ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.326.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 326

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
8 december 2011


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie ( 1 )

1

 

*

Verordening (EU) nr. 1228/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 429/73 van de Raad tot vaststelling van de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn bij de invoer in de Gemeenschap van bepaalde onder Verordening (EEG) nr. 1059/69 vallende goederen van oorsprong uit Turkije

17

 

*

Verordening (EU) nr. 1229/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot intrekking van een aantal achterhaalde rechtshandelingen van de Raad op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

18

 

*

Verordening (EU) nr. 1230/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot intrekking van een aantal achterhaalde rechtshandelingen van de Raad op het terrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek

21

 

*

Verordening (EU) nr. 1231/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 378/2007 van de Raad wat betreft de regels voor de uitvoering van een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

24

 

*

Verordening (EU) nr. 1232/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik

26

 

*

Verordening (EU) nr. 1233/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten en tot intrekking van de Beschikkingen 2001/76/EG en 2001/77/EG van de Raad

45

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat ( 1 )

113

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

8.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/1


VERORDENING (EU) Nr. 1227/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 oktober 2011

betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de consument en andere marktdeelnemers vertrouwen hebben in de integriteit van de elektriciteit- en gasmarkten, dat de op de groothandelsmarkten voor energie vastgestelde prijzen een eerlijke, op concurrentie gebaseerde wisselwerking tussen vraag en aanbod weerspiegelen en dat marktmisbruik geen winst oplevert.

(2)

Meer integriteit en transparantie van de energiemarkten moet tot doel hebben open en eerlijke concurrentie op de groothandelsmarkten voor energie te bevorderen ten voordele van de eindverbruikers van energie.

(3)

In het advies van het Comité van Europese effectenregelgevers en van de Europese Groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas werd bevestigd dat de huidige wetgeving het wellicht niet mogelijk maakt om integriteitsproblemen op de elektriciteits- en de gasmarkten op passende wijze aan te pakken en werd derhalve aanbevolen een passend, op de energiesector afgestemd rechtskader te scheppen, dat marktmisbruik voorkomt en rekening houdt met sectorspecifieke omstandigheden die niet het onderwerp zijn van andere richtlijnen en verordeningen.

(4)

De groothandelsmarkten voor energie zijn in de hele Unie steeds nauwer met elkaar verbonden. Marktmisbruik in één lidstaat heeft vaak gevolgen voor zowel de groothandelsprijzen voor elektriciteit en aardgas over de nationale grenzen heen als de kleinhandelsprijzen voor consumenten en micro-ondernemingen. Daarom kan de taak om de integriteit van de markten te garanderen niet uitsluitend aan de afzonderlijke lidstaten worden overgelaten. Een sterke grensoverschrijdend toezicht op de markt is essentieel voor de voltooiing van een volwaardig functionerende, onderling gekoppelde en geïntegreerde interne markt voor energie.

(5)

Groothandelsmarkten voor energie omvatten zowel grondstoffenmarkten als derivatenmarkten, die van wezenlijk belang zijn voor zowel de energiemarkten als de financiële markten, en de prijsvorming in de ene sector beïnvloedt die in de andere. Deze markten omvatten onder andere gereguleerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten en over the counter(OTC)-transacties en bilaterale contracten, direct of via handelaren.

(6)

Tot nu toe is het toezicht op de energiemarkt beperkt gebleven tot bepaalde lidstaten en specifieke sectoren. Afhankelijk van het algemene marktkader en de algemene regelgevingssituatie kan dit ertoe leiden dat handelsactiviteiten onder verschillende rechtsstelsels vallen, waarbij het toezicht op de markt wordt uitgevoerd door verschillende instanties die eventueel in verschillende lidstaten zijn gevestigd. Een dergelijke situatie kan onduidelijkheid scheppen over de verantwoordelijke instantie en kan er zelfs toe leiden dat helemaal geen markttoezicht meer wordt uitgeoefend.

(7)

Gedrag dat de integriteit van de energiemarkt ondermijnt, is op enkele van de belangrijkste energiemarkten momenteel niet uitdrukkelijk verboden. Met het oog op bescherming van de eindverbruiker en om de Europese burgers betaalbare energieprijzen te kunnen garanderen is het absoluut noodzakelijk dat dergelijk gedrag verboden wordt.

(8)

Op de groothandelsmarkten voor energie wordt gehandeld in zowel derivaten, met hetzij materiële hetzij financiële afwikkeling, als in grondstoffen. Het is dan ook belangrijk dat de voor de derivatenmarkten gehanteerde definities van handel met voorwetenschap en marktmanipulatie, die marktmisbruik vormen, verenigbaar zijn met die welke voor de grondstoffenmarkten worden gebruikt. Deze verordening moet derhalve in beginsel op alle gesloten transacties van toepassing zijn maar moet tegelijkertijd rekening houden met de specifieke kenmerken van de groothandelsmarkten voor energie.

(9)

Retailcontracten die betrekking hebben op de levering van elektriciteit of aardgas aan eindgebruikers zijn niet op dezelfde wijze gevoelig voor marktmanipulatie als groothandelscontracten, die eenvoudig kunnen worden aangekocht en verkocht. Niettemin kunnen besluiten inzake het verbruik van de grootste energieverbruikers ook gevolgen hebben voor de prijzen op de groothandelsmarkten voor energie, met over de nationale grenzen reikende effecten. Daarom moet ook aandacht worden besteed aan de leveringscontracten van deze grote gebruikers met het oog op het waarborgen van de integriteit van de groothandelsmarkten voor energie.

(10)

Rekening houdend met de resultaten van het onderzoek zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 21 december 2010 getiteld „Beter markttoezichtskader voor de EU-regeling voor emissiehandel”, moet de Commissie overwegen een wetsvoorstel in te dienen om de vastgestelde tekortkomingen op het gebied van de transparantie, de integriteit en het toezicht van de Europese koolstofmarkt binnen een passende termijn aan te pakken.

(11)

In Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit (3) en in Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (4) wordt erkend dat gelijke toegang tot informatie over de fysieke status en efficiëntie van het systeem noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat marktdeelnemers de totale vraag en het totale aanbod kunnen inschatten en de redenen voor schommelingen van de groothandelsprijs kunnen bepalen.

(12)

Het gebruik van voorwetenschap, of een poging daartoe, om te handelen hetzij voor eigen rekening hetzij voor die van een derde, moet duidelijk worden verboden. Het gebruik van voorwetenschap kan ook betrekking hebben op groothandelstransacties in energieproducten door personen die weten of zouden moeten weten dat de informatie waarover zij beschikken, voorwetenschap betreft. Informatie betreffende de eigen plannen en strategieën voor handel van de marktdeelnemer wordt niet beschouwd als voorwetenschap. Informatie die verplicht bekend moet worden gemaakt uit hoofde van Verordening (EG) nr. 714/2009 of Verordening (EG) nr. 715/2009, met inbegrip van richtsnoeren en op grond van deze verordeningen vastgestelde netcodes, kan, als het prijsgevoelige informatie betreft, dienen als grondslag voor beslissingen van marktdeelnemers om transacties met voor de groothandel bestemde energieproducten te verrichten en moet derhalve voorafgaand aan de bekendmaking ervan beschouwd worden als voorwetenschap.

(13)

Manipulatie op de groothandelsmarkten voor energie omvat handelingen door personen waardoor de prijzen op een kunstmatig niveau worden gehouden dat niet wordt gerechtvaardigd door de marktwerking van vraag en aanbod, zoals reële beschikbaarheid van productie-, opslag- of transportcapaciteit en vraag. Vormen van marktmanipulatie omvatten: het plaatsen en intrekken van valse orders; het verspreiden van valse of misleidende informatie of geruchten via de media, waaronder internet, of langs enige andere weg; het met opzet verstrekken van valse informatie aan ondernemingen die prijsanalyses uitvoeren of marktrapporten publiceren, met als doel het misleiden van marktdeelnemers die handelen op basis van die prijsanalyses of marktrapporten; en het met opzet de indruk wekken dat de beschikbare productiecapaciteit voor elektriciteit, de beschikbaarheid van aardgas of de beschikbare transmissiecapaciteit afwijkt van de feitelijk technisch beschikbare capaciteit, indien dergelijke informatie van invloed is of waarschijnlijk van invloed is op de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten. Manipulatie en de gevolgen ervan kunnen zich voordoen over de grenzen heen, tussen de markten voor elektriciteit en aardgas en tussen financiële en grondstoffenmarkten, waaronder de markten voor emissierechten.

(14)

Voorbeelden van marktmanipulatie of poging tot marktmanipulatie omvatten: gedrag van een persoon of in samenwerking handelende personen om een beslissende positie te verwerven over het aanbod van, of over de vraag naar, een voor de groothandel bestemd energieproduct, met als gevolg of mogelijk gevolg dat rechtstreeks of middellijk prijzen worden vastgehouden of andere onbillijke transactievoorwaarden worden opgelegd; en het aanbieden, aankopen of verkopen van voor de groothandel bestemde energieproducten met als doel, oogmerk of gevolg dat marktdeelnemers die op basis van referentieprijzen opereren worden misleid. Niettemin kunnen gebruikelijke marktpraktijken, zoals de praktijken op het terrein van financiële diensten, die momenteel zijn gedefinieerd in artikel 1, lid 5, van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (5) en waarvan de definitie aangepast kan worden wanneer die richtlijn wordt gewijzigd, een legitieme manier zijn voor marktdeelnemers om een gunstige prijs te bewerkstelligen voor een voor de groothandel bestemd energieproduct.

(15)

De openbaarmaking van voorwetenschap met betrekking tot een voor de groothandel bestemd energieproduct door journalisten die in hun beroepshoedanigheid handelen, moet worden beoordeeld met inachtneming van de gedragsregels die voor hun beroepsgroep gelden alsmede de regels inzake de persvrijheid, tenzij deze personen rechtstreeks of middellijk voordeel of winst behalen uit de verspreiding van deze informatie, of wanneer de openbaarmaking tot doel heeft de markt te misleiden voor wat betreft het aanbod van, de vraag naar of de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten.

(16)

De omschrijvingen van marktmisbruik van toepassing op financiële markten zullen worden aangepast al naargelang de ontwikkeling van die markten. Ter waarborging van de nodige flexibiliteit om snel op die ontwikkelingen in te kunnen spelen, moet derhalve aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot de technische aanpassing van de definities van voorwetenschap en marktmanipulatie, teneinde de samenhang te waarborgen met andere relevante wetgeving van de Unie op het gebied van financiële diensten en energie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen zorgen voor gelijktijdige, tijdige en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

(17)

Efficiënt markttoezicht op het niveau van de Unie is essentieel om marktmisbruik op de groothandelsmarkten voor energie aan het licht te brengen en te ontmoedigen. Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, opgericht bij Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad (6) (hierna het „Agentschap” genoemd), is de meest aangewezen instantie om een dergelijk toezicht uit te voeren, aangezien het beschikt over zowel een Unie brede blik op de elektriciteit- en gasmarkten als de nodige deskundigheid met betrekking tot de werking van de Europese markten en systemen voor elektriciteit en gas. Aangezien de nationale regulerende instanties een goed beeld hebben van de ontwikkelingen op de energiemarkten in hun lidstaat, moeten zij een belangrijke rol krijgen bij het efficiënte toezicht op de markten op nationaal niveau. Nauwe samenwerking en coördinatie tussen het Agentschap en de nationale autoriteiten is daarom nodig om een deugdelijk toezicht en transparantie van de energiemarkt te verzekeren. Het verzamelen van gegevens door het Agentschap laat het recht van nationale instanties om aanvullende gegevens te verzamelen voor nationale doeleinden onverlet.

(18)

Efficiënt markttoezicht vereist regelmatige en tijdige toegang tot transactiegegevens en tot structurele gegevens met betrekking tot capaciteit en benutting van installaties voor de productie, de opslag, het verbruik of de transmissie van elektriciteit of aardgas. Daarom moeten marktdeelnemers, met inbegrip van transmissiesysteembeheerders, leveranciers, handelaren, producenten, effectenmakelaren en grootverbruikers, die groothandelstransacties voor energieproducten aangaan, verplicht worden deze informatie aan het Agentschap ter beschikking te stellen. Het Agentschap kan van zijn kant intensieve contacten aangaan met grote georganiseerde markten.

(19)

Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de regels inzake gegevensverzameling te waarborgen, moet aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (7). Rapportageverplichtingen moeten zo beperkt mogelijk worden gehouden en mogen voor marktdeelnemers geen nodeloze kosten of administratieve lasten met zich meebrengen Om die reden moet vooraf een kosten-batenanalyse worden uitgevoerd van de uniforme regels voor het rapporteren van gegevens, moet een dubbele rapportageplicht worden vermeden en moet in de regels rekening worden gehouden met kaders voor rapportage, die zijn ontwikkeld in het kader van andere relevante wetgeving. Tevens moet de vereiste informatie of delen daarvan, waar mogelijk, worden verkregen van andere personen en bestaande bronnen. Indien een marktdeelnemer of een derde partij die voor rekening van de marktdeelnemer optreedt, een handelsregistratiesysteem, een georganiseerde markt, een systeem voor de matching van orders of een andere persoon die beroepshalve transacties tot stand brengt, heeft voldaan aan zijn rapportageverplichtingen tegenover de bevoegde autoriteit overeenkomstig Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (8) of toepasselijke wetgeving van de Unie betreffende derivatentransacties, centrale tegenpartijen en transactieregisters, wordt hij geacht tevens te hebben voldaan aan zijn rapportageverplichtingen uit hoofde van deze verordening, echter uitsluitend voor zover alle uit hoofde van deze verordening verplichte informatie is gemeld.

(20)

Het is van belang dat de Commissie en het Agentschap nauw samenwerken bij de tenuitvoerlegging van deze verordening en passend overleg voeren met de Europees netwerken van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit en gas, en met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority — ESMA) opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (9), met nationale regulerende instanties, bevoegde financiële autoriteiten en andere autoriteiten in de lidstaten, zoals nationale mededingingsautoriteiten, en met belanghebbenden zoals georganiseerde markten (bijvoorbeeld energiehandelsbeurzen) en marktdeelnemers.

(21)

Er moet op basis van nationale registers een Europees register van alle marktdeelnemers worden opgericht om de algehele transparantie en integriteit van de groothandelsmarkten voor energie te verbeteren. Eén jaar na de oprichting van dit register moet de Commissie in samenwerking met het Agentschap, in overeenstemming met de verslagen die door het Agentschap bij de Commissie zijn ingediend, en met de nationale regulerende instanties de werking en het nut van het Europees register van marktdeelnemers evalueren. Indien dit op basis van deze evaluatie passend wordt geacht, zal de Commissie overwegen verdere instrumenten voor te leggen om de algehele transparantie en integriteit van de groothandelsmarkten voor energie te verbeteren en om gelijke mededingingsvoorwaarden voor marktdeelnemers in de gehele EU te waarborgen.

(22)

Teneinde efficiënt toezicht op alle aspecten van de groothandel in energieproducten te vergemakkelijken, moet het Agentschap mechanismen vaststellen om andere betrokken instanties toegang te verlenen tot de informatie die het over groothandelstransacties in energieproducten ontvangt, met name aan ESMA, de nationale regulerende instanties, de bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten, de nationale mededingingsautoriteiten en andere betrokken instanties.

(23)

Het Agentschap moet waken over de operationele veiligheid en bescherming van de door het Agentschap ontvangen gegevens, moet ongeoorloofde toegang tot de door het Agentschap gehouden informatie voorkomen en moet procedures vaststellen, die voorkomen dat de door het Agentschap verzamelde gegevens worden misbruikt door personen die tot die gegevens geautoriseerd toegang hebben. Het Agentschap dient zich er bovendien van te vergewissen dat de instanties die toegang hebben tot de door het Agentschap bijgehouden gegevens een even hoog beveiligingsniveau in stand kunnen houden en gebonden zijn aan passende geheimhoudingsregelingen. Derhalve moet ook de operationele beveiliging van de IT-systemen voor de verwerking en overdracht van gegevens gewaarborgd zijn. Bij het opzetten van een IT-systeem met een zo hoog mogelijk niveau van vertrouwelijkheid van gegevens wordt het Agentschap aangemoedigd nauw samen te werken met het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA). Deze regels moeten ook gelden voor andere autoriteiten die toegang hebben tot de gegevens voor het doel van deze verordening.

(24)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de constitutionele tradities van de lidstaten en moet worden uitgevoerd in overeenstemming met het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie zoals vastgelegd in artikel 11 van het Handvest.

(25)

Wanneer informatie niet of niet meer gevoelig is vanuit commercieel of veiligheidsoogpunt, moet het Agentschap deze informatie bekend kunnen maken aan de marktdeelnemers en het ruimere publiek, teneinde bij te dragen aan verbeterde kennis van de markt. Een dergelijke transparantie zal het vertrouwen in de markt helpen versterken en de kennis over de werking van groothandelsmarkten voor energie stimuleren. Het Agentschap moet regels vaststellen en publiceren over de wijze waarop deze informatie op eerlijke en transparante wijze openbaar zal worden gemaakt.

(26)

De handhaving van deze verordening in de lidstaten moet aan de nationale regulerende instanties worden toevertrouwd. Daartoe moeten zij de onderzoeksbevoegdheden krijgen die noodzakelijk zijn voor de efficiënte vervulling van deze opdracht. Deze bevoegdheden worden uitgeoefend in overeenstemming met de nationale wetgeving en kunnen aan passend overkoepelend toezicht worden onderworpen.

(27)

Het Agentschap ziet erop toe dat deze verordening wordt toegepast op een gecoördineerde wijze in de hele Unie en op een manier die coherent is met de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2003/6/EG. Hiertoe moet het Agentschap, waar passend, niet-bindende richtsnoeren publiceren over de toepassing van de definities van deze verordening. Deze richtsnoeren moeten onder andere betrekking hebben op het onderwerp van gebruikelijke marktpraktijken. Bovendien moet, aangezien marktmisbruik op de groothandelsmarkten voor energie vaak gevolgen heeft voor meerdere lidstaten, het Agentschap een belangrijke rol worden toebedeeld bij het garanderen van de efficiënte en samenhangende uitvoering van onderzoeken. Daartoe moet het Agentschap om samenwerking kunnen verzoeken en de werkzaamheden kunnen coördineren van de onderzoeksgroepen die zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken nationale regulerende instanties en, in voorkomend geval, van andere instanties, met inbegrip van nationale mededingingsautoriteiten.

(28)

Het Agentschap moet worden uitgerust met passende financiële en personele middelen die noodzakelijk zijn om de aanvullende, krachtens deze verordening toegewezen taken naar behoren te vervullen. Daartoe moet in de procedure voor de opstelling en de uitvoering van en het toezicht op de begroting, zoals vastgesteld in artikel 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 713/2009 rekening worden gehouden met deze taken. De begrotingsautoriteit moet waarborgen dat wordt voldaan aan de beste normen op het gebied van doeltreffendheid.

(29)

De nationale regulerende instanties, de bevoegde financiele autoriteiten van de lidstaten en, waar passend, de nationale mededingingsautoriteiten moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat marktmisbruik op groothandelsmarkten voor energie, die zowel grondstoffen- als derivatenmarkten omvatten, op een gecoördineerde manier wordt aangepakt. Deze samenwerking moet de wederzijdse uitwisseling van informatie omvatten betreffende vermoedens dat er op de groothandelsmarkten voor energie handelingen zijn of worden uitgevoerd, die waarschijnlijk een schending van deze verordening, Richtlijn 2003/6/EG of het mededingingsrecht inhouden. Bovendien moet deze coördinatie bijdragen aan een coherente en consistente benadering van onderzoeken en gerechtelijke procedures.

(30)

Het is belangrijk dat geheimhoudingsplicht geldt voor personen die overeenkomstig deze verordening vertrouwelijke informatie ontvangen. Het Agentschap, de nationale regulerende instanties, bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten en nationale mededingingsautoriteiten moeten de geheimhouding, integriteit en bescherming van de door hen ontvangen informatie garanderen.

(31)

Het is van belang dat de sancties voor inbreuken op deze verordening evenredig, doeltreffend en afschrikkend zijn, en een afspiegeling vormen van de ernst van de overtredingen, de schade voor de consumenten en de winst die potentieel door de handel met voorwetenschap of de marktmanipulatie werd gerealiseerd. Deze sancties moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met het nationale recht. Ter erkenning van de wisselwerking tussen de handel in elektriciteit- en aardgasderivaten enerzijds en de handel in elektriciteit en aardgas zelf anderzijds, moeten de sancties voor inbreuken op deze richtlijn in overeenstemming zijn met de sancties die de lidstaten bij de omzetting van Richtlijn 2003/6/EG hebben vastgesteld. Rekening houdend met het overleg over de mededeling van de Commissie van 12 december 2010 getiteld „Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector” moet de Commissie overwegen voorstellen in te dienen om de minimumnormen voor de sanctiestelsels van de lidstaten binnen een passende termijn te harmoniseren. Deze verordening doet geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake de bewijsstandaard of aan de plicht van de nationale regulerende instanties en de rechterlijke instanties van de lidstaten de relevante feiten van een zaak vast te stellen mits dergelijke voorschriften en plichten verenigbaar zijn met algemene beginselen van het recht van de Unie.

(32)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, met name het scheppen van een geharmoniseerd kader tot waarborging van de transparantie en integriteit van de groothandelsmarkten voor energie, onvoldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en beter op EU-niveau kan worden nagestreefd, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgestelde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp, toepassingsgebied en verband met andere wetgeving van de Unie

1.   Bij deze verordening worden voorschriften vastgesteld, die misbruik met gevolgen voor de groothandelsmarkten voor energie verbieden en die coherent zijn met de voorschriften die van toepassing zijn op de financiële markten, en met de goede werking van deze groothandelsmarkten voor energie, daarbij rekening houdend met hun specifieke kenmerken. De verordening voorziet in toezicht op de groothandelsmarkt voor energie door het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (hierna het „Agentschap” genoemd) in nauwe samenwerking met de nationale regulerende instanties en rekening houdend met de interacties tussen het systeem voor de handel in emissierechten en de groothandelsmarkten voor energie.

2.   Deze verordening is van toepassing op de handel in de voor de groothandel bestemde energieproducten. De artikelen 3 en 5 van deze verordening zijn niet van toepassing op voor de groothandel bestemde energieproducten die financiële instrumenten zijn en waarop artikel 9 van Richtlijn 2003/6/EG van toepassing is. Deze verordening laat Richtlijnen 2003/6/EG en 2004/39/EG evenals de toepassing van Europees mededingingsrecht op de onder deze verordening vallende praktijken onverlet.

3.   Het Agentschap, de nationale regulerende instanties, ESMA, de bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten en, waar passend, de nationale mededingingsautoriteiten werken samen om ervoor te zorgen dat de toepasselijke regelgeving op gecoördineerde wijze wordt gehandhaafd wanneer acties betrekking hebben op één of meerdere financiële instrumenten waarop artikel 9 van Richtlijn 2003/6/EG van toepassing is, alsook op één of meer voor de groothandel bestemde energieproducten waarop de artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening van toepassing zijn.

4.   De raad van bestuur van het Agentschap ziet erop toe dat het Agentschap de uit hoofde van deze verordening toegewezen taken uitvoert in overeenstemming met deze verordening en Verordening (EG) nr. 713/2009.

5.   De directeur van het Agentschap raadpleegt de raad van regulatoren van het Agentschap inzake alle aspecten van de omzetting van deze verordening en houdt terdege rekening met het advies van de raad.

Artikel 2

Definities

Voor de doeleinden van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„voorwetenschap”: niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk verband houdt met één of meerdere voor de groothandel bestemde energieproducten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de prijzen van deze voor de groothandel bestemde energieproducten.

Voor de toepassing van deze definitie gaat het daarbij om:

a)

informatie die verplicht openbaar moet worden gemaakt overeenkomstig Verordeningen (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009, met inbegrip van richtsnoeren en netcodes die op grond van die verordeningen zijn vastgesteld;

b)

informatie met betrekking tot de capaciteit en de benutting van faciliteiten voor productie, opslag, verbruik of transmissie van elektriciteit of aardgas, of informatie over de capaciteit en benutting van lng-installaties, met inbegrip van de geplande of ongeplande niet-beschikbaarheid van deze installaties;

c)

informatie die verplicht openbaar moet worden gemaakt overeenkomstig Europese of nationale wet- en regelgeving, marktvoorschriften, contracten of gebruiken op de betrokken groothandelsmarkt voor energie, voor zover deze informatie waarschijnlijk een aanzienlijke invloed zou hebben op de prijzen van dergelijke voor de groothandel bestemde energieproducten, en

d)

andere informatie die een redelijk handelende marktdeelnemer waarschijnlijk zal gebruiken om er zijn beslissing om over te gaan tot een transactie inzake of een order te plaatsen voor de handel in een voor de groothandel bestemd energieproduct ten dele op te baseren;

Informatie wordt als concreet beschouwd indien de informatie een reeks omstandigheden aanduidt, die zich voordoet of redelijkerwijs verwacht kan worden zich te zullen voordoen, of een gebeurtenis die plaatsgevonden heeft of die redelijkerwijs verwacht kan worden plaats te zullen vinden, en indien de informatie concreet genoeg is om een conclusie te kunnen trekken ten aanzien van het mogelijke effect van die reeks omstandigheden of gebeurtenis op de prijzen van voor de groothandel bestemde energieproducten;

2.

„marktmanipulatie”:

a)

het aangaan van een transactie of het geven van een handelsorder met betrekking tot voor de groothandel bestemde energieproducten:

i)

die onjuiste of misleidende signalen geeft of waarschijnlijk zal geven met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten;

ii)

waarbij één of meer personen samenwerken om de prijs van één of meerdere voor de groothandel bestemde energieproducten op een kunstmatig niveau te houden, of pogen dat te doen, tenzij de persoon die de transactie is aangegaan of de handelsorders heeft geplaatst, aantoont dat zijn beweegredenen om de betreffende transactie aan te gaan of de handelsorder te plaatsen, gerechtvaardigd en in overeenstemming zijn met de gebruikelijke marktpraktijken op de desbetreffende groothandelsmarkt voor energie, of

iii)

waarbij gebruik wordt gemaakt van of gepoogd wordt gebruik te maken van een oneigenlijke constructie of enigerlei andere vorm van bedrog of misleiding, waarmee onjuiste of misleidende signalen met betrekking tot de levering van, de vraag naar of de prijs van een voor de groothandel bestemd energieproduct worden afgegeven of waarschijnlijk worden afgegeven,

of

b)

het verspreiden van informatie, via de media, met inbegrip van internet, of via andere kanalen, die onjuiste of misleidende signalen geeft of waarschijnlijk zal geven met betrekking tot de levering van, de vraag naar of de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten, met inbegrip van de verspreiding van geruchten en valse of misleidende berichten, waarvan de persoon die de informatie verspreid heeft, wist of had moeten weten dat de informatie onjuist of misleidend was.

Wanneer informatie wordt verspreid voor journalistieke of artistieke doeleinden, moet deze verspreiding van informatie worden beoordeeld met inachtneming van de regels die gelden met betrekking tot de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, tenzij:

i)

deze personen rechtstreeks of middellijk voordeel of winst behalen uit de verspreiding van deze informatie of de openbaarmaking, of

ii)

de verspreiding tot doel heeft de markt te misleiden met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten;

3.

„poging tot marktmanipulatie”:

a)

het aangaan van een transactie, het plaatsen van een handelsorder of het ondernemen van enigerlei andere actie met betrekking tot een voor de groothandel bestemd energieproduct met de bedoeling:

i)

onjuiste of misleidende signalen te geven met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten;

ii)

de prijs van één of meerdere voor de groothandel bestemde energieproducten op een kunstmatig niveau te houden, tenzij de persoon die de transacties is aangegaan of de handelsorders heeft geplaatst, aantoont dat zijn beweegredenen om de betreffende transactie aan te gaan of de handelsorder te plaatsen, gerechtvaardigd zijn en in overeenstemming zijn met de gebruikelijke marktpraktijken op de desbetreffende groothandelsmarkt voor energie, of

iii)

gebruik te maken van een oneigenlijke constructie of enigerlei andere vorm van bedrog of misleiding, waarmee onjuiste of misleidende signalen met betrekking tot de levering van, de vraag naar of de prijs van een voor de groothandel bestemd energieproduct worden afgegeven of waarschijnlijk worden afgegeven,

of

b)

het verspreiden van informatie via de media, met inbegrip van het internet, of via andere kanalen, met de bedoeling onjuiste of misleidende signalen te geven met betrekking tot de levering van, de vraag naar of de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten.

4.

„voor de groothandel bestemde energieproducten”: de volgende contracten en derivaten, ongeacht de plaats en wijze van verhandeling:

a)

contracten voor de levering van elektriciteit of aardgas waarbij de levering plaatsvindt in de Unie;

b)

derivaten met betrekking tot in de Unie geproduceerde, verhandelde of geleverde elektriciteit of aardgas;

c)

contracten met betrekking tot het transport van elektriciteit of aardgas in de Unie;

d)

derivaten met betrekking tot het transport van elektriciteit of aardgas in de Unie.

Contracten voor de levering en distributie van elektriciteit of aardgas aan eindgebruikers zijn geen voor de groothandel bestemde energieproducten. Contracten voor de levering en distributie van elektriciteit of aardgas aan eindgebruikers met een verbruikscapaciteit aan elektriciteit of aardgas groter dan de capaciteit, genoemd onder punt 5, tweede alinea, worden echter behandeld als voor de groothandel bestemde energieproducten;

5.

„verbruikscapaciteit”: het verbruik van een eindgebruiker van elektriciteit ofwel aardgas die zijn productiecapaciteit volledig benut. Dit omvat het volledige verbruik door deze eindgebruiker als enkele economische eenheid, voor zover het gebruik plaatsvindt op markten met onderling gekoppelde groothandelsprijzen.

Voor de toepassing van deze definitie wordt het verbruik van individuele installaties, onder het toezicht van een enkele economische eenheid, die een verbruikscapaciteit hebben van minder dan 600 GWh per jaar, niet in aanmerking genomen, voor zover deze installaties geen gezamenlijke invloed uitoefenen op de prijzen van de groothandelsmarkt voor energie omdat zij zich op afzonderlijke relevante geografische markten bevinden;

6.

„groothandelsmarkt voor energie”: elke markt in de Unie waarop voor de groothandel bestemde energieproducten worden verhandeld;

7.

„marktdeelnemer”: elke persoon, met inbegrip van transmissiesysteembeheerders, die transacties aangaat, onder meer door handelsorders te plaatsen, op één of meer groothandelsmarkten voor energie;

8.

„persoon”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon;

9.

„bevoegde financiële autoriteit”: een bevoegde autoriteit die is aangewezen overeenkomstig de in artikel 11 van Richtlijn 2003/6/EG vastgestelde procedure;

10.

„nationale regulerende instantie”: een nationale regulerende instantie die is aangewezen overeenkomstig artikel 35, lid 1, van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (10) of artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (11);

11.

„transmissiesysteembeheerder”: als bedoeld in artikel 2, punt 4, van Richtlijn 2009/72/EG en artikel 2, punt 4, van Richtlijn 2009/73/EG;

12.

„moederonderneming”: een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van de Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g,) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (12);

13.

„verbonden onderneming”: een dochteronderneming of iedere andere onderneming waarin een deelneming bestaat, of een onderneming die met een andere onderneming verbonden is door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG;

14.

„distributie van aardgas” als bedoeld in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2009/73/EG;

15.

„distributie van elektriciteit” als bedoeld in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2009/72/EG.

Artikel 3

Verbod op handel met voorwetenschap

1.   Het is personen met voorwetenschap over een voor de groothandel bestemd energieproduct verboden:

a)

gebruik te maken van deze voorwetenschap door, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk voor de groothandel bestemde energieproducten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft te verkrijgen of te vervreemden, of te trachten deze te verkrijgen of te vervreemden;

b)

deze informatie aan een derde mede te delen, tenzij dit gebeurt in het kader van de normale uitoefening van hun werk, beroep of functie;

c)

op grond van voorwetenschap een derde aan te bevelen of ertoe aan te zetten om voor de groothandel bestemde energieproducten waarop die voorwetenschap betrekking heeft, te verkrijgen of te vervreemden.

2.   Het in lid 1 vastgestelde verbod geldt voor de volgende personen die voorwetenschap hebben met betrekking tot een voor de groothandel bestemd energieproduct:

a)

leden van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen van een onderneming;

b)

personen die een participatie in het kapitaal van een onderneming hebben;

c)

personen die toegang hebben tot de informatie vanwege de uitoefening van hun werk, beroep of functie;

d)

personen die dergelijke informatie hebben verkregen op basis van criminele activiteiten;

e)

personen die weten of behoren te weten dat het voorwetenschap betreft.

3.   Lid 1, onder a) en c), van dit artikel is niet van toepassing op transmissiesysteembeheerders bij de aankoop van elektriciteit of aardgas om de veilige en beveiligde werking van het systeem te waarborgen ter inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 12, onder d) en e), van Richtlijn 2009/72/EG of artikel 13, lid 1, onder a) en c), van Richtlijn 2009/73/EG.

4.   Dit artikel is niet van toepassing op:

a)

transacties die worden verricht ter nakoming van een opeisbaar geworden verplichting die is aangegaan om voor de groothandel bestemde energieproducten te verkrijgen of vervreemden, waarbij deze verplichting voortvloeit uit een overeenkomst die is gesloten, of uit een handelsorder die is geplaatst voordat de persoon in kwestie voorwetenschap bezat;

b)

transacties die zijn aangegaan door elektriciteit- of aardgasproducenten, exploitanten van aardgasopslaginstallaties of exploitanten van lng-installaties met als enig doel om het directe fysieke verlies te dekken dat is ontstaan door ongeplande onderbrekingen, indien het nalaten daarvan ertoe zou leiden dat de marktdeelnemer zijn contractuele verplichtingen niet zou kunnen nakomen of indien een dergelijke handeling wordt verricht in overeenstemming met de betreffende transmissiesysteembeheerder(s) teneinde een veilige en beveiligde werking van het systeem te waarborgen. In een dergelijke situatie wordt de relevante informatie betreffende de transacties gemeld aan het Agentschap en de nationale regulerende instantie. Deze meldplicht laat de verplichting van artikel 4, lid 1, onverlet;

c)

marktdeelnemers die handelen overeenkomstig nationale regels voor noodsituaties, wanneer nationale autoriteiten hebben geïntervenieerd teneinde de levering van elektriciteit of aardgas te waarborgen en marktmechanismen in een lidstaat of delen daarvan zijn opgeschort. In dat geval ziet de voor planning in noodsituaties bevoegde autoriteit toe op openbaarmaking overeenkomstig artikel 4.

5.   Indien de persoon die met betrekking tot een voor de groothandel bestemd energieproduct voorwetenschap heeft, een rechtspersoon is, is het in lid 1 vastgestelde verbod tevens van toepassing op de natuurlijke personen die deelnemen aan de beslissing om de transactie voor rekening van de rechtspersoon in kwestie uit te voeren.

6.   Wanneer informatie wordt verspreid voor journalistieke of artistieke doeleinden, moet deze verspreiding van informatie worden beoordeeld met inachtneming van de regels die gelden met betrekking tot de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, tenzij:

a)

deze personen rechtstreeks of middellijk voordeel of winst behalen uit de verspreiding van deze informatie, of

b)

de openbaarmaking of de verspreiding tot doel heeft de markt te misleiden inzake het aanbod van, de vraag naar of de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten.

Artikel 4

Verplichte openbaarmaking van voorwetenschap

1.   Marktdeelnemers maken tijdig en op een doeltreffende manier voorwetenschap publiekelijk openbaar, waarover zij beschikken met betrekking tot bedrijfsactiviteiten of faciliteiten die de betrokken marktdeelnemer, of hun moederonderneming of verbonden onderneming, bezit of controleert, of voor wiens operationele aangelegenheden deze marktdeelnemer of onderneming geheel dan wel gedeeltelijk verantwoordelijk is. Een dergelijke openbaarmaking omvat informatie aangaande de capaciteit en de benutting van de productie-, opslag-, verbruik- en transmissiefaciliteiten voor elektriciteit of aardgas of informatie aangaande de capaciteit en benutting van lng-installaties, met inbegrip van de geplande of ongeplande niet-beschikbaarheid van deze installaties.

2.   In uitzonderlijke gevallen kan een marktdeelnemer op eigen verantwoordelijkheid de openbaarmaking van voorwetenschap uitstellen teneinde zijn rechtmatige belangen te beschermen, mits dit naar alle waarschijnlijkheid geen misleiding van het publiek tot gevolg heeft, en op voorwaarde dat de marktdeelnemer het vertrouwelijke karakter van deze informatie kan waarborgen en op basis van de desbetreffende informatie geen handelsbeslissingen neemt met betrekking tot voor de groothandel bestemde energieproducten. Gelet op artikel 8, lid 5, verstrekt de marktdeelnemer in deze situatie de betrokken informatie, tezamen met een motivering voor het uitstel van de openbaarmaking, onverwijld aan het Agentschap en aan de betrokken nationale regulerende instantie.

3.   Wanneer een marktdeelnemer of een persoon die in dienst is bij of handelt namens een marktdeelnemer, voorwetenschap met betrekking tot een voor de groothandelsmarkt bestemd energieproduct openbaar maakt in het kader van de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), ziet die marktdeelnemer of deze persoon toe op de gelijktijdige, volledige en daadwerkelijke publieke openbaarmaking van die informatie. In het geval van niet-opzettelijke openbaarmaking ziet de marktdeelnemer erop toe dat de informatie zo snel mogelijk na de niet-opzettelijke openbaarmaking volledig en daadwerkelijk publiek openbaar wordt gemaakt. Dit lid is niet van toepassing indien de persoon die de informatie ontvangt een geheimhoudingsplicht heeft, ongeacht of die gebaseerd is op wet- of regelgeving, statutaire bepalingen of een overeenkomst.

4.   De openbaarmaking van voorwetenschap, waaronder informatie in samengevoegde vorm, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 714/2009 of Verordening (EG) nr. 715/2009 en de op grond van die verordeningen vastgestelde richtsnoeren en netwerkcodes, houdt gelijktijdige, volledige en daadwerkelijke openbaarmaking in.

5.   Indien een transmissiesysteembeheerder overeenkomstig Verordening (EG) nr. 714/2009 of Verordening (EG) nr. 715/2009 is vrijgesteld van de verplichting tot openbaarmaking van bepaalde gegevens, is de transmissiesysteembeheerder daarmee tevens vrijgesteld van de in lid 1 van dit artikel vastgelegde verplichting met betrekking tot die gegevens.

6.   Lid 1 en 2 laten de verplichtingen onverlet die voor marktdeelnemers voortvloeien uit Richtlijnen 2009/72/EG en 2009/73/EG en Verordeningen (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009, met inbegrip van richtsnoeren en netcodes die op grond van die richtlijnen en verordeningen zijn vastgesteld, met name wat het tijdstip en de methode van openbaarmaking van informatie betreft.

7.   Lid 1 en 2 laten het recht van marktdeelnemers onverlet om de openbaarmaking uit te stellen van gevoelige informatie met betrekking tot de bescherming van kritieke infrastructuur, zoals bedoeld in artikel 2, onder d), van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (13), indien die informatie in hun land gerubriceerd is.

Artikel 5

Verbod op marktmanipulatie

Het is verboden zich in te laten, of pogen zich in te laten, met marktmanipulatie van de groothandelsmarkten voor energie.

Artikel 6

Technische aanpassing van de definitie van voorwetenschap en marktmanipulatie

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 20 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a)

de definities van artikel 2, punten 1, 2, 3 en 5, in overeenstemming te brengen met andere relevante wetgeving van de Unie op het gebied van financiële diensten en energie, en

b)

die definities aan te passen met als enig doel om toekomstige ontwikkelingen op de groothandelsmarkten voor energie in aanmerking te nemen.

2.   In de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen wordt op zijn minst rekening gehouden met:

a)

de specifieke werking van de groothandelsmarkten voor energie, waaronder de specifieke kenmerken van elektriciteitsmarkten en gasmarkten en de wisselwerking tussen de grondstoffenmarkten en de derivatenmarkten;

b)

de mogelijkheid van manipulatie over de grenzen heen, tussen elektriciteit- en gasmarkten en tussen grondstoffenmarkten en derivatenmarkten;

c)

het mogelijke effect op de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten van de werkelijke of de geplande productie en het werkelijke of het geplande verbruik en gebruik van transmissie- en opslagcapaciteit, en

d)

de overeenkomstig Verordeningen (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 vastgestelde netcodes en kaderrichtsnoeren.

Artikel 7

Markttoezicht

1.   Het Agentschap houdt toezicht op de handel in voor de groothandel bestemde energieproducten en voorkomt handel met voorwetenschap en marktmanipulatie. Het verzamelt gegevens voor de evaluatie van en het toezicht op de groothandelsmarkten voor energie als bedoeld in artikel 8.

2.   Nationale regulerende instanties werken onderling samen op regionaal niveau samen en met het Agentschap voor het uitvoeren van het in lid 1 bedoelde toezicht op de groothandelsmarkten voor energie. Daartoe dienen de nationale regulerende instanties toegang te hebben tot de relevante informatie die het Agentschap overeenkomstig lid 1 van dit artikel en met inachtneming van artikel 10, lid 2, verzamelt. Nationale regulerende instanties kunnen ook toezicht houden op de handel in voor de groothandel bestemde energieproducten op nationaal niveau.

Lidstaten kunnen bepalen dat hun nationale mededingingsautoriteit of een binnen die autoriteit opgericht orgaan voor markttoezicht samen met de nationale regulerende instantie toezicht op de markt uitoefent. Bij de uitoefening van een dergelijk toezicht op de markt heeft de nationale mededingingsautoriteit of het orgaan voor markttoezicht dezelfde rechten en verplichtingen als de nationale regelgevende instantie uit hoofde van de eerste alinea van dit lid, lid 3, tweede zin van de tweede alinea van dit artikel, artikel 4, lid 2, tweede zin, artikel 8, lid 5, eerste zin, en artikel 16.

3.   Het Agentschap legt de Commissie op zijn minst eenmaal per jaar een verslag voor over de werkzaamheden die het op grond van deze verordening verricht en maakt dit verslag openbaar voor het publiek. In dergelijke verslagen evalueert het Agentschap de werking en transparantie van verschillende categorieën van markten en vormen van handel en kan het Agentschap de Commissie aanbevelingen doen inzake marktregels, normen en procedures die de integriteit en de werking van de interne markt kunnen verbeteren. Tevens kan het Agentschap evalueren of minimumvereisten voor georganiseerde markten kunnen bijdragen aan een betere transparantie van de markt. De verslagen kunnen worden gecombineerd met het in artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 713/2009 bedoelde verslag.

Het Agentschap kan de Commissie aanbevelingen doen met betrekking tot transactiegegevens, met inbegrip van handelsorders, waarvan het meent dat zij noodzakelijk zijn om de groothandelsmarkten voor energie op een doeltreffende en doelmatige wijze te kunnen monitoren. Alvorens dergelijke aanbevelingen vast te stellen, raadpleegt het Agentschap de betrokken partijen, in het bijzonder de nationale regulerende instanties, de bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten, de nationale mededingingsautoriteiten en ESMA.

Alle aanbevelingen moeten ter beschikking van het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie worden gesteld en moeten openbaar worden gemaakt voor het publiek.

Artikel 8

Gegevensverzameling

1.   Marktdeelnemers, of een namens hen optredende persoon of autoriteit als genoemd in lid 4, onder b) tot en met f), voorzien het Agentschap van overzichten van op de groothandelsmarkt voor energie verrichte transacties, met inbegrip van handelsorders. De te verstrekken informatie omvat de precieze identiteit van de voor de groothandel bestemde energieproducten die zijn gekocht en verkocht, de overeengekomen prijs en hoeveelheid, de data en tijden van uitvoering, de bij de transactie betrokken partijen en de begunstigden van de transactie en enige andere relevante informatie. Hoewel de algemene verantwoordelijkheid bij de marktdeelnemers blijft liggen, wordt de betreffende marktdeelnemer geacht te hebben voldaan aan zijn rapportageverplichting, zodra de vereiste informatie is ontvangen van een persoon of autoriteit als genoemd in lid 4, onder b) tot en met f).

2.   De Commissie zal door middel van uitvoeringshandelingen:

a)

een lijst opstellen van de contracten en derivaten, met inbegrip van handelsorders, die gemeld moeten worden overeenkomstig lid 1, alsmede, in voorkomend geval, passende de minimis-drempelwaarden voor de melding van transacties;

b)

uniforme regels vaststellen voor de uit hoofde van lid 1 te verstrekken informatie;

c)

de termijn waarbinnen en de vorm waarin deze informatie moet worden verstrekt vastleggen.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. In de uitvoeringshandelingen wordt rekening gehouden met bestaande rapportagesystemen.

3.   De in lid 4, onder a) tot en met d), bedoelde personen, die transacties hebben gemeld overeenkomstig Richtlijn 2004/39/EG of toepasselijke wetgeving van de Unie betreffende derivatentransacties, centrale tegenpartijen en transactieregisters, worden niet onderworpen aan een dubbele rapportageverplichting met betrekking tot die transacties.

Onverminderd de eerste alinea van dit lid kunnen bij de uitvoeringshandelingen, als bedoeld in lid 2, georganiseerde markten en systemen voor matching of melding van orders worden gemachtigd om aan het Agentschap overzichten met betrekking tot voor de groothandel bestemde energietransacties over te leggen.

4.   Voor de toepassing van lid 1 wordt informatie verstrekt door:

a)

de marktdeelnemer;

b)

een derde partij die namens de marktdeelnemer optreedt;

c)

een handelsregistratiesysteem;

d)

een georganiseerde markt, een systeem voor de matching van orders of een andere persoon die beroepshalve transacties tot stand brengt,

e)

een transactieregister dat is geregistreerd of is erkend op grond van toepasselijke wetgeving van de Unie inzake derivatentransacties, centrale tegenpartijen en transactieregisters, of

f)

een bevoegde instantie die deze informatie heeft verkregen overeenkomstig artikel 25, lid 3, van Richtlijn 2004/39/EG, of ESMA, wanneer zij deze informatie heeft ontvangen overeenkomstig toepasselijke wetgeving van de Unie betreffende derivatentransacties, centrale tegenpartijen en transactieregisters.

5.   Met het oog op toezicht op de handel op groothandelsmarkten voor energie verstrekken de marktdeelnemers aan het Agentschap en de nationale regelgevende instanties informatie aangaande de capaciteit en de benutting van productie-, opslag-, verbruik- en transmissiefaciliteiten voor elektriciteit of aardgas, of informatie aangaande de capaciteit en de benutting van lng-installaties, met inbegrip van de geplande of ongeplande niet-beschikbaarheid van deze installaties. De rapportageverplichtingen voor marktdeelnemers worden zo beperkt mogelijk gehouden door de nodige informatie of delen daarvan indien mogelijk te verzamelen uit bestaande bronnen.

6.   De Commissie zal door middel van uitvoeringshandelingen:

a)

uniforme regels vaststellen voor de uit hoofde van lid 5 te verstrekken informatie, alsmede, in voorkomend geval, voor passende drempelwaarden voor de rapportage van informatie;

b)

de termijn waarbinnen en de vorm waarin deze informatie moet worden gemeld vastleggen.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 21, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. In de uitvoeringshandelingen worden bestaande rapportageverplichtingen uit hoofde van Verordeningen (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 in aanmerking genomen.

Artikel 9

Registratie van marktdeelnemers

1.   Marktdeelnemers die transacties aangaan, die overeenkomstig artikel 8, lid 1, bij het Agentschap moeten worden gemeld, dienen zich te laten registreren bij de nationale regulerende instantie in de lidstaat waar zij gevestigd of woonachtig zijn, of indien zij niet binnen de EU gevestigd of woonachtig zijn, in een lidstaat waarin zij actief zijn.

Een marktdeelnemer zal zich bij slechts één nationale regulerende instantie laten registeren. Lidstaten vereisen geen nieuwe registratie van een marktdeelnemer die reeds in een andere lidstaat is geregistreerd.

De registratie van marktdeelnemers laat verplichtingen voortvloeiend uit geldende handels- en balanceringsregels onverlet.

2.   Uiterlijk drie maanden na de datum waarop de Commissie de in artikel 8, lid 2, bedoelde uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld, zetten nationale regulerende instanties nationale registers van marktdeelnemers op, die zij actueel houden. Het register voorziet elke marktdeelnemer van een unieke aanduiding en bevat voldoende informatie om de marktdeelnemer te identificeren, waaronder relevante details met betrekking tot btw-nummer, plaats van vestiging, de persoon die verantwoordelijk is voor de operationele en handelsbeslissingen en de uiteindelijke controller of begunstigde van de handelsactiviteiten van de marktdeelnemer.

3.   De nationale regulerende instanties doen de informatie in de nationale registers aan het Agentschap toekomen in een door het Agentschap bepaalde vorm. In samenwerking met deze instanties zal het Agentschap vaststellen in welke vorm de informatie verstrekt moet worden en zij zal haar uiterlijk op 29 juni 2012 bekendmaken. Op basis van de informatie die de nationale regulerende instanties hebben verstrekt zal het Agentschap een Europees register van marktdeelnemers opzetten. De nationale regulerende instanties en andere relevante autoriteiten hebben toegang tot het Europese register. Onverminderd de voorwaarden van artikel 17 kan het Agentschap besluiten het Europees register of uittreksels daaruit openbaar toegankelijk te maken op voorwaarde dat geen commercieel gevoelige informatie over afzonderlijke marktdeelnemers wordt bekendgemaakt.

4   De in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers dienen het registratieformulier bij de nationale regulerende instantie in alvorens een transactie die bij het Agentschap moet worden gemeld overeenkomstig artikel 8, lid 1, aan te gaan.

5.   Wijzigingen met betrekking tot de informatie die op het registratieformulier is meegedeeld worden door de in lid 1 bedoelde marktdeelnemers onverwijld meegedeeld aan de nationale regulerende instantie.

Artikel 10

Delen van informatie tussen het Agentschap en andere instanties

1.   Het Agentschap stelt mechanismen vast voor het delen van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 8 ontvangen informatie met de nationale regulerende instanties, de bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten, de nationale mededingingsautoriteiten, ESMA en andere betrokken instanties. Alvorens deze mechanismen vast te stellen, raadpleegt het Agentschap deze autoriteiten.

2.   Het Agentschap geeft toegang tot de in lid 1 bedoelde mechanismen enkel aan instanties die systemen hebben opgezet, die het Agentschap in staat stellen om aan de eisen van artikel 12, lid 1, te voldoen.

3.   Transactieregisters die zijn geregistreerd of erkend overeenkomstig toepasselijke wetgeving van de Unie inzake derivatentransacties, centrale tegenpartijen en transactieregisters stellen de door hen verzamelde, relevante informatie met betrekking tot de voor de groothandel bestemde energieproducten en derivaten van emissierechten ter beschikking van het Agentschap.

ESMA stuurt aan het Agentschap de door haar op grond van artikel 25, lid 3, van Richtlijn 2004/39/EG en van de toepasselijke wetgeving van de Unie inzake derivatentransacties, centrale tegenpartijen en transactieregisters ontvangen verslagen aangaande transacties met betrekking tot voor de groothandel bestemde energieproducten. De bevoegde autoriteiten die verslagen over transacties met betrekking tot voor de groothandel bestemde energieproducten ontvangen op grond van artikel 25, lid 3, van Richtlijn 2004/39/EG doen deze toekomen aan het Agentschap.

Het Agentschap en de instanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de handel in emissierechten of met emissierechten verband houdende derivaten werken met elkaar samen en stellen passende mechanismen vast om het Agentschap toegang te verlenen tot transactiegegevens inzake dergelijke rechten en derivaten daar waar deze autoriteiten informatie over dergelijke transacties verzamelen.

Artikel 11

Gegevensbescherming

Deze verordening laat de verplichtingen van de lidstaten in verband met de verwerking van persoonsgegevens krachtens Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (14) of de verplichtingen van het Agentschap in verband met de verwerking van persoonsgegevens krachtens Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (15), bij het uitoefenen zijn taken onverlet.

Artikel 12

Operationele betrouwbaarheid

1.   Het Agentschap waarborgt het vertrouwelijke karakter, de integriteit en de bescherming van de informatie die op grond van artikel 4, lid 2, en artikelen 8 en 10 wordt ontvangen. Het Agentschap neemt alle maatregelen die nodig zijn om elk misbruik van of ongeoorloofde toegang tot de in zijn systemen bewaarde informatie te voorkomen.

Nationale regulerende instanties, bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten, de nationale mededingingsautoriteiten, ESMA en andere betrokken instanties, waarborgen de vertrouwelijkheid, integriteit en bescherming van informatie die zij ontvangen overeenkomstig artikel 4, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 5, of artikel 10 ontvangen en treffen maatregelen om misbruik van dergelijke informatie te voorkomen.

Het Agentschap stelt bronnen van operationele risico's vast en beperkt deze tot een minimum door de ontwikkeling van passende systemen, controles en procedures.

2.   Onverminderd de voorwaarden van artikel 17, kan het Agentschap beslissen delen van de verkregen informatie publiek toegankelijk te maken op voorwaarde dat geen commercieel gevoelige informatie over afzonderlijke marktdeelnemers, transacties of markten openbaar wordt gemaakt of kan worden afgeleid.

Het Agentschap stelt zijn databank met niet commercieel gevoelige handelsgegevens open voor wetenschappelijke doeleinden, mits wordt voldaan aan eisen inzake vertrouwelijkheid.

Informatie wordt openbaar gemaakt of beschikbaar gesteld in het belang van een grotere transparantie van de groothandelsmarkten voor energie, mits dit waarschijnlijk geen verstoring van de mededinging op deze energiemarkten veroorzaakt.

Het Agentschap verspreidt de informatie op billijke wijze overeenkomstig transparante regels die hij openbaar zal maken.

Artikel 13

Tenuitvoerlegging van het verbod op marktmisbruik

1.   De nationale regulerende instanties zien erop toe dat de in de artikelen 3 en 5 vastgestelde verbodsbepalingen en de in artikel 4 vastgestelde verplichting worden toegepast.

Iedere lidstaat zorgt ervoor dat de nationale regulerende instanties uiterlijk op 29 juni 2013 over de onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden beschikken, die zij nodig hebben om deze functie te kunnen uitoefenen. Deze bevoegdheden worden op evenredige wijze uitgeoefend.

Zij kunnen als volgt worden uitgeoefend:

a)

rechtstreeks;

b)

in samenwerking met andere instanties, of

c)

middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties.

In voorkomend geval kunnen de nationale regulerende instanties hun onderzoeksbevoegdheden uitoefenen in samenwerking met georganiseerde markten, systemen voor de matching van orders of andere personen die beroepshalve transacties tot stand brengen als bedoeld in artikel 8, lid 4, onder d).

2.   De in lid 1 bedoelde onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden blijven beperkt tot het doel van het onderzoek. Ze worden uitgeoefend in overeenstemming met de nationale wetgeving, en omvatten het recht om:

a)

toegang te verkrijgen tot ieder document, in enigerlei vorm, en een afschrift hiervan te ontvangen;

b)

inlichtingen te verlangen van iedere relevante persoon, met inbegrip van degenen die successievelijk betrokken zijn bij het doorgeven van handelsorders of het uitvoeren van de desbetreffende transacties, alsook hun opdrachtgevers, en in voorkomend geval het recht om een dergelijke persoon of opdrachtgever op te roepen en te horen;

c)

ter plaatse inspecties te verrichten;

d)

bestaande overzichten van telefoon- en dataverkeer op te vragen;

e)

te verlangen dat elke praktijk die in strijd is met deze verordening of de bijbehorende gedelegeerde handelingen of de daarop gebaseerde uitvoeringshandelingen, wordt beëindigd;

f)

een rechter te vragen om vermogensbestanddelen te bevriezen of in beslag te nemen;

g)

een rechterlijke of bevoegde instantie te verzoeken een tijdelijk verbod op beroepsuitoefening op te leggen.

Artikel 14

Recht van beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat er geschikte procedures op nationaal niveau van kracht zijn, op grond waarvan een partij die getroffen wordt door een besluit van de regulerende instantie beroep kan aantekenen bij een instantie die onafhankelijk is van de betrokken partijen en van regeringen.

Artikel 15

Verplichtingen van personen die beroepshalve transacties tot stand brengen

Personen die beroepshalve transacties in voor de groothandel bestemde energieproducten tot stand brengen en een redelijk vermoeden hebben dat een transactie in strijd is met artikel 3 of 5, stellen de nationale regulerende instantie daarvan onverwijld in kennis.

Personen die beroepshalve transacties met betrekking tot voor de groothandel bestemde energieproducten tot stand brengen, stellen doeltreffende maatregelen en procedures vast, en houden deze ook in stand, om inbreuken op de bepalingen van de artikelen 3 en 5 op te sporen.

Artikel 16

Samenwerking op Unie- en nationaal niveau

1.   Het Agentschap tracht ervoor te zorgen dat de nationale regulerende instanties hun uit deze verordening voortvloeiende taken op een gecoördineerde en consistente wijze vervullen.

Het Agentschap publiceert waar passend niet-bindende richtsnoeren over de toepassing van de definities van artikel 2.

De nationale regulerende instanties werken onderling en met het Agentschap samen, waaronder op regionaal niveau, om hun taken overeenkomstig deze verordening te vervullen.

Nationale regulerende instanties, bevoegde financiële autoriteiten en de nationale mededingingsautoriteit van een lidstaat kunnen passende vormen van samenwerking aangaan om doeltreffend en efficiënt onderzoek en handhaving te waarborgen en bij te dragen aan een coherente en consistente benadering van onderzoek en gerechtelijke procedures, alsmede aan de handhaving van de verordening en de relevante financiële en mededingingswetgeving.

2.   Wanneer de nationale regulerende instanties redelijke vermoedens hebben dat in hun lidstaat of in een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die in strijd zijn met deze verordening, verstrekken zij het Agentschap daarover onverwijld zo specifiek mogelijke informatie.

Wanneer een nationale regulerende instantie vermoedt dat in een andere lidstaat handelingen worden uitgevoerd die van invloed zijn op de groothandelsmarkten voor energie of op de prijs van voor de groothandel bestemde energieproducten in de lidstaat van de instantie, kan zij het Agentschap verzoeken maatregelen te treffen overeenkomstig lid 4 van dit artikel en, indien de handelingen gevolgen hebben voor financiële instrumenten waarop artikel 9 van Richtlijn 2003/6/EG van toepassing is, overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

3.   Teneinde ervoor te zorgen dat marktmisbruik op groothandelsmarkten voor energie op een gecoördineerde en consistente wijze wordt aangepakt:

a)

stellen de nationale regulerende instanties de bevoegde financiële autoriteit van hun lidstaat en het Agentschap in kennis van redelijke vermoedens dat op groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die als marktmisbruik worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2003/6/EG en die gevolgen hebben voor financiële instrumenten die onder artikel 9 van genoemde richtlijn vallen; hiertoe kunnen de nationale regulerende instanties passende vormen van samenwerking aangaan met de bevoegde financiële autoriteit in hun lidstaat;

b)

stelt het Agentschap ESMA en de bevoegde financiële autoriteit in kennis van redelijke vermoedens dat op groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die als marktmisbruik worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2003/6/EG en die gevolgen hebben voor financiële instrumenten die onder artikel 9 van genoemde richtlijn vallen;

c)

stelt de bevoegde financiële autoriteit van een lidstaat de ESMA en het Agentschap in kennis van redelijke vermoedens dat in een andere lidstaat op de groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die in strijd zijn met de artikelen 3 en 5;

d)

stellen nationale regulerende instanties de nationale mededingingsautoriteit van hun lidstaat, de Commissie en het Agentschap in kennis van redelijke vermoedens dat op de groothandelsmarkt voor energie handelingen worden of zijn uitgevoerd die waarschijnlijk een schending van het mededingingsrecht inhouden.

4.   Teneinde de in lid 1 vastgestelde taken te kunnen vervullen, is het Agentschap, wanneer het onder andere op basis van een eerste beoordeling of analyse vermoedt dat de bepalingen van deze verordening zijn geschonden gemachtigd om:

a)

één of meer nationale regulerende instanties te verzoeken informatie over de desbetreffende inbreuk te verstrekken;

b)

één of meer nationale regulerende instanties te verzoeken een onderzoek naar de vermoede inbreuk in te stellen en passende maatregelen te treffen om een vastgestelde inbreuk ongedaan te maken. Het nemen van beslissingen met betrekking tot passende maatregelen om een vastgestelde inbreuk ongedaan te maken valt binnen de bevoegdheid van de betreffende nationale regulerende instantie;

c)

een onderzoeksgroep van vertegenwoordigers van de betrokken nationale regulerende instanties in te stellen en te coördineren, indien het van mening is dat de mogelijke inbreuk grensoverschrijdende gevolgen heeft of heeft gehad, met als doel na te gaan of er sprake is van een inbreuk op de onderhavige verordening en in welke lidstaat de inbreuk heeft plaatsgevonden. Wanneer passend kan het Agentschap ook verzoeken om vertegenwoordigers van de bevoegde financiële autoriteit of andere betrokken instanties van één of meer lidstaten in de onderzoeksgroep op te nemen.

5.   Een nationale regulerende instantie die een informatieverzoek ontvangt overeenkomstig lid 4, onder a), dan wel een verzoek om een onderzoek in te stellen naar een vermoede inbreuk overeenkomstig lid 4, onder b), nemen onmiddellijk de nodige maatregelen om aan dat verzoek gevolg te geven. Wanneer die nationale regulerende instantie niet onmiddellijk de nodige informatie kan verstrekken, stelt zij het Agentschap onverwijld van de redenen hiervan in kennis.

In uitzondering op de eerste alinea, kan een nationale regulerende instantie weigeren gevolg te geven aan een verzoek als hierboven bedoeld indien:

a)

het geven van gevolg aan het verzoek de soevereiniteit of de veiligheid van de aangezochte lidstaat nadelig zou kunnen beïnvloeden;

b)

voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen reeds een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de autoriteiten van de aangezochte lidstaat, of

c)

voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen in de aangezochte lidstaat reeds een definitieve uitspraak is gedaan.

In dat geval stelt de nationale regulerende instantie het Agentschap daarvan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekken over de procedure of uitspraak in kwestie.

De nationale regulerende instanties nemen deel aan onderzoeksgroepen die worden bijeengeroepen overeenkomstig lid 4, onder c), en verlenen daarbij alle nodige bijstand. De onderzoeksgroep wordt gecoördineerd door het Agentschap.

6.   De laatste zin van artikel 15, lid 1, van Verordening (EG) nr. 713/2009 is niet van toepassing op het Agentschap wanneer dit zijn taken overeenkomstig de onderhavige verordening uitvoert.

Artikel 17

Beroepsgeheim

1.   Alle uit hoofde van deze verordening ontvangen, uitgewisselde of doorgegeven vertrouwelijke informatie valt onder het in de leden 2, 3 en 4 bedoelde beroepsgeheim.

2.   Het beroepsgeheim geldt voor:

a)

personen die voor het Agentschap werken of gewerkt hebben;

b)

door het Agentschap gemachtigde accountants en deskundigen;

c)

personen die voor de nationale regulerende instanties of voor andere betrokken instanties werken of hebben gewerkt;

d)

door de nationale regulerende instanties of door andere betrokken instanties gemachtigde accountants en deskundigen aan wie vertrouwelijke informatie wordt meegedeeld overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

3.   Vertrouwelijke informatie waarvan de in lid 2 bedoelde personen beroepshalve kennis krijgen, mag aan geen enkele andere persoon of instantie worden bekendgemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele marktdeelnemers of markten niet herkenbaar zijn, onverminderd de gevallen die onder het strafrecht, onder de overige bepalingen van deze verordening of onder andere toepasselijke EU-wetgeving vallen.

4.   Onverminderd zaken die onder het strafrecht vallen, mogen het Agentschap, de nationale regulerende instanties, de bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten, ESMA en de instanties of personen die uit hoofde van deze verordening vertrouwelijke informatie ontvangen, deze uitsluitend gebruiken bij de uitoefening van hun taken en voor de uitoefening van hun functies. Andere autoriteiten, instanties of personen mogen deze informatie gebruiken voor het doel waarvoor die informatie aan hen verstrekt was of in het kader van bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die specifiek met de uitoefening van deze functies verband houden. De autoriteit die informatie ontvangt, mag het voor andere doeleinden gebruiken, mits het Agentschap, de nationale regulerende instanties, de bevoegde financiële autoriteiten van de lidstaten, ESMA, instanties of personen, die deze informatie vertrekken, daarmee hebben ingestemd.

5.   Dit artikel belet niet dat een autoriteit in een lidstaat overeenkomstig het nationale recht vertrouwelijke gegevens uitwisselt of doorgeeft op voorwaarde dat deze niet van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van het Agentschap uit hoofde van deze verordening zijn ontvangen.

Artikel 18

Sancties

De lidstaten stellen de regels inzake sancties vast die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening en treffen alle maatregelen die nodig zijn om de daadwerkelijke toepassing van die sancties te garanderen. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn en een afspiegeling vormen van de aard, de duur en de ernst van de overtreding, de schade voor de consumenten en de winst die potentieel door de handel met voorwetenschap of de marktmanipulatie werd gerealiseerd.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 29 juni 2013 in kennis van deze bepalingen en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

De lidstaten bepalen dat de nationale regulerende instantie de maatregelen of sancties die worden opgelegd voor schending van deze richtlijn aan het publiek openbaar mag maken, tenzij deze openbaarmaking onevenredige schade zou toebrengen aan de betrokken partijen.

Artikel 19

Internationale betrekkingen

Voor zover noodzakelijk om de doelstellingen van deze verordeningen te bereiken en onverminderd de respectievelijke bevoegdheden van de lidstaten en de Europese instellingen, met inbegrip van de Europese dienst voor extern optreden, kan het Agentschap contacten leggen en bestuursrechtelijke regelingen treffen met toezichthoudende autoriteiten, internationale organisaties en overheidsdiensten van derde landen, in het bijzonder met diegene die invloed uitoefenen op de groothandelsmarkt voor energie van de EU, teneinde de harmonisatie van het regulerend kader te bevorderen. Deze regelingen scheppen geen wettelijke verplichtingen voor de Unie en haar lidstaten, en zij beletten lidstaten en hun bevoegde autoriteiten niet om bilaterale en multilaterale regelingen te treffen met deze toezichthoudende autoriteiten, internationale organisaties en overheidsdiensten van derde landen.

Artikel 20

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 6 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 28 december 2011. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen een dergelijke verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennis aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 6 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Deze periode wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 21

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 8, lid 1, lid 3, eerste alinea, lid 4 en lid 5, zijn van toepassing zes maanden na de datum waarop de Commissie de in lid 2 en lid 6 van dat artikel bedoelde relevante uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 25 oktober 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

M. DOWGIELEWICZ


(1)  PB C 132 van 3.5.2011, blz. 108.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 14 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 oktober 2011.

(3)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 15.

(4)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36.

(5)  PB L 96 van 12.4.2003, blz. 16.

(6)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1.

(7)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(8)  PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1.

(9)  PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.

(10)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 55.

(11)  PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94.

(12)  PB L 193 van 18.7.1983, blz. 1.

(13)  PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.

(14)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(15)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


VERKLARING VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van mening dat de drempelwaarden voor de melding van transacties in de zin van artikel 8, lid 2, onder a), en voor het verstrekken van informatie in de zin van artikel 8, lid 6, onder a), niet kunnen worden vastgesteld via uitvoeringshandelingen.

Wanneer passend zal de Commissie een wetgevingsvoorstel indienen om dergelijke drempelwaarden vast te stellen.


VERKLARING VAN DE RAAD

De EU-wetgever heeft de Commissie overeenkomstig artikel 291 van het VWEU uitvoeringsbevoegdheden toegekend wat betreft de in artikel 8 bedoelde maatregelen. Dat is voor de Commissie juridisch bindend, in weerwil van de verklaring die zij ad artikel 8, lid 2, onder a), en artikel 8, lid 6, onder a), heeft afgelegd.


8.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/17


VERORDENING (EU) Nr. 1228/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 429/73 van de Raad tot vaststelling van de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn bij de invoer in de Gemeenschap van bepaalde onder Verordening (EEG) nr. 1059/69 vallende goederen van oorsprong uit Turkije

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het transparanter maken van het recht van de Unie is een essentieel onderdeel van de strategie voor beter wetgeven die de instellingen van de Unie ten uitvoer leggen. In dat verband is het dienstig rechtshandelingen die geen reëel effect meer hebben, uit de geldende wetgeving te verwijderen.

(2)

Verordening (EEG) nr. 429/73 van de Raad (2) werd vastgesteld om het verlaagde vaste element te bepalen van de invoerrechten op verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Turkije, die ingevoerd werden in het kader van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de EEG en Turkije, dat op 23 november 1970 is ondertekend.

(3)

Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (3) bevat voorschriften voor de vaststelling van de invoerrechten op verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Turkije die in de Europese Unie worden ingevoerd. Bijgevolg is Verordening (EEG) nr. 429/73 achterhaald.

(4)

Ter wille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid dient derhalve Verordening (EEG) nr. 429/73 te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Verordening (EEG) nr. 429/73 wordt ingetrokken.

2.   De intrekking van de in lid 1 genoemde rechtshandeling doet geen afbreuk aan:

a)

het van kracht blijven van rechtshandelingen van de Unie die zijn vastgesteld op basis van de in lid 1 genoemde rechtshandeling,

en

b)

de voortdurende rechtsgeldigheid van wijzigingen die door de in lid 1 genoemde rechtshandeling zijn aangebracht in andere rechtshandelingen van de Unie die niet door deze verordening worden ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 20 oktober 2011.

(2)  PB L 59 van 5.3.1973, blz. 85.

(3)  PB L 35 van 13.2.1996, blz. 1.


8.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/18


VERORDENING (EU) Nr. 1229/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

tot intrekking van een aantal achterhaalde rechtshandelingen van de Raad op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42, eerste alinea, en artikel 43, lid 2,

Gezien de Toetredingsakte van 1979, en met name artikel 60, artikel 61, punt 5, en artikel 72, lid 1,

Gezien de Toetredingsakte van 1985, en met name artikel 234, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure en de overeenkomstig artikel 234, lid 3, van de Toetredingsakte van 1985 voorgeschreven eenparigheid van stemmen in de Raad (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het transparanter maken van het recht van de Unie is een essentieel onderdeel van de strategie voor beter wetgeven die de instellingen van de Unie ten uitvoer leggen. In dat verband is het dienstig rechtshandelingen die geen reëel effect meer hebben, uit de geldende regelgeving te verwijderen.

(2)

Een aantal verordeningen met betrekking tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn obsoleet, hoewel zij formeel nog steeds van kracht zijn.

(3)

Verordening (EEG) nr. 2052/69 van de Raad van 17 oktober 1969 betreffende de communautaire financiering van de uitgaven betreffende de uitvoering van de overeenkomst inzake voedselhulp (3) heeft geen effect meer aangezien de inhoud ervan is opgenomen in latere rechtshandelingen.

(4)

Verordening (EEG) nr. 1467/70 van de Raad van 20 juli 1970 houdende vaststelling van enkele algemene regels voor interventie in de sector ruwe tabak (4) heeft geen effect meer als gevolg van de verschillende hervormingen van de tabaksector sinds 1992.

(5)

Verordening (EEG) nr. 3279/75 van de Raad van 16 december 1975 betreffende de unificatie van de invoerregelingen die door iedere lidstaat worden toegepast ten opzichte van derde landen in de sector levende planten en producten van de bloementeelt (5) heeft geen effect meer aangezien de inhoud ervan is opgenomen in latere rechtshandelingen.

(6)

Verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand (6) voorzag in maatregelen die tot 1981 van toepassing waren, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(7)

Verordening (EEG) nr. 1853/78 van de Raad van 25 juli 1978 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake de bijzondere maatregelen voor ricinuszaad (7) voorzag in maatregelen voor de toepassing van Verordening (EEG) nr. 2874/77 van de Raad van 19 december 1977 houdende bijzondere maatregelen voor ricinuszaad (8), waarvan de geldigheid op 30 september 1984 verliep, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(8)

Verordening (EEG) nr. 2580/78 van de Raad van 31 oktober 1978 tot verlenging van het verkoopseizoen 1977/1978 voor olijfolie, houdende bijzondere maatregelen in deze sector en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 878/77 inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen (9) had uitsluitend betrekking op de verkoopseizoenen 1977/1978 en 1978/1979, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(9)

Verordening (EEG) nr. 1/81 van de Raad van 1 januari 1981 houdende vaststelling van de algemene regels van het stelsel van compenserende bedragen „toetreding” in de sector granen (10) was bedoeld om te worden toegepast in de overgangsperiode na de toetreding van Griekenland tot de Europese Gemeenschappen, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(10)

Verordening (EEG) nr. 1946/81 van de Raad van 30 juni 1981 tot beperking van de investeringssteun voor de melkproductie (11) heeft geen effect meer aangezien de inhoud ervan is opgenomen in latere rechtshandelingen.

(11)

Verordening (EEG) nr. 2989/82 van de Raad van 9 november 1982 inzake de toekenning van steun voor het verbruik van boter in Denemarken, Griekenland, Italië en Luxemburg (12) voorzag slechts in tijdelijke maatregelen, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(12)

Verordening (EEG) nr. 3033/83 van de Raad van 26 oktober 1983 tot afschaffing van het compenserend bedrag „toetreding” voor likeurwijn (13) was bedoeld om te worden toegepast in de overgangsperiode na de toetreding van Griekenland tot de Europese Gemeenschappen, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(13)

Verordening (EEG) nr. 564/84 van de Raad van 1 maart 1984 houdende schorsing van de investeringssteun voor de melkproductie (14) had slechts betrekking op het jaar 1984, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(14)

Verordening (EEG) nr. 2997/87 van de Raad van 22 september 1987 tot vaststelling van het bedrag van de steun aan de telers voor de oogst 1986 en van bijzondere maatregelen voor bepaalde productiegebieden in de sector hop (15) voorzag in een speciale maatregel die tot en met 1995 van toepassing was, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(15)

Verordening (EEG) nr. 1441/88 van de Raad van 24 mei 1988 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 822/87 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (16) gaf de Raad de macht om bepaalde overgangsbepalingen aan te passen die het gevolg waren van de toetreding van Portugal tot de Europese Gemeenschappen, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(16)

Verordening (EEG) nr. 1720/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot wijziging van Verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (17) voorzag in verscheidene uitzonderlijke maatregelen in de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten die tot uiterlijk 30 juni 1992 van toepassing waren, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(17)

Verordening (EEG) nr. 740/93 van de Raad van 17 maart 1993 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproductie in Portugal (18) voorzag in een speciale maatregel die tot en met 1996 geldig was, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(18)

Verordening (EEG) nr. 741/93 van de Raad van 17 maart 1993 betreffende de toepassing van de gemeenschappelijke interventieprijs voor olijfolie in Portugal (19) was bedoeld om te worden toegepast in de overgangsperiode na de toetreding van Portugal tot de Europese Gemeenschappen, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(19)

Verordening (EEG) nr. 744/93 van de Raad van 17 maart 1993 tot vaststelling van de algemene regels voor de toepassing van de aanvullende regeling voor de levering in Portugal van andere producten dan groenten en fruit (20) betrof de toepasselijkheid op Portugal van Verordening (EEG) nr. 3817/92 van de Raad van 28 december 1992 tot vaststelling van de algemene regels voor de toepassing van de aanvullende regeling voor de levering in Spanje van andere producten dan groenten en fruit (21), welke verordening echter later is ingetrokken, waardoor eerstgenoemde verordening ook geen effect meer had.

(20)

Verordening (EG) nr. 2443/96 van de Raad van 17 december 1996 tot vaststelling van aanvullende maatregelen voor rechtstreekse ondersteuning van het producenteninkomen of van de rundvleessector (22) had slechts betrekking op het jaar 1997, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(21)

Verordening (EG) nr. 2200/97 van de Raad van 30 oktober 1997 betreffende de sanering van de productie van appelen, peren, perziken en nectarines in de Gemeenschap (23) was bedoeld om een speciale premie in te voeren voor het verkoopseizoen 1997/1998, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(22)

Verordening (EG) nr. 2330/98 van de Raad van 22 oktober 1998 inzake een vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk en zuivelproducten die tijdelijk in de uitoefening van hun activiteit zijn beperkt (24) voorzag slechts in een speciale tijdelijke maatregel, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(23)

Verordening (EG) nr. 2800/98 van de Raad van 15 december 1998 houdende overgangsmaatregelen voor de invoering van de euro in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (25) was uitsluitend voor overgangsmaatregelen bedoeld, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(24)

Verordening (EG) nr. 2802/98 van de Raad van 17 december 1998 betreffende een programma om de Russische Federatie van landbouwproducten te voorzien (26) was bedoeld als eenmalige maatregel, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(25)

Verordening (EG) nr. 660/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2075/92 en tot vaststelling van de premies en de garantiedrempels voor tabaksbladeren per soortengroep en per lidstaat voor de oogsten 1999, 2000 en 2001 (27) had uitsluitend betrekking op de oogsten van 1999, 2000 en 2001, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(26)

Verordening (EG) nr. 546/2002 van de Raad van 25 maart 2002 tot vaststelling, voor de oogsten 2002, 2003 en 2004 en per soortengroep, van de garantiedrempels per lidstaat en de premies voor tabaksbladeren en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2075/92 (28) had uitsluitend betrekking op de oogsten van 2002, 2003, 2004 en 2005, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(27)

Verordening (EG) nr. 527/2003 van de Raad van 17 maart 2003 houdende machtiging tot het aanbieden en leveren voor rechtstreekse menselijke consumptie van bepaalde uit Argentinië ingevoerde wijnen waarop oenologische procedés zijn toegepast waarin niet is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1493/1999 (29) was bedoeld om een afwijking in te voeren die slechts tot en met 31 december 2008 van toepassing was, waardoor zij nu geen effect meer heeft.

(28)

Ter wille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid moeten deze achterhaalde verordeningen worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Verordeningen (EEG) nr. 2052/69, (EEG) nr. 1467/70, (EEG) nr. 3279/75, (EEG) nr. 1078/77, (EEG) nr. 1853/78, (EEG) nr. 2580/78, (EEG) nr. 1/81, (EEG) nr. 1946/81, (EEG) nr. 2989/82, (EEG) nr. 3033/83, (EEG) nr. 564/84, (EEG) nr. 2997/87, (EEG) nr. 1441/88, (EEG) nr. 1720/91, (EEG) nr. 740/93, (EEG) nr. 741/93, (EEG) nr. 744/93, (EG) nr. 2443/96, (EG) nr. 2200/97, (EG) nr. 2330/98, (EG) nr. 2800/98, (EG) nr. 2802/98, (EG) nr. 660/1999, (EG) nr. 546/2002 en (EG) nr. 527/2003 worden ingetrokken.

2.   De intrekking van de in lid 1 genoemde rechtshandelingen doet geen afbreuk aan:

a)

het van kracht blijven van rechtshandelingen van de Unie die zijn vastgesteld op basis van de in lid 1 genoemde rechtshandelingen, en

b)

de voortdurende rechtsgeldigheid van wijzigingen die door de in lid 1 genoemde rechtshandelingen zijn aangebracht in andere rechtshandelingen van de Unie die niet door deze verordening worden ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  PB C 107 van 6.4.2011, blz. 72.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 20 oktober 2011.

(3)  PB L 263 van 21.10.1969, blz. 6.

(4)  PB L 164 van 27.7.1970, blz. 32.

(5)  PB L 326 van 18.12.1975, blz. 1.

(6)  PB L 131 van 26.5.1977, blz. 1.

(7)  PB L 212 van 2.8.1978, blz. 1.

(8)  PB L 332 van 24.12.1977, blz. 1.

(9)  PB L 309 van 1.11.1978, blz. 13.

(10)  PB L 1 van 1.1.1981, blz. 1.

(11)  PB L 197 van 20.7.1981, blz. 32.

(12)  PB L 314 van 10.11.1982, blz. 25.

(13)  PB L 297 van 29.10.1983, blz. 1.

(14)  PB L 61 van 2.3.1984, blz. 34.

(15)  PB L 284 van 7.10.1987, blz. 19.

(16)  PB L 132 van 28.5.1988, blz. 1.

(17)  PB L 162 van 26.6.1991, blz. 27.

(18)  PB L 77 van 31.3.1993, blz. 5.

(19)  PB L 77 van 31.3.1993, blz. 7.

(20)  PB L 77 van 31.3.1993, blz. 11.

(21)  PB L 387 van 31.12.1992, blz. 12.

(22)  PB L 333 van 21.12.1996, blz. 2.

(23)  PB L 303 van 6.11.1997, blz. 3.

(24)  PB L 291 van 30.10.1998, blz. 4.

(25)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 8.

(26)  PB L 349 van 24.12.1998, blz. 12.

(27)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 10.

(28)  PB L 84 van 28.3.2002, blz. 4.

(29)  PB L 78 van 25.3.2003, blz. 1.


8.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/21


VERORDENING (EU) Nr. 1230/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

tot intrekking van een aantal achterhaalde rechtshandelingen van de Raad op het terrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het transparanter maken van het recht van de Unie is een essentieel onderdeel van de strategie voor beter wetgeven die de instellingen van de Unie ten uitvoer leggen. In dat verband is het dienstig rechtshandelingen die geen reëel effect meer hebben, uit de geldende wetgeving te verwijderen.

(2)

Een aantal rechtshandelingen met betrekking tot de gemeenschappelijke handelspolitiek zijn achterhaald, hoewel zij formeel nog steeds van kracht zijn.

(3)

Verordening (EEG) nr. 1471/88 van de Raad van 16 mei 1988 betreffende de regeling voor de invoer van bataten (zoete aardappelen) en maniokzetmeel, voor bepaalde doeleinden (2) heeft geen effect meer aangezien de inhoud ervan in latere rechtshandelingen is opgenomen.

(4)

Verordening (EEG) nr. 478/92 van de Raad van 25 februari 1992 houdende opening van een jaarlijks communautair tariefcontingent voor honden- en kattenvoer, opgemaakt voor de verkoop in het klein, van GN-code 2309 10 11 en een jaarlijks communautair tariefcontingent voor visvoeder van GN-code ex 2309 90 41, van oorsprong uit de Faeröer (3) was bedoeld voor de opening van een tariefcontingent voor het jaar 1992 en heeft derhalve geen effect meer.

(5)

Verordening (EEG) nr. 3125/92 van de Raad van 26 oktober 1992 betreffende de regeling die van toepassing is bij invoer in de Gemeenschap van producten uit de sector schapen- en geitenvlees van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Slovenië, Montenegro en Servië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (4) had betrekking op een tijdelijke situatie en heeft derhalve geen effect meer.

(6)

Verordening (EG) nr. 2184/96 van de Raad van 28 oktober 1996 betreffende de invoer van rijst van oorsprong en herkomst uit Egypte (5) was bedoeld om de douanerechten te verminderen op grond van een internationale overeenkomst die vervolgens is vervangen door de overeenkomst die op 28 oktober 2009 met Egypte is getekend en die op 1 juni 2010 in werking is getreden, waardoor genoemde verordening geen effect meer heeft.

(7)

Verordening (EG) nr. 2398/96 van de Raad van 12 december 1996 houdende opening van een tariefcontingent voor kalkoenvlees van oorsprong en herkomst uit Israël, dat is vastgesteld in de Associatieovereenkomst en de Interimovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de staat Israël (6) heeft geen effect meer omdat zij is gebaseerd op de in 1995 ondertekende Associatieovereenkomst die vervolgens is vervangen door de op 4 november 2009 met Israël getekende en op 1 januari 2010 in werking getreden Associatieovereenkomst waarin nieuwe tariefcontingenten zijn vastgesteld.

(8)

Verordening (EG) nr. 1722/1999 van de Raad van 29 juli 1999 betreffende de invoer van zemelen, slijpsel en andere resten van het zeven, van het malen of van andere bewerkingen van bepaalde granen, van oorsprong uit Algerije, Marokko en Egypte, alsmede betreffende de invoer van durumtarwe, van oorsprong uit Marokko (7) heeft geen effect meer omdat zij was bedoeld als tussentijds instrument voor de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Associatieovereenkomst die op 22 april 2002 met Algerije werd getekend en op 1 september 2005 in werking is getreden, de Associatieovereenkomst die op 26 februari 1996 met Marokko werd getekend en op 1 maart 2000 in werking is getreden en waarvan de bijlagen inzake landbouw gewijzigd werden door overeenkomsten die in 2003 en 2005 in werking zijn getreden, en de Associatieovereenkomst die op 28 oktober 2009 met Egypte werd getekend en op 1 juni 2010 in werking is getreden.

(9)

Bij Verordening (EG) nr. 2798/1999 van de Raad van 17 december 1999 houdende vaststelling van de algemene regels voor de invoer van olijfolie van oorsprong uit Tunesië voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 906/98 (8) werd een maatregel ingevoerd die alleen in het jaar 2000 van toepassing was, waardoor deze verordening nu geen effect meer heeft.

(10)

Verordening (EG) nr. 215/2000 van de Raad van 24 januari 2000 tot verlenging voor 2000 van de maatregelen bedoeld in Verordening (EG) nr. 1416/95 houdende vaststelling van bepaalde concessies in de vorm van communautaire tariefcontingenten in 1995 voor bepaalde verwerkte landbouwproducten (9) had alleen betrekking op het jaar 2000 en heeft daarom geen effect meer.

(11)

Besluit 2004/910/EG van de Raad van 26 april 2004 betreffende de sluiting van overeenkomsten in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Barbados, Belize, de Republiek Congo, Fiji, de Cooperatieve Republiek Guyana, de Republiek Ivoorkust, Jamaica, de Republiek Kenia, de Republiek Madagaskar, de Republiek Malawi, de Republiek Mauritius, de Republiek Uganda, de Republiek Suriname, Sint-Christopher en Nevis, het Koninkrijk Swaziland, de Verenigde Republiek Tanzania, de Republiek Trinidad en Tobago, de Republiek Zambia en de Republiek Zimbabwe enerzijds, en de Republiek India anderzijds, inzake de gegarandeerde prijzen voor rietsuiker voor de leveringsperioden 2003/2004 en 2004/2005 (10) had een tijdelijk karakter en heeft derhalve geen effect meer.

(12)

Bij Verordening (EG) nr. 1923/2004 van de Raad van 25 oktober 2004 tot vaststelling, voor de Zwitserse Bondsstaat van concessies in de vorm van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde verwerkte landbouwproducten (11) werd een maatregel ingevoerd die van 1 mei tot en met 31 december 2004 van toepassing was, waardoor deze verordening geen effect meer heeft.

(13)

Besluit 2007/317/EG van de Raad van 16 april 2007 tot vaststelling van het namens de Gemeenschap in de Internationale Graanraad in te nemen standpunt met betrekking tot de verlenging van het Graanhandelsverdrag 1995 (12) heeft geen effect meer omdat de inhoud ervan in een latere rechtshandeling is opgenomen.

(14)

Een aantal besluiten betreffende bepaalde landen zijn achterhaald door de toetreding van deze landen tot de Unie.

(15)

Besluit 98/658/EG van de Raad van 24 september 1998 betreffende de sluiting van een aanvullend protocol bij de Interim-overeenkomst betreffende de handel en aanverwante zaken tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en de Republiek Slovenië, anderzijds, en bij de Europaovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Slovenië, anderzijds (13), is achterhaald door de toetreding van Slovenië tot de Unie.

(16)

Verordening (EG) nr. 278/2003 van de Raad van 6 februari 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Polen (14) is achterhaald door de toetreding van Polen tot de Unie.

(17)

Verordening (EG) nr. 999/2003 van de Raad van 2 juni 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Hongarije en de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar Hongarije (15) is achterhaald door de toetreding van Hongarije tot de Unie.

(18)

Verordening (EG) nr. 1039/2003 van de Raad van 2 juni 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Estland en de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar Estland (16) is achterhaald door de toetreding van Estland tot de Unie.

(19)

Verordening (EG) nr. 1086/2003 van de Raad van 18 juni 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Slovenië en de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar Slovenië (17) is achterhaald door de toetreding van Slovenië tot de Unie.

(20)

Verordening (EG) nr. 1087/2003 van de Raad van 18 juni 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Letland en de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar Letland (18) is achterhaald door de toetreding van Letland tot de Unie.

(21)

Verordening (EG) nr. 1088/2003 van de Raad van 18 juni 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit Litouwen en de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar Litouwen (19) is achterhaald door de toetreding van Litouwen tot de Unie.

(22)

Verordening (EG) nr. 1089/2003 van de Raad van 18 juni 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Slowaakse Republiek en de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar de Slowaakse Republiek (20) is achterhaald door de toetreding van Slowakije tot de Unie.

(23)

Verordening (EG) nr. 1090/2003 van de Raad van 18 juni 2003 tot vaststelling van autonome overgangsmaatregelen voor de invoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Tsjechische Republiek en de uitvoer van bepaalde verwerkte landbouwproducten naar de Tsjechische Republiek (21) is achterhaald door de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Unie.

(24)

Ter wille van de rechtszekerheid en de duidelijkheid dienen derhalve deze achterhaalde rechtshandelingen te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Verordeningen (EEG) nr. 1471/88, (EEG) nr. 478/92, (EEG) nr. 3125/92, (EG) nr. 2184/96, (EG) nr. 2398/96, (EG) nr. 1722/1999, (EG) nr. 2798/1999, (EG) nr. 215/2000, (EG) nr. 278/2003, (EG) nr. 999/2003, (EG) nr. 1039/2003, (EG) nr. 1086/2003, (EG) nr. 1087/2003, (EG) nr. 1088/2003, (EG) nr. 1089/2003, (EG) nr. 1090/2003 en (EG) nr. 1923/2004 en Besluiten 98/658/EG, 2004/910/EG en 2007/317/EG worden ingetrokken.

2.   De intrekking van de in lid 1 genoemde rechtshandelingen doet geen afbreuk aan:

a)

het van kracht blijven van rechtshandelingen van de Unie vastgesteld op basis van de in lid 1 bedoelde rechtshandelingen,

en

b)

de voortdurende rechtsgeldigheid van wijzigingen die door de in lid 1 genoemde rechtshandelingen zijn aangebracht in andere rechtshandelingen van de Unie die niet door deze verordening worden ingetrokken.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 20 oktober 2011.

(2)  PB L 134 van 31.5.1988, blz. 1.

(3)  PB L 55 van 29.2.1992, blz. 2.

(4)  PB L 313 van 30.10.1992, blz. 3.

(5)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 1.

(6)  PB L 327 van 18.12.1996, blz. 7.

(7)  PB L 203 van 3.8.1999, blz. 16.

(8)  PB L 340 van 31.12.1999, blz. 1.

(9)  PB L 24 van 29.1.2000, blz. 9.

(10)  PB L 391 van 31.12.2004, blz. 1.

(11)  PB L 331 van 5.11.2004, blz. 9.

(12)  PB L 119 van 9.5.2007, blz. 30.

(13)  PB L 314 van 24.11.1998, blz. 6.

(14)  PB L 42 van 15.2.2003, blz. 1.

(15)  PB L 146 van 13.6.2003, blz. 10.

(16)  PB L 151 van 19.6.2003, blz. 1.

(17)  PB L 163 van 1.7.2003, blz. 1.

(18)  PB L 163 van 1.7.2003, blz. 19.

(19)  PB L 163 van 1.7.2003, blz. 38.

(20)  PB L 163 van 1.7.2003, blz. 56.

(21)  PB L 163 van 1.7.2003, blz. 73.


8.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/24


VERORDENING (EU) Nr. 1231/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 378/2007 van de Raad wat betreft de regels voor de uitvoering van een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 378/2007 van de Raad van 27 maart 2007 houdende voorschriften voor een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers voorziet (3) zijn de Commissie bevoegdheden verleend om bepaalde bepalingen van die verordening uit te voeren.

(2)

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moeten de in het kader van Verordening (EG) nr. 378/2007 aan de Commissie verleende bevoegdheden worden aangepast aan de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(3)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 378/2007 in de betrokken lidstaten, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

(4)

De uitvoeringsbevoegdheden betreffende de vaststelling van specifieke bepalingen voor de integratie van vrijwillige modulatie in de programmering van de plattelandsontwikkeling en voor het financiële beheer van de vrijwillige modulatie moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (4).

(5)

De Commissie moet, middels uitvoeringshandelingen en, gezien het bijzondere karakter ervan, zonder Verordening (EU) nr. 182/2011 toe te passen, de nettobedragen vaststellen die door de toepassing van de vrijwillige modulatie worden gegenereerd.

(6)

Verordening (EG) nr. 378/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 378/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 4, lid 1, wordt de inleidende zin vervangen door:

„1.   De Commissie stelt de nettobedragen die door de toepassing van de vrijwillige modulatie worden gegenereerd, middels uitvoeringshandelingen zonder de toepassing van artikel 6 bis vast aan de hand van:”.

2)

Artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

1.   De Commissie stelt, middels uitvoeringshandelingen, specifieke bepalingen inzake de integratie van de vrijwillige modulatie in de programmering van de plattelandsontwikkeling vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 6 bis, lid 1, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   De Commissie stelt, middels uitvoeringshandelingen, specifieke bepalingen inzake het financiële beheer van de vrijwillige modulatie vast. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 6 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”.

3)

Het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 6 bis

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor plattelandsontwikkeling ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1698/2005. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 (5).

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

2.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de landbouwfondsen ingesteld bij Verordening (EG) nr. 1290/2005. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  PB C 132 van 3.5.2011, blz. 87.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 20 oktober 2011.

(3)  PB L 95 van 5.4.2007, blz. 1.

(4)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(5)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”.


8.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/26


VERORDENING (EU) Nr. 1232/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (2) dienen producten voor tweeërlei gebruik (inclusief programmatuur en technologie) aan een doeltreffende controle te worden onderworpen bij uitvoer uit of doorvoer door de Unie, of bij aflevering aan een derde land als gevolg van tussenhandeldiensten die worden verleend door een in de Unie ingezeten of gevestigde tussenhandelaar.

(2)

Het is wenselijk te komen tot een uniforme en consistente toepassing van de controles in de hele Unie om oneerlijke concurrentie tussen exporteurs in de Unie te vermijden, het toepassingsgebied van de uniale algemene uitvoervergunningen en de gebruiksvoorwaarden ervan tussen de exporteurs in de Unie te harmoniseren en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de veiligheidscontroles in de Unie te garanderen.

(3)

In haar mededeling van 18 december 2006 heeft de Commissie het idee geopperd om nieuwe uniale algemene uitvoervergunningen in te stellen in een poging om het concurrentievermogen van de industrie te vergroten en gelijke spelregels tot stand te brengen voor alle exporteurs in de Unie wanneer zij bepaalde specifieke voor tweeërlei gebruik geschikte producten naar bepaalde specifieke bestemmingen uitvoeren en tevens een hoog niveau van veiligheid en volledige naleving van de internationale verplichtingen te waarborgen.

(4)

Verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik (3) is bij Verordening (EG) nr. 428/2009 ingetrokken met ingang van 27 augustus 2009. De desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1334/2000 blijven echter van toepassing op aanvragen voor uitvoervergunningen die vóór die datum zijn ingediend.

(5)

Voor het instellen van nieuwe uniale algemene uitvoervergunningen voor de uitvoer van bepaalde specifieke producten voor tweeërlei gebruik naar bepaalde specifieke bestemmingen is het nodig dat de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 428/2009 worden gewijzigd door nieuwe bijlagen daaraan toe te voegen.

(6)

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de exporteur gevestigd is, moeten de mogelijkheid krijgen om het gebruik van de uniale algemene uitvoervergunningen te verbieden onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 428/2009 zoals gewijzigd bij deze verordening.

(7)

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon worden wapenembargo's in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie vastgesteld bij besluit van de Raad. Overeenkomstig artikel 9 van protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen worden de rechtsgevolgen van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die vastgesteld zijn op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon gehandhaafd zolang deze handelingen niet krachtens de verdragen ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd zijn.

(8)

Verordening (EG) nr. 428/2009 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 428/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt punt 9 vervangen door:

„9.   „Uniale algemene uitvoervergunning”: uitvoervergunning die voor uitvoer naar bepaalde landen van bestemming beschikbaar is voor alle exporteurs die zich houden aan de gebruiksvoorwaarden en eisen ervan zoals vermeld in bijlage IIa tot en met IIf.”.

2)

In artikel 4, lid 2, wordt „waartoe besloten is in een door de Raad aangenomen gemeenschappelijk standpunt of een gemeenschappelijk optreden” vervangen door „dat is opgelegd door een door de Raad aangenomen besluit of gemeenschappelijk standpunt”.

3)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Bij deze verordening worden voor bepaalde soorten uitvoer uniale algemene uitvoervergunningen als bedoeld in de bijlagen II a tot en met II f ingesteld.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is, kan de exporteur verbieden deze vergunningen te gebruiken indien er een redelijk vermoeden bestaat dat deze niet in staat is een vergunning of een bepaling van de exportcontrolewetgeving na te leven.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen informatie uit over exporteurs aan wie het gebruiksrecht met betrekking tot een uniale algemene uitvoervergunning is ontnomen, tenzij zij veiligstellen dat de exporteur niet zal pogen producten voor tweeërlei gebruik via een andere lidstaat uit te voeren. Het in artikel 19, lid 4, bedoelde systeem wordt hiervoor gebruikt.”;

b)

lid 4, onder a), wordt vervangen door:

„a)

sluiten van hun toepassingsgebied producten uit die op de lijst van bijlage IIg voorkomen;”;

c)

in lid 4, onder c), wordt „ingesteld bij gemeenschappelijk standpunt of gemeenschappelijk optreden” vervangen door „opgelegd bij een besluit of een gemeenschappelijk standpunt”.

4)

In artikel 11, lid 1, eerste zin, wordt „bijlage II” vervangen door „bijlage IIa”.

5)

Artikel 12, lid 1, onder b), wordt „gemeenschappelijk optreden of gemeenschappelijk optreden” vervangen door „een besluit of een gemeenschappelijk standpunt”.

6)

Artikel 13, lid 6, wordt vervangen door:

„6.   De op grond van dit artikel voorgeschreven kennisgevingen worden gedaan via beveiligde elektronische middelen, met inbegrip van het in artikel 19, lid 4, bedoelde systeem.”.

7)

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 2, onder a), wordt „communautaire algemene uitvoervergunningen” vervangen door „uniale algemene uitvoervergunningen”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De Commissie brengt, in overleg met de op grond van artikel 23 opgerichte coördinatiegroep tweeërlei gebruik een beveiligd en versleuteld systeem tot stand voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en in voorkomend geval de Commissie. Het Europees Parlement wordt geïnformeerd over het budget, de ontwikkeling, de voorlopige en definitieve opzet en functionering, en de netwerkkosten van het systeem.”.

8)

Aan artikel 23 wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   De Commissie legt jaarlijks aan het Europees Parlement een verslag voor over de activiteiten, onderzoeken en raadplegingen van de coördinatiegroep tweeërlei gebruik, waarvoor artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van toepassing is (4).

9)

Artikel 25 wordt vervangen door:

„Artikel 25

1.   Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de voor de uitvoering van deze verordening vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, met inbegrip van de in artikel 24 bedoelde maatregelen. De Commissie deelt deze inlichtingen aan de andere lidstaten mee.

2.   Om de drie jaar beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging van deze verordening en legt zij het Europees Parlement en de Raad een uitgebreid uitvoerings- en effectbeoordelingsverslag voor, waarin voorstellen tot wijziging ervan kunnen worden opgenomen. De lidstaten verstrekken de Commissie alle dienstige informatie die zij voor de opstelling van dit verslag behoeft.

3.   In specifieke delen van het verslag worden de volgende zaken behandeld:

a)

de coördinatiegroep tweeërlei gebruik en haar activiteiten. Gegevens die de Commissie verstrekt over de onderzoeken en raadplegingen van de coördinatiegroep tweeërlei gebruik, worden als vertrouwelijk behandeld overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001. Gegevens worden in elk geval als vertrouwelijk beschouwd indien uit de bekendmaking ervan aanzienlijk nadeel kan voortvloeien voor degene die ze heeft verstrekt of van wie ze afkomstig zijn;

b)

de tenuitvoerlegging van artikel 19, lid 4, en verslaglegging met betrekking tot het stadium waarin de totstandbrenging van een beveiligd en versleuteld systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie zich bevindt;

c)

de tenuitvoerlegging van artikel 15, lid 1;

d)

de tenuitvoerlegging van artikel 15, lid 2;

e)

uitvoerige informatie over de maatregelen die de lidstaten uit hoofde van artikel 24 hebben genomen en waarvan zij de Commissie overeenkomstig lid 1 van dit artikel in kennis hebben gesteld.

4.   Uiterlijk op 31 december 2013 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor met een evaluatie van de toepassing van deze verordening, met bijzondere aandacht voor de toepassing van bijlage IIb (uniale algemene uitvoervergunning nr. EU002), eventueel vergezeld, indien passend, van een voorstel tot wijziging van deze verordening, met name wat betreft zendingen van geringe waarde.”.

10)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 25 bis

Onverminderd de bepalingen van tussen de Unie en derde landen gesloten overeenkomsten of protocollen inzake wederzijdse administratieve bijstand op douanegebied kan de Raad de Commissie machtigen met derde landen te onderhandelen over overeenkomsten die voorzien in de wederzijdse erkenning van controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik waarop deze verordening betrekking heeft, en die met name ten doel hebben vergunningsvoorschriften voor wederuitvoer binnen het grondgebied van de Unie af te schaffen. Deze onderhandelingen worden gevoerd overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld, naargelang van het geval, in artikel 207, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.”.

11)

Bijlage II wordt hernummerd tot bijlage IIa en wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

UNIALE ALGEMENE UITVOERVERGUNNING NR. EU001

(als bedoeld in artikel 9, lid 1, van deze verordening)

Uitvoer naar Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland, met inbegrip van Liechtenstein, en de Verenigde Staten

Afgevende instantie: Europese Unie”;

b)

deel 1 wordt vervangen door:

Deel 1

Deze algemene uitvoervergunning geldt voor alle in de lijst van bijlage I bij deze verordening vermelde producten voor tweeërlei gebruik, met uitzondering van die genoemd in bijlage IIg.”;

c)

deel 2 wordt geschrapt;

d)

deel 3 wordt hernummerd tot deel 2 en wordt als volgt gewijzigd:

i)

in de eerste alinea wordt „Gemeenschap” vervangen door „Unie”;

ii)

„Zwitserland” wordt vervangen door „Zwitserland, met inbegrip van Liechtenstein”;

iii)

„de communautaire algemene uitvoervergunning” en „deze communautaire algemene uitvoervergunning” worden overal vervangen door „deze vergunning”;

iv)

„bij een gemeenschappelijk standpunt of een gemeenschappelijk optreden” wordt vervangen door „bij een besluit of een gemeenschappelijk standpunt”.

12)

De als bijlage bij deze verordening gevoegde bijlagen IIb tot en met IIg worden ingevoegd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dertigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 27 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 oktober 2011.

(2)  PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.

(3)  PB L 159 van 30.6.2000, blz. 1.

(4)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.”.


BIJLAGE

BIJLAGE IIb

UNIALE ALGEMENE UITVOERVERGUNNING Nr. EU002

(als bedoeld in artikel 9, lid 1, van deze verordening)

Uitvoer van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik naar bepaalde bestemmingen

Afgevende instantie: Europese Unie

Deel 1 —   Producten

Deze algemene uitvoervergunning geldt voor de volgende in de lijst van bijlage I bij deze verordening vermelde producten voor tweeërlei gebruik:

1A001

1A003

1A004

1C003b-c

1C004

1C005

1C006

1C008

1C009

2B008

3A001a3

3A001a6-12

3A002c-f

3C001

3C002

3C003

3C004

3C005

3C006

Deel 2 —   Bestemmingen

Deze vergunning is in de gehele Unie geldig voor uitvoer naar de volgende bestemmingen:

Argentinië

Kroatië

IJsland

Zuid-Afrika

Zuid-Korea

Turkije

Deel 3 —   Gebruiksvoorwaarden en eisen

1.

Deze vergunning staat niet de uitvoer van producten toe indien:

1)

de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is als bedoeld in artikel 9, lid 6, van deze verordening, ervan in kennis is gesteld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn:

a)

voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren;

b)

voor militair eindgebruik als bedoeld in artikel 4, lid 2, van deze verordening in een land waarop een wapenembargo rust dat is opgelegd bij een besluit of gemeenschappelijk standpunt van de Raad of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, dan wel een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of

c)

voor gebruik als onderdelen of componenten van militaire producten die op de nationale militaire lijst voorkomen en die vanaf het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn uitgevoerd zonder vergunning of met schending van de in de nationale wetgeving van die lidstaat voorgeschreven vergunning;

2)

de exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in punt 1) bedoelde doeleinden;

3)

de producten in kwestie worden uitgevoerd naar een douanevrije zone of een vrij entrepot op een plaats van bestemming die onder deze vergunning valt.

2.

De exporteur moet in vak 44 van het enig administratief document het EU-referentienummer X002 vermelden en aangeven dat de producten worden uitgevoerd op grond van een uniale algemene uitvoervergunning nr. EU002.

3.

Elke exporteur die deze vergunning gebruikt, moet de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is, in kennis stellen van het eerste gebruik van de vergunning binnen 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvindt, dan wel, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is, vóór het eerste gebruik van deze vergunning. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het voor deze vergunning gekozen kennisgevingsmechanisme. De Commissie maakt deze informatie openbaar in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaten bepalen welke rapportageverplichtingen gelden voor het gebruik van deze vergunning en welke aanvullende informatie over de op grond van deze vergunning uitgevoerde producten kan worden geëist door de lidstaat waaruit de uitvoer plaatsvindt.

Een lidstaat kan voorschrijven dat de in die lidstaat gevestigde exporteurs zich laten registreren vóór het eerste gebruik van deze vergunning. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst, door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd, met inachtneming van artikel 9, lid 1, van deze verordening.

In voorkomend geval worden de in de tweede en derde alinea geformuleerde eisen gebaseerd op de eisen voor het gebruik van nationale algemene uitvoervergunningen die worden verleend door de lidstaten die in dergelijke vergunningen voorzien.

BIJLAGE IIc

UNIALE ALGEMENE UITVOERVERGUNNING Nr. EU003

(bedoeld in artikel 9, lid 1, van deze verordening)

Uitvoer na reparatie/vervanging

Instantie van afgifte: Europese Unie

Deel 1 —   Producten

1.

Deze algemene uitvoervergunning geldt voor alle in de lijst van bijlage I bij deze verordening vermelde producten voor tweeërlei gebruik, met uitzondering van die genoemd in punt 2, indien:

a)

de producten in het douanegebied van de Europese Unie werden wederingevoerd voor onderhoud, reparatie of vervanging, en naar het land van verzending worden uitgevoerd of wederuitgevoerd zonder dat de oorspronkelijke kenmerken ervan zijn gewijzigd binnen een periode van vijf jaar na de datum waarop de oorspronkelijke uitvoervergunning werd verstrekt, of

b)

de producten naar het land van verzending worden uitgevoerd in ruil voor producten van dezelfde kwaliteit en in dezelfde hoeveelheid die in het douanegebied van de Europese Unie werden wederingevoerd voor onderhoud, reparatie of vervanging binnen een periode van vijf jaar na de datum waarop de oorspronkelijke uitvoervergunning werd verstrekt.

2.

Uitgesloten producten:

a)

alle in bijlage IIg vermelde producten;

b)

alle producten in de secties D en E als genoemd in bijlage I bij deze verordening;

c)

de producten die vermeld zijn in bijlage I bij deze verordening:

1A002a

1C012a

1C227

1C228

1C229

1C230

1C231

1C236

1C237

1C240

1C350

1C450

5A001b5

5A002a2 tot en met 5A002a9

5B002 Apparatuur als volgt:

a.

Apparatuur speciaal ontworpen voor de „ontwikkeling” of „productie” van in 5A002a2 tot en met 5A002a9 bedoelde apparatuur

b.

Meetapparatuur speciaal ontworpen voor het evalueren en valideren van de „informatiebeveiligingsfuncties” van de in 5A002a2 tot en met 5A002a9 bedoelde apparatuur

6A001a2a1

6A001a2a5

6A002a1c

6A008l3

8A001b

8A001d

9A011

Deel 2 —   Bestemmingen

Deze uitvoervergunning is in de hele Unie geldig voor uitvoer naar de volgende bestemmingen:

 

Albanië

 

Argentinië

 

Bosnië en Herzegovina

 

Brazilië

 

Chili

 

China (met inbegrip van Hongkong en Macau)

 

Kroatië

 

De voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

 

Franse overzeese gebieden

 

IJsland

 

India

 

Kazachstan

 

Mexico

 

Montenegro

 

Marokko

 

Rusland

 

Servië

 

Singapore

 

Zuid-Afrika

 

Zuid-Korea

 

Tunesië

 

Turkije

 

Oekraïne

 

Verenigde Arabische Emiraten

Deel 3 —   Gebruiksvoorwaarden en eisen

1.

Deze vergunning kan alleen worden gebruikt als de oorspronkelijke uitvoer op grond van een uniale algemene uitvoervergunning heeft plaatsgevonden of door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de oorspronkelijke exporteur gevestigd was, een oorspronkelijke uitvoervergunning is verleend voor de uitvoer van de producten die later in het douanegebied van de Europese Unie zijn wederingevoerd voor onderhoud, reparatie of vervanging. Deze vergunning is alleen geldig voor uitvoer naar de oorspronkelijke eindgebruiker.

2.

Deze vergunning geldt niet voor de uitvoer van producten indien:

1)

de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is als bedoeld in artikel 9, lid 6, van deze verordening, ervan in kennis is gesteld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn:

a)

voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren;

b)

voor militair eindgebruik als bedoeld in artikel 4, lid 2, van deze verordening, indien op het kopende land of het land van bestemming een wapenembargo rust dat is opgelegd bij een besluit of gemeenschappelijk standpunt van de Raad of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, dan wel een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of

c)

voor gebruik als onderdelen of componenten van militaire producten die op de nationale militaire lijst voorkomen en die vanaf het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn uitgevoerd zonder vergunning of met schending van de in de nationale wetgeving van die lidstaat voorgeschreven vergunning;

2)

de exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in punt 1) bedoelde doeleinden;

3)

de producten in kwestie worden uitgevoerd naar een douanevrije zone of een vrij entrepot op een plaats van bestemming die onder deze vergunning valt;

4)

de oorspronkelijke vergunning is geannuleerd, opgeschort, gewijzigd of ingetrokken;

5)

de exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat de producten in kwestie afwijken van hetgeen in de oorspronkelijke uitvoervergunning vermeld staat.

3.

Bij de uitvoer van goederen op grond van deze vergunning moeten de exporteurs:

1)

in de douaneaangifte ten uitvoer het referentienummer van de oorspronkelijke uitvoervergunning vermelden, samen met de naam van de lidstaat die de vergunning heeft verleend, en het EU-referentienummer X002, waarbij tevens in vak 44 van het enig administratief document dient te worden aangegeven dat de producten worden uitgevoerd op grond van uniale algemene uitvoervergunning nr. EU003;

2)

de douaneambtenaren desgevraagd bewijsstukken verstrekken aangaande de datum van de invoer van de goederen in de Unie, eventuele in de Unie uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden, reparaties of vervanging van de goederen en het feit dat de producten worden teruggezonden naar de eindgebruiker en het land vanwaar ze in de Unie werden ingevoerd.

4.

Elke exporteur die deze vergunning gebruikt, moet de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is, in kennis stellen van het eerste gebruik van de vergunning binnen 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvindt, dan wel, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is, vóór het eerste gebruik van deze vergunning. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het voor deze vergunning gekozen kennisgevingsmechanisme. De Commissie maakt deze informatie openbaar in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaten bepalen welke rapportageverplichtingen gelden voor het gebruik van deze vergunning en welke aanvullende informatie over de op grond van deze vergunning uitgevoerde producten kan worden geëist door de lidstaat waaruit de uitvoer plaatsvindt.

Een lidstaat kan voorschrijven dat de aldaar gevestigde exporteur zich laat registreren alvorens voor het eerst van deze vergunning gebruik wordt gemaakt. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd, onverminderd artikel 9, lid 1, van deze verordening.

In voorkomend geval worden de in de tweede en derde alinea geformuleerde eisen gebaseerd op de eisen voor het gebruik van nationale algemene uitvoervergunningen die worden verleend door de lidstaten die in dergelijke vergunningen voorzien.

5.

Deze vergunning geldt voor producten die „reparatie”, „vervanging” of „onderhoud” ondergaan. Dit kan gepaard gaan met de gelijktijdige verbetering van de oorspronkelijke goederen, bijvoorbeeld door het gebruik van moderne reserveonderdelen of door de toepassing van een recentere norm om betrouwbaarheids- of veiligheidsredenen, mits dit niet tot gevolg heeft dat de functionele mogelijkheden van de producten worden vergroot of de producten van nieuwe of extra functies worden voorzien.

BIJLAGE IId

UNIALE ALGEMENE UITVOERVERGUNNING Nr. EU004

(als bedoeld in artikel 9, lid 1, van deze verordening)

Tijdelijke uitvoer voor tentoonstelling of beurs

Afgevende instantie: Europese Unie

Deel 1 —   Producten

Deze algemene uitvoervergunning geldt voor alle in de lijst van bijlage I bij deze verordening vermelde producten voor tweeërlei gebruik, met uitzondering van:

a)

alle in bijlage IIg vermelde producten;

b)

alle producten in sectie D als genoemd in bijlage I bij deze verordening (waaronder niet begrepen software die nodig is voor de goede werking van de apparatuur ten behoeve van de demonstratie);

c)

alle producten in sectie E als genoemd in bijlage I bij deze verordening;

d)

de producten die vermeld zijn in bijlage I bij deze verordening:

1A002a

1C002.b.4

1C010

1C012.a

1C227

1C228

1C229

1C230

1C231

1C236

1C237

1C240

1C350

1C450

5A001b5

5A002a2 tot en met 5A002a9

5B002 Apparatuur als hieronder:

a.

Apparatuur speciaal ontworpen voor de „ontwikkeling” of „productie” van in 5A002a2 tot en met 5A002a9 bedoelde apparatuur

b.

Meetapparatuur speciaal ontworpen voor het evalueren en valideren van de „informatiebeveiligingsfuncties” van de 5A002a2 tot en met 5A002a9 bedoelde apparatuur

6A001

6A002a

6A008l3

8A001b

8A001d

9A011

Deel 2 —   Bestemmingen

Deze uitvoervergunning is in de hele Unie geldig voor uitvoer naar de volgende bestemmingen:

Albanië, Argentinië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Brazilië, Chili, China (met inbegrip van Hongkong en Macau), de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, de Franse overzeese gebieden, IJsland, India, Kazachstan, Mexico, Montenegro, Marokko, Rusland, Servië, Singapore, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Tunesië, Turkije, Oekraïne, de Verenigde Arabische Emiraten

Deel 3 —   Gebruiksvoorwaarden en eisen

1.

Deze vergunning staat de uitvoer van in deel 1 vermelde producten toe, op voorwaarde dat het daarbij gaat om tijdelijke uitvoer ten behoeve van tentoonstelling of beurs, zoals gedefinieerd in punt 6, en dat de producten binnen een termijn van 120 dagen na de eerste uitvoer volledig en ongewijzigd worden wederingevoerd in het douanegebied van de Unie.

2.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is als bedoeld in artikel 9, lid 6, van deze verordening, kan op verzoek van de exporteur besluiten dat het vereiste van punt 1 dat de producten worden wederingevoerd, vervalt. Voor een daartoe strekkend besluit is de procedure voor individuele vergunningen als neergelegd in artikel 9, lid 2, en artikel 14, lid 1, van overeenkomstige toepassing.

3.

Deze vergunning staat niet de uitvoer van producten toe indien:

1)

de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is, ervan in kennis is gesteld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn:

a)

voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren;

b)

voor militair eindgebruik als bedoeld in artikel 4, lid 2, van deze verordening indien op het kopende land of het land van bestemming een wapenembargo rust dat is opgelegd bij een besluit of gemeenschappelijk standpunt van de Raad of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, dan wel een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of

c)

voor gebruik als onderdelen of componenten van militaire producten die op de nationale militaire lijst voorkomen en die vanaf het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn uitgevoerd zonder vergunning of met schending van de in de nationale wetgeving van die lidstaat voorgeschreven vergunning;

2)

de exporteur er kennis van draagt dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in punt 1) bedoelde doeleinden;

3)

de producten in kwestie worden uitgevoerd naar een douanevrije zone of een vrij entrepot op een plaats van bestemming die onder deze vergunning valt;

4)

de exporteur er door een bevoegde autoriteit van in kennis is gesteld of er op andere wijze kennis van draagt (bv. op basis van informatie van de fabrikant) dat de producten in kwestie door de bevoegde autoriteit voorzien zijn van een nationale beveiligingsrubricering die gelijkwaardig is aan of hoger is dan CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL;

5)

de wederinvoer van deze producten in de oorspronkelijke staat — en zonder dat daarvan enige component of software is verwijderd, gekopieerd of verspreid — door de exporteur niet kan worden gegarandeerd, of wanneer de presentatie van het product met overdracht van technologie gepaard gaat;

6)

de bewuste producten worden geëxporteerd met het oog op een besloten presentatie of demonstratie (bijvoorbeeld in niet-publieke toonzalen);

7)

het de bedoeling is de bewuste producten deel te laten uitmaken van een productieproces;

8)

het de bedoeling is de bewuste producten voor hun beoogde bestemming te gebruiken, tenzij zulks slechts het geval is in een voor effectieve demonstratiedoeleinden vereiste minimale mate, doch zonder dat de daarbij verkregen specifieke testresultaten voor derden toegankelijk zijn;

9)

de uitvoer het gevolg zou zijn van een handelstransactie, in het bijzonder met het oog op de verkoop, de verhuur of het leasen van de bewuste producten;

10)

het de bedoeling is de bewuste producten uitsluitend voor verkoop-, verhuur- of leasedoeleinden op te slaan op een tentoonstelling of beurs, zonder dat ze worden gepresenteerd of gedemonstreerd;

11)

de exporteur enigerlei regeling treft waardoor de bewuste producten niet tijdens de gehele duur van de tijdelijke uitvoer onder zijn toezicht zouden staan.

4.

De exporteur moet in vak 44 van het enig administratief document het EU-referentienummer X002 vermelden en aangeven dat de producten worden uitgevoerd op grond van uniale algemene uitvoervergunning nr. EU004.

5.

Elke exporteur die deze vergunning gebruikt, moet de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is, in kennis stellen van het eerste gebruik van de vergunning binnen 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvindt, dan wel, op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is, vóór het eerste gebruik van deze algemene uitvoervergunning. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het voor deze algemene uitvoervergunning gekozen kennisgevingsmechanisme. De Commissie maakt deze informatie openbaar in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaten bepalen welke rapportageverplichtingen gelden voor het gebruik van deze vergunning en welke aanvullende informatie over de op grond van deze vergunning uitgevoerde producten kan worden geëist door de lidstaat waaruit de uitvoer plaatsvindt.

Een lidstaat kan voorschrijven dat de aldaar gevestigde exporteurs zich laten registreren alvorens voor het eerst van deze vergunning gebruik wordt gemaakt. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd, onverminderd artikel 9, lid 1, van deze verordening.

In voorkomend geval worden de in de tweede en derde alinea geformuleerde eisen gebaseerd op de eisen voor het gebruik van nationale algemene uitvoervergunningen die worden verleend door de lidstaten die in dergelijke vergunningen voorzien.

6.

In het kader van deze vergunning wordt onder „tentoonstelling of beurs” verstaan elk commercieel evenement van een bepaalde duur waar verschillende exposanten hun producten voorstellen aan bezoekende handelaren of aan het grote publiek.

BIJLAGE IIe

UNIALE ALGEMENE UITVOERVERGUNNING Nr. EU005

(als bedoeld in artikel 9, lid 1, van deze verordening)

Telecommunicatie

Afgevende instantie: Europese Unie

Deel 1 —   Producten

Deze algemene uitvoervergunning geldt voor de volgende producten voor tweeërlei gebruik genoemd in bijlage I bij deze verordening:

a)

de volgende producten van categorie 5, deel 1:

i)

producten, inclusief speciaal daarvoor ontworpen of ontwikkelde onderdelen en toebehoren, als bedoeld in 5A001b2 en 5A001c en d;

ii)

producten als bedoeld in 5B001 en 5D001, namelijk test-, inspectie- en productieapparatuur en programmatuur voor onder i) vermelde producten;

b)

technologie als bedoeld in 5E001a die nodig is voor de installatie, de bediening, het onderhoud of de reparatie van de onder a) bedoelde producten en bestemd is voor dezelfde eindgebruiker.

Deel 2 —   Bestemmingen

Deze vergunning is in de hele Unie geldig voor uitvoer naar de volgende bestemmingen:

Argentinië, China (met inbegrip van Hongkong en Macau), Kroatië, India, Rusland, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Turkije, Oekraïne.

Deel 3 —   Gebruiksvoorwaarden en eisen

1.

Deze vergunning staat niet de uitvoer van producten toe indien:

1)

de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is als omschreven in artikel 9, lid 6, van deze verordening, ervan in kennis is gesteld dat de betrokken producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn:

a)

voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren;

b)

voor militair eindgebruik als bedoeld in artikel 4, lid 2, van deze verordening indien op het kopende land of het land van bestemming een wapenembargo rust dat is opgelegd bij een besluit of gemeenschappelijk standpunt van de Raad of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, dan wel een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

c)

voor gebruik als onderdelen of componenten van militaire producten die op de nationale militaire lijst voorkomen en die vanaf het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn uitgevoerd zonder vergunning of met schending van de in de nationale wetgeving van die lidstaat voorgeschreven vergunning, of

d)

voor doeleinden die gepaard gaan met schendingen van de mensenrechten, de democratische beginselen of de vrijheid van meningsuiting zoals omschreven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarbij gebruik wordt gemaakt van onderscheppingstechnieken en digitale gegevenstransferapparatuur voor het afluisteren van mobiele telefoons en het meelezen van tekstberichten en van gerichte bewaking van het internetgebruik (bijvoorbeeld met behulp van controlecentra en legale interceptiegateways);

2)

de exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in punt 1) bedoelde doeleinden;

3)

de exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat de betrokken producten zullen worden wederuitgevoerd naar een andere bestemming dan die welke vermeld zijn in deel 2 van deze bijlage, in deel 2 van bijlage IIa of naar lidstaten;

4)

de betrokken producten worden uitgevoerd naar een douanevrije zone of een vrij entrepot op een plaats van bestemming die onder deze vergunning valt.

2.

De exporteur moet in vak 44 van het enig administratief document het EU-referentienummer X002 vermelden en aangeven dat de producten worden uitgevoerd op grond van uniale algemene uitvoervergunning nr. EU005.

3.

Elke exporteur die deze vergunning gebruikt, moet de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is, in kennis stellen van het eerste gebruik van de vergunning binnen 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvindt, dan wel, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is, vóór het eerste gebruik van deze vergunning. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het voor deze vergunning gekozen kennisgevingsmechanisme. De Commissie maakt deze informatie openbaar in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaten bepalen welke rapportageverplichtingen gelden voor het gebruik van deze vergunning en welke aanvullende informatie over de op grond van deze vergunning uitgevoerde producten kan worden geëist door de lidstaat waaruit de uitvoer plaatsvindt.

Een lidstaat kan voorschrijven dat de aldaar gevestigde exporteurs zich laten registreren alvorens voor het eerst van deze vergunning gebruik wordt gemaakt. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd, onverminderd artikel 9, lid 1, van deze verordening.

In voorkomend geval, worden de in de tweede en derde alinea geformuleerde eisen gebaseerd op de eisen voor het gebruik van nationale algemene uitvoervergunningen die worden verleend door de lidstaten die in dergelijke vergunningen voorzien.

BIJLAGE IIf

UNIALE ALGEMENE UITVOERVERGUNNING VAN DE UNIE Nr. EU006

(als bedoeld in artikel 9, lid 1, van deze verordening)

Chemicaliën

Deel 1 —   Producten

Deze algemene uitvoervergunning geldt voor de volgende producten voor tweeërlei gebruik genoemd in bijlage I bij deze verordening:

 

1C350:

1.

Thiodiglycol (111-48-8);

2.

Fosforoxychloride (10025-87-3);

3.

Dimethylmethylfosfonaat (756-79-6);

5.

Methylfosfonyldichloride (676-97-1);

6.

Dimethylfosfiet (DMP) (868-85-9);

7.

Fosfortrichloride (7719-12-2);

8.

Trimethylfosfiet (TMP) (121-45-9);

9.

Thionylchloride (7719-09-7);

10.

3-Hydroxy-1-methylpiperidine (3554-74-3);

11.

2-Diisopropylaminoethylchloride (96-79-7);

12.

2-Diisopropylaminoethaanthiol (5842-07-9);

13.

Chinuclidine-3-ol (1619-34-7);

14.

Kaliumfluoride (7789-23-3);

15.

2-Chloorethanol (107-07-3);

16.

Dimethylamine (124-40-3);

17.

Diethylethylfosfonaat (78-38-6);

18.

Diethyl-N,N-dimethylfosforamidaat (2404-03-7);

19.

Diethylfosfiet (762-04-9);

20.

Dimethylaminehydrochloride (506-59-2);

21.

Dichloorethylfosfine (1498-40-4);

22.

Ethylfosfonyldichloride (1066-50-8);

24.

Waterstoffluoride (7664-39-3);

25.

Methylbenzilaat (76-89-1);

26.

Dichloormethylfosfine (676-83-5);

27.

2-Diisopropylaminoethanol (96-80-0);

28.

Pinacolylalcohol (464-07-3);

30.

Triethylfosfiet (122-52-1);

31.

Arseentrichloride (7784-34-1);

32.

Benzilzuur (76-93-7);

33.

Diethylmethylfosfoniet (15715-41-0);

34.

Dimethylethylfosfonaat (6163-75-3);

35.

Difluorethylfosfine (430-78-4);

36.

Difluormethylfosfine (753-59-3);

37.

Chinuclidine-3-on (3731-38-2);

38.

Fosforpentachloride (10026-13-8);

39.

Pinacolon (75-97-8);

40.

Kaliumcyanide (151-50-8);

41.

Kaliumbifluoride (7789-29-9);

42.

Ammoniumbifluoride (1341-49-7);

43.

Natriumfluoride (7681-49-4);

44.

Natriumbifluoride (1333-83-1);

45.

Natriumcyanide (143-33-9);

46.

Triethanolamine (102-71-6);

47.

Fosforpentasulfide (1314-80-3);

48.

Diisopropylamine (108-18-9);

49.

2-Diethylaminoethanol (100-37-8);

50.

Natriumsulfide (1313-82-2);

51.

Zwavelmonochloride (10025-67-9);

52.

Zwaveldichloride (10545-99-0);

53.

Triethanolaminehydrochloride (637-39-8);

54.

2-Chloorethyldiisopropylammoniumchloride (4261-68-1);

55.

Methylfosfonzuur (993-13-5);

56.

Diethylmethylfosfonaat (683-08-9);

57.

N,N-dimethylaminofosforyldichloride (677-43-0);

58.

Triisopropylfosfiet (116-17-6);

59.

Ethyldiethanolamine (139-87-7);

60.

O,O-diethylfosforothioaat (2465-65-8);

61.

O,O-diethylfosforodithioaat (298-06-6);

62.

Natriumhexafluorsilicaat (16893-85-9);

63.

Methylfosfonthiodichloride (676-98-2).

 

1C450a:

4.

Fosgeen: carbonyldichloride (75-44-5);

5.

Chloorcyaan (506-77-4);

6.

Cyaanwaterstof (74-90-8);

7.

Chloorpicrine: trichloornitromethaan (76-06-2);

 

1C450b:

1.

Stoffen, behalve die welke opgenomen zijn in de Lijst van militaire goederen of in 1C350, die een fosforatoom bevatten met daaraan gebonden een methyl-, ethyl- of (normale of iso-) propylgroep maar verder geen koolstofatomen;

2.

Andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]fosforamidodihalogeniden dan N,N-dimethylaminofosforyldichloride, dat in 1C350.57 opgenomen is;

3.

Andere dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso-)propyl]-N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso-)propyl]fosforamidaten dan diethyl-N,N-dimethylfosforamidaat, dat in 1C350 opgenomen is;

4.

Andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso-)propyl]aminoethyl-2-chloriden en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(beta)-aminoethylchloride of N,N-diisopropyl-(beta)-aminoethylchloridehydrochloride, die in 1C350 opgenomen zijn;

5.

Andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]aminoethaan-2-olen en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(beta)-aminoethanol (96-80-0) en N,N-diethylaminoethanol (100-37-8) die in 1C350 opgenomen zijn;

6.

Andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso-)propyl]aminoethaan-2-thiolen en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(beta)-aminoethaanthiol, dat in 1C350 opgenomen is;

8.

Methyldiethanolamine (105-59-9).

Deel 2 —   Bestemmingen

Deze vergunning is in de hele Unie geldig voor uitvoer naar de volgende bestemmingen:

Argentinië, Kroatië, IJsland, Zuid-Korea, Turkije, Oekraïne.

Deel 3 —   Gebruiksvoorwaarden en eisen

1.

Deze vergunning staat niet de uitvoer van producten toe indien:

1)

de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is als omschreven in artikel 9, lid 6, van deze verordening, ervan in kennis is gesteld dat zij geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn:

a)

voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren;

b)

voor militair eindgebruik als omschreven in artikel 4, lid 2, van deze verordening indien op het kopende land of het land van bestemming een wapenembargo rust dat is opgelegd bij een besluit of gemeenschappelijk standpunt van de Raad of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, dan wel een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of

c)

voor gebruik als onderdelen of componenten van militaire producten die op de nationale militaire lijst voorkomen en die vanaf het grondgebied van de betrokken lidstaat zijn uitgevoerd zonder vergunning of met schending van de in de nationale wetgeving van die lidstaat voorgeschreven vergunning;

2)

de exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in punt 1) bedoelde doeleinden;

3)

indien de exporteur, met inachtneming van zijn verplichting zich daarvoor de nodige moeite te getroosten, er kennis van draagt dat de betrokken producten zullen worden wederuitgevoerd naar een andere bestemming dan die welke vermeld zijn in deel 2 van deze bijlage, in deel 2 van bijlage IIa of naar lidstaten;

4)

de producten in kwestie worden uitgevoerd naar een douanevrije zone of een vrij entrepot op een plaats van bestemming die onder deze vergunning valt.

2.

De exporteur moet in vak 44 van het enig administratief document het EU-referentienummer X002 vermelden en aangeven dat de betrokken producten worden uitgevoerd op grond van uniale algemene uitvoervergunning nr. EU006.

3.

Elke exporteur die deze vergunning gebruikt, moet de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij gevestigd is, in kennis stellen van het eerste gebruik van de vergunning binnen 30 dagen na de datum waarop de eerste uitvoer plaatsvindt, dan wel, op verzoek van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur gevestigd is, vóór het eerste gebruik van deze vergunning. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van het voor deze vergunning gekozen kennisgevingsmechanisme. De Commissie maakt deze informatie openbaar in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaten bepalen welke rapportageverplichtingen gelden voor het gebruik van deze vergunning en welke aanvullende informatie over de op grond van deze vergunning uitgevoerde producten kan worden geëist door de lidstaat waaruit de uitvoer plaatsvindt.

Een lidstaat kan voorschrijven dat de aldaar gevestigde exporteurs zich laten registreren alvorens voor het eerst van deze vergunning gebruik wordt gemaakt. De registratie geschiedt automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst, door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd,onverminderd artikel 9, lid 1, van deze verordening.

In voorkomend geval, worden de in de tweede en derde alinea geformuleerde eisen gebaseerd op de eisen voor het gebruik van nationale algemene uitvoervergunningen die worden verleend door de lidstaten die in dergelijke vergunningen voorzien.

BIJLAGE IIg

(Lijst bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a), van deze verordening en de bijlagen IIa, IIc en IId bij deze verordening)

De punten geven niet altijd een volledige omschrijving van de producten en de bijbehorende noten in bijlage I. Alleen bijlage I geeft een volledige omschrijving van de producten.

De vermelding van een product in deze bijlage laat de toepassing van de algemene programmatuurnoot (APN) in bijlage I onverlet.

Alle in bijlage IV vermelde producten.

0C001 „Natuurlijk uraan” of „verarmd uraan” of thorium in de vorm van metaal, legering, chemische verbinding of concentraat en elk materiaal dat één of meer van de voorgaande stoffen bevat.

0C002 „Speciale splijtstoffen”, andere dan die welke in bijlage IV zijn vermeld.

0D001 „Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van in categorie 0 bedoelde goederen, voor zover betrekking hebbend op punt 0C001 of producten van punt 0C002 die niet in bijlage IV zijn opgenomen.

0E001 „Technologie” overeenkomstig de nucleaire technologienoot voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van in categorie 0 bedoelde goederen, voor zover betrekking hebbend op punt 0C001 of op producten van punt 0C002 die niet in bijlage IV zijn opgenomen.

1A102 Opnieuw verzadigde, door pyrolyse verkregen koolstof-koolstof-componenten bestemd voor ruimtelanceervoertuigen, bedoeld in 9A004, of sonderingsraketten, bedoeld in 9A104.

1C351 Humane pathogenen, zoönosen en „toxinen”.

1C352 Dierpathogenen.

1C353 Genetische elementen en genetisch gemodificeerde organismen.

1C354 Plantpathogenen.

1C450a.1. Amiton: O,O-diethyl-S-[2-(diethylamino)ethyl]fosforthiolaat (78-53-5) en overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten.

1C450a.2. PFIB: 1,1,3,3,3-pentafluor-2-(trifluormethyl)-1-propeen (382-21-8).

7E104 „Technologie” voor het integreren van vluchtregel-, navigatie- en voortstuwingsregelgegevens in een vluchtbeheerssysteem om de baan van raketten te optimaliseren.

9A009.a. Hybride raketvoortstuwingssystemen met een totaal impulsvermogen groter dan 1,1 MNs.

9A117 Systemen voor het scheiden of afwerpen van rakettrappen en verbindingsstukken tussen rakettrappen, geschikt voor gebruik in „raketten”.


VERKLARING VAN DE COMMISSIE

De Commissie is voornemens deze verordening uiterlijk op 31 december 2013 te herzien, waarbij met name zal worden nagegaan of het dienstig is een algemene uitvoervergunning voor zendingen van geringe waarde in te voeren.


VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE OVER ZENDINGEN VAN GERINGE WAARDE

Deze verordening laat de overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 428/2009 door de lidstaten afgegeven nationale algemene uitvoervergunningen voor zendingen van geringe waarde onverlet.


8.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/45


VERORDENING (EU) Nr. 1233/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

betreffende de toepassing van bepaalde richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten en tot intrekking van de Beschikkingen 2001/76/EG en 2001/77/EG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Exportkredietinstellingen („ECA's”) dragen bij aan de ontwikkeling van de wereldhandel doordat zij de export en investeringen van ondernemingen ondersteunen in aanvulling op de door de particuliere sector geboden financiering en verzekering. De Unie is partij bij de regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten („de regeling”) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). In de regeling, zoals deze door de deelnemers daaraan is overeengekomen, worden de financiële bepalingen en voorwaarden geregeld die de ECA's kunnen aanbieden en waarmee een gelijk speelveld voor door de overheid gesteunde exportkredieten kan worden bevorderd.

(2)

Krachtens Beschikking 2001/76/EG van de Raad van 22 december 2000 tot wijziging van de beschikking van 4 april 1978 over de toepassing van enkele richtsnoeren op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten (2) en Beschikking 2001/77/EG van de Raad van 22 december 2000 inzake de toepassing van de beginselen van een kaderovereenkomst betreffende projectfinanciering op het gebied van door de overheid gesteunde exportkredieten (3) zijn de richtsnoeren in de regeling en de specifieke regels voor projectfinanciering van toepassing in de Unie.

(3)

De regeling draagt indirect, via de werkzaamheid van de ECA's, bij aan vrije en eerlijke handelsbetrekkingen en investeringen door ondernemingen die anders minder gemakkelijk toegang krijgen tot de kredietfaciliteiten die de particuliere sector biedt.

(4)

De lidstaten moeten zich houden aan de algemene uitgangspunten van de Unie voor het extern optreden, zoals consolidering van de democratie, eerbiediging van de mensenrechten, samenhang in het ontwikkelingsbeleid, en bestrijding van klimaatverandering, bij de inrichting, ontwikkeling en uitvoering van hun nationale exportkredietstelsels en de uitoefening van hun toezicht op door de overheid gesteunde exportkredietactiviteiten.

(5)

De deelnemers aan de regeling worden betrokken bij een continu proces dat gericht is op het minimaliseren van marktverstoring en op het creëren van gelijke omstandigheden waarbij de door de door de ECA's berekende premies op risico's gebaseerd zijn en de operationele kosten en verliezen op lange termijn moeten kunnen dekken, conform de verplichtingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie. Om dit te realiseren gaan de exportkredietstelsels op transparante wijze te werk en brengen de agentschappen dienovereenkomstig aan de OESO verslag uit.

(6)

Doelgerichte exportkredieten die de ECA's bieden, kunnen de marktkansen voor Europese ondernemingen, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), helpen vergroten.

(7)

De deelnemers aan de regeling en de lidstaten van de Unie hebben ermee ingestemd bepaalde informatie over exportkredieten openbaar te maken overeenkomstig de transparantieregels van de OESO en de Europese Unie, ter bevordering van een gelijk speelveld voor de deelnemers aan de regeling en de lidstaten.

(8)

De Unie past de transparantie- en rapportagemaatregelen toe zoals die in bijlage I zijn opgenomen.

(9)

Gezien de geïntensiveerde mededingingssituatie op de wereldmarkten en teneinde een concurrentienadeel voor bedrijven uit de Unie te voorkomen, moet de Commissie, gelet op de onderhandelingsmachtiging van de lidstaten, de inspanningen door de OESO ondersteunen om een brug te slaan naar de niet-deelnemers aan de regeling. De Commissie moet bilaterale en multilaterale onderhandelingen gebruiken met het oog op invoering van mondiale normen voor door de overheid gesteunde exportkredieten. Mondiale normen op dit gebied zijn een voorwaarde voor een gelijk speelveld in de wereldhandel.

(10)

Ook al houden de OESO-landen zich aan de regeling, de niet-OESO-landen nemen niet aan de regeling deel en dat kan exporteurs in die landen een concurrentievoordeel opleveren. Die landen worden daarom aangemoedigd om de regeling toe te passen, zodat ook op mondiaal niveau voor een gelijk speelveld wordt gezorgd.

(11)

Gelet op het beleid van de Unie inzake betere regelgeving, dat erop is gericht de bestaande regelgeving te vereenvoudigen en te verbeteren, moeten de Commissie en de lidstaten bij toekomstige evaluaties van de regeling hun aandacht richten op, waar passend, vermindering van administratieve lasten voor bedrijven en nationale overheidsdiensten, inclusief exportkredietinstellingen.

(12)

De deelnemers aan de regeling hebben besloten de regeling te wijzigen en te stroomlijnen. De door hen overeengekomen wijzigingen zijn gericht op meer gebruikersvriendelijkheid, het verbeteren van de consistentie tussen de relevante internationale verplichtingen en het verwezenlijken van grotere transparantie, met name ten opzichte van niet-deelnemers aan de regeling. Bovendien zijn de deelnemers aan de regeling tevens overeengekomen om de bij Beschikking 2001/77/EG ingevoerde regels voor projectfinanciering en de bij Beschikking 2002/634/EG van de Raad (4) tot wijziging van Beschikking 2001/76/EG ingevoerde regels voor exportkredieten voor schepen, in de tekst van de regeling op te nemen.

(13)

Derhalve moet Beschikking 2001/76/EG, zoals gewijzigd, worden ingetrokken en worden vervangen door deze verordening, met de daaraan als bijlage gevoegde geconsolideerde en herziene tekst van de regeling, en moet Beschikking 2001/77/EG worden ingetrokken,

(14)

Teneinde de wijzigingen van de in de regeling vervatte richtlijnen, zoals deze door de deelnemers aan de regeling zijn overeengekomen, soepel en snel in de wetgeving van de Unie op te nemen, moet de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen om bijlage II te wijzigen waar dat nodig is. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van wijzigingen in de richtlijnen die door de deelnemers aan de regeling worden overeengekomen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepasselijkheid van de regeling

De richtsnoeren in de regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten („de regeling”) zijn in de Unie van toepassing. De tekst van de regeling is als bijlage bij deze verordening gevoegd.

Artikel 2

Bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 3 gedelegeerde handelingen vast om bijlage II te wijzigen naar aanleiding van wijzigingen in de richtsnoeren die de deelnemers aan de regeling overeenkomen.

Indien dit in geval van wijziging van bijlage II als gevolg van wijzigingen in de richtsnoeren die de deelnemers aan de regeling overeenkomen, om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 4 neergelegde procedure van toepassing op overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 3

Uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 2 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 9 december 2011.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 2 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving ervan aan het Europees Parlement en de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 4

Spoedprocedure

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 3, lid 5, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 5

Transparantie en rapportage

De transparantie- en rapportagevoorschriften die in de Unie moeten worden gehanteerd zijn opgenomen in bijlage I.

Artikel 6

Intrekking

Beschikkingen 2001/76/EG en 2001/77/EG worden ingetrokken.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2011.

(2)  PB L 32 van 2.2.2001, blz. 1.

(3)  PB L 32 van 2.2.2001, blz. 55.

(4)  PB L 206 van 3.8.2002, blz. 16.


BIJLAGE I

1.

Onverminderd de voorrechten van de instellingen van de lidstaten die toezicht op de nationale programma's voor exportkredieten uitoefenen, verstrekt elke lidstaat de Commissie een jaarlijks activiteitenverslag met het oog op een grotere transparantie op Unieniveau. De lidstaten doen overeenkomstig hun nationale wetgeving opgave van activa en passiva, betaalde vorderingen en invorderingen, nieuwe verplichtingen, risico's en in rekening gebrachte premies. Wanneer er voorwaardelijke verplichtingen kunnen voortvloeien uit door de overheid gesteunde exportkredietactiviteiten, worden zulke activiteiten worden in het jaarlijkse activiteitenverslag vermeld.

2.

In het jaarlijkse activiteitenverslag geven de lidstaten aan hoe milieurisico's, waaraan andere belangrijke risico's verbonden kunnen zijn, worden meegewogen in de door de overhead gesteunde exportkredietactiviteiten van hun ECA's.

3.

De Commissie maakt aan de hand van deze informatie een jaarlijkse evaluatie voor het Europees Parlement, waarin ook wordt nagegaan in hoeverre de ECA's zich houden aan de doelstellingen en -verplichtingen van de Unie.

4.

De Commissie legt conform haar bevoegdheden een jaarverslag voor aan het Europees Parlement over de onderhandelingen die zij heeft gevoerd in de verschillende fora van internationale samenwerking waar zij een onderhandelingsmachtiging heeft, met het oog op de invoering van mondiale normen voor door de overheid gesteunde exportkredieten.

De eerste verslagleggingsperiode ingevolge deze verordening bestrijkt het jaar 2011.


BIJLAGE II

REGELING INZAKE DOOR DE OVERHEID GESTEUNDE EXPORTKREDIETEN

INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK I:

ALGEMENE BEPALINGEN

1.

DOEL

2.

STATUS

3.

DEELNEMERS

4.

INFORMATIEVERSTREKKING AAN NIET-DEELNEMERS

5.

WERKINGSSFEER

6.

SECTOROVEREENKOMSTEN

7.

PROJECTFINANCIERING

8.

UITTREDING

9.

TOEZICHT

HOOFDSTUK II:

FINANCIËLE VOORWAARDEN VOOR EXPORTKREDIETEN

10.

AANBETALING, MAXIMALE OVERHEIDSSTEUN EN PLAATSELIJKE UITGAVEN

11.

INDELING VAN LANDEN MET HET OOG OP MAXIMALE KREDIETTERMIJNEN

12.

MAXIMALE KREDIETTERMIJNEN

13.

KREDIETTERMIJNEN VOOR NIET-NUCLEAIRE ELEKTRICITEITSCENTRALES

14.

AFLOSSING VAN DE HOOFDSOM EN RENTEBETALING

15.

RENTE, PREMIETARIEVEN EN OVERIGE KOSTEN

16.

GELDIGHEIDSDUUR VAN EXPORTKREDIETEN

17.

MAATREGELEN OM VERLIEZEN TE VOORKOMEN OF TE BEPERKEN

18.

MATCHING

19.

VASTE MINIMUMRENTETARIEVEN BIJ FINANCIERINGSSTEUN VAN DE OVERHEID

20.

VASTSTELLING VAN DE CIRR’S

21.

GELDIGHEIDSDUUR VAN DE CIRR’S

22.

TOEPASSING VAN DE CIRR’S

23.

KREDIETRISICOPREMIE

24.

MINIMUMPREMIETARIEVEN VOOR LANDENKREDIETRISICO EN SOEVEREIN KREDIETRISICO

25.

LANDENRISICO-INDELING

26.

INDELING VAN MULTILATERALE EN REGIONALE INSTELLINGEN

27.

PERCENTAGE EN KWALITEIT VAN DE EXPORTKREDIETDEKKING DOOR DE OVERHEID

28.

UITSLUITING VAN BEPAALDE ELEMENTEN VAN HET LANDENRISICO EN TECHNIEKEN OM HET LANDENRISICO TE BEPERKEN

29.

HERZIENING VAN DE GELDIGHEID VAN DE MINIMUMPREMIETARIEVEN VOOR LANDENKREDIETRISICO EN SOEVEREIN KREDIETRISICO

HOOFDSTUK III:

BEPALINGEN BETREFFENDE GEBONDEN HULP

30.

GRONDBEGINSELEN

31.

SOORTEN GEBONDEN HULP

32.

GECOMBINEERDE FINANCIERING

33.

LANDEN DIE VOOR GEBONDEN HULP IN AANMERKING KOMEN

34.

PROJECTEN DIE VOOR GEBONDEN HULP IN AANMERKING KOMEN

35.

MINIMAAL CONCESSIONALITEITSNIVEAU

36.

UITZONDERINGEN OP DE BEPALINGEN BETREFFENDE DE LANDEN OF PROJECTEN DIE VOOR GEBONDEN HULP IN AANMERKING KOMEN

37.

BEREKENING VAN HET CONCESSIONALITEITSNIVEAU VAN GEBONDEN HULP

38.

GELDIGHEIDSDUUR VAN GEBONDEN HULP

39.

MATCHING

HOOFDSTUK IV:

PROCEDURES

AFDELING 1:

GEMEENSCHAPPELIJKE PROCEDURES VOOR EXPORTKREDIETEN EN HANDELSGERELATEERDE HULP

40.

KENNISGEVINGEN

41.

INLICHTINGEN INZAKE OVERHEIDSSTEUN

42.

PROCEDURES INZAKE MATCHING

43.

BIJZONDER OVERLEG

AFDELING 2:

PROCEDURES VOOR EXPORTKREDIETEN

44.

VOORAFGAANDE KENNISGEVING MET BESPREKING

45.

VOORAFGAANDE KENNISGEVING ZONDER BESPREKING

AFDELING 3:

PROCEDURES VOOR HANDELSGERELATEERDE HULP

46.

VOORAFGAANDE KENNISGEVING

47.

ONMIDDELLIJKE KENNISGEVING

AFDELING 4:

OVERLEGPROCEDURES VOOR GEBONDEN HULP

48.

DOEL VAN HET OVERLEG

49.

TOEPASSINGSGEBIED EN TIJDSCHEMA VAN HET OVERLEG

50.

RESULTAAT VAN HET OVERLEG

AFDELING 5:

UITWISSELING VAN GEGEVENS OVER EXPORTKREDIETEN EN HANDELSGERELATEERDE HULP

51.

CONTACTPUNTEN

52.

VERZOEKEN OM INLICHTINGEN

53.

ANTWOORDEN OP VERZOEKEN

54.

RECHTSTREEKS OVERLEG

55.

PROCEDURES EN VORM VAN GEMEENSCHAPPELIJKE GEDRAGSLIJNEN

56.

ANTWOORDEN OP VOORSTELLEN VOOR GEMEENSCHAPPELIJKE GEDRAGSLIJNEN

57.

AANVAARDING VAN GEMEENSCHAPPELIJKE GEDRAGSLIJNEN

58.

GEEN OVEREENSTEMMING OVER GEMEENSCHAPPELIJKE GEDRAGSLIJNEN

59.

INWERKINGTREDING VAN GEMEENSCHAPPELIJKE GEDRAGSLIJNEN

60.

GELDIGHEIDSDUUR VAN GEMEENSCHAPPELIJKE GEDRAGSLIJNEN

AFDELING 6:

OPERATIONELE BEPALINGEN BETREFFENDE DE MEDEDELING VAN MINIMUMRENTETARIEVEN (CIRR’S)

61.

MEDEDELING VAN MINIMUMRENTETARIEVEN

62.

DATUM VAN INWERKINGTREDING VAN DE RENTETARIEVEN

63.

ONMIDDELLIJKE WIJZIGING VAN RENTETARIEVEN

AFDELING 7:

EVALUATIES

64.

REGELMATIGE EVALUATIE VAN DE REGELING

65.

EVALUATIE VAN DE MINIMUMRENTETARIEVEN

66.

EVALUATIE VAN DE MINIMUMPREMIETARIEVEN EN AANVERWANTE KWESTIES

BIJLAGE I:

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN VOOR SCHEPEN

BIJLAGE II:

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN VOOR KERNCENTRALES

BIJLAGE III:

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN VOOR VLIEGTUIGEN VOOR DE BURGERLUCHTVAART

BIJLAGE IV:

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN, DUURZAME ENERGIE EN WATERPROJECTEN, GELDIG GEDURENDE EEN PROEFPERIODE DIE AFLOOPT OP 30 JUNI 2007

BIJLAGE V:

GEGEVENS DIE BIJ KENNISGEVINGEN MOETEN WORDEN VERSTREKT

BIJLAGE VI:

BEREKENING VAN DE MINIMUMPREMIETARIEVEN

BIJLAGE VII:

CRITERIA EN VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN DE LANDENRISICO-INDELING MET BETREKKING TOT EEN GARANTIEGEVER VAN EEN DERDE LAND OF EEN MULTILATERALE OF REGIONALE INSTELLING

BIJLAGE VIII:

CRITERIA EN VOORWAARDEN VOOR DE TOEPASSING VAN LANDENRISICOBEPERKING/-UITSLUITING BIJ HET BEREKENEN VAN DE MINIMUMPREMIETARIEVEN

BIJLAGE IX:

TOETSINGSKADER VOOR DE ONTWIKKELINGSWAARDE

BIJLAGE X:

VOORWAARDEN VOOR PROJECTFINANCIERINGSTRANSACTIES

BIJLAGE XI:

LIJST VAN DEFINITIES

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

1.   Doel

a)

De Regeling inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten, hierna „de regeling” genoemd, heeft voornamelijk ten doel een kader te creëren voor het ordelijke gebruik van door de overheid gesteunde exportkredieten.

b)

De regeling strekt ertoe gelijke voorwaarden voor overheidssteun, zoals gedefinieerd in artikel 5, onder a), te bewerkstelligen opdat niet zozeer de gunstigste door de overheid gesteunde financiële voorwaarden als wel prijs en kwaliteit van de uit te voeren goederen en diensten maatgevend zijn voor de concurrentie tussen exporteurs.

2.   Status

De regeling, die in het kader van de OESO werd ontwikkeld, is in april 1978 in werking getreden en is van onbepaalde duur. De regeling is een „gentlemen’s agreement” tussen de deelnemers en vloeit niet voort uit een besluit van de OESO (1), hoewel het OESO-secretariaat (hierna „het secretariaat” genoemd) administratieve steun verleent.

3.   Deelnemers

Aan de regeling wordt thans deelgenomen door: Australië, Canada, de Europese Unie, Japan, Korea, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland en de Verenigde Staten. Andere leden en niet-leden van de OESO kunnen door de huidige deelnemers worden uitgenodigd tot de regeling toe te treden.

4.   Informatieverstrekking aan niet-deelnemers

a)

De deelnemers verstrekken niet-deelnemers informatie over kennisgevingen in verband met overheidssteun zoals omschreven in artikel 5, onder a).

b)

Een deelnemer antwoordt, op basis van wederkerigheid, op een verzoek dat een niet-deelnemer die zich in een concurrentiesituatie bevindt, tot hem richt over de door hem voor overheidssteun gestelde financiële voorwaarden, zoals hij op een verzoek van een deelnemer zou antwoorden.

5.   Werkingssfeer

De regeling is van toepassing op alle door of namens een regering verleende overheidssteun voor de uitvoer van goederen en/of diensten, met inbegrip van financiële leasing, met een krediettermijn van ten minste twee jaar.

a)

Overheidssteun kan verschillende vormen aannemen:

1.

exportkredietgarantie of -verzekering (zuivere dekking);

2.

financieringssteun van de overheid:

rechtstreekse kredieten/financiering en herfinanciering, of

rentesubsidie;

3.

alle mogelijke combinaties van bovengenoemde steun.

b)

De regeling is van toepassing op gebonden hulp; de procedures als omschreven in hoofdstuk IV zijn ook van toepassing op handelsgerelateerde ongebonden hulp.

c)

De regeling is niet van toepassing op de uitvoer van militaire goederen en landbouwproducten.

d)

Overheidssteun wordt niet verstrekt indien duidelijk blijkt dat het contract, hoofdzakelijk om gunstiger kredietvoorwaarden te verkrijgen, is gesloten met een afnemer in een land dat niet de eindbestemming is van de goederen.

6.   Sectorovereenkomsten

a)

De volgende sectorovereenkomsten vormen een onderdeel van de regeling:

schepen (bijlage I);

kerncentrales (bijlage II);

vliegtuigen voor de burgerluchtvaart (bijlage III);

duurzame energie en waterprojecten (bijlage IV).

b)

Een deelnemer aan een sectorovereenkomst kan de bepalingen over overheidssteun in die overeenkomst toepassen op de uitvoer van onder die overeenkomst vallende goederen en/of diensten. Wanneer in de sectorovereenkomst geen overeenkomstige bepalingen zijn opgenomen, past de deelnemer de bepalingen van de regeling toe.

7.   Projectfinanciering

a)

De deelnemers kunnen de in bijlage X beschreven voorwaarden toepassen op de uitvoer van goederen en/of diensten voor transacties die aan de voorwaarden van aanhangsel 1 van bijlage X voldoen.

b)

Punt a) is niet van toepassing op de uitvoer van goederen en diensten die onder de sectorovereenkomst voor vliegtuigen voor de burgerluchtvaart vallen.

8.   Uittreding

Een deelnemer kan uittreden door het secretariaat hiervan schriftelijk en met behulp van een middel voor onmiddellijke communicatie, zoals het On-line Information System (OLIS) van de OESO, kennisgeving te doen. De uittreding treedt 180 kalenderdagen na ontvangst van de kennisgeving door het secretariaat in werking.

9.   Toezicht

Het secretariaat ziet toe op de uitvoering van de regeling.

HOOFDSTUK II

FINANCIËLE VOORWAARDEN VOOR EXPORTKREDIETEN

De financiële voorwaarden voor exportkredieten behelzen alle in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen die in onderlinge samenhang moeten worden gelezen.

De regeling legt beperkingen op aan de voorwaarden die door de overheid mogen worden gesteund. De deelnemers erkennen dat in bepaalde handels- en industriesectoren van oudsher strengere financiële voorwaarden gelden dan die waarin de regeling voorziet. De deelnemers blijven deze gebruikelijke financiële voorwaarden onverminderd in acht nemen, met name het beginsel dat krediettermijnen de levensduur van goederen niet overschrijden.

10.   Aanbetaling, maximale overheidssteun en plaatselijke uitgaven

a)

De deelnemers eisen van de afnemers van de goederen en diensten waarvoor overheidssteun wordt verleend, dat deze vóór of op de aanvangsdatum van het krediet zoals gedefinieerd in bijlage XI een aanbetaling van ten minste 15 % van de waarde van het exportcontract verrichten. Voor de beoordeling van aanbetalingen mag de waarde van het exportcontract evenredig worden verminderd voor niet door de overheid gesteunde goederen en diensten uit een derde land. Financiering/verzekering van 100 % van de premie is toegestaan. De premie mag al dan niet bij de waarde van het exportcontract worden inbegrepen. Ingehouden bedragen die na de aanvangsdatum van het krediet zijn betaald, worden in dit verband niet als aanbetaling beschouwd.

b)

Overheidssteun voor zulke aanbetalingen wordt slechts verleend in de vorm van verzekering of garantie tegen de gebruikelijke risico’s voorafgaande aan de kredietverlening.

c)

Behoudens als bepaald onder b) en d), verlenen de deelnemers geen overheidssteun boven 85 % van de waarde van het exportcontract, inclusief goederen en diensten uit een derde land maar exclusief plaatselijke uitgaven.

d)

De deelnemers mogen overheidssteun verlenen voor plaatselijke uitgaven, mits:

1.

de totale gecombineerde overheidssteun die overeenkomstig c) en d) wordt verleend, niet meer bedraagt dan 100 % van de waarde van het exportcontract. De steun voor de plaatselijke uitgaven mag bijgevolg niet hoger zijn dan het bedrag van de aanbetaling;

2.

deze steun niet op gunstiger/minder strenge voorwaarden wordt verleend dan de voorwaarden die werden overeengekomen voor de daarmee verband houdende export;

3.

deze steun voor klasse I-landen zoals gedefinieerd in artikel 11, onder a), is beperkt tot zuivere dekking.

11.   Indeling van landen met het oog op maximale krediettermijnen

a)

In klasse I worden de landen ingedeeld die voorkomen op de graduatielijst van de Wereldbank (2). Alle andere landen worden in klasse II ingedeeld. De graduatieniveaus van de Wereldbank worden elk jaar opnieuw berekend. Een land wordt pas in een andere klasse ingedeeld nadat de indeling van dit land op de graduatielijst van de Wereldbank twee achtereenvolgende jaren ongewijzigd is gebleven.

b)

De volgende operationele criteria en procedures zijn bij de indeling van de landen van toepassing:

1.

landen worden voor de doeleinden van de regeling ingedeeld op grond van het bni per hoofd zoals door de Wereldbank berekend met het oog op haar indeling van kredietontvangende landen;

2.

wanneer de Wereldbank niet over voldoende gegevens beschikt om het bni per hoofd bekend te maken, zal de Wereldbank worden verzocht te schatten of het bni per hoofd van het betrokken land boven of beneden de geldende drempelwaarde ligt. Het land wordt volgens deze schatting ingedeeld tenzij de deelnemers anders besluiten;

3.

indien een land overeenkomstig artikel 11, onder a), wordt heringedeeld, treedt deze nieuwe indeling in werking twee weken nadat de conclusies die uit bovengenoemde gegevens van de Wereldbank zijn getrokken, door het secretariaat aan alle deelnemers zijn medegedeeld;

4.

indien de Wereldbank haar cijfers herziet, wordt dit in het kader van de regeling buiten beschouwing gelaten. De indeling van een land kan echter door middel van een gemeenschappelijke gedragslijn worden gewijzigd en deelnemers nemen een wijziging die te wijten is aan fouten en lacunes in de gegevens die in hetzelfde kalenderjaar worden ontdekt als het kalenderjaar waarin de cijfers voor het eerst door het secretariaat werden verspreid, in welwillende overweging.

12.   Maximale krediettermijnen

Onverminderd artikel 13 hangt de maximale krediettermijn af van de indeling van het land van bestemming volgens de in artikel 11 uiteengezette criteria.

a)

Voor landen in klasse I bedraagt de maximale krediettermijn vijf jaar, met de mogelijkheid deze tot achtenhalf jaar te verlengen wanneer de in artikel 45 omschreven procedures van voorafgaande kennisgeving worden gevolgd.

b)

Voor landen in klasse II bedraagt de maximale krediettermijn tien jaar.

c)

Voor contracten met meer dan een land van bestemming streven de deelnemers ernaar een gemeenschappelijke gedragslijn vast te stellen overeenkomstig de in de artikelen 55 tot en met 60 omschreven procedures teneinde overeenstemming over passende voorwaarden te bereiken.

13.   Krediettermijnen voor niet-nucleaire elektriciteitscentrales

a)

Voor niet-nucleaire elektriciteitscentrales bedraagt de maximale krediettermijn twaalf jaar. Indien een deelnemer een langere dan de in artikel 12 vastgestelde krediettermijn wenst te steunen, doet hij hiervan vooraf kennisgeving volgens de procedure van artikel 45.

b)

Niet-nucleaire elektriciteitscentrales zijn volledige elektriciteitscentrales of delen daarvan die geen gebruikmaken van kernenergie; hierbij zijn inbegrepen alle componenten, installaties, materialen en diensten, met inbegrip van de opleiding van het personeel, die rechtstreeks vereist zijn voor de bouw en de inbedrijfstelling van dergelijke niet-nucleaire centrales. Niet inbegrepen zijn posten die doorgaans voor rekening van de afnemer komen, bijvoorbeeld kosten voor het bouwrijp maken van de grond, wegen, accommodatie voor het bouwpersoneel, elektriciteitsleidingen, schakelinstallaties en watervoorziening, alsmede kosten die in het land van de afnemer voortvloeien uit officiële goedkeuringsprocedures (bijvoorbeeld vergunning bouwterrein, vergunning brandstoflading), met de volgende uitzonderingen:

1.

wanneer de afnemer van de schakelinstallatie en de afnemer van de elektriciteitscentrale dezelfde persoon zijn, is de maximale krediettermijn voor de oorspronkelijke schakelinstallatie dezelfde als die voor de niet-nucleaire elektriciteitscentrale (namelijk twaalf jaar), en

2.

de maximale krediettermijn voor onderstations, transformatoren en transmissielijnen met een minimumspanningsdrempel van 100 kV is dezelfde als die voor de niet-nucleaire elektriciteitscentrale.

14.   Aflossing van de hoofdsom en rentebetaling

a)

De hoofdsom van een exportkrediet wordt in gelijke termijnen afgelost.

b)

De aflossingen van de hoofdsom en de rentebetalingen vinden ten minste om de zes maanden plaats en de eerste aflossing van de hoofdsom en rentebetaling vinden uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet plaats.

c)

In geval van exportkredieten voor leasetransacties kunnen gelijke aflossingen voor het bedrag van hoofdsom en rente samen plaatsvinden in plaats van de onder a) beschreven aflossing van de hoofdsom in gelijke termijnen.

d)

In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen exportkredieten worden verstrekt onder andere dan de onder a), b) en c) beschreven voorwaarden. Dergelijke steun moet berusten op een onbalans tussen het tijdstip waarop de middelen voor de kredietnemer beschikbaar zijn en het beschikbare schema voor de schuldendienst bij een gelijk, halfjaarlijks aflossingsschema en moet aan de volgende criteria voldoen:

1.

binnen een periode van zes maanden bedraagt het bedrag van een afzonderlijke aflossing of een reeks aflossingen van de hoofdsom niet meer dan 25 % van de hoofdsom;

2.

de aflossingen van de hoofdsom vinden ten minste om de twaalf maanden plaats. De eerste aflossing van de hoofdsom vindt uiterlijk twaalf maanden na de aanvangsdatum van het krediet plaats en ten minste 2 % van de hoofdsom is twaalf maanden na de aanvangsdatum van het krediet afgelost;

3.

de rente wordt ten minste om de twaalf maanden betaald, te beginnen uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet;

4.

de maximale gewogen gemiddelde duur van de aflossingsperiode bedraagt:

bij transacties met soevereine afnemers (of met een soevereine betalingsgarantie) vierenhalf jaar voor transacties in landen in klasse I en vijf jaar en drie maanden voor transacties in landen in klasse II;

bij transacties met niet-soevereine afnemers (en zonder soevereine betalingsgarantie) vijf jaar voor transacties in landen in klasse I en zes jaar in landen in klasse II;

onverminderd het bepaalde in de twee vorige streepjes, zes jaar en drie maanden voor transacties die steun aan niet-nucleaire elektriciteitscentrales overeenkomstig artikel 13 behelzen;

5.

de deelnemer doet hiervan vooraf kennisgeving overeenkomstig artikel 45 en vermeldt daarbij de redenen waarom hij geen steun overeenkomstig de punten a), b) en c) verleent.

e)

Na de aanvangsdatum van het krediet wordt de verschuldigde rente niet gekapitaliseerd.

15.   Rente, premietarieven en overige kosten

a)

De rente omvat niet:

1.

betalingen uit hoofde van premies of andere kosten voor het verzekeren of garanderen van leveranciers- of financieringskredieten;

2.

betalingen uit hoofde van andere met het exportkrediet verband houdende bankkosten of provisies dan de jaarlijkse of halfjaarlijkse bankkosten die gedurende de gehele krediettermijn verschuldigd zijn, en

3.

de door het importland geheven bronbelastingen.

b)

Wanneer de overheidssteun door middel van rechtstreekse kredieten/financiering of herfinanciering wordt verleend, kan de premie aan de nominale waarde van de rentevoet worden toegevoegd of kan ze apart worden aangerekend; beide componenten moeten voor de deelnemers apart worden gespecificeerd.

16.   Geldigheidsduur van exportkredieten

Met uitzondering van de in artikel 21 vastgestelde geldigheidsduur van commerciële referentierentetarieven (Commercial Interest Reference Rates — CIRR’s) mogen de financiële voorwaarden voor een bepaald exportkrediet of een bepaalde kredietlijn niet worden vastgelegd voor een periode van meer dan zes maanden voordat een definitieve toezegging is gedaan.

17.   Maatregelen om verliezen te voorkomen of te beperken

De regeling belet exportkredietinstanties of financieringsinstellingen niet na de toekenning van het contract (wanneer de exportkredietovereenkomst en de bijbehorende documenten reeds in werking zijn getreden) minder strenge financiële voorwaarden overeen te komen dan die waarin de regeling voorziet, indien dit uitsluitend gebeurt om verliezen die uit wanbetaling of claims kunnen voortvloeien, te voorkomen of te beperken.

18.   Matching

Rekening houdende met de internationale verplichtingen van een deelnemer en in overeenstemming met het oogmerk van de regeling mag een deelnemer, overeenkomstig de in artikel 42 vastgestelde procedure, de door een deelnemer of niet-deelnemer geboden financiële voorwaarden matchen. De overeenkomstig dit artikel verleende financiële voorwaarden worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van de hoofdstukken I en II alsmede, indien van toepassing, de bijlagen I, II, III, IV en X.

19.   Vaste minimumrentetarieven bij financieringssteun van de overheid

a)

Deelnemers die financieringssteun van de overheid voor vastrentende leningen verstrekken, passen de desbetreffende commerciële referentierentetarieven (CIRR’s) als minimumrentetarieven toe. De CIRR’s worden overeenkomstig de volgende beginselen vastgesteld:

1.

de CIRR’s stemmen overeen met de uiteindelijke commerciële rentetarieven voor leningen op de binnenlandse markt van de betrokken valuta;

2.

de CIRR’s sluiten nauw aan bij het tarief voor eersteklas binnenlandse kredietnemers;

3.

de CIRR’s worden gebaseerd op de financieringskosten van vastrentende leningen;

4.

de CIRR’s verstoren de binnenlandse concurrentieverhoudingen niet, en

5.

de CIRR’s sluiten nauw aan bij een beschikbaar tarief voor eersteklas buitenlandse kredietnemers.

b)

De financieringssteun van de overheid mag de passende kredietrisicopremie die overeenkomstig artikel 23 wegens het risico van niet-aflossing moet worden geheven, gedeeltelijk noch volledig ondervangen of compenseren.

20.   Vaststelling van de CIRR’s

a)

Elke deelnemer die een CIRR wenst vast te stellen, kiest aanvankelijk een van de twee volgende basistariefsystemen voor zijn nationale valuta:

1.

ofwel het rendement van driejaars-overheidsobligaties voor een krediettermijn tot en met vijf jaar, van vijfjaars-overheidsobligaties voor een termijn van meer dan vijf tot en met achtenhalf jaar, en van zevenjaars-overheidsobligaties voor een termijn van meer dan achtenhalf jaar, of

2.

het rendement van vijfjaars-overheidsobligaties, voor alle krediettermijnen.

De deelnemers kunnen overeenkomen van het basistariefsysteem af te wijken.

b)

De CIRR’s worden vastgesteld op een vaste marge van 100 basispunten boven het basistarief van iedere deelnemer, tenzij de deelnemers anders zijn overeengekomen.

c)

Indien andere deelnemers tot financiering in die valuta besluiten, gebruiken zij het CIRR dat voor een bepaalde valuta werd vastgesteld.

d)

Een deelnemer kan zijn basistariefsysteem, na raadpleging van de deelnemers, met een kennisgevingstermijn van zes maanden wijzigen.

e)

Een deelnemer of een niet-deelnemer mag om vaststelling van een CIRR voor de valuta van een niet-deelnemer verzoeken. In overleg met de belanghebbende niet-deelnemer kan een deelnemer of het secretariaat dat namens de niet-deelnemer optreedt, een voorstel doen voor de vaststelling van het CIRR in die valuta via de procedures voor gemeenschappelijke gedragslijnen overeenkomstig de artikelen 55 tot en met 60.

21.   Geldigheidsduur van de CIRR’s

De rente die op een bepaalde transactie van toepassing is, wordt vastgesteld voor een periode van ten hoogste 120 dagen. Een marge van 20 basispunten wordt aan het CIRR toegevoegd indien de voorwaarden waarop de overheid de financieringssteun verleent voorafgaand aan de contractdatum worden vastgesteld.

22.   Toepassing van de CIRR’s

a)

Wanneer de overheid financieringssteun verleent voor leningen met een zwevende rentevoet, mogen banken en andere financiële instellingen geen keuze aanbieden tussen het CIRR (ten tijde van het oorspronkelijke contract) en, indien deze lager is, de korte marktrente gedurende de gehele looptijd van de lening.

b)

Wanneer een kredietnemer op vrijwillige basis een lening of een gedeelte daarvan vervroegd aflost, vergoedt hij de overheidsinstantie die de financieringssteun heeft verleend voor alle onkosten en verliezen die uit de vervroegde aflossing voortvloeien, met inbegrip van de kosten die deze instantie maakt ter vervanging van het gedeelte van de vastrentende kasontvangsten die door de vervroegde aflossing worden onderbroken.

23.   Kredietrisicopremie

De deelnemers rekenen een premie aan, bovenop de rente, ter dekking van het risico dat de exportkredieten niet worden terugbetaald. De door de deelnemers aangerekende premies moeten afhankelijk zijn van het risico, naar elkaar toegroeien en toereikend zijn om de operationele kosten en verliezen op de lange termijn te dekken.

24.   Minimumpremietarieven voor landenkredietrisico en soeverein kredietrisico

De deelnemers rekenen niet minder dan het toepasselijke minimumpremietarief (Minimum Premium Rate — MPR) voor het landenkredietrisico en het soevereine kredietrisico aan, ongeacht het feit of de afnemer/kredietnemer een particuliere of openbare organisatie is.

a)

Het toepasselijke MPR wordt bepaald aan de hand van de volgende factoren:

de toepasselijke landenrisico-indeling zoals omschreven in artikel 25;

het feit of de door de overheid gegeven dekking van het exportkrediet uitsluitend betrekking heeft op het landenrisico zoals gedefinieerd in artikel 25, onder a);

de looptijd van het risico (Horizon of Risk — HOR);

het percentage van de dekking en de kwaliteit van het door de overheid gehanteerde exportkredietinstrument zoals omschreven in artikel 27, en

elke techniek om het landenrisico te beperken/uit te sluiten, zoals omschreven in artikel 28.

b)

MPR’s worden uitgedrukt in procenten van de hoofdsom van het krediet alsof de premie op de datum van de eerste kredietopname volledig werd betaald. De wiskundige formule voor de berekening van de MPR’s wordt toegelicht in bijlage VI.

c)

Voor de overeenkomstig artikel 25 in categorie 0 ingedeelde landen werden geen MPR’s vastgesteld; de deelnemers zullen evenwel geen premietarieven hanteren die lager liggen dan de beschikbare prijzen op de particuliere markt.

d)

Op de „grootsterisicolanden” in categorie 7 zijn in principe hogere premietarieven dan de voor die categorie vastgestelde MPR’s van toepassing; deze premietarieven worden bepaald door de deelnemer die overheidssteun verleent.

e)

Voor de berekening van het MPR voor een transactie is de toe te passen landenrisico-indeling de indeling van het land van de afnemer, tenzij:

zekerheid wordt gesteld in de vorm van een onherroepelijke, onvoorwaardelijke, op verzoek beschikbare, rechtsgeldige en afdwingbare garantie van de totale schuldaflossingsverplichting voor de volledige looptijd van het krediet door een met betrekking tot de omvang van de gegarandeerde schuld kredietwaardig lichaam in een derde land, in welk geval de toe te passen landenrisico-indeling de indeling van het land van de garantiegever mag zijn, of

een multilaterale of regionale instelling zoals omschreven in artikel 26 als kredietnemer of garantiegever voor de transactie optreedt, in welk geval de toe te passen landenrisico-indeling de indeling van die multilaterale of regionale instelling mag zijn.

f)

De criteria en de voorwaarden voor de toepassing van een landenrisico-indeling overeenkomstig de in artikel 24, onder e), eerste en tweede streepje, beschreven situaties, worden uiteengezet in bijlage VII.

g)

Indien de overheidssteun uitsluitend betrekking heeft op het landenrisico zoals gedefinieerd in artikel 25, onder a), dit wil zeggen dat de dekking van het afnemers-/ kredietnemersrisico volledig is uitgesloten, wordt het MPR met 10 % verlaagd; deze factor wordt meegewogen in de wiskundige formule voor de berekening van de MPR’s in bijlage VI.

h)

Wat de looptijd van het risico betreft, wordt bij de berekening van een MPR in de regel één helft van de uitbetalingsperiode tezamen met de volledige aflossingsperiode in aanmerking genomen, uitgaande van een regelmatig aflossingsschema voor het exportkrediet, dit wil zeggen aflossing in gelijke halfjaarlijkse termijnen van de hoofdsom plus verschuldigde rente te rekenen vanaf zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet. Voor exportkredieten met een afwijkend aflossingsschema wordt de overeenkomstige aflossingsperiode (uitgedrukt in gelijke halfjaarlijkse termijnen) berekend volgens de volgende formule: overeenkomstige aflossingsperiode = (gewogen gemiddelde duur van de aflossingsperiode – 0,25)/0,5.

i)

De deelnemer die het MPR toepast in het onder e), eerste streepje, bedoelde geval dat tot een premietarief leidt dat lager is dan het toepasselijke MPR in het land van de afnemer, doet hiervan vooraf kennisgeving overeenkomstig artikel 44, onder a). De deelnemer die het MPR toepast in het in artikel 24, onder e), tweede streepje, of artikel 24, onder g), bedoelde geval, doet hiervan vooraf kennisgeving overeenkomstig artikel 45, onder a).

25.   Landenrisico-indeling

De landen worden ingedeeld volgens de mate waarin wordt verwacht dat zij hun externe schuld zullen voldoen (d.w.z. het landenkredietrisico).

a)

De vijf elementen van het landenkredietrisico zijn:

een algemeen uitstel van betalingen afgekondigd door de overheid van de afnemer/kredietnemer/garantiegever of door de instantie van een land via welke de terugbetaling plaatsvindt;

politieke evenementen en/of economische problemen buiten het land van de kennisgevende deelnemer of wettelijke/bestuursrechtelijke maatregelen die buiten het land van de kennisgevende deelnemer zijn genomen en die de overdracht van fondsen die uit hoofde van het krediet zijn betaald, belemmeren of vertragen;

wettelijke bepalingen die in het land van de afnemer/kredietnemer zijn vastgesteld volgens welke terugbetalingen in plaatselijke valuta geldig zijn om de schuld te voldoen, niettegenstaande het feit dat deze terugbetalingen, ten gevolge van wisselkoersschommelingen, na omzetting in de valuta van het krediet, het bedrag van de schuld op de dag van de overdracht van de fondsen niet dekken;

alle andere maatregelen of besluiten van de overheid van een ander land die terugbetalingen uit hoofde van een krediet onmogelijk maken, en

gevallen van overmacht buiten het land van de kennisgevende deelnemer, dat wil zeggen oorlog (ook burgeroorlog), onteigening, revolutie, rellen, burgerlijke onlusten, wervelstormen, overstromingen, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven en kernongevallen.

b)

De landen worden in acht risicocategorieën (0-7) ingedeeld. Er werden MPR’s vastgesteld voor de categorieën 1 tot en met 7, doch niet voor categorie 0, omdat het landenrisico voor landen in deze categorie wordt geacht verwaarloosbaar te zijn.

c)

OESO-landen met een hoog inkomen, zoals jaarlijks gedefinieerd door de Wereldbank op basis van het bni per hoofd, zijn in categorie 0 ingedeeld.

Wat de MPR’s betreft, blijft een OESO-land dat in categorie 0 werd ingedeeld vanwege zijn hoge inkomen, in diezelfde categorie 0 totdat het gedurende twee opeenvolgende jaren onder de bni-drempel voor landen met een hoog inkomen uitkomt, op welk ogenblik de indeling van het land moet worden herzien overeenkomstig artikel 25, onder d), e) en f).

OESO-landen die gedurende twee opeenvolgende jaren boven de bni-drempel voor landen met een hoog inkomen uitkomen, worden per definitie in categorie 0 ingedeeld. Die indeling wordt van kracht onmiddellijk nadat het secretariaat de status van een land zoals bepaald door de Wereldbank, heeft medegedeeld.

Andere landen waarvan het risico op hetzelfde niveau wordt ingeschat, mogen eveneens in categorie 0 worden ingedeeld.

d)

Alle overige landen die geen OESO-landen met een hoog inkomen (3) zijn, worden ingedeeld volgens de landenrisico-indelingsmethode, die bestaat uit:

het model voor de beoordeling van het landenkredietrisico (het model), waarbij het landenkredietrisico kwantitatief wordt beoordeeld op basis van, voor elk land, drie groepen risico-indicatoren: de betalingservaring van de deelnemers, de financiële situatie en de economische situatie. De methode van het model omvat verschillende stappen waaronder de beoordeling van de drie groepen risico-indicatoren, en de combinatie en flexibele weging van de risico-indicatorengroepen;

de kwalitatieve beoordeling van de resultaten van het model, bekeken per land, teneinde rekening te houden met het politieke risico en/of andere risicofactoren die niet volledig of ten dele in het model in aanmerking werden genomen. Zo nodig kan dit tot een correctie op de kwantitatieve beoordeling volgens het model leiden om tot een uiteindelijke beoordeling van het landenkredietrisico te komen.

e)

Landenrisico-indelingen worden doorlopend gevolgd en ten minste jaarlijks herzien en de wijzigingen die voortvloeien uit de landenrisico-indelingsmethode, worden onmiddellijk door het secretariaat medegedeeld. Wanneer een land in een lagere of hogere risicocategorie wordt ingedeeld, rekenen de deelnemers uiterlijk vijf werkdagen na de mededeling van de herindeling door het secretariaat premietarieven aan op of boven het niveau van de MPR’s die aan de nieuwe landenrisicocategorie verbonden zijn.

f)

De toepasselijke landenrisicocategorieën worden door het secretariaat bekendgemaakt.

26.   Indeling van multilaterale en regionale instellingen

Multilaterale en regionale instellingen worden ingedeeld en herzien zoals passend is; de toepasselijke indelingen worden door het secretariaat bekendgemaakt.

27.   Percentage en kwaliteit van de exportkredietdekking door de overheid

De MPR’s worden gedifferentieerd zoals omschreven in bijlage VI, teneinde rekening te houden met de verschillen in kwaliteit van de exportkredietproducten en het dekkingspercentage dat door de deelnemers wordt aangeboden. De differentiëring wordt gebaseerd op de toekomstverwachtingen van de exporteur (om het concurrentie-effect te neutraliseren dat voortvloeit uit de kwaliteitsverschillen van het aan de exporteur/financiële instelling aangeboden product).

a)

De kwaliteit van een exportkredietproduct wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het een verzekering, garantie of rechtstreeks krediet/financiering betreft, en voor verzekeringsproducten of de rente gedurende de wachttermijn voor claims (dat wil zeggen de tijd tussen de datum waarop de afnemer/kredietnemer moet betalen en de datum waarop de verzekeraar verplicht is de exporteur/financiële instelling te vergoeden) zonder toeslag wordt gedekt.

b)

Alle bestaande exportkredietproducten die de deelnemers aanbieden, worden in een van de drie volgende productcategorieën ingedeeld, namelijk:

product beneden standaard, dat wil zeggen verzekering zonder dekking van de rente gedurende de wachttermijn voor claims en verzekering met dekking van de rente gedurende de wachttermijn voor claims met een passende premietoeslag;

standaardproduct, dat wil zeggen verzekering met dekking van de rente gedurende de wachttermijn voor claims zonder een passende premietoeslag alsmede rechtstreekse kredieten/financiering, en

product boven standaard, dat wil zeggen garanties.

28.   Uitsluiting van bepaalde elementen van het landenrisico en technieken om het landenrisico te beperken

De deelnemers mogen, overeenkomstig de specifieke criteria en voorwaarden van bijlage VIII, bepaalde elementen van het landenrisico uitsluiten of gebruikmaken van welomschreven, in artikel 28, onder b), opgesomde technieken om het landenrisico te beperken waarbij de toepasselijke MPR’s worden verlaagd door in de MPR-formule een factor ter beperking/uitsluiting van het landenrisico (Country Risk Mitigation/Exclusion Factor — MEF) toe te passen. De MEF wordt als volgt bepaald:

a)

Wat de uitsluiting van bepaalde elementen van het landenkredietrisico van exportkredietdekking door de overheid betreft:

in gevallen waarin alleen de eerste drie elementen van het landenkredietrisico, zoals uiteengezet in artikel 25, onder a), volledig van de dekking worden uitgesloten, mag een MEF van 0,5 worden toegepast;

in gevallen waarin alleen het vierde en vijfde element van het landenkredietrisico, zoals uiteengezet in artikel 25, onder a), volledig van de dekking worden uitgesloten, mag een MEF van 0,2 worden toegepast.

b)

Wat de volgende technieken om het landenrisico te beperken betreft, worden het toepasselijke MPR alsmede de criteria en de voorwaarden waaronder de MEF mag worden toegepast, in bijlage VIII uiteengezet:

constructie voor het genereren van een toekomstige inkomstenstroom buiten het projectland in combinatie met een geblokkeerde rekening (escrowrekening) buiten het projectland (Offshore future flow structure combined with offshore escrow account);

harde zekerheid buiten het projectland (Offshore hard security);

zakelijke zekerheid buiten het projectland (Offshore asset based security);

financiering op basis van een zakelijke zekerheid buiten het projectland (Offshore asset-secured and asset-based financing);

medefinanciering met internationale financiële instellingen (IFI’s);

financiering in plaatselijke valuta;

verzekering of voorwaardelijke garantie van een derde land;

debiteur met een beter risicoprofiel dan het soevereine risico.

c)

Als meer dan een van de in artikel 28, onder b), beschreven technieken om het landenrisico te beperken wordt toegepast, heeft dit geen rechtstreeks cumulatief gevolg voor de toepasselijke MEF. Bij de keuze van een passende MEF waarin de combinatie van de technieken om het landenrisico te beperken tot uiting komt, moet rekening worden gehouden met het mogelijke overlappende effect van twee of meer technieken op dezelfde landenkredietrisico’s. In geval van overlap wordt normaal gesproken alleen de zekerheid met de beste kwaliteit in aanmerking genomen voor de vaststelling van de passende toepasselijke MEF.

d)

De deelnemer die het MPR toepast in de in artikel 28, onder a), b) en c), bedoelde gevallen, doet hiervan vooraf kennisgeving overeenkomstig artikel 44, onder a).

e)

De in artikel 28, onder b), opgenomen lijst van technieken om het landenrisico te beperken is niet bedoeld als een gesloten lijst; overeenkomstig artikel 66 volgen en herzien de deelnemers de ervaringen met het gebruik van deze technieken, inclusief de in bijlage VIII vermelde toepasselijke criteria, voorwaarden, omstandigheden en MEF’s.

29.   Herziening van de geldigheid van de minimumpremietarieven voor landenkredietrisico en soeverein kredietrisico

a)

Om te beoordelen of de MPR’s passend zijn en deze zo nodig naar boven of beneden te kunnen bijstellen, worden drie premieterugkoppelingsinstrumenten (Premium Feedback Tools — PFT’s) naast elkaar gebruikt ten behoeve van het toezicht op en de aanpassing van de MPR’s.

b)

Het „Cash Flow PFT” en het „Accruals PFT” zijn boekhoudmethoden waarbij de geldigheid van de MPR’s wordt beoordeeld op een geaggregeerde basis van de landenrisicocategorie en de risicolooptijd in overeenstemming met de reële prestaties van de deelnemers met betrekking tot het landenkredietrisico en het soevereine kredietrisico van exportkredieten waarvoor MPR’s gelden.

c)

Het derde PFT bestaat uit vier reeksen particulieremarktindicatoren (4) die informatie geven over marktprijzen met betrekking tot het landenkredietrisico en het soevereine kredietrisico.

HOOFDSTUK III

BEPALINGEN BETREFFENDE GEBONDEN HULP

30.   Grondbeginselen

a)

De deelnemers zijn overeengekomen een complementair beleid voor exportkredieten en voor gebonden hulp te voeren. Het beleid inzake exportkredieten dient op een vrije concurrentie en het vrije spel der marktkrachten te zijn gebaseerd. Het beleid inzake gebonden hulp dient erop te zijn gericht de benodigde externe middelen te verschaffen aan landen, sectoren of projecten die weinig of geen toegang hebben tot de kapitaalmarkt. Het beleid inzake gebonden hulp dient gericht te zijn op kostenefficiëntie en het vermijden van handelsverstoringen en dient bij te dragen tot een ontwikkelingseffectief gebruik van deze middelen.

b)

De bepalingen inzake gebonden hulp van de regeling zijn niet van toepassing op de hulpprogramma’s van multilaterale of regionale instellingen.

c)

Deze beginselen doen geen afbreuk aan de standpunten van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (Development Assistance Committee — DAC) over de kwaliteit van gebonden en niet-gebonden hulp.

d)

Een deelnemer kan om nadere gegevens vragen over het gebonden karakter van enige vorm van hulp. Indien er onzekerheid bestaat over het feit of een bepaalde financieringspraktijk onder de in bijlage XI gegeven definitie van gebonden hulp valt, dient het donorland aan te tonen dat de hulp in feite „niet-gebonden” is overeenkomstig de definitie in bijlage XI.

31.   Soorten gebonden hulp

Gebonden hulp kan de vorm aannemen van:

a)

leningen in het kader van de officiële ontwikkelingshulp (Official Development Assistance — ODA), zoals omschreven in de DAC-richtlijnen voor gecombineerde financiering en gebonden of gedeeltelijk ongebonden officiële ontwikkelingshulp, 1987;

b)

schenkingen in het kader van de officiële ontwikkelingshulp, zoals omschreven in de DAC-richtlijnen voor gecombineerde financiering en gebonden of gedeeltelijk ongebonden officiële ontwikkelingshulp, 1987, en

c)

andere overheidsmiddelen (Other Official Flows — OOF), inclusief schenkingen en leningen, maar exclusief door de overheid gesteunde exportkredieten die in overeenstemming zijn met deze regeling, of

d)

elke combinatie, rechtens of feitelijk, waarover de donor, de leninggever of de kredietnemer zeggenschap heeft, die twee of meer van de voorgaande en/of de volgende financieringscomponenten omvat:

1.

een exportkrediet dat door middel van rechtstreekse kredieten/financiering, herfinanciering, rentesubsidie, garanties of verzekering waarop de regeling van toepassing is, door de overheid wordt gesteund, en

2.

andere fondsen tegen of nagenoeg tegen marktvoorwaarden, of aanbetaling door de afnemer.

32.   Gecombineerde financiering

a)

Gecombineerde financiering kan verschillende vormen aannemen, zoals gemengd krediet, gemengde financiering, gezamenlijke financiering, parallelle financiering of afzonderlijke geïntegreerde transacties. Het hoofdkenmerk is dat ze alle:

een concessioneel element bevatten dat rechtens of feitelijk aan het niet-concessionele element gekoppeld is;

een deel of het geheel van het financieringspakket uitmaken dat in feite gebonden hulp is, en

concessionele middelen omvatten die uitsluitend beschikbaar zijn indien het daaraan gekoppelde niet-concessionele element door de ontvanger wordt aanvaard.

b)

„Feitelijke” combinatie of koppeling wordt bepaald door factoren zoals:

het bestaan van informele afspraken tussen de ontvanger en de donor;

het voornemen van de donor om door het gebruik van ODA de aanvaardbaarheid van een financieringspakket te vergroten;

de daadwerkelijke „binding” van het gehele financieringspakket aan aankopen in het donorland;

het gebonden karakter van de ODA en de voorwaarden van de aanbesteding of het contract van elke financieringstransactie, of

alle andere door de DAC of de deelnemers geïdentificeerde praktijken waardoor er de facto een band is tussen twee of meer financieringselementen.

c)

Geen van de volgende praktijken vormt een beletsel voor de vaststelling dat er een „feitelijke” combinatie of koppeling bestaat:

splitsing van een contract door de afzonderlijke kennisgeving van de onderdelen van dit contract;

splitsing van in verscheidene fasen gefinancierde contracten;

niet-kennisgeving van onderling afhankelijke onderdelen van een contract, en/of

niet-kennisgeving omdat een deel van het financieringspakket niet gebonden is.

33.   Landen die voor gebonden hulp in aanmerking komen

a)

Er kan geen gebonden hulp worden verleend aan landen die, op grond van hun bni per hoofd, niet in aanmerking komen voor de 17-jaarsleningen van de Wereldbank. Deze drempel wordt elk jaar door de Wereldbank opnieuw berekend (5). Een land wordt uitsluitend heringedeeld nadat de Wereldbankclassificatie van dit land gedurende twee opeenvolgende jaren ongewijzigd is gebleven.

b)

De volgende operationele criteria en procedures zijn bij de indeling van de landen van toepassing:

1.

Landen worden voor de doeleinden van de regeling ingedeeld op grond van het bni per hoofd zoals door de Wereldbank berekend met het oog op haar indeling van kredietontvangende landen. Deze indeling wordt door het secretariaat bekendgemaakt.

2.

Wanneer de Wereldbank niet over voldoende gegevens beschikt om het bni per hoofd bekend te maken, zal de Wereldbank worden verzocht te schatten of het bni per hoofd van het betrokken land boven of beneden de geldende drempelwaarde ligt. Het land wordt volgens deze schatting ingedeeld tenzij de deelnemers anders besluiten.

3.

Indien de indeling van een land in de categorie die al of niet voor gebonden hulp in aanmerking komt overeenkomstig artikel 33, onder a), wordt gewijzigd, treedt deze nieuwe indeling in werking twee weken nadat de conclusies die uit bovengenoemde gegevens van de Wereldbank zijn getrokken, door het secretariaat aan alle deelnemers zijn medegedeeld. Voordat de nieuwe indeling in werking treedt, mag geen kennisgeving worden gedaan van financiering van gebonden hulp voor een nieuw daarvoor in aanmerking komend land; na de datum van inwerkingtreding mag geen kennisgeving van financiering van gebonden hulp worden gedaan voor een onlangs bevorderd land; er mag evenwel nog kennis worden gegeven van afzonderlijke transacties die door een eerder vastgelegde kredietlijn zijn gedekt totdat die kredietlijn afloopt (uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe indeling).

4.

Indien de Wereldbank haar cijfers herziet, wordt dit in het kader van de regeling buiten beschouwing gelaten. De indeling van een land kan echter door middel van een gemeenschappelijke gedragslijn in overeenstemming met de passende procedures in de artikelen 55 tot en met 60 worden gewijzigd en de deelnemers nemen een wijziging die te wijten is aan fouten en lacunes in de gegevens die in hetzelfde kalenderjaar worden ontdekt als het kalenderjaar waarin de cijfers voor het eerst door het secretariaat werden verspreid, in welwillende overweging nemen.

5.

Niettegenstaande de indeling van landen in categorieën die al dan niet voor gebonden hulp in aanmerking komen, moeten de deelnemers vermijden aan Belarus, Bulgarije, Roemenië, de Russische Federatie en Oekraïne andere gebonden-hulpkredieten te verstrekken dan rechtstreekse schenkingen, voedselhulp en humanitaire hulp alsmede hulp om de gevolgen van een nucleair of een groot industrieel ongeval op te vangen of te voorkomen dat een dergelijk ongeval gebeurt. Indien het bni per hoofd van een van deze landen gedurende drie opeenvolgende jaren hoger is dan de drempel waarboven zij niet in aanmerking komen voor de 17-jaarsleningen van de Wereldbank, is de verstrekking van dergelijke kredieten aan dat land onderworpen aan de bepalingen van artikel 33, onder a), en artikel 33, onder b), punten 1 tot en met 4, alsmede aan alle andere in de regeling vastgestelde bepalingen betreffende gebonden hulp (6).

34.   Projecten die voor gebonden hulp in aanmerking komen

a)

Er mag geen gebonden hulp worden verleend voor openbare of particuliere projecten die normalerwijze commercieel levensvatbaar zijn indien ze op marktvoorwaarden of op de voorwaarden van de regeling worden gefinancierd.

b)

De voornaamste criteria om te bepalen of projecten voor deze hulp in aanmerking komen, zijn de volgende:

het project is financieel niet levensvatbaar, dat wil zeggen dat het tegen marktprijzen onvoldoende cashflow kan genereren om de bedrijfskosten, aflossingen en rentebetalingen te dekken (eerste criterium), of

op grond van overleg met andere deelnemers kan redelijkerwijze worden aangenomen dat het project waarschijnlijk niet tegen voorwaarden van de markt of van de regeling kan worden gefinancierd (tweede criterium). Bij projecten voor een bedrag van meer dan 50 miljoen SDR wordt, wanneer de gepastheid van deze hulp wordt onderzocht, bijzondere aandacht geschonken aan de verwachte beschikbaarheid van financiering op de voorwaarden van de markt of van de regeling.

c)

Het is de bedoeling dat aan de hand van de criteria onder b) kan worden vastgesteld of een project met deze hulp of met exportkredieten tegen voorwaarden van de markt of van de regeling moet worden gefinancierd. Verwacht wordt dat in de loop van de tijd door middel van het in de artikelen 48, 49 en 50 omschreven overleg voldoende ervaring wordt opgedaan waardoor zowel exportkrediet- als hulpinstellingen over meer gedetailleerde richtsnoeren zullen beschikken om vooraf een scheidslijn tussen de twee categorieën projecten te kunnen trekken.

35.   Minimaal concessionaliteitsniveau

De deelnemers verlenen geen gebonden hulp waarvan het concessionaliteitsniveau minder is dan 35 %, of minder dan 50 % indien het ontvangende land een minst ontwikkeld land (MOL) is, behalve in onderstaande gevallen, waarvoor ook een uitzondering op de in artikel 47, onder a), vastgestelde kennisgevingsprocedures geldt:

a)

technische bijstand: gebonden hulp waarvan de officiële-ontwikkelingshulpcomponent alleen bestaat uit technische samenwerking met een waarde van minder dan 3 % van de totale waarde van de transactie of van één miljoen bijzondere trekkingsrechten (SDR), indien dit een lager bedrag is, en

b)

kleine projecten: kapitaalprojecten van minder dan één miljoen SDR die volledig met ontwikkelingshulpschenkingen worden gefinancierd.

36.   Uitzonderingen op de bepalingen betreffende de landen of projecten die voor gebonden hulp in aanmerking komen

a)

De artikelen 33 en 34 zijn niet van toepassing op gebonden hulp met een concessionaliteitsniveau van 80 % of meer, met uitzondering van gebonden hulp die een onderdeel vormt van een gecombineerd financieringspakket zoals omschreven in artikel 32.

b)

Artikel 34 is niet van toepassing op gebonden hulp met een waarde van minder dan twee miljoen SDR, met uitzondering van gebonden hulp die een onderdeel vormt van een gecombineerd financieringspakket zoals omschreven in artikel 32.

c)

De artikelen 33 en 34 zijn niet van toepassing op gebonden hulp voor de MOL’s zoals gedefinieerd door de Verenigde Naties.

d)

Niettegenstaande de artikelen 33 en 34 mag een deelnemer bij wijze van uitzondering steun verlenen op een van de volgende wijzen:

door zich te houden aan de procedure voor een gemeenschappelijke gedragslijn zoals gedefinieerd in bijlage XI en uiteengezet in de artikelen 55 tot en met 60, of

door zich op het verlenen van hulp te beroepen, mits een aanzienlijk aantal deelnemers dit ondersteunen na het in de artikelen 48 en 49 omschreven overleg, of

door het richten van een brief aan de secretaris-generaal van de OESO overeenkomstig de in artikel 50 omschreven procedure, wat naar verwachting van de deelnemers slechts in uitzonderlijke en zeldzame gevallen zal voorkomen.

37.   Berekening van het concessionaliteitsniveau van gebonden hulp

Het concessionaliteitsniveau van gebonden hulp wordt op dezelfde wijze berekend als het „schenkingselement” van de DAC. Hierbij dient evenwel het volgende in acht te worden genomen:

a)

het discontopercentage dat gebruikt wordt om het concessionaliteitsniveau van een lening in een bepaalde valuta te berekenen, namelijk het gedifferentieerde discontopercentage (Differentiated Discount Rate — DDR), wordt elk jaar op 15 januari herzien en wordt als volgt berekend:

het gemiddelde van het CIRR + marge

Marge (M) hangt als volgt van de krediettermijn (K) af:

K

M

minder dan 15 jaar

0,75

15 tot 20 jaar

1,00

20 tot 30 jaar

1,15

30 jaar en langer

1,25

voor alle valuta’s wordt het gemiddelde CIRR berekend door het gemiddelde te nemen van de maandelijkse CIRR’s in het halfjaar tussen 15 augustus van het voorgaande jaar en 14 februari van het lopende jaar. Het berekende percentage, met inbegrip van de marge, wordt op de naaste 10 basispunten afgerond. Wanneer voor een valuta meer dan een CIRR geldt, wordt voor deze berekening het CIRR voor de langste looptijd, zoals omschreven in artikel 20, onder a), gebruikt;

b)

de uitgangsdatum voor de berekening van het concessionaliteitsniveau is de in bijlage XI omschreven aanvangsdatum van het krediet;

c)

om het algemene concessionaliteitsniveau van een gecombineerd financieringspakket te berekenen, wordt het concessionaliteitsniveau van de volgende kredieten, middelen en betalingen geacht nul te zijn:

exportkredieten die met deze regeling overeenstemmen;

andere middelen tegen of bijna tegen marktvoorwaarden;

andere overheidsmiddelen met een concessionaliteitsniveau beneden het bij artikel 35 toegestane minimum, behalve in geval van matching, en

aanbetaling door de afnemer.

Betalingen op of vóór de aanvangsdatum van het krediet die niet als aanbetaling worden beschouwd, worden bij de berekening van het concessionaliteitsniveau in aanmerking genomen;

d)

het discontopercentage bij matching: bij matching van hulp wordt onder „identieke matching” matching met hetzelfde concessionaliteitsniveau verstaan dat met behulp van het ten tijde van de matching geldende discontopercentage wordt herberekend;

e)

plaatselijke uitgaven en aankopen in derde landen worden bij de berekening van het concessionaliteitsniveau uitsluitend in aanmerking genomen indien ze door het donorland worden gefinancierd;

f)

het totale concessionaliteitsniveau van een financieringspakket wordt bepaald door de nominale waarde van elke component van het pakket te vermenigvuldigen met het respectieve concessionaliteitsniveau van elke component, de uitkomsten hiervan bij elkaar op te tellen en dit totaal door de samengevoegde nominale waarde van de componenten te delen;

g)

het discontopercentage voor een bepaalde hulplening is het percentage dat ten tijde van de kennisgeving van toepassing is. Bij onmiddellijke kennisgeving is het discontopercentage evenwel het percentage dat van toepassing is op het tijdstip waarop de voorwaarden van de hulplening werden vastgelegd. Een wijziging in het discontopercentage tijdens de looptijd van de lening leidt niet tot wijziging van het concessionaliteitsniveau;

h)

indien de valuta vóór de sluiting van het contract wordt gewijzigd, wordt de kennisgeving herzien. Het discontopercentage voor de berekening van het concessionaliteitsniveau is dan het discontopercentage geldend op het tijdstip van de herziening. De kennisgeving behoeft niet te worden herzien indien de andere valuta en alle nodige gegevens voor de berekening van het concessionaliteitsniveau in de oorspronkelijke kennisgeving zijn vermeld;

i)

niettegenstaande het bepaalde onder g) wordt bij de berekening van het concessionaliteitsniveau van afzonderlijke transacties in het kader van een hulpkredietlijn het discontopercentage gebruikt dat oorspronkelijk voor de kredietlijn werd medegedeeld.

38.   Geldigheidsduur van gebonden hulp

a)

De deelnemers leggen geen voorwaarden voor gebonden hulp vast voor een periode van meer dan twee jaar, ongeacht of deze hulp betrekking heeft op de financiering van afzonderlijke transacties of op een hulpprotocol, een hulpkredietlijn of een soortgelijke overeenkomst. De geldigheidsduur van een hulpprotocol, een hulpkredietlijn of een soortgelijke overeenkomst vangt aan op de datum van ondertekening, waarvan overeenkomstig artikel 47 kennis wordt gegeven; indien een kredietlijn wordt verlengd, wordt hiervan kennis gegeven alsof het een nieuwe transactie betrof, waarbij wordt medegedeeld dat het om een verlenging gaat tegen de op het tijdstip van de kennisgeving van de verlenging toegestane voorwaarden. De geldigheidsduur van afzonderlijke transacties, met inbegrip van die welke op grond van een hulpprotocol, een hulpkredietlijn of een soortgelijke overeenkomst zijn medegedeeld, vangt aan op de datum van kennisgeving van de toezegging overeenkomstig artikel 46 of 47, al naargelang van het geval.

b)

Wanneer een land voor het eerst niet meer in aanmerking komt voor de 17-jaarsleningen van de Wereldbank, wordt de geldigheidsduur van de bestaande en nieuwe gebonden-hulpprotocollen en -kredietlijnen waarvan kennisgeving is gedaan, beperkt tot een jaar na datum van de mogelijke herindeling overeenkomstig de in artikel 33, onder b), omschreven procedure.

c)

Verlenging van deze protocollen en kredietlijnen is uitsluitend mogelijk op voorwaarden die in overeenstemming zijn met de artikelen 33 en 34 na:

een herindeling van de landen, en

een wijziging in de bepalingen van de regeling.

In deze omstandigheden kunnen de bestaande voorwaarden worden gehandhaafd ondanks een wijziging in het in artikel 37 genoemde discontopercentage.

39.   Matching

Rekening houdende met de internationale verplichtingen van een deelnemer en in overeenstemming met het oogmerk van de regeling mag een deelnemer, overeenkomstig de in artikel 42 vastgestelde procedure, de door een deelnemer of niet-deelnemer geboden financiële voorwaarden matchen.

HOOFDSTUK IV

PROCEDURES

Afdeling 1:   Gemeenschappelijke procedures voor exportkredieten en handelsgerelateerde hulp

40.   Kennisgevingen

De kennisgevingen in het kader van de procedures van de regeling worden overeenkomstig bijlage V gedaan en bevatten alle daarin vermelde gegevens; een afschrift wordt aan het secretariaat toegezonden.

41.   Inlichtingen inzake overheidssteun

a)

Zodra een deelnemer de overheidssteun die hij overeenkomstig de in de artikelen 44 tot en met 47 omschreven procedures heeft aangemeld, toezegt, deelt hij dit mede aan alle andere deelnemers onder verwijzing naar het kennisgevingsnummer op het desbetreffende CRS-formulier 1C (Creditor Reporting System).

b)

Bij een uitwisseling van gegevens overeenkomstig de artikelen 52, 53 en 54 stelt een deelnemer de andere deelnemers in kennis van de kredietvoorwaarden die hij voor een bepaalde transactie voornemens is te steunen en mag hij bij de andere deelnemers dezelfde gegevens opvragen.

42.   Procedures inzake matching

a)

Voordat een deelnemer financiële voorwaarden die vermoedelijk door een deelnemer of niet-deelnemer worden geboden, overeenkomstig de artikelen 18 en 39 matcht, doet hij alle redelijke inspanningen, indien nodig met inbegrip van rechtstreeks overleg zoals omschreven in artikel 54, om na te gaan of deze voorwaarden overheidssteun krijgen, met inachtneming van het volgende:

1.

de deelnemer geeft alle andere deelnemers kennis van de voorwaarden die hij voornemens is te steunen volgens dezelfde kennisgevingsprocedures als die welke zijn vereist voor de voorwaarden die hij matcht. Bij matching van de voorwaarden van een niet-deelnemer volgt de matchende deelnemer dezelfde kennisgevingsprocedures als die welke zouden zijn vereist indien hij de voorwaarden van een deelnemer matchte;

2.

niettegenstaande punt 1, geeft de matchende deelnemer, indien hij volgens de toepasselijke kennisgevingsprocedure zijn toezegging pas na de sluitingsdatum voor het indienen van de definitieve offerte mag doen, zo spoedig mogelijk kennis van zijn voornemen tot matching;

3.

indien de initiatiefnemende deelnemer de aangemelde voorwaarden niet meer of in mindere mate wenst te steunen, deelt hij dit onmiddellijk aan alle andere deelnemers mede.

b)

Een deelnemer die voornemens is dezelfde financiële voorwaarden aan te bieden als die welke overeenkomstig de artikelen 44 en 45 werden aangemeld, mag dit doen na afloop van de daarin vastgestelde wachttermijn. Deze deelnemer geeft zo spoedig mogelijk kennis van zijn voornemen.

43.   Bijzonder overleg

a)

Een deelnemer die een redelijk vermoeden heeft dat door een andere deelnemer (de initiatiefnemende deelnemer) geboden financiële voorwaarden gunstiger zijn dan die waarin de regeling voorziet, deelt dit mede aan het secretariaat; het secretariaat stelt deze informatie onmiddellijk ter beschikking.

b)

De initiatiefnemende deelnemer licht de door hem geboden financiële voorwaarden toe binnen twee werkdagen na de beschikbaarstelling van de informatie door het secretariaat.

c)

Na de toelichting van de initiatiefnemende deelnemer kan iedere andere deelnemer verzoeken dat deze kwestie wordt besproken tijdens een bijzonder overleg van de deelnemers dat binnen vijf werkdagen door het secretariaat wordt georganiseerd.

d)

In afwachting van de uitkomst van het bijzonder overleg van de deelnemers worden de financiële voorwaarden die door de overheid worden gesteund, niet van kracht.

Afdeling 2:   Procedures voor exportkredieten

44.   Voorafgaande kennisgeving met bespreking

a)

Ten minste tien kalenderdagen voordat hij een toezegging doet, stelt een deelnemer alle andere deelnemers hiervan overeenkomstig bijlage V bij de regeling in kennis indien het toegepaste minimumpremietarief werd vastgesteld overeenkomstig artikel 24, onder e), eerste streepje, of artikel 28. Indien een der overige deelnemers gedurende deze periode om een bespreking verzoekt, wacht de initiatiefnemende deelnemer nogmaals tien kalenderdagen. Indien het toepasselijke MPR na beperking/uitsluiting van het risico niet meer bedraagt dan 75 % van het MPR dat zou voortvloeien uit de toepassing van de landenrisico-indeling van het land van de afnemer zónder beperking of uitsluiting van het risico, doet de kennisgevende deelnemer zijn kennisgeving aan alle andere deelnemers ten minste twintig kalenderdagen voordat hij een toezegging doet.

b)

Na een bespreking deelt een deelnemer alle andere deelnemers zijn definitieve besluit mede teneinde de opgedane ervaringen overeenkomstig artikel 66 gemakkelijker te kunnen evalueren. De deelnemers houden gegevens bij van hun ervaringen met betrekking tot overeenkomstig punt a) hierboven medegedeelde premietarieven.

45.   Voorafgaande kennisgeving zonder bespreking

a)

Ten minste tien kalenderdagen voordat hij een toezegging doet, stelt een deelnemer alle andere deelnemers hiervan overeenkomstig bijlage V bij de regeling in kennis indien hij voornemens is:

1.

voor een land in klasse I een krediet te steunen met een krediettermijn van meer dan vijf maar niet meer dan achtenhalf jaar;

2.

voor een niet-nucleaire elektriciteitscentrale een krediet te steunen met een krediettermijn die langer is dan het in artikel 12 genoemde maximum, maar niet langer dan de in artikel 13, onder a), genoemde termijn van twaalf jaar;

3.

een krediet te steunen overeenkomstig artikel 14, onder d);

4.

een premietarief overeenkomstig artikel 24, onder e), tweede streepje, toe te passen;

5.

een premietarief overeenkomstig artikel 24, onder g), toe te passen.

b)

Indien de initiatiefnemende deelnemer een dergelijke transactie niet meer of in mindere mate wenst te steunen, deelt hij dit onmiddellijk aan alle andere deelnemers mede.

Afdeling 3:   Procedures voor handelsgerelateerde hulp

46.   Voorafgaande kennisgeving

a)

Een deelnemer doet vooraf kennisgeving over indien hij overheidssteun wenst te verlenen voor:

handelsgerelateerde ongebonden hulp met een waarde van ten minste twee miljoen SDR en een concessionaliteitsniveau van minder dan 80 %;

handelsgerelateerde ongebonden hulp met een waarde van minder dan twee miljoen SDR en een schenkingselement (als door de DAC gedefinieerd) van minder dan 50 %;

handelsgerelateerde gebonden hulp met een waarde van ten minste twee miljoen SDR en een concessionaliteitsniveau van minder dan 80 %, of

handelsgerelateerde gebonden hulp met een waarde van minder dan twee miljoen SDR en een concessionaliteitsniveau van minder dan 50 %, met uitzondering van de in artikel 35, onder a) en b), vermelde gevallen.

b)

De voorafgaande kennisgeving wordt gedaan uiterlijk 30 werkdagen voor de sluitingstermijn voor het indienen van offertes of 30 werkdagen voor de datum van toezegging van de hulp, indien dit eerder is.

c)

Indien de initiatiefnemende deelnemer de aangemelde voorwaarden niet meer of in mindere mate wenst te steunen, deelt hij dit onmiddellijk aan alle andere deelnemers mede.

d)

Dit artikel is van toepassing op gebonden hulp die een onderdeel vormt van een gecombineerd financieringspakket als omschreven in artikel 32.

47.   Onmiddellijke kennisgeving

a)

Een deelnemer zendt onmiddellijk, dat wil zeggen binnen twee werkdagen na de toezegging, een kennisgeving aan alle andere deelnemers, indien hij overheidssteun verleent voor gebonden hulp met een waarde van:

twee miljoen SDR of meer en een concessionaliteitsniveau van 80 % of meer, of

minder dan twee miljoen SDR en een concessionaliteitsniveau van 50 % of meer, met uitzondering van de in artikel 35, onder a) en b), vermelde gevallen.

b)

Wanneer een hulpprotocol, kredietlijn of soortgelijke overeenkomst wordt getekend, deelt een deelnemer dit eveneens onmiddellijk mede aan alle andere deelnemers.

c)

Indien een deelnemer voornemens is financiële voorwaarden te matchen die onmiddellijk moesten worden aangemeld, behoeft geen voorafgaande kennisgeving te worden gedaan.

Afdeling 4:   Overlegprocedures voor gebonden hulp

48.   Doel van het overleg

a)

Een deelnemer die opheldering wenst over een mogelijk commerciële motivering voor gebonden hulp, kan verzoeken dat een volledige beoordeling van de ontwikkelingswaarde wordt verstrekt (zie bijlage IX).

b)

Voorts kan een deelnemer overeenkomstig artikel 49 om overleg met andere deelnemers verzoeken, met inbegrip van het in artikel 54 bedoelde rechtstreekse overleg, teneinde het volgende te bespreken:

op de eerste plaats, of een hulpaanbod aan de artikelen 33 en 34 matching, en

indien nodig, of een hulpaanbod gerechtvaardigd is, zelfs indien niet aan de artikelen 33 en 34 wordt voldaan.

49.   Toepassingsgebied en tijdschema van het overleg

a)

Tijdens het overleg kan een deelnemer, onder meer, om de volgende inlichtingen verzoeken:

de beoordeling aan de hand van een gedetailleerde haalbaarheidsstudie/projectevaluatie;

of er een concurrerende aanbieding met niet-concessionele of hulpfinanciering is;

of verwacht wordt dat het project vreemde valuta zal opleveren of besparen;

of er samenwerking plaatsvindt met multilaterale organisaties zoals de Wereldbank;

of de procedures voor open internationale aanbesteding worden gevolgd, in het bijzonder indien de leverancier van het donorland de gunstigste offerte doet;

de milieueffecten;

eventuele deelneming van de particuliere sector, en

de kennisgevingstermijnen (bijvoorbeeld zes maanden voor de sluitingsdatum voor het indienen van offertes of de datum van toezegging) voor concessionele of hulpkredieten.

b)

Het overleg wordt afgerond en de bevindingen ten aanzien van de in artikel 48 vermelde kwesties worden door het secretariaat ten minste tien werkdagen vóór de sluitingsdatum voor het indienen van offertes of, indien dit eerder is, de datum van toezegging aan alle deelnemers medegedeeld. Wanneer de overlegplegende partijen geen overeenstemming hebben bereikt, verzoekt het secretariaat andere deelnemers binnen vijf werkdagen hun standpunt mede te delen. Het brengt deze standpunten ter kennis van de deelnemer van wie de kennisgeving afkomstig is. Indien de aangeboden hulp niet in aanzienlijke mate wordt ondersteund, zal deze deelnemer de kwestie opnieuw in overweging nemen.

50.   Resultaat van het overleg

a)

Een donor die een project, ondanks het gebrek aan aanzienlijke steun, wenst door te zetten, doet hiervan vooraf kennisgeving aan de andere deelnemers, uiterlijk 60 kalenderdagen na afloop van het overleg, dat wil zeggen de aanvaarding van de conclusies van de voorzitter. De donor richt tevens een schrijven aan de secretaris-generaal van de OESO waarin hij het resultaat van het overleg uiteenzet en het dwingende, niet-handelsgerelateerde nationale belang dat hem tot deze handelwijze aanzet. De deelnemers verwachten dat dit slechts in uitzonderlijke en zeldzame gevallen zal voorkomen.

b)

De donor deelt de deelnemers onmiddellijk mede dat hij een brief aan de secretaris-generaal van de OESO heeft gezonden en voegt een afschrift hiervan bij zijn kennisgeving. De donor noch een andere deelnemer doet binnen tien werkdagen na deze kennisgeving aan de deelnemers een toezegging voor gebonden hulp. Voor projecten waarvoor tijdens de overlegprocedure concurrerende commerciële aanbiedingen werden geïdentificeerd, wordt deze termijn van tien werkdagen verlengd tot vijftien dagen.

c)

Het secretariaat ziet toe op de vordering en de resultaten van het overleg.

Afdeling 5:   Uitwisseling van gegevens over exportkredieten en handelsgerelateerde hulp

51.   Contactpunten

Alle uitwisseling van gegevens vindt plaats tussen de aangewezen contactpunten in elk land via middelen voor onmiddellijke communicatie (bijvoorbeeld OLIS); de gegevens zullen als vertrouwelijk worden behandeld.

52.   Verzoeken om inlichtingen

a)

Een deelnemer kan een andere deelnemer vragen wat zijn houding is ten aanzien van een derde land, een instelling in een derde land of een bepaalde manier van zaken doen.

b)

Een deelnemer die een aanvraag om overheidssteun heeft ontvangen, kan een verzoek om inlichtingen richten tot een andere deelnemer onder opgave van de gunstigste kredietvoorwaarden die hij zelf bereid is te steunen.

c)

Indien een verzoek om informatie aan meer dan één deelnemer wordt gezonden, moet het een lijst van geadresseerden bevatten.

d)

Van alle verzoeken wordt een kopie aan het secretariaat gezonden.

53.   Antwoorden op verzoeken

a)

De deelnemer die een verzoek om inlichtingen ontvangt antwoordt binnen zeven kalenderdagen en verstrekt zo veel mogelijk inlichtingen. De deelnemer geeft in zijn antwoord zo nauwkeurig mogelijk aan welk besluit hij waarschijnlijk zal nemen. Zo nodig volgt het volledige antwoord zo spoedig mogelijk. Kopieën worden gezonden aan de andere geadresseerden van het verzoek om inlichtingen en aan het secretariaat.

b)

Indien een antwoord op een verzoek om inlichtingen om enige reden niet meer geldig is, bijvoorbeeld omdat:

een aanvraag is ingediend, gewijzigd of ingetrokken, of omdat

andere voorwaarden worden overwogen,

wordt onmiddellijk een antwoord toegezonden en een kopie ervan aan alle andere geadresseerden en het secretariaat gericht.

54.   Rechtstreeks overleg

a)

Een deelnemer gaat binnen tien werkdagen op verzoeken om rechtstreeks overleg in.

b)

Van een verzoek om rechtstreeks overleg wordt kennisgeving gedaan aan alle deelnemers en niet-deelnemers. Het overleg vindt zo spoedig mogelijk na het verstrijken van de termijn van tien werkdagen plaats.

c)

De voorzitter van de deelnemers werkt samen met het secretariaat aan alle eventueel nodige follow-upmaatregelen, zoals een gemeenschappelijke gedragslijn. Het secretariaat maakt het resultaat van het overleg zo spoedig mogelijk bekend.

55.   Procedures en vorm van gemeenschappelijke gedragslijnen

a)

Voorstellen voor een gemeenschappelijke gedragslijn worden uitsluitend bij het secretariaat ingediend. Het secretariaat zendt deze voorstellen aan alle deelnemers en, indien het om gebonden hulp gaat, aan alle DAC-contactpunten. De identiteit van de initiatiefnemer wordt niet bekendgemaakt in het Register van gemeenschappelijke gedragslijnen (Common Line Register) op het bulletinboard van OLIS. Het secretariaat mag de identiteit van de initiatiefnemer op verzoek wel mondeling aan een deelnemer of een DAC-lid bekendmaken. Het secretariaat houdt een register van deze verzoeken bij.

b)

Het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn wordt gedateerd en wordt opgesteld in de volgende vorm:

referentienummer, gevolgd door de woorden „Common Line”;

naam van importland en afnemer;

naam of een zo nauwkeurige omschrijving van het project dat het gemakkelijk geïdentificeerd kan worden;

de door het initiatiefnemende land voorgestelde voorwaarden;

het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn;

nationaliteit en naam van bekende concurrerende aanbieders;

sluitingsdatum voor het indienen van commerciële en financiële offertes en, indien bekend, aanbestedingsnummer;

overige relevante gegevens, met inbegrip van de redenen van het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn, beschikbaarheid van studies over het project en/of bijzondere omstandigheden.

c)

Een voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn overeenkomstig artikel 33, onder b), punt 4, wordt bij het secretariaat ingediend en een kopie ervan wordt aan de andere deelnemers toegezonden. De deelnemer die het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn indient, geeft een uitgebreide uiteenzetting van de redenen waarom de indeling van een land dient af te wijken van de indeling overeenkomstig de in artikel 33, onder b), omschreven procedure.

d)

Het secretariaat maakt de overeengekomen gemeenschappelijke gedragslijnen algemeen bekend.

56.   Antwoorden op voorstellen voor gemeenschappelijke gedragslijnen

a)

De antwoorden op voorstellen voor gemeenschappelijke gedragslijnen moeten binnen twintig kalenderdagen worden toegezonden, maar de deelnemers wordt verzocht zo spoedig mogelijk te reageren.

b)

Een antwoord kan bestaan in een verzoek om nadere informatie, de aanvaarding, de afwijzing of een voorstel tot wijziging van het voorstel voor de gemeenschappelijke gedragslijn dan wel een alternatief voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn.

c)

Een deelnemer die antwoordt dat hij geen standpunt heeft omdat hij niet is benaderd door een exporteur, of door de autoriteiten in het ontvangende land in geval van hulp voor het project, wordt geacht het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn te aanvaarden.

57.   Aanvaarding van gemeenschappelijke gedragslijnen

a)

Het secretariaat stelt alle deelnemers na twintig kalenderdagen in kennis van de status van het voorstel voor een gemeenschappelijke gedragslijn. Indien geen enkele deelnemer het voorstel heeft afgewezen, maar niet alle deelnemers het hebben aanvaard, wordt het voorstel voor een tweede termijn van acht kalenderdagen aangehouden.

b)

Na de verlengde termijn wordt elke deelnemer die de voorgestelde gemeenschappelijke gedragslijn niet expliciet heeft afgewezen geacht haar te hebben aanvaard. Niettemin kan elke deelnemer, met inbegrip van de initiatiefnemende deelnemer, zijn aanvaarding afhankelijk stellen van de expliciete aanvaarding door één of meer deelnemers.

c)

Indien een deelnemer één of meer elementen van een gemeenschappelijke gedragslijn niet aanvaardt, aanvaardt hij impliciet alle andere elementen ervan. Een gedeeltelijke aanvaarding kan echter tot gevolg hebben dat andere deelnemers hun standpunt over de voorgestelde gemeenschappelijke gedragslijn wijzigen. Het staat alle deelnemers vrij voorwaarden aan te bieden of te matchen die niet door een gemeenschappelijke gedragslijn worden gedekt.

d)

Een niet-aanvaarde gemeenschappelijke gedragslijn kan volgens de procedures in de artikelen 55 en 56 opnieuw in overweging worden genomen. De deelnemers zijn in een dergelijk geval niet aan hun oorspronkelijke besluit gebonden.

58.   Geen overeenstemming over gemeenschappelijke gedragslijnen

Indien de initiatiefnemende deelnemer en een deelnemer die een wijziging of een alternatief heeft voorgesteld binnen de verlengde termijn van acht kalenderdagen geen overeenstemming over de gemeenschappelijke gedragslijn bereiken, kan deze termijn met wederzijdse instemming weer worden verlengd. Het secretariaat stelt alle deelnemers van deze verlenging in kennis.

59.   Inwerkingtreding van gemeenschappelijke gedragslijnen

Het secretariaat informeert alle deelnemers over de inwerkingtreding of afwijzing van gemeenschappelijke gedragslijnen; niet-afgewezen gemeenschappelijke gedragslijnen treden drie dagen na deze mededeling in werking. Het secretariaat verstrekt via OLIS voortdurend bijgewerkte informatie over alle gemeenschappelijke gedragslijnen waarover overeenstemming is bereikt of waarover nog geen besluit is genomen.

60.   Geldigheidsduur van gemeenschappelijke gedragslijnen

a)

Een gemeenschappelijke gedragslijn waarover overeenstemming is bereikt, is vanaf de datum van inwerkingtreding twee jaar geldig, tenzij het secretariaat wordt medegedeeld dat de gedragslijn niet meer van belang is en alle deelnemers het hiermee eens zijn. De geldigheidsduur van een gemeenschappelijke gedragslijn wordt met twee jaar verlengd indien een deelnemer binnen 14 kalenderdagen na de oorspronkelijke vervaldatum een verlenging aanvraagt. Verdere verlengingen kunnen volgens dezelfde procedure worden toegestaan. Een overeenkomstig artikel 33, onder b), punt 4, overeengekomen gemeenschappelijke gedragslijn is geldig tot de gegevens van de Wereldbank voor het volgende jaar beschikbaar zijn.

b)

Het secretariaat houdt toezicht op de status van de gemeenschappelijke gedragslijnen en informeert de deelnemers hierover door de lijst „The Status of Valid Common Lines” in OLIS bij te werken. Dit betekent dat het secretariaat onder meer:

nieuwe gemeenschappelijke gedragslijnen toevoegt zodra deze door de deelnemers zijn aanvaard;

de vervaldata bijwerkt zodra een deelnemer om verlenging verzoekt;

gemeenschappelijke gedragslijnen schrapt zodra ze vervallen;

elk kwartaal een lijst doet verschijnen van gemeenschappelijke gedragslijnen die in het volgende kwartaal zullen vervallen.

Afdeling 6:   Operationele bepalingen betreffende de mededeling van minimumrentetarieven (CIRR’s)

61.   Mededeling van minimumrentetarieven

a)

De overeenkomstig artikel 20 vastgestelde commerciële referentierentetarieven (CIRR’s) voor valuta’s worden ten minste eens per maand via middelen voor onmiddellijke communicatie aan het secretariaat medegedeeld voor verspreiding onder alle deelnemers.

b)

Deze mededeling dient uiterlijk vijf dagen na het einde van de maand waarop ze betrekking heeft bij het secretariaat binnen te komen. Het secretariaat stelt alle deelnemers daarna onmiddellijk in kennis van de toepasselijke rentetarieven en maakt deze openbaar.

62.   Datum van inwerkingtreding van de rentetarieven

Alle wijzigingen in de CIRR’s treden op de vijftiende dag na het einde van elke maand in werking.

63.   Onmiddellijke wijziging van rentetarieven

Wanneer de ontwikkelingen op de markt een kennisgeving van wijzigingen van de CIRR’s in de loop van een maand noodzakelijk maken, treedt het gewijzigde tarief tien dagen nadat de mededeling van deze wijziging door het secretariaat is ontvangen, in werking.

Afdeling 7:   Evaluaties

64.   Regelmatige evaluatie van de regeling

a)

De deelnemers evalueren op gezette tijden de werking van deze regeling. Daarbij onderzoeken zij onder andere de kennisgevingsprocedures, de uitvoering en werking van het systeem van gedifferentieerde discontopercentages, de voorschriften en procedures betreffende gebonden hulp, vraagstukken met betrekking tot matching, eerdere toezeggingen en mogelijkheden tot ruimere deelneming aan deze regeling.

b)

Deze evaluatie vindt plaats aan de hand van de ervaring van de deelnemers en de voorstellen van de deelnemers om de werking en doeltreffendheid van de regeling te verbeteren. De deelnemers houden daarbij rekening met de doelstellingen van de regeling en de heersende economische en monetaire situatie. De gegevens en voorstellen die de deelnemers in verband met deze evaluatie wensen te verstrekken, moeten uiterlijk 45 kalenderdagen vóór de datum van de evaluatie bij het secretariaat binnenkomen.

65.   Evaluatie van de minimumrentetarieven

a)

De deelnemers evalueren op gezette tijden het systeem voor de vaststelling van de CIRR’s om ervoor te zorgen dat de medegedeelde tarieven de marktvoorwaarden weerspiegelen en aan de doelstellingen beantwoorden waarvoor ze zijn vastgesteld. Deze evaluatie omvat ook de marge die moet worden toegevoegd wanneer deze rentetarieven worden toegepast.

b)

Een deelnemer kan bij de voorzitter van de deelnemers een met redenen omkleed verzoek om een buitengewone evaluatie indienen wanneer hij van oordeel is dat de CIRR’s voor één of meer valuta’s niet meer in overeenstemming zijn met de geldende marktvoorwaarden.

66.   Evaluatie van de minimumpremietarieven en aanverwante kwesties

De deelnemers bespreken en evalueren op gezette tijden alle aspecten van de premieregels en -procedures. Deze evaluatie omvat onder meer:

a)

de samenstelling van het Landenrisicomodel, teneinde de geldigheid ervan in het licht van de ervaring te toetsen;

b)

de aanpassing van de minimumpremietarieven voor het landenkredietrisico en het soevereine kredietrisico in de loop der tijd zodat ze een nauwkeurige maatstaf van het risico blijven, waarbij rekening wordt gehouden met de drie PFT’s: de „cash flow”- en „accrual”-benaderingen, en zo nodig, de particulieremarktindicatoren;

c)

de verschillen tussen de MPR’s die het gevolg zijn van verschillen in kwaliteit van exportkredietproducten en het geboden dekkingspercentage, en

d)

de ervaring met de risicobeheersing en -uitsluiting zoals omschreven in artikel 28 en de blijvende geldigheid en geschiktheid van de specifieke toegestane factoren ter beperking en uitsluiting van risico’s. Ter ondersteuning van de evaluatie zal het secretariaat verslagen over alle kennisgevingen verstrekken.


(1)  Zoals gedefinieerd in artikel 5 van de OESO-overeenkomst.

(2)  Op basis van de jaarlijkse herziening die de Wereldbank met betrekking tot haar landenclassificatie verricht, zal een bni-drempel per hoofd (bruto nationaal inkomen) worden gehanteerd voor de indeling in een landencategorie; deze drempel kan worden geraadpleegd op de website van de OESO (www.oecd.org/ech/xcred).

(3)  Om administratieve redenen kunnen sommige landen die doorgaans geen door de overheid gesteunde exportkredieten ontvangen, niet in de indeling worden opgenomen.

(4)  De particulieremarktindicatoren zijn: staatsobligaties, vergelijkende tarifering van obligaties, vaste tarieven en tarieven van consortiale leningen.

(5)  Op basis van de jaarlijkse herziening die de Wereldbank met betrekking tot haar landenclassificatie verricht, zal een bni-drempel per hoofd (bruto nationaal inkomen) worden gehanteerd om te bepalen of gebonden hulp mag worden verstrekt; deze drempel kan worden geraadpleegd op de website van de OESO (www.oecd.org/ech/xcred).

(6)  Voor de toepassing van artikel 33, onder b), punt 5), kan de buitenbedrijfstelling van kerncentrales als humanitaire hulp worden aangemerkt. Bij nucleaire of grote industriële ongevallen met ernstige grensoverschrijdende vervuiling mogen de getroffen deelnemers gebonden hulp verlenen om de gevolgen van het ongeval op te vangen of weg te nemen. Indien er een aanzienlijk risico op een dergelijk ongeval bestaat, doen de deelnemers die hierdoor getroffen kunnen worden en het voornemen hebben hulp te verlenen om te voorkomen dat het ongeval gebeurt, hiervan vooraf kennisgeving in overeenstemming met artikel 46. De andere deelnemers nemen een snellere afhandeling van de procedures inzake gebonden hulp, rekening houdende met de specifieke omstandigheden, in welwillende overweging.

BIJLAGE I

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN VOOR SCHEPEN

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED VAN DE SECTOROVEREENKOMST

1.   Deelnemers

Deelnemers aan de sectorovereenkomst zijn: Australië, de Europese Unie, Japan, Korea en Noorwegen.

2.   Werkingssfeer

Deze sectorovereenkomst, die een aanvulling vormt op de regeling, bevat bijzondere richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten met betrekking tot contracten voor de export van:

a)

nieuwe zeeschepen van 100 GT of meer, bestemd voor het vervoer van goederen of personen of voor het verrichten van speciale diensten (bijvoorbeeld vissersschepen, fabrieksschepen, ijsbrekers of baggerschepen, die door hun voortstuwings- en besturingssysteem permanent alle kenmerken vertonen van autonome bestuurbaarheid in volle zee), sleepboten van 365 kW of meer en niet afgewerkte casco's die drijvend en mobiel zijn. De sectorovereenkomst heeft geen betrekking op militaire vaartuigen. Drijvende dokken en mobiele offshore-installaties vallen niet onder de sectorovereenkomst; indien echter problemen mochten ontstaan in verband met exportkredieten voor dergelijke installaties, kunnen de deelnemers aan de sectorovereenkomst (hierna „deelnemers” genoemd) na overweging van met redenen omklede verzoeken van deelnemers besluiten dat zij wel onder de sectorovereenkomst vallen;

b)

scheepsverbouwingen. Onder „scheepsverbouwing” wordt verstaan: een verbouwing van zeeschepen van meer dan 1 000 GT die een radicale wijziging van het laadplan, de romp of het voortstuwingsmechanisme inhoudt.

c)

1.

Schepen van het type hovercraft vallen niet onder de sectorovereenkomst, maar de deelnemers mogen voor dergelijke schepen wel exportkredieten verstrekken op dezelfde voorwaarden als die waarin de sectorovereenkomst voorziet. Zij verbinden zich ertoe van deze mogelijkheid met mate gebruik te maken en dergelijke kredietvoorwaarden voor schepen van het type hovercraft niet toe te kennen wanneer is vastgesteld dat er geen concurrentie bestaat onder de voorwaarden van de sectorovereenkomst.

2.

In deze sectorovereenkomst wordt onder „hovercraft” verstaan een amfibievoertuig van ten minste 100 t, ontworpen om uitsluitend te worden gedragen door lucht die uit het voertuig wordt geblazen en een luchtkussen vormt, vastgehouden binnen een soepele rok langs de rand van het voertuig en het grond- of wateroppervlak onder het voertuig, en dat kan worden voortgestuwd en bestuurd door middel van luchtschroeven of door omsloten ventilatoren of soortgelijke toestellen.

3.

Overeengekomen wordt dat het toekennen van exportkredieten tegen dezelfde voorwaarden als die waarin deze sectorovereenkomst voorziet, beperkt dient te blijven tot vaartuigen van het type hovercraft die worden gebruikt op zeeroutes en niet-landroutes, behalve om terminalinstallaties te bereiken die zich op ten hoogste één kilometer afstand van het water bevinden.

HOOFDSTUK II

EXPORTKREDIETEN EN GEBONDEN HULP

3.   Maximale krediettermijn

De maximale krediettermijn bedraagt twaalf jaar vanaf de levering, ongeacht de indeling van het land.

4.   Contante betalingen

De deelnemers verlangen een contante betaling van ten minste 20 % van de contractprijs bij levering.

5.   Aflossing van de hoofdsom

De hoofdsom van een exportkrediet wordt afgelost in gelijke termijnen met regelmatige tussenpozen van gewoonlijk zes maanden en ten hoogste twaalf maanden.

6.   Minimumpremie

De bepalingen van de regeling die betrekking hebben op de minimumpremiereferentiebedragen zijn slechts van toepassing na nadere evaluatie door de deelnemers aan deze sectorovereenkomst.

7.   Hulp

Deelnemers die hulp wensen te verlenen dienen, in aanvulling op de bepalingen van de regeling, te bevestigen dat het schip tijdens de krediettermijn niet onder goedkope vlag zal worden geëxploiteerd en dat voldoende is komen vast te staan dat de uiteindelijke eigenaar verblijf houdt in het ontvangende land, geen niet-operationele dochteronderneming is van een buitenlandse belangengroep en zich ertoe heeft verbonden het schip niet te verkopen zonder goedkeuring van zijn overheid.

HOOFDSTUK III

PROCEDURES

8.   Kennisgeving

Met het oog op transparantie verstrekt iedere deelnemer, ter aanvulling op het bepaalde in de regeling en in het Creditor Reporting System van IBRD/Berner Unie/OESO, jaarlijks gegevens over zijn systeem voor de verlening van overheidssteun en over de wijze waarop deze sectorovereenkomst ten uitvoer wordt gelegd, waarbij tevens een overzicht van de van kracht zijnde regelingen wordt gegeven.

9.   Evaluatie

a)

De sectorovereenkomst wordt jaarlijks of op verzoek van een deelnemer in het kader van de OESO-werkgroep Scheepsbouw geëvalueerd. Van deze evaluatie wordt verslag uitgebracht aan de deelnemers aan de regeling.

b)

Ter bevordering van de samenhang en consistentie van de regeling en deze sectorovereenkomst en met het oog op de aard van de scheepsbouwindustrie zien de deelnemers aan deze sectorovereenkomst en aan de regeling toe op passend overleg en passende coördinatie.

c)

Wanneer door de deelnemers aan de regeling wordt besloten tot wijziging van de regeling, onderzoeken de deelnemers aan deze sectorovereenkomst (hierna „deelnemers” genoemd) het daartoe strekkende besluit en beoordelen zij het belang ervan voor de sectorovereenkomst. In afwachting van die beoordeling zijn de wijzigingen van de regeling niet van toepassing op deze sectorovereenkomst. Indien de deelnemers de wijzigingen van de regeling kunnen aanvaarden, delen zij dat schriftelijk mede aan de deelnemers aan de regeling. Kunnen de deelnemers de wijzigingen van de regeling niet aanvaarden voor zover die wijzigingen betrekking hebben op de scheepsbouw, dan stellen zij de deelnemers aan de regeling van hun bezwaren in kennis en treden in overleg met hen om voor deze problemen een oplossing uit te werken. Wanneer de twee groepen niet tot overeenstemming kunnen komen, is het standpunt van de deelnemers bepalend wat de toepassing van de wijzigingen op de scheepsbouw betreft.

d)

Zodra de „Overeenkomst inzake normale concurrentievoorwaarden in de commerciële scheepsbouw- en scheepsreparatiesector” in werking is getreden, is deze sectorovereenkomst niet langer van toepassing op deelnemers die wettelijk verplicht zijn de „Overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen” [C/WP6(94)6] van 1994 toe te passen. Deze deelnemers zetten zich in voor een onmiddellijke herziening, teneinde de Overeenkomst van 1994 met deze sectorovereenkomst in overeenstemming te brengen.

Aanhangsel

VERBINTENISSEN IN VERBAND MET TOEKOMSTIGE WERKZAAMHEDEN

Ter aanvulling op de toekomstige werkzaamheden in verband met de regeling komen de deelnemers aan deze sectorovereenkomst overeen:

a)

een illustratieve lijst van scheepstypen op te stellen die algemeen als niet commercieel levensvatbaar worden beschouwd, daarbij rekening houdend met de in de regeling vervatte disciplines inzake gebonden hulp;

b)

de bepalingen van de regeling inzake minimumpremiereferentiebedragen te herzien met het oog op de opneming ervan in deze sectorovereenkomst;

c)

de opneming van andere disciplines inzake minimumrentetarieven, met inbegrip van speciale CIRR-rentetarieven en zwevende rentetarieven, te bespreken, zulks met inachtneming van de ontwikkelingen in de internationale onderhandelingen op dat gebied;

d)

de toepasselijkheid van jaarlijkse termijnen voor de aflossing van de hoofdsom te bespreken.

BIJLAGE II

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN VOOR KERNCENTRALES

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED VAN DE SECTOROVEREENKOMST

1.   Werkingssfeer

a)

Deze sectorovereenkomst, die een aanvulling vormt op de regeling:

bevat de bijzondere richtsnoeren die van toepassing zijn op door de overheid gesteunde exportkredieten met betrekking tot contracten voor de export van volledige kerncentrales of delen daarvan, omvattende alle componenten, installaties, materialen en diensten, met inbegrip van opleiding van het personeel dat rechtstreeks vereist is voor de bouw en het in bedrijf stellen van deze kerncentrales. Ze bevat ook de voorwaarden die van toepassing zijn op steun voor splijtstoffen;

is niet van toepassing op posten die doorgaans voor rekening van de afnemer komen, met name kosten voor het bouwrijp maken van de grond, wegen, accommodatie voor het bouwpersoneel, elektriciteitsleidingen, schakelinstallaties en watervoorziening, alsmede kosten die in het land van de afnemer voortvloeien uit officiële goedkeuringsprocedures (bijvoorbeeld vergunning bouwterrein, bouwvergunning, vergunning splijtstoflading), met dien verstande echter dat:

wanneer de afnemer van de schakelinstallaties tevens de afnemer van de kerncentrale is en het contract wordt gesloten met betrekking tot de oorspronkelijke schakelinstallaties voor genoemde kerncentrale, de maximale krediettermijn en de minimumrentetarieven voor de oorspronkelijke schakelinstallaties dezelfde zijn als die voor de kerncentrale (namelijk 15 jaar en de SCIRR's);

is niet van toepassing op onderstations, transformatoren en transmissielijnen.

b)

Deze sectorovereenkomst is eveneens van toepassing op de modernisering van bestaande kerncentrales op voorwaarde dat de totale waarde van de modernisering gelijk is aan of meer bedraagt dan 80 miljoen SDR (categorie X) en de economische levensduur van de installaties naar verwachting met ten minste 15 jaar zal worden verlengd. Indien aan een van deze voorwaarden niet is voldaan, zijn de voorwaarden van de regeling van toepassing.

c)

De voorwaarden van de regeling, en niet de voorwaarden van de sectorovereenkomst, zijn van toepassing op overheidssteun voor het buiten bedrijf stellen van een kerncentrale. Onder het „buiten bedrijf stellen van een kerncentrale” wordt de sluiting of de ontmanteling van een kerncentrale verstaan. Volgens de in de artikelen 55 tot en met 60 van de regeling omschreven procedures voor het vaststellen van een gemeenschappelijke gedragslijn is het mogelijk krediettermijnen in te korten of te verlengen.

2.   Evaluatie

De bepalingen van de sectorovereenkomst worden door de deelnemers op gezette tijden geëvalueerd.

HOOFDSTUK II

EXPORTKREDIETEN EN GEBONDEN HULP

3.   Maximale krediettermijn

De maximale krediettermijn bedraagt 15 jaar, ongeacht de indeling van het land.

4.   Aflossing van de hoofdsom en rentebetaling

a)

De hoofdsom van een exportkrediet wordt in gelijke termijnen afgelost.

b)

De aflossing van de hoofdsom en de rentebetaling vinden ten minste om de zes maanden plaats en de eerste aflossing van de hoofdsom en rentebetaling vinden uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet plaats.

c)

In geval van exportkredieten voor leasetransacties kunnen gelijke aflossingen voor het bedrag van hoofdsom en rente samen plaatsvinden in plaats van de onder a) beschreven aflossing van de hoofdsom in gelijke termijnen.

5.   Minimumrentetarieven

a)

Een deelnemer die financieringssteun van de overheid verleent door middel van directe financiering, herfinanciering of rentesubsidie, past minimumrentetarieven toe; de deelnemer past het desbetreffende speciale commerciële referentierentetarief (Special Commercial Interest Reference Rate — SCIRR) toe. Indien de vaste SCIRR-toezegging aanvankelijk is beperkt tot een maximumtermijn van niet meer dan vijftien jaar vanaf de datum van de toewijzing van het contract, is de overheidssteun voor de resterende duur van de lening ook beperkt tot garanties of rentesubsidie tegen het desbetreffende SCIRR dat op het tijdstip van de „roll-over” van toepassing was.

b)

Indien financieringssteun van de overheid wordt verleend voor uitrusting ten behoeve van de gedeeltelijke levering van kerncentrales, voor de inbedrijfstelling waarvan de leverancier niet verantwoordelijk is, is de minimumrente het SCIRR overeenkomstig artikel 6 van deze sectorovereenkomst. Als alternatief kan een deelnemer het desbetreffende CIRR overeenkomstig artikel 20 van de regeling aanbieden, mits de maximumtermijn vanaf de datum van de toewijzing van het contract tot de datum van de laatste aflossing niet meer dan tien jaar bedraagt.

6.   Vaststelling van de SCIRR's

De SCIRR's worden vastgesteld op een vaste marge van 75 basispunten boven het CIRR voor de betrokken valuta; voor de Japanse yen bedraagt de marge echter 40 basispunten. Voor valuta's waarvoor overeenkomstig artikel 20, onder a), eerste streepje, van de regeling meer dan één CIRR geldt, wordt bij de vaststelling van het SCIRR het CIRR voor de langste termijn gebruikt.

7.   Plaatselijke uitgaven en kapitalisatie van rente

Het bepaalde in artikel 10, onder d), van de regeling is niet van toepassing wanneer de overheid op basis van de SCIRR's financieringssteun verleent. Financieringssteun van de overheid tegen andere tarieven dan de SCIRR's voor zowel plaatselijke uitgaven als kapitalisatie van vóór de aanvangsdatum opgelopen rente, mag in totaal niet meer bedragen dan 15 % van de exportwaarde.

8.   Overheidssteun voor splijtstof

a)

Voor de eerste splijtstoflading geldt een maximale krediettermijn van vier jaar vanaf de levering. Een deelnemer die financieringssteun van de overheid voor de eerste splijtstoflading verleent, past minimumrentetarieven toe; de deelnemer past het desbetreffende CIRR toe. De eerste splijtstoflading bestaat uit niet meer dan de eerste geïnstalleerde kern plus twee daaropvolgende wisselladingen, samen bestaande uit ten hoogste twee derde van de kern.

b)

De maximale krediettermijn voor de daaropvolgende wisselladingen bedraagt zes maanden. Indien in buitengewone omstandigheden langere termijnen, die de twee jaar in geen geval mogen overschrijden, passend worden geacht, zijn de in artikel 44 van de regeling omschreven procedures van toepassing. Een deelnemer die voor de daaropvolgende wissellading financieringssteun van de overheid verleent, past minimumrentetarieven toe; de deelnemer past het desbetreffende CIRR toe.

c)

Overheidssteun voor de afzonderlijke verlening van uraniumverrijkingsdiensten wordt niet op gunstiger voorwaarden dan op die voor de splijtstof verleend.

d)

Opwerking en beheer van gebruikte splijtstof (met inbegrip van de verwijdering van afval) worden contant betaald.

e)

De deelnemers leveren geen gratis splijtstof of diensten.

9.   Hulp

De deelnemers steunen geen hulp, tenzij het een ongebonden schenking betreft.

HOOFDSTUK III

PROCEDURES

10.   Voorafgaand overleg

Zich bewust van de voordelen die uit een gemeenschappelijk standpunt ten opzichte van de voorwaarden voor kerncentrales kunnen voortvloeien, komen de deelnemers overeen voorafgaand overleg te plegen in alle gevallen waarin het voornemen bestaat overheidssteun te verlenen.

11.   Voorafgaande kennisgeving

a)

Een deelnemer die het initiatief voor voorafgaand overleg neemt, doet hiervan ten minste tien werkdagen voordat hij een definitief besluit neemt over de voorwaarden die hij voornemens is te steunen, kennisgeving aan alle andere deelnemers overeenkomstig bijlage V bij de regeling.

b)

De andere deelnemers nemen geen definitief besluit over de voorwaarden die zij zullen steunen gedurende de onder a) vermelde termijn van tien werkdagen, maar zullen binnen vijf dagen gegevens uitwisselen met alle andere deelnemers aan het overleg over de gepaste kredietvoorwaarden voor de transactie teneinde een gemeenschappelijk standpunt over deze voorwaarden te bepalen.

c)

Indien op deze wijze binnen de termijn van tien dagen na ontvangst van de eerste kennisgeving geen gemeenschappelijk standpunt wordt bereikt, wordt de definitieve beslissing van iedere deelnemer aan het overleg nogmaals tien werkdagen uitgesteld, gedurende welke periode in rechtstreeks overleg verdere pogingen worden ondernomen om alsnog tot een gemeenschappelijk standpunt te komen.

BIJLAGE III

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN VOOR VLIEGTUIGEN VOOR DE BURGERLUCHTVAART

DEEL 1

NIEUWE GROTE VLIEGTUIGEN EN MOTOREN VOOR DEZE VLIEGTUIGEN

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED

1.   Vorm en toepassingsgebied

a)

Deel 1 van de sectorovereenkomst, die een aanvulling vormt op de regeling, bevat de bijzondere richtsnoeren die van toepassing zijn op door de overheid gesteunde exportkredieten voor de verkoop of lease van de in aanhangsel I genoemde nieuwe, grote vliegtuigen voor de burgerluchtvaart en de motoren die in die vliegtuigen worden gemonteerd. Een nieuw vliegtuig is een vliegtuig waarvan de constructeur nog eigenaar is, dat wil zeggen een vliegtuig dat nog niet werd geleverd of gebruikt voor het beoogde doel ervan, namelijk het vervoer van passagiers en/of vracht tegen betaling. Dit sluit niet uit dat een deelnemer overeenkomstig de voorwaarden voor nieuwe vliegtuigen steun kan verlenen aan transacties waarvoor, met medeweten van deze deelnemer, voorlopige commerciële financieringsregelingen zijn getroffen omdat de overheidssteun vertraging had opgelopen. In dergelijke gevallen is de krediettermijn, met inbegrip van de aanvangsdatum van het krediet en de datum van de laatste aflossing, dezelfde als wanneer voor de verkoop of lease van het vliegtuig overheidssteun zou zijn verleend vanaf de oorspronkelijke leveringsdatum van het vliegtuig.

b)

De voorwaarden van hoofdstuk I zijn ook van toepassing op motoren en onderdelen die beschouwd worden deel uit te maken van de oorspronkelijke order voor het vliegtuig, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 33 van deel 3 van deze sectorovereenkomst. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op vluchtsimulators, die onder de voorwaarden van de regeling vallen.

2.   Doel

Dit deel van de sectorovereenkomst heeft tot doel evenwichtige verhoudingen tot stand te brengen waardoor op alle markten:

de concurrentie tussen de financiële voorwaarden van de deelnemers gelijk wordt getrokken;

de financieringsvoorwaarden van de deelnemers, als factor bij de keuze tussen concurrerende vliegtuigen, worden geneutraliseerd, en

concurrentievervalsing wordt voorkomen.

HOOFDSTUK II

EXPORTKREDIETEN EN HULP

3.   Aanbetalingen

a)

De deelnemers eisen een aanbetaling van ten minste 15 % van de volledige prijs van het vliegtuig, waarbij de prijs van het casco, de gemonteerde motoren, de reservemotoren en de reserveonderdelen, als bedoeld in artikel 33 van deel 3 van deze sectorovereenkomst, zijn inbegrepen.

b)

Overheidssteun voor deze aanbetalingen kan slechts de vorm aannemen van verzekering en garanties, dat wil zeggen zuivere dekking tegen de gebruikelijke risico’s vóór de kredietverlening.

4.   Maximale krediettermijn

De maximale krediettermijn bedraagt twaalf jaar.

5.   In aanmerking komende valuta’s

De valuta’s die voor financieringssteun van de overheid in aanmerking komen, zijn de Amerikaanse dollar, de euro en het pond sterling.

6.   Aflossing van de hoofdsom

a)

De hoofdsom van een exportkrediet wordt gewoonlijk in gelijke, regelmatige termijnen met een tussentijd van ten hoogste zes maanden afgelost, te beginnen uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet. In geval van leasing kan dit aflossingsschema worden toegepast voor het bedrag van de hoofdsom alleen of voor het bedrag van hoofdsom en rente samen.

b)

Een deelnemer die een aflossing van de hoofdsom op andere dan de onder a) vastgestelde voorwaarden wenst te steunen, moet aan de volgende eisen voldoen:

1.

binnen een periode van zes maanden is het bedrag van een afzonderlijke aflossing of een reeks aflossingen niet hoger dan 25 % van de in de loop van de krediettermijn af te lossen hoofdsom;

2.

de deelnemer doet hiervan vooraf kennisgeving.

7.   Rentebetaling

a)

De rente wordt gedurende de krediettermijn in de regel niet gekapitaliseerd.

b)

De rente wordt ten minste om de zes maanden betaald, te beginnen uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet.

c)

Een deelnemer die een betaling van de rente op andere dan de onder a) en b) vastgestelde voorwaarden wenst te steunen, doet hiervan vooraf kennisgeving.

8.   Minimumrentetarieven

a)

Deelnemers die financieringssteun van de overheid verlenen, tot ten hoogste 85 % van de in artikel 3, onder a), van deze sectorovereenkomst omschreven volledige prijs van het vliegtuig, passen op de volgende wijze minimumrentetarieven toe tot een maximum van 62,5 % van de volledige prijs van het vliegtuig:

voor krediettermijnen tot en met tien jaar: TB10 + 120 basispunten,

voor krediettermijnen van meer dan tien tot en met twaalf jaar: TB10 + 175 basispunten,

waarin TB10 betekent het rendement van tienjaars-overheidsobligaties in de desbetreffende valuta (met uitzondering van de euro) met constante resterende looptijd (gemiddelde over de vorige twee kalenderweken). Voor de euro betekent TB10 het rendement, op de vervaldag na tien jaar, van de euro-rendementscurve, berekend door Eurostat voor het vaststellen van het euro-CIRR (gemiddelde over de vorige twee kalenderweken). Voor alle valuta’s wordt de hierboven vermelde marge toegepast.

b)

Het maximumpercentage van de volledige prijs van het vliegtuig dat tegen de onder a) vermelde vaste minimumrentetarieven mag worden gefinancierd bedraagt ten hoogste 62,5 % wanneer de aflossing van de lening wordt gespreid over de gehele looptijd van de financiering, en ten hoogste 42,5 % wanneer de aflossing van de lening wordt gespreid over de latere termijnbedragen. Het staat de deelnemers vrij tussen deze wijzen van aflossing te kiezen, mits het voor de gekozen methode vastgestelde maximum in acht wordt genomen. De deelnemer die een dergelijke tranche aanbiedt, stelt de andere deelnemers in kennis van het bedrag, het rentetarief, de datum waarop het rentetarief is vastgesteld, de geldigheidsduur van het rentetarief en het aflossingsschema. De deelnemers beoordelen de twee maxima bij elke evaluatie overeenkomstig artikel 17 van deze sectorovereenkomst, teneinde na te gaan of het ene maximum voordeliger is dan het andere en, wanneer dit het geval is, het voordeligste maximum aan te passen, zodat een beter evenwicht tot stand komt.

c)

Rekening houdend met de onder a) vermelde drempel van 85 %:

1.

mogen de deelnemers aanvullend financieringssteun van de overheid verlenen op een wijze die verenigbaar is met die welke door de Private Export Funding Corporation (PEFCO) wordt verleend. De deelnemers zullen regelmatig in kennis worden gesteld van de halfmaandelijkse gegevens over PEFCO’s kosten voor opgenomen middelen en geldende leningtarieven, exclusief de kosten van overheidsgaranties, voor vastrentende financiering voor onmiddellijke uitbetaling over een aantal data, voor contractoffertes en aanbestedingsoffertes. Een deelnemer die een dergelijke tranche aanbiedt, stelt de andere deelnemers in kennis van het bedrag, de rente, de datum waarop de rente is vastgesteld, de geldigheidsduur van de rente en het aflossingsschema. Elke deelnemer die dergelijke door een andere deelnemer aangeboden financiering matcht, doet dit voor alle daaraan verbonden voorwaarden, met uitzondering van de geldigheidsduur van de aangeboden toezeggingen (zie artikel 8 van deze sectorovereenkomst);

2.

worden deze medegedeelde rentetarieven door alle deelnemers toegepast zolang de rente voor uitbetaling over 24 maanden niet hoger is dan 225 basispunten boven TB10. Wanneer de 24-maandsrente hoger is dan 225 basispunten, staat het de deelnemers vrij de rente van 225 basispunten voor uitbetaling over 24 maanden en alle overeenkomstige rentetarieven toe te passen en plegen zij onmiddellijk overleg teneinde een permanente oplossing te vinden.

d)

In de minimumrentetarieven zijn de kredietverzekeringspremies en garantiekosten begrepen. Beschikbaarstellings- en beheersprovisies zijn niet in de rente begrepen.

9.   Aanpassingen van minimumrentetarieven

De in artikel 8 van deze sectorovereenkomst bedoelde minimumrentetarieven worden om de twee weken geëvalueerd. Indien het gemiddelde rendement van overheidsobligaties voor de betrokken valuta tegen constante looptijd aan het einde van een tweewekelijkse periode tien of meer basispunten verschilt, worden de minimumrentetarieven met hetzelfde aantal basispunten aangepast en wordt het herberekende tarief op de dichtstbijzijnde vijf basispunten afgerond.

10.   Geldigheidsduur van exportkredieten/rentetariefaanbiedingen

De overeenkomstig artikel 8 van deze sectorovereenkomst vastgestelde aangeboden minimumrentetarieven zijn niet meer dan drie maanden geldig.

11.   Bepaling van rentetariefaanbiedingen en keuze van rentetarieven

a)

De deelnemers kunnen overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van deze sectorovereenkomst financieringssteun van de overheid verlenen tegen de rente die van toepassing is op de datum waarop de rentetariefaanbieding voor het betrokken vliegtuig wordt gedaan, mits de aanbieding binnen de geldigheidsduur (zie artikel 10 van deze sectorovereenkomst) wordt aanvaard. Indien het aangeboden rentetarief niet wordt aanvaard, kunnen andere rentetarieven worden aangeboden, uiterlijk tot op de dag van levering van het betrokken vliegtuig.

b)

De rentetariefaanbieding kan worden aanvaard en het rentetarief kan worden gekozen op elk willekeurig tijdstip tussen de ondertekening van het contract en de datum van levering van het betrokken vliegtuig. Het door de kredietnemer gekozen tarief is onherroepelijk.

12.   Steun voor zuivere dekking

De deelnemers mogen uitsluitend door middel van garanties of verzekering overheidssteun verlenen, dat wil zeggen zuivere dekking, met inachtneming van de in artikel 8, onder a), van deze sectorovereenkomst vermelde drempel van 85 %. Deelnemers die dergelijke steun verlenen stellen de andere deelnemers in kennis van het bedrag, de voorwaarden, de valuta, het aflossingsschema en de rentetarieven.

13.   Concurrentiereferentiepunt

In geval van concurrentie met overheidssteun mogen dezelfde kredietvoorwaarden worden toegepast op de in aanhangsel I bij deze sectorovereenkomst vermelde grote vliegtuigen voor de burgerluchtvaart die met andere vliegtuigen concurreren.

14.   Zekerheid voor het terugbetalingsrisico

De deelnemers kunnen zonder overleg met andere deelnemers besluiten welke zekerheid ze aanvaardbaar achten om terugbetaling te waarborgen. Ze zullen echter informatie over deze zekerheid verstrekken indien andere deelnemers daarom verzoeken of indien zulks dienstig wordt geacht.

15.   Modelwijzigingen

De deelnemers komen overeen dat wanneer voor een bepaald type vliegtuig een vastrentend aanbod is gedaan of een vastrentend contract is gesloten, de voorwaarden daarvan niet naar een ander type vliegtuig met een andere modelaanduiding kunnen worden overgedragen.

16.   Leasing

De deelnemers kunnen, met inachtneming van de andere voorwaarden van deel 1 van deze sectorovereenkomst, steun voor financiële leasing verlenen op dezelfde voorwaarden als voor een verkoopcontract.

17.   Hulp

De deelnemers steunen geen hulp, tenzij het een ongebonden schenking betreft. De deelnemers nemen verzoeken om een gemeenschappelijke gedragslijn voor gebonden hulp voor humanitaire doeleinden evenwel in welwillende overweging.

HOOFDSTUK III

PROCEDURES

18.   Voorafgaande kennisgeving, matching en uitwisseling van informatie

De in de regeling omschreven procedures voor voorafgaande kennisgeving, matching en uitwisseling van informatie zijn van toepassing op dit deel van de sectorovereenkomst. Voorts kunnen de deelnemers om overleg verzoeken indien ze redenen hebben om aan te nemen dat een andere deelnemer door de overheid gesteund krediet aanbiedt op voorwaarden die met de sectorovereenkomst in strijd zijn. Het overleg vindt binnen tien dagen plaats; voor het overige worden de in artikel 54 van de regeling omschreven procedures gevolgd.

19.   Evaluatie

De in deze sectorovereenkomst omschreven procedures en voorwaarden worden op gezette tijden door de deelnemers geëvalueerd om ze meer met de marktvoorwaarden in overeenstemming te brengen. Een eerdere evaluatie kan worden aangevraagd indien de marktvoorwaarden of de gebruikelijke financieringspraktijken een aanmerkelijke wijziging hebben ondergaan.

DEEL 2

ALLE NIEUWE VLIEGTUIGEN MET UITZONDERING VAN GROTE VLIEGTUIGEN

HOOFDSTUK IV

TOEPASSINGSGEBIED

20.   Vorm en toepassingsgebied

Deel 2 van de sectorovereenkomst, die een aanvulling vormt op de regeling, bevat de bijzondere richtsnoeren die van toepassing zijn op door de overheid gesteunde exportkredieten voor de verkoop of lease van niet onder deel 1 van deze sectorovereenkomst vallende nieuwe vliegtuigen. Deel 2 is niet van toepassing op hovercrafts en vluchtsimulators, die onder de regeling vallen.

21.   Beste vermogen

In dit hoofdstuk zijn de gunstigste voorwaarden omschreven die de deelnemers mogen aanbieden wanneer zij overheidssteun verlenen. De deelnemers blijven echter de gebruikelijke marktvoorwaarden voor de verschillende typen vliegtuigen in acht nemen en doen al het mogelijke om te voorkomen dat aan deze voorwaarden niet strikt de hand wordt gehouden.

22.   Categorieën vliegtuigen

De deelnemers hebben overeenstemming bereikt over de volgende indeling van vliegtuigen:

—   categorie A: turbinevliegtuigen, met inbegrip van helikopters, met gewoonlijk 30 tot 70 zitplaatsen (bijvoorbeeld vliegtuigen met turbinestraalmotoren, met schroefturbinemotoren en met „turbofan”-motoren);

—   categorie B: andere turbinevliegtuigen, met inbegrip van helikopters;

—   categorie C: andere vliegtuigen, met inbegrip van helikopters.

Aanhangsel I bevat een illustratieve lijst van in categorie A en categorie B ingedeelde vliegtuigen.

HOOFDSTUK V

EXPORTKREDIETEN EN HULP

23.   Maximale krediettermijn

De maximale krediettermijn hangt af van de categorie waaronder het vliegtuig overeenkomstig artikel 22 van deze sectorovereenkomst is ingedeeld:

a)

voor vliegtuigen van categorie A geldt een maximale krediettermijn van tien jaar;

b)

voor vliegtuigen van categorie B geldt een maximale krediettermijn van zeven jaar;

c)

voor vliegtuigen van categorie C geldt een maximale krediettermijn van vijf jaar.

24.   Aflossing van de hoofdsom

a)

De hoofdsom van een exportkrediet wordt gewoonlijk in gelijke, regelmatige termijnen met een tussentijd van ten hoogste zes maanden afgelost, te beginnen uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet. In geval van leasing kan dit aflossingsschema worden toegepast voor het bedrag van de hoofdsom alleen of voor het bedrag van hoofdsom en rente samen.

b)

Een deelnemer die een aflossing van de hoofdsom op andere dan de onder a) vastgestelde voorwaarden wenst te steunen, moet aan de volgende eisen voldoen:

1.

binnen een periode van zes maanden is het bedrag van een afzonderlijke aflossing of een reeks aflossingen niet hoger dan 25 % van de in de loop van de krediettermijn af te lossen hoofdsom;

2.

de deelnemer doet hiervan vooraf kennisgeving.

25.   Rentebetaling

a)

De rente wordt gedurende de krediettermijn in de regel niet gekapitaliseerd.

b)

De rente wordt ten minste om de zes maanden betaald, te beginnen uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet.

c)

Een deelnemer die een betaling van de rente op andere dan de onder a) en b) vastgestelde voorwaarden wenst te steunen, doet hiervan vooraf kennisgeving.

d)

De rente omvat niet:

1.

betalingen uit hoofde van premies of andere kosten voor het verzekeren of garanderen van leveranciers- of financieringskredieten. Wanneer de overheidssteun door middel van rechtstreekse kredieten/financiering of herfinanciering wordt verleend, kan de premie aan de nominale waarde van de rentevoet worden toegevoegd of kan ze apart worden aangerekend; beide componenten moeten voor de deelnemers apart worden gespecificeerd;

2.

andere betalingen uit hoofde van andere met het exportkrediet verband houdende bankkosten of provisies dan de jaarlijkse of halfjaarlijkse bankkosten die gedurende de gehele krediettermijn verschuldigd zijn; en

3.

de door het importland geheven bronbelastingen.

26.   Minimumrentetarieven

Deelnemers die financieringssteun van de overheid verlenen, passen minimumrentetarieven toe; de deelnemers passen overeenkomstig artikel 20 van de regeling het desbetreffende CIRR toe.

27.   Verzekeringspremies en garantieprovisies

De deelnemers verlenen geen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van verzekeringspremies en garantieprovisies.

28.   Hulp

De deelnemers steunen geen hulp, tenzij het een ongebonden schenking betreft. De deelnemers nemen verzoeken om een gemeenschappelijke gedragslijn voor gebonden hulp voor humanitaire doeleinden evenwel in welwillende overweging.

HOOFDSTUK VI

PROCEDURES

29.   Voorafgaande kennisgeving, matching en uitwisseling van informatie

In geval van door de overheid gesteunde concurrentie voor een verkoop- of leasingcontract, kunnen vliegtuigen die met vliegtuigen uit een andere categorie concurreren of met die welke onder andere delen van de sectorovereenkomst vallen, voor die verkoop- of leasingtransactie voor dezelfde voorwaarden in aanmerking komen als die andere vliegtuigen. De in de regeling omschreven procedures voor voorafgaande kennisgeving, matching en uitwisseling van informatie zijn op dit deel van de sectorovereenkomst van toepassing. Voorts kunnen de deelnemers om overleg verzoeken indien ze redenen hebben om aan te nemen dat een andere deelnemer door de overheid gesteund krediet aanbiedt op voorwaarden die met de sectorovereenkomst in strijd zijn. Het overleg vindt binnen tien dagen plaats; voor het overige worden de in artikel 54 van de regeling omschreven procedures gevolgd.

30.   Evaluatie

De in deze sectorovereenkomst omschreven procedures en voorwaarden worden op gezette tijden door de deelnemers geëvalueerd om ze meer met de marktvoorwaarden in overeenstemming te brengen. Een eerdere evaluatie kan worden aangevraagd indien de marktvoorwaarden of de gebruikelijke financieringspraktijken een aanmerkelijke wijziging hebben ondergaan.

DEEL 3

GEBRUIKTE VLIEGTUIGEN, RESERVEMOTOREN, RESERVEONDERDELEN, ONDERHOUDS- EN SERVICECONTRACTEN

HOOFDSTUK VII

TOEPASSINGSGEBIED

31.   Vorm en toepassingsgebied

Deel 3 van de sectorovereenkomst, die een aanvulling vormt op de regeling, bevat de bijzondere richtsnoeren die van toepassing zijn op door de overheid gesteunde exportkredieten voor de verkoop of lease van gebruikte vliegtuigen en van reservemotoren, reserveonderdelen, onderhouds- en servicecontracten voor zowel nieuwe als gebruikte vliegtuigen. Deel 3 is niet van toepassing op hovercrafts of vluchtsimulators, die onder de regeling vallen. De desbetreffende bepalingen in deel 1 en 2 van deze sectorovereenkomst zijn van toepassing, behalve indien hieronder anders is bepaald.

32.   Gebruikte vliegtuigen

De deelnemers steunen geen kredietvoorwaarden die gunstiger zijn dan die welke volgens de sectorovereenkomst op nieuwe vliegtuigen van toepassing zijn. De volgende regels zijn specifiek op gebruikte vliegtuigen van toepassing:

a)

Ouderdom van het vliegtuig (in jaren)

Normale maximale krediettermijn

 

Grote vliegtuigen

Categorie A

Categorie B

Categorie C

1

10

8

6

5

2

9

7

6

5

3

8

6

5

4

4

7

6

5

4

5 t/m 10

6

6

5

4

Meer dan 10

5

5

4

3

Deze termijnen worden herzien indien de maximale krediettermijnen voor nieuwe vliegtuigen worden herzien.

b)

De deelnemers passen de bepalingen in de artikelen 24 en 25 van deze sectorovereenkomst toe.

c)

Deelnemers die financieringssteun van de overheid verlenen, passen minimumrentetarieven toe; de deelnemers passen overeenkomstig artikel 20 van de regeling het desbetreffende CIRR toe.

33.   Reservemotoren en reserveonderdelen

a)

Indien deze geacht worden deel uit te maken van de oorspronkelijke vliegtuigorder, kan de financiering op dezelfde wijze plaatsvinden als voor het vliegtuig. De deelnemers houden in dergelijke gevallen echter op de volgende wijze rekening met de omvang van de vloot van elke vliegtuigtype, met inbegrip van de aangekochte vliegtuigen, de vliegtuigen waarvoor reeds een vaste order is geplaatst en de reeds verworven vliegtuigen:

voor de eerste vijf vliegtuigen van dat type in de luchtvloot: 15 % van de prijs van het vliegtuig, dat wil zeggen het casco en de ingebouwde motoren, en

voor het zesde en de volgende vliegtuigen van dat type in de luchtvloot: 10 % van de prijs van het vliegtuig, dat wil zeggen het casco en de ingebouwde motoren.

b)

Indien deze onderdelen niet met het vliegtuig worden besteld, is de maximale krediettermijn vijf jaar voor nieuwe reservemotoren en twee jaar voor andere reserveonderdelen.

c)

Niettegenstaande het bepaalde onder b) kunnen de deelnemers voor nieuwe reservemotoren voor grote vliegtuigen de maximale krediettermijn van vijf jaar met ten hoogste drie jaar overschrijden:

in geval van een transactie met een minimumcontractwaarde van meer dan 20 miljoen USD, of

indien de transactie ten minste vier nieuwe reservemotoren omvat.

De contractwaarde wordt om de twee jaar geëvalueerd en voor prijsinflatie gecorrigeerd.

d)

De deelnemers behouden zich het recht voor hun praktijk te wijzigen en de praktijken van concurrerende deelnemers te matchen ten aanzien van het tijdstip van de eerste aflossing van de hoofdsom voor reservemotoren en reserveonderdelen.

34.   Onderhouds- en servicecontracten

De deelnemers kunnen financieringssteun van de overheid aanbieden met een krediettermijn van ten hoogste twee jaar voor onderhouds- en servicecontracten.

HOOFDSTUK VIII

PROCEDURES

35.   Voorafgaande kennisgeving, matching en uitwisseling van informatie

De in de regeling omschreven procedures voor voorafgaande kennisgeving, matching en uitwisseling van informatie zijn op dit deel van de sectorovereenkomst van toepassing. Voorts kunnen de deelnemers om overleg verzoeken indien ze redenen hebben om aan te nemen dat een andere deelnemer door de overheid gesteund krediet aanbiedt op voorwaarden die met de sectorovereenkomst in strijd zijn. Het overleg vindt binnen tien dagen plaats; voor het overige worden de in artikel 54 van de regeling omschreven procedures gevolgd.

36.   Evaluatie

De in deze sectorovereenkomst omschreven procedures en voorwaarden worden op gezette tijden door de deelnemers geëvalueerd om ze meer met de marktvoorwaarden in overeenstemming te brengen. Een eerdere evaluatie kan worden aangevraagd indien de marktvoorwaarden of de gebruikelijke financieringspraktijken een aanmerkelijke wijziging hebben ondergaan.

Aanhangsel I

ILLUSTRATIEVE LIJST

Alle andere soortgelijke vliegtuigen die in de toekomst op de markt worden gebracht, vallen onder deze sectorovereenkomst en worden te zijner tijd aan de desbetreffende lijst toegevoegd. Deze lijsten zijn niet volledig en geven alleen een indicatie van de soorten vliegtuigen die in de verschillende categorieën worden ingedeeld, wanneer daarover twijfel zou kunnen rijzen.

GROTE VLIEGTUIGEN VOOR DE BURGERLUCHTVAART

Fabrikant

Aanduidingen

Airbus

A 300

Airbus

A 310

Airbus

A 318

Airbus

A 319

Airbus

A 320

Airbus

A 321

Airbus

A 330

Airbus

A 340

Boeing

B 737

Boeing

B 747

Boeing

B 757

Boeing

B 767

Boeing

B 777

Boeing

B 707, 727

British Aerospace

RJ70

British Aerospace

RJ85

British Aerospace

RJ100

British Aerospace

RJ115

British Aerospace

BAe146

Fairchild Dornier

728 JET

Fairchild Dornier

928 JET

Fokker

F 70

Fokker

F 100

Lockheed

L-100

McDonnell Douglas

MD-80 series

McDonnell Douglas

MD-90 series

McDonnell Douglas

MD-11

McDonnell Douglas

DC-10

McDonnell Douglas

DC-9

Lockheed

L-1011

Ramaero

1.11-495

VLIEGTUIGEN VAN CATEGORIE A

Turbinevliegtuigen, met inbegrip van helikopters, met over het algemeen dertig tot zeventig zitplaatsen (bijvoorbeeld vliegtuigen met turbinestraalmotoren, met schroefturbinemotoren, met „turbofan”-motoren). Indien een nieuw groot turbinevliegtuig met meer dan zeventig zitplaatsen wordt ontwikkeld, wordt op verzoek onmiddellijk overleg gepleegd teneinde overeenstemming te bereiken over de indeling van het nieuwe vliegtuig in deze categorie of in deel 1 van deze overeenkomst, met het oog op de concurrentiesituatie.

Fabrikant

Aanduidingen

Aeritalia

G 222

Aeritalia/Aerospatiale

ATR 42

Aeritalia/Aerospatiale

ATR 72

Aerospatiale/MBB

C160 Transall

De Havilland

Dash 8

De Havilland

Dash 8 — 100

De Havilland

Dash 8 — 200

De Havilland

Dash 8 — 300

Boeing Vertol

234 Chinook

Broman (US)

BR 2000

British Aerospace

BAe ATP

British Aerospace

BAe 748

British Aerospace

BAe Jetstream 41

British Aerospace

BAe Jetstream 61

Canadair

CL 215T

Canadair

CL 415

Canadair

RJ

Casa

CN235

Dornier

DO 328

EH Industries

EH-101

Embraer

EMB 120 Brasilia

Embraer

EMB 145

Fairchild Dornier

528 JET

Fairchild Dornier

328 JET

Fokker

F 50

Fokker

F 27

Fokker

F 28

Gulfstream America

Gulfstream I-4

LET

610

Saab

SF 340

Saab

2000

Short

SD 3-30

Short

SD 3-60

Short

Sherpa

VLIEGTUIGEN VAN CATEGORIE B

Andere turbinevliegtuigen, met inbegrip van helikopters.

Fabrikant

Aanduidingen

Aerospatiale

AS 332

Agusta

A 109, A 119

Beech

1900

Beech

Super King Air 300

Beech

Starship 1

Bell Helicopter

206B

Bell Helicopter

206L

Bell Helicopter

212

Bell Helicopter

230

Bell Helicopter

412

Bell Helicopter

430

Bell Helicopter

214

Bombardier/Canadair

Global Express

British Aerospace

BAe Jetstream 31

British Aerospace

BAe 125

British Aerospace

BAe 1000

British Aerospace

BAe Jetstream Super 31

Beech Aircraft Corpn d/b/a Raytheon Aircraft Co.

Hawker 1000

Beech Aircraft Corpn d/b/a Raytheon Aircraft Co.

Hawker 800

Beech Aircraft Corpn d/b/a Raytheon Aircraft Co.

King Air 350

Beech Aircraft Corpn d/b/a Raytheon Aircraft Co.

Beechjet 400 series

Beech Aircraft Corpn d/b/a Raytheon Aircraft Co.

Starship 2000A

Bell

B 407

Canadair

Challenger 601-3A

Canadair

Challenger 601-3R

Canadair

Challenger 604

Casa

C 212-200

Casa

C 212-300

Cessna

Citation

Cessna

441 Conquest III en Caravan 208 series

Claudius Dornier

CD2

Dassault Breguet

Falcon

Dornier

DO 228-200

Embraer

EMB 110 P2

Embraer/FAMA

CBA 123

Eurocopter

AS 350, AS 355, EC 120, AS 365, EC 135

Eurocopter

B0105LS

Fairchild

Merlin/300

Fairchild

Metro 25

Fairchild

Metro III V

Fairchild

Metro III

Fairchild

Metro III A

Fairchild

Merlin IVC-41

Gulfstream America

Gulfstream II, III, IV en V

IAI

Astra SP en SPX

IAI

Arava 101 B

Learjet

31A, 35A, 45 en 60 series

MBB

BK 117 C

MBB

BO 105 CBS

McDonnell Helicopter System

MD 902, MD 520, MD 600

Mitsubishi

Mu2 Marquise

Piaggio

P 180

Pilatus Britten-Norman

BN2T Islander

Piper

400 LS

Piper

T 1040

Piper

PA-42-100 (Cheyenne 400)

Piper

PA-42-720 (Cheyenne III A)

Piper

Cheyenne II

Reims

Cessna-Caravan II

SIAI-Marchetti

SF 600 Canguro

Short

Tucano

Westland

W30

BIJLAGE IV

SECTOROVEREENKOMST INZAKE EXPORTKREDIETEN, DUURZAME ENERGIE EN WATERPROJECTEN, GELDIG GEDURENDE EEN PROEFPERIODE DIE AFLOOPT OP 30 JUNI 2007

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

1.   Werkingssfeer

Deze sectorovereenkomst, die een aanvulling vormt op de regeling, bevat de financiële voorwaarden die van toepassing kunnen zijn op door de overheid gesteunde exportkredieten voor contracten inzake duurzame energie en waterprojecten; de in aanmerking komende sectoren zijn in aanhangsel 1 vermeld.

HOOFDSTUK II

FINANCIËLE VOORWAARDEN VOOR EXPORTKREDIETEN

2.   Maximale krediettermijnen

De maximale krediettermijn bedraagt 15 jaar, ongeacht de indeling van het land overeenkomstig artikel 11 van de regeling.

3.   Aflossing van de hoofdsom en rentebetaling

a)

De hoofdsom van een exportkrediet wordt in gelijke termijnen afgelost.

b)

De aflossing van de hoofdsom en de rentebetaling vinden ten minste om de zes maanden plaats en de eerste aflossing van de hoofdsom en rentebetaling vinden uiterlijk zes maanden na de aanvangsdatum van het krediet plaats.

c)

In geval van exportkredieten voor leasetransacties kunnen gelijke aflossingen voor het bedrag van hoofdsom en rente samen plaatsvinden in plaats van de onder a) beschreven aflossing van de hoofdsom in gelijke termijnen.

4.   Vaste minimumrentetarieven bij financieringssteun van de overheid

Een deelnemer die financieringssteun van de overheid verleent door middel van directe financiering, herfinanciering of rentesubsidie, past de volgende minimumrentetarieven toe:

a)

bij een krediettermijn tot en met 12 jaar past de deelnemer overeenkomstig artikel 20 van de regeling het desbetreffende commerciële referentierentetarief (CIRR) toe;

b)

bij een krediettermijn van meer dan 12 maar niet meer dan 14 jaar wordt voor alle valuta’s een toeslag van 20 basispunten op het CIRR geheven;

c)

bij een krediettermijn van meer dan 14 jaar wordt voor alle valuta’s het desbetreffende speciale commerciële referentierentetarief (Special Commercial Interest Reference Rate, SCIRR) toegepast.

5.   Vaststelling van de SCIRR’s

De SCIRR’s worden vastgesteld op een vaste marge van 75 basispunten boven het CIRR voor de betrokken valuta; voor de Japanse yen bedraagt de marge echter 40 basispunten. Voor valuta’s waarvoor overeenkomstig artikel 20, onder a), punt 1, van de regeling meer dan één CIRR geldt, wordt het CIRR voor de langste termijn gebruikt om het SCIRR vast te stellen.

HOOFDSTUK III

PROCEDURES

6.   Voorafgaande kennisgeving zonder bespreking

Ten minste tien kalenderdagen voordat hij een toezegging doet die onder het toepassingsgebied van deze sectorovereenkomst valt, stelt een deelnemer alle andere deelnemers hiervan overeenkomstig bijlage V bij de regeling in kennis.

HOOFDSTUK IV

EVALUATIE

7.   Proefperiode en toezicht

a)

De financiële voorwaarden in deze sectorovereenkomst gelden gedurende een proefperiode van twee jaar, dat wil zeggen van 1 juli 2005 tot en met 30 juni 2007. Tijdens deze proefperiode van twee jaar evalueren de deelnemers de werking van deze sectorovereenkomst in het licht van de opgedane ervaring.

b)

Deze financiële voorwaarden worden na de proefperiode afgeschaft, tenzij de deelnemers overeenkomen: