen en te hergroeperen.

Multinationaal Taskforce-hoofdkwartier: het multinationale hoofdkwartier van de in het operatiegebied ingezette EU taskforces.

DEEL C

OPERATIONELE GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN DIE DOOR ATHENA WORDEN GEDRAGEN INGEVAL DE OPERATIONEEL COMMANDANT HIEROM VERZOEKT EN HET SPECIAAL COMITÉ DEZE GOEDKEURT

a)   Kazernes en onderkomen/infrastructuur: uitgaven voor het aankopen, huren of opknappen van faciliteiten in het inzetgebied (gebouwen, schuilplaatsen en tenten), voor zover dit noodzakelijk is voor de troepenmacht die voor de operatie wordt ingezet.

b)   Noodzakelijke aanvullende uitrusting: huur of aankoop, tijdens de operatie, van niet-voorziene specifieke uitrusting noodzakelijk voor het uitvoeren van de operatie, voor zover de aangekochte uitrusting aan het eind van de missie niet wordt gerepatrieerd.

c)   medische diensten en voorzieningen: installatie van de andere dan in deel A vermelde diensten en voorzieningen 2 in het inzetgebied.

d)   Aankoop van informatie: aankoop van informatie (satellietbeelden; inlichtingen op het terrein; verkenning en bewaking (ISR), met inbegrip van lucht/grondbewaking (AGSR); menselijke inlichtingen).

e)   Andere essentiële vermogens op het terrein: mijnenopruiming, indien nodig, voor de operatie, chemische, biologische, radiologische en nucleaire bescherming (CBRN)/opslag en vernietiging van in het operatiegebied verzamelde wapens en munitie.


BIJLAGE IV

OPERATIONELE GEMEENSCHAPPELIJKE KOSTEN VAN DE AFWIKKELING VAN EEN OPERATIE DIE VOOR REKENING VAN ATHENA KOMEN

Kosten voor het bepalen van de eindbestemming van de uitrusting en infrastructuur die ten behoeve van de operatie gemeenschappelijk zijn gefinancierd.

Bijkomende kosten voor het opstellen van de rekeningen van de operatie. De gemeenschappelijke kosten die uit hoofde hiervan in aanmerking komen, worden bepaald overeenkomstig bijlage III, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat het personeel dat nodig is voor de opstelling van de rekeningen deel uitmaakt van het operationeel hoofdkwartier, zelfs wanneer dit hoofdkwartier zijn activiteiten heeft gestaakt.


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/54


BESLUIT 2011/872/GBVB VAN DE RAAD

van 22 december 2011

inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van Besluit 2011/430/GBVB

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 27 december 2001 Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme vastgesteld (1).

(2)

De Raad heeft op 18 juli 2011 Besluit 2011/430/GBVB inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB vastgesteld (2).

(3)

Overeenkomstig artikel 1, lid 6, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB dient een volledige evaluatie te worden verricht van de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Besluit 2011/430/GBVB van toepassing is.

(4)

Dit besluit bevat de resultaten van de evaluatie die de Raad heeft verricht ten aanzien van de personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn.

(5)

De Raad heeft vastgesteld dat de personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, betrokken zijn geweest bij terroristische daden in de zin van artikel 1, leden 2 en 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB, dat ten aanzien van hen een beslissing is genomen door een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt en dat zij onderworpen moeten blijven aan de in dat gemeenschappelijk standpunt vervatte specifieke beperkende maatregelen.

(6)

De lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, moet dienovereenkomstig worden geactualiseerd, en Besluit 2011/430/GBVB moet worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Besluit 2011/430/GBVB wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 22 december 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. DOWGIELEWICZ


(1)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.

(2)  PB L 188 van 19.7.2011, blz. 47.


BIJLAGE

Lijst van personen, groepen en entiteiten als bedoeld in artikel 1

1.   PERSONEN

1.

ABDOLLAHI Hamed (alias Mustafa Abdullahi), geboren op 11.8.1960 in Iran, paspoort: D9004878

2.

ABOU, Rabah Naami (alias Naami Hamza, alias Mihoubi Faycal, alias Fellah Ahmed, alias Dafri Rèmi Lahdi), geboren op 1.2.1966 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

3.

ABOUD, Maisi (alias de Zwitserse Abderrahmane), geboren op 17.10.1964 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

4.

AL-NASSER, Abdelkarim Hussein Mohamed, geboren in Al Ihsa, Saudi-Arabië; Saudisch onderdaan

5.

AL YACOUB, Ibrahim Salih Mohammed, geboren op 16.10.1966 in Tarut, Saudi-Arabië; Saudisch onderdaan

6.

ARBABSIAR Manssor (alias Mansour Arbabsiar), geboren op 6.3.1955 of 15.3.1955 in Iran. Iraans en Amerikaans onderdaan. Paspoort: C2002515 (Iran); paspoort: 477845448 (VS); nationaal identiteitsbewijs nr.: 07442833, geldig tot 15.3.2016 (VS-rijbewijs)

7.

ARIOUA, Kamel (alias Lamine Kamel), geboren op 18.8.1969 in Constantine (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

8.

ASLI, Mohamed (alias Dahmane Mohamed), geboren op 13.5.1975 in Ain Taya (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

9.

ASLI, Rabah, geboren op 13.5.1975 in Ain Taya (Algerije) (lid van al-Takfir en al Hijra)

10.

BOUYERI, Mohamed (alias Abu ZUBAIR; alias SOBIAR; alias Abu ZOUBAIR), geboren op 8.3.1978 in Amsterdam, Nederland — lid van de Hofstadgroep

11.

DARIB, Noureddine (alias Carreto, alias Zitoun Mourad), geboren op 1.2.1972 in Algerije (lid van al-Takfir en al-Hijra)

12.

DJABALI, Abderrahmane (alias Touil), geboren op 1.6.1970 in Algerije (lid van al Takfir en al-Hijra)

13.

FAHAS, Sofiane Yacine, geboren op 10.9.1971 in Algiers, Algerije (lid van al Takfir en al-Hijra)

14.

IZZ-AL-DIN, Hasan (alias GARBAYA, Ahmed, alias SA-ID, alias SALWWAN, Samir), Libanon, geboren in 1963 in Libanon, Libanees onderdaan

15.

MOHAMMED, Khalid Shaikh (alias ALI, Salem; alias BIN KHALID, Fahd Bin Adballah; alias HENIN, Ashraf Refaat Nabith; alias WADOOD, Khalid Adbul) geboren op 14.4.1965 of 1.3.1964 in Pakistan, paspoort nr. 488555

16.

MOKTARI, Fateh (alias Ferdi Omar), geboren op 26.12.1974 in Hussein Dey (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

17.

NOUARA, Farid, geboren op 25.11.1973 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al Hijra)

18.

RESSOUS, Hoari (alias Hallasa Farid), geboren op 11.9.1968 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

19.

SEDKAOUI, Noureddine (alias Nounou), geboren op 23.6.1963 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

20.

SELMANI, Abdelghani (alias Gano), geboren op 14.6.1974 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

21.

SENOUCI, Sofiane, geboren op 15.4.1971 in Hussein Dey (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

22.

SHAHLAI Abdul Reza (alias Abdol Reza Shala'i, alias Abd-al Reza Shalai, alias Abdorreza Shahlai, alias Abdolreza Shahla'i, alias Abdul-Reza Shahlaee, alias Hajj Yusef, alias Haji Yusif, alias Hajji Yasir, alias Hajji Yusif, alias Yusuf Abu-al-Karkh), geboren rond 1957 in Iran; adressen: (1) Kermanshah, Iran, (2) Legerbasis Mehran, provincie Ilam, Iran

23.

SHAKURI Ali Gholam, geboren rond 1965 in Teheran, Iran

24.

SOLEIMANI Qasem (alias Ghasem Soleymani, alias Qasmi Sulayman, alias Qasem Soleymani, alias Qasem Solaimani, alias Qasem Salimani, alias Qasem Solemani, alias Qasem Sulaimani, alias Qasem Sulemani), geboren op 11.3.1957 in Iran; Iraans onderdaan; paspoort: 008827 (Iraans diplomatiek paspoort), afgegeven in 1999, titel: Generaal Majoor.

25.

TINGUALI, Mohammed (alias Mouh di Kouba), geboren op 21.4.1964 in Blida (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

26.

WALTERS, Jason Theodore James (alias Abdullah; alias David), geboren op 6.3.1985 in Amersfoort (Nederland), (Nederlands) paspoort nr. NE8146378 (lid van de "Hofstadgroep")

2.   GROEPEN EN ENTITEITEN

1.

Abu Nidal Organisation (ANO), (alias Fatah Revolutionaire Raad, Arabische Revolutionaire Brigades, Zwarte September, en Revolutionaire Organisatie van Socialistische Moslims)

2.

Al-Aqsa Martelarenbrigades

3.

Al-Aqsa e.V.

4.

Al-Takfir en al-Hijra

5.

Babbar Khalsa

6.

Communist Party of the Philippines, inclusief New People's Army (NPA), Filipijnen

7.

Gama'a al-Islamiyya (Islamitische Groep), (alias Al-Gama'a al-Islamiyya, IG)

8.

İslami Büyük Doğu Akıncılar Cephesi - Great Islamic Eastern Warriors Front (IBDA C)

9.

Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem)

10.

Hizbul Mujahideen (HM)

11.

Hofstadgroep

12.

Holy Land Foundation for Relief and Development

13.

International Sikh Youth Federation (ISYF)

14.

Khalisan Zindabad Force (KZF)

15.

Koerdische Arbeiderspartij (PKK), (alias KADEK; alias KONGRA-GEL)

16.

Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)

17.

Ejército de Liberación Nacional (Nationaal Bevrijdingsleger)

18.

Palestinian Islamic Jihad (PIJ) (Palestijnse Islamitische Jihad)

19.

Popular Front for the Liberation of Palestina (PFLP) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina)

20.

Popular Front for the Liberation of Palestine-General Command (alias PFLP-General Command, PFLP-GC) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina-Algemeen Commando)

21.

Fuerzas armadas revolucionarias de Colombia – Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC) (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia)

22.

Devrimci Halk Kurtuluș Partisi-Cephesi — DHKP/C, (alias Devrimci Sol (Revolutionair Links), Dev Sol) (Revolutionair Volksbevrijdingsleger/front/partij)

23.

Sendero Luminoso (SL) (Lichtend Pad)

24.

Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland)

25.

Teyrbazen Azadiya Kurdistan — TAK (alias Kurdistan Freedom Falcons (Koerdische Vrijheidsvalken), Kurdistan Freedom Hawks (Koerdische Vrijheidshaviken))


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/57


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 14 december 2011

betreffende de vaststelling van hoeveelheden en de toewijzing van quota voor stoffen die worden gereguleerd krachtens Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen, voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9196)

(Slechts de teksten in de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese en de Spaanse taal zijn authentiek)

(2011/873/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (1), en met name artikel 10, lid 2, en artikel 16,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het in de Unie in het vrije verkeer brengen van ingevoerde gereguleerde stoffen is aan kwantitatieve beperkingen onderworpen, zoals is bepaald in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1005/2009.

(2)

De Commissie dient voorts te bepalen welke hoeveelheden andere gereguleerde stoffen dan chloorfluorkoolwaterstoffen mogen worden gebruikt voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen en welke bedrijven deze mogen gebruiken.

(3)

De vaststelling van de toegewezen quota voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen moet ervoor zorgen dat de in artikel 10, lid 6, vastgestelde kwantitatieve beperkingen worden nageleefd door de toepassing van Verordening nr. 537/2011 van de Commissie van 1 juni 2011 betreffende het mechanisme voor de toewijzing van de hoeveelheden gereguleerde stoffen waarvan het gebruik in de Unie voor analytische en laboratoriumtoepassingen is toegestaan krachtens Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (2). Aangezien die kwantitatieve beperkingen ook hoeveelheden chloorfluorkoolwaterstoffen omvatten waarvoor een vergunning voor analytische en laboratoriumtoepassingen is afgegeven, moeten de productie en de invoer van chloorfluorkoolwaterstoffen ook onder die toewijzing vallen.

(4)

De Commissie heeft een kennisgeving gedaan aan ondernemingen die voornemens zijn in 2012 gereguleerde stoffen die de ozonlaag afbreken in de Europese Unie in te voeren of uit de Europese Unie uit te voeren en aan ondernemingen die voornemens zijn voor 2012 een quotum aan te vragen voor dergelijke stoffen die voor analytische en laboratoriumtoepassingen bedoeld zijn (2011/C 75/05) (3), en naar aanleiding daarvan verklaringen ontvangen met betrekking tot voorgenomen invoer in 2012.

(5)

De kwantitatieve beperkingen en quota moeten worden vastgesteld voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012, overeenkomstig de jaarlijkse verslagleggingscyclus in het kader van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken.

(6)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 25, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2009 ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Hoeveelheden om in het vrije verkeer te worden gebracht

1.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep I (chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115) en groep II (andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 11 185 000 ODP-kg (ozone depleting potential).

2.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep III (halonen) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 15 761 510 ODP-kg.

3.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep IV (tetrachloorkoolstof) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 8 800 220 ODP-kg.

4.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep V (1,1,1-trichloorethaan) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 1 000 015 ODP-kg.

5.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep VI (methylbromide) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 889 320 ODP-kg.

6.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep VII (broomfluorkoolwaterstoffen) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 1 065,8 ODP-kg.

7.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep VIII (chloorfluorkoolwaterstoffen) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 4 581 681,8 ODP-kg.

8.   De hoeveelheid onder Verordening (EG) nr. 1005/2009 vallende gereguleerde stoffen van groep IX (broomchloormethaan) die in 2012 uit derde landen in de Unie mag worden ingevoerd om in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt vastgesteld op 294 012 ODP-kg.

Artikel 2

Toewijzing van quota om in het vrije verkeer te worden gebracht

1.   In bijlage I is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115 en andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen zijn toegewezen.

2.   In bijlage II is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor halonen zijn toegewezen.

3.   In bijlage III is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor tetrachloorkoolstof zijn toegewezen.

4.   In bijlage IV is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor 1,1,1-trichloorethaan zijn toegewezen.

5.   In bijlage V is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor methylbromide zijn toegewezen.

6.   In bijlage VI is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor broomfluorkoolwaterstoffen zijn toegewezen.

7.   In bijlage VII is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor chloorfluorkoolwaterstoffen zijn toegewezen.

8.   In bijlage VIII is aangegeven voor welke doeleinden en aan welke ondernemingen voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012 quota voor broomchloormethaan zijn toegewezen.

9.   De afzonderlijke quota voor ondernemingen zijn opgenomen in bijlage IX.

Artikel 3

Quota voor analytische en laboratoriumtoepassingen

De quota voor de invoer en de productie van gereguleerde stoffen voor analytische en laboratoriumtoepassingen in 2012 worden toegewezen aan de in bijlage X opgenomen ondernemingen.

De aan deze ondernemingen toegewezen maximumhoeveelheden die in 2012 voor analytische en laboratoriumtoepassingen mogen worden geproduceerd of ingevoerd, zijn opgenomen in bijlage XI.

Artikel 4

Geldigheidsduur

Dit besluit is van toepassing van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012.

Artikel 5

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de volgende ondernemingen:

 

ABCR Dr. Braunagel GmbH & Co. (DE)

Im Schlehert 10

76187 Karlsruhe

Duitsland

 

Aesica Queenborough Ltd

North Street

Queenborough

Kent, ME11 5EL

Verenigd Koninkrijk

 

Airbus Operations S.A.S.

Route de Bayonne 316

31300 Toulouse

Frankrijk

 

Albany Molecular Research (UK) Ltd

Mostyn Road

Holywell

Flintshire, CH8 9DN

Verenigd Koninkrijk

 

Albemarle Europe SPRL

Parc Scientifique Einstein

Rue du Bosquet 9

1348 Louvain-la-Neuve

België

 

Alfa Agricultural Supplies SA

73, Ethnikis Antistasseos Str,

152 31 Chalandri,

Athene

Griekenland

 

Arkema France SA

420 rue d'Estienne D'Orves

92705 Colombes Cedex

Frankrijk

 

Arkema Quimica SA

Avenida de Burgos 12

28036 Madrid

Spanje

 

Ateliers Bigata SAS

10 rue Jean Baptiste Perrin,

33320 Eysines Cedex

Frankrijk

 

BASF Agri Production SAS

32 rue de Verdun

76410 Saint-Aubin lès Elbeuf

Frankrijk

 

Bayer Crop Science AG

Gebäude A729

41538 Dormagen

Duitsland

 

Dow Deutschland Anlagengesellschaft mbH

Bützflether Sand

21683 Stade

Duitsland

 

DuPont de Nemours (Nederland) BV

Baanhoekweg 22

3313 LA Dordrecht

Nederland

 

Dyneon GmbH

Werk Gendorf

Industrieperkstrasse 1

84508 Burgkirchen

Duitsland

 

Eras Labo

222 D1090

38330 Saint Nazaire les Eymes

Frankrijk

 

Eusebi Impianti Srl

Via Mario Natalucci 6

60131 Ancona

Italië

 

Eusebi Service Srl

Via Vincenzo Pirani 4

60131 Ancona

Italië

 

Fire Fighting Enterprises Ltd

9 Hunting Gate,

Hitchin SG4 0TJ

Verenigd Koninkrijk

 

Fujifilm Electronic Materials (Europe) NV

Keetberglaan 1A

Haven 1061

2070 Zwijndrecht

België

 

Halon & Refrigerants Services Ltd

J.Reid Trading Estate

Factory Road, Sandycroft

Deeside, Flintshire CH5 2QJ

Verenigd Koninkrijk

 

Harp International Ltd

Gellihirion Industrial Estate

Rhondda, Cynon Taff

Pontypridd CF37 5SX

Verenigd Koninkrijk

 

Honeywell Fluorine Products Europe BV

Laarderhoogtweg 18

1101 EA Amsterdam

Nederland

 

Honeywell Specialty Chemicals GmbH

Wunstorfer Strasse 40

Postfach 100262

30918 Seelze

Duitsland

 

Hovione Farmaciencia SA

Sete Casas

2674-506 Loures

Portugal

 

ICL-IP Europe BV

Fosfaatweg 48

1013 BM Amsterdam

Nederland

 

Laboratorios Miret (SA)

Geminis 4,

08228 Terrassa, Barcelona

Spanje

 

LGC Standards GmbH

Mercatorstr. 51

46485 Wesel

Duitsland

 

LPG Tecnicas en Extinción de Incendios SL

C/Mestre Joan Corrales 107-109

08950 Esplugas de Llobregat, Barcelona

Spanje

 

Mebrom NV

Assenedestraat 4

9940 Rieme Ertvelde

België

 

Merck KgaA

Frankfurter Strasse 250

64271 Darmstadt

Duitsland

 

Mexichem UK Ltd

PO Box 13

The Heath

Runcorn Cheshire WA7 4QX

Verenigd Koninkrijk

 

Ministerie van Defensie

Defensie Bedrijfsstoffen Bedrijf (DBB)

Postbus 10 000

1780 CA Den Helder

Nederland

 

Panreac Quimica S.L.U.

Pol. Ind. Pla de la Bruguera, C/Garraf 2

08211 Castellar del Vallès-Barcelona

Spanje

 

Poż-Pliszka Sp. z o.o.

ul.Szczecińska 45

80-392 Gdańsk

Polen

 

R.P. Chem s.r.l.

Via San Michele 47

31062 Casale sul Sile (TV)

Italië

 

Safety Hi-Tech S.r.l.

Via Cavour 96

67051 Avezzano (AQ)

Italië

 

Savi Technologie Sp. z o.o.

Ul. Wolnosci 20

Psary

51-180 Wroclaw

Polen

 

Sicor Srl

Via Terazzano 77

20017 Rho

Italië

 

Sigma Aldrich Chemie GmbH

Riedstrasse 2

89555 Steinheim

Duitsland

 

Sigma Aldrich Chimie SARL

80 rue de Luzais

L'isle d'abeau Chesnes

38297 St Quentin Fallavier

Frankrijk

 

Sigma Aldrich Company Ltd

The Old Brickyard, New Road

Gillingham SP8 4XT

Verenigd Koninkrijk

 

Solvay Fluor GmbH

Hans-Böckler-Allee 20

30173 Hannover

Duitsland

 

Solvay Fluores France

25 rue de Clichy

75442 Paris

Frankrijk

 

Solvay Specialty Polymers France SAS

Avenue de la Republique

39501 Morlaix Cedex

Frankrijk

 

Solvay Solexis S.p.A.

Viale Lombardia 20

20021 Bollate (MI)

Italië

 

Sterling S.r.l.

Via della Carboneria 30

06073 Solomeo di Corciano (PG)

Italië

 

Syngenta Crop Protection

Surrey Research Park

30 Priestly Road

Guildford Surrey GU2 7YH

Verenigd Koninkrijk

 

Tazzetti S.p.A.

Corso Europa n. 600/a

10070 Volpiano (TO)

Italië

 

TEGA Technische Gase und Gastechnik GmbH

Werner-von-Siemens-Strasse 18

97076 Würzburg

Duitsland

 

Thomas Swan & Co Ltd

Rotary Way

Consett

County Durham DH8 7ND

Verenigd Koninkrijk

 

Total Feuerschutz GmbH

Industriestr 13

68526 Ladenburg

Duitsland

Gedaan te Brussel, 14 december 2011.

Voor de Commissie

Connie HEDEGAARD

Lid van de Commissie


(1)  PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1.

(2)  PB L 147 van 2.6.2011, blz. 4.

(3)  PB C 75 van 9.3.2011, blz. 4.


BIJLAGE I

GROEPEN I EN II

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor de chloorfluorkoolstoffen 11, 12, 113, 114 en 115 en andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen voor gebruik als grondstof en als technische hulpstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

Honeywell Fluorine Products Europe (NL)

Mexichem UK (UK)

Solvay Solexis (IT)

Syngenta Crop Protection (UK)

Tazzetti (IT)

TEGA Technische Gase und Gastechnik (DE)


BIJLAGE II

GROEP III

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor halonen voor gebruik als grondstof en voor kritische toepassingen gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

Ateliers Bigata (FR)

BASF Agri Product (FR)

ERAS Labo (FR)

Eusebi Impianti (IT)

Eusebi Service (IT)

Fire Fighting Enterprises Ltd (UK)

Halon & Refrigerant Services (UK)

LPG Tecnicas en Extinción de Incendios (ES)

Poz-Pliszka (PL)

Safety Hi-Tech (IT)

Savi Technologie (PL)

Total Feuerschutz (DE)


BIJLAGE III

GROEP IV

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor tetrachloorkoolstof voor gebruik als grondstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

Dow Deutschland (DE)

Mexichem UK (UK)

Solvay Fluores France (FR)


BIJLAGE IV

GROEP V

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor 1,1,1-trichloorethaan voor gebruik als grondstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

Arkema (FR)

Fujifilm Electronic Materials Europe (BE)


BIJLAGE V

GROEP VI

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor methylbromide voor gebruik als grondstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

Albemarle Europe (BE)

Alfa Agricultural Supplies (EL)

ICL-IP Europe (NL)

Mebrom (BE)

Sigma Aldrich Chemie (D)


BIJLAGE VI

GROEP VII

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor broomfluorkoolwaterstoffen voor gebruik als grondstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

ABCR Dr. Braunagel (DE)

Albany Molecular Research (UK)

Hovione Farmaciencia (PT)

R.P. Chem (IT)

Sicor Srl (IT)

Sterling (IT)


BIJLAGE VII

GROEP VIII

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor chloorfluorkoolwaterstoffen voor gebruik als grondstof en als technische hulpstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

Aesica Queenborough (UK)

Arkema France (FR)

Arkema Quimica (ES)

Bayer CropScience (DE)

DuPont de Nemours (NL)

Dyneon (DE)

Honeywell Fluorine Products Europe (NL)

Mexichem UK (UK)

Solvay Fluor (DE)

Solvay Specialty Polymers France SAS (FR)

Solvay Solexis (IT)

Tazzetti (IT)


BIJLAGE VIII

GROEP IX

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1005/2009 aan importeurs toegewezen invoerquota voor broomchloormethaan voor gebruik als grondstof gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 december 2012.

Onderneming

Albemarle Europe (BE)

ICL-IP Europe (NL)

Laboratorios Miret (ES)

Sigma Aldrich Chemie (D)

Thomas Swan & Co (UK)


BIJLAGE IX

(Commercieel gevoelig — vertrouwelijk — niet voor publicatie)


BIJLAGE X

Ondernemingen die gemachtigd zijn om gereguleerde stoffen te produceren of in te voeren voor analytische en laboratoriumtoepassingen

De quota gereguleerde stoffen die mogen worden gebruikt voor analytische en laboratoriumtoepassingen, worden toegewezen aan:

Onderneming

Airbus Operations (FR)

Arkema France SA (FR)

Harp International Ltd (UK)

Honeywell Fluorine Products Europe BV (NL)

Honeywell Specialty Chemicals GmbH (DE)

LGC Standards GmbH (DE)

Mebrom NV (BE)

Merck KGaA (DE)

Mexichem UK Ltd (UK)

Ministerie van Defensie (NL)

Panreac Quimica SLU (ES)

Sigma Aldrich Chemie (D)

Sigma Aldrich Chimie SARL (FR)

Sigma Aldrich Company Ltd (UK)

Tazzetti SpA. (IT)


BIJLAGE XI

(Commercieel gevoelig — vertrouwelijk — niet voor publicatie)


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/65


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2011

tot vaststelling van de lijst van derde landen en gebieden waaraan een machtiging is verleend voor de invoer van honden, katten en fretten en voor het niet-commerciële verkeer van meer dan vijf honden, katten en fretten naar de Unie en de modelcertificaten voor de invoer en het niet-commerciële verkeer van die dieren naar de Unie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9232)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/874/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (1), en met name artikel 17, lid 2, aanhef en onder b), en lid 3, onder a),

Gezien Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (2), en met name artikel 8, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 998/2003 zijn de veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar de Unie vastgesteld. Honden, katten en fretten behoren tot de gezelschapsdieren die onder die verordening vallen.

(2)

Bij Richtlijn 92/65/EEG zijn de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Unie van honden, katten en fretten vastgesteld. De richtlijn bepaalt dat de invoervoorwaarden voor die dieren ten minste gelijkwaardig moeten zijn aan die welke in Verordening (EG) nr. 998/2003 zijn vastgesteld.

(3)

De veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer en het niet-commerciële verkeer verschillen afhankelijk van de rabiëssituatie in het derde land van herkomst en de lidstaat van bestemming.

(4)

Verordening (EG) nr. 998/2003 bepaalt dat honden, katten en fretten die uit derde landen die zijn opgenomen in de lijst van afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij die verordening in de lidstaten, met uitzondering van Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, worden binnengebracht, tegen rabiës moeten worden gevaccineerd, terwijl die welke uit andere derde landen worden binnengebracht, vóór binnenkomst ook moeten worden onderworpen aan een bloedtest op rabiës.

(5)

Verordening (EG) nr. 998/2003 bepaalt dat honden, katten en fretten die tot en met 31 december 2011 in Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk worden binnengebracht uit derde landen die zijn opgenomen in de lijst in afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij die verordening, moeten worden gevaccineerd en vóór binnenkomst worden onderworpen aan een bloedtest op rabiës overeenkomstig de nationale voorschriften, terwijl die welke afkomstig zijn uit andere derde landen na aankomst in quarantaine moeten worden geplaatst overeenkomstig de nationale voorschriften.

(6)

Verordening (EG) nr. 998/2003 bepaalt ook dat Finland, Ierland, Malta, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, wat echinococcose betreft, en Ierland, Malta en het Verenigd Koninkrijk, wat teken betreft, de binnenkomst van honden, katten en fretten op hun grondgebied tot en met 31 december 2011 afhankelijk kunnen maken van de naleving van bepaalde aanvullende nationale voorschriften.

(7)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2011 van de Commissie van 14 juli 2011 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad inzake preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden (3) is vastgesteld om te zorgen voor de continue bescherming van de gezondheid tegen Echinococcus multilocularis in Ierland, Malta, Finland en het Verenigd Koninkrijk. Zij zal van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2012.

(8)

Beschikking 2004/595/EG van de Commissie van 29 juli 2004 tot vaststelling van een modelcertificaat voor de commerciële invoer in de Gemeenschap van honden, katten en fretten (4) bepaalt dat de invoer van die dieren moet worden toegestaan uit derde landen die zijn opgenomen in de lijst in afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 of in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie van 12 maart 2010 tot vaststelling van lijsten van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit bepaalde dieren en vers vlees in de Europese Unie mogen worden binnengebracht, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (5). Beschikking 2004/595/EG bepaalt ook dat dergelijke dieren vergezeld moeten gaan van een certificaat overeenkomstig het in de bijlage daarbij vastgestelde model.

(9)

Het in de bijlage bij Beschikking 2004/595/EG vastgestelde model is een individueel certificaat dat moet worden afgegeven voor het binnenbrengen in de lidstaten van elke hond, kat of fret die afkomstig is uit een derde land dat is opgenomen in de lijst in afdeling 2 van deel B en in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003.

(10)

Terwijl dat certificaat voldoende is voor het binnenbrengen in de lidstaten, met uitzondering van Ierland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, van dieren die afkomstig zijn uit derde landen die zijn opgenomen in de lijst in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010, wordt het niet aanvaard voor dieren die zijn bestemd voor Ierland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, waar zij na aankomst overeenkomstig de nationale wetgeving in quarantaine worden geplaatst.

(11)

Rekening houdend met de problemen die bepaalde importeurs hebben ondervonden met het gebruik van het individuele modelcertificaat, vastgesteld in Beschikking 2004/595/EG, moet dat modelcertificaat worden vervangen door een certificaat dat betrekking kan hebben op een zending die uit meer dan één dier bestaat.

(12)

Overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 998/2003 en Verordening (EU) nr. 388/2010 van de Commissie van 6 mei 2010 houdende uitvoering van Verordening (EG) nr. 998/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het maximumaantal gezelschapsdieren van bepaalde soorten die onder niet-commercieel verkeer kunnen vallen (6) moet het niet-commerciële verkeer naar de Unie van meer dan vijf honden, katten of fretten uit een derde land voldoen aan de veterinairrechtelijke voorschriften en controles die zijn vastgesteld in Richtlijn 92/65/EEG.

(13)

Rekening houdend met het feit dat de risico's van de invoer van honden, katten en fretten niet verschillen van die van het niet-commerciële verkeer naar de Unie van meer dan vijf van die dieren, is het dienstig dat een gemeenschappelijk gezondheidscertificaat wordt vastgesteld voor de invoer in de Unie van dergelijke dieren en voor het niet-commerciële verkeer van meer dan vijf van die dieren uit derde landen die zijn opgenomen in de lijst in afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 of in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010.

(14)

Voor de samenhang en de vereenvoudiging van de wetgeving van de Unie moet het modelgezondheidscertificaat voor de invoer in de Unie van honden, katten en fretten rekening houden met de voorschriften van Beschikking 2007/240/EG van de Commissie (7), die bepaalt dat de verschillende veterinairrechtelijke volksgezondheids- en diergezondheidscertificaten die vereist zijn voor de invoer van levende dieren in de Unie gebaseerd moeten zijn op de standaardmodellen voor veterinaire certificaten, vastgesteld in bijlage I bij die beschikking.

(15)

Beschikking 2004/824/EG van de Commissie van 1 december 2004 tot vaststelling van een modelcertificaat voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten uit derde landen naar de Gemeenschap (8) stelt een modelcertificaat voor het niet-commerciële verkeer van die dieren naar de lidstaten, met uitzondering van Ierland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, uit derde landen vast. Dat modelcertificaat mag ook worden gebruikt voor het binnenbrengen van dieren in die drie lidstaten, wanneer die dieren afkomstig zijn uit landen die zijn opgenomen in de lijst in afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003. Bovendien moet dit certificaat voor het binnenbrengen van elke hond, kat of fret in de lidstaten individueel worden afgegeven.

(16)

Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 998/2003 moeten gezelschapsdieren vergezeld gaan van een paspoort overeenkomstig het model dat is vastgesteld in Beschikking 2003/803/EG van de Commissie van 26 november 2003 tot vaststelling van een modelpaspoort voor het intracommunautair verkeer van honden, katten en fretten (9) wanneer zij in een lidstaat worden binnengebracht nadat zij tijdelijk uit een lidstaat naar een derde land of gebied zijn gebracht.

(17)

Overeenkomstig artikel 8, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 998/2003 moeten gezelschapsdieren die afkomstig zijn uit de landen en gebieden die zijn opgenomen in de lijst van afdeling 2 van deel B van bijlage II bij die verordening en waarvoor is vastgesteld dat zij voorschriften toepassen die ten minste gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van de Unie voor het verkeer van dieren uit derde landen, worden onderworpen aan de voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van honden, katten en fretten tussen de lidstaten.

(18)

Dit besluit moet worden toegepast onverminderd Beschikking 2004/839/EG van de Commissie van 3 december 2004 tot vaststelling van de voorwaarden voor het niet-commerciële vervoer van jonge honden en katten uit derde landen naar de Gemeenschap (10) die de lidstaten de mogelijkheid biedt om minder dan drie maanden oude honden en katten die niet tegen rabiës zijn gevaccineerd op hun grondgebied binnen te brengen uit in de lijst van afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003 opgenomen derde landen onder gelijkwaardige voorwaarden als die welke zijn vastgesteld in artikel 5, lid 2, van die verordening.

(19)

Om de toegang tot meertalige certificaten te vergemakkelijken, moet het vereiste gezondheidscertificaat voor het niet-commerciële verkeer van maximaal vijf honden, katten of fretten naar de Unie zijn gebaseerd op de standaardmodellen van Beschikking 2007/240/EG.

(20)

Richtlijn 96/93/EG van de Raad van 17 december 1996 inzake de certificering van dieren en dierlijke producten (11) bevat de voorschriften voor de afgifte van de door de veterinaire wetgeving vereiste certificaten om misleidende of frauduleuze certificering te voorkomen. Er moet voor worden gezorgd dat de officiële dierenartsen van derde landen voorschriften en beginselen toepassen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van die richtlijn.

(21)

Er moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de lidstaten in staat te stellen de nodige maatregelen te nemen om aan de voorschriften van dit besluit te voldoen.

(22)

De Beschikkingen 2004/595/EG en 2004/824/EG moeten dienovereenkomstig worden ingetrokken.

(23)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij dit besluit worden vastgesteld:

a)

de lijst van derde landen en gebieden waaruit de invoer van honden, katten en fretten en het niet-commerciële verkeer naar de Unie van meer dan vijf honden, katten of fretten overeenkomstig Richtlijn 92/65/EEG zijn toegestaan, en het gezondheidscertificaat voor dergelijke invoer en dergelijk niet-commercieel verkeer;

b)

het gezondheidscertificaat voor het niet-commerciële verkeer naar de Unie van maximaal vijf honden, katten of fretten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 998/2003.

2.   Dit besluit laat Beschikking 2004/839/EG onverlet.

Artikel 2

Derde landen en gebieden waaruit de invoer van honden, katten en fretten en het niet-commerciële verkeer naar de Unie van meer dan vijf honden, katten of fretten zijn toegestaan en het gezondheidscertificaat voor de invoer en het niet-commerciële verkeer van deze dieren

1.   De lidstaten staan de invoer van zendingen honden, katten en fretten en het niet-commerciële verkeer naar de Unie van meer dan vijf honden, katten of fretten toe, mits de derde landen of gebieden waaruit zij afkomstig zijn en de derde landen of gebieden waardoor zij worden doorgevoerd:

a)

zijn opgenomen in de lijst in afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003, of

b)

zijn opgenomen in deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010.

2.   Honden, katten en fretten, als bedoeld in lid 1, moeten:

a)

vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat dat overeenkomstig het model in bijlage I is opgesteld en door een officiële dierenarts is ingevuld, rekening houdend met de opmerkingen in deel II van dat certificaat;

b)

voldoen aan de voorschriften van het in bijlage I vastgestelde gezondheidscertificaat voor de derde landen of gebieden waaruit zij afkomstig zijn, als bedoeld in lid 1, onder a) en b), van dit artikel.

Artikel 3

Gezondheidscertificaat voor het niet-commerciële verkeer naar de Unie van maximaal vijf honden, katten of fretten

1.   De lidstaten staan het niet-commerciële verkeer van maximaal vijf honden, katten of fretten naar hun grondgebied toe, mits zij afkomstig zijn uit of worden doorgevoerd door derde landen of gebieden die:

a)

zijn opgenomen in de lijst in afdeling 2 van deel B of in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003, of

b)

niet zijn opgenomen in de lijst van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 998/2003.

2.   Honden, katten en fretten, als bedoeld in lid 1, moeten:

a)

vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat dat overeenkomstig het model in bijlage II is opgesteld en door een officiële dierenarts is afgegeven, rekening houdend met de opmerkingen in deel II van dat certificaat;

b)

voldoen aan de voorschriften van het in bijlage II vastgestelde gezondheidscertificaat voor de derde landen of gebieden waaruit zij afkomstig zijn, als bedoeld in lid 1, onder a) en b), van dit artikel.

Artikel 4

Overgangsbepalingen

Voor een overgangsperiode tot en met 30 juni 2012 staan de lidstaten de invoer en het niet-commerciële verkeer naar de Unie toe van honden, katten en fretten die vergezeld gaan van een veterinair certificaat dat uiterlijk op 29 februari 2012 is afgegeven overeenkomstig de modellen, vastgesteld in de bijlage bij Beschikking 2004/595/EG respectievelijk Beschikking 2004/824/EG.

Artikel 5

Intrekkingen

De Beschikkingen 2004/595/EG en 2004/824/EG worden ingetrokken.

Artikel 6

Toepasselijkheid

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Artikel 7

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 15 december 2011.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)  PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.

(2)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 1.

(3)  PB L 296 van 15.11.2011, blz. 6.

(4)  PB L 266 van 13.8.2004, blz. 11.

(5)  PB L 73 van 20.3.2010, blz. 1.

(6)  PB L 114 van 7.5.2010, blz. 3.

(7)  PB L 104 van 21.4.2007, blz. 37.

(8)  PB L 358 van 3.12.2004, blz. 12.

(9)  PB L 312 van 27.11.2003, blz. 1.

(10)  PB L 361 van 8.12.2004, blz. 40.

(11)  PB L 13 van 16.1.1997, blz. 28.


BIJLAGE I

Image

Image

Image

Image


BIJLAGE II

Image

Image

Image

Image


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/77


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 16 december 2011

tot vrijstelling van bepaalde financiële diensten in de postsector in Hongarije van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9197)

(Alleen de tekst in de Hongaarse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/875/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (1), en met name artikel 30, lid 5 en lid 6,

Gezien het bij schrijven, verzonden via Magyar Posta, ingediende en op 24 juni 2011 ontvangen verzoek van Hongarije,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   FEITEN

(1)

Op 24 juni 2011 heeft de Commissie een bij postschrijven ingediend verzoek overeenkomstig artikel 30, lid 5, van Richtlijn 2004/17/EG ontvangen. Bij e-mail van 8 augustus 2011 heeft de Commissie de aanvrager en de Hongaarse mededingingsautoriteit verzocht aanvullende informatie toe te zenden. De respectieve antwoorden werden ontvangen op 2 september en op 15 september 2011. Het door Magyar Posta (hierna „Posta” genoemd) ingediende verzoek heeft betrekking op diverse door Posta verrichte financiële diensten, bestaande uit twee onderdelen, namelijk: betalingsdiensten en voor rekening van andere financiële instellingen verrichte diensten. Elk onderdeel op zijn beurt bestaat uit verschillende financiële diensten die zijn gegroepeerd in de volgende categorieën, als gedefinieerd door Posta:

Betalingsdiensten

1.

Bestaande eigen diensten:

1.1.

diensten die het mogelijk maken contanten op een betaalrekening te plaatsen (betaling van facturen en snelle betaling van facturen);

1.2.

diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening af te halen: (verstrekken van contanten en betaling van pensioenen);

1.3.

geldovermakingsdiensten (binnenlandse betaalopdrachten, internationale betaalopdrachten en betaalopdrachten voor Western Union — uitgevoerd voor rekening van derden).

2.

Aan een rekening gerelateerde diensten, voorgesteld om in de toekomst te worden geleverd:

2.1.

diensten die het mogelijk maken contanten op een betaalrekening te plaatsen, alsook alle verrichtingen die vereist zijn voor het gebruik van een betaalrekening;

2.2.

diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening af te halen, alsook alle verrichtingen die vereist zijn voor het gebruik van een betaalrekening;

2.3.

uitvoering van betalingstransacties tussen betaalrekeningen;

2.4.

uitgifte van betalingsinstrumenten die kaarten vervangen.

Namens derden uitgevoerde diensten

3.1.

bemiddeling bij rekeningen-courant en verwante producten en diensten (voor rekening van kredietinstellingen geleverde bankdiensten op retailniveau en voor ondernemingen, inclusief het aanvaarden en versturen van betaalopdrachten voor uitvoering, en bemiddeling bij aan een bankrekening verbonden zichtdeposito’s en termijndeposito’s);

3.2.

voor rekening van kredietinstellingen verrichte kredietbemiddeling;

3.3.

bemiddeling bij uitgifte van betaalkaarten door kredietinstellingen en aanvaarding daarvan (kredietkaarten, debetkaarten, aanvaarding van bankkaarten en betaalterminals);

3.4.

beleggingsbemiddeling en bemiddeling met betrekking tot spaargelden voor een bijzonder doel, voor rekening van derden:

a)

verkoop van financiële instrumenten (overheidpapier, beleggingsfondsen en andere effecten);

b)

bemiddeling met betrekking tot woonspaarproducten;

3.5.

verzekeringsbemiddeling: (levensverzekeringen en schadeverzekeringen).

(2)

Overeenkomstig de aanvraag (2) bestaat het Posta-netwerk uit meer dan 2 600 permanente postpunten. Niet alle in de aanvraag vermelde diensten worden echter in alle postpunten geleverd (3). Het totale aantal bijkantoren van kredietinstellingen die momenteel op Hongaars grondgebied actief zijn, bedraagt 4 605. Overeenkomstig Giro Zrt, is OTP Bank de grootste met 809 bijkantoren, gevolgd door K&H Bank Zrt. (377 bijkantoren), CIB Bank Zrt. (218 bijkantoren), Reiffeisen Bank Zrt. (180 bijkantoren) en Erste Bank Hungary Nyrt. (145 bijkantoren). De 8 grootste banken in de kredietverleningssector beschikken elk over meer dan 100 bijkantoren en daarnaast zijn er nog 22 kleine en middelgrote banken, 10 bijkantoren van kredietinstellingen en 138 als coöperatief opgerichte kredietinstellingen, waarvan de grootste een netwerk van 20-40 bijkantoren heeft. Gebruikmakend van de gegevens van het 2007 ECB Blue Book (4) kan derhalve worden geconcludeerd dat Hongarije een middenpositie inneemt wat het aantal bijkantoren per hoofd van de bevolking betreft.

II.   RECHTSKADER

(3)

Er zij aan herinnerd dat, overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder c), van Richtlijn 2004/17/EG, het verlenen van financiële diensten in de zin van het vierde streepje van genoemde letter c) slechts onder die richtlijn valt in zoverre dergelijke diensten verricht worden door entiteiten die tevens postdiensten verlenen in de zin van letter b) van die bepaling. Posta is de enige aanbestedende dienst in Hongarije die de hier betrokken diensten aanbiedt.

(4)

Bij artikel 30 van Richtlijn 2004/17/EG is bepaald dat opdrachten voor activiteiten waarop Richtlijn 2004/17/EG van toepassing is, niet onder deze richtlijn vallen indien die activiteit in de lidstaat waarin zij wordt uitgeoefend rechtstreeks aan mededinging blootstaat op marktgebieden tot welke de toegang niet beperkt is. De rechtstreekse blootstelling aan mededinging wordt getoetst aan de hand van objectieve criteria, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de betrokken sector. De toegang tot een markt wordt als niet-beperkt beschouwd indien de lidstaat de desbetreffende EU-wetgeving tot openstelling van een bepaalde (deel)sector ten uitvoer heeft gelegd en heeft toegepast. Daar waar geen toepasselijke communautaire wetgeving in bijlage XI van de richtlijn is opgenomen, zoals ten aanzien van de hier betrokken diensten het geval is, vereist artikel 30, lid 3, tweede alinea, dat „moet worden aangetoond dat de toegang tot de betrokken markt rechtens en feitelijk vrij is”.

(5)

Betreffende financiële diensten zij eraan herinnerd dat op communautair niveau een uitgebreide wetgeving is vastgesteld die gericht is op de vrijmaking van de vestiging en verrichting van diensten in deze sector (5). Wat de betalingsdiensten betreft, wordt opgemerkt dat Hongarije op tijdige en volledige wijze Richtlijn 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten heeft omgezet in nationaal recht via Wet LXXXV/2009 betreffende het verrichten van betalingsdiensten.

(6)

Hongarije heeft de wetgeving van de Unie met betrekking tot de liberalisering van kapitaalbewegingen en de vrijheid om diensten te leveren, alsook de relevante wetgeving betreffende de liberalisering van de financiële markten, ten uitvoer gelegd. Bovendien voldoet Hongarije aan de eisen van het Actieplan Financiële Diensten. De Hongaarse markt voor kredietinstellingen en betalingsdiensten is goed gereguleerd. Krachtens Wet CXII: 1996 inzake kredietinstellingen en financiële ondernemingen (de Bankwet) zijn financiële diensten en aanvullende diensten onderworpen aan een vergunningsplicht. Krachtens Wet CXXXVII/2007 inzake investeringsvennootschappen en grondstoffenhandelaren en de regelgeving met betrekking tot hun activiteiten mogen investeringsdiensten uitsluitend worden aangeboden door investeringsvennootschappen en kredietinstellingen. Overeenkomstig Wet LX/2003 betreffende verzekeringsmaatschappijen en het verzekeringswezen mogen verzekeringsactiviteiten uitsluitend worden uitgevoerd door verzekeringsmaatschappijen. De Hongaarse Financiële toezichtsautoriteit heeft de Posta vergunning verleend om de financiële diensten waarop deze aanvraag betrekking heeft, aan te bieden. Elke instelling die voldoet aan de regels van prudente bedrijfsvoering en de eis van effectief toezicht kan een vergunning krijgen om deze diensten aan te bieden. Financiële diensten of diensten ter aanvulling van financiële diensten, alsmede investerings- en verzekeringsdiensten, mogen worden aangeboden door buitenlandse vennootschappen, via de bijkantoren daarvan, op voorwaarde dat hen een vergunning is verleend door de bevoegde toezichtsautoriteit in het land van vestiging. De eis een Hongaars bijkantoor te hebben geldt niet voor financiële instellingen die gevestigd zijn in een EER-lidstaat aangezien dergelijke instellingen hun diensten grensoverschrijdend mogen aanbieden.

(7)

Op grond van de in de overwegingen 5 en 6 uiteengezette feiten kan worden aangenomen dat de in artikel 30, lid 3, vervatte voorwaarde van vrije toegang tot de markt vervuld is.

(8)

De rechtstreekse blootstelling aan de mededinging in een specifieke markt moet worden geëvalueerd op basis van verscheidene criteria, waarvan geen noodzakelijkerwijs en op zich beslissend is. Wat de markten betreft waarop dit besluit betrekking heeft, is het te hanteren criterium het marktaandeel van de voornaamste spelers. Andere te hanteren criteria kunnen de concentratiegraad op de markten in kwestie zijn en/of het feit of klanten gemakkelijk van leverancier kunnen veranderen. Aangezien de voorwaarden verschillen voor de onderscheiden activiteiten waarop dit besluit betrekking heeft, moet bij de evaluatie van de mededingingstoestand rekening worden gehouden met de verschillende situaties op de onderscheiden markten.

(9)

Hoewel in bepaalde gevallen een engere of bredere marktomschrijving zou kunnen worden overwogen, is voor een aantal van de in het verzoek van Posta beschreven diensten geen precieze omschrijving van de relevante markt nodig om onderhavig besluit toe te passen, aangezien de analyse bij een enge en een bredere omschrijving hetzelfde resultaat oplevert.

(10)

Dit besluit laat de toepassing van de mededingingsregels onverlet.

III.   BEOORDELING

(11)

In de aanvraag worden twee categorieën betalingsdiensten onderscheiden, namelijk: A) bestaande diensten, en B) diensten waarvan de invoering wordt gepland in 2012. Voor de evaluatie die met betrekking tot het onderhavige besluit moet worden gemaakt, wordt uitsluitend gekeken naar de bestaande diensten aangezien er geen materiële aanwijzingen zijn betreffende de effecten die de geplande diensten kunnen hebben indien en zodra zij worden geïntroduceerd.

(12)

De betalingsdiensten die momenteel door Posta worden aangeboden zijn: diensten die het mogelijk maken contanten op een betaalrekening te plaatsen en diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening af te halen, waarbij Posta als tussenpersoon optreedt, en geldovermakingsdiensten (binnenlandse en internationale betaalopdrachten, voor eigen rekening, alsmede betaalopdrachten voor Western Union, waarbij Posta als tussenpersoon optreedt).

(13)

Doel van het onderhavige besluit is na te gaan of de door Posta aangeboden diensten (op markten waartoe de toegang vrij is) aan een zodanig niveau van mededinging zijn blootgesteld dat dit ervoor zal zorgen dat, ook zonder de discipline die wordt verzekerd door de toepassing van de nadere regels voor het plaatsen van opdrachten van Richtlijn 2004/17/EG, de plaatsing door Posta van opdrachten voor de uitoefening van de hier betrokken activiteiten zal plaatsvinden op een transparante, niet-discriminerende wijze op basis van criteria waardoor Posta in staat is de economisch voordeligste oplossing aan te wijzen. Daartoe dient bijgevolg te worden onderzocht of de banken en andere financiële instellingen over de mogelijkheid beschikken concurrentiedruk op Posta uit te oefenen.

(14)

De voornaamste concurrenten van Posta op de markt voor betalingsdiensten zijn de banken en andere financiële instellingen die niet onder het bepaalde in Richtlijn 2004/17/EG vallen, aangezien zij geen aanbestedende diensten zijn in de zin van de richtlijn en/of zij geen financiële diensten aanbieden samen met postdiensten.

(15)

De door banken aangeboden betaalmethoden zijn doorgaans aantrekkelijker dan de op papier en/of contanten gebaseerde methoden en zijn algemeen beschikbaar. Overeenkomstig GfK Hungaria (6) is het aantal gebruikers van online-bankdiensten eind 2010 met 200 000 toegenomen ten opzichte van het jaar voordien en zijn er momenteel 1 miljoen online-gebruikers, terwijl de groei nog steeds versnelt. Overeenkomstig diezelfde bron loopt het aantal mensen dat zijn bankzaken in persoon wil uitvoeren achteruit; een vierde van alle klanten gaat niet langer naar een bankkantoor om bankverrichtingen af te handelen.

(16)

De door de aanvrager omschreven productmarkt is de markt van betalingsdiensten, geleverd door kredietinstellingen en andere aanbieders van betaaldiensten, en de desbetreffende geografische markt is die van het gehele land. De Hongaarse mededingingsautoriteit (de „GVH”) heeft aangegeven dat, hoewel zij niet beschikt over alle informatie en gegevens om de productmarkt op toereikende en nauwkeurige wijze te omschrijven, de door de aanvrager verstrekte definitie van de productmarkt „naar alle waarschijnlijkheid aanvaardbaar is”. Wat de desbetreffende geografische markt betreft heeft de GVH, met hetzelfde hierboven genoemde voorbehoud, aangegeven dat zij „niet beschikt over enige aanwijzing om te besluiten dat de geografische markt niet het gehele Hongaarse grondgebied zou zijn”.

(17)

Voor de doeleinden van dit besluit wordt geen verder onderscheid gemaakt tussen de markt van betalingsdiensten op retail- en op wholesaleniveau, aangezien het resultaat van de analyse grotendeels hetzelfde blijft of nu een enge, dan wel brede definitie wordt gebruikt.

(18)

Met betrekking tot de graad van concentratie op de markt van betalingsdiensten merkt de Hongaarse mededingingsautoriteit op dat kan worden aangenomen dat „de 5 à 6 grote banken, samen met Magyar Posta, een zeer groot gecombineerd marktaandeel hebben op het gebied van de betalingsdiensten op retailniveau en wellicht het grootste deel van de markt dekken. Aangenomen mag worden dat de wholesalemarkt minder geconcentreerd is ten gevolge van de aanwezigheid van verschillende andere financiële instellingen”.

(19)

Deze diensten maken het voor klanten mogelijk betalingen te doen voor een product of dienst. Zij worden door particulieren gebruikt om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen en worden in het bijzonder gebruikt voor de betaling van diensten van openbare nutsbedrijven, telecommunicatiediensten, financiële diensten, verzekeringen, diensten voor aan-huis-bezorging, betaling van belastingen, enz.

(20)

De desbetreffende productmarkt wordt het gemakkelijkst omschreven als wordt gekeken naar het bereik van de vervangende producten, dat wil zeggen de alternatieven waarover een klant beschikt om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Op die basis besluit de aanvrager dat de relevante productmarkt die is van de deposito’s van contanten op bankrekeningen, in banken of via ATM’s (7), betaling via betaalkaarten en overschrijvingen tussen bankrekeningen (eenvoudige overschrijvingen en automatisch incasso).

(21)

Wat het overstappen van de ene naar de andere betaalmethode betreft, bevestigt de Hongaarse mededingingsautoriteit (GVH) dat „de voornaamste nutsbedrijven en andere dienstenleveranciers verschillende betaalmethoden voor hun klanten beschikbaar stellen met de mogelijkheid gemakkelijk van betaalmethode te veranderen. Er lijkt ook een ontwikkeling gaande om klanten ertoe aan te sporen elektronische betaalmethoden te gebruiken in plaats van op papier en contanten gebaseerde methoden”. In deze context moet worden gewezen op de toename van het online-bankieren. Zoals aangegeven in overweging 9 kan, voor de doeleinden van dit besluit, de exacte definitie echter achterwege blijven.

(22)

Het aandeel van Posta op de markt voor diensten die het mogelijk maken contanten op een betaalrekening te plaatsen, berekend als percentage van de totale gedefinieerde markt, bedroeg (8) 3,91 % in 2007, 3,88 % in 2008 en 4,14 % in 2009. Opgemerkt moet worden dat zowel het aantal Posta-transacties als de waarde daarvan is afgenomen in 2009 in vergelijking met de twee voorgaande jaren (9).

(23)

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving wijzen deze elementen er dus op dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

(24)

Diensten die het mogelijk maken contanten af te halen, houden in dat de houder van een betaalrekening toestemming geeft een betaling aan order van een derde uit te voeren. Dergelijke diensten omvatten momenteel het verstrekken van contanten en het betalen van pensioenen. De voornaamste betalende partijen zijn de schatkist en de gemeentelijke overheden die deze regeling gebruiken voor de betaling van gezinstoelagen, sociale toelagen, werkloosheidsvergoedingen, enz. Voor betalingen door de staat beschikt de ontvanger over de keuze het bedrag te laten crediteren op zijn bankrekening of het via postbezorging te ontvangen. In het geval van pensioenbetalingen hebben ontvangers ook de mogelijkheid een deel van het bedrag te laten crediteren op hun rekening en het andere deel in contanten uitbetaald te krijgen. Het is ook mogelijk op elk moment te kiezen tussen uitbetaling in contanten via de post en uitbetaling via bankoverschrijving, meer bepaald door een eenvoudig verzoek in die zin bij de centrale dienst voor nationale pensioenverzekering.

(25)

De Hongaarse overheid legt, via de Nationale Bank, een beleid ten uitvoer dat tot doel heeft de hoeveelheid transacties in contanten te verminderen en de ontwikkeling van elektronische betaalmethoden en de desbetreffende infrastructuur te bevorderen. Ondernemingen zijn verplicht hun betalingen via betaalrekeningen te verrichten en de salarissen van ambtenaren worden uitbetaald op hun bankrekeningen. Overeenkomstig een recente studie (10) van de Hongaarse nationale bank wordt de helft van de van de staat afkomstige pensioenen betaald via andere wegen dan postbezorging en overeenkomstig de aanvraag (11) is zowel het aantal als de totale waarde van de via Posta betaalde pensioenen in de afgelopen jaren gestaag teruggelopen.

(26)

Om bovenstaande redenen worden betalingen tussen betaalrekeningen (enkelvoudige overschrijvingen en groepsoverschrijvingen), opname van contanten met bankkaarten aan ATM- en POS (12)-terminals, en afhaling van contanten aan bankautomaten beschouwd als de relevante productmarkt voor diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening af te halen.

(27)

In het geval van bovenstaande diensten kunnen, voor de doeleinden van betaling aan personen met een bankrekening, betalingen tussen betaalrekeningen (enkelvoudige transacties en groepstransacties, waarbij betalingen gebeuren van één rekening naar de rekening van verscheidene personen) beschouwd worden als vervangende producten. Ook hier kan, voor de doeleinden van dit besluit, de exacte definitie achterwege blijven.

(28)

Het aandeel van Posta op de markt voor diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening af te halen, berekend als percentage van de totale gedefinieerde markt, bedroeg (13) 2,44 % in 2007, 2,49 % in 2008 en 2,61 % in 2009. Opgemerkt moet worden dat zowel het aantal Posta-transacties als de totale waarde daarvan is afgenomen in de afgelopen drie jaar waarvoor informatie beschikbaar is, namelijk 2007, 2008 en 2009 (14).

(29)

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving wijzen deze elementen er dus op dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

(30)

De door Posta aangeboden geldovermakingsdiensten worden in het algemeen gebruikt voor betalingen tussen particulieren. De desbetreffende diensten zijn binnenlandse betaalopdrachten en internationale betaalopdrachten, voor rekening van Posta zelf, alsmede betaalopdrachten voor Western Union, zowel binnenlands als internationaal, die geldovermaking in real time mogelijk maken.

(31)

Wat binnenlandse betaalopdrachten betreft, zowel voor rekening van Posta zelf als namens Western Union, is de aanvrager van mening dat transacties tussen betaalrekeningen vervangmiddelen voor geldovermaking zijn wanneer de ontvanger een betaalrekening heeft. Bijgevolg kan de markt voor in Hongarije uitgevoerde betalingen tussen rekeningen als de relevante productmarkt voor binnenlandse geldovermakingen worden beschouwd, hoewel de exacte definitie achterwege kan blijven.

(32)

Op basis van deze marktomschrijving bedroeg het marktaandeel van Posta minder dan 1 % in 2007, 2008 en 2009.

(33)

Wat de internationale geldovermakingsdiensten betreft, werden de activiteiten van Posta en Western Union als vervangproducten beschouwd. Daarenboven werden betalingen via betaalrekeningen als vervangbare producten beschouwd. De aanvrager beschouwt de grensoverschrijdende betalingen tussen betaalrekeningen derhalve als de relevante productmarkt. De exacte definitie van de relevante markt kan evenwel achterwege blijven.

(34)

Berekend op die basis bedroeg het marktaandeel van Posta 0,5 % in 2007, 2008 en 2009.

(35)

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving wijzen deze elementen er dus op dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

(36)

De aanvraag voor vrijstelling heeft tevens betrekking op bepaalde door Posta voor rekening van derden uitgevoerde activiteiten, meer bepaald in verband met bepaalde financiële diensten waarbij Posta als tussenpersoon optreedt.

(37)

De aanvraag voor een vrijstelling heeft ook betrekking op de bemiddeling bij rekeningen-courant en verwante producten en diensten, namelijk: voor rekening van kredietinstellingen geleverde bankdiensten in de retailsector en voor ondernemingen, inclusief het aanvaarden en versturen van betaalopdrachten voor uitvoering, en bemiddeling bij aan een bankrekening verbonden zichtdeposito’s en termijndeposito’s.

(38)

De als tussenpersoon door Posta aangeboden financiële producten en diensten worden geleverd door Erste Bank en OTP Bank. Posta biedt ook depositoproducten aan op eigen naam.

(39)

Overeenkomstig de gevestigde praktijk van de Commissie (15) wordt een onderscheid gemaakt tussen retailbanking en bankdiensten voor ondernemingen. Retailbanking is gedefinieerd als alle bankdiensten die worden aangeboden aan particulieren en zeer kleine ondernemingen, terwijl bankdiensten voor ondernemingen doorgaans de bankdiensten omvatten die voor grote ondernemingen en voor het midden- en kleinbedrijf worden geleverd. In vorige besluiten (16) met betrekking tot de retailbanksector heeft de Commissie het echter open gelaten of specifieke retailbankproducten afzonderlijke productmarkten vormen, dan wel of verscheidene retailbankproducten samen een relevante productmarkt vormen.

(40)

De relevante productmarkt moet worden onderscheiden naargelang van de fase in de distributieketen waarin zij zich bevinden (upstream — levering van rekeningen-courant en verwante producten en diensten, of downstream — bemiddeling bij rekeningen-courant en verwante producten en diensten). Voor de activiteit van bemiddeling met betrekking tot betaalrekeningen op retailniveau kan als de relevante productmarkt de retailmarkt voor bemiddeling met betrekking tot rekeningen-courant en depositoproducten worden genomen. Voor de activiteit van bemiddeling bij betaalrekeningen voor ondernemingen kan als de relevante productmarkt de markt voor bemiddeling met betrekking tot rekeningen-courant en depositoproducten voor ondernemingen worden genomen. Zoals aangegeven in overweging 9 kan, voor de doeleinden van dit besluit, de exacte definitie echter achterwege blijven.

(41)

De aanvrager definieert de geografische markt als het gehele grondgebied van Hongarije. De Hongaarse mededingingsautoriteit (GVH) bevestigt dat „wat dit geval betreft, alle in Hongarije aanwezige financiële instelling hun activiteit in het gehele land uitoefenen; er zijn geen tekenen van regionale afwijking bij enig aspect van de financiële dienstverlening”. Daarenboven werd in de gevestigde praktijk van de Commissie (17) met betrekking tot financiële markten de relevante geografische markt als zijnde van nationale aard beschouwd gezien de verschillende mededingingsomstandigheden binnen afzonderlijke lidstaten en het belang van een netwerk van bijkantoren.

(42)

Op basis van bovenstaande overwegingen bedraagt het marktaandeel van Posta voor rekeningen-courant en deposito’s in de retailsector 1,45 % in 2007, 1,38 % in 2008 en 1,51 % in 2009, terwijl het aandeel van Posta voor rekeningen-courant en deposito’s op de markt voor ondernemingen verwaarloosbaar is, namelijk (0 %) in 2007, 2008 en 2009. Deze cijfers tonen aan dat het marktaandeel voor bemiddeling bij deze financiële diensten eveneens beperkt is.

(43)

De rest van de markt wordt verdeeld tussen andere banken en financiële instellingen, waarop het bepaalde in Richtlijn 2004/17/EG geen betrekking heeft.

(44)

Op basis van haar enquête over retailbanking van 2009 (18) heeft de Hongaarse mededingingsautoriteit (GVH) geconcludeerd dat er in Hongarije geen grote hindernissen bestaan om een rekening bij een andere instelling te openen en bovendien werd opgemerkt dat het niveau van overstap naar een andere rekening-courant één van de hoogste is van alle EU-lidstaten.

(45)

De voordelen van Posta’s uitgebreide netwerk vinden hun tegengewicht in het feit dat online-bankieren steeds belangrijker wordt.

(46)

Overeenkomstig een enquête (19) inzake de factoren die de selectie van een bank door klanten beïnvloeden, zijn daarbij de belangrijkste factoren de betrouwbaarheid en het vertrouwen, de nabijheid en toegankelijkheid (inclusief de beschikbaarheid van middelen om contanten op te nemen) en de kwaliteit van de dienstverlening. Deze conclusies werden ook bevestigd door de resultaten van een enquête (20) betreffende financiële diensten en diensten in verband met rekeningen-courant. Overeenkomstig deze bron is het belangrijkste element bij de keuze van een bank het kostenaspect en de reputatie, terwijl gemakkelijke toegang (d.w.z. een uitgebreid netwerk) minder belangrijk lijkt te zijn. Voorts worden ook het totale spectrum aan bankdiensten, namelijk de beschikbaarheid van een groot aantal diverse bankdiensten, en de hoge kwaliteit van de dienstverlening als belangrijk genoemd. Gezien het bovenstaande kan worden gesteld dat, hoewel Posta over een uitgebreid netwerk beschikt, er ook andere criteria zijn die door klanten als belangrijk worden aangemerkt (reputatie als bank, aangeboden bankdiensten, kwaliteit van de dienstverlening) die een tegengewicht vormen bij het proces van keuze van een bank. Klanten die behoefte hebben aan een groot aantal diverse diensten zullen daarom terughoudend zijn om een bank te kiezen, of over te stappen op een postrekening, waarbij alle gewenste diensten niet kunnen worden geleverd.

(47)

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving wijzen deze elementen er dus op dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

(48)

Deze activiteit behelst de bemiddeling bij kredietverlening door een derde partij, waarbij Posta optreedt als tussenpersoon die meerdere speciale diensten aanbiedt. Posta biedt kredietproducten aan (zonder additionele eisen qua roerend of onroerend goed) die door Erste Bank worden geleverd aan retailklanten. In de ondernemingssector biedt Posta een product aan van Magyar Fejlesztesi Bank, waarbij Posta optreedt als tussenpersoon die meerdere speciale diensten aanbiedt.

(49)

De desbetreffende diensten kunnen op vele verschillende manieren worden ingedeeld, naargelang van factoren als de doeleinden waarvoor een krediet wordt opgenomen of de typische klant (consumenten, kmo’s, grotere ondernemingen of overheidsadministraties). Kredietbemiddeling op retailniveau en kredietbemiddeling voor ondernemingen kunnen derhalve als afzonderlijke productmarkten worden beschouwd.

(50)

De productmarkt van kredietbemiddeling op retailniveau wordt door de aanvrager gedefinieerd als de markt van hypotheken en persoonlijke leningen zonder beperkingen, zowel in Hongaarse Forint als in buitenlandse munt. Dit staat niet in tegenspraak met vorige gevestigde praktijk van de Commissie (21) waarbij de Commissie in het midden laat of individuele bankproducten op retailniveau afzonderlijke productmarkten vormen, dan wel of verschillende retailbankproducten samen één relevante productmarkt vormen.

(51)

In de ondernemingssector biedt Posta slechts één type kredietproduct voor ondernemingen aan. Dit product wordt typisch door andere financiële instellingen (d.w.z. spaarcoöperatieven) aangeboden. Posta biedt dit product aan in 45 specifieke bijkantoren en niet in het gehele Posta-netwerk. De aanvrager gaat ervan uit dat de relevante productmarkt voor de ondernemingssector door kredietinstellingen aangeboden leningen van kmo’s omvat. Zoals aangegeven in overweging 9 kan, voor de doeleinden van dit besluit, de exacte definitie echter achterwege blijven.

(52)

De geografische markt is het gehele Hongaarse grondgebied, in wezen om dezelfde redenen als uiteengezet in overweging 41.

(53)

Het aandeel van Posta in de retailkredietmarkt, als omschreven, bedroeg minder dan 0,5 % in 2007, 2008 en 2009, terwijl het marktaandeel in de markt voor ondernemingskrediet in diezelfde jaren verwaarloosbaar (0 %) was. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het marktaandeel van Posta in deze nauw omschreven markten zo klein is dat, wanneer de markt breder zou worden gedefinieerd, het aandeel van Posta zelfs nog kleiner zou worden.

(54)

De rest van de markt wordt verdeeld tussen andere banken en financiële instellingen, waarop het bepaalde in de richtlijn betreffende nutsbedrijven geen betrekking heeft. Het gecumuleerde marktaandeel (22) van de eerste drie concurrenten bedroeg in 2007, 2008 en 2009 respectievelijk 52,54 %, 51,39 % en 54,27 % van de retailkredietmarkt en respectievelijk 42,69 %, 47,36 % en 48,07 % van de markt voor ondernemingskrediet.

(55)

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving wijzen deze elementen er dus op dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

(56)

Posta biedt de door Erste Bank Zrt uitgegeven kredietkaarten aan. Qua voorwaarden en verstrekte dienstverlening is dit een standaard kredietkaartproduct.

(57)

Wat debetkaarten betreft, treedt Posta op als bemiddelaar voor aan rekeningen-courant verbonden bankkaarten op retail- en ondernemingsniveau. Posta treedt op als tussenpersoon die meerdere speciale diensten aanbiedt, terwijl de dienst zelf wordt geleverd door Erste Bank Hungary Nyrt. De aangeboden kaarten zijn standaard debetkaarten.

(58)

Wat de aanvaarding van kredietkaarten betreft, zijn de Posta-verkooppunten uitgerust met POS-terminals die het opnemen van contanten met bankkaarten mogelijk maken. De aanvrager stelt dat uit het oogpunt van klanten dezelfde dienst (het verkrijgen van contanten) kan worden verkregen door contanten af te halen aan een bankautomaat of aan een andere POS-terminal die door een derde partij op andere locaties dan de Posta-punten wordt geëxploiteerd, en dat de desbetreffende producten dus vervangbaar zijn.

(59)

In het verleden heeft de Commissie een onderscheid gemaakt (23) tussen de twee voornaamste met betaalkaarten verband houdende activiteiten, in de eerste plaats het uitgeven van kaarten aan personen en ondernemingen, in de tweede plaats het „werven” van handelaars voor de aanvaarding van betaling met betaalkaarten. Wat de activiteit van het uitgegeven van betaalkaarten betreft, heeft de Commissie in vorige besluiten (24) bovendien de mogelijkheid besproken om een onderscheid te maken tussen verschillende soorten kaarten, maar uiteindelijk werd de exacte definitie in het midden gelaten.

(60)

Voor de doeleinden van dit besluit, en onverminderd de mededingingswetgeving, worden in dit besluit drie productmarkten bekeken, namelijk de kredietkaartmarkt, de debetkaartmarkt en de aanvaarding van kaarten.

(61)

Wat de markt van aanvaarding van kaarten betreft, is de door de aanvrager omschreven productmarkt niet de markt die in het algemeen was gedefinieerd in de vorige in overweging 59 genoemde besluiten. De „oorspronkelijke” markt van aanvaarding van kaarten was de markt die bestond uit handelaren die betaling via betaalkaarten aanvaarden. Een andere mogelijke omschrijving van deze markt is de markt die bestaat uit banken die kaartaanvaardingsdiensten aan dergelijke handelaren aanbieden. Zoals echter bevestigd door de Hongaarse mededingingsautoriteit (GVH) (25) was, in het geval van Posta en rekening houdend met het feit dat de POS-apparaten functioneren als ATM-machines van de twee banken waarvoor Posta als intermediair optreedt, „Magyar Posta waarschijnlijk correct om gegevens inzake concentratie te verstrekken gebaseerd op het aantal op de markt aanwezige ATM-machines”.

(62)

Wat de geografische markt betreft, werd in vorige zaken van de Commissie (26) aangegeven dat de betaalkaartmarkt nog steeds nationaal van omvang is, hoewel wordt toegegeven dat er ruimte is voor een verbreding van de markt in de toekomst. In het huidige geval wordt als geografische markt het gehele grondgebied van Hongarije beschouwd.

(63)

Tussen 2007 en 2009 bedroeg het marktaandeel van Posta minder dan 1 % van de kredietkaartmarkt, minder dan 3 % van de debetkaartmarkt en minder dan 6 % wat de markt van aanvaarding van betaalkaarten, als omschreven door de aanvrager, betreft.

(64)

Overeenkomstig de Hongaarse mededingingsautoriteit (27) blijkt uit een recente studie van de GVH en de Hongaarse nationale bank dat het marktaandeel van de 5 grootste van 24 banken, wat het uitgeven van debetkaarten betreft, ongeveer 82 % bedroeg. Overeenkomstig dezelfde bron is de markt voor het uitgeven van kredietkaarten minder geconcentreerd; van de 18 banken die kredietkaarten uitreiken, hebben de 7 op dit gebied grootste banken een gecombineerd marktaandeel van 68 %. Overeenkomstig de aanvraag was het niveau van concentratie bovendien hoog in de sector van de aanvaarding van betaalkaarten aangezien drie vierde van het totale aantal ATM’s geëxploiteerd werd door slechts vier banken.

(65)

Gezien het kleine marktaandeel van Posta en de aanwezigheid van andere banken en financiële instellingen, wat concurrentiedruk legt op de activiteit van Posta, kunnen wij concluderen dat voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving deze elementen moeten worden gezien als een aanwijzing dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

(66)

Deze categorie van diensten behelst de verkoop van financiële instrumenten en de marketing van speciale investeringsproducten. De aangeboden financiële middelen zijn overheidpapier, beleggingsfondsen van Erste Befektetesi Zrt, andere effecten en speciale woonspaarregelingen namens Fundamenta Lakaskassza Zrt. en OTP Lakastakarekpenztar Zrt., waarbij Posta als tussenpersoon optreedt.

(67)

In vorige gevallen heeft de Commissie de vraag in het midden gelaten of elk van deze diensten eventueel een afzonderlijke productmarkt vormt (28). De exacte definitie kan in dit geval achterwege blijven aangezien de door Posta als tussenpersoon aangeboden diensten geen mededingingskwesties aan de orde stellen, ongeacht of al dan niet een alternatieve marktdefinitie wordt gehanteerd.

(68)

Wat het geografische bereik betreft, was de Commissie van mening (29) dat de meeste marktsegmenten internationaal van aard zijn, terwijl sommige vanuit een nationaal perspectief zijn geanalyseerd (30). De exacte geografische marktdefinitie kan achterwege blijven en in het onderhavige geval wordt als geografische markt het Hongaarse grondgebied genomen.

(69)

Tussen 2007 en 2009 bedroeg het marktaandeel van Posta minder dan 4 % op de markt van overheidpapier, tussen 3 % en 9 % op de markt van beleggingsfondsen, minder dan 2 % op de markt voor overige effecten en minder dan 4 % op de markt van de woonspaarregelingen.

(70)

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving wijzen deze elementen er dus op dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

(71)

Posta biedt levensverzekeringen aan namens Magyar Posta Eletbiztosito Zrt., alsook schadeverzekeringen namens Magyar Posta Biztosito Zrt.

(72)

In haar vorige besluiten (31) heeft de Commissie een onderscheid gemaakt tussen drie brede categorieën van verzekeringsproducten, namelijk levensverzekeringen, schadeverzekeringen en herverzekeringen. Voorts werd opgemerkt dat levensverzekeringen en schadeverzekeringen verder kunnen worden onderverdeeld in zoveel afzonderlijke productmarkten als er verschillende types gedekte risico’s bestaan. Wat levensverzekeringen betreft, heeft de Commissie in vorige besluiten de volgende onderverdeling gebruikt: levensverzekering-individueel, levensverzekering-groep en aan deelnemingsrechten gekoppelde levensverzekering, of, als alternatief, individuele bescherming, groepsbescherming, persoonlijk pensioen, groepspensioen, spaar en belegging (32). Wat schadeverzekeringen betreft, heeft de Commissie in vorige gevallen een onderscheid gemaakt tussen onder meer motorvoertuigen, brand, vervoer, gezondheid, eigendom, algemene burgerlijke aansprakelijkheid, ongevallen, gerechtskosten, ongevallen op het werk en kredietverzekering (33). Overwegingen met betrekking tot de vraagzijde kunnen echter resulteren in bredere omschrijvingen van de productmarkten. Voor de doeleinden van dit besluit kan de exacte definitie van de productmarkt achterwege blijven.

(73)

De Commissie heeft in het verleden ook de distributie van verzekeringsproducten bekeken en heeft bevestigd dat de relevante markt voor de distributie van levensverzekerings- en schadeverzekeringsproducten alle externe (d.w.z. door derden of niet in eigen bezit) distributiekanalen, zoals makelaars, agenten en andere bemiddelaars, omvat (34). Voor de doeleinden van dit besluit kan de exacte definitie van de productmarkt echter achterweg blijven.

(74)

Wat de geografische markt betreft, heeft de Commissie in haar vorige besluiten (35) de markt voor levensverzekeringen als van nationale omvang omschreven ten gevolge van de nationale distributiekanalen, de gevestigde marktstructuur, belastingsrestricties en onderling afwijkende reguleringssystemen. In dit geval wordt dezelfde aanpak gebruikt en als geografische markt wordt dus het gehele Hongaarse grondgebied genomen.

(75)

Tussen 2007 en 2009 bedroeg het marktaandeel van Posta minder dan 5 % (36) op de markt van levensverzekeringsproducten en minder dan 1 % (37) voor schadeverzekeringsproducten. Uit deze cijfers blijkt dat ook het marktaandeel voor de bemiddeling met betrekking tot verzekeringsproducten beperkt is.

(76)

In diezelfde jaren bedroeg het gecombineerde marktaandeel van de eerste drie concurrenten respectievelijk 52,29 %, 51,08 % en 50,1 % in de markt van de levensverzekeringen en respectievelijk 54,84 %, 52,56 % en 51,66 % in de markt van de schadeverzekeringsproducten.

(77)

Voor de doeleinden van dit besluit en onverminderd de mededingingswetgeving wijzen deze elementen er dus op dat de activiteit van Posta aan rechtstreekse mededinging is blootgesteld.

IV.   CONCLUSIES

(78)

Gezien de elementen die werden onderzocht in de overwegingen 11 t/m 77 moet de voorwaarde rechtstreeks bloot te staan aan mededinging, zoals neergelegd in artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG, als vervuld worden beschouwd in Hongarije voor wat de volgende activiteiten betreft:

a)

diensten die het mogelijk maken contanten op een betaalrekening te plaatsen;

b)

diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening af te halen;

c)

geldovermakingsdiensten;

d)

bemiddeling bij rekeningen-courant en verwante producten en diensten;

e)

kredietbemiddeling;

f)

bemiddeling bij uitgifte van kaarten door kredietinstellingen en aanvaarding daarvan;

g)

beleggingsbemiddeling en bemiddeling met betrekking tot spaargelden voor een bijzonder doel, voor rekening van derden;

h)

verzekeringsbemiddeling.

(79)

Aangezien de voorwaarde van niet-beperkte toegang tot de markt als vervuld kan worden beschouwd, is Richtlijn 2004/17/EG niet van toepassing wanneer aanbestedende diensten opdrachten gunnen die bedoeld zijn om de uitvoering in Hongarije van de in overweging 78 genoemde diensten mogelijk te maken, noch wanneer prijsvragen worden georganiseerd voor de uitvoering van dergelijke activiteiten in Hongarije.

(80)

De door Posta aangeboden financiële diensten zijn „andere diensten dan postdiensten” in de zin van artikel 6, lid 2, onder b), van Richtlijn 2004/17/EG. De door Posta uitgevoerde postdiensten vallen niet onder dit verzoek om vrijstelling en derhalve blijven voor die diensten de bepalingen van Richtlijn 2004/17/EG van toepassing. In deze context wordt eraan herinnerd dat opdrachten voor meerdere activiteiten worden behandeld overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2004/17/EG. Dit houdt in dat wanneer een aanbestedende dienst een „gemengde” aanbesteding uitschrijft, dat wil zeggen een aanbesteding die wordt gebruikt ter ondersteuning van de prestaties van zowel activiteiten die zijn vrijgesteld van de toepassing van Richtlijn 2004/17/EG als van niet-vrijgestelde activiteiten, zal worden gekeken naar de activiteiten waarvoor het contract in de eerste plaats is bedoeld. In het geval van een dergelijke gemengde aanbesteding, waarvan het doel voornamelijk de ondersteuning van postactiviteiten is, blijft het bepaalde in Richtlijn 2004/17/EG van kracht. Wanneer het objectief gesproken onmogelijk is om te bepalen voor welke activiteit het contract voornamelijk is bedoeld, wordt dit contract gegund overeenkomstig de regels van artikel 9, leden 2 en 3, van de Richtlijn 2004/17/EG.

(81)

Dit besluit is gegrond op de juridische en feitelijke situatie van juli tot en met oktober 2011 zoals die naar voren komt uit de door Magyar Posta, en de Hongaarse mededingingsautoriteit ingediende informatie. Het kan worden herzien wanneer een aanmerkelijke wijziging van de juridische en feitelijke situatie met zich meebrengt dat niet langer aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 30, lid 1, van Richtlijn 2004/17/EG is voldaan.

(82)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2004/17/EG is niet van toepassing op opdrachten die door de aanbestedende diensten worden gegund en die bedoeld zijn om de volgende in Hongarije uit te voeren diensten mogelijk te maken:

a)

diensten die het mogelijk maken contanten op een betaalrekening te plaatsen;

b)

diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening af te halen;

c)

geldovermakingsdiensten;

d)

bemiddeling bij rekeningen-courant en verwante producten en diensten;

e)

kredietbemiddeling;

f)

bemiddeling bij uitgifte van kaarten door kredietinstellingen en aanvaarding daarvan;

g)

beleggingsbemiddeling en bemiddeling met betrekking tot spaargelden voor een bijzonder doel, voor rekening van derden;

h)

verzekeringsbemiddeling.

Artikel 2

Dit besluit is overeenkomstig de Verdragen gericht tot de Republiek Hongarije.

Gedaan te Brussel, 16 december 2011.

Voor de Commissie

Michel BARNIER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  Zie aanvraag, blz. 11.

(3)  Bv.: Onder de betalingsdiensten worden internationale betalingen via postbezorging slechts in 328 postpunten aangeboden, terwijl de Western Union-geldovermakingsdienst, met Posta als tussenpersoon, in 1 024 postpunten worden aangeboden. Onder de diensten die voor rekening van derden worden aangeboden, wordt bemiddeling voor Posta-kredietkaarten, bemiddeling met betrekking tot beleggingsfondsen en bepaalde verzekeringsproducten slechts op 343 plaatsen aangeboden, worden de rekening-courantproducten van OTP Bank voor retailklanten aangeboden in 244 postpunten en wordt ondernemingskrediet slechts aangeboden in 45 bijkantoren.

(4)  Europese Centrale Bank, „Payment and Securities settlement systems in the European Union: non-euro area countries — Hungary”, augustus 2007.

(5)  Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG, PB L 319 van 5.12.2007, blz. 1.

(6)  GfK Hungaria: „Internet banking continues to gain ground”, 3 november 2010 http://www.gfk.com/imperia/md/content/gfk_hungaria/pdf/press_h/2010/press_2010_11_03_h.pdf

(7)  ATM = Automated Teller Machine, betaalautomaten.

(8)  De relevante marktaandelen werden berekend ten opzichte van de totale waarde van de transacties. Zie bladzijde 34 van de aanvraag.

(9)  Zie bladzijde 32 van de aanvraag.

(10)  Hongaarse Nationale Bank „Nothing is Free: a survey of the social costs of the main payment instruments in Hungary” by Dr. Aniko Turjan, EVA Diveki, EVA Keszy-Harmath, Gergely Koczan, Kristof Takacs, Occasional Paper 93, 2011.

(11)  Zie bladzijde 35 en 36 van de aanvraag.

(12)  POS = Point of Sale, verkooppunt.

(13)  De relevante marktaandelen werden berekend ten opzichte van de totale waarde van de transacties. Zie bladzijde 36 van de aanvraag.

(14)  Zie bladzijde 35 en 36 van de aanvraag.

(15)  Zaak COMP/M.5384- BNP PARIBAS/FORTIS, blz. 3.

(16)  Zaak COMP/M.4844, Fortis:ABN AMRO Assets.

(17)  Zaak COMP/M. 2225 FORTIS/ASR, blz. 3, COMP/M.5075Vienna Insurance Group/Erste Bank Versicherungssparte, en COMP/M.5384- BNP PARIBAS/FORTIS, blz. 15.

(18)  Verandering van dienstenleverancier in het geval van bepaalde financiële producten in de retailsector en de sector van de kleine ondernemingen — Sectorenquête — eindverslag, 5 februari 2009, GVH — Hongaarse mededingingsautoriteit. GVH heeft deze studie betreffende verandering van bank uitgevoerd voor de periode 2002-2006.

(19)  Verandering van dienstenleverancier in het geval van bepaalde financiële producten in de retailsector en de sector van de kleine ondernemingen — Sectorenquête — eindverslag, 5 februari 2009, GVH — Hongaarse mededingingsautoriteit, alsmede de verwante achtergrondstudie „Informatie en ervaring in verband met overstappen tussen banken” samenvattende analyse van de consumentenmarkt, Millward Brown, september 2006.

(20)  Ipsos: Finanacial services, current account services, Summary of the survey of retail customers, januari 2009.

(21)  Zaak COMP/M.4844, Fortis/ABN AMRO Assets.

(22)  Overeenkomstig de aanvullende informatie, door de aanvrager toegezonden bij schrijven d.d. 2 september 2011.

(23)  Zaak COMP/M.5241, American Express/Fortis/Alpha Card.

(24)  Zaak COMP/M. 3894 Unicredito/HVB; COMP/M.2567 Nordbanken/Postgirot; COMP/M. 3740 Barclays Bank/Foerenngssparbanken/JV, COMP/M. 4844 Fortis/ABN AMRO Assets, COMP/M. 5241 American Express/Fortis/Alpha Card.

(25)  GVH-antwoord van 15 september 2011 op het schriftelijke verzoek om informatie van de Commissie van 8 augustus 2011.

(26)  Zaak COMP/M. 3740, Barklays Bank/Foereningssparbanken/JV en COMP/M. 2567 Nordbanken/Postgirot.

(27)  GVH-antwoord van 15 september 2011 op het schriftelijke verzoek om informatie van de Commissie van 8 augustus 2011.

(28)  Zaak COMP/M.3894, Unicredito/HVB, Zaak COMP/M.5384 BNP Paribas/FORTIS.

(29)  Zaak COMP/M. 2225, Fortis/ASR, COMP/M.1172, Fortis AG/Generale Bank.

(30)  Zaak COMP/M. 4155, BNP Paribas/BNL.

(31)  Zaak COMP:M. 4284, AXA/Winterhur, Zaak COMP/M. 5384 BNP Paribas/FORTIS.

(32)  Zaak COMP/4047 Aviva/Ark life, Zaak COMP/M.4284 Axa/Winterthur, Zaak COMP/M.4701 Generali/PPF Insurance Business.

(33)  Zaak COMP/M.4284, Axa/Winterthur, Zaak COMP/M.4701 Generali/PPF Insurance Business, Zaak COMP/M.2676 Sampo/Vama/IF Holding/JV.

(34)  Zaak COMP/M.4284 AXA/Winterthur, Zaak COMP/M.4844 Fortis/ABN AMRO Assets.

(35)  Zaak COMP/M. 5075 Vienna Insurance Group/Erste Bank Versicherungssparte; COMP/M.4844 Fortis/ABN AMRO Assets.

(36)  Marktaandeel gebaseerd op basis van de verzekeringspremie-inkomsten.

(37)  Zie voetnoot 36.


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/86


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2011

tot vrijstelling van bepaalde partijen van de uitbreiding tot bepaalde onderdelen van rijwielen van het antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China dat is ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad en tot opheffing van de schorsing en tot intrekking van de vrijstelling van de betaling van het tot bepaalde onderdelen van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China uitgebreide antidumpingrecht die bij Verordening (EG) nr. 88/97 van de Commissie aan bepaalde partijen zijn toegekend

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9473)

(2011/876/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”),

Gezien Verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad (2) (de „uitbreidingsverordening”) tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht, ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad (3) voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China en tot heffing van het uitgebreide recht op dergelijke uit hoofde van Verordening (EG) nr. 703/96 van de Commissie (4) geregistreerde invoer,

Gezien Verordening (EG) nr. 88/97 van de Commissie (5) (de „vrijstellingsverordening”) tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij Verordening (EG) nr. 71/97 van het bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 ingestelde antidumpingrecht, en met name artikel 7,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Na de inwerkingtreding van de vrijstellingsverordening heeft een aantal rijwielassemblagebedrijven op grond van artikel 3 van die verordening een aanvraag ingediend om vrijstelling van het antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 71/97 was uitgebreid tot de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China („het uitgebreide antidumpingrecht”). De Commissie heeft in het Publicatieblad van de Europese Unie meermaals lijsten van rijwielassemblagebedrijven (6) bekendgemaakt waarvoor de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht op voor het vrije verkeer aangegeven hoofdbestanddelen van rijwielen was geschorst op grond van artikel 5, lid 1, van de vrijstellingsverordening.

(2)

Na de laatste bekendmaking van de lijst van partijen waarvan de aanvraag werd onderzocht (7), werd een hoofdonderzoektijdvak gekozen. Die periode loopt van 1 januari 2011 tot en met 31 juli 2011. Er is ook verzocht om aanvullende informatie over 2009 en 2010. Aan alle ondernemingen waarop het onderzoek betrekking had, werd een lijst toegezonden met vragen over hun assemblageactiviteiten tijdens de desbetreffende periode.

(3)

De Commissie is ook ingelicht over de vereffening van één onderneming die was vrijgesteld van het uitgebreide antidumpingrecht op onderdelen van rijwielen. Voorts heeft een onderneming de Commissie laten weten dat zij haar assemblageactiviteiten had stopgezet.

A.   VRIJSTELLINGSAANVRAGEN WAARVOOR EERDER SCHORSING WERD VERLEEND

A.1.   Ontvankelijke vrijstellingsaanvragen

(4)

De Commissie heeft van de in tabel 1 hierna vermelde partijen alle informatie ontvangen die nodig is om over de ontvankelijkheid van hun aanvragen te oordelen. Deze partijen was reeds schorsing verleend met ingang van de dag waarop de Commissie een eerste volledige aanvraag had ontvangen. De Commissie kwam op basis van deze informatie tot de bevinding dat de aanvragen van de in tabel 1 genoemde partijen op grond van artikel 4, lid 1, van de vrijstellingsverordening ontvankelijk zijn.

Tabel 1

Naam

Adres

Land

Aanvullende Taric-code

Blue Factory Team S.L.

CL Torres y Villaroel 6, Elche Parque Industrial, 03320 Alicante

Spanje

A984

CODE X Sp. z o.o.

Olszanka 109, 33-386 Podegrodzie

Polen

A966

JETLANE SAS (initially JET’LEAN SAS)

4, boulevard de Mons, 59650 Villeneuve-d’Ascq

Frankrijk

A968

Kwasny & Diekhöner GmbH

Herforder Strasse 331, 33609 Bielefeld

Duitsland

A993

Maxtec Ltd

1 Golyamokonarsko shose Str., 4204 Tsaratsovo, Plovdiv

Bulgarije

A991

Metelli di Staffoni Mario & C.S.A.S.

Via Trento 68, 25030 Trenzano (BS)

Italië

A979

Müller GmbH

Riedlerweg 7, 8054 Graz

Oostenrijk

A978 (oorspronkelijk A977)

Unicykel AB

Aröds Industriväg 14, 422 43 Hisings Backa

Zweden

A967

(5)

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de waarde van de onderdelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China die alle indieners van een aanvraag bij hun assemblageactiviteiten gebruikten, minder dan 60 % bedroeg van de totale waarde van de onderdelen die zij bij deze activiteiten gebruikten. Zij vallen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.

(6)

Om deze reden en overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de vrijstellingsverordening moeten de in tabel 1 hierboven vermelde partijen van het uitgebreide antidumpingrecht worden vrijgesteld.

(7)

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de vrijstellingsverordening moeten de in tabel 1 hierboven vermelde partijen met ingang van de datum van ontvangst van hun aanvraag van het uitgebreide antidumpingrecht worden vrijgesteld. Bovendien moet hun douaneschuld uit hoofde van het uitgebreide antidumpingrecht als nietig worden beschouwd vanaf de datum van ontvangst van hun vrijstellingsaanvraag.

(8)

Onderneming Code X Sp. z o.o. heeft tijdens de onderzoeksprocedure haar adres gewijzigd. Aan de onderneming is schorsing verleend onder het adres ul. Królewska 16, 00-103 Warszawa, Polen. Tijdens de schorsingsperiode is het adres veranderd in Olszanka 109, 33-386 Podegrodzie, Polen. Deze adreswijziging heeft geen gevolgen voor de oorspronkelijke aanvraag tot schorsing noch voor het besluit betreffende de vrijstelling.

(9)

De onderneming JETLANE SAS veranderde tijdens de onderzoeksprocedure van naam. Aan de onderneming is de oorspronkelijke schorsing verleend onder de naam JET’LEAN SAS. Tijdens de schorsingsperiode heeft de onderneming haar naam veranderd in JETLANE SAS. Deze naamswijziging heeft geen gevolgen voor de oorspronkelijke aanvraag tot schorsing noch voor het besluit betreffende de vrijstelling.

(10)

De aanvullende Taric-code A977, die oorspronkelijk aan de onderneming Müller GmbH werd toegekend, werd verkeerdelijk tweemaal toegekend en moest worden ingetrokken. Op 3 juni 2010 werd aan de onderneming aanvullende Taric-code A978 toegekend. Deze codewijziging heeft geen gevolgen voor de oorspronkelijke aanvraag tot schorsing noch voor het besluit betreffende de vrijstelling.

A.2.   Verworpen vrijstellingsaanvragen

(11)

De in tabel 2 hierna vermelde partij heeft ook een aanvraag ingediend om van het uitgebreide antidumpingrecht te worden vrijgesteld.

Tabel 2

Naam

Adres

Land

Aanvullende Taric-code

Bikeworks AC GmbH

Ernst-Abbe-Strasse 28, 52249 Eschweiler

Duitsland

A980

(12)

De desbetreffende partij assembleerde rijwielen als subcontractant en niet in eigen naam. De onderneming kocht geen onderdelen aan en er kon niet worden beoordeeld of de assemblageactiviteiten beantwoordden aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van de vrijstellingsverordening.

(13)

Om deze redenen moet de Commissie de aanvraag overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de vrijstellingsverordening verwerpen. Bijgevolg moet de in artikel 5 van de vrijstellingsverordening bedoelde schorsing van betaling van het uitgebreide antidumpingrecht worden opgeheven en moet het uitgebreide antidumpingrecht worden geheven vanaf de datum van ontvangst van de vrijstellingsaanvraag van deze partij, namelijk de datum waarop de schorsing van kracht werd.

A.3.   Intrekkingen

(14)

Voor de partijen in tabel 3 hieronder moet de vrijstelling worden ingetrokken.

Tabel 3

Naam

Adres

Land

Aanvullende Taric-code

Bicicletas de Alava SL

C/Arcacha 1, 01006 Vitoria

Spanje

8963

Fundador-Sociedade Importadora de Sangalhos, Lda.

Apartado, 26, P-3781-908 Sangalhos

Portugal

8244

(15)

Deze partijen waren vrijgesteld van het uitgebreide antidumpingrecht op onderdelen van rijwielen. Een onderneming heeft de Commissie nu laten weten dat zij haar assemblageactiviteiten heeft stopgezet. Na het onderzoek heeft een Portugese rechtbank de Commissie geïnformeerd dat de andere partij was vereffend. Voor beide partijen moet de vrijstelling worden ingetrokken.

B.   VRIJSTELLINGSAANVRAGEN WAARVOOR EERDER GEEN SCHORSING WERD VERLEEND

B.1.   Onontvankelijke vrijstellingsaanvragen

(16)

De in tabel 4 genoemde partijen hebben ook een aanvraag ingediend om van het uitgebreide antidumpingrecht te worden vrijgesteld.

Tabel 4

Naam

Adres

Land

Apollo Electric Bikes bv

Leemstraat 6, 4705 RH Roosendaal

Nederland

IN CYCLES, Montagem e Comércio de Bicicletas Lda.

Zona Industrial de Oiã, Lote A e B, Apartado 175, 3770-059 Oiã

Portugal

Kleinebenne GmbH

Hansastrasse 22, 33818 Leopoldshöhe

Duitsland

MOBIKY-TECH

675, Promenade des Ports, 50000 Saint-Lô

Frankrijk

MOVITEC SRL

Jud. Brasov, Aeroportului Street 2, 507075 Ghimbav

Roemenië

Sun Baby Jacek Gabruś

ul. Jana Styki 12, 64-920 Piła

Polen

TORPADO S.R.L.

Viale Enzo Ferrari 11, 30014 Cavarzere (VE)

Italië

(17)

Een van deze partijen is een assembleur van elektrische rijwielen die niet onderworpen is aan een antidumpingrecht op onderdelen van rijwielen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 71/97. Deze partij komt niet in aanmerking voor een vrijstelling. Voor een aantal partijen valt de levering van onderdelen voor de productie van rijwielen waarop de maatregelen van Verordening (EG) nr. 71/97 van toepassing zijn binnen de de-minimisdrempel van minder van 300 eenheden per maand, zoals gespecificeerd in artikel 14, onder c), van de vrijstellingsverordening. Deze partijen voldeden bijgevolg niet aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder a), van de vrijstellingsverordening, zodat geen vrijstelling kon worden verleend. Een aantal andere partijen was nog niet begonnen met de productie van rijwielen; aan hen kon dan ook geen schorsing worden verleend.

(18)

Alle ondernemingen die in de tabellen 1-4 hierboven zijn opgenomen, zijn geïnformeerd en kregen de kans opmerkingen te maken. Geen van de ontvangen opmerkingen leidde evenwel tot een wijziging van de in dit besluit uiteengezette conclusies,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De in tabel 1 hieronder vermelde partijen worden vrijgesteld van de uitbreiding bij Verordening (EG) nr. 71/97 van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EEG) nr. 2474/93, laatstelijk gewijzigd en gehandhaafd bij Verordening (EG) nr. 1095/2005, werd ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, tot bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China.

De vrijstelling gaat in op de dag die voor elke partij is vermeld in de kolom „datum van inwerkingtreding”.

Tabel 1

Vrijgestelde partijen

Naam

Adres

Land

Vrijstelling op grond van Verordening (EG) nr. 88/97

Datum van inwerkingtreding

Aanvullende Taric-code

Blue Factory Team S.L.

CL Torres y Villaroel 6, Elche Parque Industrial, 03320 Alicante

Spanje

Artikel 7

16.7.2010

A984

CODE X Sp. z o.o.

Olszanka 109, 33-386 Podegrodzie (initially ul. Królewska 16, 00-103 Warszawa)

Polen

Artikel 7

22.1.2010

A966

JETLANE SAS (initially JET’LEAN SAS)

4, boulevard de Mons, 59650 Villeneuve-d’Ascq

Frankrijk

Artikel 7

18.2.2010

A968

Kwasny & Diekhöner GmbH

Herforder Strasse 331, 33609 Bielefeld

Duitsland

Artikel 7

5.7.2011

A993

Maxtec Ltd

1 Golyamokonarsko shose Str., 4204 Tsaratsovo, Plovdiv

Bulgarije

Artikel 7

15.10.2010

A991

Metelli di Staffoni Mario & C.S.A.S.

Via Trento 68, 25030 Trenzano (BS)

Italië

Artikel 7

13.4.2010

A979

Müller GmbH

Riedlerweg 7, 8054 Graz

Oostenrijk

Artikel 7

30.3.2010

A978 (oorspronkelijk A977)

Unicykel AB

Aröds Industriväg 14, 422 43 Hisings Backa

Zweden

Artikel 7

11.1.2010

A967

Artikel 2

De aanvraag voor vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht die op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 88/97 werd ingediend door de in tabel 2 hieronder vermelde partij, wordt afgewezen.

De schorsing van de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 88/97 wordt voor de desbetreffende partij opgeheven vanaf de datum die is vermeld in de kolom „datum van inwerkingtreding”.

Tabel 2

Partijen waarvoor de schorsing wordt opgeheven

Naam

Adres

Land

Schorsing op grond van Verordening (EG) nr. 88/97

Datum van inwerkingtreding

Aanvullende Taric-code

Bikeworks AC GmbH

Ernst-Abbe-Strasse 28, 52249 Eschweiler

Duitsland

Artikel 5

11.6.2010

A980

Artikel 3

De vrijstellingen van de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 88/97 voor de partijen die in tabel 3 hieronder zijn vermeld, worden ingetrokken overeenkomstig artikel 10 van de vrijstellingsverordening.

De vrijstelling van de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht wordt voor de desbetreffende partijen opgeheven vanaf de datum die is vermeld in de kolom „datum van inwerkingtreding”.

Tabel 3

Partijen waarvoor de vrijstelling wordt opgeheven

Naam

Adres

Land

Vrijstelling op grond van Verordening (EG) nr. 88/97

Datum van inwerkingtreding

Aanvullende Taric-code

Bicicletas de Alava SL

C/Arcacha 1, 01006 Vitoria

Spanje

Artikel 7

1 dag na de bekendmaking van dit besluit

8963

Fundador-Sociedade Importadora de Sangalhos, Lda.

Apartado, 26, P-3781-908 Sangalhos

Portugal

Artikel 7

1 dag na de bekendmaking van dit besluit

8244

Artikel 4

De aanvragen voor vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht die zijn ingediend door de in tabel 4 vermelde partijen worden afgewezen.

Tabel 4

Partijen waarvan de vrijstellingsaanvraag wordt afgewezen

Naam

Adres

Land

Apollo Electric Bikes bv

Leemstraat 6, 4705 RH Roosendaal

Nederland

IN CYCLES, Montagem e Comércio de Bicicletas Lda.

Zona Industrial de Oiã, Lote A e B, Apartado 175, 3770-059 Oiã

Portugal

Kleinebenne GmbH

Hansastrasse 22, 33818 Leopoldshöhe

Duitsland

MOBIKY-TECH

675, Promenade des Ports, 50000 Saint-Lô

Frankrijk

MOVITEC SRL

Jud. Brasov, Aeroportului Street 2, 507075 Ghimbav

Roemenië

Sun Baby Jacek Gabruś

ul. Jana Styki 12, 64-920 Piła

Polen

TORPADO S.R.L.

Viale Enzo Ferrari 11, 30014 Cavarzere (VE)

Italië

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de lidstaten en tot de in de artikelen 1, 2, 3 en 4 genoemde partijen. Het wordt eveneens bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 19 december 2011.

Voor de Commissie

Karel DE GUCHT

Lid van de Commissie


(1)  PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  PB L 16 van 18.1.1997, blz. 55.

(3)  PB L 228 van 9.9.1993, blz. 1. Verordening gehandhaafd bij Verordening (EG) nr. 1524/2000 (PB L 175 van 14.7.2000, blz. 39) en gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1095/2005 (PB L 183 van 14.7.2005, blz. 1).

(4)  PB L 98 van 19.4.1996, blz. 3.

(5)  PB L 17 van 21.1.1997, blz. 17.

(6)  PB C 45 van 13.2.1997, blz. 3, PB C 112 van 10.4.1997, blz. 9, PB C 220 van 19.7.1997, blz. 6, PB C 378 van 13.12.1997, blz. 2, PB C 217 van 11.7.1998, blz. 9, PB C 37 van 11.2.1999, blz. 3, PB C 186 van 2.7.1999, blz. 6, PB C 216 van 28.7.2000, blz. 8, PB C 170 van 14.6.2001, blz. 5, PB C 103 van 30.4.2002, blz. 2, PB C 35 van 14.2.2003, blz. 3, PB C 43 van 22.2.2003, blz. 5, PB C 54 van 2.3.2004, blz. 2, PB C 299 van 4.12.2004, blz. 4, PB L 17 van 21.1.2006, blz. 16, PB L 313 van 14.11.2006, blz. 5, PB L 81 van 20.3.2008, blz. 73, PB C 310 van 5.12.2008, blz. 19, PB L 19 van 23.1.2009, blz. 62, PB L 314 van 1.12.2009, blz. 106, en PB L 136 van 24.5.2011, blz. 99.

(7)  PB L 136 van 24.5.2011, blz. 99.


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/91


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 19 december 2011

tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte in toepassing van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 2007/74/EG van de Commissie

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 9523)

(2011/877/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG (1), en met name artikel 4, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Richtlijn 2004/8/EG heeft de Commissie bij Beschikking 2007/74/EG (2) geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden vastgesteld voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte, bestaande uit een matrix van waarden naargelang van de relevante factoren, met inbegrip van bouwjaar en type brandstof.

(2)

Voor het eerst op 21 februari 2011 en vervolgens om de vier jaar evalueert de Commissie de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte teneinde rekening te houden met de technologische ontwikkelingen en de veranderingen in de spreiding van energiebronnen.

(3)

De Commissie heeft de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte geëvalueerd, rekening houdend met de door de lidstaten verstrekte gegevens op grond van operationeel gebruik onder realistische omstandigheden. Uit de ontwikkelingen op het gebied van de best beschikbare en economisch te rechtvaardigen technologie die zich hebben voorgedaan in de periode 2006-2011 waarop de evaluatie betrekking heeft, blijkt dat voor de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit het in Beschikking 2007/74/EG gemaakte onderscheid op grond van het bouwjaar van een warmtekrachteenheid voor vanaf 1 januari 2006 gebouwde installaties niet hoeft te worden gehandhaafd. Voor warmtekrachteenheden die in 2005 of eerder zijn gebouwd moeten de referentiewaarden voor het betrokken bouwjaar echter nog steeds toegepast worden om rekening te houden met de vastgestelde ontwikkelingen op het gebied van de best beschikbare en economisch levensvatbare technologieën. Verder heeft de evaluatie op basis van recente ervaringen en analyses bevestigd dat de correctiefactoren in verband met de klimaatsituatie moeten blijven worden toegepast. Bovendien moeten de correctiefactoren voor vermeden netwerkverliezen ook toegepast blijven worden, aangezien de netwerkverliezen de laatste jaren niet zijn veranderd. De correctiefactoren voor vermeden netwerkverliezen worden ook toegepast op installaties die houtbrandstoffen en biogassen gebruiken.

(4)

Uit de evaluatie is niet gebleken dat de energie-efficiëntie van boilers in de onderzochte periode veranderd is, en daarom houden de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van warmte geen verband met het bouwjaar. Er hoeven ook geen correctiefactoren voor de klimatologische omstandigheden te worden toegepast aangezien de thermodynamica van de opwekking van warmte uit brandstof niet in belangrijke mate afhangt van de omgevingstemperatuur. Tenslotte hoeft er ook niet te worden gecorrigeerd voor warmteverliezen in het netwerk aangezien warmte altijd dicht bij de productieplaats wordt gebruikt.

(5)

De voorwaarden voor investeringen in warmtekrachtkoppeling en het investeerdersvertrouwen moeten stabiel zijn. Met het oog hierop moeten de huidige geharmoniseerde referentiewaarden voor elektriciteit en warmte ook voor de periode 2012-2015 blijven gelden.

(6)

Gegevens van operationeel gebruik onder realistische voorwaarden laten geen statistisch significante verbetering van de huidige prestaties van geavanceerde installaties in de geëvalueerde periode zien. Daarom moeten de referentiewaarden die bij Beschikking 2007/74/EG zijn vastgesteld voor de periode 2006-2011 ook voor de periode 2012-2015 blijven gelden.

(7)

De evaluatie heeft de geldigheid van de bestaande correctiefactoren met betrekking tot de klimatologische omstandigheden en vermeden netwerkverliezen bevestigd.

(8)

Het gebruik van één enkele reeks van referentiewaarden voor de gehele periode en het afzien van correctiefactoren voor klimatologische verschillen en netwerkverliezen voor warmteopwekking zijn ook bevestigd.

(9)

Aangezien het hoofddoel van Richtlijn 2004/8/EG de besparing van energie door de bevordering van warmtekrachtkoppeling is, moet er ook een stimulans voor de modernisering van oudere warmtekrachteenheden worden ingebouwd teneinde de energie-efficiëntie daarvan te verbeteren. Om die reden moeten de voor een warmtekrachteenheid geldende rendementsreferentiewaarden worden verhoogd vanaf het elfde jaar na het bouwjaar.

(10)

Deze aanpak is in overeenstemming met de eisen op het gebied van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden die gebaseerd moeten zijn op de beginselen als vermeld in bijlage III, onder f), van Richtlijn 2004/8/EG.

(11)

Voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte moeten herziene geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden worden vastgesteld. Beschikking 2007/74/EG moet derhalve worden ingetrokken.

(12)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité warmtekrachtkoppeling,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Invoering van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden

De geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte zijn opgenomen in bijlage I, respectievelijk bijlage II.

Artikel 2

Toepassing van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden

1.   De lidstaten passen de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden van bijlage I toe overeenkomstig het bouwjaar van de warmtekrachteenheid. Deze geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden gelden voor een periode van 10 jaar volgend op het bouwjaar van de warmtekrachteenheid.

2.   Vanaf het elfde jaar volgende op het bouwjaar van de warmtekrachteenheid passen de lidstaten de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden toe die krachtens lid 1 moeten gelden voor een warmtekrachteenheid van 10 jaar oud. Deze geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden gelden voor één jaar.

3.   In de zin van dit artikel is het bouwjaar van een warmtekrachteenheid het kalenderjaar waarin voor het eerst elektriciteit is geproduceerd.

Artikel 3

Correctiefactoren voor de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte

1.   De lidstaten passen de in bijlage III, onder a), vastgestelde correctiefactoren toe om de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden van bijlage I aan te passen aan de klimatologische omstandigheden van elke lidstaat.

Als de officiële meteorologische gegevens aantonen dat er op het grondgebied van een lidstaat verschillen qua jaarlijkse omgevingstemperatuur van 5 °C of meer voorkomen, kan die lidstaat, na kennisgeving aan de Commissie, verschillende klimaatzones gebruiken voor de doeleinden van de eerste alinea met gebruikmaking van de in bijlage III, onder b), geschetste methode.

2.   De lidstaten passen de in bijlage IV gegeven correctiefactoren toe om de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden van bijlage I aan te passen aan vermeden netwerkverliezen.

3.   Wanneer de lidstaten zowel de correctiefactoren van bijlage III, onder a), als de correctiefactoren van bijlage IV toepassen, passen zij eerst die van bijlage III, onder a), toe alvorens die van bijlage IV toe te passen.

Artikel 4

Modernisering van een warmtekrachteenheid

Wanneer een bestaande warmtekrachteenheid wordt gemoderniseerd en de investeringskosten voor die modernisering meer bedragen dan 50 % van de investeringskosten voor een vergelijkbare nieuwe warmtekrachteenheid, wordt het kalenderjaar waarin de gemoderniseerde warmtekrachteenheid voor het eerst elektriciteit opwekt, beschouwd als het bouwjaar in de zin van artikel 2.

Artikel 5

Brandstofmix

Wanneer in de warmtekrachteenheid meer dan één brandstof wordt gebruikt, worden de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor gescheiden productie toegepast in evenredigheid met het gewogen gemiddelde van de energie-input van de onderscheiden brandstoffen.

Artikel 6

Intrekking

Beschikking 2007/74/EG wordt ingetrokken.

Artikel 7

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 19 december 2011.

Voor de Commissie

Günther OETTINGER

Lid van de Commissie


(1)  PB L 52 van 21.2.2004, blz. 50.

(2)  PB L 32 van 6.2.2007, blz. 183.


BIJLAGE I

Geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit (als bedoeld in artikel 1)

In de onderstaande tabel zijn de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit gebaseerd op de netto calorische waarde en standaard ISO-omstandigheden (omgevingstemperatuur van 15 °C, druk 1,013 bar, 60 % relatieve vochtigheid).

 

Bouwjaar:

Type brandstof:

2001 en eerder

2002

2003

2004

2005

2006-2011

2012-2015

Vast

Steenkool/cokes

42,7

43,1

43,5

43,8

44,0

44,2

44,2

Bruinkool/bruinkoolbriketten

40,3

40,7

41,1

41,4

41,6

41,8

41,8

Turf/turfbriketten

38,1

38,4

38,6

38,8

38,9

39,0

39,0

Houtbrandstoffen

30,4

31,1

31,7

32,2

32,6

33,0

33,0

Agrarische biomassa

23,1

23,5

24,0

24,4

24,7

25,0

25,0

Biologisch afbreekbaar (stedelijk) afval

23,1

23,5

24,0

24,4

24,7

25,0

25,0

Niet-hernieuwbaar (stedelijk en industrieel) afval

23,1

23,5

24,0

24,4

24,7

25,0

25,0

Oliehoudende leisteen

38,9

38,9

38,9

38,9

38,9

39,0

39,0

Vloeibaar

Olie (gasolie + stookolie), lpg

42,7

43,1

43,5

43,8

44,0

44,2

44,2

Biobrandstoffen

42,7

43,1

43,5

43,8

44,0

44,2

44,2

Biologisch afbreekbaar afval

23,1

23,5

24,0

24,4

24,7

25,0

25,0

Niet-hernieuwbaar afval

23,1

23,5

24,0

24,4

24,7

25,0

25,0

Gasvormig

Aardgas

51,7

51,9

52,1

52,3

52,4

52,5

52,5

Raffinaderijgas/waterstof

42,7

43,1

43,5

43,8

44,0

44,2

44,2

Biogas

40,1

40,6

41,0

41,4

41,7

42,0

42,0

Cokesovengas, hoogovengas, andere afvalgassen, industriële overtollige hitte

35

35

35

35

35

35

35


BIJLAGE II

Geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van warmte (als bedoeld in artikel 1)

In de onderstaande tabel zijn de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van warmte gebaseerd op de netto calorische waarde en standaard ISO-omstandigheden (omgevingstemperatuur van 15 °C, druk 1,013 bar, 60 % relatieve vochtigheid).

 

Type brandstof

Stoom/heet water

Direct gebruik van uitlaatgassen (1)

Vast

Steenkool/cokes

88

80

Bruinkool/bruinkoolbriketten

86

78

Turf/turfbriketten

86

78

Houtbrandstoffen

86

78

Agrarische biomassa

80

72

Biologisch afbreekbaar (stedelijk) afval

80

72

Niet-hernieuwbaar (stedelijk en industrieel) afval

80

72

Oliehoudende leisteen

86

78

Vloeibaar

Olie (gasolie + stookolie), lpg

89

81

Biobrandstof

89

81

Biologisch afbreekbaar afval

80

72

Niet-hernieuwbaar afval

80

72

Gasvormig

Aardgas

90

82

Raffinaderijgas/waterstof

89

81

Biogas

70

62

Cokesovengas, hoogovengas, andere afvalgassen, industriële overtollige hitte

80

72


(1)  De waarden voor directe hitte moeten worden gebruikt als de temperatuur 250 °C of hoger is.


BIJLAGE III

Correctiefactoren voor de gemiddelde klimatologische omstandigheden en methode voor de afbakening van klimaatzones voor de toepassing van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit (als bedoeld in artikel 3, lid 1)

a)   Correctiefactoren in verband met de gemiddelde klimatologische omstandigheden

De correctiefactor voor de omgevingstemperatuur is gebaseerd op het verschil tussen de jaarlijkse gemiddelde temperatuur in een lidstaat en de standaard ISO-omstandigheden (15 °C).

De correctiefactor is als volgt:

i)

0,1 % rendementsverlies voor elke graad boven 15 °C;

ii)

0,1 % rendementswinst voor elke graad onder 15 °C.

Voorbeeld:

Wanneer de gemiddelde temperatuur in een lidstaat 10 °C bedraagt, moet de referentiewaarde voor een warmtekrachteenheid in die lidstaat met 0,5 % worden verhoogd.

b)   Methode voor de afbakening van klimaatzones

De grenzen van elke klimaatzone worden gevormd door isothermen (in volledige graden Celsius) van de jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur die ten minste 4 °C van elkaar verschillen. Het temperatuurverschil tussen de jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur in aangrenzende klimaatzones bedraagt ten minste 4 °C.

Voorbeeld:

In een lidstaat bedraagt de jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur in plaats A 12 °C en in plaats B 6 °C. Het verschil is meer dan 5 °C. De lidstaat heeft nu de optie om twee klimaatzones in te voeren die gescheiden zijn door de isotherm van 9 °C, waardoor een klimaatzone wordt omschreven tussen de isothermen van 9 °C en 13 °C met een jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur van 11 °C en een tweede klimaatzone tussen de isothermen van 5 °C en 9 °C met een jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur van 7 °C.


BIJLAGE IV

Correctiefactoren voor vermeden netwerkverliezen voor de toepassing van de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit (als bedoeld in artikel 3, lid 2)

Spanning

Voor aan het netwerk geleverde elektriciteit

Voor ter plaatse gebruikte elektriciteit

> 200 kV

1

0,985

100-200 kV

0,985

0,965

50-100 kV

0,965

0,945

0,4-50 kV

0,945

0,925

< 0,4 kV

0,925

0,860

Voorbeeld:

Een warmtekrachteenheid met een vermogen van 100 kWel met een aardgasgestookte zuigermachine wekt elektriciteit op met een spanning van 380 V. Van deze elektriciteit wordt 85 % ter plaatse gebruikt en wordt 15 % geleverd aan het net. De installatie is gebouwd in 1999. De jaarlijkse gemiddelde omgevingstemperatuur is 15 °C (er is dus geen correctie voor klimatologische omstandigheden vereist).

Overeenkomstig artikel 2 van het onderhavige besluit moeten voor warmtekrachteenheden ouder dan 10 jaar de referentiewaarden van eenheden van 10 jaar oud worden toegepast. Overeenkomstig bijlage I van het onderhavige besluit is voor een in 1999 gebouwde en niet gemoderniseerde warmtekrachteenheid op aardgas de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarde van toepassing in 2011 de referentiewaarde voor 2001, te weten 51,7 %. Na de correctie voor netwerkverliezen bedraagt de resulterende rendementsreferentiewaarde voor de gescheiden productie van elektriciteit in deze warmtekrachteenheid (gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de factoren van deze bijlage):

Ref Εη = 51,7 % * (0,860 * 85 % + 0,925 * 15 %) = 45,0 %


23.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 343/97


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 20 december 2011

ter bevestiging van de voorlopige berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies en specifieke emissiedoelstellingen voor fabrikanten van personenauto’s voor het kalenderjaar 2010 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

(2011/878/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto’s, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 8, lid 5, tweede alinea, en artikel 10, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Verordening (EG) nr. 443/2009 moet de Commissie ieder jaar de gemiddelde specifieke CO2-emissies en de specifieke emissiedoelstellingen bevestigen voor alle fabrikanten van personenauto’s in de Unie alsmede voor alle overeenkomstig artikel 7, lid 7, van die verordening gevormde groepen van fabrikanten. Op basis van die bevestiging moet de Commissie vaststellen of de fabrikanten en groepen van fabrikanten hebben voldaan aan de eisen van artikel 4 van die verordening. Wanneer blijkt dat een fabrikant of een groep van fabrikanten niet aan zijn specifieke emissiedoelstelling heeft voldaan, moet de Commissie, overeenkomstig artikel 9, lid 1, van die verordening, door middel van afzonderlijke besluiten, een bijdrage voor overtollige emissies opleggen aan de fabrikant of, in het geval van een groep, aan de beheerder van de groep.

(2)

Overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 443/2009 zijn de doelstellingen met ingang van 2012 bindend voor fabrikanten en groepen van fabrikanten. Voor de kalenderjaren 2010 en 2011 moet de Commissie evenwel indicatieve emissiedoelstellingen berekenen en overeenkomstig artikel 8, lid 6, van die verordening de fabrikanten of groepen fabrikanten ervan in kennis stellen als hun gemiddelde specifieke emissiedoelstelling hoger ligt dan hun indicatieve doelstelling. Aangezien die doelstellingen voor 2010 en 2011 voor de fabrikanten als indicatie dienen voor de inspanningen die zij nog moeten leveren om de verplichte doelstelling in 2012 te bereiken, dient de gemiddelde specifieke emissie van fabrikanten voor 2010 en 2011 te worden berekend overeenkomstig de voorwaarden van artikel 4, lid 2, van die verordening en voor elke fabrikant slechts 65 % van de voertuigen met de laagste emissies in aanmerking te worden genomen.

(3)

De gegevens die moeten worden gebruikt voor de berekening van de gemiddelde specifieke emissies en de specifieke emissiedoelstellingen zijn te vinden in deel C van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 443/2009 en zijn gebaseerd op de registraties van nieuwe personenauto’s in de lidstaten gedurende het voorgaande kalenderjaar. De gegevens zijn afkomstig van de door de fabrikanten afgegeven certificaten van overeenstemming of van documenten die soortgelijke informatie verschaffen, overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1014/2010 van de Commissie van 10 november 2010 inzake de monitoring en rapportering van registratiegegevens van nieuwe personenauto’s overeenkomstig Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(4)

De meeste lidstaten hebben de Commissie hun gegevens voor 2010 overeenkomstig de in artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 443/2009 gestelde termijn voor 28 februari 2011 medegedeeld. De Commissie kon evenwel pas half april over de volledige gegevensbestanden voor alle lidstaten beschikken en deze vervolgens controleren.

(5)

Indien uit de eerste controle bleek dat bepaalde gegevens ontbraken of onjuist waren, heeft de Commissie contact opgenomen met de betreffende lidstaten en, met de toestemming van deze lidstaten, de gegevens aangepast of gecorrigeerd. Indien geen overeenstemming kon worden bereikt met een lidstaat, werden de voorlopige gegevens niet in aanmerking genomen.

(6)

Op 29 juni 2011 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 443/2009 de voorlopige gegevens gepubliceerd en 89 fabrikanten in kennis gesteld van de voorlopige berekeningen van hun gemiddelde specifieke emissies in 2010 en hun specifieke emissiedoelstellingen. De fabrikanten werd gevraagd de gegevens te controleren en de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 5, eerste alinea, van die verordening binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving op de hoogte te stellen van eventuele fouten in de gegevens.

(7)

Op 12 augustus zijn op de website van de Commissie richtsnoeren gepubliceerd voor de mededeling van fouten bij de CO2-gegevens van voertuigen. De richtsnoeren geven aan in welke vorm de kennisgeving moet gebeuren en welke informatie van de fabrikanten de Commissie nodig heeft om deze fouten in aanmerking te kunnen nemen.

(8)

Binnen de termijn van drie maanden hebben vijftien fabrikanten de Commissie in kennis gesteld van fouten in de gegevens. Eén fabrikant heeft na afloop van de termijn een volledige kennisgeving ingediend. Zeven van die vijftien fabrikanten gaven in hun kennisgeving gedetailleerde informatie over de fouten en motiveringen van de voorgestelde correcties. De overige acht fabrikanten gaven beknopte kennisgevingen die slechts voor een deel voldeden aan de aanbevelingen van de Commissie ten aanzien van de vorm en de inhoud van de kennisgevingen. Naast de fabrikanten die kennisgevingen indienden betreffende fouten in de gegevens, waren er ook acht fabrikanten die de Commissie signaleerden dat er fouten waren in de gegevensbestanden zonder verdere informatie of bewijzen te verschaffen over het soort fouten of de redenen voor deze fouten.

(9)

Voor de 73 fabrikanten die geen fouten in de gegevensbestanden hebben gemeld of die de Commissie alleen in kennis hebben gesteld van fouten in de gegevensbestanden zonder het vereiste bewijsmateriaal te leveren, moeten de voorlopige gegevens en de voorlopige berekeningen van de gemiddelde specifieke emissies en de specifieke emissiedoelstellingen ongewijzigd worden bevestigd.

(10)

Indien de fabrikanten de vereiste informatie hebben verschaft en bewijsmateriaal hebben geleverd met betrekking tot fouten in de gegevensbestanden, moet de Commissie deze kennisgevingen controleren en indien nodig de voorlopige berekeningen van de gemiddelde specifieke emissies en de emissiedoelstellingen wijzigen.

(11)

Alleen de voertuigregistratiediensten van de lidstaten zijn verantwoordelijk voor het aantal aan de Commissie gerapporteerde registraties. Aangezien de verkoopsgegevens van de fabrikanten niet noodzakelijkerwijze een nauwkeurig beeld geven van het aantal registraties in een bepaalde lidstaat gedurende een bepaalde periode, kunnen fouten met betrekking tot het aantal registraties bij de berekening van de gemiddelde specifieke emissies niet in aanmerking worden genomen. Daarom kunnen alleen de fouten in aanmerking worden genomen die betrekking hebben op de inhoud van de gegevensbestanden voor geregistreerde voertuigen. In enkele gevallen hebben de fabrikanten echter medegedeeld dat bepaalde registraties aan een andere fabrikant moeten worden toegewezen. Deze nieuwe toewijzingen moeten bij de definitieve bevestigde gegevensbestanden in aanmerking worden genomen.

(12)

Uit de volledige kennisgevingen blijkt dat de fabrikanten een deel van de gegevensbestanden correct vonden en voor de delen van de gegevensbestanden die gecontroleerd konden worden, correcties hebben voorgesteld. Tussen 4 en 15 procent van de gegevensbestanden heeft echter betrekking op registraties van niet-geïdentificeerde voertuigen waarvoor de fabrikant waarden als de CO2-emissies of de massa niet kon controleren. Dit kwam gewoonlijk doordat de fabrikant de benodigde informatie miste voor het identificeren van de afzonderlijke voertuigen, in het bijzonder de identificatiecode voor type, variant en uitvoering. In een klein aantal gevallen konden de registraties weliswaar aan fabrikanten worden toegewezen, maar ontbraken belangrijke gegevens over de CO2-emissies en de massa.

(13)

De Commissie heeft de door de fabrikanten voorgestelde correcties en het bewijsmateriaal gecontroleerd. Voor de registraties die door de fabrikant gecontroleerd kunnen worden en waarbij de gegevens door het invoeren van een ontbrekende waarde of het vervangen van een incorrecte waarde zijn gecorrigeerd en de gecorrigeerde waarden overeenstemmen met waarden uit referentiebestanden, zoals gegevens van typegoedkeuringsdocumenten, zijn de correcties gerechtvaardigd. De fouten die een fabrikant signaleert zonder daarvoor correcties voor te stellen terwijl het wel mogelijk zou zijn geweest deze fouten te controleren en te corrigeren, en waarvoor hij niet voldoende bewijs heeft geleverd dat deze correcties niet binnen de verificatietermijn van drie maanden konden worden uitgevoerd, worden bij de definitieve berekening niet in aanmerking genomen.

(14)

Voor de registraties die aan de fabrikanten kunnen worden toegewezen maar niet door hen kunnen worden gecontroleerd, moeten de in de registraties aangegeven waarden voor de CO2-emissies en de massa verder worden gebruikt voor de berekening van de gemiddelde CO2-emissies en de specifieke emissiedoelstelling. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met het feit dat de fabrikanten deze waarden niet kunnen controleren en niet kunnen garanderen dat deze geen negatieve gevolgen hebben op de definitieve waarden die voor de betreffende fabrikant worden vastgesteld. Daarom moet bij die berekening een foutmarge worden toegepast die rekening houdt met de individuele situatie van de fabrikant, zoals beschreven en verantwoord in de kennisgeving van de fouten. Dit geldt in het bijzonder voor de berekening van de gemiddelde specifieke emissies en de gemiddelde massa, aangezien deze twee parameters de afstand tot de specifieke emissiedoelstelling van elke fabrikant bepalen, m.a.w. hoever een fabrikant verwijderd is van zijn specifieke emissiedoelstelling.

(15)

De als het verschil tussen de afstanden tot de specifieke emissiedoelstelling bepaalde foutmarge moet worden vastgesteld door de gemiddelde emissies, met uitzondering van de registraties die door de fabrikant niet gecontroleerd konden worden, af te trekken van de specifieke emissiedoelstellingen. De foutmarge moet de afstand tot de emissiedoelstelling van de fabrikant altijd verminderen, ongeacht of dit verschil positief of negatief is.

(16)

De registraties waarbij de gegevens over de CO2-emissies of de massa of de identificatiecode ontbreken, mogen bij de definitieve berekening van de gemiddelde emissies niet in aanmerking worden genomen.

(17)

Daar de verificatie van de gegevens over 2010 de eerste toetsing is die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 443/2009 wordt uitgevoerd, moeten bij wijze van uitzondering ook de kennisgevingen in aanmerking worden genomen die niet alle informatie bevatten die de Commissie nodig had om volledig rekening te houden met de fouten. De foutmarges die moeten worden toegepast op de in deze kennisgevingen genoemde definitieve berekeningen moeten evenwel worden berekend op basis van de door de Commissie uitgevoerde beoordeling van het aantal registraties die niet door de fabrikanten kunnen worden gecontroleerd. Verder moet bij wijze van uitzondering voor de bevestiging van de gegevens over 2010 ook de kennisgeving van fouten in aanmerking worden genomen die kort na het verstrijken van de termijn is ingediend.

(18)

De gemiddelde specifieke CO2-emissies van in 2010 geregistreerde nieuwe personenauto’s, de specifieke emissiedoelstellingen en het verschil tussen deze twee waarden moeten dienovereenkomstig worden bevestigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende in de bijlage gespecificeerde waarden worden bevestigd voor elke fabrikant van passagiersvoertuigen en voor elke groep van fabrikanten met betrekking tot het kalenderjaar 2010:

a)

de specifieke emissiedoelstelling;

b)

de gemiddelde specifieke CO2-emissies, in voorkomend geval aangepast met de toepasselijke foutmarge;

c)

het verschil tussen de in de punten a) en b) genoemde waarden;

d)

de gemiddelde specifieke CO2-emissies voor alle nieuwe personenauto’s;

e)

de gemiddelde massa voor alle nieuwe personenauto’s in de Unie.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 20 december 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.

(2)  PB L 293 van 11.11.2010, blz. 15.


BIJLAGE

Tabel 1

Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 443/2009 bevestigde waarden van de prestaties van fabrikanten

A

B

C

D

E

F

G

H

I

Naam van de fabrikant

Groepen van fabrikanten en afwijkingen

Aantal registraties

Gecorrigeerd gemiddeld CO2 (65 %)

Specifieke emissiedoelstelling

Afstand tot de doelstelling

Aangepaste afstand tot de doelstelling

Gemiddelde massa

Gemiddeld CO2 (100 %)

ALPINA Burkard Bovensiepen GmbH + Co. KG

 

173

187,795

147,429

40,366

40,366

1 753,38

210,341

Artega Automobil GmbH & Co. KG

 

2

220,000

132,194

87,806

87,806

1 420,00

220,000

Aston Martin Lagonda Ltd

A

1 415

333,482

320,000

13,482

12,657

1 860,72

348,372

Audi AG

 

589 855

133,883

140,365

–6,482

–6,557

1 598,80

151,832

Automobiles Citroën

 

815 936

118,764

127,361

–8,597

–8,597

1 314,26

131,418

Automobiles Peugeot

 

974 248

119,208

127,704

–8,496

–8,496

1 321,76

131,021

Autovaz

 

3 911

212,171

126,410

85,761

85,761

1 293,44

219,516

Bayerische Motoren Werke AG

 

640 021

129,253

137,409

–8,156

–8,210

1 534,13

146,355

Bentley Motors Ltd

 

1 187

391,423

181,363

210,060

210,060

2 495,92

395,925

BMW M GmbH

 

77 120

133,513

142,836

–9,323

–13,535

1 652,88

156,242

Bugatti Automobiles S.A.S.

 

8

584,600

159,225

425,375

425,375

2 011,50

589,250

Caterham Cars Limited

A

135

166,920

210,000

–43,080

–43,080

712,15

179,826

Chevrolet Italia

 

25 442

113,042

116,356

–3,314

–3,359

1 073,45

117,607

Chrysler Group LLC

 

31 121

192,081

157,480

34,601

34,601

1 973,32

215,200

CNG Technik

G1

583

225,000

134,782

90,218

89,953

1 476,64

226,252

Automobile Dacia SA

 

251 938

133,865

123,831

10,034

9,631

1 237,01

144,989

Daihatsu Motor Co. Ltd

 

18 972

128,351

117,975

10,376

10,376

1 108,86

145,374

Daimler AG, Stuttgart

G2

646 067

137,762

137,323

0,439

0,349

1 532,24

160,166

Dr Motor Company Srl

 

4 943

122,413

120,642

1,771

1,771

1 167,22

138,566

Ferrari

A

2 361

300,718

303,000

–2,282

–2,282

1 751,12

322,468

FIAT Group Automobiles SpA.

 

975 822

115,285

119,240

–3,955

–3,955

1 136,56

125,013

Ford-Werke GmbH

G1

1 076 887

121,128

126,226

–5,098

–5,605

1 289,42

136,552

Fuji Heavy Industries Ltd

NA

30 655

165,182

164,616

0,566

0,520

1 608,03

179,332

Geely Europe Ltd

 

918

115,916

140,077

–24,161

–24,161

1 592,50

131,466

General Motors Company

 

1 490

270,134

151,750

118,384

113,988

1 847,93

296,400

GM Daewoo Auto u. Tech. Comp.

 

146 117

125,759

124,606

1,153

1,138

1 253,96

143,544

GM Italia Srl

 

37 670

119,750

125,467

–5,717

–5,717

1 272,82

124,405

Great Wall Motor Company Limited

A

344

222,000

195,000

27,000

27,000

1 919,52

224,314

Gumpert Sportwagenmanufaktur GmbH

 

2

310,000

132,879

177,121

177,121

1 435,00

310,000

Honda Automobile China CO

G3

20 876

125,023

119,099

5,924

5,911

1 133,46

126,094

Honda Automobile Thailand CO

G3

1 444

142,000

120,816

21,184

21,184

1 171,03

142,615

Honda Motor CO

G3

102 890

124,841

128,710

–3,869

–4,083

1 343,77

143,823

Honda of the UK Manufacturing

G3

47 840

145,932

133,391

12,541

12,234

1 446,21

162,280

Honda Turkiye AS

G3

1 587

155,953

125,560

30,393

30,393

1 274,84

156,624

Hyundai Motor Europe GmBH

 

325 603

120,858

126,725

–5,867

–5,867

1 300,33

134,244

Iveco SpA

 

49

213,548

180,265

33,283

33,283

2 471,90

216,694

Jaguar Cars Ltd

A

23 740

178,656

178,025

0,631

0,631

1 900,33

199,016

Kia Motors Europe GmbH

 

253 706

126,251

131,248

–4,997

–4,997

1 399,30

143,272

KTM-Sportmotorcycle AG

A

57

173,432

200,000

–26,568

–26,568

882,89

179,000

Automobili Lamborghini SpA

 

265

323,977

141,293

182,684

182,506

1 619,11

357,362

Land Rover

A

65 534

209,295

178,025

31,270

31,270

2 351,43

231,494

Lotus Cars Limited

A

825

189,108

280,000

–90,892

–90,892

1 159,21

196,596

The London Taxi Company

 

1 662

225,087

154,227

70,860

70,860

1 902,13

227,739

Magyar Suzuki Corporation Ltd

 

87 204

130,004

121,130

8,874

8,843

1 177,91

136,665

Mahindra Europe Srl

 

48

246,839

160,042

86,797

86,797

2 029,38

251,500

Maruti Suzuki India Ltd

 

19 577

103,000

109,908

–6,908

–6,908

932,36

104,287

Maserati SpA

 

1 626

353,473

159,119

194,354

194,354

2 009,18

362,557

Mazda Motor Corporation

 

170 007

133,729

128,523

5,206

4,831

1 339,67

149,458

Mercedes-AMG GmbH, Affalterbach

G2

1 503

308,000

144,857

163,143

163,138

1 697,10

308,000

MG Motor UK Limited

A

264

184,871

184,000

0,871

0,871

1 180,16

184,717

Micro-Vett SpA

 

4

0,000

133,507

– 133,507

– 133,507

1 448,75

0,000

Mitsubishi Motors Corporation (MMC)

G4

72 594

145,036

138,601

6,435

6,377

1 560,20

165,144

Mitsubishi Motor R&D Europe GmbH

G4

16 530

119,878

114,793

5,085

5,084

1 039,25

127,284

Morgan Motor Co. Ltd

A

415

164,342

180,000

–15,658

–15,658

1 113,67

189,278

Nissan International SA

 

389 818

132,131

128,875

3,256

3,256

1 347,39

147,197

O.M.C.I. Srl

 

46

156,862

120,759

36,103

36,103

1 169,78

167,848

Adam Opel AG

 

935 499

126,920

130,483

–3,563

–3,767

1 382,56

139,529

OSV — Opel Special Vehicles GmbH

 

67

135,512

140,208

–4,696

–4,696

1 595,36

136,836

Perodua Manufacturing Sdn Bhd

 

690

136,480

113,634

22,846

22,846

1 013,88

140,230

Pgo Ingenierie

 

29

185,000

115,657

69,343

69,343

1 058,14

189,828

Dr.Ing.h.c.F. Porsche AG

 

34 512

220,872

152,089

68,783

68,783

1 855,34

238,859

Potenza Sports Cars

 

31

178,000

99,975

78,025

78,025

715,00

178,000

Proton Cars United Kingdom Ltd

A

792

143,315

185,000

–41,685

–41,685

1 394,89

153,557

Quattro GmbH

 

2 596

279,097

154,102

124,995

124,766

1 899,39

299,034

Renault

 

1 125 141

120,700

127,045

–6,345

–6,378

1 307,33

133,824

Rolls-Royce Motors Cars LTD

 

413

315,616

181,297

134,319

133,038

2 494,48

332,063

Saab Automobile AB

 

19 979

156,561

143,922

12,639

12,639

1 676,64

175,341

Santana Motor SA

 

382

168,351

135,765

32,586

32,586

1 498,15

204,921

SEAT

 

288 629

120,162

125,722

–5,560

–5,647

1 278,38

131,162

Secma

 

26

155,000

97,370

57,630

57,630

658,00

155,000

Shijiazhuang Shuanghuan Automobile Company

 

44

266,357

152,951

113,406

113,406

1 874,20

267,682

SKODA auto a.s.

 

420 718

127,869

127,225

0,644

0,571

1 311,28

139,193

Sovab

 

94

227,066

166,119

60,947

60,947

2 162,34

230,138

Ssangyong Motor Company

A

4 785

203,851

180,000

23,851

23,851

2 023,10

215,728

Suzuki Motor Corporation

 

85 177

124,055

12