ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2011.306.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 306

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

54e jaargang
23 november 2011


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied

1

 

*

Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied

8

 

*

Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid

12

 

*

Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden

25

 

*

Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

33

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten

41

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

23.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/1


VERORDENING (EU) Nr. 1173/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 136 juncto artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De lidstaten die de euro als munt hebben, hebben een bijzonder belang en een bijzondere verantwoordelijkheid om een economisch beleid te voeren dat een goede werking van de economische en monetaire unie bevordert, en om zich te onthouden van beleid waarmee die werking in gevaar wordt gebracht.

(2)

Ingevolge het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kunnen specifieke maatregelen in het eurogebied worden genomen, die verder gaan dan de bepalingen die voor alle lidstaten gelden, teneinde de goede werking van de economische en monetaire unie zeker te stellen.

(3)

De ervaringen en de fouten van de eerste tien jaar van de economische en monetaire unie laten zien dat er behoefte is aan een verbeterd economisch bestuur in de Unie, dat berust op een sterkere nationale betrokkenheid bij gezamenlijk overeengekomen regels en beleid, en op een robuuster kader op het niveau van de Unie voor toezicht op het nationale economische beleid.

(4)

Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden en coherente beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, in het bijzonder een strategie van de Unie voor groei en banen, met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen en het versterken van de interne markt, het bevorderen van internationale handelsbetrekkingen en concurrentievermogen, een Europees semester voor betere coördinatie van het economische en het begrotingsbeleid, een effectief kader om voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact, SGP), een robuust kader voor het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor nationale begrotingskaders en betere regulering van en controle op de financiële markten, waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico’s.

(5)

Het SGP en het complete kader voor economisch bestuur moeten de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid aanvullen en daarmee verenigbaar zijn. De verwevenheid van de verschillende onderdelen mag er niet toe leiden dat uitzonderingen op de bepalingen van het SGP worden toegestaan.

(6)

Het tot stand brengen en handhaven van een dynamische interne markt moet worden beschouwd als een onderdeel van de goede en soepele werking van de economische en monetaire unie.

(7)

De Commissie moet een krachtiger rol spelen in de verscherpte toezichtprocedure voor wat betreft de voor elke lidstaat specifieke beoordelingen, monitoring, bezoeken ter plaatse, aanbevelingen en waarschuwingen. Bij het nemen van besluiten over sancties moet de rol van de Raad worden beperkt en moet worden gestemd op basis van een omgekeerde gekwalificeerde meerderheid.

(8)

De Commissie moet controlebezoeken uitvoeren om een permanente dialoog met de lidstaten te verzekeren teneinde de doelstellingen van deze verordening te realiseren.

(9)

De Commissie moet op gezette tijden een brede evaluatie verrichten van het systeem voor economisch bestuur, en met name naar de effectiviteit en toereikendheid van de sancties. Dergelijke evaluaties worden indien nodig aangevuld met toepasselijke voorstellen.

(10)

Bij het ten uitvoer leggen van deze verordening dient de Commissie de economische situatie van de betreffende lidstaten op dat ogenblik in haar overwegingen te betrekken.

(11)

Versterking van het economische bestuur moet een nauwere en meer tijdige betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen behelzen.

(12)

Er kan een economische dialoog met het Europees Parlement worden ingesteld, die de Commissie in staat stelt haar analyses publiek te maken en die de voorzitter van de Raad, de Commissie en in voorkomend geval de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de Eurogroep de gelegenheid biedt hierover debat te voeren. Een dergelijk openbaar debat kan aanleiding geven tot een discussie over de grensoverschrijdende effecten van nationale besluiten en kan aanzetten tot publieke groepsdruk op de desbetreffende spelers. Erkennend dat in het kader van deze dialoog de desbetreffende instellingen van de Unie en hun vertegenwoordigers de tegenhangers van het Europees Parlement zijn, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lidstaat die het onderwerp is van een door de Raad krachtens artikel 4, 5 en 6 van deze verordening genomen besluit, de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling. Deelname van de lidstaat aan een dergelijke gedachtewisseling geschiedt op vrijwillige basis.

(13)

Er zijn aanvullende sancties nodig om de effectiviteit van het begrotingstoezicht in het eurogebied te vergroten. Deze sancties moeten de geloofwaardigheid van het budgettaire toezichtskader van de Unie versterken.

(14)

De in deze verordening vastgelegde regels moeten voorzien in billijke, tijdige, graduele en effectieve mechanismen voor de naleving van het preventieve en het corrigerende deel van het SGP, en met name Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (4) en Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (5), waarbij de naleving van de begrotingsdiscipline wordt gecontroleerd op basis van de criteria aangaande overheidstekort en overheidsschuld.

(15)

De sancties, onder deze verordening en gebaseerd op het preventieve deel van het SGP, tegen de lidstaten die de euro als munt hebben moeten voorzien in prikkels die aanzetten tot aanpassing en handhaving van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting.

(16)

Om met opzet of door ernstige nalatigheid veroorzaakte onjuiste voorstelling te ontmoedigen voor wat betreft gegevens aangaande het overheidstekort en de overheidsschuld, welke van essentieel belang zijn voor de coördinatie van het economisch beleid, moeten boeten worden opgelegd aan lidstaten die daarvoor verantwoordelijk zijn.

(17)

Teneinde de regels inzake de berekening van de boeten voor manipulatie van statistieken aan te vullen alsook de regels inzake de procedure die de Commissie voor het onderzoek van dergelijke acties moet volgen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomst artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van gedetailleerde criteria voor het vaststellen van het bedrag van de boete en voor het uitvoeren van onderzoeken van de Commissie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(18)

Met betrekking tot het preventieve deel van het SGP moeten de aanpassing aan en de handhaving van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting worden bewerkstelligd door middel van het opleggen van een tijdelijke verplichting voor een lidstaat die de euro als munt heeft en die onvoldoende vooruitgang boekt met de consolidatie van de begroting, om een rentedragend deposito te storten. Dit dient het geval te zijn wanneer een lidstaat, inclusief een lidstaat wiens begrotingstekort beneden de referentiewaarde van 3 % van het bruto binnenlandse product (bbp) ligt, significant afwijkt van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of het geëigende aanpassingstraject daar naartoe, en hij de afwijking niet bijstelt.

(19)

Het opgelegde rentedragende deposito moet tezamen met de rente aan de betrokken lidstaat worden teruggegeven zodra de Raad ervan overtuigd is dat een einde is gekomen aan de situatie naar aanleiding waarvan dit deposito moest worden gestort.

(20)

Met betrekking tot het corrigerende deel van het SGP moeten sancties voor de lidstaten die de euro als munt hebben, de vorm aannemen van een verplichte storting van een niet-rentedragend deposito ingevolge een besluit van de Raad, waarbij wordt vastgesteld dat er een buitensporig tekort bestaat, indien reeds aan de betrokken lidstaat in het kader van het preventieve deel van het SGP een rentedragend deposito is opgelegd, of in gevallen van bijzonder ernstige niet-naleving van de in het SGP vastgelegde verplichtingen inzake begrotingsbeleid, of de verplichte betaling van een boete wanneer geen gevolg wordt gegeven aan een aanbeveling van de Raad om een buitensporig overheidstekort te corrigeren.

(21)

Om te voorkomen dat de door deze verordening voorziene sancties onder het preventieve deel van het SGP met terugwerkende kracht worden toegepast, mogen die sancties slechts worden toegepast in verband met de desbetreffende besluiten die krachtens Verordening (EG) nr. 1466/97 door de Raad worden vastgesteld na de inwerkingtreding van deze verordening. Evenzeer mogen, om te voorkomen dat de door deze verordening voorziene sancties onder het corrigerende deel van het SGP met terugwerkende kracht worden toegepast, die sancties enkel worden toegepast in verband met de desbetreffende aanbevelingen en besluiten om een buitensporig overheidstekort te corrigeren, die na de inwerkingtreding van deze verordening door de Raad worden vastgesteld.

(22)

De hoogte van de rentedragende deposito’s, van de niet-rentedragende deposito’s en van de boeten waarin deze verordening voorziet, moet zodanig worden vastgesteld dat een redelijke gradering van sancties in het preventieve en in het corrigerende deel van het SGP gewaarborgd is en de lidstaten die de euro als munt hebben, voldoende worden gestimuleerd om het begrotingskader van de Unie in acht te nemen. Boeten ingevolge artikel 126, lid 11, VWEU, en zoals gespecificeerd in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1467/97, bestaan uit een vaste component van 0,2 % van het bbp en uit een variabele component. De gradering en de gelijke behandeling van lidstaten zijn aldus gewaarborgd indien het rentedragende deposito, het niet-rentedragende deposito en de boete, zoals gespecificeerd in de onderhavige verordening, 0,2 % van het bbp bedragen, zijnde de hoogte van de vaste component van de boete ingevolge artikel 126, lid 11, VWEU.

(23)

Aan de Raad moet de mogelijkheid worden verleend om de sancties, opgelegd aan lidstaten die de euro als munt hebben, te verlagen of in te trekken op basis van een aanbeveling van de Commissie naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de betrokken lidstaat. In het corrigerende deel van het SGP moet de Commissie ook de mogelijkheid hebben om een verlaging of de intrekking van een sanctie op grond van uitzonderlijke economische omstandigheden aan te bevelen.

(24)

Het niet-rentedragende deposito moet na de correctie van het buitensporige tekort worden vrijgegeven, terwijl de rente op dergelijke deposito’s en de geïnde boeten moeten worden toegewezen aan stabilisatiemechanismen voor de verlening van financiële steun, die zijn ingesteld door de lidstaten die de euro als munt hebben teneinde de stabiliteit van het eurogebied in zijn geheel te waarborgen.

(25)

De bevoegdheid om individuele besluiten voor de toepassing van de in deze verordening voorziene sancties vast te stellen, moet aan de Raad worden verleend. Als onderdeel van de binnen de Raad gevoerde coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten als bedoeld in artikel 121, lid 1, VWEU, vormen die individuele besluiten een integraal vervolg op de maatregelen die door de Raad overeenkomstig de artikelen 121 en 126 VWEU en de Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en (EG) nr. 1467/97 zijn genomen.

(26)

Aangezien de onderhavige verordening algemene regels voor een effectieve handhaving van de Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en (EG) nr. 1467/97 bevat, moet zij worden vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure als bedoeld in artikel 121, lid 6, VWEU.

(27)

Aangezien het doel van deze verordening, namelijk het instellen van een sanctieregeling om de handhaving van het preventieve en het corrigerende deel van het SGP in het eurogebied te versterken, niet voldoende op nationaal niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (TEU), maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan hetgeen nodig is om dat doel te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een sanctieregeling ter versterking van de handhaving van het preventieve en het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact in het eurogebied ingesteld.

2.   Deze verordening is van toepassing op de lidstaten die de euro als munt hebben.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact”: het multilaterale toezichtsysteem zoals opgezet bij Verordening (EG) nr. 1466/97;

2.   „corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact”: de procedure voor het voorkomen van buitensporige tekorten van lidstaten, zoals vastgesteld bij artikel 126 VWEU en Verordening (EG) nr. 1467/97;

3.   „uitzonderlijke economische omstandigheden”: omstandigheden waarin een overschrijding van de referentiewaarde voor het overheidstekort als uitzonderlijk wordt beschouwd in de zin van artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, VWEU en zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 1467/97.

HOOFDSTUK II

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 3

Economische dialoog

Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie te versterken, met name tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en om een grotere transparantie en toerekenbaarheid te verzekeren, kan de ter zake bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en in voorkomend geval de voorzitter van de Europese Raad of voorzitter van de eurogroep verzoeken voor de commissie te verschijnen om besluiten die krachtens artikelen 4, 5 en 6 van deze verordening zijn genomen, te bespreken.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat, op wie dergelijke besluiten betrekking hebben, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

HOOFDSTUK III

SANCTIES IN HET PREVENTIEVE DEEL VAN HET STABILITEITS- EN GROEIPACT

Artikel 4

Rentedragende deposito’s

1.   Indien de Raad een besluit neemt, waarin wordt vastgesteld dat een lidstaat geen maatregelen heeft genomen in vervolg op de aanbeveling van de Raad als bedoeld in artikel 6, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1466/97, beveelt de Commissie, binnen 20 dagen na de vaststelling van het besluit door de Raad, de Raad aan om middels een nieuw besluit de betrokken lidstaat te verplichten om bij de Commissie een rentedragend deposito te storten ten bedrage van 0,2 % van zijn bbp in het voorgaande jaar.

2.   Het besluit waarbij om een storting wordt verzocht, wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij de Raad binnen tien dagen na de aanneming van de aanbeveling door de Commissie met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling van de Commissie te verwerpen.

3.   De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid de aanbeveling van de Commissie wijzigen en de aldus gewijzigde tekst als besluit van de Raad vaststellen.

4.   De Commissie kan, naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat de betrokken lidstaat aan de Commissie heeft gestuurd binnen tien dagen na de vaststelling van het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad betreffende het achterwege blijven van maatregelen, aanbevelen dat de Raad het bedrag van het rentedragende deposito vermindert of het deposito opheft.

5.   Het rentedragende deposito draagt een rente die aansluit bij het kredietrisico van de Commissie en bij de desbetreffende beleggingsperiode.

6.   Indien de situatie niet langer bestaat, naar aanleiding waarvan de in artikel 6, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1466/97 bedoelde aanbeveling van de Raad is genomen, besluit de Raad op grond van een nieuwe aanbeveling van de Commissie dat het deposito en de opgebouwde rente aan de betrokken lidstaat moeten worden teruggegeven. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid de nieuwe aanbeveling van de Commissie wijzigen.

HOOFDSTUK IV

SANCTIES IN HET CORRIGERENDE DEEL VAN HET STABILITEITS- EN GROEIPACT

Artikel 5

Niet-rentedragende deposito’s

1.   Indien de Raad krachtens artikel 126, lid 6, VWEU besluit dat er een buitensporig tekort bestaat in een lidstaat die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze verordening een rentedragend deposito bij de Commissie heeft gestort, of waar de Commissie bijzonder ernstige vormen van niet-naleving van de bij het SGP vastgestelde verplichtingen ten aanzien van het begrotingsbeleid heeft geconstateerd, beveelt de Commissie, binnen 20 dagen na de vaststelling van het besluit van de Raad, de Raad aan om middels een nieuw besluit de betrokken lidstaat te verplichten bij de Commissie een niet-rentedragend deposito ten bedrage van 0,2 % van zijn bbp in het voorgaande jaar te storten.

2.   Het besluit waarbij een storting wordt geëist, wordt geacht door de Raad te zijn aangenomen tenzij hij, binnen tien dagen na de vaststelling van de aanbeveling door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen.

3.   De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid de aanbeveling van de Commissie wijzigen en de aldus gewijzigde tekst als besluit van de Raad vaststellen.

4.   De Commissie kan, wegens uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat de betrokken lidstaat aan de Commissie heeft gestuurd binnen tien dagen na de vaststelling van het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad krachtens artikel 126, lid 6, VWEU, aanbevelen dat de Raad het bedrag van het niet-rentedragende deposito vermindert of dit deposito opheft.

5.   Het deposito wordt bij de Commissie gestort. Indien de lidstaat overeenkomstig artikel 4 bij de Commissie een rentedragend deposito heeft gestort, wordt dat rentedragende deposito omgezet in een niet-rentedragend deposito.

Indien het bedrag van een overeenkomstig artikel 4 gestorte rentedragend deposito inclusief de opgebouwde rente meer bedraagt dan het bedrag van het overeenkomstig lid 1 van dit artikel te storten niet-rentedragende deposito, wordt het verschil aan de lidstaat teruggegeven.

Indien het bedrag van het niet-rentedragende deposito meer bedraagt dan het bedrag van een overeenkomstig artikel 4 gestorte rentedragend deposito inclusief de opgebouwde rente, voldoet de lidstaat bij de storting van het niet-rentedragende deposito het verschil.

Artikel 6

Boeten

1.   Indien de Raad krachtens artikel 126, lid 8, VWEU besluit dat de lidstaat geen effectieve maatregelen heeft genomen om een einde te maken aan zijn buitensporig tekort, beveelt de Commissie, binnen 20 dagen na de vaststelling van dat besluit, de Raad aan om middels een nieuw besluit een boete op te leggen ten bedrage van 0,2 % van het bbp van die lidstaat in het voorgaande jaar.

2.   Het besluit waarbij een boete wordt opgelegd, wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij hij, binnen tien dagen na de vaststelling van de aanbeveling door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling van de Commissie te verwerpen.

3.   De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid de aanbeveling van de Commissie wijzigen en de aldus gewijzigde tekst vaststellen als besluit van de Raad.

4.   De Commissie kan, wegens uitzonderlijke economische omstandigheden of naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek dat de betrokken lidstaat aan de Commissie heeft gestuurd binnen tien dagen na de vaststelling van het in lid 1 bedoelde besluit van de Raad krachtens artikel 126, lid 8, VWEU, aanbevelen dat de Raad het bedrag van de boete vermindert of de boete opheft.

5.   Indien de lidstaat overeenkomstig artikel 5 bij de Commissie een niet-rentedragend deposito heeft gestort, wordt het niet-rentedragende deposito omgezet in een boete.

Indien het bedrag van een overeenkomstig artikel 5 gestorte niet-rentedragend deposito meer bedraagt dan de vereiste boete, wordt het verschil aan de lidstaat teruggegeven.

Indien het bedrag van de boete meer bedraagt dan een overeenkomstig artikel 5 gestorte niet-rentedragend deposito, of indien geen niet-rentedragende deposito is gestort, voldoet de lidstaat bij de betaling van de boete het verschil.

Artikel 7

Teruggave van niet-rentedragende deposito’s

Indien de Raad krachtens artikel 126, lid 12, VWEU besluit om zijn besluiten of sommige daarvan in te trekken, wordt elk niet-rentedragend deposito die bij de Commissie is gestort, aan de desbetreffende lidstaat teruggegeven.

HOOFDSTUK V

SANCTIES BIJ MANIPULATIE VAN STATISTIEKEN

Artikel 8

Sancties bij manipulatie van statistieken

1.   De Raad kan, op grond van een aanbeveling van de Commissie, besluiten een boete op te leggen aan een lidstaat die met opzet of door ernstige nalatigheid gegevens aangaande overheidstekort en overheidsschuld, die van belang zijn voor de toepassing van artikel 121 of artikel 126 VWEU of het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, verkeerd voorstelt.

2.   De in lid 1 bedoelde boeten zijn doeltreffend, afschrikkend en evenredig met de aard, de ernst en de duur van de verkeerde voorstelling. De boete bedraagt maximaal 0,2 % van het bbp van de betrokken lidstaat.

3.   De Commissie kan alle onderzoeken uitvoeren, die nodig zijn om het bestaan van verkeerde voorstellingen als bedoeld in lid 1 vast te stellen. De Commissie kan besluiten een onderzoek te openen als zij meent dat er serieuze indicaties zijn voor het bestaan van feiten die een dergelijke verkeerde voorstelling kunnen vormen. Bij het onderzoek naar de vermeende verkeerde voorstellingen houdt de Commissie rekening met de opmerkingen van de betrokken lidstaat. Voor de uitvoering van haar taken kan de Commissie de lidstaat verzoeken informatie te verschaffen en kan ter plaatse inspecties uitvoeren; zij heeft toegang tot de rekeningen van alle overheidsinstanties op centraal, staats- en lokaal niveau en met betrekking tot de sociale zekerheid. Indien volgens het recht van de betrokken lidstaat voor inspecties ter plaatse de voorafgaande gerechtelijke toestemming is vereist, dient de Commissie daartoe de nodige verzoeken in.

Na voltooiing van het onderzoek en voordat zij een voorstel voorlegt aan de Raad, stelt Commissie de betrokken lidstaat in de gelegenheid gehoord te worden over de zaken die het voorwerp uitmaken van het onderzoek. De Commissie baseert elk voorstel aan de Raad uitsluitend op feiten waarover de betrokken lidstaat de gelegenheid heeft gehad om opmerkingen in te dienen.

De Commissie eerbiedigt gedurende de onderzoeken ten volle het recht op verdediging van de betrokken lidstaat.

4.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 11 gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot:

a)

gedetailleerde criteria ter vaststelling van de hoogte van de boete als bedoeld in lid 1;

b)

gedetailleerde regels met betrekking tot de onderzoeksprocedures als bedoeld in lid 3, de bijkomende maatregelen en de rapportage over de onderzoeken;

c)

gedetailleerde procedureregels die erop gericht zijn om de rechten van verdediging, de toegang tot het dossier, juridische vertegenwoordiging, geheimhouding te waarborgen en ook regels voor wat betreft het tijdstip en de inning van de boeten als bedoeld in lid 1.

5.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft volledige rechtsmacht inzake beroepen tegen besluiten van de Raad waarbij een boete in overeenstemming met lid 1 is vastgesteld. Het kan de aldus opgelegde boete intrekken, verminderen of verhogen.

HOOFDSTUK VI

ADMINISTRATIEVE AARD VAN DE SANCTIES EN VERDELING VAN DE RENTE EN DE BOETEN

Artikel 9

Administratieve aard van de sancties

Sancties opgelegd krachtens de artikelen 4 tot en met 8 zijn administratief van aard.

Artikel 10

Verdeling van de rente en boeten

De rente die de Commissie heeft verdiend op de overeenkomstig artikel 5 gestorte deposito’s en de overeenkomstig de artikelen 6 en 8 geïnde boeten, vormen andere ontvangsten als bedoeld in artikel 311 VWEU en worden toegewezen aan de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit. Wanneer de lidstaten die de euro als munt hebben een ander stabilisatiemechanisme voor de verlening van financiële steun instellen teneinde de stabiliteit van het eurogebied in zijn geheel te waarborgen, worden de rente en de boeten aan dat mechanisme toegewezen.

HOOFDSTUK VII

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 11

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de voorwaarden van dit artikel.

2.   De in artikel 8, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van drie jaar met ingang van 13 december 2011. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de termijn van drie jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen een verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 8, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 12

Stemming in de Raad

1.   Met betrekking tot de in de artikelen 4, 5, 6 en 8 bedoelde maatregelen hebben alleen de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben, stemrecht en besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

2.   Een gekwalificeerde meerderheid van de in het eerste lid bedoelde leden van de Raad wordt gedefinieerd overeenkomstig artikel 238, lid 3, onder b), VWEU.

Artikel 13

Evaluatie

1.   Uiterlijk 14 december 2014, en daarna elke vijf jaar, brengt de Commissie een verslag uit over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag worden onder meer beoordeeld:

a)

de doeltreffendheid van de verordening, ook met betrekking tot de vraag of deze de Raad en de Commissie in staat stelt op te treden bij situaties die de goede werking van de monetaire unie in gevaar kunnen brengen;

b)

de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en een aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.   Dit verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijzigingen van deze verordening.

3.   Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

4.   Vóór eind 2011 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de mogelijkheid van invoering van euro-obligaties.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.

(2)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 46.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2011.

(4)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(5)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.


23.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/8


VERORDENING (EU) Nr. 1174/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 136, in samenhang met artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden en coherente beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, in het bijzonder een strategie van de Unie voor groei en banen, met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen en het versterken van de interne markt, het bevorderen van internationale handel en concurrentievermogen, een Europees semester voor betere coördinatie van het economisch en het begrotingsbeleid (Europees semester), een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact, SGP), een robuust kader voor het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor nationale begrotingskaders, en betere regulering van en toezicht op de financiële markten, waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico’s.

(2)

Betrouwbare statistische gegevens vormen de basis voor toezicht op macro-economische onevenwichtigheden. Teneinde over betrouwbare en onafhankelijke statistische gegevens te kunnen beschikken, moeten de lidstaten de professionele onafhankelijkheid van de nationale statistische instanties waarborgen, die in overeenstemming moet zijn met de praktijkcode Europese statistieken als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek (4). Voor toezicht op macro-economische onevenwichtigheden is daarnaast de beschikbaarheid van betrouwbare begrotingsgegevens belangrijk. Deze vereist moet worden gewaarborgd door de desbetreffende regels in Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende doeltreffend begrotingstoezicht in het eurogebied (5), en in het bijzonder artikel 8 daarvan.

(3)

De coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten binnen de Unie moet worden ontwikkeld in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de richtsnoeren inzake werkgelegenheid, zoals bepaald in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en moet de naleving van de volgende grondbeginselen met zich mee te brengen: stabiele prijzen, gezonde en houdbare overheidsfinanciën en monetaire condities, alsook een houdbare betalingsbalans.

(4)

De ervaringen en de fouten van de eerste tien jaar van de economische en monetaire unie laten zien dat er behoefte is aan een verbeterd economisch bestuur in de Unie, dat berust op een sterkere nationale betrokkenheid bij gezamenlijk overeengekomen regels en beleid, en op een robuuster kader op het niveau van de Unie voor toezicht op het nationale economische beleid.

(5)

Het tot stand brengen en handhaven van een dynamische interne markt moet worden beschouwd als onderdeel van de goede en soepele werking van de economische en monetaire unie.

(6)

In het bijzonder moet het toezicht op het economisch beleid van de lidstaten worden verruimd tot meer dan louter budgettair toezicht, zodat het een meer gedetailleerd en formeel kader omvat waarmee buitensporige macro-economische onevenwichtigheden kunnen worden voorkomen en de betrokken lidstaten kunnen worden geholpen corrigerende plannen op te stellen, voordat de verschillen een blijvend karakter krijgen en voordat economische en financiële ontwikkelingen blijvend omslaan in een uiterst ongunstige richting. Een dergelijke verruiming van het toezicht op het economisch beleid moet gepaard gaan met een verdieping van het begrotingstoezicht.

(7)

Om dergelijke buitensporige macro-economische onevenwichtigheden te helpen corrigeren, is een gedetailleerde, wettelijk vastgelegde procedure noodzakelijk.

(8)

Het is passend om het in artikel 121, leden 3 en 4, VWEU bedoelde multilaterale toezicht aan te vullen met specifieke bepalingen voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden, alsmede voor de preventie en correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie. Het is van essentieel belang dat de procedure wordt verankerd in de jaarlijkse cyclus voor multilateraal toezicht.

(9)

Versterking van het economisch bestuur moet een nauwere en meer tijdige betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen behelzen. Erkennend dat in het kader van deze dialoog de desbetreffende instellingen van de Unie en hun vertegenwoordigers de tegenhangers van het Europees Parlement zijn, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lidstaat die het onderwerp is van een besluit van de Raad waarbij in overeenstemming met deze Verordening een rentedragend deposito of een jaarlijkse boete wordt opgelegd, de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling. Deelname van de lidstaat aan een dergelijke gedachtewisseling geschiedt op vrijwillige basis.

(10)

De Commissie moet een krachtiger rol spelen in de verscherpte toezichtprocedure voor wat betreft de voor elke lidstaat specifieke beoordelingen, monitoring, bezoeken ter plaatse, aanbevelingen en waarschuwingen.

(11)

De handhaving van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (6) moet worden versterkt door rentedragende deposito’s in te stellen in het geval van niet-naleving van de aanbeveling om corrigerende maatregelen te nemen. Dergelijke deposito’s moeten worden omgezet in een jaarlijkse boete in het geval dat de niet-naleving van de aanbeveling om buitensporige macro-economische onevenwichtigheden aan te pakken binnen dezelfde onevenwichtighedenprocedure wordt voortgezet. Die handhavingsmaatregelen moeten van toepassing zijn op lidstaten die de euro als munt hebben.

(12)

Indien geen gevolg wordt gegeven aan aanbevelingen van de Raad, moet het rentedragende deposito of de boete worden opgelegd totdat de Raad vaststelt dat de lidstaat corrigerende maatregelen heeft getroffen om aan zijn aanbevelingen te voldoen.

(13)

Daarnaast moet het herhaaldelijk nalaten door een lidstaat om een plan met corrigerende maatregelen op te stellen, waarmee gevolg zou worden gegeven aan de aanbeveling van de Raad, eveneens als regel met een jaarlijkse boete worden bestraft totdat de Raad heeft vastgesteld dat de lidstaat in een plan met corrigerende maatregelen heeft voorzien, dat in voldoende mate gevolg geeft aan zijn aanbeveling.

(14)

Om te zorgen voor gelijke behandeling tussen de lidstaten moeten het rentedragende deposito en de boete identiek zijn voor alle lidstaten die de euro als munt hebben, namelijk 0,1 % van het bruto binnenlands product (bbp) van de betrokken lidstaat in het voorgaande jaar.

(15)

De Commissie moet de mogelijkheid hebben om aan te bevelen het bedrag van een sanctie te verminderen of de sanctie in te trekken op grond van buitengewone economische omstandigheden.

(16)

De procedure voor de toepassing van sancties op de lidstaten die nalaten effectieve maatregelen te nemen om de buitensporige macro-economische onevenwichtigheden te corrigeren, moet in die zin worden geïnterpreteerd dat de toepassing van de sancties op die lidstaten de regel en niet de uitzondering zou zijn.

(17)

De in deze verordening bedoelde boeten moeten worden aangemerkt als andere ontvangsten als bedoeld in artikel 311 VWEU en moeten worden toegewezen aan stabilisatiemechanismen voor de verlening van financiële steun die door de lidstaten die de euro als munt hebben, zijn ingesteld teneinde de stabiliteit van het eurogebied in zijn geheel te waarborgen.

(18)

De bevoegdheid om individuele besluiten te nemen voor de toepassing van de sancties waarin deze verordening voorziet, moet aan de Raad worden verleend. Als onderdeel van de binnen de Raad gevoerde coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten als bedoeld in artikel 121, lid 1, VWEU, vormen die individuele besluiten een integraal vervolg op de maatregelen die door de Raad overeenkomstig artikel 121 VWEU en Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn genomen.

(19)

Aangezien deze verordening algemene bepalingen bevat voor de effectieve handhaving van Verordening (EU) nr. 1176/2011, moet deze worden vastgesteld overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure als bedoeld in artikel 121, lid 6, VWEU.

(20)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, met name de effectieve handhaving van de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege de sterke commerciële en financiële verwevenheid tussen de lidstaten en de overloopeffecten van nationaal economisch beleid op de Unie en het eurogebied als geheel, en daarom beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening stelt een sanctieregeling vast voor de effectieve correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied.

2.   Deze verordening is van toepassing op lidstaten die de euro als munt hebben.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1176/2011.

Voorts wordt verstaan onder:

„uitzonderlijke economische omstandigheden”: omstandigheden waarin een overschrijding van een overheidstekort boven de referentiewaarde als uitzonderlijk wordt beschouwd in de zin van artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, VWEU en zoals gespecificeerd in Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (7).

Artikel 3

Sancties

1.   Een rentedragend deposito wordt bij besluit van de Raad opgelegd, waarbij de Raad handelt op grond van een aanbeveling van de Commissie, als de Raad overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 een besluit betreffende corrigerende maatregelen heeft vastgesteld en de Raad concludeert dat de betrokken lidstaat de door de Raad aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen.

2.   Een jaarlijkse boete wordt bij besluit van de Raad opgelegd, waarbij de Raad handelt op basis van een aanbeveling van de Commissie, indien:

a)

binnen dezelfde onevenwichtighedenprocedure twee opeenvolgende aanbevelingen van de Raad worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 en de Raad oordeelt dat het door de lidstaat ingediende actieplan met corrigerende maatregelen niet volstaat; of

b)

binnen dezelfde onevenwichtighedenprocedure overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 twee opeenvolgende besluiten van de Raad worden vastgesteld, waarin wordt vastgesteld dat sprake is van niet-naleving. In dit geval wordt de jaarlijkse boete opgelegd door omzetting van het rentedragende deposito in een jaarlijkse boete.

3.   De besluiten zoals bedoeld in de leden 1 en 2 worden geacht door de Raad te zijn aangenomen tenzij de Raad, binnen tien dagen na de aanneming van de aanbeveling door de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid besluiten de aanbeveling te wijzigen.

4.   De Commissie brengt haar aanbeveling voor een besluit van de Raad uit binnen twintig dagen nadat de in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden vervuld zijn.

5.   Het rentedragende deposito of de jaarlijkse boete, aanbevolen door de Commissie, bedraagt 0,1 % van het bbp van de betrokken lidstaat in het voorgaande jaar.

6.   In afwijking van lid 5 kan de Commissie op grond van uitzonderlijke economische omstandigheden of op een met redenen omkleed verzoek van de betrokken lidstaat dat binnen tien dagen nadat aan de in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden is voldaan aan de Commissie wordt gericht, voorstellen het bedrag van het rentedragende deposito te verminderen of op te heffen.

7.   Als een lidstaat voor een bepaald kalenderjaar een rentedragend deposito heeft vastgezet of een jaarlijkse boete heeft betaald en de Raad daarna overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1176/2011 concludeert dat de lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen in de loop van dat jaar genomen heeft, wordt de voor dat jaar vastgezette deposito, samen met de opgebouwde rente, of de voor dat jaar betaalde boete aan de lidstaat pro rata temporis terugbetaald.

Artikel 4

Toewijzing van de boeten

Boeten als bedoeld in artikel 3 van deze verordening vormen andere ontvangsten als bedoeld in artikel 311 VWEU en worden toegewezen aan de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit. Wanneer de lidstaten die de euro als munt hebben een ander stabilisatiemechanisme voor de verlening van financiële steun instellen teneinde de stabiliteit van het eurogebied in zijn geheel te waarborgen, worden die boeten aan dat mechanisme toegewezen.

Artikel 5

Stemming binnen de Raad

1.   Met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde maatregelen hebben alleen de leden van de Raad stemrecht, die lidstaten vertegenwoordigen welke de euro als munt hebben, en besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

2.   Een gekwalificeerde meerderheid van de in het eerste lid bedoelde leden van de Raad wordt bepaald overeenkomstig artikel 238, lid 3, onder b), VWEU.

Artikel 6

Economische dialoog

Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en verantwoordelijkheid, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de eurogroep in de commissie uitnodigen om de overeenkomstig artikel 3 genomen besluiten te bespreken.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop dergelijke besluiten betrekking hebben, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

Artikel 7

Evaluatie

1.   Uiterlijk 14 december 2014, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag wordt onder meer beoordeeld:

a)

de doeltreffendheid van deze verordening;

b)

de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van nauwere coördinatie van het economisch beleid en aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.   Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

3.   De Commissie legt het verslag en eventuele begeleidende voorstellen voor aan het Europees Parlement en aan de Raad.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.

(2)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 53.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2011.

(4)  PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

(5)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(6)  Zie bladzijde 25 van dit Publicatieblad.

(7)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.


23.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/12


VERORDENING (EU) Nr. 1175/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De coördinatie van het economische beleid van de lidstaten binnen de Unie, zoals bepaald in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), moet de naleving van de volgende grondbeginselen met zich mee te brengen: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities, alsook een houdbare betalingsbalans.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact (SGP) bestond aanvankelijk uit Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (3), Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (4) en de resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 betreffende het stabiliteits- en groeipact (5). De Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en (EG) nr. 1467/97 zijn in 2005 gewijzigd bij respectievelijk Verordeningen (EG) nr. 1055/2005 (6) en (EG) nr. 1056/2005 (7). Daarnaast is het verslag van de Raad van 20 maart 2005 met als titel „De uitvoering van het stabiliteits- en groeipact verbeteren” (8) goedgekeurd.

(3)

Het SGP is gebaseerd op de doelstelling van gezonde openbare financiën als middel ter versterking van de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een sterke duurzame groei die berust op financiële stabiliteit, waarbij tegelijk de realisatie van de doelstellingen van de Unie voor duurzame groei en werkgelegenheid worden ondersteund.

(4)

Het preventieve deel van het SGP vereist dat lidstaten een middellangetermijndoelstelling voor de begroting verwezenlijken en handhaven en daartoe stabiliteits- en convergentieprogramma's indienen. Het zou baat hebben bij striktere vormen van toezicht om de consequente toepassing en de naleving van het budgettaire coördinatiekader van de Unie door de lidstaten te waarborgen.

(5)

De inhoud van de stabiliteits- en convergentieprogramma's, alsook de procedure voor de toetsing ervan, moeten zowel op nationaal als op uniaal niveau verder worden ontwikkeld in het licht van de ervaring die met de uitvoering van het SGP is opgedaan.

(6)

De begrotingsdoelstellingen in de stabiliteits- en convergentieprogramma's moeten expliciet rekening houden met de maatregelen die zijn vastgesteld in overeenstemming met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten en de Unie en, in het algemeen, met de nationale hervormingsprogramma's.

(7)

Het indienen en beoordelen van stabiliteits- en convergentieprogramma's moet plaatsvinden voordat belangrijke besluiten over de nationale begrotingen voor de daaropvolgende jaren worden genomen. Daarom moet een gepaste termijn worden vastgesteld voor het indienen van de stabiliteits- en convergentieprogramma's. Gelet op de specifieke kenmerken van het begrotingsjaar in het Verenigd Koninkrijk moeten bijzondere bepalingen worden vastgesteld voor de datum waarop de Britse convergentieprogramma's moeten worden ingediend.

(8)

De ervaringen en de fouten van de eerste tien jaar van de economische en monetaire unie laten zien dat er behoefte is aan een verbeterd economisch bestuur in de Unie, dat berust op een sterkere nationale betrokkenheid bij gezamenlijk overeengekomen regels en beleid, en op een robuuster kader op het niveau van de Unie voor toezicht op het nationale economische beleid.

(9)

Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden en coherente beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, in het bijzonder een strategie van de Unie voor groei en banen, met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen en het versterken van de interne markt, het bevorderen van internationale handel en concurrentievermogen, een Europees semester voor betere coördinatie van het economisch en het begrotingsbeleid (Europees semester), een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het SGP), een robuust kader voor het voorkomen en corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor nationale begrotingskaders en betere regulering van en toezicht op de financiële markten, waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico's.

(10)

Het SGP en het complete kader voor economisch beheer vormen een aanvulling op en ondersteunen de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid. De verwevenheid van de verschillende onderdelen mag er niet toe leiden dat uitzonderingen op de bepalingen van het SGP worden toegestaan.

(11)

De versterking van het economische bestuur moet een nauwere en meer tijdige betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen behelzen. Erkennend dat in het kader van de dialoog de desbetreffende instellingen van de Unie en hun vertegenwoordigers de tegenhangers van het Europees Parlement zijn, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lidstaat die het onderwerp is van een aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 2, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling. Deelname van de lidstaat aan deze gedachtewisseling geschiedt op vrijwillige basis.

(12)

De Commissie moet een krachtiger rol spelen in de verscherpte toezichtprocedure voor wat betreft de voor elke lidstaat specifieke beoordelingen, monitoring, bezoeken ter plaatse, aanbevelingen en waarschuwingen.

(13)

De stabiliteits- en convergentieprogramma's en de nationale hervormingsprogramma's moeten op coherente wijze worden opgesteld en de tijdstippen voor de indiening moeten op elkaar worden afgestemd. Deze programma's moeten worden ingediend bij de Raad en de Commissie. Zij moeten openbaar worden gemaakt.

(14)

In het kader van het Europees semester begint de cyclus voor beleidstoezicht en -coördinatie aan het begin van het jaar met een horizontale beoordeling waarbij de Europese Raad, op basis van gegevens van de Commissie en de Raad, de voornaamste uitdagingen van de Unie en het eurogebied aangeeft en strategische richtsnoeren voor het te volgen beleid verstrekt. Ook in het Europees Parlement moet tijdig aan het begin van de jaarlijkse toezichtscyclus een debat worden gehouden, voordat het debat plaatsvindt in de Europese Raad. De lidstaten dienen met de horizontale richtsnoeren van de Europese Raad rekening te houden bij het opstellen van hun stabiliteits- of convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's.

(15)

Om de nationale betrokkenheid bij het SGP te versterken, dienen nationale begrotingskaders geheel in overeenstemming te zijn met de doelstellingen van multilateraal toezicht in de Unie, en met name met het Europees semester.

(16)

De nationale parlementen moeten, met inachtneming van de wettelijke en politieke regeling in elke lidstaat, naar behoren bij het Europees semester en de voorbereiding van de stabiliteitsprogramma's, convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's worden betrokken, om de transparantie van, de toe-eigening van en de verantwoordelijkheid voor de genomen besluiten te vergroten. In passende gevallen dienen het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming in het kader van het Europees semester te worden geraadpleegd. Belanghebbenden, met name de sociale partners, dienen in passende gevallen in het kader van het Europees semester te worden betrokken, wat de belangrijkste beleidskwesties betreft, overeenkomstig de bepalingen van het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regelingen.

(17)

Het aanhouden van de middellangetermijndoelstelling voor begrotingssituaties dient de lidstaten toe te staan om een veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde van 3 % van het bbp te hebben, zodat houdbare overheidsfinanciën, of een snelle ontwikkeling in de richting van een houdbare situatie, wordt gewaarborgd en tegelijk budgettaire manoeuvreerruimte wordt gelaten, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de behoefte aan overheidsinvesteringen. De middellangetermijndoelstelling voor de begroting dient regelmatig te worden geactualiseerd volgens een gezamenlijk overeengekomen methode waarin naar behoren rekening wordt gehouden met de risico's van de expliciete en impliciete verplichtingen voor de overheidsfinanciën, zoals die zijn vervat in de doelstellingen van het SGP.

(18)

De verplichting om de middellangetermijndoelstelling voor de begroting te verwezenlijken en te handhaven, moet in werking worden gesteld door een nauwkeurige omschrijving van de beginselen voor het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling. Deze beginselen moeten onder meer waarborgen dat meevallers aan de inkomstenzijde, namelijk hogere inkomsten dan normaal kan worden verwacht van de economische groei, worden gebruikt voor schuldvermindering.

(19)

De verplichting om de middellangetermijndoelstelling voor de begroting te verwezenlijken en te handhaven dient voor alle lidstaten te gelden.

(20)

Of met betrekking tot de middellangetermijndoelstelling voor de begroting voldoende vooruitgang is geboekt, moet worden beoordeeld op basis van een algehele evaluatie met het structurele saldo als ijkpunt, en inclusief een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. In dit verband zou, zolang de middellangetermijndoelstelling voor de begroting niet is verwezenlijkt, het groeipercentage van de overheidsuitgaven normaliter niet hoger mogen liggen dan een middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp, waarbij een overschrijding van die norm wordt opgevangen door discretionaire verhogingen van de overheidsontvangsten, en discretionaire verminderingen van de ontvangsten worden gecompenseerd door uitgavenreducties. Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp moet worden berekend volgens een gezamenlijk overeengekomen methode. De Commissie dient de berekeningsmethode voor die prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiele groei van het bbp openbaar te maken. Er moet rekening worden gehouden met de potentieel zeer grote variabiliteit van de investeringsuitgaven, vooral wat de kleine lidstaten betreft.

(21)

Een sneller aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting moet verplicht worden gesteld voor lidstaten die een schuldquote van meer dan 60 % van het bbp hebben of die een uitgesproken risico lopen wat de algehele houdbaarheid van de schuldpositie betreft.

(22)

Ten einde economisch herstel te bevorderen moet een tijdelijke afwijking van het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling worden toegestaan, wanneer deze het gevolg is van een buitengewone, buiten de macht van de lidstaat vallende gebeurtenis die een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid of in geval van een ernstige economische neergang voor het eurogebied of in de Unie als geheel, mits dit niet de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn in gevaar brengt. Bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van de verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject daar naartoe moet ook worden bekeken of er grote structurele hervormingen worden doorgevoerd, op voorwaarde dat er een veiligheidsmarge voor het voldoen aan de tekortreferentiewaarde wordt aangehouden. Bijzondere aandacht dient in dit verband te worden besteed aan systemische pensioenhervormingen, waarbij de afwijking de directe incrementele kosten moet weerspiegelen van het herleiden van de bijdragen van de openbaar beheerde pijler naar de pijler met volledige kapitaaldekking. Maatregelen waarbij de activa van de pijler met volledige kapitaaldekking naar de openbaar beheerde pijler worden overgebracht, moeten als eenmalig en tijdelijk worden aangemerkt en dienen derhalve niet te worden meegenomen in het structurele saldo, dat als uitgangspunt dient voor het beoordelen van de vooruitgang met betrekking tot de middellangetermijndoelstelling voor de begroting.

(23)

Wanneer een afwijking van het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting significant is, dient de Commissie een waarschuwing te richten tot de betrokken lidstaat, waarna de Raad binnen een maand de situatie beoordeelt en een aanbeveling doet voor het nemen van de nodige aanpassingsmaatregelen. De aanbeveling dient een termijn vast te stellen van niet meer dan vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De betrokken lidstaat dient bij de Raad verslag uit te brengen over de ondernomen actie. Indien de betrokken lidstaat nalaat om binnen de door de Raad gestelde termijn passende actie te ondernemen, moet de Raad een besluit vaststellen dat geen effectieve actie is ondernomen en verslag uitbrengen aan de Europese Raad. Het is van belang dat verzuim door lidstaten om passende actie te ondernemen tijdig wordt vastgesteld, vooral wanneer het verzuim aanhoudt. De Commissie moet de mogelijkheid hebben om de Raad aan te bevelen herziene aanbevelingen vast te stellen. De Commissie moet indien nodig de ECB kunnen verzoeken om deel te nemen aan een toezichtmissie voor lidstaten binnen het eurogebied en voor lidstaten die deelnemen aan de Overeenkomst van 16 maart 2006 tussen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten buiten het eurogebied waarin de operationele procedures voor een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn neergelegd (9) (WKM2). De Commissie dient aan de Raad verslag uit te brengen over het resultaat van de missie en moet indien nodig kunnen besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

(24)

Aan de Raad moet de bevoegdheid worden verleend om afzonderlijke besluiten vast te stellen waarin de niet-naleving wordt geconstateerd van de op grond van artikel 121, lid 4, VWEU door de Raad geformuleerde aanbevelingen tot vaststelling van beleidsmaatregelen in geval een lidstaat significant afwijkt van het aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting. Als onderdeel van de coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, zoals deze ingevolge artikel 121, lid 1, VWEU in het kader van de Raad plaatsvindt, vormen deze individuele besluiten een integrale follow-up van de desbetreffende aanbevelingen, die de Raad overeenkomstig artikel 124, lid 4, VWEU vaststelt. De schorsing van het stemrecht van de leden van de Raad die de lidstaten vertegenwoordigen die de euro niet als munt hebben, in verband met de vaststelling door de Raad van een besluit waarin de niet-naleving wordt geconstateerd van de aanbevelingen op basis van artikel 121, lid 4, VWEU gericht tot een lidstaat die de euro wel als munt heeft, is een direct gevolg van het feit dat dergelijk besluit een integrale follow-up vormt van die aanbeveling en een direct gevolg van de bepaling in artikel 139, lid 4, VWEU volgens dewelke het recht om over dergelijke aanbevelingen te stemmen wordt voorbehouden aan lidstaten die de euro als munt hebben.

(25)

Om de naleving van het kader voor begrotingstoezicht van de Unie voor de lidstaten wier munt de euro is te waarborgen, dient op grond van artikel 136 VWEU een specifiek handhavingsmechanisme te worden ingesteld voor gevallen waarin sprake is van een significante afwijking van het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting.

(26)

Bij de verwijzingen in Verordening (EG) nr. 1466/97 dient rekening te worden gehouden met de nieuwe artikelnummering van het VWEU.

(27)

Verordening (EG) nr. 1466/97 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1466/97 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

In deze verordening worden de regels vastgesteld betreffende de inhoud, de indiening, de beoordeling en de bewaking van de stabiliteitsprogramma's en convergentieprogramma's als onderdeel van het multilaterale toezicht door de Raad en de Commissie, teneinde in een vroeg stadium te voorkomen dat buitensporige overheidstekorten zich voordoen, en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid te bevorderen, en daarbij tegelijkertijd de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie voor groei en werkgelegenheid te ondersteunen.”.

2)

Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „deelnemende lidstaten”: de lidstaten die de euro als munt hebben;

b)   „niet-deelnemende lidstaten”: de andere lidstaten dan die welke de euro als munt hebben.”.

3)

De volgende afdeling wordt ingevoegd:

„AFDELING 1-BIS

EUROPEES SEMESTER VOOR ECONOMISCHE BELEIDSCOÖRDINATIE

Artikel 2-bis

1.   Om nauwere coördinatie van het economisch beleid en duurzame convergentie van de economische prestaties van de lidstaten te waarborgen, oefent de Raad het multilaterale toezicht uit als integraal onderdeel van het Europees semester voor economische beleidscoördinatie in overeenstemming met de doelstellingen en bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

2.   Het Europees semester omvat:

a)

het opstellen van en het toezicht op de uitvoering van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie (globale richtsnoeren voor het economisch beleid) overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU;

b)

het opstellen, en het inspecteren van de uitvoering, van de richtsnoeren inzake werkgelegenheid waarmee de lidstaten rekening moeten houden overeenkomstig artikel 148, lid 2, VWEU (richtsnoeren inzake werkgelegenheid);

c)

het indienen en het beoordelen van de stabiliteits- of convergentieprogramma's van de lidstaten overeenkomstig deze verordening;

d)

het indienen en het beoordelen van de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten die de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid ondersteunen en die zijn opgesteld in overeenstemming met de richtsnoeren als bedoeld in punten a) en b) en de algemene richtsnoeren voor de lidstaten die door de Commissie en de Europese Raad worden gepubliceerd aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus;

e)

het toezicht voor de preventie en de correctie van macro-economische onevenwichtigheden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (10).

3.   In de loop van het Europees semester, en ten einde tijdig en geïntegreerd beleidsadvies over de macrofiscale en macrostructurele beleidsintenties te verstrekken, richt de Raad, na de beoordeling van deze programma's op basis van aanbevelingen van de Commissie, als hoofdregel richtsnoeren aan de lidstaten, waarbij volledig gebruik wordt gemaakt van de wettelijke instrumenten die onder artikelen 121 en 148 VWEU en onder deze verordening en Verordening (EU) nr. 1176/2011 zijn voorzien.

De lidstaten houden naar behoren rekening met de aan hen gerichte richtsnoeren bij de ontwikkeling van hun economisch, werkgelegenheids- en begrotingsbeleid alvorens belangrijke besluiten met betrekking tot hun nationale begroting voor de volgende jaren te nemen. De Commissie houdt toezicht op de vooruitgang.

Als een lidstaat nalaat om de ontvangen richtsnoeren op te volgen, kan dit leiden tot:

a)

verdere aanbevelingen om specifieke maatregelen te nemen;

b)

een waarschuwing van de Commissie op grond van artikel 121, lid 4, VWEU;

c)

maatregelen op grond van deze verordening, Verordening (EG) nr. 1467/97 of Verordening (EU) nr. 1176/2011.

De uitvoering van de maatregelen wordt onderworpen aan versterkt toezicht door de Commissie en kan toezichtmissies op grond van artikel -11 van deze verordening omvatten.

4.   Het Europees Parlement wordt naar behoren bij het Europees semester betrokken om de transparantie van, de toe-eigening van en de verantwoordelijkheid voor de genomen besluiten te vergroten, in het bijzonder door middel van de economische dialoog overeenkomstig artikel 2-bis ter van deze verordening. Het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming worden in passende gevallen in het kader van het Europees semester geraadpleegd. Ter zake dienende belanghebbenden, met name de sociale partners, worden in passende gevallen in het kader van het Europees semester bij de belangrijkste beleidskwestie betrokken, in overeenstemming met de bepalingen van het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regelingen.

De voorzitter van de Raad, en de Commissie in overeenstemming met artikel 121 VWEU, en, in voorkomend geval, de voorzitter van de eurogroep, brengen jaarlijks aan het Europees Parlement en aan de Europese Raad verslag uit over de resultaten van het multilaterale toezicht. Deze verslagen maken deel uit van de economische dialoog als bedoeld in artikel 2-bis ter van deze verordening.

4)

De volgende afdeling wordt ingevoegd:

„AFDELING 1-BIS bis

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 2-bis ter

1.   Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, te versterken en een grotere mate van transparantie en toerekenbaarheid te garanderen, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en in voorkomend geval de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de eurogroep uitnodigen om in de commissie te verschijnen ten einde het volgende te bespreken:

a)

de informatie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die de commissie in overeenstemming met artikel 121, lid 2, VWEU van de Raad heeft ontvangen;

b)

de algemene richtsnoeren aan de lidstaten die de Commissie aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus uitgebracht;

c)

de conclusies die de Europese Raad heeft vastgesteld met betrekking tot oriëntaties voor het economisch beleid in het kader van het Europees semester;

d)

de resultaten van het multilaterale toezicht dat op grond van deze verordening is uitgeoefend;

e)

de conclusies die de Europese Raad heeft vastgesteld met betrekking tot de oriëntaties voor en de resultaten van het multilaterale toezicht;

f)

een eventuele beoordeling van de uitoefening van het multilaterale toezicht aan het einde van het Europees semester;

g)

de aanbevelingen van de Raad die in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU aan de lidstaten zijn gericht in geval van een significante afwijking alsmede het door de Raad aan de Europese Raad uitgebrachte verslag als bedoeld in artikel 6, lid 2, en artikel 10, lid 2, van deze verordening.

2.   Van de Raad wordt als hoofdregel verwacht dat hij de aanbevelingen en voorstellen van de Commissie opvolgt of zijn standpunt publiekelijk toelicht.

3.   De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan een lidstaat die het onderwerp is van een aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 2, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

4.   De Raad en de Commissie informeren het Europees Parlement op regelmatige basis over de toepassing van deze verordening.”.

5)

Artikel 2 bis wordt vervangen door:

„Artikel 2 bis

Elke lidstaat heeft een gedifferentieerde middellangetermijndoelstelling voor zijn begrotingssituatie. Deze landspecifieke middellangetermijndoelstellingen voor de begroting kunnen afwijken van het vereiste van een begrotingssituatie die vrijwel in evenwicht is dan wel een overschot vertoont, zolang wordt voorzien in een veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde voor het overheidstekort van 3 % van het bbp. De middellangetermijndoelstellingen voor de begroting dient de houdbaarheid van de overheidsfinanciën of snelle vorderingen richting dergelijke houdbaarheid te garanderen, waarbij ruimte wordt gelaten voor budgettaire armslag, in het bijzonder gelet op de behoefte aan publieke investeringen.

Rekening houdend met deze factoren worden middellangetermijndoelstellingen voor de begroting voor de deelnemende lidstaten en voor de lidstaten die deel uitmaken van WKM2, per land bepaald binnen een vastgestelde marge tussen -1 % van het bbp en evenwicht dan wel overschot, na correctie voor conjunctuurschommelingen en ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen.

De middellangetermijndoelstelling voor de begroting wordt om de drie jaar bijgesteld. De middellangetermijndoelstelling voor de begroting van een lidstaat kan verder worden bijgesteld in het geval dat een structurele hervorming met een grote invloed op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën wordt uitgevoerd.

Het halen van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting maakt deel uit van de nationale begrotingskaders voor de middellange termijn overeenkomstig hoofdstuk IV van Richtlijn 2011/85/EU van 8 november 2011 van de Raad tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (11)

6)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Elke deelnemende lidstaat verstrekt aan de Raad en aan de Commissie met het oog op het regelmatige multilaterale toezicht krachtens artikel 121 VWEU de nodige informatie in de vorm van een stabiliteitsprogramma, dat een essentiële basis verschaft voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën die bevorderlijk is voor prijsstabiliteit, een sterke duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid.”;

b)

in lid 2 worden de punten a), b) en c) vervangen door:

„a)

de middellangetermijndoelstelling voor de begroting en het aanpassingstraject met het oog op het bereiken van deze doelstelling voor het overheidsaldo als percentage van het bbp, de verwachte ontwikkeling van de schuldquote van de overheid, het geplande groeipad van de overheidsuitgaven, met inbegrip van de overeenkomstige toewijzing voor bruto-investeringen in vaste activa, in het bijzonder gelet op de voorwaarden en criteria voor de vaststelling van de uitgavengroei als bedoeld in artikel 5, lid 1, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid en een kwantificering van de geplande discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde;

a bis)

informatie over impliciete verplichtingen die verband houden met vergrijzing en voorwaardelijke verplichtingen, bijvoorbeeld overheidsgaranties, met potentieel grote gevolgen voor de overheidsrekeningen;

a ter)

informatie over de consistentie van het stabiliteitsprogramma met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en het nationale hervormingsprogramma;

b)

de voornaamste veronderstellingen over verwachte economische ontwikkelingen en belangrijke economische variabelen die voor het verwezenlijken van het stabiliteitsprogramma van belang zijn, zoals de investeringsuitgaven van de overheid, de reële groei van het bbp, de werkgelegenheid en de inflatie;

c)

een kwantitatieve beoordeling van de budgettaire en andere economische beleidsmaatregelen die worden genomen of voorgesteld om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken, inclusief een kosten-batenanalyse van grote structurele hervormingen met rechtstreekse positieve gevolgen voor de begroting op de lange termijn, mede door verhoging van de duurzame potentiële groei;”;

c)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.   Het stabiliteitsprogramma wordt gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudente scenario. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de meest recente prognoses van de Commissie en indien nodig met die van andere onafhankelijke instanties. Significante verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de prognoses van de Commissie worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van externe aannames significant afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

De exacte aard van de informatie in de punten a), a bis), b), c) en d) van lid 2 wordt omschreven in een geharmoniseerd kader dat door de Commissie wordt opgesteld in samenwerking met de lidstaten.”;

d)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De gegevens over de ontwikkeling van het overheidsaldo en van de schuldquote van de overheid, de groei van de overheidsuitgaven, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid, de geplande, discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, die behoorlijk moeten zijn gekwantificeerd, en de belangrijkste economische aannames als bedoeld in lid 2, onder a) en b), zijn op jaarbasis en hebben betrekking op het voorafgaande jaar, het lopende jaar en ten minste de drie volgende jaren.

4.   Elk programma omvat informatie over de status ervan in het kader van de nationale procedures, in het bijzonder of het programma is voorgelegd aan het nationale parlement, en of het nationale parlement de gelegenheid heeft gehad om een debat te hebben over het oordeel van de Raad betreffende het voorgaande programma of, indien hiervan sprake is, over een aanbeveling of een waarschuwing, en ook of het programma door het parlement is goedgekeurd.”.

7)

Artikel 4 wordt vervangen door:

„Artikel 4

1.   De stabiliteitsprogramma's worden jaarlijks ingediend in april, bij voorkeur medio april en uiterlijk 30 april.

2.   De lidstaten maken hun stabiliteitsprogramma's openbaar.”.

8)

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

1.   Op basis van beoordelingen door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité toetst de Raad in het kader van het multilaterale toezicht op grond van artikel 121 VWEU de middellangetermijndoelstellingen voor de begroting, zoals de desbetreffende lidstaten deze in hun stabiliteitsprogramma hebben beschreven, en beoordeelt de Raad of de economische veronderstellingen waarop het programma is gebaseerd, realistisch zijn, of het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, met inbegrip van het begeleidingstraject voor de schuldquote, passend is en of de met het oog op het voldoen aan het aanpassingstraject genomen of voorgenomen maatregelen afdoende zijn om de middellangetermijndoelstelling voor de begroting gedurende de cyclus te halen.

De Raad en de Commissie onderzoeken, wanneer zij het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting beoordelen, of de betrokken lidstaat een passende jaarlijkse verbetering van zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo nastreeft, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, die nodig is om zijn middellangetermijndoelstelling voor de begroting te bereiken, waarbij 0,5 % van het bbp geldt als benchmark. Voor lidstaten die een overheidsschuld van meer dan 60 % van het bbp hebben of aantoonbare risico's lopen wat betreft de algehele houdbaarheid van de schuldpositie, onderzoeken de Raad en de Commissie of de jaarlijkse verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, groter is dan 0,5 % van het bbp. De Raad en de Commissie nemen in aanmerking of in economisch goede tijden een grotere aanpassing wordt nagestreefd, terwijl in economisch slechte tijden een minder zware inspanning toelaatbaar kan zijn. Er wordt met name rekening gehouden met mee- en tegenvallers aan de ontvangstenzijde.

Of met betrekking tot de middellangetermijndoelstelling voor de begroting voldoende vooruitgang is geboekt, wordt beoordeeld op basis van een algehele evaluatie met het structurele saldo als het ijkpunt, en inclusief een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. De Raad en de Commissie beoordelen hiertoe of het groeipad van de overheidsuitgaven, gezien in samenhang met het effect van de genomen of geplande maatregelen aan de ontvangstenzijde, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd;

b)

voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een percentage beneden een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd. De grootte van het tekort van het groeipercentage van de overheidsuitgaven, afgezet tegen een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, wordt op zodanige wijze bepaald dat een deugdelijke aanpassing richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting wordt gewaarborgd;

c)

voor lidstaten die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, worden discretionaire verminderingen van overheidsontvangsten hetzij door uitgavenreducties, hetzij door discretionaire verhogingen van andere overheidsontvangsten hetzij door beide gecompenseerd.

In de totale uitgaven wordt geen rekening gehouden met rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma's van de Unie die volledig met inkomsten uit fondsen van de Unie worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen.

Een overschrijding van de middellangetermijnreferentie voor de uitgavengroei wordt niet als een afwijking van de benchmark aangemerkt voor zover deze overschrijding volledig wordt gecompenseerd door bij wet geregelde stijgingen van de inkomsten.

Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp wordt vastgesteld op basis van toekomstgerichte prognoses en ramingen die zijn gebaseerd op resultaten uit het verleden. De prognoses worden regelmatig geactualiseerd. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor de prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp openbaar.

Bij het bepalen van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting voor de lidstaten die dit doel nog niet hebben bereikt, en bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van deze doelstelling voor lidstaten die de doelstelling wel hebben bereikt, mits een passende veiligheidsmarge voor wat betreft de tekortreferentiewaarde is gewaarborgd en verwacht wordt dat de begrotingsituatie binnen de programmaperiode terugkeert naar de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, houden de Raad en de Commissie rekening met de uitvoering van grote structurele hervormingen die direct positieve lange termijneffecten voor de begroting hebben, mede doordat zij de potentiële duurzame groei verhogen, en bijgevolg een verifieerbare invloed op de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn hebben.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan pensioenhervormingen die een meerpijlerstelsel invoeren, dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat. Het wordt lidstaten die dergelijke hervormingen doorvoeren, toegestaan om van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van de doelstelling zelf af te wijken, waarbij de afwijking het bedrag van de directe incrementele gevolgen van de hervorming voor het overheidsaldo moet weerspiegelen, mits een passende veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde van het overheidstekort wordt aangehouden.

De Raad en de Commissie onderzoeken voorts of het stabiliteitsprogramma het verwezenlijken van duurzame en daadwerkelijke convergentie binnen het eurogebied en de nauwere coördinatie van het economisch beleid bevordert, en of het economisch beleid van de betrokken lidstaat strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en met de richtsnoeren voor werkgelegenheid van de lidstaten en de Europese Unie.

In het geval van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, of in perioden van ernstige economische neergang in het eurogebied of in de Unie als geheel, kan het de lidstaten worden toegestaan om tijdelijk af te wijken van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in de derde alinea, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

2.   De Raad en de Commissie onderzoeken het stabiliteitsprogramma binnen ten hoogste drie maanden na de indiening ervan. De Raad stelt, op basis van een aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité, indien nodig, een advies over het programma vast. Daar waar de Raad overeenkomstig artikel 121 VWEU van mening is dat de doelstellingen en de inhoud van het programma moeten worden aangescherpt met een bijzondere verwijzing naar het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, verzoekt de Raad in zijn advies de betrokken lidstaat om zijn programma aan te passen.”.

9)

Artikel 6 wordt vervangen door:

„Artikel 6

1.   Als onderdeel van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, VWEU, houden de Raad en de Commissie, op basis van de door de deelnemende lidstaten verstrekte gegevens en de door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verrichte evaluaties, toezicht op de uitvoering van de stabiliteitsprogramma's, met name om vast te stellen of de feitelijke of verwachte begrotingssituatie significant afwijkt van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject in de richting van die doelstelling.

2.   Indien een significante afwijking van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in artikel 5, lid 1, derde alinea, van deze verordening wordt vastgesteld, en ter voorkoming van een buitensporig tekort, richt de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU.

De Raad onderzoekt de situatie binnen een maand na de aanneming van de waarschuwing als bedoeld in de eerste alinea en stelt, op basis van een aanbeveling van de Commissie, krachtens artikel 121, lid 4, VWEU een aanbeveling voor de nodige beleidsmaatregelen vast. De aanbeveling legt een termijn op van ten hoogste vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De termijn wordt tot drie maanden teruggebracht wanneer de Commissie, in haar waarschuwing, oordeelt dat de situatie bijzonder ernstig is en dringende maatregelen behoeft. De Raad maakt, op voorstel van de Commissie, de aanbeveling openbaar.

De betrokken lidstaat brengt binnen de termijn die de Raad in zijn aanbeveling uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU heeft vastgesteld, verslag uit aan de Raad over de maatregelen die zijn genomen in vervolg op de aanbeveling.

Indien de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt binnen de in de aanbeveling van de Raad vastgestelde termijn als bedoeld in de tweede alinea, beveelt de Commissie de Raad onverwijld aan om bij gekwalificeerde meerderheid een besluit vast te stellen, waarin wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Tegelijkertijd kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

In het geval dat de Raad het door de Commissie aanbevolen besluit dat geen effectieve actie is ondernomen, niet aanneemt en de lidstaat blijft verzuimen passende stappen te ondernemen, beveelt de Commissie de Raad één maand na haar eerdere aanbeveling aan om het besluit vast te stellen, waarbij wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij de Raad bij gewone meerderheid besluit de aanbeveling binnen tien dagen nadat zij door de Commissie is vastgesteld, te verwerpen. Tegelijk kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

Bij besluiten aangaande gevallen van niet-naleving als bedoeld in de vierde en vijfde alinea nemen alleen leden van de Raad die deelnemende lidstaten vertegenwoordigen aan de stemming deel en houdt de Raad geen rekening met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

De Raad legt de Europese Raad een formeel verslag voor over de aldus genomen besluiten.

3.   Een afwijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject ter verwezenlijking ervan wordt beoordeeld op grond van een algehele evaluatie met het structurele saldo als ijkpunt, waaronder ook een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde als omschreven in artikel 5, lid 1.

Bij de beoordeling of een afwijking als significant moet worden aangemerkt, wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

a)

voor een lidstaat die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting niet heeft bereikt: bij de beoordeling van de verandering van het structurele saldo, of de afwijking ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of gemiddeld ten minste 0,25 % van het bbp per jaar in twee opeenvolgende jaren bedraagt;

b)

bij de beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven, ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde: of de afwijking een totale weerslag heeft op het overheidssaldo ter grootte van ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of een cumulatieve weerslag van die grootte binnen twee opeenvolgende jaren.

De afwijking in de ontwikkeling van de uitgaven wordt niet als significant aangemerkt indien de betrokken lidstaat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting heeft overtroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van significante meevallers aan de inkomstenzijde, en de begrotingsplannen van het stabiliteitsprogramma die doelstelling tijdens de programmaperiode niet in gevaar brengen.

De afwijking kan eveneens buiten beschouwing worden gelaten wanneer deze het resultaat is van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, dan wel in geval van een ernstige economische neergang van het eurogebied of de Unie als geheel, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.”.

10)

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Elke niet-deelnemende lidstaat verstrekt aan de Raad en aan de Commissie met het oog op het regelmatige multilaterale toezicht krachtens artikel 121 VWEU de nodige informatie in de vorm van een convergentieprogramma, dat een essentiële basis verschaft voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën die bevorderlijk is voor prijsstabiliteit, een sterke duurzame groei en het scheppen van werkgelegenheid.”;

b)

in lid 2 worden de punten a), b) en c) vervangen door:

„a)

de middellangetermijndoelstelling voor de begroting en het aanpassingstraject richting die doelstelling voor het overheidsaldo als percentage van het bbp, de verwachte ontwikkeling van de schuldquote van de overheid, het geplande groeipad van de overheidsuitgaven, met inbegrip van de overeenkomstige toewijzing voor bruto-investeringen in vaste activa, in het bijzonder gezien de voorwaarden en criteria voor de vaststelling van de uitgavengroei als bedoeld in artikel 9, lid 1, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid en een kwantificering van de geplande discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde, de middellangetermijndoelstellingen voor het monetaire beleid, de relatie tussen die doelstellingen en de prijs- en wisselkoersstabiliteit en het verwezenlijken van duurzame convergentie;

a bis)

informatie over impliciete verplichtingen die verband houden met vergrijzing en voorwaardelijke verplichtingen, bijvoorbeeld overheidsgaranties, met een potentieel grote invloed op de overheidsrekeningen;

a ter)

informatie over de consistentie van het convergentieprogramma met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en het nationale hervormingsprogramma;

b)

de voornaamste veronderstellingen over verwachte economische ontwikkelingen en belangrijke economische variabelen die voor het verwezenlijken van het convergentieprogramma van belang zijn, zoals de investeringsuitgaven van de overheid, de reële groei van het bbp, de werkgelegenheid en de inflatie;

c)

een kwantitatieve beoordeling van de budgettaire en andere economische beleidsmaatregelen die worden genomen of voorgesteld om de doelstellingen van het programma te verwezenlijken, waaronder een kosten-batenanalyse van grote structurele hervormingen met rechtstreekse positieve effecten voor de begroting op de lange termijn, onder meer door verhoging van de duurzame potentiële groei;”;

c)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„2 bis.   Het convergentieprogramma wordt gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudent scenario. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de recentste prognoses van de Commissie en indien nodig die van andere onafhankelijke instanties. Significante verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses worden beschreven en beargumenteerd, in het bijzonder als het niveau of de groei van externe aannames significant afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

De exacte aard van de informatie in de punten a), a bis), b), c) en d) van lid 2 wordt omschreven in een geharmoniseerd kader dat door de Commissie wordt opgesteld in samenwerking met de lidstaten.”;

d)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De gegevens over de ontwikkelingen van het overheidsaldo en de schuldquote van de overheid, de groei van de overheidsuitgaven, het geplande groeipad van de overheidsontvangsten bij ongewijzigd beleid, de geplande, naar behoren gekwantificeerde discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde en de belangrijkste economische aannames als bedoeld in lid 2, onder a) en b), zijn op jaarbasis en hebben betrekking op het voorafgaande jaar, het lopende jaar en ten minste de drie volgende jaren.

4.   Elk programma omvat informatie over de status ervan in het kader van de nationale procedures, in het bijzonder of het programma is voorgelegd aan het nationale parlement, en of het nationale parlement de gelegenheid heeft gehad om een debat te hebben over het oordeel van de Raad betreffende het voorgaande programma of, indien hiervan sprake is, over een aanbeveling of een waarschuwing, en ook of het programma door het parlement is goedgekeurd.”.

11)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

1.   De convergentieprogramma's worden jaarlijks ingediend in april, bij voorkeur medio april en uiterlijk 30 april.

2.   De lidstaten maken hun convergentieprogramma's openbaar.”.

12)

Artikel 9 wordt vervangen door:

„Artikel 9

1.   Op basis van evaluaties door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité onderzoekt de Raad in het kader van het multilaterale toezicht op grond van artikel 121 VWEU de door de betrokken lidstaten in hun convergentieprogramma gepresenteerde middellangetermijndoelstellingen voor de begroting, en beoordeelt de Raad of de economische veronderstellingen waarop het programma is gebaseerd, realistisch zijn, of het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, met inbegrip van het begeleidende traject voor de schuldquote, passend is en of de maatregelen die zijn genomen of zijn voorgesteld om te voldoen aan het aanpassingstraject, afdoende zijn om de middellangetermijndoelstelling voor de begroting gedurende de cyclus te halen en om duurzame convergentie te bereiken.

De Raad en de Commissie nemen bij de beoordeling van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in aanmerking, of in economisch goede tijden een grotere aanpassing wordt nagestreefd, terwijl in economisch slechte tijden een minder zware inspanning toelaatbaar kan zijn. Er wordt in het bijzonder rekening gehouden met mee- en tegenvallers aan inkomstenzijde. Voor lidstaten die een schuldquote van meer dan 60 % van het bbp hebben of aantoonbare risico's lopen wat de algehele houdbaarheid van de schuldpositie betreft, onderzoeken de Raad en de Commissie of de jaarlijkse verbetering van het conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, groter is dan 0,5 % van het bbp. Voor lidstaten die deel uitmaken van WKM2 onderzoeken de Raad en de Commissie of de betrokken lidstaat een passende jaarlijkse verbetering van zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo nastreeft, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, die nodig is om zijn middellangetermijndoelstelling voor de begroting te bereiken, waarbij 0,5 % van het bbp geldt als benchmark.

Of met betrekking tot de middellangetermijndoelstelling voor de begroting voldoende vooruitgang is geboekt, wordt beoordeeld op basis van een algehele evaluatie met het structurele saldo als ijkpunt, waaronder ook een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde. Hiertoe beoordelen de Raad en de Commissie of het groeipad van de overheidsuitgaven, gezien in samenhang met het effect van de genomen of geplande maatregelen aan de ontvangstenzijde, aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd;

b)

voor lidstaten die hun middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, ligt de jaarlijkse groei van de uitgaven niet hoger dan een percentage beneden een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, tenzij de overschrijding door discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde wordt gecompenseerd. De grootte van het tekort van het groeipercentage van de overheidsuitgaven, afgezet tegen een referentiepercentage van potentiële groei van het bbp op middellange termijn, wordt op zodanige wijze bepaald dat een deugdelijke aanpassing richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting wordt gewaarborgd;

c)

voor lidstaten die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting nog niet hebben verwezenlijkt, worden discretionaire verminderingen van overheidsontvangsten hetzij door uitgavenreducties, hetzij door discretionaire verhogingen van andere overheidsontvangsten hetzij door beide gecompenseerd.

In de totale uitgaven wordt geen rekening gehouden met rente-uitgaven, uitgaven in het kader van programma's van de Unie die volledig met inkomsten uit fondsen van Unie worden gefinancierd en niet-discretionaire veranderingen in de uitgaven voor werkloosheidsuitkeringen.

Een overschrijding van de middellangetermijnreferentie voor de uitgavengroei wordt niet als een afwijking van het benchmark aangemerkt voor zover deze overschrijding volledig wordt gecompenseerd door bij wet geregelde stijgingen van de inkomsten.

Het middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp wordt vastgesteld op basis van toekomstgerichte prognoses en ramingen die zijn gebaseerd op resultaten uit het verleden. De prognoses worden regelmatig geactualiseerd. De Commissie maakt de berekeningsmethode voor de prognoses en het hieruit resulterende middellangetermijnreferentiepercentage voor de potentiële groei van het bbp openbaar.

Bij het bepalen van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling voor de begroting voor de lidstaten die dit doel nog niet hebben bereikt, en bij het toestaan van een tijdelijke afwijking van deze doelstelling voor lidstaten die de doelstelling wel hebben bereikt, mits een passende veiligheidsmarge voor wat betreft de tekortreferentiewaarde is gewaarborgd en verwacht wordt dat de begrotingsituatie binnen de programmaperiode terugkeert naar de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, houden de Raad en de Commissie rekening met de uitvoering van grote structurele hervormingen die direct positieve lange termijneffecten voor de begroting hebben, mede doordat zij de potentiële duurzame groei verhogen, en bijgevolg een verifieerbare invloed op de houdbaarheid van de openbare financiën op lange termijn hebben.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan pensioenhervormingen die een meerpijlerstelsel invoeren, dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat. Het wordt lidstaten die dergelijke hervormingen doorvoeren, toegestaan om van het aanpassingstraject richting middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van de doelstelling zelf af te wijken, waarbij de afwijking het bedrag van de directe incrementele gevolgen van de hervorming voor het overheidssaldo moet weerspiegelen, mits een passende veiligheidsmarge ten opzichte van de referentiewaarde van het overheidstekort wordt aangehouden.

De Raad en de Commissie onderzoeken voorts of het convergentieprogramma het verwezenlijken van duurzame en reële convergentie en de nauwere coördinatie van het economisch beleid bevordert, en ook of het economisch beleid van de betrokken lidstaat strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en met de richtsnoeren inzake werkgelegenheid van de lidstaten en de Unie. Voorts onderzoekt de Raad voor de lidstaten die deel uitmaken van WKM2 of het convergentieprogramma een probleemloze deelname aan het wisselkoersmechanisme waarborgt.

In geval van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, of in perioden van ernstige economische neergang in het eurogebied of in de Unie als geheel, kan het de lidstaten worden toegestaan om tijdelijk af te wijken van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in de derde alinea, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

2.   De Raad en de Commissie onderzoeken het convergentieprogramma binnen ten hoogste drie maanden na de indiening ervan. De Raad stelt op aanbeveling van de Commissie en na raadpleging van het Economisch en Financieel Comité indien nodig een advies over het programma vast. Daar waar de Raad overeenkomstig artikel 121 VWEU van mening is dat de doelstellingen en de inhoud van het programma moeten worden aangescherpt met een specifieke verwijzing naar het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, verzoekt de Raad in zijn advies de betrokken lidstaat om zijn programma aan te passen.”.

13)

Artikel 10 wordt vervangen door:

„Artikel 10

1.   Als onderdeel van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, VWEU, houden de Raad en de Commissie, op basis van de door de lidstaten met een vrijstelling verstrekte gegevens en de door de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verrichte evaluaties, toezicht op de uitvoering van de convergentieprogramma's, met name om vast te stellen of de feitelijke of verwachte begrotingssituatie significant afwijkt van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject in de richting van die doelstelling.

Tevens volgen de Raad en de Commissie het economisch beleid van de niet-deelnemende lidstaten in het licht van de doelstellingen van het convergentieprogramma, teneinde zeker te stellen dat hun beleid op stabiliteit is gericht, en aldus het onjuist gericht zijn van reële wisselkoersenverhoudingen en buitensporige schommelingen van de nominale wisselkoersen te voorkomen.

2.   Indien een significante afwijking van het aanpassingstraject richting de middellangetermijndoelstelling voor de begroting als bedoeld in artikel 9, lid 1, derde alinea, van deze verordening wordt vastgesteld, en ter voorkoming van een buitensporig tekort, richt de Commissie een waarschuwing tot de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU.

De Raad onderzoekt de situatie binnen een maand na de aanneming van de waarschuwing als bedoeld in de eerste alinea en stelt, op basis van een aanbeveling van de Commissie, krachtens artikel 121, lid 4, VWEU een aanbeveling voor de nodige beleidsmaatregelen vast. De aanbeveling legt een termijn op van ten hoogste vijf maanden om de afwijking te verhelpen. De termijn wordt tot drie maanden teruggebracht wanneer de Commissie, in haar waarschuwing, oordeelt dat de situatie bijzonder ernstig is en dringende maatregelen behoeft. De Raad maakt, op voorstel van de Commissie, de aanbeveling openbaar.

De betrokken lidstaat brengt binnen de termijn die de Raad in zijn aanbeveling uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU heeft vastgesteld, verslag uit aan de Raad over de maatregelen die zijn genomen in vervolg op de aanbeveling.

Indien de betrokken lidstaat geen passende maatregelen neemt binnen de in de aanbeveling van de Raad vastgestelde termijn als bedoeld in de tweede alinea, beveelt de Commissie de Raad onverwijld aan om bij gekwalificeerde meerderheid een besluit vast te stellen, waarin wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Tegelijkertijd kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

In het geval dat de Raad het door de Commissie aanbevolen besluit dat er geen effectieve actie is ondernomen, niet vaststelt en de lidstaat blijft verzuimen passende stappen te ondernemen, beveelt de Commissie de Raad één maand na haar eerdere aanbeveling aan om het besluit vast te stellen, waarbij wordt vastgesteld dat geen effectieve actie is ondernomen. Het besluit wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld tenzij de Raad bij gewone meerderheid besluit de aanbeveling binnen tien dagen nadat zij door de Commissie is vastgesteld, te verwerpen. Tegelijk kan de Commissie de Raad aanbevelen om uit hoofde van artikel 121, lid 4, VWEU een herziene aanbeveling vast te stellen voor wat betreft de nodige beleidsmaatregelen.

Bij besluiten aangaande gevallen van niet-naleving als bedoeld in de vierde en vijfde alinea houdt de Raad geen rekening met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

De Raad legt de Europese Raad een formeel verslag voor over de aldus genomen besluiten.

3.   Een afwijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting of van het passende aanpassingstraject ter verwezenlijking ervan wordt beoordeeld op grond van een algehele evaluatie met het structurele saldo als ijkpunt, waaronder ook een analyse van de uitgaven ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde als omschreven in artikel 9, lid 1.

Bij de beoordeling of een afwijking als significant moet worden aangemerkt, wordt met name rekening gehouden met de volgende criteria:

a)

voor een lidstaat die de middellangetermijndoelstelling voor de begroting niet heeft bereikt: bij de beoordeling van de verandering van het structurele saldo, of de afwijking ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of gemiddeld ten minste 0,25 % van het bbp per jaar in twee opeenvolgende jaren bedraagt;

b)

bij de beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven, ongerekend discretionaire maatregelen aan de ontvangstenzijde: of de afwijking een totale weerslag heeft op het overheidssaldo ter grootte van ten minste 0,5 % van het bbp in een enkel jaar of een cumulatieve weerslag van die grootte binnen twee opeenvolgende jaren.

De afwijking in de ontwikkeling van de uitgaven wordt niet als significant aangemerkt indien de betrokken lidstaat de middellangetermijndoelstelling voor de begroting heeft overtroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van significante meevallers aan de inkomstenzijde, en de begrotingsplannen van het convergentieprogramma die doelstelling tijdens de programmaperiode niet in gevaar brengen.

De afwijking kan eveneens buiten beschouwing worden gelaten wanneer deze het resultaat is van een buitengewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijke invloed heeft op de financiële positie van de overheid, dan wel in geval van een ernstige economische neergang van het eurogebied of de Unie als geheel, mits de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.”.

14)

De volgende afdeling wordt ingevoegd:

„AFDELING 3 BIS

BEGINSEL VAN STATISTISCHE ONAFHANKELIJKHEID

Artikel 10 bis

Om te verzekeren dat het multilaterale toezicht is gebaseerd op betrouwbare en onafhankelijke statistische gegevens, waarborgen de lidstaten de professionele onafhankelijkheid van de nationale statistische instanties, welke in overeenstemming moet zijn met de praktijkcode Europese statistieken zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek (12). Dit vereist ten minste:

a)

transparante aanwervings- en ontslagprocessen welke uitsluitend gebaseerd zijn op professionele criteria;

b)

toewijzing van budgetten welke op jaarlijkse of meerjarige basis worden vastgesteld;

c)

een publicatiedatum voor belangrijke statistische informatie die aanzienlijke tijd vooraf wordt bepaald.

15)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel -11

1.   De Commissie zorgt in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening voor een permanente dialoog met de ter zake bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter evaluatie van de economische situatie in de lidstaten en ter identificatie van eventuele risico's of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.   De Commissie kan missies voor versterkt toezicht ondernemen in lidstaten die het onderwerp zijn van op grond van artikel 6, lid 2, of artikel 10, lid 2, gedane aanbevelingen, met als doel monitoring ter plaatse. De betrokken lidstaten leveren alle informatie aan die nodig is voor de voorbereiding en de uitvoering van die missies.

3.   Wanneer de betrokken lidstaat een deelnemende lidstaat is of een lidstaat die deel uitmaakt van WKM2, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken om deel te nemen aan toezichtmissies.

4.   De Commissie brengt aan de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 2 bedoelde missies en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.   Bij het organiseren van de in lid 2 bedoelde missies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.”.

16)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 12 bis

1.   Uiterlijk 14 december 2014, en daarna elke vijf jaar, brengt de Commissie een verslag uit over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag wordt onder meer beoordeeld:

a)

de doeltreffendheid van deze verordening, en met name of de bepalingen met betrekking tot de besluitvorming voldoende robuust zijn gebleken,

b)

de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.   Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening, inclusief wat de besluitvormingsprocedures betreft.

3.   Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.”.

17)

Alle verwijzingen naar „artikel 99 van het Verdrag” worden in de gehele verordening vervangen door verwijzingen naar „artikel 121 VWEU”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2011.

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(4)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(5)  PB C 236 van 2.8.1997, blz. 1.

(6)  Verordening (EG) nr. 1055/2005 van de Raad van 27 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economische beleid (PB L 174 van 7.7.2005, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1056/2005 van de Raad van 27 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 174 van 7.7.2005, blz. 5).

(8)  Zie document 7423/5/05 op http://www.consilium.europa.eu/documents.aspx?lang=nl.

(9)  PB C 73 van 25.3.2006, blz. 21.

(10)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.”.

(11)  PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.”.

(12)  PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.”.


23.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/25


VERORDENING (EU) Nr. 1176/2011 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 november 2011

betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De coördinatie van het economische beleid van de lidstaten binnen de Unie moet worden ontwikkeld in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de richtsnoeren voor werkgelegenheid, zoals bepaald in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en moet de naleving van de volgende grondbeginselen met zich mee te brengen: stabiele prijzen, gezonde en houdbare overheidsfinanciën en monetaire condities, en ook een houdbare betalingsbalans.

(2)

Er moet de nodige lering worden getrokken uit het eerste decennium van de economische en monetaire unie, en in het bijzonder voor een beter economisch bestuur in de Unie op basis van sterkere nationale betrokkenheid.

(3)

Het tot stand brengen en het handhaven van een dynamische interne markt moet worden beschouwd als een onderdeel van de goede en soepele werking van de economische en monetaire unie.

(4)

Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verbonden en coherente beleidsmaatregelen voor duurzame groei en werkgelegenheid, in het bijzonder een strategie van de Unie voor groei en banen, met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen en versterken van de interne markt, het bevorderen van internationale handel en concurrentievermogen, een Europees semester voor betere coördinatie van het economisch en het begrotingsbeleid (Europees semester), een effectief kader voor het voorkomen en corrigeren van buitensporige overheidstekorten (het stabiliteits- en groeipact, SGP), een robuust kader voor het voorkomen en het corrigeren van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor de nationale begrotingskaders, en een betere regulering van en toezicht op de financiële markten, waaronder macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board, ESRB).

(5)

De versterking van het economisch bestuur moet een nauwere en meer tijdige betrokkenheid van het Europees Parlement en de nationale parlementen behelzen. Erkennend dat in het kader van de dialoog de desbetreffende instellingen van de Unie en hun vertegenwoordigers de tegenhangers van het Europees Parlement zijn, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lidstaat die het onderwerp is van een aanbeveling of een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, of artikel 10, lid 4, van deze verordening, de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling. Deelname van de lidstaat aan een dergelijke gedachtewisseling geschiedt op vrijwillige basis.

(6)

De Commissie moet een krachtiger rol spelen in de verscherpte toezichtprocedure voor wat betreft de voor elke lidstaat specifieke beoordelingen, monitoring, bezoeken ter plaatse, aanbevelingen en waarschuwingen.

(7)

In het bijzonder moet het toezicht op het economisch beleid van de lidstaten worden verruimd tot meer dan louter budgettair toezicht, zodat het een meer gedetailleerd en formeel kader omvat waarmee buitensporige macro-economische onevenwichtigheden kunnen worden voorkomen en de betrokken lidstaten kunnen worden geholpen om corrigerende plannen op te stellen, voordat de afwijkingen een blijvend karakter krijgen. Een dergelijke verruiming van het toezicht op het economisch beleid moet gepaard gaan met een verdieping van het begrotingstoezicht.

(8)

Om dergelijke buitensporige macro-economische onevenwichtigheden te helpen corrigeren, is een gedetailleerde, wettelijk vastgelegde procedure noodzakelijk.

(9)

Het is passend om het in artikel 121, leden 3 en 4, VWEU bedoelde multilaterale toezicht aan te vullen met specifieke bepalingen voor het opsporen van macro-economische onevenwichtigheden en ook voor het voorkomen en het corrigeren van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie. Het is essentieel dat de procedure in lijn wordt gebracht met de jaarlijkse cyclus voor multilateraal toezicht.

(10)

Die procedure dient een waarschuwingsmechanisme in te stellen voor vroegtijdige detectie van opkomende macro-economische onevenwichtigheden. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van een indicatief en transparant „scorebord” dat voorziet in indicatieve drempelwaarden, in combinatie met economische oordeelsvorming. Bij deze oordeelsvorming worden onder meer de nominale en de reële convergentie binnen en buiten het eurogebied betrokken.

(11)

Om effectief als onderdeel van het waarschuwingsmechanisme te functioneren, moet het scorebord bestaan uit een beperkte reeks economische, financiële en structurele indicatoren die relevant zijn voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden, met overeenkomstige indicatieve drempelwaarden. De indicatoren en de drempelwaarden moeten indien nodig worden bijgesteld om deze aan te passen aan de veranderende aard van de macro-economische onevenwichtigheden, onder meer doordat de bedreigingen voor de macro-economische stabiliteit evolueren, en om rekening te houden met de verbeterde beschikbaarheid van relevante gegevens. De indicatoren moeten niet worden beschouwd als economische beleidsdoeleinden op zichzelf maar als instrumenten om het evoluerende karakter van de macro-economische onevenwichtigheden binnen de Europese Unie in beschouwing te nemen.

(12)

De Commissie moet nauw samenwerken met het Europees Parlement en de Raad bij het opstellen van het scorebord en de reeks van macro-economische en macrofinanciële indicatoren voor de lidstaten. De Commissie moet suggesties voor commentaar aan de bevoegde commissies van het Europees Parlement en de bevoegde comités van de Raad met betrekking tot de plannen om indicatoren en drempelwaarden vast te stellen en aan te passen. De Commissie moet het Europees Parlement en de Raad op de hoogte stellen van wijzigingen aan de indicatoren en drempelwaarden en de redenen voor het suggereren van deze wijzigingen toelichten.

(13)

Bij de ontwikkeling van het scorebord moet ook naar behoren rekening worden gehouden met heterogene economische omstandigheden, met inbegrip van inhaaleffecten.

(14)

De overschrijding van een of meer indicatieve drempelwaarden hoeft niet noodzakelijkerwijs in te houden dat macro-economische onevenwichtigheden zich aandienen, aangezien bij economische beleidsvorming rekening moet worden gehouden met de verwevenheid van macro-economische variabelen. Aan de gegevens van het scorebord moeten geen automatische conclusies worden verbonden: economische oordeelsvorming moet ervoor zorgen dat alle stukken informatie, al dan niet afkomstig van het scorebord, in perspectief worden geplaatst en deel gaan uitmaken van een brede analyse.

(15)

Op basis van de procedure voor het multilaterale toezicht en het waarschuwingsmechanisme, of in geval van onverwachte, significante economische ontwikkelingen die voor de toepassing van deze verordening een urgente analyse vergen, moet de Commissie vaststellen welke lidstaten aan een diepgaande evaluatie moeten worden onderworpen. De diepgaande evaluatie moet worden verricht zonder ervan uit te gaan dat er van een onevenwichtigheid sprake is en moet een grondige analyse van bronnen van onevenwichtigheden in de onder evaluatie staande lidstaat omvatten, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de landspecifieke economische voorwaarden en omstandigheden en met een breder scala van analytische instrumenten, indicatoren en kwalitatieve informatie die specifiek zijn voor dat land. Wanneer de Commissie een diepgaande evaluatie uitvoert, moet de lidstaat samenwerken om te zorgen dat de aan de Commissie verstrekte informatie zo volledig en correct mogelijk is. Voorts moet de Commissie naar behoren rekening houden met alle andere informatie die volgens de betrokken lidstaat relevant is, en die de lidstaat aan de Commissie en de Raad heeft verstrekt.

(16)

De diepgaande evaluatie moet worden besproken in de Raad, en in de Eurogroep voor de lidstaten die de euro als munt hebben. Bij de diepgaande evaluatie moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de aanbevelingen of verzoeken van de Raad die in overeenstemming met de artikelen 121, 126 en 148 VWEU en de artikelen 6, 7, 8 en 10 van deze verordening aan de onder evaluatie staande lidstaten gericht zijn, en met de beleidsintenties van de onder evaluatie staande lidstaat, zoals weergegeven in de zijn nationale hervormingsprogramma's, als ook met de beste internationale praktijken op het gebied van indicatoren en methoden. Wanneer de Commissie besluit een diepgaand onderzoek te starten naar aanleiding van significante of onverwachte economische ontwikkelingen die een dringende analyse vergen, moet zij de betrokken lidstaten hiervan in kennis stellen.

(17)

Bij het beoordelen van macro-economische onevenwichtigheden moet rekening worden gehouden met de ernst ervan en met de mogelijke negatieve economische en financiële overloopeffecten ervan, welke de kwetsbaarheid van de economie van de Unie vergroten en een bedreiging vormen voor de soepele werking van de economische en monetaire unie. In alle lidstaten, vooral in het eurogebied, zijn maatregelen nodig om macro-economische onevenwichtigheden en verschillen in het concurrentievermogen het hoofd te bieden. De aard, de omvang en de urgentie van de beleidsuitdagingen kunnen, afhankelijk van de betrokken lidstaten, evenwel sterk verschillen. Gelet op de zwakke punten en de omvang van de vereiste aanpassing is actie vooral urgent in de lidstaten met aanhoudende grote tekorten op de lopende rekening en met een tanend concurrentievermogen. Bovendien moet het beleid in lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening opbouwen, erop gericht zijn maatregelen vast te stellen en uit te voeren die de binnenlandse vraag stimuleren en het groeipotentieel doen toenemen.

(18)

Ook het economische aanpassingsvermogen en de staat van dienst van de betrokken lidstaat wat betreft de naleving van eerdere, krachtens deze verordening gedane aanbevelingen en andere krachtens artikel 121 VWEU in het kader van het multilaterale toezicht gedane aanbevelingen, in het bijzonder de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Unie, moeten in overweging worden genomen.

(19)

Een procedure voor toezicht op en correctie van ongunstige macro-economische onevenwichtigheden, met preventieve en corrigerende elementen, vereist verbeterde instrumenten voor toezicht, die gebaseerd zijn op die welke worden gebruikt in de procedure voor multilateraal toezicht. Dit kan onder meer omvatten: missies voor verscherpt toezicht naar de lidstaten door de Commissie, in samenwerking met de Europese Centrale Bank (ECB) voor lidstaten die de euro als munt hebben of voor lidstaten die deelnemen aan de Overeenkomst van 16 maart 2006 tussen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten buiten het eurogebied waarin de operationele procedures voor een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn neergelegd (4) (WKM2), en aanvullende rapportages door de lidstaten in geval van ernstige onevenwichtigheden, waaronder onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen. De sociale partners en andere nationale belanghebbenden moeten in voorkomend geval bij de dialoog worden betrokken.

(20)

Indien macro-economische onevenwichtigheden worden vastgesteld, moeten, waar passend met betrokkenheid van de bevoegde comités, aanbevelingen aan de betrokken lidstaat worden gericht om richtsnoeren te geven inzake passende beleidsreacties. De beleidsreactie van de betrokken lidstaat moet tijdig zijn en moet gebruikmaken van alle beleidsinstrumenten waarover overheidsinstanties beschikken. Indien nodig moeten ook relevante nationale belanghebbenden, met inbegrip van de sociale partners, hierbij worden betrokken overeenkomstig het VWEU en de nationale wettelijke en politieke regelingen. De beleidsreactie moet toegesneden zijn op de specifieke omgeving en omstandigheden van de betrokken lidstaat en de belangrijkste economische beleidsterreinen bestrijken, waaronder mogelijkerwijs begrotings- en loonbeleid, arbeidsmarkten, producten- en dienstenmarkten en regulering van de financiële sector. De verplichtingen in het kader van WKM2 moeten in acht worden genomen.

(21)

De waarschuwingen en aanbevelingen van het Europees Comité voor systeemrisico's (European Systemic Risk Board, ESRB) aan lidstaten of aan de Unie hebben betrekking op risico's van macrofinanciële aard. Deze moeten indien nodig ook passende vervolgmaatregelen van de Commissie vergen in het kader van het toezicht op macro-economische onevenwichtigheden. De onafhankelijkheid en de vertrouwelijkheid van het ESRB moeten strikt worden geëerbiedigd.

(22)

Indien ernstige macro-economische onevenwichtigheden worden geïdentificeerd, waaronder wordt begrepen onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen, moet een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden worden ingeleid, welke het uitbrengen van aanbevelingen aan de lidstaat kan omvatten alsook verscherpte vereisten voor toezicht en monitoring, en, ten aanzien van de lidstaten die de euro als munt hebben, de mogelijkheid tot handhaving overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied (5) in geval van aanhoudend verzuim om corrigerende maatregelen te nemen.

(23)

Een lidstaat ten aanzien waarvan een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden loopt, moet een plan met corrigerende maatregelen opstellen, waarin zijn beleid tot uitvoering van de aanbevelingen van de Raad wordt beschreven. Het plan met corrigerende maatregelen moet een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de beoogde maatregelen bevatten. Het plan moet worden onderschreven door een aanbeveling van de Raad. Die aanbeveling moet worden toegezonden aan het Europees Parlement.

(24)

Aan de Raad moet de bevoegdheid worden verleend afzonderlijke besluiten vast te stellen waarin de niet-naleving wordt geconstateerd van de aanbevelingen die de Raad in het kader van het plan met corrigerende maatregelen heeft geformuleerd. In het kader van de binnen de Raad gevoerde coördinatie van het economische beleid van de lidstaten als bedoeld in artikel 121, lid 1, VWEU, vormen die individuele besluiten een integrerend vervolg op de op grond van artikel 121, lid 4, VWEU door de Raad geformuleerde aanbevelingen in het kader van het plan met corrigerende maatregelen.

(25)

Bij de toepassing van deze verordening moeten de Raad en de Commissie ten volle recht doen aan de rol van de nationale parlementen en de sociale partners en moeten zij de verschillen tussen de nationale economische stelsels, bijvoorbeeld wat betreft loonvorming, in acht nemen.

(26)

Indien de Raad van oordeel is dat een lidstaat niet langer met een buitensporige onevenwichtigheid te kampen heeft, dient hij zijn desbetreffende aanbevelingen op aanbeveling van de Commissie in te trekken en dient de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden te worden afgesloten. Deze intrekking is gebaseerd op een brede analyse van de Commissie waaruit blijkt dat de lidstaat gevolg heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Raad en dat de onderliggende oorzaken en bijbehorende risico's die in de aanbeveling van de Raad tot opening van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden worden beschreven, niet langer bestaan; daarbij wordt onder meer rekening gehouden met macro-economische ontwikkelingen, vooruitzichten en overloopeffecten. De afsluiting van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden dient openbaar te worden gemaakt.

(27)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de instelling van een effectief kader voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden en de preventie en de correctie van macro-economische onevenwichtigheden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt vanwege de sterke commerciële en financiële verwevenheid tussen de lidstaten en de overloopeffecten van nationaal economisch beleid op de Unie en het eurogebied als geheel, en daarom beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze verordening omvat nadere bepalingen voor de detectie van macro-economische onevenwichtigheden, en voor de preventie en correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden binnen de Unie.

2.   Deze verordening wordt toegepast in het kader van het Europees semester als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (6).

3.   Bij toepassing van deze verordening wordt artikel 152 VWEU ten volle in acht genomen, en eerbiedigen de onder deze verordening vastgestelde aanbevelingen de nationale praktijken en de instellingen voor loonvorming. Deze verordening houdt rekening met artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en doet bijgevolg geen afbreuk aan het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten en naleving ervan af te dwingen, of om collectieve actie te voeren overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „onevenwichtigheden”: elke trend die macro-economische ontwikkelingen in de hand werkt, welke een ongunstige invloed uitoefenen of kunnen uitoefenen op de goede werking van de economie van een lidstaat dan wel van de economische en monetaire unie of van de Unie als geheel;

2.   „buitensporige onevenwichtigheden”: ernstige onevenwichtigheden, waaronder onevenwichtigheden die de goede werking van de economische en monetaire unie in gevaar brengen of dreigen te brengen.

HOOFDSTUK II

DETECTIE VAN ONEVENWICHTIGHEDEN

Artikel 3

Waarschuwingsmechanisme

1.   Een waarschuwingsmechanisme wordt ingesteld als hulpmiddel voor het vroegtijdig identificeren van en het toezicht op onevenwichtigheden. De Commissie stelt jaarlijks een rapport op dat een kwalitatieve economische en financiële beoordeling bevat op basis van een scorebord, als bedoeld in artikel 4, met een reeks indicatoren waarvan de waarden worden vergeleken met hun indicatieve drempelwaarden. Het jaarlijkse rapport met de waarden van de indicatoren van het scorebord wordt openbaar gemaakt.

2.   Het jaarlijkse rapport van de Commissie bevat een economische en financiële beoordeling waarbij de verschuivingen in de indicatoren in een perspectief worden geplaatst, en waarbij indien nodig andere economische en financiële indicatoren die relevant zijn voor de beoordeling van de ontwikkeling van onevenwichtigheden, worden betrokken. Aan de gegevens van het scorebord mogen geen automatische conclusies worden verbonden. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de ontwikkeling van onevenwichtigheden in de Unie en het eurogebied. In het rapport wordt eveneens aangegeven of de overschrijding van de drempelwaarden door een of meer lidstaten erop wijst dat zich mogelijk onevenwichtigheden aandienen. De beoordeling van lidstaten met grote tekorten op de lopende rekening kan verschillen van die van lidstaten die grote overschotten op de lopende rekening opbouwen.

3.   In het jaarlijkse rapport worden de lidstaten aangewezen, die naar het oordeel van de Commissie door onevenwichtigheden geraakt kunnen zijn of het risico daardoor geraakt te worden.

4.   De Commissie stuurt het jaarlijkse rapport tijdig aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

5.   De Raad bespreekt, in het kader van het multilaterale toezicht overeenkomstig artikel 121, lid 3, VWEU het jaarlijkse rapport van de Commissie en voert een algehele evaluatie ervan uit. De Eurogroep bespreekt het rapport voor zover het betrekking heeft op lidstaten die de euro als munt hebben.

Artikel 4

Scorebord

1.   Het scorebord met de reeks indicatoren wordt ingezet als een instrument om de vroegtijdige identificatie van en het toezicht op onevenwichtigheden te vergemakkelijken.

2.   Het scorebord bevat een klein aantal relevante, praktische, eenvoudige, meetbare en beschikbare macro-economische en macrofinanciële indicatoren met betrekking tot de lidstaten. Het maakt de vroegtijdige identificatie mogelijk van macro-economische onevenwichtigheden die op de korte termijn optreden en van onevenwichtigheden die het gevolg zijn van structurele trends en langetermijntrends.

3.   Het scorebord bevat, onder andere, indicatoren die nuttig zijn bij de vroegtijdige identificatie van:

a)

interne onevenwichtigheden, met inbegrip van deze die het gevolg kunnen zijn van de schuldpositie van de overheid en de particuliere sector, ontwikkelingen op de financiële en activamarkten met inbegrip van de vastgoedmarkt, de ontwikkeling van kredietstromen in de particuliere sector en de ontwikkeling van de werkloosheid;

b)

externe onevenwichtigheden, met inbegrip van deze die het gevolg kunnen zijn van de ontwikkeling van de lopende rekening en de netto-investeringen van de lidstaten, reële toepasselijke wisselkoersen, exportmarktaandelen, veranderingen in de ontwikkeling van prijzen en kosten, en niet-prijsgebonden concurrentievermogen, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillende productiviteitscomponenten.

4.   Bij de economische interpretatie van het scorebord in het kader van het waarschuwingsmechanisme besteedt de Commissie nauwgezet aandacht aan ontwikkelingen in de reële economie, onder meer de economische groei, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de werkloosheid, de nominale en de reële convergentie binnen en buiten het eurogebied, de ontwikkeling van de productiviteit en de relevante sturende krachten daarachter zoals onderzoek en ontwikkeling en buitenlandse en binnenlandse investeringen, alsook sectorale ontwikkelingen, waaronder energie, die het bbp en de ontwikkeling van de lopende rekening beïnvloeden.

Het scorebord bevat tevens indicatieve drempelwaarden voor de indicatoren, die als waarschuwingsniveaus dienen. De keuze van de indicatoren en drempelwaarden moet bijdragen aan het bevorderen van het concurrentievermogen in de Unie.

Het scorebord van de indicatoren bevat voor het waarschuwingsniveau boven- en onderdrempelwaarden, tenzij niet passend, waarbij een onderscheid gemaakt tussen lidstaten in en buiten het eurogebied indien dit door specifieke kenmerken van de monetaire unie en relevante economische omstandigheden wordt gerechtvaardigd. Bij het ontwikkelen van het scorebord wordt naar behoren rekening gehouden met heterogene economische omstandigheden, met inbegrip van inhaaleffecten.

5.   Bij het vaststellen van indicatoren die voor de stabiliteit van de financiële markt relevant zijn, wordt naar behoren rekening gehouden met de inbreng van het ESRB. De Commissie nodigt het ESRB uit om zijn mening te geven over de ontwerpindicatoren die voor de stabiliteit van de financiële markt relevant zijn.

6.   De Commissie maakt de reeks van indicatoren en de drempelwaarden van het scorebord openbaar.

7.   De Commissie beoordeelt op regelmatige basis de geschiktheid van het scorebord, met inbegrip van de samenstelling van indicatoren, de vastgestelde drempelwaarden en de aangewende methodologie, en stelt deze indien nodig bij of brengt wijzigingen aan. De Commissie maakt wijzigingen in de onderliggende methodologie en de samenstelling van het scorebord en de bijbehorende drempelwaarden openbaar.

8.   De Commissie actualiseert de waarden van de indicatoren op het scorebord ten minste eenmaal per jaar.

Artikel 5

Diepgaande evaluatie

1.   Na de besprekingen in de Raad en de Eurogroep, als bedoeld in artikel 3, lid 5, op een behoorlijke wijze in acht te hebben genomen, of in het geval van onverwachte, significante economische ontwikkelingen die voor de toepassing van deze verordening een dringende analyse vergen, voert de Commissie een diepgaande evaluatie uit voor elke lidstaat waarvan zij vermoedt dat deze geraakt is, of het risico loopt geraakt te worden, door onevenwichtigheden.

De diepgaande evaluatie moet gebaseerd zijn op een gedetailleerde analyse van landspecifieke omstandigheden, met inbegrip van de verschillen in uitgangspositie tussen de lidstaten; zij strekt zich uit over een breed scala van economische variabelen en maakt gebruik van analytische instrumenten en kwalitatieve informatie die landspecifiek zijn. Zij doet recht aan de specifieke nationale kenmerken op het gebied van arbeidsverhoudingen en sociale dialoog.

De Commissie houdt voorts naar behoren rekening met alle andere informatie die de betrokken lidstaat als relevant beschouwt en aan de Commissie heeft verstrekt.

De Commissie voert de diepgaande evaluatie uit in combinatie met toezichtmissies in de betrokken lidstaat in overeenstemming met artikel 13.

2.   De diepgaande evaluatie van de Commissie omvat een beoordeling van de vraag of de betrokken lidstaat door onevenwichtigheden geraakt is, en of deze onevenwichtigheden buitensporig zijn. Zij onderzoekt de oorzaak van de gedetecteerde onevenwichtigheden tegen de achtergrond van de heersende economische omstandigheden, met inbegrip van de dieperliggende handels- en financiële relaties tussen de lidstaten en de overloopeffecten van nationaal economisch beleid. De diepgaande evaluatie analyseert relevante ontwikkelingen in verband met de strategie van de Unie voor groei en banen. Zij gaat ook na in welke mate economische ontwikkelingen in de Unie en het eurogebied als geheel relevant zijn. Zij houdt in het bijzonder rekening met:

a)

in voorkomend geval, de aanbevelingen of verzoeken van de Raad aan de onder evaluatie staande lidstaat, overeenkomstig de artikelen 121, 126 en 148 VWEU en krachtens de artikelen 6, 7, 8 en 10 van deze verordening;

b)

de beleidsintenties van de onder evaluatie staande lidstaat, zoals deze blijken uit zijn nationale hervormingsprogramma's en in voorkomend geval uit zijn stabiliteits- of convergentieprogramma;

c)

eventuele waarschuwingen of aanbevelingen van het ESRB over systeemrisico's, gericht aan of relevant voor de onder evaluatie staande lidstaat. De regeling omtrent vertrouwelijkheid van het ESRB wordt in acht genomen.

3.   De Commissie stelt de Raad en het Europees Parlement in kennis van de resultaten van de diepgaande evaluatie en maakt deze openbaar.

Artikel 6

Preventieve maatregelen

1.   Indien de Commissie aan de hand van de in artikel 5 bedoelde diepgaande evaluatie van oordeel is dat er in een lidstaat van onevenwichtigheden sprake is, stelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Eurogroep dienovereenkomstig in kennis. De Raad richt, op aanbeveling van de Commissie, de nodige aanbevelingen tot de betrokken lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 121, lid 2, VWEU.

2.   De Raad stelt het Europees Parlement van deze aanbeveling in kennis en maakt deze openbaar.

3.   De aanbevelingen van de Raad en van de Commissie eerbiedigen ten volle artikel 152 VWEU en nemen artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in acht.

4.   De Raad beziet de aanbeveling jaarlijks opnieuw in het kader van het Europees semester en kan deze indien nodig aanpassen overeenkomstig lid 1.

HOOFDSTUK III

PROCEDURE BIJ BUITENSPORIGE ONEVENWICHTIGHEDEN

Artikel 7

Inleiding van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden

1.   Indien de Commissie aan de hand van de in artikel 5 bedoelde diepgaande evaluatie van oordeel is dat er in de betrokken lidstaat van buitensporige onevenwichtigheden sprake is, stelt zij het Europees Parlement, de Raad en de Eurogroep dienovereenkomstig in kennis.

De Commissie informeert ook de ter zake bevoegde Europese toezichthoudende autoriteiten en het ESRB. Het ESRB wordt verzocht de stappen te ondernemen die het noodzakelijk acht.

2.   De Raad kan, op aanbeveling van de Commissie, in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU een aanbeveling vaststellen, waarbij de aanwezigheid van een buitensporige onevenwichtigheid wordt vastgesteld en waarbij de betrokken lidstaat wordt aanbevolen corrigerende maatregelen te nemen.

In de aanbeveling van de Raad worden de aard en de gevolgen van de onevenwichtigheden uiteengezet en wordt een reeks op te volgen beleidsaanbevelingen gespecificeerd, en wordt een termijn bepaald, waarbinnen de lidstaat een plan met corrigerende maatregelen moet voorleggen. De Raad kan, zoals bepaald in artikel 121, lid 4, VWEU, zijn aanbeveling openbaar maken.

Artikel 8

Plan met corrigerende maatregelen

1.   Een lidstaat waarvoor een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden is ingeleid, legt op basis van, en binnen de termijn vermeld in, de aanbeveling van de Raad als bedoeld in artikel 7, lid 2, een plan met corrigerende maatregelen voor aan de Raad en de Commissie. Het plan met corrigerende maatregelen zet de specifieke beleidsmaatregelen uiteen die de betrokken lidstaat heeft uitgevoerd of voornemens is uit te voeren, en bevat een tijdschema voor de tenuitvoerlegging van die maatregelen. Het plan met corrigerende maatregelen moet rekening houden met de economische en sociale gevolgen van de beleidsmaatregelen en moet in overeenstemming zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de richtsnoeren voor werkgelegenheid.

2.   De Raad beoordeelt, aan de hand van een rapport van de Commissie, het plan met corrigerende maatregelen binnen twee maanden nadat het is voorgelegd. Indien de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, het plan toereikend acht, bekrachtigt de Raad het door middel van een aanbeveling waarin de vereiste specifieke maatregelen en de termijnen voor het nemen daarvan worden opgesomd, en stelt hij een tijdschema voor toezicht vast, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de transmissiekanalen en wordt erkend dat tijd kan verstrijken tussen de vaststelling van de corrigerende maatregel en het feitelijk oplossen van de onevenwichtigheden.

3.   Indien de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, de maatregelen of het tijdschema, zoals uiteengezet in het plan met corrigerende maatregelen, ontoereikend acht, stelt de Raad een tot de lidstaat gerichte aanbeveling vast om een nieuw plan met corrigerende maatregelen in te dienen binnen in de regel twee maanden. De Raad onderzoekt het nieuwe plan met corrigerende maatregelen in overeenstemming met de in dit artikel vastgestelde procedure.

4.   Het plan met corrigerende maatregelen, het verslag van de Commissie en de in de leden 2 en 3 bedoelde aanbeveling van de Raad worden openbaar gemaakt.

Artikel 9

Toezicht op corrigerende maatregelen

1.   De Commissie ziet toe op de tenuitvoerlegging van de krachtens artikel 8, lid 2, vastgestelde aanbeveling van de Raad. Te dien einde legt de lidstaat regelmatig aan de Raad en de Commissie voortgangsverslagen voor, waarvan de frequentie door de Raad wordt bepaald in de in artikel 8, lid 2, bedoelde aanbeveling.

2.   De Raad maakt voortgangsverslagen van de lidstaten openbaar.

3.   De Commissie kan in de betrokken lidstaat missies voor verscherpt toezicht uitvoeren om toe te zien op de tenuitvoerlegging van het plan met corrigerende maatregelen; in samenwerking met de ECB wanneer deze missies betrekking hebben op lidstaten die de euro als munt hebben of deel uitmaken van WKM2. De Commissie betrekt, in voorkomend geval, de sociale partners en andere nationale belanghebbenden bij een dialoog tijdens die missies.

4.   In geval van relevante aanzienlijke veranderingen in de economische omstandigheden, kan de Raad, op aanbeveling van de Commissie, de krachtens artikel 8, lid 2, vastgestelde aanbevelingen wijzigen in overeenstemming met de procedure van dat artikel. De Raad verzoekt indien nodig de betrokken lidstaat een herzien plan met corrigerende maatregelen voor te leggen en beoordeelt dat herzien plan met corrigerende maatregelen overeenkomstig de procedure van artikel 8.

Artikel 10

Beoordeling van corrigerende maatregelen

1.   De Raad beoordeelt op basis van een verslag van de Commissie of de betrokken lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen heeft genomen in overeenstemming met de krachtens artikel 8, lid 2, genomen aanbeveling van de Raad.

2.   De Commissie maakt haar verslag openbaar.

3.   De Raad maakt zijn beoordeling binnen de termijn die de Raad heeft gesteld in zijn krachtens artikel 8, lid 2, vastgestelde aanbevelingen.

4.   Wanneer de Raad van oordeel is dat de lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen, stelt hij, op aanbeveling van de Commissie, een besluit vast, waarin de niet-naleving wordt vastgesteld, samen met een aanbeveling waarin nieuwe termijnen voor corrigerende maatregelen worden vastgesteld. In dit geval brengt de Raad de Europese Raad op de hoogte en maakt hij de conclusies van de in artikel 9, lid 3, bedoelde missies openbaar.

De aanbeveling van de Commissie betreffende het vaststellen van de niet-naleving wordt geacht door de Raad te zijn vastgesteld, tenzij de Raad binnen tien dagen na de vaststelling ervan door de Commissie met gekwalificeerde meerderheid besluit de aanbeveling te verwerpen. De betrokken lidstaat kan verzoeken dat binnen die termijn een zitting van de Raad bijeen wordt geroepen om over dit besluit te stemmen.

5.   Wanneer de Raad op grond van het in lid 1 bedoelde verslag van de Commissie van oordeel is, dat de lidstaat de overeenkomstig artikel 8, lid 2, corrigerende maatregelen heeft genomen, wordt de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden geacht op het goede spoor te zitten en wordt zij opgeschort. Niettemin wordt het toezicht voortgezet overeenkomstig het tijdschema zoals vastgesteld in de krachtens artikel 8, lid 2, genomen aanbeveling. De Raad maakt de redenen openbaar voor het opschorten van de procedure en voor het erkennen van de corrigerende beleidsmaatregelen die de betrokken lidstaat heeft genomen.

Artikel 11

Afsluiting van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden

De Raad trekt, op basis van een aanbeveling van de Commissie, de krachtens de artikelen 7, 8 of 10 vastgestelde aanbevelingen in, zodra hij van oordeel is dat er in de betrokken lidstaat niet langer sprake is van buitensporige onevenwichtigheden als omschreven in de aanbeveling als bedoeld in artikel 7, lid 2. De Raad legt hierover een openbare verklaring af.

Artikel 12

Stemming binnen de Raad

Met betrekking tot de in de artikelen 7 tot en met 11 bedoelde maatregelen besluit de Raad zonder rekening te houden met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Toezichtmissies

1.   De Commissie zorgt in overeenstemming met de doelstellingen van deze verordening voor een permanente dialoog met de autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter evaluatie van de economische situatie in de lidstaten en ter identificatie van eventuele risico's of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.   De Commissie kan missies voor verscherpt toezicht ondernemen voor die lidstaten die het onderwerp zijn van een aanbeveling met betrekking tot het bestaan van buitensporige onevenwichtigheden als bedoeld in artikel 7, lid 2, van deze verordening, met als doel monitoring ter plaatste.

3.   Wanneer de betrokken lidstaat de euro als munt heeft of deel uitmaakt van WKM2, kan de Commissie indien wenselijk vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken deel te nemen aan toezichtmissies.

4.   De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over het resultaat van het in lid 2 bedoelde missies en kan indien nodig besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.   Bij het organiseren van de in lid 2 bedoelde missies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

Artikel 14

Economische dialoog

1.   Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en te zorgen voor meer transparantie en verantwoordelijkheid, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en indien nodig de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de Eurogroep in de commissie uitnodigen om het volgende te bespreken:

a)

de informatie over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid die de Raad overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU heeft verstrekt;

b)

de algemene richtsnoeren voor de lidstaten die de Commissie aan het begin van de jaarlijkse toezichtcyclus uitvaardigt;

c)

de conclusies van de Europese Raad met betrekking tot richtsnoeren voor het economisch beleid in het kader van het Europees semester;

d)

de resultaten van het multilaterale toezicht dat op grond van deze verordening is uitgeoefend;

e)

de conclusies van de Europese Raad met betrekking tot de richtsnoeren voor en de resultaten van het multilaterale toezicht;

f)

een beoordeling van de uitoefening van het multilaterale toezicht aan het einde van het Europees semester;

g)

de aanbevelingen die overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 4, van deze verordening zijn gedaan.

2.   De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat die het onderwerp is van een aanbeveling of besluit van de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, of artikel 10, lid 4, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

3.   De Raad en de Commissie informeren op regelmatige basis het Europees Parlement over de resultaten van de toepassing van deze verordening.

Artikel 15

Jaarlijkse rapportage

De Commissie stelt jaarlijks een rapport op over de toepassing van deze verordening, met inbegrip van het actualiseren van het scorebord als bedoeld in artikel 4 en legt haar bevindingen voor aan het Europees Parlement en aan de Raad in het kader van het Europees semester.

Artikel 16

Verslagen en evaluaties

1.   Uiterlijk 14 december 2014, en daarna elke vijf jaar, beoordeelt de Commissie en brengt zij verslag uit over de toepassing van deze verordening.

In die verslagen wordt onder meer het volgende beoordeeld:

a)

de doeltreffendheid van deze verordening;

b)

de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economisch beleid en aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

Deze verslagen gaan in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

2.   De Commissie stuurt de in lid 1 bedoelde verslagen toe aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 16 november 2011.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BUZEK

Voor de Raad

De voorzitter

W. SZCZUKA


(1)  PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.

(2)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 53.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 28 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 november 2011.

(4)  PB C 73 van 25.3.2006, blz. 21.

(5)  Zie bladzijde 8 van dit Publicatieblad.

(6)  Zie bladzijde 12 van dit Publicatieblad.


23.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/33


VERORDENING (EU) Nr. 1177/2011 VAN DE RAAD

van 8 november 2011

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 14, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van een wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten binnen de Unie, zoals voorgeschreven door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dient de naleving van de volgende grondbeginselen te omvatten: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities, alsook een houdbare betalingsbalans.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact (SGP) bestond aanvankelijk uit Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economische beleid (3), Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (4) en de resolutie van de Europese Raad van 17 juni 1997 betreffende het stabiliteits- en groeipact (5). De Verordeningen (EG) nr. 1466/97 en (EG) nr. 1467/97 zijn gewijzigd bij respectievelijk Verordening (EG) nr. 1055/2005 (6) en Verordening (EG) nr. 1056/2005 (7). Daarnaast is het verslag van de Raad van 20 maart 2005 met als titel „De uitvoering van het stabiliteits- en groeipact verbeteren” (8) goedgekeurd.

(3)

Het SGP is gebaseerd op de doelstelling van gezonde en houdbare overheidsfinanciën als middel ter versterking van de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een sterke duurzame groei die berust op financiële stabiliteit, waardoor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie voor duurzame groei en werkgelegenheid wordt ondersteund.

(4)

De ervaring die in de eerste tien jaar van de economische en monetaire unie is opgedaan en de fouten die zijn gemaakt, laten zien dat er in de Unie behoefte is aan een beter economisch bestuur dat gefundeerd is op een sterkere nationale toe-eigening van gezamenlijk overeengekomen regels en beleid en een robuuster kader op uniaal niveau voor het toezicht op het nationale economische beleid.

(5)

Het gemeenschappelijk kader voor economisch bestuur dient te worden versterkt, met inbegrip van verbeterd begrotingstoezicht, conform de hoge mate van onderlinge integratie tussen de economieën van de lidstaten binnen de Unie, en met name in het eurogebied.

(6)

Het verbeterde kader voor economisch bestuur moet berusten op verschillende met elkaar verband houdende en coherente gebieden van beleid voor duurzame groei en werkgelegenheid, die onderling coherent moeten zijn, in het bijzonder een strategie van de Unie voor groei en banen, met bijzondere aandacht voor het ontwikkelen en versterken van de interne markt, het bevorderen van internationale handelsbetrekkingen en concurrentievermogen, een Europees semester voor meer coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid, een effectief kader voor de preventie en correctie van buitensporige overheidstekorten (het SGP), een robuust kader voor de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden, minimumeisen voor nationale begrotingskaders, een strengere regulering van en controle op de financiële markten, inclusief macroprudentieel toezicht door het Europees Comité voor systeemrisico’s.

(7)

De totstandbrenging en instandhouding van een dynamische interne markt moet als onderdeel van een deugdelijk en vlot werkende economische en monetaire unie worden gezien.

(8)

Het SGP en het complete kader voor economisch bestuur vormen een aanvulling op en ondersteunen de strategie van de Unie voor groei en banen. De onderlinge verbanden tussen de verschillende onderdelen mogen geen vrijstellingen van de bepalingen van het SGP behelzen.

(9)

Versterking van het economische bestuur moet onder andere betekenen dat het Europees Parlement en de nationale parlementen nauwer en in een vroeger stadium bij de zaak worden betrokken. Erkennend dat de tegenhangers van het Europees Parlement in het kader van deze dialoog de desbetreffende instellingen van de Unie en hun vertegenwoordigers zijn, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement een lidstaat tot wie de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, VWEU een besluit heeft gericht, een aanbeveling overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU, of een besluit overeenkomstig artikel 126, lid 11, de gelegenheid bieden deel te nemen aan een gedachtewisseling. Deelname van de lidstaat aan deze gedachtewisseling geschiedt op vrijwillige basis.

(10)

De Commissie moet in de versterkte toezichtprocedure een krachtiger rol spelen met betrekking tot beoordelingen van afzonderlijke lidstaten, monitoring, bezoeken ter plaatse, aanbevelingen en waarschuwingen.

(11)

Bij het toepassen van deze verordening moeten de Raad en de Commissie op passende wijze rekening houden met alle relevante factoren en met de economische en budgettaire situatie van de betrokken lidstaten.

(12)

De regels voor de begrotingsdiscipline dienen te worden aangescherpt, met name door een prominentere rol in te ruimen voor het peil en de evolutie van de schuld en de algehele houdbaarheid. Ook de mechanismen die de naleving en de handhaving van die regels moeten garanderen, dienen te worden versterkt.

(13)

De toepassing van de bestaande procedure bij buitensporige tekorten op basis van zowel het tekortcriterium als het schuldcriterium vereist een cijfermatige benchmark die rekening houdt met de conjunctuurcyclus om te beoordelen of de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product (bbp) in voldoende mate afneemt en de referentiewaarde in een bevredigend tempo benadert.

Er moet een overgangsperiode komen om lidstaten die op de datum van vaststelling van deze verordening het voorwerp vormen van een procedure bij buitensporige tekorten, in de gelegenheid te stellen hun beleid aan te passen aan de cijfermatige benchmark voor schuldvermindering. Dit moet eveneens gelden voor lidstaten die het voorwerp vormen van een aanpassingsprogramma van de Europese Unie of het Internationaal Monetair Fonds.

(14)

Niet-naleving van de cijfermatige benchmark voor de schuldvermindering mag niet volstaan om vast te stellen dat er een buitensporig tekort bestaat; het volledige scala van relevante factoren die de Commissie in haar verslag krachtens artikel 126, lid 3, VWEU heeft behandeld, moet in aanmerking worden genomen. Meer bepaald kan de beoordeling van de invloed van de conjunctuur en de samenstelling van de „omvang-stroomaanpassing” (stock-flow adjustment) op het schuldverloop volstaan om de vaststelling van het bestaan van een buitensporig tekort op basis van het schuldcriterium te vermijden.

(15)

Indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp de referentiewaarde niet overschrijdt, dient bij de vaststelling van het bestaan van een buitensporig tekort op grond van het tekortcriterium en in de daaraan voorafgaande stappen het volledige scala van relevante factoren in aanmerking te worden genomen die in het verslag van de Commissie krachtens artikel 126, lid 3, VWEU worden behandeld.

(16)

Bij het in aanmerking nemen van hervormingen van de pensioenstelsels als een van de relevante factoren is het doorslaggevende criterium de vraag of deze hervormingen de langetermijnhoudbaarheid van het algehele pensioenstelsel ten goede komen zonder de risico’s voor de begrotingssituatie op middellange termijn te vergroten.

(17)

In het verslag van de Commissie krachtens artikel 126, lid 3, VWEU dient de kwaliteit van het nationale begrotingskader op passende wijze in aanmerking te worden genomen, aangezien dit kader cruciaal is als fundering van de begrotingsconsolidatie en van houdbare overheidsfinanciën. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de minimumvoorschriften van Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (9), alsook met andere overeengekomen wenselijke voorschriften inzake de begrotingsdiscipline.

(18)

Het is nodig dat in de aanbevelingen en aanmaningen van de Raad om buitensporigtekortsituaties te corrigeren, jaarlijkse begrotingsdoelstellingen worden vermeld die stroken met de vereiste verbetering van de conjunctuurgezuiverde begroting, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, en op grond waarvan kan worden nagegaan of aan die aanbevelingen en aanmaningen gevolg wordt gegeven. De benchmark „jaarlijkse verbetering van ten minste 0,5 % van het bbp” moet in dat verband worden opgevat als een jaarlijks gemiddelde.

(19)

Of er effectief gevolg is gegeven aan aanbevelingen en aanmaningen kan beter worden beoordeeld indien wordt uitgegaan van de mate waarin de doelstellingen voor de overheidsuitgaven worden nageleefd in combinatie met de mate waarin de geplande specifieke maatregelen aan de ontvangstenzijde worden uitgevoerd.

(20)

Om te beoordelen of de termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort kan worden verlengd, dient speciale aandacht te worden besteed aan ernstige economische neergang in het eurogebied of de Unie als geheel, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.

(21)

De financiële sancties waarin artikel 126, lid 11, VWEU voorziet, moeten in sterkere mate worden toegepast, zodat deze er werkelijk toe aanzetten gevolg te geven aan de aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU.

(22)

Om te waarborgen dat het kader voor begrotingstoezicht van de Unie door de lidstaten die de euro als munt hebben, in acht wordt genomen, dienen er op grond van artikel 136, VWEU op regels gebaseerde sancties te worden bepaald die billijke, tijdige en doeltreffende mechanismen voor de naleving van het SGP garanderen.

(23)

De boeten als bedoeld in deze richtlijn, vormen andere ontvangsten als bedoeld in artikel 311, VWEU, en moeten worden toegewezen aan stabiliteitsmechanismen voor de verlening van financiële steun die door de lidstaten die de euro als munt hebben, worden ingesteld teneinde de stabiliteit van het eurogebied in zijn geheel te waarborgen.

(24)

De verwijzingen in Verordening (EG) nr. 1467/97 moeten worden aangepast aan de nieuwe artikelnummering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en met de vervanging van Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad (10) door Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (11).

(25)

Verordening (EG) nr. 1467/97 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1467/97 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

1.   Deze verordening stelt de bepalingen vast voor het bespoedigen en verduidelijken van de procedure bij buitensporige tekorten. Het doel van de procedure bij buitensporige tekorten is buitensporige overheidstekorten te ontmoedigen en, indien dergelijke tekorten optreden, deze spoedig te doen corrigeren, waarbij de inachtneming van de begrotingsdiscipline wordt beoordeeld op basis van de criteria voor het overheidstekort en de overheidsschuld.

2.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „deelnemende lidstaten” verstaan de lidstaten die de euro als munt hebben.”.

2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.   Wanneer een overheidstekort de referentiewaarde overschrijdt, wordt die overschrijding overeenkomstig artikel 126, lid 2, onder a), tweede streepje, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) geacht van uitzonderlijke aard te zijn, indien deze wordt veroorzaakt door een ongewone gebeurtenis die buiten de macht van de betrokken lidstaat valt en een aanzienlijk effect heeft op de financiële positie van de overheid, of indien zij wordt veroorzaakt door een ernstige economische neergang.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   Wanneer de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product (bbp) de referentiewaarde overschrijdt, wordt deze verhouding overeenkomstig artikel 126, lid 2, onder b), VWEU geacht in voldoende mate af te nemen en de referentiewaarde in een bevredigend tempo te benaderen indien het verschil ten opzichte van de referentiewaarde in de loop van de voorafgaande drie jaren met gemiddeld een twintigste per jaar als benchmark is verminderd, berekend op basis van de evolutie in de loop van de laatste drie jaren waarvoor de gegevens beschikbaar zijn.

Het schuldcriterium wordt ook geacht te zijn vervuld indien de budgettaire prognoses van de Commissie erop wijzen dat de vereiste vermindering van het verschil ten opzichte van de referentiewaarde zich zal voordoen tijdens de periode van drie jaar waartoe de twee jaren behoren die volgen op het laatste jaar waarvoor de gegevens beschikbaar zijn. Voor een lidstaat waartegen op 8 november 2011 een buitensporigtekortprocedure loopt en gedurende een periode van drie jaar vanaf de correctie van het buitensporige tekort, wordt het schuldcriterium geacht te zijn vervuld wanneer de betrokken lidstaat, naar het oordeel van de Raad in zijn advies betreffende het stabiliteits- of het convergentieprogramma van die lidstaat, voldoende vooruitgang in de richting van naleving maakt.

Bij de toepassing van de benchmark voor de schuldquoteaanpassing wordt rekening gehouden met de impact van de conjunctuur op het tempo van de schuldvermindering.”;

c)

de leden 3 tot en met 7 worden vervangen door:

„3.   Bij de opstelling van een verslag krachtens artikel 126, lid 3, VWEU houdt de Commissie rekening met alle andere relevante factoren zoals vermeld in dat artikel, voor zover zij de beoordeling of de betrokken lidstaat de tekort- en schuldcriteria naleeft, aanzienlijk beïnvloeden. Het verslag weerspiegelt in voorkomend geval:

a)

de middellangetermijnontwikkelingen in de economische situatie, met name de potentiële groei, inclusief de verschillende bijdragen van arbeid, kapitaalaccumulatie en totale factorproductiviteit, conjunctuurontwikkelingen en de nettobesparingen van de privésector;

b)

de middellangetermijnontwikkelingen in de begrotingssituatie, met name het aanpassingstraject ter verwezenlijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting, het niveau van het primaire saldo en de evolutie van de primaire uitgaven, zowel lopende uitgaven als kapitaaluitgaven, de uitvoering van beleidsmaatregelen in het kader van de preventie en correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, de uitvoering van beleidsmaatregelen in het kader van de gemeenschappelijke groeistrategie van de Unie en de algemene kwaliteit van de overheidsfinanciën, in het bijzonder de doeltreffendheid van de nationale begrotingskaders;

c)

het verloop, de dynamiek en de houdbaarheid van de schuldpositie van de overheid op middellange termijn, in het bijzonder risicofactoren, zoals onder meer de looptijdstructuur en valutasamenstelling van de schuld, de „omvang-stroomaanpassing” (stock-flow adjustment) en de samenstelling daarvan, de opgebouwde reserves en andere financiële activa; garanties, met name die welke met de financiële sector verband houden; en eventuele impliciete verplichtingen die met de vergrijzing en de particuliere schuld verband houden, voor zover deze een voorwaardelijke impliciete verplichting voor de overheid vormen.

De Commissie houdt terdege en uitdrukkelijk rekening met alle andere factoren die naar het oordeel van de betrokken lidstaat relevant zijn om de naleving van de tekort- en schuldcriteria uitvoerig te kunnen beoordelen, welke factoren die lidstaat aan de Raad en de Commissie kenbaar heeft gemaakt. In dat verband moet bijzondere aandacht uitgaan naar financiële bijdragen ter bevordering van de internationale solidariteit en ter verwezenlijking van de beleidsdoelen van de Unie, de schuld in de vorm van bilaterale en multilaterale steun tussen lidstaten in het kader van het waarborgen van de financiële stabiliteit, de schuld in verband met financiële stabilisatieoperaties tijdens grote financiële crises.

4.   De Raad en de Commissie verrichten een evenwichtige algehele beoordeling van alle relevante factoren, en met name van de mate waarin die factoren, als verzwarende of verzachtende omstandigheden, van invloed zijn op de beoordeling of het tekortcriterium en/of het schuldcriterium in acht worden genomen. Indien de verhouding tussen de overheidsschuld en het bbp de referentiewaarde overschrijdt, wordt bij de nalevingsbeoordeling op basis van het tekortcriterium in de in artikel 126, leden 4, 5, en 6, VWEU bedoelde stappen die leiden naar het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort, alleen rekening met deze factoren gehouden indien volledig is voldaan aan de tweeledige voorwaarde van het overkoepelende principe, namelijk dat het overheidstekort dicht bij de referentiewaarde blijft en de overschrijding van de referentiewaarde slechts van tijdelijke aard is.

Bij de nalevingsbeoordeling op basis van het schuldcriterium wordt in de stappen die leiden tot het besluit over het bestaan van een buitensporig tekort echter wel rekening gehouden met deze factoren.

5.   Bij het beoordelen van de naleving van het tekort- en het schuldcriterium en bij alle daaropvolgende stappen van de buitensporigtekortprocedure houden de Raad en de Commissie naar behoren rekening met de toepassing van pensioenhervormingen waarbij een meerpijlersysteem wordt ingevoerd dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking en de nettokosten van de openbaar beheerde pijler omvat. Er wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan de kenmerken van het algehele pensioenstelsel zoals dat er na de hervorming uitziet, en met name aan de vraag of het bevorderlijk is voor de houdbaarheid op lange termijn zonder de risico’s voor de begrotingssituatie op middellange termijn te vergroten.

6.   Indien de Raad, op grond van artikel 126, lid 6, VWEU, besluit dat in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat, houden de Raad en de Commissie in de daaropvolgende fasen van de procedure van artikel 126, VWEU rekening met de in lid 3 van dit artikel bedoelde relevante factoren waar deze van invloed zijn op de situatie van de betrokken lidstaat, inclusief die welke vermeld zijn in artikel 3, lid 5, en in artikel 5, lid 2, van deze verordening, met name bij de vaststelling van een termijn voor het corrigeren van het buitensporige tekort en de eventuele verlenging daarvan. Die relevante factoren worden evenwel niet in aanmerking genomen in het door de Raad krachtens artikel 126, lid 12, VWEU, te nemen besluit tot intrekking van sommige of alle van de in artikel 126, leden 6 tot en met 9, en lid 11, VWEU, bedoelde besluiten.

7.   In het geval van lidstaten waarvan het tekort de referentiewaarde overschrijdt als gevolg van de toepassing van een pensioenhervorming waarbij een meerpijlerstelsel is ingevoerd dat een verplichte pijler met volledige kapitaaldekking omvat, nemen de Raad en de Commissie bij hun beoordeling van ontwikkelingen in de tekortcijfers in de buitensporigtekortprocedure ook de kosten van de hervorming in aanmerking, zolang het tekort niet aanzienlijk boven een niveau komt dat als dicht bij de referentiewaarde kan worden beschouwd, en de schuldquote de referentiewaarde niet overschrijdt, op voorwaarde dat de algehele houdbaarheid van de begroting gehandhaafd blijft. De nettokosten worden ook in aanmerking genomen in het door de Raad krachtens artikel 126, lid 12, VWEU, te nemen besluit tot intrekking van sommige of alle van de in artikel 126, leden 6 tot en met 9, en lid 11 VWEU, bedoelde besluiten, indien het tekort in aanzienlijke mate en voortdurend is afgenomen en een niveau heeft bereikt dat de referentiewaarde benadert.”.

3)

De volgende afdeling wordt ingevoegd:

„AFDELING 1 bis

ECONOMISCHE DIALOOG

Artikel 2 bis

1.   Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie, in het bijzonder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie te bevorderen en meer transparantie en verantwoordelijkheid te bewerkstelligen, kan de bevoegde commissie van het Europees Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie en, in voorkomend geval, de voorzitter van de Europese Raad of de voorzitter van de eurogroep in de commissie uitnodigen om van gedachten te wisselen over besluiten van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 6, VWEU, aanbevelingen van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU, aanmaningen krachtens artikel 126, lid 9, VWEU en besluiten uit hoofde van artikel 126, lid 11, VWEU.

De Raad wordt geacht de aanbevelingen en voorstellen van de Commissie te volgen, of zijn standpunt in het openbaar toe te lichten.

De bevoegde commissie van het Europees Parlement kan de lidstaat waarop deze besluiten, aanbevelingen of aanmaningen betrekking hebben, de gelegenheid bieden om deel te nemen aan een gedachtewisseling.

2.   De Raad en de Commissie informeren het Europees Parlement geregeld over de toepassing van deze verordening.”.

4)

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Indien de Commissie, ten volle rekening houdend met het in lid 1 bedoelde advies, van mening is dat er een buitensporig tekort bestaat, richt zij een advies en een voorstel voor een besluit tot de Raad overeenkomstig artikel 126, leden 5 en 6, VWEU en brengt zij het Europees Parlement hiervan op de hoogte.”;

b)

in lid 3 wordt de verwijzing naar „artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 3605/93” vervangen door een verwijzing naar „artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009”;

c)

de leden 4 en 5 worden vervangen door:

„4.   In de aanbeveling van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU wordt een termijn van ten hoogste zes maanden bepaald waarbinnen de betrokken lidstaat effectief gevolg aan die aanbeveling moet geven. Indien de ernst van de situatie dit rechtvaardigt, kan de termijn voor effectief gevolg geven, worden verkort tot drie maanden. In de aanbeveling van de Raad wordt tevens een termijn bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort, dat, behoudens bijzondere omstandigheden, binnen het jaar nadat het is geconstateerd, verholpen moet zijn. In zijn aanbeveling verzoekt de Raad de lidstaat dat hij jaarlijkse begrotingsdoelstellingen realiseert die op grond van de prognoses die aan de aanbeveling ten grondslag liggen, stroken met een benchmark die overeenstemt met een minimale jaarlijkse verbetering van ten minste 0,5 % van het bbp in zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, teneinde het buitensporige tekort binnen de in de aanbeveling vastgestelde termijn te corrigeren.

4 bis.   De betrokken lidstaat brengt binnen de in lid 4 bedoelde termijn verslag uit aan de Raad en de Commissie over het aan de aanbeveling van de Raad krachtens artikel 126, lid 7, van het Verdrag gegeven gevolg. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en voor de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgavenzijde als de ontvangstenzijde die stroken met de aanbeveling van de Raad, alsook informatie over de genomen maatregelen en over de aard van de voorgenomen maatregelen om de doelstellingen te bereiken. De lidstaat maakt het verslag openbaar.

5.   Indien effectief gevolg is gegeven aan een aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU, en indien zich na de vaststelling van de aanbeveling onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën voordoen, kan de Raad, op grond van een aanbeveling van de Commissie, een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU vaststellen. Bij de herziene aanbeveling, waarin rekening wordt gehouden met de in artikel 2, lid 3, van deze verordening genoemde relevante factoren, kan met name de termijn die is bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, in de regel met één jaar. De Raad beoordeelt op basis van de in zijn aanbeveling vervatte economische prognoses of er sprake is van onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën. In geval van een ernstige economische neergang in het eurogebied of de Unie als geheel kan de Raad ook besluiten om op basis van een aanbeveling van de Commissie een herziene aanbeveling krachtens artikel 126, lid 7, VWEU vast te stellen, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.”.

5)

In artikel 4 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   Een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU om zijn aanbeveling openbaar te maken, wanneer wordt vastgesteld dat daaraan geen effectief gevolg is gegeven, wordt genomen onmiddellijk na het verstrijken van de overeenkomstig artikel 3, lid 4, van deze verordening gestelde termijn.

2.   Bij de beoordeling of aan zijn aanbevelingen overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU, effectief gevolg is gegeven, baseert de Raad zich bij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 3, lid 4 bis, van deze verordening heeft ingediend en op de uitvoering daarvan, alsook op eventuele andere publiekelijk aangekondigde besluiten van de regering van de betrokken lidstaat.

Indien de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU vaststelt dat de betrokken lidstaat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen heeft gegeven, brengt hij daaromtrent verslag uit aan de Europese Raad.”.

6)

In artikel 5 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   Een besluit van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU om de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te treffen om het tekort te verminderen, wordt genomen binnen twee maanden nadat de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU heeft vastgesteld dat geen effectief gevolg aan zijn aanbevelingen is gegeven. In de aanmaning verlangt de Raad dat de lidstaat jaarlijkse begrotingsdoelstellingen realiseert die op grond van de aan de aanmaning ten grondslag liggende prognoses stroken met een benchmark die overeenstemt met een minimale jaarlijkse verbetering van ten minste 0,5 % van het bbp in zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen, teneinde het buitensporige tekort binnen de in de aanmaning vastgestelde termijn te corrigeren. De Raad wijst ook maatregelen aan die bevorderlijk zijn voor het bereiken van deze doelstellingen.

1 bis.   Na een aanmaning van de Raad krachtens artikel 126, lid 9, VWEU brengt de betrokken lidstaat verslag uit aan de Raad en de Commissie over het gevolg dat aan de aanmaning van de Raad is gegeven. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en voor de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde, alsook informatie over de in reactie op de specifieke aanbevelingen van de Raad genomen maatregelen teneinde de Raad in staat te stellen, indien nodig, het besluit overeenkomstig artikel 6, lid 2, van deze verordening te nemen. De lidstaat maakt het verslag openbaar.

2.   Indien effectief gevolg is gegeven aan een aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU en indien er zich na de vaststelling van die aanmaning onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën voordoen, kan de Raad, op basis van een aanbeveling van de Commissie, een herziene aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU vaststellen. Bij de herziene aanmaning, waarin rekening wordt gehouden met de in artikel 2, lid 3, van deze verordening bedoelde relevante factoren, kan met name de termijn die is bepaald voor het corrigeren van het buitensporige tekort worden verlengd, in de regel met één jaar. De Raad beoordeelt op basis van de in zijn aanmaning vervatte economische prognoses of er sprake is van onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën. In geval van een ernstige economische neergang in het eurogebied of de Unie als geheel kan de Raad ook op basis van een aanbeveling van de Commissie besluiten een herziene aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU vast te stellen, op voorwaarde dat de houdbaarheid van de begroting op middellange termijn daardoor niet in gevaar komt.”.

7)

De artikelen 6, 7 en 8 worden vervangen door:

„Artikel 6

1.   Bij de beoordeling of aan zijn aanmaning overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU, effectief gevolg is gegeven, baseert de Raad zich bij zijn besluit op het verslag dat de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, van deze verordening heeft ingediend en op de uitvoering daarvan, alsook op eventuele andere publiekelijk aangekondigde besluiten van de regering van de betrokken lidstaat. Er wordt rekening gehouden met het resultaat van de overeenkomstig artikel 10 bis van deze verordening door de Commissie uitgevoerde toezichtmissie.

2.   Wanneer aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 126, lid 11, VWEU is voldaan, legt de Raad overeenkomstig dat artikel sancties op. Een besluit daartoe wordt genomen uiterlijk vier maanden na het besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU de betrokken deelnemende lidstaat aan te manen maatregelen te nemen.

Artikel 7

Indien een deelnemende lidstaat zich niet voegt naar de opeenvolgende handelingen van de Raad overeenkomstig artikel 126, leden 7 en 9, VWEU, wordt het besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU sancties op te leggen doorgaans genomen binnen zestien maanden na de in artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde termijnen voor het verstrekken van gegevens. Ingeval artikel 3, lid 5, of artikel 5, lid 2, van deze verordening wordt toegepast, wordt de termijn van zestien maanden dienovereenkomstig gewijzigd. In het geval van een opzettelijk tekort waarvan de Raad besluit dat het buitensporig is, wordt een spoedprocedure gevolgd.

Artikel 8

Een besluit van de Raad om overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU de sancties te versterken, wordt genomen uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde termijnen voor het verstrekken van gegevens. Een besluit van de Raad om al zijn besluiten of sommige daarvan overeenkomstig artikel 126, lid 12, VWEU in te trekken, wordt zo spoedig mogelijk genomen en in ieder geval uiterlijk twee maanden na de in Verordening (EG) nr. 479/2009 vastgestelde termijnen voor het verstrekken van gegevens.”.

8)

In artikel 9, lid 3, wordt de verwijzing naar „artikel 6” vervangen door een verwijzing naar „artikel 6, lid 2”.

9)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de inleidende zin vervangen door:

„1.   De Raad en de Commissie volgen regelmatig de uitvoering van de maatregelen:”;

b)

in lid 3 wordt de verwijzing naar „Verordening (EG) nr. 3605/93” vervangen door een verwijzing naar „Verordening (EG) nr. 479/2009”.

10)

Het volgende artikel wordt toegevoegd:

„Artikel 10 bis

1.   De Commissie zorgt conform de doelstellingen van deze verordening voor een permanente dialoog met de autoriteiten van de lidstaten. Hiertoe voert de Commissie in het bijzonder missies uit ter beoordeling van de heersende economische situatie in de lidstaten en ter opsporing van eventuele risico’s of moeilijkheden bij de naleving van de doelstellingen van deze verordening.

2.   Het toezicht kan worden versterkt voor lidstaten die het voorwerp vormen van naar aanleiding van een besluit uit hoofde van artikel 126, lid 8, VWEU vastgestelde aanbevelingen en aanmaningen en van besluiten krachtens artikel 126, lid 11, VWEU met het oog op toezicht ter plaatse. De betrokken lidstaten verstrekken alle informatie die nodig is voor de voorbereiding en de uitvoering van de missie.

3.   De Commissie kan indien passend vertegenwoordigers van de Europese Centrale Bank verzoeken om deel te nemen aan toezichtmissies in een lidstaat die de euro als munt heeft of die deelneemt aan de Overeenkomst van 16 maart 2006 tussen de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken van de lidstaten buiten het eurogebied waarin de operationele procedures voor een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie zijn neergelegd (12) (WKM II).

4.   De Commissie brengt bij de Raad verslag uit over het resultaat van de in lid 2 bedoelde missie en kan besluiten haar bevindingen openbaar te maken.

5.   Bij het organiseren van de in lid 2 bedoelde toezichtmissies deelt de Commissie haar voorlopige bevindingen voor commentaar mee aan de betrokken lidstaten.

11)

De artikelen 11 en 12 worden vervangen door:

„Artikel 11

Telkens wanneer de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU besluit sancties aan een deelnemende lidstaat op te leggen, wordt in de regel een boete verlangd. De Raad kan besluiten om naast deze boete de andere maatregelen te nemen als bepaald in artikel 126, lid 11, VWEU.

Artikel 12

1.   Het bedrag van de boete bestaat uit een vast bestanddeel, gelijk aan 0,2 % van het bbp, en een variabel bestanddeel. Het variabele bestanddeel bedraagt een tiende van de absolute waarde van het verschil tussen het als percentage van het bbp uitgedrukte saldo in het voorgaande jaar en hetzij de referentiewaarde van het overheidssaldo, hetzij, indien ook uit hoofde van het schuldcriterium niet aan de begrotingsdiscipline is voldaan, het overheidssaldo als percentage van het bbp dat overeenkomstig de aanmaning krachtens artikel 126, lid 9, VWEU in hetzelfde jaar zou moeten zijn verwezenlijkt.

2.   In elk jaar dat volgt op het jaar waarin de boete is opgelegd en totdat het besluit omtrent het bestaan van een buitensporig tekort wordt ingetrokken, beoordeelt de Raad of de betrokken deelnemende lidstaat effectief gevolg heeft gegeven aan de aanmaning van de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU. In deze jaarlijkse beoordeling besluit de Raad overeenkomstig artikel 126, lid 11, VWEU de maatregelen te versterken, tenzij de betrokken deelnemende lid staat de aanmaning van de Raad in acht heeft genomen. Indien de Raad besluit een aanvullende boete op te leggen, wordt deze op dezelfde wijze berekend als het variabele bestanddeel van de in lid 1 omschreven boete.

3.   Geen enkele boete als bedoeld in de leden 1 en 2 mag meer bedragen dan 0,5 % van het bbp.”.

12)

Artikel 13 wordt geschrapt en de verwijzing naar dat artikel in artikel 15 wordt vervangen door een verwijzing naar „artikel 12”.

13)

Artikel 16 wordt vervangen door:

„Artikel 16

De in artikel 12 van deze verordening bedoelde boeten vormen andere ontvangsten, als bedoeld in artikel 311, VWEU, en worden toegewezen aan de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit. Zodra door de deelnemende lidstaten, een ander stabiliteitsmechanisme voor de verlening van financiële steun wordt ingesteld teneinde de stabiliteit van het eurogebied in zijn geheel te waarborgen, wordt het bedrag van de boeten aan dat mechanisme toegewezen.”.

14)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 17 bis

1.   Uiterlijk op 14 december 2014, en daarna elke vijf jaar, publiceert de Commissie een verslag over de toepassing van deze verordening.

In dat verslag worden onder meer de volgende zaken beoordeeld:

a)

de doeltreffendheid van deze verordening;

b)

de vooruitgang die is geboekt bij het waarborgen van een nauwere coördinatie van het economische beleid en de aanhoudende convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU.

2.   Het in lid 1 bedoelde verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van een voorstel tot wijziging van deze verordening.

3.   Het verslag wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.”.

15)

In Verordening (EG) nr. 1467/97 worden alle verwijzingen naar „artikel 104 van het Verdrag” vervangen door verwijzingen naar „artikel 126, VWEU”.

16)

In punt 2 van de bijlage worden de verwijzingen in kolom I naar „artikel 4, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad” vervangen door verwijzingen naar „artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 november 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

J. VINCENT-ROSTOWSKI


(1)  Advies van het Europees Parlement van 28 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.

(3)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(4)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(5)  PB C 236 van 2.8.1997, blz. 1.

(6)  Verordening (EG) nr. 1055/2005 van de Raad van 27 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economische beleid (PB L 174 van 7.7.2005, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1056/2005 van de Raad van 27 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 174 van 7.7.2005, blz. 5).

(8)  Zie document 7423/5/05 op http://www.consilium.europa.eu/documents.aspx?lang=nl.

(9)  Zie bladzijde 41 van dit Publicatieblad.

(10)  Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 332 van 31.12.1993, blz. 7).

(11)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(12)  PB C 73 van 25.3.2006, blz. 21.”.


II Niet-wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

23.11.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/41


RICHTLIJN 2011/85/EU VAN DE RAAD

van 8 november 2011

tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 14, derde alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er dient te worden voortgebouwd op de ervaring die in de eerste tien jaar van de Economische en Monetaire Unie is opgedaan. Door de recente economische ontwikkelingen is de beleidsvoering op begrotingsgebied in heel de Unie voor nieuwe uitdagingen komen te staan en is met name duidelijk geworden dat de betrokkenheid van de lidstaten moet worden versterkt en dat er uniforme voorschriften moeten worden vastgesteld voor de regels en procedures die de begrotingskaders van de lidstaten vormen. In het bijzonder is het noodzakelijk te specificeren wat nationale autoriteiten moeten doen om zich te voegen naar het bepaalde in het Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 3 van dat protocol.

(2)

De nationale overheden en hun subsectoren hanteren stelsels voor overheidsboekhouding die elementen zoals boekhouden, interne controle, financiële rapportage en controle van de rekeningen omvatten. Die stelsels moeten worden onderscheiden van, enerzijds, statistische gegevens over de resultaten van de overheidsfinanciën, welke gebaseerd zijn op statistische methoden, en, anderzijds, prognoses of budgettering, die betrekking hebben op de toekomstige overheidsfinanciën.

(3)

Een volledige en betrouwbare overheidsboekhouding voor alle subsectoren van de overheid is een eerste vereiste voor de productie van hoogwaardige statistieken die tussen de lidstaten onderling vergelijkbaar zijn. Interne controle moet handhaving van de bestaande regels in alle subsectoren van de overheid waarborgen. Onafhankelijke audits, uitgevoerd door openbare instellingen zoals rekenkamers of door particuliere auditorganen, dienen de toepassing van de beste internationale praktijken te stimuleren.

(4)

De beschikbaarheid van begrotingsgegevens is van cruciaal belang voor een goede werking van het uniale kader voor begrotingstoezicht. Regelmatige beschikbaarheid van tijdige en betrouwbare begrotingsgegevens is de sleutel voor adequaat en goed getimed toezicht, dat op zijn beurt snel optreden mogelijk maakt in geval van onverwachte begrotingsontwikkelingen. Een doorslaggevend element bij het waarborgen van de kwaliteit van begrotingsgegevens is transparantie, hetgeen vereist dat die gegevens regelmatig voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

(5)

Wat de statistieken betreft, is bij Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek (3) een wettelijk kader tot stand gebracht voor de productie van Europese statistieken met het oog op de formulering, uitvoering, monitoring en toetsing van het beleid van de Unie. In die verordening zijn ook de uitgangspunten voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken vastgelegd: professionele onafhankelijkheid, onpartijdigheid, objectiviteit, betrouwbaarheid, statistische geheimhouding en kosteneffectiviteit, waarbij van elk van deze beginselen een nauwkeurige omschrijving is gegeven. Bij Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (4), zijn aan de Commissie uitgebreidere bevoegdheden verleend om statistische gegevens voor de procedure bij buitensporige tekorten te verifiëren.

(6)

De begrippen „overheid”, „tekort” en „investeringen” zijn in het Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten omschreven door middel van verwijzing naar het Europees stelsel van economische rekeningen (ESER), dat is vervangen door het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap, vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (5) („ESR 95”).

(7)

De beschikbaarheid en de kwaliteit van ESR 95-gegevens zijn essentieel voor de goede werking van het uniale kader voor begrotingstoezicht. ESR 95 steunt op gegevens die worden verstrekt op transactiebasis. Deze begrotingsstatistieken op transactiebasis steunen evenwel op voorafgaande samenstellingen van gegevens op kasbasis, of het equivalent daarvan. Dit soort gegevens is bijzonder geschikt voor actuele begrotingsmonitoring, zodat het laattijdig ontdekken van significante fouten in de begroting kan worden voorkomen. Tijdreeksen van kasgegevens over ontwikkelingen in de begroting kunnen patronen aan het licht brengen die tot strenger toezicht nopen. De te publiceren begrotingsgegevens op kasbasis (of, bij het ontbreken daarvan, overeenkomstige gegevens uit de overheidsboekhouding) moeten ten minste betrekking hebben op het totale saldo, de algemene staat van de ontvangsten en de algemene staat van de uitgaven. Indien gerechtvaardigd, bijvoorbeeld wanneer het aantal lagereoverheidsinstellingen groot is, kunnen voor de tijdige publicatie van gegevens passende technieken worden gebruikt voor het opstellen van ramingen op basis van een representatief aantal instellingen, welke nadien, wanneer alle gegevens beschikbaar zijn, worden bijgesteld.

(8)

Vertekende en onrealistische macro-economische en budgettaire prognoses kunnen de effectiviteit van de begrotingsplanning aanzienlijk belemmeren en derhalve de begrotingsdiscipline schaden, terwijl de transparantie en bespreking van prognosemethoden de kwaliteit van macro-economische en budgettaire prognoses voor de begrotingsplanning aanzienlijk kunnen verbeteren.

(9)

Een doorslaggevende factor om te garanderen dat bij het voeren van het begrotingsbeleid realistische prognoses worden gehanteerd, is transparantie, hetgeen de publieke beschikbaarheid vereist van niet alleen de officiële macro-economische en budgettaire ramingen die zijn voorbereid ten behoeve van de begrotingsplanning, maar ook de methoden, aannames en relevante parameters waarop deze prognoses zijn gebaseerd.

(10)

Gevoeligheidsanalyses en overeenkomstige begrotingsprognoses ter aanvulling van het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario maken het mogelijk na te gaan hoe belangrijke begrotingsvariabelen zich op grond van verschillende groei- en renteaannames zouden ontwikkelen, en verminderen dus in aanzienlijke mate het risico dat de begrotingsdiscipline door prognosefouten in gevaar wordt gebracht.

(11)

De Commissieprognoses en informatie over de modellen waarop deze zijn gebaseerd kunnen de lidstaten een nuttige benchmark verschaffen voor hun meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario en vergroten aldus de deugdelijkheid van de prognoses die voor de begrotingsplanning worden gebruikt. De mate waarin kan worden verwacht dat de lidstaten de prognoses die zij voor de begrotingsplanning gebruiken met de Commissieprognoses vergelijken, loopt evenwel uiteen naargelang van het tijdstip van de opstelling van de prognoses en de vergelijkbaarheid van de bij de opstelling van de prognoses gehanteerde methoden en aannames. Ook prognoses van andere onafhankelijke instellingen kunnen nuttige benchmarks aanreiken.

(12)

Aanzienlijke verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses dienen te worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van variabelen in externe aannames aanzienlijk afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

(13)

Gezien de onderlinge afhankelijkheid tussen de begroting van de lidstaten en de begroting van de Unie moet de Commissie, ter ondersteuning van de lidstaten bij de voorbereiding van hun begrotingsprognoses, prognoses voor de uitgaven van de Unie op basis van het niveau van de in het kader van het meerjarig financieel kader geprogrammeerde uitgaven opstellen.

(14)

Teneinde het opstellen van prognoses ten behoeve van de begrotingsplanning te vergemakkelijken en verschillen tussen de prognoses van de lidstaten en die van de Commissie op te helderen, dient elke lidstaat jaarlijks in de gelegenheid te worden gesteld de aannames die ten grondslag liggen aan de voorbereiding van de macro-economische en begrotingsprognoses met de Commissie te bespreken.

(15)

De kwaliteit van de officiële macro-economische en budgettaire prognoses wordt aanzienlijk verhoogd wanneer op gezette tijden een volledige, onpartijdige evaluatie op basis van objectieve criteria plaatsvindt. Een grondige evaluatie omvat een doorlichting van de economische aannames, vergelijking met prognoses die door andere instellingen zijn opgesteld, en een evaluatie van de correctheid van in het verleden opgestelde prognoses.

(16)

Aangezien op regels gebaseerde begrotingskaders van de lidstaten nuttig zijn gebleken doordat zij de nationale toe-eigening van de uniale begrotingsregels hebben versterkt en begrotingsdiscipline hebben bevorderd, moeten robuuste landspecifieke cijfermatige begrotingsregels die stroken met de begrotingsdoelstellingen op het niveau van de Unie, de hoeksteen vormen van het versterkte kader van de Unie voor het begrotingstoezicht. Robuuste cijfermatige begrotingsregels moeten uitgerust zijn met welomschreven doelstellingen in combinatie met instrumenten die effectieve en tijdige monitoring mogelijk maken. Die regels moeten gebaseerd zijn op een betrouwbare en onafhankelijke analyse door onafhankelijke instanties of instanties die ten overstaan van de begrotingsautoriteiten van de lidstaten functioneel autonoom zijn. Voorts heeft de beleidservaring geleerd dat cijfermatige begrotingsregels pas effect sorteren wanneer er aan niet-naleving gevolgen verbonden zijn, waarbij de desbetreffende kosten eventueel uitsluitend reputatieschade kunnen inhouden.

(17)

Krachtens het Protocol (nr. 15) betreffende enkele bepalingen met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland, dat gehecht is aan het VEU en het VWEU, zijn de referentiewaarden vermeld in het Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, dat gehecht is aan die Verdragen, niet rechtstreeks bindend zijn voor het Verenigd Koninkrijk. De verplichting te beschikken over cijfermatige begrotingsregels die effectief de naleving van de specifieke referentiewaarden voor het buitensporig tekort bevorderen, en de daarmee samenhangende verplichting dat de meerjarige doelstellingen in de begrotingskaders voor de middellange termijn met die regels dienen te stroken, mogen daarom niet op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn.

(18)

De lidstaten dienen procyclisch begrotingsbeleid te vermijden en in economische goede tijden dienen grotere budgettaire consolidatie-inspanningen te worden geleverd. Welomschreven cijfermatige begrotingsregels zijn bevorderlijk voor de verwezenlijking van deze doelstellingen en dienen in de nationale wetgevingen van de lidstaten betreffende hun jaarlijkse begroting te worden meegenomen.

(19)

Nationale begrotingsplanning kan alleen met zowel het preventieve als het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact (SGP) stroken wanneer vanuit een meerjarenperspectief wordt gewerkt en in het bijzonder de verwezenlijking van de middellangetermijndoelstellingen voor de begroting wordt nagestreefd. Begrotingskaders voor de middellange termijn zijn onontbeerlijk om de begrotingskaders van de lidstaten te doen stroken met de Uniewetgeving. In de geest van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (6) en Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (7) mogen het preventieve en corrigerende deel van het SGP niet louter op zichzelf worden beschouwd.

(20)

Hoewel de goedkeuring van de wetgeving betreffende de jaarlijkse begroting de fase van de begrotingsprocedure is waarin in de lidstaten belangrijke budgettaire beslissingen worden genomen, hebben de meeste begrotingsmaatregelen budgettaire gevolgen die veel verder reiken dan de jaarlijkse begrotingscyclus. Een horizon van één jaar biedt dan ook een zwakke basis voor een deugdelijk begrotingsbeleid. Om het budgettaire meerjarenperspectief van het uniale kader voor het begrotingstoezicht te integreren, dient de planning van de wetgeving betreffende de jaarlijkse begroting te worden gebaseerd op een meerjarige begrotingsplanning die geënt is op het begrotingskader voor de middellange termijn.

(21)

Dat begrotingskader voor de middellange termijn dient onder meer prognoses te bevatten voor elke belangrijke uitgaven- en ontvangstenpost voor het lopende begrotingsjaar en latere jaren bij ongewijzigd beleid. Elke lidstaat moet in staat zijn ongewijzigd beleid afdoende te omschrijven en die omschrijvingen moeten, samen met de betreffende aannames, de methoden en de relevante parameters, voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

(22)

Deze richtlijn mag de nieuwe regering van een lidstaat niet beletten het begrotingskader voor de middellange termijn aan te passen aan haar nieuwe beleidsprioriteiten. In dit geval dient de nieuwe regering de verschillen met het voorgaande begrotingskader voor de middellange termijn aan te geven.

(23)

De bepalingen van het bij het VWEU vastgestelde kader voor het begrotingstoezicht, en in het bijzonder van het SGP, zijn van toepassing op de overheid als geheel, d.w.z. de subsectoren van de centrale overheid, deelstaatoverheid, lagere overheid en de wettelijke socialeverzekeringsinstellingen, als omschreven in Verordening (EG) nr. 2223/96.

(24)

In een groot aantal lidstaten heeft zich, met de overdracht van begrotingsbevoegdheden aan subnationale overheden, een verregaande begrotingsdecentralisatie voltrokken. Deze subnationale overheden zijn daardoor een veel grotere rol gaan spelen in de handhaving van het SGP; daarom moet er vooral maar niet uitsluitend in die lidstaten in het bijzonder op worden gelet dat alle subsectoren van de overheid naar behoren onder de verplichtingen en procedures van de binnenlandse begrotingskaders vallen.

(25)

Om de begrotingsdiscipline en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën daadwerkelijk te bevorderen, moeten de begrotingskaders de overheidsfinanciën volledig bestrijken. Daarom dient bijzondere aandacht te worden besteed aan transacties van die instellingen en fondsen van de overheid die niet zijn opgenomen in de reguliere begrotingen op subsectorniveau, die onmiddellijk of op middellange termijn gevolgen hebben voor de begrotingssituaties van de lidstaten. De gecombineerde impact ervan op het overheidssaldo en de overheidsschuld dient te worden gepresenteerd in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures en van de begrotingsplannen voor de middellange termijn.

(26)

Op dezelfde manier dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bestaan van voorwaardelijke verplichtingen. Meer bepaald betreffen voorwaardelijke verplichtingen mogelijke verplichtingen die van onzekere toekomstige gebeurtenissen afhangen, of bestaande verplichtingen waarbij betaling onwaarschijnlijk is of het bedrag van de waarschijnlijke betaling niet op een betrouwbare manier kan worden vastgesteld. Zij bevatten bijvoorbeeld relevante informatie over staatsgaranties, oninbare leningen en uit de werking van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen, met inbegrip, in voorkomend geval, van informatie over de waarschijnlijkheid en mogelijke vervaldag(en) van uitgave(n) voor voorwaardelijke verplichtingen. Marktgevoeligheden moeten naar behoren in aanmerking worden genomen.

(27)

De Commissie dient de uitvoering van deze richtlijn regelmatig te controleren. Beste praktijken betreffende de bepaling van deze richtlijn die handelen over verschillende aspecten van de nationale begrotingskaders moeten worden geïdentificeerd en gedeeld.

(28)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het garanderen van uniforme inachtneming van de begrotingsdiscipline zoals door het VWEU wordt voorgeschreven, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en daarom beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(29)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord inzake beter wetgeven (8) worden de lidstaten aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Unie hun eigen tabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

In deze richtlijn worden gedetailleerde voorschriften vastgesteld voor de kenmerken van de begrotingskaders van de lidstaten. Die voorschriften zijn noodzakelijk om te waarborgen dat de lidstaten de verplichtingen om overeenkomstig het VWEU buitensporige overheidstekorten te vermijden, naleven.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van „overheid”, „tekort” en „investeringen” die zijn neergelegd in artikel 2 van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol (nr. 12) betreffende de procedure bij buitensporige tekorten. De definitie van subsectoren van de overheid die is neergelegd in punt 2.70 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 2223/96 is van toepassing.

Daarnaast is de volgende definitie van toepassing:

„begrotingskader”: het samenstel van regelingen, procedures, regels en instellingen dat aan het voeren van het begrotingsbeleid door de overheid ten grondslag ligt, en met name:

HOOFDSTUK II

BOEKHOUDING EN STATISTIEKEN

Artikel 3

1.   Wat de nationale stelsels voor overheidsboekhouding betreft, beschikken de lidstaten over stelsels voor overheidsboekhouding die volledig en coherent alle subsectoren van de overheid bestrijken en die de informatie bevatten die nodig is voor het genereren van transactiegegevens ter voorbereiding van op de ESR 95-norm gebaseerde gegevens. Die stelsels voor overheidsboekhouding zijn aan interne controle en onafhankelijke audits onderworpen.

2.   De lidstaten waarborgen dat de begrotingsgegevens van alle subsectoren van de overheid zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 2223/96 regelmatig en tijdig openbaar beschikbaar zijn. In het bijzonder publiceren de lidstaten:

a)

begrotingsgegevens op kasbasis (of, bij het ontbreken daarvan, overeenkomstige gegevens uit de overheidsboekhouding) met de volgende intervallen:

maandelijks voor de centrale overheid, de deelstaatoverheid en de socialeverzekeringssubsectoren vóór het einde van de volgende maand, en

driemaandelijks voor de subsector lagere overheden, vóór het einde van het volgende kwartaal;

b)

een gedetailleerde afstemmingstabel met de methode voor de overschakeling van gegevens op kasbasis (of, bij het ontbreken daarvan, overeenkomstige gegevens uit de overheidsboekhouding) naar op de ESR 95-norm gebaseerde gegevens.

HOOFDSTUK III

PROGNOSES

Artikel 4

1.   De lidstaten zien erop toe dat de begrotingsplanning is gebaseerd op realistische macro-economische en budgettaire prognoses die van de meest actuele informatie gebruikmaken. De begrotingsplanning is gebaseerd op het meest waarschijnlijke macrobudgettaire scenario of op een meer prudent scenario. De macro-economische en budgettaire prognoses worden vergeleken met de recentste prognoses van de Commissie en indien passend die van andere onafhankelijke instanties. Aanzienlijke verschillen tussen het gekozen macrobudgettaire scenario en de Commissieprognoses dienen te worden beschreven en beargumenteerd, met name als het niveau of de groei van variabelen in externe aannames aanzienlijk afwijkt van de waarden in de prognoses van de Commissie.

2.   De Commissie maakt de methoden, aannames en relevante parameters waarop haar macro-economische en budgettaire prognoses zijn gebaseerd, openbaar.

3.   Ter ondersteuning van de lidstaten bij de voorbereiding van hun begrotingsprognoses stelt de Commissie prognoses op voor de uitgaven van de Unie op basis van het niveau van de in het kader van het meerjarig financieel kader geprogrammeerde uitgaven.

4.   In het kader van een gevoeligheidsanalyse worden in de macro-economische en budgettaire prognoses de ontwikkelingen van de belangrijkste begrotingsvariabelen onder verschillende groei- en renteaannames onderzocht. De selectie van de alternatieve aannames die voor de macro-economische en budgettaire prognoses worden gehanteerd, wordt afhankelijk gesteld van de correctheid van in het verleden opgestelde prognoses en tracht rekening te houden met relevante risicoscenario’s.

5.   De lidstaten geven aan welke instelling verantwoordelijk is voor het opstellen van macro-economische en budgettaire prognoses en maken de officiële macro-economische en budgettaire prognoses die voor begrotingsplanning zijn opgesteld openbaar, met inbegrip van de methoden, aannames en relevante parameters die deze prognoses onderbouwen. Ten minste eenmaal per jaar gaan de lidstaten en de Commissie een technische dialoog aan over de aannames die ten grondslag liggen aan de voorbereiding van de macro-economische en begrotingsprognoses.

6.   De macro-economische en budgettaire prognoses voor begrotingsplanning worden op gezette tijden onderworpen aan een onpartijdige en volledige evaluatie op basis van objectieve criteria, inclusief evaluaties achteraf. De resultaten van die evaluatie worden openbaar gemaakt en bij toekomstige macro-economische en budgettaire prognoses waar nodig in aanmerking genomen. Indien uit de evaluatie een significante afwijking blijkt die gedurende ten minste vier opeenvolgende jaren van invloed is op de macro-economische prognoses neemt de betrokken lidstaat de nodige maatregelen en maakt hij een en ander openbaar.

7.   De schuld en het begrotingstekort van de lidstaten per kwartaal en de ontwikkeling daarvan worden ten minste om de drie maanden door de Commissie (Eurostat) bekendgemaakt.

HOOFDSTUK IV

CIJFERMATIGE BEGROTINGSREGELS

Artikel 5

Elke lidstaat beschikt over voor hem specifieke cijfermatige begrotingsregels die de naleving over een meerjarige horizon voor de overheid als geheel van de uit het VWEU op het vlak van begrotingsbeleid voortvloeiende verplichtingen doeltreffend bevorderen. Deze regels bevorderen in het bijzonder het volgende:

a)

naleving van de overeenkomstig het VWEU vastgestelde referentiewaarden voor het tekort en de schuld;

b)

vaststelling van een meerjarige planninghorizon voor de begroting, met inbegrip van inachtneming van de middellangetermijndoelstellingen van de begroting van de lidstaat.

Artikel 6

1.   Onverminderd de bepalingen van het VWEU betreffende het uniale kader voor begrotingstoezicht bevatten de landspecifieke cijfermatige begrotingsregels bijzonderheden over de volgende elementen:

a)

de omschrijving van de doelstellingen en het toepassingsgebied van de regels;

b)

effectieve en tijdige monitoring van de inachtneming van de regels, gebaseerd op een betrouwbare en onafhankelijke analyse door onafhankelijke instanties of instanties die ten overstaan van de begrotingsautoriteiten van de lidstaten functioneel autonoom zijn;

c)

de gevolgen in geval van niet-naleving.

2.   Indien de cijfermatige begrotingsregels ontsnappingsclausules bevatten, worden hierin een beperkt aantal specifieke omstandigheden in verband met de voor de lidstaten uit het VWEU voortvloeiende verplichtingen op het gebied van begrotingsbeleid, en stringente procedures omschreven waarin tijdelijke niet-naleving van de regel is toegestaan.

Artikel 7

In de nationale wetgeving betreffende de jaarlijkse begroting wordt rekening gehouden met de geldende landspecifieke cijfermatige begrotingsregels.

Artikel 8

De artikelen 5 tot en met 7 zijn niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk.

HOOFDSTUK V

BEGROTINGSKADERS VOOR DE MIDDELLANGE TERMIJN

Artikel 9

1.   De lidstaten stellen een geloofwaardig, doeltreffend begrotingskader voor de middellange termijn vast dat voorziet in een planningshorizon van ten minste drie jaar voor de begroting om te waarborgen dat bij de nationale begrotingsplanning wordt uitgegaan van een meerjarenperspectief.

2.   Begrotingskaders voor de middellange termijn omvatten procedures voor de vaststelling van de volgende elementen:

a)

algemene en transparante meerjarige begrotingsdoelstellingen voor het overheidstekort, de overheidsschuld en eventuele andere samenvattende begrotingsindicatoren, zoals de uitgaven, om te waarborgen dat deze stroken met de geldende cijfermatige begrotingsregels als bedoeld in hoofdstuk IV;

b)

prognoses voor elke belangrijke uitgaven- en ontvangstenpost van de overheid, met meer gegevens voor het niveau van de centrale overheid en de wettelijke socialeverzekeringsinstellingen, voor het betreffende begrotingsjaar en latere jaren, bij ongewijzigd beleid;

c)

een beschrijving van de geplande beleidsmaatregelen voor de middellange termijn die gevolgen hebben voor de overheidsfinanciën, uitgesplitst naar de voornaamste ontvangsten- en uitgavenposten, waarbij wordt getoond op welke wijze de aanpassing aan de middellangetermijndoelstellingen voor de begroting wordt verwezenlijkt, afgezet tegen de prognoses bij ongewijzigd beleid;

d)

een beoordeling van de wijze waarop de voorgenomen beleidsmaatregelen in het licht van hun rechtstreekse langetermijnimpact op de overheidsfinanciën de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn zouden kunnen beïnvloeden.

3.   Binnen het begrotingskader voor de middellange termijn vastgestelde prognoses worden gebaseerd op realistische macro-economische en budgettaire prognoses overeenkomstig hoofdstuk III.

Artikel 10

De wetgeving betreffende de jaarlijkse begroting is in overeenstemming met de bepalingen van het begrotingskader voor de middellange termijn. Met name inkomsten- en uitgavenprognoses en prioriteiten die uit het begrotingskader voor de middellange termijn als omschreven in artikel 9, lid 2, voortvloeien, vormen de basis voor de opstelling van de jaarlijkse begroting. Elke afwijking van deze bepalingen wordt naar behoren uitgelegd.

Artikel 11

Geen van de bepalingen van deze richtlijn belet dat de nieuwe regering van een lidstaat het begrotingskader voor de middellange termijn aanpast aan haar nieuwe beleidsprioriteiten. In dit geval geeft de nieuwe regering de verschillen met het voorgaande begrotingskader voor de middellange termijn aan.

HOOFDSTUK VI

TRANSPARANTIE VAN DE OVERHEIDSFINANCIËN EN ALOMVATTEND TOEPASSINGSGEBIED VAN DE BEGROTINSKADERS

Artikel 12

De lidstaten zien erop toe dat alle maatregelen die zij nemen met het oog op de naleving van de hoofdstukken II, III en IV, consequent op alle subsectoren van de overheid worden toegepast. Dit vereist in het bijzonder consequente boekhoudregels en -procedures en integere verzamelings- en verwerkingssystemen voor de onderliggende gegevens.

Artikel 13

1.   De lidstaten stellen passende coördinatiemechanismen voor de subsectoren van de overheid vast om te bewerkstelligen dat alle subsectoren van de overheid consequent worden meegenomen in de begrotingsplanning, de landspecifieke cijfermatige begrotingsregels, alsook bij het opstellen van begrotingsprognoses en een meerjarenplanning, zoals met name in het meerjarige begrotingskader is bepaald.

2.   Teneinde de budgettaire verantwoordingsplicht te veralgemenen worden de budgettaire verantwoordelijkheden van de overheidsinstanties in de verschillende subsectoren van de overheid op duidelijke wijze vastgesteld.

Artikel 14

1.   In het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures worden alle instellingen en fondsen van de overheid die niet in de reguliere begrotingen op subsectorniveau zijn opgenomen, vermeld en samen met andere relevante informatie gepresenteerd. De gecombineerde impact van die instellingen en fondsen op het overheidssaldo en de overheidsschuld, wordt gepresenteerd in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedures en de begrotingsplannen voor de middellange termijn.

2.   De lidstaten publiceren gedetailleerde informatie over de gevolgen van belastinguitgaven voor de ontvangsten.

3.   Voor alle subsectoren van de overheid publiceren de lidstaten relevante informatie over voorwaardelijke verplichtingen met mogelijk grote gevolgen voor de overheidsbegrotingen, zoals onder meer overheidsgaranties, oninbare leningen en uit de exploitatie van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen, met vermelding van de omvang ervan. Tevens publiceren de lidstaten informatie over overheidsparticipaties in kapitaal van particuliere en overheidsbedrijven, voor zover het om economisch significante bedragen gaat.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 15

1.   De lidstaten doen de nodige bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2013 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van deze bepalingen mee. De Raad spoort de lidstaten ertoe aan voor zichzelf en in het belang van de Unie hun eigen concordantietabellen op te stellen, die voor zover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

2.   Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

3.   De Commissie stelt op basis van relevante informatie van de lidstaten een tussentijds voortgangsverslag op over de uitvoering van de belangrijkste bepalingen van deze richtlijn, dat uiterlijk op 14 december 2012 wordt voorgelegd.

4.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 16

1.   Uiterlijk op 14 december 2018 publiceert de Commissie een beoordeling van de geschiktheid van deze richtlijn.

2.   In deze beoordeling wordt onder meer de geschiktheid geëvalueerd van:

a)

de statistische vereisten voor alle subsectoren van de overheid;

b)

de opzet en de doeltreffendheid van de cijfermatige begrotingsregels in de lidstaten;

c)

het algemene transparantieniveau van de overheidsfinanciën in de lidstaten.

3.   Uiterlijk op 31 december 2012 stelt de Commissie een beoordeling op van de geschiktheid van de Internationale normen voor overheidsboekhouding voor de lidstaten.

Artikel 17

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 november 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

J. VINCENT-ROSTOWSKI


(1)  Advies van het Europees Parlement van 28 september 2011 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 150 van 20.5.2011, blz. 1.

(3)  PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

(4)  PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(5)  PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1.

(6)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(7)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(8)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.