ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.331.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 331

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
14 december 2011


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTSNOEREN

 

 

2011/817/EU

 

*

Richtsnoer van de Europese Centrale Bank van 20 september 2011 betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (ECB/2011/14)

1

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

RICHTSNOEREN

14.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 331/1


RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 20 september 2011

betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem

(herschikking)

(ECB/2011/14)

(2011/817/EU)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRAL BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid het eerste streepje van artikel 127, lid 2,

Gezien de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid het eerste streepje van artikel 3.1, en de artikelen 12.1, 14.3 en 18.2, en de eerste alinea van artikel 20,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtsnoer ECB/2000/7 van 31 augustus 2000 betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (1) is verscheidene malen aanzienlijk gewijzigd (2). Aangezien verdere wijzigingen nodig zijn, is omwille van de duidelijkheid een herschikking noodzakelijk.

(2)

De verwezenlijking van een gemeenschappelijk monetair beleid noopt tot het definiëren van instrumenten en procedures die door het Eurosysteem gebruikt kunnen worden om een dergelijk beleid op uniforme wijze in te voeren in alle lidstaten die de euro als munt hebben.

(3)

De verplichting tot verificatie dient alleen van toepassing te zijn op die bepalingen die vergeleken met Richtsnoer ECB/2000/7 aanzienlijk zijn gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:

Artikel 1

Beginselen, instrumenten, procedures en criteria voor de implementatie van het gemeenschappelijke monetaire beleid van het Eurosysteem

Het gemeenschappelijke monetaire beleid wordt geïmplementeerd overeenkomstig de in de bijlagen I en II bij dit richtsnoer omschreven beginselen, instrumenten, procedures en criteria. De nationale centrale banken (NCB’s) nemen alle passende maatregelen om de monetaire beleidstransacties overeenkomstig de in de bijlagen I en II bij dit richtsnoer omschreven beginselen, instrumenten, procedures en criteria uit te voeren.

Artikel 2

Verificatie

De NCB’s doen de Europese Centrale Bank (ECB) ten laatste op 11 oktober 2011 details inzake teksten en middelen toekomen, middels welke zij voornemens zijn te voldoen de bepalingen van dit richtsnoer die in vergelijking met Richtsnoer ECB/2000/7 aanzienlijk gewijzigd zijn.

Artikel 3

Intrekking

1.   Richtsnoer ECB/2000/7 wordt met ingang van 1 januari 2012 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar het ingetrokken richtsnoer worden opgevat als verwijzingen naar dit richtsnoer.

Artikel 4

Slotbepalingen

1.   Dit richtsnoer treedt twee dagen volgende op de vaststelling ervan in werking.

2.   Dit richtsnoer is vanaf 1 januari 2012 van toepassing.

Artikel 5

Geadresseerden

Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.

Gedaan te Frankfurt am Main, 20 september 2011.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Jean-Claude TRICHET


(1)  PB L 310 van 11.12.2000, blz. 1.

(2)  Zie bijlage III.


BIJLAGE 1

DE UITVOERING VAN MONETAIR BELEID IN HET EUROGEBIED

Algemene documentatie betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem

INHOUD

INLEIDING

HOOFDSTUK 1 —   OVERZICHT VAN HET MONETAIRE-BELEIDSKADER

1.1.

Het Europees Stelsel van centrale banken

1.2.

Doelstellingen van het Eurosysteem

1.3.

Monetaire-beleidsinstrumenten van het Eurosysteem

1.3.1.

Open-markttransacties

1.3.2.

Permanente faciliteiten

1.3.3.

Reserveverplichtingen

1.4.

Tegenpartijen

1.5.

Beleenbare activa

1.6.

Aanpassing van het monetaire-beleidskader

HOOFDSTUK 2 —   TEGENPARTIJEN

2.1.

Algemene criteria voor tegenpartijen

2.2.

Keuze van tegenpartijen bij snelle tenders en bilaterale transacties

2.3.

Sancties ingeval een tegenpartij verplichtingen niet nakomt

2.4.

Opschorting, beperking of uitsluiting uit overwegingen van prudentieel handelen of in gevallen van verzuim

2.4.1.

Maatregelen op grond van overwegingen van prudentieel handelen

2.4.2.

Maatregelen na gevallen van verzuim

2.4.3.

Proportionele en non-discriminatoire toepassing van discretionaire maatregelen

HOOFDSTUK 3 —   OPEN-MARKTTRANSACTIES

3.1.

Transacties met wederinkoop

3.1.1.

Algemeen

3.1.2.

Basis-herfinancieringstransacties

3.1.3.

Langer lopende herfinancieringstransacties

3.1.4.

Finetuningtransacties met wederinkoop

3.1.5.

Structurele transacties met wederinkoop

3.2.

Rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier

3.2.1.

Soort instrument

3.2.2.

Juridische status

3.2.3.

Koers

3.2.4.

Overige operationele kenmerken

3.3.

Uitgifte van ECB-schuldbewijzen

3.3.1.

Soort instrument

3.3.2.

Juridische status

3.3.3.

Rente

3.3.4.

Overige operationele kenmerken

3.4.

Deviezenswaps

3.4.1.

Soort instrument

3.4.2.

Juridische status

3.4.3.

Valuta’s en koersen

3.4.4.

Overige operationele kenmerken

3.5.

Aantrekken van termijndeposito’s

3.5.1.

Soort instrument

3.5.2.

Juridische status

3.5.3.

Rente

3.5.4.

Overige operationele kenmerken

HOOFDSTUK 4 —   PERMANENTE FACILITEITEN

4.1.

De marginale beleningsfaciliteit

4.1.1.

Soort instrument

4.1.2.

Juridische status

4.1.3.

Toegang

4.1.4.

Looptijd en rente

4.1.5.

Opschorting van de faciliteit

4.2.

De depositofaciliteit

4.2.1.

Soort instrument

4.2.2.

Juridische status

4.2.3.

Toegang

4.2.4.

Looptijd en rente

4.2.5.

Opschorting van de faciliteit

HOOFDSTUK 5 —   PROCEDURES

5.1.

Tenders

5.1.1.

Algemeen

5.1.2.

Kalender voor tenders

5.1.3.

Aankondiging van tenders

5.1.4.

Inschrijving en de voorbereiding daarop door tegenpartijen

5.1.5.

Toewijzingsprocedures bij tenders

5.1.6.

Bekendmaking van de resultaten van de toewijzing

5.2.

Procedures voor bilaterale transacties

5.2.1.

Algemeen

5.2.2.

Rechtstreekse benadering van tegenpartijen

5.2.3.

Transacties via effectenbeurzen en marktagenten

5.2.4.

Aankondiging van bilaterale transacties

5.2.5.

Transactiedagen

5.3.

Procedures voor het afrekenen van transacties

5.3.1.

Algemeen

5.3.2.

Afrekening van open markttransacties

5.3.3

Einde-dagprocedures

HOOFDSTUK 6 —   BELEENBARE ACTIVA

6.1.

Algemeen

6.2.

Beleenbaarheidsspecificaties voor onderpand

6.2.1.

Beleenbaarheidscriteria voor verhandelbare activa

6.2.2.

Beleenbaarheidscriteria voor niet-verhandelbare activa

6.2.3.

Aanvullende vereisten voor het gebruik van beleenbare activa

6.3.

Kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem

6.3.1.

Doel en elementen

6.3.2.

Vaststelling van de hoge kwaliteitseisen voor verhandelbare activa

6.3.3.

Vaststelling van de hoge kwaliteitseisen voor niet-verhandelbare activa

6.3.4.

Aanvaardingscriteria voor kredietbeoordelingssystemen

6.3.5.

Toezicht op de prestaties van kredietbeoordelingssystemen

6.4.

Risicobeheersingsmaatregelen

6.4.1.

Algemeen

6.4.2.

Risicobeheersingsmaatregelen voor verhandelbare activa

6.4.3.

Risicobeheersingsmaatregelen voor niet-verhandelbare activa

6.5.

Waarderingsgrondslagen voor beleenbare activa

6.5.1.

Verhandelbare activa

6.5.2.

Niet-verhandelbare activa

6.6.

Grensoverschrijdend gebruik van beleenbare activa

6.6.1.

Het correspondentenmodel voor centrale banken

6.6.2.

Koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen

6.7.

Acceptatie van niet in euro luidend onderpand in noodgevallen

HOOFDSTUK 7 —   RESERVEVERPLICHTINGEN

7.1.

Algemeen

7.2.

Reserveplichtige instellingen

7.3.

Vaststelling van reserveverplichtingen

7.3.1.

Reservebasis en reserveratio’s

7.3.2.

Berekening van reserveverplichtingen

7.4.

Aanhouding van verplichte reserves

7.4.1.

Aanhoudingsperiode

7.4.2.

Plaats van aanhouding

7.4.3.

Rentevergoeding op aangehouden reserves

7.5.

Kennisgeving van, instemming met en controle op de reservebasis

7.6.

Niet-nakoming van reserveverplichtingen

APPENDIX 1 —

Voorbeelden van monetaire-beleidstransacties en -procedures

APPENDIX 2 —

Lijst van termen

APPENDIX 3 —

Keuze van tegenpartijen bij deviezeninterventies en bij deviezenswaps voor monetaire-beleidsdoeleinden

APPENDIX 4 —

Rapportagekader voor de monetaire en bancaire statistieken van de Europese Centrale Bank

APPENDIX 5 —

De websites van het Eurosysteem

APPENDIX 6 —

Procedures en sancties ingeval een tegenpartij niet aan verplichtingen voldoet

APPENDIX 7 —

Vestiging van een geldig zekerheidsrecht op kredietvorderingen

Lijst van afkortingen

CCBM

correspondentenmodel voor centrale banken

CET

Centraal-Europese tijd

CSD

Central securities depository (centrale effectenbewaarinstelling)

CRD

Capital Requirements Directive (richtlijn Kapitaalvereisten)

EG

Europese Gemeenschap

ECAF

Eurosystem credit assessment framework (kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem)

ECB

Europese Centrale Bank

EEG

Europese Economische Gemeenschap

EER

Europese Economische Ruimte

EG

Europese Gemeenschap

EKBI

externe kredietbeoordelingsinstelling

ESCB

Europees Stelsel van centrale banken

ESR95

Europees Systeem van Rekeningen 95

EU

Europese Unie

ICAS

NCB in-house credit assessment system (intern kredietbeoordelingssysteem van een NCB)

ICBE

Instelling voor collectieve belegging in effecten

ICSD

International central securities depository (internationale centrale effectenbewaarinstelling)

IDK

Intraday-krediet

IRB

Op interne ratings berustend systeem

ISIN

International Securities Identification Number (internationaal effectenidentificatienummer)

KI’s

Kredietinstellingen

MFI

Monetaire financiële instelling

MMF

Geldmarktfonds

NCB

Nationale Centrale Bank

PD

Probability of default (wanbetalingsrisico)

PSE

Public sector entity (entiteit uit de publieke sector)

RMBD

Retail mortgage-backed debt instrument (retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand)

RoW

Rest van de wereld

RT

Rating tool (rating instrument)

RTBV

Realtime-brutovereveningssysteem

SSS

Securities settlement system (effectenafwikkelsysteem)

TARGET

het geautomatiseerde trans-Europees realtime-brutovereveningssysteem, zoals vastgelegd in Richtsnoer ECB/2005/16

TARGET2

het geautomatiseerde trans-Europees realtime-brutovereveningssysteem, zoals vastgelegd in Richtsnoer ECB/2007/2.

Inleiding

In dit document wordt het door het Eurosysteem voor het gemeenschappelijke monetaire beleid in het Eurogebied gekozen operationele kader uiteengezet. Het is de bedoeling dat dit document, dat deel uitmaakt van het juridische kader van het Eurosysteem voor de monetaire-beleidsinstrumenten en -procedures, zal dienen als „algemene documentatie” inzake de monetaire-beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem, en meer in het bijzonder als informatiebron met betrekking tot het monetaire-beleidskader van het Eurosysteem ten behoeve van tegenpartijen.

Aan de algemene documentatie zelf kunnen door tegenpartijen geen rechten worden ontleend noch kunnen aan hen op basis daarvan verplichtingen worden opgelegd. De juridische verhouding tussen het Eurosysteem en tegenpartijen is vastgelegd in contracten of regelingen.

Het document bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 1 wordt een overzicht gegeven van het operationele kader voor het door het Eurosysteem te voeren monetaire beleid. In hoofdstuk 2 worden de criteria uiteengezet waaraan tegenpartijen moeten voldoen die wensen deel te nemen aan de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem. In hoofdstuk 3 worden de open-markttransacties beschreven en in hoofdstuk 4 de aan tegenpartijen ter beschikking staande permanente faciliteiten. Hoofdstuk 5 biedt een overzicht van de procedures voor de uitvoering van monetaire-beleidstransacties. Hoofdstuk 6 gaat in op de criteria voor de beleenbare activa die bij de uitvoering van monetaire-beleidstransacties worden gebruikt. In hoofdstuk 7 wordt het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem uiteengezet.

De appendices bevatten voorbeelden van monetaire-beleidstransacties en -procedures, een lijst van termen, criteria voor de keuze van tegenpartijen bij deviezeninterventies van het Eurosysteem, een uiteenzetting van het rapportagekader voor de monetaire en bancaire statistieken van de Europese Centrale Bank, een overzicht van de websites van het Eurosysteem, een beschrijving van de procedures en sancties die gelden wanneer een tegenpartij niet aan verplichtingen voldoet en additionele juridische vereisten voor de vestiging van een geldig zekerheidsrecht op kredietvorderingen wanneer deze tegenover het Eurosysteem als onderpand worden gebruikt.

HOOFDSTUK 1

OVERZICHT VAN HET MONETAIRE-BELEIDSKADER

1.1.   Het Europees Stelsel van centrale banken

Het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) bestaat uit de Europese Centrale Bank (ECB) en de centrale banken van de EU-lidstaten (1). De activiteiten van het ESCB worden uitgevoerd overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de „ESCB-Statuten” te noemen). Het ESCB wordt bestuurd door de besluitvormende organen van de ECB. Daarbij is de Raad van bestuur van de ECB verantwoordelijk voor het formuleren van het monetaire beleid, terwijl de directie bevoegd is het monetaire beleid uit te voeren volgens de door de Raad van bestuur vastgestelde besluiten en richtsnoeren. Voor zover mogelijk en passend en met het oog op het verzekeren van operationele doelmatigheid, doet de ECB een beroep op de NCB’s (2) voor het uitvoeren van de werkzaamheden die tot de taken van het Eurosysteem behoren. De NCB’s mogen, indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van monetair beleid, individuele informatie delen met leden van het Eurosysteem, zoals operationele gegevens die betrekking hebben op tegenpartijen die deelnemen aan transacties van het Eurosysteem (3). De monetaire beleidstransacties van het Eurosysteem worden in alle lidstaten op uniforme voorwaarden ten uitvoer gelegd (4).

1.2.   Doelstellingen van het Eurosysteem

Het hoofddoel van het Eurosysteem is het handhaven van prijsstabiliteit, zoals vastgelegd in artikel 127, lid 1, van het Verdrag. Onverminderd het hoofddoel van prijsstabiliteit moet het Eurosysteem het algemene economische beleid in de Unie ondersteunen. Bij het nastreven van zijn doelstellingen moet het Eurosysteem handelen in overeenstemming met het beginsel van een open-markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd.

1.3.   Monetaire-beleidsinstrumenten van het Eurosysteem

Ter verwezenlijking van de doelstellingen staat aan het Eurosysteem een samenstel van monetaire-beleidsinstrumenten ter beschikking: het Eurosysteem verricht open-markttransacties, biedt permanente faciliteiten en verplicht kredietinstellingen minimumreserves aan te houden op rekeningen bij het Eurosysteem.

1.3.1.   Open-markttransacties

Open-markttransacties spelen een belangrijke rol in het monetaire beleid van het Eurosysteem en dienen voor het sturen van de rente, het beheersen van de liquiditeitsverhoudingen op de markt en het afgeven van signalen omtrent de koers van het monetaire beleid. Het Eurosysteem beschikt over vijf instrumenten voor het uitvoeren van open-markttransacties. Het belangrijkste instrument is dat van transacties met wederinkoop (op basis van repo-overeenkomsten of leningen tegen onderpand). En voorts kan het Eurosysteem zich bedienen van rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier in de open markt, de uitgifte van ECB-schuldbewijzen, deviezenswaps en het aantrekken van termijndeposito’s. Open-markttransacties vinden plaats op initiatief van de ECB, die tevens het te benutten instrument bepaalt alsmede de modaliteiten. De transacties kunnen worden uitgevoerd als standaardtenders, snelle tenders of bilaterale transacties (5). Met betrekking tot doelstellingen, frequentie en procedures kunnen de open-markttransacties van het Eurosysteem in de volgende vier categorieën worden ingedeeld (zie ook tabel 1):

a)

Basis-herfinancieringstransacties zijn reguliere liquiditeitsverschaffende transacties met wederinkoop welke wekelijks worden uitgevoerd en doorgaans een looptijd kennen van een week. Deze transacties worden verricht door de NCB’s op basis van standaardtenders. De basisherfinancieringstransacties staan centraal bij de doelstellingen van de open-markttransacties van het Eurosysteem;

b)

Langer lopende herfinancieringstransacties zijn liquiditeitsverschaffende transacties met wederinkoop, welke maandelijks worden uitgevoerd en een looptijd kennen van doorgaans drie maanden. Deze transacties beogen tegenpartijen te voorzien van aanvullende herfinanciering op langere termijn en worden door de NCB’s verricht op basis van standaardtenders. Bij deze transacties geeft het Eurosysteem doorgaans geen signalen af aan de markt zodat normaliter de door de markt gewenste rentevoet wordt gehanteerd.

c)

Finetuningtransacties worden uitgevoerd op ad-hocbasis en hebben tot doel de liquiditeitsverhoudingen in de markt te beheersen en de rente te sturen, met name om de rente-effecten van onverwachte fluctuaties in de liquiditeitsverhoudingen op de markt te egaliseren. Finetuningtransacties kunnen worden uitgevoerd op de laatste dag van een reserveperiode om de sinds de gunning van de laatste basis-herfinancieringstransactie geaccumuleerde liquiditeitsonevenwichtigheden op te vangen. Finetuningtransacties worden meestal uitgevoerd als transacties met wederinkoop, maar ook wel in de vorm van deviezenswaps of het aantrekken van termijndeposito’s. De daarbij gebruikte instrumenten en procedures kunnen variëren naar gelang het type transactie en het specifiek beoogde doel. Normaliter worden deze transacties door de NCB’s uitgevoerd via snelle tenders of bilaterale transacties. De Raad van bestuur van de ECB kan besluiten dat onder uitzonderlijke omstandigheden bilaterale finetuningtransacties door de ECB zelf kunnen worden uitgevoerd.

d)

Daarnaast kan het Eurosysteem ook structurele transacties uitvoeren door middel van uitgifte van ECB-schuldbewijzen, transacties met wederinkoop en rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier. Deze transacties vinden (al dan niet regelmatig) plaats wanneer de ECB de structurele positie van het Eurosysteem ten opzichte van de financiële sector wil beïnvloeden. Structurele transacties met wederinkoop en de uitgifte van schuldbewijzen worden door de NCB’s uitgevoerd via standaardtenders. Structurele transacties in de vorm van rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier worden door de NCB’s door middel van bilaterale transacties uitgevoerd. De Raad van bestuur van de ECB kan besluiten dat onder uitzonderlijke omstandigheden structurele transacties door de ECB zelf kunnen worden uitgevoerd.

1.3.2.   Permanente faciliteiten

Permanente faciliteiten dienen ertoe zeer kortlopende liquiditeiten te verschaffen en te onttrekken, signalen af te geven omtrent de algemene koers van het monetaire beleid en grenzen te stellen aan de zeer korte marktrente. Aan de daarvoor in aanmerking komende tegenpartijen staan twee permanente faciliteiten ter beschikking, waarvan zij, wanneer zij aan bepaalde operationele toegangsvoorwaarden voldoen, op eigen initiatief gebruik kunnen maken (zie ook tabel 1):

a)

Tegenpartijen kunnen gebruikmaken van de marginale beleningsfaciliteit ter verkrijging van daggeld van de NCB’s tegen onderpand van beleenbare activa. Normaliter is de toegang tot de faciliteit niet gebonden aan kredietlimieten of andere beperkingen, behoudens het vereiste dat voldoende onderpand beschikbaar wordt gesteld. De rente op de marginale beleningsfaciliteit stelt normaliter een bovengrens aan de zeer korte marktrente.

b)

Tegenpartijen kunnen gebruikmaken van de depositofaciliteit om bij de NCB’s kortlopende deposito’s aan te houden. Normaliter is de toegang tot de faciliteit niet gebonden aan limieten of andere beperkingen. De rente op de depositofaciliteit stelt normaliter een ondergrens aan de zeer korte marktrente.

De permanente faciliteiten worden door de NCB’s decentraal beheerd.

1.3.3.   Reserveverplichtingen

Het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem geldt voor kredietinstellingen in het eurogebied en dient hoofdzakelijk om de geldmarkt-rente te stabiliseren en een structureel liquiditeitstekort te bewerkstelligen (of te vergroten). Het bedrag aan reserves dat elke instelling moet aanhouden wordt bepaald als percentage van een aantal balansposten. In het kader van het streven de rente te stabiliseren is in het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem een middelingsbepaling opgenomen, waarbij op grond van de gemiddeld per dag aangehouden reserves gedurende een aanhoudingsperiode wordt bepaald of een instelling al dan niet aan de reserveverplichtingen voldoet. Over de door de instellingen aangehouden reserves wordt rente vergoed tegen het tarief voor de basisherfinancieringstransacties van het Eurosysteem.

Tabel 1

De monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem

Monetaire beleidstransacties

Soort transactie

Looptijd

Frequentie

Procedure

Liquiditeitsverruimend

Liquiditeitsverkrappend

Open-markttransacties

Basis- herfinancieringstransacties

Transacties met wederinkoop

Een week

Wekelijks

Standaardtenders

Langer lopende herfinancieringstransacties

Transacties met wederinkoop

Drie maanden

Maandelijks

Standaardtenders

Finetuningtransacties

Transacties met wederinkoop

Deviezenswaps

Transacties met wederinkoop

Aantrekken van termijndeposito’s

Deviezenswaps

Niet gestandaardiseerd

Niet regelmatig

Snelle tenders

Bilaterale procedures

Structurele transacties

Transacties met wederinkoop

Uitgifte van ECB-schuldbewijzen

Gestandaardiseerd/niet gestandaardiseerd

Regelmatig en niet regelmatig

Standaardtenders

Rechtstreekse aankopen van waardepapier

Rechtstreekse verkopen van waardepapier

Niet regelmatig

Bilaterale procedures

Permanente faciliteiten

Marginale beleningsfaciliteit

Transacties met wederinkoop

Overnight

Toegang op initiatief van tegenpartijen

Depositofaciliteit

Deposito’s

Overnight

Toegang op initiatief van tegenpartijen

1.4.   Tegenpartijen

Het monetaire-beleidskader van het Eurosysteem is zodanig geformuleerd dat een breed scala aan tegenpartijen kan deelnemen. Reserveplichtige instellingen conform artikel 19.1 van de ESCB-Statuten kunnen gebruikmaken van de permanente faciliteiten en deelnemen aan open-markttransacties op basis van standaardtenders, alsook aan rechtstreekse aan- of verkoop van waardepapier. Het Eurosysteem kan een beperkt aantal tegenpartijen selecteren voor het aangaan van finetuningtransacties. Deviezenswaps, die ten behoeve van het monetaire beleid worden afgesloten, worden aangegaan met actieve marktpartijen. Deelname aan deze transacties is beperkt tot tegenpartijen die door het Eurosysteem zijn geselecteerd voor deviezentransacties en in het eurogebied zijn gevestigd.

Deelnemers worden geacht bekend te zijn met, en zijn gehouden tot naleving van, al hun verplichtingen uit hoofde van de regelgeving inzake het voorkomen van witwassen en het financieren van terrorisme.

1.5.   Beleenbare activa

Conform artikel 18.1 van de Statuten van het ESCB en van de ECB moeten alle krediettransacties van het Eurosysteem (liquiditeitsverruimende transacties en krediet binnen de werkdag) worden gedekt door toereikend onderpand. Het Eurosysteem aanvaardt een breed scala aan activa als onderpand bij transacties. Het Eurosysteem heeft een enkelvoudig kader voor beleenbare activa voor alle krediettransacties van het Eurosysteem opgezet (ook wel de „enkelvoudige lijst” genoemd). Op 1 januari 2007 verving dit enkelvoudige kader de twee lijsten die sinds het begin van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn gehanteerd. Het enkelvoudige kader omvat verhandelbare en niet-verhandelbare activa die voldoen aan voor het gehele eurogebied geldende, door het Eurosysteem vastgestelde beleenbaarheidscriteria. Tussen de verhandelbare en niet-verhandelbare activa wordt met betrekking tot de kwaliteit van de activa en hun beleenbaarheid voor de verschillende monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem geen onderscheid gemaakt (behalve dat niet-verhandelbare activa niet door het Eurosysteem worden gebruikt bij rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier). Alle beleenbare activa kunnen ook grensoverschrijdend worden gebruikt, via het correspondentenmodel voor centrale banken en, in het geval van verhandelbare activa, via erkende koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen binnen de Unie.

1.6.   Aanpassing van het monetaire-beleidskader

De Raad van bestuur van de ECB kan te allen tijde besluiten tot aanpassing van de instrumenten, voorwaarden, criteria en procedures voor de tenuitvoerlegging van de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem.

HOOFDSTUK 2

TEGENPARTIJEN

2.1.   Algemene criteria voor tegenpartijen

De tegenpartijen bij de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem moeten aan bepaalde criteria voldoen (6). Deze criteria zijn erop gericht een breed scala aan tegenpartijen toegang te verlenen tot de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem, zodat de gelijkheid van behandeling van instellingen in het gehele eurogebied wordt bevorderd en wordt verzekerd dat de tegenpartijen voldoen aan bepaalde operationele en bedrijfseconomische vereisten.

a)

Alleen instellingen die conform artikel 19.1 van de Statuten van het ESCB en van de ECB zijn onderworpen aan het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem komen in aanmerking om als tegenpartijen op te treden. instellingen die zijn uitgezonderd van hun verplichtingen ingevolge het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem (zie paragraaf 7.2) kunnen niet optreden als tegenpartijen bij de permanente faciliteiten en open-markttransacties van het Eurosysteem.

b)

Tegenpartijen moeten financieel gezond zijn. Zij dienen onderworpen te zijn aan ten minste één vorm van binnen de Unie/EER geharmoniseerd, door nationale autoriteiten uitgeoefend toezicht (7). Gezien hun specifiek institutionele aard krachtens het recht van de Unie, kunnen financieel gezonde instellingen in de zin van artikel 123, lid 2, van het Verdrag die onderworpen zijn aan toezicht door bevoegde nationale autoriteiten dat aan vergelijkbare normen voldoet, als tegenpartijen worden aanvaard. Financieel gezonde instellingen die onderworpen zijn aan niet-geharmoniseerd toezicht door bevoegde nationale autoriteiten dat aan vergelijkbare normen voldoet als binnen de Unie/EER geharmoniseerd toezicht, kunnen ook als tegenpartijen worden aanvaard, zoals bijkantoren in het eurogebied van instellingen waarvan het hoofdkantoor zich buiten de EER bevindt.

c)

Tegenpartijen moeten voldoen aan operationele criteria, vastgelegd in de desbetreffende, door de respectieve NCB (of de ECB) toegepaste contracten of regelgeving, teneinde de doelmatige tenuitvoerlegging van de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem te waarborgen.

Deze algemene criteria zijn gelijk voor het gehele eurogebied. instellingen die aan de criteria voldoen, zijn gerechtigd:

a)

gebruik te maken van de permanente faciliteiten van het Eurosysteem, en

b)

deel te nemen aan de open-markttransacties van het Eurosysteem op basis van standaardtenders.

Toegang tot de permanente faciliteiten en open-markttransacties van het Eurosysteem op basis van standaardtenders kan een instelling alleen verkrijgen via de NCB van de lidstaat naar wiens recht de instelling is opgericht. Indien een instelling vestigingen (haar hoofdkantoor of bijkantoren) heeft in verschillende lidstaten, kan elk van deze vestigingen toegang tot deze faciliteiten verkrijgen via de NCB van de lidstaat van vestiging; inschrijvingen van een instelling kunnen echter slechts worden ingediend door één vestiging (hetzij het hoofdkantoor, hetzij een daartoe aangewezen bijkantoor) in elke lidstaat.

2.2.   Keuze van tegenpartijen bij snelle tenders en bilaterale transacties

Bij rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier worden a priori geen beperkingen gesteld aan het scala aan tegenpartijen.

Met betrekking tot deviezenswaps voor monetaire-beleidsdoeleinden moeten tegenpartijen in staat zijn onder alle marktomstandigheden grootschalige deviezentransacties doelmatig te verrichten. De tegenpartijen bij deviezenswaps zijn dezelfde als de in het eurogebied gevestigde tegenpartijen die zijn geselecteerd voor deviezentransacties van het Eurosysteem. De bij de keuze van tegenpartijen toegepaste criteria en procedures worden beschreven in appendix 3.

Bij andere door middel van snelle tenders en bilaterale transacties uitgevoerde operaties (finetuningtransacties met wederinkoop en het aantrekken van termijndeposito’s) selecteert elke NCB tegenpartijen uit de in de desbetreffende lidstaat gevestigde instellingen die aan de algemene erkenningscriteria voor tegenpartijen voldoen. Hierbij is activiteit op de geldmarkt het belangrijkste criterium. Mogelijke andere criteria zijn bijvoorbeeld het vermogen om transacties doelmatig te verrichten en het vermogen voor grote bedragen in te schrijven.

Bij snelle tenders en bilaterale transacties doen de NCB’s alleen zaken met tegenpartijen die zijn opgenomen in hun desbetreffende lijsten van tegenpartijen voor finetuningtransacties. Snelle tenders en bilaterale transacties kunnen eveneens worden uitgevoerd met een breder scala van tegenpartijen.

De Raad van bestuur van de ECB kan beslissen dat, in uitzonderlijke omstandigheden, bilaterale transacties voor finetuningdoeleinden kunnen worden uitgevoerd door de ECB zelf. Indien de ECB zelf bilaterale transacties uitvoert, zal zij per geval de tegenpartijen bij toerbeurt kiezen uit die tegenpartijen in het eurogebied die in aanmerking komen voor snelle tenders en bilaterale transacties, teneinde billijke toegangsverlening te waarborgen.

2.3.   Sancties ingeval een tegenpartij verplichtingen niet nakomt

Conform Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (8), Verordening (EG) nr. 2157/1999 van de Europese Centrale Bank van 23 september 1999 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/1999/4) (9), Verordening (EG) nr. 2531/98 van de Raad van 23 november 1998 inzake de toepassing van reserveverplichtingen door de Europese Centrale Bank (10), als gewijzigd, en Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (11) legt de Europese Centrale Bank sancties op aan instellingen die niet voldoen aan verplichtingen voortvloeiend uit Verordeningen en Besluiten van de Europese Centrale Bank met betrekking tot de toepassing van reserveverplichtingen. De desbetreffende sancties en de procedurele regels voor de toepassing ervan zijn in bovenvermelde verordeningen vastgelegd. Daarnaast kan het Eurosysteem, bij ernstige overtreding van de reserveverplichtingen, een tegenpartij schorsen als deelnemer aan open-markttransacties.

Conform de bepalingen van de door de desbetreffende NCB (of de ECB) gehanteerde contractuele of andere regelingen, legt het Eurosysteem financiële sancties op aan tegenpartijen of schorst de deelname van tegenpartijen aan open-markttransacties indien deze tegenpartijen niet voldoen aan hun verplichtingen ingevolge de door de NCB (of de ECB) gehanteerde contracten of regelgeving, zoals hieronder uiteengezet.

Dit heeft betrekking op overtreding van a) regels die gelden voor tenders, indien een tegenpartij niet in staat is een voldoende hoeveelheid beleenbare activa of liquide middelen (12) over te dragen ter verevening (op de vereveningsdatum) van het bedrag aan toegewezen liquiditeiten bij een liquiditeitsverruimende transactie, of onderpand te verstrekken voor dat bedrag, gedurende de looptijd van de transactie middels overeenkomstige margestortingen, of indien een tegenpartij niet in staat is een voldoende hoeveelheid liquide middelen te leveren ter verevening van het toegewezen bedrag bij een liquiditeitsverkrappende transactie; en b) regels die gelden voor bilaterale transacties, indien een tegenpartij niet in staat is een voldoende hoeveelheid beleenbare activa over te dragen of niet in staat is een voldoende hoeveelheid liquide middelen te leveren tegenover het bij een bilaterale transactie overeengekomen bedrag, of indien een tegenpartij niet in staat is onderpand te verstrekken voor een openstaande bilaterale transactie op enigerlei tijd tot het einde van de looptijd ervan middels overeenkomstige margestortingen.

Dit geldt ook indien een tegenpartij niet voldoet aan: a) de regels voor het gebruik van activa als onderpand (als een tegenpartij activa gebruikt die niet of niet meer beleenbaar zijn of niet door die tegenpartij mogen worden aangewend, bijvoorbeeld als de emittent/garant en de tegenpartij nauwe banden onderhouden dan wel een en dezelfde partij zijn); b) de regels met betrekking tot de einde-dagprocedures en toegangsvoorwaarden voor de marginale beleningsfaciliteit (hetgeen gebeurt als een tegenpartij die aan het einde van de dag een negatief saldo heeft op de vereveningsrekening niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden voor de marginale beleningsfaciliteit).

Daarnaast kan een opschortende maatregel jegens een tegenpartij die niet aan de regels voldoet, ook worden uitgebreid tot bijkantoren van die tegenpartij in andere lidstaten. Waar dit, als uitzonderlijke maatregel gegeven de ernst van de overtreding, nodig is, blijkens bijvoorbeeld de frequentie of de duur ervan, kan de deelname van een tegenpartij aan alle toekomstige monetaire-beleidstransacties gedurende een bepaalde periode worden opgeschort.

Financiële sancties die door NCB’s worden opgelegd bij niet-naleving van de regels inzake tendertransacties, bilaterale transacties, beleenbare activa, einde-dagprocedures of de toegangsvoorwaarden voor de marginale beleningsfaciliteit worden berekend op basis van een tevoren vastgestelde boeterente (zoals uiteengezet in appendix 6).

2.4.   Mogelijke maatregelen op grond van overwegingen van prudentieel handelen of na gevallen van verzuim

2.4.1.   Maatregelen op grond van overwegingen van prudentieel handelen

Het Eurosysteem op grond van overwegingen van prudentieel handelen de volgende maatregelen treffen:

a)

conform de door de respectieve NCB of de ECB gehanteerde contracten of regelgeving, kan het Eurosysteem afzonderlijke tegenpartijen uitsluiten van toegang tot monetaire-beleidsinstrumenten of deze toegang beperken of opschorten;

b)

het Eurosysteem kan activa die specifieke tegenpartijen in krediettransacties van het Eurosysteem als onderpand geleverd hebben, afwijzen, het gebruik ervan beperken of op dergelijke activa aanvullende surpluspercentages toepassen;

2.4.2.   Maatregelen na gevallen van verzuim

Indien tegenpartijen uit hoofde van door NCB’s toegepaste contracten of regelgeving in verzuim zijn, kan het Eurosysteem hun toegang tot monetaire beleidstransacties schorsen, beperken of uitsluiten.

2.4.3.   Proportionele en non-discriminatoire toepassing van discretionaire maatregelen

Alle discretionaire maatregelen ter verzekering van prudent risicobeheer worden door het Eurosysteem proportioneel en non-discriminatoir toegepast en gecalibreerd. Ten overstaan van een afzonderlijke tegenpartij getroffen discretionaire maatregelen zullen naar behoren worden onderbouwd.

HOOFDSTUK 3

OPEN-MARKTTRANSACTIES

Open-markttransacties spelen een belangrijke rol in het monetaire beleid van het Eurosysteem. Zij dienen het sturen van de rente, het beheersen van de liquiditeitsverhoudingen in de markt en het afgeven van signalen omtrent de koers van het monetaire beleid. De open-markttransacties van het Eurosysteem zijn naar doel, frequentie en procedure in te delen in vier categorieën: basis-herfinancieringstransacties, langer lopende herfinancieringstransacties, finetuningtransacties en structurele transacties. Beschouwt men het type transactie, dan vormen transacties met wederinkoop het belangrijkste open-marktinstrument van het Eurosysteem; deze transacties kunnen voor alle vier soorten operaties worden gebruikt, terwijl ECB-schuldbewijzen zich lenen voor het structureel onttrekken van liquiditeiten. Structurele transacties kunnen ook worden uitgevoerd middels rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier. Daarnaast heeft het Eurosysteem nog twee andere instrumenten voor het uitvoeren van finetuningtransacties: deviezenswaps en het aantrekken van termijndeposito’s. In de volgende paragrafen worden de specifieke kenmerken van de verschillende typen door het Eurosysteem gebruikte open-marketinstrumenten in detail gepresenteerd.

3.1.   Transacties met wederinkoop

3.1.1.   Algemeen

3.1.1.1.   Soort instrument

Transacties met wederinkoop zijn transacties waarbij het Eurosysteem door middel van repo’s beleenbare activa koopt of verkoopt, dan wel tegen onderpand van beleenbare activa krediet verstrekt. Dergelijke transacties worden benut voor basis- en langer lopende herfinancieringstransacties. Bovendien kan het Eurosysteem voor zijn structurele en finetuningtransacties gebruikmaken van transacties met wederinkoop.

3.1.1.2.   Juridische status

De NCB’s kunnen transacties met wederinkoop uitvoeren hetzij als repo’s (waarbij de eigendom van het activum wordt overgedragen aan de crediteur en de partijen overeenkomen de transactie op een tijdstip in de toekomst om te keren door heroverdracht van het activum aan de debiteur) hetzij als leningen op onderpand (waarbij een afdwingbaar pandrecht op het activum wordt gevestigd, maar de eigendom van het activum, op grond van de verwachting dat aan de schuldverplichting zal worden voldaan, bij de debiteur blijft berusten). Verdere bepalingen ten aanzien van transacties met wederinkoop in de vorm van repo’s zijn vastgelegd in de door de desbetreffende NCB (of de ECB) gehanteerde contractuele regelingen. In de regelingen voor transacties met wederinkoop op basis van leningen op onderpand wordt rekening gehouden met de verschillende procedures en formaliteiten voor het vestigen en te gelde maken van een onderpandbelang (bijvoorbeeld pandrecht, cessie of een andere vorm van verpanding) zoals die gelden in de verschillende jurisdicties.

3.1.1.3.   Rente

Bij een repo komt het verschil tussen de aankoopprijs en de wederinkoopprijs overeen met de verschuldigde rente op het geleende bedrag over de looptijd van de transactie, met andere woorden: de te betalen rente is begrepen in de wederinkoopprijs. Bij een transactie met wederinkoop in de vorm van een lening tegen onderpand wordt de rente bepaald door de vastgestelde rentevoet toe te passen op het bedrag van het krediet over de looptijd van de transactie. De rentevoet op door het Eurosysteem verrichte open-markttransacties met wederinkoop is enkelvoudig en wordt berekend volgens de conventie: „werkelijk aantal dagen/360”.

3.1.2.   Basis-herfinancieringstransacties

Basis-herfinancieringstransacties zijn de belangrijkste open-markttransacties van het Eurosysteem en spelen een sleutelrol bij het sturen van de rente, het beheersen van de liquiditeitsverhoudingen in de markt en het afgeven van signalen omtrent de koers van het monetaire beleid.

De operationele kenmerken van de basis-herfinancieringstransacties kunnen als volgt worden samengevat:

a)

zij zijn liquiditeitsverruimende transacties met wederinkoop;

b)

zij worden wekelijks uitgevoerd (13);

c)

zij hebben doorgaans een looptijd van een week (14);

d)

zij worden decentraal uitgevoerd door de NCB’s;

e)

zij worden uitgevoerd als standaardtenders (zoals beschreven in paragraaf 5.1);

f)

alle tegenpartijen die voldoen aan de geldende algemene criteria (zoals beschreven in paragraaf 2.1) kunnen inschrijven op basis-herfinancieringstransacties, en

g)

zowel verhandelbare als niet-verhandelbare activa (zoals beschreven in hoofdstuk 6) kunnen in het kader van de basis-herfinancieringstransacties als onderpand worden gebruikt.

3.1.3.   Langer lopende herfinancieringstransacties

Het Eurosysteem maakt ook gebruik van periodieke herfinancieringstransacties met een looptijd van drie maanden, gericht op het voorzien in de herfinancieringsbehoefte van de financiële sector op de langere termijn. Bij deze transacties geeft het Eurosysteem doorgaans geen signalen af aan de markt zodat normaliter de door de markt gewenste rentevoet wordt gehanteerd. Daarom worden de langer lopende herfinancieringstransacties gewoonlijk uitgevoerd als variabele-rentetenders en geeft de ECB van tijd tot tijd het bedrag aan dat bij komende tenders zal worden toegewezen. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan het Eurosysteem langer lopende herfinancieringstransacties ook vorm geven als vaste-rentetenders.

De operationele kenmerken van de langer lopende herfinancieringstransacties kunnen als volgt worden samengevat:

a)

zij zijn liquiditeitsverruimende transacties met wederinkoop;

b)

zij worden maandelijks uitgevoerd (15);

c)

zij hebben doorgaans een looptijd van drie maanden (16);

d)

zij worden decentraal uitgevoerd door de NCB’s;

e)

zij worden uitgevoerd als standaardtenders (zoals beschreven in paragraaf 5.1);

f)

alle tegenpartijen die aan de geldende algemene criteria (zoals beschreven in paragraaf 2.1) voldoen, kunnen inschrijven op langer lopende herfmancieringstransacties, en

g)

zowel verhandelbare als niet-verhandelbare activa (zoals beschreven in hoofdstuk 6) kunnen in het kader van de langer lopende herfinancieringstransacties als onderpand worden gebruikt.

3.1.4.   Finetuningtransacties met wederinkoop

Het Eurosysteem kan finetuningtransacties uitvoeren als open-markttransacties met wederinkoop. Finetuningtransacties strekken ertoe de liquiditeitsverhoudingen in de markt te beheersen en de rente te sturen, en in het bijzonder om de rente-effecten van onverwachte liquiditeitsfluctuaties in de markt te egaliseren. Finetuningtransacties kunnen worden uitgevoerd op de laatste dag van de reserveaanhoudingsperiode om de sedert de gunning van de laatste basis-herfinancieringstransactie geaccumuleerde liquiditeitsonevenwichtigheden op te vangen. Omdat het bij onverwachte marktontwikkelingen nodig kan zijn snel in te grijpen, is een grote keuzevrijheid gewenst met betrekking tot te hanteren procedures en operationele kenmerken bij het uitvoeren van deze transacties.

De operationele kenmerken van de finetuningtransacties met wederinkoop kunnen als volgt worden samengevat:

a)

zij kunnen zowel liquiditeitsverruimend als liquiditeitsverkrappend zijn;

b)

zij kennen geen standaardfrequentie;

c)

zij kennen geen standaardlooptijd;

d)

liquiditeitsverruimende finetuningtransacties met wederinkoop worden doorgaans uitgevoerd door middel van snelle tenders, hoewel de mogelijkheid van bilaterale transacties niet wordt uitgesloten (zie hoofdstuk 5);

e)

liquiditeitsverkrappende finetuningtransacties met wederinkoop worden doorgaans uitgevoerd door middel van bilaterale transacties (zoals beschreven in paragraaf 5.2);

f)

zij worden doorgaans decentraal uitgevoerd door de NCB’s (de Raad van bestuur van de ECB kan besluiten of onder uitzonderlijke omstandigheden bilaterale finetuningtransacties met wederinkoop door de ECB kunnen worden uitgevoerd);

g)

het Eurosysteem kan, conform de in paragraaf 2.2 beschreven criteria, een beperkt aantal tegenpartijen selecteren voor deelname aan finetuningtransacties met wederinkoop;

h)

zowel verhandelbare als niet-verhandelbare activa (zoals beschreven in hoofdstuk 6) kunnen in het kader van de finetuningtransacties met wederinkoop als onderpand worden gebruikt.

3.1.5.   Structurele transacties met wederinkoop

Het Eurosysteem kan structurele transacties uitvoeren als open-markttransacties met wederinkoop, gericht op het beïnvloeden van de structurele positie van het Eurosysteem ten opzichte van de financiële sector.

De operationele kenmerken van deze transacties kunnen als volgt worden samengevat:

a)

zij zijn liquiditeitsverruimend;

b)

zij worden al dan niet periodiek uitgevoerd;

c)

de looptijd ligt niet a priori vast;

d)

zij worden uitgevoerd als standaardtenders (zoals beschreven in paragraaf 5.1);

e)

zij worden decentraal uitgevoerd door de NCB’s;

f)

alle tegenpartijen die voldoen aan de geldende algemene criteria (zoals beschreven in paragraaf 2.1) kunnen inschrijven op tenders voor structurele transacties met wederinkoop;

g)

zowel verhandelbare als niet-verhandelbare activa (zoals beschreven in hoofdstuk 6) kunnen in het kader van de structurele transacties met wederinkoop als onderpand worden gebruikt.

3.2.   Rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier

3.2.1.   Soort instrument

Rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier zijn transacties waarbij het Eurosysteem activa rechtstreeks in de markt koopt of verkoopt. Dergelijke transacties worden uitsluitend verricht voor structurele doeleinden.

3.2.2.   Juridische status

Bij rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier gaat de eigendom over van de verkoper naar de koper zonder een daarmee verbonden heroverdracht van eigendom. De transacties worden uitgevoerd conform de marktusance voor de verhandelde schuldtitel.

3.2.3.   Koers

Bij de berekening van de koers handelt het Eurosysteem conform de marktusance voor de verhandelde schuldtitel.

3.2.4.   Overige operationele kenmerken

De operationele kenmerken van de rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier door het Eurosysteem kunnen als volgt worden samengevat:

a)

zij kunnen liquiditeitsverruimend (rechtstreekse aankoop) of liquiditeitsverkrappend (rechtstreekse verkoop) zijn;

b)

zij kennen geen standaardfrequentie;

c)

zij worden uitgevoerd als bilaterale transacties (zoals beschreven in paragraaf 5.2);

d)

zij worden normaliter decentraal uitgevoerd door de NCB’s (de Raad van bestuur van de ECB kan besluiten dat, in uitzonderlijke omstandigheden, rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier door de ECB mogen worden uitgevoerd);

e)

er worden a priori geen beperkingen gesteld aan de tegenpartijen bij rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier;

f)

er worden bij rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier alleen verhandelbare activa (zoals beschreven in hoofdstuk 6) als onderpand gebruikt.

3.3.   Uitgifte van ECB-schuldbewijzen

3.3.1   Soort instrument

De ECB kan schuldbewijzen uitgeven ter beïnvloeding van de structurele positie van het Eurosysteem ten opzichte van de financiële sector om aldus een liquiditeitstekort in de markt te bewerkstelligen (of te vergroten).

3.3.2.   Juridische status

ECB-schuldbewijzen vertegenwoordigen een schuldverplichting van de ECB aan de houder. De schuldbewijzen worden in girale vorm uitgegeven en aangehouden bij effectenbewaarinstellingen in het eurogebied. De ECB stelt geen beperkingen aan de overdraagbaarheid van de schuldbewijzen. Nadere bepalingen omtrent ECB-schuldbewijzen worden gesteld in de voorwaarden voor deze schuldbewijzen.

3.3.3.   Rente

ECB-schuldbewijzen worden uitgegeven op discontobasis. Dit betekent dat de gedisconteerde uitgiftekoers lager is dan de nominale waarde en dat tegen nominale waarde wordt afgelost. Het verschil tussen de uitgiftekoers en het bedrag van de aflossing is gelijk aan de rente over de gedisconteerde uitgiftekoers tegen de overeengekomen rentevoet over de looptijd van het schuldbewijs. De toegepaste rentevoet bestaat uit een enkelvoudige rente; de rente wordt berekend volgens de conventie: werkelijk aantal dagen/360. De berekening van de gedisconteerde uitgiftekoers wordt geïllustreerd in kader 1.

KADER 1

Uitgifte van ECB-schuldbewijzen

De gedisconteerde uitgiftekoers is:

Formula

waarbij geldt:

N

=

nominale waarde van het ECB-schuldbewijs

rI

=

rente (in %)

D

=

looptijd van het ECB-schuldbewijs (in dagen)

PT

=

gedisconteerde uitgiftekoers van het ECB-schuldbewijs

3.3.4.   Overige operationele kenmerken

De operationele kenmerken van de uitgifte van ECB-schuldbewijzen kunnen als volgt worden samengevat:

a)

de schuldbewijzen worden uitgegeven om liquiditeiten aan de markt te onttrekken;

b)

de schuldbewijzen kunnen op regelmatige of niet-regelmatige basis worden uitgegeven;

c)

de schuldbewijzen hebben een looptijd van minder dan twaalf maanden;

d)

de schuldbewijzen worden uitgegeven als standaardtenders (zoals beschreven in paragraaf 5.1);

e)

de tenders voor de uitgifte van ECB-schuldbewijzen, alsmede de afrekening, worden decentraal verzorgd door de NCB’s;

f)

alle tegenpartijen die aan de geldende algemene criteria (zoals beschreven in paragraaf 2.1) voldoen, kunnen inschrijven op de uitgifte van ECB-schuldbewijzen.

3.4.   Deviezenswaps

3.4.1.   Soort instrument

Deviezenswaps voor monetaire-beleidsdoeleinden bestaan uit een gelijktijdige contante transactie en een termijntransactie in euro tegen vreemde valuta. Zij worden gebruikt voor finetuningdoeleinden, hoofdzakelijk om de liquiditeitsverhoudingen in de markt te beheersen en de rente te sturen.

3.4.2.   Juridische status

Deviezenswaps voor monetaire-beleidsdoeleinden zijn transacties waarbij het Eurosysteem contante euro aankoopt (of verkoopt) tegen een vreemde valuta onder gelijktijdige verkoop (of aankoop) op termijn per een overeengekomen datum. Verdere bepalingen ten aanzien van deviezenswaps zijn vastgelegd in de door de desbetreffende NCB (of de ECB) gehanteerde contractuele regelingen.

3.4.3.   Valuta’s en koersen

Normaliter sluit het Eurosysteem slechts transacties af in valuta’s die op ruime schaal worden verhandeld, met inachtneming van de marktusance. Bij elke deviezenswap komen het Eurosysteem en de tegenpartijen de voor de transactie geldende swappunten overeen. De swappunten betreffen het verschil tussen de koers voor de termijntransactie en die voor de contante transactie. De swappunten van de euro ten opzichte van de vreemde valuta worden in overeenstemming met de algemene marktpraktijk genoteerd. Zie kader 2 voor de bij een deviezenswap gehanteerde koersen.

3.4.4.   Overige operationele kenmerken

De operationele kenmerken van deviezenswaps kunnen als volgt worden samengevat:

a)

zij kunnen liquiditeitsverruimend of -verkrappend zijn;

b)

zij kennen geen standaardfrequentie;

c)

zij kennen geen standaardlooptijd;

d)

zij worden uitgevoerd als snelle tenders of bilaterale transacties (zie hoofdstuk 5);

e)

zij worden normaliter decentraal uitgevoerd door de NCB’s (de Raad van bestuur van de ECB kan besluiten dat, in uitzonderlijke omstandigheden, bilaterale deviezenswaps door de ECB mogen worden uitgevoerd), en

f)

het Eurosysteem kan, volgens de in paragraaf 2.2 en appendix 3 beschreven criteria, een beperkt aantal tegenpartijen selecteren voor deelname aan deviezenswaps.

KADER 2

deviezenswaps

S

=

Contante koers (per de transactiedatum van de deviezenswap) tussen de euro (EUR) en een vreemde valuta ABC

Formula

FM

=

Termijnkoers tussen de euro en een vreemde valuta ABC per de terugkoopdatum van de swap (M)

Formula

ΔΜ

=

Termijnpunten tussen de euro en ABC voor de terugkoopdatum van de swap (M)

Δ M = F M S

N(.)

=

Contant bedrag aan valuta; N(.)M is het termijnbedrag aan valuta:

 

N (ABC) = N (EUR) × S of Formula

 

N (ABC) M = N (EUR) M × F M of Formula

3.5.   Aantrekken van termijndeposito’s

3.5.1.   Soort instrument

Het Eurosysteem kan tegenpartijen in de gelegenheid stellen rentedragende deposito’s met een vaste looptijd aan te houden bij de NCB van de lidstaat waarin de tegenpartij is gevestigd. Het is de bedoeling dat dit instrument alleen wordt gebruikt voor finetuningdoeleinden om liquiditeiten aan de markt te onttrekken.

3.5.2.   Juridische status

Van tegenpartijen aanvaarde deposito’s hebben een vaste looptijd en een vaste rentevoet. Tegenover deposito’s wordt door de NCB’s geen onderpand verstrekt.

3.5.3.   Rente

De toegepaste rentevoet bestaat uit een enkelvoudige rente; de rente wordt berekend volgens de conventie: „werkelijk aantal dagen/360”. De rente wordt betaald op de vervaldag van het deposito.

3.5.4.   Overige operationele kenmerken

De operationele kenmerken van het aantrekken van termijndeposito’s kunnen als volgt worden samengevat:

a)

deposito’s worden aangetrokken om liquiditeiten te onttrekken;

b)

de frequentie waarmee deposito’s worden aangetrokken is niet gestandaardiseerd;

c)

de looptijd van de deposito’s is niet gestandaardiseerd;

d)

het aantrekken van deposito’s geschiedt doorgaans door middel van snelle tenders, hoewel de mogelijkheid van bilaterale transacties niet wordt uitgesloten (zie hoofdstuk 5);

e)

het aantrekken van deposito’s wordt normaliter decentraal uitgevoerd door de NCB’s (de Raad van bestuur van de ECB kan besluiten dat, onder uitzonderlijke omstandigheden termijndeposito’s bilateraal (17) kunnen worden aangetrokken door de ECB);

f)

het Eurosysteem kan, volgens de in paragraaf 2.2 beschreven criteria, een beperkt aantal tegenpartijen selecteren voor het aantrekken van termijndeposito’s.

HOOFDSTUK 4

PERMANENTE FACILITEITEN

4.1.   De marginale beleningsfaciliteit

4.1.1.   Soort instrument

Tegenpartijen kunnen een beroep doen op de marginale beleningsfaciliteit voor het verkrijgen van zeer kortlopende liquiditeiten van NCB’s tegen een tevoren vastgestelde rentevoet op onderpand van beleenbare activa (zoals beschreven in hoofdstuk 6). Deze faciliteit beoogt te voorzien in de tijdelijke liquiditeitsbehoefte van tegenpartijen. Normaliter stelt de rentevoet op de faciliteit een bovengrens aan de zeer korte marktrente. De modaliteiten van de faciliteit zijn voor het gehele eurogebied identiek.

4.1.2.   Juridische status

De NCB’s kunnen liquiditeiten krachtens de marginale beleningsfaciliteit verstrekken in de vorm van repo’s tot de volgende werkdag (waarbij de eigendom van het activum wordt overgedragen aan de crediteur en de partijen overeenkomen de transactie op de volgende werkdag om te keren door heroverdracht van het activum aan de debiteur) of in de vorm van leningen op onderpand met een looptijd tot de volgende werkdag (waarbij een afdwingbaar pandrecht op het activum wordt gevestigd maar de eigendom van het activum, op grond van de verwachting dat aan de schuldverplichting zal worden voldaan, bij de debiteur blijft berusten). Verdere bepalingen ten aanzien van repo’s zijn vastgelegd in de door de desbetreffende NCB gehanteerde contractuele regelingen. In de regelingen voor het verstrekken van liquiditeiten in de vorm van leningen op onderpand wordt rekening gehouden met de verschillende procedures en formaliteiten in de verschillende jurisdicties voor het vestigen en te gelde maken van een onderpandbelang (pandrecht, cessie of een andere vorm van verpanding).

4.1.3.   Toegang

Instellingen die voldoen aan de in paragraaf 2.1 vastgelegde algemene criteria kunnen een beroep doen op de marginale beleningsfaciliteit. Toegang tot de marginale beleningsfaciliteit wordt verleend via de NCB van de lidstaat van vestiging van de tegenpartij. Toegang tot de marginale beleningsfaciliteit wordt slechts verleend gedurende die dagen dat TARGET2 (18) operationeel is (19). Op de dagen dat de desbetreffende effectenafwikkelsystemen niet operationeel zijn, wordt toegang tot de marginale beleningsfaciliteit verleend op basis van de beleenbare activa die reeds tevoren bij de NCB’s zijn gedeponeerd.

Aan het einde van iedere werkdag wordt een debetpositie op de vereveningsrekeningen van tegenpartijen bij de NCB’s automatisch beschouwd als een verzoek om een beroep te mogen doen op de marginale beleningsfaciliteit. De procedures voor gebruikmaking van de marginale beleningsfaciliteit aan het einde van de werkdag worden beschreven in paragraaf 5.3.3.

Een tegenpartij kan ook een beroep doen op de marginale beleningsfaciliteit door een verzoek daartoe aan de NCB in de lidstaat van vestiging te zenden. Om de NCB in staat te stellen dit verzoek op dezelfde dag in TARGET2 te behandelen, moet het uiterlijk 15 minuten na sluitingstijd van TARGET2 in het bezit van de NCB zijn (20)  (21). In het algemeen is de TARGET2-sluitingstijd 18.00u p.m. ECB-tijd (MET). De eindtijd voor verzoeken om toegang tot de marginale beleningsfaciliteit wordt met nog eens 15 minuten uitgesteld op de laatste werkdag van het Eurosysteem van een reserve- aanhoudingsperiode. Het verzoek dient het kredietbedrag te specificeren en, indien de onderliggende activa voor de transactie niet reeds vooraf bij de NCB zijn gedeponeerd, dienen ook de onderliggende activa voor de transactie te worden geleverd.

Afgezien van de eis dat voldoende beleenbare activa worden verstrekt, zijn er geen grenzen gesteld aan het middels de marginale beleningsfaciliteit op te nemen bedrag.

4.1.4.   Looptijd en rente

De looptijd van krachtens de faciliteit verleende kredieten strekt zich uit tot de volgende ochtend. Ten aanzien van rechtstreeks aan TARGET2 deelnemende tegenpartijen wordt het krediet afgelost op de eerstvolgende dag dat i) TARGET2; en ii) het desbetreffende afwikkelsysteem voor effecten operationeel zijn en wel wanneer die systemen geopend zijn.

De rentevoet wordt tevoren door het Eurosysteem bekendgemaakt en wordt berekend als een enkelvoudige rente volgens de conventie: „„werkelijk aantal dagen/360””. De ECB kan te allen tijde de rentevoet wijzigen, een dergelijke wijziging wordt op zijn vroegst op de volgende werkdag van het Eurosysteem van kracht (22)  (23). De rente op de faciliteit moet bij de aflossing van het krediet worden betaald.

4.1.5.   Opschorting van de faciliteit

Toegang tot de faciliteit wordt slechts verleend indien dit in overeenstemming is met de doelstellingen en de algemene monetaire-beleidsoverwegingen van de ECB. De ECB kan te allen tijde de modaliteiten van de faciliteit wijzigen of de faciliteit opschorten.

4.2.   De depositofaciliteit

4.2.1.   Soort instrument

Tegenpartijen kunnen gebruikmaken van de depositofaciliteit om tot de volgende ochtend deposito’s bij NCB’s te plaatsen. Op de deposito’s wordt rente vergoed tegen een tevoren aangekondigd tarief. Normaliter stelt de rentevoet op de faciliteit een ondergrens aan de zeer korte marktrente. De modaliteiten van de faciliteit zijn voor het gehele eurogebied identiek (24).

4.2.2.   Juridische status

Op de van tegenpartijen aanvaarde deposito’s wordt tegen een vast tarief rente vergoed. Tegenover deposito’s wordt geen onderpand verstrekt.

4.2.3.   Toegang  (25)

Instellingen die voldoen aan de in paragraaf 2.1 vastgelegde algemene criteria kunnen gebruikmaken van de depositofaciliteit. Toegang tot de depositofaciliteit wordt verleend via de NCB van de lidstaat waar de tegenpartij is gevestigd. Toegang tot de depositofaciliteit wordt slechts op openingsdagen van TARGET2 verleend (26).

Om toegang te krijgen tot de depositofaciliteit moet een tegenpartij een verzoek daartoe zenden aan de NCB van de lidstaat van vestiging. Om de NCB in staat te stellen dit verzoek op dezelfde dag in TARGET2 te behandelen, moet het uiterlijk 15 minuten na sluitingstijd van TARGET2, doorgaans 18.00u p.m. ECB-tijd (MET) (27)  (28), in het bezit van de NCB zijn. De eindtijd voor verzoeken om toegang tot de depositofaciliteit wordt met nog eens 15 minuten uitgesteld op de laatste werkdag van het Eurosysteem van een reserve- aanhoudingsperiode. Het verzoek dient het krachtens de faciliteit te deponeren bedrag te specificeren.

Het door een tegenpartij krachtens de faciliteit te deponeren bedrag is niet aan beperkingen gebonden.

4.2.4.   Looptijd en rente

De looptijd van krachtens de faciliteit aangehouden deposito’s strekt zich uit tot de volgende ochtend. Ten aanzien van rechtstreeks aan TARGET2 deelnemende tegenpartijen, vervallen krachtens de faciliteit aangehouden deposito’s op de volgende dag waarop TARGET2 operationeel is, en wel bij de opening daarvan.

De rentevoet wordt tevoren door het Eurosysteem bekendgemaakt en wordt berekend als een enkelvoudige rente volgens de conventie: „werkelijk aantal dagen/360”. De ECB kan te allen tijde de rentevoet wijzigen; een dergelijke wijziging wordt op zijn vroegst op de volgende werkdag van het Eurosysteem van kracht (29). De rente op de deposito’s moet worden betaald op de dag dat het deposito vervalt.

4.2.5.   Opschorting van de faciliteit

Toegang tot de faciliteit wordt slechts verleend indien dit in overeenstemming is met de doelstellingen en de algemene monetaire-beleidsoverwegingen van de ECB. De ECB kan te allen tijde de modaliteiten van de faciliteit wijzigen of de faciliteit opschorten.

HOOFDSTUK 5

PROCEDURES

5.1.   Tenders

5.1.1.   Algemeen

De open-markttransacties van het Eurosysteem worden normaliter uitgevoerd in de vorm van tenders. De tenders van het Eurosysteem worden uitgevoerd in zes stappen, zoals weergegeven in kader 3.

Het Eurosysteem maakt een onderscheid tussen twee soorten tenderprocedures: standaardtenders en snelle tenders. De procedures voor beide soorten tenders zijn gelijk, met uitzondering van het tijdschema en de keuze van tegenpartijen.

5.1.1.1.   Standaardtenders

Standaardtenders krijgen hun beslag binnen 24 uur, gerekend vanaf de aankondiging van de tender tot en met certificering van het toewijzingsresultaat (waarbij het tijdsverloop tussen het uiterste tijdstip van inschrijving en de aankondiging van het toewijzingsresultaat ongeveer twee uur bedraagt). Grafiek 1 biedt een overzicht van het normale tijdschema voor de operationele stappen bij standaardtenders. In individuele gevallen kan de ECB zo nodig het tijdschema aanpassen.

De basis-herfinancieringstransacties, de langer lopende herfinancieringstransacties en de structurele transacties (met uitzondering van rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier) worden altijd als standaardtenders uitgevoerd. Tegenpartijen die aan de in paragraaf 2.1 vastgelegde algemene criteria voldoen kunnen aan standaardtenders deelnemen.

5.1.1.2.   Snelle tenders

Snelle tenders krijgen normaliter binnen 90 minuten hun beslag, gerekend vanaf de aankondiging van de tender, waarbij certificering plaatsvindt direct na de bekendmaking van het toewijzingsresultaat. In Grafiek 2 wordt een overzicht gegeven van het normale tijdschema voor de operationele stappen bij snelle tenders. In individuele gevallen kan de ECB zo nodig het tijdschema aanpassen. Snelle tenders worden alleen gebruikt voor het uitvoeren van finetuningtransacties. Het Eurosysteem kan, op grond van de in paragraaf 2.2 vastgelegde criteria en procedures, een beperkt aantal tegenpartijen selecteren voor deelname aan snelle tenders.

5.1.1.3.   Vaste- en variabele-rentetenders

Het Eurosysteem kan kiezen tussen vaste-rentetenders (volumetenders) en variabele-rentetenders (rentetenders). Bij een vaste-rentetender maakt de ECB tevoren de rentevoet bekend en geven deelnemende tegenpartijen het bedrag op waarvoor zij tegen die vaste rentevoet een transactie wensen aan te gaan (30). Bij een variabele-rentetender doen tegenpartijen opgave van het bedrag waarvoor en de rentevoet waartegen zij een transactie met de NCB’s wensen aan te gaan (31).

KADER 3

De operationele stappen bij een tenderprocedure

Stap 1.   Aankondiging van de tender

a)

Aankondiging door de ECB via nieuwsagentschappen en de website van de ECB

b)

Nationale aankondiging door de NCB’s via nieuwsagentschappen en rechtstreeks aan afzonderlijke tegenpartijen (indien noodzakelijk geacht)

Stap 2.   Actie van de zijde van tegenpartijen en indiening van inschrijvingen

Stap 3.   Beoordeling van de inschrijvingen door het Eurosysteem

Stap 4.   Toewijzing en bekendmaking van tenderresultaten

a)

Besluit omtrent toewijzing door de ECB

b)

Bekendmaking van de toewijzingsresultaten

Stap 5.   Certificering van de afzonderlijke toewijzingsresultaten

Stap 6.   Afrekening van de transactie (zie paragraaf 5.3)

5.1.2.   Kalender voor tenders

5.1.2.1   Basis- en langer lopende herfinancieringstransacties

Basis- en langer lopende herfinancieringstransacties worden uitgevoerd volgens een door het Eurosysteem gepubliceerde indicatieve kalender (32). De kalender wordt ten minste drie maanden vóór het begin van het desbetreffende jaar gepubliceerd. In tabel 2 zijn de normale transactiedagen voor de basis- en langer lopende herfinancieringstransacties weergegeven. De ECB streeft ernaar te waarborgen dat tegenpartijen in alle lidstaten kunnen deelnemen aan de basis- en langer lopende herfinancieringstransacties. Derhalve houdt de ECB bij het opstellen van de kalender voor deze transacties rekening met de officiële feestdagen in de afzonderlijke lidstaten.

5.1.2.2.   Structurele transacties

Structurele transacties door middel van standaardtenders vinden niet plaats volgens een tevoren vastgestelde kalender maar worden gewoonlijk slechts uitgevoerd en afgerekend op dagen die in alle lidstaten werkdagen van de NCB zijn (33).

5.1.2.3.   Finetuningtransacties

Finetuningtransacties worden niet volgens een tevoren vastgestelde kalender uitgevoerd. De ECB kan besluiten finetuningtransacties uit te voeren op elke werkdag van het Eurosysteem. NCB’s nemen alleen aan dergelijke transacties deel indien de transactiedag, de ingangsdatum en de einddatum voor deze banken alle als werkdag gelden.

Grafiek 1

Normaal tijdschema voor de operationele stappen bij standaardtenders

(tijden zijn aangegeven in ECB-tijd (Midden-Europese tijd))

Image

Grafiek 2

Normaal tijdschema voor de operationele stappen bij snelle tenders

Image

Tabel 2

Normale transactiedagen voor de basis- en langer lopende herfinancieringstransacties

Soort transactie

Normale handelsdag (T)

Basis-herfinancieringstransacties

Elke dinsdag

Langer lopende herfinancieringstransacties

De laatste woensdag van elke kalendermaand (34)

5.1.3.   Aankondiging van tenders

Standaardtenders van het Eurosysteem worden via nieuwsagentschappen en de website van de ECB openbaar aangekondigd. Daarnaast kunnen NCB’s de tenders ook rechtstreeks bekendmaken aan tegenpartijen die geen toegang tot nieuwsagentschappen hebben. De openbare tenderaankondiging zal doorgaans de volgende informatie bevatten:

a)

het referentienummer van de tendertransactie;

b)

de datum van de tendertransactie;

c)

het type transactie (liquiditeitsverruimend of -verkrappend, alsmede het soort monetaire-beleidsinstrument);

d)

de looptijd van de transactie;

e)

het type tender (vast of variabel);

f)

de methode van toewijzing („Nederlands” of „Amerikaans” veilingsysteem, zoals beschreven in paragraaf 5.1.5);

g)

het voorgenomen volume (gewoonlijk alleen bij langer lopende herfinancieringstransacties);

h)

vaste rentevoet/koers/swappunt (bij vaste-rentetenders);

i)

minimaal/maximaal aanvaardbare rentevoet/koers/swappunt (indien van toepassing);

j)

aanvangsdatum en afloopdatum van de transactie (indien van toepassing) of valutadatum en vervaldatum van het instrument (bij uitgifte van ECB-schuldbewijzen);

k)

de bij de transactie betrokken valuta’s en de valuta waarvan het bedrag vast blijft (bij deviezenswaps);

l)

de contante wisselkoers die dient als referentie bij het berekenen van inschrijvingen (bij deviezenswaps);

m)

het maximumbedrag waarvoor kan worden ingeschreven (indien van toepassing);

n)

de minimale toewijzing per tegenpartij (indien van toepassing);

o)

het minimale toewijzingspercentage (indien van toepassing);

p)

het tijdschema voor het doen van inschrijvingen;

q)

de coupure van de schuldbewijzen (bij uitgifte van ECB-schuldbewijzen), en

r)

de ISIN-code van de uitgifte (bij uitgifte van ECB-schuldbewijzen).

Teneinde de doorzichtigheid van finetuningtransacties te bevorderen, kondigt het Eurosysteem snelle tenders doorgaans tevoren publiekelijk aan. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de ECB echter besluiten snelle tenders tevoren niet publiekelijk aan te kondigen. Bij de aankondiging van snelle tenders wordt dezelfde procedure gevolgd als bij standaardtenders. Bij een snelle tender die niet van tevoren publiekelijk wordt aangekondigd, worden de gekozen tegenpartijen rechtstreeks door de NCB’s benaderd. Bij een snelle tender die wel van tevoren publiekelijk wordt aangekondigd, kan de NCB de gekozen tegenpartijen rechtstreeks benaderen.

5.1.4.   Inschrijving en de voorbereiding daarop door tegenpartijen

Inschrijvingen moeten door tegenpartijen worden ingediend in een vorm volgens het door de NCB’s voor de desbetreffende transactie voorgeschreven pro-formamodel. Inschrijvingen moeten worden ingediend bij de NCB van een lidstaat waar de instelling een vestiging heeft (hoofdkantoor of bijkantoor). Op een tender mag door een instelling slechts worden ingeschreven via één vestiging (hoofdkantoor of bijkantoor) in elke lidstaat.

Bij vaste-rentetenders moeten tegenpartijen in hun inschrijving het bedrag opgeven waarvoor zij de transactie met de NCB’s wensen aan te gaan (35).

Bij variabelerentetenders mogen tegenpartijen inschrijvingen indienen voor maximaal tien verschillende rentevoeten/koersen/swappunten. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Eurosysteem een limiet stellen aan het aantal inschrijvingen dat mag worden ingediend met betrekking tot variabelerentetenders. Bij elke inschrijving moeten tegenpartijen het bedrag opgeven waarvoor zij de transactie met de NCB’s wensen aan te gaan, alsook de betreffende rentevoet (36)  (37). De rentevoet moet worden uitgedrukt als een veelvoud van 0,01 procentpunt. Bij een variabele deviezenswap moeten de swappunten conform de marktpraktijk worden uitgedrukt en moeten zij bij de inschrijving worden opgegeven als een veelvoud van 0,01 swappunt.

Op de basis-herfinancieringstransacties kan worden ingeschreven voor een minimaal bedrag van 1 000 000. Bedragen daarboven worden uitgedrukt als een veelvoud van 100 000. Voor finetuning- en structurele transacties gelden hetzelfde minimale inschrijvingsbedrag en dezelfde regels voor bedragen daarboven. Het minimale inschrijvingsbedrag is van toepassing op alle afzonderlijke rentevoeten/koersen/swappunten.

Voor de langer lopende herfinancieringstransacties stelt elke NCB een minimaal inschrijvingsbedrag vast tussen 10 000 en 1 000 000. Bedragen daarboven moeten zijn uitgedrukt als een veelvoud van 10 000. Het minimale inschrijvingsbedrag is van toepassing op elke afzonderlijke rentevoet.

De ECB is gerechtigd een plafond vast te stellen teneinde onevenredig grote inschrijvingen te voorkomen. Een dergelijk plafond wordt altijd in de openbare aankondiging van de tender vermeld.

Tegenpartijen worden geacht hun toewijzingen in alle gevallen te kunnen dekken door een toereikend bedrag aan beleenbare onderliggende activa (38). De door de desbetreffende NCB gehanteerde contracten of regelgeving voorzien in de mogelijkheid boeten op te leggen, indien de tegenpartij niet in staat is een toereikend bedrag aan onderliggende activa over te dragen of in liquide middelen te voldoen tegenover de toewijzing bij een tender.

Inschrijvingen kunnen tot het uiterste tijdstip van indiening worden teruggetrokken. Inschrijvingen die na het in de aankondiging van de tender vermelde uiterste tijdstip worden ingediend zijn ongeldig. Of een inschrijving al of niet vóór het uiterste tijdstip is ingediend is ter beoordeling aan de NCB’s. De NCB’s leggen alle inschrijvingen van een tegenpartij terzijde als het totale ingeschreven bedrag een eventueel door de ECB vastgestelde inschrijvingslimiet te boven gaat. De NCB’s leggen ook inschrijvingen terzijde waarvan het bedrag het minimale inschrijvingsbedrag onderschrijdt of waarvan het bedrag respectievelijk lager of hoger is dan een eventueel vastgesteld(e) laagste of hoogste rentevoet/koers/swappunt. De NCB’s kunnen voorts inschrijvingen terzijde leggen die niet volledig zijn of die niet voldoen aan het pro-formamodel. Als een inschrijving terzijde wordt gelegd, informeert de desbetreffende NCB de tegenpartij van haar besluit vóór de toewijzing van de tender.

5.1.5.   Toewijzingsprocedures bij tenders

5.1.5.1.   Vaste-rentetender

Bij de toewijzing van een vaste-rentetender worden de door tegenpartijen ingediende inschrijvingen opgeteld. Als het totale ingeschreven bedrag het totale bedrag aan te verschaffen liquiditeiten overtreft, worden de inschrijvingen toegewezen in evenredigheid met de verhouding tussen het toe te wijzen bedrag en het totale ingeschreven bedrag (zie kader 4). Het aan elke tegenpartij toegewezen bedrag wordt tot op één euro nauwkeurig afgerond. De ECB kan echter bij vaste-rentetenders besluiten aan iedere inschrijver een bepaald minimaal bedrag/percentage toe te wijzen.

KADER 4

Toewijzing van vaste-rentetenders

Het percentage van de toewijzing is:

Formula

Het aan de i-de tegenpartij toegewezen bedrag is:

alli = all % × (ai )

waarbij geldt:

A

=

totaal toegewezen bedrag

n

=

totaal aantal tegenpartijen

ai

=

inschrijvingsbedrag van de i-de tegenpartij

all%

=

percentage toewijzing

alli

=

totaal toegewezen bedrag aan de i-de tegenpartij

5.1.5.2.   Variabele-rentetenders in euro

Bij de toewijzing van liquiditeitsverschaffende variabele-rentetenders in euro worden de inschrijvingen gerangschikt in aflopende volgorde van rentevoeten. Inschrijvingen met de hoogste rentevoet worden het eerst toegewezen, gevolgd door die met de naastlagere rentevoet totdat het totale bedrag aan de te verschaffen liquiditeiten is bereikt. Indien bij de laagste rentevoet waarop wordt toegewezen (de marginale rentevoet) de totale inschrijving de resterende toewijzing te boven gaat, wordt het resterende bedrag toegewezen in evenredigheid met de verhouding tussen het toe te wijzen resterende bedrag en het totale tegen de marginale rentevoet ingeschreven bedrag (zie kader 5). Het aan elke tegenpartij toegewezen bedrag wordt tot op één euro nauwkeurig afgerond.

Bij de toewijzing van liquiditeitsverkrappende variabelerentetenders (die kunnen worden gebruikt voor de uitgifte van ECB-schuldbewijzen en het aantrekken van termijndeposito’s) worden de inschrijvingen gerangschikt in oplopende volgorde van rentevoeten (of aflopende volgorde van koersen). Inschrijvingen met de laagste rentevoet (hoogste koers) worden het eerst toegewezen, gevolgd door die met de naasthogere rentevoet (naastlagere koers) totdat het totale bedrag aan te onttrekken liquiditeiten is bereikt. Indien bij de hoogste rentevoet (laagste koers) waarop wordt toegewezen (d.w.z. de marginale rentevoet/koers) de totale inschrijving de resterende toewijzing te boven gaat, wordt het resterende bedrag toegewezen in evenredigheid met de verhouding tussen het toe te wijzen resterende bedrag en het totale tegen de marginale rentevoet/koers ingeschreven bedrag (zie kader 5). Bij de uitgifte van ECB-schuldbewijzen wordt het aan elke tegenpartij toegewezen bedrag afgerond op een veelvoud van de coupure van de ECB-schuldbewijzen. Bij andere liquiditeitsverkrappende transacties wordt het aan elke tegenpartij toegewezen bedrag tot op één euro afgerond

De ECB kan besluiten bij variabele-rentetenders aan iedere meedingende inschrijver een bepaald minimaal bedrag toe te wijzen.

KADER 5

Toewijzing van variabele-rentetenders in euro

(Het voorbeeld gaat uit van inschrijvingen waarbij een rentevoet wordt opgegeven)

Het percentage van de toewijzing tegen de marginale rentevoet is:

Formula

De toewijzing aan de i-de tegenpartij tegen de marginale rentevoet is:

all (rm ) i = all%(rm ) × a(rm)i

De totale toewijzing aan de i-de tegenpartij is:

Formula

waarbij geldt:

A

=

totaal toegewezen bedrag

r s

=

s-de rentevoet opgegeven door tegenpartijen

n

=

totaal aantal tegenpartijen

a(r s ) i

=

opgegeven bedrag bij s-de rentevoet (r s ) door de i-de tegenpartij

a(r s )

=

totaal opgegeven bedrag bij de s-de rentevoet (r s )

Formula

r m

=

Marginale rentevoet:

 

r 1rs rm bij een liquiditeitsverruimende tender

 

rm rs r 1 bij een liquiditeitsverkrappende tender

r m-1

=

Rentevoet vóór de marginale rentevoet (laatste rentevoet waarbij inschrijvingen volledig worden toegewezen):

 

rm–1 > rm bij een liquiditeitsverruimende tender

 

rm > r m–1 bij een liquiditeitsverkrappende tender

all%(r m )

=

percentage toewijzing bij de marginale rentevoet

all(r s ) i

=

toewijzing aan de i-de tegenpartij bij de s-de rentevoet

all i

=

totaal toegewezen bedrag aan de i-de tegenpartij

5.1.5.3.   Variabele deviezenswaptenders

Bij de toewijzing van liquiditeitsverschaffende variabele deviezenswaptenders worden de inschrijvingen gerangschikt in oplopende volgorde van opgegeven swappunten (39). Inschrijvingen met het laagste opgegeven swappunt worden het eerst toegewezen, gevolgd door die met het naasthogere opgegeven swappunt totdat het totale bedrag aan te verschaffen vaste valuta is bereikt. Indien bij het hoogste opgegeven swappunt waarop wordt toegewezen (het marginale swappunt) de totale inschrijving het resterende toe te wijzen bedrag te boven gaat, wordt het resterende bedrag toegewezen in evenredigheid met de verhouding tussen het resterende bedrag en het totale tegen het marginale swappunt ingeschreven bedrag (zie kader 6). Het aan elke tegenpartij toegewezen bedrag wordt tot op één euro nauwkeurig afgerond.

Bij de toewijzing van liquiditeitsonttrekkende variabele-deviezenswaptenders worden de inschrijvingen gerangschikt in aflopende volgorde van opgegeven swappunten. Inschrijvingen met het hoogste opgegeven swap-punt worden het eerst toegewezen, gevolgd door die met het naastlagere opgegeven swappunt totdat het totale bedrag aan te onttrekken vaste valuta is bereikt. Indien bij het laagste opgegeven swappunt waarop wordt toegewezen (het marginale swappunt) de totale inschrijving het resterende toe te wijzen bedrag te boven gaat, wordt het resterende bedrag toegewezen in evenredigheid met de verhouding tussen het resterende bedrag en het totale tegen het marginale swappunt ingeschreven bedrag (zie kader 6). Het aan elke tegenpartij toegewezen bedrag wordt tot op één euro nauwkeurig afgerond.

5.1.5.4.   Methode van toewijzing

Bij variabele-rentetenders kan het Eurosysteem hetzij een op een enkelvoudige hetzij een op een meervoudige rentevoet gebaseerde toewijzingsprocedure toepassen. Bij een toewijzingsprocedure op basis van een enkelvoudige rentevoet (Nederlands veilingsysteem) is de rentevoet dan wel de koers dan wel het swappunt voor het toegewezen bedrag voor alle toegewezen inschrijvingen gelijk aan de marginale rentevoet dan wel de marginale koers dan wel het marginale swappunt (waarmee het totaal beschikbare bedrag wordt uitgeput). Bij een toewijzingsprocedure op basis van een meervoudige rentevoet (Amerikaans veilingsysteem) is de rentevoet dan wel de koers dan wel het swappunt op het toegewezen bedrag voor elke afzonderlijke inschrijving gelijk aan de rentevoet dan wel de koers dan wel het swappunt dat bij de inschrijving is opgegeven.

KADER 6

Toewijzing van variabele deviezenswaptenders

Het percentage van de toewijzing tegen het marginale swappunt is:

Formula

De toewijzing aan de i-de tegenpartij tegen het marginale swappunt is:

all m ) i = all% (Δ m ) × a(Δm)i

De totale toewijzing aan de i-de tegenpartij is:

Formula

waarbij geldt:

A

=

totaal toegewezen bedrag

Δ s

=

s-de swappunt opgegeven door tegenpartijen

n

=

totaal aantal tegenpartijen

a(Δ s ) i

=

opgegeven bedrag bij s-de swappunt (Δ s ) door de i-de tegenpartij

a(Δ s )

=

totaal opgegeven bedrag bij s-de swappunt (Δs)

Formula

Δ m

=

marginaal swappunt:

 

Δ m ≥ Δ s ≥ Δ1 bij een liquiditeitsverruimende deviezenswap

 

Δ1 ≥ Δ s ≥ Δ m bij een liquiditeitsverkrappende deviezenswap

Δ m-1

=

swappunt vóór het marginale swappunt (laatste opgegeven swappunt waarbij inschrijvingen volledig worden toegewezen),

 

Δ m > Δ m–1 bij een liquiditeitsverruimende deviezenswap

 

Δ m–1 > Δ m bij een liquiditeitsverkrappende deviezenswap

all%(Δ m )

=

percentage toewijzing bij het marginale swappunt

all(Δ s ) i

=

toewijzing aan de i-de tegenpartij bij het s-de swappunt

all i

=

totaal toegewezen bedrag aan de i-de tegenpartij

5.1.6.   Bekendmaking van de resultaten van de toewijzing

De resultaten van de toewijzing van standaardtenders en snelle tenders worden publiekelijk via nieuwsagentschappen en de website van de ECB bekendgemaakt. Daarnaast kunnen NCB’s de resultaten van de toewijzing ook rechtstreeks aan tegenpartijen bekendmaken. De bekendmaking bevat doorgaans de volgende informatie:

a)

het referentienummer van de tendertransactie;

b)

de datum van de tendertransactie;

c)

het type transactie;

d)

de looptijd van de transactie;

e)

het totale door tegenpartijen van het Eurosysteem ingeschreven bedrag;

f)

het aantal inschrijvers;

g)

de bij de transactie betrokken valuta’s (bij deviezenswaps);

h)

het totale toegewezen bedrag;

i)

het toewijzingspercentage (bij vaste-rentetenders);

j)

de contante koers (bij deviezenswaps);

k)

de/het aanvaarde marginale rentevoet/koers/swappunt en het toewijzingspercentage daarbij (bij variabele-rentetenders);

l)

de minimale opgegeven rentevoet, de maximale opgegeven rentevoet en het gewogen gemiddelde van de toegewezen rentevoeten (bij toewijzing op basis van een meervoudige rentevoet);

m)

de aanvangsdatum en de afloopdatum van de transactie (indien van toepassing) of de valutadatum en de vervaldatum van het instrument (bij uitgifte van ECB-schuldbewijzen);

n)

de minimale toewijzing per tegenpartij (indien van toepassing);

o)

het minimale toewijzingspercentage (indien van toepassing);

p)

de coupure van de schuldbewijzen (bij uitgifte van ECB-schuldbewijzen);

q)

de ISIN-code van de uitgifte (bij uitgifte van ECB-schuldbewijzen).

De NCB’s zullen de afzonderlijke toewijzingen rechtstreeks bekendmaken aan inschrijvers die een toewijzing ontvangen.

5.2.   Procedures voor bilaterale transacties

5.2.1.   Algemeen

De NCB’s kunnen transacties op bilaterale basis uitvoeren. Deze procedures kunnen worden benut voor open-markttransacties met een finetuningoogmerk en voor structurele rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier (40). Bilaterale transacties worden in algemene zin gedefinieerd als transacties tussen het Eurosysteem en één of enkele tegenpartijen zonder dat gebruik wordt gemaakt van een tender. Daarbij kunnen twee soorten bilaterale transacties worden onderscheiden: transacties waarbij de tegenpartijen rechtstreeks worden benaderd door het Eurosysteem en transacties die worden uitgevoerd via effectenbeurzen en marktagenten.

5.2.2.   Rechtstreekse benadering van tegenpartijen

Hierbij benaderen de NCB’s rechtstreeks één of enkele binnenlandse tegenpartijen, die volgens de in paragraaf 2.2 vastgelegde criteria worden gekozen. Overeenkomstig de door de ECB verstrekte gedetailleerde instructies besluiten de NCB’s al of niet met de tegenpartijen een transactie aan te gaan. De transacties worden via de NCB’s afgerekend.

Als door de Raad van bestuur van de ECB zou worden besloten dat onder uitzonderlijke omstandigheden bilaterale transacties ook kunnen worden uitgevoerd door de ECB zelf (of door één of enkele NCB’s die dan als agent van de ECB optreden), zullen de procedures dienovereenkomstig worden aangepast. In dat geval zal de ECB (dan wel één of een klein aantal NCB’s die als agent optreden) één of enkele tegenpartijen in het eurogebied, gekozen volgens de in paragraaf 2.2 vastgelegde criteria, rechtstreeks benaderen. De ECB (dan wel één of een klein aantal NCB’s die als agent optreden) zal dan besluiten om al dan niet een transactie met de tegenpartijen aan te gaan. Desondanks zullen de transacties decentraal via de NCB’s worden afgerekend.

Bilaterale procedures via een directe benadering van tegenpartijen kunnen worden toegepast voor transacties met wederinkoop, rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier, deviezenswaps en het aantrekken van termijndeposito’s.

5.2.3.   Transacties via effectenbeurzen en marktagenten

De NCB’s kunnen rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapieren via effectenbeurzen en marktagenten uitvoeren. Daarbij is het scala aan tegenpartijen niet a priori beperkt; de procedures worden aangepast aan de geldende marktusance.

5.2.4.   Aankondiging van bilaterale transacties

Bilaterale transacties worden gewoonlijk niet tevoren publiekelijk aangekondigd. De ECB kan besluiten de resultaten van bilaterale transacties niet publiekelijk bekend te maken.

5.2.5.   Transactiedagen

De ECB kan besluiten bilaterale transacties met een finetuningoogmerk uit te voeren op elke werkdag van het Eurosysteem. NCB’s nemen alleen aan dergelijke transacties deel als de transactiedag, de ingangsdag en de einddag voor de banken als werkdag gelden.

Bilaterale rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier voor structurele doeleinden worden doorgaans slechts uitgevoerd en afgerekend op dagen die in alle lidstaten werkdagen van de NCB zijn.

5.3.   Procedures voor het afrekenen van transacties

5.3.1.   Algemeen

De geldtransacties die gemoeid zijn met het gebruik van de permanente faciliteiten van het Eurosysteem of met de deelname aan open-markttransacties, worden afgerekend via de door de tegenpartijen bij de NCB’s aangehouden rekeningen of via hun rekeningen bij verevenende banken die aan TARGET2 deelnemen. De geldtransacties worden slechts afgerekend na (of op het tijdstip van) de uiteindelijke overdracht van de aan de transactie ten grondslag liggende activa. Dit betekent dat beleenbare activa tevoren moeten worden gedeponeerd op een effectenrekening bij, of op basis van levering-tegen-betaling binnen de dag worden verrekend met, de NCB’s. De overdracht van beleenbare activa vindt plaats via de door tegenpartijen aangehouden effectenrekeningen bij een effectenafwikkelsysteem dat aan de minimumnormen van de ECB voldoet (41). Tegenpartijen die niet beschikken over een effectenrekening bij een NCB of een effectenrekening bij een effectenafwikkelsysteem dat aan de minimumnormen van de ECB voldoet, kunnen hun transacties in beleenbare activa verrekenen via een effectenrekening of de effectenrekening van een correspondent-kredietinstelling.

Verdere bepalingen met betrekking tot de verrekeningsprocedures zijn vastgelegd in de contractuele regelingen die door de NCB’s (of de ECB) voor het desbetreffende monetaire-beleidsinstrument worden gehanteerd. De verrekeningsprocedures van de diverse NCB’s kunnen enigszins van elkaar verschillen als gevolg van verschillen in nationale wetgeving en usance.

Tabel 3

Normale valutadata voor open-markttransacties van het Eurosysteem  (42)

Monetair beleidsinstrument

Valutadatum voor transacties op basis van standaardtenders

Valutadatum voor transacties op basis van snelle tenders of bilaterale procedures

Transacties met wederinkoop

T + 1 (43)

T

Rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier

Conform de marktpraktijk voor het onderpand

Uitgifte van ECB-schuldbewijzen

T + 1

Deviezenswaps

T, T + 1 of T + 2

Aantrekken van termijndeposito’s

T

5.3.2.   Afrekening van open-markttransacties

Open-markttransacties op basis van standaardtenders (d.w.z. basis-herfinancieringstransacties, langer lopende herfinancieringstransacties en structurele transacties) worden gewoonlijk verevend op de eerste dag na de handelsdag waarop TARGET2 en alle desbetreffende effectenvereveningssystemen zijn geopend. De uitgifte van ECB-schuldbewijzen wordt echter verevend op de tweede dag na de handelsdag waarop TARGET2 en alle desbetreffende effectenvereveningssystemen zijn geopend. Het Eurosysteem streeft er principieel naar open-markttransacties in alle lidstaten met alle tegenpartijen die voldoende beleenbare activa hebben geleverd, gelijktijdig te verevenen. Als gevolg van operationele beperkingen en de technische kenmerken van de effectenvereveningssystemen kan het precieze tijdstip van verevening van open-markttransacties in het eurogebied binnen dezelfde dag verschillen. Het tijdstip waarop de basis- en de langer lopende herfinancieringstransacties worden verevend, valt doorgaans samen met het tijdstip waarop een vorige transactie met een overeenkomstige looptijd wordt afgewikkeld.

Het Eurosysteem streeft ernaar open-markttransacties op basis van snelle tenders en bilaterale procedures op de transactiedag te verrekenen. Om operationele redenen kan het Eurosysteem echter incidenteel voor deze transacties andere verrekeningsdata toepassen, in het bijzonder met betrekking tot rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier en deviezenswaps (zie tabel 3).

5.3.3.   Einde-dagprocedures

De einde-dagprocedures zijn vastgelegd in documentatie met betrekking tot TARGET2. In het algemeen is de TARGET2-sluitingstijd 18.00u p.m. ECB-tijd (CET). Na sluitingstijd worden geen betalingsopdrachten voor de verwerking in TARGET2 meer aanvaard, alhoewel voor sluitingstijd aanvaarde maar niet verwerkte betalingsopdrachten nog worden verwerkt. Verzoeken van tegenpartijen om toegang tot de marginale beleningsfaciliteit of de depositofaciliteit moeten uiterlijk 15 minuten na de sluitingstijd van het TARGET2 bij de desbetreffende NCB zijn ingediend. De eindtijd voor verzoeken om toegang tot de permanente faciliteiten van het Eurosysteem wordt met nog eens 15 minuten uitgesteld op de laatste werkdag van het Eurosysteem van een reserveaanhoudingsperiode

Een eventueel negatief saldo op de vereveningsrekening in TARGET2 van een tegenpartij na voltooiing van de einde-dagcontroleprocedures wordt automatisch beschouwd als een verzoek om toegang tot de marginale beleningsfaciliteit (zie paragraaf 4.1).

HOOFDSTUK 6

BELEENBARE ACTIVA

6.1.   Algemeen

Conform artikel 18.1 van de Statuten van het ESCB en van de ECB is het de ECB en de NCB’s toegestaan op de financiële markten te opereren door beleenbare activa rechtstreeks of door middel van repo’s te kopen en verkopen, en moeten alle krediettransacties van het Eurosysteem door toereikend onderpand worden gedekt. Alle liquiditeitsverschaffende transacties van het Eurosysteem zijn dan ook gebaseerd op door de tegenpartijen verstrekte beleenbare activa, hetzij door overdracht van de eigendom van de activa (bij rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier of repo’s) hetzij door de vestiging van een pandrecht, cessie of andere vorm van verpanding (bij leningen op onderpand) (44).

Teneinde het Eurosysteem te vrijwaren van verliezen als gevolg van de monetaire-beleidstransacties, de gelijke behandeling van tegenpartijen te waarborgen en de operationele doelmatigheid en transparantie te verhogen, moeten beleenbare activa aan bepaalde criteria voldoen om te mogen worden gebruikt bij de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem. Het Eurosysteem heeft een enkelvoudig kader voor beleenbare activa voor alle krediettransacties van het Eurosysteem opgezet. Dit enkelvoudige kader (ook wel de „enkelvoudige lijst” genoemd) trad op 1 januari 2007 in werking en verving de twee lijsten die sinds het begin van de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn gehanteerd.

Het enkelvoudige kader omvat twee afzonderlijke categorieën activa: verhandelbare en niet-verhandelbare activa. Tussen de twee categorieën activa wordt met betrekking tot de kwaliteit van de activa en hun beleenbaarheid voor de verschillende monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem geen onderscheid gemaakt, behalve dat niet-verhandelbare activa door het Eurosysteem niet worden gebruikt voor rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier. De activa die gebruikt kunnen worden voor de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem kunnen ook worden gebruikt als onderpand bij de verstrekking van krediet binnen de werkdag.

De beleenbaarheidscriteria voor de twee categorieën activa zijn voor het gehele eurogebied gelijk en worden in paragraaf 6.2 toegelicht (45). Zij worden in paragraaf 6.2 uiteengezet. Om te waarborgen dat de twee categorieën activa voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen, is een kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem (Eurosystem credit assessment framework ofwel ECAF) opgezet, dat berust op verschillende bronnen voor de beoordeling van kredietkwaliteit. De procedures en regels door middel waarvan de „hoge kwaliteitseisen” voor beleenbaar onderpand van het Eurosysteem zijn vastgelegd en kunnen worden gecontroleerd, worden uiteengezet in paragraaf 6.3. De risicobeheersingsmaatregelen en waarderingsgrondslagen voor beleenbare activa worden uiteengezet in paragraaf 6.4 en 6.5. Tegenpartijen van het Eurosysteem kunnen beleenbare activa grensoverschrijdend gebruiken (zie paragraaf 6.6).

6.2.   Beleenbaarheidsspecificaties voor onderpand

De ECB houdt een lijst bij van beleenbare verhandelbare activa en publiceert deze (46). Het Eurosysteem dient tegenpartijen alleen van advies ten aanzien van de beleenbaarheid als Eurosysteem-onderpand wanneer reeds uitgegeven verhandelbare activa of uitstaande niet-verhandelbare activa als onderpand worden aangeboden aan het Eurosysteem. Er is derhalve geen sprake van advies voorafgaand aan de uitgifte.

6.2.1.   Beleenbaarheidscriteria voor verhandelbare activa

Schuldbewijzen uitgegeven door de ECB en alle schuldbewijzen uitgegeven door NCB’s vóór de datum waarop de betrokken lidstaat op de euro is overgegaan, zijn beleenbaar.

Voor de beleenbaarheid van andere verhandelbare activa gelden de volgende criteria (zie ook tabel 4):

6.2.1.1.   Soort activa

De activa dienen schuldbewijzen te zijn die:

a)

een vaste, onvoorwaardelijke hoofdsom (47) hebben, en waarvan

b)

de coupon niet kan resulteren in een negatieve kasstroom. Bovendien moet de coupon voldoen aan een van de volgende voorwaarden: i) het is een nulcoupon; ii) het is een coupon met vaste rente; of iii) het is een coupon met een variabele rente die is gekoppeld aan een referentierente. Ook mag de coupon zijn gekoppeld aan een verandering van de rating van de emittent zelf. Daarnaast zijn ook inflatiegeïndexeerde obligaties beleenbaar.

Deze kenmerken moeten gelden totdat de schuld is afgelost. Schuldbewijzen mogen geen rechten verlenen op de hoofdsom en/of de rente die zijn achtergesteld aan rechten van houders van andere schuldbewijzen van dezelfde emittent.

Het vereiste onder a) geldt niet voor effecten op onderpand van activa, met uitzondering van obligaties die zijn uitgegeven door kredietinstellingen overeenkomstig de criteria in artikel 52 van de ICBE-Richtlijn (48) (de zogenoemde „gedekte bankbrieven”). Het Eurosysteem beoordeelt de beleenbaarheid van effecten op onderpand van activa die geen gedekte bankbrieven zijn, op grond van de volgende criteria.

De kasstroom genererende activa die dienen als onderpand voor de effecten op onderpand van activa moeten aan de volgende vereisten voldoen:

a)

de verkrijging van dergelijke activa dient te worden beheerst door de wetgeving van een EU-lidstaat;

b)

ze moeten worden verkregen van de initiator of van een tussenpersoon door een daartoe speciaal voor de securitisatie opgerichte rechtspersoon („special purpose vehicle”) op een wijze die het Eurosysteem als een „echte verkoop” beschouwt die ten overstaan van iedere derde afdwingbaar is, en door de initiator, noch diens schuldeisers kan worden aangetast, noch door de tussenpersoon en diens crediteuren, hetgeen ook geldt in geval van een faillissement van de initiator of de tussenpersoon;

c)

ze moeten afkomstig zijn van en verkocht worden aan de emittent door een initiator of, indien van toepassing, een in de EER gevestigde tussenpersoon;

d)

ze mogen niet bestaan - geheel noch gedeeltelijk, daadwerkelijk noch potentieel - uit tranches van andere effecten op onderpand van activa (49). Daarnaast mogen het — geheel noch gedeeltelijk, daadwerkelijk noch potentieel — geen credit-linked notes, swaps of andere afgeleide instrumenten (50)  (51), of synthetische effecten zijn;

e)

indien het kredietvorderingen zijn, moeten debiteuren en crediteuren gevestigd zijn (of, indien natuurlijke personen, ingezeten zijn) in de EER en moet, indien van toepassing, de bijbehorende zekerheid zich in de EER bevinden. Het recht dat van toepassing is op die kredietvorderingen, moet het recht van een EER-land zijn. Indien het obligaties zijn, moeten de emittenten gevestigd zijn in de EER, moeten ze worden uitgegeven in een EER-land onder het recht van een EER-land en eventuele bijbehorende zekerheid moet zich in de EER bevinden (52).

In gevallen waarin initiators of, indien van toepassing, tussenpersonen gevestigd waren in het eurogebied, of in het Verenigd Koninkrijk, heeft het Eurosysteem geverifieerd dat er in die rechtsgebieden geen strenge terugvorderingsbepalingen van kracht waren. Indien de initiator of, indien van toepassing, de tussenpersoon gevestigd is in een ander EER-land, kunnen de effecten op onderpand van activa slechts als beleenbaar worden beschouwd indien het Eurosysteem oordeelt dat zijn rechten naar behoren zouden worden beschermd door de wetgeving van het betreffende EER-land tegen door het Eurosysteem relevant geachte terugvorderingsbepalingen. Hiertoe dient een voor het Eurosysteem naar vorm aanvaardbare onafhankelijke juridische beoordeling te worden overgelegd waarin de in het land van toepassing zijnde terugvorderingsregels worden uiteengezet, voordat de activa als beleenbaar kunnen gelden (53). Om te besluiten of zijn rechten adequaat worden beschermd tegen terugvorderingsregels, kan het Eurosysteem andere documenten verlangen, waaronder een solvabiliteitscertificaat van de verkrijger, voor de verdachte periode. Terugvorderingsregels die het Eurosysteem als te streng beschouwt en daarom niet aanvaardbaar zijn, zijn onder andere regels waarbij de geldigheid van de verkoop van onderliggende activa kan worden aangetast door de vereffenaar op de enkele grond dat de verkoop werd gesloten binnen een bepaalde periode (verdachte periode) voorafgaande aan de faillietverklaring van de verkoper (initiator/tussenpersoon), of waarbij de verkrijger een dergelijke ongeldigverklaring alleen kan voorkomen indien hij kan bewijzen op het tijdstip van de verkoop niet op de hoogte te zijn geweest van de insolvabiliteit van de verkoper (initiator/tussenpersoon).

Binnen een gestructureerde emissie is een tranche (of subtranche) die is achtergesteld bij andere tranches van dezelfde emissie, niet beleenbaar. Een tranche (of subtranche) wordt als niet-achtergesteld beschouwd ten opzichte van andere tranches (of subtranches) van dezelfde emissie indien — overeenkomstig de toepasselijke betalingsprioriteit na betekening van een sommatie tot nakoming, zoals uiteengezet in het prospectus — geen andere tranche (of subtranche) prioriteit krijgt over die tranche of subtranche ten aanzien van de ontvangst van betaling (van hoofdsom en rente) en die tranche (of subtranche) aldus als laatste van de verschillende tranches of subtranches van een gestructureerde uitgifte verliezen neemt. Voor gestructureerde emissies waarbij het prospectus voorziet in de betekening van een sommatie tot vervroegde betaling en een sommatie tot nakoming, moet de niet-achterstelling van een tranche (of subtranche) worden verzekerd wat betreft de prioriteit van betalingen onder zowel de sommatie tot vervroegde betaling als de sommatie tot nakoming.

Het Eurosysteem behoudt zich het recht voor van enige relevante derde (bijvoorbeeld van de emittent, de originator of de organisator) de verduidelijking en/of de juridische bevestiging te verlangen die het noodzakelijk acht voor de beoordeling van de beleenbaarheid van de effecten op onderpand van activa.

6.2.1.2.   Kredietwaardigheid

Het schuldbewijs moet voldoen aan de hoge kwaliteitseisen in de ECAF-regelgeving voor verhandelbare activa die in paragraaf 6.3.2 worden uiteengezet.

6.2.1.3.   Plaats van uitgifte

Het schuldbewijs moet worden gedeponeerd/geregistreerd (uitgegeven) in de EER bij een centrale bank of bij een centrale effectenbewaarinstelling die voldoet aan de minimumnormen van de ECB (54). Indien een verhandelbaar schuldbewijs wordt uitgegeven door een niet-financiële vennootschap (55) zonder rating van een geaccepteerde externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI), moet de emissie in het eurogebied plaatsvinden.

6.2.1.4.   Procedures voor het afrekenen van transacties

Het schuldbewijs dient giraal overdraagbaar te zijn. Voorts moet het worden aangehouden en verevend in het eurogebied via een rekening bij het Eurosysteem of bij een effectenvereveningssysteem dat voldoet aan de ECB-normen, zodat de totstandkoming en tegeldemaking ervan onderworpen zijn aan het recht van een lidstaat.

Indien de centrale effectenbewaarinstelling waar het activum is uitgegeven en het effectenafwikkelsysteem waar het wordt aangehouden niet dezelfde zijn, dienen beide instellingen verbonden te zijn via een door de ECB erkende koppeling (56).

6.2.1.5.   Aanvaardbare markten

Het schuldbewijs moet zijn toegelaten tot de handel op een gereguleerde markt zoals omschreven in Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (57), of worden verhandeld op bepaalde niet-gereguleerde, door de ECB aangewezen markten (58). Niet-gereguleerde markten worden door het Eurosysteem getoetst aan drie beginselen: veiligheid, transparantie en toegankelijkheid (59).

6.2.1.6.   Emittent/garant

Het schuldbewijs kan zijn uitgegeven of gegarandeerd door centrale banken van de EU-lidstaten, entiteiten uit de publieke sector, entiteiten uit de particuliere sector of internationale of supranationale instellingen.

6.2.1.7.   Plaats van vestiging van de emittent/garant

De emittent moet zijn gevestigd in de EER of in een van de G10-landen die niet tot de EER behoren (60)  (61). In het laatste geval zijn de activa slechts als beleenbaar te beschouwen indien het Eurosysteem oordeelt dat zijn rechten naar behoren zouden worden beschermd door de wetgeving van het betrokken G10-land. Hiertoe dient een naar vorm en inhoud voor het Eurosysteem aanvaardbaar juridische beoordeling te worden ingediend voordat de activa als beleenbaar kunnen gelden. In geval van een effect op onderpand van activa moet de emittent in de EER gevestigd zijn.

De garant moet in de EER gevestigd zijn, tenzij een garantie niet nodig is om de hoge kwaliteitseisen voor verhandelbare activa vast te stellen, zoals uiteengezet in paragraaf 6.3.2.

Internationale of supranationale instellingen komen ongeacht hun plaats van vestiging in aanmerking als emittent/garant. Indien een verhandelbaar schuldbewijs is uitgegeven door een niet-financiële vennootschap zonder rating van een externe kredietbeoordelingsinstelling, moet de emittent/garant in het eurogebied gevestigd zijn.

6.2.1.8.   Denominatievaluta

Het schuldbewijs moet luiden in euro (62).

6.2.2.   Beleenbaarheidscriteria voor niet-verhandelbare activa

In het enkelvoudige kader voor beleenbare activa kunnen drie soorten niet-verhandelbare activa als onderpand dienen: deposito’s met vaste looptijd van in aanmerking komende tegenpartijen, kredietvorderingen en niet-verhandelbare retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand (retail mortgage-backed debt instruments ofwel RMBD’s) (63).

6.2.2.1.   Kredietvorderingen

Voor kredietvorderingen (64) gelden de volgende beleenbaarheidscriteria (zie ook tabel 4):

a)

Soort activa: het moet gaan om een schuldverplichting van een debiteur ten opzichte van een tegenpartij van het Eurosysteem. Kredietvorderingen met een „teruglopend saldo” (waarbij hoofdsom en rente aan de hand van een vooraf overeengekomen schema worden afbetaald) komen ook in aanmerking. Onbenutte kredietfaciliteiten (bijvoorbeeld onbenutte doorlopende kredietvorderingen), rekening-courantkredieten en kredietbrieven (die toestemming geven krediet op te nemen maar zelf geen kredietvorderingen zijn) zijn niet beleenbaar. Het aandeel in een syndicaatslening van een instelling die lid is van het syndicaat wordt beschouwd als een beleenbare kredietvordering. Kredietvorderingen mogen geen rechten verlenen op de hoofdsom en/of rente die zijn achtergesteld aan rechten van houders van andere kredietvorderingen (of andere tranches of subtranches in dezelfde syndicaatslening) of schuldbewijzen van dezelfde emittent.

b)

De kredietvorderingen dienen: i) een vaste, onvoorwaardelijke hoofdsom te hebben; en ii) een rentevoet die niet kan resulteren in een negatieve kasstroom. Bovendien moet de rentebetaling voldoen aan één van de volgende voorwaarden: i) het betreft een nulcoupon; ii) de rentevoet is vast, of iii) variabel en gekoppeld aan een andere referentierente. Bovendien zijn kredietvorderingen met een aan de inflatie gekoppelde rentevoet eveneens beleenbaar. Deze kenmerken moeten gelden totdat de schuld is afgelost.

c)

Debiteur/garant: Niet-financiële vennootschappen (65), entiteiten uit de publieke sector en internationale of supranationale instellingen komen in aanmerking als debiteuren of garanten. Elke debiteur is hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de gehele kredietvordering (mededebiteuren die gezamenlijk aansprakelijk zijn voor individuele kredietvorderingen zijn uitgesloten).

d)

Plaats van vestiging van de debiteur/garant: De debiteur moet gevestigd zijn in het eurogebied. De garant moet ook gevestigd zijn in het eurogebied, tenzij een garantie niet nodig is om de hoge kwaliteitseisen voor niet-verhandelbare activa vast te stellen, zoals uiteengezet in paragraaf 6.3.3. Dit vereiste is niet van toepassing op internationale of supranationale instellingen.

e)

Kredietwaardigheid: De kwaliteit van de kredietvorderingen wordt beoordeeld aan de hand van de onderliggende kredietwaardigheid van de debiteur of garant. Kredietvorderingen moeten voldoen aan de hoge kwaliteitseisen in de ECAF-regels voor niet-verhandelbare activa, zoals uiteengezet in paragraaf 6.3.3.

f)

Minimumbedrag: Bij de aanbieding van de kredietvordering als onderpand (mobilisatie) door de tegenpartij moet deze aan een drempelwaarde voldoen. Elke NCB kan zelf een minimumbedrag voor binnenlandse kredietvorderingen vaststellen. Voor grensoverschrijdende verpanding geldt een gemeenschappelijk minimumbedrag van 500 000. Voorzien wordt dat zodra dat praktisch mogelijk is in de loop van 2013 voor alle kredietvorderingen in het gehele eurogebied een gemeenschappelijk minimumbedrag van 500 000 zal worden ingevoerd.

g)

Transactieprocedures: De kredietvordering moet worden verwerkt overeenkomstig de procedures van het Eurosysteem als omschreven in de toepasselijke nationale documentatie.

h)

Toepasselijk recht: De kredietvorderingsovereenkomst en de overeenkomst tussen de tegenpartij en de NCB waarbij de kredietvordering als onderpand wordt aangeboden („mobilisatieovereenkomst”) moeten beide worden beheerst door het recht van een lidstaat. Bovendien mogen i) de tegenpartij, ii) de crediteur, iii) de debiteur, iv) de garant (indien van toepassing), v) de kredietvorderingsovereenkomst en vi) de mobilisatieovereenkomst in totaal door niet meer dan twee rechtstelsels worden beheerst.

i)

Denominatievaluta: De kredietvordering moet luiden in euro (66).

6.2.2.2.   Niet-verhandelbare retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand (RMBD’s)

Voor retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand gelden de volgende beleenbaarheidscriteria (zie ook tabel 4):

a)

Soort activa: Het moet gaan om een schuldbewijs (promesse of wissel) dat wordt gedekt door een depot van woninghypotheken en niet volledig geëffectiseerd is. Het moet mogelijk zijn de activa in het onderliggende depot te vervangen en er moet een mechanisme zijn om te waarborgen dat het Eurosysteem voorrang heeft boven andere crediteuren, afgezien van degenen die om redenen van overheidsbeleid zijn vrijgesteld (67).

b)

De RMBD’s dienen: i) een vaste, onvoorwaardelijke hoofdsom te hebben; en ii) een rentevoet die niet kan resulteren in een negatieve kasstroom.

c)

Kredietwaardigheid: De RMBD moet voldoen aan de hoge kwaliteitseisen in de ECAF-regelgeving voor RMBD’s die in paragraaf 6.3.3 worden uiteengezet.

d)

Emittent: In aanmerking als emittenten komen kredietinstellingen die aanvaarde tegenpartijen zijn.

e)

Plaats van vestiging van de emittent: De emittent dient gevestigd te zijn in het eurogebied.

f)

Transactieprocedures: De RMBD moet worden verwerkt overeenkomstig de procedures van het Eurosysteem als omschreven in de toepasselijke nationale documentatie.

g)

Denominatievaluta: De RMBD’s moeten luiden in euro (68).

6.2.3.   Aanvullende vereisten voor het gebruik van beleenbare activa

6.2.3.1.   Aanvullende juridische vereisten voor kredietvorderingen

Om te waarborgen dat een geldig zekerheidsrecht wordt gevestigd op kredietvorderingen en de kredietvordering vlot te gelde kan worden gemaakt indien een tegenpartij in gebreke blijft, moet aan additionele juridische vereisten worden voldaan. Deze juridische vereisten hebben betrekking op:

a)

controle of de kredietvorderingen daadwerkelijk bestaan;

b)

inkennisstelling van de debiteur dat de kredietvordering als onderpand is aangeboden (d.w.z. is gemobiliseerd), dan wel registratie van een dergelijke mobilisatie;

c)

afwezigheid van beperkingen in verband met bankgeheim en vertrouwelijkheid;

d)

afwezigheid van beperkingen op de mobilisatie van de kredietvordering;

e)

afwezigheid van beperkingen op het te gelde maken van de kredietvordering.

Deze juridische vereisten worden uiteengezet in appendix 7. Nadere details over de kenmerken van de nationale jurisdicties worden gegeven in de betreffende nationale documentatie.

6.2.3.2.   Voorschriften voor het gebruik van beleenbare activa

Verhandelbare activa kunnen worden gebruikt voor alle monetaire-beleidstransacties die zijn gebaseerd op beleenbare activa, dat wil zeggen transacties met wederinkoop en rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier op de open markt en de marginale beleningsfaciliteit. Niet-verhandelbare activa kunnen worden gebruikt als onderpand bij open-markttransacties met wederinkoop en de marginale beleningsfaciliteit. Deze activa worden niet gebruikt bij rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier door het Eurosysteem. Alle verhandelbare en niet-verhandelbare activa kunnen ook worden gebruikt als beleenbare activa bij het verstrekken van krediet binnen de werkdag.

Een tegenpartij mag een verhandelbaar of niet-verhandelbaar activum niet als onderpand aanbieden, ook al voldoet het aan alle beleenbaarheidscriteria, wanneer het is uitgegeven of gegarandeerd door die tegenpartij zelf of door enige andere entiteit waarmee deze tegenpartij nauwe banden onderhoudt (69).

„Nauwe banden” bestaan in alle gevallen waarin de tegenpartij met een emittent/debiteur/garant van beleenbare activa verbonden is doordat:

a)

de tegenpartij, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks via een of meer ondernemingen, een belang van 20 % of meer in het kapitaal van de emittent/debiteur/garant heeft,

b)

de emittent/debiteur/garant, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks via een of meer ondernemingen, een belang van 20 % of meer in het kapitaal van de tegenpartij heeft, of

c)

een derde partij een belang van meer dan 20 % in het kapitaal van de tegenpartij en een belang van meer dan 20 % in het kapitaal van de emittent/debiteur/garant heeft, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks via een of meer ondernemingen.

Ten behoeve van de tenuitvoerlegging van monetair beleid, met name voor het toezicht op de naleving van de regels voor het gebruik van beleenbare activa in verband met nauwe banden, deelt het Eurosysteem intern informatie betreffende kapitaalbezit die door toezichthoudende autoriteiten voor dergelijke doeleinden wordt verschaft. Voor de informatie gelden dezelfde geheimhoudingsnormen als worden toegepast door toezichthoudende autoriteiten.

Bovenstaande bepalingen over nauwe banden zijn niet van toepassing op: a) nauwe banden tussen de tegenpartij en een entiteit uit de publieke sector van de EER die het recht heeft belasting te heffen, dan wel wanneer een schuldinstrument wordt gegarandeerd door een entiteit uit de publieke sectorvan de EER die het recht heeft belasting te heffen; b) gedekte bankbrieven die zijn uitgegeven in overeenstemming met de criteria in artikel 52, lid 4, van de ECBI-richtlijn; of c) gevallen waarin schuldbewijzen de bescherming genieten van bijzondere juridische waarborgen vergelijkbaar met die voor instrumenten onder b) zoals in het geval van i) niet-verhandelbare retailschuldbewijzen met hypothecair onderpand (RMBD’s) die geen effecten zijn; of ii) gestructureerde gedekte obligaties met leningen voor woningen als onderpand (d.w.z. bepaalde gedekte obligaties die door de Commissie niet ECBI-conform zijn verklaard) die voldoen aan alle criteria die van toepassing zijn op effecten op onderpand van activa, zoals uiteengezet in de paragrafen 6.2 en 6.3 aan de volgende bijkomende criteria voldoen:

In het geval van gestructureerde gedekte bankbrieven met leningen voor woningen als onderpand:

a)

Leningen voor woningen die onderpand vormen voor de gestructureerde gedekte bankbrieven, moeten luiden in euro; de emittent (en de debiteur en garant, indien het rechtspersonen zijn) moeten gevestigd zijn in een lidstaat, hun onderliggende activa moeten zich in een lidstaat bevinden, en het recht dat op de lening van toepassing is, moet het recht zijn van een lidstaat.

b)

Leningen voor woningen komen in aanmerking voor de „cover pool” van relevante gestructureerde gedekte bankbrieven, indien zij worden gegarandeerd door een in aanmerking komende garantie of door hypothecaire zekerheid. Een in aanmerking komende garantie moet binnen 24 maanden na verzuim opeisbaar zijn. In aanmerking komende garanties ten behoeve van dergelijke gegarandeerde leningen kunnen in verschillende contractuele vormen worden verstrekt, waaronder verzekeringscontracten, mits ze verstrekt worden door een entiteit uit de publieke sector of een financiële instelling die onder publiek toezicht staat. De garant voor dergelijke gegarandeerde leningen mag geen nauwe banden hebben met de emittent van de gedekte bankbrieven en moet tenminste een rating van [A+/A1/AH] hebben van een geaccepteerde externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) gedurende de looptijd van de transactie.

c)

Vervangend onderpand van hoge kwaliteit tot maximaal 10 % van de cover pool is aanvaardbaar. Deze drempel kan alleen worden overschreden na een diepgaand onderzoek door de desbetreffende NCB.

d)

Het maximale gedeelte van elke individuele in aanmerking komende lening die kan worden gefinancierd middels een emissie van gestructureerde gedekte bankbrieven, is 80 % van de LTV-ratio. De LTV-berekening moet worden uitgevoerd op basis van een conservatieve marktwaardering.

e)

De minimale verplichte extra zekerheidsstelling is 8 %.

f)

Het maximale leenbedrag voor leningen voor woningen is 1 miljoen EUR.

g)

De afzonderlijke kredietbeoordeling van de cover pool moet overeenkomen met een jaarlijks PD-niveau van 10 basispunten in overeenstemming met de „single A”-drempel (zie paragraaf 6.3.1).

h)

Voor de emittent en gelieerde entiteiten die deel uitmaken van of relevant zijn voor de transactie in verband met de gestructureerde gedekte bankbrief, geldt een minimale langetermijnrating van „single A” („A”-door Fitch of Standard & Poor’s, of „A3” door Moody’s, of „AL” door DBRS)

In het geval van gestructureerde gedekte bankbrieven met commerciële hypothecaire leningen als onderpand:

a)

Commerciële hypothecaire leningen die onderpand vormen voor de gestructureerde gedekte bankbrieven, moeten luiden in euro; de emittent (en de debiteur en garant, indien het rechtspersonen zijn) moeten gevestigd zijn in een lidstaat, hun onderliggende activa moeten zich in een lidstaat bevinden, en het recht dat op de lening van toepassing is, moet het recht zijn van een lidstaat.

b)

Vervangend onderpand van hoge kwaliteit tot maximaal 10 % van de cover pool is aanvaardbaar. Deze drempel kan alleen worden overschreden na een diepgaand onderzoek door de desbetreffende NCB.

c)

Het maximale gedeelte van elke individuele in aanmerking komende lening die kan worden gefinancierd middels een emissie van gestructureerde gedekte bankbrieven, is 60 % van de LTV-ratio. De LTV-berekening moet worden uitgevoerd op basis van een conservatieve marktwaardering.

d)

De minimale verplichte extra zekerheidsstelling is 10 %.

e)

Het aandeel van elke geldnemer in de cover pool, na alle individuele leningen die van een bepaalde geldnemer uitstaan, bij elkaar te hebben genomen, mag niet meer bedragen dan 5 % van het totaal van de cover pool.

f)

De afzonderlijke kredietbeoordeling van de cover pool moet overeenkomen met kredietkwaliteitsstap 1 overeenkomstig de ratingschaal van het Eurosysteem (zie paragraaf 6.3.1).

g)

Op de emittent en gelieerde entiteiten die deel uitmaken van of relevant zijn voor de transactie in verband met de gestructureerde gedekte bankbrief, moet kredietkwaliteitsstap 2 worden toegepast.

h)

Tenminste elk jaar moet een herwaardering van alle onderliggende commerciële hypothecaire leningen plaatsvinden. Prijsdalingen van onroerend goed moeten volledig in de herwaardering worden meegenomen. In het geval van prijsstijgingen wordt een surpluspercentage van 15 % toegepast. Leningen die niet voldoen aan het LTV-drempelvereiste, moeten worden vervangen door nieuwe leningen, of er moet extra onderpand worden verstrekt, goed te keuren door de desbetreffende NCB. De primair toe te passen waarderingsmethode is de marktwaarde, d.w.z. de geschatte prijs die met redelijke inspanning bij verkoop op de markt voor de activa zou worden verkregen. Aan deze schatting moet de meest conservatieve aanname ten grondslag liggen. Statistische methoden kunnen ook worden toegepast, maar alleen als een secundaire waarderingsmethode.

i)

Te allen tijde moet een liquiditeitsbuffer worden aangehouden in de vorm van bij een in aanmerking komende tegenpartij gedeponeerde contanten in euro om alle rentebetalingen in verband met gedekte bankbrieven voor de volgende periode van zes maanden te dekken.

j)

Telkens wanneer de kortetermijnkredietbeoordeling van de geldnemer van een als onderpand verstrekte commerciële hypothecaire lening in de negen maanden voordat een gedekte bankbrief met gegarandeerde hoofdsomaflossing vervalt, beneden kredietkwaliteitsstap 2 komt, moet een dergelijke geldnemer een contant bedrag in euro deponeren dat voldoende is om het betreffende gedeelte van de hoofdsombetaling van de gedekte bankbrief te voldoen, alsook ermee verband houdende kosten die volgens planning door de emittent op grond van de gedekte bankbrief aan de liquiditeitsbuffer moeten worden betaald.

k)

In geval van liquiditeitsspanning kan de oorspronkelijke looptijd met maximaal twaalf maanden worden verlengd om te compenseren voor looptijdverschillen tussen de aflossingsleningen in de cover pool en de aflossing ineens van de gedekte bankbrief. Na de oorspronkelijke vervaldatum is de gedekte bankbrief echter niet meer beleenbaar voor eigen gebruik.

Voor gestructureerde gedekte bankbrieven met leningen voor woningen als onderpand of gestructureerde gedekte bankbrieven met commerciële hypothecaire leningen als onderpand moeten tegenpartijen voorts een rechtsgeldige bevestiging overleggen van een goed bekendstaand advocatenkantoor waarmee wordt bevestigd dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

De emittent van de gedekte bankbrieven is een in een EU-lidstaat gevestigde kredietinstelling, en is geen special-purpose vehicle, ook indien dergelijke gedekte bankbrieven worden gegarandeerd door een in een EU-lidstaat gevestigde kredietinstelling.

b)

De emittent/uitgifte van de gedekte bankbrieven is, onder het recht van de lidstaat waar de emittent gevestigd is of waar de gedekte bankbrieven zijn uitgegeven, onderworpen aan speciaal publiek toezicht ter bescherming van houders van gedekte bankbrieven.

c)

In het geval van insolvabiliteit van de emittent, genieten houders van gedekte bankbrieven prioriteit wat betreft aflossing van de hoofdsom en betaling van rente uit de (onderliggende) beleenbare activa.

d)

Uit de uitgifte van de gedekte bankbrieven verkregen bedragen moeten worden belegd (overeenkomstig de beleggingsregels in de documentatie betreffende de gedekte bankbrieven) conform de desbetreffende nationale wetgeving voor gedekte bankbrieven of andere wetgeving die van toepassing is op de activa in kwestie.

Bovendien mag een tegenpartij niet effecten op onderpand van activa aanbieden indien de tegenpartij (of enige derde partij waarmee zij nauwe banden onderhoudt) een valutahedge verschaft voor de effecten op onderpand van activa door een valutahedgetransactie aan te gaan met de emittent als hedgetegenpartij of indien de tegenpartij liquiditeitssteun verschaft voor 20 % of meer van het uitstaande bedrag aan effecten op onderpand van activa.

Alle beleenbare verhandelbare en niet-verhandelbare activa moeten in het gehele eurogebied grensoverschrijdend kunnen worden gebruikt, wat inhoudt dat alle tegenpartijen van het Eurosysteem deze beleenbare activa moeten kunnen gebruiken, hetzij via een koppeling met het effectenafwikkelsysteem in hun land van vestiging (bij verhandelbare activa) hetzij langs een andere goedgekeurde weg, om krediet te verkrijgen bij de NCB van de lidstaat waarin de tegenpartij is gevestigd (zie paragraaf 6.6).

Tabel 4

Activa die gebruikt kunnen worden voor de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem

Beleenbaarheidscriteria

Verhandelbare activa (70)

Niet-verhandelbare activa (71)

Soort activa

ECB-schuldbewijzen

Andere verhandelbare schuldbewijzen (72)

Kredietvorderingen

RMBD’s

Kredietwaardigheid

Activum moet voldoen aan hoge kwaliteitseisen. Hoge kwaliteitseisen worden beoordeeld aan de hand van ECAF-regelgeving voor verhandelbare activa (72)

Debiteur/garant moet voldoen aan hoge kwaliteitseisen. Kredietwaardigheid wordt beoordeeld Aan de hand van ECAF-regelgeving voor kredietvorderingen.

Activum moet voldoen aan hoge kwaliteitseisen. Hoge kwaliteitseisen worden beoordeeld aan de hand van ECAF-regelgeving voor RMBD’s

Plaats van uitgifte

EER (72)

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Afwikkeling/ verwerking

Plaats van afwikkeling: eurogebied

Activa moeten centraal giraal zijn gedeponeerd bij NCB’s of een effectenafwikkelsysteem dat aan de minimumeisen van de ECB voldoet.

Procedures Eurosysteem

Procedures Eurosysteem

Emittent/garant

NCB’s

Publieke sector

Particuliere sector

Internationale en supranationale instellingen

Publieke sector

Niet-financiële vennootschappen

Internationale en supranationale instellingen

Kredietinstellingen

Plaats van vestiging van de emittent/debiteur of garant

Emittent (72): EER of G10-landen buiten EER

Debiteur: EER

Garant (72): EER

Eurogebied

Eurogebied

Aanvaardbare markten

Gereguleerde markten

Door de ECB aanvaarde niet-gereguleerde markten

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Valuta

Euro

Euro

Euro

Minimumbedrag

Niet van toepassing

Minimumbedrag ten tijde van de indiening van de kredietvordering

voor binnenlands gebruik: naar keuze van de NCB,

voor grensoverschrijdend gebruik: gemeenschappelijk minimum van 500 000 EUR.

Zodra praktisch mogelijk in de loop van 2013:

invoering van gemeenschappelijk minimum van 500 000 EUR in het gehele eurogebied.

Niet van toepassing

Toepasselijk recht

Voor effecten op onderpand van activa dient de verkrijging van de onderliggende activa te worden beheerst door het recht van een EU-lidstaat. Het recht dat van toepassing is op onderliggende kredietvorderingen, moet het recht van een EER-land zijn.

Toepasselijk recht voor kredietvorderingsovereenkomst en mobilisatie: recht van een lidstaat.

Bovendien mogen

a)

de tegenpartij,

b)

de crediteur,

c)

de debiteur,

d)

de garant (indien van toepassing),

e)

de kredietvorderingsovereenkomst en

f)

de mobilisatieovereenkomst in totaal door niet meer dan twee rechtstelsels worden beheerst.

Niet van toepassing

Grensoverschrijdend gebruik

Ja

Ja

Ja

6.3.   Kredietbeoordelingskader van het eurosysteem

6.3.1.   Doel en elementen

In het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem (ECAF) zijn de procedures, regels en technieken neergelegd waarmee wordt gegarandeerd dat aan het Eurosysteem-vereiste van hoge kwaliteitseisen voor beleenbare activa wordt voldaan.

Binnen het algemene kader wordt voor de vaststelling van hoge kwaliteitseisen onderscheid gemaakt tussen verhandelbare en niet-verhandelbare activa (zie paragraaf 6.3.2 en 6.3.3), omwille van de verschillende juridische aard van deze activa en om redenen van operationele efficiëntie.

Bij de beoordeling van de kwaliteit van beleenbare activa houdt het Eurosysteem rekening met kredietbeoordelingsinformatie van kredietbeoordelingssystemen uit een van vier bronnen, namelijk externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI’s), interne kredietbeoordelingssystemen van NCB’s (in-house credit assessment systems ofwel ICAS’s), op interne ratings gebaseerde systemen (internal ratings-based systems ofwel IRB-systemen) van tegenpartijen of rating-instrumenten (rating tools ofwel RT’s) van derden. Daarnaast houdt het Eurosysteem bij de beoordeling van de kwaliteit rekening met institutionele criteria en eigenschappen die de houder van het instrument een vergelijkbare bescherming bieden, zoals garanties.

Wat betreft externe kredietbeoordelingsinstellingen dient de beoordeling gebaseerd te zijn op een publieke rating. Het Eurosysteem behoudt zich het recht voor om, indien het dit nodig acht, nadere toelichting te vragen. Voor effecten op onderpand van activa dienen de ratings te worden verduidelijkt in een publiekelijk beschikbaar kredietbeoordelingsrapport (een gedetailleerd pre-sale of nieuw uitgifterapport), waarin onder meer dient te zijn opgenomen een uitgebreide analyse van de structurele en juridische aspecten, een gedetailleerde beoordeling van het onderpanddepot, een analyse van de deelnemers aan de transactie, alsook een analyse van alle andere relevante details van een transactie. Bovendien dienen externe kredietbeoordelingsinstellingen ten aanzien van effecten op onderpand van activa regelmatig toezichtrapporten te publiceren. De publicatie van deze rapporten dient overeen te komen met de frequentie en timing van couponbetalingen. In deze rapporten dient ten minste te zijn opgenomen een actualisering van de belangrijkste transactiegegevens (bijvoorbeeld de samenstelling van het onderpanddepot, de deelnemers aan de transactie en de kapitaalstructuur) en prestatiegegevens.

De maatstaf van het Eurosysteem voor het minimumniveau voor hoge kwaliteitseisen („kredietkwaliteitsdrempel”) is gedefinieerd in termen van een kredietbeoordeling van kredietkwaliteitsstap 3 op de geharmoniseerde ratingschaal (73) van het Eurosysteem. Het Eurosysteem beschouwt een wanbetalingsrisico van 0,40 % over een periode van een jaar als gelijkwaardig aan een kredietbeoordeling van kwaliteitsstap 3, die regelmatig wordt heroverwogen. Het ECAF hanteert de definitie van een gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat zoals omschreven in de EU-richtlijn kapitaalvereisten (74). Het Eurosysteem maakt voor elke aanvaarde externe kredietbeoordelingsinstelling de laagste rating bekend die aan de vereiste kredietkwaliteitsdrempel voldoet. Het aanvaardt geen aansprakelijkheid voor zijn beoordeling van dergelijke instellingen, die eveneens regelmatig wordt heroverwogen. Met betrekking tot effecten op onderpand van activa, is de maatstaf van het Eurosysteem voor het minimumniveau voor hoge kwaliteitseisen gedefinieerd als een „triple A”-rating (75) bij uitgifte. Gedurende de looptijd van het effect op onderpand van activa, moet de minimale drempelwaarde van het Eurosysteem van kredietkwaliteitsstap 2 van de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem („single A”) worden vastgehouden (76). Aangaande RMBD’s is de maatstaf van het Eurosysteem voor het minimumniveau voor hoge kredietkwaliteitseisen gedefinieerd als een kredietbeoordeling van kredietkwaliteitsstap 2 in de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosystem („single A”). Het Eurosysteem beschouwt een wanbetalingsrisico van 0,10 % over een periode van een jaar als gelijkwaardig aan een kredietbeoordeling van kredietkwaliteitsstap 2, welke beoordeling regelmatig wordt heroverwogen.

Het Eurosysteem behoudt zich het recht voor op basis van alle informatie die het relevant acht te bepalen of een emissie, emittent, debiteur of garant aan de vereisten voor hoge kwaliteitseisen voldoet en activa op grond daarvan af te wijzen, het gebruik van activa te beperken of aanvullende surpluspercentages toe te passen indien dit nodig is om conform artikel 18.1 van de Statuten van het ESCB en van de ECB adequate risicobescherming van het Eurosysteem te waarborgen. Dergelijke maatregelen kunnen tevens worden genomen ten aanzien van specifieke tegenpartijen, met name wanneer de kredietkwaliteit van de tegenpartij een hoge correlatie lijkt te hebben met de kredietkwaliteit van de door de tegenpartij aangeboden onderpandsactiva. Indien een dergelijke afwijzing berust op bedrijfseconomische informatie, wordt deze informatie afkomstig van tegenpartijen of toezichthouders uitsluitend gebruikt voor zover noodzakelijk voor de vervulling van de taken van het Eurosysteem ten aanzien van de uitvoering van het monetaire beleid.

Activa die zijn uitgegeven of gegarandeerd door entiteiten waarvan de middelen zijn bevroren en/of waaraan door de Unie krachtens artikel 75 van het Verdrag of door een EU-lidstaat andere maatregelen zijn opgelegd waardoor het gebruik van hun gelden wordt beperkt, of ten aanzien waarvan de Raad van bestuur van de ECB een beschikking heeft uitgevaardigd die hun toegang tot open-markttransacties of de permanente faciliteiten van het Eurosysteem opschort of ontzegt, kunnen worden verwijderd van de lijst van beleenbare activa.

6.3.2.   Vaststelling van de hoge kwaliteitseisen voor verhandelbare activa

De hoge kwaliteitseisen voor verhandelbare activa worden vastgesteld op basis van de volgende criteria:

a)

EKBI kredietbeoordeling:Ten minste één kredietbeoordeling van een aanvaarde EKBI (als omschreven in paragraaf 6.3.4) voor de emissie (of bij ontbreken daarvan de emittent) moet voldoen aan de kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem (77)  (78). De ECB maakt de kredietkwaliteitsdrempel voor aanvaarde EKBI’s bekend zoals in afdeling 6.3.1 is bepaald (79).

b)

EKBI-kredietbeoordeling van effecten op onderpand van activa: Voor effecten op onderpand van activa uitgegeven op of na 1 maart 2010, vereist het Eurosysteem voor de uitgifte ten minste twee kredietbeoordelingen van aanvaarde EKBI’s. Om de beleenbaarheid van deze effecten op onderpand van activa te bepalen, wordt de „op-één-na-beste”-regel („second-best rule”) toegepast, hetgeen inhoudt dat niet alleen de beste, maar ook de op één na beste beschikbare EKBI-kredietbeoordeling moet voldoen aan de kredietkwaliteitsdrempel voor effecten op onderpand van activa. Voor de beleenbaarheid van deze effecten vereist het Eurosysteem bij hun uitgifte op basis van deze regel voor beide kredietbeoordelingen een „AAA”-/„Aaa”-niveau, en een „single A”-niveau gedurende de looptijd van het effect.

Met ingang van 1 maart 2011 zijn voor alle effecten op onderpand van activa, ongeacht de uitgiftedatum, voor de uitgifte minstens twee kredietbeoordelingen van aanvaarde EKBI’s vereist en moet voldaan zijn aan de „op-één-na-beste”-regel opdat de effecten beleenbaar blijven.

Inzake vóór 1 maart 2010 uitgegeven effecten op onderpand van activa met slechts één kredietbeoordeling, is vóór 1 maart 2011 een aanvullende tweede kredietbeoordeling vereist. Aangaande vóór 1 maart 2009 uitgegeven effecten op onderpand van activa moeten beide kredietbeoordelingen voldoen aan het „single A”-niveau gedurende de looptijd van het effect. De eerste kredietbeoordeling van tussen 1 maart 2009 en 28 februari 2010 uitgegeven effecten op onderpand van activa moet bij uitgifte voldoen aan het „AAA”/„Aaa”-niveau en gedurende de looptijd van het effect aan het „single A”-niveau, terwijl de tweede kredietbeoordeling bij uitgifte (80), alsook gedurende de looptijd van het effect moet voldoen aan het „single A”-niveau.

Fungibele doorlopende uitgiften van effecten op onderpand van activa worden beschouwd als nieuwe uitgiften van effecten op onderpand van activa. Alle onder dezelfde ISIN-code uitgegeven effecten op onderpand van activa moeten voldoen aan de beleenbaarheidscriteria die gelden op de dag van de laatste fungibele doorlopende uitgifte. Voor fungibele doorlopende uitgiften van effecten op onderpand van activa die niet voldoen aan de op de dag van de laatste fungibele doorlopende uitgifte geldende beleenbaarheidscriteria, worden alle onder dezelfde ISIN-code uitgegeven effecten op onderpand van activa als niet-beleenbaar beschouwd. Deze regel geldt niet in het geval van fungibele doorlopende uitgiften van effecten op onderpand van activa die op 10 oktober 2010 op de lijst van het Eurosysteem van beleenbare activa stonden, indien de laatste doorlopende uitgifte voor die datum plaatsvond. Niet-fungibele doorlopende uitgiften worden beschouwd als aparte effecten op onderpand van activa.

c)

Garanties: Bij ontbreken van een kredietbeoordeling van de emittent door een (aanvaarde) EKBI kunnen de hoge kwaliteitseisen op basis van garanties van financieel solide garanten worden vastgesteld. De financiële soliditeit van de garant wordt beoordeeld op basis van EKBI-kredietbeoordelingen die aan de kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem voldoen. De garantie dient aan de volgende vereisten te voldoen:

i)

Een garantie geldt als aanvaardbaar indien de garant de verplichtingen van de emittent aangaande de betaling van hoofdsom, rente en alle andere uit hoofde van het schuldbewijs verschuldigde bedragen onvoorwaardelijk en onherroepelijk heeft gegarandeerd tegenover de houders van de schuldbewijzen tot het moment waarop deze volledig zijn afgelost.

ii)

De garantie dient op eerste aanvraag opeisbaar te zijn (ongeacht de onderliggende schuldverplichting). Garanties gegeven door belastingheffende overheidsinstanties dienen op eerste aanvraag opeisbaar te zijn dan wel op andere wijze te voorzien in prompte en stipte betaling indien de tegenpartij in gebreke blijft. De verplichtingen van de garant uit hoofde van de garantie dienen ten minste van gelijk kwaliteits(rating-)niveau (pari passu) te zijn als alle overige ongedekte verplichtingen van de garant.

iii)

De garantie dient te worden beheerst door het recht van een EU-lidstaat en rechtsgeldig, bindend en afdwingbaar te zijn tegenover de garant.

iv)

Voordat het door de garantie ondersteunde activum als beleenbaar kan worden beschouwd, dient een rechtsgeldige en voor het Eurosysteem naar vorm en inhoud aanvaardbare bevestiging inzake de rechtsgeldigheid, bindende kracht en afdwingbaarheid van de garantie te zijn afgegeven. Indien de garant is gevestigd in een andere jurisdictie dan die waardoor de garantie wordt beheerst, dient de rechtsgeldige bevestiging tevens te behelzen dat de garantie rechtsgeldig en afdwingbaar is krachtens het recht waardoor de plaats van vestiging van de garant wordt beheerst. De rechtsgeldige bevestiging dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de centrale bank die het desbetreffende, door een garant ondersteunde activum wil aanmelden voor opname op de lijst van beleenbare activa (81). Een zodanige rechtsgeldige bevestiging behoeft niet te worden afgegeven voor garanties die betrekking hebben op schuldbewijzen met een individuele kredietbeoordeling (rating) of voor garanties gegeven door belastingheffende overheidsinstanties. De afdwingbaarheidseis is onderworpen aan alle wetgeving betreffende betalingsonmacht of faillissement, algemene beginselen van billijkheid en andere soortgelijke wetten en beginselen voor zover deze van toepassing zijn op de garant en de rechten van crediteuren jegens de garant in algemene zin betreffen.

Bij ontbreken van een beoordeling van de emissie, de emittent of de garant door een externe kredietbeoordelingsinstelling worden de hoge kwaliteitseisen als volgt vastgesteld:

a)

Emittenten of garanten uit de publieke sector in het eurogebied: Indien een verhandelbaar activum wordt uitgegeven of gegarandeerd door een in het eurogebied gevestigde regionale of lagere overheid of een entiteit uit de publieke sector, zoals omschreven in de richtlijn kapitaalvereisten, is de volgende procedure van toepassing:

i)

De emittent of garant wordt in overeenstemming met de richtlijn kapitaalvereisten (82) ingedeeld in een van drie categorieën (zie tabel 5).

ii)

Een stilzwijgende kredietbeoordeling voor emittenten of garanten uit de categorieën 1 en 2 wordt afgeleid van de EKBI-kredietbeoordeling van de nationale overheid van het land waar de emittent of garant is gevestigd. Deze stilzwijgende kredietbeoordeling moet aan de kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem voldoen. Voor emittenten/garanten uit categorie 3 wordt geen stilzwijgende kredietbeoordeling afgeleid.

b)

Niet-financiële vennootschappen in het eurogebied als emittenten of garanten: Indien de kwaliteit van verhandelbare activa uitgegeven/gegarandeerd door niet-financiële vennootschappen (83) die zijn gevestigd in het eurogebied, niet kan worden vastgesteld op basis van een EKBI-kredietbeoordeling van de emissie, emittent of garant, zijn de ECAF-regels voor kredietvorderingen van toepassing en kunnen tegenpartijen gebruikmaken van hun eigen IRB-systeem, het interne kredietbeoordelingssysteem van NCB’s of ratinginstrumenten van derden. Verhandelbare schuldbewijzen zonder rating die zijn uitgegeven door niet-financiële vennootschappen worden niet opgenomen in de openbare lijst van beleenbare verhandelbare activa.

Tabel 5

Stilzwijgende kredietbeoordelingen van emittenten, debiteuren of garanten zonder een EKBI-kredietbeoordeling die regionale of lagere overheden of entiteiten uit de publieke sector uit het eurogebied zijn

 

Classificatie van emittenten, debiteuren of garanten overeenkomstig de richtlijn kapitaalvereisten

ECAF-afleiding van de stilzwijgende kredietbeoordeling van de emittent, debiteur of garant uit de overeenkomstige categorie

Categorie 1

Regionale en lagere overheden en entiteiten uit de publieke sector die volgens de bevoegde toezichthoudende autoriteiten wat kapitaalvereisten betreft aan de nationale overheid kunnen worden gelijkgesteld

EKBI-kredietbeoordeling van de centrale overheid van het land van vestiging wordt toegewezen

Categorie 2

Regionale en lagere overheden en entiteiten uit de publieke sector die volgens de bevoegde toezichthoudende autoriteiten wat kapitaalvereisten betreft aan (krediet)instellingen kunnen worden gelijkgesteld

Eén kredietkwaliteitsstap (84) lager dan de EKBI-kredietbeoordeling van de centrale overheid van het land van vestiging wordt toegewezen

Categorie 3

Overige entiteiten uit de publieke sector

Behandeld als emittenten of debiteuren uit de particuliere sector

6.3.3.   Vaststelling van de hoge kwaliteitseisen voor niet-verhandelbare activa

6.3.3.1.   Kredietvorderingen

Ten behoeve van de vaststelling van de kwaliteit van debiteuren of garanten van kredietvorderingen dienen tegenpartijen een van de beschikbare bronnen voor kredietbeoordeling die door het Eurosysteem worden aanvaard als hoofdbron te selecteren. Een tegenpartij selecteert één systeem bij een beschikbare kredietbeoordelingsbron, behalve bij EKBI’s, waar alle aanvaardbare EKBI-systemen mogen worden gebruikt.

Tegenpartijen dienen ten minste één jaar lang dezelfde bron te gebruiken, om te voorkomen dat zij per debiteur alle beschikbare bronnen of systemen afgaan op zoek naar de beste kredietbeoordeling die beleenbaarheid garandeert. Tegenpartijen die na afloop van de minimumperiode van één jaar van kredietbeoordelingsbron willen veranderen, dienen daartoe een met redenen omkleed verzoek bij de betrokken NCB in te dienen.

Na indiening van een met redenen omkleed verzoek daartoe kan tegenpartijen worden toegestaan meer dan een systeem of bron te gebruiken. Verondersteld wordt dat de gekozen hoofdbron voor kredietbeoordeling de meerderheid van de door de tegenpartij voorgedragen debiteuren zal dekken. Voor gebruik van meer dan een kredietbeoordelingsbron of -systeem moeten afdoende zakelijke redenen zijn. Dat is in beginsel het geval indien de hoofdkredietbeoordelingsbron of het hoofdkredietbeoordelingssysteem niet alle debiteuren dekt.

Tegenpartijen dienen de NCB onverwijld op de hoogte te stellen van eventuele kredietproblemen, waaronder bij de tegenpartij bekende vertraging in de betaling van de voorgedragen debiteuren, en de activa zo nodig terug te trekken of te vervangen. Daarnaast zijn tegenpartijen er verantwoordelijk voor te garanderen dat zij de meest recente kredietbeoordelingen van het door hen geselecteerde kredietbeoordelingssysteem of de kredietbeoordelingsbron voor de debiteuren (85) of garanten van aangeboden activa gebruiken.

Kredietbeoordelingen van debiteuren/garanten: Bij de vaststelling van de hoge kwaliteitseisen van debiteuren of garanten van kredietvorderingen wordt een onderscheid gemaakt tussen debiteuren/garanten uit de publieke sector en die welke niet-financiële vennootschappen zijn:

a)

Debiteuren of garanten uit de publieke sector: De volgende regels zijn van toepassing, in de aangegeven volgorde:

i)

Een kredietbeoordeling van het/de door de tegenpartij geselecteerde systeem of bron is voorhanden en wordt gebruikt om vast te stellen of de debiteur of garant uit de publieke sector aan de kredietkwaliteitsdrempel voldoet.

ii)

Bij ontbreken van een kredietbeoordeling onder i) wordt een EKBI-kredietbeoordeling van de debiteur of garant gehanteerd (86).

iii)

Als geen kredietbeoordeling onder i) of ii) voorhanden is, is dezelfde procedure als voor verhandelbare activa van toepassing:

De debiteur of garant wordt in overeenstemming met de richtlijn kapitaalvereisten (87) ingedeeld in een van drie categorieën (zie tabel 5).

Een stilzwijgende kredietbeoordeling voor debiteuren of garanten uit de categorieën 1 en 2 wordt afgeleid van de EKBI-kredietbeoordeling van de nationale overheid van het land waar de debiteur of garant is gevestigd. Deze stilzwijgende beoordeling dient te voldoen aan de kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem.

Als de beschikbare kredietbeoordeling van het/de door de tegenpartij geselecteerde systeem of bron (of van een EKBI in geval van ii) voor debiteuren of garanten uit de publieke sector) voorhanden is maar lager is dan de kredietkwaliteitsdrempel, komt de debiteur of garant niet in aanmerking.

b)

Niet-financiële vennootschappen als debiteur of garant: Als de kredietbeoordeling van de debiteur of garant volgens de door de tegenpartij geselecteerde bron gelijk is aan of hoger is dan de kredietkwaliteitsdrempel, komt de debiteur of garant in aanmerking (88)  (89).

Als de beschikbare kredietbeoordeling van het/de door de tegenpartij geselecteerde systeem of bron voorhanden is maar lager is dan de kredietkwaliteitsdrempel, komt de debiteur of garant niet in aanmerking. Als er geen kredietbeoordeling voorhanden is om de kwaliteit van een debiteur of garant vast te stellen, komt de debiteur of garant niet in aanmerking.

Garanties: Een garantie dient aan de volgende vereisten te voldoen:

a)

Een garantie geldt als aanvaardbaar indien de garant de verplichtingen van de debiteur aangaande de betaling van hoofdsom, rente en alle andere uit hoofde van de kredietvordering verschuldigde bedragen onvoorwaardelijk en onherroepelijk heeft gegarandeerd tegenover de houder van de vordering tot het moment waarop deze volledig zijn afgelost. Een aanvaardbare garantie hoeft geen bijzondere garantie voor een bepaalde kredietvordering te zijn; zij kan uitsluitend de debiteur betreffen, mits de betrokken kredietvordering erdoor gedekt wordt.

b)

De garantie dient ongeacht de onderliggende kredietvordering op eerste aanvraag opeisbaar te zijn. Garanties gegeven door belastingheffende overheidsinstanties dienen op eerste aanvraag opeisbaar te zijn dan wel op andere wijze te voorzien in prompte en stipte betaling indien de tegenpartij in gebreke blijft. De verplichtingen van de garant uit hoofde van de garantie dienen ten minste van gelijk kwaliteits(rating-)niveau (pari passu) te zijn als alle overige ongedekte verplichtingen van de garant.

c)

De garantie dient te worden beheerst door het recht van een EU-lidstaat en rechtsgeldig, bindend en afdwingbaar te zijn tegenover de garant.

d)

Voordat het door de garantie ondersteunde activum als beleenbaar kan worden beschouwd, dient een rechtsgeldige en voor het Eurosysteem naar vorm en inhoud aanvaardbare bevestiging inzake de rechtsgeldigheid, bindende kracht en afdwingbaarheid van de garantie te zijn afgegeven. Hierin dient tevens bevestigd te worden dat de garantie geen persoonlijke is, die slechts door de crediteur van de kredietvordering kan worden afgedwongen. Indien de garant is gevestigd in een andere jurisdictie dan die waardoor de garantie wordt beheerst, dient de rechtsgeldige bevestiging tevens te behelzen dat de garantie rechtsgeldig en afdwingbaar is krachtens het recht waardoor de plaats van vestiging van de garant wordt beheerst. De rechtsgeldige bevestiging dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de NCB in de jurisdictie van het recht waardoor de kredietvordering wordt beheerst. Een rechtsgeldige bevestiging behoeft niet te worden afgegeven voor garanties gegeven door belastingheffende overheidsinstanties. De afdwingbaarheidseis is onderworpen aan alle wetgeving betreffende betalingsonmacht of faillissement, algemene beginselen van billijkheid en andere soortgelijke wetten en beginselen voor zover deze van toepassing zijn op de garant en de rechten van crediteuren jegens de garant in algemene zin betreffen.

6.3.3.2.   Niet-verhandelbare retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand

De hoge kredietkwaliteitseisen van niet-verhandelbare retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand (RMBD’s) moeten voldoen aan kredietkwaliteitsstap 2 van de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem (90). In de toepasselijke nationale documentatie zal door de NCB’s voor elke jurisdictie een specifiek kredietbeoordelingskader voor deze schuldbewijzen worden vastgelegd.

6.3.4.   Aanvaardingscriteria voor kredietbeoordelingssystemen

Het ECAF berust op kredietbeoordelingsinformatie uit vier bronnen. Elke bron kan een reeks kredietbeoordelingssystemen omvatten.

De aanvaarde EKBI’s, ICAS’s en rating-instrumenten van derden en hun verstrekkers zijn te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu (91).

6.3.4.1.   Externe kredietbeoordelingsinstelling

De EKBI-bron omvat die instellingen wier kredietbeoordelingen door kredietinstellingen kunnen worden gebruikt voor de vaststelling van het risicogewicht in de zin van de richtlijn kapitaalvereisten (92). In het kader van het ECAF gelden voor EKBI’s de volgende algemene aanvaardingscriteria:

a)

EKBI’s moeten formeel erkend zijn door de betrokken toezichthoudende EU-autoriteit voor de landen van het eurogebied waar zij overeenkomstig de richtlijn kapitaalvereisten zullen worden gebruikt.

b)

EKBI’s moeten voldoen aan de operationele criteria en relevante dekking bieden om te waarborgen dat het ECAF op efficiënte wijze wordt ingevoerd. Met name hangt het gebruik van hun kredietbeoordeling ervan af of het Eurosysteem informatie over deze beoordelingen ter beschikking staan en informatie over de vergelijking en de toewijzing („mapping”) van de beoordeling aan de kredietkwaliteitsstappen van het ECAF, de kredietkwaliteitsdrempel en de invoering van toezicht op de prestaties (zie paragraaf 6.3.5).

Het Eurosysteem behoudt zich het recht voor te beslissen of het een EKBI aanvaardt voor zijn krediettransacties, onder meer met behulp van zijn procedure voor toezicht op de prestaties.

6.3.4.2.   Intern kredietbeoordelingssysteem van een NCB

Er zijn momenteel vier interne kredietbeoordelingssystemen operationeel, die worden beheerd door de Deutsche Bundesbank, de Banco de España, de Banque de France en de Oesterreichische Nationalbank. NCB’s die besluiten hun eigen interne kredietbeoordelingssysteem te ontwikkelen, zijn onderworpen aan een validatieprocedure door het Eurosysteem. Interne kredietbeoordelingssystemen zijn daarnaast onderworpen aan de procedure voor toezicht op de prestaties (zie paragraaf 6.3.5).

De tegenpartij dient de ICAS-NCB onverwijld op de hoogte te stellen van eventuele kredietgebeurtenissen die alleen bij de tegenpartij bekend zijn, waaronder vertraging in de betaling van de voorgedragen debiteuren.

Bovendien voert de NCB in landen waarin RMBD’s worden verpand in overeenstemming met het ECAF een kredietbeoordelingskader voor dit type activum in. De prestaties van een dergelijk kader dienen jaarlijks te worden gecontroleerd.

6.3.4.3.   Op interne ratings berustende bron

Een tegenpartij die voornemens is een IRB-systeem te gebruiken om de kredietkwaliteit van debiteuren, emittenten of garanten van beleenbare schuldbewijzen te beoordelen, dient daarvoor toestemming van de eigen NCB te verkrijgen. Daartoe dient de tegenpartij een verzoek in met daarbij de volgende documenten (93):

a)

een kopie van het besluit van de betrokken bankentoezichthouder binnen de Unie waarbij de tegenpartij toestemming heeft verkregen haar IRB-systeem voor kapitaalvereisten te gebruiken op een geconsolideerde of ongeconsolideerde basis, samen met eventuele voorwaarden. Een dergelijke kopie is niet vereist als deze informatie rechtstreeks door de betrokken toezichthoudende autoriteit aan de betrokken NCB wordt doorgegeven;

b)

informatie over de manier waarop de tegenpartij het wanbetalingsrisico van debiteuren beoordeelt en gegevens over de ratings en bijbehorende kansen op wanbetaling binnen een jaar die worden gebruikt om de beleenbare ratings te bepalen;

c)

een kopie van de informatie uit pijler 3 (marktdiscipline) die de tegenpartij regelmatig moet bekendmaken in overeenstemming met de vereisten inzake marktdiscipline uit hoofde van pijler 3 van Bazel II en de richtlijn kapitaalvereisten;

d)

naam en adres van de bevoegde bankentoezichthouder en de externe accountant.

Het verzoek moet worden ondertekend door de chief executive officer (CEO), chief financial officer (CFO) of manager van vergelijkbare rang van de tegenpartij, of door een tekenbevoegde namens een van hen.

De hierboven vermelde bepalingen zijn van toepassing op alle tegenpartijen ongeacht hun status — moederondernemingen, dochterondernemingen of bijkantoren — en ongeacht of de goedkeuring van het IRB-systeem afkomstig is van de toezichthouder in hetzelfde land (voor een moederonderneming en mogelijk voor dochterondernemingen) of van een toezichthouder in het thuisland van de moederonderneming (voor bijkantoren en mogelijk dochterondernemingen).

Elk bijkantoor en elke dochteronderneming van een tegenpartij kan gebruikmaken van het IRB-systeem van de moederonderneming als het Eurosysteem dat IRB-systeem in het ECAF heeft toegelaten.

Tegenpartijen die een IRB-systeem gebruiken, als hierboven beschreven, zijn daarnaast onderworpen aan de procedure van het Eurosysteem voor toezicht op de prestaties (zie paragraaf 6.3.5). Naast de informatievereisten voor dit proces is de tegenpartij verplicht de volgende gegevens jaarlijks (of indien en wanneer vereist door de betrokken NCB) mede te delen, tenzij deze gegevens rechtstreeks door de betrokken toezichthoudende autoriteit aan de betrokken NCB worden doorgegeven:

a)

een kopie van de laatste beoordeling van het IRB-systeem van de tegenpartij door haar toezichthouder, vertaald in een werktaal van de eigen NCB;

b)

eventuele door de toezichthouder aanbevolen of vereiste wijzigingen in het IRB-systeem van de tegenpartij en de termijn waarbinnen deze wijzigingen moeten worden doorgevoerd;

c)

de jaarlijks bijgewerkte informatie uit pijler 3 (marktdiscipline) die de tegenpartij regelmatig moet bekendmaken in overeenstemming met de vereisten van Bazel II en de richtlijn kapitaalvereisten.

d)

gegevens van de bevoegde bankentoezichthouder en de externe accountant.

Deze jaarlijkse mededeling moet worden ondertekend door de CEO, CFO of een manager van vergelijkbare rang van de tegenpartij, of door een tekenbevoegde namens een van hen. De betrokken toezichthouder en, indien van toepassing, de externe accountant van de tegenpartij ontvangen van het Eurosysteem een kopie van deze brief.

6.3.4.4.   Ratinginstrumenten van derden

De ratingbron bestaat uit entiteiten die de kredietkwaliteit van debiteuren beoordelen door het hanteren van voornamelijk kwantitatieve modellen op een systematische en mechanische manier, met behulp van onder meer gecontroleerde rekeningen, en wier kredietbeoordelingen niet bedoeld zijn voor algemene publieke bekendmaking. Een verstrekker van ratinginstrumenten die wenst deel te nemen in het kader van het ECAF, moet daartoe een verzoek indienen bij de NCB van het land van vestiging, met behulp van het door het Eurosysteem verstrekte modelformulier, vergezeld van de aanvullende documentatie die op het modelformulier wordt beschreven. Tegenpartijen die gebruik willen maken van een specifieke verstrekker van ratinginstrumenten in het kader van het ECAF die niet door het Eurosysteem is geaccepteerd, moeten daartoe een verzoek indienen bij de NCB van het land van vestiging met behulp van het door het Eurosysteem verstrekte modelformulier, vergezeld van de aanvullende documentatie die op het modelformulier wordt beschreven. Het Eurosysteem besluit of de verstrekker van ratinginstrumenten kan worden aanvaard, gebaseerd op de mate van conformiteit met de aanvaardingscriteria van het Eurosysteem (94).

Daarnaast dient de tegenpartij de RT-verstrekker op de hoogte te stellen van eventuele kredietgebeurtenissen die alleen bij de tegenpartij bekend zijn, waaronder vertraging in de betaling van de voorgedragen debiteuren.

De RT-verstrekker die deelneemt in het ECAF moet ermee instemmen onderworpen te worden aan de Eurosysteemprocedure voor toezicht op de prestaties (zie paragraaf 6.3.5) (95). De RT-verstrekker is gehouden de noodzakelijke infrastructuur voor toezicht op het zogenoemde „statische depot” op te zetten en te onderhouden. De opzet en de evaluatie van het statische depot moeten in overeenstemming zijn met de algemene vereisten voor prestatietoezicht in het kader van het ECAF. De RT-verstrekker moet zich ertoe verplichten het Eurosysteem na uitvoering onverwijld in kennis te stellen van de resultaten van de prestatie-evaluatie. Daarom stellen RT-verstrekkers een verslag op over de prestaties van het statische depot van het RT. Zij moeten zich ertoe verplichten gegevens over statische depots en wanbetalingsgegevens vijf jaar lang te bewaren.

6.3.5.   Toezicht op de prestaties van kredietbeoordelingssystemen

De ECAF-procedure voor toezicht op de prestaties omvat een jaarlijkse ex-postvergelijking van het waargenomen wanbetalingscijfer voor alle in aanmerking komende debiteuren (het statische depot) en de kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem die is gegeven door de maatstaf voor het wanbetalingsrisico (PD). De procedure is bedoeld om te garanderen dat de resultaten van de kredietbeoordelingen van de verschillende systemen en bronnen vergelijkbaar zijn. De toezichtsprocedure vindt eenmaal per jaar plaats na de datum waarop het statische depot is vastgesteld.

De eerste fase van het proces is de jaarlijkse samenstelling, door de verstrekker van het kredietbeoordelingssysteem, van de statische depots van in aanmerking komende debiteuren, dat wil zeggen een depots met alle debiteuren uit de publieke en particuliere sector die door het systeem zijn beoordeeld en aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

Statisch depot

Voorwaarde

Statisch depot voor kredietkwaliteitsstap 1 en 2

PD(i,t) (96) ≤ 0,10 %

Statisch depot voor kredietkwaliteit 3

0,10 % < PD(i,t) ≤ 0.40 %

Alle debiteuren die aan het begin van periode t voldoen aan één van deze voorwaarden vormen het statisch depot ten tijde t. Aan het einde van de periode van twaalf maanden wordt het daadwerkelijke wanbetalingscijfer voor de statische depots van debiteuren op tijdstip t berekend. De verstrekker van het ratingsysteem moet ermee instemmen het Eurosysteem er jaarlijks van in kennis te stellen hoeveel in aanmerking komende debiteuren op tijdstip t in de statische depots zijn opgenomen en hoeveel van deze debiteuren in het statisch depot (t) in de daaropvolgende twaalf maanden in gebreke zijn gebleven.

Het daadwerkelijke wanbetalingscijfer van het statische depot van een kredietbeoordelingssysteem gedurende een periode van een jaar dient als gegeven voor de ECAF-prestatietoezichtprocedure, die bestaat uit een jaarlijkse regel en een beoordeling over meerdere perioden. Indien het waargenomen wanbetalingscijfer van het statische depot gedurende een periode van een jaar of meerdere jaren aanzienlijk afwijkt van de kredietkwaliteitsdrempel, neemt het Eurosysteem contact op met de verstrekker van het beoordelingssysteem om de oorzaken van deze afwijking te analyseren. Deze procedure kan ertoe leiden dat de kredietkwaliteitsdrempel die van toepassing is op het betrokken systeem wordt gecorrigeerd.

Het Eurosysteem kan besluiten het kredietbeoordelingssysteem te schorsen of uit te sluiten indien de prestaties gedurende een aantal jaren niet verbeteren. Als de regels van het ECAF zijn geschonden, wordt het kredietbeoordelingssysteem bovendien van het ECAF uitgesloten.

6.4.   Risicobeheersingsmaatregelen

6.4.1.   Algemeen

Op de aan de krediettransacties van het Eurosysteem ten grondslag liggende activa worden risicobeheersingsmaatregelen toegepast om het Eurosysteem te beschermen tegen financiële verliezen als deze activa te gelde moeten worden gemaakt omdat een tegenpartij in gebreke blijft. De aan het Eurosysteem ter beschikking staande risicobeheersingsmaatregelen worden in kader 7 beschreven.

De risicobeheersingsmaatregelen die het Eurosysteem hanteert, hangen af van het soort door de tegenpartij aangeboden beleenbare activa. De ECB bepaalt de passende risicobeheersingsmaatregelen voor zowel verhandelbare als niet-verhandelbare beleenbare activa. Deze risicobeheersingsmaatregelen zijn voor het gehele eurogebied (97) globaal geharmoniseerd en moeten garanderen dat de voorwaarden voor alle soorten beleenbare activa in het gehele eurogebied consistent, transparant en niet-discriminatoir zijn.

Het Eurosysteem behoudt zich het recht voor additionele risicobeheersingsmaatregelen te nemen indien dit nodig is om conform artikel 18.1 van de Statuten van het ESCB en van de ECB adequate risicobescherming van het Eurosysteem te waarborgen. Dergelijke risicobeheersingsmaatregelen, die op consistente, transparante en niet-discriminatoire wijze moeten worden toegepast, kunnen tevens worden toegepast op het niveau van individuele tegenpartijen indien nodig om dergelijke risicobescherming te waarborgen.

KADER 7

Maatregelen ter beheersing van risico’s

Het Eurosysteem past de volgende risicomaatregelen toe:

a)   Surpluspercentages

Het Eurosysteem hanteert bij de waardering van onderliggende activa „surpluspercentages”. Dit betekent dat de waarde van het beleenbare activum wordt berekend als de marktwaarde minus een bepaald percentage (surpluspercentage of „haircut”).

b)   Variatiemarge (marktwaardemethode)

Het Eurosysteem vereist dat voor de onderliggende activa die bij liquiditeitsverruimende transacties met wederinkoop worden gebruikt, in de loop van de tijd de voor het surpluspercentage gecorrigeerde marktwaarde wordt aangehouden. Dit houdt in dat, als de regelmatig vastgestelde waarde van de onderliggende activa onder een bepaald niveau daalt, de NCB van de tegenpartij aanvullende activa of liquiditeiten eist (een margestorting). Omgekeerd is het zo dat, als de waarde van de onderliggende activa na herwaardering een bepaald niveau overschrijdt, de centrale bank het surplus aan activa of liquiditeiten aan de tegenpartij retourneert. (De berekeningen ten aanzien van de uitvoering van margestortingen zijn weergegeven in kader 8.)

c)   Limieten ten aanzien van het gebruik van ongedekte schuldinstrumenten

Het Eurosysteem past limieten toe op het gebruik van ongedekte schuldinstrumenten zoals omschreven in paragraaf 6.4.2.

De volgende risicomaatregelen kunnen eveneens op enig moment door het Eurosysteem worden toegepast wanneer dit nodig is om conform artikel 18.1 van de ESCB-Statuten adequate bescherming van het Eurosysteem te waarborgen:

d)   Initiële marges

Het Eurosysteem kan bij liquiditeitsverruimende transacties met wederinkoop initiële marges toepassen. Dit betekent dat tegenpartijen dan onderliggende activa moeten verstrekken met een waarde die ten minste gelijk is aan het door het Eurosysteem verstrekte bedrag aan liquiditeiten plus het bedrag van de initiële marge.

e)   Limieten ten aanzien van emittenten/debiteuren of garanten

Het Eurosysteem kan aanvullende limieten, m.u.v. die welke worden toegepast op ongedekte schuldinstrumenten, toepassen op de risicoposities ten opzichte van emittenten/debiteuren of garanten. Dergelijke limieten kunnen eveneens worden toegepast op specifieke tegenpartijen, met name indien de kredietkwaliteit van de tegenpartij een hoge correlatie lijkt te hebben met de kredietkwaliteit van het door de tegenpartij aangeboden onderpand.

f)   Toepassing van aanvullende surpluspercentages

Het Eurosysteem kan aanvullende surpluspercentages toepassen indien dit nodig is om conform artikel 18.1 van de ESCB-Statuten adequate bescherming van het Eurosysteem te waarborgen.

g)   Aanvullende garanties

Het Eurosysteem kan aanvullende garanties van financieel gezonde entiteiten verlangen bij het aanvaarden van bepaalde activa.

h)   Uitsluiting

Het Eurosysteem kan bepaalde activa uitsluiten van gebruik bij monetaire beleidstransacties. Een dergelijke uitsluiting kan eveneens worden toegepast op specifieke tegenpartijen, met name indien de kredietkwaliteit van de tegenpartij een hoge correlatie lijkt te hebben met de kredietkwaliteit van het door de tegenpartij aangeboden onderpand.

6.4.2.   Risicobeheersingsmaatregelen voor verhandelbare activa

Het kader voor de beheersing van de risico’s verbonden aan beleenbare verhandelbare activa omvat de volgende hoofdelementen:

a)

Beleenbare verhandelbare activa worden toegewezen aan een van de vijf liquiditeitscategorieën op basis van de classificatie van de emittent en het soort activum. De toewijzing aan de liquiditeitscategorieën wordt beschreven in tabel 6.

b)

Op afzonderlijke schuldbewijzen worden specifieke surpluspercentages toegepast. De surpluspercentages worden toegepast door een bepaald percentage af te trekken van de marktwaarde van het beleenbare activum. De percentages die worden toegepast op de schuldinstrumenten in categorieën I tot en met IV verschillen al naargelang de resterende looptijd en de couponstructuur van de schuldbewijzen, zoals aangegeven in tabel 7 voor beleenbare verhandelbare schuldbewijzen met vaste rente en met nulcoupon (98).

c)

Het Eurosysteem beperkt het gebruik van ongedekte schuldinstrumenten uitgegeven door een kredietinstelling of door enige andere entiteit waarmee de kredietinstelling nauwe banden heeft zoals gedefinieerd in paragraaf 6.2.3. Dergelijke activa mogen slechts worden gebruikt als onderpand door een tegenpartij voor zover de door het Eurosysteem aan dat onderpand toegekende waarde na de toepassing van surpluspercentages niet meer bedraagt dan 5 % van de totale waarde van het door die tegenpartij na surpluspercentages geleverde onderpand. Deze limiet is niet van toepassing op dergelijke activa die worden gegarandeerd door een overheidsinstelling die het recht van belastingheffing heeft, of indien de waarde na surpluspercentages van de activa niet meer bedraagt dan EUR 50 miljoen. In het geval van een fusie tussen twee of meer emittenten van dergelijke activa of indien tussen dergelijke emittenten een nauwe band tot stand komt, worden deze emittenten in het kader van deze limiet alleen tot één jaar na de fusiedatum of de totstandkoming van de nauwe band als één emittentengroep behandeld.

d)

Op afzonderlijke schuldbewijzen in categorie V wordt een uniek surpluspercentage toegepast van 16 %, ongeacht de looptijd of couponstructuur.

e)

Op individuele effecten op onderpand van activa, gedekte bankbrieven (gedekte bankbrieven van het „Jumbo”-type, traditionele gedekte bankbrieven en overige gedekte bankbrieven) en ongedekte schuldbewijzen van kredietinstellingen die theoretisch worden gewaardeerd conform paragraaf 6.5, wordt een additioneel surpluspercentage toegepast. Dit surpluspercentage wordt rechtstreeks toegepast op het niveau van de theoretische waardering van het individuele schuldinstrument in de vorm van een verlaging van de waardering met 5 %.

Tabel 6

Liquiditeitscategorieën voor verhandelbare activa  (99)

Categorie I

Categorie II

Categorie III

Categorie IV

Categorie V

Schuldbewijzen van de centrale overheid

Schuldbewijzen van lagere en regionale overheden

Traditionele gedekte bankbrieven

Schuldinstrumenten van kredietinstellingen (ongedekt)

Effecten op onderpand van activa

Schuldbewijzen uitgegeven door NCB’s (100)

Gedekte bankbrieven van het „Jumbo”-type (101)

Schuldbewijzen uitgegeven door niet-financiële ondernemingen en andere emittenten (102)

Schuldbewijzen uitgegeven door financiële ondernemingen die geen kredietinstellingen zijn (ongedekt)

 

Schuldbewijzen van agentschappen (102)

Overige gedekte bankbrieven (103)

 

 

Supranationale schuldbewijzen

 

 

 

f)

De surpluspercentages toegepast op alle verhandelbare schuldbewijzen met inversvariabele rente in categorieën I tot en met IV zijn gelijk en worden vermeld in tabel 8.

g)

Op verhandelbare schuldbewijzen in categorieën I tot en met IV met variabele couponrente (104) wordt hetzelfde surpluspercentage toegepast als op instrumenten met een vaste couponrente in het looptijdsegment van nul tot en met één jaar binnen de liquiditeitscategorie en kredietkwaliteitscategorie waarin het instrument is ingedeeld.

h)

De risicobeheersingsmaatregelen toegepast op een verhandelbaar schuldbewijs in categorieën I tot en met IV met meer dan een type couponbetaling worden uitsluitend bepaald op grond van de couponbetalingen gedurende de resterende looptijd van het instrument. Voor dergelijke instrumenten geldt het hoogste surpluspercentage dat wordt toegepast op schuldbewijzen met dezelfde resterende looptijd, waarbij elk van de couponbetalingen die gedurende de resterende looptijd van het instrument nog zullen plaatsvinden in beschouwing worden genomen.

i)

Bij liquiditeitsverkrappende transacties worden geen surpluspercentages toegepast.

j)

Afhankelijk van de jurisdictie en van het nationale operationele stelsel hanteren de NCB’s een onderpanddepot en/of eisen zij dat voor elke afzonderlijke transactie activa worden aangewezen. Bij gebruikmaking van een onderpanddepot stelt de tegenpartij aan de centrale bank een voldoende groot depot van beleenbare activa ter beschikking ter dekking van alle van de centrale bank ontvangen kredieten, zodat er geen direct verband bestaat tussen specifieke krediettransacties en afzonderlijke activa. Bij een stelsel waarbij voor elke krediettransactie afzonderlijke activa worden aangewezen, bestaat een dergelijk direct verband wel.

k)

De activa worden dagelijks gewaardeerd. Dagelijks berekenen de NCB’s de vereiste waarde van de beleenbare activa, waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen in uitstaande kredietbedragen, de in paragraaf 6.5 geschetste waarderingsgrondslagen en de vereiste surpluspercentages.

Tabel 7

Surpluspercentages voor beleenbare verhandelbare activa

Krediet- kwaliteit

Resterende looptijd

(jaren)

Liquiditeitscategorieën

Categorie I

Categorie II (105)

Categorie III (105)

Categorie IV (105)

Categorie V (105)

Vastrentend

Nulcoupon

vastrentend

nulcoupon

vastrentend

nulcoupon

vastrentend

nulcoupon

Stap 1 en 2

(AAA tot A-) (106)

0-1

0,5

0,5

1,0

1,0

1,5

1,5

6,5

6,5

16

1-3

1,5

1,5

2,5

2,5

3,0

3,0

8,5

9,0

3-5

2,5

3,0

3,5

4,0

5,0

5,5

11,0

11,5

5-7

3,0

3,5

4,5

5,0

6,5

7,5

12,5

13,5

7-10

4,0

4,5

5,5

6,5

8,5

9,5

14,0

15,5

> 10

5,5

8,5

7,5

12,0

11,0

16,5

17,0

22,5

Stap 3 (BBB + tot BBB-) (106)

0-1

5,5

5,5

6,0

6,0

8,0

8,0

15,0

15,0

Niet beleenbaar

1-3

6,5

6,5

10,5

11,5

18,0

19,5

27,5

29,5

3-5

7,5

8,0

15,5

17,0

25,5

28,0

36,5

39,5

5-7

8,0

8,5

18,0

20,5

28,0

31,5

38,5

43,0

7-10

9,0

9,5

19,5

22,5

29,0

33,5

39,0

44,5

> 10

10,5

13,5

20,0

29,0

29,5

38,0

39,5

46,0


Tabel 8

Surpluspercentages voor beleenbare verhandelbare schuldbewijzen met invers-variabele rente in categorieën I tot en met IV

Kredietkwaliteit

Resterende looptijd (jaren)

Invers-variabele coupon

Stap 1 en 2

(AAA tot A-)

0-1

7,5

1-3

11,5

3-5

16,0

5-7

19,5

7-10

22,5

> 10

28,0

Stap 3

(BBB + tot BBB-)

0-1

21,0

1-3

46,5

3-5

63,5

5-7

68,0

7-10

69,0

> 10

69,5

l)

Als na waardering de waarde van de beleenbare activa niet overeenstemt met de op die dag berekende vereiste waarde, vinden symmetrische margestortingen plaats. Om de frequentie daarvan te beperken, kunnen de NCB’s een margestortingspunt toepassen, dat dan 0,5 % van het verstrekte bedrag aan liquiditeiten bedraagt. Afhankelijk van de jurisdictie kunnen de NCB’s bepalen dat de margestorting plaatsvindt in de vorm van hetzij de levering van aanvullende activa hetzij de overdracht van liquiditeiten. Dit houdt in dat, als de marktwaarde van de beleenbare activa beneden het onderste margestortingspunt daalt, tegenpartijen aanvullende activa (of liquiditeiten) moeten overdragen. Omgekeerd retourneert de NCB het surplus aan activa (of liquiditeiten) aan de tegenpartij als de marktwaarde van de beleenbare activa na herwaardering het bovenste margestortingspunt overschrijdt (zie kader 8).

m)

Gebruik van een onderpanddepot houdt in dat tegenpartijen beleenbare activa dagelijks kunnen substitueren.

n)

In een stelsel waarbij voor elke krediettransactie afzonderlijke activa worden aangewezen, kan substitutie van beleenbare activa door de NCB worden toegestaan.

o)

De ECB kan te allen tijde besluiten bepaalde schuldbewijzen van de gepubliceerde lijst van beleenbare verhandelbare activa af te voeren (107).

KADER 8

Berekening van margestortingen

Het totale bedrag aan beleenbare activa J (waarbij j = 1 tot J; waarde op tijdstip t) dat een tegenpartij moet verschaffen voor een aantal liquiditeitsverruimende transacties I (waarbij i = 1 tot I; bedrag op tijdstip t) wordt bepaald door middel van de volgende formule:

Formula

(1)

waarbij:

hj het op beleenbaar activum j toegepaste surpluspercentage.

Stel dat τ de periode tussen herwaarderingen is, dan is de basis voor de margestorting op tijdstip t + τ gelijk aan:

Formula

(2)

Afhankelijk van de operationele kenmerken van het beheersysteem voor onderpand dat de NCB hanteert, kunnen NCB’s bij de berekening van de margestorting ook rekening houden met de opgelopen rente op de bij uitstaande transacties verstrekte liquiditeiten.

Een margestorting wordt slechts gevraagd als de basis voor de storting een bepaald niveau overschrijdt.

Bij een margestortingspunt k = 0,5 % zal in een stelsel waarin voor elke transactie afzonderlijke activa worden aangewezen (I = 1) een margestorting plaatsvinden als:

 

Mt + τ > k · L i,t + τ (de tegenpartij betaalt de margestorting aan de NCB), of

 

M t + τ < – k · L i,t + τ (de NCB betaalt de margestorting aan de tegenpartij).

Bij een onderpandsdepot moet de tegenpartij meer activa in het depot inbrengen als:

Formula

Omgekeerd kan bij toepassing van een onderpanddepot het bedrag aan liquiditeiten dat binnen de werkdag voor de tegenpartij beschikbaar is (intraday credit, of IDC) als volgt worden uitgedrukt:

Formula (indien positief)

In beide systemen dient de margestorting om de in formule (1) weergegeven relatie te herstellen.

6.4.3.   Risicobeheersingsmaatregelen voor niet-verhandelbare activa

6.4.3.1.   Kredietvorderingen

Het kader voor de beheersing van de risico’s verbonden aan beleenbare kredietvorderingen omvat de volgende hoofdelementen:

a)

Op afzonderlijke kredietvorderingen worden specifieke surpluspercentages toegepast. De surpluspercentages hangen af van de resterende looptijd, de rentesoort (vastrentend of variabel), de kredietkwaliteitscategorie en de waarderingsmethode die de NCB toepast (zie paragraaf 6.5), zoals omschreven in tabel 9 (108).

b)

Op kredietvorderingen met variabele rente wordt hetzelfde surpluspercentage toegepast als op kredietvorderingen met vaste rente in het looptijdsegment van nul tot en met één jaar met dezelfde kredietkwaliteit en dezelfde waarderingsmethode (waardering op basis van een door de NCB toegewezen theoretische koers of aan de hand van een door de NCB toegewezen uitstaand bedrag). De rente geldt als variabel indien zij is gekoppeld aan een referentierente en de periode tussen twee rentevaststellingen niet langer is dan één jaar. Rentebetalingen met een vaststellingsperiode van langer dan één jaar worden behandeld als vastrentende instrumenten, waarbij de resterende looptijd van de kredietvordering geldt als de voor het surpluspercentage relevante looptijd.

c)

De risicobeheersingsmaatregelen voor een kredietvordering met meer dan één type rentebetaling worden uitsluitend bepaald op grond van de rentebetalingen gedurende de resterende looptijd van de kredietvordering. Als er gedurende de resterende looptijd van de kredietvordering meer dan één type rentebetaling is, worden de vorderingen behandeld als vastrentende instrumenten, waarbij de resterende looptijd van de kredietvordering geldt als de voor het surpluspercentage relevante looptijd.

d)

De NCB’s hanteren hetzelfde margestortingspunt (indien van toepassing) voor margestortingen voor verhandelbare en niet-verhandelbare activa.

Tabel 9

Surpluspercentages voor kredietvorderingen met vaste rente

Kredietkwaliteit

Resterende looptijd (jaren)

Waarderingsmethode

Vaste rente en waardering op basis van een door de NCB toegewezen theoretische koers

Vaste rente en waardering aan de hand van een door de NCB toegewezen uitstaand bedrag

Stap 1 en 2

(AAA tot A-)

0-1

8,0

10,0

1-3

11,5

17,5

3-5

15,0

24,0

5-7

17,0

29,0

7-10

18,5

34,5

> 10

20,5

44,5

Stap 3

(BBB + tot BBB-)

0-1

15,5

17,5

1-3

28,0

34,0

3-5

37,0

46,0

5-7

39,0

51,0

7-10

39,5

55,5

> 10

40,5

64,5

6.4.3.2.   Niet-verhandelbare retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand

Voor niet-verhandelbare retail-schuldbewijzen met hypothecair onderpand geldt een surpluspercentage van 24 %.

6.4.3.3.   Termijndeposito’s

Op termijndeposito’s wordt geen surpluspercentage toegepast.

6.5.   Waarderingsgrondslagen voor beleenbare activa

Bij de waardebepaling van beleenbare activa bij transacties met wederinkoop hanteert het Eurosysteem de volgende waarderingsgrondslagen:

6.5.1.   Verhandelbare activa

a)

Voor elk beleenbaar verhandelbaar activum stelt het Eurosysteem vast welke koers het meest representatief is en moet worden gebruikt voor het berekenen van de marktwaarde.

b)

De waarde van een verhandelbaar activum wordt berekend op basis van de meest representatieve koers op de werkdag voorafgaand aan de dag van waardering. Als meer dan een koers wordt genoteerd, wordt de laagste daarvan (doorgaans de biedkoers) gebruikt. Als voor een bepaald activum op de werkdag voorafgaand aan de dag van waardering geen representatieve koers beschikbaar is, wordt de laatste gedane koers gebruikt. Als de aldus verkregen referentiekoers meer dan vijf dagen oud is of ten minste vijf dagen lang onveranderd is, stelt het Eurosysteem een theoretische koers vast.

c)

De marktwaarde of theoretische waarde van een schuldbewijs wordt berekend met inbegrip van lopende rente.

d)

Afhankelijk van verschillen in nationale rechtstelsels en operationele kenmerken kan de behandeling van inkomensstromen (bijvoorbeeld couponbetalingen) die met betrekking tot een activum gedurende de looptijd van een transactie met wederinkoop worden ontvangen, per NCB verschillen. Als de inkomensstroom aan de tegenpartij wordt overgedragen, zullen de NCB’s ervoor zorgen dat de desbetreffende transacties volledig gedekt blijven door een toereikende hoeveelheid beleenbare activa alvorens het inkomen wordt overgedragen. De NCB’s zorgen ervoor dat het economische effect van de behandeling van inkomensstromen gelijk is aan de situatie waarin het inkomen op de betaaldag aan de tegenpartij wordt overgedragen (109).

6.5.2.   Niet-verhandelbare activa

Niet-verhandelbare activa wordt een waarde toegewezen die overeenkomt met hetzij de theoretische koers hetzij het uitstaande bedrag.

Als de NCB kiest voor het uitstaande bedrag, kunnen voor het niet-verhandelbare activum hogere surpluspercentages gelden (zie paragraaf 6.4.3).

6.6.   Grensoverschrijdend gebruik van beleenbare activa

Tegenpartijen van het Eurosysteem kunnen beleenbare activa grensoverschrijdend gebruiken, met andere woorden, zij kunnen liquiditeiten verkrijgen van de NCB van de lidstaat waarin zij zijn gevestigd op onderpand van activa die zich in een andere lidstaat bevinden. Beleenbare activa moeten grensoverschrijdend kunnen worden gebruikt bij alle transacties waarbij het Eurosysteem liquiditeiten verschaft tegen beleenbare activa.

Door de NCB’s (en de ECB) is een mechanisme ontwikkeld om te waarborgen dat alle in het eurogebied uitgegeven/gedeponeerde beleenbare activa grensoverschrijdend kunnen worden gebruikt. Dit staat bekend als het correspondentenmodel voor centrale banken (veelal, als afkorting van de Engelse benaming correspondent central banking model, aangeduid als CCBM), waarbij NCB’s voor elkaar (en voor de ECB) optreden als bewaarnemers („correspondenten”) van activa in hun lokale depot of afwikkelsysteem. Voor niet-verhandelbare activa, dat wil zeggen kredietvorderingen en RMBD’s, die niet via een effectenafwikkelsysteem kunnen worden overgedragen, kunnen specifieke oplossingen worden toegepast (110). Het CCBM kan worden benut voor het verstrekken van onderpand voor alle soorten krediettransacties van het Eurosysteem. Naast het CCBM kunnen ook erkende koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen worden gebruikt voor de grensoverschrijdende overdracht van verhandelbare activa (111).

6.6.1.   Het correspondentenmodel voor centrale banken

Grafiek 3 illustreert de werking van het CCBM.

Grafiek 3

Het correspondentenmodel voor centrale banken

Image

Ten behoeve van het grensoverschrijdende gebruik van beleenbare activa houden alle NCB’s effectenrekeningen bij elkaar aan. De precieze werking van het CCBM hangt af van de vraag of de beleenbare activa voor een specifieke transactie worden aangewezen („earmarking”) dan wel in een onderpanddepot worden aangehouden („pooling”) (112):

a)

In het geval van „earmarking” geeft de tegenpartij, zodra een kredietinschrijving van de tegenpartij door de NCB van de lidstaat van vestiging (dat wil zeggen de „eigen NCB”) is aanvaard, opdracht (eventueel via de eigen bewaarnemer) aan het effectenafwikkelsysteem in het land waar de verhandelbare activa worden aangehouden om deze over te boeken naar de NCB van dat land op de rekening van de eigen NCB. Zodra die bericht krijgt van de correspondent-centrale bank dat het onderpand is ontvangen, maakt zij de gelden aan de tegenpartij over. NCB’s verstrekken geen gelden voordat zeker is dat de verhandelbare activa van de tegenpartij door de correspondent-centrale bank zijn ontvangen. Waar nodig met het oog op het uiterste tijdstip van afwikkeling kunnen tegenpartijen volgens de procedures van het CCBM activa vooraf bij correspondent-centrale banken op de rekening van de eigen NCB deponeren.

b)

Bij gebruikmaking van een onderpanddepot kan de tegenpartij te allen tijde verhandelbare activa aan de correspondent-centrale bank overmaken op de rekening van de eigen NCB. Zodra de eigen NCB bericht krijgt van de correspondent-centrale bank dat de verhandelbare activa zijn ontvangen, zal zij deze verhandelbare activa opnemen in het onderpanddepot van de tegenpartij.

Voor niet-verhandelbare activa (kredietvorderingen en RMBD’s) zijn specifieke procedures voor grensoverschrijdend gebruik ontwikkeld (113). Wanneer kredietvorderingen in een grensoverschrijdende context als onderpand worden gebruikt, wordt een CCBM-variant voor kredietvorderingen toegepast die gebaseerd is op overdracht van eigendom of cessie aan of verpanding ten gunste van de eigen NCB, of op een andere vorm van verpanding ten gunste van de correspondent-centrale bank die optreedt als vertegenwoordiger van de eigen NCB. Een andere ad-hocvariant gebaseerd op de verpanding ten gunste van de correspondent-centrale bank die optreedt als vertegenwoordiger van de eigen NCB is ingevoerd om grensoverschrijdend gebruik van RMBD’s mogelijk te maken.

Het CCBM is op elke werkdag van het Eurosysteem voor tegenpartijen beschikbaar van 9.00 tot 16.00 uur ECB-tijd (Midden-Europese tijd), zowel voor verhandelbare als niet-verhandelbare activa. Een tegenpartij die gebruik wenst te maken van het CCBM, moet de NCB waarvan zij krediet wenst te ontvangen — de eigen NCB — daarvan vóór 16.00 uur ECB-tijd in kennis stellen. Voorts moet de tegenpartij ervoor zorgen dat het desbetreffende onderpand uiterlijk om 16.45 uur ECB-tijd op de rekening van de correspondent-centrale bank wordt bijgeschreven. Krediet ingevolge later gegeven opdrachten of later uitgevoerde bijschrijvingen kan pas de volgende werkdag worden verleend. Als tegenpartijen verwachten dat zij op een laat tijdstip gebruik moeten maken van het CCBM, moeten zij de activa zoveel mogelijk vooraf deponeren. In uitzonderlijke omstandigheden of als zulks voor monetaire-beleidsdoeleinden is vereist, kan de ECB besluiten de sluiting van het CCBM uit te stellen tot de sluitingstijd van TARGET2.

6.6.2.   Koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen

Naast het CCBM kunnen ook erkende koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen in de Unie worden gebruikt voor de grensoverschrijdende overdracht van verhandelbare activa.

Een directe of indirecte koppeling tussen twee effectenafwikkelsystemen stelt een deelnemer aan het ene systeem in staat in een ander systeem uitgegeven effecten aan te houden zonder aan dat andere systeem deel te nemen (114). Voordat deze koppelingen kunnen worden benut voor het overdragen van onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem, moeten zij worden getoetst aan de normen voor het gebruik van effectenafwikkelsystemen in de Unie (115)  (116).

Vanuit het oogpunt van het Eurosysteem vervullen het CCBM en de koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen in de Unie eenzelfde rol; zij stellen tegenpartijen namelijk in staat onderpand grensoverschrijdend te gebruiken. Beide systemen stellen tegenpartijen in staat onderpand te gebruiken om krediet te verkrijgen van de eigen NCB van het land van vestiging, ook al is dat onderpand uitgegeven in een effectenafwikkelsysteem van een ander land. Het CCBM en de koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen vervullen deze functie elk op hun eigen wijze. Binnen het correspondentenmodel is de grensoverschrijdende relatie er een tussen de NCB’s, die voor elkaar als bewaarnemer optreden. Bij de koppelingen is de grensoverschrijdende relatie er een tussen de effectenafwikkelsystemen, die bij elkaar omnibusrekeningen openen. Bij een correspondent-centrale bank gedeponeerde activa kunnen alleen worden gebruikt als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem. Via een koppeling aangehouden activa kunnen daarnaast ook voor andere door de tegenpartij gekozen doeleinden worden gebruikt. Bij gebruikmaking van koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen houden de tegenpartijen de buitenlandse activa aan op hun eigen rekening bij het effectenafwikkelsysteem van het eigen land en vervalt de behoefte aan een bewaarnemer.

Grafiek 4

Koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen

Image

6.7.   Acceptatie van niet in euro luidend onderpand in noodgevallen

In bepaalde situaties kan de Raad van bestuur ertoe besluiten bepaalde verhandelbare schuldbewijzen die door de overheid van een G10-land dat geen deel uitmaakt van het eurogebied in de desbetreffende nationale valuta zijn uitgegeven, te accepteren als beleenbaar onderpand. In geval van een dergelijk besluit zullen de geldende criteria worden verduidelijkt en moeten tevens de te volgen procedures voor de selectie en mobilisatie van het buitenlandse onderpand, met inbegrip van de waarderingsbronnen en -grondslagen, de risicobeheersingsmaatregelen en de verrekeningsprocedures, aan de tegenpartijen worden medegedeeld.

Niettegenstaande de in paragraaf 6.2.1 beschreven bepalingen kunnen dergelijke activa buiten de EER worden gedeponeerd/geregistreerd (uitgegeven), aangehouden en verevend en kunnen deze, zoals hierboven aangegeven, luiden in valuta’s anders dan de euro. De eigendom van dergelijke door een tegenpartij gebruikte activa dient te liggen bij de tegenpartij.

Tegenpartijen die bijkantoren zijn van kredietinstellingen die buiten de EER of Zwitserland zijn gevestigd, kunnen dergelijke activa niet als onderpand gebruiken.

HOOFDSTUK 7

RESERVEVERPLICHTINGEN  (117)

7.1.   Algemeen

De ECB eist dat kredietinstellingen op rekeningen bij de NCB’s minimumreserves aanhouden in het kader van het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem. Het juridische kader voor dit stelsel is vastgelegd in artikel 19 van de Statuten van het ESCB en van de ECB, Verordening (EG) nr. 2531/98 en Verordening ECB/2003/9. De toepassing van Verordening ECB/2003/9 waarborgt dat de modaliteiten van het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem voor het gehele eurogebied gelijk zijn.

Het door elke instelling aan te houden bedrag aan minimumreserves wordt bepaald in relatie tot de reservebasis van de instelling. Het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem kent een middelingsbepaling waarbij op grond van de gedurende een aanhoudingsperiode aan het eind van elke dag op de reserverekening van een tegenpartij aangehouden bedragen wordt vastgesteld of die tegenpartij aan de reserveverplichting voldoet. Over de door de instellingen aangehouden reserves wordt rente vergoed tegen de rentevoet die geldt voor de basis-herfinancieringstransacties van het Eurosysteem.

Het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem wordt primair gebruikt voor de volgende monetaire-beleidsfuncties:

a)   Het stabiliseren van de geldmarktrente:

de middelingsbepaling in het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem is erop gericht bij te dragen tot het stabiliseren van de geldmarktrente door instellingen aan te sporen de effecten van tijdelijke fluctuaties in liquiditeitsverhoudingen te egaliseren.

b)   Het bewerkstelligen of vergroten van een structureel liquiditeitstekort:

het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem draagt bij tot het bewerkstelligen of vergroten van een structureel liquiditeitstekort. Dit kan het Eurosysteem beter in staat stellen op doelmatige wijze op te treden als verschaffer van liquiditeiten.

Bij het toepassen van reserveverplichtingen is de ECB gehouden overeenkomstig de doelstellingen van het Eurosysteem te handelen, zoals vastgelegd in artikel 127 van het Verdrag en artikel 2 van de ESCB-Statuten, hetgeen onder meer inhoudt dat significante ongewenste delocatie of desintermediatie niet mag worden bevorderd.

7.2.   Reserveplichtige instellingen

Conform artikel 19.1 van de ESCB-Statuten verlangt de ECB dat de in de lidstaten gevestigde kredietinstellingen minimumreserves aanhouden. Dit houdt in dat bijkantoren in het eurogebied van kredietinstellingen die niet gevestigd zijn in het eurogebied, ook onderworpen zijn aan het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem. Bijkantoren buiten het eurogebied van in het eurogebied gevestigde kredietinstellingen zijn echter niet aan dit stelsel onderworpen.

Instellingen worden automatisch vrijgesteld van reserveverplichtingen vanaf het begin van de aanhoudingsperiode waarin hun vergunning wordt ingetrokken of waarin door een rechtbank of andere bevoegde autoriteit van een lidstaat een besluit tot liquidatie van de instelling wordt genomen. Krachtens Verordening (EG) nr. 2531/98 en Verordening ECB/2003/9 kan de ECB op niet-discriminatoire basis ook instellingen vrijstellen van reserveverplichtingen indien deze zijn onderworpen aan saneringsmaatregelen of aan bevriezing van middelen en/of aan andere maatregelen die zijn opgelegd door de Unie krachtens artikel 75 van het Verdrag of door een lidstaat waarbij het gebruik van hun gelden wordt beperkt, of ten aanzien waarvan de Raad van bestuur van de ECB een beschikking heeft uitgevaardigd die hun toegang tot open-markttransacties of de permanente faciliteiten van het Eurosysteem opschort of ontzegt, of indien de doelstellingen van het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem niet zouden zijn gediend met het opleggen van deze verplichtingen aan de desbetreffende instellingen. Indien haar besluit betreffende een dergelijke vrijstelling is gebaseerd op de doelstellingen van het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem, neemt de ECB een of meer van de volgende criteria in acht:

a)

de instelling is gemachtigd uitsluitend bijzondere handelingen te verrichten;

b)

het is de instelling verboden zich actief bezig te houden met bankwerkzaamheden in concurrentie met andere kredietinstellingen, en/of

c)

voor de instelling geldt een juridische verplichting alle deposito’s te hebben bestemd voor doeleinden die verband houden met regionale en/of internationale ontwikkelingsbijstand.

De ECB stelt een lijst van instellingen samen die onderworpen zijn aan het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem, en houdt deze lijst bij. De ECB houdt tevens een openbare lijst bij van instellingen die van hun verplichtingen onder dit stelsel zijn vrijgesteld om andere redenen dan het feit dat zij onderworpen zijn aan saneringsmaatregelen of aan bevriezing van middelen en/of aan andere maatregelen die door de Unie zijn opgelegd krachtens artikel 75 van het Verdrag of door een lidstaat, waarbij het gebruik van hun gelden wordt beperkt, of ten aanzien waarvan de Raad van bestuur van de ECB een beschikking heeft uitgevaardigd die hun toegang tot open-markttransacties of de permanente faciliteiten van het Eurosysteem opschort of ontzegt (118). Tegenpartijen kunnen op grond van deze lijsten uitmaken of hun passiva een andere instelling betreffen die zelf aan reserveverplichtingen is onderworpen. De lijsten, die na het einde van de laatste werkdag van het Eurosysteem van elke kalendermaand openbaar worden gemaakt, dienen als basis voor de berekening van de reservebasis voor de aanhoudingsperiode welke twee kalendermaanden later aanvangt. Zo zal de lijst die eind februari wordt gepubliceerd, gelden als grondslag voor de berekening van de reservebasis voor de aanhoudingsperiode die begint in april.

7.3.   Vaststelling van reserveverplichtingen

7.3.1   Reservebasis en reserveratio’s

De reservebasis van een instelling wordt vastgesteld aan de hand van de balansposten van die instelling. De balansgegevens worden aan de NCB’s gerapporteerd in het bredere kader van de bancaire en monetaire statistieken van de ECB (zie paragraaf 7.5) (119). Voor instellingen die aan de volledige rapportageverplichtingen zijn onderworpen, worden de balansgegevens per de ultimo van een gegeven kalendermaand gebruikt voor de vaststelling van de reservebasis voor de aanhoudingsperiode die de twee kalendermaanden later begint. Zo wordt bijvoorbeeld de reservebasis berekend aan de hand van de balans per ultimo februari gebruikt als grondslag voor de berekening van de reserveverplichting van een tegenpartij gedurende de reserveaanhoudingsperiode die begint in april.

Het rapportagekader voor de monetaire en bancaire statistieken van de ECB voorziet in de mogelijkheid de rapportagelast van kleine instellingen te verlichten. instellingen waarvoor dit geldt, behoeven slechts een beperkt aantal balansgegevens op kwartaalbasis (als kwartaalultimogegevens) te rapporteren, met een uiterste inleverdatum na de overeenkomstige datum voor grotere instellingen. Voor deze instellingen worden de voor een bepaald kwartaal gerapporteerde gegevens gebruikt om, met een vertraging van twee maanden, de reservebasis voor de drie daaropvolgende reserveaanhoudingsperioden vast te stellen. Zo geldt bijvoorbeeld de balans per ultimo van het eerste kwartaal (eind maart) als grondslag voor de berekening van de reservebasis voor de reserveaanhoudingsperioden die beginnen in juni, juli en augustus.

Volgens Verordening (EG) nr. 2531/98 is de ECB gerechtigd uit toevertrouwde gelden resulterende passiva alsmede uit buitenbalansposten voortvloeiende passiva in de reservebasis van instellingen op te nemen. In het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem worden slechts de passiva onder „deposito’s”en „uitgegeven schuldbewijzen” daadwerkelijk in de reservebasis opgenomen (zie kader 9).

Passiva ten opzichte van andere instellingen die aan reserveverplichtingen zijn onderworpen en passiva ten opzichte van de ECB en de deelnemende NCB’s worden niet in de reservebasis opgenomen. In dit verband moet de emittent met betrekking tot de categorie „uitgegeven schuldbewijzen” aantonen voor welk bedrag deze instrumenten worden aangehouden door andere reserveplichtige instellingen alvorens dit bedrag van de reservebasis te mogen aftrekken. Als dit niet kan worden aangetoond, mogen emittenten forfaitaire aftrek toepassen in de vorm van een vast percentage (120) op deze balanspost.

De reserveratio’s worden door de ECB vastgesteld met inachtneming van het in de Verordening (EG) nr. 2531/98 vermelde maximum. De ECB past een uniforme, positieve reserveratio toe op de meeste in de reservebasis opgenomen posten. Deze reserveratio wordt vermeld in Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9). De ECB past een reserveratio van nul toe op de volgende categorieën passiva: „deposito’s met een vaste looptijd van meer dan twee jaar”, „deposito’s met een opzegtermijn van meer dan twee jaar”, „repo’s” en „schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan twee jaar” (zie kader 9). De ECB kan te allen tijde de reserveratio’s wijzigen. Wijzigingen in de reserveratio’s worden door de ECB aangekondigd vóór de eerste reserveaanhoudingsperiode waarvoor de wijziging zal gelden.

7.3.2.   Berekening van reserveverplichtingen

De reserveverplichting van elke afzonderlijke instelling wordt berekend door op het bedrag van de reserveplichtige passiva de reserveratio’s voor de overeenkomstige categorieën passiva toe te passen.

Elke instelling past een uniforme aftrek ter hoogte van 100 000 toe op de reserveverplichting in elke lidstaat waar de instelling een vestiging heeft. Het toestaan van een dergelijke aftrek laat de wettelijke verplichtingen van de aan het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem onderworpen instellingen onverlet (121).

De reserveverplichting voor elke aanhoudingsperiode wordt tot op één euro nauwkeurig afgerond.

KADER 9

Reservebasis en reserveratio’s

A.    In de reservebasis opgenomen passiva waarop de positieve reserveratio van toepassing is

Deposito’s (122)

Girale deposito’s

Deposito’s met een vaste looptijd tot en met twee jaar

Deposito’s met een opzegtermijn tot en met twee jaar

Uitgegeven schuldbewijzen

Schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met twee jaar

B.    In de reservebasis opgenomen passiva waarop een reserveratio van nul van toepassing is

Deposito’s (122)

Deposito’s met een vaste looptijd van meer dan twee jaar

Deposito’s met een opzegtermijn van meer dan twee jaar

Repo’s

Uitgegeven schuldbewijzen

Schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan twee jaar

C.    Niet in de reservebasis opgenomen passiva

Passiva ten opzichte van andere instellingen onderworpen aan het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem

Passiva ten opzichte van de ECB en de deelnemende NCB’s

7.4.   Aanhouding van verplichte reserves

7.4.1.   Aanhoudingsperiode

De ECB publiceert ten minste drie maanden voor het begin van elk jaar een kalender van reserveaanhoudingsperioden (123). De aanhoudingsperiode begint telkens op de dag van de eerste basis-herfinancieringstransactie na de vergadering van de Raad van bestuur waarop de maandelijkse beoordeling van de monetaire-beleidspositie plaatsvindt. In uitzonderlijke gevallen kan de gepubliceerde kalender worden gewijzigd, bijvoorbeeld in samenhang met een wijziging in het vergaderrooster van de Raad van bestuur.

7.4.2.   Plaats van aanhouding

Elke instelling moet haar minimumreserves aanhouden op een of meer reserverekeningen bij de NCB in de lidstaat van vestiging. Bij instellingen met meer dan één vestiging in een lidstaat is het hoofdkantoor ervoor verantwoordelijk dat aan de totale reserveverplichtingen van alle binnenlandse vestigingen van de instelling wordt voldaan (124). Een instelling met vestigingen in meer dan één lidstaat moet minimumreserves aanhouden bij de NCB van elke lidstaat waar zij een vestiging heeft, conform de reservebasis in de desbetreffende lidstaat.

Door instellingen bij de NCB’s aangehouden vereveningsrekeningen kunnen als reserverekeningen worden gebruikt. Op vereveningsrekeningen aangehouden reserves kunnen worden gebruikt voor vereveningen gedurende de dag. De dagelijks aangehouden reserves worden berekend als het saldo op de reserverekening aan het einde van de dag.

Een instelling kan aan de NCB van de lidstaat waar de instelling ingezetene is toestemming vragen alle minimumreserves indirect te mogen aanhouden via een intermediair. Deze mogelijkheid via een intermediair reserves aan te houden is in de regel beperkt tot instellingen die zo zijn georganiseerd dat een deel van het beheer (bijvoorbeeld het liquiditeitenbeheer) normaliter bij de intermediair is ondergebracht (een netwerk van spaarbanken of coöperatieve banken kan bijvoorbeeld het aanhouden van minimumreserves centraliseren). De aanhouding van minimumreserves via een intermediair is onderworpen aan de bepalingen van Verordening ECB/2003/9.

7.4.3.   Rentevergoeding op aangehouden reserves

Over de aangehouden reserves wordt rente vergoed tegen het gemiddelde over de aanhoudingsperiode van het rentetarief van de ECB (gewogen naar het aantal kalenderdagen) voor de basis-herfinancieringstransacties volgens de in kader 10 weergegeven formule. Over reserves die de reserveverplichting te boven gaan, wordt geen rente vergoed. De rente wordt betaald op de tweede werkdag van de NCB na het einde van de desbetreffende aanhoudingsperiode.

KADER 10

Berekening van de rentevergoeding over verplicht aangehouden reserves

Over de verplicht aangehouden reserves wordt rente vergoed volgens de formule:

Formula

Formula

waarbij geldt:

R t

=

Vergoeding betaald over verplichte reserves tijdens reserveaanhoudingsperiode t.

H t

=

Gemiddelde dagelijkse reserveaanhouding tijdens reserveaanhoudingsperiode t.

n t

=

Aantal kalenderdagen in reserveaanhoudingsperiode t.

r t

=

Rente vergoed op verplichte reserves aangehouden gedurende aanhoudings-periode t. De rentevoet wordt standaard afgerond op twee decimalen.

i

=

De i-de kalenderdag van reserveaanhoudingsperiode t.

MR i

=

Marginale rentevoet voor de laatste basis-herfinancieringstransactie uitgevoerd op of vóór kalenderdag i.

7.5.   Kennisgeving van, instemming met en controle op de reservebasis

De in de reservebasis opgenomen posten voor de toepassing van reserveverplichtingen worden door de reserveplichtige instellingen zelf berekend en worden aan de NCB’s gerapporteerd in het algemene kader van de monetaire en bancaire statistieken van de ECB (zie appendix 4). In artikel 5 van Verordening ECB/2003/9 zijn de procedures vastgelegd voor de melding en ontvangstbevestiging van de reservebasis en de reserveverplichting.

De procedure voor kennisgeving en instemming met betrekking tot de hoogte van de minimumreserves is als volgt. De betrokken NCB of de instelling zelf neemt het initiatief tot de berekening van de door de instelling aan te houden minimumreserves tijdens de bewuste reserveaanhoudingsperiode. De partij die de berekening uitvoert, stelt de andere partij uiterlijk drie NCB-werkdagen vóór het begin van de reserveperiode in kennis van de berekende minimumreserves. De betrokken NCB kan als termijn voor de kennisgeving van minimumreserves een vroegere datum vaststellen. Ook kan zij bijkomende termijnen vaststellen voor de kennisgeving door de instelling van eventuele herzieningen van de reservebasis, alsook ten aanzien van eventuele herzieningen van de gerapporteerde minimumreserves. De in kennis gestelde partij stemt uiterlijk op de NCB-werkdag voorafgaande aan het begin van de reserveperiode in met de berekende minimumreserves. Het ontbreken van een reactie van de in kennis gestelde partij op de kennisgeving aan het einde van de NCB-werkdag voorafgaande aan het begin van de reserveaanhoudingsperiode wordt beschouwd als een instemming met het bedrag aan minimumreserves van de instelling voor de betreffende reserveaanhoudingsperiode. Als de in kennis gestelde partij heeft ingestemd met het bedrag aan minimumreserves voor de betreffende reserveaanhoudingsperiode, kan het niet meer worden herzien.

Voor instellingen die toestemming hebben verkregen als intermediair op te treden voor de indirecte aanhouding van reserves ten behoeve van andere instellingen zijn in Verordening ECB/2003/9 speciale rapportage-eisen vastgelegd. De statistische rapportageverplichtingen blijven van kracht ongeacht of instellingen hun reserves via een intermediair aanhouden.

De ECB en de NCB’s zijn, in het kader van de Verordening (EG) nr. 2351/98, gerechtigd de juistheid en de kwaliteit van de verzamelde gegevens te controleren.

7.6.   Niet-nakoming van reserveverplichtingen

Aan de reserveverplichtingen wordt niet voldaan als het gemiddelde van de einde-dagstanden op de reserverekening(en) gedurende de aanhoudingsperiode lager is dan de reserveverplichting voor de desbetreffende aanhoudingsperiode.

Indien een instelling geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft bij de vervulling van de reserveverplichting, is de ECB, krachtens Verordening (EG) nr. 2531/98 van de Raad, gerechtigd een van de volgende sancties op te leggen:

a)

betaling van maximaal 5 procentpunten boven de marginale beleningsrente, toegepast op het bedrag van de door de betrokken instelling niet aangehouden minimumreserves, of

b)

betaling van maximaal tweemaal de marginale beleningsrente, toegepast op het bedrag van de door de betrokken instelling niet aangehouden minimumreserves, of

c)

verplichte storting door de betrokken instelling van een niet-rentedragend deposito bij de ECB of de NCB’s tot ten hoogste driemaal het bedrag van de niet door de betrokken instelling aangehouden minimumreserves. De termijn van het deposito is niet langer dan de periode gedurende welke de instelling de minimumreserves niet aanhield.

Indien een instelling niet voldoet aan andere verplichtingen opgelegd ingevolge verordeningen of beschikkingen van de ECB met betrekking tot de reserveverplichtingen van het Eurosysteem (als bijvoorbeeld gegevens niet tijdig of niet juist worden gerapporteerd), is de ECB gerechtigd sancties op te leggen conform Verordening (EG) nr. 2532/98 en Verordening ECB/1999/4. De directie van de ECB kan de criteria vaststellen en bekendmaken op grond waarvan de in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2531/98 genoemde sancties worden toegepast (125).

Bovendien kan het Eurosysteem, bij ernstige overtreding van de reserveverplichtingen, de toegang van tegenpartijen tot open-markttransacties opschorten.


(1)  Opgemerkt dient te worden dat de centrale banken van die EU-lidstaten die de euro niet als munt hebben hun bevoegdheden op het gebied van monetair beleid krachtens nationale wetgeving behouden en derhalve niet betrokken zijn bij de uitvoering van het gemeenschappelijke monetaire beleid.

(2)  In dit document heeft de term „NCB’s” betrekking op de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben.

(3)  Op dergelijke informatie is het beroepsgeheim van toepassing zoals uiteengezet in artikel 37 van de ESCB-Statuten.

(4)  In dit document heeft de term „lidstaat” betrekking op een lidstaat die de euro als munt heeft

(5)  De verschillende procedures voor het uitvoeren van open-markttransacties door het Eurosysteem, d.w.z. standaardtenders, snelle tenders en bilaterale transacties, worden beschreven in hoofdstuk 5. Standaardtenders worden uitgevoerd binnen een tijdsbestek van 24 uur, gerekend vanaf de aankondiging van de tender tot en met de certificering van het toewijzingsresultaat. Alle tegenpartijen die aan de in paragraaf 2.1 neergelegde algemene criteria voldoen, kunnen deelnemen aan standaardtenders. Snelle tenders worden normaliter uitgevoerd binnen een tijdsbestek van 90 minuten. Het Eurosysteem kan een beperkt aantal tegenpartijen selecteren voor deelname aan snelle tenders. De term bilaterale transacties heeft betrekking op die gevallen waarin het Eurosysteem een transactie aangaat met één tegenpartij of enkele tegenpartijen zonder gebruik te maken van tenderprocedures. Bilaterale transacties omvatten tevens transacties die via effectenbeurzen of marktagenten worden uitgevoerd.

(6)  Met betrekking tot rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapieren worden a priori geen beperkingen gesteld aan tegenpartijen.

(7)  Het geharmoniseerde toezicht op kredietinstellingen is gebaseerd op Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1).

(8)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4.

(9)  PB L 264 van 12.10.1999, blz. 21.

(10)  PB L 318 van 27.11.1998, blz. 1.

(11)  PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10.

(12)  Wanneer van toepassing, met betrekking tot margestortingen.

(13)  De basis- en de langer lopende herfinancieringstransacties worden uitgevoerd conform de vooraf bekendgemaakte tenderkalender van het Eurosysteem, (zie ook paragraaf 5.1.2), die te vinden is op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu, en op de websites van het Eurosysteem (zie appendix 5).

(14)  In incidentele gevallen kan de looptijd van de basis- en de langer lopende herfinancieringstransacties wisselen, afhankelijk van onder meer officiële feestdagen in de lidstaten.

(15)  De basis- en de langer lopende herfinancieringstransacties worden uitgevoerd conform de vooraf bekendgemaakte tenderkalender van het Eurosysteem (zie ook paragraaf 5.1.2), die te vinden is op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu) en op de websites van het Eurosysteem (zie appendix 5).

(16)  In incidentele gevallen kan de looptijd van de basis- en de langer lopende herfinancieringstransacties wisselen, afhankelijk van onder meer officiële feestdagen in de lidstaten.

(17)  Termijndeposito’s worden aangehouden op rekeningen bij de NCB’s, ook wanneer de transacties centraal door de ECB worden uitgevoerd.

(18)  Sinds 19 mei 2008 is de gedecentraliseerde technische infrastructuur van TARGET vervangen door TARGET2. TARGET2 bestaat uit één gezamenlijk platform (via welke alle betalingsopdrachten worden aangeleverd en verwerkt en via welke betalingen technisch identiek worden ontvangen) en, waar van toepassing, de eigen boekhoudsystemen van NCB’s.

(19)  Daarnaast wordt toegang tot de marginale beleningsfaciliteit slechts verleend aan tegenpartijen die toegang hebben tot een rekening bij de NCB waar de transactie kan worden verevend, bijvoorbeeld in het gezamenlijke platform van TARGET2.

(20)  In een aantal lidstaten kunnen de NCB of een aantal van haar filialen op bepaalde werkdagen van het Eurosysteem vanwege nationale of regionale feestdagen niet geopend zijn voor het uitvoeren van monetaire beleidstransacties. In dergelijke gevallen is de NCB verantwoordelijk voor het voorafgaandelijk informeren van tegenpartijen over de uit te voeren regelingen voor toegang tot de marginale beleningsfaciliteit op de feestdag.

(21)  TARGET2-sluitingsdagen worden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu en op de websites van het Eurosysteem aangekondigd (zie appendix 5).

(22)  In dit document heeft de term „werkdag van het Eurosysteem” betrekking op elke dag waarop de ECB en tenminste één nationale centrale bank zijn geopend voor het verrichten van monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem.

(23)  De Raad van bestuur besluit doorgaans over rentewijzigingen wanneer de Raad de monetaire-beleidskoers beoordeelt tijdens de eerste vergadering van de maand. Doorgaans worden dergelijke besluiten pas bij aanvang van de nieuwe reserveaanhoudingsperiode van kracht.

(24)  Er kunnen zich tussen de eurolanden operationele verschillen voordoen als gevolg van verschillen in rekeningstructuren tussen nationale centrale banken.

(25)  Als gevolg van verschillen in rekeningstructuren tussen de diverse nationale centrale banken kan de ECB toestaan dat nationale centrale banken toegangsvoorwaarden hanteren die enigszins afwijken van de hier vermelde voorwaarden. De nationale centrale banken zullen omtrent dergelijke afwijkingen informatie verstrekken

(26)  Daarnaast wordt toegang tot de depositofaciliteit slechts verleend aan tegenpartijen die toegang hebben tot een rekening bij de NCB waar de transactie kan worden verevend, bijvoorbeeld in het gezamenlijke platform van TARGET2.

(27)  Daarnaast wordt toegang tot de marginale beleningsfaciliteit slechts verleend aan tegenpartijen die toegang hebben tot een rekening bij de NCB waar de transactie kan worden verevend, bijvoorbeeld in het gezamenlijke platform van TARGET2.

(28)  In dit document heeft de term „werkdag van het Eurosysteem” betrekking op elke dag waarop de ECB en tenminste één nationale centrale bank zijn geopend voor het verrichten van monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem.

(29)  De Raad van bestuur besluit doorgaans over rentewijzigingen wanneer de Raad de monetaire-beleidskoers beoordeelt tijdens de eerste vergadering van de maand. Doorgaans worden dergelijke besluiten pas bij aanvang van de volgende reserveaanhoudingsperiode van kracht

(30)  Bij een vaste deviezenswaptender stelt de ECB de swappunten voor de transactie vast en geven tegenpartijen het vaste bedrag aan vreemde valuta op dat zij tegen die koers willen verkopen (en terugkopen) of kopen (en weer verkopen).

(31)  Bij een variabele deviezenswaptender doen de tegenpartijen opgave van het vaste bedrag aan vreemde valuta waarvoor en het swappunt waarop zij de transactie wensen aan te gaan.

(32)  De kalender voor de tendertransacties van het Eurosysteem kan worden gevonden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu en op de websites van het Eurosysteem (zie appendix 5).

(33)  In dit document heeft de term „werkdag van een NCB” betrekking op elke dag waarop de NCB van een bepaalde lidstaat is geopend voor het verrichten van monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem. In sommige lidstaten kunnen bijkantoren van de NCB op werkdagen van de NCB gesloten zijn, wegens lokale of regionale feestdagen. In dat geval moet de desbetreffende NCB tegenpartijen tevoren informeren over de regelingen ter zake van transacties waarbij deze bijkantoren zijn betrokken.

(34)  In verband met de eindejaarsperiode wordt de transactie van december normaliter één week vervroegd, dus tot de voorafgaande woensdag.

(35)  Bij een vaste-deviezenswap moet het vaste bedrag aan vreemde valuta worden opgegeven waarvoor de tegenpartij de transactie met het Eurosysteem wenst aan te gaan.

(36)  Ten aanzien van de uitgifte van ECB-schuldbewijzen kan de ECB besluiten dat inschrijvingen moeten luiden in de vorm van een koers in plaats van een rentevoet. In dat geval worden de koersen uitgedrukt als percentage van het nominale bedrag.

(37)  Bij een variabele-deviezenswaptender moet het vaste bedrag aan vreemde valuta worden opgegeven waarvoor de tegenpartij de transactie met het Eurosysteem wenst aan te gaan, alsmede het bijbehorende swappunt.

(38)  Of in liquide middelen te kunnen voldoen bij liquiditeitsverkrappende transacties.

(39)  Opgegeven swappunten worden in oplopende volgorde gerangschikt met inachtneming van het teken, dat afhangt van het teken van het renteverschil tussen de vreemde valuta en de euro. Indien gedurende de looptijd van de swap de rentevoet op de vreemde valuta hoger is dan de overeenkomstige rentevoet op de euro, is het opgegeven swappunt positief (en doet de euro agio ten opzichte van de vreemde valuta). Omgekeerd is, wanneer de rentevoet op de vreemde valuta lager is dan de overeenkomstige rentevoet op de euro, het opgegeven swappunt negatief (en doet de euro disagio ten opzichte van de vreemde valuta).

(40)  De Raad van bestuur van de ECB kan besluiten of onder uitzonderlijke omstandigheden deze transacties door de ECB zelf kunnen worden uitgevoerd.

(41)  De normen ten aanzien van effectenafwikkelsystemen in het eurogebied en een geactualiseerde lijst van de erkende koppelingen tussen deze systemen zijn te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(42)  In de tabel is T de transactiedag. De aanduiding van de verrekeningsdatum is gebaseerd op werkdagen van het Eurosysteem.

(43)  Als de normale verrekeningsdatum voor de basis- of de langer lopende herfinancieringstransacties samenvalt met een officiële vrije dag, kan de ECB besluiten een andere verrekeningsdatum toe te passen, met inbegrip van verrekening op dezelfde dag. De verrekeningsdata voor de basis- en de langer lopende herfinancieringstransacties worden tevoren vastgelegd in de tenderkalender van het Eurosysteem (zie paragraaf 5.1.2).

(44)  Liquiditeitsverkrappende rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier en open-markttransacties met wederinkoop zijn ook gebaseerd op beleenbare activa. Voor de bij liquiditeitsverkrappende open-markttransacties met wederinkoop gebruikte beleenbare activa zijn de criteria dezelfde als die voor activa gebruikt bij liquiditeitsverruimende open-markttransacties met wederinkoop. Bij liquiditeitsverkrappende transacties worden echter geen surpluspercentages gehanteerd.

(45)  Tijdens de overgangsperiode tot 2013 mogen een beperkt aantal beleenbaarheids- en operationele criteria in het eurogebied voor een specifieke activacategorie van niet-verhandelbare activa, vorderingen, verschillen (zie paragraaf 6.2.2).

(46)  Deze lijst, die dagelijks wordt geactualiseerd, is te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu. Verhandelbare activa die zijn uitgegeven door niet-financiële vennootschappen zonder dat de emissie, emittent of garant door een externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) is beoordeeld, worden niet opgenomen in de openbare lijst van beleenbare verhandelbare activa. De beleenbaarheid van deze schuldbewijzen hangt af van de kredietbeoordeling van de door de respectieve tegenpartij gekozen bron voor kredietbeoordeling, in overeenstemming met de in paragraaf 6.3.3.1 uiteengezette ECAF-regelgeving die van toepassing is op kredietvorderingen.

(47)  Obligaties met garanties of andere daaraan verbonden soortgelijke rechten zijn niet beleenbaar.

(48)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (ICBE’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(49)  Dit vereiste sluit effecten op onderpand van activa niet uit indien de emissiestructuur twee SPV’s omvat en met betrekking tot die SPV’s is voldaan aan het „echte verkoop”-vereiste, waardoor de door de tweede SPV uitgegeven schuldbewijzen direct of indirect zijn gedekt door de oorspronkelijk pool van activa en alle kasstromen van de kasstroom genererende activa van het eerste naar het tweede SPV worden overgedragen.

(50)  Deze beperking omvat geen swaps die in transacties van effecten op onderpand van activa strikt voor risicodekkingsdoeleinden worden gebruikt.

(51)  Effecten op onderpand van activa die per 10 oktober 2010 op de lijst van beleenbare verhandelbare activa staan, worden uitgezonderd van dit vereiste en blijven beleenbaar tot 9 oktober 2011.

(52)  Effecten op onderpand van activa die per 10 oktober 2010 op de lijst van beleenbare verhandelbare activa staan, worden uitgezonderd van dit vereiste en blijven beleenbaar tot 9 oktober 2011.

(53)  Effecten op onderpand van activa die per 10 oktober 2010 op de lijst van beleenbare verhandelbare activa staan, worden uitgezonderd van dit vereiste en blijven beleenbaar tot 9 oktober 2011.

(54)  Internationale wereldwijde schuldbewijzen aan toonder die zijn uitgegeven op of na 1 januari 2007 via de internationale effectenbewaarinstellingen Euroclear Bank (België) en Clearstream Banking Luxembourg, zijn alleen beleenbaar als ze worden uitgegeven in de vorm van „new global notes” en moeten worden gedeponeerd bij een common safekeeper (CSK), die een internationale effectenbewaarinstelling dient te zijn, of, indien van toepassing, een centrale effectenbewaarinstelling die aan de minimumnormen van de ECB voldoet. Internationale wereldwijde schuldbewijzen aan toonder die vóór 1 januari 2007 als „classical global notes” zijn uitgegeven, en fungibele effecten uitgegeven met dezelfde ISIN-code op of na deze datum blijven tot het einde van hun looptijd beleenbaar. Internationale wereldwijde schuldbewijzen op naam die zijn uitgegeven na 30 september 2010 via de internationale effectenbewaarinstellingen Euroclear Bank (Belgium) en Clearstream Banking Luxembourg, zijn alleen beleenbaar als zij zijn uitgegeven onder de nieuwe bewaringsstructuur voor internationale schuldbewijzen. Internationale wereldwijde schuldbewijzen op naam die zijn uitgegeven vóór of op die datum, blijven tot het einde van hun looptijd beleenbaar. Internationale schuldbewijzen in de vorm van individuele notes zijn niet langer beleenbaar indien ze zijn uitgegeven na 30 september 2010. Internationale schuldbewijzen in de vorm van individuele notes die zijn uitgegeven vóór of op die datum, blijven tot het einde van hun looptijd beleenbaar.

(55)  Niet-financiële vennootschappen als gedefinieerd in het Europees Systeem van Rekeningen 1995 (ESR 95).

(56)  De normen ten aanzien van het gebruik van effectenafwikkelsystemen in het eurogebied en een geactualiseerde lijst van de erkende koppelingen tussen deze systemen zijn te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(57)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

(58)  Een lijst van aanvaarde niet-gereguleerde markten, die ten minste eenmaal per jaar wordt bijgewerkt, kan worden geraadpleegd op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(59)  Veiligheid, transparantie en toegankelijkheid worden door het Eurosysteem uitsluitend gedefinieerd in termen van de uitoefening van de onderpandbeheerfunctie van het Eurosysteem. Het selectieproces is niet gericht op een beoordeling van de intrinsieke kwaliteit van de verschillende markten. De beginselen kunnen als volgt worden opgevat: veiligheid wordt geïnterpreteerd als zekerheid met betrekking tot transacties; met name zekerheid met betrekking tot de geldigheid en afdwingbaarheid van transacties. Transparantie wordt geïnterpreteerd als onbelemmerde toegang tot informatie over de op de desbetreffende markt geldende regels betreffende procedures en bedrijfsvoering; de financiële kenmerken van de activa; het prijsvormingsmechanisme; de desbetreffende prijzen en hoeveelheden (koersen, rentetarieven, handelsvolumes, uitstaande bedragen enz.) Toegankelijkheid heeft betrekking op de mogelijkheid voor het Eurosysteem deel te nemen aan en toegang te hebben tot de markt. Een markt is toegankelijk voor onderpandbeheerdoeleinden wanneer zijn regels betreffende procedures en bedrijfsvoering het het Eurosysteem mogelijk maken informatie te verkrijgen en transacties te verrichten wanneer dit voor deze doeleinden nodig is.

(60)  Onder G10-landen buiten de EER vallen momenteel de Verenigde Staten, Canada, Japan en Zwitserland.

(61)  Beleenbare activa die voor 1 januari 2007 zijn uitgegeven door een niet in de EER of in een van de niet-EER G10 landen gevestigde entiteit, maar worden gegarandeerd door een in de EER gevestigde entiteit, blijven tot 31 december 2011 beleenbaar, indien zij voldoen aan de overige beleenbaarheidscriteria en tevens aan de in paragraaf 6.3.2 uiteengezette op garanties toepasselijke vereisten, en worden na deze datum niet-beleenbaar.

(62)  Als zodanig of in de nationale uitdrukkingen van de euro.

(63)  Tussen 2007 en 2013 geldt voor kredietvorderingen een overgangsregeling, waarbij elke nationale centrale bank zelf de drempelwaarde kan bepalen waarboven kredietvorderingen als onderpand in aanmerking komen (afgezien van grensoverschrijdend gebruik) en kan beslissen of transactiekosten in rekening worden gebracht. In de loop van 2013 zal een uniforme regeling gaan gelden.

(64)  Kredietvorderingen worden ook „bankleningen” genoemd. Schuldscheindarlehen en Nederlandse geregistreerde particuliere vorderingen op de overheid of andere in aanmerking komende debiteuren die door een overheidsgarantie worden gedekt (bijvoorbeeld woningcorporaties) worden met kredietvorderingen gelijkgesteld.

(65)  Als gedefinieerd in ESR 95.

(66)  Als zodanig of in de nationale uitdrukkingen van de euro.

(67)  Ierse hypothecaire promessen zijn momenteel de enige activa in deze categorie.

(68)  Als zodanig of in de nationale uitdrukkingen van de euro.

(69)  Een tegenpartij die gebruikmaakt van activa die, op grond van het feit dat tegenpartij en emittent/debiteur/garant dezelfde zijn of omdat er sprake is van nauwe banden, niet of niet langer mogen worden gebruikt als onderpand op een uitstaand krediet, is verplicht de betrokken nationale centrale bank hiervan onverwijld in kennis te stellen. Aan deze activa zal op de eerstvolgende waarderingsdatum de waarde nihil worden toegekend, waarbij eventueel een margestorting zal worden gevraagd (zie ook appendix 6). Tevens dient de tegenpartij het activum zo spoedig mogelijk terug te trekken.

(70)  Raadpleeg voor nadere details paragraaf 6.2.1

(71)  Raadpleeg voor nadere details paragraaf 6.2.2.

(72)  De kwaliteit van door niet-financiële vennootschappen uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen zonder rating wordt beoordeeld door de door de desbetreffende tegenpartij gekozen bron, in overeenstemming met de in paragraaf 6.3.3 uiteengezette ECAF-regels die van toepassing zijn op kredietvorderingen. In geval van deze verhandelbare schuldbewijzen worden de volgende beleenbaarheidscriteria voor verhandelbare activa aangepast: plaats van vestiging van de debiteur/garant: eurogebied; plaats van uitgifte: eurogebied.

(73)  De geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem wordt gepubliceerd op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu. Een kredietbeoordeling van kredietkwaliteitsstap 3 betekent een minimale langetermijnrating van „BBB-" door Fitch of Standard & Poor’s, van „Baa3” door Moody’s, of van „BBB” door DBRS.

(74)  De richtlijn kapitaalvereisten behelst Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1) en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201.)

(75)  „Triple A” wil zeggen een minimale langetermijnrating van „AAA” door Fitch, Standard & Poor’s of DBRS of „Aaa” door Moody’s of, indien dit niet beschikbaar is, een kortetermijnrating van „F1+" door Fitch, of „A-1+" door Standard & Poor’s, of „R-1H” door DBRS.

(76)  „Single A” wil zeggen een minimale langetermijnrating van „A-" door Fitch of Standard & Poor’s, of „A3” door Moody’s, of „AL” door DBRS.

(77)  Als voor dezelfde emittent/debiteur of garant meerdere, onderling strijdige EKBI-beoordelingen voorhanden zijn, wordt de first-best-regel toegepast (dat wil zeggen de beste van de beschikbare EKBI-kredietbeoordelingen).

(78)  De hoge kredietstandaards voor gedekte bankbrieven die vanaf 1 januari 2008 worden uitgegeven, worden op basis van de hiervoor genoemde reeks criteria beoordeeld. Gedekte bankbrieven die voor 1 januari 2008 worden uitgegeven, worden geacht aan hoge kredietstandaards te voldoen, indien zijn nauwgezet voldoen aan de in artikel 52, lid 4, van de ICBE-richtlijn.

(79)  Deze informatie wordt bekendgemaakt op de ECB-website op www.ecb.europa.eu.

(80)  Ten aanzien van de tweede EKBI-kredietbeoordeling, betreft de kredietbeoordeling bij uitgifte de eerste door de EKBI afgegeven of bekendgemaakte kredietbeoordeling.

(81)  De aanmeldende nationale centrale bank is in de regel de nationale centrale bank van het land waar het activum zal worden toegelaten tot de handel of verhandeld wordt op een aanvaardbare markt. Geschiedt dit laatste in meer dan één markt, dan moeten alle inlichtingen dienaangaande worden ingewonnen bij de „beleenbareactivalijn” van de Europese Centrale Bank (Eligible-Assets.hotline@ecb.europa.eu).

(82)  Lijsten van entiteiten die tot de drie categorieën behoren evenals de criteria voor de classificatie van emittenten, debiteuren of garanten worden naar verwachting samen met de links naar de relevante websites van de nationale toezichthoudende autoriteiten bekendgemaakt op de website van de Europese Bankautoriteit op www.eba.europa.eu.

(83)  Niet-financiële vennootschappen worden gedefinieerd zoals in het Europees Systeem van Rekeningen 1995 (ESR 95).

(84)  Informatie over de kredietkwaliteitsstappen is te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(85)  Bij verhandelbare activa uitgegeven door niet-financiële vennootschappen die niet zijn beoordeeld door een aanvaarde externe kredietbeoordelingsinstelling is dit vereiste van toepassing op de kredietbeoordeling van emittenten.

(86)  Als voor dezelfde emittent/debiteur of garant meerdere, onderling strijdige EKBI-beoordelingen voorhanden zijn, wordt de first-best-regel toegepast (dat wil zeggen de beste van de beschikbare EKBI-kredietbeoordelingen).

(87)  Lijsten van entiteiten die tot de drie categorieën behoren evenals de criteria voor de classificatie van emittenten, debiteuren of garanten worden naar verwachting samen met de links naar de relevante websites van de nationale toezichthoudende autoriteiten bekendgemaakt op de website van de Europese Bankautoriteit op www.eba.europa.eu

(88)  Indien de tegenpartij een EKBI als kredietbeoordelingsbron heeft geselecteerd, mag zij de first-bestregel hanteren; Als voor dezelfde emittent/debiteur of garant meerdere, onderling strijdige EKBI-beoordelingen voorhanden zijn, wordt de first-best-regel toegepast.

(89)  Bij bepaalde kredietbeoordelingssystemen kan de kredietkwaliteitsdrempel worden aangepast aan de hand van de krediettoezichtsprocedure (zie paragraaf 6.3.5).

(90)  Zoals gespecificeerd op de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem, gepubliceerd op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(91)  Het Eurosysteem maakt deze gegevens uitsluitend in samenhang met zijn krediettransacties bekend en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor zijn evaluatie van de aanvaarde kredietbeoordelingssystemen.

(92)  EKBI’s worden in de financiële markten gewoonlijk „rating agencies” genoemd.

(93)  Indien nodig moet de documentatie in de werktaal van de eigen NCB worden vertaald.

(94)  De aanvaardingscriteria zijn te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(95)  De tegenpartij is gehouden de RT-verstrekker onverwijld op de hoogte te stellen van eventuele kredietproblemen die op een verlaging van de kredietkwaliteit zouden kunnen wijzen.

(96)  PD(i,t) betreft het wanbetalingsrisico dat door het kredietbeoordelingssysteem is toegewezen aan de debiteur i op t.

(97)  Als gevolg van operationele verschillen tussen lidstaten kunnen zich verschillen in het risicobeheersingskader voordoen. Bij de procedure voor de levering door tegenpartijen van beleenbare activa aan de nationale centrale banken (in de vorm van een aan de nationale centrale bank verpand onderpanddepot of als repo’s op basis van voor elke transactie afzonderlijk gespecificeerde activa) kunnen zich bijvoorbeeld geringe verschillen voordoen met betrekking tot het tijdstip van waardering en andere operationele kenmerken van het risicobeheersingskader. Daarnaast kan bij niet-verhandelbare activa de nauwkeurigheid van waarderingstechnieken uiteenlopen, hetgeen wordt weerspiegeld in het algehele niveau van de surpluspercentages (zie paragraaf 6.4.3).

(98)  De surpluspercentages voor schuldbewijzen met een vaste couponrente gelden eveneens voor schuldbewijzen waarvan de couponrente is gekoppeld aan een verandering van de krediet beoordeling („rating”) van de emittent zelf of aan inflatiegeïndexeerde obligaties.

(99)  In het algemeen wordt de liquiditeitscategorie bepaald door de classificatie van de emittent. Alle effecten op onderpand van activa vallen echter ongeacht de classificatie van de emittent in categorie V, en gedekte bankbrieven van het Jumbo-type in categorie II, terwijl traditionele gedekte bankbrieven, overige gedekte bankbrieven en overige door kredietinstellingen uitgegeven schuldbewijzen in categorie III en IV vallen.

(100)  Schuldbewijzen die door de ECB of door de NCB’s zijn uitgegeven voordat de desbetreffende lidstaat overging op de euro, zijn opgenomen in categorie I.

(101)  De categorie gedekte bankbrieven van het Jumbo-type omvat uitsluitend schuldbewijzen met een geëmitteerde som van ten minste 1 miljard EUR, waarvoor door ten minste drie grote marktpartijen regelmatig bied- en laatkoersen worden genoteerd.

(102)  In liquiditeitscategorie II worden uitsluitend verhandelbare activa opgenomen waarvan de emittenten door de ECB zijn aangemerkt als agentschappen. Verhandelbare activa uitgegeven door andere agentschappen vallen onder categorie III of IV, afhankelijk van de emittent en type activa.

(103)  Niet ECBI-conforme gedekte bankbrieven, met inbegrip van zowel gestructureerde gedekte bankbrieven en gedekte bankbrieven van meerdere emittenten worden opgenomen in liquiditeitscategorie III.

(104)  De couponrente geldt als variabel indien de coupon is gekoppeld aan een referentierente en de periode tussen twee couponvaststellingen niet langer is dan één jaar. Coupons met een vaststellingsperiode van langer dan één jaar worden behandeld als vastrentende instrumenten, waarbij de resterende looptijd van het instrument geldt als de voor het surpluspercentage relevante looptijd.

(105)  Op individuele effecten op onderpand van activa, gedekte bankbrieven (gedekte bankbrieven van het „Jumbo”-type, traditionele gedekte bankbrieven en overige gedekte bankbrieven) en ongedekte bankbrieven die theoretisch worden gewaardeerd conform paragraaf 6.5, wordt een additioneel surpluspercentage toegepast. Dit surpluspercentage wordt rechtstreeks toegepast op het niveau van de theoretische waardering van het individuele schuldinstrument in de vorm van een verlaging van de waardering met 5 %.

(106)  Ratings zoals gespecificeerd op de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem, gepubliceerd op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(107)  Een schuldbewijs dat bij een krediettransactie van het Eurosysteem wordt gebruikt op het moment dat het van de lijst van beleenbare verhandelbare activa wordt uitgesloten, moet zo spoedig mogelijk worden vervangen.

(108)  De surpluspercentages die worden toegepast op kredietvorderingen met vaste rentebetalingen, worden eveneens toegepast op kredietvorderingen waarvan de rentebetalingen zijn gekoppeld aan het inflatiepercentage.

(109)  NCB’s kunnen besluiten schuldbewijzen met een inkomensstroom (bijvoorbeeld een couponbetaling) in de periode tot de vervaldatum van de monetaire-beleidstransactie niet te aanvaarden als onderpand bij transacties met wederinkoop (zie paragraaf 6.2.3).

(110)  Voor meer gegevens wordt verwezen naar de brochure „Correspondentenmodel voor centrale banken (CCBM); procedures voor tegenpartijen van het Eurosysteem” op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(111)  Beleenbare activa kunnen worden benut via een rekening van een centrale bank bij een effectenafwikkelsysteem in een ander land dan dat van de desbetreffende centrale bank als het Eurosysteem het gebruik van een dergelijke rekening heeft goedgekeurd. Per 1999 heeft De Nederlandsche Bank toestemming haar rekening bij Euroclear (België) te gebruiken om onderpandtransacties af te wikkelen in de euro-obligaties die door die ICSD zijn uitgegeven. Per augustus 2000 heeft de Central Bank and Financial Services Authority of Ireland toestemming een dergelijke rekening bij Euroclear te openen. Deze rekening kan worden gebruikt voor alle bij Euroclear aangehouden beleenbare activa, met inbegrip van beleenbare activa die via erkende koppelingen aan Euroclear zijn overgedragen.

(112)  Voor meer gegevens wordt verwezen naar de brochure „Correspondentenmodel voor centrale banken (CCBM); procedures voor tegenpartijen van het Eurosysteem” op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(113)  Voor meer gegevens wordt verwezen naar de brochure „Correspondentenmodel voor centrale banken (CCBM); procedures voor tegenpartijen van het Eurosysteem” op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(114)  Een koppeling tussen twee effectenafwikkelsystemen bestaat uit een serie procedures en regelingen tussen dergelijke systemen voor de onderlinge girale overdracht van effecten. Een koppeling heeft de vorm van een omnibusrekening geopend door een effectenafwikkelsysteem (het inbrengende systeem) in een ander effectenafwikkelsysteem (het uitgevende systeem). Bij een rechtstreekse koppeling is er geen intermediair tussen de twee effectenafwikkelsystemen. Indirecte koppelingen tussen effectenafwikkelsystemen mogen ook worden gebruikt voor de grensoverschrijdende overdracht van effecten aan het Eurosysteem. Een indirecte koppeling is een contractuele en technische regeling waardoor twee niet rechtstreeks met elkaar gekoppelde effectenafwikkelsystemen effectentransacties kunnen uitwisselen of effecten kunnen overdragen via een derde effectenafwikkelsysteem dat als intermediair optreedt.

(115)  De geactualiseerde lijst van erkende koppelingen is te vinden op de website van de ECBop www.ecb.europa.eu.

(116)  Zie „Standards for the use of EU securities settlement systems in ESCB credit operations”, uitgegeven door het Europees Monetair Instituut in januari 1998, te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu.

(117)  De inhoud van dit hoofdstuk is uitsluitend ter informatie.

(118)  Deze lijsten zijn beschikbaar voor het publiek op de website van de ECB (www.ecb.europa.eu).

(119)  Het rapportagekader voor de monetaire en bancaire statistieken van de Europese Centrale Bank wordt beschreven in appendix 4.

(120)  Zie Verordening ECB/2003/9. Nadere informatie omtrent de forfaitaire aftrek is te vinden op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu en op de websites van het Eurosysteem (zie appendix 5).

(121)  Met betrekking tot instellingen die, conform de bepalingen van het rapportagekader voor de monetaire en bancaire statistieken van de ECB, statistische gegevens op geaggregeerde basis als groep mogen rapporteren (zie appendix 4), zal slechts één aftrek aan de groep als geheel worden toegekend, tenzij deze instellingen zodanig gedetailleerde gegevens over de reservebasis en de aangehouden reserves verstrekken dat het Eurosysteem de juistheid en de kwaliteit van de gegevens kan controleren en de reserveverplichting voor elke afzonderlijke instelling binnen de groep kan vaststellen.

(122)  Verordening (EG) nr. 25/2009 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2008 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2008/32) (PB L 15 van 20.1.2009, blz. 14) bepaalt uitdrukkelijk dat depositoverplichtingen tegen hun nominale waarde dienen te worden gerapporteerd. Nominale waarde wil zeggen het bedrag van de hoofdsom die een debiteur contractueel verplicht is aan een crediteur terug te betalen. Deze wijziging was noodzakelijk omdat Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1) was gewijzigd, zodat bepaalde financiële instrumenten tegen reële waarde konden worden gewaardeerd.

(123)  De kalender wordt normaliter bekendgemaakt in een persbericht van de ECB opgenomen op de website van de ECB op www.ecb.europa.eu. Bovendien wordt de kalender gepubliceerd in het Publicatieblad en op de websites van het Eurosysteem (zie appendix 5).

(124)  Indien een instelling geen hoofdkantoor heeft in een lidstaat van vestiging, moet deze instelling een eerste bijkantoor aanwijzen, dat er dan verantwoordelijk voor is dat aan de totale reserveverplichtingen van alle vestigingen van de instelling in de desbetreffende lidstaat wordt voldaan.

(125)  Deze criteria zijn gepubliceerd als „Kennisgeving van de Europese Centrale Bank betreffende het opleggen van sancties voor niet-naleving van de verplichting tot het aanhouden van minimumreserves” (PB C 39 van 11.2.2000, blz. 3).

Appendix 1

VOORBEELDEN VAN MONETAIRE-BELEIDSTRANSACTIES EN -PROCEDURES

Inhoud

Voorbeeld 1

Liquiditeitsverruimende transactie met wederinkoop door middel van een vaste-rentetender

Voorbeeld 2

Liquiditeitsverruimende transactie met wederinkoop door middel van een variabele-rentetender

Voorbeeld 3

Uitgifte van ECB-schuldbewijzen door middel van een variabele-rentetender

Voorbeeld 4

Liquiditeitsverkrappende deviezenswap door middel van een variabele-rentetender

Voorbeeld 5

Liquiditeitsverruimende deviezenswap door middel van een variabele-rentetender

Voorbeeld 6

Maatregelen ter beheersing van risico’s

VOORBEELD 1

Liquiditeitsverruimende transactie met wederinkoop door middel van een vaste-rentetender

De ECB besluit liquiditeiten aan de markt te verstrekken door middel van een transactie met wederinkoop in de vorm van een vaste-rentetender.

Door drie tegenpartijen worden de volgende inschrijvingen ingediend:

(miljoen EUR)

Tegenpartij

Inschrijving

Bank 1

30

Bank 2

40

Bank 3

70

Totaal

140

De ECB besluit een totaal van 105 miljoen EUR toe te wijzen.

Het toewijzingspercentage is:

Formula

De toewijzing aan de tegenpartijen is:

(miljoen EUR)

Tegenpartij

Inschrijving

Toewijzing

Bank 1

30

22,5

Bank 2

40

30,0

Bank 3

70

52,5

Totaal

140

105,0

VOORBEELD 2

Liquiditeitsverruimende transactie met wederinkoop door middel van een variabele-rentetender

De ECB besluit liquiditeiten aan de markt te verstrekken door middel van een transactie met wederinkoop in de vorm van een variabele-rentetender.

Door drie tegenpartijen worden de volgende inschrijvingen ingediend:

Rentevoet (%)

Bedrag (miljoen EUR)

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totale inschrijvingen

Cumulatieve inschrijvingen

3,15

 

 

 

0

0

3,10

 

5

5

10

10

3,09

 

5

5

10

20

3,08

 

5

5

10

30

3,07

5

5

10

20

50

3,06

5

10

15

30

80

3,05

10

10

15

35

115

3,04

5

5

5

15

130

3,03

5

 

10

15

145

Totaal

30

45

70

145

 

De ECB besluit 94 miljoen EUR toe te wijzen, wat een marginale rentevoet van 3,05 % inhoudt.

Alle inschrijvingen boven 3,05 % (bij een cumulatief bedrag van 80 miljoen EUR) worden volledig toegewezen. Bij 3,05 % is het toewijzingspercentage:

Formula

De toewijzing aan bank 1 bij de marginale rentevoet is bijvoorbeeld:

0,4 × 10 = 4

De totale toewijzing aan bank 1 is:

5 + 5 + 4 = 14

Het toewijzingsresultaat kan als volgt worden samengevat:

(miljoen EUR)

Tegenpartijen

Bedrag

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totaal

Totale inschrijvingen

30,0

45,0

70,0

145

Totale toewijzing

14,0

34,0

46,0

94

Als de toewijzing geschiedt op basis van een enkelvoudige rentevoet (Nederlands veilingsysteem), dan bedraagt de rentevoet voor de aan tegenpartijen toegewezen bedragen 3,05 %.

Als de toewijzing geschiedt op basis van een meervoudige rentevoet (Amerikaans veilingsysteem), wordt op de aan tegenpartijen toegewezen bedragen geen uniforme rentevoet toegepast; bank 1 ontvangt dan bijvoorbeeld 5 miljoen EUR tegen 3,07 %, 5 miljoen EUR tegen 3,06 % en 4 miljoen EUR tegen 3,05 %.

VOORBEELD 3

Uitgifte van ECB-schuldbewijzen door middel van een variabele-rentetender

De ECB besluit liquiditeiten aan de markt te onttrekken door de uitgifte van depositocertificaten met behulp van een variabele-rentetender.

Door drie tegenpartijen worden de volgende inschrijvingen ingediend:

Rentevoet (%)

Bedrag (miljoen EUR)

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totaal

Cumulatieve inschrijvingen

3,00

 

 

 

0

0

3,01

5

 

5

10

10

3,02

5

5

5

15

25

3,03

5

5

5

15

40

3,04

10

5

10

25

65

3,05

20

40

10

70

135

3,06

5

10

10

25

160

3,08

5

 

10

15

175

3,10

 

5

 

5

180

Totaal

55

70

55

180

 

De ECB besluit een nominaal bedrag van 124,5 miljoen EUR toe te wijzen, wat een marginale rentevoet van 3,05 % inhoudt.

Alle inschrijvingen onder 3,05 % (bij een cumulatief bedrag van 65 miljoen EUR) worden volledig toegewezen. Bij 3,05 % is het toewijzingspercentage:

Formula

De toewijzing aan bank 1 bij de marginale rentevoet is bijvoorbeeld:

0,85 × 20 = 17

De totale toewijzing aan bank 1 is:

5 + 5 + 5 + 10 + 17 = 42

Het toewijzingsresultaat kan als volgt worden samengevat:

(miljoen EUR)

Tegenpartijen

Bedrag

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totaal

Totale inschrijvingen

55,0

70,0

55,0

180,0

Totale toewijzing

42,0

49,0

33,5

124,5

VOORBEELD 4

Liquiditeitsverkrappende deviezenswap door middel van een variabele-rentetender

De ECB besluit liquiditeiten aan de markt te onttrekken door een EUR/USD-deviezenswap uit te voeren met behulp van een variabele-rentetender. (NB: in dit voorbeeld doet de euro agio.)

Door drie tegenpartijen worden de volgende inschrijvingen ingediend:

Swappunten

(× 10 000)

Bedrag (miljoen EUR)

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totaal

Cumulatieve inschrijvingen

6,84

 

 

 

0

0

6,80

5

 

5

10

10

6,76

5

5

5

15

25

6,71

5

5

5

15

40

6,67

10

10

5

25

65

6,63

25

35

40

100

165

6,58

10

20

10

40

205

6,54

5

10

10

25

230

6,49

 

5

 

5

235

Totaal

65

90

80

235

 

De ECB besluit 158 miljoen EUR toe te wijzen, wat 6,63 marginale swappunten betekent. Alle inschrijvingen boven 6,63 (bij een cumulatief bedrag van 65 miljoen EUR) worden volledig toegewezen. Bij 6,63 is het toewijzingspercentage:

Formula

De toewijzing aan bank 1 bij de marginale swappunten is bijvoorbeeld:

0,93 × 25 = 23,25

De totale toewijzing aan bank 1 is:

5 + 5 + 5 + 10 + 23,25 = 48,25

Het toewijzingsresultaat kan als volgt worden samengevat:

(miljoen EUR)

Tegenpartijen

Bedrag

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totaal

Totale inschrijvingen

65,0

90,0

80,0

235,0

Totale toewijzing

48,25

52,55

57,20

158,0

De ECB stelt de contante EUR/USD-koers voor de transactie vast op 1,1300.

Als de toewijzing geschiedt op basis van een enkelvoudige rentevoet (Nederlands veilingsysteem), dan koopt het Eurosysteem bij de aanvang van de transactie 158 000 000 EUR en verkoopt het 178 540 000 USD. Bij afloop vande transactie verkoopt het Eurosysteem 158 000 000 EUR en koopt het 178 644 754 USD (de termijnkoers is 1,130663 = 1,1300 + 0,000663).

Als de toewijzing geschiedt op basis van een meervoudige rentevoet (Amerikaans veilingsysteem), zijn de door het Eurosysteem gekochte en verkochte bedragen aan euro en Amerikaanse dollars als volgt:

Contante transactie

Termijntransactie

Koers

Aankoop EUR

Verkoop USD

Koers

Verkoop EUR

Aankoop USD

1,1300

 

 

1,130684

 

 

1,1300

10 000 000

11 300 000

1,130680

10 000 000

11 306 800

1,1300

15 000 000

16 950 000

1,130676

15 000 000

16 960 140

1,1300

15 000 000

16 950 000

1,130671

15 000 000

16 960 065

1,1300

25 000 000

28 250 000

1,130667

25 000 000

28 266 675

1,1300

93 000 000

105 090 000

1,130663

93 000 000

105 151 659

1,1300

 

 

1,130658

 

 

1,1300

 

 

1,130654

 

 

1,1300

 

 

1,130649

 

 

Totaal

158 000 000

178 540 000

 

158 000 000

178 645 339

VOORBEELD 5

Liquiditeitsverruimende deviezenswap door middel van een variabele-rentetender

De ECB besluit liquiditeiten aan de markt te verstrekken door een EUR/USD-deviezenswap uit te voeren met behulp van een variabele-rentetender. (NB: in dit voorbeeld doet de euro agio.)

Door drie tegenpartijen worden de volgende inschrijvingen ingediend:

Swappunten

(× 10 000)

Bedrag (miljoen EUR)

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totaal

Cumulatieve inschrijvingen

6,23

 

 

 

 

 

6,27

5

 

5

10

10

6,32

5

 

5

10

20

6,36

10

5

5

20

40

6,41

10

10

20

40

80

6,45

20

40

20

80

160

6,49

5

20

10

35

195

6,54

5

5

10

20

215

6,58

 

5

 

5

220

Totaal

60

85

75

220

 

De ECB besluit 197 miljoen EUR toe te wijzen, wat 6,54 marginale swappunten betekent. Alle inschrijvingen beneden 6,54 (bij een cumulatief bedrag van 195 miljoen EUR) worden volledig toegewezen. Bij 6,54 is het toewijzingspercentage:

Formula

De toewijzing aan bank 1 bij de marginale swappunten is bijvoorbeeld:

0,10 × 5 = 0,5

De totale toewijzing aan bank 1 is:

5 + 5 + 10 + 10 + 20 + 5 + 0,5 = 55,5

Het toewijzingsresultaat kan als volgt worden samengevat:

(miljoen EUR)

Tegenpartijen

Bedrag

Bank 1

Bank 2

Bank 3

Totaal

Totale inschrijvingen

60,0

85,0

75,0

220

Totale toewijzing

55,5

75,5

66,0

197

De ECB stelt de contante EUR/USD-koers voor de transactie vast op 1,1300.

Als de toewijzing geschiedt op basis van een enkelvoudige rentevoet (Nederlands veilingsysteem), dan verkoopt het Eurosysteem bij de aanvang van de transactie 197 000 000 EUR en koopt het 222 610 000 USD. Bij afloop van de transactie koopt het Eurosysteem 197 000 000 EUR en verkoopt het 222 738 838 USD (de termijnkoers is 1,130654 = 1,1300 + 0,000654).

Als de toewijzing geschiedt op basis van een meervoudige rentevoet (Amerikaans veilingsysteem), zijn de door het Eurosysteem verkochte en gekochte bedragen aan euro en dollar als volgt:

Contante transactie

Termijntransactie

Koers

Verkoop EUR

Aankoop USD

Koers

Aankoop EUR

Verkoop USD

1,1300

 

 

1,130623

 

 

1,1300

10 000 000

11 300 000

1,130627

10 000 000

11 306 270

1,1300

10 000 000

11 300 000

1,130632

10 000 000

11 306 320

1,1300

20 000 000

22 600 000

1,130636

20 000 000

22 612 720

1,1300

40 000 000

45 200 000

1,130641

40 000 000

45 225 640

1,1300

80 000 000

90 400 000

1,130645

80 000 000

90 451 600

1,1300

35 000 000

39 550 000

1,130649

35 000 000

39 572 715

1,1300

2 000 000

2 260 000

1,130654

2 000 000

2 261 308

1,1300

 

 

1,130658

 

 

Totaal

197 000 000

222 610 000

 

197 000 000

222 736 573

VOORBEELD 6

Maatregelen ter beheersing van risico’s

Dit voorbeeld illustreert het risicobeheersingskader dat wordt toegepast op de activa die ten-grondslag liggen aan de liquiditeitsverruimende transacties van het Eurosysteem (1). In het voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat een tegenpartij aan de volgende monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem deelneemt:

a)

een basis-herfinancieringstransactie die op 28 juli 2004 aanvangt en op 4 augustus 2004 eindigt, waarbij aan de tegenpartij 50 miljoen EUR wordt toegewezen tegen 4,24 %;

b)

een langer lopende herfinancieringstransactie die op 29 juli 2004 aanvangt en op 21 oktober 2004 eindigt, waarbij aan de tegenpartij 45 miljoen EUR wordt toegewezen tegen 4,56 %, en

c)

een basis-herfinancieringstransactie die op 4 augustus 2004 aanvangt en op 11 augustus 2004 eindigt, waarbij aan de tegenpartij 35 miljoen EUR wordt toegewezen tegen 4,26 %.

De kenmerken van de door de tegenpartij als onderpand voor de transacties gebruikte verhandelbare activa zijn in tabel 1 weergegeven.

Tabel 1

Bij de transacties gebruikte beleenbare verhandelbare activa

Kenmerken

Naam

Activumklasse

Vervaldatum

Couponkenmerken

Couponfrequentie

Resterende looptijd

Surpluspercentage

Activum A

Gedekte bankbrief van het „Jumbo”-type

30.8.2008

Vast

6 maanden

4 jaar

3,50 %

Activum B

Obligatie van centrale overheid

19.11.2008

Variabel

12 maanden

4 jaar

0,50 %

Activum C

Obligatie

12.5.2015

Nulcoupon

 

> 10 jaar

15,00 %

Koersen (%, inclusief lopende rente)  (2)

28.7.2004

29.7.2004

30.7.2004

2.8.2004

3.8.2004

4.8.2004

5.8.2004

102,63

101,98

100,55

101,03

100,76

101,02

101,24

 

98,35

97,95

98,15

98,56

98,73

98,57

 

 

 

 

 

55,01

54,87

SYSTEEM WAARBIJ ACTIVA AAN AFZONDERLIJKE KREDIETTRANSACTIES WORDEN TOEGEWEZEN

Ten eerste wordt aangenomen dat de transacties met een NCB worden uitgevoerd met gebruikmaking van een systeem waarbij aan elke krediettransactie afzonderlijke activa worden toegewezen. Bij een dergelijk systeem worden de beleenbare activa dagelijks gewaardeerd. Het risicobeheersingskader kan dan als volgt worden beschreven (zie ook tabel 2):

1.

Op 28 juli 2004 sluit de tegenpartij een repo met de NCB, die voor 50,6 miljoen EUR aan activa A koopt. Activum A is een gedekte bankbrief van het „Jumbo”-type met een vaste coupon die op 30 augustus 2008 vervalt. Activum A heeft derhalve een resterende looptijd van vier jaar, waardoor een surpluspercentage van 3,5 % wordt toegepast. De marktkoers van activum A op de referentiemarkt op die dag is 102,63 %, waarbij de lopende couponrente is inbegrepen. De tegenpartij moet een hoeveelheid activa A inbrengen die na aftrek van het surpluspercentage van 3,5 % meer bedraagt dan 50 miljoen EUR. De tegenpartij levert derhalve activa A tot een nominaal bedrag van 50,6 miljoen EUR, waarvan de gecorrigeerde marktwaarde op die dag 50 113 203 EUR beloopt.

2.

Op 29 juli 2004 sluit de tegenpartij een repo met de NCB, die voor 21 miljoen EUR aan activa A koopt (marktkoers 101,98 %, surpluspercentage 3,5 %) en voor 25 miljoen EUR aan obligatie B (marktkoers 98,35 %). Obligatie B is een staatsobligatie met variabele couponbetalingen, waarop een surpluspercentage van 0,5 % wordt toegepast. De gecorrigeerde marktwaarde van de activa A en obligaties B op die dag is 45 130 810 EUR, zodat het vereiste bedrag van 45 000 000 EUR wordt overschreden.

Op 29 juli 2004 vindt herwaardering plaats van de beleenbare activa die als onderpand zijn gebruikt voor de basis-herfinancieringstransactie uitgevoerd op 28 juli 2004: bij een marktkoers van 101,98 % blijft de met het surpluspercentage gecorrigeerde marktwaarde van activum A tussen het onderste en het bovenste margestortingspunt. Het aanvankelijk geleverde onderpand wordt dus als voldoende beschouwd ter dekking van zowel het bedrag aan verstrekte liquiditeit als de lopende rente, 5 889 EUR.

3.

Op 30 juli 2004 vindt opnieuw herwaardering van de onderliggende activa plaats: de marktkoers van activum A is nu 100,55 % en die van obligatie B 97,95 %. De lopende rente op de basis-herfinancieringstransactie van 28 juli 2004 bedraagt 11 778 EUR en die op de langer lopende herfinancieringstransactie van 29 juli 20045 700 EUR. Als gevolg daarvan daalt de gecorrigeerde marktwaarde van activum A in de eerste transactie tot 914 218 EUR onder het toetsingsbedrag (verstrekte liquiditeiten plus lopende rente), en tevens onder het onderste margestortingspunt (49 761 719 EUR). De tegenpartij levert nominaal 950 000 EUR aan activa A, waardoor, na aftrek van een surpluspercentage van 3,5 % van de marktwaarde op basis van een koers van 100,55 %, het vereiste bedrag aan onderpand weer wordt gehaald (3).

Ook ten aanzien van de tweede transactie is een margestorting vereist aangezien de gecorrigeerde marktwaarde van de bij deze transactie gebruikte beleenbare activa (44 741 520 EUR), onder het margestortingspunt van 44 780 672 EUR is gedaald. De tegenpartij levert dus 270 000 EUR aan obligatie B, met een gecorrigeerde marktwaarde van 263 143 EUR.

4.

Op 2 en 3 augustus 2004 worden de beleenbare activa opnieuw gewaardeerd; dit leidt niet tot een margestorting voor de op 28 en 29 juli 2004 afgesloten transacties.

5.

Op 4 augustus 2004 betaalt de tegenpartij de liquiditeiten die waren verkregen bij de op 28 juli 2004 verrichte basis-herfinancieringstransactie terug, inclusief de lopende rente groot EUR 41 222. De NCB retourneert nominaal 51 550 000 EUR aan activum A.

Die zelfde dag sluit de tegenpartij een nieuwe repo met de NCB, waarbij deze 75 miljoen EUR aan activum C koopt. Activum C is een nulcouponobligatie met een resterende looptijd van meer dan tien jaar, waarop derhalve een surpluspercentage van 15 wordt toegepast. De aldus gecorrigeerde marktwaarde van de activa C bedraagt op die dag 35 068 875 EUR.

Bij de waardebepaling van de beleenbare activa gebruikt in de langer lopende herfinancieringstransactie uitgevoerd op 29 juli 2004 blijkt dat de gecorrigeerde marktwaarde van het onderpand ongeveer 262 000 EUR boven het bovenste margestortingspunt uitkomt, en de NCB retourneert daarom voor nominaal 262 000 EUR aan activum B aan de tegenpartij (4).

SYSTEEM MET ONDERPANDDEPOT

Ten tweede wordt aangenomen dat de transacties worden afgesloten met een NCB met gebruikmaking van een onderpanddepot. De activa die in het onderpanddepot van de tegenpartij worden aangehouden, worden niet aan specifieke transacties toegewezen.

In dit voorbeeld wordt uitgegaan van dezelfde volgorde van transacties als bij het eerste voorbeeld. Het belangrijkste verschil is dat op de data van herwaardering de gecorrigeerde marktwaarde van alle in het depot opgenomen activa voldoende moet zijn ter dekking van het toetsingsbedrag van alle uitstaande transacties van de tegenpartij met de NCB. De op 30 juli 2004 vereiste margestorting (1 178 398 EUR) is daarbij precies gelijk zijn aan die in het bovenstaande voorbeeld van het stelsel waarbij aan afzonderlijke transacties afzonderlijke activa worden toegewezen. De tegenpartij levert voor nominaal 1 300 000 EUR aan activum A, zodat na aftrek van een surpluspercentage van 3,5 van de marktwaarde bij een koers van 100,55 % weer voldoende onderpand aanwezig is.

Bovendien kan de tegenpartij op 4 augustus 2004, wanneer de op 28 juli 2004 verrichte basis-herfinancieringstransactie afloopt, de activa op de onderpandsrekening aanhouden. Ook kan het ene activum worden verruild voor het andere, zoals in het voorbeeld, waar een bedrag van nominaal 51,9 miljoen EUR aan activum A wordt vervangen door nominaal 75,5 miljoen EUR aan activum C ter dekking van de bij alle lopende herfinancieringstransacties verschafte liquiditeit en de lopende rente daarop.

Het risicobeheersingskader bij gebruikmaking van een onderpanddepot is weergegeven in tabel 3.

Tabel 2

Systeem waarbij activa aan afzonderlijke transacties worden toegewezen

Datum

Uitstaande transacties

Begindatum

Einddatum

Rentevoet

Bedrag

Lopende rente

Toetsingsbedrag

Onderste margestortingspunt

Bovenste margestortingspunt

Gecorrigeerde marktwaarde

Margestorting

28.7.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

50 000 000

49 750 000

50 250 000

50 113 203

29.7.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

5 889

50 005 889

49 755 859

50 255 918

49 795 814

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

45 000 000

44 775 000

45 225 000

45 130 810

30.7.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

11 778

50 011 778

49 761 719

50 261 837

49 097 560

– 914 218

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

5 700

45 005 700

44 780 672

45 230 729

44 741 520

– 264 180

2.8.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

29 444

50 029 444

49 779 297

50 279 592

50 258 131

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

22 800

45 022 800

44 797 686

45 247 914

45 152 222

3.8.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

35 333

50 035 333

49 785 157

50 285 510

50 123 818

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

28 500

45 028 500

44 803 358

45 253 643

45 200 595

4.8.2004

Basisherfinanciering

4.8.2004

11.8.2004

4,26

35 000 000

35 000 000

34 825 000

35 175 000

35 068 875

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

34 200

45 034 200

44 809 029

45 259 371

45 296 029

261 829

5.8.2004

Basisherfinanciering

4.8.2004

11.8.2004

4,26

35 000 000

4 142

35 004 142

34 829 121

35 179 162

34 979 625

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

39 900

45 039 900

44 814 701

45 265 100

45 043 420


Tabel 3

Systeem met onderpanddepot

Datum

Uitstaande transacties

Begindatum

Einddatum

Rentevoet

Bedrag

Lopende rente

Toetsingsbedrag

Onderste margestortingspunt (5)

Bovenste margestortingspunt (6)

Gecorrigeerde marktwaarde

Margestorting

28.7.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

50 000 000

49 750 000

n.v.t.

50 113 203

29.7.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

5 889

95 005 889

94 530 859

n.v.t.

94 926 624

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

 

 

 

 

 

30.7.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

11 778

95 017 478

94 542 390

n.v.t.

93 839 080

–1 178 398

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

5 700

 

 

 

 

 

2.8.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

29 444

95 052 244

94 576 983

n.v.t.

95 487 902

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

22 800

 

 

 

 

 

3.8.2004

Basisherfinanciering

28.7.2004

4.8.2004

4,24

50 000 000

35 333

95 063 833

94 588 514

n.v.t.

95 399 949

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

28 500

 

 

 

 

 

4.8.2004

Basisherfinanciering

4.8.2004

11.8.2004

4,26

35 000 000

80 034 200

79 634 029

n.v.t.

80 333 458

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

34 200

 

 

 

 

 

5.8.2004

Basisherfinanciering

4.8.2004

11.8.2004

4,26

35 000 000

4 142

80 044 042

79 643 821

n.v.t.

80 248 396

Langer lopende herfinanciering

29.7.2004

27.10.2004

4,56

45 000 000

39 900

 

 

 

 

 


(1)  In dit voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat bij de bepaling van de vraag of een margestorting is vereist, lopende rente op de verstrekte liquiditeiten in aanmerking wordt genomen en dat een margestortingspunt van 0,5 % van de verstrekte liquiditeiten wordt toegepast.

(2)  De koersen bij een specifieke afrekendatum komen overeen met de meest representatieve koers op de werkdag voorafgaand aan die afrekendatum.

(3)  NCB’s kunnen margestortingen in liquiditeiten in plaats van effecten verrichten.

(4)  Indien de NCB in verband met de tweede transactie een margestorting aan de tegenpartij had moeten verrichten, zou die betaling in bepaalde gevallen gesaldeerd mogen worden met de margestorting door de tegenpartij aan de NCB in verband met de eerste transactie. Er zou dan dus slechts één margeverrekening plaatsvinden.

(5)  In een systeem met onderpanddepot is het onderste margestortingspunt de onderste drempel voor een margestorting. In de praktijk vragen de meeste NCB’s aanvullend onderpand zodra de — voor surpluspercentages gecorrigeerde — marktwaarde van het onderpanddepot beneden het totale te dekken bedrag daalt.

(6)  In een systeem met onderpanddepot is het begrip „bovenste margestortingspunt” niet relevant, aangezien de tegenpartij voortdurend zal streven naar een overschot aan onderpand teneinde het aantal operationele transacties zoveel mogelijk te beperken.

Appendix 2

LIJST VAN TERMEN

Aangehouden reserves: de door tegenpartijen ter voldoening aan hun reserveverplichtingen op reserverekeningen aangehouden bedragen.

Aanhoudingsperiode: de periode waarover wordt bezien of aan de reserveverplichtingen is voldaan. De ECB publiceert ten minste drie maanden voor het begin van elk jaar een kalender met de aanhoudingsperioden in dat jaar. Een aanhoudingsperiode begint op de uitvoeringsdatum van de eerste basis-herfinancieringstransactie na de vergadering van de Raad van bestuur waarop de datum voor maandelijkse heroverweging van de monetaire-beleidspositie wordt vastgesteld. In uitzonderlijke gevallen kan de gepubliceerde kalender worden gewijzigd, bijvoorbeeld in samenhang met een wijziging in de vergaderdata van de Raad van bestuur.

Aankoopdatum: de datum waarop de verkoop van gekochte activa door de verkoper aan de koper van kracht wordt.

Aankoopprijs: de prijs waartegen gekochte activa door de verkoper aan de koper worden of zullen worden verkocht.

Aantrekken van termijndeposito’s: een monetaire-beleidsinstrument dat door het Eurosysteem kan worden gebruikt voor finetuningdoeleinden waarbij het Eurosysteem een rentevergoeding biedt op door tegenpartijen op rekeningen bij de NCB’s aangehouden termijndeposito’s teneinde liquiditeiten aan de markt te onttrekken.

Aanvangsdatum: de datum waarop het eerste deel van een monetaire-beleidstransactie wordt afgewikkeld. De aanvangsdatum komt overeen met de aankoopdatum voor transacties op basis van repo’s en deviezenswaps.

Achteraf vastgestelde couponrente: een couponrente op een instrument met variabele rente die wordt vastgesteld op basis van de waarde van de referentie-index op een bepaalde datum of bepaalde data gedurende de looptijd.

Amerikaans veilingsysteem: zie toewijzing op basis van een meervoudige rentevoet.

Basis-herfinancieringstransactie: een op regelmatige basis door het Eurosysteem uitgevoerde open-markttransactie in de vorm van een transactie met wederinkoop. Basis-herfinancieringstransacties worden uitgevoerd door middel van wekelijkse standaardtenders en hebben in de regel een looptijd van een week.

Bewaarinstelling: een instelling met als primaire taak het registreren van effecten, hetzij fysiek hetzij elektronisch, en het administreren van de eigendom daarvan.

Bewaarnemer: een (rechts)persoon die zich belast met de bewaring en de administratie van effecten en andere financiële activa ten behoeve van anderen.

Bewaarnemingrekening: een door de centrale bank geadministreerde effectenrekening waarop kredietinstellingen effecten kunnen deponeren die in het kader van transacties van de centrale bank beleenbaar zijn.

Bilaterale procedure: een procedure waarbij de centrale bank rechtstreeks een transactie aangaat met slechts één tegenpartij of enkele tegenpartijen zonder gebruik te maken van tenderprocedures. Bilaterale procedures omvatten tevens transacties die via de effectenbeurs of agenten in de markt worden uitgevoerd.

Bruto-vereveningssysteem: een giraal systeem waarin geldbetalingen of overdrachten van effecten per individuele transactie worden verwerkt.

Centrale effectenbewaarinstelling: een instelling die effecten bewaart en beheert, de uitgifterekeningen bijhoudt en girale overdracht van effecten mogelijk maakt. Effecten kunnen bestaan in fysieke vorm (zij het geïmmobiliseerd binnen de effectenbewaarinstelling) dan wel in gedematerialiseerde vorm (d.w.z. uitsluitend giraal).

Correspondent-bankensysteem: een regeling waarbij een kredietinstelling aan een andere kredietinstelling betalings- en andere diensten verleent. Betalingen via correspondentbanken worden veelal uitgevoerd via onderlinge rekeningen (zogeheten nostro- en lororekeningen), waaraan vaste kredietlimieten kunnen zijn verbonden. De in dit kader verleende diensten zijn hoofdzakelijk grensoverschrijdend maar ook doen zich, in binnenlandse context, agentschapsrelaties voor. „Lororekening” is de term die door een correspondentbank wordt gebruikt voor een namens een buitenlandse kredietinstelling aangehouden rekening; de buitenlandse kredietinstelling beschouwt omgekeerd deze rekening als haar „nostrorekening”.

Correspondentenmodel voor centrale banken (CCBM): een door het Eurosysteem ingesteld mechanisme dat tegenpartijen in staat stelt beleenbare activa grensoverschrijdend te gebruiken. Daarbij treden NCB’s voor elkaar op als bewaarnemers. Dit betekent dat iedere NCB een effectenrekening aanhoudt voor elk van de andere NCB’s en voor de ECB. Het CCBM is eveneens beschikbaar voor tegenpartijen van bepaalde centrale banken van de EU-lidstaten die de euro niet als munt hebben.

Dagtellingsconventie: de conventie voor het vaststellen van het aantal dagen bij het berekenen van rente op een krediet. Bij de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem zal de dagtellingsconventie werkelijk aantal dagen/360 worden toegepast.

Dematerialisatie: de eliminatie van fysieke certificaten of waardepapieren zodat de financiële activa nog slechts als boekhoudkundige posten bestaan.

Depositofaciliteit: een permanente faciliteit van het Eurosysteem die door tegenpartijen kan worden benut om deposito’s met een looptijd tot de volgende ochtend te plaatsen bij een NCB en tegen een tevoren vastgestelde rentevoet.

Deposito met opzegtermijn: een deposito waarbij de houder alvorens de gedeponeerde middelen te kunnen opnemen een vaste opzegtermijn in acht moet nemen. In sommige gevallen is het mogelijk binnen een bepaalde periode een vast bedrag op te nemen of het deposito vervroegd op te nemen tegen betaling van een boete.

Deposito met vaste looptijd: een categorie instrumenten die in hoofdzaak bestaat uit termijndeposito’s met een vooraf bepaalde looptijd die, afhankelijk van de nationale usance, gedurende de looptijd hetzij niet converteerbaar is, hetzij alleen op straffe van een boete. Deze categorie omvat tevens bepaalde niet-verhandelbare schuldbewijzen zoals niet-verhandelbare (particuliere) depositocertificaten.

Deviezenswap: een gelijktijdige contante en termijntransactie, waarbij een valuta tegen een andere valuta wordt verhandeld. Het Eurosysteem voert open-markttransacties uit in de vorm van deviezenswaps waarbij door de NCB’s (of de ECB) contante aankopen (c.q. verkopen) van euro tegen een vreemde valuta worden verricht onder gelijktijdige verkoop (c.q. aankoop) op termijn.

ECB-tijd: de tijd van de plaats waar de ECB is gevestigd.

EER (Europese Economische Ruimte): de lidstaten van de EU alsmede IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.

Effectenafwikkelsysteem: een systeem voor het aanhouden en overdragen van effecten of andere financiële activa, hetzij volgens „franco levering”, hetzij volgens „levering tegen betaling” (Engels „delivery versus payment”).

Effecten op onderpand van activa: schuldinstrumenten die worden gedekt door een depot van beschermde („ring fenced”) financiële activa (vast of renouvellerend) die binnen een beperkte tijdsperiode contant worden. Daarnaast kunnen rechten of andere activa bestaan die de financiële verwerking of tijdige distributie van opbrengsten aan de houders van het effect waarborgen. In het algemeen worden effecten op onderpand van activa uitgegeven door een speciaal daarvoor gecreëerd beleggingsinstrument dat het depot aan financiële activa heeft verworven van de initiator/verkoper. De betalingen op de effecten op onderpand van activa hangen in dit opzicht hoofdzakelijk af van de kasstromen die worden gegenereerd door de activa in het onderliggende depot en door andere rechten die zorg dragen voor tijdige betaling (zoals liquiditeitsfaciliteiten, garanties of andere kenmerken die over het algemeen bekend staan als kredietgaranties).

Einde van de dag: het tijdstip gedurende de werkdag na sluiting van TARGET2 waarop de in TARGET2 verwerkte betalingen onherroepelijk worden verwerkt.

Emittent: diegene die effecten of andere financiële instrumenten heeft uitgegeven.

Eurogebied: deze term is een collectieve aanduiding voor het gebied dat de lidstaten omvat en waar onder verantwoordelijkheid van de Raad van bestuur van de ECB een gezamenlijk monetair beleid wordt gevoerd.

Europees Stelsel van centrale banken (ESCB): omvat de Europese Centrale Bank (ECB) en de centrale banken van de EU-lidstaten. Opgemerkt wordt dat de centrale banken van de EU-lidstaten die de euro niet als munt hebben, hun bevoegdheden op het monetaire vlak overeenkomstig de nationale wetgeving behouden en derhalve niet zijn betrokken bij de uitvoering van het monetaire beleid van het Eurosysteem.

Eurosysteem: omvat de Europese Centrale Bank (ECB) en de NCB’s. De besluitvormende organen van het Eurosysteem zijn de Raad van bestuur en de directie van de ECB.

Externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI’s): deze vormen een kredietkwaliteitsbeoordelingsbron binnen het ECAF en bestaan uit die instellingen wier kredietbeoordelingen door kredietinstellingen kunnen worden gebruikt voor de vaststelling van het risicogewicht in de zin van de EU-richtlijn kapitaalvereisten. EKBI’s dienen formeel erkend en gevalideerd te worden door de nationale toezichthoudende instanties.

Finetuningtransactie: een door het Eurosysteem op niet-regelmatige basis uitgevoerde open-markttransactie die hoofdzakelijk dient om onverwachte fluctuaties in liquiditeitsverhoudingen in de markt op te vangen.

Forfaitaire aftrek: vast percentage van het uitstaande bedrag aan schuldbewijzen met vaste looptijd tot en met twee jaar (inclusief geldmarktpapier) dat van de reservebasis mag worden afgetrokken door emittenten die niet kunnen aantonen dat dit uitstaande bedrag door andere reserveplichtige instellingen binnen het eurogebied, de ECB of een NCB wordt aangehouden.

Gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat: een in het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem (ECAF) genoemde gebeurtenis die valt onder de definitie die wordt gegeven in Richtlijn 2006/48/EG en Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (1) (die samen de zogenoemde „richtlijn kapitaalvereisten” vormen). Er is sprake van een gebeurtenis waardoor wanbetaling ontstaat wanneer „a) de kredietinstelling het onwaarschijnlijk acht dat de debiteur zijn kredietverplichtingen jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen volledig zal nakomen zonder dat de kredietinstelling zal moeten overgaan tot acties zoals de uitwinning van zekerheden (indien deze zijn gesteld)” en „b) de debiteur meer dan 90 dagen achterstallig is bij het nakomen van een aanzienlijke kredietverplichting jegens de kredietinstelling, de moederonderneming of een van haar dochterondernemingen”.

Giraal systeem: een administratiesysteem waarbij effecten en andere financiële activa kunnen worden overgedragen zonder fysieke overdracht van documenten of certificaten. Zie ook dematerialisatie.

Grensoverschrijdende verevening: een verevening die plaatsvindt in een ander land dan het land van vestiging van één of beide bij een transactie betrokken partijen.

Harde betaling: een onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling ter voldoening aan een betalingsverplichting.

In-house kredietbeoordelingssystemen (ICAS’s): een kredietkwaliteitsbeoordelingsbron binnen het ECAF die thans wordt gevormd door de vier kredietbeoordelingssystemen die worden beheerd door de Deutsche Bundesbank, de Banco de España, de Banque de France en de Oesterreichische Nationalbank.

Initiële marge: een risicobeperkende maatregel die het Eurosysteem kan toepassen op beleenbare activa bij transacties met wederinkoop, en die bepaalt dat de waarde van het onderpand dat voor de transactie wordt gebruikt gelijk moet zijn aan het door de tegenpartij verstrekte krediet plus de waarde van de initiële marge.

Instrument met inverse variabele rente: een gestructureerd type effecten waarbij de aan de houder betaalde rentevoet omgekeerd varieert met de mutaties in een bepaalde referentierente.

Instrument met variabele rente: een financieel instrument waarbij de couponrente periodiek wordt aangepast aan een referentie-index op grond van wijzigingen in de marktrente op de korte of middellange termijn. Instrumenten met variabele rente hebben hetzij een vooraf vastgestelde couponrente hetzij een achteraf vastgestelde couponrente.

International Securities Identification Number (ISIN): een internationale code die wordt toegekend aan op de financiële markten uitgegeven effecten.

Koppeling tussen effectenafwikkelsystemen: een koppeling bestaat uit alle procedures en regelingen tussen twee van dergelijke systemen voor de onderlinge girale overdracht van effecten.

Kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem (ECAF): hierin zijn de procedures, regels en technieken neergelegd waarmee wordt gegarandeerd dat aan het door het Eurosysteem gehanteerde vereiste van hoge kwaliteitseisen voor beleenbare activa wordt voldaan. Bij de vaststelling van hoge kwaliteitseisen maakt het Eurosysteem onderscheid tussen verhandelbare en niet-verhandelbare activa. Bij de beoordeling van de kwaliteit van verhandelbare activa houdt het Eurosysteem rekening met kredietbeoordelingsinformatie van kredietbeoordelingssystemen uit een van vier bronnen, namelijk externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI’s), in-house kredietbeoordelingssystemen (ICAS’s) van NCB’s, op interne ratings gebaseerde (IRB-)systemen van tegenpartijen of ratinginstrumenten (RT’s) van derden. Daarnaast houdt het Eurosysteem bij de beoordeling van de kwaliteit rekening met institutionele criteria en eigenschappen die de houder van het instrument een vergelijkbare bescherming bieden, zoals garanties. De maatstaf van het Eurosysteem voor het minimumniveau van „hoge kwaliteitseisen” (de „kredietkwaliteitsdrempel”) is gedefinieerd als een „single A”-rating. Het Eurosysteem beschouwt een wanbetalingsrisico van 0,10 % over een periode van een jaar als gelijkwaardig aan een „single A”-rating.

Krediet gedurende de dag: krediet dat wordt verleend voor een periode korter dan één werkdag. Het kan door NCB’s worden verleend met het doel vereveningsverschillen te ondervangen, en wel in de volgende vormen: i) als een voorschot tegen onderpand of ii) als een lening op onderpand of bij een transactie met wederinkoop.

Kredietinstelling: een kredietinstelling in de zin van artikel 2 en artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (2) , zoals uitgevoerd in nationaal recht, die onderworpen is aan toezicht door een bevoegde autoriteit; of een andere kredietinstelling in de zin van artikel 123, lid 2, van het Verdrag die onderworpen is aan toezicht dat vergelijkbaar is met de normen van toezicht door een bevoegde nationale autoriteit.

Langer lopende herfinancieringstransactie: een op regelmatige basis door het Eurosysteem uitgevoerde open-markttransactie in de vorm van een transactie met wederinkoop. Langer lopende herfinancieringstransacties worden uitgevoerd door middel van maandelijkse standaardtenders en hebben doorgaans een looptijd van drie maanden.

Levering tegen betaling: een mechanisme bij een afwikkelingssysteem (bijvoorbeeld voor effecten) dat waarborgt dat de onherroepelijke overdracht (harde betaling) van een activum slechts geschiedt na de onherroepelijke overdracht van een ander activum.

Lidstaat: met lidstaat wordt in dit document een EU-lidstaat bedoeld die de euro als munt heeft.

Liquiditeitssteun in een ABS transactie: een structureel element dat kan worden gebruikt ter dekking van een tijdelijk tekort aan kasmiddelen dat kan optreden tijdens de looptijd van de transactie.

Looptijdsegment: een klasse schuldbewijzen waarvan de resterende looptijd zich tussen bepaalde grenzen bevindt, bijvoorbeeld het looptijdsegment van drie tot vijf jaar.

Margestorting: een procedure in verband met de toepassing van variatiemarges waarbij de centrale bank bij een tegenpartij aanvullende activa (of liquiditeiten) opvraagt wanneer de periodiek gemeten waarde van het onderpand beneden een bepaald niveau daalt. Omgekeerd kan de tegenpartij de centrale bank vragen het surplus aan activa (of liquiditeiten) te retourneren als de waarde van het onderpand na herwaardering het door de tegenpartij verschuldigde bedrag plus de variatiemarge overschrijdt.

Margestortingspunt: een tevoren vastgesteld waardeniveau van het onderpand ten opzichte van het uitstaande krediet waarbij een margestorting wordt gevraagd.

Marginaal swappunt: het opgegeven swappunt waarbij het totale in een tender beschikbare bedrag wordt uitgeput.

Marginale beleningsfaciliteit: een permanente faciliteit van het Eurosysteem die door tegenpartijen kan worden benut om bij een NCB op onderpand van beleenbare activa krediet tot de volgende ochtend te verkrijgen tegen een tevoren vastgestelde rentevoet.

Marginale rentevoet: de rentevoet waarbij het totaal beschikbare bedrag bij een tender wordt uitgeput.

Marking to market: zie variatiemarge.

Maximale inschrijving: de hoogste inschrijving van een afzonderlijke tegenpartij die bij een tender nog aanvaardbaar is. Het Eurosysteem kan grenzen stellen aan de hoogte van inschrijvingen om buitensporige inschrijvingen door afzonderlijke tegenpartijen te voorkomen.

Maximale inschrijvingsrente: de maximale rente waartegen tegenpartijen mogen inschrijven op variabele-rentetenders. Inschrijvingen tegen een hogere rente worden door de ECB terzijde gelegd.

Middelingsbepaling: een bepaling waarbij het tegenpartijen wordt toegestaan aan hun reserveverplichtingen te voldoen op basis van hun gemiddelde aangehouden reserves gedurende de aanhoudingsperiode. Doordat ze instellingen ertoe stimuleert de effecten van tijdelijke fluctuaties in liquiditeitsverhoudingen te egaliseren, draagt de middelingsbepaling bij tot stabilisering van de geldmarkt-rente. Het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem kent een middelingsbepaling.

Minimaal toewijzingsbedrag: het laagste bedrag dat bij een tender aan afzonderlijke tegenpartijen kan worden toegewezen. Het Eurosysteem kan besluiten bij een tender aan elke tegenpartij een minimaal bedrag toe te wijzen.

Minimum toewijzingspercentage: de ondergrens, uitgedrukt als een percentage van de inschrijvingen, van de toewijzingen tegen de marginale rentevoet bij een tendertransactie. Het Eurosysteem kan besluiten bij tendertransacties een minimaal toewijzingspercentage te hanteren.

Minimale inschrijvingsrente: de minimale rente waartegen tegenpartijen mogen inschrijven op variabele-rentetenders.

Monetaire financiële instelling (MFI): met deze term worden financiële instellingen aangeduid die tezamen de geldscheppende sector van het eurogebied vormen. Hieronder vallen centrale banken van EU-lidstaten, kredietinstellingen zoals bedoeld in de wetgeving van de EU en alle andere financiële instellingen die ingezetenen zijn van het eurogebied, er hun bedrijf van maken deposito’s en/of nauwe substituten van deposito’s aan te trekken van (rechts)personen uitgezonderd andere MFI’s en die voor eigen rekening (althans in economische zin) krediet verstrekken en/of beleggen in effecten.

Nationale centrale bank (NCB): refereert in dit document aan de centrale bank van een lidstaat.

Nauwe banden: een situatie waarin de tegenpartij met een emittent/debiteur/garant van beleenbare activa is verbonden doordat: a) de tegenpartij, direct of indirect via een of meer ondernemingen, een belang van 20 % of meer in het kapitaal van de emittent/debiteur/garant heeft; of b) de emittent/debiteur/garant, direct of indirect via een of meer ondernemingen, een belang van 20 % of meer in het kapitaal van de tegenpartij heeft; of c) een derde partij een belang van 20 % of meer in het kapitaal van de tegenpartij heeft en meer dan 20 % in het kapitaal van de emittent/debiteur/garant, hetzij direct of indirect via een of meer ondernemingen.

Nederlands veilingsysteem: zie toewijzing op basis van een enkelvoudige rentevoet.

Nulcouponobligatie: een obligatie waarop slechts eenmaal een betaling wordt verricht. In het huidige document omvat de term nulcouponobligaties tevens op discontobasis uitgegeven effecten en effecten waarbij op de vervaldatum één enkele couponbetaling plaatsvindt. Een strip is een bijzonder type nulcouponobligatie.

Onderpanddepot: een systeem voor het onderpandbeheer bij centrale banken waarbij de tegenpartijen een depot aan activa ter beschikking stellen om te dienen als onderpand voor hun transacties met de centrale bank. Hierbij worden activa niet aan afzonderlijke krediettransacties toegewezen.

Open-markttransactie: een transactie in de financiële markt op initiatief van de centrale bank. De open-markttransacties van het Eurosysteem zijn naar doel, frequentie en procedure te verdelen in vier categorieën: basis-herfinancieringstransacties, langer lopende herfinancieringstransacties, finetuningtransacties en structurele transacties. Beschouwt men het type transactie, dan vormen transacties met wederinkoop het belangrijkste open-marktinstrument van het Eurosysteem; deze transacties kunnen voor alle vier soorten operaties worden gebruikt. Daarnaast zijn de uitgifte van schuldbewijzen en rechtstreekse aan- of verkopen van waardepapier beschikbaar voor structurele transacties, terwijl deviezenswaps en het aantrekken van deposito’s beschikbaar zijn voor het uitvoeren van finetuningtransacties.

Op interne ratings gebaseerde (IRB-)systemen: deze vormen een kredietkwaliteitsbeoordelingsbron binnen het ECAF. Hun kredietbeoordelingen kunnen door kredietinstellingen worden gebruikt voor de vaststelling van het risicogewicht in de zin van de EU-richtlijn kapitaalvereisten. IRB-systemen dienen formeel erkend en gevalideerd te worden door de nationale toezichthoudende instanties.

Permanente faciliteit: een door de centrale bank geboden faciliteit waarvan tegenpartijen op eigen initiatief gebruik kunnen maken. Het Eurosysteem biedt twee permanente faciliteiten met een looptijd tot de volgende ochtend, te weten de marginale beleningsfaciliteit en de depositofaciliteit.

Rating-instrumenten (RT’s): een kredietkwaliteitsbeoordelingsbron binnen het ECAF, verstrekt door entiteiten die de kredietkwaliteit van debiteuren beoordelen door het hanteren van voornamelijk kwantitatieve modellen op een systematische en mechanische manier, met behulp van onder meer gecontroleerde rekeningen, en wier kredietbeoordelingen niet bedoeld zijn voor algemene publieke bekendmaking. Deze entiteiten moeten individueel door het Eurosysteem worden geaccepteerd voor ze deel gaan uitmaken van het ECAF.

Rechtstreekse aan- of verkoop van waardepapier: een transactie waarbij de centrale bank rechtstreeks op de markt aan- of verkoopt (contant en op termijn).

Repo: een liquiditeitsverschaffende transactie met wederinkoop op basis van een repo-overeenkomst.

Repo-overeenkomst: een overeenkomst waarbij een activum wordt verkocht terwijl de verkoper tegelijkertijd het recht verwerft en de verplichting op zich neemt datzelfde activum tegen een vastgestelde prijs op een toekomstige datum of op aanvraag terug te kopen. Een repo-overeenkomst is vergelijkbaar met het opnemen van krediet op onderpand, behalve dat de eigendom van de effecten (tijdelijk) overgaat op de koper. Bij transacties met wederinkoop maakt het Eurosysteem gebruik van repo-overeenkomsten met een vaste looptijd.

Reservebasis: de som van de balansposten die de basis vormen voor de berekening van de reserveverplichtingen van een instelling.

Reserveratio: het door de centrale bank vastgestelde percentage voor elke categorie posten die deel uitmaken van de reservebasis. De ratio’s worden gebruikt voor het berekenen van reserveverplichtingen.

Reserverekening: een rekening bij de NCB waarop de reserves van een tegenpartij worden aangehouden. De vereveningsrekeningen die tegenpartijen bij de NCB’s aanhouden, kunnen worden gebruikt als reserverekeningen.

Reserveverplichtingen: de verplichting minimumreserves aan te houden bij de centrale bank. Binnen het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem wordt de reserveverplichting van een kredietinstelling berekend door de reserveratio voor elke categorie in de reservebasis opgenomen posten te vermenigvuldigen met het bedrag van die posten in de balans van de instelling en door op dit bedrag de door elke instelling overeenkomstig artikel 5, lid 2 van Verordening ECB/2003/9 toegekende vergoeding in mindering te brengen.

Resterende looptijd: de tijd die resteert tot de vervaldatum van een schuldbewijs.

RTBV-systeem (realtime-brutovereveningssysteem): een vereveningssysteem waarbij verwerking en verevening per individuele opdracht in realtime zonder saldering en continu plaatsvinden. Zie tevens TARGET2.

Snelle tender: een door het Eurosysteem hoofdzakelijk voor finetuningtransacties gebruikte tenderprocedure als het wenselijk wordt geacht de liquiditeitsverhoudingen in de markt snel te beïnvloeden. Snelle tenders worden normaliter uitgevoerd in een tijdsbestek van 90 minuten en worden gewoonlijk aangegaan met een beperkt aantal tegenpartijen.

Solvabiliteitsrisico: het risico van verliezen als gevolg van het faillissement van een emittent van financiële activa of als gevolg van het faillissement van de tegenpartij.

Standaardtender: een tenderprocedure die door het Eurosysteem bij op regelmatige basis uitgevoerde open-markttransacties wordt gebruikt. Standaardtenders worden uitgevoerd in een tijdsbestek van 24 uur. Alle tegenpartijen die aan de algemene voorwaarden voldoen mogen inschrijven op standaardtenders.

Strip (separate trading of interest and principal): een nulcouponobligatie die wordt gecreëerd om de aanspraken op bepaalde inkomensstromen en op de hoofdsom van hetzelfde instrument afzonderlijk te kunnen verhandelen.

Structurele transactie: een door het Eurosysteem uitgevoerde open-markttransactie die er hoofdzakelijk toe strekt de structurele liquiditeitspositie van het financiële stelsel ten opzichte van het Eurosysteem te beïnvloeden.

Surpluspercentage: een risicobeperkende maatregel toegepast op bij transacties met wederinkoop gebruikte activa, waarbij de centrale bank de waarde van de beleenbare activa berekent als de marktwaarde minus een bepaald percentage. Het Eurosysteem stelt de surpluspercentages vast naar gelang van de kenmerken van de betrokken activa, zoals de resterende looptijd.

Swappunt: bij een deviezenswap het verschil tussen de wisselkoers ten tijde van de termijntransactie en de wisselkoers ten tijde van de contante transactie.

TARGET: de voorganger van het TARGET2-systeem, dat werkt in een gedecentraliseerde structuur dat de nationale RTBV-systemen en het ECB-betalingsmechanisme verbindt. Het TARGET-systeem is door het TARGET2-systeem vervangen overeenkomstig het migratietijdschema zoals vastgelegd in artikel 13 van Richtsnoer ECB/2007/2.

TARGET2 (het geautomatiseerd trans-Europees realtime-brutovereveningssysteem): het realtime-brutovereveningssysteem voor de euro voor de afwikkeling van betalingen in euro in centralebankgeld. TARGET2 wordt opgezet en functioneert op basis van één platform via welke alle betalingsopdrachten worden aangeleverd en verwerkt en via welke betalingen op dezelfde technische manier worden ontvangen. TARGET2 heeft de juridische structuur van een veelvoud van RTBV-systemen (TARGET2-deelsystemen).

Tegenpartij: de andere partij bij een financiële transactie (bijvoorbeeld bij een transactie met de centrale bank).

Tenderprocedure: een procedure waarbij de centrale bank liquiditeiten aan de markt verstrekt of onttrekt op basis van door tegenpartijen ingediende inschrijvingen. De meest concurrerende inschrijvingen worden het eerst toegewezen, totdat het totale door de centrale bank te verstrekken of onttrekken bedrag is bereikt.

Terugkoopdatum: de datum waarop de koper verplicht is activa aan de verkoper terug te verkopen als onderdeel van een transactie krachtens een repo-overeenkomst.

Terugkoopprijs: de prijs waartegen de koper verplicht is activa aan de verkoper terug te verkopen als onderdeel van een transactie krachtens een repo-overeenkomst. De terugkoopprijs is gelijk aan de som van de aankoopprijs en het prijsverschil dat overeenkomt met de rente over de verstrekte liquiditeiten gedurende de looptijd van de transactie.

Toewijzing op basis van een enkelvoudige rentevoet (Nederlandse veiling): een toewijzingssysteem waarbij de rentevoet (of de koers of het swappunt) waarop wordt toegewezen voor alle toegewezen inschrijvingen gelijk is aan de marginale rentevoet.

Toewijzing op basis van een meervoudige rentevoet (Amerikaanse veiling): een toewijzingssysteem waarbij de rentevoet (of de koers of het swappunt) waarop wordt toegewezen gelijk is aan de in elke afzonderlijke inschrijving opgegeven rentevoet.

Transactiedatum (T): de datum waarop een transactieovereenkomst (d.w.z. een overeenkomst inzake een financiële transactie tussen twee tegenpartijen) wordt afgesloten. De transactiedatum kan samenvallen met de vereveningsdatum (verevening op dezelfde dag) of een bepaald aantal werkdagen vóór de valutadatum liggen (de valutadatum wordt aangegeven als T + het aantal dagen tot de afwikkeling).

Transactie met wederinkoop: een transactie waarbij de NCB activa koopt of verkoopt krachtens een repo-overeenkomst of krediet verleent tegen onderpand.

Valutahedgetransactie: een overeenkomst tussen de emittent en een hedgetegenpartij, op grond waarvan een deel van het valutarisico dat voortvloeit uit de ontvangst van kasstromen in valuta’s anders dan euro wordt teruggedrongen door de kasstromen middels een swap te verruilen voor door de hedgetegenpartij te verrichten betalingen in euro, met inbegrip van enige garantie door de hedgetegenpartij ten aanzien van deze betalingen.

Variabele-rentetender: een tenderprocedure waarbij de tegenpartijen in hun inschrijving zowel het bedrag opgeven waarvoor zij de transactie met de centrale bank wensen aan te gaan als de rentevoet.

Variatiemarge („marking to market”): het Eurosysteem verlangt dat een bepaald percentage van de marktwaarde van het onderpand dat door een tegenpartij wordt gebruikt voor transacties met wederinkoop gedurende de looptijd van de transactie wordt aangehouden. Bijgevolg zal de NCB, wanneer de periodiek gemeten marktwaarde van het onderpand beneden een bepaald niveau daalt, de tegenpartij verplichten activa of contant geld bij te storten (margestorting). Omgekeerd geldt dat de tegenpartij, wanneer de waarde van het onderpand na herwaardering boven een bepaalde waarde uitkomt, het overschot aan onderpand of contanten mag lichten. Zie ook paragraaf 6.4.

Vaste aftrek: een vast bedrag dat een instelling mag aftrekken bij de berekening van de reserveverplichtingen in het kader van het stelsel van reserveverplichtingen van het Eurosysteem.

Vaste-rentetender: een tenderprocedure waarbij de rentevoet tevoren door de centrale bank wordt vastgesteld en deelnemende tegenpartijen inschrijven voor het bedrag waarvoor zij, tegen die vaste rentevoet, de transactie wensen aan te gaan.

Vastrentend instrument: een financieel instrument waarbij de couponrente voor de totale looptijd van het instrument vast is.

Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Vereveningsdatum: de datum waarop een transactie wordt verevend. De vereveningsdatum kan samenvallen met de transactiedatum (verevening op dezelfde dag) of een aantal dagen na de transactiedatum liggen (de vereveningsdatum wordt aangegeven als transactiedatum T + het aantal dagen tot de verevening).

Vereveningsinstelling: een instelling die het vereveningsproces (d.w.z. de bepaling van vereveningsposities, het controleren van betalingen enz.) beheert ten behoeve van girale systemen of andere processen waarbij verevening noodzakelijk is.

Vereveningsrekening: een door een rechtstreekse deelnemer aan TARGET2 bij de centrale bank aangehouden rekening voor het verwerken van betalingen.

Vervaldatum: de datum waarop een monetaire-beleidstransactie afloopt. Bij een repo of een swap is de vervaldatum gelijk aan de datum van wederinkoop.

Volumetender: zie vaste-rentetender.

Vooraf vastgestelde couponrente: een couponrente op een instrument met variabele rente die wordt vastgesteld op basis van de waarde van de referentie-index op een bepaalde datum of bepaalde data vóór de aanvang van de looptijd.

Waarderingsdatum: de datum waarop de aan krediettransacties ten grondslag liggende activa worden gewaardeerd.

Waarderingsverlaging: een risicobeperkende maatregel toegepast op bij transacties met wederinkoop gebruikte beleenbare activa, waarbij de centrale bank de theoretische marktwaarde van de activa met een bepaald percentage vermindert alvorens een surpluspercentage toe te passen.

Werkdag van een NCB: elke dag waarop de NCB van een bepaalde lidstaat is geopend voor het verrichten van monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem. In sommige lidstaten kunnen bijkantoren van de NCB op werkdagen van de NCB gesloten zijn, wegens lokale of regionale feestdagen. In dat geval moet de desbetreffende NCB tegenpartijen tevoren informeren over de regelingen ter zake van transacties waarbij deze bijkantoren zijn betrokken.

Werkdag van het Eurosysteem: elke dag waarop de ECB en ten minste één NCB zijn geopend voor het verrichten van monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem.

Werkelijk aantal dagen/360: de dagtellingsconventie voor het berekenen van rente op een krediet, waarbij de rente wordt berekend over de werkelijke looptijd van het krediet in kalenderdagen en het jaar wordt gesteld op 360 dagen. Deze conventie zal bij de monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem worden toegepast.


(1)  PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201.

(2)  PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.

Appendix 3

KEUZE VAN TEGENPARTIJEN BIJ DEVIEZENINTERVENTIES EN BIJ DEVIEZENSWAPS VOOR MONETAIRE-BELEIDSDOELEINDEN

Bij de keuze van tegenpartijen bij deviezeninterventies en deviezenswaps voor monetaire-beleidsdoeleinden wordt een uniforme benadering gevolgd, ongeacht de voor de externe transacties van het Eurosysteem gekozen organisatorische opzet. Het selectiebeleid wijkt niet wezenlijk af van de bestaande marktusance, aangezien het is gebaseerd op de harmonisatie van de thans bij de NCB’s toegepaste, meest geëigende procedures. De keuze van tegenpartijen bij de deviezentransacties van het Eurosysteem zal primair worden gebaseerd op twee categorieën criteria.

De eerste categorie bestaat uit prudentiële criteria. Eén daarvan is de kredietwaardigheid, die wordt beoordeeld aan de hand van een samenstel van verschillende methoden (bv. door gebruik te maken van commercieel gepubliceerde kredietwaardigheidscijfers en een interne analyse van vermogensverhoudingen en andere kengetallen); een tweede criterium bestaat erin dat het Eurosysteem eist dat potentiële tegenpartijen zijn onderworpen aan toezicht door een erkende toezichthouder; een derde criterium is dat alle tegenpartijen van het Eurosysteem bij deviezentransacties hoge ethische normen in acht nemen en over een goede reputatie beschikken.

Als aan de prudentiële criteria is voldaan, wordt de tweede categorie criteria toegepast, die is gebaseerd op overwegingen van doelmatigheid. Een eerste doelmatigheidscriterium heeft betrekking op concurrerend prijsgedrag en op het vermogen van de tegenpartij om, zelfs onder turbulente marktomstandigheden, grote aantallen transacties te verrichten. De kwaliteit en de reikwijdte van door tegenpartijen verstrekte informatie maakt eveneens deel uit van de doelmatigheidscriteria.

De groep potentiële tegenpartijen is voldoende groot en divers om de noodzakelijke flexibiliteit te waarborgen bij de uitvoering van interventies. Dit zal het Eurosysteem in staat stellen uit verschillende interventiekanalen te kiezen. Ten einde op doelmatige wijze in verschillende geografische locaties en tijdzones te kunnen interveniëren, kan het Eurosysteem transacties afsluiten met tegenpartijen in alle internationale financiële centra. In de praktijk zal een aanzienlijk deel van de tegenpartijen echter in het eurogebied zijn gevestigd. Voor deviezenswaps ten behoeve van het monetaire beleid komt hetzelfde scala aan in het eurogebied gevestigde tegenpartijen in aanmerking als voor deviezeninterventies van het Eurosysteem.

Bij deviezenswaps ten behoeve van het monetaire beleid kunnen de NCB’s limietsystemen hanteren teneinde kredietrisico’s ten opzichte van afzonderlijke tegenpartijen te beheersen.

Appendix 4

HET RAPPORTAGEKADER VOOR DE MONETAIRE EN BANCAIRE STATISTIEKEN VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK  (1)

1.   Inleiding

Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (2) definieert de rapportageplichtige natuurlijke personen en rechtspersonen (de zogeheten referentierapportagepopulatie), de geheimhoudingsvoorschriften en de bepalingen ingesteld om nakoming van de verplichtingen conform artikel 5.4 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank („de Statuten”) af te dwingen. Voorts stelt de Verordening de ECB in staat haar regelgevende bevoegdheden uit te oefenen ten aanzien van:

a)

het vaststellen van de daadwerkelijke rapportagepopulatie;

b)

het vaststellen van statistische rapportageverplichtingen en het opleggen daarvan aan de daadwerkelijke rapportagepopulatie van de lidstaten;

c)

het bepalen van de voorwaarden waaronder de ECB en de NCB’s het recht kunnen uitoefenen statistische gegevens te controleren of de verplichte verzameling van statistische gegevens uit te voeren.

2.   Algemeen

Verordening (EG) nr. 25/2009 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2008 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2008/32) (3) stelt de ECB en, conform artikel 5.2 van de ESCB-Statuten, de NCB’s — die waar mogelijk het werk zullen verrichten — in staat de statistische gegevens te verzamelen die zijn vereist voor het vervullen van de taken van het ESCB, met name de taak het monetaire beleid van de Unie te bepalen en ten uitvoer te leggen conform het eerste streepje van artikel 127, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De conform Verordening ECB/2008/32 verzamelde statistische gegevens worden gebruikt voor het opstellen van de geconsolideerde balans van de sector monetaire financiële instellingen (MFI’s), die primair beoogt de ECB een statistisch totaaloverzicht te verschaffen van de monetaire ontwikkelingen met betrekking tot de totale financiële activa en passiva van MFI’s gevestigd in de lidstaten, die als één economisch gebied worden gezien.

Om statistische redenen liggen aan de rapportage-eisen van de ECB in het kader van de geconsolideerde balans van de MFI-sector in hoofdzaak drie overwegingen ten grondslag.

Ten eerste moet de ECB kunnen beschikken over vergelijkbare, betrouwbare en actuele statistische gegevens, die onder vergelijkbare condities in het gehele eurogebied zijn verzameld. Deze gegevens worden, conform artikel 5.1 en artikel 5.2 van de Statuten, decentraal verzameld door de NCB’s, waar nodig tegelijk met andere statistische gegevens voor communautaire of nationale doeleinden; een voldoende mate van harmonisatie en standaardisering van de rapportage is echter vereist, gezien de behoefte aan een betrouwbare statistische basis voor het bepalen en uitvoeren van het gemeenschappelijke monetaire beleid.

Ten tweede moet in de bij Verordening ECB/2008/32 vastgelegde rapportageverplichtingen worden voldaan aan de beginselen van doorzichtigheid en rechtszekerheid. De reden daarvoor ligt in het feit dat genoemde verordening in haar geheel bindend is en van rechtstreekse toepassing in het gehele eurogebied. De verordening legt rechtstreeks verplichtingen op aan natuurlijke personen en rechtspersonen aan wie de ECB sancties kan opleggen als niet aan de rapportagevereisten van de ECB wordt voldaan (zie artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2533/98). De rapportageverplichtingen zijn derhalve duidelijk kenbaar en waar de ECB de haar verleende discretionaire bevoegdheden uitoefent bij de controle van statistische gegevens of het afdwingen van statistische rapportages, handelt zij daarbij volgens vaststaande principes. Ten derde moet de ECB de rapportagelast zo gering mogelijk houden, conform de statistische beginselen die van toepassing zijn op de ontwikkeling, productie en verspreiding van statistieken door het ESCB (zie artikel 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 2533/98). Deze beginselen zijn in meer detail beschreven in het publiek engagement inzake door het ESCB geproduceerde Europese statistieken, zoals gepubliceerd op de website van de ECB.

Het door NCB’s op grond van Verordening ECB/2008/32 verzameld statistisch materiaal wordt daarom ook gebruikt om de reservebasis te berekenen overeenkomstig Verordening ECB/2003/9.

Verordening ECB/2008/32 beperkt zich tot het vaststellen in algemene termen van de daadwerkelijke rapportagepopulatie en de rapportageverplichtingen ervan en van de beginselen volgens welke de ECB en de NCB’s normaliter gebruikmaken van hun bevoegdheid om de statistische gegevens te controleren of de rapportages af te dwingen. In bijlagen I tot en met IV bij Verordening ECB/2008/32 wordt in detail uiteengezet welke statistische gegevens gerapporteerd moeten worden om aan de statistische rapportageverplichtingen van de ECB te voldoen en aan welke minimumvereisten moet worden voldaan.

3.   Daadwerkelijke rapportagepopulatie; lijst van MFI’s voor statistische doeleinden

MFI’s zijn ingezeten kredietinstellingen zoals gedefinieerd in EU-wetgeving, en alle andere ingezeten financiële instellingen die er hun bedrijf van maken deposito’s en/of nauwe substituten van deposito’s aan te trekken van andere instellingen dan MFI’s, en voor eigen rekening (althans in economische zin) krediet te verstrekken en/of te beleggen in effecten. De ECB houdt een lijst bij van instellingen die aan deze definitie voldoen, ingedeeld volgens de classificatiebeginselen die in bijlage I bij Verordening ECB/2008/32 worden uiteengezet. De bevoegdheid deze lijst van MFI’s voor statistische doeleinden op te stellen en bij te houden berust bij de directie van de ECB. De populatie van MFI’s die ingezeten zijn in het eurogebied, vormt de werkelijke rapportagepopulatie. NCB’s zijn bevoegd vrijstelling te verlenen aan kleine MFI’s overeenkomstig artikel 8 van Verordening ECB/2008/32. Deze vrijstellingen stellen de NCB’s in staat de methode van „cutting off the tail” toe te passen.

4.   Statistische rapportageverplichtingen

Voor de opstelling van de geconsolideerde balans moet de werkelijke rapportagepopulatie maandelijks statistische balansgegevens rapporteren. Voorts is nadere informatie vereist op kwartaalbasis. De te rapporteren statistische gegevens zijn nader uiteengezet in bijlage I bij Verordening ECB/2008/32. De betreffende statistische gegevens worden verzameld door de NCB’s, die de te volgen rapportageprocedures vaststellen.

Verordening ECB/2008/32 verhindert de NCB’s niet de voor de statistische vereisten van de ECB benodigde gegevens bij de daadwerkelijke rapportagepopulatie te verzamelen binnen een breder statistisch rapportagekader, dat door de NCB’s onder hun eigen verantwoordelijkheid is vastgesteld conform EU-wetgeving of nationale wetgeving of gevestigde praktijk en dat andere statistische doeleinden dient. Dit laat echter onverlet dat moet worden voldaan aan de in Verordening ECB/2008/32 vastgelegde statistische vereisten. In specifieke gevallen kan de ECB ter voldoening aan haar vereisten gebruikmaken van de aldus verzamelde statistische gegevens.

Een door een NCB zoals boven omschreven verleende vrijstelling heeft tot gevolg dat de betreffende kleine MFI’s aan verminderde rapportageverplichtingen onderworpen zijn (die onder meer inhouden dat slechts op kwartaalbasis moet worden gerapporteerd) in het kader van de minimumreserves zoals uiteengezet in bijlage III bij Verordening ECB/2008/32. De eisen ter zake van kleine MFI’s die geen kredietinstelling zijn, worden uiteengezet in artikel 8 bij die verordening. MFI’s die zijn vrijgesteld, kunnen er echter voor kiezen toch aan de volledige rapportageverplichtingen te voldoen

5.   Gebruik van statistische gegevens conform de ECB-verordening inzake reserveverplichtingen

Om de rapportagelast zo gering mogelijk te houden en om bij het verzamelen van statistische gegevens dubbel werk te voorkomen, wordt de statistische informatie met betrekking tot de balansrapportage door MFI’s conform Verordening ECB/2008/32 ook gebruikt voor het berekenen van de reservebasis conform Verordening ECB/2003/9.

Voor statistische doeleinden moeten de rapporterende instellingen de gegevens aan hun NCB rapporteren conform het in tabel 1 hierna weergegeven kader, dat is opgenomen in bijlage III bij Verordening ECB/2008/32. De in deze tabel met een asterisk (*) gemerkte posities worden door de rapporterende instellingen gebruikt om hun reservebasis te berekenen (zie kader 9 in hoofdstuk 7).

Om een juiste berekening te kunnen maken van de reservebasis waarop een positieve reserveratio wordt toegepast, is een gedetailleerde uitsplitsing nodig van deposito’s met een vaste looptijd van meer dan twee jaar, van deposito’s met een opzegtermijn van meer dan twee jaar en van repoverplichtingen van kredietinstellingen ten opzichte van de sector MFI’s (zowel binnenlandse als overige lidstaten), de sectoren „reserveplichtige kredietinstellingen, ECB en NCB’s” en „overheid” en ten opzichte van de „rest van de wereld”.

Voorts mogen, afhankelijk van de nationale stelsels voor de verzameling van de gegevens en met handhaving van de definities en rubriceringen voor de MFI-balans zoals uiteengezet in Verordening ECB/2008/32, reserveplichtige kredietinstellingen de voor het berekenen van de reservebasis benodigde gegevens, met uitzondering van die met betrekking tot verhandelbare instrumenten, desgewenst volgens tabel 1a rapporteren mits een en ander geen vetgedrukte posities uit tabel 1 aantast.

Bijlage III bij Verordening ECB/2008/32 bevat ten aanzien van de reserveverplichtingen specifieke bepalingen en overgangsbepalingen en bepalingen betreffende fusies waarbij kredietinstellingen zijn betrokken.

Bijlage III bij Verordening ECB/2008/32 bevat met name een rapportageschema voor kredietinstellingen in de „staart”. Deze kredietinstellingen moeten ten minste de kwartaalgegevens rapporteren die nodig zijn voor het berekenen van de reservebasis conform tabel 1a. Deze instellingen moeten ervoor zorgen dat de rapportage conform tabel 1a geheel overeenstemt met de in tabel 1 toegepaste definities en rubriceringen. De gegevens van de reservebasis van de instellingen in de „staart” voor drie reserveaanhoudingsperioden worden gebaseerd op de door de NCB’s verzamelde kwartaalultimogegevens.

Bijlage III bevat ook bepalingen ten aanzien van rapportage op geaggregeerde basis als groep door kredietinstellingen. Met toestemming van de ECB mogen reserveplichtige kredietinstellingen binnen een bepaald nationaal grondgebied statistische gegevens betreffende hun geconsolideerde reservebasis op geaggregeerde basis als groep rapporteren, mits alle betrokken instellingen afstand hebben gedaan van de mogelijkheid om een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering te brengen. Deze vaste aftrek mag echter wel voor de groep als geheel worden toegepast. Indien een groep kredietinstellingen toestemming is verleend minimumreserves aan te houden via een bemiddelende instelling, maar geen voordeel heeft van een dergelijke rapportage als groep, kan de betreffende NCB de bemiddelende instelling machtigen statistieken namens deze groep van kredietinstellingen geaggregeerd te rapporteren (m.u.v. van die betreffende de reservebasis). In dit geval mag de vaste aftrek wel voor elk lid van de groep worden toegepast. Alle betrokken instellingen worden afzonderlijk opgenomen in de lijst van MFI’s van de ECB.

Daarnaast bevat deze bijlage bepalingen ten aanzien van fusies tussen kredietinstellingen. De termen „fusie”, „fuserende instellingen” en „overnemende instelling” hebben de betekenis neergelegd in artikel 1 van Verordening ECB/2003/9. Voor de aanhoudingsperiode waarin een fusie plaatsvindt, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend, en moet daaraan worden voldaan conform artikel 13 van genoemde verordening. Voor de opeenvolgende reserveaanhoudingsperioden, worden de reserveverplichtingen van de overnemende instelling in voorkomende gevallen volgens speciale regels berekend op basis van een reservebasis en van statistische gegevens (zie de tabel in bijlage III bij Verordening ECB/2008/32). Voor het overige zijn de normale regels voor de rapportage van statistische gegevens en de berekening van de reserveverplichting, zoals vervat in artikel 3 van Verordening ECB/2003/9, van toepassing. Bovendien kan de desbetreffende NCB de overnemende instelling machtigen de vereiste statistische gegevens te rapporteren via tijdelijke procedures. Deze afwijking van de normale rapportageprocedure moet zo kort mogelijk duren en mag in geen geval een periode van zes maanden, gerekend vanaf de datum van de fusie, overschrijden. Een en ander laat onverlet dat de overnemende instelling de eigen rapportageverplichtingen conform Verordening ECB/2008/32 moet vervullen en in voorkomende gevallen ook die van de fuserende instellingen.

Tabel 1

Op maandbasis te verstrekken gegevens (standen)  (4)

BALANSPOSTEN

A.

Binnenland

B.

Overige deelnemende lidstaten

C.

Rest van de wereld

D.

Niet toe te rekenen

MFI's (6)

Niet-MFI's

MFI's (6)

Niet-MFI's

Totaal

Banken

Niet-Banken

 

Kredietinstellingen

waarvan: reserveplichtige kredietinstellingen, ECB en NCB's

Overheid

(S.13)

Overige ingezeten sectoren

 

Kredietinstellingen

waarvan: reserveplichtige kredietinstellingen, ECB en NCB's

Overheid

(S.13)

Overige ingezeten sectoren

Centrale overheid

(S.1311)

Overige overheid

Totaal

Andere financiële intermediairs + financiële hulpbedrijven

(S.123+S.124)

Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen

(S.125)

Niet-financiële ondernemingen

(S.11)

Huishoudens + instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

(S.14+S.15)

Centrale overheid

(S.1311)

Overige overheid

Totaal

Andere financiële intermediairs + financiële hulpbedrijven

(S.123+S.124)

Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen

(S.125)

Niet-financiele ondernemingen

(S.11)

Huishoudens + instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

(S.14+S.15)

 

waarvan: centrale tegenpartijen (7)

waarvan: lege financiële instellingen

 

waarvan: centrale tegenpartijen (7)

waarvan: lege financiele instellingen

(a)

(b)

(c)

(d)

(e)

(f)

(g)

(h)

(i)

(j)

(k)

(l)

(m)

(n)

(o)

(p)

(q)

(r)

(s)

(t)

PASSIVA

8

Geld in omloop

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9

Deposito's

*

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

*

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

*

 

 

 

tot één jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

langer dan één jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

waarvan girale deposito's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

waarvan tot twee jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

waarvan gesyndiceerde leningen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9e

Euro

*

 

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

 

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.1e

Onmiddellijk opvraagbaar

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

waarvan girale deposito's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.2e

Met vaste looptijd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tot één jaar

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

langer dan één en tot twee jaar

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

langer dan twee jaar

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

 

 

9.3e

Met opzegtermijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tot drie maanden

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

langer dan drie maanden

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

waarvan langer dan twee jaar (5)

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

 

 

9.4e

Repo's

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

 

 

9x

Vreemde valuta's

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.1x

Onmiddellijk opvraagbaar

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.2x

Met vaste looptijd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tot één jaar

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

langer dan één en tot twee jaar

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

langer dan twee jaar

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

 

 

9.3x

Met opzegtermijn

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tot drie maanden

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

langer dan drie maanden

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

waarvan langer dan twee jaar (5)

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

 

 

9.4x

Repo's

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

*

*

*

*

 

 

 

 

 

 

*

 

 

 

10

Aandelen/participaties in geldmarktfondsen  (6)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

11

Uitgegeven schuldbrieven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

11e

Euro

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tot één jaar