ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.321.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 321

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
5 december 2011


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2011 tot vaststelling van een programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid ( 1 )

1

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

5.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 321/1


VERORDENING (EU) Nr. 1255/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 30 november 2011

tot vaststelling van een programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, artikel 91, lid 1, artikel 100, lid 2, artikel 173, lid 3, de artikelen 175 en 188, artikel 192, lid 1, artikel 194, lid 2, en artikel 195, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In overeenstemming met de Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 10 oktober 2007 over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie („de mededeling van de Commissie”) is de hoofddoelstelling van het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie („GMB”) om een geïntegreerde, gecoördineerde, samenhangende, transparante en houdbare besluitvorming te ontwikkelen en uit te voeren met betrekking tot oceanen, zeeën, kustgebieden, eilandgebieden en ultraperifere regio’s en in de maritieme sectoren.

(2)

In het actieplan ter begeleiding van de mededeling van de Commissie stelt de Commissie een aantal acties voor als eerste stappen naar de uitvoering van een nieuw GMB voor de Unie.

(3)

In het voortgangsverslag van de Commissie van 15 oktober 2009 over het geïntegreerd maritiem beleid van de EU wordt een inventaris opgemaakt van de voornaamste tot dan toe behaalde resultaten van het GMB, en wordt de koers uitgezet voor de volgende uitvoeringsfase.

(4)

De Raad heeft in zijn conclusies van 16 november 2009 over het geïntegreerd maritiem beleid het belang benadrukt van financiering voor de verdere ontwikkeling en uitvoering van het GMB, door de Commissie te verzoeken om de voorstellen die noodzakelijk zijn voor de financiering van de maatregelen op het gebied van geïntegreerd maritiem beleid, in te dienen binnen de huidige financiële vooruitzichten, zodat ze in 2011 in werking kunnen treden.

(5)

Het Europees Parlement heeft in zijn Resolutie van 21 oktober 2010 over het geïntegreerd maritiem beleid (GMB) — Evaluatie van de geboekte vooruitgang en nieuwe uitdagingen, zijn uitdrukkelijke steun uitgesproken voor het door de Commissie vastgestelde voornemen om „50 miljoen EUR uit te trekken over de komende twee jaar voor de financiering van het GMB, teneinde voort te bouwen op voorgaande projecten op het gebied van beleid, beheer, duurzaamheid en toezicht”.

(6)

Voor de financiële middelen voor het GMB die in deze verordening zijn vastgesteld, is zowel rekening gehouden met de huidige economische neergang als met het feit dat dit het eerste operationele programma is, dat specifiek bestemd is voor de uitvoering van het GMB.

(7)

Voortzetting van de financiering door de Unie is nodig om de Unie in staat te stellen om het GMB uit te voeren en verder te ontwikkelen in lijn met de resolutie van het Europees Parlement van 20 mei 2008 over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie (4), en ook om de overkoepelende doelstellingen na te streven, die in de mededeling van de Commissie uiteen zijn gezet, en die in het voortgangsverslag van oktober 2009 zijn bevestigd en die door de Raad in zijn conclusies van 16 november 2009 zijn bekrachtigd.

(8)

Aangezien niet alle prioriteiten en doelstellingen van het GMB worden gedekt door bestaande instrumenten van de Unie, zoals het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Visserijfonds, het zevende kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, het instrument voor pretoetredingssteun en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, moet een programma worden vastgesteld ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van het GMB (hierna „het programma”).

(9)

Zonder vooruit te lopen op de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader na 2013, moeten er voldoende middelen beschikbaar zijn om de doelstellingen van het GMB te ontwikkelen en te realiseren, zonder te korten op de middelen die voor andere beleidsterreinen zijn geoormerkt, terwijl ook de duurzame ontwikkeling van de maritieme regio’s van de Unie, inclusief eilanden, en van de ultraperifere regio’s, wordt gestimuleerd. Daarom wordt het van essentieel belang geacht om het GMB op te nemen in het meerjarig financieel kader na 2013. Bovendien is het wenselijk dat in voorkomend geval een voorstel wordt ingediend tot verlenging van het programma na 2013, gekoppeld aan een voorstel voor passende financiële middelen.

(10)

De ontwikkeling van maritieme zaken door middel van financiële ondersteuning voor maatregelen onder het GMB zal een aanzienlijk effect hebben op de economische, sociale en territoriale cohesie.

(11)

Financiering door de Unie moet zodanig worden ingericht dat het voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van acties ter bevordering van de strategische doelstellingen van het GMB ondersteunt, waarbij naar behoren aandacht dient te worden besteed aan het cumulatieve effect van dergelijke activiteiten, op basis van de ecosysteembenadering, aan duurzame „blauwe” economische groei, werkgelegenheid, innovatie en concurrentievermogen in kust- en eilandgebieden en ultraperifere regio’s, alsmede aan de bevordering van de internationale dimensie van het GMB.

(12)

De strategische doelstellingen van het GMB omvatten: geïntegreerd maritiem bestuur op alle niveaus; de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geïntegreerde strategieën voor zeegebieden, die zijn toegesneden op de specifieke behoeften van verschillende zeegebieden van Europa; de verdere ontwikkeling van sectoroverschrijdende instrumenten voor geïntegreerde beleidsvorming om de synergie en de coördinatie tussen bestaand beleid en instrumenten te verbeteren, onder meer door mariene gegevens en kennis uit te wisselen; de nauwere betrokkenheid van de belanghebbende partijen bij de geïntegreerde maritieme bestuursregelingen; de bescherming en het duurzame gebruik van de mariene en de kustrijkdommen; en het bepalen van de grenzen van de duurzaamheid van menselijke activiteiten en de bescherming van het mariene en het kustmilieu en van de biodiversiteit in de context van de kaderrichtlijn mariene strategie (5), die de milieupijler van het GMB vormt, en van de kaderrichtlijn water (6).

(13)

Het is belangrijk dat het programma goed wordt afgestemd op ander beleid van de Unie dat een maritieme dimensie kan hebben, zoals met name de structuurfondsen, de trans-Europese vervoersnetwerken, het gemeenschappelijk visserijbeleid, toerisme, milieu en klimaatverandering, het kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling en het energiebeleid.

(14)

Om de samenhang tussen de verschillende aspecten van het programma te waarborgen, dienen de algemene doelstellingen ervan te worden geformuleerd. Voor iedere algemene doelstelling moeten meer gedetailleerde operationele doelstellingen worden vastgesteld. De verdeling van de middelen over de algemene doelstellingen voor de periode 2011-2013 is aangegeven in de bijlage. Bij die verdeling wordt de nodige flexibiliteit ingebouwd om de algemene financiële middelen per doelstelling te verhogen/verlagen zonder de totale financiële middelen te overschrijden.

(15)

Met de financiering van de Unie moet de integratie van maritieme bewaking verder kunnen worden ontwikkeld, in overeenstemming met de resolutie van het Europees Parlement van 21 oktober 2010 en de conclusies van de Raad van 17 november 2009 aangaande de integratie van maritiem toezicht, rekening houdend met de routekaart voor het creëren van de gemeenschappelijke structuur voor de uitwisseling van gegevens over maritieme aangelegenheden in de EU (Common Information Sharing Environment, CISE). Deze geoormerkte financiering mag dus alleen bestemd zijn voor de ontwikkeling van een gedecentraliseerd systeem voor gegevensuitwisseling, namelijk maatregelen, met inbegrip van programmatuur, die de interface tussen bewakingssystemen versterkt. Het programma moet rekening houden met de resultaten van andere projecten betreffende gedecentraliseerde maritieme bewakingssystemen.

(16)

De tenuitvoerlegging van het programma in derde landen moet bijdragen tot de ontwikkelingsdoelstellingen van het begunstigde land en moet plaatsvinden in overeenstemming met andere samenwerkingsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van de doelstellingen en prioriteiten van het betrokken beleid van de Unie en het acquis van de Unie, en met de toepasselijke internationale verdragen.

(17)

Het programma moet een aanvulling vormen op en aansluiten bij bestaande en toekomstige financiële instrumenten die de Unie en de lidstaten op nationaal en subnationaal niveau ter beschikking stellen ter bevordering van de bescherming en het duurzame gebruik van oceanen, zeeën en kusten, en ter stimulering van meer effectieve samenwerking tussen de lidstaten en hun kust- en eilandgebieden en ultraperifere regio’s, met inachtneming van de prioriteiten en de vooruitgang van nationale en plaatselijke projecten.

(18)

De acties van het programma moeten een aanvulling vormen op andere acties van de Unie, teneinde de coherente uitvoering van de wetgevingshandelingen van de Unie op de betrokken sectorale beleidsgebieden te verzekeren, waarbij doublures worden vermeden.

(19)

Tevens dienen voorschriften te worden vastgesteld op het gebied van de programmering van de maatregelen, de subsidiabiliteit van de uitgaven, het niveau van de financiële steun van de Unie, de belangrijkste voorwaarden voor het ter beschikking stellen van die steun, en de algemene begroting voor het programma.

(20)

Het programma moet worden uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (7) („het Financieel Reglement”), en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8).

(21)

Bij deze verordening wordt het meerjarenprogramma voor de financiële middelen vast-gesteld, dat voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure vormt in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (9).

(22)

Om de Commissie te helpen bij het toezicht op de uitvoering van deze verordening, dient te worden voorzien in de mogelijkheid om uitgaven op het gebied van toezicht, controles en evaluatie te financieren.

(23)

De jaarlijkse werkprogramma’s voor de uitvoering van het programma moeten door de Commissie worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (10).

(24)

Wat de krachtens de onderhavige verordening gefinancierde acties betreft, dienen de financiële belangen van de Europese Unie te worden beschermd overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (11), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (12) en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (13).

(25)

Om de doeltreffendheid van de financiering door de Unie te verzekeren, moeten de in het kader van deze verordening gefinancierde acties regelmatig worden geëvalueerd.

(26)

Voor geen enkele actie in het kader van het programma is een aanvullende rechtsgrondslag nodig.

(27)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van in het kader van het programma te financieren acties, beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau van de Unie, kan de Unie maatregelen aannemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt een programma ter ondersteuning van maatregelen voor de verdere ontwikkeling en uitvoering van het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie vastgesteld („het programma”).

Het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie („GMB”) bevordert een gecoördineerde en samenhangende besluitvorming om de duurzame ontwikkeling, de economische groei en de sociale samenhang van de lidstaten te maximaliseren, in het bijzonder voor wat betreft de kust- en eilandgebieden en de ultraperifere regio’s in de Unie en ook de maritieme sectoren, door middel van een samenhangend maritiem beleid en internationale samenwerking op dat vlak.

In het kader van het programma worden het duurzame gebruik van zeeën en oceanen en de uitbreiding van wetenschappelijke kennis ondersteund.

Artikel 2

Algemene doelstellingen

Het programma heeft de volgende algemene doelstellingen:

a)

het bevorderen van de ontwikkeling en implementatie van een geïntegreerd bestuur van maritieme en kustaangelegenheden;

b)

het bijdragen aan de ontwikkeling van sectoroverschrijdende instrumenten, namelijk maritieme ruimtelijke ordening, de gemeenschappelijke structuur voor gegevensuitwisseling (Common Informaton Sharing Environment, CISE) en maritieme kennis over oceanen, zeeën en kustgebieden die in de Unie liggen of eraan grenzen, ten einde synergie te creëren en ter ondersteuning van het zee- en kustbeleid, met name wat betreft economische ontwikkeling, werkgelegenheid, bescherming van het milieu, onderzoek, maritieme veiligheid, energie en ontwikkeling van groene maritieme technologieën, waarbij rekening wordt gehouden met, en voortgebouwd wordt op, bestaande instrumenten en initiatieven;

c)

het bevorderen van de bescherming van het mariene milieu, met name van de biodiversiteit, en ook het duurzame gebruik van de mariene en de kustrijkdommen, en het verder preciseren van de grenzen aan de duurzaamheid van menselijke activiteiten die een impact hebben op het mariene milieu, met name binnen het kader van Richtlijn 2008/56/EG (de kaderrichtlijn mariene strategie);

d)

het ondersteunen van de ontwikkeling en uitvoering van zeegebiedstrategieën;

e)

het verbeteren en het versterken van de externe samenwerking en coördinatie betreffende de doelstellingen van het GMB door het debat in internationale fora aan te zwengelen; in dit verband zullen derde landen worden aangespoord om het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (United Nations Convention on the Law of the Sea, UNCLOS) te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

f)

het ondersteunen van duurzame economische groei, werkgelegenheid, innovatie en nieuwe technologieën in de maritieme sectoren, de kust- en eilandgebieden en de ultraperifere regio’s in de Unie.

Artikel 3

Operationele doelstellingen

1.   In het kader van de in artikel 2, onder a), genoemde doelstelling (geïntegreerd maritiem bestuur), dient het programma:

a)

acties te bevorderen, die lidstaten en regio’s van de Unie ertoe aanzetten om een geïntegreerd maritiem bestuur te ontwikkelen, in te voeren of ten uitvoer te leggen;

b)

sectoroverschrijdende samenwerkingsplatforms en -netwerken te bevorderen, waaronder vertegenwoordigers van overheidsinstanties, lokale en regionale overheden, de sector, onderzoekers, burgers, maatschappelijke organisaties en de sociale partners;

c)

de zichtbaarheid van een geïntegreerde aanpak van maritieme aangelegenheden te vergroten en overheidsinstanties, de particuliere sector en het algemene publiek daarvan bewust te maken.

2.   In het kader van de in artikel 2, onder b), opgenomen doelstelling (sectoroverschrijdende instrumenten) bevordert het programma:

a)

de gemeenschappelijke gegevensuitwisselingstructuur voor het maritieme gebied van de Unie, die sector- en grensoverschrijdende uitwisseling van informatie bevordert, daarbij alle gebruikersgemeenschappen met elkaar verbindend, in overeenstemming met de beginselen van het geïntegreerd maritiem toezicht, zodat het veilige, beveiligde en duurzame gebruik van de maritieme ruimte wordt versterkt, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante ontwikkelingen van het sectorale beleid op het vlak van toezicht en wordt bijgedragen, waar nodig, aan de vereiste evolutie daarvan;

b)

de maritieme ruimtelijke ordening en het geïntegreerd beheer van kustgebieden, die beide belangrijke instrumenten zijn voor de duurzame ontwikkeling van mariene en kustgebieden en die beide bijdragen aan de doelstellingen van een op het ecosysteem gebaseerd beheer en de ontwikkeling van verbindingen tussen zee en land, en die ook de samenwerking tussen lidstaten vergemakkelijken, bijvoorbeeld wat betreft het ontwikkelen van experimentele en andere maatregelen waarbij de productie van hernieuwbare energie en het kweken van vis worden gecombineerd;

c)

een uitgebreide, publiek toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige mariene data- en kennisbank die het uitwisselen, het hergebruiken en het verspreiden van deze gegevens en van deze kennis tussen de verschillende gebruikersgroepen vergemakkelijkt, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande gegevens en zodoende dubbele gegevensbestanden worden vermeden; daartoe dient zo goed mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande programma’s van de Unie en de lidstaten, zoals Inspire (14) en GMES (15).

3.   In het kader van de in artikel 2, onder c), genoemde doelstelling (bescherming van het mariene milieu), dient het programma:

a)

de bescherming en het behoud van het mariene en kustmilieu te ondersteunen en lozingen in het mariene milieu te voorkomen en terug te dringen, met inbegrip van zwerfvuil op zee, teneinde vervuiling geleidelijk te elimineren;

b)

bij te dragen aan de gezondheid, de biodiversiteit en het herstellingsvermogen van de mariene en de kustecosystemen;

c)

de coördinatie tussen de lidstaten en andere actoren te vergemakkelijken bij het ten uitvoer leggen van de op het ecosysteem gebaseerde benadering voor het beheer van menselijke activiteiten en van het voorzorgsbeginsel;

d)

de ontwikkeling van methoden en normen te vergemakkelijken;

e)

maatregelen te bevorderen ten behoeve van het verminderen van, en de overeenkomstige aanpassing aan, de gevolgen van de klimaatverandering op het mariene, kust- en eilandmilieu, waarbij in het bijzonder aandacht moet worden besteed aan de gebieden die wat dit betreft het meest gevoelig zijn;

f)

de ontwikkeling te ondersteunen van strategische benaderingen voor onderzoek naar de huidige staat van de ecosystemen om te kunnen beschikken over een basis voor het op het ecosysteem gebaseerd beheer en de planning op regionaal en nationaal niveau.

4.   In het kader van de in artikel 2, onder d), genoemde doelstelling (zeegebiedstrategieën), dient het programma:

a)

de ontwikkeling en de uitvoering te ondersteunen van geïntegreerde zeegebiedstrategieën, rekening houdend met een evenwichtige aanpak in alle zeegebieden als ook met de bijzonderheden van de zeegebieden en onderzeegebieden, en, in voorkomend geval, met de desbetreffende macroregionale strategieën, en met name deze strategieën waarbinnen de diverse landen reeds gegevens en ervaringen uitwisselen en waarvoor reeds operationele multinationale structuren bestaan;

b)

het benutten van synergie tussen het nationale, het regionale en het uniale niveau te bevorderen en te vergemakkelijken, als ook het delen van informatie, waaronder aangaande methoden en normen, en het uitwisselen van beste praktijken op het gebied van maritiem beleid, met inbegrip van het goed beheer daarvan en sectoraal beleid dat een impact heeft op regionale zeeën en kustgebieden.

5.   In het kader van de in artikel 2, onder e), omschreven doelstelling (internationale dimensie) dient het programma:

a)

de voortzetting aan te moedigen van het werken aan, in nauwe samenwerking met de lidstaten, een geïntegreerd beleid met derde landen en actoren in derde landen die grenzen aan een zeegebied van de lidstaten van de Unie, onder meer wat betreft de ratificatie en uitvoering van UNCLOS;

b)

dialoog met derde landen aan te moedigen, met inachtneming van UNCLOS en de desbetreffende van kracht zijnde verdragen die op UNCLOS gebaseerd zijn;

c)

de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen, ter aanvulling op bestaande initiatieven, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van regionale strategieën op subregionaal niveau.

Deze operationele doelstellingen worden nagestreefd in samenhang met de instrumenten van de Unie voor ontwikkelingsamenwerking, waarbij de doelstellingen van de nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën in acht worden genomen.

6.   In het kader van de in artikel 2, onder f), genoemde doelstelling (groei, werkgelegenheid en innovatie), dient het programma:

a)

initiatieven voor groei en werkgelegenheid in de maritieme sectoren en in kust- en eilandgebieden te bevorderen;

b)

opleiding, onderwijs en carrièremogelijkheden in het kader van maritieme beroepen te bevorderen;

c)

de ontwikkeling van groene technologie, hernieuwbare mariene energiebronnen, groene scheepvaarttechnologie en kustvaart te bevorderen;

d)

de ontwikkeling van kust-, maritiem en eilandtoerisme te bevorderen.

Artikel 4

In aanmerking komende acties

In het kader van het programma kan steun worden verleend voor de volgende soorten acties in overeenstemming met de doelstellingen als omschreven in de artikelen 2 en 3:

a)

projecten, met inbegrip van proefprojecten; studies; onderzoek en operationele samenwerkingsprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor onderwijs, beroepsopleiding en bijscholing;

b)

openbare informatie en het uitwisselen van beste praktijen, bewustmaking en daaraan gerelateerde communicatie- en verspreidingsactiviteiten, met inbegrip van publiciteitscampagnes en evenementen, en de ontwikkeling en het onderhoud van websites en desbetreffende sociale netwerken en gegevensbanken;

c)

conferenties, seminars, workshops en fora van belanghebbenden;

d)

het samenbrengen, controleren, visualiseren, en het openbaar toegankelijk maken van een aanzienlijk corpus van data, beste praktijken en databanken over door de Unie gefinancierde regionale projecten, waar nodig via een voor één of meer van deze doelstellingen opgericht secretariaat, hetgeen het vaststellen van gemeenschappelijke en eenvormige normen voor gegevensverzameling en -verwerking zal vereenvoudigen;

e)

acties betreffende horizontale instrumenten, met inbegrip van proefprojecten.

Artikel 5

Aard van de financiële interventie

1.   De financiële steun van de Unie kan de volgende juridische vormen aannemen:

a)

subsidies, waarvoor per actie een maximumpercentage co-financiering door de Unie van 80 % geldt;

b)

overeenkomsten voor overheidsopdrachten;

c)

administratieve regelingen met het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek.

2.   In het kader van het programma mogen zowel subsidies voor acties als exploitatiesubsidies worden toegekend. Tenzij in het Financieel Reglement anders is bepaald, worden de begunstigden van de subsidies of van de overeenkomsten voor overheidsopdrachten geselecteerd naar aanleiding van een uitnodiging tot het indienen van voorstellen of een aankondiging van een overheidsopdracht.

Artikel 6

Begunstigden

1.   De financiële steun uit hoofde van het programma kan bij voorrang worden verleend aan natuurlijke personen of rechtspersonen die onder het privaat- of publiekrecht van één van de lidstaten of het recht van de Unie vallen.

2.   Ook derde landen die een zeegebied met de lidstaten van de Unie delen en belanghebbende partijen in deze derde landen, alsmede internationale organisaties of instanties die één of meer van de algemene en operationele doelstellingen van de artikelen 2 en 3 nastreven, komen voor steun in het kader van het programma in aanmerking. Bij elke maatregel moeten deelnemers uit de Unie betrokken zijn.

3.   Het recht om aan een procedure deel te nemen, wordt nader omschreven in de desbetreffende uitnodiging tot het indienen van voorstellen of de aankondiging voor een overheidsopdracht.

Artikel 7

Uitvoeringsbeginselen

1.   Voor de op grond van het programma gefinancierde acties kan geen steun worden ontvangen uit andere financieringsinstrumenten van de Unie. Er dient te worden gestreefd naar synergie en complementariteit met andere instrumenten van de Unie. Acties in het kader van het programma dienen de uitvoering van desbetreffend sectoraal beleid aan te vullen.

2.   De Commissie zorgt ervoor dat aanvragers voor financiële steun uit het programma en begunstigen van die steun haar gedetailleerde gegevens over de financiering van de acties verstrekken. Financiële steun uit hoofde van het programma wordt enkel toegekend voor zover er geen andere financiering van de Unie beschikbaar is.

3.   De in het kader van het programma gesteunde acties komen overeen met de doelen en het beleid van de Unie voor 2020 en 2050. Alle lidstaten, maritieme sectoren en kustgebieden, eilandgebieden en ultraperifere regio’s moeten in aanmerking kunnen komen van het programma en er dient een echte Europese toegevoegde waarde te worden gecreëerd. In relatie tot het verstrekken van steun aan acties in de verschillende zeegebieden, dient te worden gestreefd naar een adequaat regionaal evenwicht.

4.   De door het programma gesteunde acties bevorderen en versterken de dialoog, de samenwerking en de coördinatie met en tussen lidstaten, EU-regio’s, belanghebbende partijen, burgers, maatschappelijke organisaties en de sociale partners, en zorgen daarbij voor volledige transparantie.

5.   De door het programma gesteunde acties faciliteren de optimale benutting van synergie, alsmede de uitwisseling van informatie en van methoden, normen en beste praktijken.

6.   De beginselen van goed bestuur en transparantie van de besluitvormingsprocessen zijn van toepassing op de uitvoering van het programma, en het programma heeft tot doel bij te dragen tot transparantie en goed bestuur in alle gerelateerde sectorale beleidsgebieden op het niveau van de Unie en op nationaal en regionaal niveau.

Artikel 8

Uitvoeringsprocedures

1.   De Commissie voert het programma uit in overeenstemming met het Financieel Reglement.

2.   Met het oog op de uitvoering van het programma overeenkomstig de in de artikelen 2 en 3 omschreven doelstellingen, stelt de Commissie jaarlijkse werkprogramma’s vast volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 9

Begrotingsmiddelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van het programma bedragen 40 000 000 EUR voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013.

2.   De voor het programma toegewezen begrotingsmiddelen worden opgevoerd in de jaarlijkse kredieten van de algemene begroting van de Unie. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegekend binnen de grenzen van het financiële kader.

3.   De verdeling van de middelen over de in artikel 2 omschreven algemene doelstellingen is aangegeven in de bijlage.

Artikel 10

Technische bijstand

1.   Maximaal 1 % van de in artikel 9 vastgestelde financiële middelen kan ook worden gebruikt ter dekking van de noodzakelijke uitgaven voor voorbereidende activiteiten en werkzaamheden voor toezicht, controle, audit- of evaluatie die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de effectieve en efficiënte uitvoering van acties die op basis van deze verordening in aanmerking komen en voor de verwezenlijking van de in deze verordening vastgestelde doelstellingen.

2.   De in lid 1 bedoelde activiteiten kunnen in het bijzonder betrekking hebben op studies, deskundigenvergaderingen, uitgaven voor informatica-instrumenten, -systemen en -netwerken, en andere technische, wetenschappelijke en administratieve ondersteuning en expertise die de Commissie voor de uitvoering van deze verordening nodig heeft.

Artikel 11

Toezicht

1.   Elke ontvanger van financiële steun dient bij de Commissie technische en financiële verslagen in over de voortgang van de uit hoofde van het programma gefinancierde werkzaamheden. Tevens wordt binnen drie maanden na het afsluiten van elk project een eindverslag ingediend.

2.   Onverminderd de financiële controles die door de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”) worden uitgevoerd in overleg met de bevoegde nationale controle-instanties of -diensten, en onverminderd eventuele op grond van artikel 322, lid 1, onder b), VWEU uitgevoerde controles, voeren ambtenaren en andere personeelsleden van de Commissie controles ter plaatse uit, met inbegrip van steekproefsgewijze controles op projecten en andere maatregelen die onder het programma zijn gefinancierd, in het bijzonder om na te gaan of is voldaan aan de doelstellingen van het programma en aan de selectiecriteria, zoals omschreven in de artikelen 2, 3 en 4 van deze verordening.

3.   De contracten en overeenkomsten die voortkomen uit de uitvoering van deze verordening, voorzien in het bijzonder in het toezicht en de financiële controle door de Commissie, of door een door haar gemachtigde vertegenwoordiger, en in financiële controles door de Rekenkamer, voor zover nodig uit te voeren ter plaatste.

4.   Elke ontvanger van financiële steun houdt alle bewijsstukken met betrekking tot de uitgaven voor een project ter beschikking van de Commissie gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de laatste betaling ten behoeve van dat project.

5.   De Commissie past op basis van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen en steekproefsgewijze controles zo nodig de hoogte van of de toekenningsvoorwaarden voor de oorspronkelijk toegekende financiële steun alsmede het betaalschema aan.

6.   De Commissie verifieert of de uit hoofde van het programma gefinancierde acties correct zijn uitgevoerd, of zij stroken met maatregelen die in het kader van ander sectoraal beleid en instrumenten zijn genomen en of zij in overeenstemming zijn met deze verordening en met het Financieel Reglement.

Artikel 12

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   De Commissie ziet er bij de uitvoering van uit hoofde van het programma gefinancierde acties op toe dat de financiële belangen van de Unie worden beschermd aan de hand van:

a)

de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten,

b)

doeltreffende controles,

c)

de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen, en

d)

de toepassing van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, wanneer onregelmatigheden worden geconstateerd.

2.   De Commissie voert het bepaalde in lid 1 uit in overeenstemming met Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 en Verordening (EG) nr. 1073/1999.

3.   De Commissie vermindert de voor een actie toegekende financiering, schorst de uitbetaling ervan of vordert deze terug indien zij onregelmatigheden vaststelt, met inbegrip van de niet-naleving van deze verordening of van het individuele besluit of van het contract of van de overeenkomst waarbij de financiering werd toegekend, of indien aan het licht komt dat, zonder dat de Commissie daarvoor om toestemming werd verzocht, de actie werd gewijzigd op een manier die in strijd is met de aard of de uitvoeringsvoorwaarden ervan.

4.   Indien de termijnen niet in acht zijn genomen of indien de stand van uitvoering van een actie slechts een gedeelte van de toegekende steun rechtvaardigt, verzoekt de Commissie de begunstigde haar binnen een bepaalde termijn zijn opmerkingen mede te delen. Indien de begunstigde geen geldige verantwoording verstrekt, kan de Commissie de rest van de financiële steun schrappen en de terugbetaling van de reeds betaalde bedragen eisen.

5.   Elk ten onrechte betaalde bedrag moet aan de Commissie worden terugbetaald. Bedragen die niet tijdig worden terugbetaald, worden verhoogd met vertragingsrente, volgens de in het Financieel Reglement vastgestelde voorwaarden.

6.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „onregelmatigheid” verstaan: elke inbreuk op het EU-recht of elke schending van een contractuele verplichting in de vorm van een handelen of nalaten van een deelnemer aan het economische verkeer, dat, vanwege de daaruit voortvloeiende onverschuldigde uitgaven, de algemene begroting van de Unie of de door de Unie beheerde begrotingen benadeelt of kan benadelen.

Artikel 13

Rapportage, evaluatie en verlenging

1.   De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad regelmatig en stipt op de hoogte van haar werkzaamheden.

2.   De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad de volgende documenten in:

a)

uiterlijk op 31 december 2012, een voortgangsverslag; het voortgangsverslag omvat een evaluatie van de impact van het programma op andere beleidsgebieden van de Unie;

b)

uiterlijk op 31 december 2014, een verslag houdende een ex post evaluatie.

3.   De Commissie dient zo nodig een wetgevingsvoorstel in tot verlenging van het programma na 2013, tezamen met passende financiële middelen.

Artikel 14

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

J. VINCENT-ROSTOWSKI


(1)  PB C 107 van 6.4.2011, blz. 64.

(2)  PB C 104 van 2.4.2011, blz. 47.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 17 november 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 24 november 2011.

(4)  PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 30.

(5)  Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(6)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(7)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(8)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.

(9)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(10)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(11)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(12)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(13)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(14)  Infrastructure for Spatial Information in Europe (infrastructuur voor ruimtelijke informatie in Europa) — Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).

(15)  Global Monitoring for Environment and Security (wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid) — Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 1).


BIJLAGE

ALGEMENE TOEWIJZING VAN MIDDELEN VOOR IN ARTIKEL 2 GENOEMDE UITGAVENTERREINEN  (1)

Algemene doelstellingen (artikel 2)

 

a)

Ontwikkeling en implementatie van het geïntegreerd bestuur van maritieme en kustaangelegenheden en zichtbaarheid van het GMB

minimaal 4 %

b)

Ontwikkeling van sectoroverschrijdende instrumenten

minimaal 60 %

c)

Bescherming van het mariene en het kustmilieu en duurzaam gebruik van mariene en kustrijkdommen

minimaal 8 %

d)

Ontwikkeling en uitvoering van zeegebiedstrategieën

minimaal 8 %

e)

Externe samenwerking en coördinatie van de internationale dimensie van het GMB

maximaal 1 %

f)

Duurzame economische groei, werkgelegenheid, innovatie en nieuwe technologieën

minimaal 4 %


(1)  Maximaal één derde van het deel dat niet in deze bijlage wordt aangewezen, wordt gebruikt voor de doelstelling vermeld in artikel 2, onder b) (sectoroverschrijdende instrumenten).


GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

Het Europees Parlement en de Raad sluiten niet uit dat in toekomstige programma's na 2013 gedelegeerde handelingen worden vastgesteld op basis van Commissievoorstellen ter zake.


GEZAMENLIJKE VERKLARING VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

Krachtens artikel X belopen de financiële middelen voor de uitvoering van het programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van het GMB voor 2011-2013 40 miljoen EUR. Deze middelen bestaan uit 23,14 miljoen EUR uit de begroting van 2011 zonder gebruik te maken van de beschikbare marge in rubriek 2 van het meerjarig financieel kader, een bedrag van 16,66 miljoen EUR, onder meer middelen voor technische bijstand, die zijn opgenomen in de ontwerpbegroting en door de Raad aanvaard bij zijn lezing van de begroting van 2012, en een extra bedrag van 200 000 EUR voor technische bijstand die wordt opgenomen in de begroting voor 2013.

De begroting van 2011 dient daartoe te worden gewijzigd om de noodzakelijke nomenclatuur te creëren en de kredieten in de reserve op te nemen. In de aangenomen begrotingen voor 2012 en 2013 moeten de bedragen voor die jaren worden opgenomen.